Wij erkennen dat de stervenden de boetedoening wordt ontzegd en dat er geen gehoor wordt gegeven aan de vurige wensen van hen die op het moment van hun dood hun ziel met dit middel te hulp willen komen. Ik moet bekennen dat wij geschokt zijn dat er iemand te vinden is die zo goddeloos is dat hij de hoop op Gods liefde opgeeft, alsof Hij op geen enkel moment in staat zou zijn om degene die Zijn hulp zoekt te hulp te schieten en een mens te bevrijden van de last van zonden, waarvan hij zo graag verlost wil worden. Want wat is dit anders, vraag ik, dan de stervende de dood nog eens opleggen en zijn ziel met eigen wreedheid doden, opdat zij niet vergeven kan worden? Aangezien God, die zo bereid is te helpen en tot bekering uitnodigt, aldus heeft beloofd: „Op welke dag ook”, zegt Hij, „de zondaar zich bekeert, zullen zijn zonden hem niet worden aangerekend .” Vgl: Ez. 33, 16 [[b:Ez. 33, 16]] . . . Aangezien de Heer dus de onderzoeker van het hart is, mag boetedoening op geen enkel moment worden geweigerd aan iemand die erom vraagt . . . .
Om RK Documenten te kunnen verbeteren is uw reactie zeer waardevol. Heeft u aanmerkingen of suggesties voor verbeteringen of bent u een fout tegen gekomen? Laat het ons weten.