In het gebed dat zij tot God verheft, herinnert de gemeenschap zich vooreerst de grootheid en oneindigheid van God die zij aanroept: “Heer, gij zijt het, die hemel en aarde, de zee en alles wat daarin is, gemaakt hebt” . Het is een aanroeping van de Schepper: wij weten dat alles van Hem komt, dat alles in Zijn hand ligt. In dat besef vinden wij zekerheid en moed: alles komt van Hem, alles ligt in Zijn handen. Vervolgens erkent zij hoe God in de geschiedenis opgetreden is – zij begint dus bij de schepping en vervolgt met de geschiedenis – hoe Hij zijn volk nabij was door te laten zien dat Hij een God is die zich om de mens bekommert, die zich niet teruggetrokken heeft, die de mens, Zijn schepsel, niet aan zijn lot overlaat; en hier wordt Psalm 2 expliciet geciteerd, in wiens licht de moeilijke situatie van de Kerk op dat ogenblik, gelezen wordt. Psalm 2 bezingt de inhuldiging van de koning van Juda, maar verwijst profetisch naar de komst van de Messias, tegen wie opstand noch vervolging noch de uitspattingen van de mens iets zullen kunnen doen:
“Waarom tieren de volken
en zinnen de naties op ijdele plannen?
De koningen der aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen tegen de Heer
en tegen zijn Gezalfde” .
De Psalm zegt dit reeds, profetisch, over de Messias en deze opstand van de machtigen tegen Gods macht is kenmerkend voor heel de geschiedenis. Het is juist door de Heilige Schrift te lezen, die het woord van God is, dat de gemeenschap in haar gebed tot God kan zeggen: “Inderdaad, ze hebben in deze stad samengespannen tegen uw heilige dienaar Jezus, die Gij gezalfd hebt ... om alles te doen wat uw hand en raadsbesluit tevoren bepaald had dat geschieden moest” . De gebeurtenissen worden gelezen in het licht van Christus, die de sleutel is om zelfs vervolging te begrijpen, in het licht van het kruis, dat altijd de sleutel is voor de verrijzenis. De tegenkanting tegen Jezus, Zijn lijden en dood, worden door Psalm 2 herlezen als de verwezenlijking van het plan van God de Vader voor het heil van de wereld. En het is ook daar dat de vervolging die de eerste Christengemeenschap ervaart, haar zin vindt; deze eerste gemeenschap is niet een gewone vereniging, maar een gemeenschap die in Christus leeft; wat haar overkomt maakt dus deel uit van Gods plan. Zoals Jezus dat overkomen is, zullen ook de leerlingen tegenkanting, onbegrip, vervolging kennen. Het overwegen van de Heilige Schrift in het licht van het Christusmysterie, helpt de huidige werkelijkheid te lezen binnen de heilsgeschiedenis die God, steeds op Zijn manier, in de wereld verwezenlijkt.
Juist daarom, is de vraag die de eerste Christengemeenschap van Jeruzalem in haar gebed tot God formuleert, niet verdedigd te worden, gespaard te blijven van beproeving, van lijden, het is geen gebed om succes, doch alleen om met “parresia” - dat wil zeggen om vrijmoedig, vrij, moedig - het woord van God te verkondigen .
Zij voegt er vervolgens de vraag bij dat deze verkondiging moge begeleid worden door Gods hand, opdat genezingen, tekenen en wonderen zouden gebeuren , zodat de goedheid van God zichtbaar zou worden als een kracht die de werkelijkheid omvormt, die de harten, geesten, het leven van de mensen verandert en die de radicale nieuwheid van het Evangelie brengt.