Poging tot het ontwikkelen van een christelijke leer
x
Gebruik de knoppen om door de historische teksten te lopen:
Informatie over dit document
An essay on the development of Christian Doctrine
Poging tot het ontwikkelen van een christelijke leer
John Henry Newman
1845
Kerkelijke schrijvers - Essays
1947, Uitg. Paul Brand - Bussum
Imprimatur: H.J.H.M. Fortman
Imprimatur: H.J.H.M. Fortman
Vert. uit het Engels
Tekst wordt in delen toegevoegd, naargelang de digitalisering vordert. De tekstgedeelten omgeven door (( ... )) is conform de tekstgedeelten met [ .. ] in de boekuitgave.
Notenapparaat wordt nog aangevuld.
Zie de gebruiksvoorwaarden van de documenten
Tekst wordt in delen toegevoegd, naargelang de digitalisering vordert. De tekstgedeelten omgeven door (( ... )) is conform de tekstgedeelten met [ .. ] in de boekuitgave.
Notenapparaat wordt nog aangevuld.
Zie de gebruiksvoorwaarden van de documenten
1955
P. Aurelius Pompen ofm
20 maart 2026
4994
nl
Referenties naar dit document: 6
Open uitgebreid overzichtReferenties naar dit document van thema's en berichten
Open uitgebreid overzichtExtra opties voor dit document
Kopieer document-URL naar klembord Reageer op dit document Deel op social mediaInhoudsopgave
Uitklappen
- EERSTE GEDEELTE - ONTWIKKELINGEN VAN DE GELOOFSWAARHEDEN IN ZICH BESCHOUWD
- INLEIDING
1. Het Christendom heeft nu al zó lang in de wereld bestaan, dat we wel gerechtigd zijn het te behandelen als een objectief gegeven in de wereldgeschiedenis. Zijn aard en karakter, zijn leerstellingen, bevelen en doelstellingen kan men niet meer Beschouwen als persoonlijke opinies of wetenschappelijke gevolgtrekkingen, tenzij men eveneens de instellingen van Sparta of de religie van Mahomed als zodanig zou willen beschouwen. Wel heeft men het recht er theorieën over op te zetten; men kan de vraag stellen, waarin zijn zedelijke en politieke kracht gelegen is, welke plaats het inneemt in de rangorde van begrippen of feiten, waarover wij beschikken, of het goddelijk of menselijk van aard is, of het oorspronkelijk is of eclectisch, of allebei tegelijk, in hoeverre het bevorderlijk is voor de beschaving of voor de wetenschap, of het een religie is voor alle tijden of alleen maar voor een bepaald stadium van de maatschappij; dit alles zijn vragen betreffende het feitelijk gegeven, of pogingen om het te verklaren, en daarover kunnen de meningen verschillen; maar op iets feitelijks hebben ze betrekking, ze gaan uit van de veronderstelling, dat er een objectief gegeven is, hetwelk evenals andere objectieve gegevens geconstateerd worden en ook als geheel inderdaad geconstateerd is, tenzij men het getuigenis van zoveel eeuwen als waardeloos zou willen beschouwen. Het Christendom is niet een theorie van kamergeleerden of kluizenaars. Sedert lang zoekt niemand het meer in de dode letter van historische documenten of in de redeneringen van bepaalde personen; het is publiek eigendom geworden. Zijn ,geluid is over de gehele aarde uitgegaan', en zijn ,,woorden tot de einden der wereld". Van het begin af aan is het een objectieve realiteit geweest en heeft het een beroep gedaan op de grote menigte. Zijn tehuis is de wereld; en willen wij nagaan, wat het dan in werkelijkheid is, dan moeten wij het gaan zoeken in de wereld, en horen wat de wereld ervan getuigt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media2. Toch heeft in de moderne tijd de hypothese veel aanhang gevonden, die beweert, dat het Christendom niet tot het domein der geschiedenis behoort, dat het voor elk afzonderlijk mens is wat elk afzonderlijk ervan denkt, en anders niets; en dat het dus feitelijk niets anders is dan een verzamelnaam voor een groep of kring van elkander beconcurrerende religies, die in tegenspraak zijn met elkander, maar toch dezelfde naam opeisen, niet omdat men één bepaalde leerstelling kan aanwijzen als gemeenschappelijk fondament, maar omdat men hier en daar bepaalde punten kan vinden, waarin zij op een of andere manier overeenstemmen,· en waardoor ieder van die religies op haar beurt samenhangt met de ene of de andere van de rest. Anderzijds heeft men willen beweren, althans indirect en impliciet, dat alle bestaande christelijke gezindten op een dwaalspoor zijn, omdat geen enkele het Christendom vertegenwoordigt, zoals het werd geleerd door Christus en zijn Apostelen; dat de oorspronkelijke religie geleidelijk in verval is geraakt of hopeloos bedorven is; nog sterker, dat die religie reeds bij haar geboorte in de wereld uitstierf, en fluks werd opgevolgd door een namaaksel of door namaaksels, die zich alle de oorspronkelijke naam aanmatigden, ofschoon ze hoogstens enkele fragmenten van de leer als erfstuk kregen; of liever nog, dat men niet eens zeggen kan, dat het Christendom in verval is geraakt of uitgestorven is, omdat het historisch geen enkele eigen zelfstandigheid bezit, maar van het begin af aan en altijd door, niets anders op het wereldtoneel is geweest dan een louter allegaartje van leerstellingen en praktijken, die van buiten waren gekomen, aan Oosterse, Platoonse, Polytheïstische bronnen ontleend, uit het Boeddhisme, het Essenisme, het Manichaeïsme; of dat, zo het ware Christendom ook al bestaat, het toch alleen maar een verborgen en geisoleerd leven geniet, in de harten der uitverkorenen, ofwel als een wetenschap of een levensbeschouwing, waarvan men op geen enkele wijze kan nagaan, laat staan bewijzen, dat ze van boven komt, doch die slechts gelden kan als een van die vele afzonderlijke ingevingen omtrent het Hoogste Wezen en de menselijke plicht, waarmee een onbekende Voorzienigheid, in de natuur of in de wereld ons heeft begiftigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media3. Dergelijke opvattingen van het Christendom gaan alle uit van de veronderstelling, dat er geen voldoende historisch bewijsmateriaal bestaat om allerlei ongefundeerde en onafhankelijke hypothesen betreffende dat Christendom de pas af te snijden of tenminste te weerleggen. Maar die veronderstelling is toch zeker niet vanzelfsprekend en moet dan toch eerst bewezen worden. Zolang men geen positieve op feiten steunende argumenten kan aanvoeren voor het tegendeel, is de meest voor de hand liggende hypothese toch zeker die, welke het meest overeenkomt met de gewone manier van redeneren in soortgelijke gevallen en welke dus steeds aan alle andere moet voorafgaan, namelijk, aan te nemen: dat de gezamenlijke Christenen die de Apostelen achterlieten op aarde, van diezelfde religie waren waartoe de Apostelen hen hadden bekeerd; dat de uiterlijke continuïteit van naam, belijdenis en gemeenschap wijst op een werkelijke continuïteit van leer; dat het Christendom zich in die bepaalde vorm en houding aan de mensheid bleef openbaren, waarin het zich van de aanvang af had geopenbaard; en dit des te meer wijl de stem der profeten reeds had voorzegd, dat het een zichtbare macht in de wereld zou zijn en tegelijk er boven verheven, kenmerken die naar de letter vervuld zijn in dat historische Christendom waaraan wij gemeenlijk die naam geven. Het is dus volstrekt geen moedwillige veronderstelling, het is slechts het afwijzen van een willekeurig beginsel, dat noodzakelijkerwijze tot het meest ergerlijke en dwaze scepticisme zou leiden, als wij aannemen, zolang het tegendeel niet bewezen is,- dat het Christendom van de tweede, de vierde, de zevende, de twaalfde, de zestiende eeuw, en van alle daartussen liggende eeuwen in wezen dezelfde religie is als die, welke Christus en Zijn Apostelen in de eerste eeuw hadden gepredikt, hoedanig het ook ten goede of ten kwade gewijzigd werd door de loop der jaren of door de wisselvalligheden van het menselijk bestaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaNatuurlijk wil ik de mogelijkheid van uiterst vergaande veranderingen niet in abstracto ontkennen. Theoretisch is het zeker denkbaar, dat het oorspronkelijk Christendom verdrongen is door een namaaksel, door middel van het handig in de plaats stellen van nieuwe tijden, plaatsen en personen, zodat ten slotte, volgens het bekende voorbeeld van het zwaard, waarvan om beurten het gevest en de kling worden vernieuwd, de identiteit verloren gaat zonder verlies van continuïteit. Mogelijk is het, maar van tevoren aannemelijk is het niet. De bewijslast rust op degenen, die beweren wat men natuurlijkerwijze niet verwachten kan; al is men enigszins in staat om aan iets te twijfelen, dan is men nog niet gerechtigd dat iets te verwerpen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media4. Daarom zijn dan ook sommige schrijvers er toe overgegaan aan de Geschiedenis renen te ontlenen voor hun afwijzing van een beroep op de geschiedenis. Zij beweren, dat zij, het lezen van de bronnen en de documenten van het christendom uit het verleden, tot de bevindingen zijn gekomen, dat zijn leerstellingen op zoozeer verschillende wijzen worden voorgesteld, en zo inconsequent worden geformuleerd. Door zijn belijders, dat - het mogen a priori dan nog zo natuurlijk zijn - het feitelijk nutteloos is om in de geschiedenis naar de inhoud te zoeken van die Revelatie, die aan de mensheid is ten deel gevallen; dat het voor hen onmogelijk is historische Christenen te zijn, ook al zouden ze het willen. Met de woorden van Chillingworth William Chillingworth, Works,...William Chillingworth, Works, 1638; nieuwe uitgave 1838 zeggen ze: “Pausen staan tegenover pausen, concilies tegenover concilies, vaders tegenover andere vaders , dezelfde vaders tegenover zichzelf, een eenstemmigheid van vaders van de ene eeuw tegen een eenstemmigheid van de vaders in de andere eeuw, de Kerk van de ene eeuw tegenover de Kerk van de andere eeuw.” Daarom voelen ze zich genoodzaakt, willens of onwillens, hun toevlucht te nemen tot de Bijbel enige bron van de Revelatie, en tot hun eigen persoonlijk oordeel enige verklaarder van de daarin vervatte leer. Dit is een aannemelijke redenering, als men de feiten kan bewijzen, en hiermee kom ik nu terstond tot het eigenlijke onderwerp van deze Proeve. Niet dat het mijn bedoeling is, al zou het wel te doen zijn, om ieder afzonderlijk punt van het requisitoir van een handig maar oppervlakkig schrijver als onwaar te bewijzen; maar anderzijds ben ik ook niet van plan om datgene, wat hij te brengt ten nadele van een historisch Christendom, te ontkennen i zijn geheel. Integendeel, ik zal erkennen, dat er in de christelijke leer feitelijk bepaalde ogenschijnlijke variaties zijn, die verklaard moeten worden; daarmee zal ik beginnen, en daarna zal ik een poging doen om die verklaring te geven, zodat er op het punt van eenheid, duidelijkheid en consequentie geen blaam meer kleeft aan die leer zelf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media5. Alvorens echter hiermee aan te vangen, wil ik één enkele opmerking richten tot Chillingworth en zijn vrienden. Laat hen namelijk overwegen, dat zij wel de geschiedenis kunnen critiseren, maar dat de feiten der geschiedenis zich zeker ook tegen hen kunnen keren. Ik geef toe, dat de geschiedenis betreffende dit grote onderwerp duidelijker taal zou kunnen spreken dan zij feitelijk doet. Een grote concessie is dit niet. De geschiedenis is nu eenmaal geen geloofsbelijdenis en geen catechismus; ze geeft lessen maar ze geeft geen regels; maar haar algemene lering over deze zaak, men kan ze aannemen of men kan er aanstoot aan nemen, misverstaan kan men ze niet. Zware omtrekken en brede kleurmassa's rijzen op uit de gedenkstukken van het verleden. Ze mogen vaag zijn, ze mogen onvolledig zijn; maar ze zijn onmiskenbaar. En één ding tenminste staat vast: wat de geschiedenis ook leert, wat zij ook onvermeld laat, wat zij ook overschat of onderschat, wat zij ook zegt of ontkent, het Christendom van de geschiedenis is tenminste niet het Protestantisme. Als er ooit een onbetwistbare waarheid geweest is, dan is het deze.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEn dat heeft het Protestantisme ook altijd wel gevoeld. Ik wil niet zeggen, dat ieder verdediger van het Protestantisme dat gevoeld heeft; want in het begin was het mode, althans gebruikelijk als rhetorisch argument tegen Rome, een beroep te doen op vroegere eeuwen, of _sommige vroegere eeuwen; maar het Protestantisme als geheel voelt het en heeft het gevoeld. Dit blijkt uit de reeds vermelde beslistheid, waarmee het historisch Christendom ten enen male wordt afgewezen, en een Christendom wordt gevormd uit de Bijbel alleen: men zou dat nooit zo beslist hebben afgewezen, als men daaromtrent nog enige illusies had gekoesterd. Dat blijkt ook uit het lange tijd verwaarlozen van de kerkelijke geschiedenis, hetgeen zelfs te constateren is in de Engelse Kerk. Onze volksreligie heeft nauwelijks enig besef van de twaalf lange eeuwen, die verliepen tussen het Concilie van Nicea en dat van Trente, tenzij om er een of twee feiten uit op te diepen, die dienen moeten als illustratie voor fantastische interpretaties van bepaalde profetieën van Sint Paulus of Sint Jan. Het is bedroevend het te moeten constateren, maar de voornaamste, misschien zelfs de enige Engelse schrijver, die enig recht heeft op de naam van kerkelijk geschiedschrijver, is de ongelovige Gibbon. Wie de geschiedenis goed kent, houdt op Protestant te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media6. En deze totale tegenstrijdigheid tussen het Protestantisme en het historische Christendom is een onmiskenbaar feit zowel wat betreft de vroegste als de latere eeuwen van het Christendom. De Protestanten kunnen het evenmin vinden met de tijd vóór Nicea als met die daarna. Elders 327; in de standaarduitgave van Historical Sketches, I, 118[[9664]] (2 Kon. 19, 5; Ex. 15, 10; Num. 26, 65)[[b:2 Kon. 19, 5; Ex. 15, 10; Num. 26, 65]] Ex. 15, 30Ex. 15, 30 heb ik hierover geschreven: "De Protestant moet althans toegeven, dat, zo er al ooit in de eerste eeuwen een leerstelsel heeft bestaan als wat hij nu wil invoeren, het volkomen als door een zondvloed weggevaagd is, plotseling, ongemerkt, en zonder iets achter te laten; door een zondvloed in de nacht, die elk spoor van wat hij vond in de Kerk totaal opgezogen, verteerd, meegesleurd en weggevoerd heeft nog voor het hanengekraai: zodat ,toen zij zich des morgens vroeg opmaakten', al haar echte nakomelingen ,dode lichamen waren'. Dood niet alleen, maar begraven en zonder grafzerk. ,De zee heeft ze bedekt'; ,daar was niemand van hen overgebleven', ,zij zonken onder als lood in geweldige wateren'. Wel een wonderlijk antitype van wat er gebeurd was in het oude Israël - toen waren de vijanden verdronken, en 'Israël zag hen dood aan de oever der zee'. Laat de Protestant dus maar nemen welke van zijn leerstellingen hij wil, zijn eigenaardige opvatting van zelfgerechtigheid, van formalisme, van superstitie; zijn begrip van het geloof, of van spiritualiteit in de eredienst; zijn ontkenning van de kracht der sacramenten, van de priesterlijke zending, of van de zichtbare Kerk; of ook zijn leer van de goddelijke werkdadigheid der Schriften als enig aangewezen leerboek voor het godsdienstonderricht; en laat hem dan eens nagaan in hoever hij in de gehele Oudheid, zoals wij die kennen, enige steun kan vinden voor zijn opvattingen. Neen, hij moet toegeven, dat die zondvloed z'n werk gedaan heeft; ja, en dat die zondvloed op zijn beurt verzwolgen is door de aarde, genadeloos zoals hij zelf genadeloos was".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet is dus gemakkelijk genoeg vast te stellen, dat het Protestantisme in geen geval het Christendom der geschiedenis is; maar een redenering ad hominem is een goedkoop bedrijf in de polemiek als het gaat over het vaststellen van een feit, en hoe groot de heftigheid en de overdrijving van schrijvers als Chillingworth ook mogen zijn, - als zij een zakelijke moeilijkheid hebben opgeworpen, dan wordt een zakelijk antwoord vereist. Wat wij dus moeten vaststellen is dit, of het Christendom voor ons nog altijd een bepaalde leer vertegenwoordigt die van boven komt, dan wel of zijn uitspraken van tijd tot tijd zozeer met elkander in tegenspraak zijn geweest, dat wij noodzakelijkerwijze op ons eigen oordeel zijn aangewezen, en ieder voor zich maar moet uitmaken wat de Revelatie van God bevat, of liever, of er feitelijk wel een Revelatie bestaat en ooit bestaan heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media7. Aan de tegenstanders van een historisch Christendom dan geef ik toe, dat er in de 1800 jaren van zijn bestaan bepaalde ogenschijnlijke inconsequenties en wijzigingen in zijn leer en eredienst te vinden zijn, die onweerstaanbaar de aandacht trekken van al degenen, die daaromtrent een onderzoek instellen. Ze zijn wel niet voldoende om de algemene aard en gang van de religie te verstoren, maar ze leiden toch tot de vraag, hoe ze zijn ontstaan en wat ze betekenen; en daarover zijn reeds verschillende hypothesen opgesteld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEen van deze hypothesen houdt het er voor, dat het Christendom van het begin af aan veranderlijk is geweest, en zich steeds aanpast aan de omstandigheden van tijd en plaats. Maar het valt moeilijk in te zien, hoe zulk een opvatting kan samengaan met het begrip van een geopenbaarde waarheid; en feitelijk blijken de voorstanders van deze opvatting de bovennatuurlijke aanspraken van het Christendom min of meer prijs te geven, of vertonen zij althans neiging daartoe; derhalve behoeven wij ons met hen niet verder bezig te houden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEen tweede en meer plausibele hypothese komt van de Anglicaanse theologen, die de overtalrijke verschijnselen waarover het gaat, met elkander in overeenstemming en in vorm willen brengen door als ontaarding af te snijden en weg te werpen alle gebruiken, levenswijzen, meningen en leerpunten, die niet de sanctie bezitten van de vroegste tijden. Zij beweren, dat de geschiedenis ons aanvankelijk een zuiver Christendom toont in het Oosten en in het Westen, en daarna een bedorven Christendom; en dan is het natuurlijk hun plicht de grenzen te trekken tussen datgene, wat bedorven, en datgene, wat zuiver is, en de datum vast te stellen, waarop die verschillende veranderingen van goed naar kwaad werden ingevoerd. Ze menen zulk een beginsel van afgrenzing voor dergelijke gevallen te hebben gevonden in het gezegde van Vincentius van Lerins, dat geopenbaarde en Apostolische leer is "quod semper, quod ubique, quod ab omnibus", een beginsel, dat op het hele terrein der historie onfeilbaar de gezaghebbende leer scheidt van het persoonlijke denkbeeld, het foutieve verwerpt, en het ware combineert en vormt tot een theologie. Dit gezegde, dat tot het Christendom namelijk behoort "wat altijd, wat overal, wat door allen" geloofd en gepraktizeerd is, belooft ongetwijfeld een oplossing voor de verwikkelingen en een interpretatie van de zin der geschiedenis. Wat kan er natuurlijker zijn dan dat theologen en groepen van mensen nu eens uit zichzelf spreken en dan weer uit de traditie? Wat natuurlijker dan dat zij individueel dingen zeggen uit een opwelling, of in opgewondenheid, of als gissingen, of uit onwetendheid, wat zekerder dan dat ze allen de Geloofsbelijdenis der Apostelen moeten ontvangen en geleerd hebben? Wat duidelijker dan dat datgene, wat van henzelf kwam, in zekere mate ook persoonlijk moet geweest zijn en moet verschild hebben van datgene, wat eveneens eigen en persoonlijk was bij hun broederen? En derhalve wat meer vanzelfsprekend dan dat de leer, die door allen gelijkelijk wordt gegeven, in werkelijkheid niet hun eigen leer was, maar publiek bezit, waaraan zij allen gezamenlijk deel hadden, en wegens de eenstemmigheid van zovele getuigen blijkbaar uit een Apostolische bron stamt? In deze regel hebben we dus een korte en gemakkelijke methode om de uiteenlopende gegevens van de kerkelijke geschiedenis te coördineren en hij krijgt daardoor een waarschijnlijkheid a priori, die we slechts mogen verwaarlozen, als hij te kort schiet. Daarmede hebben we een nauwkeurig en bevredigend motief, waarom we de vroegere eeuwen moeten hoogschatten en de latere kunnen verwaarlozen, waarom we de Geloofsbelijdenis van Pius IV afwijzen en de Negenendertig Artikelen aanvaarden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media8. Ziedaar dan de regel van historische interpretatie, die gevolgd is door de theologen van de Engelse school; en hij bevat een majestueuze waarheid, geeft een begrijpelijk beginsel, en ziet er alleszins redelijk uit. Hij ligt in de Anglicaanse geest, hij is ermee vergroeid, kan men zeggen, want hij houdt het juiste midden, doordat hij het gezag der Vaders niet verwerpt en dat van de Paus niet erkent. Een eenvoudige regel hebben we hier, waaraan we de waarde van ieder historisch feit, dat ons treft, kunnen afmeten; en daarmee wordt ons een bolwerk tegen Rome verschaft en tegelijk een uitvalpoort tegen het Protestantisme. Ziedaar, wat die regel belooft; maar de moeilijkheid bestaat in de toepassing op bijzondere gevallen. Hij is dienstiger voor het bepalen van datgene, wat het Christendom niet is, dat van datgene, wat het wèl is; hij verschaft ons een onweerstaanbaar argument tegen het Protestantisme, in zekere zin eveneens onweerstaanbaar tegen Engeland. Het treft Rome alleen dóór Engeland. Die regel kan men immers op twee verschillende manieren interpreteren: wil men hem verengen zó dat hij de katholiciteit aantast van de Geloofsbelijdenis van Paus Pius, dan vormt hij ook een bezwaar tegen die van de H. Athanasius; en neemt men hem zó ruim, dat hij de leerstellingen, die de Engelse Kerk bewaard heeft, onaangetast laat, dan sluit hij ook bepaalde leerstellingen van Rome, welke die Engelse Kerk ontkent, niet uit. Hij kan niet tegelijkertijd Sint Thomas en Sint Bernardus veroordelen, en Sint Athanasius en Sint Gregorius verdedigen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe algemene gebrekkigheid van deze regel in de practische toepassing is dan ook reeds gevoeld door degenen, die er zich op hebben beroepen. Iemand N.v.d.v.: Newan zelfN.v.d.v.: Newan zelf heeft het aldus uitgedrukt: "De regel van Vincentius is niet van demonstratieve of mathematische, maar van zedelijke aard, en men moet hem met veel practische zin en gezond verstand in toepassing brengen. Wat is er bijvoorbeeld bedoeld met ,altijd verkondigd'? Bedoelt men in iedere eeuw, of ieder jaar, of iedere maand? ,Overal', betekent dat in ieder land, of in ieder diocees? En als hij spreekt van ,de Eenstemmigheid der Vaders', moeten we dan een rechtstreeks getuigenis van ieder hunner overleggen? Hoeveel Vaders, hoeveel plaatsen, hoeveel teksten zijn er nodig om te voldoen aan de eisen van die regel? Uit de aard der zaak wordt hier dus een voorwaarde gesteld, die nooit zó volledig is te vervullen, als men wensen zou. Men moet hem bij de verschillende voorbeelden op verschillende en ongelijke wijzen toepassen; en welke mate van toepasselijkheid voldoende is, moet men beslissen krachtens dezelfde beginselen als die, welke ons leiden in het gewone leven, welke ons de weg wijzen in de politiek, in de handel, in de oorlog, welke er ons toe brengen de Revelatie aan te nemen (waarbij wij hoogstens op probabiliteit kunnen steunen) of zelfs te geloven in het bestaan van een wijze Schepper".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media9. Zo ver ging de man toen; maar hij voegde er bij: ,,Deze eigenaardigheid van de regel van Vincentius maakt hem des te dierbaarder aan de leerlingen van de school van Butler, omdat hij overeenstemt met de analogie van de natuur; maar hij verschaft tevens een gemakkelijke uitweg aan degenen, die zich niet willen laten overtuigen, en daarvan maken zowel Protestanten als Romanisten gaarne gebruik".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDit is toch wel de taal van polemisten, die er meer op uit zijn anderen aan te vallen dan zichzelf te verdedigen; alsof dergelijke uitwegen ook niet onontbeerlijk waren voor de Anglicaanse theologie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVerderop 44 zegt dezelfde schrijver: "Wat men met geen schijn van reden als leerstelling van de Vaders kan beschouwen, wat niet de minste aanspraak heeft op de titel van Katholieke waarheid, is de mening, dat de H. Petrus en zijn opvolgers universele Bisschoppen waren of zijn, dat zij het geheel van de Christenheid tot hun diocees hebben op een manier, die niet toekwam en niet toekomt aan de andere Apostelen en Bisschoppen". - Zeer waar, als het tenminste nodig is, dat een leer om Katholiek te mogen heten van het allereerste begin af formeel door de Vaders in het algemeen moet verkondigd zijn; maar onder diezelfde voorwaarde heeft ook de leer van de apostolische successie in de bisschoppelijke waardigheid niet de minste aanspraak op de titel van Katholieke waarheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDeze schrijver voelde de bijzondere moeilijkheid van zijn school wel; en hij trachtte ze te ontgaan door ze te ontkennen. Hij beweerde, dat de geheiligde leerpunten, die de Kerk van Engeland in haar Artikelen heeft opgenomen, in de oorspronkelijke Kerk verkondigd werden met een duidelijkheid, die de Kerk van Rome in de verste verte niet kon opeisen voor de leerpunten, die voor haar kenmerkend waren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDat staat in een ander opstel. Daar 5 zegt hij: "Wij beweren met overtuiging, dat er in de Athanasiaanse Geloofsbelijdenis geen enkel artikel over de Incarnatie staat, dat niet reeds vroeger werd geformuleerd in de polemiek met de Gnostieken. De ketterijen van Apollinaris en van Nestorius hebben geen enkele kwestie opgeworpen, die niet beslist kan worden met de woorden van Ignatius, Irenaeus en Tertullianus".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media10. Dit kan wel gelden als overeenkomstig de waarheid. Waar kon óók zijn, we zullen het hier althans laten gelden als waar, dat er in de Kerk van vóór Nicea een consensus bestond betreffende de leer van de medezelfstandigheid en gelijke Eeuwigheid van Christus met de Almachtige Vader. We mogen toegeven, dat al de leerpunten, die Christus betreffen, reeds consequent en eenvormig werden beleden door de oorspronkelijke Kerk, al waren ze nog niet formeel erkend in een Concilie. Maar geheel anders staat het toch zeker met de Katholieke leer van de Triniteit. Ik weet niet, in welke zin men kan spreken van een consensus over dit punt bij de oorspronkelijke theologen, zonder dat zulk een consensus evenzeer geldt voor bepaalde leerpunten van de Roomse Kerk, waarover straks. En dit is een punt, dat de bedoelde schrijver zich duidelijker voor de geest had moeten halen en zorgvuldiger had moeten overwegen; maar hij schijnt zich verbeeld te hebben, dat Bisschop Bull de oorspronkelijkheid van de Katholieke leer betreffende de Heilige Drievuldigheid even klaar had bewezen als die betreffende Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMen moet nu goed beseffen, wat er precies aangetoond moet worden door degenen, die dit willen bewijzen. Het spreekt vanzelf, dat de leer der Drievuldigheid reeds gedeeltelijk ligt opgesloten in de leer van Christus' Godheid en daardoor gedeeltelijk a priori aannemelijk wordt gemaakt; maar redeneringen a priori en uit opgesloten-liggen behoren tot een andere klasse van bewijsgronden, die nog niet ter sprake is gekomen. Daarenboven kunnen de uitspraken van een bepaalde Vader of Kerkleraar zeker heel belangrijk van aard zijn; maar één theoloog vormt nog niet een Catena. Daarvoor hebben we nodig een gehele leer, geformuleerd door een gehele Kerk. De Katholieke waarheid, waarover het gaat, bestaat uit een samenstel van afzonderlijke proposities, waarvan elk op zich, als zij de andere uitsluit, een ketterij is. Wil men dus bewijzen, dat alle schrijvers van vóór Nicea het dogma van de Heilige Drievuldigheid hebben geleerd, dan is het niet genoeg te bewijzen, dat ieder hunner uitdrukkingen gebruikt die ook ketters kunnen klinken - niet genoeg te bewijzen, dat de een heeft gezegd, dat de Zoon God is (want dat zei ook de Sabelliaan, en ook de Macedoniaan), een ander, dat de Vader niet de Zoon is (want dat zei ook de Ariaan), een derde, dat de Zoon gelijk is aan de Vader (want dat zei ook de Tritheist), en een vierde, dat er slechts één God is (want dat zei ook de Unitariër), niet genoeg, dat velen in zekere zin een Drievoudige Macht erkenden in het begrip van de Almachtige (want dat hebben bijna alle ketterijen, die ooit bestaan hebben, gedaan; en dat kon wel niet anders, als ze nog geloofden in het Nieuwe Testament); neen, we moeten aantonen, dat al die stellingen tegelijk, en nog andere daarbij, verkondigd zijn door een aantal verschillende getuigenissen, voldoende groot om beschouwd te kunnen worden als een ,Consensus van kerkleraren". Het is wel waar, dat de latere belijdenis van die leer in de Universele Kerk een presumptie schept, dat ze ook vóór de tijd der uitdrukkelijke belijdenis werd gehouden; en met recht mag men de vroegere Vaders interpreteren naar de latere. Dat is waar en is ook van toepassing op bepaalde andere leerpunten dan die van de heilige Drie-eenheid. Maar het nauwkeurige en imperatieve Quod semper, quod ubique, quod ab omnibus, verstaan zoals de Engelse theologen dat gewoonlijk verstaan en zoals zij het gebruiken tegen de latere Kerk en tegen de zetel van Rome, laat even weinig ruimte over voor dergelijke presumpties als voor de redeneringen a priori en uit "opgesloten-liggen". Als we gehouden zijn het dogma van de H. Drievuldigheid te behandelen volgens de regel van Vincentius, dan hebben we het recht niets minder te eisen dan een behoorlijk aantal uitspraken van vóór Nicea, die allemaal duidelijk hetzelfde zeggen als de Athanasiaanse Geloofsbelijdenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media11. Laten we nu de voornaamste historische feiten nagaan. Daarbij bedenke men echter, dat ik geen enkele vorm van ketterij wil toeschrijven aan die heilige mensen, wier woorden niet altijd volledig of nauwkeurig genoeg zijn geweest om die blaam te ontgaan. Vooreerst maken de Geloofsbelijdenissen van die vroege tijd naar de letter genomen niet de minste melding van de Katholieke leer. Ze spreken wel van een Drietal, maar dat er enig mysterie in deze leer verborgen ligt, dat de Drie Eén zijn, dat Zij gelijk zijn, allen eeuwig, allen ongeschapen, allen almachtig, allen onbegrijpelijk, wordt nergens uitgesproken en zou men nooit uit de woorden kunnen opmaken. Natuurlijk geloven wij, dat die woorden dat impliceren, of liever dat bedoelen. God verhoede, dat wij anders zouden denken! Maar volgens de letter van die documenten brengt niets ons tot die overtuiging. We kunnen de diepere betekenis van die letter alleen kennen, als we ze interpreteren naar latere gegevens.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVerder is er vóór Nicea één, en niet meer dan één, groot leerstellig Concilie geweest. Het werd gehouden te Antiochië, in het midden van de derde eeuw, bij gelegenheid van de opkomende nieuwigheden der ketterse school in Syrië. Nu hebben de daar vergaderde Vaders, om een of andere reden, het woord Homoöusios, toen het ter sprake kwam, veroordeeld of althans verworpen; naar men weet, werd datzelfde woord door Nicea opgenomen als speciaal kenteken van het Katholicisme tegen Arius. Men heeft dit natuurlijk...Men heeft dit natuurlijk betwist, zoals dat het geval is met bijna alle feiten die verband houden met de beëindiging van de grote polemieken. Ik houd het niet voor nodig melding te maken van mogelijke of feitelijk ingebrachte bezwaren betreffende kwesties, waarvan men gerust kan zeggen, dat iedereen het tegenwoordig erover eens is; ik denk hier b.v. aan de arianiserende toon van Eusebius.