Marialis Cultus

x
Gebruik de knoppen om door de historische teksten te lopen:

Informatie over dit document

Marialis Cultus
Over de vernieuwing van de Maria-verering in liturgie en persoonlijke beleving
Paus Paulus VI
2 februari 1974
Pauselijke geschriften - Apostolische Exhortaties
1976, R.K. Initiatief-Comité Amsterdam
1976
R.K. Initiatief-Comité
8 februari 2025
598
nl
Toon meer

Referenties naar dit document: 8

Open uitgebreid overzicht

Referenties naar dit document van thema's en berichten

Open uitgebreid overzicht

Extra opties voor dit document

Kopieer document-URL naar klembord Reageer op dit document Deel op social media

Referenties naar deze alinea: 0

Geen referenties naar deze alinea

Extra opties voor deze alinea

Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
- === Aanleiding en doel
Sinds Wij op de zetel van Petrus werden verheven, hebben Wij Ons zonder ophouden beijverd om de verering van Maria te bevorderen. Het was namelijk niet slechts Onze bedoeling zowel het gevoelen van de Kerk op dit gebied als Onze persoonlijke aandrang hiertoe tot uitdrukking te brengen, maar ook werden Wij daartoe gebracht, omdat deze vorm van vroomheid, zoals bekend is, een vooraanstaande plaats inneemt in die heilige eredienst, waarin het toppunt van de wijsheid en het hoogtepunt van de godsdienst als het ware tot één geheel samenvloeien 1[[[1274]]], zodat daarin de voornaamste taak van het Godsvolk gelegen is.

Juist met het oog op deze taak zijn Wij steeds een begunstiger en bevorderaar geweest van de grote liturgische hervorming, die door het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie werd ondernomen. Het is dan ook zonder twijfel aan de bijzondere leiding van de goddelijke Voorzienigheid te danken, dat de eerste akte van deze algemene Synode, die Wij, samen met de eerbiedwaardige Vaders, hebben goedgekeurd en "in de Heilige Geest" ondertekend, de Constitutie was, die begint met de woorden "Sacrosanctum Concilium[570]" en tot doel had de Liturgie te herstellen en tot nieuwe bloei te brengen, alsook de deelneming van de gelovigen aan de goddelijke geheimen vruchtbaarder te maken 2[[[570|1-3.11.21.48]]].

Sinds die tijd hebben tal van akten van Ons Pontificaat zich ten doel gesteld de aan God verschuldigde eredienst op passender wijze te ordenen, zoals bevestigd wordt door de uitvaardiging, gedurende de laatste jaren, van talrijke boeken van de Romeinse ritus, die vernieuwd werden overeenkomstig de beginselen en richtlijnen van genoemd Concilie.

Hiervoor betuigen Wij de Heer, de schenker van alle goede gaven, van harte Onze dank. Ook bedanken Wij zowel de Bisschoppenconferenties als de afzonderlijke Bisschoppen, die Ons bij het voorbereiden van deze boeken op velerlei wijzen behulpzaam zijn geweest.

Met een verheugd en dankbaar gemoed overzien Wij zowel het reeds voltooide werk als de eerste positieve resultaten van de liturgische vernieuwing beter begrepen zal worden wat betreft haar primaire of fundamentele motiveringen en zij op de juiste wijze zal worden toegepast. Maar tegelijkertijd achten Wij het Onze taak om met nauwlettende zorg alle initiatieven te steunen, die gericht zijn op het bevorderen van die eredienst, waardoor de Kerk zowel de Vader, de Zoon en de Heilige Geest "in geest en waarheid" aanbidt 3[[b:Joh. 4, 24]], alsook de heilige Moeder Gods Maria met bijzondere liefde vereert 4[[570|103]], zoals zij ook met religieuze eerbied de gedachtenis van de Martelaren en de ander Heiligen viert.

De ontplooiing van de godsvrucht tot de Maagd Maria, die Wij vurig verlangen, en die (zoals Wij boven reeds te kennen hebben gegeven) als het ware is opgenomen in de bedding van de ene eredienst, die met recht en reden "christelijk" wordt genoemd – doordat hij aan Christus zijn oorsprong en doeltreffendheid ontleent, in Christus zijn algehele en volstrekte uitdrukking vindt en door Christus in de Geest tot de Vader voert – is een karakteristieke trek van de authentieke vroomheid van de Kerk.

In werkelijkheid openbaart immers de mariale godsvrucht in de praktijk van de eredienst de innerlijke band, die de heilige Maagd heeft met het goddelijk raadsbesluit omtrent de verlossing van het menselijk geslacht, zodat aan Haar krachtens de geheel enige plaats, die Zij in dat raadsbesluit inneemt, naar evenredigheid ook een bijzondere verering wordt bewezen 5[[[617|66]]]. Evenzo moet op iedere authentieke vooruitgang van de christelijke eredienst noodzakelijk ook een verantwoorde groei van de verering der Moeder Gods volgen.

Trouwens de geschiedenis zelf van de vroomheid laat zien hoe "de verschillende vormen van godsvrucht jegens de Moeder van God, die de Kerk binnen de perken van de gezonde en rechtgelovige leer heeft goedgekeurd" 6[[617|66]], zich ontwikkeld hebben en tot bloei zijn gekomen in harmonische ondergeschiktheid aan de eredienst, die aan Christus gebracht wordt; en hoe zij op Hem zijn gericht als op het middelpunt, waarop zij van nature en noodzakelijk betrekking hebben.

Hetzelfde gebeurt ook in onze tijd. Want nu de Kerk in onze dagen zich opnieuw bezint op het mysterie van Christus en op haar eigen natuur, ontmoet zij bij de oorsprong van de eerste en bij de voltooiing van de tweede dezelfde Vrouw, de Maagd Maria, die immers zowel de Moeder van Christus als de Moeder van de Kerk is. Aldus heeft een verdiepte kennis aangaande de taak, die aan Maria werd toevertrouwd, zich omgevormd tot een vreugdevolle verering jegens Haar en tot een met aanbidding gepaard gaande eerbied jegens het raadsbesluit van God. Deze heeft immers in zijn Gezin – dat de Kerk is --, evenals in iedere huiselijke haard, de figuur van een Vrouw geplaatst, die onopvallend en in de geest van dienstbaarheid over de Kerk waakt "en haar schreden naar het vaderhuis welwillend beschermt, tot aan de glorievolle dag van de komst des Heren" 7[[1209]].

De veranderingen die in onze dagen zijn opgetreden in de maatschappelijke gebruiken, in de gevoeligheid van de volkeren, in de verschillende manieren waarop de literatuur en de kunsten zich uitdrukken, alsook in de vormen van sociale communicatie, hebben ook invloed uitgeoefend op de uitingen van het religieus gevoel. In feite worden sommige gebruiken van de eredienst, die nog niet zo lang geleden geschikt leken om de religieuze gevoelens zowel van de enkelingen als van de christelijke gemeenschappen gestalte te geven, heden ten dage onvoldoende of minder geschikt geacht, omdat zij behoren tot voorbijgestreefde uitingen van sociaal leven en menselijke beschaving. Daarom zoekt men dan ook van verschillende zijden naar nieuwe manieren om de onveranderlijke betrekkingen van de schepselen met hun Schepper, van de kinderen met hun Vader, tot uitdrukking te brengen.

Dit kan ongetwijfeld tot gevolg hebben dat sommigen voor het ogenblik in verwarring raken; doch wie met vertrouwen op God zelf nadenkt over deze verschijnselen, ontdekt dat talrijke tendensen van de hedendaagse vroomheid – zoals bijvoorbeeld de meer op het innerlijke dan op het uiterlijke gerichte religieuze gevoeligheid – kunnen bijdragen tot opbloei van de christelijke vroomheid in het algemeen en van de Maria-verering in het bijzonder.

Zo kan ook onze tijd, mits hij aandachtig luistert naar de stem van de overlevering en aandacht schenkt aan de vooruitgang van de theologie en de andere wetenschappen, zijn eigen bijdrage leveren aan de lofprijzing van Haar, die volgens haar eigen profetische woorden "alle geslachten zalig zullen prijzen" 8[[b:Lc. 1, 48]].

Daarom zijn Wij van oordeel dat het in overeenstemming is met Onze apostolische bediening, als Wij, als het ware in samenspraak met U, Eerbiedwaardige Broeders, enkele onderwerpen ter tafel brengen, die betrekking hebben op de plaats, die de heilige Maagd Maria in de kerkelijke eredienst inneemt. Deze onderwerpen werden ten dele reeds door het Tweede Vaticaans Concilie aangeraakt 9[[[617|66-67]]] 10[[[570|103]]] en ook door Onszelf behandeld 11[[[765]]]; doch het is niet overbodig daarop nogmaals terug te komen, om twijfels uit de weg te ruimen en – zelfs op de allereerste plaats – de ware godsvrucht tot de heilige Maagd Maria te bevorderen, welke in de Kerk voortspruit uit het Woord van God als uit haar oorzaak en in de Geest van Christus beoefend wordt.

Bijgevolg willen Wij ons vooreerst bezig houden met enkele vraagstukken, die betrekking hebben op de nauwe band tussen de heilige Liturgie en de verering van de Moeder Gods (Deel 1 (De verering van Maria in de liturgie)[598 |+ 3 ]); vervolgens zullen Wij een aantal overwegingen en richtlijnen naar voren brengen, die geschikt zijn om een rechtmatige vooruitgang van deze verering te bevorderen (Deel 2 (De vernieuwing van de Mariale vroomheid)[598 |+ 34 ]); en tenslotte zullen Wij enkele gedachten daaraan toevoegen, die ten doel hebben dat de Allerheiligste "Rozenkrans" opnieuw ijverig en meer bewust gebeden zal worden. Dit gebruik werd immers door onze Voorgangers dringen aanbevolen en vond sterke verbreiding bij het christenvolk. (Deel 3 (Het "Engel des Heren" en de Rozenkrans)[598 |+ 69 ])

Referenties naar deze alinea: 0

Geen referenties naar deze alinea

Extra opties voor deze alinea

Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media