Over de aard van het priesterschap
x
Gebruik de knoppen om door de historische teksten te lopen:
Informatie over dit document
Over de aard van het priesterschap
Bij de opening van de VIII Gewone Assemblee van de Bisschoppensynode over de Priesterlijke Vorming
Joseph Kardinaal Ratzinger
Congregatie voor de Geloofsleer
1 oktober 1990
Curie - Toespraken
10 juni 2026
Pater Geraldo C.O.
12 juni 2026
9899
nl
Referenties naar dit document van thema's en berichten
Open uitgebreid overzichtExtra opties voor dit document
Kopieer document-URL naar klembord Reageer op dit document Deel op social mediaInhoudsopgave
Uitklappen
- Inleiding: de actuele situatie
De katholieke opvatting van het priesterschap, zoals omschreven door het Concilie van Trente N.v.d.v.: 1545–1563N.v.d.v.: 1545–1563 en herbevestigd door het Tweede Vaticaans Concilie met vernieuwde aandacht voor het getuigenis van de Heilige Schrift, N.v.d.v.:Het Concilie van...N.v.d.v.:Het Concilie van Trente legde in zijn 23e zitting (1563) de sacramentele aard van het priesterlijk wijdingssacrament vast, het offerend karakter van de priester als bedienaar van de Eucharistie, en het wezenlijk onderscheid tussen het ambtelijk en het gemeenschappelijk priesterschap - als rechtstreeks antwoord op de reformatorische ontkenning ervan. Het Tweede Vaticaans Concilie herbevestigde deze leer in Lumen Gentium 3 (1964) en Presbyterorum Ordinis (1965), maar plaatste haar in een rijkere Bijbelse en ecclesiologische context: de priester als dienaar van het Woord, voorganger van de Eucharistie en herder van de gemeenschap, onlosmakelijk verbonden met het bisschoppelijk college. verkeert in de postconciliaire tijd in crisis. Het grote aantal priesters dat het ambt heeft verlaten en de enorme daling van het aantal priesterroepingen in véle landen N.v.d.v.:Tussen 1965 en 1990...N.v.d.v.:Tussen 1965 en 1990 vroegen wereldwijd naar schatting 46.000 priesters dispensatie van hun celibaat en verlieten het ambt - het merendeel in de eerste tien jaar na het Concilie Vaticanum II. In dezelfde periode daalde het aantal priesterstudenten in de Verenigde Staten van circa 48.000 naar minder dan 9.000. In West-Europa was de terugval nog scherper: Nederland, dat in de jaren vijftig een van de hoogste roepingscijfers ter wereld kende, ordineerde tegen 1990 nog nauwelijks priesters. Frankrijk, België en Duitsland vertoonden vergelijkbare trends. Zie: Richard A. Schoenherr & Lawrence A. Young, Full Pews and Empty Altars: Demographics of the Priest Shortage in United States Catholic Dioceses, University of Wisconsin Press, 1993. - De meest rigoureuze demografische studie van de priestercrisis in de Angelsaksische wereld; methodologisch gezaghebbend en breed geciteerd; Annuarium Statisticum Ecclesiae, Libreria Editrice Vaticana, jaarlijks. - De officiële statistische jaarboeken van de Heilige Stoel met wereldwijde cijfers over priesters, seminaristen en roepingen per land en per bisdom; onmisbaar voor internationale vergelijking. kan zeker niet alleen aan theologische oorzaken worden toegeschreven. De buiten-kerkelijke oorzaken hadden echter bij lange na niet zo’n invloed kunnen uitoefenen als de theologische grondslagen van het priesterlijk ambt niet bij veel priesters en jongeren in diskrediet waren geraakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIn de nieuwe culturele context die zich na het Concilie Vaticanum II[[d:4]] heeft ontwikkeld, verwierven de oude argumenten van de zestiende-eeuwse Reformatie - samen met meer recente bevindingen van de moderne Bijbelwetenschap, die overigens gevoed werd door de vooronderstellingen van de Reformatie - een zekere aannemelijkheid. En de katholieke theologie was niet in staat er adequaat op te antwoorden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat zijn die argumenten? Men kan allereerst een terminologische overweging noemen die voortvloeit uit een nauwkeuriger studie van de Heilige Schrift. N.v.d.v.:De nieuwtestamentisch...N.v.d.v.:De nieuwtestamentische geschriften gebruiken voor kerkelijke ambtsdragers uitsluitend profane termen - episkopos (opziener), presbyteros (oudere), diakonos (dienaar) - en vermijden consequent het sacrale hiereus (priester), dat in het Nieuwe Testament uitsluitend wordt gebezigd voor de oudtestamentische priesters, voor Christus zelf in de Brief aan de Hebreeën, en voor het gehele gelovige volk in 1 Petrus en de Apokalyps. Deze terminologische observatie, scherp geanalyseerd door nieuwtestamentici als Eduard Schweizer (1913–2006)(Church Order in the New Testament, 1961), werd in de postconciliaire periode - onder meer door Hans Küng (1928-2021) in Wozu Priester? (1971) - aangewend als exegetisch argument tegen een sacramentele priestertheologie. De vroege Kerk gebruikte profane in plaats van sacrale terminologie wanneer zij naar haar ambten verwees. Er is geen evident continuïteit tussen deze ambten en het priesterschap van de Mozaïsche Wet. Bovendien namen deze ambten, die lange tijd niet scherp omlijnd waren, uiteenlopende namen en vormen aan. Pas tegen het einde van de eerste eeuw werd enige duidelijkheid bereikt over hun vorm en inhoud - al was het definiëringsproces nog niet afgesloten. Van groot belang is echter dat de cultische functie van deze ambten nergens expliciet wordt vermeld. Zij worden nergens uitdrukkelijk verbonden met de eucharistieviering. De verkondiging van het Evangelie verschijnt als hun primaire taak, samen met een reeks andere diensten ten behoeve van de christelijke gemeenschap.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaUit dit gegeven is de theorie afgeleid dat de ambten van de jonge Kerk in die tijd niet in termen van sacrament werden gedacht, maar uitsluitend in functionele termen. Aan deze (terminologische) overwegingen laat zich gemakkelijk een bepaalde theorie koppelen die stelt dat het christelijk geloof de profane wereld herstelt en dat haar eigenlijke bedoeling was het heilige grondig te elimineren - een theorie die beoogt de opvattingen van Karl Barth N.v.d.v.:Karl Barth...N.v.d.v.:Karl Barth (1886–1968), Zwitsers calvinistisch theoloog, ontwikkelde in zijn monumentale Kirchliche Dogmatik (1932–1967) een radicale tegenstelling tussen goddelijke openbaring en menselijke religie. In §17 van het eerste deel stelt hij dat religie - als menselijke greep naar God - wezenlijk “ongeloof” (Unglaube) is en door de openbaring in Christus wordt opgeheven (aufgehoben). Dit begrippenkader werd in postconciliaire theologische kringen gebruikt om elk sacraal-cultisch element in de Kerk als principieel onchristelijk te diskwalificeren. en Dietrich Bonhoeffer N.v.d.v.:Dietrich Bonhoeffer...N.v.d.v.:Dietrich Bonhoeffer (1906–1945), Duits luthers theoloog, pastor en martelaar - op 9 april 1945 geëxecuteerd in Flossenbürg - schreef vanuit zijn gevangenschap brieven en fragmenten die posthuum verschenen als Widerstand und Ergebung (1951). Daarin introduceerde hij de begrippen “religieloos christendom” (religionsloses Christentum) en de “mondige wereld” (mündige Welt). Hoewel zijn intenties aanzienlijk genuanceerder waren dan zijn receptie, werden deze ideeën in de postconciliaire periode breed geïnterpreteerd als pleidooi voor een ontsacraliseerd christendom zonder cultus, priesterschap of heilige ruimte. over de tegenstelling tussen geloof en religie volledig door te denken en toe te passen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaAls Bijbelse grondslag voor deze opvattingen werden niet zelden de woorden aangehaald uit de Brief aan de Hebreeën, waar staat dat Jezus buiten de stadspoort heeft geleden en ons uitnodigt naar Hem uit te trekken (Hebr. 13, 12-13)[b:Hebr. 13, 12-13]. Tegen de werkelijke strekking van deze woorden - die een diepgaande theologie van het kruis uitdrukken - werd veeleer gezegd: op het ogenblik van Jezus’ dood werd het voorhangsel van de tempel gescheurd. Er was geen scheiding meer tussen tempel en wereld, tussen het heilige en het profane. De dood van Christus te midden van de wereld toont ons dat daden van liefde in het dagelijks leven de enige legitieme liturgie zijn in het tijdperk van het Nieuwe Testament. N.v.d.v.: De tekst van...N.v.d.v.: De tekst van Hebreeën 13,12-13 verwijst naar de oudtestamentische praktijk waarbij het zoenoffer buiten het kamp werd verbrand (Leviticus 16,27): Jezus is het definitieve offer, buiten de poort geofferd. De oproep naar Hem uit te gaan is een uitnodiging tot deelname aan Zijn kruis - geen opheffing van het onderscheid tussen heilig en profaan. Het scheuren van het tempelvoorhangsel (Matteüs 27,51; Marcus 15,38; Lucas 23,45) betekent de opening van de toegang tot God door Christus’ definitief hogepriesterschap - dat Hebreeën nu juist uitvoerig uitwerkt - niet de afschaffing van elke cultische orde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDergelijke opvattingen, ontleend aan de moderne exegese, veronderstellen op de een of andere manier hermeneutische keuzes die werden ontwikkeld in de periode van de Protestante Reformatie en bekleden ze met nieuwe kracht. Een sleutel in de nieuwe Schriftlezing van die tijd moet worden gevonden in de tegenstelling tussen Wet en Evangelie, afgeleid uit de paulinische theologie. N.v.d.v.:De tegenstelling...N.v.d.v.:De tegenstelling tussen Wet en Evangelie is het centrale hermeneutische principe van de lutherse reformatie, gebaseerd op Luthers lezing van heilige Paulus - met name Galaten en Romeinen. De Wet veroordeelt en doodt (vgl. 2 Korintiërs 3,6) - sola gratia; het Evangelie rechtvaardigt door geloof alleen - sola fide. Dit principe werd door de protestantse exegese uitgebreid tot een algemeen interpretatiekader, en in de twintigste eeuw verder geoperationaliseerd door theologen als Rudolf Bultmann (1884-1976) en diens leerling Ernst Käsemann (1906-1998) - met als gevolg dat priesterschap, offer en cultus als “Wet”-categorieën werden gelezen die door het Evangelie definitief zijn achterhaald. De afgeschafte Wet staat tegenover het Evangelie. Het priesterschap en de cultus - het offer - zouden tot de categorie van de Wet behoren; het Evangelie zou zich uitdrukken in de gestalte van de profeten en in de prediking van het Woord. Daarmee verwerven de categorieën wet-priesterschap-offer-cultus een negatieve betekenis, omdat zij de mens leiden tot de letter die doodt en tot werken die niet rechtvaardigen. De kern van het Evangelie, zo luidt de stelling, bestaat integendeel in het horen van het Woord en in het geloof, dat alleen de mens rechtvaardig kan maken. Bijgevolg zouden alleen de gestalten van de profeet en van de prediking met het Evangelie in overeenstemming zijn, terwijl het priesterschap tot de Wet zou behoren en volledig zou moeten worden buitengesloten uit de Kerk van het Nieuwe Testament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDit perspectief heeft het verloop van de moderne exegese grondig bepaald en toont zich op ieder punt. Vanuit dit perspectief kregen de hierboven genoemde terminologische overwegingen hun overtuigingskracht. De katholieke theologie, die na het Concilies Vaticanum II[[d:4]] de moderne exegese vrijwel kritiekloos heeft overgenomen, was zich niet bewust van deze hermeneutische sleutel en was bijgevolg niet in staat te antwoorden op de grote vragen die zij zou oproepen. En zo ontstond de crisis waarover wij aan het begin spraken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaInmiddels beginnen theologen een evenwichtiger oordeel te vormen over deze kwesties. n.v.d.v.:Onder de theologen...n.v.d.v.:Onder de theologen die bijdroegen aan een hernieuwd, genuanceerder begrip van het katholieke priesterschap verdient de Albert Vanhoye SJ bijzondere vermelding. Zijn bijbeltheologische studie Prêtres anciens, prêtre nouveau selon le Nouveau Testament (Éditions du Seuil, 1980) toonde aan dat het Nieuwe Testament - met name de Brief aan de Hebreeën - wel degelijk een rijke priestertheologie bevat, met Christus als centraal en definitieve hogepriester. Men mag niet vergeten dat reeds in de zestiende eeuw, na de eerste conflicten, de aanzetten van een nieuw evenwicht zichtbaar werden. De wijding tot het predikambt onder protestanten begon na korte tijd analoog aan een sacrament te worden beschouwd. Evenzo trad de verbinding van het predikambt met de eucharistieviering opnieuw aan het licht. Ook al werd de term “priesterschap” in de confessionele tradities die uit de Reformatie voortkwamen vermeden, toch werd het ambt van het Woord als sacrament langs verschillende wegen hersteld op grond van het nieuwtestamentisch getuigenis. Om die reden heeft de oecumenische dialoog ook een weg geopend waarlangs de hermeneutische sleutel voor een correct verstaan van de Heilige Schrift beter kan worden bepaald en de grondslagen van de katholieke leer over het priesterschap op nieuwe wijze aan het licht worden gebracht. In die zin wil ik kort laten zien hoe deze leer duidelijk voortkomt uit het getuigenis van de Schrift.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 1. De grondslag van het nieuwtestamentisch ambt: het apostolaat als deelname aan de zending van Christus
Om het Evangelie als Evangelie te begrijpen - als Blijde Boodschap - moeten wij de nieuwheid van het Nieuwe Testament erkennen; maar het is ook noodzakelijk de eenheid van de heilsgeschiedenis in haar voortgang door de Oude en Nieuwe Verbonden naar behoren te verstaan. In zijn eigenste nieuwheid vervult de boodschap van Christus tegelijk alles wat eraan voorafging en vormt een zichtbaar middelpunt dat het handelen van God en ons samenbrengt. Wie de ware nieuwheid van het Nieuwe Testament zoekt, komt Christus zelf voor ogen te staan. Die nieuwheid bestaat niet zozeer in nieuwe ideeën of opvattingen - zij is een Persoon: God die mens wordt en de mensen naar Zich toetrekt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaOok de vraag naar wat het Nieuwe Testament te zeggen heeft over het priesterschap moet beginnen bij de Christologie. De zogenaamde Liberale Periode N.v.d.v.:Liberale Periode...N.v.d.v.:Liberale Periode verwijst naar de dominante stroming in de protestantse theologie van de negentiende en vroege twintigste eeuw, gevormd door Friedrich Schleiermacher (1768-1834), Ritschl en Adolf von Harnack, wiens Das Wesen des Christentums (1900) het christendom reduceerde tot de boodschap van Gods vaderschap en de broederschap van mensen, zonder cultus, sacrament of priesterschap. Albert Schweitzer (1875–1965) bekritiseerde dit Jezusbeeld scherp in zijn Geschichte der Leben-Jesu-Forschung (1906): de liberale Jezus was een projectie van modern burgerlijk idealisme, niet de eschatologische figuur van de Schrift. interpreteerde de gestalte van Christus op basis van haar eigen vooronderstellingen. Jezus stelde een zuivere ethiek tegenover een ritueel mismaakt godsdienstig leven; tegenover de gemeenschappelijke, collectieve godsdienst plaatste Hij de vrijheid en de verantwoordelijkheid van de individuele persoon. Hijzelf werd afgeschilderd als de grote leraar van de moraal die de mens bevrijdt van de banden van cultus en ritus en hem zonder andere bemiddelingen rechtstreeks voor God stelt met zijn persoonlijk geweten. N.v.d.v.:Dit portret van...N.v.d.v.:Dit portret van Jezus weerspiegelt de kantiaanse erfenis in de protestantse theologie: Immanuel Kant’s (1724-1804) Die Religion innerhalb der Grenzen der bloßen Vernunft (De Religie binnen de grenzen van de zuivere rede, 1793) reduceerde religie tot morele autonomie en individueel geweten, ontdaan van cultus, dogma en institutionele bemiddeling. Ritschl en zijn leerling Adolf von Harnack vertaalden dit in een theologie van het Koninkrijk Gods als ethische gemeenschap; Wilhelm Herrmann (1846-1922) - Marburger leermeester van zowel Barth als Bultmann - vertegenwoordigde haar theologisch hoogtepunt. In de tweede helft van onze eeuw zijn dergelijke opvattingen vervlochten geraakt met door Marx verspreide ideeën: Christus wordt nu beschreven als een revolutionair die zich verzet tegen de macht van de instellingen die mensen in slavernij houden, en in dit conflict - in de eerste plaats tegen de arrogantie van de priesters - sterft. Zo wordt Hij gezien als de Bevrijder van de armen van de onderdrukking door de rijken, die het “Koninkrijk” wil vestigen: de nieuwe samenleving van vrijen en gelijken. N.v.d.v.: Deze vervlechting...N.v.d.v.: Deze vervlechting van christologie en marxistische sociale analyse typeert de Bevrijdingstheologie zoals die zich ontwikkelde na de Latijns-Amerikaanse bisschoppenconferentie van Medellín (1968). Gustavo Gutiérrez’ (1928-2024) Teología de la liberación (1971) werd haar invloedrijkste manifest; radicaler waren Fernando Belo’s uitdrukkelijk marxistische lezing van het Marcusevangelie (Lecture matérialiste de l’évangile de Marc, 1974) en het werk van de ex-franciscaan Leonardo Boff (1938-) en Jon Sobrino SJ (1938). De Congregatie voor de Geloofsleer - onder Kardinaal Ratzingers leiding - reageerde terechtwijzend met twee instructies: Libertatis Nuntius (1984) en Libertatis Conscientia (1986).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet beeld van Christus dat wij in de Bijbel tegenkomen is een geheel ander. Het wezenlijke element in het beeld van Christus dat door de geschriften van het Nieuwe Testament wordt overgeleverd, bestaat in zijn unieke verhouding tot God. Jezus weet dat Hij een directe zending van God heeft; de autoriteit van God is in Hem werkzaam. (Mt. 7, 29; Mt. 21, 23; Mc 1, 27; Mc. 11, 28; Lc. 20, 2; Lc. 24, 19)[[b:Mt. 7, 29; Mt. 21, 23; Mc 1, 27; Mc. 11, 28; Lc. 20, 2; Lc. 24, 19]] Hij verkondigt een boodschap die Hij van de Vader heeft ontvangen: Hij is “gezonden” met een opdracht die de Vader Hem heeft toevertrouwd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe evangelist Johannes laat dit thema van de “zending” van de Zoon die van de Vader uitgaat duidelijk zien - een thema dat echter ook in de synoptische Evangeliën steeds aanwezig is. Een “paradoxaal” moment van deze zending verschijnt duidelijk in de formule van Johannes die Augustinus zo diepzinnig heeft geïnterpreteerd: “Mijn leer is niet van Mij...” (Joh. 7, 16)[b:Joh. 7, 16]. Jezus heeft niets van zichzelf, behalve de Vader. Zijn leer is niet van Hem, omdat Hij in zijn gehele bestaan als het ware Zoon is vanuit de Vader en gericht op de Vader. Maar juist daardoor - omdat Hij niets van zichzelf heeft - behoort alles wat de Vader heeft ook aan Hem toe: “Ik en de Vader zijn één” (Joh. 10, 30)[b:Joh. 10, 30]. De teruggave van zijn gehele bestaan en werkzaamheid aan de Vader, een daad waarmee Hij zijn eigen wil niet zocht (Joh. 5, 30)[b:Joh. 5, 30], maakte Hem geloofwaardig, want het Woord van de Vader straalde door Hem als licht. Hier schijnt het mysterie van de goddelijke Drie-eenheid op - tevens het model voor ons eigen bestaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaAlleen vanuit dit christologisch middelpunt kunnen wij het ambt van de Apostelen begrijpen, waaruit het priesterschap van de Kerk zijn oorsprong trekt. Aan het begin van zijn openbaar leven schiep Jezus de nieuwe gestalte van twaalf uitverkoren mannen, een gestalte die na de Verrijzenis wordt voortgezet in het ambt van de Apostelen - dat wil zeggen: de gezondenen. Van groot belang is het feit dat Jezus zijn macht aan de Apostelen gaf op zo’n wijze dat Hij hun ambt als het ware tot een voortzetting van zijn eigen zending maakte. “Wie u ontvangt, ontvangt Mij”, zegt Hij zelf tot de Twaalf (Matteüs 10,40; vgl. Lucas 10,16; Johannes 13,20). Tal van andere teksten kunnen hier worden aangehaald (Matteüs 9,8; 10,1; 21,23; Marcus 6,7; 13,34; Lucas 4,6; 9,1; 10,19). De continuïteit tussen de zending van Jezus en die van de Apostelen wordt opnieuw met grote helderheid belicht in het Vierde Evangelie: “Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zo zend Ik u” (Johannes 20,21; vgl. 13,20; 17,18).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet gewicht van deze zin wordt duidelijk wanneer wij ons herinneren wat eerder werd gezegd over de structuur van de zending van Jezus. Jezus is zelf in de totaliteit van zijn Persoon gezonden; Hij is zending en relatie vanuit de Vader en naar de Vader. In dit licht treedt het grote belang van het volgende parallelisme naar voren:
- “De Zoon kan uit zichzelf niets doen” (Johannes 5,19-30).
- “Zonder Mij kunt gij niets doen” (Johannes 15,5).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDit “niets” dat de leerlingen met Jezus delen, drukt tegelijk zowel de kracht als de onmacht van het apostolisch ambt uit. Uit zichzelf, door eigen kracht, kunnen zij niets van wat apostelen moeten doen. Hoe zouden zij uit eigen gezag kunnen zeggen: “Ik vergeef u uw zonden”? Hoe zouden zij kunnen zeggen: “Dit is mijn lichaam”? Hoe zouden zij de handoplegging kunnen verrichten en zeggen: “Ontvang de Heilige Geest”? Niets van wat de apostolische werkzaamheid uitmaakt, geschiedt door eigen bevoegdheid. Maar juist deze onteigening van hun eigen vermogens constitueert een wijze van gemeenschap met Jezus, die geheel vanuit de Vader is, met Hem alles vermag en zonder Hem niets. Het eigen nihil posse (niets kunnen) - de eigen onmacht - trekt hen binnen in een gemeenschap van zending met Jezus. Zo’n ambt, waarbij een mens door een goddelijke mededeling doet en geeft wat hij uit zichzelf nooit zou kunnen doen en geven, wordt door de traditie van de Kerk een “sacrament” genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWanneer het kerkelijk gebruik de wijding tot het priesterlijk ambt een “sacrament” noemt, wordt daarmee het volgende bedoeld: deze mens verricht geenszins taken waarvoor hij door zijn eigen natuurlijke bekwaamheid bijzonder gekwalificeerd is, noch doet hij de dingen die hem het meest aanstaan en die voor hem het voordeligst zijn. Integendeel - de ontvanger van het sacrament wordt gezonden om te geven wat hij uit eigen kracht niet kan geven; hij wordt gezonden om te handelen in de persoon van een Ander, om diens levend instrument te zijn. Daarom kan geen mens zichzelf tot priester uitroepen; en evenmin kan een gemeenschap iemand door eigen besluit tot dit ambt verheffen. Alleen uit het sacrament, dat God toebehoort, kan het priesterschap worden ontvangen. Een zending kan alleen worden ontvangen van degene die zendt - van Christus in zijn sacrament, waardoor een mens de stem en de handen van Christus in de wereld wordt. Deze zelfgave, dit afzien en vergeten van zichzelf vernietigt de mens echter niet; integendeel, het leidt hem naar ware menselijke rijpheid, omdat het hem gelijkvormig maakt aan het trinitaire mysterie en het beeld tot leven wekt naar welk wij zijn geschapen. Omdat wij zijn geschapen naar het beeld van de Drieëenheid, zal hij die zichzelf verliest zichzelf vinden (vgl. Matteüs 10,39; Marcus 8,35; Johannes 12,25).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaMaar hier zijn wij ons betoog enigszins vooruitgelopen. Wij hebben intussen een aantal conclusies van groot belang bereikt. Volgens de Evangeliën heeft Christus zelf de wezenlijke structuur van zijn zending doorgegeven aan de Apostelen, aan wie Hij zijn macht schenkt en die Hij deelgenoot maakt van zijn kracht. Deze verbondenheid met de Heer, waarbij een mens de macht ontvangt te doen wat hij alleen niet kan, wordt een sacrament genoemd. De nieuwe zending die wordt geschapen in de keuze van de twaalf mannen draagt een sacramenteel karakter. Deze structuur vloeit derhalve voort uit het hart van de bijbelse boodschap.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet is duidelijk dat dit door Christus ingestelde ambt geheel nieuw is en op geen enkele wijze is afgeleid van het Oude Testament, maar met nieuwe kracht voortkomt uit Jezus Christus zelf. Het sacramenteel ambt van de Kerk drukt de nieuwheid van Jezus Christus uit en zijn aanwezigheid in alle fasen van de geschiedenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 2. De apostolische successie
Na deze korte uiteenzetting over de oorsprong en de kern van het nieuwe door Christus gegrondveste ambt stellen wij de vraag: hoe werd dit alles ontvangen in de apostolische tijd? En bovenal: hoe verliep de overgang van de apostolische naar de post-apostolische periode? Met andere woorden: hoe zien wij in het Nieuwe Testament weerspiegeld die apostolische successie die, na de christologische grondslag, de tweede pijler vormt van de katholieke leer over het nieuwtestamentisch priesterschap?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe eerste vraag kunnen wij kort behandelen, want het getuigenis van de heilige Paulus is hierover duidelijk genoeg. Zijn visie op het apostolisch ambt verschijnt met grote helderheid in die beroemde uitspraak uit de Tweede Brief aan de Korintiërs: “Wij zijn dus gezanten van Christus, God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus’ naam: laat u met God verzoenen!” (2 Korintiërs 5,20). God roept op door de Apostel die de gezant van Christus is. Hier verschijnt duidelijk die aard van het apostolisch ambt waarvan wij reeds hebben gezien dat zij de essentie van het “sacrament” uitmaakt. Deze structuur van spreken en handelen niet in eigen naam, maar vanuit goddelijk gezag, komt opnieuw naar voren waar Paulus zegt: “In alle omstandigheden proberen wij ons te gedragen als dienaars van God” (2 Korintiërs 6,4).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe inhoud van het apostolisch ambt wordt ook samengevat waar Paulus vol vertrouwen spreekt over de hem toevertrouwde “dienst van de verzoening” (2 Korintiërs 5,18). De verzoening met God gaat uit van het kruis van Christus en heeft juist daarom een “sacramenteel” karakter. Paulus veronderstelt dat de mensheid leeft in een toestand van “vervreemding” van zichzelf (Efesiërs 2,12). Alleen door de verbinding met de gekruisigde liefde van Jezus Christus kan deze vervreemding worden overwonnen, kan de mens “verzoening” vinden. Dit verzoeningsproces vond plaats aan het kruis van Christus. De dood van Christus als historische gebeurtenis is voorbij; hij wordt ons tegenwoordig gesteld in het “sacrament”. In zijn Eerste Brief aan de Korintiërs toont de Apostel welke enorm belangrijke rol de sacramenten van het Doopsel en de Eucharistie in dit proces spelen, samen met het woord van de verzoening dat het geloof opwekt en ons een nieuwe geboorte schenkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIn het licht van deze overwegingen is het helder dat het apostolisch ambt in de Schrift door de Apostelen duidelijk wordt onderscheiden van de gewone gaven van de christelijke existentie. Dit specifieke verschil komt ook met grote helderheid aan het licht wanneer Paulus in de Eerste Brief aan de Korintiërs zegt: “Men moet ons dus beschouwen als helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen” (1 Korintiërs 4,1).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDit specifieke verschil impliceert logisch het gezag van de Apostel ten aanzien van de gemeenschap, dat hij dikwijls in felle bewoordingen tot uitdrukking brengt, wanneer hij bijvoorbeeld de Korintiërs vraagt: “Wat verkiest gij? Moet ik bij u komen met strengheid of met liefde en in een geest van zachtmoedigheid?” (1 Kor. 4, 21)[b:1 Kor. 4, 21]. Op grond van dit gezag kan de Apostel zelfs overgaan tot de kerkelijke ban, “tot redding van zijn geest op de dag des Heren” (1 Kor. 5, 5)[b:1 Kor. 5, 5]. De zo beschreven gestalte van de Apostel heeft niets te maken met de “pneumatische anarchie” die sommige hedendaagse theologen trachten af te leiden uit de Eerste Brief aan de Korintiërs en als het ware beeld van de Kerk voor te stellen. N.v.d.v.: “Pneumatische...N.v.d.v.: “Pneumatische anarchie” verwijst naar de these - verdedigd door Ernst Käsemann en in zijn voetspoor door Hans Küng (Die Kirche, 1967) - dat de vroegste christelijke gemeenschappen werden gekenmerkt door een vrije, charismatische, niet-hiërarchische structuur van Geestesgaven (Charismata), en dat de latere episcopale orde een verraad was aan dit oorspronkelijk “spontaan enthousiasme”. Käsemann zag in de vroege christelijke kerk in de oude Griekse stad Korinthe het prototype van dit charismatisch gemeenschapsleven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaUit onze analyse blijkt dat het getuigenis van de heilige Paulus over het apostolisch ambt volledig in overeenstemming is met wat wij reeds in de Evangeliën hebben gevonden: in het ambt van de “dienaars van het Nieuwe Verbond (Testament)” (2 Kor. 3, 6)[b:2 Kor. 3, 6] zien wij dezelfde sacramentele structuur die ons bekend is uit de woorden van de Heer: de Apostel handelt vanuit een bevoegdheid die niet de zijne is; hij handelt vanuit het gezag van Christus, niet als lid van de gemeenschap, maar als iemand die voor de gemeenschap staat en haar aanspreekt in de Naam van Christus. Deze dialogische structuur behoort tot het wezen van de openbaring. Het geloof is niet iets wat de mens uit zichzelf bedenkt; de mens maakt zichzelf niet Christen door eigen meditatie of morele rechtschapenheid. De bekering tot het geloof komt altijd van buiten: het is een gave die altijd van een Ander komt, van Christus, die ons tegemoetkomt. Waar dit “goddelijke van buiten” wordt verduisterd, komt een wezenlijke structuur van het christelijk geloof in gevaar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaElke gemeenschap die zichzelf als Kerk zou grondvesten, zou daardoor het dialogisch mysterie van de openbaring en de gave van de genade vernietigen, die altijd wordt ontvangen van een “Ander”, van buiten. In alle sacramenten staan de gave van God en de ontvangst ervan door de mens tegenover elkaar. Dezelfde structuur geldt ook met betrekking tot het Woord van God: het geloof ontstaat niet uit lezen, maar uit horen; de verkondiging van het Woord door iemand die daartoe is gezonden behoort tot de structuur van de geloofsdaad.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaLaten wij nu overgaan tot de tweede vraag: zet dit ambt van de Apostelen na hun dood voort in een “apostolische successie”, of is dit ambt iets eenmaligs dat met de dood van de Apostelen uitsterft? Op zoek naar een antwoord op deze veelbetwiste vraag dienen wij er allereerst op te wijzen dat de betekenis van het woord “apostel” in de vroegste dagen van de jonge Kerk nog tamelijk ruim was. Alleen in de theologie van de heilige Lucas, tegen het einde van de eerste christelijke generatie, wordt deze titel voorbehouden aan de twaalf mannen die de Heer heeft gekozen. De overige ambten die op dat moment bestonden, hadden nog geen duidelijk omlijnd karakter. Er zijn ambten die de grenzen van de plaatselijke gemeenschap overstijgen - profeten en leraren, bijvoorbeeld. Anderzijds zien wij ambten die de plaatselijke Kerk dienen. Onder Christenen uit een joodse traditie worden de dragers van deze ambten “presbyters” genoemd, terwijl wij voor de Kerk die is voortgekomen uit de heidense wereld “bisschoppen en diakens” aantreffen, voor het eerst in de Brief aan de Filippenzen (Filippenzen 1,1).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaGeleidelijk aan ontwikkelt zich vanuit deze beginsituatie een duidelijk gedefinieerde ambtstructuur die tegen het einde van de apostolische tijd een eerste rijpheid heeft bereikt. Deze ontluikende rijpheid wordt bovenal bevestigd door twee bekende nieuwtestamentische teksten. In de eerste plaats de toespraak van de heilige Paulus tot de presbyters van Klein-Azië in Milete, die in de vertelling van Lucas verschijnt als het laatste testament van de Apostel. In de overgeleverde woorden wordt het beginsel van de apostolische successie duidelijk vastgelegd. De Apostel zegt: “Geeft acht op uzelf en op de gehele kudde, waarin de Heilige Geest u tot bisschoppen heeft aangesteld, om de Kerk van God te weiden, die Hij zich met Zijn eigen bloed heeft verworven.” (Hand. 20, 28: Letterlijk vertaald vanuit de grondtekst)[b:Hand. 20, 28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaVerschillende elementen verdienen hier aandacht. Allereerst worden twee begrippen die tot op dat moment onverbonden waren - “presbyter” en “bisschop” - hier gelijkgesteld; de tradities van Christenen uit een joodse achtergrond en die van Christenen die vanuit het heidendom zijn ingetreden, vloeien samen en worden uitgelegd als één enkel ambt van apostolische successie. Het is de Heilige Geest die in dit ambt introduceert, dat op geen enkele wijze voortkomt uit de delegatie van de gemeenschap, maar de gave is van God, die door zijn Geest “bisschoppen aanstelt.” Omdat deze gave door de Geest wordt verleend, draagt zij de waardigheid van “sacrament.” De taak van de Apostelen om de kudde van Christus te weiden, wordt zo voortgezet. De apostolische structuur verwijst ons terug naar het mysterie van Christus, de ware Herder, die zijn kudde heeft verworven door “Zijn eigen bloed”. In deze woorden vloeien niet alleen de tradities van joodse en heidense Christenen samen, maar - wat van nog groter belang is - wordt ook het geestelijk wezen van het ambt van priesters en bisschoppen duidelijk aangetoond als identiek aan het ambt van de Apostelen. De heilige Lucas onderscheidt deze wezenlijke identiteit - die het beginsel van de apostolische successie uitmaakt - door middel van een formeel verschil: doordat hij alleen de Twaalf aanduidt met de term “Apostel”, kunnen wij onderscheid maken tussen het eenmalige karakter van het oorspronkelijke ambt en het blijvende karakter van de successie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIn die zin is het ambt van de presbyters en bisschoppen verschillend van de zending van de Twaalf Apostelen. Presbyters en bisschoppen zijn opvolgers, maar de Apostelen zelf zijn dat niet. Een zeker “eenmalige” en ook een zeker “altijddurende” behoren tot de structuur van de openbaring en van de Kerk. De door Christus gegeven macht om te verzoenen, te weiden en te onderrichten gaat onveranderd over op de opvolgers, maar dezen zijn echte opvolgers alleen als zij volharden in de leer van de Apostelen (Handelingen 2,42).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDezelfde beginselen als in de toespraak te Milete vinden wij ook in de Eerste Brief van de heilige Petrus (1 Pt. 5, 1-4)[b:1 Pt. 5, 1-4]: “De presbyters onder u vermaan ik, mede-presbyter en getuige van het lijden van Christus, tevens deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden: weidt de kudden van God waarvan gij de herders zijt; hoedt haar zoals God het wil: van harte en niet uit dwang, met toewijding en niet uit winstbejag. Speelt niet de baas over hen die aan uw zorgen zijn toevertrouwd, maar toont u een voorbeeld voor de kudde. Dan zult ge, als de opperherder verschijnt, de nooit verwelkende krans van de heerlijkheid ontvangen.” N.v.d.v.: Letterlijk vertaald...N.v.d.v.: Letterlijk vertaald vanuit de grondtekst Reeds in de eerste woorden vindt men een uitdrukking van de identiteit van het apostolisch en het presbyteraal ambt die van groot belang is: de Apostel noemt zichzelf “mede-presbyter”, en legt daarmee een theologisch verband tussen het ambt van de Apostelen en dat van de presbyters.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaDe theologie van het apostolaat die wij in de eerste sectie hebben onderzocht, wordt hier overgedragen op het presbyteraat, en zo ontstaat een echte nieuwtestamentische theologie van het priesterschap. Door zichzelf mede-presbyter te noemen met de presbyters erkent de Apostel dat zij zijn gesteld in hetzelfde ambt als hij, en vestigt hij zo duidelijk het beginsel van de apostolische successie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEen ander aspect van groot belang kan worden gevonden in deze korte tekst. Net als in de toespraak te Milete wordt ook hier de aard van het apostolisch ambt samengevat in het woord “hoedt” - een term ontleend aan het beeld van de herder. De betekenis van deze uitdrukking wordt belicht door het feit dat de Apostel aan het einde van het tweede hoofdstuk de Heer aanduidt als de “Herder en behoeder (pastorem et episcopum) van uw zielen” (1 Pt. 2, 25)[b:1 Pt. 2, 25]. Hier in het vijfde hoofdstuk volgt hij dezelfde spreekwijze wanneer hij Christus de Opperherder noemt. De Apostel, die zich bewust is van de etymologische betekenis van de term “bisschop” - een bewaker, iemand die toeziet en zorg draagt - ziet die betekenis samenvallen met de term “herder”. Zo begint de voorheen seculiere term “bisschop” te verwijzen naar Christus de Herder, en verschijnt een nieuwe christelijke terminologie samen met een nieuwe “heiligheid” van het christelijk geloof. Net zoals de term “mede-presbyter” de Apostelen en hun opvolgers de presbyters verbond, zo verwijst de term “bisschop” die opvolgers naar Christus en onthult de christologische grondslag van het episcopale en presbyterale ambt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaEr moet dan ook worden gezegd dat tegen het einde van de apostolische tijd, in de geschriften van het Nieuwe Testament, een expliciete theologie van het nieuwtestamentisch priesterschap verschijnt. Deze theologie is toevertrouwd aan de trouwe handen van de Kerk en vormt de onvervreemdbare kern van elke theologie van het christelijk priesterschap voor alle tijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 3. Gemeenschappelijk priesterschap en bijzonder priesterschap; Oud Testament en Nieuw Testament
Ter afronding van onze overwegingen moeten wij de verhouding bespreken van dit nieuwe priesterlijk ambt - geboren uit de zending van Christus - tot het priesterschap van alle gelovigen. In de geschriften van het Nieuwe Testament wordt het begrip van het gemeenschappelijk priesterschap van de gelovigen op twee plaatsen uiteengezet: in de oude doopscatechese die wij vinden in de Eerste Brief van de heilige Petrus en in de groet aan de zeven Kerken aan het begin van de Apokalyps van Johannes (1 Petrus 2,9; Apokalyps 1,6). De uitdrukking van het gemeenschappelijk priesterschap die in deze teksten wordt gebruikt, is ontleend aan het boek Exodus (Exodus 19,6). De context is hier die van een goddelijke uitspraak waarbij God, sprekend met Mozes op de berg Sinaï, het volk Israël een verbond aanbiedt opdat het Gods eigendom mag zijn en “een koninkrijk van priesters” mag worden te midden van de volken. Als het uitverkoren Volk moeten zij de plaats van de ware eredienst zijn en tegelijk priesterschap en tempel voor de hele wereld. De doopscatechese die ons is overgeleverd in de Eerste Brief van de heilige Petrus draagt deze roeping van het volk van het Oude Verbond over op de gedoopten, en suggereert daarmee dat Christenen door het Doopsel deel worden aan de voorrechten van het Volk van God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWat op de berg Sinaï is geschied, wordt op een nieuwe wijze tegenwoordig gesteld in het Sacrament van het Doopsel. De Kerk van Christus in haar totaliteit is de levende tempel waarin God woont en naar behoren wordt aanbeden. Door het ambt van de Kerk wordt de wereld verenigd voor de aanbidding van de ware God. De heilige Paulus zegt hetzelfde in andere woorden in zijn Brief aan de Romeinen, waar hij over zichzelf spreekt als de “dienaar van de eredienst (leitourgon) van Christus Jezus voor de heidenen in de priesterlijke dienst (hierourgounta) van het Evangelie van God, opdat het offer (he prosphora) van de heidenen welgevallig mag zijn, geheiligd door de Heilige Geest” (Rom. 15, 16: Letterlijk vertaald vanuit de grondtekst)[b:Rom. 15, 16].
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHet is dan ook duidelijk dat het gemeenschappelijk priesterschap van de gedoopten, dat voortkomt uit hun intrede in de geschiedenis van Gods verbond - aangevangen op de berg Sinaï en vernieuwd in het kruis van Christus - op geen enkele wijze in strijd is met het ambtelijk priesterschap, net zoals het gemeenschappelijk priesterschap van het volk Israël nooit werd gesteld tegenover zijn priesterlijke orden. Uit deze observaties wordt ook duidelijk in welke zin het ambt van de apostolische successie iets wezenlijk nieuws is en in welke zin deze christelijke nieuwheid de voorbereidende gestalten van het Oude Testament in zich opnam. Enerzijds is het apostolisch ambt van de Kerk nieuw, omdat Christus nieuw is, van wiens woorden, leven en dood dit ambt is voortgekomen. Anderzijds vervult Christus, die alle dingen nieuw maakt (Openb. 21, 5: “En Hij die op de troon is gezeten, sprak: ‘Zie, Ik maak alles nieuw.")[[b:Openb. 21, 5]], tegelijk alle gestalten die in de loop der geschiedenis naar Hem hebben heengewezen. Daarom draagt het nieuwe priesterschap van de apostelen van Jezus Christus en van hun opvolgers in zich alles wat profetisch aanwezig was in het Oude Testament. Dit wordt bijzonder duidelijk wanneer wij de formule beschouwen die Jean Colson N.v.d.v.:Jean Colson...N.v.d.v.:Jean Colson (1913–2006), Franse priester en patristicus. Zijn hoofdwerk Ministre de Jésus-Christ ou le sacerdoce de l’évangile (1966) onderzocht nauwkeurig en systematisch de Bijbelse en patristische bronnen van het priesterlijk ambt. Het wezenlijk onderscheid - niet enkel graadverschil - tussen het gemeenschappelijk priesterschap van de gedoopten en het ambtelijk priesterschap werd door het Tweede Vaticaans Concilie vastgelegd in Lumen Gentium 10: zij “verschillen wezenlijk en niet slechts in graad” (essentia et non gradu tantum differunt)., na een nauwgezette bronnenstudie, gebruikt om het wezen van het oudtestamentisch priesterschap te omschrijven: “De wezenlijke functie van de kohanim (hiereis, priesters) is deze: het volk bewust te houden van zijn priesterlijk karakter en ervoor te werken dat het daarnaar leeft en God verheerlijkt door zijn gehele bestaan.” Jean Colson, Ministre de...Jean Colson, Ministre de Jésus-Christ ou le sacerdoce de l’Évangile. Étude sur la condition sacerdotale des ministres chrétiens dans l’Église primitive, reeks « Théologie historique » 4, Paris, Beauchesne, 1966, p. 185.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaHoe dicht deze formule staat bij de bovenvermelde woorden van de heilige Paulus is evident. De nieuwe missionaire kracht die eigen is aan het christelijk priesterschap vloeit echter voort uit het feit dat Christus aan zijn kruis “de scheidsmuur heeft neergehaald” (Efesiërs 2,14) en in zijn bloed degenen die eens ver waren, nabij heeft gebracht (Efesiërs 2,15). Het priesterschap van het Nieuwe Testament heeft dus dit als zijn doel: dat de gehele wereld een tempel en een Gode welgevallig offer mag worden, en dat uiteindelijk God alles in allen zal zijn (vgl. 1 Korintiërs 15,28).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- 4. Gevolgtrekkingen voor het priesterlijk ambt van vandaag
Hoe deze bijbelse grondslagen van het ambtelijk priesterschap zijn toe te passen op de priesterlijke vorming in de omstandigheden van vandaag, is een onderwerp ter bespreking door de Synode. Haar conclusies kan ik niet vooruitlopen, noch wens ik dit te doen. Ik neem de vrijheid slechts enkele korte suggesties te doen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWij hebben gezien dat het priesterschap van het Nieuwe Testament, dat het eerst verscheen in de Apostelen, een echte gemeenschap veronderstelt met de zending van Jezus Christus. De mens die priester wordt, wordt geënt op zijn zending. Daarom is een intieme persoonlijke verhouding met Christus fundamenteel voor het priesterlijk leven en ambt. Alle priesterlijke vorming dient te leiden tot het bevorderen van deze verhouding. De priester dient iemand te zijn die Jezus goed kent, die Hem heeft ontmoet en heeft leren liefhebben. De priester dient daarom een mens van gebed te zijn, een werkelijk “geestelijke” mens. Zonder een sterke geestelijke kern kan hij zijn ambt niet volhouden. Vanuit het mysterie van Christus moet hij ook in zijn leven leren zichzelf niet te zoeken noch zijn eigen verheffing. Hij moet leren zijn leven te geven voor Christus en voor zijn kudde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaZo’n levensstijl verzet zich tegen onze natuurlijke neiging, maar geleidelijk wordt het duidelijk dat alleen hij die in staat is zichzelf te vergeten werkelijk vrij is. Hij die voor Christus werkt, leert door ervaring dat de een zaait en de ander oogst (vgl. Johannes 4,37). Hij heeft geen behoefte aan succes te zoeken en daarmee op zichzelf te steunen. Omdat hij werkt voor de Heer, laat hij de uitkomst aan de Heer over en legt hij met blijdschap van geest zijn zorgen in de handen van de Heer. Wanneer wij ons eigen succes zoeken, begint het priesterschap te verschijnen als een last die onze krachten te boven gaat, en lasten die te zwaar zijn voor onze schouders zijn het onvermijdelijke gevolg. Maar Christus draagt ons in geloof, en uit onze verbondenheid met Christus rijst een onoverwinbare vreugde op die voortkomt uit de overwinning van Christus, die de wereld overwint (Johannes 16,33) en met ons is tot het einde der tijden (Matteüs 28,20).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaUit een innige verbondenheid met Christus vloeit ook vanzelf een deelname voort aan zijn liefde voor de mensen, aan zijn wil hen te redden en te helpen. Hij die Christus van binnen kent, wil aan anderen de vreugde doorgeven van de verlossing die voor hem is opengebroken in de Heer: de pastorale arbeid vloeit voort uit deze gemeenschap van liefde en wordt ook in moeilijke situaties steeds door deze motivatie gevoed - en wordt zo levensvervullend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaWie liefheeft, wil kennen. Een echte liefde voor Christus drukt zich dan ook uit in de wil Hem en alles wat met Hem verband houdt te kennen. Omdat de liefde voor Christus noodzakelijk liefde voor mensen wordt, omvat de vorming tot het ambt van Christus ook de vorming tot de natuurlijke menselijke deugden. Omdat Hem liefhebben betekent Hem kennen, volgt hieruit dat een bereidwilligheid om zorgvuldig en ijverig te studeren een teken is van een hechte roeping. Omdat Christus nooit alleen is, maar komt om de mensen in zijn Lichaam bijeen te brengen, moet een liefde voor de Kerk noodzakelijk gepaard gaan met een liefde voor Christus. Christus heeft gewild ons te bereiken in de gemeenschap van zijn Kerk. In iemands vurige liefde voor de Kerk openbaart zich zijn verhouding met de Heer zelf als intiem en sterk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIk wil besluiten met de woorden van de heilige paus Gregorius de Grote, die aan de hand van oudtestamentische beelden het wezenlijk verband tussen het innerlijk leven en het ambt toont: <blockquote>“Wat zijn heilige mannen anders dan rivieren die het dorre land van het hart van vleselijke mensen bevloeien? <br>,br>Maar zowel in het werk dat zij verrichten als in de woorden waarmee zij onderrichten, zouden zij al spoedig opdrogen, als zij niet door de gerichtheid van hun hart telkens met zorg terugkeerden naar de plaats waaruit zij zijn voortgekomen. Want als zij niet naar binnen terugkeren, naar het hart, en zich daar niet in de liefde tot de Schepper met de banden van het verlangen aan Hem hechten, dan verliest de hand haar kracht voor wat zij deed, en droogt de tong op voor wat zij sprak. <br>,br>Maar innerlijk keren zij altijd door de liefde terug. En wat zij in het openbaar door handelen en spreken uitstorten, putten zij in het verborgene uit de bron van de liefde. Want door lief te hebben leren zij wat zij door te onderrichten naar buiten brengen.” lib. I, hom. V, 16[[1190]]</blockquote>
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediahttps://rkdocumenten.nl/toondocument/9899-over-de-aard-van-het-priesterschap-nl