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVervolgens, de zes grote Bisschoppen en Heiligen van vóór Nicea waren de H. Irenaeus, de H. Hippolytus, de H. Cyprianus, de H. Gregorius Thaumaturgus, de H. Dionysius van Alexandrië en de H. Methodius. Welnu, onder deze wordt de H. Dionysius door de H. Basilius ervan beschuldigd, dat hij de eerste zaden van het Arianisme heeft uitgestrooid 6; en van de H. Gregorius zegt dezelfde geleerde Vader, dat hij over Christus gesproken heeft op een wijze, die alleen maar verdedigd wordt op grond van het "economische" doel van de schrijver 7. De H. Hippolytus spreekt, alsof hem het eeuwige Zoonschap van Christus onbekend is "De schrijvers, die de..."De schrijvers, die de generatie als niet-eeuwig voorstellen en geen andere duidelijk vermelden, zijn Justinus, Athenagoras, Theophilus, Tatianus, Tertullianus en Hippolyrus". Waterland. 9; de H. Methodius spreekt minstens incorrect over de Incarnatie "Levia sunt", zegt P. Maran..."Levia sunt", zegt P. Maran 0.S.B.. 10 te zijner verdediging, "quae in Sanctissimam Trinitatem hic liber peccare videtur, paulo graviora quae in mysterium Incarnationis". . . "In tertia oratione nonulla legimus lncarnationem Domini spectantia, quae subabsurde dicta fateor, nego impie cogitata".; en de H. Cyprianus spreekt helemaal niet over theologische onderwerpen. Zó onvolledig is dus alles, wat ons nog rest van de leer dier waarlijk heilige mannen, die in hun tijd de getrouwe getuigen waren van de Eeuwige Zoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet schijnt, dat Athenagoras, de H. Clemens, Tertullianus en de beide H.H. Dionysii de enige schrijvers zijn, wier taal steeds nauwkeurig en systematisch genoeg is om ons te doen denken aan de Athanasiaanse Geloofsbelijdenis. Als wij onze opvatting van de Vaders alleen willen putten uit wat zij uitdrukkelijk vermelden, dan kan men de H. Ignatius beschouwen als Patripassiaan, dan arianiseert de H. Justinus en dan is de H. Hippolytus Photiniaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVerder zijn er in de eeuwen vóór Nicea nog drie grote theologische schrijvers, Tertullianus namelijk, en Origenes, en ook Eusebius mogen we hiertoe rekenen, al heeft hij gedeeltelijk ook in de vierde eeuw geleefd. Tertullianus nu is heterodox in zijn leer over de Godheid van Christus Bisschop Bull, die hem een...Bisschop Bull, die hem een goed hart toedraagt, schrijft toch: ~Ut quod res est dicam, cum Valentinianis hic et reliquo gnosticorum grege aliquatenus locutus est Tertullianus; in re ipsa tarnen cum Catholicis omnino sensit." 11 en hij is tenslotte geheel tot ketterij of tot schisma vervallen; Origenes is op z'n minst verdacht en men moet hem eerder verdedigen en verklaren dan aanhalen als getuige van orthodoxie; en Eusebius was Semi-Ariaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media12. Daarenboven is het aan twijfel onderhevig, of wel één enkele Vader van vóór Nicea zich duidelijk uitspreekt over de numerische Eenheid en over de Gelijkheid der Drie Personen; uitgezonderd misschien de heterodoxe Tertullianus, en dan nog vooral in een werk, geschreven toen hij Montanist was 8. Maar als we het Quod semper, etc. willen blijven gebruiken als een wapen tegen Rome, dan moesten we toch voor deze grote leerstellingen niet zijn aangewezen op de getuigenissen van een latere tijd. Bisschop Bull geeft zelfs toe, dat ,bijna alle vroege Katholieken vóór Arius onbewust schijnen geweest te zijn van de onzichtbare en onmetelijke (immensam) natuur van de Zoon Gods", een artikel, dat onder sanctie van een anathema toch uitdrukkelijk geleraard wordt in de Athanasiaanse Geloofsbelijdenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVerder rijst de vraag, in hoeverre de Vaders van vóór Nicea, ieder afzonderlijk, rechtstreeks en letterlijk getuigenis afleggen voor de Godheid van de H. Geest. Ik wil hier alleen dit vermelden: In de vierde eeuw heeft de H. Basilius eens - toen zijn vijanden hem bespioneerden en hij wist, dat hij door de Aianen uit de Kerk zou gezet worden, als hij de Derde Persoon der H. Drievuldigheid uitdrukkelijk God zou noemen - zich met zorg onthouden van deze uitdrukking; en toen enige Katholieken hem dit kwalijk namen, heeft de H. Athanasius partij voor hem gekozen 12. Zou men zich zulk een gedrag kunnen voorstellen van enig waar Christen, laat staan een Heilige, van een latere tijd? Met andere woorden: blijkt uit deze geschiedenis niet, hoe men ze ook verklaart, dat het getuigenis van die eerste eeuwen allesbehalve gunstig ligt voor de toepassing van de regel van Vincentius?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media13. Laat men toch volstrekt niet menen, dat ik een aanval zou willen doen op de rechtgelovigheid dier oude theologen, of op de bewijskracht, die hun woorden hebben voor onpartijdige onderzoekers. Ik neem hen slechts een verhoor af naar die partijdige interpretatie van Vincentius, die men nodig heeft om hem tegen Rome te kunnen uitspelen. En het positieve resultaat van al de getuigenissen dier oude Vaders ten gunste van de Katholieke leer der Drievuldigheid is opgemaakt door Dr Burton en schijnt gerangschikt te kunnen worden in twee groepen. Vooreerst is er de toeschrijving van glorie in het algemeen aan de drie Personen gezamenlijk, en deze vindt men bij alle Vaders en alle Kerken en wel krachtens een ononderbroken traditie en van de oudste tijden af. Tot de tweede groep behoren de duidelijke verklaringen van afzonderlijke Vaders; zo vinden wij het woord "Trinitas" gebruikt door de H. Theophilus, de H. Clemens, de H. Hippolytus, Tertullianus, de H. Cyprianus, Origenes, de H. Methodius; en de goddelijke "Circumincessio", het meest karakteristieke element van de Katholieke leer, met de eenheid van macht en tevens van wezen, vindt men min of meer duidelijk vermeld door Athenagoras, de H. Irenaeus, de H. Clemens, Tertullianus, de H. Hippolytus, Origenes en de beide H.H. Dionysii. Daarmee is het geheel van hun getuigenis tamelijk wel uitgeput.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media14. Misschien zal men zeggen, dat we Prae-niceense Vaders samen als een geheel moeten nemen en de een interpreteren naar de ander. Hiermee neemt men aan, dat zij allen tot één zelfde school behoren, en dat is natuurlijk ook het geval, maar in de polemiek is dit een punt, dat men eerst bewijzen moet; maar het is zelfs twijfelachtig, of men met een dergelijke methode het argument als geheel sterker zou maken. Wat bijvoorbeeld de tweede groep van duidelijke verklaringen betreft, door Dr Burton aangehaald, onder die Vaders is Tertullianus in zijn verklaringen van de Katholieke leer het uitdrukkelijkst en het uitvoerigst. Dr Burton geeft een letterlijk citaat en voegt er dan bij: ,Voor Athanasius zelf, of de opsteller van de Athanasiaanse Geloofsbelijdenis, zou het ternauwernood mogelijk zijn, de leer der Drievuldigheid in sterker termen tot uitdrukking te brengen" 13 En toch moet men Tertullianus als heterodox beschouwen wat betreft de leer van de eeuwige generatie van de Zoon 14. Als we uit zijn geval dus mogen besluiten tot dat van de andere Vaders, dan moeten we noodzakelijk komen tot de conclusie, dat zelfs de nauwkeurigste formuleringen niet méér waard zijn dan wat er letterlijk staat, dat ze geen waarborg zijn voor iets, wat daarbuiten ligt, en samen kunnen gaan met heterodoxie, telkens als deze niet uitdrukkelijk wordt uitgesloten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat verder het argument betreft, dat men af kan leiden uit de Doxologieën, mag men niet vergeten, dat de H. Justinus Martelaar in zijn aanbidding ook de Engelen insluit. "Wij vereren en aanbidden", schrijft hij, "Hem en de Zoon, die uit Hem voortgekomen is en ons deze leer gebracht heeft, benevens het heer der andere goede Engelen, die Hem volgen en Hem gelijk zijn, en de Prophetische Geest" 15. Uit deze woorden zou een Unitariër kunnen afleiden, dat de eer en aanbidding, die de oude Kerk aan God de Zoon bewees, niet meer inhield dan de eer, die de H. Justinus ook aan de schepselen wilde bewijzen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media15. Dit wat de leer van de H. Drievuldigheid betreft. Laten we een ander voorbeeld nemen. Er zijn twee leerstukken, die men algemeen associeert met de naam van een Kerkvader uit de vierde en vijfde eeuw, en waarvoor men uit een vroegere tijd haast geen uitdrukkelijke, althans slechts zeer onvolledige getuigenissen kan vinden, - ik bedoel het Vagevuur en de Erfzonde. De regel van Vincentius sluit beide in of sluit beide uit, naargelang men hem streng of niet streng interpreteert; en als men hem gebruikt op de wijze van Aristoteles' Lesbische maatstok, dan kan men er, zoals de Anglicanen zouden willen, de Erfzonde mee insluiten en het Vagevuur uitsluiten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaTen eerste immers bestaat er voor het vaag besef van de leer van het Vagevuur voor de afgestorven gelovigen, het idee nl. van een lijden of een verlies of een straf na dit leven, bijna een consensus in de eerste vier eeuwen der Kerk, schoon sommige Vaders dat duidelijker en beslister uitspreken dan andere. Zover men zich op de woorden kan verlaten, is dat de belijdenis van de H. Clemens van Alexandrië, Tertullianus, de H. Perpetua, de H. Cyprianus, Origines, Lactantius, de H. Hilarius, de H. Cyrillus van Jerusalem, de H. Ambrosius, de H. Basilius, de H. Gregorius van Nazianze en van Nyssa, de H. Chrysostomus, de H. Hieronymus, de H. Paulinus en de H. Augustinus. En ten tweede heerst er van het begin af een zekere overeenstemming onder de Vaders, dat het mensdom een verlies geleden heeft door de zonde van Adam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media16. Als wij de beide leerpunten nog nader beschouwen, - de leer, dat er tussen de dood en het oordeel een tijd of toestand is van straf; en de leer dat alle mensen, op natuurlijke wijze afstammende van de gevallen Adam, dientengevolge geboren worden beroofd van de oorspronkelijke gerechtigheid, - dan zien we enerzijds, dat verscheidenen, zoals Tertullianus, de H. Hieronymus, de H. Gregorius van Nyssa, te oordelen naar hun woorden, zich uitdrukkelijk verklaren voor een leer van het Vagevuur; terwijl anderzijds niemand zal willen beweren, dat er een even sterk getuigenis van de Vaders bestaat voor de leer van de Erfzonde. Maar het is moeilijk hier een positieve uitspraak omtrent hun leer te doen zonder dieper op het onderwerp in te gaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaOver het Vagevuur bestonden er, in het algemeen gesproken, twee verschillende opvattingen; de Griekse opvatting was, dat er op de laatste dag een vuurproef zou zijn, die allen zouden moeten doorstaan; de Afrikaanse opvatting naderde dichter tot de tegenwoordige leer van de Roomse Kerk. Zo waren er ook in hoofdzaak twee verschillende opvattingen van de Erfzonde, de Griekse en de Afrikaanse of Latijnse. Bekend is het vonnis van Hooker over de Griekse opvatting, ofschoon men zijn woorden niet al te letterlijk moet verstaan: "De ketterij van de vrije wil hing als een molensteen om de hals der Pelagianen; zullen we daarom al die Vaders van de Griekse Kerk, die, misleid, stierven in de dwaling van een vrije wil, ter dood veroordelen?" 16 Bisschop Taylor, die de tegenovergestelde leer verdedigde doet een gelijksoortige uitspraak: "De Erfzonde, zoals men die tegenwoordig gewoonlijk verstaat, was niet de leer van de oorspronkelijke Kerk; maar toen Pelagius de stroom had verontreinigd, was de H. Augustinus zó boos, dat hij stampvoette en hem nog meer vertroebelde. En ik geloof werkelijk niet, dat degenen, die zich tegen mij op Augustinus beriepen, genoegzaam bedacht hebben, dat ik mij tot volgeling verklaar van de Vaders, die vóór hem leefden; de H. Augustinus gaf hen in deze kwestie prijs, zoals ik op mijn beurt hem nu prijsgeef" 17. Hetzelfde wordt beweerd of toegegeven door Jansenius, Petavius en Walch "Quamvis igitur quam maxime..."Quamvis igitur quam maxime fallantur Pelagiani, quum asserant peccatum originale ex Augustini profluxisse ingenio, antiquam vero ecclesiam illud plane nescivisse; diffiteri tamen nemo potest, apud Graecos patres imprimis inveniri loca, quae Pelagianismo favere videntur. Hinc et C. Jansenius, Graeci, inquit, nisi caute legantur et intelligantur, praebere posssunt occasionem errori Pelagiano; et D. Petavius dicit, Graeci originalis fere criminis raram nec disertam mentionem scriptis suis attigerunt". Walch. 20, mannen, die tot zozeer uiteenlopende denkrichtingen behoren, dat men hun overeenstemming zeker wel beschouwen mag als een bewijs van het feit. Een modern schrijver heeft de getuigenissen der Vaders een voor een nagegaan en komt dan tot de conclusie, ten eerste, dat ,de Griekse Kerk in geen enkel punt met Augustinus overeenkomt, behalve in de leer, dat het gevolg van Adam's zonde was de dood, en (na de tijd van Methodius) ook een buitengewone en onnatuurlijke zinnelijkheid"; ten tweede, dat ,de Latijnse Kerk daarenboven verzekerde, dat een bedorven en besmette ziel door de generatie van Adam overging op zijn nakomelingschap" 18, en ten derde, dat de leer van een Imputatie of toeschrijving noch bij de Grieken noch bij de Latijnen te vinden is. Ten slotte zij hierbij opgemerkt, dat de leer der Erfzonde, in weerwil van de krachtige taal van de H. Paulus hierover, met geen woord wordt vernoemd noch in de Apostolische Geloofsbelijdenis noch in die van Nicea.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media17. Nog een enkel voorbeeld, dat dienen kan als staaltje van vele andere. Ik begeef mij tot een van onze altaren om de H. Eucharistie te ontvangen; in mijn geest bestaat geen enkele twijfel omtrent de grote gave, die dat Sacrament bevat; ik belijd inwendig mijn geloof in die Gave en ik herinner mij de reeks van gronden, waarop dat geloof berust. "De Tegenwoordigheid van Christus is hier, want die volgt op de Consecratie; en de Consecratie is het prerogatief der Priesters; en de Priesters worden gemaakt door de Wijding; en de Wijding komt in rechte lijn van de Apostelen. Welke ongelukken ons overigens ook getroffen hebben, in deze keten is iedere schakel veilig; wij hebben de Apostolische Successie, we hebben de canonieke vorm van de consecratie: daarom ontvangen wij hier de grote Gave".- Dan rijst de vraag in mijn geest: ,,Hoe weet ge van die grote Gave?" Ik antwoord: "Dat hebben de Vaders mij geleerd. Ik geloof in de Waarachtige Tegenwoordigheid, omdat zij ervan getuigen. De H. Ignatius spreekt van het geneesmiddel der onsterfelijkheid; de H. Irenaeus zegt, dat "ons vlees hier onbedorven en deelgenoot van het leven wordt, en hoop op de verrijzenis heeft, omdat het gevoed wordt door het Lichaam en Bloed des Heren", dat de "Eucharistie uit twee dingen bestaat, een aards en een hemels" 19; Origenes, misschien, en na hem Magnus, misschien, zeggen, dat de Eucharistie niet is een figuur van het lichaam des Heren, maar zijn Lichaam zelf; en de H. Cyprianus gebruikt de meest verschrikkelijke woorden over degenen, die dit geheim profaneren. Ik schaar mij aan hun zijde, ik geloof, wat zij geloven".- Dat antwoord ik mijzelf; en dan komt een nieuwe gedachte bij mij op: "En getuigen diezelfde oude Vaders dan ook niet van een andere leer, die gij echter verwerpt? Zijt ge dus niet als een hypocriet, die naar hen luistert, als het u aanstaat? Hoe kunt ge u aan de zijde der Heiligen scharen, als gij slechts halverwege met hen meegaat? Want waarvan spreken zij vaker, van de Waarachtige Tegenwoordigheid in de Eucharistie of van de Pauselijke suprematie? De zwakkere getuigenis neemt gij aan, de sterkere verwerpt gij".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media18. Zo is het; de Prae-niceense documenten voor de Pauselijke suprematie mogen schaars zijn, ze zijn toch talrijker en duidelijker dan de getuigenissen, die men kan aanhalen voor de Waarachtige Tegenwoordigheid. Deze getuigenissen immers blijven beperkt tot enkele citaten, zoals die, welke zojuist werden aangehaald. Daartegenover merkt Bisschop Kaye betreffende een citaat uit de H. Justinus het volgende op: "Le Nourry concludeert hieruit, dat Justinus de leer der Transsubstantiatie hield; mijns inziens zou men daaruit beter die van de Consubstantiatie kunnen afleiden, aangezien Justinus de geconsacreerde elementen Brood en Wijn noemt, schoon geen gewoon brood en wijn .... We kunnen hieruit dus besluiten, dat hij figuurlijk spreekt, als hij ze noemt het Lichaam en Bloed van Christus" '. ,,Clemens", merkt dezelfde schrijver op, ·zegt, dat de Schriftuur de wijn een mystiek symbool noemt van het Heilig Bloed .... Clemens geeft verscheidene interpretaties van de uitdrukking door Christus gebruikt in Johannes VI betreffende zijn Vlees en Bloed; maar volgens geen enkele interpretatie verstaat hij ze letterlijk .... Zijn opvatting schijnt te zijn, dat de ziel van de gelovige, door de deelneming aan het brood en de wijn in de Eucharistie, verenigd wordt met de Geest en dat door deze vereniging het beginsel der onsterfelijkheid ingedrukt wordt in het vlees" - "Sommigen hebben beweerd", zegt Waterland ", ,dat er volgens Tertullianus in Johannes VI alleen maar sprake was van het geloof, of van de leer, of van de geestelijke werkzaamheden; anderen ontkennen dit met stelligheid". Na het betreffende citaat te hebben gegeven, gaat hij verder: ,,Al wat men met recht kan opmaken uit deze onduidelijke woorden is, dat Tertullianus het brood des levens van Johannes VI interpreteerde als het Woord, hetgeen hij soms als een uitgesproken woord opneemt, soms als een zelfstandigheid, en de twee begrippen op een zeer ingewikkelde manier met elkander verbindt; zodat men hem ook niet als een duidelijk gezag kan aanhalen voor de bewering, dat er in Johannes VI slechts van leerstukken of iets van dien aard sprake is. Zeker is, dat hij uit· gaat van de veronderstelling, dat het vleesgeworden Woord, het geincarneerde Woord, bedoeld wordt met het hemelse brood, waarvan in dat hoofdstuk sprake is. Origenes maakt in dat hoofdstuk de algemene opmerking, dat men het niet letterlijk doch figuurlijk moet verstaan". En verder zegt Waterland: ,,Het is duidelijk genoeg, dat Eusebius het voetspoor van Origenes in deze kwestie volgt en dat beiden de woorden op mystieke of allegorische wijze verklaarden; dat ze dit voortdurend en consequent hebben gedaan, zou ik niet durven beweren" 24. Terloops vermeld ik hier een getuigenis, dat mij onlangs is opgevallen; in hoeverre de Anglicaanse leer van de Eucharistie steunt op de tijden vóór het Concilie van Nicea, in hoeverre op latere tijden, zou men kunnen opmaken uit het volgende feit: toen een veelbesproken Preek over dit onderwerp Bedoeld is Pusey's...Bedoeld is Pusey's Universiteitspreek van 1843.25 werd gepubliceerd, werden in de Aantekeningen ongeveer honderd veertig citaten, niet als formele bewijzen, doch bij wijze van algemene toelichtende documentatie, gegeven; en van die honderd veertig citaten waren er slechts vijftien ontleend aan Prae-niceense schrijvers.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMet een dergelijke documentatie behoeven de Prae-niceense getuigenissen ten gunste van het gezag van de Heilige Stoel de vergelijking zeker niet te vrezen. Ieder voor zich moge onduidelijk zijn, maar we tellen er toch minstens zeventien, en ze zijn zeer uiteenlopend en ze komen uit verschillende tijden en landen, en derhalve versterken zij elkander en vormen dus een bewijskrachtig geheel. Tegen dit of dat bijzonder feit worden misschien bezwaren gemaakt, - ofschoon ik niet geloof, dat er enige gegronde bezwaren bestaan - maar als men alle feiten tezamen neemt, dan meen ik, dat er een cumulatief bewijs voor het oecumenisch en dogmatisch gezag van Rome uit oprijst, sterker dan enig bewijs, dat men uit dezelfde periode kan vinden voor de leer der Waarachtige Tegenwoordigheid. In het vierde hoofdstuk van dit werk zal ik nog gelegenheid hebben ze afzonderlijk op te noemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media19. Als men zegt, dat de Waarachtige Tegenwoordigheid volgens de Liturgieën van de vierde of vijfde eeuw een leer blijkt te zijn, die reeds vroeger bestond, aangezien dezelfde formulieren in de goddelijke Eredienst waarschijnlijk van het begin af hebben bestaan, dan is dat ongetwijfeld een gewichtige waarheid; maar het is ook waar, dat de schrijvers van de vierde en de vijfde eeuw boudweg verzekeren of openhartig toegeven, dat de prerogatieven van Rome reeds dateren uit Apostolische tijden, en wel omdat Rome de zetel was van de H. Petrus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaAls men vervolgens zich beroept op de weerstand tegen de Kerk van Rome door de H. Cyprianus en door Firmilianus in zake het toedienen van het doopsel door ketters, of op de vroegere weerstand van Polycrates van Ephese, om te bewijzen dat het gezag van Rome niet oorspronkelijk was, laat men dan eens overwegen: ten eerste, of niet alle gezag noodzakelijk tot weerstand leidt; ten tweede, of de leer van de H. Cyprianus ten gunste van Rome niet van meer waarde is dan zijn handelwijze tegen Rome; ten derde, of hij, evenals Firmilianus, niet reeds op een dwaalspoor was in de hoofdzaak van de controverse; en ten slotte, en daarover gaat het hier- of we niet even goed tegen de Waarachtige Tegenwoordigheid de woorden kunnen aanhalen van Tertullianus, die "Dit is mijn Lichaam" uitlegt als "een beeld van mijn Lichaam", en van Origenes, die schrijft, dat "wij het Bloed van Christus niet slechts drinken door de bediening der Sacramenten, maar ook door te luisteren naar de woorden van Zijn leer", en dat "het Brood dat God, het Woord, erkent als Zijn Lichaam, het Woord is, dat de zielen voedt" 16, n. 9: PG 12, 701[[1844]] 85: PG 13, 1734[[1133]]; ; uitdrukkingen zijn dit immers, die wel in Katholieke zin kunnen geïnterpreteerd worden, als de Katholieke leer eenmaal bewezen is, maar die toch in de voor de hand liggende zin tegen die leer ingaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaUit dit alles schijnt wel onvermijdelijk de conclusie te volgen: waar de echte sleutel ook moge te vinden zijn om de feiten en documenten van de oude Kerk met die van de latere in overeenstemming te brengen, en hoe juist men het criterium van Vincentius ook moge beschouwen in abstracto, of hoe practisch bruikbaar ook in zijn tijd, toen hij de eerste eeuwen nog bijna rechtstreeks ondervragen kon naar hun getuigenis,heden ten dage is dat criterium nauwelijks meer te gebruiken, en kan het bezwaarlijk nog bevredigende resultaten opleveren. De oplossing, die het aan de hand doet, is even moeilijk als het oorspronkelijk probleem zelf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media20. Een andere hypothese om het gebrek aan overeenstemming tussen de oudste en de latere aspecten van het Christendom te verklaren, is een beroep op de Disciplina Arcani, waarbij men dan aanneemt, dat de leer der Kerk van het begin tot het einde ongewijzigd is gebleven. Men beweert, dat de leerstukken, die men kent uit de latere tijden van de Kerk, feitelijk reeds van het begin af in de Kerk bestonden, maar dat ze niet openlijk werden gepredikt, en wel om verschillende redenen niet: bijvoorbeeld, wegens de eerbied eraan verschuldigd, en de vrees dat heilige dingen zouden geprofaneerd worden door de heidenen; en terwille van de catechumenen, opdat ze door de plotselinge mededeling van de gehele geopenbaarde waarheid niet onthutst of van streek gebracht zouden worden. Het feit van dit verborgen-houden kan men inderdaad kwalijk ontkennen, al kan men slechts tot op zekere hoogte spreken van een vastgestelde regel, wijl hij naar personen en plaatsen varieerde. Dat het met betrekking tot de Sacramenten als werkelijke regel bestond, schijnt iedereen te erkennen. Dat het in de praktijk ook tot andere dingen werd uitgestrekt, volgt uit de aard der zaak en blijkt ook uit de geschriften der Apologeten. Minucius Felix en Arnobius, in hun polemiek met de heidenen, schijnen te ontkennen, dat de Christenen toen altaren gebruikten; en toch spreekt Tertullianus uitdrukkelijk van een Ara Dei in de kerk. Wat kunnen wij daarop anders zeggen dan dat de Apologeten altaren ontkenden in de zin, waarin ze die ridiculiseerden; of dat ze het toelaten van altaren zoals die der heidenen door Christenen ontkenden? En zo zegt Minucius, dat er onder de Christenen geen tempels waren; toch worden deze duidelijk genoemd in de edicten uit de tijd van Diocletiaan, en men weet, dat ze ook vroeger bestaan hebben. Ieder dominerend stelsel, zoals het Heidendom was in de Prae-niceense eeuwen, leidt ertoe, dat zijn tegenstanders in de meest vijandige en afkerige houding worden gedrongen, vooral betreffende die punten, waarin zij zelf dat stelsel nabijkomen, tengevolge van een natuurlijke vrees, dat zij anders misverstaan en door het prestige van dat stelsel overrompeld zouden worden. Daarvandaan ook het verwijt, dat gericht wordt tegen die geestelijken van de Anglicaanse Kerk, die hun praktijken in overeenstemming verlangen te brengen met haar rubrieken en hun leringen met die van haar theologen uit de zeventiende eeuw; of zij het bedoelen of niet, of zij wettig handelen of niet, toch- zo verwijt men hen - zullen ze feitelijk hun sanctie en hun steun geven aan de religie van Rome, waarin gelijksoortige leringen en praktijken bestaan, maar uitdrukkelijker en invloedrijker; zodat het in elk geval op het ogenblik inopportuun is iets te ondernemen wat zeker verkeerd begrepen zal worden. Met andere woorden: men verlangt van hen, dat zij een disciplina arcani beoefenen. Een dergelijke reserve van de kant der Katholieke Kerk was onvermijdelijk in een tijd, toen priesters en altaren en ceremonies van alle kanten om haar heen gewijd waren aan kwaadaardige en ongeneeslijke superstities. Het zou wel verkeerd zijn het ceremonieel van het Christendom te ontkennen, maar het was toch plicht dat verborgen te houden; en Apologeten konden soms in de verzoeking komen absoluut te ontkennen wat hoogstens conditioneel kon ontkend worden. Een afgodisch heidendom leidde ertoe, dat de uitwendige eredienst van het Christendom werd onderdrukt, zoals heden ten dage, naar men zegt, de openbare uitingen van de Rooms-Katholieke religie onderdrukt worden, schoon om een andere reden, door de tegenwoordigheid van het Protestantisme.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaOp verschillende gronden dus is het zeker, dat bepaalde onderdelen van het kerkelijk leerstelsel in de vroegste tijden werden verborgen gehouden; en daarmee is natuurlijk voor een gedeelte die ogenschijnlijke wijziging en groei van de leer verklaard, die ons in verlegenheid brengt, als we de geschiedenis raadplegen voor een juist begrip van het Christendom. Daarmee hebbe wij echter nog geen sleutel gevonden voor de gehele moeilijkheid, zoals wij die vóór ons zien; en de reden ligt voor de hand. Vooreerst gaan de wijzigingen door, ook na de tijd, waarin die disciplina arcani nog geacht kan worden van kracht te zijn geweest; en ten tweede omdat die wijzigingen wetmatig verlopen, niet plotseling optreden, doch een zichtbare groei vertonen, die doorgaat tot op de tegenwoordige tijd toe, zonder dat er tekenen aanwezig zijn, dat hij ten einde loopt. vgl: 12[[[878]]] vgl: I, ch. 7, par. 7[[[8215]]]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media21. De bedoeling van het hier volgende werk is nu een oplossing te geven van de moeilijkheid, die we hebben besproken, en voor zover die in werkelijk heid bestaat; de moeilijkheid namelijk, die wij ondervinden, als wij in de polemiek over de leer en de eredienst van het Christendom gebruik willen maken van het getuigenis van onze meest natuurlijke zegsman, de geschiedenis van achttienhonderd jaren. De opvatting waarvan het uitgaat is misschien te allen tijde impliciet gehuldigd door de theologen, en is, naar ik meen, nog niet lang geleden uiteengezet door verschillende befaamde schrijvers van het Europese vasteland, zoals De Maistre en Möhler; de opvatting namelijk, dat de uitbreiding en de ontplooiing van de Geloofsbelijdenis en het Ritueel van het Christendom, en de wijzigingen die daarmee gepaard gingen bij bepaalde schrijvers en kerken, te verklaren zijn als een natuurlijk en noodzakelijk verschijnsel bij een levensbeschouwing of organisatie, die het intellect en het hart in beslag neemt en die zich op een enigszins wijd of uitgestrekt terrein doet gelden; de opvatting verder, dat, wegens de aard van de menselijke geest, tijdsverloop noodzakelijk is voor de volledige omvatting en volkomen uitwerking van grote begrippen, en dat de hoogste en wonderbaarste waarheden, schoon eens voor al openlijk medegedeeld door geïnspireerde schrijvers, niet terstond konden omvat worden door de geest van hen die ze ontvingen; maar ontvangen en overgeleverd als zij werden door niet-geïnspireerde geesten en door menselijke middelen, hebben ze des te meer tijd en des te dieper nadenken gekost, voordat ze tot volkomen helderheid waren gekomen. Dit kan men noemen de Theorie van de Ontwikkeling der Geloofswaarheden; en voordat wij ze nader uiteenzetten, is een enkele opmerking misschien nodig. Ongetwijfeld is het slechts een hypothese om een moeilijkheid op te lossen; doch de verschillende verklaringen van de schijnbare bewegingen der hemellichamen, die door de astronomen van Ptolemaeus tot Newton gegeven worden, zijn ook slechts hypothesen; en het is even onwetenschappelijk op die grond de theorie te verwerpen als het zou zijn de leer der sterrekundigen te verwerpen. Ook is het evenmin redelijk zich erover te verbazen, dat er heden ten dage nog een theorie nodig is verondersteld tenminste, dat ze nieuw is als uiting te geven aan een soortgelijke verbazing ten einde de theorie der zwaartekracht of de Plutonische theorie in de geologie van de hand te wijzen. Ongetwijfeld is de theorie van een Ontwikkeling der geloofswaarheden een hulpmiddel, evenals de theorie van het Arcanum; doch een hulpmiddel is ook het criterium van Vincentius, en een hulpmiddel is ook de kunst der grammatica en het gebruik van de kwadrant. Het is een hulpmiddel om een oplossing te vinden voor wat tegenwoordig een onontwijkbaar en pijnlijk probleem geworden is. Driehonderd jaren lang hebben nu de historische feiten en documenten van het Christendom aan onwelwillende kritiek blootgestaan; werken, die eenmaal zonder bezwaar werden aanvaard, zijn nu gevonnist als onecht; feiten, die eenmaal golden als eerste beginselen waarvan men uit kon gaan in de polemiek, worden nu verworpen of anders voorgesteld; nieuwe feiten en nieuwe beginselen zijn naar voren gekomen; wetenschappelijke opvattingen en polemische studiën van zeer uiteenlopende strekking zijn met min of meer succes verdedigd. Niet alleen is er een andere verhouding gekomen tussen polemiek en theologie, maar ook de ongodsdienstigheid voelt zich tegenover het Christendom in een heel andere helaas, moet ik zeggen, in een hoopvoller positie. De feiten van de geopenbaarde Godsdienst, schoon in wezen onveranderd, vormen tegenover de aanvallen van zijn vijanden een minder gesloten en geordend front dan eertijds, en laten plaats voor het opstellen van nieuwe gissingen en theorieën omtrent zijn bronnen en zijn opkomst. De stand van zaken is niet meer zoals in de tijd, toen men een beroep kon doen op de zogenaamde werken van de Areopagiet, of op de oorspronkelijke Decretalen, of op de antwoorden van de H. Dionysius aan Paulus, of op de Coena Domini van de H. Cyprianus. De vijanden van alle dogmatische waarheid hebben een voorsprong op haar verdedigers van welke belijdenis ook; de filosofie voltooit, wat de kritiek begonnen is; en de vrees is niet ongegrond, dat we een nieuwe wereld zullen te veroveren krijgen voordat we nog de wapenen gereed hebben voor zulk een onderneming. Het ongeloof heeft reeds zijn opvattingen en hypothesen, en dienovereenkomstig groepeert het de feiten der kerkelijke geschiedenis; en zolang er geen theorie tegenover staat, zal het dit ongetwijfeld beschouwen als een bewijs voor de waarheid van zijn eigen theorieën. Dat de in dit werk voorgestelde hypothese niet slechts rekenschap geeft van de Geloofsbelijdenis van de H. Athanasius, maar ook van die van Paus Pius IV, is niet de schuld van haar voorstanders. Niemand is meester over de consequenties van zijn beginselen. Een theorie is nodig, tenzij het Christendom zou afzien van alle theorieën; en zij, die niet tevreden zijn met de verklaring, die hier gegeven wordt van de verschijnselen die we in zijn geschiedenis vinden, zullen het wel als hun plicht gevoelen zelf een andere verklaring te geven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaOok dit nog. Zoals men niet hoeft te veronderstellen, dat ons onderzoek speciaal de Rooms-Katholieke leer ten doel had, zo moet men zich ook niet verbeelden, dat een aanvaarding van die leer onmiddellijk gebaseerd kan worden op het resultaat van dit onderzoek. Het zou een levenswerk zijn de Ontwikkelingstheorie zó zorgvuldig op de geschriften der Vaders en op de geschiedenis der polemieken en concilies toe te passen, dat men daarmee de redelijkheid van iedere beslissing van Rome zou kunnen aantonen; veel minder kan men zulk een werk verwachten van iemand, die in het midden van zijn dagen het leven opnieuw begint. Wel echter kan men misschien zelfs in een bescheiden Proeve zó veel gevallen van zogenaamd bederf in Rome op dogmatisch en practisch gebied opgehelderd vinden, dat het ook in soortgelijke gevallen, welke nog niet onderzocht zijn, als voldoende basis kan dienen voor vertrouwen in Rome.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- HOOFDSTUK I - OVER DE ONTWIKKELING VAN BEGRIPPEN
- ARTIKEL 1 - OVER DE WIJZE WAAROP BEGRIPPEN ZICH ONTWIKKELEN
1. Het is een kenmerk van onze geest, dat hij steeds bezig is zich een oordeel te vormen over de dingen die zich aan hem voordoen. Zodra iets in ons bewustzijn komt oordelen wij: niets laten wij geïsoleerd staan: wij vergelijken, contrasteren, abstraheren, generaliseren, verbinden, regelen, classificeren: en ieder onderdeel van onze kennis zien wij in de associaties waarin het gehuld werd door die geestelijke werkzaamheden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe aldus gevormde oordelen worden in onze geest aspecten van de dingen zelf die ons treffen; en sommige ervan zijn louter meningen die komen en gaan, of die ons slechts bijblijven zolang een toeval ze niet verstoort, al kunnen ze intussen nog heel wat invloed uitoefenen. Andere hechten zich, met of zonder goede reden, vast in onze geest en hebben macht over ons, hetzij ze betrekking hebben op feitelijkheden of op gedragsregels, hetzij ze levens- of wereldbeschouwingen zijn, of vooroordelen, of inbeeldingen, of overtuigingen. Vele ervan hebben betrekking op een en hetzelfde objectief gegeven, dat aldus van verschillende zijden wordt beschouwd, niet slechts door verschillende geesten, maar door een en dezelfde geest. Soms staan ze met elkaar in zó nauwe betrekking, dat ze elkaar impliceren; soms lopen ze zó ver uiteen, dat ze elkaar alleen maar niet uitsluiten, omdat ze een gemeenschappelijke oorsprong hebben; soms zijn ze werkelijk onverenigbaar, maar dan wordt toch de een of wel de ander valselijk geassocieerd met het gegeven; en in alle gevallen zijn het vaak maar begrippen, die wij ten onrechte aanzien als objectieve dingen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZo is het Judaïsme een begrip, dat eenmaal objectief was, en is het Gnosticisme een begrip, dat nooit objectief was. Beide hebben verschillende aspecten; die van het Judaïsme waren bijvoorbeeld monotheïsme, een bepaalde ethische code, een bediening van goddelijke wraak, een voorbereiding voor het Christendom; de aspecten van het Gnostieke begrip zijn bijvoorbeeld de leer van de twee beginselen en van de emanatie, de intrinsieke slechtheid van de materie, de schuldeloosheid van het zingenot, of de schuldigheid van ieder zinnelijk genoegen; - van de twee laatstgenoemde moet ofwel de een ofwel de ander in de Gnostiek een vals aspect zijn en alleen maar subjectief.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media2. Het begrip, dat een voorwerp of voorstelt of geacht wordt voor te stellen, valt in omvang samen met het totaal van zijn mogelijke aspecten, hoezeer die ook feitelijk mogen uiteenlopen in het bewustzijn van bepaalde personen; en de verscheidenheid van aspecten waaronder het begrip zich voordoet aan een verscheidenheid van geesten, is rechtstreeks evenredig aan zijn kracht en diepte en aan het bewijs voor zijn objectieve werkelijkheid. In de gewone gang van zaken is het pas door deze verscheidenheid dat de objectiviteit van een begrip doordringt tot het intellect; het is ermee als met stoffelijke lichamen, waarvan men zich alleen bewust wordt in hun hulsel van eigenschappen en werkingen, en van wier objectiviteit men zekerheid kan verkrijgen door er om heen te lopen en ze te bezien van tegenovergestelde kanten, tegen verschillende achtergronden en onder ongelijke belichting. Stoffelijke voorwerpen kan men werkelijk bezien van standpunten uit, die zó ver van elkander liggen of zó tegengesteld zijn, dat de indrukken die ze maken op het eerste gezicht met elkaar in tegenspraak schijnen; vooral hun schaduw kan dan soms ongeproportioneerd of zelfs monsterachtig schijnen; en toch verdwijnen al die onregelmatigheden en lossen al die tegenstrijdigheden zich op, zodra men in elk afzonderlijk geval het bepaalde gezichtspunt of het verschillend projecterend vlak heeft vastgesteld. Zo kunnen nu ook al de verschillende aspecten van een begrip met elkaar in overeenstemming gebracht worden en zich oplossen in de objectieve werkelijkheid, waarop dat begrip betrekking heeft; en die schijnbare tegenstrijdigheden worden na die verklaring dan een bewijs voor de veel-omvattendheid en de volledigheid van dat begrip, en de veelheid van die aspecten voor zijn oorspronkelijkheid en zijn kracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media3. Geen enkel aspect gaat diep genoeg om de gehele inhoud van een reëel begrip uit te putten; geen enkele term, geen enkele stelling is toereikend om zulk een begrip te definiëren; al kan natuurlijk de ene voorstelling ervan juister en nauwkeuriger zijn dan de andere en al kan men, waar het een zeer ingewikkeld begrip betreft, ter vereenvoudiging zijn verschillende aspecten als afzonderlijke begrippen beschouwen. Zo is het ons, bijvoorbeeld, met al onze grondige kennis van het dierlijke leven en van de bouw van bijzondere dieren, nog niet gelukt een echte definitie van een enkel dier te geven en zijn we bij wijze van beschrijving gedwongen tot het opnoemen van eigenschappen en bijkomstigheden. Zo ook kunnen we onmogelijk tot een formule terugbrengen dat intellectueel feit of denkstelsel, dat Platoonse filosofie heet, of dat historisch fenomeen van eer en gedrag, dat we de ketterij van Montanus of van Manes noemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEen ander voorbeeld: als men zou zeggen, dat het Protestantisme bestaat in zijn theorie van het persoonlijk oordeel en het Lutheranisme in zijn 'eer van de rechtvaardigmaking, dan zou men wel een benadering geven de waarheid; maar het is toch duidelijk dat het een ernstige misgreep zijn, zo men redeneerde of handelde alsof dat ene of dat andere aspect voldoende verklaring gaf van die twee vormen van religie. Men doet soms een poging om het "leidende begrip", zoals het heet, van het Christendom te bepalen, - een stoute onderneming waar het geldt een bovennatuurlijk werk, terwijl zulk een taak onze krachten reeds te boven gaat betreft de zichtbare schepping en de uitvindingen van de mens. Zo hebben sommigen het hoofdbegrip gezocht in het herstel van het gevallen mensdom, anderen in de filantropie, anderen in de aankondiging der onsterfelijkheid, of in een zuiver geestelijke eredienst, of in de geestelijke vrijheid of in de vereniging van de ziel met God. Als men nu alleen maar bedoelt een of ander van die dingen ter vereenvoudiging voor te stellen als het centrale begrip, ten einde de andere daaromheen te groeperen, dan kan men geen bezwaar hebben tegen een dergelijke handelwijze; en in deze zin zou ik voor mij de Incarnatie het centrale aspect van het Chistendom noemen, waaruit voortvloeien de drie voornaamste aspecten van zijn leer, de sacramentele, de hiërarchische en de ascetische. Maar men mag nooit het ene aspect van de Revelatie het andere laten uitsluiten of achteruitdringen; want het Christendom is alles tegelijk, dogmatisch, devotioneel en practisch; het is esoterisch en exoterisch, het is toegeeflijk en streng, het is licht en duister; het is liefde, en het is vrees.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media4. Wanneer een begrip, reëel of niet reëel, van nature de geest boeit en in beslag neemt, dan kan men zeggen dat het leven heeft, met andere woorden: dat het leeft in de geest die het in zich opneemt. Mathematische begrippen, reëel als ze zijn, kan men dus bezwaarlijk levend noemen, althans onder gewone omstandigheden. Maar als een of andere grote bewering, waar of niet-waar, over de menselijke natuur, of over het aardse welzijn, of de regering, of de plicht, of de religie, uitgedragen wordt naar, het grote publiek en de aandacht trekt, dan wordt ze niet louter passief in een of andere vorm in vele geesten opgenomen, maar dan wordt ze in hun binnenste tot een werkzaam beginsel, dat hen ertoe brengt het telkens opnieuw te beschouwen, het toe te passen in verschillende richtingen, en het naar alle kanten te propageren. Van die aard is bijvoorbeeld de leer van het goddelijk recht der koningen, van de rechten van de mens, van de anti-sociale betekenis van een priesterschap, van het utilitarisme, van de vrijhandel, van de noodzaak van weldadigheidsondernemingen, van de filosofie van Zeno of Epicurus, allemaal leringen, die van nature kunnen aantrekken en invloedrijk worden, en die een uiterlijke realiteit bezitten in zóverre dat ze van verschillende zijden bezien kunnen worden en op uiteenlopende geesten een zeer uiteenlopende indruk maken. Laat maar één begrip van dit soort zich meester maken van de geest van het publiek, althans van een deel van het publiek, en het is niet moeilijk te begrijpen wat de gevolgen zullen zijn. In het begin zullen de mensen niet ten volle beseffen wat het is dat hen beweegt, en dan zullen ze zich gebrekkig uitdrukken en onvoldoende verklaren. Er zal een algemene gisting in het denken ontstaan en een werking van de ene geest op de andere. Er zal een tijd van verwarring zijn, van opvattingen en misvattingen tegen elkander in, en het is dan de vraag, of er wel iets van het begrip zal terechtkomen, of althans welk aspect ervan een voorsprong zal krijgen op de andere. Nieuwe inzichten zullen zich laten gelden op de oorspronkelijke uiteenzettingen van de leer waarover het gaat; oordeelvellingen en aspecten zullen zich vermenigvuldigen. Na enige tijd komt dan de lering in een bepaalde vorm te voorschijn en langzamerhand wordt dan de ene opvatting gewijzigd of uitgebreid door de tweede en dan gecombineerd met een derde; totdat het begrip waartoe die verschillende aspecten behoren, voor iedere individuele geest afzonderlijk is wat het aanvankelijk alleen maar was voor alle tezamen. Dan zal men het ook gaan beschouwen in zijn betrekking tot andere leerstukken of feiten, tot andere natuurwetten of vaste gebruiken, tot andere religies, organisaties of filosofieën, naar gelang het begrip waarover het gaat. Geleidelijk zal men dan nagaan, hoe het andere leringen beïnvloedt of door andere beïnvloed wordt, in hoeverre het ermee gecombineerd kan worden, in hoeverre het die naast zich duldt, in hoeverre ermee in botsing komt. Het zal onderzocht en becritiseerd worden door vijanden, en verdedigd door vrienden. De talrijke meningen, die in deze en vele andere opzichten ten slotte erover gevormd zijn in de geest van individuele personen en van de gemeenschap, zullen dan verzameld worden, vergeleken, gesorteerd, geschift, aangenomen, verworpen, en geleidelijk aan het begrip worden vastgehecht of ervan afgescheiden. Naargelang zijn natuurlijke kracht en diepzinnigheid zal het dan toegang vinden tot de algemene structuur en tot vele bijzonderheden van het maatschappelijk leven en zodoende de publieke opinie beïnvloeden en de grondvesten van het staatsbestel ofwel versterken ofwel ondermijnen. Zo zal het na verloop van tijd zijn uitgegroeid, overeenkomstig zijn aanleg, tot een ethisch wetboek, of tot een regeringsstelsel, of tot een theologie, of tot een ritueel; en dit gehele product van menselijk denken, dat op deze moeizame wijze is bijeengebracht, zal ten slotte nauwelijks iets anders zijn dan de enig ware vertegenwoordiger van het oorspronkelijk begrip, daar het in wezen is wat dat begrip van het begin af aan wilde, een volledig beeld ervan gevormd door de combinatie van zijn verschillende aspecten met de denkbeelden en correcties van vele geesten en met de verduidelijking van vele ervaringen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media5. Dit proces nu, waardoor de aspecten van een begrip tot onderlinge samenhang en vorm komen, en dat in tijdsduur langer of korter zijn kan, noem ik zijn ontwikkeling, wijl het de ontkieming en de uitbloei op een uitgestrekt geestelijk veld is van een of andere werkelijke of schijnbare waarheid. (( Dit proces zal echter alleen dan een ontwikkeling zijn, wanneer die gehele groep van aspecten die ten slotte zijn vorm bepalen, werkelijk behoort bij het begrip waarvan ze zijn uitgegaan. Zo is bijvoorbeeld een republiek niet een ontwikkeling van een zuivere monarchie, al volgt de een ook op de ander; terwijl men daarentegen van de Griekse ,tiran" kan zeggen, dat hij wel degelijk ligt opgesloten in het begrip democratie. )) Verder heeft een ontwikkeling, die zich voltrekt temidden van het drukke mensenleven, dit kenmerkende, dat ze zich niet voltrekken kan zonder bestaande denkvormen en gedragingen te kruisen en deze daardoor ofwel te vernietigen ofwel te wijzigen en in zich op te nemen. De ontwikkeling van een begrip is dus niet als het op papier uitwerken van een mathematisch probleem, waarbij ieder volgend stadium eenvoudig steunt op de uitkomst van het voorafgaande, maar hier wordt ze voltrokken temidden en door middel van gemeenschappen met hun leiders en gidsen; en hun aller geest gebruikt ze als instrument en is ervan afhankelijk, terwijl ze zich ervan bedient. En tegenover bestaande denkbeelden, beginselen, maatregelen en stellingen van de gemeenschap, waarin het is doorgedrongen, ontwikkelt zich het begrip door het aanknopen van betrekkingen; het poogt aan die dingen een nieuwe zin en richting te geven; het tracht daarover te verkrijgen wat men een soort jurisdictie zou kunnen noemen; en al wat het daarin niet kan verwerken, stoot het uit. Het groeit, terwijl het incorporeert, en zijn identiteit blijft bewaard, niet door isolering, maar door continuïteit en souvereiniteit. Dat is het, wat aan de geschiedenis van staten zowel als van religies dat bijzonder woelig en strijdbaar karakter geeft. Daar ligt de verklaring van de heftige twisten zowel in de scholen als in de parlementen. Het is de strijd van begrippen onder hun verschillende aspecten, die alle trachten het overwicht te verkrijgen, waarvan elk afzonderlijk aggressief, ambitieus, apodictisch is, min of meer onverenigbaar met alle andere, en volgelingen trekt of zich vijanden maakt, naarmate het van betekenis is voor de geloofsovertuiging, voor de vooroordelen of de belangen van partijen of klassen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media6. Vervolgens: een begrip wijzigt niet alleen, maar wordt ook gewijzigd of althans beïnvloed door de toestand van het milieu waarin het wordt uitgedragen, en is op allerlei wijzen afhankelijk van de omstandigheden die het omringen. Zijn ontwikkeling kan snel gaan of langzaam; de volgorde der verschillende stadia is veranderlijk. De ontwikkeling maakt een heel andere indruk op een klein dan op een uitgestrekt arbeidsveld; ze kan onderbroken, vertraagd, geschonden of verwrongen worden, door geweld van vijanden van buiten; ze kan verslapt worden door de inspanning zich te ontdoen van vijanden op eigen domein; het kan belemmerd worden of overheerst of zelfs geabsorbeerd door energieke begrippen van tegengestelde richting; het kan zich voegen naar de gevestigde manier van denken waarin het terecht komt; het kan ontaarden door het binnendringen van vreemde beginselen; het kan ten slotte uiteenvallen door de ontwikkeling van een fout die het van het begin af in zich droeg.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media7. Maar hoe groot het gevaar van bederf door de omringende wereld ook zijn moge, toch moet een groot begrip door dat gevaar heen, want anders zal het nooit behoorlijk begrepen worden en zeker nooit ten volle uiteengezet. Door beproeving wordt het tot uitdrukking en tot rijpheid gebracht, en door strijd komt het tot volkomenheid en macht. Ook in zijn vroegste jaren ontkomt het niet aan de botsing der meningen, en al wordt het soms van buiten af behoed tegen onbestendigheid en verandering, toch blijft het daardoor zichzelf niet meer gelijk en heeft het daardoor geen sterker aanspraak om als identiek te worden beschouwd. Wel zegt men soms dat de stroom het helderst is in de nabijheid van de bron. Welk gebruik men naar recht en billijkheid ook maken kan van dit beeld, zeker is het niet van toepassing op de geschiedenis van een levensbeschouwing of geloofsovertuiging; want hier wordt de stroom meer gelijkmatig en zuiverder en sterker, wanneer de bedding diep geworden is en breed en vol. Het begrip ontspringt noodzakelijkerwijze uit een bestaande stand van zaken en een tijdlang draagt het de kenmerken van die oorsprong. Zijn vitaal element moet zich nog losmaken van wat vreemd en voorbijgaand is, en zijn pogingen tot bevrijding worden krachtiger en hoopvoller naarmate de jaren verlopen. Zijn eerste begin is de maat noch van zijn mogelijkheden noch van zijn feitelijke ontplooiing. Aanvankelijk weet niemand, wat het is of wat het waard is. Een tijd lang blijft het misschien werkzaam in stilte; het oefent, als het ware, zijn ledematen, het onderzoekt de grond waarop het staat, en vindt tastend zijn weg. Van tijd tot tijd doet het pogingen die mislukken en die derhalve opgegeven worden. Het lijkt in onzekerheid welke kant het uit wil; het aarzelt en slaat eindelijk een bepaalde richting in. Mettertijd komt het op een heel ander gebied; omstreden punten krijgen dan een ander aanzien; partijen komen op en gaan ten onder in zijn omgeving; gevaren en verwachtingen verschijnen in nieuwe verhoudingen; en oude beginselen komen weer te voorschijn in nieuwe vormen. Het verandert met die veranderingen ten einde zichzelf te blijven. In een hogere wereld is het anders, maar hier beneden geldt: leven is: veranderen, en volgroeid zijn is: vele malen veranderd zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- ARTIKEL 2 - OVER DE VERSCHILLENDE SOORTEN VAN ONTWIKKELING DIE EEN BEGRIP KAN DOORMAKEN
1. Het ligt volstrekt niet in de bedoeling van deze Proeve de verschillende theoretische of practische denkprocessen, die onder de naam van ontwikkeling vallen, aan een nauwkeurige analyse te onderwerpen of volledig op te noemen; maar zonder een algemeen overzicht van de verschillende vormen van geestesarbeid welke die naam verdienen, zijn we niet beveiligd tegen verwarring in onze redenering en stellen we ons noodzakelijkerwijze bloot aan kritiek.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVooreerst dan bedenke men, dat het woord, wegens de gebrekkigheid van onze taal, gewoonlijk en ook hier willekeurig gebruikt wordt in drie verschillende betekenissen, namelijk: ten eerste voor de wijze van de ontwikkeling, ten tweede voor het resultaat van de ontwikkeling en ten derde in beide gevallen ofwel in het algemeen voor elke ontwikkeling, vals of niet vals, met andere woorden: al of niet in overeenstemming met het oorspronkelijk begrip, ofwel uitsluitend voor een ontwikkeling, welke echt die naam verdient. Een ontwikkeling, die vals is of niet-in-overeenstemming, verdient eerder de naam van ontaarding.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaTen tweede is het duidelijk, dat mathematische ontwikkelingen, dat wil zeggen, reeksen van waarheden, afgeleid uit mathematische definities of vergelijkingen, niet vallen onder de stof die we hier behandelen, al zijn ze er volkomen analoog mee. Bij dergelijke ontwikkelingen is ontaarding onmogelijk, omdat ze geleid worden door regels van stricte demonstratie; en wijl de conclusies waartoe zij voeren noodzakelijk zijn, kunnen er geen afwijkingen zijn van het oorspronkelijk begrip.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaTen derde komen ook vanzelfsprekend de fysische ontwikkelingen, zoals de groei van de dierlijke of vegetatieve natuur, hier niet in aanmerking, tenzij in zoverre als deze, evenals de mathematische, kunnen dienen ter verduidelijking van het eigenlijk voorwerp van onze aandacht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaTen vierde behoeven wij geen aandacht te schenken aan stoffelijke ontwikkelingen, die toch ook fysisch zijn, al geschieden ze door menselijke middelen, zoals wat men noemt de ontwikkeling van de nationale hulpbronnen. We zeggen b.v. van Ierland of de Verenigde Staten of het dal van de Indus, dat ze nog voor grote ontwikkeling vatbaar zijn, en we bedoelen daarmee, dat die landen vruchtbare streken bezitten, of overvloedige producten, of brede en diepe rivieren, of goed gelegen handelscentra, of ruime en bruikbare havens,- materiaal dus of werktuig voor het verkrijgen van rijkdom, maar dat deze tegenwoordig nog niet genoegzaam benut worden. In dit geval geschiedt de ontwikkeling door het oprichten van stapelplaatsen, het graven van kanalen, het leggen van spoorwegen, het bouwen van fabrieken, het aanleggen van havens en door soortgelijke werken, waardoor de natuurlijke rijkdommen van een land een maximum opbrengst kunnen leveren en de grootste invloed kunnen uitoefenen. In deze zin is de techniek de ontwikkeling van de natuur, dat wil zeggen, de natuur wordt dienstbaar gemaakt aan het nut of aan de schoonheid, en het menselijk intellect levert dan de ontwikkelende kracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media2. Ten vijfde kunnen we spreken van een politieke ontwikkeling, als de werkzame begrippen gericht zijn op de maatschappij en haar verschillende klassen en belangen; zulk een ontwikkeling zien we in de groei van staten of in de veranderingen van een Grondwet. Als barbaren zuidelijke landen binnenvallen uit hebzucht, met het zwaard als rechtsgrond, dan staat er geen verstandelijke overweging achter, en beschaafde gemeenschappen kennen deze wijze van ontwikkeling niet. Waar beschaving heerst, daar is steeds de rede in een of andere vorm drijfveer of voorwendsel van ontwikkeling. Als een rijk zich uitbreidt, dan is het op verzoek van zijn bondgenoten, of voor het staatkundig evenwicht, of uit een behoefte aan krachtvertoon, of ter beveiliging van zijn grenzen. Het voelt zich onbehaaglijk binnen zijn eigen grondgebied, het heeft een onmogelijke vorm, geen natuurlijke grenzen, gebrekkige verbindingen tussen de voornaamste punten, weerloze of woelige naburen. Zo was in de oudheid Euboea nodig voor Athene, en Cythera voor Sparta; en Augustus heeft als laatste wilsbeschikking de raad achtergelaten de grenzen van het Romeinse Rijk te laten bepalen door de Atlantische Oceaan, de Rijn en de Donau, de Euphraat en de woestijnen van Arabië en Afrika. Heden ten dage vernemen wij, dat de Rijn de natuurlijke grens is van Frankrijk, en de Indus van ons Oostelijk imperium; en we voorspellen, dat Pruisen in geval van oorlog een andere vorm zal krijgen op de kaart van Europa. De ontwikkeling is van stoffelijke aard, maar een begrip geeft aan haar verloop eenheid en kracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEn om een voorbeeld te ontlenen aan onze nationale politiek: onlangs heeft een schrijver 1 over het parlement van 1628-29 in z'n strijd met Karel I opgemerkt, dat het, wel verre van inbreuk te maken op de rechtsmacht van een constitutioneel vorst, niet eens zinspeelde op de waarborgen die nodig waren voor z'n eigen verordeningen. Maar hij voegt erbij: ,,Herhaalde agressies van de kant des koning leerden de leden van het Lange Parlement na twaalf jaren eindelijk wat enkele mannen van inzicht misschien al hadden kunnen vermoeden, namelijk dat ze nog meer van hun oude Constitutie aan de vergetelheid moesten ontrukken, dat ze de gedeeltelijke zwakheid van die Constitutie met nieuwe waarborgen moesten steunen, dat ze, ten einde het bestaan van de monarchie in overeenstemming te brengen met dat van de vrijheid, aan de monarchie niet slechts moesten ontnemen alles wat ze zich had aangematigd, maar ook nog iets van wat haar toekwam". De waarde van de theorie van deze schrijver daargelaten, de feiten, die hij aanhaalt, of de voorstelling, die hij hier van geeft, zijn in elk geval een voorbeeld van politieke ontwikkeling.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEen ander voorbeeld. Tegenwoordig wordt de politieke regeling, waarbij Ierland een bevolking heeft van één Geloofsbelijdenis en een Kerk van een heel andere, gevoeld als zó onbevredigend, dat alle partijen het erover eens schijnen te zijn, dat ofwel de bevolking zich zal ontwikkelen in macht, ofwel de Ierse Staatskerk in invloed.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaPolitieke ontwikkelingen, ofschoon in werkelijkheid de groei van begrippen, zijn tengevolge van de aard van hun materiaal heel vaak grillig en onregelmatig. Ze worden beïnvloed door het karakter van vorsten, door de opkomst en de val van staatslieden, door de uitslag van oorlogen, en door de talloze wisselvalligheden van de wereld. "Misschien zouden de Grieken nog verstrikt zijn in de ketterij der Monofysieten", zegt Gibbon "indien het paard van de Keizer niet door een gelukkig toeval gestruikeld was. Theodosius stierf, en zijn orthodoxe zuster volgde hem op in het keizerschap".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media3. Daarenboven gebeurt het vaak of zelfs gewoonlijk, dat er in de oorsprong of de eerste jaren van politieke stelsels, of ook wel van wereldbeschouwingen, meerdere onderscheidene en onverenigbare elementen gevonden worden, waarvan er sommige afgescheiden worden, voordat enige ontwikkeling, althans enige bevredigende ontwikkeling, kan plaats grijpen. En gewoonlijk worden ze vanzelf afgescheiden door de geleidelijke groei van de sterkere elementen. De zojuist vermelde regering van Karel de Eerste levert daarvan een voorbeeld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaSoms gaan onverenigbare elementen voor een tijd samen en blijven dan verborgen onder een gezamenlijke belijdenis of een naam. Dat is het geval bij coalities in de politiek en bij verzoeningspogingen in de religie, waarvan gewoonlijk niet veel goeds is te verwachten. Het is de gewone functie van comité's en delegaties, en het enige doel van compromissen en concessies, aan tegenstellingen het voorkomen van eenheid te geven, en te zorgen voor een uitwendige overeenkomst waar geen andere eenheid bestaat. In de feitelijke geschiedenis der staten zijn, evenals in die van filosofische sekten, allerlei soorten van ontwikkeling, van reactie, van hervorming, van revolutie en verandering zó zeer met elkaar verstrengeld, dat het zeer moeilijk is die uiteen te zetten in een wetenschappelijke analyse.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVaak gebeurt het, dat het theoretisch procedé gescheiden is van het praktische, en pas later volgt. Zo heeft Hooker, eerst nadat Elisabeth de Reformatie tot staatsgodsdienst had gemaakt, zijn theorie uiteengezet, volgens welke Kerk en Staat slechts één en hetzelfde zijn, alleen verschillend in begrip. En pas na de Revolutie van 1689 en de politieke gevolgen daarvan heeft Warburton zijn Alliance geschreven. 3 En op dit ogenblik is weer een nieuwe theorie nodig voor de beoefenaars van het staatsrecht, om de bestaande politieke verhoudingen te verzoenen met de gerechtvaardigde aanspraken der Religie. Zo komt men door de uitwendige druk der feiten of de kracht van beginselen bij Parlementaire conflicten, aanvankelijk vaak zonder te weten hoe, tot bepaalde conclusies; en als men dan spreken moet, is men in verlegenheid omtrent de argumenten, totdat er een brochure of een artikel in een Tijdschrift over het punt in kwestie verschijnt, waardoor aan de mensen de nodige argumenten worden verschaft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaAndere ontwikkelingen, ofschoon evenzeer politiek, zijn volstrekt afhankelijk van, en dus volgend op, de begrippen, waarvan ze de belichaming zijn. Zo was de filosofie van Locke niet maar een verdediging van de Revolutietijd, doch een werkelijke gids, die krachtige invloed gehad heeft op de Kerk en de Regering van zijn tijd en later. Van dezelfde aard waren de theorieën die op het einde van de vorige eeuw voorafgingen aan de val van het oude régime in Frankrijk en andere landen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMisschien zijn er nog politieke stelsels die helemaal niet op begrippen gebouwd zijn doch enkel op de gewoonte, zoals bij de Aziatische volkeren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media4. Daar zijn nog andere soorten van ontwikkeling, waarin het verstandelijk karakter zozeer opvalt, dat men ze zelfs logisch zou kunnen noemen. Dit is het geval bij de Anglicaanse leer van de Koninklijke Suprematie, die opgesteld is door de rechterlijke macht, niet door een kabinetsbesluit en niet op het slagveld. Daarom wordt deze leer doorgevoerd met een consequentie en een nauwkeurigheid van toepassing, zoals men nergens vindt in de geschiedenis van staatsinstellingen. Ze bestaat niet slechts in verordeningen, in artikelen en eedsformulieren, maar ze wordt in alle details tot werkelijkheid gebracht: - zoals in de congé d'élire met begeleidende missive voor de aanstelling van een Bisschop;- in het ceremonieel van de Raad van State bij het uitschrijven van Openbare Gebeden; in zekere beschikkingen van het "Gebedenboek", volgens welke de universele of abstracte Kerk precedentie heeft boven de Koning, doch de nationale en werkelijk bestaande kerkelijke gemeenschap pas nà hem komt; in het drukken van de naam des Konings in grote hoofdletters, terwijl de Heiligste Namen in gewone letters worden gezet; - in het aanbrengen van zijn wapenschild in de kerk in plaats van het Crucifix; - en misschien ook nog in het feit, dat "muiterij, kuiperij en oproer" in de Litanie geplaatst zijn vóór "valse leer, ketterij en schisma".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHier verdient ook nog genoemd te worden wat er geschiedt, als een nieuwe levensbeschouwing geheel of gedeeltelijk z'n weg vindt in de maatregelen van de Wetgevende Macht of in de concessies die men doet aan een politieke partij, of in de handels- of landbouwpolitiek. Dan zegt men vaak: "Daar hebben we het einde nog niet van gezien", "Het is een voorproefje van verdere concessies", "Wie dan leeft, wie dan zorgt".- We voelen dan, dat de betekenis en de gevolgen ervan niet te overzien zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaOnlangs nog heeft men het toelaten van Joden tot staatsbetrekkingen verdedigd 4 op déze grond: dat dit niet de invoering van een nieuw beginsel betekent, doch slechts de ontwikkeling is van een beginsel, dat reeds aanvaard is; dat de grote premissen daarvan reeds lang geleden beslist zijn; en dat de tegenwoordige tijd alleen maar de conclusie behoeft te trekken; dat het ons niet vrij staat na te gaan wat in abstracto het beste is, wijl er geen ideaal model bestaat dat een onfeilbare leiding aan de naties kan verschaffen; dat de verandering slechts een kwestie van tijd is, en dat de tijd alles terecht brengt; dat de toepassing van beginselen niet verder moet gaan dan het bepaalde geval, en niet te vroeg en niet te laat moet komen, als er een dringende eis wordt gesteld; dat feitelijk in de laatste jaren Joden reeds gekozen zijn voor hoge ambten, en dat de wetgeving rechtens niet kan weigeren dergelijke keuzen te erkennen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media5. Een zevende klas van ontwikkeling zou men de historische kunnen noemen. Ik bedoel hiermee de geleidelijke meningsvorming over personen, feiten en gebeurtenissen. Oordeelvellingen, die aanvankelijk beperkt waren tot enkele personen, verspreiden zich tenslotte door een gemeenschap en worden algemeen aanvaard door de opeenhoping van getuigenissen die onderling overeenstemmen. Sommige gezaghebbende getuigenissen sterven weg, andere krijgen vaste voet en worden uiteindelijk als waarheden aanvaard. Rechterlijke beslissingen, handelingen van het Parlement, kranten, nagelaten brieven en andere documenten, ijverige geschiedschrijvers en biografen, en het tijdsverloop, dat partijgeest en vooroordeel verdrijft, zijn heden ten dage de instrumenten van dit soort ontwikkeling. Daarom ook maakt de dichter 5 de Waarheid tot de Dochter van de Tijd. Zo krijgt men ten slotte een benadering van de juiste waardering van feiten en karakters, Geschiedenis kan alleen door het nageslacht geschreven worden. Door een dergelijke ontwikkeling is de Canon van het Nieuwe Testament tot stand gekomen. Mannen die een openbaar ambt bekleden laten om dezelfde reden hun reputatie gaarne over aan de nakomelingschap; grote reacties kunnen plaats grijpen in de publieke mening, en het gebeurt zelfs dat mannen oppositie en smaad overleven. Om dezelfde reden worden de Heiligen in de Kerk pas gecanoniseerd lang nadat zij de eeuwige rust zijn ingegaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media6. Ethische ontwikkelingen, ten achtste, kunnen niet in eigenlijke zin beredeneerd en polemisch behandeld worden; ze komen vanzelf en zijn persoonlijk, en in plaats van streng logische gevolgtrekking stellen ze datgene wat passend, wenselijk, .piëteitsvol, behoorlijk en edelmoedig is. Bisschop Butler geeft daarvan een merkwaardig voorbeeld in het begin van het Tweede Deel van zijn Analogy. Juist zoals beginselen de toepassing ervan impliceren en zoals algemene stellingen ook bijzondere gevallen insluiten, zegt hij, zo impliceren ook bepaalde relaties bepaalde plichten, en zo eisen ook bepaalde voorwerpen bepaalde handelingen en gevoelens. Zelfs al werd ons nergens bevolen goddelijke eer te brengen aan de Tweede en de Derde Persoon van de Heilige Drievuldigheid, zo zegt hij, dan zouden wij toch in datgene wat de Schrift van Hen verklaart voor die eer een overvloedige reden vinden, een indirect bevel en zelfs een logische grond. "Volgt de plicht tot religieuze gevoelens jegens die Goddelijke Personen", zo vraagt hij, "niet even onmiddellijk voor het denkend verstand uit de natuur zelf van die attributen en betrekkingen, als de welwillendheid en goedhartigheid die we aan onze mede-mens verschuldigd zijn, volgt uit de gewone betrekkingen tussen hen en ons?" Hij zegt dan verder, dat hij hierbij doelt op de inwendige religieuze gevoelens van ontzag, eer, liefde, vertrouwen, dankbaarheid, vrees en hoop. "In welke uitwendige vorm deze inwendige verering tot uitdrukking moet komen, hangt enkel af van een gereveleerd bevel; . . . . maar de verering, de inwendige verering zelf, van de Zoon en de Heilige Geest, hangt slechts in zover enkel van een gereveleerd bevel af, als de betrekkingen waarin Zij tot ons staan, ons enkel uit de revelatie bekend zijn; want zijn die betrekkingen eenmaal bekend, dan zijn de verplichtingen tot die inwendige verering verplichtingen van de rede zelf, wijl ze rechtstreeks voortkomen uit die betrekkingen". Met andere woorden: de verering is hier een ontwikkeling uit de leer; en meer dergelijke voorbeelden zijn duidelijk te vinden in de Kerk van Rome.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media7. Hier moet nog een ontwikkeling vermeld worden, die in een richting verloopt, tegenovergesteld aan die waarover Butler spreekt. Want evenals bepaalde voorwerpen bepaalde emoties en gevoelens wekken, zo impliceren omgekeerd bepaalde gevoelens ook bepaalde voorwerpen en plichten. Zo is het geweten en het bestaan ervan kunnen we niet ontkennen - een bewijs voor de leer van een Zedelijk Bestuurder, want slechts daardoor krijgt het geweten betekenis en doel; met andere woorden, de leer van een toekomstige Rechter is een ontwikkeling van het feitelijk bestaan van het geweten. Ook is het duidelijk dat er passies en neigingen in onze geest werkzaam zijn nog voordat de eigenlijke voorwerpen ervan aanwezig zijn; en die werkzaamheid zou van zelf al een uiterst krachtig argument a priori zijn voor het werkelijk bestaan van die eigenlijke voorwerpen, ook als wij die overigens niet kenden. Zo geeft ook het maatschappelijk beginsel dat ons is ingeboren, een goddelijke sanctie aan het bestaan van de maatschappij en van de burgerlijke regering. En het gebruik van te bidden voor de doden impliceert bepaalde omstandigheden van hun bestaan, waardoor die gebeden betekenis krijgen. Riten en ceremonies zijn de natuurlijke middelen waarin de geest bevredigende uiting vindt voor zijn emoties van godsvrucht en boete. Het aankweken van een gevoel van eerbied en liefde voor wat groot, hoog en ongezien is, heeft soms iemand ertoe gebracht zijn secte prijs te geven voor een meer Katholieke vorm van Christendom.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaAristoteles doet ons een voorbeeld van dit soort van ontwikkeling aan de hand, waar hij spreekt over de gelukkige mens. Na aangetoond te hebben, dat zijn definitie van geluk ook het plezierige (het duidelijkste en populairste begrip van geluk) insluit, schrijft hij verder, dat de definitie niets zegt over uitwendige goederen, maar dat deze toch noodzakelijk zijn; met andere woorden, dat een zekere welvaart behoort bij de gelukkige mens, niet uit logische noodzakelijkheid, doch uit morele gepastheid. ~Want het is onmogelijk, althans niet gemakkelijk", zegt hij, ,hoge deugdzaamheid te beoefenen zonder rijke middelen. Veel werken immers geschieden met behulp van vrienden, van rijkdom of van de burgerlijke macht; en de afwezigheid van sommige dingen, - zoals edele geboorte, veelbelovende kinderen en persoonlijk uiterlijk, werpt een schaduw en een vlek op het geluk: want iemand van mismaakte gestalte, van allerlaagste afkomst, of iemand die verlaten en kinderloos is, kan niet licht volkomen gelukkig zijn; en nog minder iemand die nietswaardige kinderen of verwanten heeft, of wiens goede kinderen en verwanten gestorven zijn" 6.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media8. Deze vorm van ontwikkeling is heel goed getekend door een nog levend Frans schrijver in zijn Leçons sur la Civilisation Européenne, en we zullen er een ietwat uitvoerig citaat aan ontlenen 7. "Als men de religie reduceert", zo schrijft hij, "tot een zuiver religieus gevoel. ... dan lijkt het me duidelijk, dat de religie een persoonlijke aangelegenheid moet blijven .... Doch als ik me niet zeer sterk vergis, is dit religieus gevoel niet de volledige uitdrukking van de religieuze natuur van de mens. De religie is, meen ik, heel iets anders en veel meer. Er zijn in de natuur en de lotgevallen van de mens problemen, waarvan de oplossing buiten deze wereld ligt, die samenhangen met een orde van zaken zonder verband met de zichtbare wereld, maar die de menselijke geest onophoudelijk blijven kwellen met het verlangen naar een oplossing. Het oplossen van die problemen, de overtuigingen en leerstellingen welke de oplossing bevatten, of althans geacht worden te bevatten, ziedaar het eerste doel, de eerste bron van de religie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media"Maar nog een andere weg leidt de mensen tot de religie .... Waar komt de zedelijkheid vandaan? Waarheen leidt ze? Dat innerlijk plichtsgevoel om het goede te doen, is dat een geïsoleerd feit zonder oorzaak, zonder doel? Verbergt het niet, of liever toont het niet aan de mens een oorsprong en een doeleinde, die buiten deze wereld liggen. Het is een spontaan opkomende, onvermijdelijke vraag; en zo brengt zedelijkheid de mens tot aan de drempel van de religie en geeft hem toegang tot die sfeer van goddelijke dingen, waarvan zij wel verschilt, maar waarmee ze noodzakelijk verbonden is. We hebben dus als nawijsbare bronnen van de religie enerzijds de problemen van onze natuur, anderzijds het probleem om voor de zedelijkheid een sanctie, een oorsprong, een doel te vinden. Zij vertoont dus nog heel andere aspecten dan dat van een louter gevoel; zij vertoont zich als een geheel, ten eerste van leerstellingen, .... ten tweede· van geboden, .. ten derde van beloften .... Dit alles vormt in waarheid de religie; dit alles is zij au fond, en niet slechts een vorm van gevoelerigheid, een spel van de verbeelding, een soort poëzie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media"Als men de religie aldus terugvoert tot haar ware elementen, tot haar wezen, dan verschijnt ze niet meer als een louter individueel feit, doch als een krachtig en vruchtbaar beginsel van gemeenschapsvorming. Wil men ze beschouwen als een stelsel van overtuigingen, van dogma's? Welnu, de waarheid behoort niet aan het individu doch is absoluut en universeel, en de mensen hebben er behoefte aan er gezamenlijk naar te zoeken en ze gezamenlijk te belijden. Gaat het over de voorschriften, die verbonden zijn met die leer? Welnu, een wet die verplichtend is voor een individu, is verplichtend voor allen; ze moet gepromulgeerd worden, alle mensen moeten onder haar heerschappij gebracht worden. Zo is het ook met de beloften, die de religie doet op grond van haar leerstellingen en geboden: men moet ze verspreiden, allen moeten geroepen worden om er de weldaden van te genieten. Uit de wezenselementen van de religie dus ontstaat de religieuze gemeenschap, en deze vloeit er zó onfeilbaar uit voort, dat de term, die het meest energiek sociaal gevoel wil uitdrukken, de sterkste behoefte om ideeën te verspreiden en een gemeenschap uit te breiden, de term proselietenmakerij is, een term, die vooral wordt toegepast op religieuze overtuigingen, en hieraan feitelijk geëigend is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media"Wanneer een religieuze gemeenschap eenmaal gevormd is, wanneer een aantal mensen zich eenmaal heeft verenigd in gemeenschappelijke religieuze overtuigingen, onder de leiding van gemeenschappelijke religieuze verplichtingen, en met gemeenschappelijke religieuze verwachtingen, hebben zij een bestuursvorm nodig. Geen enkele gemeenschap kan een week of zelfs maar een uur bestaan zonder bestuur. Op hetzelfde ogenblik dat de gemeenschap zich vormt, door het feit zelf dat ze zich vormt, roept ze om een bestuur, dat de gemeenschappelijke waarheid, de band van de gemeenschap, zal verkondigen, dat de voorschriften, welke die waarheid noodzakelijk moet voortbrengen, zal promulgeren en handhaven. De noodzaak van een hogere macht, van een vorm van bestuur, is gegeven tegelijk met het feit van het bestaan van de religieuze gemeenschap, van iedere gemeenschap.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEn niet slechts is een bestuur nodig, het vormt zich vanzelf. ... Wanneer de zaken hun natuurlijke loop volgen, wanneer geen geweld tussenbeide komt, gaat de macht naar de bekwaamsten, naar de waardigsten, naar diegenen, die in staat zijn de gemeenschap naar haar doel te leiden. Gaat het over een oorlogsbedrijf, dan nemen de dappersten de macht in handen. Is het doel van de gemeenschap een wetenschappelijke onderzoeking of onderneming, dan zal de bekwaamste als leider optreden .... Diezelfde ongelijkheid van bekwaamheden, die de macht doet ontstaan in de burgerlijke gemeenschap, doet ze ook ontstaan in de religieuze gemeenschap ... Zodra de religie geboren wordt in de menselijke geest, verschijnt de religieuze gemeenschap; zodra de religieuze gemeenschap verschijnt, brengt zij haar bestuur voort".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media9. Tenslotte rest ons nog te spreken over een negende soort ontwikkeling, die ik wel metafysisch zou willen noemen, als het woord niet zo vaag en in zoveel verschillende betekenissen gebruikt was; ik bedoel in elk geval die ontwikkeling, die bestaat in een zuivere analyse van het verstandelijk begrip en voert tot een nauwkeurige en volledige beschrijving. Zo tekent Aristoteles het karakter van een grootmoedig of van een royaal man; zo kan het zijn, dat Shakespeare 8 zijn Hamlet of zijn Arie! heeft bedacht en uitgewerkt; zo legt Walter Scott in het verloop van zijn verhaal geleidelijk de diepste kern bloot van zijn James of zijn Dalgetty; en zo kunnen ook op het heilige terrein der theologie de verheven begrippen, die tot nu toe impliciet werden aanvaard en die de geest nog niet aan zijn denk- en redeneervermogen had onderworpen, tot ontwikkeling gebracht worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDeze gedachte, vooral in betrekking tot het hoogste theologische onderwerp, heb ik reeds breedvoerig uitgewerkt in een vroeger geschrift en ik mag hieruit wel enige zinsneden aanhalen ter verklaring van mijn bedoeling.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media"De geest, die zich vertrouwd heeft gemaakt met de gedachte aan God, aan Christus, aan de Heilige Geest, zal natuurlijkerwijze met een devote aandacht gaan nadenken over het voorwerp van zijn aanbidding, en begint stellingen daarover te vormen, voordat hij nog weet waarheen of hoever ze hem zullen voeren. De ene stelling leidt noodwendig tot een tweede, en de tweede tot een derde; en dan voelt men dat men te ver gaat; en het samentreffen van deze tegenstellingen leidt tot het verdere uitwerken van het oorspronkelijk begrip, waarvan men dan ook nooit zeggen kan, dat het volkomen uitgewerkt is. Dit proces noem ik ontwikkeling en het resultaat is een reeks, of liever een geheel, van dogmatische stellingen, zodat hetgeen een indruk was op de Verbeelding uiteindelijk voor de Rede geworden is tot stelsel van waarheden, tot een geloofsbelijdenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media"Het ligt voor de hand, dat zulke indrukken veel individueler en vollediger zijn dan andere theologische begrippen, want het zijn indrukken van objectieve Gegevens. Gewoonlijk valt een begrip niet samen met zijn ontwikkeling, daar de ontwikkeling het doorvoeren is van het begrip tot zijn consequenties. Zo mag de leer van de Boete een ontwikkeling heten van de leer van het Doopsel, maar toch is het een heel andere leer. De ontwikkelingen echter in de leer van de Heilige Drievuldigheid en de Incarnatie zijn slechts onderdelen van de oorspronkelijk indruk, en manieren van voorstelling. Zoals God één is, zo is ook de indruk, die Hij van Zichzelf geeft, één; niet iets, wat onvolledig is en een tegenhanger nodig heeft. Het is de aanschouwing van een object. Als we bidden, dan bidden we niet tot een groep van ideeën, niet tot een geloofsbelijdenis, maar tot Eén bepaald Individueel Wezen; en als we van Hem spreken, dan spreken we van een Persoon, niet van een Wet of van een Manifestatie. . . . Religieuze mensen hebben, naar de mate van hun menselijk vermogen, een begrip, een aanschouwing van de Heilige Drie-eenheid, van de Mensgeworden Zoon en van Zijn Tegenwoordigheid, niet als van een aantal eigenschappen, attributen en werkzaamheden, niet als van het gezamenlijk onderwerp van een aantal stellingen, maar als van een object, dat één is en individueel en onafhankelijk van woorden, zoals de indruk is die we door de zintuigen ontvangen .... Belijdenissen en dogma's zijn slechts levend in het éne begrip, dat zij trachten uit te drukken, en dat alléén een onafhankelijk bestaan heeft; maar ze zijn nodig, omdat de menselijke geest slechts stuksgewijze kan nadenken over dat begrip, het niet kan hanteren in zijn eenheid en volledigheid, doch het moet oplossen in een reeks van aspecten en relaties. 10
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media10. Tot zover over de ontwikkeling van de begrippen in verschillend materiaal. Het is misschien goed hierbij te voegen, dat in vele gevallen, zoals ook in sommige van de reeds genoemde voorbeelden, ontwikkeling niets anders is dan een concrete verschijningsvorm. Zo kan men het Calvinisme en het Unitarianisme beide ontwikkelingen, d.w.z. verschijningsvormen noemen van het beginsel van het Persoonlijk Oordeel, al hebben ze wat de leer betreft niets met elkander gemeen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat het Christendom betreft, - indien de waarheden, waaruit het bestaat zich ontwikkelen kunnen, zal die ontwikkeling er altijd een zijn van de vijf laatstgenoemde soorten. Uitgaande van de Incarnatie als zijn centrale leer, zullen we een voorbeeld vinden van politieke ontwikkeling in het Episcopaat, zoals dat geleerd wordt door de H. Ignatius, van logische ontwikkeling in de Theotokos, van historische ontwikkeling in het bepalen van de geboortedatum van Christus, van morele ontwikkeling in de Heilige Eucharistie, en van metafysische ontwikkeling in de Athanasiaanse Geloofsbelijdenis[309].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- HOOFDSTUK II - REDENEN A PRIORI VOOR HET AANNEMEN VAN ONTWIKKELINGEN IN DE CHRISTELIJKE LEER
- ARTIKEL 1 - ONTWIKKELINGEN VAN DE LEER TE VERWACHTEN
1. Eerste reden: zo het Christendom een objectief gegeven is en een begrip ervan zich afdrukt in onze geest en dus materiaal wordt voor het redeneervermogen, dan zal dat begrip zich na verloop van tijd ontplooien tot een veelheid van begrippen en aspecten van begrippen, die samenhangen en een harmonisch geheel vormen en tegelijk op zich vaststaan en onveranderlijk zijn, evenals het objectieve gegeven zelf dat ze vertegenwoordigen. Het is een kenmerk van onze geest, dat hij een voorwerp, dat hem wordt voorgelegd, niet eenvoudig in zijn geheel kan omvatten. We denken door middel van bepalingen en beschrijvingen; volledige gegevens brengen in onze geest geen volledige begrippen voort, doch worden, om een wiskundige term te gebruiken, tot reeksen gemaakt, tot een aantal stellingen, die elkander versterken, verklaren, corrigeren, en die, naar gelang zij zich vermenigvuldigen, met grotere of kleinere nauwkeurigheid een volmaakt beeld benaderen. Een andere manier om zelf of ook anderen iets te leren bestaat niet. We kunnen alleen onderrichten met aspecten of opvattingen, die niet identiek zijn met de zaak zelf waarover het gaat. Twee personen kunnen misschien dezelfde waarheid aan een derde overbrengen en toch totaal andere methoden en voorstellingen gebruiken. Dezelfde persoon kan in een opstel of een voordracht misschien eenzelfde redenering op twee of meer heel verschillende manieren uiteenzetten dat hangt af van de toevalligheden van de dag waarop hij schrijft, of van het gehoor, - maar in wezen zal het toch dezelfde redenering zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHoe meer recht een begrip heeft om als levend beschouwd te worden, des te uiteenlopender zullen zijn aspecten zijn; en hoe meer het van maatschappelijke of politieke aard is, des te gecompliceerder en dieper zullen de werkingen ervan zijn, en des te langer en gevarieerder zal zijn verloop zijn in de geschiedenis. (( En onder het getal van die zeer bijzondere begrippen, die wegens hun diepte en hun rijkdom niet terstond volledig kunnen begrepen worden, maar die door het verloop van de eeuwen hoe langer hoe duidelijker worden uitgedrukt en geformuleerd die vele aspecten hebben en veel betrekkingen, onderling met elkander verbonden en voortkomend uit elkander, en allemaal delen van een groot geheel, gelijke tred houdend met de immer wisselende behoeften van de wereld ten gevolge van hun veelvuldig, vruchtbaar en steeds bereidwillig meeleven en vermogen tot aanpassing,- onder het getal dier grote leerstellingen zullen wij, Christenen, toch zeker niet de meest vooraanstaande plaats weigeren aan het Christendom. Dienovereenkomstig moet dan ook wel, alleen reeds op grond van zijn allereerste prestaties, onze verwachting zijn, nog voordat wij getracht hebben de feitelijke ontwikkeling vast te stellen. ))
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media2. (( Men kan hier opwerpen, dat de geïnspireerde documenten van het Christendom onmiddellijk zonder menselijk toedoen de grenzen van zijn zending bepalen. Maar begrippen bestaan alleen in de schrijver en in de lezer van de revelatie, niet in de geïnspireerde tekst zelf: en het gaat er juist om, of die begrippen, welke de letter overbrengt van schrijver op lezer, de lezer wel terstond bij zijn eerste kennismaking ermee bereiken in hun volheid en nauwkeurigheid, of dat ze niet veeleer pas na verloop van tijd in zijn geest beginnen uit te botten en tot rijpheid te groeien. Niemand zal immers zonder buitensporigheid kunnen beweren, dat de letter van het Nieuwe Testament of van een andere groep boeken een beschrijving kon geven van al de mogelijke vormen, die een goddelijke boodschap zal aannemen, als zij aan een groot aantal geesten wordt voorgelegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe suppositie, dat voor de eerste ontvangers van de Revelatie de inspiratie bewerkte wat het Goddelijk Scheppingswoord in het begin voor de planten en dieren deed door ze te scheppen in volle rijpheid, verandert niets aan het geval. Want na verloop van tijd waren de ontvangers immers niet meer geïnspireerd; en deze latere ontvangers vingen de geïnspireerde waarheden op, zoals dat gewoonlijk geschiedt: ze begrepen ze wel in geest en in waarheid, maar in het begin vaag en in het algemeen, zodat de waarheden later pas volledig werden door ontwikkelingen. ))
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMen kan ook niet als bezwaar doen gelden, dat door deze wijze van behandeling het Christendom in zekere zin op gelijk niveau wordt gesteld met wereldse scholen en leerstellingen. Ongetwijfeld is het een soort degradatie van een goddelijk werk, als men het beschouwt onder een aardse vorm; maar een oneerbiedigheid is het niet, want ook onze Heer zelf, de Maker en Bewaker van het werk, is in een aardse vorm verschenen. Het Christendom verschilt van andere religies en wereldbeschouwingen in datgene wat het niet van de aarde maar rechtstreeks van de hemel heeft ontvangen; niet in zijn soort, maar in zijn oorsprong; niet in zijn natuur, maar in zijn individuele kenmerken; daar het onderricht en bezield wordt door wat hoger is dan menselijk intellect, door een goddelijke geest. Uitwendig is het wat de Apostel noemt een aarden vat, daar het de religie is van mensen. En als zodanig groeit het "in wijsheid en in grootte"; maar de krachten, waarover het beschikt, en de woorden, die uit zijn mond voorkomen, getuigen van zijn wonderdadige geboorte.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaAls men dus geen bijzondere reden kan aanhalen, waarom het een uitzondering zou vormen, dan moet men wel aannemen, dat het Christendom, - dat immers in andere opzichten, in zijn propaganda en in zijn organisatie, de algemene methode in de gang van zaken volgt, - ook als leer en eredienst een ontwikkeling zal doormaken in de geest van hen die er aan deel hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media3. Op de tweede plaats, zo het Christendom een universele religie is, geschikt niet slechts voor één tijd en één plaats, maar voor alle tijden en plaatsen, dan kan het niet anders of het moet wel variëren in zijn betrekkingen en zijn omgang met de omringende wereld, m.a.w. het zal zich zeker ontwikkelen. Beginselen eisen een heel verschillende toepassing, naarmate personen en omstandigheden verschillen, en moeten nieuwe vormen aannemen overeenkomstig de vorm van de maatschappij, die ze willen beïnvloeden. Daarom houden alle Christelijke gemeenschappen, rechtgelovig of niet rechtgelovig, zich bezig met het ontwikkelen van de leer der Schrift. Welhaast iedereen erkent, dat Luthers opvatting van de rechtvaardigmaking nooit te voren in woorden was uitgedrukt, dat zijn terminologie en zijn stellingen geheel nieuw waren, waarbij men al dan niet kan aanvoeren dat de omstandigheden dit verklaarbaar maakten. Eveneens is het zeker, dat ook de leer van de rechtvaardigmaking zoals die werd geformuleerd door Trente in zekere zin nieuw was. Een weerlegging van en een reactie tegen dwalingen kan niet voorafgaan aan die dwalingen zelf; en zo brengt het feit van valse ontwikkelingen of ontaardingen de formulering mee van de ware ontwikkelingen.- Verder beroepen alle partijen zich op de Schrift, m.a.w. ze redeneren uit de Schrift; maar redenering impliceert deductie, dat is ontwikkeling. In zoverre is er geen verschil tussen de vroegere tijden en de latere, tussen een Paus ex cathedra en een individueel Protestant, behalve dan dat hun autoriteit niet gelijk staat. Aan beide zijden is de aanspraak op autoriteit dezelfde en ook de methode van ontwikkeling.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDaarom is ook de gewone klacht van de Protestanten tegen de Kerk van Rome niet enkel, dat zij toevoegingen heeft gemaakt aan de oorspronkelijke of Bijbelse leer (want dat doen ze zelf ook), maar dat zij in rechtstreekse tegenspraak is met die leer, en daarbij nog haar toevoegingen oplegt als fundamentele waarheden onder sanctie van een anathema. Voor zichzelf doen ze hetzelfde wat de Katholieke scholastieken doen: deduceren volgens een methode, die even subtiel is, handelen naar leerstellingen, die in het verleden slechts even impliciet te vinden waren, en om redenen, die even min tevoren geanalyseerd waren. Waar wordt in het Nieuwe Testament bijzondere nadruk gelegd op de Koninklijke Suprematie? Op de geoorloofdheid om wapenen te dragen? Op de plicht van openbare eredienst? Op het vervangen van de zevende dag van de week door de eerste? Op de kinderdoop? En hier wil ik nog niet eens spreken over het fundamenteel beginsel, dat de Bijbel en de Bijbel alleen de religie is van de Protestanten. Of deze leerstellingen en praktijken nu waar zijn of niet, daarover gaat het hier niet; maar ze zijn in elk geval niet aan te tonen met een direct gebruik en een onmiddellijke toepassing van de Schrift, ook niet door rechtstreeks te redeneren uit woorden en zinsneden die vóór hen liggen, doch alleen door de onbewuste groei van begrippen die door de letter worden gesuggereerd en waarmee de geest vertrouwd is geraakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media4. En op de derde plaats, als we de bijzondere leerstellingen, waarop de Schrift de grootste nadruk legt, aan een nadere beschouwing gaan onderwerpen, zullen we inderdaad zien, dat ze in geen geval kunnen blijven steken in de eenvoudige letter van de Schrift, als ze tenminste iets meer dan louter woorden moeten blijven, en een bepaald begrip moeten bevatten voor de lezer. Wanneer verkondigd wordt, dat "het Woord is vlees geworden", dan rijzen terstond drie grote vragen bij deze verkondiging voor ons op. Wat wordt bedoeld met ,het Woord", wat met ,vlees", wat met "is geworden"? Het beantwoorden van deze vragen brengt een nader onderzoek mee, en het antwoord is een ontwikkeling. Daarentegen, zodra men de antwoorden heeft gevonden, zullen ze een hele reeks secundaire kwesties oproepen; en zo krijgt men eindelijk als resultaat een groot aantal stellingen, die zich groeperen rondom de geïnspireerde zinsnede waaruit ze voortkomen, en die er uitwendig de vorm aan geven van een leer, en het begrip ervan in de geest voortbrengen of verdiepen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet is waar: voor zover dergelijke woorden van de Schrift mysteries uitdrukken, blijven ze voor ons betrekkelijk slechts woorden en kunnen ze zich niet ontwikkelen. Maar een mysterie impliceert niet slechts een gedeelte, dat onbegrijpelijk of althans onbekend is, maar ook een gedeelte, dat wel begrijpelijk of bekend is; het impliceert een gedeeltelijke bekendmaking of een voorstelling onder ,economie". Omdat het dus in zekere mate begrepen wordt, kan het zich ook in diezelfde mate ontwikkelen, al zal elk stadium in deze ontwikkeling nog delen in de donkerte en het verbijsterende van de oorspronkelijke indruk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media5. Ten vierde bedenke men het volgende. De onderwerpen waarover de Schrift spreekt sluiten grote vraagstukken in die de Schrift niet oplost; vraagstukken tevens, die zo werkelijk, zo practisch zijn, dat ze beantwoord moeten worden, en wel beantwoord, - willen we geen nieuwe revelatie aannemen,- met behulp van de revelatie die we hebben, m.a.w. beantwoord door ontwikkeling. Daar is bijvoorbeeld het vraagstuk van de Canon van de Schrift en van haar inspiratie: of het Christendom namelijk evenals het Judaïsme afhangt van geschreven documenten; en zo ja, op hoevele geschriften en op welke; of die geschriften zichzelf verklaren, of dat zij een commentaar behoeven, en of er een gezaghebbende commentaar of commentator gegeven is; - of de revelatie en de documenten samenvallen, ofwel dat het ene meer omvat dan het andere. Al deze vraagstukken vinden toch zeker geen oplossing bij een eerste lezing van de tekst, en voor de meeste mensen ook niet bij een tweede of derde lezing, al besteden ze aan het bestuderen ervan ng zoveel tijd en ijver. En deze vraagstukken zijn ook niet, voor zover we weten, op gezaghebbende wijze opgelost bij het begin van de religie; ofschoon het toch heel denkbaar is, dat een Apostel ze met een paar woorden allemaal had kunnen oplossen, als de Goddelijke Wijsheid zulks passend had geoordeeld. Feitelijk echter is de beslissing overgelaten aan de tijd, aan het langzaam voortschrijdende denken, aan de invloed van de ene geest op de andere, aan het verloop der polemiek, aan de geleidelijke groei van een denkbeeld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media6. Laten we een ander voorbeeld nemen, waarop ik reeds heb gezinspeeld. Als er één punt was, waarop van het begin af een vaste regel wenselijk mocht heten, dan betrof het de religieuze plichten van Christelijke ouders tegenover hun kinderen. Het zou heel natuurlijk zijn, dat een Christelijk vader, bij ontstentenis van een vaste regel, zijn kleine kinderen ten doopsel bracht; dat zou dan de praktische ontwikkeling zijn van zijn geloof in Christus en de liefde voor zijn kroost; maar een ontwikkeling is het in elk geval, - zeer nodig, maar toch, zover we weten, nergens direct voorgeschreven in de Revelatie, zoals die oorspronkelijk gegeven is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEen ander zeer uitgestrekt terrein voor het denken, vol praktische overwegingen, maar, voor zover onze kennis reikt, slechts gedeeltelijk door enige Apostolische uitspraak gedekt, ligt vóór ons, waar het gaat over de gevolgen van het Doopsel. Het is ongetwijfeld de leer der Apostelen, dat diegenen, welke met berouw en geloof tot dat Heilig Sacrament kwamen, vergeving van zonden ontvingen; maar daarna is er dan voor later bedreven zonden nog een tweede vergeving mogelijk? De Brieven van de H. Paulus, waarin we wel een antwoord zouden verwachten op deze vraag, bevatten geen enkele uitdrukkelijke uitspraak over dit punt. Wat ze wèl duidelijk zeggen, vermindert de moeilijkheid volstrekt niet, - namelijk, ten eerste, dat het Doopsel bedoeld is voor zonden in het verleden, niet in de toekomst; en ten tweede, dat degenen, die de gave van het Doopsel hebben ontvangen, feitelijk in een staat van heiligheid, niet van zonde, leven. Hoever komen uitspraken als deze tegemoet aan de feitelijke toestand der Kerk, zoals we die in de tegenwoordige tijd zien? Gelet op de uitdrukkelijke voorspelling, dat het Rijk des Hemels als een visnet zich zou vullen met vissen van allerlei soort, en dat het onkruid zou opgroeien met de tarwe tot de oogsttijd, kan men zich geen ernstiger en praktischer vraagstuk voorstellen dan dit; en toch heeft het de goddelijke Gever der Revelatie behaagd dit onbeslist te laten, indien er tenminste in die Revelatie zelf niet een element gelegen is van groei of ontwikkeling. Zolang we ons houden aan de letter van de geïnspireerde leer, moet iedereen die met alle Protestanten houdt, dat de Schrift de enige geloofsregel is, bekennen, dat ,er niemand onder ons is, die het gereveleerde Ritueel niet heeft overschreden, en zich derhalve niet aangewezen ziet op die oneindige hulpmiddelen van goddelijke Liefde, waarvan Christus de drager is, maar die nergens geformuleerd staan in de beschikkingen van het Evangelie" 11. Het blijkt dus, dat de Schrift aanvulling nodig heeft, en de kwestie komt dus hierop neer, of dat tekort, die onvolledigheid, al dan niet een waarschijnlijkheidsargument a priori vormt voor een verdere ontwikkeling van de Bijbelse leerstellingen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media7. Er is een ander onderwerp, niet van zo onmiddellijk praktische aard, waarover de Schrift eigenlijk wel niet geheel zwijgt, maar waarover zij zó weinig zegt en tegelijk zó veel suggereert, dat men onwillekeurig meer gaat zoeken achter de letter. Ik bedoel de overgangstijd tussen de dood en de Verrijzenis. Als men denkt aan de lange periode tussen de eerste en de tweede komst van Christus, aan de millioenen gelovige zielen, die op de tweede komst moeten wachten, aan de diepe belangstelling welke iedere Christen koestert om iets te weten over de toestand waarin die zielen zich bevinden, dan mocht men verwachten, dat de Schrift daarover uitdrukkelijk zou gesproken hebben; feitelijk zijn de aanduidingen die zij geeft slechts kort en duister. We zouden wel kunnen redeneren, dat dit stilzwijgen der Schrift opzettelijk was, ten einde theoretische bespiegelingen daarover de pas af te snijden; maar evenals bij het vraagstuk van ons zondig leven na het doopsel, schijnt ook hier haar leer uit te gaan van een hypothese, die niet meer opgaat voor de toestand der Kerk, zoals die later is geworden. Evenals de Schrift de Christenen niet beschouwt als zondaars doch als heiligen, zo stelt ze blijkbaar de Dag des Oordeels voor als onmiddellijk op komst, en de tijd van afwachting als onbetekenend. Ze geeft aan onze geest de algemene indruk, dat Christus terstond op aarde zou terugkeren: "de tijd is voorts kort"; wereldse bezigheden moeten wijken voor "de aanstaande nood"; de vervolgers zijn nabij, de Christenen als geheel zondeloos en in afwachting, zonder thuis, zonder plan voor de toekomst, opziend ten hemel. Maar de uitwendige omstandigheden zijn veranderd en mèt de verandering wordt een andere toepassing van het gereveleerde woord, m.a.w. een ontwikkeling, noodzakelijk vereist. Toen de volkeren bekeerd waren en ,de misdaad te meerder" werd, toen kwam de Kerk openlijk te voorschijn, enerzijds als een organisatie, anderzijds als een heilsinstituut, en toen werd de ontwikkeling gesteund en geleid door teksten uit de Schrift, die vroeger van ondergeschikt belang schenen. Zo is ontstaan de leer van de Boete als aanvulling van het Doopsel, en die van het Vagevuur als verklaring van de Overgangstijd. Hoe redelijk deze uitbreiding van de oorspronkelijke belijdenis is, blijkt wel uit het volgende. Toen een jaar of tien geleden de ware leer van het Doopsel onder ons, Anglicanen, werd uiteengezet zonder dat er melding werd gemaakt van de Boete, werd de uiteenzetter door velen onder ons beschuldigd van Novatianisme; anderzijds hebben heterodoxe theologen wel eens de leer bepleit van een slapen der ziel, omdat dit, naar ze zeiden, het enige afdoende middel was om aan het geloof in een Vagevuur te ontkomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media8. De ontwikkelingen van het Christendom blijken dus in de bedoeling van zijn goddelijke Maker te hebben gelegen; en onze wijze van redeneren is gelijksoortig aan die waarmee wij tot een verstandelijk plan besluiten in het bestel van de zichtbare natuur. Als men uit de behoefte en de voorziening in die behoefte kan besluiten tot een plan in de zichtbare schepping, in diezelfde zin is ook het bestaan van hiaten (als ik het woord mag gebruiken) in de samenstelling van de oorspronkelijke belijdenis der Kerk een waarschijnlijkheidsbewijs voor de theorie, dat die ontwikkelingen, die voortkomen uit waarheden rondom die belijdenis, bedoeld waren als aanvulling van die hiaten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaTegen deze wijze van redenering kan men rechtens niet inbrengen, dat wij daarmee in tegenspraak komen met de grote geleerde, die Butler is, als hij zegt: "In de veronderstelling, dat God ons naast het licht en de leiding van de rede en de ervaring ook nog die van de revelatie heeft gegeven, zijn wij nog geenszins gerechtigd te beoordelen, volgens welke methoden en in welke verhouding dat bovennatuurlijk licht en die bovennatuurlijke leiding voor ons zijn te verwachten" 22. Hij spreekt hier immers over beoordeling voordat de revelatie gegeven is. "Wij hebben geen redelijke beginselen", zegt hij, krachtens welke wij tevoren zouden kunnen beoordelen, welke Revelatie voor ons te verwachten viel, of wat het meest met het goddelijk bestuursplan in verschillende opzichten zou overeenkomen". Maar de zaak wordt geheel anders, wanneer de Revelatie ons eenmaal geschonken is, want daarmee komt een nieuw precedent naar voren, iets wat hij noemt een "redelijk beginsel", en dan kunnen wij ui datgene wat we feitelijk in handen hebben, beoordelen of er nog meer is te verwachten. Zoals uit een bekende plaats in zijn werk blijkt, wil Butler dan ook volstrekt niet het beginsel van voortschrijdende ontwikkeling ontkennen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media9. Die verwachting wordt op meer dan voldoende wijze bevestigd en dit is mijn vijfde overweging, door de methode van revelatie die we in de Schriftuur vinden. De Profetieën bijvoorbeeld hadden volstrekt niet een staaltje van ontwikkeling behoeven te zijn; de verschillende voorspellingen hadden zich in verloop van tijd kunnen ophopen; uitzichten hadden geopend, positieve kennis had gegeven kunnen worden, door mededelingen onafhankelijk van elkander, zoals het Evangelie van de H. Johannes en de Epistels van de H. Paulus losstaan van de drie eerste Evangeliën, al is de leer van beide Apostelen dan ook een ontwikkeling van hun inhoud. Maar feitelijk is de profetische revelatie volstrekt niet van deze aard, doch een geleidelijk proces van ontwikkeling: de vroegere profetieën zijn pre nante teksten, waaruit de latere voorspellingen voortvloeien; het zijn typen. Het is niet zo, dat eerst de ene waarheid wordt voorspeld en dan de andere; maar de gehele waarheid, of althans een groot gedeelte van de waarheid, wordt terstond voorspeld, doch alleen rudimentair, als in een schets, en dan wordt het later, bij het verder verloop van de revelatie, uitgewerkt en voltooid. Het Zaad van de vrouw zou de kop van de slang vermorzelen; de scepter zou van Juda niet wijken, totdat Silo kwam, aan wie de volkeren zouden gehoorzaam zijn. Hij zou zijn: Wonderlijk, Raad, Vredevorst. De lezer voelt hierbij in zijn geest de vraag van de Ethiopiër opkomen: "Van wie zegt de profeet dit?" Ieder woord eist commentaar. Onder niet-gelovigen is het daarom niet ongewoon te beweren, dat de Messiaanse gedachte, zoals ze het noemen, zich in de geest van de Joden geleidelijk heeft ontwikkeld door een ononderbroken traditie van er voortdurend over te peinzen, en volledig is uitgegroeid door een louter menselijk proces. En zonder in het minst afbreuk te doen aan de leer der inspiratie, schijnt het toch wel zeker, dat het Boek der Wijsheid en de Ecclesiasticus ontwikkelingen zijn van de geschriften der Profeten, uitgedrukt of tot stand gekomen met behulp van de gangbare ideeën der Griekse filosofie, en tenslotte door de Apostel erkend en bekrachtigd in zijn Brief aan de Hebreeërs.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media10. Maar niet slechts de profetische geschriften, doch de hele Bijbel is volgens het beginsel der ontwikkeling geschreven. Naarmate de Revelatie verder gaat, is zij steeds nieuw en steeds oud. De H. Johannes, die de kring vol maakt, verklaart, dat hij geen nieuw gebod" aan de broeders geeft, doch een oud gebod, dat ze ~van den beginne" gehoord hebben. En dan voegt hij er onmiddellijk aan toe: ik schrijf u een nieuw gebod". Hetzelfde criterium van ontwikkeling kan men, zoals reeds aangeduid, opmaken uit de woorden des Heren in de Bergrede: ,,Meent niet, dat ik gekomen ben om de Wet en de Profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen". Hij werpt het vroegere niet omver, doch voltooit het. Als we verder denken aan de evangelische opvatting van de plechtigheid van het offer, dan bevinden wij het volgende: eerst wordt de plechtigheid opgelegd door Mozes; dan zegt Samuel: ,,gehoorzamen is beter dan een slachtoffer"; daarna Hosea "Ik heb lust tot weldadigheid en niet tot offer; Jesaja "het reukwerk is Mij een gruwel"; dan beschrijft Maleachi de tijden van het Evangelie en spreekt hij van "een rein spijsoffer" van tarwebloem; en de Heer voltooit de ontwikkeling, als Hij spreekt van een aanbidding "in geest en waarheid". Als er nu nog iets te verklaren overblijft, dan zullen het de gebruiken zijn van de Christelijke Kerk onmiddellijk daarna, waaruit blijkt, dat het offer niet is afgeschaft, doch dat waarheid en geest eraan zijn toegevoegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat meer is, de gezegden van de Heer en van Zijn Apostelen komen enigszins overeen met de vermelde profetische uitspraken; in structuur zijn ze van "typische" aard; het zijn niet slechts bindende voorschriften van de leer, het zijn tevens voorspellingen. Als dus de woorden der Profeten zich ontwikkeld hebben, eerst door latere revelaties en dan door de vervulling, dan is het a priori waarschijnlijk, dat leerstellingen, politieke, rituele en ethische uitspraken die dezelfde structuur vertonen, zich op dezelfde manier zullen kunnen ontwikkelen. Gezegden van die aard zijn: "Dit is Mijn Lichaam"; "Gij zijt Petrus en op deze petra zal ik mijn gemeente bouwen"; "De zachtmoedigen zullen het aardrijk beërven"; ,,Laat af van de kinderkens en verhindert hen niet tot Mij te komen"; "De reinen van hart zullen God zien".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media11. Over dit karakter van de leerwijze des Heren mag ik hier wel de woorden aanhalen van een reeds meermalen geciteerd schrijver" 33.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media"Zijn geboekstaafde woorden en werken op aarde .... komen tot ons als de uitspraken van een Wetgever. In het Oude Verbond heeft de Almachtige de Tien Geboden op de Berg Sion eerst mondeling uitgesproken, en ze later neergeschreven. Zo heeft de Heer Zijn Evangelie van belofte en van bevel eerst mondeling van de Berg af verkondigd, en Zijn Evangelisten hebben het te boek gesteld. En toen Hij het uitsprak, sprak Hij op soortgelijke wijze als bij de Tien Geboden .... En daarbij beantwoordt Zijn stijl aan de autoriteit waarmee Hij optreedt. Die stijl heeft dat plechtige, afgemeten en strenge karakter, dat ook uiterlijk de kentekenen draagt van de taal van Hem, die sprak zoals nooit een mens spreken kon. De acht Zaligheden, waarmee Hij Zijn Bergrede opent, zijn een voorbeeld van deze onbeschrijfelijke stijl, die de Mensgeworden God voegde, voor zover menselijke woorden Hem voegen konden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media"Deze stijl wordt ook niet uitsluitend gebruikt in de Bergrede. Hij is door alle Evangelies heen te vinden, geheel verschillend van andere delen der Schriftuur, zich tonend in plechtige verklaringen, voorschriften, spreuken en gezegden, zoals wetgevers ons die voorleggen en schrift- en rechtsgeleerden plegen te commentariëren. Alles wat onze Zaligmaker deed en sprak, is duidelijk gekenmerkt door een mengeling van eenvoud en geheimzinnigheid. Zijn zinnebeeldige handelingen, Zijn ,,typische" mirakels, Zijn parabels, Zijn antwoorden, Zijn berispingen, het zijn allemaal bewijzen van een wetgeving in de kiem, die zich later moest ontwikkelen, een code van goddelijke waarheid, die de mensheid steeds voor ogen zou staan, het voorwerp zou zijn van onderzoek en interpretatie, en als gids zou dienen bij alle polemiek. ,,Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u ...." ,Maar Ik zeg u ....", zulk een taal kenmerkt een opperste Leermeester en Profeet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZo hebben ook de Vaders over Zijn leerwijze gesproken. De H. Justinus merkt op: ,Zijn gezegden waren kort en bondig; want Hij was geen redekunstenaar, maar Zijn woord was de kracht van God'. En zo ook de H. Basilius: ,Iedere daad en ieder woord van onze Zaligmaker, Jesus Christus, is een regel van vroomheid en deugd. Hoort gij een woord of daad van Hem, hoor dan niet als terloops, of op gewone en vleselijke wijze, maar treed binnen in de diepte van Zijn beschouwingen, word deelgenoot in de waarheden, die u op mystieke wijze worden meegedeeld' ..."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media12. Het is dus zeker, dat ontwikkelingen van de Revelatie hebben plaatsgehad door de gehele oude Heilsorde heen tot het laatste einde toe van de bediening des Heren. Maar als we nu onze aandacht vestigen op de aanvang van het Apostolische leraarschap na zijn Hemelvaart, dan zullen we bevinden, dat het onmogelijk is een historisch punt aan te wijzen, waarop de groei der leer ophield en de geloofsregel voorgoed was vastgelegd. Niet op het Pinksterfeest, want de H. Petrus zou nog te Joppe vernemen, dat hij Cornelius moest dopen; niet te Joppe en Cesarea, want de H. Paulus moest zijn Brieven nog schrijven; niet bij de dood van de laatste Apostel, want de H. Ignatius moest de leer van het Episcopaat nog vastleggen; toen niet en vele eeuwen daarna niet, want de Canon van het Nieuwe Testament was nog niet vastgesteld. Niet in de Geloofsbelijdenis, want dat is geen verzameling van definities, doch een samenvatting van bepaalde geloofsartikelen, een onvolledige samenvatting, en, evenals het Gebed des Heren en de Decaloog, maakt ze slechts een keuze uit de goddelijke waarheden, vooral uit de meest elementaire. Men kan geen enkel leerpunt noemen, dat ineens volledig te voorschijn komt en later niet meer groeit door de studie der gelovigen en de aanvallen der ketters. De Kerk kwam uit de oude wereld te voorschijn in haast, zoals de Israëlieten uit Egypte, ,met hun deeg eer het gedesemd was, hun deegklompen gebonden in hun klederen op hun schouderen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media13. Vervolgens zijn de politieke ontwikkelingen, die men aantreft in de historische boeken der Schriftuur, al even opvallend als de profetische en leerstellige. Kan één geschiedenis een meer menselijke indruk maken dan de geschiedenis van de opkomst en de groei van het zojuist genoemde uitverkoren volk? Wat in de raadslagen van de Heer van hemel en aarde beslist was van het begin af, wat onveranderlijk was, wat aan Mozes werd aangekondigd in het brandende braambos, dat wordt later voorgesteld als de groei van een begrip onder een reeks van onverwachte moeilijkheden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe Goddelijke Stem in het braambos had de Uittocht der kinderen Israëls uit Egypte en hun binnentreden in Canaän aangekondigd; en ten teken van de zekerheid van Gods plan werd er bij gevoegd: ,,Wanneer gij dit volk uit Egypte geleid hebt, zult gijlieden God dienen op deze berg". Deze dienst of dit feest was slechts iets toevalligs of secondairs in de grote bevrijding, en toch is dit een tijdlang het uiterste van wat Mozes aan Pharao verzocht: Ge zult gaan, gij en de oudsten van Israël tot de Koning van Egypte, en gijlieden zult tot hem zeggen: de Here, de God der Hebreeën, is ons ontmoet; zo laat ons nu toch gaan de weg van drie dagen in de woestijn, opdat wij de Here onze God offeren". Er werd bijgevoegd, dat Pharao eerst hun verzoek zou afslaan, maar dat hij ze na vele wonderen allen gezamenlijk zou laten vertrekken, zelfs met "zilveren vaten en gouden vaten en klederen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDiensvolgens was het eerste verzoek van Mozes: ,,Laat ons de weg van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij de Here onze God offeren". Vóór de plaag der vorsen werd de waarschuwing herhaald: ,,Laat mijn volk trekken, dat zij Mij dienen"; en daarna zegt Pharao: ,,Ik zal het volk laten trekken, dat zij de Here offeren". Datzelfde gebeurt vóór de plaag van het ongedierte; en daarna biedt Pharao aan de Israëlieten te laten offeren in Egypte; maar Mozes weigert dit, wijl zij ,der Egyptenaren gruwel voor hun ogen" zouden moeten offeren; en hij voegt erbij: ,,Laat ons de weg van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij de Here onze God offeren". En dan laat Pharao toe, dat ze gaan offeren in de woestijn; ,,alleen", zegt hij, ,,dat gijlieden in het gaan geenszins te ver trekt". Het verzoek wordt telkens opnieuw herhaald vóór de plaag van de pestilentie, van de hagel, van de sprinkhanen, en tot dan toe wordt nog van niets anders gesproken dan van een dienst of een offer in de woestijn. Bij de laatste van deze ontmoetingen vraagt Pharao om uitleg, en dan strekt Mozes zijn verzoek veel verder uit: "Wij zullen gaan met onze jonge en met onze oude lieden, met onze zonen en met onze dochteren, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan; want wij hebben een feest des Heren". Dat dit van verdere strekking was, blijkt uit het antwoord van Pharao: ,,Gij mannen, gaat nu henen en dient de Here, want dat hebt gijlieden verzocht". Na de plaag der duisternis staat Pharao dat verder strekkende verzoek toe, uitgenomen de schapen en runderen. Maar Mozes herinnert hem eraan, dat die waren ingesloten, al waren ze niet uitgedrukt in de oorspronkelijke formulering: ,Ook gij zult slachtofferen en brandofferen in onze handen geven, die wij de Here onze God doen mogen". Tot het laatste moment toe dus werd nergens te kennen gegeven, dat zij Egypte voorgoed zouden verlaten; het werd aan de Egyptenaren zelf overgelaten deze afloop te bewerken. ,,Alle deze uw knechten zullen tot mij afkomen", zegt Mozes, ,,en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, gij en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan". En zo werden ze dus, na de slachting der eerstgeborenen, te middernacht uitgedreven, met hun schapen en runderen, hun deegklompen en hun deeg, beladen ook met de roof der Egyptenaren, zoals het geschieden moest, maar zoals het ogenschijnlijk slechts geschiedde door een samenloop van omstandigheden of door het ontstaan van een crisis. Toch wist Mozes wel dat het vertrek uit Egypte definitief was, want hij nam Jozefs beenderen met zich; en spoedig kwam ook Pharao tot die overtuiging, toen hij en de zijnen zich afvroegen: "Waarom hebben we dat gedaan, dat wij Israël hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden?" Maar deze loop der gebeurtenissen, onbepaald en onzeker als hij scheen te zijn in weerwil van de mirakelen waarmede hij gepaard ging, werd bestuurd door Hem, die geleidelijk uitwerkt wat Hij absoluut heeft vastgesteld; en het einde was de scheiding der wateren van de Rode Zee, en de ondergang van Pharao's leger, dat hen vervolgde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEen ander geval had veertig jaar later plaats, toen de Israëlieten optrokken naar het beloofde land. Het schijnt, dat in het hun afgestane grondgebied oorspronkelijk niet lag opgesloten de landstreek ten oosten van de Jordaan, dat later werd bezet door Ruben, Gad en half de stam van Manasse; althans in het begin boden ze Sihon aan hem in het ongestoorde bezit van zijn land te laten, als hij hen maar toeliet er doorheen te trekken; en pas toen hij zijn verlof weigerde, vielen zij er binnen en namen zij het zelf in bezit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media14. Ten zesde is ook de opbouw en de stijl van de Schrift opmerkenswaard, een opbouw zo onsystematisch en uiteenlopend, en een stijl zo vol beeldspraak en zo indirect, dat wel niemand op het eerste gezicht zal durven zeggen, wat er in staat en wat er niet in staat. Men kan ze, om zo te zeggen, niet in kaart brengen en geen cataloog maken van haar inhoud; maar na al onze pogingen tot verklaring zal er rechts en links van ons pad in de onmiddellijke nabijheid een ondoorzocht en onontgonnen land overblijven, met heuvels en dalen, bossen en stromen, vol verborgen wonderen en uitgelezen schatten. Van geen enkele leer, die niet rechtstreeks in tegenspraak komt met wat is overgeleverd, kan men met absolute zekerheid zeggen dat ze niet in de Schrift staat; van geen enkele lezer, hoeveel studie hij er ook aan besteed heeft, kan men zeggen, dat hij al de leringen die zij bevat heeft begrepen. Ik zinspeelde reeds op de woorden van Butler. ,,Een duidelijker en meer bijzondere kennis", zei hij, ,van die dingen, waarvan de studie door de Apostel genoemd wordt: tot de volmaaktheid voortvaren bedoeld wordt de studie van de meer diepzinnige leringen van het Evangelie -, en van de profetische delen van de revelatie, kan zeer nauwkeurig nadenken en zorgzame overweging eisen, zoals dat ook in vele gevallen nodig is voor natuurlijke en zelfs gewone kennis. De te overwinnen moeilijkheden voor het verwerven van natuurlijk en van bovennatuurlijk inzicht en kennis zijn van dezelfde soort. En zoals men erkent, dat het gehele plan der Schrift nog niet begrepen is, zo zal voor het volledig begrijpen, als dat ooit mogelijk is, vóór ,de wederoprichting aller dingen" en zonder miraculeuze tussenkomst, dezelfde weg nodig zijn als die, welke de natuurlijke kennis volgt: door de volharding en de vooruitgang van de wetenschap en de vrijheid, door de studie van individuele personen, die zich toeleggen op het ontdekken en vergelijken en nagaan van de overal daarin verspreide aanduidingen, die door de grote meerderheid worden over het hoofd gezien en veronachtzaamd. Want dat is de weg, waarlangs alle vooruitgang geschiedt, doordat bedachtzame mannen voorzichtig nagaan de verborgen wenken, die de natuur ons als het ware terloops geeft, of die als door een toeval in onze geest schijnen op te komen. Het is ook volstrekt niet onaannemelijk, dat een boek, dat reeds zolang in de handen van de mensheid is, nog vele waarheden kan bevatten, die tot nu toe niet ontdekt zijn. Want diezelfde verschijnselen en diezelfde vermogens tot naspeuring, die in deze en in de vorige eeuw zoveel ontdekkingen op natuurlijk terrein hebben mogelijk gemaakt, waren óók reeds duizenden jaren tevoren in het bezit der mensheid. En mogelijk is het wel de bedoeling, dat de loop der gebeurtenissen dienen moet om verschillende delen der Schrift duidelijk te maken en de betekenis ervan te achterhalen" 44.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaButler dacht bij het schrijven van deze regels natuurlijk niet aan de mogelijkheid van nieuwe geloofsartikels, of van ontwikkelingen die wij zouden moeten aanvaarden; maar hij mag toch zeker gelden als getuige voor de waarschijnlijkheid dat een dergelijke ontwikkeling op zich beschouwd eveneens zou plaats grijpen in de Christelijke leer; en dat is het enige punt, waar het hier om gaat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media15. Hier mag wel bijgevoegd worden, dat al de definities of aanvaarde beslissingen van de oude en de middeleeuwse Kerk feitelijk berusten op bepaalde, schoon soms duistere gezegden van de Schrift. Zo kan de leer van het Vagevuur zich beroepen op het "behouden worden door vuur" en op "door vele verdrukkingen ingaan in het Koninkrijk Gods";- de gemeenschap van de verdiensten der Heiligen op "Die een profeet ontvangt in de naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen, en die een rechtvaardige ontvangt in de naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen"; de Waarachtige Tegenwoordigheid op "Dit is Mijn Lichaam"; de Absolutie op "Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven"; - het Heilig Oliesel op "Hem zalven met olie in de naam des Heren";- de vrijwillige armoede op "Verkoop, wat gij hebt"; de gehoorzaamheid op "Hij was hun onderdanig"; de eerbied, verschuldigd aan schepselen, bezield of onbezield, op Laudate Dominum in sanctis Eius, en Adorate scabellum pedum Eius; en zo verder.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media16. Ten zevende en tenslotte is daar het getuigenis van de Schriftuur zelf. Nergens erkent of verklaart zij, dat de meest essentiële teksten geinspireerd zijn, maar wel voorziet zij duidelijk de ontwikkeling van het Christendom, als leerstelsel en als organisatie. In een van de parabelen des Heren wordt "Het Koninkrijk der Hemelen" zelfs vergeleken met "een mosterdzaad, hetwelk een mens heeft genomen en in zijn akker gezaaid; hetwelk wel het minste is onder alle de zaden, maar wanneer het opgewassen is, dan is het het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom"; of, zoals de H. Marcus het uitdrukt: ,,Het maakt grote takken, alzo dat de vogelen des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen". En in hetzelfde hoofdstuk zegt de H. Marcus: ,,Alzó is het Koninkrijk Gods, alsof een mens het zaad in de aarde wierp, en voorts sliep en opstond, nacht en dag, en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe; want de aarde brengt van zelf vrucht voort". Hier wordt dus niet zozeer van een louter uiterlijke verschijningsvorm gesproken, alswel van een innerlijk levenselement, het moge dan beginsel of leerstuk zijn; en daarbij verdient het opmerking, dat hier het spontane zowel als het geleidelijke karakter van de groei wordt te kennen gegeven. Deze beschrijving van het proces komt overeen met wat boven gezegd is over ontwikkeling, namelijk dat ze niet het gevolg is van wil en opzettelijkheid, niet van een geforceerd enthousiasme, niet van enig redeneringsmechanisme, niet van enige louter verstandelijke scherpzinnigheid; maar dat zij ontstaat door haar eigen innerlijk vermogen om op de geschikte tijd in de geest tot ontplooiing te komen, in mindere of meerdere mate al naar de omstandigheden, met behulp van de overweging en redenering en zelfstandig denken, waarbij de ontwikkeling afhankelijk blijft van de ethische groei van de geest zelf, en die tegelijk beïnvloedt. Daarbij beschrijft de Parabel van de Zuurdesem de ontwikkeling van de leer nog in een ander opzicht, namelijk in haar werkdadige, absorberende en doordringende kracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media17. Wij mogen dus uit de natuurlijke noodzaak van het geval, uit de geschiedenis van alle religieuze secten en partijen, uit de analogie en het voorbeeld der Schrift, met recht concluderen, dat de Christelijke leer formele, wettige en echte ontwikkelingen toelaat, d.w.z. ontwikkelingen die door haar Goddelijke Maker bedoeld zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDeze conclusie wordt bevestigd door de algemene· analogie van de stoffelijke en geestelijke wereld, zoals de grote autoriteit, die wij in dit artikel reeds hebben aangehaald, ons uitdrukkelijk zegt. Hij, Butler, zegt namelijk: ,De gehele stoffelijke wereld is een samengestelde eenheid, een stelsel; niet een vaststaand, doch een vooruitgaand stelsel; een stelsel, waarin de werking der verschillende middelen een grote tijdsduur in beslag neemt, voordat het einddoel, waarnaar zij streven, kan bereikt worden. De wisseling van de jaargetijden, het rijpen van de vruchten der aarde, zelfs de geschiedenis van een bloem is daarvan een voorbeeld; ook het menselijk leven. Planten en dieren, schoon mogelijk tegelijk gevormd, groeien pas geleidelijk tot rijpheid op. En de verstandelijke krachten, die het menselijk lichaam bezielen, zijn er van nature op aangewezen, dat elk zijn eigen gewoonten en zijn eigen karakter vormt door de geleidelijke verruiming van kennis en ervaring en door een lange reeks handelingen. Ons bestaan is niet slechts noodzakelijkerwijze een aaneenschakeling van toestanden, maar volgens Gods verordening is de ene toestand van ons leven en bestaan een voorbereiding voor de volgende; en deze moet dan weer dienen om een verdere te bereiken: de kindsheid dient voor de jeugd, de jeugd voor de puberteit, de puberteit voor de rijpe leeftijd. De mens is ongeduldig en wil de dingen overhaasten; maar de Schepper der Natuur blijkt bedachtzaam in al zijn werkingen; Hij bereikt zijn natuurlijke doeleinden door langzame opeenvolgende stappen. Het geheel der dingen is van tevoren vastgesteld, maar uit de aard der zaak zijn er allerlei soort van middelen en lengte van tijd nodig, om ieder van de verschillende delen van dat geheel ten uitvoer te brengen. In de dagelijkse gang van zijn natuurlijke voorzienigheid gaat God dus op geheel dezelfde wijze te werk als in de heilsorde van het Christendom; het ene ding maakt Hij dienstbaar aan het andere, dit weer aan een derde, en zo verder, door een opeenvolgende reeks van middelen, die zich achterwaarts en voorwaarts uitstrekt tot over de grenzen van onze gezichtskring. Elk ding, dat wij zien in de loop der natuur, zowel als elk onderdeel van de Christelijke heilsorde, levert ons een voorbeeld van deze manier van werken". 55
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- ARTIKEL 2 - EEN ONFEILBAAR GEZAG OVER DE ONTWIKKELING TE VERWACHTEN
1. Met het voorafgaande hebben wij het aannemelijk gemaakt dat ontwikkelingen in het Christendom in de loop der tijden een natuurlijk iets zouden zijn en dus te verwachten waren; en dat deze natuurlijke en echte ontwikkelingen, juist omdát ze natuurlijk en echt zijn, vanzelfsprekend ook gezien en bedoeld waren door de Maker van het Christendom, die bij het ontwerpen van zijn werk ook de wetmatige uitkomsten ervan ontwierp. Deze kunnen dus, van welke aard ze ook blijken te zijn, eenvoudig "de ontwikkelingen" van het Christendom genoemd worden. Dat er zulke ontwikkelingen zijn staat nu boven twijfel; en daarmee zijn we bij om onderzoek een grote stap vooruitgekomen; we staan voor een feit van groot gewicht. De volgende vraag is: Welke zijn nu die echte ontwikkelingen? Een theoloog, die het geheel kon overzien en die ook de geschiedenis nauwkeurig en in bijzonderheden kende, zou ze in het algemeen ongetwijfeld gemakkelijk kunnen onderkennen aan hun bijzonder karakter; hij zou gen vreemde hulp nodig hebben om ze te ontdekken, geen uitwendig gezag om ze als echt te herkennen. Maar het is moeilijk te zeggen welk theoloog zich nu juist in die positie bevindt. Christenen leven uit de aard der zaak onder invloed van de leerstellingen, in het midden van de feiten en van de polemieken, die nader onderzocht moeten worden, en staan bloot aan alle vooroordelen van geboorte, opleiding, plaats, persoonlijke gehechtheid, verplichtingen en partijgeest; zodat men kwalijk kan beweren dat een echte ontwikkeling feitelijk gemakkelijk is vast te stellen, althans door de geleerden, en dat de geschiedenis van nu en vroeger gevrijwaard is tegen de mogelijkheid van zeer uiteenlopende interpretaties.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media2. Dit onderwerp heb ik reeds in een ander werk besproken van een geheel ander standpunt uit dan ik hier inneem: "Profeten of Leraars zijn de tolken van de revelatie; zij ontvouwen en beschrijven de geheimen, zij verklaren de documenten van de revelatie; zij brengen de inhoud ervan tot een harmonisch geheel, zij geven de toepassing van wat erin beloofd wordt. Hun leer is een uitgebreid stelsel, dat zich niet laat samenvatten in een paar zinnen, dat niet is weer te geven in een enkel boek of tractaat, maar dat bestaat in een geheel van Waarheid, dat de Kerk doordringt als een atmosfeer, onregelmatig van vorm wegens zijn overvloed en zijn volheid; bij tijden slechts in abstracto te scheiden van de Bisschoppelijke Traditie, maar bij tijden ook zich oplossend in legende en fabel; deels geschreven, deels ongeschreven, deels een interpretatie, deels een aanvulling van de Schrift, deels bewaard in begrijpelijke uitdrukkingen, deels verborgen in de geest en het gemoed van de Christenen; her- en derwaarts uitstromend in de stilte en van de toppen der daken, in liturgieën, in polemische werken, in duistere fragmenten, in sermoenen, in volksopvattingen, in plaatselijke gebruiken. Dit noem ik de Profetische Traditie, die op de eerste plaats te vinden is in de boezem van de Kerk zelf, en die in de geschriften van uitstekende mannen staat opgetekend naar de mate die door de Voorzienigheid is bepaald. "Bewaar het pand u toevertrouwd" beveelt de H. Paulus aan Timotheus; en dat wel omdat het wegens zijn uitgebreidheid en zijn onbepaaldheid bijzonder blootstaat aan verwording, als de Kerk faalt in waakzaamheid. Het is dat geheel van lering dat aan alle Christenen ook heden nog wordt aangeboden, schoon in verschillende delen van de Christenheid in uiteenlopende vormen en maten van waarheid, deels als een uitleg van, deels als een toevoeging aan de artikelen van de Geloofsbelijdenis." 66 (1 Tim. 6, 20)[b:1 Tim. 6, 20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaAls dit waar is, dan is er toch zeker ook een of ander criterium nodig, met behulp waarvan die uiteenlopende uitdrukkingen en uitingen van de Christelijke leer gecoördineerd en als zodanig erkend kunnen worden. Niemand zal beweren dat alle onderdelen ener overtuiging van gelijke importantie zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media"Er zijn wat men ondergeschikte punten kan noemen, die we wel als waar houden, maar zonder ze op te leggen als noodzakelijk .... ; er zijn grotere waarheden en kleinere waarheden, punten, die men moet geloven, en punten die men kan geloven." De vraag is dus eenvoudig: Hoe kunnen wij de grotere van de kleinere onderscheiden, de ware van de valse?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media3. Deze behoefte aan een gezaghebbende erkenning wordt nog groter, als men naar de wenk van Guizot bedenkt, dat het Christendom in de profetieën wel werd voorgesteld als een koninkrijk, doch feitelijk in de wereld kwam veeleer als een begrip dan als een instelling, dat het zich in een kleed moest hullen en zich een wapenrusting moest aanleggen, die het zelf gemaakt had, dat het zelf de werktuigen en de methoden voor zijn voortbestaan en zijn strijd moest vormen. Zo de ontwikkelingen, die ik boven heb aangeduid als moreel, op enigszins ruime schaal moesten plaats hebben en het is moeilijk te zien hoe het Christendom zonder zulke ontwikkelingen kan bestaan blijven, zo men alleen ook maar wil vaststellen, welke zijn verhoudingen zullen zijn tot de burgerlijke macht, of de voorwaarden wil bepalen, waarop men tot de belijdenis kan toegelaten worden, dan is toch zeker een gezag nodig om klaarheid te geven aan wat vaag en zekerheid aan wat twijfelachtig is, om de achtereenvolgende stadia van zulk een veelomvattend proces te keuren, en om de geldigheid vast te stellen van conclusies, die weer moeten dienen als premissen voor verdere onderzoekingen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEr kunnen weliswaar criteria opgemaakt worden om de juistheid der ontwikkelingen in het algemeen na te gaan, zoals ik later zal aantonen; maar deze zijn niet voldoende om aan afzonderlijke mensen leiding te geven tegenover zulk een groot en ingewikkeld probleem als het Christendom, al kunnen ze dienstig zijn voor ons onderzoek en in bijzondere gevallen steun verlenen aan onze conclusies. Ze zijn wetenschappelijk en polemisch, niet practisch van aard; het zijn hulpmiddelen meer dan waarborgen voor een juiste beslissing. Daarenboven dienen ze meer als antwoorden op bezwaren, die ingebracht worden tegen de feitelijke beslissingen van het gezag, dan dat het bewijzen zijn voor de juistheid van die beslissingen. Enerzijds is het dus waarschijnlijk, dat ons een middel geschonken is om de wettige en echte ontwikkelingen der Revelatie te onderkennen; anderzijds blijkt dat zulk een middel noodzakelijkerwijze buiten de ontwikkelingen zelf moet liggen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media4. In dit Artikel zullen we de argumenten naar voren brengen, die ons veroorloven te zeggen dat in dezelfde mate waarin echte ontwikkelingen van leer en praktijk in het Goddelijk Plan waarschijnlijk zijn, in diezelfde mate ook in dat Plan de aanwijzing waarschijnlijk is van een uitwendig gezag dat over die ontwikkelingen beslist en dat ze afscheiden kan van die massa louter menselijke overwegingen, overdrijvingen, vervalsingen en dwalingen, waarin en waaruit ze groeien. Dit is de leer van de onfeilbaarheid der Kerk; want ik meen dat met onfeilbaarheid bedoeld wordt het vermogen om uit te maken, of deze en gene en nog een heel aantal andere theologische of ethische stellingen inderdaad waar zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media5. Ten eerste: Laat ons de stand van zaken nauwkeurig beschouwen. Indien de Christelijke leer als oorspronkelijk gegeven vatbaar is voor echte en belangrijke ontwikkelingen, zoals wij in het vorige Artikel hebben trachten te bewijzen, dan is dat reeds een sterk argument a priori voor de stelling, dat er in de Christelijke Heilsorde een voorziening moet getroffen zijn om dergelijke ontwikkelingen op gezaghebbende wijze als echt te erkennen. De waarschijnlijkheid van die erkenning van echtheid is recht-evenredig met de waarschijnlijkheid van die echtheid zelf. Het openbaren van een waarheid en het garanderen dat ze echt is, zijn voorzeker twee heel verschillende begrippen en dikwijls zijn ze ook feitelijk verschillend. Er zijn overal op de wereld allerlei openbaringen, die het bewijs van hun goddelijke oorsprong volstrekt niet meebrengen. Van die aard zijn b.v. de persoonlijke ingevingen en de geheime verlichtingen die aan zo veel personen gegund worden; van die aard zijn ook de traditionele leerstellingen, die men vindt bij de heidenen, die "onomschreven en onsamenhangende familierelaties van religieuze waarheden, oorspronkelijk afkomstig van God, maar zonder eigen tehuis en zonder de bekrachtiging van het mirakel, als pelgrims trekkend door de wereld en alleen door de geestelijke mens te onderscheiden van de valse legenden waarmee ze zijn vermengd geraakt". 77 Er ligt niets onmogelijks in het aannemen van een revelatie die plaats heeft zonder uiterlijke bewijzen dat het een revelatie is; op dezelfde manier als menselijke wetenschappen een goddelijke gave zijn en toch verworven worden door onze gewone vermogens en bui ten onze geloofsovertuigingen vallen. Maar het Christendom is van heel andere aard: het is een revelatie die tot ons komt als een revelatie, als een werkelijk geheel, objectief en met een verklaring van onfeilbaarheid; en het enige wat nader vastgesteld moet worden betreft de inhoud van de revelatie. Als er dus bepaalde grote waarheden, plichten of ceremonies zijn, die op natuurlijke en regelmatige wijze voortspruiten uit de oorspronkelijke beleden leerstukken, dan is het niet meer dan redelijk om ook deze echte voortgesproten gevolgen in het begrip van de revelatie zelf in te sluiten, ze te beschouwen als delen daarvan, en, mocht de revelatie niet slechts waar maar ook als waar gegarandeerd zijn, te verwachten dat ook deze gevolgen in het voorrecht van die garantie zullen delen. Het Christendom gelijkt niet op andere revelaties van Gods wil, uitgenomen de Joodse revelatie, waarvan het een voortzetting is; het is een objectieve religie, een revelatie die geloofsbrieven overlegt; en ik meen dat het natuurlijk is, het helemaal als zodanig te beschouwen en niet als gedeeltelijk sui generis en gedeeltelijk van dezelfde aard als de andere. Zoals het begint, laat men het ook zo beschouwen in zijn voortbestaan; aangenomen, dat bepaalde grote ontwikkelingen ervan echt zijn, dan moet eveneens het bewijs van hun echtheid geleverd kunnen worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media6. Ten tweede: Vaak wordt tegen de leer der onfeilbaarheid van meet af aan een bezwaar gemaakt, dat wel zó gewichtig is dat men er niet zonder meer aan kan voorbijgaan. Men beweert namelijk dat alle religieuze kennis op morele zekerheid berust en niet op een stringent bewijs, en dat daarom ons geloof in de onfeilbaarheid der Kerk van dezelfde aard moet zijn. Maar wat kan men zich absurders denken dan een waarschijnlijke onfeilbaarheid, of een zekerheid die berust op een twijfel?- Ik geloof, omdat ik zeker ben; en ik ben zeker, omdat ik van die mening ben! Is dus de gave van onfeilbaarheid, als men ze als geloofspunt aanneemt, geschikt om alle intellect te verenigen tot één gezamenlijke belijdenis, het feit dat die gave werkelijk gegeven is, is even moeilijk te bewijzen als de ontwikkelingen, die het bewijzen moet; derhalve is die gave zelf illusoir en dus onwaarschijnlijk in een Goddelijk Plan. De verdedigers van Rome, zo zegt men, "leggen nadruk op de noodzaak van een onfeilbare gids in geloofszaken als argument dat zulk een gids ook werkelijk gegeven is. Nu ligt het voor de hand te vragen: hoe kunnen gewone mensen met zekerheid weten dat Rome ook werkelijk onfeilbaar is? ... hoe denkt men enig argument te vinden om aan de geest onfeilbaar te bewijzen dat Rome onfeilbaar is? welk bewijs kan men zich voorstellen dat meer bewijst dan de waarschijnlijkheid van het feit? en wat heeft men aan een onfeilbare gids, als degenen die geleid moeten worden, op slot van rekening alleen maar van mening zijn, zoals de Romanisten zich uitdrukken, dat hij onfeilbaar is?" Newman, Lectures on the...Newman, Lectures on the prophetical office of the Church, viewed relatively to romanism and popular protestantism (Oxford 1837) in de standaarduitgave van Via Media (1877; vele herdrukken) I, 122 (Joh. 7, 46)[[b:Joh. 7, 46]]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media7. Zolang dit argument alleen maar, zoals in die samenhang bedoeld was, gebruikt wordt tegen degenen die alle onzekerheid bij de bewijzen voor de Religie willen uitsluiten, is het geldig; maar overigens is het zeker een drogreden. Want aangezien, zoals iedereen toegeeft, de, Apostelen onfeilbaar waren, pleit het even sterk tegen hun onfeilbaarheid en de onfeilbaarheid der Schrift, als tegen de onfeilbaarheid van de Kerk; want niemand zal beweren dat de Apostelen zo maar onfeilbaar werden gemaakt voor niets, en toch zijn we alleen maar moreel zeker dat ze onfeilbaar waren. Daarenboven al hebben we dan slechts waarschijnlijkheidsgronden voor de onfeilbaarheid der Kerk, we hebben toch ook alleen maar dergelijke gronden voor de onmogelijkheid van bepaalde dingen, voor de noodzakelijkheid van andere, voor de waarheid, de zekerheid van andere; en dan zouden al dat soort woorden, onfeilbaarheid, noodzakelijkheid, waarheid, zekerheid, uit de taal verbannen moeten worden. Maar waarom is spreken over een zekere onfeilbaarheid meer inconsequent dan spreken over een twijfelachtige waarheid of over een onzekere noodzaak, uitdrukkingen die toch heldere en onafwijsbare gedachten uitdrukken? Het is toch werkelijk niet meer dan een spel met woorden als we ons van dergelijke argumenten bedienen. Wanneer we zeggen dat iemand onfeilbaar is, dan willen we daarmee niets anders zeggen dan dat datgene wat hij zegt altijd waar is, altijd geloofd moet worden, altijd gedaan moet worden. Deze zinsneden zijn absoluut equivalent aan die term; dus: ofwel deze zinsneden zijn ontoelaatbaar, ofwel men moet het begrip van onfeilbaarheid aanvaarden. Een waarschijnlijke onfeilbaarheid is een waarschijnlijke gave van nooit te dwalen; het aanvaarden van de leer ener waarschijnlijke onfeilbaarheid is geloven en gehoorzamen aan een persoon op grond van de waarschijnlijkheid, dat hij nooit zal dwalen in zijn verklaringen of bevelen. Welke tegenspraak schuilt er in dit begrip? Hoe men derhalve ook denke over de concrete middelen om onfeilbaarheid vast te stellen, het theoretisch bezwaar kunnen we in elk geval wel ter zijde schuiven. "Heel vaak wordt..."Heel vaak wordt onfeilbaarheid verward met subjectieve zekerheid, maar de twee woorden duiden twee heel verschillende dingen aan. Ik herinner mij met zekerheid wat ik gisteren gedaan heb, en toch is mijn geheugen niet onfeilbaar. Ik zie duidelijk in dat tweemaal twee vier is, maar ik vergis me dikwijls in lange optelsommen. Ik heb er niet de geringste twijfel over, dat Jan of Piet een echte vriend van me is; maar het is meer gebeurd dat ik vertrouwen stelde in iemand, die mij in de steek liet, en het kan nog wel meer gebeuren voordat ik sterf. Ik weet heel zeker dat wij leven onder de regering van Koningin Victoria en niet onder die van haar vader, de Hertog van Kent, zonder dat ik aanspraak maak op de gave van onfeilbaarheid, zoals ik ook een deugdzame handeling kan verrichten zonder onzondig te zijn. Ik kan er zeker van zijn dat de Kerk onfeilbaar is, terwijl ik zelf een feilbaar sterveling ben; anders kan ik er niet eens zeker van zijn dat het Hoogste Wezen onfeilbaar is, of ik moest zelf onfeilbaar zijn. Subjectieve zekerheid is gericht op een of andere bepaalde concrete stelling. Ik ben zeker van stelling een, twee, drie, vier of vijf, een voor een, elk op zich. Ik kan zeker zijn van nummer een, zonder zeker te zijn van de andere vier; het feit, dat ik zeker ben van nummer een maakt het nóch waarschijnlijk nóch onwaarschijnlijk dat ik ook zeker ben niet slechts van nummer een, maar van alle vijf." Essay on Assent. ch. VII. sect. 2.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media8. Ten derde: Men beweert soms dat door zulk een regeling der Voorzienigheid onze beproevingstijd zou vervallen, wijl daardoor alle twijfeling zou worden weggenomen, de eigenlijke geloofsakt onmogelijk zou worden, en wij gedwongen zouden zijn willens of onwillens te gehoorzamen; en men voegt er dan bij dat een Goddelijke Stem heeft gesproken in de eerste eeuwen, en dat over alle volgende eeuwen duisternis en onzekerheid liggen uitgespreid. Alsof onfeilbaarheid en persoonlijk oordeel niet konden samengaan! Dit is immers niets anders dan verwarring brengen in de kwestie. We moeten namelijk wel onderscheid maken tussen een revelatie en het aanvaarden ervan, doch niet tussen de vroegere en latere stadia. Een in zich goddelijke revelatie, als zodanig gewaarborgd, kan door mensen zowel vroeger als later, altijd door, worden aanvaard, betwijfeld, bestreden, vervalst, verworpen, overeenkomstig de geestestoestand van ieder afzonderlijk. Onwetendheid, wanbegrip, ongeloof en andere oorzaken, verliezen niet plotseling hun werking doordat de revelatie in zich waar is en de bewijzen ervoor onweerlegbaar zijn. Wij hebben dus niet de minste reden te zeggen, dat een gewaarborgde revelatie het bestaan van twijfels en moeilijkheden bij degenen voor wie ze bestemd is, zal uitsluiten, of hen ontslaan zal van zorgvuldig onderzoek, ofschoon ze uit haar eigen aard wel in die richting kan leiden. Onfeilbaarheid heeft geen storende werking op de morele beproeving; de twee begrippen zijn totaal verschillend. Daarom kan men tegen het begrip van een beslissend gezag, zoals ik hier veronderstel, niet het bezwaar doen gelden dat het de plicht van persoonlijk onderzoek vermindert, tenzij men hetzelfde bezwaar inbrengt tegen het gezag van de Revelatie zelf. Een Kerk, of een Concilie, of een Consensus van Kerkleraren, of een Consensus van de Christenheid, beperkt het onderzoek van het individu op geen andere wijze dan de Schrift het beperkt; beperking is er wel, de kring van het onderzoek is kleiner, maar het beproevingskarakter ervan blijft onaangetast; we worden even sterk, schoon op kleiner terrein, op de proef gesteld. Wie meent, dat de leer van een blijvend gezag in geloofszaken een hinderpaal is voor onze vrije wil en onze verantwoordelijkheid, vergeet eveneens dat er ook in de eerste eeuw onfeilbare leraren waren, en dat er ook in de volgende eeuwen ketters en schismatieken zijn geweest. Er kan tegelijk bestaan hebben een hoogste autoriteit van het begin tot het einde, en een moreel-verantwoorde kritiek van het begin tot het einde. Daarenboven zijn degenen die beweren, dat de Christelijke waarheid alleen te gewinnen is door persoonlijke inspanning, verplicht aan te tonen dat de afzonderlijke personen voldoende morele en intellectuele krachten hebben ontvangen om die waarheid te gewinnen; zo niet, dan is de wijze- van beproeving welke zij voorstaan, minder volmaakt dan die welke steunt op een uitwendig gezag. - Alles tezamen genomen dus levert de staat van onze morele verantwoordelijkheid geen enkel argument op tegen het voortbestaan van een beginsel van objectieve zekerheid gedurende de ontwikkeling der Revelatie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media9. Ten vierde: Misschien zal men beweren dat onze verwachting van het voortbestaan van een eenmaal gegeven uitwendig gezag in tegenspraak is met de Analogie van de Natuur. Zoals de diepe denker die reeds meer dan eens is aangehaald immers zegt: ,,Wij weten volstrekt niet welke graad van nieuwe kennis het mensdom van God zou kunnen verwachten door een revelatie, in de veronderstelling dat Hij er een geven zou; ook niet, in hoeverre en op welke manier Hij miraculeus zou tussen beide komen ten einde hen aan wie Hij die revelatie rechtstreeks zou doen, bekwaam te maken de verkregen kennis aan anderen mee te delen, te zorgen dat zij dit zouden doen aan hun tijdgenoten, en te zorgen, dat die kennis aan het nageslacht zou worden overgedragen"; immers: "Wij zijn op generlei wijze in staat om te beoordelen of dan een revelatie te verwachten viel, die neergeschreven zou worden, of die alleen mondeling overgeleverd zou worden en dan onderhevig zou zijn aan verwording en tenslotte zou ten ondergaan." Jos. Butler II, 3Jos. Butler II, 3 (Joh. 5, 17; Jes. 55, 11)[[b:Joh. 5, 17; Jes. 55, 11]] Maar deze redenering gaat hier niet op, zoals boven reeds is opgemerkt. Butler immers spreekt alleen over de abstracte hypothese van een revelatie, niet over het feit van een werkelijk bestaande revelatie van een bijzonder soort, die natuurlijk onze kennis in verschillende opzichten kan wijzigen, doordat zij sommige van die kwesties, die we tevoren niet konden beslissen, voor ons uitmaakt. Ik meen zelfs dat men kwalijk kan ontkennen dat het analogie-argument naar één bepaalde opvatting in tegenspraak is met onze hele verwachting van een revelatie, want een wijziging in de natuurlijke wereldorde is, zoals de term zelf zegt, in strijd met haar gewone loop. Wij kunnen dus datgene wat er van een revelatie a priori te verwachten valt niet laten afhangen van een criterium, dat hij eenvoudige toepassing het idee zelf van een revelatie helemaal omver werpt. In elk geval wordt de Analogie in zekere zin geschonden door het feit van een revelatie, en het vraagstuk dat voor ons ligt heeft alleen betrekking op de omvang van die schending.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media10. Ik waag hier een distinctie tussen de feiten en de beginselen van de revelatie. Het Analogie-argument betreft meer de beginselen dan de feiten. De gereveleerde feiten zijn uit de aard der zaak bijzonder en uniek, niet analoog; maar met de gereveleerde beginselen staat het anders; deze zijn gemeenschappelijk aan alle werken van God: en als de Schepper der Natuur ook de Schepper is der Genade, kan men verwachten dat de beide stelsels van feiten wel onderscheiden en onafhankelijk van elkander zullen zijn, maar dat de beginselen, die daarin tot uiting komen dezelfde zullen zijn en een verbindingsschakel tussen de twee zullen vormen. In deze identiteit van beginsel ligt de Analogie tussen Natuurlijke en Gereveleerde Religie, zoals Butler die verstaat. De leer der Menschwording is een feit, en kan niet vergeleken worden met wat ook in de natuur; de leer van het Middelaarschap is een beginsel en met overvloedige voorbeelden kan men de werking ervan aantonen. Mirakelen zijn feiten; de inspiratie is een feit; de goddelijke voorlichting éénmaal gegeven en de blijvende voorlichting daarna, zijn allemaal feiten;- de beproeving door middel van intellectuele moeilijkheden is een beginsel zowel in de natuur als in de genade en kan in de orde der genade even goed tot zijn recht komen bij een blijvend leergezag als bij een éénmaal gegeven mededeling, en in beide gevallen is de analogie met de orde der natuur even volmaakt; en als wij uit de analogie der natuurlijke orde willen redeneren tegen een blijvende bescherming van de revelatie, dan redeneren we tevens tegen de oorspronkelijke revelatie zelf. Wordt de orde der natuur eenmaal onderbroken door de komst van een revelatie, dan is het voortduren van die revelatie alleen maar een kwestie van graad; en het feit dat een werk eenmaal begonnen is maakt het meer waarschijnlijk dan onwaarschijnlijk dat het ook voortgang zal vinden. Wij hebben geen enkele reden om te veronderstellen dat er tussen de Christenen van heden en de Christenen van de eerste generatie een zo geheel verschillende heilsorde zou bestaan, dat die eerste Christenen een levende onfeilbare leiding hadden, en wij niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe zaak komt dus hierop neer: de Revelatie heeft naast de wetten die uit de natuurlijke loop der wereld blijken, nog een nieuwe wet van goddelijke leiding ingevoerd; en daarom kunnen we het bestaan van een blijvend gezag in geloofszaken opmaken zowel uit de Analogie met de Natuur als uit het feit van het Christendom. In-bestaan-houden ligt opgesloten in het begrip scheppen. Evenals de Schepper op de zevende dag rustte van het werk, dat Hij gedaan had en toch ,werkt tot nu toe", zo heeft Hij eens voor al de geloofswaarheden in het begin gegeven, en toch zegent Hij nog steeds hun groei, en zorgt Hij voor hun aanwas. Zijn woord "zal niet ledig tot Hem terugkeren, maar het zal doen hetgeen dat Hem behaagt." Zoals de schepping een blijvend bestuur aantoont, zo zijn Apostelen voorlopers van Pausen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media11. Ten vijfde:- Wijl het wezen van alle religie autoriteit en gehoorzaamheid is, bedenke men dat het verschil tussen een natuurlijke en een gereveleerde religie hierin bestaat, dat de eerste een subjectieve autoriteit heeft en de tweede een objectieve. Revelatie bestaat in de openbaring van de Onzichtbare Goddelijke Macht, dat wil zeggen in de vervanging van de stem van het geweten door de stem van een Wetgever. De suprematie van het geweten is het wezen van de natuurlijke religie; de suprematie van Apostel, Paus, Kerk of Bisschop is het wezen van de gereveleerde; en als die uitwendige autoriteit wegvalt, dan moet de geest zich weer noodzakelijker wijze verlaten op die inwendige gids, die hij reeds bezat voordat hij de Revelatie ontving. Wat dus het geweten is in de orde der natuur, dat is de stem van de Schrift, of van de Kerk, of van de Heilige Stoel, naar gelang we het hebben vastgesteld, in de orde van de Revelatie. Wel kan men opwerpen, dat het geweten niet onfeilbaar is; inderdaad, maar men moet er toch steeds aan gehoorzamen. En zo staat het ook juist met het prerogatief dat de apologeten toeschrijven aan de Stoel van Petrus; niet in alle gevallen is hij onfeilbaar, buiten zijn eigen speciaal gebied kan hij dwalen, maar zelfs in dit geval heeft hij recht op onze gehoorzaamheid. Bellarminus 1010 drukt zich uit als volgt: "Alle Katholieken en alle ketters zijn het over twee punten eens; ten eerste dat de Paus, ook als Paus, ook met zijn gezamenlijke raadslieden of met een Generaal Concilie, dwalen kan, als het een strijdvraag betreft over feiten, waarvan de kennis voornamelijk afhangt van menselijke onderzoekingen en getuigenissen; en ten tweede, dat hij als privé Leraar dwalen kan, zelfs in algemene rechtskwesties van geloof of van zeden en wel uit onwetendheid, wat ook bij andere leraren voorkomt. Vervolgens zijn er twee andere punten, waarover de Katholieken het eens zijn, niet met de ketters, doch slechts onderling; vooreerst dat de Paus met een algemeen Concilie niet dwalen kan in het formuleren van geloofsdecreten of van algemene zedelijkheidsvoorschriften; ten tweede dat als de Paus, hetzij alleen, hetzij met zijn bijzondere raad, iets vaststelt in een twijfelachtige zaak, alle gelovigen aan hem moeten gehoorzamen, hetzij hij dwalen kan hetzij niet." Het is ternauwernood nodig...Het is ternauwernood nodig hier bij te voegen, dat het Vaticaans Concilie zeven jaar geleden heeft uitgemaakt dat de Paus ex cathedra dezelfde onfeilbaarheid heeft als de Kerk. De redenering in de tekst wordt hierdoor niet getroffen. Evenals gehoorzaamheid aan het geweten, zelfs waar het geweten op een dwaalspoor mocht zijn, strekt tot vervolmaking van onze zedelijke natuur en uiteindelijk ook van onze kennis, zo kan ook gehoorzaamheid aan onze kerkelijke overheid dienstbaar zijn aan onze groei in geestelijke verlichting en heiligheid, zelfs al mocht die overheid iets gebieden wat overdreven of inopportuun is, of leerstellingen verkondigen die buiten zijn wettig terrein liggen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media12. Ten zesde:- De conclusie waartoe wij door deze analogische beschouwingen worden gedreven, vindt niets dan steun in het gezond verstand van de mensheid in het algemeen. Het voelt aan dat het begrip revelatie zelf de aanwezigheid impliceert van een zegsman en gids, en wel van een onfeilbare; niet een louter theoretische verkondiging van waarheden die tevoren aan de mens onbekend waren, niet een geschiedverhaal of het resultaat van een historisch onderzoek, maar een boodschap en een les gericht tot deze mens en tot die. Dit blijkt uit de populaire opvatting, dat de Bijbel zelf zulk een gids is; die opvatting, die in ons land sedert de Reformatie steeds de heersende is geweest en die de suprematie van Kerk en Paus omver heeft weten te werpen, juist omdat deze suprematie de eerste in de weg zou staan, ze niet alleen zou tegenwerken maar zelfs verdringen. Naarmate we dan bevinden dat het geïnspireerde Boek feitelijk niet geschikt en niet bedoeld is om als gids te dienen, voelen we ons gedwongen terug te keren tot die levende en aanwezige Gids, die in de tijd dat we hem verwierpen al eeuwen lang erkend was als de uitdeler van de Schrift, naar de eisen van tijd en omstandigheden, en als de scheidsrechter van alle ware leer en heilige levenswandel voor zijn kinderen. We voelen dat we iets nodig hebben, en er is onder de hemel niets wat die behoefte kan bevredigen dan de Kerk. Men zegt ons dat God gesproken heeft. Waar? In een boek? We hebben het onderzocht en het stelt ons teleur. Dat hoog-heilige en gezegende geschenk stelt ons teleur, niet omdat er iets aan ontbreekt, maar omdat het gebruikt wordt voor een doel waarvoor het niet gegeven is. Het antwoord van de Moorman, toen de H. Filippus hem vroeg of hij begreep wat hij las, is de stem van de natuur: "Hoe zoude ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht?" Dat is de taak die de Kerk onderneemt; zij doet wat niemand anders doen kan en dat is het geheim van haar macht. ,,De menselijke geest", zo heeft iemand geschreven, ,wenst in religiezaken af te zijn van alle twijfel; en een leermeester die aanspraak maakt op onfeilbaarheid, wordt op zijn woord alleen gaarne geloofd. We zien hiervan in ons land voortdurend voorbeelden, als individuele personen zulk een gezag voor zich opeisen. In het Romanisme eist de Kerk dat gezag op; Zij ontdoet zich van mededingers door hen vóór te zijn. En misschien is dat juist in de ogen van haar kinderen niet het minst krachtige argument voor haar onfeilbaarheid, dat zij alleen onder alle Kerken dat gezag werkelijk durft opeisen, alsof die andere gezindten, die toch vaak zo vér gaan in hun neiging daartoe, door een verholen instinct en door een onwillekeurig gevoel van onzekerheid daarvan werden teruggehouden". 11 Deze passage, welke dwalingen er ook schuilen in de formulering, drukken toch zeker een grote waarheid uit. Op de vraag dus waarom wij de autoriteit van de Kerk in vraagstukken en ontwikkelingen van het geloof erkennen, is het meest voor de hand liggende antwoord, dat er een of andere autoriteit zijn moet als er een revelatie gegeven is, en dat er geen andere autoriteit is dan de Kerk. Een revelatie is feitelijk niet-gegeven, als er geen autoriteit is die uitmaakt waarin het gegevene bestaat. We zien het uitgedrukt in de woorden van de H. Petrus tot zijn Goddelijke Meester en Heer: "Tot wien zullen wij henengaan?" Men moet daarbij ook niet vergeten dat de Schrift uitdrukkelijk zegt dat zij is "een pilaar en vastigheid der waarheid", en God haar als bij verdrag beloofd heeft ,Mijn Geest die op U is en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, die zullen van uw mond niet wijken, noch van de mond uws zaads, noch van de mond van het zaad uws zaads, van nu aan tot in eeuwigheid toe".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media13. Ten zevende: - Indien het opeisen van een onfeilbaar beslissingsrecht in religieuze strijdvragen reeds te allen tijde van zo groot gewicht en belang is geweest, dan is dat nog veel meer het geval in een tijd als de onze, nu het menselijk intellect zo actief en het denken zo vruchtbaar is, en nu de meningen zo ver uiteenlopen. De absolute behoefte aan een geestelijke suprematie in onze tegenwoordige tijd is het allersterkste argument voor haar feitelijk bestaan. Men mag wel zeggen: ofwel is er geen objectieve revelatie gegeven, ofwel zij is voorzien van de middelen om haar objectiviteit aan de wereld kenbaar te maken. Als het Christendom een maatschappelijke religie is (en dat is het zeker) en als het gebaseerd is op bepaalde, als goddelijk erkende begrippen, dus op een belijdenis (en dat veronderstellen we hier), en als die begrippen velerlei aspecten hebben en op verschillende geesten een verschillende indruk maken, en derhalve uitlopen op een veelheid van ontwikkeling, waar, of vals, of gemengd, zoals boven aangetoond, - welke kracht zal dan in staat zijn om het hoofd te bieden en recht te doen aan die strijdige elementen, tenzij een hoogste oppergezag dat de afzonderlijke meningen regelt en verzoent krachtens een goddelijk recht en een algemeen erkende wijsheid? In barbaarse tijden wordt de wil bereikt via de zintuigen; maar in een eeuw waarin de rede, zoals het heet, de standaard is van waarheid en recht, is het voor een ieder die ook maar het minst met de wereld in aanraking komt, meer dan duidelijk, dat, als de zaken op hun beloop worden gelaten, elk afzonderlijk mens daarover zijn eigen opvattingen zal hebben, en zijn eigen weg zal volgen; dat twee of drie vandaag zullen samengaan om morgen weer te scheiden; dat de Schrift op tegenstrijdige manieren zal verstaan worden, en de geschiedenis, (( zich volgens de fabel, aan verschillende beoefenaars zal voordoen met een schild van zilver of met een schild van goud )); dat wetenschap, smaak, vooroordeel, passie, partijgeest, willekeur, een gemeenschappelijke maatstaf zullen missen, tenzij er een hoogste macht bestaat, die heerst over de geest en overeenstemming kan opleggen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEr kan geen gemeenschap bestaan op de basis van de waarheid zonder een orgaan van de waarheid. Zoals teeltkeuze de kleuren der bloemen doet uitkomen, zoals het temmen de aard der dieren verandert, zo brengt geestelijke ontwikkeling noodzakelijkerwijze velerlei verschil van opinie mee; en terwijl het al onmogelijk is eerste beginselen vast te stellen waarover iedereen het eens zal zijn, is het volstrekt onredelijk te verwachten dat de ene mens zich zou onderwerpen aan de andere, of allen aan één. Ik zeg niet dat er geen eeuwige waarheden zijn, zoals de dichter die verkondigt, die door allen erkend worden in het gewone leven; maar geen zijn er die voldoende dwingende kracht bezitten om de basis te vormen van openbare eenheid en actie. De enige voor iedereen geldende prikkel in zaken van practische handelwijze is gezag, m.a.w. (waar het gaat over waarheid), een oordeel waarvan we weten dat het boven ons eigen oordeel uitgaat. Zo het Christendom maatschappelijk en dogmatisch beide is, en voor alle eeuwen bedoeld, moet het menselijkerwijze gesproken een onfeilbare verklaarder bezitten. Zo niet, dan zal men eenheid van vorm verkrijgen ten koste van de eenheid van leer, ofwel eenheid van leer ten koste van de eenheid van vorm; men zal moeten kiezen tussen een alle meningen omvattende rekkelijkheid en een uiteenvallen in verschillende partijen, tussen de dwalingen van de vrijzinnigheid en die van de sectegeest. Men kan tolerant of intolerant staan tegenover onverenigbaarheden van het denken, maar onverenigbaarheden zullen er zijn. De Kerk van Engeland verkiest een holle uniformiteit boven een onfeilbare leerstoel; de Engelse secten verkiezen een eindeloze versplintering. Duitsland en Genève zijn begonnen met vervolging en zijn geëindigd in scepticisme. De leer der onfeilbaarheid is een minder gewelddadig ingrijpende hypothese dan deze opoffering van het geloof of van de liefde. Deze leer bereikt het beoogde doel van de revelatie, en geeft tegelijk bepaaldheid en kracht aan haar inhoud.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media14. Ten slotte, een achtste punt: - Ik noem de leer der Onfeilbaarheid een hypothese; laten we voor ons betoog die leer voorlopig maar beschouwen als zodanig; m.a.w. laten we er van uitgaan dat deze leer enkel maar een stelling is, waarvoor geen rechtstreekse bewijzen zijn aan te halen, maar die ons wordt opgedrongen door de feiten en die de feiten met elkaar verzoent. Deze hypothese wordt wel feitelijk door het grootste gedeelte van de Christenheid en wel sedert onheuglijke tijden, aanvaard en in praktijk gebracht, maar laten we die eigenaardige feitelijkheid dan maar verklaren uit de behoefte. Verder is die leer niet een bloot of op zichzelf staand feit, doch het levensbeginsel van een uitgebreid leerstelsel, dat onmogelijk uit de behoefte alleen kan ontstaan zijn; maar nog eens, laten we dit stelsel dan maar noemen een ontwikkeling daarvan. Maar zelfs als hypothese, die slechts door één onder de vele gezindten is aanvaard, kan men die leer niet luchthartig zonder meer ter zijde schuiven. Een of andere hypothese, deze of die, is in elk geval nodig voor alle partijen, alle apologeten, alle geschiedschrijvers, die iets over het Christendom willen schrijven. Het Leerboek van Gieseler 1212 doet zich voor als een droge uiteenzetting van de Christelijke geschiedenis; maar bij nader inzien blijkt dat het geschreven is met een vooropgezette positieve en bepaalde theorie, en dat de feiten aan die theorie worden dienstbaar gemaakt. Een ongelovige als Gibbon 1313 gaat uit van de ene hypothese, een Ultramontaan als Baronius aanvaardt de andere. De kringen van Hurd en Newton 1414 beschouwen het als de enige ware opvatting van de geschiedenis, dat het Christendom eeuwen lang slapende is gebleven behalve onder diegenen, die bij de geschiedschrijvers als ketters doorgaan. Anderen spreken alsof men een H. Ambrosius kon afmeten aan de eed op de suprematie of aan de congé d'élire, en de vurige Tertullianus maken ze pasklaar voor de Negenendertig Artikelen. De vraag is nu welke van al die theorieën de eenvoudigste, de natuurlijkste, de meest overtuigende is. Men zal toch wel moeten toegeven dat het idee van een ontwikkeling onder onfeilbaar gezag een niet minder ernstige, een niet minder aannemelijke hypothese is voor de verklaring van de opkomst van het Christendom en van de vorming van zijn theologie, dan het toeval of een samenloop van omstandigheden, of de Oosterse filosofie, of ook de werking van de Anti-christ.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- ARTIKEL 3 - DE FEITELIJK BESTAANDE LEERONTWIKKELINGEN ALS WAARSCHIJNLIJKE VERVULLING VAN ONZE VERWACHTING
1. (( Tot hier toe heb ik betreffende de geopenbaarde leer, die ons in het Christendom van boven is geschonken, twee punten trachten aan te tonen. Ten eerste, het kon niet anders of het Christendom moest, ten gevolge van zijn intellectueel karakter, en wijl het door de geest is gegaan van zovele geslachten van mensen, en wijl het door hen voor zoveel verschillende doeleinden in toepassing is gebracht, en wijl het zo nauwkeurig onderzocht is op zijn mogelijkheden, zijn verwikkelingen en zijn praktische betekenis, in de loop der tijden groeien, of zich ontwikkelen tot een uitgebreid theologisch stelsel. Het tweede punt was dit: - Als dan aan een ontwikkeling niet te ontkomen valt en de Revelatie nu eenmaal een hemels geschenk is, dan zeg ik, dat Hij die ze geschonken heeft ze virtueel niet geschonken heeft als Hij ze niet tevens beschermd heeft tegen vervalsing en verwording te midden van die ontwikkeling, die ze wegens haar eigen aard noodzakelijk moest ondergaan; met andere woorden: die intellectuele activiteit, die door de opeenvolgende geslachten heen het orgaan van de ontwikkeling is, moet, voor zover ze er aanspraak op kan maken belast te zijn met de zorg voor de Revelatie, noodzakelijk in haar beslissingen onfeilbaar zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaNa deze twee punten kom ik thans tot de vraag, of de verwachting waarvan ik gesproken heb, in de geschiedenis van het Christendom enigermate in vervulling is gegaan; of er feitelijk ook leerstukken, ceremonies en praktijken gegroeid zijn rondom de Apostolische Geloofsbelijdenis en daarin binnengedrongen zijn, die zich uitgeven als deel van het Christendom, en die wel lijken op de toevoegsels die we zoeken. Het antwoord is, dat er werkelijk zulke toevoegsels zijn, en dat ze juist daar gevonden worden, waar men ze zou verwachten, namelijk in die gezaghebbende zetels en woonsteden van de oude traditie, de Latijnse en Griekse Kerken. Laat me dit punt nader uitwerken. ))
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media2. Indien het begrip Christendom, ons oorspronkelijk uit de hemel gegeven, noodzakelijk veel bevatten moet, dat we slechts gedeeltelijk herkennen als daarin vervat en dat we dus slechts onbewust aanvaarden; indien verder mèt het Christendom, dat van de hemel komt, ook alles wat daarin noodzakelijkerwijze impliciet aanwezig is en expliciet geworden is, eveneens uit de hemel komt, en indien anderzijds belangrijke toevoegsels werkelijk bestaan, die zich voordoen als echte en wettige consequenties daarvan, dan is onze eerste indruk vanzelfsprekend deze; dat dit ook werkelijk de ontwikkelingen moeten zijn waarvoor ze zich uitgeven. Vervolgens, de schaal zelf waarop ze tot stand zijn gekomen, hun hoge ouderdom gepaard met de nog altijd voortdurende belofte, hun geleidelijke formering gepaard met preciesheid, hun harmonieuze ordening, dat alles imponeert de verbeelding zeer sterk ten gunste van de overtuiging, dat een leerstelsel, zo innerlijk samenhangend, zo evenwichtig, zo jong en zo oud, niet verouderd na zoveel eeuwen, maar nog altijd krachtig en nog altijd sterker wordend, de ontwikkeling zelf moet zijn, die voorzien was in het Goddelijk Plan. - Alle leerstellingen ervan zijn leden van een zelfde gezin; ze wijzen op elkander of houden elkander in evenwicht, of steunen of verduidelijken elkander. De ene stelling levert het bewijs voor de andere, en alle tezamen voor ieder afzonderlijk; als deze bewezen is, dan wordt gene waarschijnlijk; als deze en gene beide waarschijnlijk zijn, doch om uiteenlopende redenen, dan wordt de waarschijnlijkheid van de ene vergroot door de waarschijnlijkheid van de andere. De Incarnatie is het postulaat van de leer van het Middelaarschap, en het prototype van het Sacramenteel beginsel en van de verdiensten der Heiligen. Uit de leer van het Middelaarschap volgen het Verzoeningswerk, de Mis, de verdiensten van Martelaren en Heiligen, hun aanroeping en verering. Uit het Sacramenteel beginsel komen voort: de eigenlijke Sacramenten zelf, de eenheid van de Kerk en met de Heilige Stoel als type en centrum, het gezag der Concilies, de heiligheid van de Liturgie, de eerbied voor heiligdommen, heilige plaatsen, beelden, vaten, voorwerpen en gewaden. Van de Sacramenten heeft het Doopsel zich enerzijds ontwikkeld tot het Vormsel, anderzijds tot de Biecht, het Vagevuur en de Aflaten; de Eucharistie tot de Waarachtige Tegenwoordigheid, de aanbidding van de Hostie, de Verrijzenis van het lichaam, en de kracht van reliquieën. De leer van de Sacramenten leidt verder tot de leer van de Rechtvaardigmaking; de Rechtvaardigmaking tot die van de Erfzonde; de Erfzonde tot de verdienstelijkheid van het Celibaat. En deze afzonderlijke ontwikkelingen staan niet onafhankelijk naast elkander; ze hangen onderling samen door kruisverbindingen, en ze groeien samen zoals ze groeien uit een eenheid. De Mis en de Waarachtige Tegenwoordigheid zijn delen van een eenheid; de eerbied voor de Heiligen en voor hun reliquieën zijn delen van een eenheid; er bestaat een wederzijds verband tussen de voorspraak der Heiligen en het Vagevuur, en tussen de Mis en het Vagevuur; het Celibaat is het kenmerkend teken van het Monnikenleven en van het Priesterschap. Men moet alles aanvaarden of alles verwerpen; verzachting is verzwakking, en besnoeiing is verminking. Het is absurd alles te aanvaarden behalve één onderdeel dat even integrerend is als elk ander onderdeel; anderzijds is het ook van het uiterste gewicht één enkel onderdeel te aanvaarden, want, voor ge weet waar ge aan toe zijt, kan de strenge logische samenhang u voeren tot het aanvaarden van het geheel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media3. Vervolgens moeten we bedenken, dat er geen andere ontwikkelingen ooit bestaan hebben dan die welke nu door de Christenheid worden erkend; ontwikkelingen althans van genoegzame betekenis en duurzaamheid om die naam te verdienen. In de eerste eeuwen waren de ketterse leringen, zoals algemeen erkend wordt, onvruchtbaar en kort van leven en konden geen stand houden tegen het Katholicisme. Wat de Middeleeuwen betreft, ben ik me niet bewust, dat de Grieken iets anders gedaan hebben dan negatieve oppostie bieden tegen de Latijnen. En zo staat tegenwoordig geen enkele andere ontwikkeling tegenover de Geloofsbelijdenis van Trente; een stelsel, dat als tegenpartij kan gelden, is er niet. Kritieken, bezwaren, protesten zijn er in overvloed, maar bijna nergens een positieve leer; zelden een poging van de zijde van een weerstrevende denkrichting, om zich haar eigen leerstellingen bewust te maken, om hun zin en betekenis te onderzoeken, om vast te stellen welke hun verhouding is tot de decreten van Trente en hoever ze daarvan af staan. En wanneer het soms gebeurt dat zulk een poging op ietwat ruimere schaal gedaan wordt, dan komt terstond een onoverkomelijke tegenstrijdigheid tussen de onderdelen van de aldus ontwikkelde theologie te voorschijn, dan blijkt zelfs een tegenstrijdigheid in de beginselen; dan blijkt daarenboven de onmogelijkheid om die theologie in overeenstemming te brengen met de algemene strekking der formulieren waarin de elementen van die theologie te vinden zijn; en het gevolg is, dat de vermetele lieden, die een poging doen om die elementen tot een consequent geheel aaneen te voegen, de schijn op zich laden van oneerlijkheid en sofisterij. 11 Dan blijkt verder, dat deze schijn door het publiek over het algemeen aanvaard wordt als een feitelijk iets, terwijl de autoriteiten zich van een uitspraak onthouden, zich er verre van houden als van een hopeloze onderneming en ook anderen daarvan trachten af te houden, en de gewone mensen ten slotte duidelijk te kennen geven, dat ze al heel weinig waarde meer hechten aan leer en traditie, aan geschiedenis en ontwikkeling. En ten slotte volgt dan duidelijk, dat zelfs de besten onder ons wanhopig worden; want als zij grote plannen gaan ondernemen, zoals de bekering der heidense wereld, zijn ze na dit alles huiverig om de vraag naar de leerstellingen waartoe die wereld bekeerd moet worden, onder de ogen te zien; want als de deur eenmaal open staat, zouden ze eerder datgene kunnen verliezen wat zij hebben, dan winnen, wat ze nog niet hebben. Bij de sterke overtuigingskracht, die ontwikkelingen, welke men gewoonlijk de Katholieke noemt, door deze tegenstelling verkrijgen, moet men dan nog het argument voegen, dat volgt uit het feit, dat hun onderlinge samenhang en hun duurzaamheid samenvallen met hun aanspraak op een onfeilbare sanctie, - een aanspraak, waarvan het a priori waarschijnlijk is, zoals we gezien hebben, dat ze gefundeerd is in een of ander deel van de Goddelijke Heilsorde. Als men al deze dingen in aanmerking neemt, dan zullen weinigen, meen ik, de zeer sterke presumptie ontkennen, dat, zo er ontwikkelingen in het Christendom zijn moeten en ook feitelijk zijn, deze geen andere kunnen zijn dan de leerstellingen die door zoveel eeuwen heen zijn voorgesteld door achtereenvolgende Pausen en Concilies.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media4. Een verdere presumptie ten gunste van deze leerstellingen is gelegen in de algemene opvatting van de buitenwereld. Als het Christendom één is, zijn al zijn leerstellingen natuurlijk ontwikkelingen van één geheel, en dan hangen ze noodzakelijkerwijze inwendig met elkander samen; dan vormen ze één geheel. De buitenwereld nu deelt volkomen deze opvatting van de bekende ontwikkelingen die zich de Katholieke noemen. Ze geeft hun die titel ook, ze beschouwt ze als onderlinge verwanten, en brengt ze terug tot één theologisch stelsel. Het zal wel niet nodig zijn bewijzen te leveren voor iets, wat door hun tegenstanders nog onverdrotener wordt te berde gebracht dan door hun verdedigers. Hun tegenstanders erkennen dat ze zich verzetten niet tegen dit of dat leerstuk, maar tegen alle gezamenlijk. En ze schijnen zich met verbazing en verslagenheid, om niet te zeggen met ontzag getroffen te voelen tegenover een innerlijke samenhang, die ze aanvoelen als bovenmenselijk, doch niet willen erkennen als goddelijk. Van alle zijden wordt erkend, dat het stelsel, oppervlakkig gezien zowel als bij nader onderzoek, een kenmerk draagt van volledigheid en ondeelbaarheid. Daarvandaan gezegden als "Tota jacet Babylon" van het distichon. Luther heeft slechts een deel van het werk gedaan, Calvijn een ander deel, Socinus heeft het afgemaakt. Instemmen met Luther en daarbij Calvijn en Socinus verwerpen, zou volgens dat epigram zoveel betekenen als wonen in een huis zonder dak. Dit is niet de persoonlijke mening van die of die, het is, zeg ik, de gewone opvatting en de ervaring van alle landen. De twee grote takken van de religie, de Rooms-Katholieken en de Protestanten, de beide partijen in de polemiek, voelen dat; de sceptici en de liberalen, de toeschouwers bij de strijd, voelen dat, de filosofen voelen dat. Er is een kring van theologen, dat beken ik, wier heugenis mij dierbaar is en die het niet hebben gevoeld; en deze uitzondering heeft betekenis, - totdat we bedenken dat de bijzondere theologie die zij voorstaan, op geen enkele rechtstitel van succes kan bogen, nooit tot werkelijkheid is geworden, of zo ze al een ogenblik werkelijk was, geen levenskracht heeft getoond; en daarbij, dat die theologie, - toen ze eens door menselijk gezag werd voorgeschreven, - ternauwernood verder is gegaan dan het papier waarop ze werd gedrukt, of de wettelijke formulieren waarin ze werd vastgelegd. Maar al hechten we ook de hoogste waarde aan deze vereerde namen, ze vormen toch slechts een uitzondering op de algemene regel, zoals bij iedere polemiek opnieuw blijkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media5. En deze algemene getuigenis voor de eenheid van het Katholicisme strekt zich evenzeer uit tot zijn leer in het verleden vergeleken met die van het heden, als tot de verschillende delen van zijn leer onderling. Niemand betwijfelt- met de zojuist vermelde uitzondering - dat de Rooms-Katholieke gemeenschap van vandaag de opvolgster en vertegenwoordigster is van de Middeleeuwse Kerk, of dat de Middeleeuwse Kerk de wettige erfgename is van de Kerk van Nicea; waarbij dan nog in het midden gelaten wordt, of er een grenslijn te trekken is tussen de Kerk van Nicea en de Kerk die daaraan voorafging. Over het geheel zijn alle partijen het erover eens, dat van alle bestaande stelsels de tegenwoordige gemeenschap van Rome feitelijk de Kerk der Vaders het dichtst mogelijk nabijkomt, al zullen sommigen menen, dat ze er op papier nog dichter bij staat. Indien de H. Athanasius of de H. Ambrosius tot het leven zou terugkeren, dan valt er niet over te twijfelen welke gemeenschap hij als de zijne zou beschouwen. Allen zullen het er wel over eens zijn, dat die Vaders, - met al hun persoonlijke meningen, met al hun protesten, als men wil, - zich meer thuis zouden voelen bij mannen als de H. Bernardus of de H. Ignatius van Loyola, of bij de eenzame priester in zijn woning, of bij de Zusters der Armen in hun klooster, of bij de ongeletterde menigte, knielend voor het altaar, dan bij de leiders of lidmaten van enige andere gezindte. En mogen wij er niet bijvoegen, dat, zouden diezelfde Heiligen, die eenmaal, de een als gezant, de andere als balling, naar Trier toe reisden, nog eens verder naar het noorden komen en een andere schone stad bereiken, gelegen tussen boomgewas en groene weiden en rustige riviertjes - dat de heilige broeders zich dan zouden afwenden van menig hoog gewelf en menige plechtige zuilengang, en de weg zouden vragen naar een of ander kapelletje, waar de Mis werd opgedragen in· een volksbuurt of afgelegen voorstad? En anderzijds, kan iemand, die ook maar de naam van Athanasius gehoord heeft en maar het geringste afweet van zijn geschiedenis, een ogenblik in onzekerheid verkeren, op welke wijze de grote Engelse natie, ,,wij, onze prinsen, onze priesters en onze profeten", het Hogerhuis en het Lagerhuis, de Universiteiten, de Kerkelijke Gerechtshoven, de stapelplaatsen van handel, de grote steden, de dorpsgemeenten - op welke wijze die Athanasius zouden behandelen, Athanasius, die zijn lange leven heeft uitgeput in een strijd tegen vorsten om een theologische term?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- HOOFDSTUK III - HISTORISCHE BEWIJSVOERING TEN GUNSTE VAN DE BESTAANDE ONTWIKKELINGEN
- ARTIKEL 1 - METHODE VAN BEWIJSVOERING
1. Na het voorafgaande lijkt het me toe dat we ongeveer het volgende geval vóór ons hebben. Er zijn bepaalde leerstellingen met aanspraak op Apostolische oorsprong, die al kunnen we de tijd van hun definitieve formulering niet vroeger stellen dan de vierde, of de vijfde, of de achtste, of misschien zelfs de dertiende eeuw, in elk geval zulk een hoge ouderdom bezitten dat ze- quoad substantiam heel goed, voor zover wij kunnen oordelen, uit de tijd van de Apostelen kunnen stammen en uitdrukkelijk of impliciet in de teksten van de Schriften te vinden zijn. Verder worden deze bestaande leerstellingen in elke eeuw zonder enige tegenspraak beschouwd als een weerklank van leerstellingen die reeds in de onmiddellijk voorafgaande tijden hadden gegolden, en zo wordt hun oorsprong voortdurend verder teruguit geschoven tot op een onbepaald vroege datum, schoon hun uiteindelijk verband met de Apostolische Geloofsbelijdenis niet zichtbaar is en niet met zekerheid vast te stellen. Daarenboven erkent men, dat ze alle tezamen één enkel geheel vormen, zodat het verwerpen van een enkele afbreuk doet aan alle overige; en in dat éne stelsel liggen ook opgesloten zulke fundamentele geloofsartikelen als de Incarnatie, die menig bestrijder van dat leerstelsel als stelsel toch voorgeeft te aanvaarden, en die hij, hoe hij het ook aanlegt, op geen enkele redelijke grond van uiterlijke documentatie of innerlijk karakter kan scheiden van die andere die hij loochent. Verder beslaan deze leerstellingen het gehele terrein der theologie, zodat geen enkel ander stelsel er iets aan kan toevoegen, tenzij in het klein; terwijl er feitelijk ook geen ander stelsel voorhanden is; zodat wij hebben te kiezen tussen deze theologie en helemaal geen theologie. Daarenboven zorgt alleen deze theologie voor die leiding in denken en doen, die het bijzondere uiterlijke doel van de Revelatie schijnt te zijn; en ze vervult de beloften van de Schrift, doordat ze zich voegt naar de verschillende problemen van gedachte en praktijk, die zich in het leven voordoen. Bovendien is deze theologie de nauwste benadering, om niet méér te zeggen, van het religieus gevoel, en wat men de ethos noemt, van de oude Kerk en zelfs van de Apostelen en Profeten; want iedereen zal dit tenminste erkennen, dat Elia en Jeremias, en de Doper en de H. Paulus, in hun geschiedenis en hun levenswijze (ik spreek niet over de maat van hun genade, niet over leer of moraal, want daarover gaat juist het dispuut; ik spreek over het uitwendige, het in het oog vallende, en dit onderschatte men niet, wanneer men de dingen in hun geheel en op een afstand overziet), dat deze heilige en heldhaftige mannen, zeg ik, meer gelijken op een Dominicaans prediker, of een Jezuïet in de missies, of een Carmeliet, meer op de H. Toribio, of de H. Vincentius Ferrerius, of de H. Franciscus Xaverius, of de H. Alfonsus Liguori, dan op welke personen, of welke klassen van mensen ook, die in andere kerkelijke gemeenschappen te vinden zijn. En daarenboven is er dan nog de hoge waarschijnlijkheid a priori, dat de Voorzienigheid zorg zal dragen voor haar eigen werk en de onvermijdelijke ontwikkelingen van de leer zal leiden en bekrachtigen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media2. Als dit dan over het geheel een juiste weergave is van het algemene beeld waaronder zich het bestaande geheel van de ontwikkelingen, die men gewoonlijk de Katholieke noemt, aan ons voordoet, nog voordat wij in het bizonder de getuigenissen hebben nagegaan waarop ze berusten, en als wij dan staan voor de vraag of we die ontwikkelingen zullen aanvaarden, dan meen ik dat wij niet lang in onzekerheid zullen verkeren over wat plicht en logische waarheid ons voorschrijven. Op z'n allerminst behoren wij er de aandacht aan te schenken, die wij gewoon zijn te schenken aan andere dingen die wij horen, feiten, waarheden, getuigenverklaringen, met een behoorlijke presumptie van objectiviteit. Zulke dingen horen wij iedere dag; en hoe staan we er dan tegenover? Wij beginnen dan niet met argwaan en kritiek, maar met een eerlijk vertrouwen. Wij laten tegenover algemeen aanvaarde denkbeelden niet op de eerste plaats ons verstand werken, doch ons geloof. We vangen niet aan met twijfel; wij aanvaarden ze op crediet, en gaan ze controleren zonder enig opzet, zuiver spontaan. Wij stellen ze op de proef door er gebruik van te maken, door ze toe te passen op het onderwerp, of het bewijsmateriaal, of het geheel van omstandigheden, waartoe ze behoren, alsof deze als van zelf interpretatie en kleur van die denkbeelden ontvangen. En pas als ze ons per slot van rekening in de steek laten bij het verklaren van de verschijnselen of het ordenen der feiten, komen wij tot de bevinding dat die denkbeelden of verklaringen, die we aanvankelijk als vanzelfsprekend hadden aanvaard, verworpen moeten worden. Verder behandelen wij de bewijzen voor die denbeelden of verklaringen, voor zover aanwezig, als één geheel, in hun gezamenlijke bewijskracht; en wat ons in enkele onderdelen ervan duister voorkomt interpreteren we naar de onderdelen die duidelijk zijn. En op voorwaarde dat hun aanspraken op onze belangstelling van bijzonder gewicht zijn, behandelen wij ze met des te groter toegeeflijkheid naarmate ze apriori waarschijnlijker zijn; we verliezen ons geduld niet, als we moeilijkheden ondervinden bij de toepassing, als er ogenschijnlijk bezwaren tegen rijzen uit andere feitelijke gegevens, als we niet alle gevallen ermee kunnen verklaren, of als bij de toepassing niet alles precies klopt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media4. Dat doen wij ook met de Schriftuur, als we de tekst der profeten en de typen van het Oude Testament hebben te interpreteren. De uitkomst is de ontwikkeling en tevens de interpretatie van de voorzegging; hij geeft de vervulling door de bedoeling vast te leggen. En we zien in bepaalde gebeurtenissen de vervulling van voorspellingen, omdat die beide in grote lijnen met elkander overeenstemmen, en dat in weerwil van vele bijkomstige moeilijkheden. Zo is bijvoorbeeld het feit dat de verspreiding der Joden gevolgd is op hun getrouwheid aan de Wet en niet op hun ongetrouwheid, moeilijk te verklaren, maar dat belet ons niet hun tegenwoordige toestand aan te halen als argument tegen het ongeloof. - Wij onderwerpen eveneens geredelijk ons verstand als een competent gezag spreekt, en zo aanvaarden we bepaalde gebeurtenissen als vervulling van voorzeggingen, die er heel ver van af schijnen te staan; b.v. in de tekst "Uit Egypte heb ik mijnen Zoon geroepen". En we voelen het niet eens als een moeilijkheid, als de H. Paulus zich beroept op een tekst van het Oude Testament die heel anders staat in onze Hebreeuwse uitgave; b.v. de woorden "Gij hebt mij het lichaam toebereid." - Dergelijke moeilijkheden aanvaarden we in goed vertrouwen; en wij maken ons er niet druk over. Nog minder ergeren we ons over de grote volledigheid van de interpretatie, of over haar nauwkeurigheid, of integendeel over haar vreemdheid, en zo iets is voor ons nooit een voldoende reden om de tekst of de handeling waarop ze slaat van een dergelijke interpretatie te beroven. We zien er geen bezwaar in dat de woorden zelf niet zo ver reiken, of dat de gewijde schrijver daaraan niet gedacht heeft, of dat een voorafgaande vervulling reeds uitsluitsel geeft. Een lezer, die het geïnspireerde boek voor het eerst helemaal alleen zou lezen, geheel buiten de invloed van die traditionele opvatting waarmee het gelukkig omgeven is, zou grote ogen opzetten als hij hoorde dat de woorden van de Profeet, "Een maagd zal zwanger worden" enz., of "Dat alle Engelen Gods hem aanbidden", betrekking hebben op onze Heer; maar daar we rekening houden met het innige verband tussen het Jodendom en het Christendom en met de inspiratie van het Nieuwe Testament, aarzelen wij niet dat te geloven. Wij voelen terecht dat het geen bezwaar is tegen onze Christelijke opvatting van de profetie van Balaäm, dat ze volledig opgaat in David; of van de geschiedenis van Jona, dat ze dichterlijk van aard is en een moraal bevat als een fabel; of van de ontmoeting tussen Abraham en Melchizedek, dat ze te kort en te simpel is om iets groots aan te duiden, zoals de H. Paulus ze toch interpreteert.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media5. Dit alles wordt bevestigd door Butler, waar hij spreekt over de bewijzen voor het Christendom in het bijzonder. ,,De duisterheid en onbegrijpelijkheid van sommige gedeelten der profetieën", schrijft hij, "doet niet de minste afbreuk aan de bewijskracht der voorspelling die voortkomt uit de duidelijke vervulling van die gedeelten, welke goed te begrijpen zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWant het zou blijkbaar op hetzelfde neerkomen als die onduidelijke gedeelten verloren waren gegaan, of helemaal nooit geschreven waren, of geschreven in een onbekende taal. Deze opmerking, misschien vaak over het hoofd gezien, ligt zó voor de hand, dat ik mij er kwalijk toe brengen kan er een voorbeeld van te geven uit het gewone leven." 1 En dan verder:- ~Al is iemand ook, uit gebrek aan kennis of aan gelegenheid om de zaak verder te onderzoeken of omdat zijn belangstelling een andere richting is uitgegaan, niet in staat om een oordeel te vormen over de algehele vervulling van sommige profetieën, toch kan hij in het algemeen wel zien, dat zij althans in voldoende mate zijn vervuld om hem op goede gronden de overtuiging te schenken, dat in die profetieën een meer dan menselijke vèrziendheid aan het woord was, en dat de feitelijke uitkomst oorspronkelijk daarin ook bedoeld was. Maar ook bij de allergeleerdsten kan het voorkomen dat zij, wegens de hiaten in de profane geschiedenis of de uiteenlopende verhalen der geschiedschrijvers, niet in staat zijn met voldoende zekerheid aan te tonen, dat bepaalde delen van de profetische boeken nauwkeurig en volledig in vervulling zijn gegaan; maar de blijkbare vervulling in het algemeen kan dan ook voor hen een zeer sterk bewijs zijn voor die bovenmenselijke vèrziendheid; zo veel bewijs althans als, volgens de bedoeling van de Gever der profetie, misschien ooit voor die bepaalde profetische teksten zou kunnen geleverd worden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media6. Hij licht dit toe door een vergelijking met de fabel en de indirecte satire. "Iemand kan overtuigd zijn de bedoeling van een fabel of parabel, die verhaald wordt zonder directe toepassing of moraal, begrepen te hebben, alleen omdat hij inziet dat een bepaalde toepassing voor de hand ligt, of dat een bepaalde moraal er natuurlijk uit volgt. En hij kan ten volle overtuigd zijn dat in een satire personen en gebeurtenissen bedoeld zijn, alleen omdat ze daarop toepasselijk is. En overeenkomstig onze laatste opmerking zou hij er zich tamelijk zeker van gevoelen, al kende hij die gebeurtenissen en die personen niet voldoende om ook maar de helft van de satire te begrijpen. Want zijn gevoel van zekerheid, dat hij de zin, de bedoelde zin, van dergelijke geschriften heeft begrepen, zal meer of minder groot zijn naarmate hij inziet dat hun algemene strekking op die bepaalde toepassing wijst en naarmate een meer of minder groot aantal bijzonderheden in die zelfde richting wijst." En daaruit trekt hij deze conclusie: wanneer men ziet dat een bekende serie gebeurtenissen, of de levensloop van een persoon als Christus, in zijn geheel overeenstemt met de profetische boeken, dan heeft men voldoende zekerheid over de juiste interpretatie van die boeken, ook al blijven er detailmoeilijkheden over. Deze interpretatie-regel nu kan men natuurlijk ook op dogmatische teksten in toepassing brengen, wanneer n.l. een bepaalde geloofsbelijdenis, die afgeleid wil zijn uit de Revelatie, sterke aanbevelingsgrond a priori heeft, en niet formeel in tegenspraak is met de gewijde tekst.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVolgens dezelfde schrijver is het feit dat een profetie reeds eenmaal vervuld is, geen geldig bezwaar tegen het aannemen van nog een tweede vervulling, wanneer iets wat op een tweede vervulling lijkt werkelijk heeft plaats gehad; en op dezelfde wijze kan ook een interpretatie van de dogmatische teksten letterlijk, nauwkeurig en voldoende zijn, en toch nog niet alles omvatten wat in de volledige strekking van hun zin ligt opgesloten; en die vollediger strekking mag in zulk geval qua interpretatie gerust minder overtuigend en precies zijn dan de enge, letterlijke zin. Bijvoorbeeld: al zou ook de Protestantse interpretatie van het zesde hoofdstuk van Joannes waar zijn en aan de letter beantwoorden (iets dat ik natuurlijk niet toegeef), dan zou zulks toch niet verhinderen, dat de Roomse interpretatie, die toch minstens volkomen verenigbaar is met de tekst, kon blijven gelden als weergave van de hogere en alleen rechtmatige zin van dat hoofdstuk. In dergelijke gevallen ligt de rechtvaardiging voor een ruimere en hogere interpretatie in de a priori bestaande waarschijnlijkheid van de Katholieke consensus; en de basis van de enge interpretatie in de contekst en de regelen der spraakkunst. En als de critische commentator redeneert dat de gewijde tekst niets anders dan de letter behoeft te beduiden, zo redeneren degenen, welke de diepere zin aanvaarden, zoals Butler deed met de profetieën, dat wij niet gerechtigd zijn grenzen te stellen aan de betekenis van woorden, die niet menselijk doch goddelijk zijn. 7. Een dergelijke wijze van redeneren nu wordt ook gebruikt, als men de oorspronkelijke betekenis van een leerstuk interpreteert naar zijn latere ontwikkeling, en als men die latere ontwikkeling reeds in potentia en naar goddelijke bedoeling aanwezig acht in de oorspronkelijke woorden. En de kleinzielige en wantrouwige geest, die weigert het gewijde boek zo ruim op te vatten dat de profetieën in vervulling blijken gegaan te zijn, is van precies dezelfde aard als die gemoedsstemming, die voortdurend blijft vitten op de Pre-niceense getuigenissen voor Niceense of middeleeuwse leerpunten en praktijken. Wanneer ten bewijze van Christus' eenheid met de Vader, de tekst wordt aangevoerd, ,,Ik en de Vader zijn één", dan zien die ketterse polemisten niet in waarom die woorden moeten genomen worden als méér dan een eenheid van wil. Wanneer als bewijs voor de verandering van het brood in het Lichaam van Christus, een beroep wordt gedaan op "Dit is Mijn Lichaam", dan redeneren zij die woorden weg tot een figuurlijke zegswijze, omdat dit de meest voor de hand liggende interpretatie is. En zo ook, wanneer de Rooms-Katholieken zich beroepen op de Invocaties van de H. Gregorius, dan heet het dat deze slechts rhetorisch zijn; van de toespeling van de H. Clemens op het Vagevuur zeggen ze dat het misschien Platonisme was; van de woorden van Origenes over het bidden tot de Engelen en de verdiensten der Martelaren, dat zij slechts zijn heterodoxie bewijzen; van de lofspraak van de H. Cyprianus op de Cathedra Petri, dat hij slechts behoeft gedacht te hebben aan de figuurlijke of abstracte Cathedra; van het in de oudste Kerk algemeen getuigenis voor het geestelijk gezag van Rome, dat dit voortkwam uit Rome's wereldse grootheid; van Tertullianus' woorden over de Traditie en de Kerk, dat hij die dingen als rechtsgeleerde bezag; terwijl toch de vroegere formulering van elk afzonderlijk leerpunt en de getuigenissen daarvoor, consequent behoren geïnterpreteerd te worden naar de ontwikkeling die uiteindelijk bereikt werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media8. Wijl daarenboven, zoals boven aangetoond, al die leerstukken tezamen één volledige religie vormen, vormen ook de verschillende getuigenissen, welke elk van die leerstukken bewijzen, een geheel, en moeten dus behandeld worden als bijeenbehorend, zodat ze allemaal beschikbaar zijn ter verdediging van elk afzonderlijk. Een verzameling zwakke getuigenissen vormt een sterk getuigenis; en één sterk argument geeft bewijskracht aan nevenargumenten, die op zich zwak zijn. Bij de mirakels, bijvoorbeeld, vermeld in de Schriftuur of in de Kerkgeschiedenis, ,,is het aantal van die, welke nu nog het bewijs voor hun waarheid meebrengen en daarom van zelf worden geloofd, betrekkelijk klein, maar dat kleine aantal vormt de grondslag, waarop wij ook de overige mirakelen aannemen." 22 Zo zou ook niemand het voor de geloofswaarheid van het Evangelie van de H. Mattheus nodig achten voor ieder onderdeeltje ervan de oudste getuigenissen te raadplegen: zodra men van een gedeelte heeft bewezen, dat het in de oudste tijden bestond, is het bestaan van het Evangelie bewezen, want dat gedeelte was slechts een gedeelte van het geheel; en zodra het geheel is bewezen, worden daardoor ook die gedeelten gedekt waarvan om een of andere toevallige reden minder getuigenissen te vinden zijn in de oude Kerk. Eveneens zou het bewijs, dat de H. Augustinus de Itala-vertaling van de H. Schrift gekend heeft, al geleverd zijn als hij die één of tweemaal aanhaalde. Zo zal men ook wel algemeen toegeven dat het bewijs voor een Tweede Persoon in de Godheid de bewijslast nodig voor ons geloof in een Derde Persoon grotelijks verlicht; en eveneens dat, aangezien de Genoegdoening enigszins kan gelden als het correlatief van de eeuwige straf, het bewijs voor de eeuwige straf virtueel versterkt wordt door het bewijs voor de Genoegdoening.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEn zo zou ook een Protestants polemist er weinig waarde aan hechten, tenzij als voorteken van zijn eindoverwinning, als hij een tegenstander tot de ontkenning van de Transsubstantiatie had gebracht, zolang deze nog streng bleef vasthouden aan de Aanroeping der Heiligen, aan het Vagevuur, aan de Zeven Sacramenten, en aan het leerstuk van de verdienste; weinig zou het eveneens voor hem betekenen als iemand van zijn eigen richting bijna alles verwierp: de aanbidding der Hostie, de suprematie van Rome, de lofwaardigheid van het celibaat, de oorbiecht, de Communie onder één gedaante, en de traditie, doch nog ijverde voor de leer van de Onbevlekte Ontvangenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media9. Het beginsel waarvan deze opmerkingen uitgaan, wordt gedragen door het gezag van enige der diepzinnigste Engelse theologen. Bisschop Butler, bijvoorbeeld, die ik reeds zo vaak heb aangehaald, zet aldus zijn bewijsvoering op voor het Christendom zelf, ofschoon hij tegelijk het nadeel erkent waaronder het gereveleerde stelsel dientengevolge heeft te lijden. ,Waarschijnlijkheidsgronden, die zich ophopen", zo zegt hij, ,maken niet alleen het bewijs groter, ze vermenigvuldigen het. En ik zou niemand afraden neer te schrijven wat naar zijn inzicht pleitte voor de tegenpartij ••• De waarheid van onze religie moet men, evengoed als de waarheid in alledaagse zaken, beoordelen naar het gehele bewijsmateriaal in zijn volle totaliteit. En zo men van die hele serie, die men hiervoor aan kan halen, en van ieder onderdeel daarvan, redelijkerwijze niet kan veronderstellen dat ze aan een toeval te danken zijn (en dat is juist het geval bij het bewijs voor het Christendom), is de waarheid ervan bewezen. Het is ermee als met allerlei wereldse zaken; wanneer talrijke zekere gebeurtenissen kunnen aangehaald worden als bewijs voor een of andere onzekere gebeurtenis, dan is het bewijs voor de onzekere gebeurtenis geleverd, niet slechts als ook maar een enkele van de zekere feiten het onzekere impliceerde, maar ook zonder dat, als men namelijk van het geheel van die zekere feiten als totaliteit niet redelijkerwijze kan veronderstellen dat ze gebeurd zouden zijn zonder dat het onzekere feit werkelijk gebeurd was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media"Het ligt voor de hand dat deze wijze van bewijsvoering vooral in het gesprek groot voordeel verschaft aan hen die het Christendom aanvallen. Want men kan gemakkelijk op korte en levendige manier aantonen, dat dit of dat van problematische waarde is, dat dit of dat weinig gewicht in de schaal legt; maar men kan op die manier onmogelijk de dwingende kracht van de totale redenering aan iemand voorleggen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaOok de heer Davison veroordeelt die "onrechtmatige wijze van redeneren", die "iedere kleine ontoereikendheid van de bewijskracht tot in alle onderdelen voorstelt als werkelijk bezwaar", die "de kritiek zó opzet, dat elk argument afzonderlijk onvoldoende blijkt te zijn, en dat wij daarom een hele reeks bezwaren tegen de leerstukken van de religie schijnen te krijgen, terwijl we toch feitelijk een serie gunstige presumpties vóór ons hebben, die telkens sterker worden. De scepticus leert dat men dit of dat motief voor het geloof niet ten volle kan vertrouwen, dat elk motief onzeker is, en dat men ze allemaal een voor een moet terzijde schuiven, terwijl ze toch feitelijk met elkander verbonden en gecombineerd moeten worden." 44 - In geen enkel werk kan men misschien in het kort méér voorbeelden vinden van de wijze van kritiek, die in deze aanhalingen veroordeeld wordt, dan in de Verhandeling van Barrow over de Pauselijke Suprematie. 55
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media10. Deze aanhalingen uit de twee schrijvers benadrukken de plicht om leerstukken, die tot een groot geheel behoren, en bewijsgronden, die op eenzelfde onderwerp betrekking hebben, te combineren; en in abstracto zullen weinigen dit betwisten. Ik heb dit beginsel hier aldus toegepast: - wanneer ons een leerstuk met sterke presumptie voor zijn waarheid voor ogen komt, dan zijn wij verplicht dat zonder achterdocht te aanvaarden en het te gebruiken als sleutel voor de getuigenissen waarop het zich beroept, of voor de feiten die het wil coördineren, welk ook ten slotte ons eindoordeel over dat leerstuk moge zijn. En het is niet voldoende hierop te antwoorden dat de stem van onze eigen Kerk, die dit zogenaamd Katholicisme absoluut afwijst, een a priori waarschijnlijkheidsgrond vormt, die zwaarder weegt dan alle andere gronden en de allereerste aanspraken heeft op onze gehoorzaamheid. Dit kan ongetwijfeld de mensen afzonderlijk verontschuldigen, als ze de Katholieke ontwikkelingen aanvankelijk met twijfel en wantrouwen tegemoet treden; doch daarmee wordt de schuld alleen maar verschoven naar die eigen Kerk, Anglicaans of niet Anglicaans, die zich gerechtigd acht zulk een beslissend vonnis te vellen over de enige wettige opvolgster, erfgename en vertegenwoordigster van het college der Apostelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- ARTIKEL 2 - WAARDE VAN DE HIER GEVOLGDE BETOOGTRANT
1. Bacon wordt geroemd omdat hij het gezag heeft ondermijnd van een redeneermethode, die sterk lijkt op die welke ik in dit Hoofdstuk tracht te verdedigen. - "Iemand, die zich niet geoefend heeft in de twijfel", zegt hij, "doch terstond bereid is alle beginselen, die hij als algemeen aanvaard, onweersproken en klaarblijkelijk beschouwt, aan te nemen en in praktijk te brengen, en dan op grond van die aldus geponeerde waarheid alles aanneemt of verwerpt wat daarmee wel of niet overeenkomt, zo iemand is alleen geschikt om zaken te verwarren met woorden, rede met dwaasheid, en werkelijkheid met fabel en fictie, doch niet om de werken van de natuur te interpreteren." 6 Bacon veroordeelt hier echter de aanwending van zulke redeneermethodes bij de exacte wetenschappen, met name op natuurkundig gebied; en zoiets kon hij met recht afwijzen; maar hij deed niet de onmogelijke poging om zulke methodes te verbannen uit het gebied van de geschiedenis, van de moraal, of van de religie. Natuurkundige feiten liggen vóór ons; ze zijn grijpbaar voor de zintuigen, en zintuigen kan men behoorlijk toetsen, corrigeren en verifiëren. Op iets anders vertrouwen dan op de zintuigen, als het gaat over een zintuiglijk iets, is onredelijk; waarvoor anders zijn de zintuigen ons gegeven dan ter vervanging van minder zekere, minder directe kenbronnen. Om feiten vast te stellen nemen wij onze toevlucht tot de rede of het gezag wanneer de zintuigen ons in de steek laten; maar met de zintuigen beginnen wij. Uit de feiten komen wij tot deducties en inducties, tot algemeenheden en theorieën. Als wij de zaken in onze handen en onder onze ogen hebben, dan beginnen we niet met vermoedens en gissingen, nog minder zien we dan uit naar de traditie van vroegere eeuwen of naar de decreten van een buitenlandse autoriteit. Doch anders staat het met de geschiedenis, als de feiten niet werkelijk voor ons liggen; anders ook staat het met de moraal, waarvan de verschijnselen subtieler, verholener van aard zijn dan andere feiten, meer eigen aan afzonderlijke personen en niet herleidbaar tot een algemene maatstaf, waarnaar iedereen ze kan beoordelen. In dergelijke takken van wetenschap kunnen wij ons met de beste wil van de wereld niet op de feiten verlaten, omdat die er niet zijn. Wij moeten ons behelpen met wat wij hebben, en hulp zoeken waar die te vinden is; en in zulke omstandigheden ligt het voor de hand dat groot gewicht moet gehecht worden aan de denkbeelden van anderen, aan de tradities van het verleden, aan de rechtstitels van het gezag, aan voortekens, aan analogieën, precedenten, en dergelijke, natuurlijk niet op goed geluk af gekozen, doch evenals het zintuiglijk materiaal behoorlijk geschift, gewikt en gewogen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media2. En als wij dan mogen uitgaan van de veronderstelling, dat een liefdevolle Voorzienigheid ons de middelen verschaft heeft om die waarheden welke voor ons van belang zijn te leren kennen, en· als wij dan verschillende wegen zullen moeten inslaan, naarmate het gaat over verschillende materies, dan komt de kwestie hierop neer, dat wij moeten nagaan welke wegen wij in een bepaald geval moeten inslaan. Zo er wegen zijn die door een goddelijke Beschermer zijn aangewezen, welke het ook zijn mogen, dan kunnen wij er zeker van zijn dat ze tot de waarheid zullen leiden. Minder exacte methoden van redenering kunnen Zijn werk evengoed doen als de meer volmaakte, wanneer Hij ze tenminste zegent. Hij die Zijn zegen schenkt aan proefondervindelijk onderzoek en aan inductie in de geneeskunst, kan even goed bij morele onderzoekingen Zijn zegen schenken aan a priori te verwachten waarschijnlijkheden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEn is het redelijk de geneeskunst, de architectuur, of de techniek, in zekere zin als goddelijke kunsten te beschouwen, wijl het van Godswege verordende middelen zijn om goddelijke weldaden te ontvangen, dan hebben wij nog veel meer reden om de zedenleer goddelijk te noemen; en wat de religie betreft, deze wil niets anders zijn dan de methode om ons welgevallig te maken aan God en Zijn wil te leren kennen. Als het dan Zijn welbehagen is dat wij die wil ook zullen leren kennen, dan mogen de middelen, die Hij daartoe aanwijst voor menselijke ogen minder of meer veelbelovend zijn, dan zijn ze in elk geval voldoende, omdat zij van Hem komen. En welke die middelen zijn op dit bijzonder tijdstip, en voor deze persoon, hangt af van Zijn beschikking. Voor sommige mensen kan Hij heel eenvoudig gebed en gehoorzamen hebben aangewezen als de weg om te geraken tot de geheimen en verordeningen van het Christendom. Anderen kan Hij leiden, althans voor bepaalde delen van hun loopbaan, langs het geschreven woord. Maar als de formele basis waarop Zijn revelaties berusten, van historische en filosofische aard is,- en dat is zij inderdaad, dan zijn, evenals in elke andere geschiedenis, a priori te verwachten waarschijnlijkheden die naderhand bevestigd worden door de feiten, voldoende om ons een veilige weg te tonen naar de inhoud, of althans naar het orgaan, van die revelaties.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media3. Daarenboven: in die takken van wetenschap die op een zedelijke bewijsmethode zijn aangewezen, ik bedoel vakken als oude en nieuwe geschiedenis, staatswetenschap, moraal, metaphysica en theologie, waarin het bijzonder op die zedelijke bewijzen aankomt en vooral in de theologie en de moraal, kan een a priori te verwachten waarschijnlijkheid een gewicht in de schaal leggen en een bewijskracht bezitten, die ondenkbaar zijn in een proefondervindelijk vak; en een gerijpt staatsman of theoloog kan ten gevolge van zijn bijzondere geestesontwikkeling een vermogen om feiten op te sporen aan de dag leggen, dat men slechts zelden in die mate aantreft bij natuurkundige onderzoekers, die men, wat dit betreft, gerust allen op gelijke lijn mag stellen. En voor deze laatste opmerking althans kan ik Lord Bacon aanhalen, waar hij toegeeft: "Onze methode om wetenschappelijke ontdekkingen te doen hangt niet in hoge mate af van fijnheid of kracht van genie, doch ligt binnen het bereik van bijna iedere aanleg en ieder gezond verstand;" 77- ofschoon er toch ook zeker takken van wetenschap zijn, waarin genie alles betekent en regels zo goed als niets.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media4. Het is derhalve een grote misvatting als men meent dat die grote filosoof met zijn veroordeling van presumptie en prescriptie bij het onderzoek van feiten buiten ons, dicht bij ons en ons allen gemeen,daarmee autoriteit, traditie, waarschijnlijkheid, analogie en dergelijke, voor de beoefenaars van de geschiedenis en de moraal verwijst naar de "idiolen van het hol" of "van het toneel". Tegenover hem kunnen wij in elk geval een schrijver stellen, die op zijn eigen terrein geenszins zijn mindere is. Volgens Bacon "is de ervaring verreweg de beste demonstratie, op voorwaarde dat men bij het proefondervindelijke blijft staan; want wil men deze methode overbengen op andere dingen, die men van gelijke aard acht, dan wordt men ten zeerste misleid, tenzij men het doet met grote nauwkeurigheid en regelmaat! 88 Dit nu wordt verklaard of gecorrigeerd door Niebuhr bij het bespreken van een ingewikkeld vraagstuk uit de Romeinse geschiedenis. ,,Gelijksoortige gevallen zijn geen argumenten", zo zegt hij, ,,maar in historische kwesties hebben zij bijna evenveel kracht, vooral als de analogieën te vinden zijn in de latere ontwikkeling van de instellingen waarover het gaat." 99 Hiermee erkent deze scherpzinnige schrijver het ware beginsel van historische logica, en hij geeft er tegelijk een voorbeeld van.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHetzelfde beginsel ligt opgesloten in de bekende uitspraak van Aristoteles: ,,Waarschijnlijkheden aannemen van een mathematicus is ongeveer hetzelfde als mathematische bewijsvoering verwachten van een redenaar." (( In alle zaken van het gewone leven is de presumptie door voorbeelden geverifieerd onze gewone manier van bewijzen; en als de a priori te verwachten waarschijnlijkheid groot is, dan zijn voorbeelden bijna overbodig. Natuurlijk begrijpt ieder dat wij ons ten zeerste kunnen vergissen in de verwachting waarvan wij uitgaan, en in dat geval zullen onze conclusies vermoedelijk ver van de waarheid af blijven; dit bewijst echter niet dat onze redeneermethode foutief was, doch alleen dat wij het recht niet hadden een onbetrouwbaar iets als premisse te gebruiken. ))
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media5. (( Ik spreek hier over de redeneermethode zelf, en dat deze juist is blijkt uit het feit dat zij algemeen wordt toegepast. Wanneer er eenmaal een gewoonte bestaat of een sterke traditie, dan is in godsdienstige kwesties voor de meeste mensen, goedgezinden zowel als kwaadgezinden, één enkele tekst van de Schrift reeds voldoende als bewijs voor een leerstuk of een plicht. ~En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten", is al voldoende om de gezamenlijke, openbare, en zelfs Zondagse eredienst te bewijzen. "In de plaats waar de boom valt, daar zal hij wezen", bewijst dat onze beproevingstijd eindigt met het leven. Met ,Verbiedende te huwen' is uitgemaakt dat de Paus de mens der zonde is.- Voorts is het duidelijk dat iemands goed of slecht gedrag in zijn later leven een bijzondere betekenis geeft aan terloopse gezegden of onopgemerkte handelingen van vroeger. Als we die dan later ophalen, gebruiken we het verder verloop als een presumptieve interpretatie van het verleden, van die vroegere aanduidingen van zijn karakter, die toendertijd als bewijsgrond te zeldzaam en te twijfelachtig waren om er nadruk op te leggen, en die eenvoudig belachelijk zouden genoemd zijn, als we het toen toch gedaan hadden. Iedereen kent wel van die gevallen waarin een lasterpraatje tegen een of ander persoon terstond afstuitte op zijn goede naam, ofschoon die naam natuurlijk geen enkel aanrakingspunt had met de omstandigheden die aanleiding werden tot de verdenking en deze daarom ook niet rechtstreeks kon neutraliseren. Anderzijds wordt soms gezegd: en al is het ook niet letterlijk waar, het kan toch dienen als toelichting - dat van degenen die in onze strafgerichten moeten terecht staan, meermalen niet strikt bewezen kan worden dat ze schuldig zijn aan het misdrijf waarvoor ze veroordeeld worden, doch dat ze schuldig verklaard worden niet zozeer op grond van bepaald bewijsmateriaal als wel op grond van de presumptie die ontstaat uit hun slechte reputatie en uit de herinnering aan hun vroegere misdaden.- Aldus handelen wij voortdurend en niet slechts in onbeduidende of onbelangrijke zaken. Onze meest persoonlijke belangen, ons welzijn, onze bezittingen, onze gezondheid, onze reputatie, zetten wij gaarne op het spel, niet ter wille van een strikt bewijs, maar ter wille van een eenvoudige waarschijnlijkheid, die voldoende is voor onze overtuiging, omdat de prudentia ons voorschrijft ze als overtuigend te aanvaarden.- In godsdienstige zaken moeten wij even goed als in wereldse bereid zijn de wet van onze menselijkheid te volgen. ))
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media6. (( Doch er is nog meer te zeggen over de ondergeschikte positie die de rechtstreekse bewijsvoering bij de meeste zaken inneemt onder de overtuigingsmotieven. Het is geen paradox te beweren dat er een bepaalde schaarste of zelfs gemis aan rechtstreekse bewijzen bestaat, welke juist gunstig is voor getuigenissen welke bewezen moeten worden. )) - Wel zijn er gevallen waarin wij onmogelijk de reden van het stilzwijgen of het tekort kunnen ontdekken en dan moeten wij eenvoudig zeggen dat ze onverklaarbaar zijn. Zo besteedt Lucianus om een of andere reden ternauwernood enige aandacht aan Romeinse schrijvers of gebeurtenissen. 1010 Maximum Tyrius, die verschillende van zijn werken in Rome zelf geschreven heeft, maakt toch nergens een toespeling op de Romeinse geschiedenis. Paterculus, de geschiedschrijver, wordt door geen enkele oude schrijver vernoemd behalve door Priscianus. Wat dichter bij ons onderwerp ligt: Seneca, Plinius de Oudere en Plutarchus zeggen geen woord over het Christendom; en misschien evenmin Epictetus en Keizer Marcus Aurelius. De Joodse Mishna, gecompileerd omstreeks het jaar 180 n. Chr., heeft niets over het Christendom; en zo goed als niets de Talmud van Jerusalem of die van Babylon, ofschoon de compilatie van de eerste dateert uit ongeveer 300 en die van de tweede uit 500 n. Chr. 1111 Voorts is Eusebius zeer ongelijk in het vermelden van feiten: geen woord zegt hij over de H. Methodius, noch over de H. Antonius, noch over het martelaarschap van de H. Perpetua, noch over de wondermacht van de H. Gregorius Thaumaturgus; en het lichtende kruis van Constantijn vermeldt hij niet in zijn Kerkelijke Geschiedenis, waarin het op zijn natuurlijke plaats zou staan, doch in zijn Leven van de Keizer. Daarenboven moeten degenen, die geloof hechten aan deze wonderbare gebeurtenis ("zo onverklaarbaar voor de historicus", zegt iemand die ze verwerpt) 1212 de moeilijkheid verklaren dat alle Vaders van de vierde en de vijfde eeuw, behalve Eusebius, ze stilzwijgend voorbijgaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZo heeft ook de Schriftuur haar onverklaarbare hiaten. Geen enkele godsdienstige gezindte kan daarin zonder meer zijn leerstukken en praktijken vinden. Hiaten bestaan er zelfs in de context van de Schriftuur; denk bijvoorbeeld aan de onzekerheid, die er hangt over Nathanael en over Magdalena. Het is een merkwaardig geval, dat wij in de hele Schrift geen enkele rechtstreekse aanduiding kunnen vinden dat de Slang die Eva verleidde de boze geest was, totdat wij gekomen zijn aan het vizioen van de Vrouw en het Kind en hun vijand, de Draak, in het twaalfde hoofdstuk van de Openbaring.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media7. Als dergelijke absolute en eigenaardige hiaten voorkomen in het bewijsmateriaal voor feiten en leerstellingen, dan zijn dat natuurlijk moeilijkheden; ze zijn echter niet zelden te verklaren. Het stilzwijgen kan voortkomen uit de bekendheid zelf van de feiten waarover het gaat, b.v. de seizoenen, het weer, of andere natuurlijke verschijnselen; het kan voortkomen uit hun sacrale karakter; zo zouden de Atheners nooit de mythologische Furiën vernoemen; het kan voortkomen uit fysieke dwang, b.v. het weglaten in de feeststoet van de beelden van Brutus en Cassius. Het kan ook voortkomen uit vrees of afkeer, b.v. bij het horen van onaangename tijdingen; of uit verontwaardiging, haat, verachting of verlegenheid, zoals Josephus zwijgt over het Christendom en Eusebius in zijn Leven van Constantijn voorbij gaat aan de dood van CGrispus; het kan voortkomen uit andere sterke gevoelens, zoals de dichter 1313 met zijn ,Geef woorden aan uw smart" te kennen geeft; of uit politiek, uit voorzichtigheid of welgevoeglijkheid, zoals een Troonrede nooit afzonderlijke personen noemt, hoe invloedrijk in de politieke wereld ze ook mogen zijn en zoals de kranten na een tijdje niet meer schreven over de Cholera. Verder kan het ook voortkomen uit de natuurlijke en geleidelijke loop van het feit, zoals bij uitvindingen of ontdekkingen, waarvan de geschiedenis daarom vaak juist duister is; of ook wel uit het verlies van documenten of van andere rechtstreekse bewijsstukken, zoals we ook geen theologische wetenschap zoeken in een verhandeling over geologie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media8. Verder gebeurt het vaak dat leemtes stelselmatig voorkomen, als onder de variërende invloed van een uitwendige oorzaak; en dan worden ze het tegendeel van een moeilijkheid; dan kunnen ze de bestaande bewijzen zelfs versterken door er een soort correlatief van te worden. Het zou bijvoorbeeld kunnen voorkomen dat men een beletsel kan aanwijzen, persoon of beginsel of toeval, bij iets dat door zijn aanwezigheid de aanduidingen van een feit noodzakelijkerwijze moet verzwakken of verdraaien, en wel juist zo ver, of juist in zulk een richting, of juist met zulke variaties, in zulke orde en opeenvolging, als werkelijk worden aangetroffen in het voorhanden historisch materiaal. Het zou op het eerste gezicht verdacht kunnen lijken als van een beroemd document slechts een of twee manuscripten te vinden zijn; maar als men dan weet dat de hoogste staatsmacht bij het verschijnen van dat document alle pogingen in het werk had gesteld om het te onderdrukken of te vernietigen, en als dan die paar manuscripten juist op die plaatsen ontdekt zijn waarvan het historisch vaststaat dat die pogingen daar niet zijn gelukt, dan zou dit samentreffen een sterk bewijs te meer zijn voor de betrouwbaarheid van die manuscripten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZo kan het ook voorkomen dat men zelfs te veel bewijsmateriaal heeft; dat wil zeggen: bewijsmateriaal zó volledig en nauwkeurig, dat men de zaak waarvoor het wordt aangevoerd gaat wantrouwen. In de echte Brieven van de H. Ignatius staat geen enkele van die kerkelijke termen, als Priester" of ,Zetel", die later zo vaak voorkomen; en de Schriftuur wordt er slechts spaarzaam in aangehaald. De geïnterpoleerde Brieven echter staan vol aanhalingen; met andere woorden: ze zijn al te Schriftuurlijk om Apostolisch te kunnen zijn. Onder degenen, die zich hebben toegelegd op de theologie van de oudste Kerk, zullen er maar weinigen zijn die niet reeds bij een eerste lezing sceptisch zullen staan tegenover de authenticiteit van werken als de langere Geloofsbelijdenis van de H. Gregorius Thaumaturgus, of het Contra Beronem van de H. Hippolytus, want de theologische terminologie is daarin zó nauwkeurig, dat ze niet past bij de PraeNiceense periode.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media9. De invloed, die omstandigheden kunnen uitoefenen op de formulering van een mening of een getuigenis, vertoont eveneens een vorm van dezelfde wetmatigheid waardoor leemtes te verklaren zijn. ,,Ik aarzel niet te erkennen", zegt Paley, ,,dat de oude Christelijke apologeten veel minder nadruk legden op het bewijs uit de mirakelen dan ik zou gedaan hebben. Zij hadden te strijden met opvattingen over magische werking; en het aanhalen van de feiten was dus niet voldoende om hun tegenstanders te overtuigen; of ze zelf wel volkomen overtuigd waren van de bewijskracht weet ik niet. Maar nu het eenmaal bewezen is, en, naar ik meen, met zekerheid, dat de zeldzaamheid, waarmee ze zich op wonderen beroepen, niet te wijten is aan hun onwetendheid en ook niet aan hun betwijfeling der feiten, kan men daarin zien een bezwaar, niet tegen de historische waarheid, doch tegen het onderscheidingsvermogen der apologeten." 1414 Zo was het ook niet waarschijnlijk dat de Christenen, met al de feitelijke bijgelovigheden en onzedelijkheden van het heidendom voor ogen, zich het hoofd zouden breken over de abstracte toelaatbaarheid van beelden in het Katholieke ritueel. Ook was het niet waarschijnlijk dat ze nauwkeurig de plaats van de Gezegende Moedermaagd in onze verering zouden bepalen, voordat ze de hoogste glorie en aanbidding van de Mensgeworden God, haar Eeuwige Heer en Zoon, behoorlijk hadden gevestigd in de harten der gelovigen. Het Vagevuur erkenden ze pas als deel van het Heilsplan, toen de wereld de Kerk was binnengedrongen en het bederf zich verspreid had. De kerkelijke vrijheid kon niet verdedigd worden, voordat ze werd aangevallen. Een Paus zou pas opstaan wanneer de Kerk voldoende was geconsolideerd. Het monachisme was onnodig zolang het martelaarschap een geregeld verschijnsel bleef. En het was onmogelijk voor de H. Clemens om een oordeel uit te spreken over de leer van Berengarius, voor de H. Dionysius om de Ubiquiteitsleer te weerleggen, voor de H. Irenaeus om de Protestantse opvattingen van de rechtvaardigmaking af te wijzen, en voor de H. Cyprianus om theorieën op te stellen over verdraagzaamheid. Alles moet zijn tijd hebben. Er is ,een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media10. Soms gebeurt het, wanneer het gemis aan bewijsmateriaal voor een reeks feiten of leerstukken onverklaarbaar is, dat na verloop van tijd een onverwachte verklaring of aanvulling gevonden wordt voor een gedeelte daarvan, het geen ons dan geduld leert tegenover de historische onzekerheid van de overige delen. Van zulk een toevallig bestaande afwezigheid en het later vinden van duidelijke getuigenissen uit de oude Kerk, liggen twee voorbeelden voor het grijpen. Tot de Katholieke geloofsartikelen, waartegen de Reformatie indertijd bijzonder is opgetreden, behoorden de Mis en de sacramentele kracht van de kerkelijke Eenheid. Sedert de tijd van die beweging heeft men de kortere Brieven van de H. Ignatius ontdekt, en de oude Liturgieën bestudeerd; en daarmee is voor de meeste mensen de polemiek over die leerstukken tot het verleden gaan behoren. Het geluk dat die leerstukken is ten deel gevallen, kan ook andere ten deel vallen; en al zou dit ook niet gebeuren, zo is het feit dat het aan die leerstukken is ten deel gevallen, voor die andere toch een soort compensatie voor de onzekerheid waarin hun vroegste geschiedenis nog altijd ligt opgesloten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media11. (( Het zou kunnen lijken alsof ik met deze opmerkingen vrije baan wil maken voor de bekentenis, dat er voor de middeleeuwse vorm van het Christendom generlei gronden te vinden zijn in de oude Kerk; doch zulks is geenszins mijn bedoeling. Niet uit een gevoel van onzekerheid daaromtrent, maar wegens de eisen van een gezonde logica, meen ik er de nadruk op te moeten leggen, dat al die oude getuigenissen, die ik zal aanvoeren ten bewijze van de latere ontwikkelingen van de leer, grotendeels aangevoerd worden ten overvloede, uit tegemoetkoming, en niet uit noodzaak. De bewijslast blijft rusten op hen die een leer aanvallen, welke op het ogenblik, en reeds eeuwen lang, in bezit is. Wat de positieve bewijsstukken voor onze stelling betreft, als ze er niet zoveel kunnen krijgen als ze zouden willen, moeten ze maar aannemen wat ze krijgen kunnen; want de a priori te verwachten waarschijnlijkheden brengen ons, zoals gezegd, al zo heel ver in de richting, dat we bijna geen bewijsstukken meer nodig hebben. Drie punten blijven vast staan. Ten eerste, dat in een begrip als het Christendom ontwikkelingen noodzakelijk moeten plaats grijpen en wel goddelijke ontwikkelingen, omdat het Christendom goddelijk is; ten tweede, dat het dan de ontwikkelingen zijn die feitelijk bestaan, omdat er geen andere te vinden zijn; en ten derde, dat ze juist daar te vinden zijn, waar de echte ontwikkelingen gevonden moeten worden, namelijk in de historische centra, waar de Apostelen hebben geleraard en waar sedert onheuglijke tijden de traditie officieel wordt bewaard. ))
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media12. (( En als men daartegen opwerpt, dat de moeilijkheid om die ontwikkelingen van de leer te aanvaarden niet enkel gelegen is in de afwezigheid van vroege getuigenissen daarvoor, doch in het positief aanwezig zijn van rechtstreekse getuigenissen daartegen, of, zoals Chillingworth 11 zich uitdrukt, in het getuigen van "Pausen tegen Pausen, van Concilies tegen Concilies",- dan antwoord ik dat zulk een opmerking te verwachten was; doch laat men de inhoud van dit bezwaar eens nauwkeurig onderzoeken en de waarde ervan eens tot zijn juiste maat terugbrengen, voordat men het in dit debat gebruikt. Ik geef toe dat er in de geschiedenis der Kerk geweest zijn "Bisschoppen in tegenspraak met Bisschoppen, Kerkvaders in tegenspraak met Kerkvaders, Kerkvaders in tegenspraak met zichzelf," want zulke meningsverschillen bij afzonderlijke schrijvers zijn volkomen verenigbaar met, of liever: liggen reeds opgesloten in het begrip dogmatische ontwikkeling zelf, en kunnen dus niet gelden als werkelijk bezwaar daartegen. Het enige wat van essentieel belang is, is de vraag, of het erkende orgaan van de leer, of de Kerk zelf, sprekend door Paus of Concilie als het orakel des hemels, zich ooit in één van haar uitspraken heeft tegengesproken. Als dat werkelijk het geval is, dan ligt de hypothese die ik verdedig ineens in duigen; doch zolang ik geen positieve en duidelijke bewijzen heb voor dit feit, aarzel ik geloof te hechten aan het bestaan van zulk een grote onwaarschijnlijkheid. ))
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaReferenties naar dit document: 6
Open uitgebreid overzichthttps://rkdocumenten.nl/toondocument/4994-an-essay-on-the-development-of-christian-doctrine-nl