• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET GEBED VAN JEZUS BIJ HET LAATSTE AVONDMAAL

Dierbare broeders en zusters,

Op deze weg waarop we nadenken over het gebed van Jezus, zoals dat in de Evangelies wordt voorgesteld, zou ik vandaag willen mediteren over het bijzonder plechtige ogenblik van Zijn gebed op het Laatste Avondmaal. De emotionele achtergrond en tijd van de maaltijd waarop Jezus afscheid neemt van Zijn vrienden, is Zijn nakende dood, die Hij reeds nabij weet. Jezus sprak reeds lang over Zijn lijden en probeerde Zijn leerlingen in dit perspectief te betrekken. Het Evangelie volgens Marcus vertelt dat Jezus hun sinds Zijn vertrek voor de reis naar Jeruzalem, in de dorpen van het verre Caesarea Filippus begon te leren, “dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen worden en ter dood gebracht, maar drie dagen later verrijzen” (Mc. 8, 31). Bovendien was het leven van het volk, juist in die dagen dat Hij zich op het afscheid van Zijn leerlingen voorbereidde, getekend door het nabije Paasfeest, de herdenking namelijk van de bevrijding van Israël uit Egypte. Deze bevrijding, een ervaring uit het verleden, en opnieuw verwacht voor het heden en de toekomst, herleefde in de gezinnen bij de feestelijkheden van Pasen. In die context staat het Laatste Avondmaal, doch met een fundamentele nieuwigheid: Jezus kijkt naar Zijn lijden, dood en verrijzenis en is er zich ten volle van bewust. Hij wil met Zijn leerlingen dit avondmaal vieren, dat heel bijzonder van aard is en verschillend van andere maaltijden: het is Zijn avondmaal waarop Hij iets totaal nieuw geeft, Zichzelf. Aldus viert Jezus Zijn Pasen, anticipeert Hij Zijn kruis en Zijn verrijzenis.

Deze nieuwigheid wordt belicht door de chronologie van het Laatste Avondmaal, in het Evangelie van Johannes die het niet beschrijft als het paasmaal, juist omdat Jezus iets nieuw wil instellen, Hij wil Zijn Pasen vieren, alhoewel verbonden met de gebeurtenis van Exodus. En voor Johannes is Jezus op het kruis gestorven juist op het ogenblik waarop de paaslammeren in de tempel van Jeruzalem geslacht worden.

Wat is dan de kern van dit Avondmaal? Het zijn de gebaren – het breken van het brood, het uitdelen aan de Zijnen en het delen van de beker wijn – met de woorden die ze begeleiden en in de context van het gebed waarin ze zich situeren: het is de instelling van de Eucharistie, het grote gebed van Jezus en van de Kerk. Maar laat ons dit ogenblik meer van nabij bekijken.

Vooreerst, wanneer de tradities van het Nieuwe Testament over de instelling van de Eucharistie Vgl. 1 Kor. 11, 23-25 Vgl. Lc. 22, 14-20 Vgl. Mc. 14, 22-25 Vgl. Mt. 26, 26-29 op het gebed wijzen dat de gebaren en woorden van Jezus inleidt over het brood en de wijn, gebruiken zij twee parallelle en complementaire werkwoorden. Paulus en Lucas spreken over eucharistie / dankzegging: “Hij nam het brood, sprak een dankgebed uit, brak het en gaf het hun” (Lc. 22, 19). Marcus en Matteüs benadrukken daarentegen het aspect van de eulogie / zegening: “Hij nam het brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun” (Mc. 14, 22). De twee Griekse termen “eucharistein” en “eulogein” verwijzen naar de joodse “berakha”, namelijk het grote dank- en zegeninggebed uit de traditie van Israël, waarmee de grote maaltijden beginnen. De twee Griekse woorden wijzen op de twee intrinsieke en complementaire richtingen van dit gebed. De “berakha” is inderdaad vooral dankzegging en lof die naar God opstijgt voor de ontvangen gave: op het Laatste Avondmaal van Jezus, gaat het om brood – bewerkte tarwe die God in de aarde laat kiemen en groeien – en om wijn – voortgebracht door de rijpe vrucht van de wijnstokken. Dit lof- en dankgebed dat naar God opstijgt, keert als zegening terug die van God over de gave neerdaalt en ze verrijkt. Het feit God te danken, God te loven, wordt ook een zegen, en de offergave die God aangeboden wordt, keert door de Almachtige gezegend, naar de mens terug. De woorden van de instelling van de Eucharistie situeren zich in deze gebedscontext: de lof en zegening van de “berakha” worden er zegening en omvorming van het brood en de wijn in het Lichaam en het Bloed van Jezus.

Vóór de woorden van de instelling, zijn er de gebaren: het breken van het brood en het aanbieden van de wijn. Wie het brood breekt en de beker doorgeeft, is vooreerst het hoofd van het gezin, die zijn ouders aan zijn tafel uitnodigt, maar deze gebaren zijn ook die van de gastvrijheid, de verwelkoming binnen de gezellige gemeenschap van de vreemdeling die niet tot het huis behoort. Deze gebaren krijgen tijdens de maaltijd waarop Jezus van Zijn vrienden afscheid neemt, een geheel nieuwe diepgang: Hij geeft een zichtbaar teken van de verwelkoming aan de tafel waar God zich geeft. In het brood en de wijn biedt Jezus zichzelf aan en deelt Hij zichzelf mee.

Maar hoe kan dat alles gebeuren? Hoe kan Jezus zichzelf op dat ogenblik geven? Jezus weet dat Zijn leven Hem door de kruisdood, de doodstraf van onvrije mensen, die Cicero “mors turpissima crucis” noemde, zal ontnomen worden . Door de gave van het brood en de wijn die Hij op het Laatste Avondmaal aanbiedt, anticipeert Jezus Zijn dood en Zijn verrijzenis door te voltrekken wat Hij in de rede over de Goede Herder gezegd had: “Ik geef mijn leven om het later weer terug te nemen. … dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen” (Joh. 10, 17-18). Hij offert dus op voorhand het leven dat Hem zal ontnomen worden en zo transformeert Hij Zijn gewelddadige dood in een vrije zelfgave omwille van de anderen en voor de anderen. De gewelddadigheid die Hij onderging, transformeert zich in een actief, vrij, verlossend offer.

Nogmaals, in het gebed dat volgens de rituelen van de Bijbelse traditie begon, toont Jezus Zijn identiteit en vastberadenheid om Zijn totale zending van liefde, offergave en gehoorzaamheid aan de wil van de Vader ten einde toe te vervullen. De diepe originaliteit van de zelfgave aan de Zijnen door de Eucharistische gedachtenis is het hoogtepunt van het gebed, dat het afscheidsmaal met de Zijnen karakteriseert. Als wij de gebaren en woorden van Jezus in die nacht beschouwen, zien wij duidelijk dat de innerlijke en constante band met de Vader, de plaats is waar Hij het gebaar voltrekt om aan de Zijnen en aan ieder van ons, het sacrament van de liefde, het “Sacramentum caritatis” na te laten. Twee maal klinken deze woorden in het Cenakel: “Doet dit tot mijn gedachtenis” (1 Kor. 11, 24-25). Door Zijn zelfgave viert Hij Zijn Pasen, door het ware Lam te worden dat heel de oude cultus tot voltooiing brengt. Daarom zegt Paulus, wanneer hij tot de Christenen van Korinthe spreekt: “want ook ons paaslam is geslacht: Christus zelf . Wij moeten ons feest … vieren … met het zuivere brood van reinheid en waarheid” (1 Kor. 5, 7-8).

De evangelist Lucas heeft van de gebeurtenissen op het Laatste Avondmaal een ander waardevol element bewaard, dat ons de ontroerende diepte laat zien van Jezus’ gebed voor de Zijnen die nacht, Zijn bezorgdheid voor ieder. Vertrekkend van het dank- en zegeninggebed, komt Jezus tot de Eucharistische gave, tot de zelfgave, en terwijl Hij de Eucharistische realiteit geeft, richt Hij zich tot Petrus. Tegen het einde van de maaltijd, zegt Hij: “Simon, Simon, weet dat de satan heeft geëist u allen te ziften als tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken. Wanneer ge eenmaal tot inkeer gekomen zijt, versterk dan op uw beurt uw broeders” (Lc. 22, 31-32). Wanneer de beproeving ook voor Zijn leerlingen komt, ondersteunt het gebed van Jezus hun zwakheid, hun moeite om te begrijpen dat de weg van God door het Paasmysterie van dood en verrijzenis gaat, geanticipeerd in de offergave van brood en wijn. De Eucharistie is het voedsel van de pelgrims, dat de kracht wordt van wie moe, uitgeput en gedesoriënteerd is. En zijn gebed geldt bijzonder voor Petrus, opdat hij, eens bekeerd, zijn broeders zou bevestigen in het geloof. De evangelist Lucas herinnert eraan dat het juist de blik van Jezus is die het gelaat van Petrus zocht op het ogenblik dat deze zijn drievoudige verloochening gedaan had, om hem de kracht te geven terug de weg achter Hem te gaan: “Hij had het nog niet gezegd of meteen kraaide een haan. Toen keerde de Heer zich om en keek Petrus aan; het schoot Petrus te binnen, hoe de Heer hem gezegd had ...” (Lc. 22, 60-61).

Dierbare broeders en zusters, door aan de Eucharistie deel te nemen, beleven wij op een buitengewone manier het gebed dat Jezus voor ieder gedaan heeft en voortdurend doet, opdat het kwaad dat wij allen in ons leven ontmoeten, niet de bovenhand krijgt en opdat de transformerende kracht van de dood en de verrijzenis van Christus in ons werkzaam is. In de Eucharistie geeft de Kerk antwoord op het gebod van Jezus: “Doet dit tot mijn gedachtenis” (Lc. 22, 19) Vgl. 1 Kor. 11, 24-26 ; zij herhaalt het dank- en zegeninggebed en daarmee de woorden van de transsubstantiatie van het brood en de wijn in het Lichaam en het Bloed van de Heer. Onze Eucharistievieringen zijn een “binnen getrokken worden” in dit gebedsmoment, een altijd nieuwe vereniging met het gebed van Jezus. Sinds het begin, heeft de Kerk de woorden van de consecratie begrepen als een deel van het gebed dat met Jezus gedaan wordt; als het centrale gedeelte van de lof vol van dankbaarheid waarmee de vrucht van de aarde en van het werk van de mens ons door God nieuw gegeven wordt als Lichaam en Bloed van Jezus, als Gods zelfgave in de ontvangende liefde van de Zoon Vgl. Paus Benedictus XVI, Boek, Deel II, Jezus van Nazareth - Van de intocht in Jeruzalem tot de Verrijzenis (31 mrt 2011). p. 146. Door aan de Eucharistie deel te nemen, door ons te voeden met het Vlees en het Bloed van Gods Zoon, verenigen wij ons gebed met dat van het Paaslam in Zijn bijzonderste nacht, opdat ons leven, ondanks onze zwakheid en ontrouw, niet verloren zou gaan maar getransformeerd zou worden.

Dierbare vrienden, vragen wij de Heer, dat wij na ons behoorlijk voorbereid te hebben - ook door het Boetesacrament - dat onze deelname aan Zijn Eucharistie, die onmisbaar is voor het christelijk leven, altijd het hoogtepunt van onze gebed zou zijn. Vragen wij dat wij, diep verenigd met Zijn offerande aan de Vader, onze kruisen ook zouden kunnen omvormen tot een offergave, vrij en verantwoordelijk, uit liefde voor God en onze broeders.

Document

Naam: HET GEBED VAN JEZUS BIJ HET LAATSTE AVONDMAAL
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 11 januari 2012
Copyrights: © 2012, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam