• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Daarom zeiden wij, dat het een gelukkige gedachte was, die u Rome deed keizen als plaats voor uw eerste congres. Maar deze keus zegt u tevens, hoe edel en verheven uw beroep is en welke eisen de uitoefening van dit beroep stelt aan eenieder van u, krachtens de bijzondere titel, waar gij trots op zijt.
Voorwerp van de rechtswetenschap

De voortreffelijkheid van uw beroep is prachtig getekend door Upianus, die de rechtsgeleerdheid aldus definieert: “divinarum atque humanarum rerum notitia, iusti atque iniusti scienta: de kennis van de goddelijke en menselijke dingen, de wetenschap van wat rechtvaardig en onrechtvaardig is”. Dig., 1. 1, t. 1, § 10 Welke een verheven voorwerp kent hij in deze definitie toe aan de rechtsgeleerdheid en hoe hoog verheft hij haar boven andere takken van het menselijk weten! De jurist, die deze naam verdient, bestrijkt met zijn blik een brede horizon. De uitgestrektheid en verscheidenheid hiervan ligt opgesloten in de zaken zelf, waarover hij zijn gedachten en zijn studie moet laten gaan.

Eerst en vooral dient hij de goddelijke dingen te kennen, divinarum rerum notitia, niet alleen omdat de godsdienst in het maatschappelijk leven van de mens de eerste plaats moet innemen en het praktisch gedrag van de gelovige moet leiden, waarover ook het recht van zijn voorschriften heeft te geven; niet alleen omdat sommige van de voornaamste instellingen, zoals die van het huwelijk, en heilig karakter hebben, dat door het recht erkend moet worden; maar vooral, omdat het menselijk panorama, dat het tweede en meer onmogelijk voorwerp is, humanarum rerum notitia, waarmee de jurist zich moet bezig houden, zonder deze hogere kennis van de goddelijke dingen verstoken zou zijn van het fundament, dat boven elke menselijke wisselvalligheid in tijd en ruimte steunt op het Absolute, op God.

De jurist moet de mens en de menselijke dingen zien in het beeld van God
Om het voorwerp van zijn studie te kennen, hoeft de jurist krachtens zijn beroep zich niet te verdiepen in de theologie, maar als hij zich niet weet te verheffen tot de beschouwing van het hoogste en transcendente Wezen, uit wiens wil voortkomt de orde van her zichtbare heelal en van dat kleine onderdeel er van, de mensheid met zijn immanente en moreel noodzakelijke wetten, dan is hij niet in staat, heel de wonderbare eenheid en de verborgen geestelijke diepten te zien van de samenhang der sociale betrekkingen, die onder het recht vallen, en van de normen, waardoor zij geregeld worden. zoals de grote Romeinse rechtsgeleerde en redenaar zegt: “ natura iuris... ab homminis repetenda (est) natura” Cicero, De legibus, l. 1, c. 5, n. 17, kan de natuur of het wezen van het recht slechts afgeleid worden uit de natuur van de mens; anderzijds kan men deze natuur zelfs niet bij benadering kennen in haar volmaaktheid, waardigheid en verhevenheid en in de doeleinden, waardoor haar handelingen worden geleid en waaraan zij ondergeschikt zijn, zonder het ontologisch verband van die natuur met haar transcendente Oorzaak. Uit dit alles volgt, dat de jurist onmogelijk een gezonde opvatting van het recht kan verkrijgen of tot een systematische ordening er van kan komen, als hij de mensen de menselijke dingen niet ziet in het licht, dat uitstraalt van God om de moeilijke weg van zijn studie te verlichten.
Dwaling van het moderne rationalisme
De dwaling van het moderne rationalisme bestaat juist hierin, dat het de pretentie heeft, het systeem van de menselijke rechten en de algemene theorie van het recht te willen construeren door de natuur van de mens te beschouwen als iets zelfstandig, dat geen enkele noodzakelijke betrekking heeft met een hoger Wezen, van wiens scheppende en ordende wil het afhangt in zijn bestaan en in zijn handelen. Gij weet, dat het juridisch denken van tegenwoordig door deze fundamentele dwaling hopeloos verward is geraakt in een doolhof van moeilijkheden en dat de jurist, die de regels van het zogenaamde positivisme volgt, in zijn werk gefaald heeft. Hij heeft immers met de ware kennis van de menselijke natuur ook de gezonde opvatting van het recht verloren, waaraan die dwingende kracht op het menselijk geweten is gaan ontbreken, die de eerste en voornaamste uitwerking er van is. de goddelijke en menselijke dingen, die volgens de definitie van Upianus het meest algemene voorwerp van de rechtswetenschap uitmaken, zijn zo innig met elkander verbonden, dat wie de eerste over het hoofd ziet ook noodzakelijk de juiste waardering voor de laatste verliest.
Het juiste begrip van rechtvaardigheid
Dit geldt des te meer, omdat het specifieke voorwerp van de rechtswetenschap is: het rechtvaardige en het onrechtvaardige, iusti atque iniusti scienta, ofwel de rechtvaardigheid in haar verheven taak om de eisen van individu en maatschappij in de menselijke samenleving in evenwicht te houden. De rechtvaardigheid is niet slechts een abstract begrip, een uitwendig ideaal, waaraan de instellingen zich moeten aanpassen, voor zover dit op een bepaald tijdstip mogelijk is, maar zij is ook en vooral iets innerlijks van de mens, de maatschappij en haar fundamentele instellingen vanwege het geheel van praktische beginselen, die zij geeft en oplegt, vanwege de meer algemene gedragsregels die deel uitmaken van de objectieve menselijke en maatschappelijke orde, welke het alwijze verstand van de Schepper heeft vastgesteld. De kennis van hetgeen rechtvaardig en onrechtvaardig is, veronderstelt dus een hogere wijsheid, die bestaat in het kennen van de orde van het geschapene en bijgevolg van zijn Maker. Het recht is, zoals Thomas van Aquino leert, het voorwerp van de rechtvaardigheid, est obiectum iustitiaeH. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. 2. 2 q. 57, a. 1; het is de norm, waarin de grote en vruchtbare idee van de rechtvaardigheid concrete werkgelijkheid wordt; en als zodanig voert het tot God, die krachtens Zijn wezen de eeuwige en onveranderlijke rechtvaardigheid is, en ontvangt het van God licht en glans, kracht en sterkte, zin en inhoud.
De mens:onderwerp van de rechtswetenschap
Bij de uitoefening van zijn ambt beweegt de jurist zich dus tussen het oneindige en het eindige, tussen het goddelijke en het menselijke, en in deze noodzakelijke betrekking bestaat de verhevenheid van zijn wetenschap. De andere titels, waarop zij aanzien in de menselijke samenleving steunt, kunnen beschouwd worden als een uitvloeisel daarvan. Zijn de regels van het recht het voorwerp van zijn studie, het onderwerp, waarop die regels betrekking hebben, is de mens, de menselijke persoon, die zo binnen het veld van zijn wetenschap valt. En, let wel, niet de mens in het lagere en minder edele deel van zijn wezen, dat door andere eveneens nuttige en bewonderenswaardige wetenschappen bestudeerd wordt, maar de mens in zijn hoger deel, in zijn specifieke eigenschap van redelijk handelend wezen. Als zodanig moet hij krachtens de wetten van zijn redelijke natuur zich bij zijn handelen laten leiden door enkele gedragsregels, die hem worden voorgeschreven ofwel rechtstreeks door zijn geweten, spiegel en tolk van een hogere wet, ofwel door het menselijk gezag, dat het maatschappelijk leven regelt. Weliswaar krijgt de jurist de mens niet altijd van de beste zijde van zijn redelijke natuur te zien, maar moet hij dikwijls zijn minder gunstige kanten bestuderen, zijn slechte neigingen, zijn schandelijke verdorvenheid, zijn schuld en misdaad; toch moet de ware jurist ook onder de verduisterde glans van de redelijke natuur altijd nog dat diep menselijke zien, waarin schuld en misdaad nooit het zegel kunnen uitwissen, dat de hand van de Schepper er in heeft gedrukt.
En wel de mens, verlost door Jezus Christus
Als gij verder het onderwerp van het recht beschouwt met de ogen van het christelijk geloof, welk een kroon van licht ziet gij dan niet rond zijn hoofd, een kroon hem geschonken door Christus’ verlossing, dor het bloed voor zijn redding vergroten, door het bovennatuurlijk leven, dat Christus hem heeft teruggegeven en waaraan Hij hem deelachtig heeft gemaakt, en door het einddoel, waartoe hij als voltooiing van zijn aardse loopbaan geroepen is. In de nieuwe heilsorde is het onderwerp van het recht niet de mens in de staat van de zuivere natuur, maar de mens, die door de genade van de Verlosser is verheven tot de bovennatuurlijke orde en daardoor is verenigd met de godheid door een nieuw leven, dat een deelhebben is aan het leven van God zelf. Zijn waardigheid groeit daarom ook de grootheid van de jurist, die hem tot voorwerp van zijn studie maakt.

Document

Naam: CON FELICE PENSIERO
Tot de vereniging van Italiaanse Katholieke juristen
Soort: Paus Pius XII - Toespraak
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 6 november 1949
Copyrights: © 1950, Ecclesia Docens, 0758 Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam