• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De aanpassing en vernieuwing van het religieuze leven omvat van de ene kant een voortdurend teruggrijpen op de bronnen van alle christelijk leven en op de oorspronkelijke inspiratie van de diverse instellingen, en van de andere kant de aanpassing van deze instituten aan de veranderde tijdsomstandigheden. Deze vernieuwing moet, onder de stuwing van de Heilige Geest en de leiding van de Kerk, worden doorgevoerd aan de hand van de volgende beginselen:

  1. Omdat de fundamentele norm van het religieuze leven is: het volgen van Christus overeenkomstig de leer van het Evangelie, moeten alle instituten dit als hun hoogste regel beschouwen.
  2. Het welzijn van de Kerk vraagt, dat de verschillende instituten hun eigen karakter en hun eigen functie hebben. Daarom moet men zich een juist idee vormen van de geest en de eigen doelstellingen van de stichters en ook van de gezonde tradities, en aan dit alles trouw vasthouden, want hierin is het erfgoed gelegen van elk instituut.
  3. Alle instituten moeten deelnemen aan het leven van de Kerk en zich, overeenkomstig hun eigen karakter, de initiatieven en doelstellingen van de Kerk eigen maken en deze naar vermogen bevorderen, zoals op het gebied van Bijbel, Liturgie, Dogmatiek, Pastoraal, Oecumene, Missie en Sociale actie.
  4. De verschillende instituten moeten ervoor zorgen, dat hun leden voldoende op de hoogte zijn van het moderne leven en van de noden van de Kerk, om zo de situatie van de wereld in onze tijd verstandig te kunnen beoordelen in het licht van het geloof, en met apostolische ijver de mensen doeltreffender te kunnen helpen.
  5. Omdat het religieuze leven vóór alles gericht is op het volgen van Christus door de kloosterlingen en op hun vereniging met God door de beoefening van de evangelische raden, dient men wel voor ogen te houden, dat ook de beste aanpassing aan de eisen van onze tijd zonder resultaat zal blijven, als ze niet geinspireerd wordt door een geestelijke vernieuwing. Aan deze moet men ook bij de ontwikkeling van de uiterlijke activiteiten steeds de allereerste plaats toekennen.

De wijze van leven, bidden en werken moet overal, maar speciaal in de missies, op een geschikte wijze worden aangepast aan de huidige fysieke en psychische conditie van de kloosterlingen en ook, overeenkomstig het karakter van elk instituut, aan de noden van het apostolaat, aan de eisen van het culturele peil en aan de sociale en economische situatie.

Aan de hand van deze zelfde criteria moet ook de wijze van bestuur in de verschillende instituten opnieuw worden bestudeerd.

Daarom moet men ook de constituties, de "directoria", de boeken met gebruiken, de gebeden- en ceremonieboeken en dergelijke met zorg herzien, daarin schrappen wat verouderd is en ze aanpassen aan de documenten van dit heilig Concilie.

Zij, die zich verplichten tot de evangelische raden, moeten vóór alles God, die ons het eerst heeft liefgehad, Vgl. 1 Joh. 4, 10 zoeken en beminnen en in alle omstandigheden het leven, verborgen met Christus in God Vgl. Kol. 3,3 , trachten te cultiveren; hierin immers vinden zij de bron en de prikkel voor de naastenliefde, tot heil van de wereld en tot opbouw van de Kerk. Deze liefde geeft bezieling en oriëntering ook aan de beleving zelf van de evangelische raden.

Daarom moeten de leden van de religieuze instellingen de geest van gebed en het gebed zelf met voortdurende zorg ontwikkelen en daarvoor putten uit de authentieke bronnen van de christelijke spiritualiteit. Op de eerste plaats moeten zij dagelijks de heilige Schrift ter hand nemen om uit de lezing en de overweging daarvan "de alles overtreffende kennis van Jezus Christus" (Fil. 3, 8) op te doen. Zij moeten de heilige Liturgie, vooral het hoogheilig mysterie van de Eucharistie, vieren met de juiste innerlijke en uiterlijke houding volgens de geest van de Kerk, en hun geestelijk leven voeden aan deze rijke bron. Zo gesterkt aan de tafel van de goddelijke wet en van het heilig altaar, zullen zij de ledematen van Christus broederlijk liefhebben, jegens de herders een kinderlijke eerbied en genegenheid koesteren, steeds intenser leven en meevoelen met de Kerk en zich volledig in dienst stellen van haar zending.

Hoe groot ook de behoefte moge zijn aan het actief apostolaat, toch blijven de zuiver contemplatieve instituten, wier leden, in eenzaamheid en stilzwijgen, in voortdurend gebed en blijmoedige boetedoening voor God alleen leven, altijd een eervolle plaats innemen in Christus' mystieke Lichaam, waarin "niet alle ledematen dezelfde taak hebben" (Rom. 12, 4). Want zij brengen aan God een voortreffelijk offer van lof en geven door overvloedige vruchten van heiligheid luister aan het volk Gods, dat zij aanmoedigen door hun voorbeeld en waaraan zij wasdom schenken door een verborgen apostolische vruchtbaarheid. Zo vormen zij een sieraad voor de Kerk en zijn zij een bron van hemelse genaden. Toch moet hun levenswijze aan de hand van de genoemde beginselen en criteria van aanpassing en vernieuwing worden herzien, met volledig behoud evenwel van hun afzondering van de wereld en van de eigen oefeningen van het contemplatieve leven.

Het instituut van het monastieke leven, dat in de loop van de eeuwen zich zo grote verdiensten heeft verworven voor Kerk en maatschappij, moet nauwgezet in stand worden gehouden en steeds meer zijn oorspronkelijke geest doen uitkomen zowel in het Oosten als in het Westen. De voornaamste taak van de monniken bestaat in de nederige en toch zo ver heven dienst van de goddelijke Majesteit binnen de kloostermuren, zowel wanneer zij zich in een leven van afzondering volledig wijden aan de goddelijke eredienst als wanneer zij op wettige wijze zich belasten met bepaalde werken van apostolaat of christelijke caritas. Met behoud dus van het karakter van hun eigen instituut, moeten zij hun oude tradities van weldadigheid vernieuwen en ze zó aan de noden van de moderne mens aanpassen, dat de kloosters levende centra worden van stichting voor het christenvolk.

Insgelijks moeten de religieuze instituten, die krachtens hun regel of stichting het apostolaatleven nauw verbinden met het koorgebed en de monastieke observantie, hun levenswijze harmonisch in overeenstemming brengen met de eisen van hun apostolaat, en wel zó, dat zij hun levenspatroon trouw bewaren, omdat het van zo groot nut is voor de Kerk.

Het gemeenschappelijk leven moet naar het voorbeeld van de jonge Kerk, waar de menigte van gelovigen één was van hart en één van ziel Vgl. Hand. 4, 32 , zich kenmerken door volharding in het gebed en in de eenheid van eenzelfde geest, Vgl. Hand. 2, 42 en het moet gevoed worden door de leer van het Evangelie, de heilige Liturgie en vooral door de viering van de Eucharistie. Als ledematen van Christus moeten de religieuzen in een broederlijk samenleven elkaar trachten te overtreffen in eerbetoon Vgl. Rom. 12, 10 en elkanders lasten dragen. Vgl. Gal. 6, 2 Waar immers de liefde Gods is uitgestort in de harten door de Heilige Geest, Vgl. Rom. 5, 5 daar zal de communiteit als een echt gezin, verenigd in de naam van de Heer, de vreugde genieten van zijn tegenwoordigheid. Vgl. Mt.18, 20 De liefde vervult de gehele wet, Vgl. Rom. 13, 10 ze is de band der volmaaktheid Vgl. Kol. 3, 14 en door haar weten wij ons overgegaan van de dood naar het leven. Vgl. 1 Joh. 3, 14 Ja, de eenheid onder de broeders is een duidelijk teken, dat de Heer is gekomen Vgl. Joh. 13, 35 Vgl. Joh. 17, 21 ; en een grote apostolische bezieling is de vrucht ervan.

Om de band van broederlijkheid onder de leden nog hechter te maken moet men hen, die conversen of coadjutoren genoemd worden of met een andere naam worden aangeduid, nauw betrekken bij het leven en de werkzaamheden van de communiteit. In vrouwelijke instituten moet men trachten te komen tot één enkele categorie van zusters, tenzij de omstandigheden werkelijk anders vereisen. In dit laatste geval mag slechts dat onderscheid van personen gehandhaafd worden, dat nodig is op grond van het verschil in werkzaamheden, waartoe de zusters hetzij door een bijzondere roeping Gods, hetzij door speciale geschiktheid worden bestemd.

Wat betreft de kloosters en instituten van mannen, die geen uitsluitend lekenkarakter hebben, deze kunnen overeenkomstig hun eigen aard en volgens de constituties geestelijken en leken aannemen op gelijke voet en met gelijke rechten en plichten, met uitzondering van die, welke voortvloeien uit de heilige wijdingen.

Document

Naam: PERFECTAE CARITATIS
Over de vernieuwing en aanpassing van het religieuze leven
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Datum: 28 oktober 1965
Copyrights: © 1965, Ecclesia Docens 0723, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 12 november 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam