Summa Theologiae, derde Deel
Zoekopties
Zoek in:
Alle delen
Deel Ia
Deel Ia-IIae
Deel IIa-IIae
Deel IIIa
Supplement
Alle delen
Deel Ia
Deel Ia-IIae
Deel IIa-IIae
Deel IIIa
Supplement
Taal:
Latijn
Engels
Aantal:
Latijn
Engels
Aantal:
x
Gebruik de knoppen om door de historische teksten te lopen:
Informatie over dit document
Summa Theologiae Tertia Pars
Summa Theologiae, derde Deel
IIIa (q. 1-83)
Thomas van Aquino
1274
Kerkelijke schrijvers - Summa
1936, Dominicanen
Bron: summa.gelovenleren.net. De pdf's van de boekwerken van de vertaling door de Paters Dominicanen uit het begin van de 20e eeuw, gemaakt door Carlo Beenakker, is door Vic Mortelmans voor zijn site gedigitaliseerd en gecorrigeerd (o.a. met behulp van AI). Die versie staat aan de basis van deze versie, die vervolgens nog nader gecontroleerd wordt.
De aanhef van alinea's van de Summa is aangepast aan de usance uit het vertaalwerk van Niko Schonebaum van de Prima Secundae.
Het vertalen van de ontbrekende delen wordt overwogen.
De zoekfaciliteit door de Summa wordt op termijn ook voor de Nederlandstalige versie beschikbaar gesteld.
De interne verwijzingen en de referenties naar andere bronnen wordt daarna gecontroleerd en gecorrigeerd.
Verwijzingen vanuit andere documenten naar de Summa zijn geverifieerd.
Aan de laatste bewerkingen wordt nog gewerkt.
De aanhef van alinea's van de Summa is aangepast aan de usance uit het vertaalwerk van Niko Schonebaum van de Prima Secundae.
Het vertalen van de ontbrekende delen wordt overwogen.
De zoekfaciliteit door de Summa wordt op termijn ook voor de Nederlandstalige versie beschikbaar gesteld.
De interne verwijzingen en de referenties naar andere bronnen wordt daarna gecontroleerd en gecorrigeerd.
Verwijzingen vanuit andere documenten naar de Summa zijn geverifieerd.
Aan de laatste bewerkingen wordt nog gewerkt.
1932
Groep Dominicanen uit Vlaanderen en Nederland
23 juli 2026
9035
nl
Taalopties voor dit document
Referenties naar dit document: 2
Open uitgebreid overzichtReferenties naar dit document van thema's en berichten
Open uitgebreid overzichtExtra opties voor dit document
Kopieer document-URL naar klembord Reageer op dit document Deel op social mediaInhoudsopgave
Uitklappen
- Proloog:
Omdat de verlosser, onze Heer Jezus Christus, zijn volk gered heeft van hun zonden en hun in zichzelf de weg der waarheid heeft aangewezen, waarlangs we door te verrijzen de gelukzaligheid van het eeuwige leven kunnen bereiken, daarom moeten we nu, om het gehele werk van de theologie te voltooien, ons onderzoek richten op de verlosser zelf van alle mensen en op de weldaden waarmee hij de mensheid overladen heeft.
We beschouwen daartoe allereerst de verlosser zelf, daarna zijn sacramenten, waardoor wij het heil verwerven, en ten derde het eeuwige leven dat wij door met Hem te verrijzen bereiken.
Over het eerste willen we twee dingen onderzoeken, ten eerste het mysterie zelf van de menswording, waardoor God voor ons heil mens geworden is, en ten tweede de dingen die door onze verlosser - dus door de mensgeworden God - zijn gedaan en geleden.
We beschouwen daartoe allereerst de verlosser zelf, daarna zijn sacramenten, waardoor wij het heil verwerven, en ten derde het eeuwige leven dat wij door met Hem te verrijzen bereiken.
Over het eerste willen we twee dingen onderzoeken, ten eerste het mysterie zelf van de menswording, waardoor God voor ons heil mens geworden is, en ten tweede de dingen die door onze verlosser - dus door de mensgeworden God - zijn gedaan en geleden.
Referenties naar deze alinea: 2
Tot de deelnemers aan het Internationaal Congres ter gelegenheid van de 100ste verjaardag van de encycliek Aeterni Patris ->=geentekst=De synodaliteit in het leven en de zending van de Kerk ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Over de Menswording (1-26)
- Q 1: Over de gepastheid der Menswording
IIIa q. 1 pr.
Over het eerste onderwerp zijn er drie dingen te beschouwen: en wel ten eerste de gepastheid der menswording; ten tweede, de wijze der vereniging van het mensgeworden Woord; ten derde datgene, wat uit deze vereniging volgt. Over het eerste punt worden zes vragen gesteld:
1. Was het gepast, dat God mens werd?
2. Was dit noodzakelijk voor het herstel van het menselijk geslacht?
3. Zou God mens geworden zijn, indien er geen zonde was geweest?
4. Werd Hij meer bijzonder mens om de erfzonde weg te nemen dan om de persoonlijke zonde?
5. Was het passend, dat God mens werd bij het begin der wereld?
6. Moest Zijn menswording uitgesteld worden tot aan het einde der wereld?
Over het eerste onderwerp zijn er drie dingen te beschouwen: en wel ten eerste de gepastheid der menswording; ten tweede, de wijze der vereniging van het mensgeworden Woord; ten derde datgene, wat uit deze vereniging volgt. Over het eerste punt worden zes vragen gesteld:
1. Was het gepast, dat God mens werd?
2. Was dit noodzakelijk voor het herstel van het menselijk geslacht?
3. Zou God mens geworden zijn, indien er geen zonde was geweest?
4. Werd Hij meer bijzonder mens om de erfzonde weg te nemen dan om de persoonlijke zonde?
5. Was het passend, dat God mens werd bij het begin der wereld?
6. Moest Zijn menswording uitgesteld worden tot aan het einde der wereld?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was het gepast, dat God mens werd?
IIIa q. 1 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet gepast was, dat God mens werd. Daar God immers van alle eeuwigheid het wezen zelf der goedheid is, is het allerbest, dat Hij is, zoals Hij van eeuwigheid was. Maar van eeuwigheid was Hij zonder enig menselijk element. Daarom is het meest gepast, dat Hij niet met het vlees werd verenigd. Dus was het niet gepast, dat God mens werd.
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet gepast was, dat God mens werd. Daar God immers van alle eeuwigheid het wezen zelf der goedheid is, is het allerbest, dat Hij is, zoals Hij van eeuwigheid was. Maar van eeuwigheid was Hij zonder enig menselijk element. Daarom is het meest gepast, dat Hij niet met het vlees werd verenigd. Dus was het niet gepast, dat God mens werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De vereniging van dingen, die oneindig van elkaar afstaan, is ongepast, zoals het een ongepaste samenvoeging zou geven, indien iemand een beeld schilderde, waarop aan een mensenhoofd een paardennek vast zat. Welnu, God en het vlees staan oneindig ver van elkaar af, omdat God zo eenvoudig mogelijk is, en het vlees daarentegen samengesteld, vooral het menselijke. Daarom is het ongepast, dat God met het menselijk vlees verenigd werd.
Vervolgens. De vereniging van dingen, die oneindig van elkaar afstaan, is ongepast, zoals het een ongepaste samenvoeging zou geven, indien iemand een beeld schilderde, waarop aan een mensenhoofd een paardennek vast zat. Welnu, God en het vlees staan oneindig ver van elkaar af, omdat God zo eenvoudig mogelijk is, en het vlees daarentegen samengesteld, vooral het menselijke. Daarom is het ongepast, dat God met het menselijk vlees verenigd werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Het vlees staat zover van de hoogste geest af, als het kwaad van de opperste goedheid. Welnu, het zou in alle opzichten ongepast zijn, als God, die de opperste goedheid is, zich met het kwaad verenigd had. Daarom was het niet gepast, dat de hoogste ongeschapen geest een lichaam aannam.
Vervolgens. Het vlees staat zover van de hoogste geest af, als het kwaad van de opperste goedheid. Welnu, het zou in alle opzichten ongepast zijn, als God, die de opperste goedheid is, zich met het kwaad verenigd had. Daarom was het niet gepast, dat de hoogste ongeschapen geest een lichaam aannam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Het is ongepast, dat wie het grote te boven gaat, in het kleinste wordt bevat; en dat wie voor het grote zorgen moet, zich wendt tot kleine zaken. Welnu, het heelal kan God, die de zorg draagt voor de gehele wereld, niet omvatten. Daarom schijnt het ongepast, dat Hij in het lichaampje van een schreiend kind verborgen gaat, die het heelal gering acht; en dat die Heerscher zo lang van zijn troon afwezig is, en de zorg voor de gehele wereld op een lichaampje wordt overgebracht, zoals Volusianus aan Augustinus schrijft. (Brief 135, tweede alinea, onder de brieven van Augustinus.)
Vervolgens. Het is ongepast, dat wie het grote te boven gaat, in het kleinste wordt bevat; en dat wie voor het grote zorgen moet, zich wendt tot kleine zaken. Welnu, het heelal kan God, die de zorg draagt voor de gehele wereld, niet omvatten. Daarom schijnt het ongepast, dat Hij in het lichaampje van een schreiend kind verborgen gaat, die het heelal gering acht; en dat die Heerscher zo lang van zijn troon afwezig is, en de zorg voor de gehele wereld op een lichaampje wordt overgebracht, zoals Volusianus aan Augustinus schrijft. (Brief 135, tweede alinea, onder de brieven van Augustinus.)
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 1 s. c.
Daartegenover echter staat, dat dit toch wel allergepast schijnt, dat door zichtbare dingen de onzichtbare eigenschappen van God getoond worden; want daartoe is de gehele wereld gemaakt, zoals blijkt uit het woord van de Apostel, (Brief aan de Romeinen, I, 20): "De onzichtbare eigenschappen Gods, door de gemaakte dingen begrepen, worden gezien". Welnu, zoals Damascus bij het begin van het derde boek zegt, door het geheim van de menswording "worden tegelijkertijd Gods goedheid en wijsheid en rechtvaardigheid en macht of vermogen getoond; Zijn goedheid namelijk, omdat Hij de zwakheid van Zijn eigen maaksel niet veracht heeft; dan Zijn rechtvaardigheid, omdat Hij geen ander de tiran doet overwinnen en de mens niet met geweld aan de dood ontrukt; dan Zijn wijsheid, omdat Hij de meest geschikte oplossing vond voor iets heel moeilijks; dan Zijn oneindige macht, of vermogen, omdat er niets groters is, dan dat God mens wordt". Daarom was het gepast, dat God mens werd.
B: (Rom 1:20) [b:Rom 1:20]
Daartegenover echter staat, dat dit toch wel allergepast schijnt, dat door zichtbare dingen de onzichtbare eigenschappen van God getoond worden; want daartoe is de gehele wereld gemaakt, zoals blijkt uit het woord van de Apostel, (Brief aan de Romeinen, I, 20): "De onzichtbare eigenschappen Gods, door de gemaakte dingen begrepen, worden gezien". Welnu, zoals Damascus bij het begin van het derde boek zegt, door het geheim van de menswording "worden tegelijkertijd Gods goedheid en wijsheid en rechtvaardigheid en macht of vermogen getoond; Zijn goedheid namelijk, omdat Hij de zwakheid van Zijn eigen maaksel niet veracht heeft; dan Zijn rechtvaardigheid, omdat Hij geen ander de tiran doet overwinnen en de mens niet met geweld aan de dood ontrukt; dan Zijn wijsheid, omdat Hij de meest geschikte oplossing vond voor iets heel moeilijks; dan Zijn oneindige macht, of vermogen, omdat er niets groters is, dan dat God mens wordt". Daarom was het gepast, dat God mens werd.
B: (Rom 1:20) [b:Rom 1:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 1 co.
Mijn antwoord. Voor iedere ding is dat gepast, wat er aan toekomt volgens de zijnswijze van zijn eigen natuur, zoals het de mens past te redeneren, omdat hem dat toekomt in zover hij, naar zijn natuur, verstandelijk is. Nu is goedheid de natuur zelf van God, zoals blijkt uit Dionysius in het 1e hoofdstuk uit het boek Over de goddelijke Namen. Daarom komt alles, wat tot het begrip van het goede behoort, op gepaste wijze aan God toe. Een der eigenschappen van het goede nu, is dat het zich aan anderen mededeelt, zoals blijkt uit Dionysius, in het 4e hoofdstuk uit het boek Over de goddelijke Namen. Daarvandaan behoort het tot de eigenschappen van het hoogste goed, dat het zich op de hoogste wijze aan het schepsel mededeelt. Dit nu geschiedt vooral hierdoor, dat het "een geschapen natuur zó met zich verenigt, dat er een persoon ontstaat uit drie dingen, het Woord, de ziel en het vlees", zoals Augustinus zegt in het 13e boek Over de Drievuldigheid. Daarom is het duidelijk, dat Gods menswording allergepast was.
Mijn antwoord. Voor iedere ding is dat gepast, wat er aan toekomt volgens de zijnswijze van zijn eigen natuur, zoals het de mens past te redeneren, omdat hem dat toekomt in zover hij, naar zijn natuur, verstandelijk is. Nu is goedheid de natuur zelf van God, zoals blijkt uit Dionysius in het 1e hoofdstuk uit het boek Over de goddelijke Namen. Daarom komt alles, wat tot het begrip van het goede behoort, op gepaste wijze aan God toe. Een der eigenschappen van het goede nu, is dat het zich aan anderen mededeelt, zoals blijkt uit Dionysius, in het 4e hoofdstuk uit het boek Over de goddelijke Namen. Daarvandaan behoort het tot de eigenschappen van het hoogste goed, dat het zich op de hoogste wijze aan het schepsel mededeelt. Dit nu geschiedt vooral hierdoor, dat het "een geschapen natuur zó met zich verenigt, dat er een persoon ontstaat uit drie dingen, het Woord, de ziel en het vlees", zoals Augustinus zegt in het 13e boek Over de Drievuldigheid. Daarom is het duidelijk, dat Gods menswording allergepast was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Het geheim der menswording is niet hierdoor voltrokken, dat God op een of andere wijze van zijn toestand veranderd is, waarin Hij van eeuwigheid niet geweest is; maar hierdoor, dat Hij zich op een nieuwe wijze met het schepsel, of liever het schepsel met Zich, verenigd heeft. Nu is het passend dat het schepsel, dat naar zijn aard veranderlijk is, zich niet altijd op dezelfde manier voordoet. En daarom, zoals het schepsel tot bestaan gebracht is, hoewel het eerst niet was, zo is het heel gepast, al was het eerst niet met God verenigd, later met Hem verenigd.
1e Weerlegging. Het geheim der menswording is niet hierdoor voltrokken, dat God op een of andere wijze van zijn toestand veranderd is, waarin Hij van eeuwigheid niet geweest is; maar hierdoor, dat Hij zich op een nieuwe wijze met het schepsel, of liever het schepsel met Zich, verenigd heeft. Nu is het passend dat het schepsel, dat naar zijn aard veranderlijk is, zich niet altijd op dezelfde manier voordoet. En daarom, zoals het schepsel tot bestaan gebracht is, hoewel het eerst niet was, zo is het heel gepast, al was het eerst niet met God verenigd, later met Hem verenigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Met God in eenheid van persoon verenigd te worden paste niet aan het menselijk vlees, naar de aard van zijn natuur, want dat was boven zijn waardigheid. Het paste echter aan God, volgens de oneindige uitgestrektheid van Zijn goedheid, dat Hij het met Zich verenigde om wille van het heil der mensen.
2e Weerlegging. Met God in eenheid van persoon verenigd te worden paste niet aan het menselijk vlees, naar de aard van zijn natuur, want dat was boven zijn waardigheid. Het paste echter aan God, volgens de oneindige uitgestrektheid van Zijn goedheid, dat Hij het met Zich verenigde om wille van het heil der mensen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Iedere andere toestand, waarin elk schepsel van de Schepper verschilt, is door Gods wijsheid te weeg gebracht, en tot Gods goedheid geordend; om wille van Zijn goedheid immers heeft God, die ongeschapen, onveranderlijk en lichaamloos is, veranderlijke en lichamelijke schepsels voortgebracht; en evenzo is het kwaad van de straf door Gods rechtvaardigheid ingevoerd om Gods eer. Maar het kwaad van de schuld wordt bedreven door af te wijken van Gods wijze manier van doen en van de orde der goddelijke goedheid. En daarom kon Hij passend een geschapen, veranderlijke, lichamelijke en aan straffen onderworpen natuur aannemen; maar het paste Hem niet het kwaad der schuld aan te nemen.
3e Weerlegging. Iedere andere toestand, waarin elk schepsel van de Schepper verschilt, is door Gods wijsheid te weeg gebracht, en tot Gods goedheid geordend; om wille van Zijn goedheid immers heeft God, die ongeschapen, onveranderlijk en lichaamloos is, veranderlijke en lichamelijke schepsels voortgebracht; en evenzo is het kwaad van de straf door Gods rechtvaardigheid ingevoerd om Gods eer. Maar het kwaad van de schuld wordt bedreven door af te wijken van Gods wijze manier van doen en van de orde der goddelijke goedheid. En daarom kon Hij passend een geschapen, veranderlijke, lichamelijke en aan straffen onderworpen natuur aannemen; maar het paste Hem niet het kwaad der schuld aan te nemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Zoals Augustinus antwoordt in de Brief aan Volusianus, (brief 137), "houdt de christelijke leer niet dit in, dat God zóó in het menselijk vlees is nedergedaald, dat Hij de zorg over het bestuur van het heelal in de steek gelaten of verloren heeft, of, haar als het ware samentrekkend, op dit lichaampje heeft overgebracht; dat is een opvatting van mensen, die aan niets dan aan een lichaam kunnen denken. God echter is niet groot in massa, maar in kracht; daarom ondervindt de grootheid van zijn kracht geen benauwdheid in een nauwe ruimte. Daarom is het niet ongelooflijk dat, zoals het door een mens uitgesproken woord tegelijk door velen wordt gehoord en door iedereen volledig, zo ook het blijvende Woord Gods overal tegelijk volledig aanwezig is". Zo volgt er niets ongepasts uit Gods menswording.
4e Weerlegging. Zoals Augustinus antwoordt in de Brief aan Volusianus, (brief 137), "houdt de christelijke leer niet dit in, dat God zóó in het menselijk vlees is nedergedaald, dat Hij de zorg over het bestuur van het heelal in de steek gelaten of verloren heeft, of, haar als het ware samentrekkend, op dit lichaampje heeft overgebracht; dat is een opvatting van mensen, die aan niets dan aan een lichaam kunnen denken. God echter is niet groot in massa, maar in kracht; daarom ondervindt de grootheid van zijn kracht geen benauwdheid in een nauwe ruimte. Daarom is het niet ongelooflijk dat, zoals het door een mens uitgesproken woord tegelijk door velen wordt gehoord en door iedereen volledig, zo ook het blijvende Woord Gods overal tegelijk volledig aanwezig is". Zo volgt er niets ongepasts uit Gods menswording.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was het nodig voor het herstel van het menselijk geslacht dat Gods Woord mens werd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 1 a. 3 arg. 1
IIIa q. 46 a. 1 ad 3[t:iiia q. 1 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 46 a. 1 ad 3]
IIIa q. 1 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het niet noodzakelijk was voor het herstel van het menselijk geslacht, dat Gods Woord mens werd. Want omdat Gods Woord, zoals in het eerste deel uiteengezet is, de volmaakte God is, heeft Het geen kracht verkregen door het aannemen van het vlees. Als dus het mensgeworden Woord de natuur hersteld heeft, kon Het haar ook herstellen zonder het vlees aan te nemen.
R: I q. 4 a. 1[t:ia q. 4 a. 1] I q. 4 a. 2[t:ia q. 4 a. 2] Ia q. 27 a. 2 ad 2[t:ia q. 27 a. 2 ad 2]
IIIa q. 1 a. 3 arg. 1
IIIa q. 46 a. 1 ad 3[t:iiia q. 1 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 46 a. 1 ad 3]
IIIa q. 1 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het niet noodzakelijk was voor het herstel van het menselijk geslacht, dat Gods Woord mens werd. Want omdat Gods Woord, zoals in het eerste deel uiteengezet is, de volmaakte God is, heeft Het geen kracht verkregen door het aannemen van het vlees. Als dus het mensgeworden Woord de natuur hersteld heeft, kon Het haar ook herstellen zonder het vlees aan te nemen.
R: I q. 4 a. 1[t:ia q. 4 a. 1] I q. 4 a. 2[t:ia q. 4 a. 2] Ia q. 27 a. 2 ad 2[t:ia q. 27 a. 2 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Tot het herstel van de menselijke natuur, die door de zonde ineengestort was, scheen niets anders vereist te worden, dan dat de mens voldoening gaf voor de zonde. Want God moet van de mens niet meer eisen dan hij kan; en omdat Hij meer geneigd is om medelijden te hebben dan om te straffen, schijnt het dat Hij, zoals Hij de mens de zondedaad heeft toegerekend, Hem zo ook de tegenovergestelde daad moet aanrekenen tot vernietiging der zonde. Daarom was het niet noodzakelijk voor het herstel van het menselijk geslacht, dat Gods Woord mens werd.
Vervolgens. Tot het herstel van de menselijke natuur, die door de zonde ineengestort was, scheen niets anders vereist te worden, dan dat de mens voldoening gaf voor de zonde. Want God moet van de mens niet meer eisen dan hij kan; en omdat Hij meer geneigd is om medelijden te hebben dan om te straffen, schijnt het dat Hij, zoals Hij de mens de zondedaad heeft toegerekend, Hem zo ook de tegenovergestelde daad moet aanrekenen tot vernietiging der zonde. Daarom was het niet noodzakelijk voor het herstel van het menselijk geslacht, dat Gods Woord mens werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Tot het heil van de mens behoort allereerst, dat Hij God eerbiedigt; vandaar, dat bij (Mal. 1, 6, Malachias (1, 6)) [b:Mal. 1, 6], gezegd wordt: "Als ik de Heer ben, waar is de vrees voor mij? Als ik Vader ben, waar is mijn eer?" Maar hierom juist vereren de mensen God meer, dat zij Hem beschouwen als boven alles verheven, en ver van de menselijke waarneming verwijderd; vandaar dat in de (Ps. 113, 4, Psalm (113 (113), 4)) [b:Ps. 113, 4], gezegd wordt: "Verheven boven alle volkeren is de Heer en boven de hemelen is Zijn glorie", en (Ps. 113, 5, verderop) [b:Ps. 113, 5] volgt: "Wie is zoals de Heer, onze God?", wat een uiting van eerbied is. Daarom schijnt het aan het menselijk heil niet aangepast te zijn, dat God aan ons gelijk werd door het vlees aan te nemen.
B: (Ps 113, 4.5, Ps. 113 (112), 4-5) [b:Ps 113, 4.5] (Mal 1:6) [b:Mal 1:6]
Vervolgens. Tot het heil van de mens behoort allereerst, dat Hij God eerbiedigt; vandaar, dat bij (Mal. 1, 6, Malachias (1, 6)) [b:Mal. 1, 6], gezegd wordt: "Als ik de Heer ben, waar is de vrees voor mij? Als ik Vader ben, waar is mijn eer?" Maar hierom juist vereren de mensen God meer, dat zij Hem beschouwen als boven alles verheven, en ver van de menselijke waarneming verwijderd; vandaar dat in de (Ps. 113, 4, Psalm (113 (113), 4)) [b:Ps. 113, 4], gezegd wordt: "Verheven boven alle volkeren is de Heer en boven de hemelen is Zijn glorie", en (Ps. 113, 5, verderop) [b:Ps. 113, 5] volgt: "Wie is zoals de Heer, onze God?", wat een uiting van eerbied is. Daarom schijnt het aan het menselijk heil niet aangepast te zijn, dat God aan ons gelijk werd door het vlees aan te nemen.
B: (Ps 113, 4.5, Ps. 113 (112), 4-5) [b:Ps 113, 4.5] (Mal 1:6) [b:Mal 1:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat hetgeen waardoor het mensengeslacht van het verderf bevrijd wordt, noodzakelijk is voor het heil van de mensen. Welnu, het geheim van de goddelijke menswording behoort daartoe, volgens dat woord van (Joh. 3, 16, Johannes, (3, 16)) [b:Joh. 3, 16]: "Zozeer heeft God de wereld bemind, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat al wie in Hem gelooft, niet zou omkomen, maar eeuwig leven hebben". Dus was het nodig voor het heil der mensen, dat God mens werd.
B: (John 3:16) [b:John 3:16]
Maar daartegenover staat, dat hetgeen waardoor het mensengeslacht van het verderf bevrijd wordt, noodzakelijk is voor het heil van de mensen. Welnu, het geheim van de goddelijke menswording behoort daartoe, volgens dat woord van (Joh. 3, 16, Johannes, (3, 16)) [b:Joh. 3, 16]: "Zozeer heeft God de wereld bemind, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat al wie in Hem gelooft, niet zou omkomen, maar eeuwig leven hebben". Dus was het nodig voor het heil der mensen, dat God mens werd.
B: (John 3:16) [b:John 3:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 2 co.
Mijn antwoord. Op een dubbele wijze, zegt men, is iets nodig voor een doel:
- ofwel, als datgene, zonder hetwelk iets niet kan zijn, zoals eten nodig is voor het behoud van het menselijk leven;
- ofwel, als datgene waardoor men beter en geschikter tot het doel komt, zoals een paard nodig is voor een reis.
- - Volgens de eerste wijze van het spreken was het niet noodzakelijk voor het herstel van de menselijke natuur, dat God mens werd; God immers kon door Zijn oneindige macht de menselijke natuur op vele andere wijzen herstellen.
- - Maar volgens de tweede manier van spreken was Gods menswording noodzakelijk voor het herstel van de menselijke natuur. Daarom zegt Augustinus in het 13e boek De Trinitate - Over de Drievuldigheid[905|+0]: "Wij willen aantonen, dat het God, aan wiens macht alles evenzeer onderworpen is, niet aan een andere mogelijke wijze ontbroken heeft, maar dat er voor het helen van onze ellende geen andere, meer geschikte manier was".
Dit nu kan beschouwd worden met betrekking tot het vooruit helpen van de mens in het goede.
1. Op de eerste plaats met betrekking tot het geloof, dat een grotere zekerheid krijgt uit het feit, dat het gelooft in God, die zelf spreekt. Vandaar dat Augustinus zegt in het 11e boek De Civitate Dei - Over de Stad Gods[857|+0] (hfd. 2): "Opdat de mens met meer vertrouwen de weg naar de waarheid zou bewandelen, heeft de Waarheid zelf, Gods Zoon, na het aannemen van de menselijke natuur het geloof bevestigd en gegrondvest".
2. Op de tweede plaats, wat betreft de hoop, die hierdoor zo hoog mogelijk wordt opgevoerd. Daarom zegt Augustinus in het 13e boek De Civitate Dei - Over de Drievuldigheid[857|+0] (hfd. 2): "Niets was zo nodig om onze hoop op te voeren, dat dat ons getoond werd, hoezeer God ons beminde. Maar welk kenteken hiervan is duidelijker, dan dat Gods Zoon zich gewaardigd heeft onze deelgenoot te worden in de menselijke natuur?"
3. Ten derde met betrekking tot de liefde, die hierdoor zo sterk mogelijk ontvlamd wordt. Daarom zegt Augustinus in het boek De catechizandis rudibus - Over het Geloofsonderricht voor niet-ontwikkelden[906|+0] (hfd. 4): "Wat is er meer oorzaak van de komst des Heren, dan dat God zijn liefde voor ons wil tonen?" En verder voegt hij er aan toe: "Als het ons te veel is te beminnen, laat het ten minste niet te veel zijn liefde te beantwoorden".
4. Ten vierde wat betreft het goed handelen, waarin Hij zich ons tot voorbeeld heeft gegeven. Vandaar dat Augustinus zegt in een Sermones - preek Over de Geboorte des Heren (22 de Temp.)[880|+0]: "De mens, die men zien kon, moest men niet navolgen; God, die niet gezien kon worden, moest men navolgen. Opdat dus iemand aan de mensen zou getoond worden, die én door de mens gezien, én nagevolgd moest worden, is God mens geworden".
5. Ten vijfde met betrekking tot het volledig deel hebben aan de godheid, waarin waarlijk het geluk van de mens en het doel van het menselijk leven ligt. En dit is ons gebracht door de mensheid van Christus, want Augustinus zegt in een Sermones - preek Over de geboorte des Heren (13e de Temp.)[880|+0]: "God is mens geworden, opdat de mens God worden zou".
En dit is evenzeer nuttig voor het verwijderen van het kwaad.
A. Want op de eerste plaats wordt de mens hierdoor onderricht, dat hij de duivel niet boven zichzelf moet stellen en hem vereren, die de bewerker der zonde is. Daarom zegt Augustinus in het 13e boek De Trinitate - Over de Drievuldigheid[905|+0]: "Als God zo met de menselijke natuur kon verenigd worden, dat het een persoon werd, mogen die trotsche kwaadwillende geesten het niet wagen zich boven de mens te stellen, omdat zij geen lichaam hebben".
B. Ten tweede, omdat wij daardoor onderricht worden, hoe groot de waardigheid van de menselijke natuur is, opdat wij haar niet door zonde bezoedelen. Daarom zegt Augustinus in het boek De vera religione - Over de Ware Godsdienst (hfd. 16)[2206|+0]: "God heeft ons aangetoond, welk een verheven plaats de menselijke natuur onder de schepselen inneemt, hierdoor, dat Hij aan de mensen in (het lichaam van) een waren mens verschenen is". En Paus Leo zegt in een preek Over de Geboorte - Paus Leo zegt in een preek Over de Geboorte[9083|3]: "Erken, o Christen, Uw waardigheid, en nu gij deelachtig geworden zijt aan de goddelijke natuur, wilt niet meer door een ontaard leven tot uw oude laagheid terugkeren".
C. Ten derde, omdat tot het wegnemen van de ingebeeldheid van de mens, "zonder dat er enige verdienste aan vooraf ging, ons de genade Gods in de mens Christus wordt gegeven", zoals gezegd wordt in het dertiende boek De Trinitate - Over de Drieëenheid[905|+0].
D. Ten vierde, omdat "de hoogmoed van de mens, die de grootste hinderpaal is om zich aan God te hechten, door zulk een nederigheid van God zou kunnen beschamd worden en geheeld", zoals Augustinus op De Trinitate - dezelfde plaats[905|+0] zegt.
E. Ten vijfde om de mens te verlossen van de slavernij. Dit namelijk, zoals Augustinus zegt in het 13e boek De Trinitate - Over de Drievuldigheid ((hfd. 13)[905|+0], "moest zo geschieden, dat de duivel door de rechtvaardigheid van de mens Jezus Christus zou overwonnen worden"; wat geschied is, doordat Christus voor ons voldoening gaf. Een mens echter zonder meer kon geen voldoening geven voor geheel het menselijk geslacht; God daarentegen moest geen voldoening geven; daarom moest Jezus Christus God en mens zijn. Daarom zegt ook Paus Leo in de preek Over de Geboorte - Paus Leo in de preek Over de Geboorte[9083|2]: "De zwakheid wordt door de kracht opgebeurd, de nederigheid door de verhevenheid; zodat, passend voor onze genezing, de ene en zelfde middelaar tussen God en de mensen om reden van het ene kon sterven, en om reden van het andere verrijzen. Want als Hij niet waarlijk God was, zou Hij geen geneesmiddel brengen; als Hij niet waarlijk mens was, zou Hij geen voorbeeld geven".
Bovendien zijn er nog veel andere voordelen, die er uit volgen kunnen, boven het bevattingsvermogen van het menselijk inzicht.
R: De vera religione - XVI[[2206|+0]] De Civitate Dei - B. 11 c. 10[[857|+0]] De Trinitate - Boeken 13 en 17[[905|+0]] Sermones - 13 in Temp[[880|+0]] Sermones - 22 de Temp.[[880|+0]] Paus Leo in de preek Over de Geboorte[[9083|2]] De catechizandis rudibus - hfd. 4[[906|+0]]
Mijn antwoord. Op een dubbele wijze, zegt men, is iets nodig voor een doel:
- ofwel, als datgene, zonder hetwelk iets niet kan zijn, zoals eten nodig is voor het behoud van het menselijk leven;
- ofwel, als datgene waardoor men beter en geschikter tot het doel komt, zoals een paard nodig is voor een reis.
- - Volgens de eerste wijze van het spreken was het niet noodzakelijk voor het herstel van de menselijke natuur, dat God mens werd; God immers kon door Zijn oneindige macht de menselijke natuur op vele andere wijzen herstellen.
- - Maar volgens de tweede manier van spreken was Gods menswording noodzakelijk voor het herstel van de menselijke natuur. Daarom zegt Augustinus in het 13e boek De Trinitate - Over de Drievuldigheid[905|+0]: "Wij willen aantonen, dat het God, aan wiens macht alles evenzeer onderworpen is, niet aan een andere mogelijke wijze ontbroken heeft, maar dat er voor het helen van onze ellende geen andere, meer geschikte manier was".
Dit nu kan beschouwd worden met betrekking tot het vooruit helpen van de mens in het goede.
1. Op de eerste plaats met betrekking tot het geloof, dat een grotere zekerheid krijgt uit het feit, dat het gelooft in God, die zelf spreekt. Vandaar dat Augustinus zegt in het 11e boek De Civitate Dei - Over de Stad Gods[857|+0] (hfd. 2): "Opdat de mens met meer vertrouwen de weg naar de waarheid zou bewandelen, heeft de Waarheid zelf, Gods Zoon, na het aannemen van de menselijke natuur het geloof bevestigd en gegrondvest".
2. Op de tweede plaats, wat betreft de hoop, die hierdoor zo hoog mogelijk wordt opgevoerd. Daarom zegt Augustinus in het 13e boek De Civitate Dei - Over de Drievuldigheid[857|+0] (hfd. 2): "Niets was zo nodig om onze hoop op te voeren, dat dat ons getoond werd, hoezeer God ons beminde. Maar welk kenteken hiervan is duidelijker, dan dat Gods Zoon zich gewaardigd heeft onze deelgenoot te worden in de menselijke natuur?"
3. Ten derde met betrekking tot de liefde, die hierdoor zo sterk mogelijk ontvlamd wordt. Daarom zegt Augustinus in het boek De catechizandis rudibus - Over het Geloofsonderricht voor niet-ontwikkelden[906|+0] (hfd. 4): "Wat is er meer oorzaak van de komst des Heren, dan dat God zijn liefde voor ons wil tonen?" En verder voegt hij er aan toe: "Als het ons te veel is te beminnen, laat het ten minste niet te veel zijn liefde te beantwoorden".
4. Ten vierde wat betreft het goed handelen, waarin Hij zich ons tot voorbeeld heeft gegeven. Vandaar dat Augustinus zegt in een Sermones - preek Over de Geboorte des Heren (22 de Temp.)[880|+0]: "De mens, die men zien kon, moest men niet navolgen; God, die niet gezien kon worden, moest men navolgen. Opdat dus iemand aan de mensen zou getoond worden, die én door de mens gezien, én nagevolgd moest worden, is God mens geworden".
5. Ten vijfde met betrekking tot het volledig deel hebben aan de godheid, waarin waarlijk het geluk van de mens en het doel van het menselijk leven ligt. En dit is ons gebracht door de mensheid van Christus, want Augustinus zegt in een Sermones - preek Over de geboorte des Heren (13e de Temp.)[880|+0]: "God is mens geworden, opdat de mens God worden zou".
En dit is evenzeer nuttig voor het verwijderen van het kwaad.
A. Want op de eerste plaats wordt de mens hierdoor onderricht, dat hij de duivel niet boven zichzelf moet stellen en hem vereren, die de bewerker der zonde is. Daarom zegt Augustinus in het 13e boek De Trinitate - Over de Drievuldigheid[905|+0]: "Als God zo met de menselijke natuur kon verenigd worden, dat het een persoon werd, mogen die trotsche kwaadwillende geesten het niet wagen zich boven de mens te stellen, omdat zij geen lichaam hebben".
B. Ten tweede, omdat wij daardoor onderricht worden, hoe groot de waardigheid van de menselijke natuur is, opdat wij haar niet door zonde bezoedelen. Daarom zegt Augustinus in het boek De vera religione - Over de Ware Godsdienst (hfd. 16)[2206|+0]: "God heeft ons aangetoond, welk een verheven plaats de menselijke natuur onder de schepselen inneemt, hierdoor, dat Hij aan de mensen in (het lichaam van) een waren mens verschenen is". En Paus Leo zegt in een preek Over de Geboorte - Paus Leo zegt in een preek Over de Geboorte[9083|3]: "Erken, o Christen, Uw waardigheid, en nu gij deelachtig geworden zijt aan de goddelijke natuur, wilt niet meer door een ontaard leven tot uw oude laagheid terugkeren".
C. Ten derde, omdat tot het wegnemen van de ingebeeldheid van de mens, "zonder dat er enige verdienste aan vooraf ging, ons de genade Gods in de mens Christus wordt gegeven", zoals gezegd wordt in het dertiende boek De Trinitate - Over de Drieëenheid[905|+0].
D. Ten vierde, omdat "de hoogmoed van de mens, die de grootste hinderpaal is om zich aan God te hechten, door zulk een nederigheid van God zou kunnen beschamd worden en geheeld", zoals Augustinus op De Trinitate - dezelfde plaats[905|+0] zegt.
E. Ten vijfde om de mens te verlossen van de slavernij. Dit namelijk, zoals Augustinus zegt in het 13e boek De Trinitate - Over de Drievuldigheid ((hfd. 13)[905|+0], "moest zo geschieden, dat de duivel door de rechtvaardigheid van de mens Jezus Christus zou overwonnen worden"; wat geschied is, doordat Christus voor ons voldoening gaf. Een mens echter zonder meer kon geen voldoening geven voor geheel het menselijk geslacht; God daarentegen moest geen voldoening geven; daarom moest Jezus Christus God en mens zijn. Daarom zegt ook Paus Leo in de preek Over de Geboorte - Paus Leo in de preek Over de Geboorte[9083|2]: "De zwakheid wordt door de kracht opgebeurd, de nederigheid door de verhevenheid; zodat, passend voor onze genezing, de ene en zelfde middelaar tussen God en de mensen om reden van het ene kon sterven, en om reden van het andere verrijzen. Want als Hij niet waarlijk God was, zou Hij geen geneesmiddel brengen; als Hij niet waarlijk mens was, zou Hij geen voorbeeld geven".
Bovendien zijn er nog veel andere voordelen, die er uit volgen kunnen, boven het bevattingsvermogen van het menselijk inzicht.
R: De vera religione - XVI[[2206|+0]] De Civitate Dei - B. 11 c. 10[[857|+0]] De Trinitate - Boeken 13 en 17[[905|+0]] Sermones - 13 in Temp[[880|+0]] Sermones - 22 de Temp.[[880|+0]] Paus Leo in de preek Over de Geboorte[[9083|2]] De catechizandis rudibus - hfd. 4[[906|+0]]
Referenties naar deze alinea: 1
Enkele vraagstukken over God als Verlosser ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Deze redenering gaat uit van iets noodzakelijks in de eerste betekenis, namelijk datgene, zonder wat men het doel niet bereiken kan.
1e Weerlegging. Deze redenering gaat uit van iets noodzakelijks in de eerste betekenis, namelijk datgene, zonder wat men het doel niet bereiken kan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Een voldoening kan toereikend genoemd worden op twee manieren. Op de eerste manier, volmaakt: omdat zij volwaardig is door een soort gelijkheid, waardoor zij opweegt tegen de begane schuld. En zo kon de voldoening van een mens zonder meer niet toereikend zijn, want de gehele menselijke natuur was door de zonde bedorven, en het goede van een persoon, of zelfs van meerderen kon niet door gelijkwaardigheid de schade aan de gehele natuur vergoeden. Ook hierom, omdat de zonde tegen God bedreven een soort van oneindigheid bezit, wegens de oneindigheid van de goddelijke verhevenheid: want een schuld is zoveel te zwaarder, naarmate hij groter is, tegen wie en men misdoet. Daarom was het noodig voor een volwaardige voldoening, dat de daad van hem, die voldoening gaf, een oneindige kracht van uitwerking had, als bijvoorbeeld van iemand, die God en mens is. Op een andere manier kan een voldoening toereikend genoemd worden, namelijk onvolmaakt; en wel in zover hij, d.w.z. er mee tevreden is, haar aanneemt, ook al is zij niet gelijkwaardig. En zo is de voldoening van een mens zonder meer voldoende. En omdat alles wat onvolmaakt is, iets volmaakts veronderstelt, waardoor het geschraagd kan worden, daarom heeft elke voldoening van een mens zonder meer haar uitwerkende kracht door de voldoening van Christus.
2e Weerlegging. Een voldoening kan toereikend genoemd worden op twee manieren. Op de eerste manier, volmaakt: omdat zij volwaardig is door een soort gelijkheid, waardoor zij opweegt tegen de begane schuld. En zo kon de voldoening van een mens zonder meer niet toereikend zijn, want de gehele menselijke natuur was door de zonde bedorven, en het goede van een persoon, of zelfs van meerderen kon niet door gelijkwaardigheid de schade aan de gehele natuur vergoeden. Ook hierom, omdat de zonde tegen God bedreven een soort van oneindigheid bezit, wegens de oneindigheid van de goddelijke verhevenheid: want een schuld is zoveel te zwaarder, naarmate hij groter is, tegen wie en men misdoet. Daarom was het noodig voor een volwaardige voldoening, dat de daad van hem, die voldoening gaf, een oneindige kracht van uitwerking had, als bijvoorbeeld van iemand, die God en mens is. Op een andere manier kan een voldoening toereikend genoemd worden, namelijk onvolmaakt; en wel in zover hij, d.w.z. er mee tevreden is, haar aanneemt, ook al is zij niet gelijkwaardig. En zo is de voldoening van een mens zonder meer voldoende. En omdat alles wat onvolmaakt is, iets volmaakts veronderstelt, waardoor het geschraagd kan worden, daarom heeft elke voldoening van een mens zonder meer haar uitwerkende kracht door de voldoening van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Door het vlees aan te nemen, heeft God zijn verhevenheid niet verminderd, en dientengevolge wordt de reden om Hem te vereren niet geringer. Zij wordt sterker doordat onze kennis van Hem toeneemt. Maar door dat Hij ons nader wilde komen, door het vlees aan te nemen, heeft Hij ons tot zich getrokken, om Hem meer te kennen.
3e Weerlegging. Door het vlees aan te nemen, heeft God zijn verhevenheid niet verminderd, en dientengevolge wordt de reden om Hem te vereren niet geringer. Zij wordt sterker doordat onze kennis van Hem toeneemt. Maar door dat Hij ons nader wilde komen, door het vlees aan te nemen, heeft Hij ons tot zich getrokken, om Hem meer te kennen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Zou God, indien de mens niet gezondigd zou hebben, niettemin mens geworden zijn?
IIIa q. 1 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat indien de mens niet gezondigd zou hebben, God niettemin mens zou geworden zijn. Want als de oorzaak blijft, blijft het gevolg. Welnu, zoals Augustinus zegt in het 13e boek *Over de Drievuldigheid*, "zijn er veel andere zaken te bedenken bij Christus menswording" dan de vrijspraak van de zonden, waarover gehandeld is. Daarom zou God, ook als de mens niet gezondigd had, mens geworden zijn.
R: q. 1 a. 2[t:iiia q. 1 a. 2]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat indien de mens niet gezondigd zou hebben, God niettemin mens zou geworden zijn. Want als de oorzaak blijft, blijft het gevolg. Welnu, zoals Augustinus zegt in het 13e boek *Over de Drievuldigheid*, "zijn er veel andere zaken te bedenken bij Christus menswording" dan de vrijspraak van de zonden, waarover gehandeld is. Daarom zou God, ook als de mens niet gezondigd had, mens geworden zijn.
R: q. 1 a. 2[t:iiia q. 1 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Het is een eigenschap van de almacht der goddelijke kracht, dat zij haar werken tot volmaaktheid brengt en zich openbaart door iets oneindigs voort te brengen. Maar geen schepsel zonder meer kan een oneindig gevolg genoemd worden, daar het in zijn wezen eindig is. Welnu, alleen in het werk der menswording schijnt een oneindig gevolg der goddelijke macht zich te openbaren, en wel hierdoor, dat dingen, die oneindig van elkaar verwijderd zijn, verenigd worden, in zover het gebeurde, dat een mens God zou zijn. Ook schijnt het heelal vooral in dit werk tot volmaaktheid te komen, doordat het laatste schepsel, namelijk de mens, met het eerste beginsel, namelijk God, verenigd wordt. Daarom, ook al had de mens niet gezondigd, zou God mens geworden zijn.
Vervolgens. Het is een eigenschap van de almacht der goddelijke kracht, dat zij haar werken tot volmaaktheid brengt en zich openbaart door iets oneindigs voort te brengen. Maar geen schepsel zonder meer kan een oneindig gevolg genoemd worden, daar het in zijn wezen eindig is. Welnu, alleen in het werk der menswording schijnt een oneindig gevolg der goddelijke macht zich te openbaren, en wel hierdoor, dat dingen, die oneindig van elkaar verwijderd zijn, verenigd worden, in zover het gebeurde, dat een mens God zou zijn. Ook schijnt het heelal vooral in dit werk tot volmaaktheid te komen, doordat het laatste schepsel, namelijk de mens, met het eerste beginsel, namelijk God, verenigd wordt. Daarom, ook al had de mens niet gezondigd, zou God mens geworden zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 3 arg. 3
Vervolgens. De menselijke natuur is door de zonde niet ontvankelijker voor de genade gemaakt. Maar na de zonde is zij ontvankelijk voor de genade der vereniging, die de grootste genade is. Daarom zou de menselijke natuur, als de mens niet gezondigd had, voor deze genade ontvankelijk zijn geweest. En God zou aan de mens geen goed onthouden hebben, waarvoor hij ontvankelijk was. Daarom zou God, als de mens niet gezondigd had, mens geworden zijn.
Vervolgens. De menselijke natuur is door de zonde niet ontvankelijker voor de genade gemaakt. Maar na de zonde is zij ontvankelijk voor de genade der vereniging, die de grootste genade is. Daarom zou de menselijke natuur, als de mens niet gezondigd had, voor deze genade ontvankelijk zijn geweest. En God zou aan de mens geen goed onthouden hebben, waarvoor hij ontvankelijk was. Daarom zou God, als de mens niet gezondigd had, mens geworden zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 3 arg. 4
Vervolgens. De voorbestemming Gods is eeuwig. Maar Christus is, zoals in de Brief aan de Romeinen (1, 4) van Hem gezegd wordt, "voorbestemd in kracht om Gods Zoon te zijn". Daarom was het ook vóór de zonde noodzakelijk, dat Gods Zoon mens werd, opdat Gods voorbestemming zou vervuld worden.
B: (Rom 1:4) [b:Rom 1:4]
Vervolgens. De voorbestemming Gods is eeuwig. Maar Christus is, zoals in de Brief aan de Romeinen (1, 4) van Hem gezegd wordt, "voorbestemd in kracht om Gods Zoon te zijn". Daarom was het ook vóór de zonde noodzakelijk, dat Gods Zoon mens werd, opdat Gods voorbestemming zou vervuld worden.
B: (Rom 1:4) [b:Rom 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 3 arg. 5
Vervolgens. Het geheim van de menswording is aan de eerste mens geopenbaard, zoals blijkt uit het feit, dat hij zei: "dit is nu been uit mijn beenderen", wat zoals de apostel zegt "een groot geheim is in Christus en de Kerk", zoals blijkt uit de Brief aan de Ephesiërs (5, 32). Maar de mens kon zijn val niet van tevoren weten, om dezelfde reden als de engel, zoals Augustinus bewijst in zijn Letterlijke verklaring van het boek der Schepping (11° B., 18° H). Daarom zou God, ook als de mens niet gezondigd had, mens geworden zijn.
B: (Gen 2:23) [b:Gen 2:23] (Eph 5:32) [b:Eph 5:32]
Vervolgens. Het geheim van de menswording is aan de eerste mens geopenbaard, zoals blijkt uit het feit, dat hij zei: "dit is nu been uit mijn beenderen", wat zoals de apostel zegt "een groot geheim is in Christus en de Kerk", zoals blijkt uit de Brief aan de Ephesiërs (5, 32). Maar de mens kon zijn val niet van tevoren weten, om dezelfde reden als de engel, zoals Augustinus bewijst in zijn Letterlijke verklaring van het boek der Schepping (11° B., 18° H). Daarom zou God, ook als de mens niet gezondigd had, mens geworden zijn.
B: (Gen 2:23) [b:Gen 2:23] (Eph 5:32) [b:Eph 5:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 3 s. c.
Daartegenover echter staat, dat Augustinus zegt in het boek Over de Woorden des Heren, als hij uitlegt wat wij bij Lucas (19, 10) lezen: "De mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was": "Als de mens niet had gezondigd, zou de mensenzoon niet gekomen zijn". En bij de Eerste Brief aan Timotheüs (1, 15), tot uitleg van dit woord: "Christus is in deze wereld gekomen om zondaren zalig te maken", zegt de Glossa: "Geen reden tot komen was er voor Christus de Heer, tenzij het zalig maken van de zondaars. Neem de ziekten, neem de wonden weg, en er is geen reden meer voor geneesmiddelen".
B: (Luke 19:10) [b:Luke 19:10] (1Tim 1:15) [b:1Tim 1:15]
Daartegenover echter staat, dat Augustinus zegt in het boek Over de Woorden des Heren, als hij uitlegt wat wij bij Lucas (19, 10) lezen: "De mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was": "Als de mens niet had gezondigd, zou de mensenzoon niet gekomen zijn". En bij de Eerste Brief aan Timotheüs (1, 15), tot uitleg van dit woord: "Christus is in deze wereld gekomen om zondaren zalig te maken", zegt de Glossa: "Geen reden tot komen was er voor Christus de Heer, tenzij het zalig maken van de zondaars. Neem de ziekten, neem de wonden weg, en er is geen reden meer voor geneesmiddelen".
B: (Luke 19:10) [b:Luke 19:10] (1Tim 1:15) [b:1Tim 1:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 3 co.
Mijn antwoord. Over dit punt zijn sommigen van verschillende mening. Want de enen zeggen, dat ook als de mens niet gezondigd had, Gods Zoon mens geworden zou zijn. Anderen echter beweren het tegendeel. En het lijkt beter zich bij hun bewering aan te sluiten. Want die dingen, die alleen uit Gods wil voortspruiten boven alles waarop het schepsel recht heeft, kunnen ons niet bekend worden dan voor zover zij in de H. Schrift worden medegedeeld. En omdat in de H. Schrift overal de reden der menswording in de zonde van de eerste mens aangewezen wordt, is het meer gepast te zeggen, dat het werk der menswording door God bestemd werd als geneesmiddel voor de zonden, zodat, indien de zonde niet bestaan had, er geen menswording zou zijn geweest. Evenwel wordt Gods macht hier niet door begrensd; want God had mens kunnen worden, ook als de zonde niet bestaan had.
Mijn antwoord. Over dit punt zijn sommigen van verschillende mening. Want de enen zeggen, dat ook als de mens niet gezondigd had, Gods Zoon mens geworden zou zijn. Anderen echter beweren het tegendeel. En het lijkt beter zich bij hun bewering aan te sluiten. Want die dingen, die alleen uit Gods wil voortspruiten boven alles waarop het schepsel recht heeft, kunnen ons niet bekend worden dan voor zover zij in de H. Schrift worden medegedeeld. En omdat in de H. Schrift overal de reden der menswording in de zonde van de eerste mens aangewezen wordt, is het meer gepast te zeggen, dat het werk der menswording door God bestemd werd als geneesmiddel voor de zonden, zodat, indien de zonde niet bestaan had, er geen menswording zou zijn geweest. Evenwel wordt Gods macht hier niet door begrensd; want God had mens kunnen worden, ook als de zonde niet bestaan had.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Alle andere aangegeven redenen slaan op de genezing der zonden. Want als de mens niet gezondigd had, zou hij overstroomd zijn geweest door het licht van Gods wijsheid en door God volmaakt met de rechtschapenheid der rechtvaardigheid om al het nodige te weten. Maar omdat de mens nadat hij God verlaten had, op het stoffelijke was neergestort, was het gepast, dat God door het vlees aan te nemen hem ook door stoffelijke dingen een geneesmiddel tot heil gaf. Daarom zegt Augustinus, tot uitleg van dat woord van Johannes (1, 14): "Het Woord is vlees geworden": "Het vlees heeft U verblind, het Vlees geneest U; want zóó is Christus gekomen, dat Hij door het vlees de feilen van het vlees verdelgde".
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
1e Weerlegging. Alle andere aangegeven redenen slaan op de genezing der zonden. Want als de mens niet gezondigd had, zou hij overstroomd zijn geweest door het licht van Gods wijsheid en door God volmaakt met de rechtschapenheid der rechtvaardigheid om al het nodige te weten. Maar omdat de mens nadat hij God verlaten had, op het stoffelijke was neergestort, was het gepast, dat God door het vlees aan te nemen hem ook door stoffelijke dingen een geneesmiddel tot heil gaf. Daarom zegt Augustinus, tot uitleg van dat woord van Johannes (1, 14): "Het Woord is vlees geworden": "Het vlees heeft U verblind, het Vlees geneest U; want zóó is Christus gekomen, dat Hij door het vlees de feilen van het vlees verdelgde".
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Door de manier zelf waarop de dingen worden voortgebracht, n.l. uit het niets, wordt de oneindigheid der goddelijke kracht getoond. — Ook is het voldoende voor de volmaaktheid van het heelal, dat het schepsel op natuurlijke wijze zo tot God wordt geordend als tot zijn doel. Maar dat het schepsel met God in persoon zou verenigd worden, gaat de grenzen der volmaaktheid van de natuur te buiten.
2e Weerlegging. Door de manier zelf waarop de dingen worden voortgebracht, n.l. uit het niets, wordt de oneindigheid der goddelijke kracht getoond. — Ook is het voldoende voor de volmaaktheid van het heelal, dat het schepsel op natuurlijke wijze zo tot God wordt geordend als tot zijn doel. Maar dat het schepsel met God in persoon zou verenigd worden, gaat de grenzen der volmaaktheid van de natuur te buiten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Een dubbele ontvankelijkheid kan men in de menselijke natuur waarnemen. De ene in de orde van het natuurlijke vermogen. Deze wordt altijd bevredigd door God, die aan iedere ding schenkt volgens zijn natuurlijke ontvankelijkheid. — De andere echter in de orde der goddelijke macht, waaraan ieder schepsel op haar wenken gehoorzaamt. En hierbij behoort de bedoelde ontvankelijkheid. Maar God vervult zulk een ontvankelijkheid niet geheel; anders zou God in het schepsel niets kunnen uitwerken tenzij wat Hij doet, en dit is onjuist, zoals in het eerste deel behandeld is. Niets echter belet, dat de menselijke natuur tot iets hogers bevorderd is na de zonde; want God laat het kwade toe, om daaruit iets beters te doen voortkomen. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Romeinen (5, 20): "Waar veel zonde was, is veel meer genade gekomen", en bij de zegening van de Paaskaars zegt men: "O gelukkige schuld, die een zoodanigen en zo groten Verlosser verdiende te hebben".
B: (Rom 5:20) [b:Rom 5:20]
3e Weerlegging. Een dubbele ontvankelijkheid kan men in de menselijke natuur waarnemen. De ene in de orde van het natuurlijke vermogen. Deze wordt altijd bevredigd door God, die aan iedere ding schenkt volgens zijn natuurlijke ontvankelijkheid. — De andere echter in de orde der goddelijke macht, waaraan ieder schepsel op haar wenken gehoorzaamt. En hierbij behoort de bedoelde ontvankelijkheid. Maar God vervult zulk een ontvankelijkheid niet geheel; anders zou God in het schepsel niets kunnen uitwerken tenzij wat Hij doet, en dit is onjuist, zoals in het eerste deel behandeld is. Niets echter belet, dat de menselijke natuur tot iets hogers bevorderd is na de zonde; want God laat het kwade toe, om daaruit iets beters te doen voortkomen. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Romeinen (5, 20): "Waar veel zonde was, is veel meer genade gekomen", en bij de zegening van de Paaskaars zegt men: "O gelukkige schuld, die een zoodanigen en zo groten Verlosser verdiende te hebben".
B: (Rom 5:20) [b:Rom 5:20]
Referenties naar deze alinea: 1
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. De voorbestemming veronderstelt het vooraf kennen der toekomstige dingen. En daarom heeft God, zoals Hij heeft voorbestemd, dat iemand zijn zaligheid door het gebed van anderen zal bereiken, ook het werk der menswording vooraf bestemd tot geneesmiddel voor de zonden der mensen.
4e Weerlegging. De voorbestemming veronderstelt het vooraf kennen der toekomstige dingen. En daarom heeft God, zoals Hij heeft voorbestemd, dat iemand zijn zaligheid door het gebed van anderen zal bereiken, ook het werk der menswording vooraf bestemd tot geneesmiddel voor de zonden der mensen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 3 ad 5
Ad quintum Niets belet dat aan iemand, wie de oorzaak niet geopenbaard wordt, het gevolg wordt geopenbaard. Daarom kon aan de eerste mens het geheim der menswording geopenbaard worden, zonder dat hij zijn val vooraf kende; want niet iedereen, die het gevolg kent, kent ook de oorzaak.
Ad quintum Niets belet dat aan iemand, wie de oorzaak niet geopenbaard wordt, het gevolg wordt geopenbaard. Daarom kon aan de eerste mens het geheim der menswording geopenbaard worden, zonder dat hij zijn val vooraf kende; want niet iedereen, die het gevolg kent, kent ook de oorzaak.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Is God meer in het bijzonder mens geworden als een redmiddel tegen de persoonlijke zonden dan als redmiddel tegen de erfzonde?
IIIa q. 1 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat God meer in het bijzonder is mens geworden als redmiddel tegen de persoonlijke zonden dan als redmiddel tegen de erfzonde. Want naarmate een zonde zwaarder is, vormt zij een groter beletsel voor de menselijke zaligheid, waarvoor God mens is geworden. Maar de persoonlijke zonde is zwaarder dan de erfzonde; want de kleinste straf staat op de erfzonde, zoals Augustinus zegt in het boek Tegen Julianus. Daarom is de menswording van Christus meer in het bijzonder gericht op de uitdelging der persoonlijke zonden.
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat God meer in het bijzonder is mens geworden als redmiddel tegen de persoonlijke zonden dan als redmiddel tegen de erfzonde. Want naarmate een zonde zwaarder is, vormt zij een groter beletsel voor de menselijke zaligheid, waarvoor God mens is geworden. Maar de persoonlijke zonde is zwaarder dan de erfzonde; want de kleinste straf staat op de erfzonde, zoals Augustinus zegt in het boek Tegen Julianus. Daarom is de menswording van Christus meer in het bijzonder gericht op de uitdelging der persoonlijke zonden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Op de erfzonde staat niet de straf der zinnen, maar de straf van het gemis, zoals in het tweede deel uiteengezet is. Welnu, Christus kwam tot voldoening voor de zonde de straf der zinnen verduren op het kruis, maar niet de straf van het gemis, want Hij verloor niets van het schouwen en genieten van God. Daarom kwam Hij meer in het bijzonder om de persoonlijke zonden uit te wissen dan om de erfzonde.
R: Ia-IIae q. 87 a. 5[t:ia-iiae q. 87 a. 5]
Vervolgens. Op de erfzonde staat niet de straf der zinnen, maar de straf van het gemis, zoals in het tweede deel uiteengezet is. Welnu, Christus kwam tot voldoening voor de zonde de straf der zinnen verduren op het kruis, maar niet de straf van het gemis, want Hij verloor niets van het schouwen en genieten van God. Daarom kwam Hij meer in het bijzonder om de persoonlijke zonden uit te wissen dan om de erfzonde.
R: Ia-IIae q. 87 a. 5[t:ia-iiae q. 87 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Zoals Chrysostomus zegt in het 2e boek Over de Vermorzeldheid des Harten: "Dit zijn de gevoelens van een getrouwe dienstknecht, dat hij de weldaden van zijn heer, die aan allen gezamenlijk gegeven zijn, als aan hem alleen bewezen beschouwt; want alsof hij alleen over zichzelf sprak, schrijft Paulus aan de Galaten (2, 20) : "Hij heeft mij bemind en zichzelf voor mij overgeleverd". Maar onze eigen zonden zijn persoonlijke zonden; de erfzonde is een "gezamenlijke zonde". Daarom moeten wij zo gestemd zijn, dat wij Hem in het bijzonder om de persoonlijke zonden gekomen achten.
B: (Gal 2:20) [b:Gal 2:20]
Vervolgens. Zoals Chrysostomus zegt in het 2e boek Over de Vermorzeldheid des Harten: "Dit zijn de gevoelens van een getrouwe dienstknecht, dat hij de weldaden van zijn heer, die aan allen gezamenlijk gegeven zijn, als aan hem alleen bewezen beschouwt; want alsof hij alleen over zichzelf sprak, schrijft Paulus aan de Galaten (2, 20) : "Hij heeft mij bemind en zichzelf voor mij overgeleverd". Maar onze eigen zonden zijn persoonlijke zonden; de erfzonde is een "gezamenlijke zonde". Daarom moeten wij zo gestemd zijn, dat wij Hem in het bijzonder om de persoonlijke zonden gekomen achten.
B: (Gal 2:20) [b:Gal 2:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (1, 29) gezegd wordt: "Ziet het Lam Gods, ziet Hem, die de zonden der wereld wegnemen".
B: (John 1:29, John 1:29) [b:John 1:29]
Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (1, 29) gezegd wordt: "Ziet het Lam Gods, ziet Hem, die de zonden der wereld wegnemen".
B: (John 1:29, John 1:29) [b:John 1:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 4 co.
Mijn antwoord. Het is zeker, dat Christus niet alleen in de wereld gekomen is om die zonde uit te delgen, die vanaf de oorsprong op de nakomelingen is overgebracht, maar ook ter vernietiging van alle zonden, die er naderhand aan toegevoegd zijn; niet dat allen verdelgd worden, (dit komt door het falen van die mensen, die zich niet aan Christus hechten, volgens het woord van Johannes (3, 19): "Het licht is in de wereld gekomen en de mensen zagen de duisternis liever dan het licht", maar dat Hij iets volbracht heeft, dat voldoende was voor een volledige uitdeling. Daarom wordt in de Brief aan de Romeinen gezegd (5, 15 en 16): "De genadegift is niet zoals het misdrijf; want over een was de uitspraak tot veroordeling, maar de genade is een rechtvaardiging na vele misdrijven". Christus echter kwam meer in het bijzonder om een zonde te verdelgen, naarmate die zonde groter is. Nu wordt iets groter genoemd op tweeërlei wijzen: ten eerste, naar zijn sterkte, zoals een witheid, die sterker is, groter is. En zo is de persoonlijke zonde groter dan de erfzonde, omdat zij meer het karakter van gewild-zijn vertoont, zoals in het tweede deel uiteengezet is. Ten tweede wordt iets groter genoemd naar zijn uitgebreidheid; zoals die witheid groter genoemd wordt, die een grotere oppervlakte beslaat. En zóó is de erfzonde, waardoor het gehele menselijke geslacht is aangetast, groter dan welke persoonlijke zonde ook, die eigen is aan een bijzonder persoon. En zóó beschouwd, is Christus meer in het bijzonder gekomen om de erfzonde weg te nemen, in zover "het welzijn van een volk goddelijker is dan het welzijn van een eenling", zoals in het 1e boek Over de Ethica gezegd wordt.
B: (John 3:19) [b:John 3:19] (Rom 5:15-16) [b:Rom 5:15-16]
R: Ia-IIae q. 81 a. 1[t:ia-iiae q. 81 a. 1]
Mijn antwoord. Het is zeker, dat Christus niet alleen in de wereld gekomen is om die zonde uit te delgen, die vanaf de oorsprong op de nakomelingen is overgebracht, maar ook ter vernietiging van alle zonden, die er naderhand aan toegevoegd zijn; niet dat allen verdelgd worden, (dit komt door het falen van die mensen, die zich niet aan Christus hechten, volgens het woord van Johannes (3, 19): "Het licht is in de wereld gekomen en de mensen zagen de duisternis liever dan het licht", maar dat Hij iets volbracht heeft, dat voldoende was voor een volledige uitdeling. Daarom wordt in de Brief aan de Romeinen gezegd (5, 15 en 16): "De genadegift is niet zoals het misdrijf; want over een was de uitspraak tot veroordeling, maar de genade is een rechtvaardiging na vele misdrijven". Christus echter kwam meer in het bijzonder om een zonde te verdelgen, naarmate die zonde groter is. Nu wordt iets groter genoemd op tweeërlei wijzen: ten eerste, naar zijn sterkte, zoals een witheid, die sterker is, groter is. En zo is de persoonlijke zonde groter dan de erfzonde, omdat zij meer het karakter van gewild-zijn vertoont, zoals in het tweede deel uiteengezet is. Ten tweede wordt iets groter genoemd naar zijn uitgebreidheid; zoals die witheid groter genoemd wordt, die een grotere oppervlakte beslaat. En zóó is de erfzonde, waardoor het gehele menselijke geslacht is aangetast, groter dan welke persoonlijke zonde ook, die eigen is aan een bijzonder persoon. En zóó beschouwd, is Christus meer in het bijzonder gekomen om de erfzonde weg te nemen, in zover "het welzijn van een volk goddelijker is dan het welzijn van een eenling", zoals in het 1e boek Over de Ethica gezegd wordt.
B: (John 3:19) [b:John 3:19] (Rom 5:15-16) [b:Rom 5:15-16]
R: Ia-IIae q. 81 a. 1[t:ia-iiae q. 81 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De eerste moeilijkheid ging uit van de grootte in sterkte der zonde.
1e Weerlegging. De eerste moeilijkheid ging uit van de grootte in sterkte der zonde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Op de erfzonde staat geen straf der zinnen bij de toekomstige vergelding, maar de straffen, die wij naar onze zintuigen in dit leven ondergaan, als honger, dorst, de dood en meer van die, vinden hun oorzaak in de erfzonde. En daarom wilde Christus om volledig voor de erfzonde te voldoen in zijn zinnen smart lijden, om in zijn eigen lichaam dood en andere dergelijke dingen volledig te verduren.
2e Weerlegging. Op de erfzonde staat geen straf der zinnen bij de toekomstige vergelding, maar de straffen, die wij naar onze zintuigen in dit leven ondergaan, als honger, dorst, de dood en meer van die, vinden hun oorzaak in de erfzonde. En daarom wilde Christus om volledig voor de erfzonde te voldoen in zijn zinnen smart lijden, om in zijn eigen lichaam dood en andere dergelijke dingen volledig te verduren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Chrysostomus op dezelfde plaats erbij voegt, sprak de Apostel die woorden, "niet alsof hij de gaven van Christus, die allerbreedst en over de gehele wereld verspreid zijn, wilde verkleinen; maar om aan te geven, dat Hij alleen voor allen schuldig was. Wat immers komt het er op aan, dat Hij ook aan anderen iets gegeven heeft, als wat U gegeven is, zo ongedeerd en zo volledig is, alsof aan niemand anders iets ervan geschonken was ?" Omdat dus iemand de weldaden van Christus als aan zich gegeven moet beschouwen, moet hij niet menen, dat zij aan anderen niet gegeven zijn. En daarom wordt het niet uitgesloten, dat hij meer in het bijzondere kwam om de zonde der gehele natuur weg te nemen dan de zonden van een persoon. Maar die gezamenlijke zonde is in iedereen zo volkomen genezen, alsof zij in hem alleen genezen was. — En bovendien moet iedereen om wille van de band der liefde alles wat voor een ander is besteed, aan zichzelf toerekenen.
3e Weerlegging. Zoals Chrysostomus op dezelfde plaats erbij voegt, sprak de Apostel die woorden, "niet alsof hij de gaven van Christus, die allerbreedst en over de gehele wereld verspreid zijn, wilde verkleinen; maar om aan te geven, dat Hij alleen voor allen schuldig was. Wat immers komt het er op aan, dat Hij ook aan anderen iets gegeven heeft, als wat U gegeven is, zo ongedeerd en zo volledig is, alsof aan niemand anders iets ervan geschonken was ?" Omdat dus iemand de weldaden van Christus als aan zich gegeven moet beschouwen, moet hij niet menen, dat zij aan anderen niet gegeven zijn. En daarom wordt het niet uitgesloten, dat hij meer in het bijzondere kwam om de zonde der gehele natuur weg te nemen dan de zonden van een persoon. Maar die gezamenlijke zonde is in iedereen zo volkomen genezen, alsof zij in hem alleen genezen was. — En bovendien moet iedereen om wille van de band der liefde alles wat voor een ander is besteed, aan zichzelf toerekenen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Was het gepast, dat God mens werd vanaf het begin van het menselijk geslacht?
IIIa q. 1 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het gepast was, dat God mens werd vanaf het begin van het menselijk geslacht. Het werk van de menswording immers komt voor uit de mateloze liefde Gods, volgens dat woord uit de Brief aan de Ephesiërs (2, 4 en 5): "God, die rijk is in barmhartigheid, heeft ons om Zijn overgrote liefde, waarmee Hij ons beminde, hoewel wij door de zonden dood waren, met Christus levend gemaakt". Maar de liefde talmt niet een vriend, die nood lijdt, ter hulp te komen, volgens het woord in het Boek der Spreuken (3, 28): "Zegt niet tegen Uw vriend, ga en kom morgen terug, morgen zal ik U helpen, wanneer gij aanstonds geven kunt". Daarom moest God het werk der menswording niet uitstellen, maar aanstonds vanaf het begin door Zijn menswording het mensen- geslacht ter hulp komen.
B: (Prov 3:28) [b:Prov 3:28] (Eph 2:4) [b:Eph 2:4] (Eph 2:5) [b:Eph 2:5]
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het gepast was, dat God mens werd vanaf het begin van het menselijk geslacht. Het werk van de menswording immers komt voor uit de mateloze liefde Gods, volgens dat woord uit de Brief aan de Ephesiërs (2, 4 en 5): "God, die rijk is in barmhartigheid, heeft ons om Zijn overgrote liefde, waarmee Hij ons beminde, hoewel wij door de zonden dood waren, met Christus levend gemaakt". Maar de liefde talmt niet een vriend, die nood lijdt, ter hulp te komen, volgens het woord in het Boek der Spreuken (3, 28): "Zegt niet tegen Uw vriend, ga en kom morgen terug, morgen zal ik U helpen, wanneer gij aanstonds geven kunt". Daarom moest God het werk der menswording niet uitstellen, maar aanstonds vanaf het begin door Zijn menswording het mensen- geslacht ter hulp komen.
B: (Prov 3:28) [b:Prov 3:28] (Eph 2:4) [b:Eph 2:4] (Eph 2:5) [b:Eph 2:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 5 arg. 2
Vervolgens. In de Eerste Brief aan Timotheus wordt gezegd (1, 15), "Christus kwam in deze wereld om de zondaars zalig te maken". Maar meer zouden er zalig gemaakt zijn, als God vanaf het begin van het menselijk geslacht mens geworden was; velen immers, die God niet kenden, zijn in verschillende eeuwen in hun zonden verloren gegaan. Daarom was het passender geweest, dat God vanaf het begin van het menselijk geslacht mens geworden was.
B: (1Tim 1:15) [b:1Tim 1:15]
Vervolgens. In de Eerste Brief aan Timotheus wordt gezegd (1, 15), "Christus kwam in deze wereld om de zondaars zalig te maken". Maar meer zouden er zalig gemaakt zijn, als God vanaf het begin van het menselijk geslacht mens geworden was; velen immers, die God niet kenden, zijn in verschillende eeuwen in hun zonden verloren gegaan. Daarom was het passender geweest, dat God vanaf het begin van het menselijk geslacht mens geworden was.
B: (1Tim 1:15) [b:1Tim 1:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Het werk der genade is niet minder ordelijk dan het werk der natuur. Welnu, de natuur begint met de volmaakte dingen, zoals Boëtius zegt in het boek Over de Vertroosting. Daarom moest het werk der genade vanaf het begin volmaakt zijn. Maar in het werk der menswording wordt de volmaaktheid der genade gevonden; volgens dit woord: "Het Woord is vlees geworden", en verderop wordt er aan toegevoegd: "vol genade en waarheid". Dus moest Christus mens worden vanaf de aanvang van het menselijk geslacht.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Vervolgens. Het werk der genade is niet minder ordelijk dan het werk der natuur. Welnu, de natuur begint met de volmaakte dingen, zoals Boëtius zegt in het boek Over de Vertroosting. Daarom moest het werk der genade vanaf het begin volmaakt zijn. Maar in het werk der menswording wordt de volmaaktheid der genade gevonden; volgens dit woord: "Het Woord is vlees geworden", en verderop wordt er aan toegevoegd: "vol genade en waarheid". Dus moest Christus mens worden vanaf de aanvang van het menselijk geslacht.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 5 s. c.
Maar daar tegenover staat, dat in de Brief aan de Galaten (4, 4), gezegd wordt: "Maar toen de tijd vervuld was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een Vrouw", waarbij de Glossa zegt, dat "de volheid van de tijd dat ogenblik is, waarop God de Vader van tevoren bepaald had, dat Hij Zijn Zoon zou zenden". Maar God heeft in Zijn wijsheid alles bepaald. Daarom is God op de meest geschikte tijd mens geworden. En zo was het niet gepast, dat God mens zou worden vanaf de aanvang van het menselijk geslacht.
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
Maar daar tegenover staat, dat in de Brief aan de Galaten (4, 4), gezegd wordt: "Maar toen de tijd vervuld was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een Vrouw", waarbij de Glossa zegt, dat "de volheid van de tijd dat ogenblik is, waarop God de Vader van tevoren bepaald had, dat Hij Zijn Zoon zou zenden". Maar God heeft in Zijn wijsheid alles bepaald. Daarom is God op de meest geschikte tijd mens geworden. En zo was het niet gepast, dat God mens zou worden vanaf de aanvang van het menselijk geslacht.
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 5 co.
Mijn antwoord. Omdat het werk der menswording in hoofdzaak gericht is op het herstel van het menselijk geslacht door het wegnemen der zonde, is het duidelijk, dat Gods menswording vanaf de aanvang van het menselijk geslacht, vóór de zonde, niet gepast was; want een geneesmiddel wordt niet gegeven tenzij aan hen, die reeds ziek zijn. Daarom zegt de Heer zelf, bij Mattheus (9, 12 en 15): "Niet de gezonden hebben de geneesheer nodig, maar de zieken; want niet de rechtvaardigen ben ik komen roepen, maar de zondaars". Toch paste het niet, dat God onmiddellijk na de zonde mens werd. En wel ten eerste, om de aard der zonde van de mens, die uit hoogmoed voortkwam; daarom moest de mens zo bevrijd worden, dat hij vernederd erkende een bevrijder nodig te hebben. Daarom zegt de Glossa bij de tekst uit de Brief aan de Galaten (3, 19): "uitgevaardigd door de Engelen in de hand van de middelaar", "Met diep overleg is het gebeurd, dat na de val van de mens Gods Zoon niet aanstonds gezonden werd, God heeft eerst de mens gelaten in zijn wilsvrijheid en in de natuurwet, opdat hij zo de krachten van zijn natuur zou leren kennen. Toen hij in die toestand te kort schoot, kreeg hij de Wet. Toen deze gegeven was, werd de kwaal erger, niet door een gebrek van de Wet, maar van de natuur, opdat hij zo zijn zwakheid kennend de geneesheer zou roepen en de hulp der genade zoeken". Ten tweede, om de orde in de bevordering in het goede, waarin men van het onvolmaakte naar het volmaakte overgaat. Daarom zegt de Apostel in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15, 46 en 47): "Het eerst komt niet wat geestelijk, maar wat dierlijk is, en dan het geestelijke. De eerste mens was van de aarde, en aardsch, de tweede mens is van de hemel en hemels". Ten derde, om de waardigheid van het mensgeworden Woord zelf. Want bij het woord uit de Galatenbrief (4, 4): "Toen de volheid der tijden kwam", zegt de Glossa: "Zooveel te groter de rechter was, die kwam, zooveel te groter moest de voorafgaande reeks herauten zijn." Ten vierde, opdat de vurigheid van het geloof niet verslappen zou door de lange tijdsduur. Want omstreeks het einde der wereld "zal de liefde van velen verhillen", en bij Lucas (18, 8), wordt gezegd: "Meent gij, dat, als de mensenzoon komen zal, Hij het geloof op aarde zal vinden".
B: (Matt 9:12) [b:Matt 9:12] (Matt 9:13) [b:Matt 9:13]
Mijn antwoord. Omdat het werk der menswording in hoofdzaak gericht is op het herstel van het menselijk geslacht door het wegnemen der zonde, is het duidelijk, dat Gods menswording vanaf de aanvang van het menselijk geslacht, vóór de zonde, niet gepast was; want een geneesmiddel wordt niet gegeven tenzij aan hen, die reeds ziek zijn. Daarom zegt de Heer zelf, bij Mattheus (9, 12 en 15): "Niet de gezonden hebben de geneesheer nodig, maar de zieken; want niet de rechtvaardigen ben ik komen roepen, maar de zondaars". Toch paste het niet, dat God onmiddellijk na de zonde mens werd. En wel ten eerste, om de aard der zonde van de mens, die uit hoogmoed voortkwam; daarom moest de mens zo bevrijd worden, dat hij vernederd erkende een bevrijder nodig te hebben. Daarom zegt de Glossa bij de tekst uit de Brief aan de Galaten (3, 19): "uitgevaardigd door de Engelen in de hand van de middelaar", "Met diep overleg is het gebeurd, dat na de val van de mens Gods Zoon niet aanstonds gezonden werd, God heeft eerst de mens gelaten in zijn wilsvrijheid en in de natuurwet, opdat hij zo de krachten van zijn natuur zou leren kennen. Toen hij in die toestand te kort schoot, kreeg hij de Wet. Toen deze gegeven was, werd de kwaal erger, niet door een gebrek van de Wet, maar van de natuur, opdat hij zo zijn zwakheid kennend de geneesheer zou roepen en de hulp der genade zoeken". Ten tweede, om de orde in de bevordering in het goede, waarin men van het onvolmaakte naar het volmaakte overgaat. Daarom zegt de Apostel in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15, 46 en 47): "Het eerst komt niet wat geestelijk, maar wat dierlijk is, en dan het geestelijke. De eerste mens was van de aarde, en aardsch, de tweede mens is van de hemel en hemels". Ten derde, om de waardigheid van het mensgeworden Woord zelf. Want bij het woord uit de Galatenbrief (4, 4): "Toen de volheid der tijden kwam", zegt de Glossa: "Zooveel te groter de rechter was, die kwam, zooveel te groter moest de voorafgaande reeks herauten zijn." Ten vierde, opdat de vurigheid van het geloof niet verslappen zou door de lange tijdsduur. Want omstreeks het einde der wereld "zal de liefde van velen verhillen", en bij Lucas (18, 8), wordt gezegd: "Meent gij, dat, als de mensenzoon komen zal, Hij het geloof op aarde zal vinden".
B: (Matt 9:12) [b:Matt 9:12] (Matt 9:13) [b:Matt 9:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De liefde stelt niet uit de vriend te helpen, maar houdt rekening met een geschikte behandeling der zaken en persoonlijke toestanden. Want als de dokter aanstonds bij het begin der ziekte het geneesmiddel aan de zieke geven zou, zou dit een minder goede uitwerking hebben, of meer schaden dan helpen. En daarom heeft de Heer het geneesmiddel der menswording niet aanstonds aan het menselijk geslacht gegeven, opdat het dit niet uit hoogmoed verachten zou, als het eerst zijn zwakheid niet kende.
B: (Gal 3:19) [b:Gal 3:19]
1e Weerlegging. De liefde stelt niet uit de vriend te helpen, maar houdt rekening met een geschikte behandeling der zaken en persoonlijke toestanden. Want als de dokter aanstonds bij het begin der ziekte het geneesmiddel aan de zieke geven zou, zou dit een minder goede uitwerking hebben, of meer schaden dan helpen. En daarom heeft de Heer het geneesmiddel der menswording niet aanstonds aan het menselijk geslacht gegeven, opdat het dit niet uit hoogmoed verachten zou, als het eerst zijn zwakheid niet kende.
B: (Gal 3:19) [b:Gal 3:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Augustinus antwoordt hierop in het 2e boek Over de Zes Vragen der Heidenen: "Dan wilde Christus onder de mensen verschijnen, en bij hen zijn leer prediken, wanneer en waar Hij hen te wonen wist, die in Hem zouden geloven. Want Hij wist, dat er in deze tijden en op deze plaatsen van hetzelfde soort mensen bij zijn prediking zouden zijn, zoals waar Hij lichamelijk tegenwoordig was, die, wel niet allen, maar toch velen, zelfs na het opwekken van doden niet in Hem wilden geloven". Maar dezelfde Augustinus verwerpt dit antwoord, in het boek Over de Volharding: "Kunnen wij dan zeggen, dat de Tyriërs en Sidoniërs, als dergelijke wonderen bij hen waren verricht, niet hebben willen geloven, of niet zouden geloven, als zij verricht waren; daar de Heer zelf van hen getuigt, dat zij met een grote nederigheid boetvaardigheid gedaan zouden hebben, als onder hen die tekenen van goddelijke macht gegeven waren?" "Daarom", zoals hij er zelf ter oplossing bijvoegt "ligt het, zoals de Apostel zegt, niet aan hem, die wil, en niet, aan hem, die loopt, maar aan God, die zich ontfermt, Die aan wie Hij wil, en waarvan Hij vooruitziet, dat zij aan Zijn wonderen zullen geloven, als zij onder hen verricht zouden zijn, Zijn hulp geeft, maar anderen niet helpt, waarover Hij in zijn voorbestemming, wel verborgen maar rechtvaardig anders geoordeeld heeft. Daarom geloven wij zonder aarzeling aan Zijn barmhartigheid in hen, die bevrijd worden, en aan Zijn rechtvaardigheid in hen, die gestraft worden".
B: (1Cor 15:46) [b:1Cor 15:46] (1Cor 15:47) [b:1Cor 15:47]
R: q. 2[t:iiia q. 2]
2e Weerlegging. Augustinus antwoordt hierop in het 2e boek Over de Zes Vragen der Heidenen: "Dan wilde Christus onder de mensen verschijnen, en bij hen zijn leer prediken, wanneer en waar Hij hen te wonen wist, die in Hem zouden geloven. Want Hij wist, dat er in deze tijden en op deze plaatsen van hetzelfde soort mensen bij zijn prediking zouden zijn, zoals waar Hij lichamelijk tegenwoordig was, die, wel niet allen, maar toch velen, zelfs na het opwekken van doden niet in Hem wilden geloven". Maar dezelfde Augustinus verwerpt dit antwoord, in het boek Over de Volharding: "Kunnen wij dan zeggen, dat de Tyriërs en Sidoniërs, als dergelijke wonderen bij hen waren verricht, niet hebben willen geloven, of niet zouden geloven, als zij verricht waren; daar de Heer zelf van hen getuigt, dat zij met een grote nederigheid boetvaardigheid gedaan zouden hebben, als onder hen die tekenen van goddelijke macht gegeven waren?" "Daarom", zoals hij er zelf ter oplossing bijvoegt "ligt het, zoals de Apostel zegt, niet aan hem, die wil, en niet, aan hem, die loopt, maar aan God, die zich ontfermt, Die aan wie Hij wil, en waarvan Hij vooruitziet, dat zij aan Zijn wonderen zullen geloven, als zij onder hen verricht zouden zijn, Zijn hulp geeft, maar anderen niet helpt, waarover Hij in zijn voorbestemming, wel verborgen maar rechtvaardig anders geoordeeld heeft. Daarom geloven wij zonder aarzeling aan Zijn barmhartigheid in hen, die bevrijd worden, en aan Zijn rechtvaardigheid in hen, die gestraft worden".
B: (1Cor 15:46) [b:1Cor 15:46] (1Cor 15:47) [b:1Cor 15:47]
R: q. 2[t:iiia q. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Het volmaakte is vóór het onvolmaakte, maar in verschillende dingen, in tijd en in natuur; want het volmaakte moet anderen tot volmaaktheid brengen; maar in een en hetzelfde ding is het onvolmaakte eerder in de tijd, hoewel later naar de natuur. Aldus ging in tijdsduur aan de onvolmaaktheid der menselijke natuur Gods volmaaktheid vooraf; maar de voltooide volmaaktheid volgt haar in de vereniging met God.
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 1 a. 6 arg. 2
IIIa q. 1 a. 6 co.
IIIa q. 1 a. 6 ad 1
IIIa q. 1 a. 6 ad 1[t:iiia q. 1 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 1 a. 6 co.][t:iiia q. 1 a. 6 ad 1][t:iiia q. 1 a. 6 ad 1]
3e Weerlegging. Het volmaakte is vóór het onvolmaakte, maar in verschillende dingen, in tijd en in natuur; want het volmaakte moet anderen tot volmaaktheid brengen; maar in een en hetzelfde ding is het onvolmaakte eerder in de tijd, hoewel later naar de natuur. Aldus ging in tijdsduur aan de onvolmaaktheid der menselijke natuur Gods volmaaktheid vooraf; maar de voltooide volmaaktheid volgt haar in de vereniging met God.
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 1 a. 6 arg. 2
IIIa q. 1 a. 6 co.
IIIa q. 1 a. 6 ad 1
IIIa q. 1 a. 6 ad 1[t:iiia q. 1 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 1 a. 6 co.][t:iiia q. 1 a. 6 ad 1][t:iiia q. 1 a. 6 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 3
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Moest het werk der Menswording worden uitgesteld tot aan het einde der wereld?
IIIa q. 1 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het werk der menswording moest uitgesteld worden tot aan het einde der wereld. In de Psalm (91, 11) wordt immers gezegd: "Mijn ouderdom is in rijke barmhartigheid", dat betekent, zoals de Glossa zegt, "op het laatst ". Maar de tijd der menswording is vooral de tijd van barmhartigheid, volgens het woord van de Psalm (104, 14): "Want de tijd van Zijn ontfermen is gekomen". Dus moest de menswording worden uitgesteld tot aan het einde der wereld.
B: (Ps 91:11) [b:Ps 91:11] (Ps. 102, 14, Ps 102:14) [b:Ps. 102, 14]
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het werk der menswording moest uitgesteld worden tot aan het einde der wereld. In de Psalm (91, 11) wordt immers gezegd: "Mijn ouderdom is in rijke barmhartigheid", dat betekent, zoals de Glossa zegt, "op het laatst ". Maar de tijd der menswording is vooral de tijd van barmhartigheid, volgens het woord van de Psalm (104, 14): "Want de tijd van Zijn ontfermen is gekomen". Dus moest de menswording worden uitgesteld tot aan het einde der wereld.
B: (Ps 91:11) [b:Ps 91:11] (Ps. 102, 14, Ps 102:14) [b:Ps. 102, 14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Zoals gezegd is, is het volmaakte, in hetzelfde ding, in tijd na het onvolmaakte. Daarom moet wat het meest volmaakt is, in tijd het laatst zijn. Maar de hoogste volmaaktheid der menselijke natuur ligt in de vereniging met God, omdat "In Christus de ganse volheid van God heeft willen wonen", zoals de apostel zegt in de Colossensenbrief (1, 19). Daarom moest de menswording worden uitgesteld tot aan het einde der wereld.
B: (Col 1:19) [b:Col 1:19]
R: q. 1 a. 5 ad 3[t:iiia q. 1 a. 5 ad 3]
Vervolgens. Zoals gezegd is, is het volmaakte, in hetzelfde ding, in tijd na het onvolmaakte. Daarom moet wat het meest volmaakt is, in tijd het laatst zijn. Maar de hoogste volmaaktheid der menselijke natuur ligt in de vereniging met God, omdat "In Christus de ganse volheid van God heeft willen wonen", zoals de apostel zegt in de Colossensenbrief (1, 19). Daarom moest de menswording worden uitgesteld tot aan het einde der wereld.
B: (Col 1:19) [b:Col 1:19]
R: q. 1 a. 5 ad 3[t:iiia q. 1 a. 5 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 6 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 6 s. c.
Maar daartegenover staat, dat er bij Habacuc (3, 2) gezegd wordt: "In het midden der jaren zult U bekend maken". Daarom moest het geheim der menswording, waardoor Hij aan de wereld bekend werd, niet uitgesteld worden tot aan het eind der wereld.
B: (Hab 3:2) [b:Hab 3:2]
Maar daartegenover staat, dat er bij Habacuc (3, 2) gezegd wordt: "In het midden der jaren zult U bekend maken". Daarom moest het geheim der menswording, waardoor Hij aan de wereld bekend werd, niet uitgesteld worden tot aan het eind der wereld.
B: (Hab 3:2) [b:Hab 3:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 6 co.
Mijn antwoord. Zoals het niet gepast was, dat God mens werd vanaf het begin der wereld, zo paste het niet, dat de menswording werd uitgesteld tot aan het eind der wereld. Dit nu blijkt ten eerste uit de vereniging van de goddelijke en menselijke natuur. Want zoals gezegd is, gaat het volmaakte op één wijze in tijd aan het onvolmaakte vooraf; hierin immers, dat uit het onvolmaakte het volmaakte wordt, gaat het onvolmaakte in tijd het volmaakte vooraf; maar hierin, dat het de uitwerkende oorzaak der vervolmaking is, gaat het volmaakte in tijd aan het onvolmaakte vooraf. Nu komen in het werk der menswording beiden samen. Want de menselijke natuur is in de menswording zelf tot de hoogste volmaaktheid gebracht; en daarom paste het niet, dat de menswording vanaf het begin van het menselijk geslacht tot stand gebracht was. Maar het mensgeworden Woord zelf is de uitwerkende oorzaak der vervolmaking van de mens; volgens dit woord van Johannes (1, 16): "Van Zijn volheid hebben wij allen ontvangen", en daarom moest het werk der menswording niet uitgesteld worden tot aan het eind der wereld. Maar de volmaakte heerlijkheid, waartoe de menselijke natuur ten slotte door het mensgeworden Woord gebracht moet worden, zal zijn aan het eind der wereld. Ten tweede uit het gevolg, het heil der mensen. Want zoals gezegd wordt in het boek Over de Vragen van het Oude en Nieuwe Testament, "ligt het in de macht van de gever, zich te ontfermen wanneer en in zover als hij wil. Hij kwam dus, toen Hij wist, dat er hulp gebracht moest worden, en dat de toekomstige weldaad aangenaam zou zijn. Want toen door een soort matheid van het mensengeslacht de kennis van God onder de mensen begon te vervagen, en de zeden veranderden, gewaardigde Hij zich Abraham uit te kiezen, opdat er in hem een voorbeeld zou zijn van de hernieuwde kennis van God en van zeden. En toen de eerbied nog te traag was, gaf Hij vervolgens door Moses de geschreven Wet. En toen de volken haar verachtten en zich niet aan haar onderwierpen, en zij, die haar ontvangen hadden, haar niet onderhielden, zond de Heer, door medelijden bewogen, Zijn Zoon, opdat Hij na aan allen vergiffenis van zonden geschonken te hebben, hen gerechtvaardigd aan God de Vader zou aanbieden". Maar als dit geneesmiddel werd uitgesteld tot aan het eind der wereld, zouden de kennis van God en de eerbied en de goede zeden geheel van de wereld verdwenen zijn. Ten derde blijkt het, dat dit niet voor de openbaring van de goddelijke macht gepast was geweest; deze immers heeft op meerdere wijzen de mensen gered, niet alleen door geloof in wat komt, maar ook door geloof in wat is en geweest is.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
R: q. 1 a. 5 ad 3[t:iiia q. 1 a. 5 ad 3]
Mijn antwoord. Zoals het niet gepast was, dat God mens werd vanaf het begin der wereld, zo paste het niet, dat de menswording werd uitgesteld tot aan het eind der wereld. Dit nu blijkt ten eerste uit de vereniging van de goddelijke en menselijke natuur. Want zoals gezegd is, gaat het volmaakte op één wijze in tijd aan het onvolmaakte vooraf; hierin immers, dat uit het onvolmaakte het volmaakte wordt, gaat het onvolmaakte in tijd het volmaakte vooraf; maar hierin, dat het de uitwerkende oorzaak der vervolmaking is, gaat het volmaakte in tijd aan het onvolmaakte vooraf. Nu komen in het werk der menswording beiden samen. Want de menselijke natuur is in de menswording zelf tot de hoogste volmaaktheid gebracht; en daarom paste het niet, dat de menswording vanaf het begin van het menselijk geslacht tot stand gebracht was. Maar het mensgeworden Woord zelf is de uitwerkende oorzaak der vervolmaking van de mens; volgens dit woord van Johannes (1, 16): "Van Zijn volheid hebben wij allen ontvangen", en daarom moest het werk der menswording niet uitgesteld worden tot aan het eind der wereld. Maar de volmaakte heerlijkheid, waartoe de menselijke natuur ten slotte door het mensgeworden Woord gebracht moet worden, zal zijn aan het eind der wereld. Ten tweede uit het gevolg, het heil der mensen. Want zoals gezegd wordt in het boek Over de Vragen van het Oude en Nieuwe Testament, "ligt het in de macht van de gever, zich te ontfermen wanneer en in zover als hij wil. Hij kwam dus, toen Hij wist, dat er hulp gebracht moest worden, en dat de toekomstige weldaad aangenaam zou zijn. Want toen door een soort matheid van het mensengeslacht de kennis van God onder de mensen begon te vervagen, en de zeden veranderden, gewaardigde Hij zich Abraham uit te kiezen, opdat er in hem een voorbeeld zou zijn van de hernieuwde kennis van God en van zeden. En toen de eerbied nog te traag was, gaf Hij vervolgens door Moses de geschreven Wet. En toen de volken haar verachtten en zich niet aan haar onderwierpen, en zij, die haar ontvangen hadden, haar niet onderhielden, zond de Heer, door medelijden bewogen, Zijn Zoon, opdat Hij na aan allen vergiffenis van zonden geschonken te hebben, hen gerechtvaardigd aan God de Vader zou aanbieden". Maar als dit geneesmiddel werd uitgesteld tot aan het eind der wereld, zouden de kennis van God en de eerbied en de goede zeden geheel van de wereld verdwenen zijn. Ten derde blijkt het, dat dit niet voor de openbaring van de goddelijke macht gepast was geweest; deze immers heeft op meerdere wijzen de mensen gered, niet alleen door geloof in wat komt, maar ook door geloof in wat is en geweest is.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
R: q. 1 a. 5 ad 3[t:iiia q. 1 a. 5 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Deze Glossa legt het uit van de barmhartigheid, die tot heerlijkheid voert. Maar als men het betrekt op de barmhartigheid, die aan het mensengeslacht bewezen werd door Christus’ menswording, dan dient men te weten, dat zoals Augustinus zegt in het boek der Retractaties, de tijd der menswording vergeleken kan worden met de jeugd van het mensengeslacht "wegens de kracht en de gloed van het geloof, dat door de liefde werkt", maar ook met de ouderdom, die het zesde tijdperk is, "wegens het getal der tijden, omdat Christus kwam in het zesde tijdperk". En al kan in het lichaam geen jeugd en ouderdom tegelijk zijn, kunnen dezen in de ziel tezamen zijn; de ene om de vurigheid, de andere om de ernst". En daarom zegt Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken, dat "het niet paste, dat de Leeraar van godswege, door Wiens navolging het mensengeslacht tot de beste zeden gevormd moest worden, kwam tenzij in de tijd der jeugd; maar op andere plaatsen zegt hij, dat Christus kwam in het zesde tijdperk van het mensengeslacht, als in de ouderdom.
R: q. 1 a. 5 ad 3[t:iiia q. 1 a. 5 ad 3] q. 1 a. 5 ad 3[t:iiia q. 1 a. 5 ad 3]
1e Weerlegging. Deze Glossa legt het uit van de barmhartigheid, die tot heerlijkheid voert. Maar als men het betrekt op de barmhartigheid, die aan het mensengeslacht bewezen werd door Christus’ menswording, dan dient men te weten, dat zoals Augustinus zegt in het boek der Retractaties, de tijd der menswording vergeleken kan worden met de jeugd van het mensengeslacht "wegens de kracht en de gloed van het geloof, dat door de liefde werkt", maar ook met de ouderdom, die het zesde tijdperk is, "wegens het getal der tijden, omdat Christus kwam in het zesde tijdperk". En al kan in het lichaam geen jeugd en ouderdom tegelijk zijn, kunnen dezen in de ziel tezamen zijn; de ene om de vurigheid, de andere om de ernst". En daarom zegt Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken, dat "het niet paste, dat de Leeraar van godswege, door Wiens navolging het mensengeslacht tot de beste zeden gevormd moest worden, kwam tenzij in de tijd der jeugd; maar op andere plaatsen zegt hij, dat Christus kwam in het zesde tijdperk van het mensengeslacht, als in de ouderdom.
R: q. 1 a. 5 ad 3[t:iiia q. 1 a. 5 ad 3] q. 1 a. 5 ad 3[t:iiia q. 1 a. 5 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Het werk der menswording moet niet alleen beschouwd worden als de grens der beweging van het onvolmaakte naar het volmaakte, maar als het beginsel der volmaaktheid in de menselijke natuur, zoals gezegd is.
2e Weerlegging. Het werk der menswording moet niet alleen beschouwd worden als de grens der beweging van het onvolmaakte naar het volmaakte, maar als het beginsel der volmaaktheid in de menselijke natuur, zoals gezegd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 1 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Chrysostomus zegt bij dat woord van Johannes (3, 17): "God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld om de wereld te oordelen" "Zijn er twee komsten van Christus; en wel de eerste om de zonden te vergeven; de tweede om te oordelen. Want als Hij het eerste niet gedaan had, zouden allen tezamen verworpen zijn; allen immers hebben gezondigd en missen Gods heerlijkheid". Daaruit blijkt het, dat de komst in barmhartigheid niet uitgesteld moest worden tot aan het einde der wereld.
3e Weerlegging. Zoals Chrysostomus zegt bij dat woord van Johannes (3, 17): "God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld om de wereld te oordelen" "Zijn er twee komsten van Christus; en wel de eerste om de zonden te vergeven; de tweede om te oordelen. Want als Hij het eerste niet gedaan had, zouden allen tezamen verworpen zijn; allen immers hebben gezondigd en missen Gods heerlijkheid". Daaruit blijkt het, dat de komst in barmhartigheid niet uitgesteld moest worden tot aan het einde der wereld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 2: Over de wijze van vereniging van het Vleesgeworden Woord, wat de vereniging zelf betreft
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 1 a. 5 ad 2[t:iiia q. 1 a. 5 ad 2]
IIIa q. 2 pr.
Vervolgens moeten wij spreken over de wijze, waarop het mensgeworden Woord verenigd is. En wel ten eerste over de vereniging zelf; ten tweede over de persoon, die de menselijke natuur aanneemt; ten derde over de aangenomen natuur zelf. Over de vereniging stellen wij ons twaalf vragen:
1. Geschiedde de vereniging van het mensgeworden Woord in natuur?
2. Geschiedde zij in persoon?
3. Geschiedde zij in drager of hypostase?
4. Was de persoon of hypostase van Christus na de menswording samengesteld?
5. Bestaat er in Christus vereniging van ziel en lichaam?
6. Was de menselijke natuur met het Woord op bijkomstige wijze verenigd?
7. Is de vereniging zelf iets geschapens?
8. Zijn vereniging en aanneming een en hetzelfde?
9. Is die vereniging de innigst mogelijke?
10. Is de vereniging der twee naturen in Christus door de genade bewerkt?
11. Gingen aan die vereniging verdiensten vooraf?
12. Was de genade der vereniging voor de mens Christus natuurlijk?
IIIa q. 1 a. 5 ad 2[t:iiia q. 1 a. 5 ad 2]
IIIa q. 2 pr.
Vervolgens moeten wij spreken over de wijze, waarop het mensgeworden Woord verenigd is. En wel ten eerste over de vereniging zelf; ten tweede over de persoon, die de menselijke natuur aanneemt; ten derde over de aangenomen natuur zelf. Over de vereniging stellen wij ons twaalf vragen:
1. Geschiedde de vereniging van het mensgeworden Woord in natuur?
2. Geschiedde zij in persoon?
3. Geschiedde zij in drager of hypostase?
4. Was de persoon of hypostase van Christus na de menswording samengesteld?
5. Bestaat er in Christus vereniging van ziel en lichaam?
6. Was de menselijke natuur met het Woord op bijkomstige wijze verenigd?
7. Is de vereniging zelf iets geschapens?
8. Zijn vereniging en aanneming een en hetzelfde?
9. Is die vereniging de innigst mogelijke?
10. Is de vereniging der twee naturen in Christus door de genade bewerkt?
11. Gingen aan die vereniging verdiensten vooraf?
12. Was de genade der vereniging voor de mens Christus natuurlijk?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Geschiedde de vereniging met het Mensgeworden Woord in natuur?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
Ia q. 8 a. 3 ad 4
IIIa q. 2 a. 2 co.
IIIa q. 2 a. 6 arg. 3
IIIa q. 3 a. 1 co.
IIIa q. 3 a. 1 ad 3
IIIa q. 3 a. 2 arg. 1
IIIa q. 5 a. 1 ad 2
IIIa q. 7 a. 1 ad 1
IIIa q. 13 a. 1 co.
IIIa q. 46 a. 12 co.[t:ia q. 8 a. 3 ad 4][t:iiia q. 2 a. 2 co.][t:iiia q. 2 a. 6 arg. 3][t:iiia q. 3 a. 1 co.][t:iiia q. 3 a. 1 ad 3][t:iiia q. 3 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 5 a. 1 ad 2][t:iiia q. 7 a. 1 ad 1][t:iiia q. 13 a. 1 co.][t:iiia q. 46 a. 12 co.]
IIIa q. 2 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de vereniging met het mensgeworden Woord geschiedde in natuur. Cyrillus immers zegt, — en zijn woorden zijn opgenomen in de acten van het Concilie van Chalcedonië: "Men moet niet denken, dat er twee naturen zijn, maar wel, dat de éne natuur van het Woord is mens geworden", wat niet waar zou zijn, als de vereniging niet in natuur geschiedde. Dus geschiedde de vereniging van het mensgeworden Woord in natuur.
Ia q. 8 a. 3 ad 4
IIIa q. 2 a. 2 co.
IIIa q. 2 a. 6 arg. 3
IIIa q. 3 a. 1 co.
IIIa q. 3 a. 1 ad 3
IIIa q. 3 a. 2 arg. 1
IIIa q. 5 a. 1 ad 2
IIIa q. 7 a. 1 ad 1
IIIa q. 13 a. 1 co.
IIIa q. 46 a. 12 co.[t:ia q. 8 a. 3 ad 4][t:iiia q. 2 a. 2 co.][t:iiia q. 2 a. 6 arg. 3][t:iiia q. 3 a. 1 co.][t:iiia q. 3 a. 1 ad 3][t:iiia q. 3 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 5 a. 1 ad 2][t:iiia q. 7 a. 1 ad 1][t:iiia q. 13 a. 1 co.][t:iiia q. 46 a. 12 co.]
IIIa q. 2 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de vereniging met het mensgeworden Woord geschiedde in natuur. Cyrillus immers zegt, — en zijn woorden zijn opgenomen in de acten van het Concilie van Chalcedonië: "Men moet niet denken, dat er twee naturen zijn, maar wel, dat de éne natuur van het Woord is mens geworden", wat niet waar zou zijn, als de vereniging niet in natuur geschiedde. Dus geschiedde de vereniging van het mensgeworden Woord in natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Athanasius zegt: "Zoals de redelijke ziel en het vlees een menselijke natuur vormen, zo ook vormen God en mens een natuur". Dus geschiedde de vereniging in natuur.
Vervolgens. Athanasius zegt: "Zoals de redelijke ziel en het vlees een menselijke natuur vormen, zo ook vormen God en mens een natuur". Dus geschiedde de vereniging in natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Twee naturen worden niet naar elkaar benoemd, tenzij zij op een of andere manier in elkaar veranderd zijn. Welnu, in Christus worden én de goddelijke én de menselijke natuur naar elkaar benoemd; Cyrillus zegt immers l. c., dat "de goddelijke natuur mensgeworden is", en Gregorius van Nazianze beweert, dat "de menselijke natuur vergoddelijkt werd", zoals blijkt uit Damascenus. Zo schijnt, dat uit twee naturen één natuur ontstaan is.
Vervolgens. Twee naturen worden niet naar elkaar benoemd, tenzij zij op een of andere manier in elkaar veranderd zijn. Welnu, in Christus worden én de goddelijke én de menselijke natuur naar elkaar benoemd; Cyrillus zegt immers l. c., dat "de goddelijke natuur mensgeworden is", en Gregorius van Nazianze beweert, dat "de menselijke natuur vergoddelijkt werd", zoals blijkt uit Damascenus. Zo schijnt, dat uit twee naturen één natuur ontstaan is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in een bepaling van het Concilie van Chalcedonie: "Wij belijden, dat wij aan de eniggeboren Zoon Gods, in de laatste tijden (voor ons geboren), onvermengd, onveranderlijk, onverdeeld, onscheidbaar twee naturen moeten toekennen, zonder ooit om die vereniging de verscheidenheid der naturen te loochenen". Dus is de vereniging niet geschied in natuur.
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in een bepaling van het Concilie van Chalcedonie: "Wij belijden, dat wij aan de eniggeboren Zoon Gods, in de laatste tijden (voor ons geboren), onvermengd, onveranderlijk, onverdeeld, onscheidbaar twee naturen moeten toekennen, zonder ooit om die vereniging de verscheidenheid der naturen te loochenen". Dus is de vereniging niet geschied in natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 1 co.
Mijn antwoord. Om in deze kwestie tot klaarheid te komen, moeten wij nagaan, wat de natuur is. Daartoe dient men te weten, dat de term *natuur* komt van of ontleend is aan "nascendo", (geboren worden); daarom werd deze term eerst gebruikt om het ontstaan van levende wezens, de geboorte of voortbrenging aan te geven; natuur zou dan moeten komen van "nascitura" en betekenen: wat geboren zal worden. Daarna werd de term natuur overgebracht op het beginsel van dit ontstaan, en omdat het beginsel van ontstaan bij levende wezens intrinsiek is, werd de term natuur verder gebruikt om elk intrinsiek beginsel van beweging aan te duiden, zoals de Filosoof zegt in het boek *Over de Physica*: "De natuur is beginsel van beweging in het ding, waarin zij uiteraard en niet toevallig aanwezig is". Dat beginsel nu is ofwel de vorm ofwel de stof, zodat de natuur nu eens de vorm, dan weer de stof betekent. — En omdat de eindterm van het natuurlijk ontstaan bestaat in datgene wat voortgebracht wordt, nl. het soortelijke wezen, dat door de bepaling wordt uitgedrukt, wordt ook dat soortelijke wezen natuur genoemd. Zo ook omschrijft Boëtius de natuur in zijn boek Over de Twee naturen: "De natuur is het verschil in soort, dat aan ieder ding zijn vorm geeft, nl. datgene, dat de bepaling van de soort volledig maakt". En zo spreken wij nu van de natuur, in zover de natuur het wezen, dat wat het ding is, de soortelijke watheid betekent. Nemen wij natuur in deze betekenis, dan is het onmogelijk, dat de Vereniging van het mensgeworden Woord in natuur zou zijn geschied. Want op drie manieren kan uit twee of meer dingen iets eens worden gemaakt: ten eerste uit twee volmaakte dingen, die gaaf blijven; dit is onmogelijk behalve bij die dingen, wier vorm bestaat in een samengeplaatst zijn, een orde of figuur; zoals vele stenen, al zijn zij ook niet gerangschikt, alleen door bijeengeplaatst te worden een steenhoop vormen. Door plaatsing van stenen en hout volgens een bepaalde figuur ontstaat een huis. En zo geschiedde, naar sommigen houden, de vereniging van het Woord, door een vermenging, dwz., zonder orde, of door een rangschikking, die orde geeft. Maar dit is onmogelijk. — Ten eerste, omdat noch rangschikking, noch ordening, noch figuur zelfstandigheidsvormen zijn, maar van bijkomstigheden; hieruit zou volgen, dat die vereniging bij de menswording niet uiteraard, maar op slechts bijkomstige wijze zou geschieden, wat verderop weerlegd wordt. — Ten tweede zou wat hieruit ontstond, niet één zijn zonder meer, maar alleen onder zeker opzicht, want er zouden metterdaad verscheidene dingen blijven bestaan. — Ten derde, omdat de vorm van dergelijke dingen geen natuur, maar iets kunstmatigs is als de vorm van een huis; en zo zou er in Christus niet één natuur zijn gevormd, zoals zij het willen. Iets eens ontstaat op een andere manier uit twee volkomen dingen, die echter veranderd worden, zoals een mengsel ontstaat uit zijn bestanddelen; en zo geschiedde naar de meening van sommigen de vereniging bij de menswording als een soort menging. Maar dit is niet mogelijk. Vooreerst is de goddelijke natuur volstrekt onveranderlijk, zoals in het eerste deel is bewezen, zodat noch zijzelf in iets anders kon veranderd worden, omdat zij onvergankelijk is, noch iets anders in haar, omdat zij niet kan worden voortgebracht. Ten tweede is het mengsel aan geen van zijn bestanddelen in soort gelijk: het vlees immers verschilt in soort van elk van zijn elementen. En zo zou Christus noch dezelfde natuur hebben als zijn Vader, noch als zijn Moeder. — Ten derde is het onmogelijk dingen te vermengen, die te ver van elkaar afstaan, want de soort van een hunner zou verdwijnen als een druppel water in een kruik wijn. Daar nu de goddelijke natuur de menselijke oneindig ver overtreft, kan er geen sprake zijn van een menging, maar zou alleen de goddelijke natuur overblijven. Ten derde ontstaat er iets eens uit bestanddelen, die niet veranderen, of gemengd worden, maar dan ook onvolmaakt zijn, zoals uit ziel en lichaam een mens ontstaat, en een lichaam evenzo wordt samengesteld uit verschillende ledematen. Maar zo kan men niet spreken over het geheim van de menswording. Vooreerst omdat beide naturen in hun eigen aard volmaakt zijn, zowel de goddelijke als de menselijke. Ten tweede kunnen de goddelijke en de menselijke natuur niet als delen van een stoffelijke grootheid een geheel vormen, zoals de ledematen het lichaam, want de goddelijke natuur is niet stoffelijk; ook niet als stof en vorm, omdat de goddelijke natuur van niets de vorm kan zijn, vooral niet van iets lichamelijks; daaruit immers zou volgen, dat de zo gevormde soort aan meerderen gegeven kon worden, en zo zouden er meerdere Christussen zijn. — Ten derde zou Christus noch een goddelijke, noch een menselijke natuur bezitten, omdat de toevoeging van een verschil in het wezen de soort verandert, als de toegevoegde eenheid het getal.
R: q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6] I q. 9 a. 1[t:ia q. 9 a. 1] I q. 9 a. 2[t:ia q. 9 a. 2]
Mijn antwoord. Om in deze kwestie tot klaarheid te komen, moeten wij nagaan, wat de natuur is. Daartoe dient men te weten, dat de term *natuur* komt van of ontleend is aan "nascendo", (geboren worden); daarom werd deze term eerst gebruikt om het ontstaan van levende wezens, de geboorte of voortbrenging aan te geven; natuur zou dan moeten komen van "nascitura" en betekenen: wat geboren zal worden. Daarna werd de term natuur overgebracht op het beginsel van dit ontstaan, en omdat het beginsel van ontstaan bij levende wezens intrinsiek is, werd de term natuur verder gebruikt om elk intrinsiek beginsel van beweging aan te duiden, zoals de Filosoof zegt in het boek *Over de Physica*: "De natuur is beginsel van beweging in het ding, waarin zij uiteraard en niet toevallig aanwezig is". Dat beginsel nu is ofwel de vorm ofwel de stof, zodat de natuur nu eens de vorm, dan weer de stof betekent. — En omdat de eindterm van het natuurlijk ontstaan bestaat in datgene wat voortgebracht wordt, nl. het soortelijke wezen, dat door de bepaling wordt uitgedrukt, wordt ook dat soortelijke wezen natuur genoemd. Zo ook omschrijft Boëtius de natuur in zijn boek Over de Twee naturen: "De natuur is het verschil in soort, dat aan ieder ding zijn vorm geeft, nl. datgene, dat de bepaling van de soort volledig maakt". En zo spreken wij nu van de natuur, in zover de natuur het wezen, dat wat het ding is, de soortelijke watheid betekent. Nemen wij natuur in deze betekenis, dan is het onmogelijk, dat de Vereniging van het mensgeworden Woord in natuur zou zijn geschied. Want op drie manieren kan uit twee of meer dingen iets eens worden gemaakt: ten eerste uit twee volmaakte dingen, die gaaf blijven; dit is onmogelijk behalve bij die dingen, wier vorm bestaat in een samengeplaatst zijn, een orde of figuur; zoals vele stenen, al zijn zij ook niet gerangschikt, alleen door bijeengeplaatst te worden een steenhoop vormen. Door plaatsing van stenen en hout volgens een bepaalde figuur ontstaat een huis. En zo geschiedde, naar sommigen houden, de vereniging van het Woord, door een vermenging, dwz., zonder orde, of door een rangschikking, die orde geeft. Maar dit is onmogelijk. — Ten eerste, omdat noch rangschikking, noch ordening, noch figuur zelfstandigheidsvormen zijn, maar van bijkomstigheden; hieruit zou volgen, dat die vereniging bij de menswording niet uiteraard, maar op slechts bijkomstige wijze zou geschieden, wat verderop weerlegd wordt. — Ten tweede zou wat hieruit ontstond, niet één zijn zonder meer, maar alleen onder zeker opzicht, want er zouden metterdaad verscheidene dingen blijven bestaan. — Ten derde, omdat de vorm van dergelijke dingen geen natuur, maar iets kunstmatigs is als de vorm van een huis; en zo zou er in Christus niet één natuur zijn gevormd, zoals zij het willen. Iets eens ontstaat op een andere manier uit twee volkomen dingen, die echter veranderd worden, zoals een mengsel ontstaat uit zijn bestanddelen; en zo geschiedde naar de meening van sommigen de vereniging bij de menswording als een soort menging. Maar dit is niet mogelijk. Vooreerst is de goddelijke natuur volstrekt onveranderlijk, zoals in het eerste deel is bewezen, zodat noch zijzelf in iets anders kon veranderd worden, omdat zij onvergankelijk is, noch iets anders in haar, omdat zij niet kan worden voortgebracht. Ten tweede is het mengsel aan geen van zijn bestanddelen in soort gelijk: het vlees immers verschilt in soort van elk van zijn elementen. En zo zou Christus noch dezelfde natuur hebben als zijn Vader, noch als zijn Moeder. — Ten derde is het onmogelijk dingen te vermengen, die te ver van elkaar afstaan, want de soort van een hunner zou verdwijnen als een druppel water in een kruik wijn. Daar nu de goddelijke natuur de menselijke oneindig ver overtreft, kan er geen sprake zijn van een menging, maar zou alleen de goddelijke natuur overblijven. Ten derde ontstaat er iets eens uit bestanddelen, die niet veranderen, of gemengd worden, maar dan ook onvolmaakt zijn, zoals uit ziel en lichaam een mens ontstaat, en een lichaam evenzo wordt samengesteld uit verschillende ledematen. Maar zo kan men niet spreken over het geheim van de menswording. Vooreerst omdat beide naturen in hun eigen aard volmaakt zijn, zowel de goddelijke als de menselijke. Ten tweede kunnen de goddelijke en de menselijke natuur niet als delen van een stoffelijke grootheid een geheel vormen, zoals de ledematen het lichaam, want de goddelijke natuur is niet stoffelijk; ook niet als stof en vorm, omdat de goddelijke natuur van niets de vorm kan zijn, vooral niet van iets lichamelijks; daaruit immers zou volgen, dat de zo gevormde soort aan meerderen gegeven kon worden, en zo zouden er meerdere Christussen zijn. — Ten derde zou Christus noch een goddelijke, noch een menselijke natuur bezitten, omdat de toevoeging van een verschil in het wezen de soort verandert, als de toegevoegde eenheid het getal.
R: q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6] I q. 9 a. 1[t:ia q. 9 a. 1] I q. 9 a. 2[t:ia q. 9 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De aangehaalde tekst van Cyrillus werd op het Vijfde Concilie als volgt uitgelegd: "Als iemand spreekt over de ene mensgeworden natuur van het Woord Gods, en dat niet bedoelt zoals de Vaders het leerden, dat namelijk uit de goddelijke en menselijke natuur één Christus is gemaakt door een vereniging in het zelfstandig bestaan, maar uit dergelijke zegswijzen zou trachten af te leiden, dat er in Christus een natuur of een zelfstandigheid uit Godheid en vlees is, die zij gebannen". De betekenis is dus niet, dat bij de menswording uit twee naturen een natuur is gevormd, maar dat de natuur van Gods Woord het vlees met zich verenigde in zijn persoon.
1e Weerlegging. De aangehaalde tekst van Cyrillus werd op het Vijfde Concilie als volgt uitgelegd: "Als iemand spreekt over de ene mensgeworden natuur van het Woord Gods, en dat niet bedoelt zoals de Vaders het leerden, dat namelijk uit de goddelijke en menselijke natuur één Christus is gemaakt door een vereniging in het zelfstandig bestaan, maar uit dergelijke zegswijzen zou trachten af te leiden, dat er in Christus een natuur of een zelfstandigheid uit Godheid en vlees is, die zij gebannen". De betekenis is dus niet, dat bij de menswording uit twee naturen een natuur is gevormd, maar dat de natuur van Gods Woord het vlees met zich verenigde in zijn persoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Bij iedere van ons ontstaat uit ziel en lichaam een dubbele eenheid, van natuur en van persoon. En wel van natuur in zover de ziel met het lichaam verenigd dit zijn formele volmaaktheid geeft, zodat uit die twee een natuur ontstaat, als uit akt en aanleg, of stof en vorm. En hierin vindt men geen gelijkheid, omdat de goddelijke natuur niet de vorm van een lichaam kan zijn, zoals in het eerste deel is bewezen. Uit hen ontstaat echter de eenheid in persoon, in zover het een eenling is, die in ziel en lichaam bestaat; en hier gaat de gelijkheid op, want een en dezelfde Christus bestaat zelfstandig in de goddelijke en menselijke natuur.
R: I q. 3 a. 8[t:ia q. 3 a. 8]
2e Weerlegging. Bij iedere van ons ontstaat uit ziel en lichaam een dubbele eenheid, van natuur en van persoon. En wel van natuur in zover de ziel met het lichaam verenigd dit zijn formele volmaaktheid geeft, zodat uit die twee een natuur ontstaat, als uit akt en aanleg, of stof en vorm. En hierin vindt men geen gelijkheid, omdat de goddelijke natuur niet de vorm van een lichaam kan zijn, zoals in het eerste deel is bewezen. Uit hen ontstaat echter de eenheid in persoon, in zover het een eenling is, die in ziel en lichaam bestaat; en hier gaat de gelijkheid op, want een en dezelfde Christus bestaat zelfstandig in de goddelijke en menselijke natuur.
R: I q. 3 a. 8[t:ia q. 3 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Damascenus zegt, noemen wij de goddelijke natuur mensgeworden, omdat zij in persoon verenigd is met het vlees, niet omdat zij in de menselijke natuur is veranderd. Zo ook noemen wij, zoals hij zegt, het vlees vergoddelijkt, niet door verandering in, maar door vereniging met het Woord, met behoud van zijn natuurlijke eigenschappen, zodat de vergoddelijking van het vlees moet worden opgevat, als een worden tot het vlees van het Woord Gods, niet alsof het zelf God was geworden.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 16 a. 5 ad 2[t:iiia q. 16 a. 5 ad 2]
3e Weerlegging. Zoals Damascenus zegt, noemen wij de goddelijke natuur mensgeworden, omdat zij in persoon verenigd is met het vlees, niet omdat zij in de menselijke natuur is veranderd. Zo ook noemen wij, zoals hij zegt, het vlees vergoddelijkt, niet door verandering in, maar door vereniging met het Woord, met behoud van zijn natuurlijke eigenschappen, zodat de vergoddelijking van het vlees moet worden opgevat, als een worden tot het vlees van het Woord Gods, niet alsof het zelf God was geworden.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 16 a. 5 ad 2[t:iiia q. 16 a. 5 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Geschiedde de Vereniging van het Mensgeworden Woord in Persoon?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 2 a. 4 arg. 1
IIIa q. 2 a. 12 arg. 1
IIIa q. 3 a. 1 co.
IIIa q. 7 a. 1 ad 1
IIIa q. 16 a. 7 co.
IIIa q. 46 a. 12 co.[t:iiia q. 2 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 2 a. 12 arg. 1][t:iiia q. 3 a. 1 co.][t:iiia q. 7 a. 1 ad 1][t:iiia q. 16 a. 7 co.][t:iiia q. 46 a. 12 co.]
IIIa q. 2 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de vereeniging van het mensgeworden Woord niet geschiedde in persoon. Want Gods persoon is niet onderscheiden van zijn natuur, zoals uit het eerste deel blijkt (39° Kw., 1° Art.). Als dus de vereniging niet geschied is in natuur, volgt daaruit, dat zij niet in persoon is geschied.
R: I q. 39 a. 1[t:ia q. 39 a. 1]
IIIa q. 2 a. 4 arg. 1
IIIa q. 2 a. 12 arg. 1
IIIa q. 3 a. 1 co.
IIIa q. 7 a. 1 ad 1
IIIa q. 16 a. 7 co.
IIIa q. 46 a. 12 co.[t:iiia q. 2 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 2 a. 12 arg. 1][t:iiia q. 3 a. 1 co.][t:iiia q. 7 a. 1 ad 1][t:iiia q. 16 a. 7 co.][t:iiia q. 46 a. 12 co.]
IIIa q. 2 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de vereeniging van het mensgeworden Woord niet geschiedde in persoon. Want Gods persoon is niet onderscheiden van zijn natuur, zoals uit het eerste deel blijkt (39° Kw., 1° Art.). Als dus de vereniging niet geschied is in natuur, volgt daaruit, dat zij niet in persoon is geschied.
R: I q. 39 a. 1[t:ia q. 39 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De menselijke natuur van Christus staat niet lager in waarde dan de onze. Maar het persoon zijn behoort juist tot de waardigheid, zoals in het eerste deel behandeld is (29° Kw., 3° Art., Antw. op de 2° B.). Omdat dus de menselijke natuur in ons een eigen persoon-zijn heeft, had zij in Christus veel meer nog een eigen persoon-zijn.
R: I q. 29 a. 3 ad 2[t:ia q. 29 a. 3 ad 2]
Vervolgens. De menselijke natuur van Christus staat niet lager in waarde dan de onze. Maar het persoon zijn behoort juist tot de waardigheid, zoals in het eerste deel behandeld is (29° Kw., 3° Art., Antw. op de 2° B.). Omdat dus de menselijke natuur in ons een eigen persoon-zijn heeft, had zij in Christus veel meer nog een eigen persoon-zijn.
R: I q. 29 a. 3 ad 2[t:ia q. 29 a. 3 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 2 arg. 3
Vervolgens. In het boek Over de Twee naturen zegt Boëtius, dat de persoon is: "de zelfstandigheid van een redelijke natuur, die als een eenling bestaat". Nu nam Gods Woord een menselijke natuur aan, die een eenling was, omdat de algemene natuur niet in werkelijkheid, maar alleen in de zuivere verstandbeschouwing bestaat, zoals Damascenus zegt (in het boek Over het Ware Geloof). De menselijke natuur heeft dus (in Christus) haar persoon-zijn. En dus schijnt het niet, dat de vereniging van het Woord in persoon geschiedde.
Vervolgens. In het boek Over de Twee naturen zegt Boëtius, dat de persoon is: "de zelfstandigheid van een redelijke natuur, die als een eenling bestaat". Nu nam Gods Woord een menselijke natuur aan, die een eenling was, omdat de algemene natuur niet in werkelijkheid, maar alleen in de zuivere verstandbeschouwing bestaat, zoals Damascenus zegt (in het boek Over het Ware Geloof). De menselijke natuur heeft dus (in Christus) haar persoon-zijn. En dus schijnt het niet, dat de vereniging van het Woord in persoon geschiedde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 2 s. c.
Daartegenover echter staat in het Concilie van Chalcedonie: "Wij belijden dat de eniggeboren Zoon, onze Heer Jezus Christus, niet verdeeld of gescheiden in twee personen, maar een en dezelfde is". Dus geschiedde de vereniging van het Woord in persoon.
Daartegenover echter staat in het Concilie van Chalcedonie: "Wij belijden dat de eniggeboren Zoon, onze Heer Jezus Christus, niet verdeeld of gescheiden in twee personen, maar een en dezelfde is". Dus geschiedde de vereniging van het Woord in persoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 2 co.
Mijn antwoord. Persoon betekent iets anders dan natuur. Want zoals gezegd is, betekent natuur het wezen van de soort die door de bepaling wordt uitgedrukt. En als er niets werd gevonden, dat toegevoegd is aan datgene, wat tot de inhoud van de soort behoort, dan zou het helemaal niet nodig zijn, de natuur van haar drager, die een zelfstandig bestaand eenling is, te onderscheiden, omdat iedere eenling, die in een natuur zelfstandig bestaat, precies hetzelfde zou zijn als die natuur. Maar het komt voor, dat men in sommige zelfstandig bestaande dingen iets vindt, dat niet tot de bestanddelen van de soort zelf behoort, nl. de bijkomstigheden en de beginselen, die het tot een eenling maken, zoals vooral blijkt bij de dingen, die uit stof en vorm zijn samengesteld. En daarom zijn bij die dingen natuur en drager ook werkelijk onderscheiden, niet als twee geheel en al los van elkaar staande dingen, maar omdat in de drager niet alleen de soortelijke natuur vervat is, maar hieraan ook nog andere dingen worden toegevoegd, die niet tot de soort behoren. De drager betekent daarom het geheel, dat als formeel en vervolmakend deel de natuur bevat, en daarom kan in de uit stof en vorm samengestelde dingen de natuur niet van de drager worden gezegd; wij zeggen immers niet, dat deze mens zijn menselijkheid is. Is echter in een ding hoegenaamd niets buiten de soort of de natuur, zoals bij God, dan zijn daar ook drager en natuur niet in werkelijkheid, maar alleen naar het begrip onderscheiden, omdat een ding natuur wordt genoemd, in zover het een wezenheid is, terwijl het drager heet, in zover het zelfstandig bestaat. Wat voor de drager geldt, gaat ook op voor de persoon bij een redelijke of verstandelijke natuur, daar de persoon niets anders is dan "de zelfstandigheid van een redelijke natuur, die als een eenling bestaat", zoals Boëtius zegt. A les wat dus in een persoon is, of het tot zijn natuur behoort of niet, is verenigd in persoon. Indien dus de menselijke natuur niet in persoon met het Woord Gods is verenigd, is zij er hoegenaamd niet mee verenigd; en zo verdwijnt het geloof in de menswording geheel en al, en daardoor wordt heel het christelijk geloof vernietigd. Omdat dus het Woord een met zich verenigde menselijke natuur heeft, en deze natuur niet tot de goddelijke natuur behoort, is de gevolgtrekking, dat de vereniging geschiedde in de persoon van het Woord, niet echter in natuur.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1]
Mijn antwoord. Persoon betekent iets anders dan natuur. Want zoals gezegd is, betekent natuur het wezen van de soort die door de bepaling wordt uitgedrukt. En als er niets werd gevonden, dat toegevoegd is aan datgene, wat tot de inhoud van de soort behoort, dan zou het helemaal niet nodig zijn, de natuur van haar drager, die een zelfstandig bestaand eenling is, te onderscheiden, omdat iedere eenling, die in een natuur zelfstandig bestaat, precies hetzelfde zou zijn als die natuur. Maar het komt voor, dat men in sommige zelfstandig bestaande dingen iets vindt, dat niet tot de bestanddelen van de soort zelf behoort, nl. de bijkomstigheden en de beginselen, die het tot een eenling maken, zoals vooral blijkt bij de dingen, die uit stof en vorm zijn samengesteld. En daarom zijn bij die dingen natuur en drager ook werkelijk onderscheiden, niet als twee geheel en al los van elkaar staande dingen, maar omdat in de drager niet alleen de soortelijke natuur vervat is, maar hieraan ook nog andere dingen worden toegevoegd, die niet tot de soort behoren. De drager betekent daarom het geheel, dat als formeel en vervolmakend deel de natuur bevat, en daarom kan in de uit stof en vorm samengestelde dingen de natuur niet van de drager worden gezegd; wij zeggen immers niet, dat deze mens zijn menselijkheid is. Is echter in een ding hoegenaamd niets buiten de soort of de natuur, zoals bij God, dan zijn daar ook drager en natuur niet in werkelijkheid, maar alleen naar het begrip onderscheiden, omdat een ding natuur wordt genoemd, in zover het een wezenheid is, terwijl het drager heet, in zover het zelfstandig bestaat. Wat voor de drager geldt, gaat ook op voor de persoon bij een redelijke of verstandelijke natuur, daar de persoon niets anders is dan "de zelfstandigheid van een redelijke natuur, die als een eenling bestaat", zoals Boëtius zegt. A les wat dus in een persoon is, of het tot zijn natuur behoort of niet, is verenigd in persoon. Indien dus de menselijke natuur niet in persoon met het Woord Gods is verenigd, is zij er hoegenaamd niet mee verenigd; en zo verdwijnt het geloof in de menswording geheel en al, en daardoor wordt heel het christelijk geloof vernietigd. Omdat dus het Woord een met zich verenigde menselijke natuur heeft, en deze natuur niet tot de goddelijke natuur behoort, is de gevolgtrekking, dat de vereniging geschiedde in de persoon van het Woord, niet echter in natuur.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Al zijn natuur en persoon in God niet werkelijk onderscheiden, toch verschillen zij in betekenis, zoals gezegd is, omdat het woord persoon het zelfstandig bestaan uitdrukt. En daar de menselijke natuur zo met het Woord verenigd is, dat het Woord in haar zelfstandig bestaat, maar niet zo, dat er iets toegevoegd zou zijn aan de inhoud van haar natuur, of haar natuur in iets anders veranderd zou zijn, geschiedde de vereniging in persoon en niet in natuur.
1e Weerlegging. Al zijn natuur en persoon in God niet werkelijk onderscheiden, toch verschillen zij in betekenis, zoals gezegd is, omdat het woord persoon het zelfstandig bestaan uitdrukt. En daar de menselijke natuur zo met het Woord verenigd is, dat het Woord in haar zelfstandig bestaat, maar niet zo, dat er iets toegevoegd zou zijn aan de inhoud van haar natuur, of haar natuur in iets anders veranderd zou zijn, geschiedde de vereniging in persoon en niet in natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Het persoon-zijn behoort noodzakelijk tot de waardigheid en volmaaktheid van een ding, in zover die waardigheid en volmaaktheid een zelfstandig bestaan insluiten, wat immers door het woord persoon wordt uitgedrukt. Toch is het voor een ding meer waard te bestaan in een volmaakter wezen dan op zichzelf. En daarom juist is de menselijke natuur in Christus van hogere waarde dan in ons, want wat bij ons op zichzelf bestaat en zo een persoon-zijn heeft, bestaat in Christus in de persoon van het Woord; zoals het tot de waardigheid van de vorm behoort de soort te vervolmaken, en toch het zintuigelijke, hoewel het in een dier de vervolmaking is, daar minder edel is dan in de mens, waar het met een edeler vorm verenigd is.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 2 a. 5 ad 1
IIIa q. 25 a. 1 ad 3[t:iiia q. 2 a. 5 ad 1][t:iiia q. 25 a. 1 ad 3]
2e Weerlegging. Het persoon-zijn behoort noodzakelijk tot de waardigheid en volmaaktheid van een ding, in zover die waardigheid en volmaaktheid een zelfstandig bestaan insluiten, wat immers door het woord persoon wordt uitgedrukt. Toch is het voor een ding meer waard te bestaan in een volmaakter wezen dan op zichzelf. En daarom juist is de menselijke natuur in Christus van hogere waarde dan in ons, want wat bij ons op zichzelf bestaat en zo een persoon-zijn heeft, bestaat in Christus in de persoon van het Woord; zoals het tot de waardigheid van de vorm behoort de soort te vervolmaken, en toch het zintuigelijke, hoewel het in een dier de vervolmaking is, daar minder edel is dan in de mens, waar het met een edeler vorm verenigd is.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 2 a. 5 ad 1
IIIa q. 25 a. 1 ad 3[t:iiia q. 2 a. 5 ad 1][t:iiia q. 25 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 2
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Damascenus zegt, nam het Woord Gods niet de algemene menselijke natuur aan, maar een individuele; anders zou het immers aan ieder mens toekomen het Woord Gods te zijn, zoals aan Christus. Hier moet men zich echter herinneren, dat in de categorie zelfstandigheid niet iedere eenling, ook al gaat het over een redelijke natuur, een persoon vormt, maar alleen de eenling, die op zichzelf bestaat en niet die in een hoger wezen bestaat. Zo is de hand van Socrates, al is zij in zekere zin een eenling, toch geen persoon, omdat zij niet op zichzelf bestaat, maar in iets hogers, namelijk in het geheel. Dit juist kan men uitdrukken als men zegt, dat de persoon een zelfstandigheid is, die als een eenling bestaat; een hand is immers geen volledige zelfstandigheid, maar slechts een deel ervan. Al is dus deze menselijke natuur een eenling in de categorie zelfstandigheid, toch heeft zij geen persoon-zijn, omdat zij niet op zichzelf bestaat en afgescheiden, maar alleen in iets hogers, namelijk in de persoon van het Woord Gods. En daarom geschiedde de vereniging in persoon.
3e Weerlegging. Zoals Damascenus zegt, nam het Woord Gods niet de algemene menselijke natuur aan, maar een individuele; anders zou het immers aan ieder mens toekomen het Woord Gods te zijn, zoals aan Christus. Hier moet men zich echter herinneren, dat in de categorie zelfstandigheid niet iedere eenling, ook al gaat het over een redelijke natuur, een persoon vormt, maar alleen de eenling, die op zichzelf bestaat en niet die in een hoger wezen bestaat. Zo is de hand van Socrates, al is zij in zekere zin een eenling, toch geen persoon, omdat zij niet op zichzelf bestaat, maar in iets hogers, namelijk in het geheel. Dit juist kan men uitdrukken als men zegt, dat de persoon een zelfstandigheid is, die als een eenling bestaat; een hand is immers geen volledige zelfstandigheid, maar slechts een deel ervan. Al is dus deze menselijke natuur een eenling in de categorie zelfstandigheid, toch heeft zij geen persoon-zijn, omdat zij niet op zichzelf bestaat en afgescheiden, maar alleen in iets hogers, namelijk in de persoon van het Woord Gods. En daarom geschiedde de vereniging in persoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Geschiedde de vereniging van het Vleesgeworden Woord in de drager of Hypostase?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 2 a. 6 co.
IIIa q. 3 a. 2 arg. 1
IIIa q. 3 a. 7 arg. 1
IIIa q. 16 a. 1 co.
IIIa q. 16 a. 7 co.
IIIa q. 35 a. 4 co.
IIIa q. 46 a. 12 co.[t:iiia q. 2 a. 6 co.][t:iiia q. 3 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 3 a. 7 arg. 1][t:iiia q. 16 a. 1 co.][t:iiia q. 16 a. 7 co.][t:iiia q. 35 a. 4 co.][t:iiia q. 46 a. 12 co.]
IIIa q. 2 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de vereniging van het mensgeworden Woord niet in de drager of hypostase geschiedde. In zijn Enchiridion zegt immers Augustinus: "Goddelijke en menselijke zelfstandigheid, beiden is de ene Zoon Gods, maar het eerste door het Woord, en het andere door de mens." Paus Leo zegt ook in zijn brief aan Flavianus: "Van beiden schittert de een door wonderen, de ander bezwijkt onder beleedigingen." Welnu, "de een" en "de ander" verschillen door de drager. Dus geschiedde de vereniging van het mensgeworden Woord niet in de drager.
IIIa q. 2 a. 6 co.
IIIa q. 3 a. 2 arg. 1
IIIa q. 3 a. 7 arg. 1
IIIa q. 16 a. 1 co.
IIIa q. 16 a. 7 co.
IIIa q. 35 a. 4 co.
IIIa q. 46 a. 12 co.[t:iiia q. 2 a. 6 co.][t:iiia q. 3 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 3 a. 7 arg. 1][t:iiia q. 16 a. 1 co.][t:iiia q. 16 a. 7 co.][t:iiia q. 35 a. 4 co.][t:iiia q. 46 a. 12 co.]
IIIa q. 2 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de vereniging van het mensgeworden Woord niet in de drager of hypostase geschiedde. In zijn Enchiridion zegt immers Augustinus: "Goddelijke en menselijke zelfstandigheid, beiden is de ene Zoon Gods, maar het eerste door het Woord, en het andere door de mens." Paus Leo zegt ook in zijn brief aan Flavianus: "Van beiden schittert de een door wonderen, de ander bezwijkt onder beleedigingen." Welnu, "de een" en "de ander" verschillen door de drager. Dus geschiedde de vereniging van het mensgeworden Woord niet in de drager.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De hypostase is niets anders dan de tot een eenling geworden zelfstandigheid, zoals Boëtius zegt in het boek Over de Twee Naturen. Nu is het duidelijk dat er in Christus een eenling-zelfstandigheid is buiten de hypostase van het Woord, namelijk het lichaam, de ziel en wat uit hen is samengesteld. Dus is er in Christus nog een andere hypostase dan die van het Woord.
Vervolgens. De hypostase is niets anders dan de tot een eenling geworden zelfstandigheid, zoals Boëtius zegt in het boek Over de Twee Naturen. Nu is het duidelijk dat er in Christus een eenling-zelfstandigheid is buiten de hypostase van het Woord, namelijk het lichaam, de ziel en wat uit hen is samengesteld. Dus is er in Christus nog een andere hypostase dan die van het Woord.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 3 arg. 3
Vervolgens. De hypostase van het Woord kan men niet rangschikken bij een geslacht of een soort, zoals blijkt uit wat in het eerste deel is gezegd. Nu wordt Christus tot de mensensoort gerekend in zover Hij mens geworden is; Dionysius zegt immers in het boek Over de Goddelijke Namen: "Binnen de begrensdheid van onze natuur kwam Hij, die de hele natuurlijke orde ver overtreffend te boven gaat", maar hij valt niet onder de soort mens, tenzij als hypostase van menselijke natuur. Dus is er in Christus nog een andere hypostase als die van het Woord.
R: I q. 3 a. 5[t:ia q. 3 a. 5]
Vervolgens. De hypostase van het Woord kan men niet rangschikken bij een geslacht of een soort, zoals blijkt uit wat in het eerste deel is gezegd. Nu wordt Christus tot de mensensoort gerekend in zover Hij mens geworden is; Dionysius zegt immers in het boek Over de Goddelijke Namen: "Binnen de begrensdheid van onze natuur kwam Hij, die de hele natuurlijke orde ver overtreffend te boven gaat", maar hij valt niet onder de soort mens, tenzij als hypostase van menselijke natuur. Dus is er in Christus nog een andere hypostase als die van het Woord.
R: I q. 3 a. 5[t:ia q. 3 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 3 s. c.
Hiertegenover staat echter het gezegde van Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 4e H.): "In onze Heer Jesus Christus erkennen wij twee naturen, maar een hypostase".
Hiertegenover staat echter het gezegde van Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 4e H.): "In onze Heer Jesus Christus erkennen wij twee naturen, maar een hypostase".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 3 co.
Mijn antwoord. Hoewel sommigen, omdat zij de verhouding tussen persoon en hypostase niet begrepen, in Christus maar één persoon aannemen, beweerden zij toch, dat zowel God als mens beiden hun eigen hypostase hadden, alsof de vereniging wel in persoon, maar niet in hypostase had plaats gehad. Uit drie redenen echter blijkt de onwaarheid hiervan. Ten eerste voegt persoon niets toe aan de hypostase dan een bepaalde natuur, namelijk de redelijke, zoals Boëtius zegt in het boek Over de Twee Naturen (H. 3 en 4): "de persoon is de zelfstandigheid van redelijke natuur, die een eenling is". En daarom is het hetzelfde aan de menselijke natuur in Christus een eigen hypostase toe te kennen of een eigen persoon-zijn. Omdat de H. Vaders dit begrepen, hebben zij beide stellingen veroordeeld in het V° Concilie van Constantinopel (Coll. 8. can. 5.): "Indien iemand bij het mysterie van Christus wil gaan spreken over twee zelfstandigheden of twee personen, hij zij gebannen. Want de H. Drievuldigheid kreeg geen persoon of zelfstandigheid aan zich toegevoegd, toen een van Haar Personen, het Woord Gods, mens werd". Maar het zelfstandig bestaan is hetzelfde als het zelfstandig bestaande ding; en dit is eigen aan de hypostase, zoals blijkt uit Boëtius Over de Twee Naturen (H. 3.). Ten tweede, zelfs als men toegaf, dat persoon nog iets aan hypostase toevoegde, waarin dan de vereniging zou kunnen geschieden, zou dit niets anders kunnen zijn dan een eigenschap met betrekking tot de waardigheid, zoals sommigen zeggen, dat de persoon een hypostase is, maar van anderen door een eigenschap onderscheiden, die op de waardigheid slaat. Als dus de vereniging geschiedde in persoon en niet in hypostase, dan zou daaruit volgen, dat er alleen een vereniging in een zekere waardigheid was. En dit is als volgt veroordeeld door Cyrillus, met instemming van het Concilie van Ephese (I D. 76 H. 3 anath.): "Wie in de ene Christus na de vereniging de beginselen van zelfstandig bestaan scheidt, en hen alleen verbindt door een vereniging, die in waardigheid of macht of gezag ligt, en niet eerder door een samenwerking naar een natuurlijke verbinding, die zij gebannen". Ten derde worden alleen aan de hypostase de werkzaamheden en eigenschappen der natuur toegeschreven en alles, wat in concreto tot de aard der natuur behoort. Wij zeggen immers, dat deze mens redeneert, en kan lachen en een redelijk dier is. En daarom wordt deze mens drager genoemd, omdat hij drager is van alles, wat de mens toekomt en dit alles aan hem wordt toegekend. Is er dus nog een andere hypostase in Christus dan die van het Woord, dan moet men besluiten, dat wat de mens toekomt, niet opgaat voor het Woord, maar voor een ander, bijvoorbeeld dat hij uit een Maagd is geboren, geleden heeft, gekruisigd en begraven is. Onder goedkeuring van het Concilie van Ephese (t. a. p. 4° H.) is dit ook veroordeeld met deze woorden: "Als iemand aan twee personen of aan twee beginselen van zelfstandig bestaan datgene wat in de Evangelieën of de geschriften der Apostelen of door de Heiligen van Christus of door Christus van zichzelf is gezegd, gescheiden zou willen toekennen, en wel deels als aan een mens, beschouwd zonder verband met het Woord Gods, deels als van God zegbaar alleen aan het Woord van God de Vader, die zij gebannen". Zo blijkt het een reeds lang geleden door de Kerk veroordeelde ketterij te zijn, te zeggen, dat er in Christus twee dragers of hypostases zijn, of dat de vereniging niet is geschied in drager of hypostase. Daarom leest men in de Acten van hetzelfde Concilie (2° H.): "Als iemand niet belijdt, dat het Woord van God de Vader hypostatisch met het vlees is verenigd en dat Christus met zijn vlees beiden is, namelijk God en mens, die zij gebannen".
Mijn antwoord. Hoewel sommigen, omdat zij de verhouding tussen persoon en hypostase niet begrepen, in Christus maar één persoon aannemen, beweerden zij toch, dat zowel God als mens beiden hun eigen hypostase hadden, alsof de vereniging wel in persoon, maar niet in hypostase had plaats gehad. Uit drie redenen echter blijkt de onwaarheid hiervan. Ten eerste voegt persoon niets toe aan de hypostase dan een bepaalde natuur, namelijk de redelijke, zoals Boëtius zegt in het boek Over de Twee Naturen (H. 3 en 4): "de persoon is de zelfstandigheid van redelijke natuur, die een eenling is". En daarom is het hetzelfde aan de menselijke natuur in Christus een eigen hypostase toe te kennen of een eigen persoon-zijn. Omdat de H. Vaders dit begrepen, hebben zij beide stellingen veroordeeld in het V° Concilie van Constantinopel (Coll. 8. can. 5.): "Indien iemand bij het mysterie van Christus wil gaan spreken over twee zelfstandigheden of twee personen, hij zij gebannen. Want de H. Drievuldigheid kreeg geen persoon of zelfstandigheid aan zich toegevoegd, toen een van Haar Personen, het Woord Gods, mens werd". Maar het zelfstandig bestaan is hetzelfde als het zelfstandig bestaande ding; en dit is eigen aan de hypostase, zoals blijkt uit Boëtius Over de Twee Naturen (H. 3.). Ten tweede, zelfs als men toegaf, dat persoon nog iets aan hypostase toevoegde, waarin dan de vereniging zou kunnen geschieden, zou dit niets anders kunnen zijn dan een eigenschap met betrekking tot de waardigheid, zoals sommigen zeggen, dat de persoon een hypostase is, maar van anderen door een eigenschap onderscheiden, die op de waardigheid slaat. Als dus de vereniging geschiedde in persoon en niet in hypostase, dan zou daaruit volgen, dat er alleen een vereniging in een zekere waardigheid was. En dit is als volgt veroordeeld door Cyrillus, met instemming van het Concilie van Ephese (I D. 76 H. 3 anath.): "Wie in de ene Christus na de vereniging de beginselen van zelfstandig bestaan scheidt, en hen alleen verbindt door een vereniging, die in waardigheid of macht of gezag ligt, en niet eerder door een samenwerking naar een natuurlijke verbinding, die zij gebannen". Ten derde worden alleen aan de hypostase de werkzaamheden en eigenschappen der natuur toegeschreven en alles, wat in concreto tot de aard der natuur behoort. Wij zeggen immers, dat deze mens redeneert, en kan lachen en een redelijk dier is. En daarom wordt deze mens drager genoemd, omdat hij drager is van alles, wat de mens toekomt en dit alles aan hem wordt toegekend. Is er dus nog een andere hypostase in Christus dan die van het Woord, dan moet men besluiten, dat wat de mens toekomt, niet opgaat voor het Woord, maar voor een ander, bijvoorbeeld dat hij uit een Maagd is geboren, geleden heeft, gekruisigd en begraven is. Onder goedkeuring van het Concilie van Ephese (t. a. p. 4° H.) is dit ook veroordeeld met deze woorden: "Als iemand aan twee personen of aan twee beginselen van zelfstandig bestaan datgene wat in de Evangelieën of de geschriften der Apostelen of door de Heiligen van Christus of door Christus van zichzelf is gezegd, gescheiden zou willen toekennen, en wel deels als aan een mens, beschouwd zonder verband met het Woord Gods, deels als van God zegbaar alleen aan het Woord van God de Vader, die zij gebannen". Zo blijkt het een reeds lang geleden door de Kerk veroordeelde ketterij te zijn, te zeggen, dat er in Christus twee dragers of hypostases zijn, of dat de vereniging niet is geschied in drager of hypostase. Daarom leest men in de Acten van hetzelfde Concilie (2° H.): "Als iemand niet belijdt, dat het Woord van God de Vader hypostatisch met het vlees is verenigd en dat Christus met zijn vlees beiden is, namelijk God en mens, die zij gebannen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Zoals een verschil in bijkomstigheden een ding anders maakt, zo maakt een verschil in wezen er een ander ding van. Het is duidelijk, dat bij de geschapen dingen de verscheidenheid, die van een bijkomstig verschil komt, tot een en dezelfde hypostase of drager kan behoren, omdat een en hetzelfde ding drager kan zijn van verschillende accidenten. Bij geschapen dingen gebeurt het echter niet, dat een en hetzelfde ding drager is van verschillende naturen of wezens; en toch bestaat een en dezelfde Christus in twee naturen. Zoals men daarom bij de geschapen dingen van anders zijn spreekt, en dan geen verschil van drager, maar slechts van bijkomstigheden bedoelt, zo zegt men van Christus, dat Hij twee verschillende dingen is en bedoelt geen verschil in drager, maar alleen verschil van naturen. Daarom zegt Gregorius van Nazianze in zijn *Ie Brief aan Chelidonius*: "Verscheiden zijn de bestanddelen, waaruit de Verlosser bestaat, maar Hijzelf is niet twee dingen. Ik neem "verschillende dingen" hier anders als de H. Drievuldigheid; want daar spreken wij van "de een" en "de ander" om de hypostasen niet te verwarren, maar niet van "het een" en "het ander".
1e Weerlegging. Zoals een verschil in bijkomstigheden een ding anders maakt, zo maakt een verschil in wezen er een ander ding van. Het is duidelijk, dat bij de geschapen dingen de verscheidenheid, die van een bijkomstig verschil komt, tot een en dezelfde hypostase of drager kan behoren, omdat een en hetzelfde ding drager kan zijn van verschillende accidenten. Bij geschapen dingen gebeurt het echter niet, dat een en hetzelfde ding drager is van verschillende naturen of wezens; en toch bestaat een en dezelfde Christus in twee naturen. Zoals men daarom bij de geschapen dingen van anders zijn spreekt, en dan geen verschil van drager, maar slechts van bijkomstigheden bedoelt, zo zegt men van Christus, dat Hij twee verschillende dingen is en bedoelt geen verschil in drager, maar alleen verschil van naturen. Daarom zegt Gregorius van Nazianze in zijn *Ie Brief aan Chelidonius*: "Verscheiden zijn de bestanddelen, waaruit de Verlosser bestaat, maar Hijzelf is niet twee dingen. Ik neem "verschillende dingen" hier anders als de H. Drievuldigheid; want daar spreken wij van "de een" en "de ander" om de hypostasen niet te verwarren, maar niet van "het een" en "het ander".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De hypostase geeft een bijzondere zelfstandigheid aan, en dat niet op alle mogelijke manieren, maar in zover zij iets volledigs is; voor zover zij echter verenigd is met iets meer volledigs, wordt zij geen hypostase genoemd, zoals hand of voet. Zo ook is de menselijke natuur in Christus, al is zij een bijzondere zelfstandigheid, geen drager of hypostase te noemen, want zij is verenigd met iets volledigs, namelijk de gehele Christus voor zover Hij God en mens is; maar dat volledige ding, waarvan zij een deel vormt, wordt hypostase of drager genoemd.
2e Weerlegging. De hypostase geeft een bijzondere zelfstandigheid aan, en dat niet op alle mogelijke manieren, maar in zover zij iets volledigs is; voor zover zij echter verenigd is met iets meer volledigs, wordt zij geen hypostase genoemd, zoals hand of voet. Zo ook is de menselijke natuur in Christus, al is zij een bijzondere zelfstandigheid, geen drager of hypostase te noemen, want zij is verenigd met iets volledigs, namelijk de gehele Christus voor zover Hij God en mens is; maar dat volledige ding, waarvan zij een deel vormt, wordt hypostase of drager genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Bij de geschapen dingen wordt een zelfstandigheid, die een eenling is, niet bij een geslacht of soort gerekend krachtens datgene, wat haar tot een eenling maakt, maar krachtens haar natuur, die door de vorm wordt bepaald, want het eenling zijn komt bij samengestelde dingen meer van de stof. Daarom moet men zeggen, dat Christus tot de menselijke soort behoort om de natuur, die Hij aannam, niet om zijn hypostase.
3e Weerlegging. Bij de geschapen dingen wordt een zelfstandigheid, die een eenling is, niet bij een geslacht of soort gerekend krachtens datgene, wat haar tot een eenling maakt, maar krachtens haar natuur, die door de vorm wordt bepaald, want het eenling zijn komt bij samengestelde dingen meer van de stof. Daarom moet men zeggen, dat Christus tot de menselijke soort behoort om de natuur, die Hij aannam, niet om zijn hypostase.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Is de Persoon van Christus na de Menswording samengesteld?
IIIa q. 2 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de persoon van Christus niet samengesteld is. Want zoals uit het gezegde blijkt, is de persoon van Christus niets anders dan de persoon of hypostase van het Woord. Welnu, zoals uit wat in het eerste deel behandeld werd blijkt, zijn de persoon van het Woord en zijn natuur niet onderscheiden. Omdat nu de natuur van het Woord enkelvoudig is, zoals in het eerste deel werd bewezen (2e Art.), is het onmogelijk, dat de persoon van Christus samengesteld zou zijn.
R: q. 2 a. 2[t:iiia q. 2 a. 2] I q. 39 a. 1[t:ia q. 39 a. 1] I q. 3 a. 7[t:ia q. 3 a. 7]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de persoon van Christus niet samengesteld is. Want zoals uit het gezegde blijkt, is de persoon van Christus niets anders dan de persoon of hypostase van het Woord. Welnu, zoals uit wat in het eerste deel behandeld werd blijkt, zijn de persoon van het Woord en zijn natuur niet onderscheiden. Omdat nu de natuur van het Woord enkelvoudig is, zoals in het eerste deel werd bewezen (2e Art.), is het onmogelijk, dat de persoon van Christus samengesteld zou zijn.
R: q. 2 a. 2[t:iiia q. 2 a. 2] I q. 39 a. 1[t:ia q. 39 a. 1] I q. 3 a. 7[t:ia q. 3 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Alles wat samengesteld is, schijnt uit delen te bestaan. Maar de goddelijke natuur kan onmogelijk als deel optreden, omdat een deel altijd iets onvolmaakts aan zich heeft. Dus kan de persoon van Christus onmogelijk uit twee naturen zijn samengesteld.
Vervolgens. Alles wat samengesteld is, schijnt uit delen te bestaan. Maar de goddelijke natuur kan onmogelijk als deel optreden, omdat een deel altijd iets onvolmaakts aan zich heeft. Dus kan de persoon van Christus onmogelijk uit twee naturen zijn samengesteld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Wat samengesteld is heeft dezelfde aard als zijn bestanddelen, zoals uit lichamen alleen een lichaam kan worden gemaakt. Nemen wij dus in Christus iets aan, dat uit naturen is samengesteld, dan volgt, dat dit geen persoon is, maar een natuur, en dan zou er in Christus een vereniging in natuur zijn, wat met het bovengezegde strijdt.
Vervolgens. Wat samengesteld is heeft dezelfde aard als zijn bestanddelen, zoals uit lichamen alleen een lichaam kan worden gemaakt. Nemen wij dus in Christus iets aan, dat uit naturen is samengesteld, dan volgt, dat dit geen persoon is, maar een natuur, en dan zou er in Christus een vereniging in natuur zijn, wat met het bovengezegde strijdt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 4 s. c.
Hiertegenover staat het gezegde van Damascenus in het 3e boek *Over het Ware Geloof* (4e H.): "Wij erkennen, dat er in onze Heer Jesus Christus twee naturen zijn, maar slechts een hypostase, uit die twee naturen samengesteld".
Hiertegenover staat het gezegde van Damascenus in het 3e boek *Over het Ware Geloof* (4e H.): "Wij erkennen, dat er in onze Heer Jesus Christus twee naturen zijn, maar slechts een hypostase, uit die twee naturen samengesteld".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 4 co.
Mijn antwoord. De persoon of hypostase in Christus kunnen wij op twee manieren beschouwen: ten eerste wat zij in zichzelf is, en zo is zij volkomen enkelvoudig als de natuur van het Woord. Ten tweede juist als persoon of hypostase, waaraan het eigen is om in een bepaalde natuur zelfstandig te bestaan. En bij deze beschouwing bestaat de persoon van Christus zelfstandig in twee naturen. En al is er dus maar een ding, dat zelfstandig bestaat, toch zijn er verschillende wijzen van zelfstandig bestaan; en daarom noemen wij de persoon samengesteld, omdat een persoon in twee naturen zelfstandig bestaat.
Mijn antwoord. De persoon of hypostase in Christus kunnen wij op twee manieren beschouwen: ten eerste wat zij in zichzelf is, en zo is zij volkomen enkelvoudig als de natuur van het Woord. Ten tweede juist als persoon of hypostase, waaraan het eigen is om in een bepaalde natuur zelfstandig te bestaan. En bij deze beschouwing bestaat de persoon van Christus zelfstandig in twee naturen. En al is er dus maar een ding, dat zelfstandig bestaat, toch zijn er verschillende wijzen van zelfstandig bestaan; en daarom noemen wij de persoon samengesteld, omdat een persoon in twee naturen zelfstandig bestaat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 4 ad 1
Et per hoc Uit het bovengezegde volgt het antwoord op de eerste bedenking.
Et per hoc Uit het bovengezegde volgt het antwoord op de eerste bedenking.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Deze persoon wordt niet uit twee naturen samengesteld genoemd, alsof dit delen waren, maar alleen om hun getal, zoals alles waarin twee overeenkomen, samengesteld kan worden genoemd.
2e Weerlegging. Deze persoon wordt niet uit twee naturen samengesteld genoemd, alsof dit delen waren, maar alleen om hun getal, zoals alles waarin twee overeenkomen, samengesteld kan worden genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Het gaat niet bij iedere samenstelling op, dat zij van dezelfde aard moet zijn als de samenstellende delen; maar dit geldt alleen voor samenhangende delen. Want iets samenhangends wordt alleen uit samenhangende delen gevormd, maar een dier bestaat uit ziel en lichaam, die geen van beiden dieren zijn.
3e Weerlegging. Het gaat niet bij iedere samenstelling op, dat zij van dezelfde aard moet zijn als de samenstellende delen; maar dit geldt alleen voor samenhangende delen. Want iets samenhangends wordt alleen uit samenhangende delen gevormd, maar een dier bestaat uit ziel en lichaam, die geen van beiden dieren zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Bestaat er in Christus vereniging tussen ziel en lichaam?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 16 a. 1 co.
IIIa q. 17 a. 2 co.
IIIa q. 50 a. 4 co.
IIIa q. 76 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 16 a. 1 co.][t:iiia q. 17 a. 2 co.][t:iiia q. 50 a. 4 co.][t:iiia q. 76 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 2 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen vereniging was van ziel en lichaam. Want door de vereniging van ziel en lichaam wordt in ons de persoon of hypostase van een mens veroorzaakt. Waren dus ziel en lichaam in Christus verenigd, dan zou er uit volgen, dat door die vereniging een hypostase zou ontstaan. Maar niet de hypostase van het Woord Gods, omdat De eeuwig is. Dus zou er in Christus nog een andere persoon of hypostase zijn behalve die van het Woord, wat strijdt met het bovengezegde.
IIIa q. 16 a. 1 co.
IIIa q. 17 a. 2 co.
IIIa q. 50 a. 4 co.
IIIa q. 76 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 16 a. 1 co.][t:iiia q. 17 a. 2 co.][t:iiia q. 50 a. 4 co.][t:iiia q. 76 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 2 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen vereniging was van ziel en lichaam. Want door de vereniging van ziel en lichaam wordt in ons de persoon of hypostase van een mens veroorzaakt. Waren dus ziel en lichaam in Christus verenigd, dan zou er uit volgen, dat door die vereniging een hypostase zou ontstaan. Maar niet de hypostase van het Woord Gods, omdat De eeuwig is. Dus zou er in Christus nog een andere persoon of hypostase zijn behalve die van het Woord, wat strijdt met het bovengezegde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Uit de vereniging van ziel en lichaam ontstaat een natuur van de menselijke soort. Maar Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (3e H.), dat "wij in Christus geen aard moeten aannemen zoals bij de andere mensen". Dus was er bij Hem geen vereniging van ziel en lichaam.
Vervolgens. Uit de vereniging van ziel en lichaam ontstaat een natuur van de menselijke soort. Maar Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (3e H.), dat "wij in Christus geen aard moeten aannemen zoals bij de andere mensen". Dus was er bij Hem geen vereniging van ziel en lichaam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 5 arg. 3
Vervolgens. De ziel wordt alleen met het lichaam verenigd om het te bezielen. Maar Christus’ lichaam kon bezield worden door het Woord zelf, want dat is de bron en het beginsel van leven. Dus was er in Christus geen vereniging van ziel en lichaam.
Vervolgens. De ziel wordt alleen met het lichaam verenigd om het te bezielen. Maar Christus’ lichaam kon bezield worden door het Woord zelf, want dat is de bron en het beginsel van leven. Dus was er in Christus geen vereniging van ziel en lichaam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 5 s. c.
Maar daartegenover staat, dat wij een lichaam alleen bezield noemen om zijn vereniging met de ziel. Welnu, Christus’ lichaam was bezield, zoals blijkt uit wat de Kerk zingt: "Hij gewaardeerde zich een bezield lichaam aan te nemen en uit de Maagd te worden geboren". Dus was er in Christus vereniging van ziel en lichaam.
Maar daartegenover staat, dat wij een lichaam alleen bezield noemen om zijn vereniging met de ziel. Welnu, Christus’ lichaam was bezield, zoals blijkt uit wat de Kerk zingt: "Hij gewaardeerde zich een bezield lichaam aan te nemen en uit de Maagd te worden geboren". Dus was er in Christus vereniging van ziel en lichaam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 5 co.
Mijn antwoord. Christus wordt mens genoemd in dezelfde zin als de andere mensen, aangezien Hij tot dezelfde soort behoort, naar het woord van de Apostel, in de Brief aan de Filippiërs (2, 7): "Aan de mensen gelijk geworden". Nu behoort het tot de aard van de menselijke soort, dat de ziel met het lichaam verenigd is, want de vorm maakt alleen de soort, omdat zij de act van de stof wordt; en dat is ook het eindresultaat van de voortplanting, waarbij de natuur de soort tot doel heeft. Daarom is het noodzakelijk te zeggen, dat in Christus de ziel met het lichaam verenigd was; het tegenovergestelde is ketters, want het doet aan de waarachtigheid van Christus' menselijkheid te kort.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Mijn antwoord. Christus wordt mens genoemd in dezelfde zin als de andere mensen, aangezien Hij tot dezelfde soort behoort, naar het woord van de Apostel, in de Brief aan de Filippiërs (2, 7): "Aan de mensen gelijk geworden". Nu behoort het tot de aard van de menselijke soort, dat de ziel met het lichaam verenigd is, want de vorm maakt alleen de soort, omdat zij de act van de stof wordt; en dat is ook het eindresultaat van de voortplanting, waarbij de natuur de soort tot doel heeft. Daarom is het noodzakelijk te zeggen, dat in Christus de ziel met het lichaam verenigd was; het tegenovergestelde is ketters, want het doet aan de waarachtigheid van Christus' menselijkheid te kort.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Zij die de vereniging van ziel en lichaam in Christus ontkennen, werden schijnbaar door deze reden gedreven, dat zij niet gedwongen zouden worden om tot een nieuwe persoon of hypostase in Christus te besluiten, want zij zagen, dat bij de andere mensen zonder meer uit de vereniging van ziel en lichaam een persoon ontstond. Maar dit geschiedt bij de mensen zonder meer zo, omdat bij hen ziel en lichaam zo worden verenigd, dat zij op zichzelf bestaan. In Christus echter worden zij met elkaar verenigd als delen, die aan een hoger wezen worden toegevoegd, dat zelfstandig bestaat in de door hen gevormde natuur. Hierdoor ontstaat in Christus door de vereniging van ziel en lichaam geen nieuwe hypostase of persoon, maar de samenstelling wordt gevoegd bij een reeds bestaande persoon of hypostase. Maar hieruit volgt niet, dat de vereniging van ziel en lichaam bij Christus minder afdoende zou zijn dan bij ons, want de vereniging met iets edelers neemt geen kracht of waardigheid weg, maar verhoogt ze; zo vormt de zintuiglijke ziel bij de dieren de soort, omdat zij geldt als laatste vorm; toch doet zij dat niet bij de mens, al is zij in hem ook edeler en krachtiger; en wel om een bijvoeging van verdere en hogere volmaaktheid, namelijk de redelijke ziel, zoals boven ook gezegd is.
R: q. 2 a. 2 ad 2[t:iiia q. 2 a. 2 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 3 a. 6 co.[t:iiia q. 3 a. 6 co.]
1e Weerlegging. Zij die de vereniging van ziel en lichaam in Christus ontkennen, werden schijnbaar door deze reden gedreven, dat zij niet gedwongen zouden worden om tot een nieuwe persoon of hypostase in Christus te besluiten, want zij zagen, dat bij de andere mensen zonder meer uit de vereniging van ziel en lichaam een persoon ontstond. Maar dit geschiedt bij de mensen zonder meer zo, omdat bij hen ziel en lichaam zo worden verenigd, dat zij op zichzelf bestaan. In Christus echter worden zij met elkaar verenigd als delen, die aan een hoger wezen worden toegevoegd, dat zelfstandig bestaat in de door hen gevormde natuur. Hierdoor ontstaat in Christus door de vereniging van ziel en lichaam geen nieuwe hypostase of persoon, maar de samenstelling wordt gevoegd bij een reeds bestaande persoon of hypostase. Maar hieruit volgt niet, dat de vereniging van ziel en lichaam bij Christus minder afdoende zou zijn dan bij ons, want de vereniging met iets edelers neemt geen kracht of waardigheid weg, maar verhoogt ze; zo vormt de zintuiglijke ziel bij de dieren de soort, omdat zij geldt als laatste vorm; toch doet zij dat niet bij de mens, al is zij in hem ook edeler en krachtiger; en wel om een bijvoeging van verdere en hogere volmaaktheid, namelijk de redelijke ziel, zoals boven ook gezegd is.
R: q. 2 a. 2 ad 2[t:iiia q. 2 a. 2 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 3 a. 6 co.[t:iiia q. 3 a. 6 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Wij kunnen de woorden van Damascenus op twee manieren opvatten. Ten eerste als slaand op de menselijke natuur. Deze immers is niet de algemene soort, voor zover zij in een eenling bestaat; maar zij is dat wel, voor zover zij geabstraheerd is van alle eenling-zijn, zoals zij bestaat in de louter verstandelijke beschouwing, of voorzover zij in alle eenlingen is. Maar de Zoon Gods nam de menselijke natuur niet aan, zoals zij bestaat in de verstandsbeschouwing, want dan had Hij geen werkelijke natuur aangenomen. Of men moest zeggen, dat de menselijke natuur een op zichzelf bestaand "idee" is, zoals de Platonici het bestaan van de mens buiten de stof aannamen. Maar dan had de Zoon Gods geen vlees aangenomen, wat strijdt met de woorden van Lucas (22, 39): "een geest heeft geen vlees en geen beenderen, zoals gij ziet, dat ik heb". Evenmin kan men beweren, dat de Zoon Gods de menselijke natuur aannam, zoals die bestaat in alle eenlingen van deze soort, want dan had Hij zich moeten verenigen met alle mensen. Blijft dus alleen over, wat Damascenus verder in hetzelfde boek (11e H.) zegt, dat "Hij de menselijke natuur aannam in "atomo", dwz. in een eenling, niet in een ander individu, dat drager en hypostase van die natuur is, maar in de persoon van Gods Zoon. Het woord van Damascenus kan ook opgevat worden als niet slaand op een menselijke natuur, alsof uit de vereniging van ziel en lichaam geen gewone menselijke natuur zou zijn ontstaan, maar als slaand op de vereniging van de twee naturen, de goddelijke en de menselijke, waaruit geen derde zou ontstaan als een soort algemene natuur, die aan meerdere enkelingen zou kunnen worden toegekend. En dat bedoelt hij, zodat hij erbij voegt (T. a. p.): "Een andere Christus, volmaakt God en volmaakt mens, uit Godheid en mensheid is nooit voortgebracht en zal nooit voortgebracht worden".
B: (Luke 24:39) [b:Luke 24:39]
2e Weerlegging. Wij kunnen de woorden van Damascenus op twee manieren opvatten. Ten eerste als slaand op de menselijke natuur. Deze immers is niet de algemene soort, voor zover zij in een eenling bestaat; maar zij is dat wel, voor zover zij geabstraheerd is van alle eenling-zijn, zoals zij bestaat in de louter verstandelijke beschouwing, of voorzover zij in alle eenlingen is. Maar de Zoon Gods nam de menselijke natuur niet aan, zoals zij bestaat in de verstandsbeschouwing, want dan had Hij geen werkelijke natuur aangenomen. Of men moest zeggen, dat de menselijke natuur een op zichzelf bestaand "idee" is, zoals de Platonici het bestaan van de mens buiten de stof aannamen. Maar dan had de Zoon Gods geen vlees aangenomen, wat strijdt met de woorden van Lucas (22, 39): "een geest heeft geen vlees en geen beenderen, zoals gij ziet, dat ik heb". Evenmin kan men beweren, dat de Zoon Gods de menselijke natuur aannam, zoals die bestaat in alle eenlingen van deze soort, want dan had Hij zich moeten verenigen met alle mensen. Blijft dus alleen over, wat Damascenus verder in hetzelfde boek (11e H.) zegt, dat "Hij de menselijke natuur aannam in "atomo", dwz. in een eenling, niet in een ander individu, dat drager en hypostase van die natuur is, maar in de persoon van Gods Zoon. Het woord van Damascenus kan ook opgevat worden als niet slaand op een menselijke natuur, alsof uit de vereniging van ziel en lichaam geen gewone menselijke natuur zou zijn ontstaan, maar als slaand op de vereniging van de twee naturen, de goddelijke en de menselijke, waaruit geen derde zou ontstaan als een soort algemene natuur, die aan meerdere enkelingen zou kunnen worden toegekend. En dat bedoelt hij, zodat hij erbij voegt (T. a. p.): "Een andere Christus, volmaakt God en volmaakt mens, uit Godheid en mensheid is nooit voortgebracht en zal nooit voortgebracht worden".
B: (Luke 24:39) [b:Luke 24:39]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Men kan een dubbel beginsel van lichamelijk leven onderscheiden: een werkend beginsel, en zo is het Woord Gods beginsel van elk leven; en een formeel beginsel, want "voor de levende wezens is leven zijn", zoals de filosoof zegt in het 2e boek Over de ziel (4e H.). Daarom leeft het lichaam door de ziel, zoals iedere ding formeel is door zijn vorm. En zo zegt men niet, dat het lichaam leeft door het Woord, want dat kan geen vorm van een lichaam zijn.
3e Weerlegging. Men kan een dubbel beginsel van lichamelijk leven onderscheiden: een werkend beginsel, en zo is het Woord Gods beginsel van elk leven; en een formeel beginsel, want "voor de levende wezens is leven zijn", zoals de filosoof zegt in het 2e boek Over de ziel (4e H.). Daarom leeft het lichaam door de ziel, zoals iedere ding formeel is door zijn vorm. En zo zegt men niet, dat het lichaam leeft door het Woord, want dat kan geen vorm van een lichaam zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Was de menschelijle natuur op bijkomstige wijze met het Woord Gods verenigd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 2 a. 1 co.
IIIa q. 2 a. 10 arg. 1
IIIa q. 3 a. 7 arg. 1
IIIa q. 4 a. 2 co.
IIIa q. 4 a. 3 co.
IIIa q. 6 a. 6 s. c.
IIIa q. 16 a. 1 co.
IIIa q. 16 a. 12 s. c.
IIIa q. 17 a. 2 co.
IIIa q. 46 a. 12 co.[t:iiia q. 2 a. 1 co.][t:iiia q. 2 a. 10 arg. 1][t:iiia q. 3 a. 7 arg. 1][t:iiia q. 4 a. 2 co.][t:iiia q. 4 a. 3 co.][t:iiia q. 6 a. 6 s. c.][t:iiia q. 16 a. 1 co.][t:iiia q. 16 a. 12 s. c.][t:iiia q. 17 a. 2 co.][t:iiia q. 46 a. 12 co.]
IIIa q. 2 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de menschelijke natuur op bijkomstige wijze vereenigd was met het Woord Gods. De Apostel zegt immers over den Zoon Gods, in zijn brief aan de Philippiérs (2, 7), dat Hij in de gedaante (habitus) van een mens werd bevonden. Maar een habitus is altijd op bijkomstige wijze verenigd met datgene, waarvan hij is, of men habitus nu opvat als een der tien praedicamenten, of als een soort hoedanigheid. Dus werd de menselijke natuur op bijkomstige wijze met den Zoon Gods vereenigd.
IIIa q. 2 a. 1 co.
IIIa q. 2 a. 10 arg. 1
IIIa q. 3 a. 7 arg. 1
IIIa q. 4 a. 2 co.
IIIa q. 4 a. 3 co.
IIIa q. 6 a. 6 s. c.
IIIa q. 16 a. 1 co.
IIIa q. 16 a. 12 s. c.
IIIa q. 17 a. 2 co.
IIIa q. 46 a. 12 co.[t:iiia q. 2 a. 1 co.][t:iiia q. 2 a. 10 arg. 1][t:iiia q. 3 a. 7 arg. 1][t:iiia q. 4 a. 2 co.][t:iiia q. 4 a. 3 co.][t:iiia q. 6 a. 6 s. c.][t:iiia q. 16 a. 1 co.][t:iiia q. 16 a. 12 s. c.][t:iiia q. 17 a. 2 co.][t:iiia q. 46 a. 12 co.]
IIIa q. 2 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de menschelijke natuur op bijkomstige wijze vereenigd was met het Woord Gods. De Apostel zegt immers over den Zoon Gods, in zijn brief aan de Philippiérs (2, 7), dat Hij in de gedaante (habitus) van een mens werd bevonden. Maar een habitus is altijd op bijkomstige wijze verenigd met datgene, waarvan hij is, of men habitus nu opvat als een der tien praedicamenten, of als een soort hoedanigheid. Dus werd de menselijke natuur op bijkomstige wijze met den Zoon Gods vereenigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Alles, wat aan een ding met een volledig bestaan wordt toege¬voegd, wordt er op bijkomstige wijze aan toegevoegd; wij noemen immers datgene bijkomstig, wat aanwezig of afwezig kan zijn zon· der dat zijn drager vernietigd wordt. Welnu, de menschelijke natuur wordt in den tijd gevoegd bij den Zoon Gods, die al van eeuwigheid een volmaakt bestaan heeft. Dus komt zij op bijkomstige wijze.
Vervolgens. Alles, wat aan een ding met een volledig bestaan wordt toege¬voegd, wordt er op bijkomstige wijze aan toegevoegd; wij noemen immers datgene bijkomstig, wat aanwezig of afwezig kan zijn zon· der dat zijn drager vernietigd wordt. Welnu, de menschelijke natuur wordt in den tijd gevoegd bij den Zoon Gods, die al van eeuwigheid een volmaakt bestaan heeft. Dus komt zij op bijkomstige wijze.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Wat niet behoort tot de natuur of de wezenheid van een ding, is er bijkomstig aan, want alles wat is, is of een zelfstandigheid of een bijkomstigheid. Nu behoort de menselijke natuur niet tot de goddelijke natuur of de wezenheid van de Zoon Gods, omdat de vereniging niet in natuur geschied is, zoals boven is gezegd. Dus moet de menselijke natuur op bijkomstige wijze aan de Zoon van God toegevoegd zijn.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1]
Vervolgens. Wat niet behoort tot de natuur of de wezenheid van een ding, is er bijkomstig aan, want alles wat is, is of een zelfstandigheid of een bijkomstigheid. Nu behoort de menselijke natuur niet tot de goddelijke natuur of de wezenheid van de Zoon Gods, omdat de vereniging niet in natuur geschied is, zoals boven is gezegd. Dus moet de menselijke natuur op bijkomstige wijze aan de Zoon van God toegevoegd zijn.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 6 arg. 4
Vervolgens. Een werktuig is met hem, die het gebruikt, op slechts bijkomstige wijze vereenigd. Nu was in Christus de menselijke natuur het werktuig van de godheid, want Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (15e H.): "dat Christus' vleesch een werktuig is van zijn godheid". Dus schijnt het, dat de menschelijke natuur op bijkomstige wijze met den Zoon Gods vereenigd is.
Vervolgens. Een werktuig is met hem, die het gebruikt, op slechts bijkomstige wijze vereenigd. Nu was in Christus de menselijke natuur het werktuig van de godheid, want Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (15e H.): "dat Christus' vleesch een werktuig is van zijn godheid". Dus schijnt het, dat de menschelijke natuur op bijkomstige wijze met den Zoon Gods vereenigd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat wat op bijkomstige wijze van iets wordt gezegd, daaraan niet wordt toegekend als quid, een ding, maar als een hoegrootheid of een hoedanigheid, of welke andere bijkomstige zijnswijze ook. Indien dus de menselijke natuur alleen als iets bijkomstigs aan Christus zou toekomen, zouden wij Hem de menselijke natuur niet toekennen als quid, een ding, maar als een hoedanigheid of hoegrootheid, of op een andere manier. Maar dit is tegen een decretaal van Paus Alexander III (H. "Cum Christus; de Haereticis"): "Hoe durven sommigen, terwijl Christus volmaakt God en volmaakt mens is, beweren, dat Christus naar zijn menselijke natuur geen zelfstandig ding mag heeten?"
Daartegenover staat echter, dat wat op bijkomstige wijze van iets wordt gezegd, daaraan niet wordt toegekend als quid, een ding, maar als een hoegrootheid of een hoedanigheid, of welke andere bijkomstige zijnswijze ook. Indien dus de menselijke natuur alleen als iets bijkomstigs aan Christus zou toekomen, zouden wij Hem de menselijke natuur niet toekennen als quid, een ding, maar als een hoedanigheid of hoegrootheid, of op een andere manier. Maar dit is tegen een decretaal van Paus Alexander III (H. "Cum Christus; de Haereticis"): "Hoe durven sommigen, terwijl Christus volmaakt God en volmaakt mens is, beweren, dat Christus naar zijn menselijke natuur geen zelfstandig ding mag heeten?"
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 6 co.
Mijn antwoord. Om tot klaarheid in deze kwestie te komen moet men zich herinneren, dat met betrekking tot het geheim van de vereniging van twee naturen in Christus twee ketterijen opkwamen. De ene vermengde de twee naturen, zoals Eutyches en Dioscorus, die beweerden dat uit twee naturen een enkele natuur werd gevormd, zodat zij beleden, dat Christus bestond uit twee naturen, de vóór de verening als het ware gescheiden waren, maar niet in twee naturen, zodat na de vereniging het onderscheid wegviel.
De tweede ketterij was die van Nestorius, en Theodorus van Mopsueste, die de personen van elkaar scheidden. Zij beweerden, dat de persoon van de Zoon van God wel onderscheiden was van die van de zoon van de mensen. Die twee naturen, leerden zij, waren onderling verenigd, ten eerste door een inwoning, voor zover het Woord Gods woonde in die mens als in een tempel. Ten tweede door de eenheid van gevoelens, in zover de wil van die mens altijd gelijkvormig was aan de wil van Gods woord. Ten derde door hun werkzaamheid, omdat, naar zij zeiden, die mens het werktuig was van Gods Woord. Ten vierde door eer en waardigheid, in zover al de eerbewijzen, die de Zoon van God ten deel vallen, ook aan de mensenzoon toekomen om reden van zijn vereniging met Gods Zoon. Ten vijfde door de uitwisseling, d.w.z. de onderlinge toepassing van namen; want wij noemen dien mens God en Zoon van God. Het is echter duidelijk, dat al die manieren alleen bijkomstig zijn.
Sommige leeraars van latere datum meenden die ketterijen te vermijden, maar vervielen erin door onwetendheid. Sommigen onder hen namen in Christus een persoon, maar meerdere hypostasen aan of dragers; zij beweerden, dat een uit ziel en lichaam bestaand mens vanaf het eerste ogenblik, dat hij ontvangen werd, met het Woord Gods werd verenigd. En dit is de eerste mening, die de Meester vermeldt in het tweede boek der Sententies.
Anderen wilden de eenheid in persoon redden, en beweerden daarom, dat de ziel van Christus niet met zijn lichaam was verenigd, maar beide onderscheiden delen op bijkomstige manier met het Woord waren verenigd, zodat men niet meer personen kreeg. Dit is de derde door den Magister vermelde meening. Maar elk van deze meningen vervalt in de ketterij van Nestorius. En wel de eerste, omdat het precies hetzelfde is aan Christus twee hypostasen of dragers toe te kennen als twee personen, zoals vroeger is gezegd (3 Art.). En legt men de nadruk op het woord persoon, dan moet men bedenken, dat zelfs Nestorius sprak van een eenheid in persoon om de eenheid in waardigheid en eer. Daarom verklaart het Vijfde Concilie (Constant. 2. gener. 5. collat. 8. can. 5.) hem gebannen, "die de persoonseenheid verdedigd als eenheid in vaardigheid, eer en aanbidding, zoals Nestorius en Theodorus het in hun dwaasheid schreven". Ook de derde mening komt op hetzelfde neer als de dwaling van Nestorius, omdat zij slechts een bijkomstige vereniging aanneemt. Want er is geen verschil tussen de bewering, dat het Woord Gods met den mens Christus verenigd is door in hem in te wonen als in zijn tempel, zoals Nestorius verdedigde, en die, dat het Woord met den mens was verenigd door met hem bekleed te zijn, zoals de derde mening verdedigt. Deze stelling stelt het zelf iets meer ketters voor dan Nestorius, omdat zij zegt, dat ziel en lichaam niet verenigd zijn.
Het katholieke geloof houdt het juiste midden tussen de twee bovengenoemde meningen, want het zegt, dat de vereniging van God en mens niet geschiedde in wezenheid of natuur, en ook niet up bijkomstige wijze, maar daartussenin in het zelfstandig bestaan of de hypostase. Daarom lezen wij in de acten van de Vijfde Synode (T. a. p.): "Omdat de eenheid op vele manieren wordt opgevat, spreken sommigen, die de goddeloosheid van Lutyches en Apollinaris volgen, en de verandering der bestanddelen houden, van een vereniging door vermenging; de volgelingen van Theodorus en Nestorius houden vast aan de scheiding en verdedigen een eenheid in gevoelens. Gods Heilige Kerk echter verwerpt de goddeloosheid van beide ketterijen en belijdt een vereniging van het Woord Gods met het vlees door samenvoeging, dwz. in het zelfstandig bestaan.
Hieruit blijkt, dat de tweede der drie meningen, die door den Magister worden uiteengezet, welke nl. een hypostase van God en mens houdt, geen mening moet worden genoemd, maar wel de leer van het Katholieke geloof. En even zo zijn de eerste mening die twee hypostasen aanneemt, en de derde, die een bijkomstige vereniging houdt, geen meningen, maar op Concilies door de Kerk veroordeelde ketterijen.
R: q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3]
Mijn antwoord. Om tot klaarheid in deze kwestie te komen moet men zich herinneren, dat met betrekking tot het geheim van de vereniging van twee naturen in Christus twee ketterijen opkwamen. De ene vermengde de twee naturen, zoals Eutyches en Dioscorus, die beweerden dat uit twee naturen een enkele natuur werd gevormd, zodat zij beleden, dat Christus bestond uit twee naturen, de vóór de verening als het ware gescheiden waren, maar niet in twee naturen, zodat na de vereniging het onderscheid wegviel.
De tweede ketterij was die van Nestorius, en Theodorus van Mopsueste, die de personen van elkaar scheidden. Zij beweerden, dat de persoon van de Zoon van God wel onderscheiden was van die van de zoon van de mensen. Die twee naturen, leerden zij, waren onderling verenigd, ten eerste door een inwoning, voor zover het Woord Gods woonde in die mens als in een tempel. Ten tweede door de eenheid van gevoelens, in zover de wil van die mens altijd gelijkvormig was aan de wil van Gods woord. Ten derde door hun werkzaamheid, omdat, naar zij zeiden, die mens het werktuig was van Gods Woord. Ten vierde door eer en waardigheid, in zover al de eerbewijzen, die de Zoon van God ten deel vallen, ook aan de mensenzoon toekomen om reden van zijn vereniging met Gods Zoon. Ten vijfde door de uitwisseling, d.w.z. de onderlinge toepassing van namen; want wij noemen dien mens God en Zoon van God. Het is echter duidelijk, dat al die manieren alleen bijkomstig zijn.
Sommige leeraars van latere datum meenden die ketterijen te vermijden, maar vervielen erin door onwetendheid. Sommigen onder hen namen in Christus een persoon, maar meerdere hypostasen aan of dragers; zij beweerden, dat een uit ziel en lichaam bestaand mens vanaf het eerste ogenblik, dat hij ontvangen werd, met het Woord Gods werd verenigd. En dit is de eerste mening, die de Meester vermeldt in het tweede boek der Sententies.
Anderen wilden de eenheid in persoon redden, en beweerden daarom, dat de ziel van Christus niet met zijn lichaam was verenigd, maar beide onderscheiden delen op bijkomstige manier met het Woord waren verenigd, zodat men niet meer personen kreeg. Dit is de derde door den Magister vermelde meening. Maar elk van deze meningen vervalt in de ketterij van Nestorius. En wel de eerste, omdat het precies hetzelfde is aan Christus twee hypostasen of dragers toe te kennen als twee personen, zoals vroeger is gezegd (3 Art.). En legt men de nadruk op het woord persoon, dan moet men bedenken, dat zelfs Nestorius sprak van een eenheid in persoon om de eenheid in waardigheid en eer. Daarom verklaart het Vijfde Concilie (Constant. 2. gener. 5. collat. 8. can. 5.) hem gebannen, "die de persoonseenheid verdedigd als eenheid in vaardigheid, eer en aanbidding, zoals Nestorius en Theodorus het in hun dwaasheid schreven". Ook de derde mening komt op hetzelfde neer als de dwaling van Nestorius, omdat zij slechts een bijkomstige vereniging aanneemt. Want er is geen verschil tussen de bewering, dat het Woord Gods met den mens Christus verenigd is door in hem in te wonen als in zijn tempel, zoals Nestorius verdedigde, en die, dat het Woord met den mens was verenigd door met hem bekleed te zijn, zoals de derde mening verdedigt. Deze stelling stelt het zelf iets meer ketters voor dan Nestorius, omdat zij zegt, dat ziel en lichaam niet verenigd zijn.
Het katholieke geloof houdt het juiste midden tussen de twee bovengenoemde meningen, want het zegt, dat de vereniging van God en mens niet geschiedde in wezenheid of natuur, en ook niet up bijkomstige wijze, maar daartussenin in het zelfstandig bestaan of de hypostase. Daarom lezen wij in de acten van de Vijfde Synode (T. a. p.): "Omdat de eenheid op vele manieren wordt opgevat, spreken sommigen, die de goddeloosheid van Lutyches en Apollinaris volgen, en de verandering der bestanddelen houden, van een vereniging door vermenging; de volgelingen van Theodorus en Nestorius houden vast aan de scheiding en verdedigen een eenheid in gevoelens. Gods Heilige Kerk echter verwerpt de goddeloosheid van beide ketterijen en belijdt een vereniging van het Woord Gods met het vlees door samenvoeging, dwz. in het zelfstandig bestaan.
Hieruit blijkt, dat de tweede der drie meningen, die door den Magister worden uiteengezet, welke nl. een hypostase van God en mens houdt, geen mening moet worden genoemd, maar wel de leer van het Katholieke geloof. En even zo zijn de eerste mening die twee hypostasen aanneemt, en de derde, die een bijkomstige vereniging houdt, geen meningen, maar op Concilies door de Kerk veroordeelde ketterijen.
R: q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (26 H.). "dat het niet nodig is, dat een voorbeeld in alle opzichten en feilloos behoeft op te gaan, omdat het dan geen voorbeeld meer is, maar het ding zelf; en dat geldt vooral, als het over God gaat; want het is onmogelijk voor alles een voorbeeld te vinden in de theologie, (dwz. voor de personen van de Godheid), en voor Gods plannen, (nl. voor het geheim der Menswording) . De menselijke natuur wordt dus bij Christus met een kleed vergeleken, niet wat betreft de bijkomstige vereniging, maar wat betreft het feit, dat het Woord wordt gezien door de menselijke natuur, zoals de mens door zijn kleed. Ook nog in d:t opzicht, dat een kleed zich vormt naar de gestalte van hem, die het aantrekt, en die zelf niet van gestalte verandert door het kleed; evenzo is de menselijke door Gods Woord aangenomen natuur daardoor veredeld, terwijl het Woord Gods zelf onveranderd blijft zoals Augustinus uitlegt in het boek Over de 83 Kwesties (73e Kw ).
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 3 a. 7 ad 2[t:iiia q. 3 a. 7 ad 2]
1e Weerlegging. Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (26 H.). "dat het niet nodig is, dat een voorbeeld in alle opzichten en feilloos behoeft op te gaan, omdat het dan geen voorbeeld meer is, maar het ding zelf; en dat geldt vooral, als het over God gaat; want het is onmogelijk voor alles een voorbeeld te vinden in de theologie, (dwz. voor de personen van de Godheid), en voor Gods plannen, (nl. voor het geheim der Menswording) . De menselijke natuur wordt dus bij Christus met een kleed vergeleken, niet wat betreft de bijkomstige vereniging, maar wat betreft het feit, dat het Woord wordt gezien door de menselijke natuur, zoals de mens door zijn kleed. Ook nog in d:t opzicht, dat een kleed zich vormt naar de gestalte van hem, die het aantrekt, en die zelf niet van gestalte verandert door het kleed; evenzo is de menselijke door Gods Woord aangenomen natuur daardoor veredeld, terwijl het Woord Gods zelf onveranderd blijft zoals Augustinus uitlegt in het boek Over de 83 Kwesties (73e Kw ).
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 3 a. 7 ad 2[t:iiia q. 3 a. 7 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Wat bij een ding, dat al een volledig zijn heeft, wordt gevoegd, wordt er op bijkomstige wijze mee verenigd, tenzij het in dit volledig zijn deelt, zoals het lichaam bij de verrijzenis komt bij een te voren reeds bestaande ziel, maar niet op bijkomstige wijze, omdat het deelt in het zelfde zijn, zodat dus het lichaam zijn levend-zijn krijgt van de ziel. Met de witheid is het echter net zo, want het zijn van de witheid en het zijn van den mens, aan wie de witheid toekomt, verschillen. Nu had het Woord Gods als hypostase of persoon van eeuwigheid een volledig zijn, maar in de tijd krijgt Het de menselijke natuur, niet in eenheid van natuur, zoals het lichaam met het zijn van de ziel wordt verenigd, maar wel in eenheid van bestaan naar hypostase of persoon. Daarom is de menselijke natuur niet op bijkomstige wijze verenigd met de Zoon van God.
2e Weerlegging. Wat bij een ding, dat al een volledig zijn heeft, wordt gevoegd, wordt er op bijkomstige wijze mee verenigd, tenzij het in dit volledig zijn deelt, zoals het lichaam bij de verrijzenis komt bij een te voren reeds bestaande ziel, maar niet op bijkomstige wijze, omdat het deelt in het zelfde zijn, zodat dus het lichaam zijn levend-zijn krijgt van de ziel. Met de witheid is het echter net zo, want het zijn van de witheid en het zijn van den mens, aan wie de witheid toekomt, verschillen. Nu had het Woord Gods als hypostase of persoon van eeuwigheid een volledig zijn, maar in de tijd krijgt Het de menselijke natuur, niet in eenheid van natuur, zoals het lichaam met het zijn van de ziel wordt verenigd, maar wel in eenheid van bestaan naar hypostase of persoon. Daarom is de menselijke natuur niet op bijkomstige wijze verenigd met de Zoon van God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Bijkomstigheid staat tegenover zelfstandigheid. Nu kan men zelfstandigheid op twee manieren opvatten, zoals uit het vijfde boek Over de Metaphgsica blijkt, ten eerste als wezen of natuur, ten tweede als drager of hypostase. Het is dus voldoende om een bijkomstige vereniging uit te sluiten, dat de vereniging geschiedde in hypostase, ook al geschiedde zij niet in natuur.
3e Weerlegging. Bijkomstigheid staat tegenover zelfstandigheid. Nu kan men zelfstandigheid op twee manieren opvatten, zoals uit het vijfde boek Over de Metaphgsica blijkt, ten eerste als wezen of natuur, ten tweede als drager of hypostase. Het is dus voldoende om een bijkomstige vereniging uit te sluiten, dat de vereniging geschiedde in hypostase, ook al geschiedde zij niet in natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 6 ad 4
4e Weerlegging. Niet alles wat als werktuig dient, behoort tot de hypostase van hem, die het gebruikt, als blijkt bij een zaag en een zwaard, maar er is niets op tegen, dat wat met de hypostase verenigd wordt, als werktuig dient, zoals het lichaam van den mens of zijn ledematen. Zo beweerde Nestorius, dat de menselijke natuur door het Woord alleen als werktuig was aangenomen en niet tot de eenheid in hypostase. En daarom gaf hij niet toe, dat die mens werkelijk Zoon van God was, maar alleen zijn werktuig. Daarom schrijft Cyrillus van Alexandrië in zijn 1e Brief aan de monniken van Egypte: "De H. Schrift noemt deze Emmanuel, (dwz. Christus) niet alleen als werktuig aangenomen, maar als mensgeworden God". Damascenus echter leerde dat de menschelijke natuur was als een werktuig in Christus, dat behoorde tot de eenheid van hypostase.
4e Weerlegging. Niet alles wat als werktuig dient, behoort tot de hypostase van hem, die het gebruikt, als blijkt bij een zaag en een zwaard, maar er is niets op tegen, dat wat met de hypostase verenigd wordt, als werktuig dient, zoals het lichaam van den mens of zijn ledematen. Zo beweerde Nestorius, dat de menselijke natuur door het Woord alleen als werktuig was aangenomen en niet tot de eenheid in hypostase. En daarom gaf hij niet toe, dat die mens werkelijk Zoon van God was, maar alleen zijn werktuig. Daarom schrijft Cyrillus van Alexandrië in zijn 1e Brief aan de monniken van Egypte: "De H. Schrift noemt deze Emmanuel, (dwz. Christus) niet alleen als werktuig aangenomen, maar als mensgeworden God". Damascenus echter leerde dat de menschelijke natuur was als een werktuig in Christus, dat behoorde tot de eenheid van hypostase.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Was de Vereniging van Goddelijke en Menselijke natuur iets Geschapens?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 2 a. 8 co.
IIIa q. 57 a. 1 ad 1[t:iiia q. 2 a. 8 co.][t:iiia q. 57 a. 1 ad 1]
IIIa q. 2 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de vereniging van goddelijke en menselijke natuur niet iets geschapens zou zijn. Want in God kan niets geschapens zijn, omdat alles, wat in God is, God is. Maar de vereniging is in God, want God zelf is verenigd met de menselijke natuur. Daarom schijnt de vereniging niet iets geschapens te zijn.
IIIa q. 2 a. 8 co.
IIIa q. 57 a. 1 ad 1[t:iiia q. 2 a. 8 co.][t:iiia q. 57 a. 1 ad 1]
IIIa q. 2 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de vereniging van goddelijke en menselijke natuur niet iets geschapens zou zijn. Want in God kan niets geschapens zijn, omdat alles, wat in God is, God is. Maar de vereniging is in God, want God zelf is verenigd met de menselijke natuur. Daarom schijnt de vereniging niet iets geschapens te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Het doel is in alles van het meeste belang. Maar het doel van de vereniging is de goddelijke hypostase of natuur, waarin de vereniging haar eindterm vindt. Vandaar schijnt het, dat men deze vereniging vooral moet beoordelen naar de aard van de goddelijke hypostase, die niet iets geschapens is. Daarom is de vereniging ook niet iets geschapens.
Vervolgens. Het doel is in alles van het meeste belang. Maar het doel van de vereniging is de goddelijke hypostase of natuur, waarin de vereniging haar eindterm vindt. Vandaar schijnt het, dat men deze vereniging vooral moet beoordelen naar de aard van de goddelijke hypostase, die niet iets geschapens is. Daarom is de vereniging ook niet iets geschapens.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Datgene waarom iets is, is meer dan dit, zoals de filosoof zegt (Over de Redeneering, I° B., 2° H.). Maar om de vereniging werd de mens Schepper genoemd. Daarom is veel minder nog die vereniging iets geschapens, maar schepper.
Vervolgens. Datgene waarom iets is, is meer dan dit, zoals de filosoof zegt (Over de Redeneering, I° B., 2° H.). Maar om de vereniging werd de mens Schepper genoemd. Daarom is veel minder nog die vereniging iets geschapens, maar schepper.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 7 s. c.
Daartegen is echter, dat wat in de tijd begint te bestaan, iets geschapens is. Nu was de vereniging er niet van eeuwig e.d., maar zij begon in de tijd te bestaan. Dus is de vereniging iets geschapens.
Daartegen is echter, dat wat in de tijd begint te bestaan, iets geschapens is. Nu was de vereniging er niet van eeuwig e.d., maar zij begon in de tijd te bestaan. Dus is de vereniging iets geschapens.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 7 co.
Mijn antwoord. De vereniging, waarover wij spreken, is een verhouding die wij vinden tussen de goddelijke en menselijke natuur, in zover zij beiden zijn in de ene persoon van Gods Zoon. Nu is, zoals in het eerste deel gezegd is (13° Kw., 7° Art.), iedere verhouding, die wij vinden tussen God en het schepsel, werkelijk in het schepsel, omdat zij ontstaat door verandering daarvan; maar in God bestaat zij niet werkelijk, maar alleen naar onze manier van beschouwen, omdat zij niet ontstaat door een verandering in God. Wij moeten dus zeggen, dat de vereniging, waarover wij spreken, in God niet werkelijk bestaat, maar alleen naar onze manier van beschouwen, maar zij bestaat werkelijk in de menselijke natuur, die een schepsel is. En daarom moeten wij zeggen, dat zij iets geschapens is.
R: I q. 13 a. 7[t:ia q. 13 a. 7]
Mijn antwoord. De vereniging, waarover wij spreken, is een verhouding die wij vinden tussen de goddelijke en menselijke natuur, in zover zij beiden zijn in de ene persoon van Gods Zoon. Nu is, zoals in het eerste deel gezegd is (13° Kw., 7° Art.), iedere verhouding, die wij vinden tussen God en het schepsel, werkelijk in het schepsel, omdat zij ontstaat door verandering daarvan; maar in God bestaat zij niet werkelijk, maar alleen naar onze manier van beschouwen, omdat zij niet ontstaat door een verandering in God. Wij moeten dus zeggen, dat de vereniging, waarover wij spreken, in God niet werkelijk bestaat, maar alleen naar onze manier van beschouwen, maar zij bestaat werkelijk in de menselijke natuur, die een schepsel is. En daarom moeten wij zeggen, dat zij iets geschapens is.
R: I q. 13 a. 7[t:ia q. 13 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Deze vereniging bestaat niet werkelijk in God, maar alleen naar onze wijze van beschouwen, want wij noemen God met het schepsel hierom verenigd, dat het schepsel werkelijk met God verenigd is, zonder dat Hij verandert.
1e Weerlegging. Deze vereniging bestaat niet werkelijk in God, maar alleen naar onze wijze van beschouwen, want wij noemen God met het schepsel hierom verenigd, dat het schepsel werkelijk met God verenigd is, zonder dat Hij verandert.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Een betrekking hangt, naar het begrip evenals beweging af van haar eindterm, maar haar bestaan hangt af van het ding, waarin zij is. En omdat nu die vereniging niet werkelijk bestaat tenzij in het schepsel, zoals gezegd is (in de Leerstelling), heeft zij een geschapen bestaan.
2e Weerlegging. Een betrekking hangt, naar het begrip evenals beweging af van haar eindterm, maar haar bestaan hangt af van het ding, waarin zij is. En omdat nu die vereniging niet werkelijk bestaat tenzij in het schepsel, zoals gezegd is (in de Leerstelling), heeft zij een geschapen bestaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. De mens wordt schepper genoemd en is God om de vereniging, in zover deze haar eindterm vindt in de goddelijke hypostase; maar daaruit volgt niet, dat de vereniging zelf schepper of God is, want als iets geschapen wordt genoemd, slaat dat meer op zijn bestaan dan op zijn aard.
3e Weerlegging. De mens wordt schepper genoemd en is God om de vereniging, in zover deze haar eindterm vindt in de goddelijke hypostase; maar daaruit volgt niet, dat de vereniging zelf schepper of God is, want als iets geschapen wordt genoemd, slaat dat meer op zijn bestaan dan op zijn aard.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Is de Vereniging van het Mensgeworden Woord hetzelfde als de Aanneming?
IIIa q. 2 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat vereniging hetzelfde is als aanneming. Want betrekkingen, evenals bewegingen, worden soortelijk bepaald door hun eindterm. Maar de eindterm van vereniging en aanneming is dezelfde, namelijk de goddelijke hypostase. Daarom schijnen vereniging en aanneming niet te verschillen.
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat vereniging hetzelfde is als aanneming. Want betrekkingen, evenals bewegingen, worden soortelijk bepaald door hun eindterm. Maar de eindterm van vereniging en aanneming is dezelfde, namelijk de goddelijke hypostase. Daarom schijnen vereniging en aanneming niet te verschillen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Het schijnt, dat het in het mysterie van de menswording een en dezelfde is, die verenigt en aanneemt, en ook een en hetzelfde, wat verenigd en aangenomen wordt. Maar aanneming en vereniging schijnen een gevolg te zijn van werking en ondergaan van hem die verenigt en van wat verenigd wordt, van hem, die aanneemt en van wat aangenomen wordt. Daarom schijnen vereniging en aanneming hetzelfde te zijn.
Vervolgens. Het schijnt, dat het in het mysterie van de menswording een en dezelfde is, die verenigt en aanneemt, en ook een en hetzelfde, wat verenigd en aangenomen wordt. Maar aanneming en vereniging schijnen een gevolg te zijn van werking en ondergaan van hem die verenigt en van wat verenigd wordt, van hem, die aanneemt en van wat aangenomen wordt. Daarom schijnen vereniging en aanneming hetzelfde te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Damascenus zegt in het 3e boek *Over het Ware Geloof* (11e H.), dat "vereniging en menswording iets anders zijn, omdat vereniging alleen samenvoeging betekent, maar nog niet datgene, waarop die samenvoeging is gericht; maar menswording en vleeswording geven aan, wat de bedoeling was van die samenvoeging". Maar aanneming geeft evenmin het doel der vereniging aan. Dus schijnen aanneming en vereniging hetzelfde te zijn.
Vervolgens. Damascenus zegt in het 3e boek *Over het Ware Geloof* (11e H.), dat "vereniging en menswording iets anders zijn, omdat vereniging alleen samenvoeging betekent, maar nog niet datgene, waarop die samenvoeging is gericht; maar menswording en vleeswording geven aan, wat de bedoeling was van die samenvoeging". Maar aanneming geeft evenmin het doel der vereniging aan. Dus schijnen aanneming en vereniging hetzelfde te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 8 s. c.
Hiertegenover staat echter, dat men de goddelijke natuur wel verenigd, maar niet aangenomen noemt.
Hiertegenover staat echter, dat men de goddelijke natuur wel verenigd, maar niet aangenomen noemt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 8 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (in het vorig artikel), geeft de vereniging een betrekking tussen de goddelijke en menselijke natuur, in zover dezen in een persoon verenigd zijn. Nu wordt iedere betrekking, die in de tijd begint te bestaan, door een verandering veroorzaakt, en een verandering bestaat in werken en ondergaan. Men moet daarom zeggen, dat het eerste en voornaamste verschil tussen vereniging en aanneming hierin ligt, dat vereniging de betrekking zelf aangeeft, maar de aanneming ofwel de daad, waardoor men iemand aannemend noemt, of het ondergaan, waardoor iets aangenomen heet. Uit dit eerste verschil volgt verder een tweede verschil: want aanneming beduidt het aannemen als gebeurend, terwijl vereniging het verenigen als gebeurd aangeeft; en daarom zegt men, dat wie verenigt, verenigd is, maar niet, dat wie aanneemt aangenomen is. Willen wij de menselijke natuur aanduiden zoals zij is bij de eindterm van de aanneming tot de goddelijke hypostase, dan zeggen wij: mens, en daarom zeggen wij terecht, dat Gods Zoon, die de menselijke natuur met zich verenigt, mens is. Beschouwen wij echter de menselijke natuur op zichzelf, dwz. in het abstract, dan nemen wij haar als wat aangenomen is; maar wij zeggen niet, dat Gods Zoon de menselijke natuur is. Uit hetzelfde volgt ook het derde verschilpunt, dat de betrekking, vooral de even-gelijke, niet meer op de ene term slaat als de andere; maar werken en ondergaan verhouden zich anders tot degene, die werkt en die ondergaat en tot de verschillende eindtermen. Daarom geeft de aanneming de term aan, waarvan zij uitgaat en waarop zij zich richt, want zij wordt aanneming genoemd in de betekenis van: het genomen worden door een ander tot zich. Maar vereniging bepaalt niets van deze dingen, zodat men gelijkelijk kan zeggen, dat de menselijke natuur met de goddelijke is verenigd en omgekeerd. Maar men zegt niet, dat de goddelijke natuur door de menselijke is aangenomen, doch omgekeerd, omdat de menselijke natuur bij de goddelijke persoon is gevoegd, zodat nl. de goddelijke persoon in de menselijke natuur zelfstandig bestaat.
R: q. 2 a. 7[t:iiia q. 2 a. 7]
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (in het vorig artikel), geeft de vereniging een betrekking tussen de goddelijke en menselijke natuur, in zover dezen in een persoon verenigd zijn. Nu wordt iedere betrekking, die in de tijd begint te bestaan, door een verandering veroorzaakt, en een verandering bestaat in werken en ondergaan. Men moet daarom zeggen, dat het eerste en voornaamste verschil tussen vereniging en aanneming hierin ligt, dat vereniging de betrekking zelf aangeeft, maar de aanneming ofwel de daad, waardoor men iemand aannemend noemt, of het ondergaan, waardoor iets aangenomen heet. Uit dit eerste verschil volgt verder een tweede verschil: want aanneming beduidt het aannemen als gebeurend, terwijl vereniging het verenigen als gebeurd aangeeft; en daarom zegt men, dat wie verenigt, verenigd is, maar niet, dat wie aanneemt aangenomen is. Willen wij de menselijke natuur aanduiden zoals zij is bij de eindterm van de aanneming tot de goddelijke hypostase, dan zeggen wij: mens, en daarom zeggen wij terecht, dat Gods Zoon, die de menselijke natuur met zich verenigt, mens is. Beschouwen wij echter de menselijke natuur op zichzelf, dwz. in het abstract, dan nemen wij haar als wat aangenomen is; maar wij zeggen niet, dat Gods Zoon de menselijke natuur is. Uit hetzelfde volgt ook het derde verschilpunt, dat de betrekking, vooral de even-gelijke, niet meer op de ene term slaat als de andere; maar werken en ondergaan verhouden zich anders tot degene, die werkt en die ondergaat en tot de verschillende eindtermen. Daarom geeft de aanneming de term aan, waarvan zij uitgaat en waarop zij zich richt, want zij wordt aanneming genoemd in de betekenis van: het genomen worden door een ander tot zich. Maar vereniging bepaalt niets van deze dingen, zodat men gelijkelijk kan zeggen, dat de menselijke natuur met de goddelijke is verenigd en omgekeerd. Maar men zegt niet, dat de goddelijke natuur door de menselijke is aangenomen, doch omgekeerd, omdat de menselijke natuur bij de goddelijke persoon is gevoegd, zodat nl. de goddelijke persoon in de menselijke natuur zelfstandig bestaat.
R: q. 2 a. 7[t:iiia q. 2 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Vereniging en aanneming verhouden zich niet op dezelfde manier tot de eindterm, maar op andere wijze, zoals boven is gezegd (in de Leerstelling).
1e Weerlegging. Vereniging en aanneming verhouden zich niet op dezelfde manier tot de eindterm, maar op andere wijze, zoals boven is gezegd (in de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Wie aanneemt en wie verenigt, zijn niet heel en al dezelfde, want iedere persoon, die aanneemt, verenigt ook, maar dat is niet omkeerbaar. De persoon van de Vader immers verenigde de menselijke natuur met zijn Zoon, maar niet met zichzelf, en daarom zeggen wij, dat Hij verenigde, maar niet dat Hij aannam, in de zin van "tot Zich nam"; maar de persoon van de Zoon, die de menselijke natuur met zich verenigde, is die verenigt en die aanneemt. Evenzo is datgene, wat verenigd en wat aangenomen wordt, niet hetzelfde, want de goddelijke natuur wordt verenigd, maar niet aangenomen genoemd.
2e Weerlegging. Wie aanneemt en wie verenigt, zijn niet heel en al dezelfde, want iedere persoon, die aanneemt, verenigt ook, maar dat is niet omkeerbaar. De persoon van de Vader immers verenigde de menselijke natuur met zijn Zoon, maar niet met zichzelf, en daarom zeggen wij, dat Hij verenigde, maar niet dat Hij aannam, in de zin van "tot Zich nam"; maar de persoon van de Zoon, die de menselijke natuur met zich verenigde, is die verenigt en die aanneemt. Evenzo is datgene, wat verenigd en wat aangenomen wordt, niet hetzelfde, want de goddelijke natuur wordt verenigd, maar niet aangenomen genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. De aanneming bepaalt dengene nader met wie iets verbonden is, beschouwd van de kant van hem die aanneemt, want men spreekt van aannemen in de zin van "tot zich nemen". Maar vleeswording en menswording bepalen de verbinding nader, bezien van de kant van datgene wat aangenomen wordt, nl. het vlees of de menselijke natuur. Daarom verschilt aanneming naar het begrip zowel van vereniging als van vleeswording of menswording.
3e Weerlegging. De aanneming bepaalt dengene nader met wie iets verbonden is, beschouwd van de kant van hem die aanneemt, want men spreekt van aannemen in de zin van "tot zich nemen". Maar vleeswording en menswording bepalen de verbinding nader, bezien van de kant van datgene wat aangenomen wordt, nl. het vlees of de menselijke natuur. Daarom verschilt aanneming naar het begrip zowel van vereniging als van vleeswording of menswording.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Is de vereniging van twee naturen in Christus de grootste vereniging?
IIIa q. 2 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert, dat de vereniging van twee naturen in Christus niet de grootste vereniging is. — I. Want wat verenigd is, staat voor wat het een-zijn betreft, lager dan wat één is, daar iets verenigd wordt genoemd, omdat het deelt in het één-zijn, maar één, omdat het door zijn wezen een is. Bij de geschapen dingen echter is er ook iets, dat zonder de minste beperking één wordt genoemd, zoals blijkt uit de eenheid zelf, die beginsel van het getal is. En daarom bezit de vereniging, waarover wij spreken, niet de grootste eenheid.
Over het negende als volgt. Men beweert, dat de vereniging van twee naturen in Christus niet de grootste vereniging is. — I. Want wat verenigd is, staat voor wat het een-zijn betreft, lager dan wat één is, daar iets verenigd wordt genoemd, omdat het deelt in het één-zijn, maar één, omdat het door zijn wezen een is. Bij de geschapen dingen echter is er ook iets, dat zonder de minste beperking één wordt genoemd, zoals blijkt uit de eenheid zelf, die beginsel van het getal is. En daarom bezit de vereniging, waarover wij spreken, niet de grootste eenheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 9 arg. 2
Vervolgens. Zoveel te groter de afstand is tussen de dingen, die verenigd worden, zoveel te minder zijn zij één. Maar de afstand tussen de dingen, die bij deze vereniging worden verenigd, nl. de goddelijke en menselijke natuur, is zo groot mogelijk, want zij staan op oneindige afstand van elkaar. Daarom hebben wij hier de kleinste eenheid.
Vervolgens. Zoveel te groter de afstand is tussen de dingen, die verenigd worden, zoveel te minder zijn zij één. Maar de afstand tussen de dingen, die bij deze vereniging worden verenigd, nl. de goddelijke en menselijke natuur, is zo groot mogelijk, want zij staan op oneindige afstand van elkaar. Daarom hebben wij hier de kleinste eenheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 9 arg. 3
Vervolgens. Door vereniging wordt iets één. Nu ontstaat er bij ons door de vereniging van ziel en lichaam eenheid in natuur en in persoon, maar door de vereniging van de goddelijke en menselijke natuur ontstaat alleen eenheid in persoon. Dus is de vereniging tussen ziel en lichaam groter dan die tussen goddelijke en menselijke natuur, en daarom geeft de vereniging waarvan wij spreken, niet de grootste eenheid.
Vervolgens. Door vereniging wordt iets één. Nu ontstaat er bij ons door de vereniging van ziel en lichaam eenheid in natuur en in persoon, maar door de vereniging van de goddelijke en menselijke natuur ontstaat alleen eenheid in persoon. Dus is de vereniging tussen ziel en lichaam groter dan die tussen goddelijke en menselijke natuur, en daarom geeft de vereniging waarvan wij spreken, niet de grootste eenheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 9 s. c.
Daartegenover kan men echter het woord van Augustinus in het 1e boek *Over de Drievuldigheid* (10e H.) stellen: "de mens is meer in Gods Zoon dan de Zoon in de Vader". Maar de Zoon is in de Vader door eenheid in wezenheid, en de mens in de Zoon door de vereniging der menswording. Dus is de vereniging van de menswording groter dan de eenheid van de goddelijke wezenheid, en toch is dit de grootste eenheid; en daaruit volgt, dat de vereniging der menswording de grootste eenheid meebrengt.
Daartegenover kan men echter het woord van Augustinus in het 1e boek *Over de Drievuldigheid* (10e H.) stellen: "de mens is meer in Gods Zoon dan de Zoon in de Vader". Maar de Zoon is in de Vader door eenheid in wezenheid, en de mens in de Zoon door de vereniging der menswording. Dus is de vereniging van de menswording groter dan de eenheid van de goddelijke wezenheid, en toch is dit de grootste eenheid; en daaruit volgt, dat de vereniging der menswording de grootste eenheid meebrengt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 9 co.
Mijn antwoord. Vereniging betekent samenvoeging van meerdere in iets eens. Men kan daarom de vereniging der menswording op twee manieren opvatten: bezien van de kant van wat samengevoegd wordt, en bezien van de kant van datgene, waarin zij verenigd worden. En van deze kant bezien heeft deze vereniging de voorrang boven elke andere vereniging, want de eenheid van de goddelijke persoon, waarin de twee naturen verenigd worden, is de grootst mogelijke; maar zij staat niet bovenaan, bezien van de kant van wat verenigd wordt.
Mijn antwoord. Vereniging betekent samenvoeging van meerdere in iets eens. Men kan daarom de vereniging der menswording op twee manieren opvatten: bezien van de kant van wat samengevoegd wordt, en bezien van de kant van datgene, waarin zij verenigd worden. En van deze kant bezien heeft deze vereniging de voorrang boven elke andere vereniging, want de eenheid van de goddelijke persoon, waarin de twee naturen verenigd worden, is de grootst mogelijke; maar zij staat niet bovenaan, bezien van de kant van wat verenigd wordt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. De eenheid van de goddelijke persoon is groter dan de getalseenheid, die het beginsel van het getal is. Want de eenheid van de goddelijke persoon is een ongeschapen eenheid, die zelfstandig bestaat en niet door deelhebbing in een ander wordt ontvangen; ook is zij in zich zelf volmaakt, omdat zij alles in zich heeft, wat tot het begrip eenheid behoort. Daarom ook kan zij niet als deel optreden, zoals de getalseenheid, die een deel van het getal is en waaraan de getelde dingen deelhebben. De vereniging van de menswording heeft dus, wat dit betreft de voorrang, om de eenheid van de goddelijke persoon, maar niet om de menselijke natuur, die niet de eenheid zelf is van de goddelijke persoon, maar daarmee is verenigd.
1e Weerlegging. De eenheid van de goddelijke persoon is groter dan de getalseenheid, die het beginsel van het getal is. Want de eenheid van de goddelijke persoon is een ongeschapen eenheid, die zelfstandig bestaat en niet door deelhebbing in een ander wordt ontvangen; ook is zij in zich zelf volmaakt, omdat zij alles in zich heeft, wat tot het begrip eenheid behoort. Daarom ook kan zij niet als deel optreden, zoals de getalseenheid, die een deel van het getal is en waaraan de getelde dingen deelhebben. De vereniging van de menswording heeft dus, wat dit betreft de voorrang, om de eenheid van de goddelijke persoon, maar niet om de menselijke natuur, die niet de eenheid zelf is van de goddelijke persoon, maar daarmee is verenigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. Dit bezwaar gaat uit van de dingen, die verenigd zijn, en niet van de persoon, waarin zij verenigd zijn.
2e Weerlegging. Dit bezwaar gaat uit van de dingen, die verenigd zijn, en niet van de persoon, waarin zij verenigd zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. De eenheid van de goddelijke persoon is groter dan de eenheid in natuur en persoon bij ons; daarom is de eenheid van de menswording groter dan de eenheid tussen ziel en lichaam bij ons.
3e Weerlegging. De eenheid van de goddelijke persoon is groter dan de eenheid in natuur en persoon bij ons; daarom is de eenheid van de menswording groter dan de eenheid tussen ziel en lichaam bij ons.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 9 ad 4
IIIa q. 2 a. 9 ad 4 Omdat het daartegenover gestelde bewijs een verkeerde veronderstelling maakt, namelijk dat de eenheid van de menswording groter zou zijn dan de eenheid in wezen der goddelijke personen, moeten wij op de tekst van Augustinus antwoorden, dat de menselijke natuur niet meer in de Zoon is dan de Zoon in de Vader, maar veel minder. In zeker opzicht is de mens echter meer in de Zoon dan de Zoon in de Vader, omdat er namelijk dezelfde drager is van hem, die ik mens noem, als het over Christus gaat, en van Hem, die ik Zoon Gods noem; maar de drager van Vader en Zoon is niet dezelfde.
IIIa q. 2 a. 9 ad 4 Omdat het daartegenover gestelde bewijs een verkeerde veronderstelling maakt, namelijk dat de eenheid van de menswording groter zou zijn dan de eenheid in wezen der goddelijke personen, moeten wij op de tekst van Augustinus antwoorden, dat de menselijke natuur niet meer in de Zoon is dan de Zoon in de Vader, maar veel minder. In zeker opzicht is de mens echter meer in de Zoon dan de Zoon in de Vader, omdat er namelijk dezelfde drager is van hem, die ik mens noem, als het over Christus gaat, en van Hem, die ik Zoon Gods noem; maar de drager van Vader en Zoon is niet dezelfde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Wordt de vereniging der twee naturen in Christus door de genade bewerkt?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 2 a. 11 co.
IIIa q. 7 a. 11 co.
IIIa q. 7 a. 13 co.
IIIa q. 16 a. 1 co.[t:iiia q. 2 a. 11 co.][t:iiia q. 7 a. 11 co.][t:iiia q. 7 a. 13 co.][t:iiia q. 16 a. 1 co.]
IIIa q. 2 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert, dat de vereniging der twee naturen in Christus niet door de genade bewerkt is. Want de genade is iets bijkomstigs, zoals in het tweede deel is uiteengezet (1-2, 110° Kw., 2° Art.). De vereniging echter van de menselijke natuur met de goddelijke is niet door iets bijkomstigs gemaakt, zoals boven aangetoond is (6° Art.). Dus schijnt de vereniging der menswording niet door de genade te zijn bewerkt.
R: Ia-IIae q. 110 a. 2[t:ia-iiae q. 110 a. 2] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6]
IIIa q. 2 a. 11 co.
IIIa q. 7 a. 11 co.
IIIa q. 7 a. 13 co.
IIIa q. 16 a. 1 co.[t:iiia q. 2 a. 11 co.][t:iiia q. 7 a. 11 co.][t:iiia q. 7 a. 13 co.][t:iiia q. 16 a. 1 co.]
IIIa q. 2 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert, dat de vereniging der twee naturen in Christus niet door de genade bewerkt is. Want de genade is iets bijkomstigs, zoals in het tweede deel is uiteengezet (1-2, 110° Kw., 2° Art.). De vereniging echter van de menselijke natuur met de goddelijke is niet door iets bijkomstigs gemaakt, zoals boven aangetoond is (6° Art.). Dus schijnt de vereniging der menswording niet door de genade te zijn bewerkt.
R: Ia-IIae q. 110 a. 2[t:ia-iiae q. 110 a. 2] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 10 arg. 2
Vervolgens. Het subject van de genade is de ziel. Maar "in Christus woonde de gehele volheid der godheid lichamelijk", zoals geschreven staat in de brief aan de Colossenzen (2° H. 9° v.). Daarom schijnt die vereniging niet door de genade bewerkt te zijn.
B: (Col 2:9) [b:Col 2:9]
Vervolgens. Het subject van de genade is de ziel. Maar "in Christus woonde de gehele volheid der godheid lichamelijk", zoals geschreven staat in de brief aan de Colossenzen (2° H. 9° v.). Daarom schijnt die vereniging niet door de genade bewerkt te zijn.
B: (Col 2:9) [b:Col 2:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 10 arg. 3
Vervolgens. Iedere heilige wordt met God door de genade verenigd. Als dus de vereniging der menswording door de genade is geschied, schijnt Christus niet in een andere betekenis God genoemd te worden dan andere heilige mannen.
Vervolgens. Iedere heilige wordt met God door de genade verenigd. Als dus de vereniging der menswording door de genade is geschied, schijnt Christus niet in een andere betekenis God genoemd te worden dan andere heilige mannen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 10 s. c.
Daartegenover kan men echter het woord van Augustinus aanhalen uit het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15° H.) : "Iedere mens wordt van de aanvang van zijn geloof af christen door die genade, waardoor die ene mens van het begin van zijn bestaan af Christus werd". Maar die mens werd Christus door zijn vereniging met de goddelijke natuur. Dus wordt die vereniging door de genade bewerkt.
Daartegenover kan men echter het woord van Augustinus aanhalen uit het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15° H.) : "Iedere mens wordt van de aanvang van zijn geloof af christen door die genade, waardoor die ene mens van het begin van zijn bestaan af Christus werd". Maar die mens werd Christus door zijn vereniging met de goddelijke natuur. Dus wordt die vereniging door de genade bewerkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 10 co.
Mijn antwoord. Zoals in het tweede deel is gezegd (1-2, 110° Kw., 1° Art.), betekent de genade twee dingen: ten eerste de Wil van God zelf, die zonder verdiensten iets geeft, en ten tweede de gave zelf van God, die zonder verdiensten gegeven wordt. Nu heeft de menselijke natuur Gods Wil, die zonder verdiensten geeft, nodig om tot God verheven te worden daar dit het vermogen der natuur te boven gaat. De menselijke natuur wordt echter op twee manieren tot God verheven: ten eerste door haar werkzaamheid, waardoor namelijk de heiligen God kennen en beminnen. Ten tweede in het bestaan van de persoon, maar deze wijze is alleen aan Christus voorbehouden, in wie de menselijke natuur verheven is om tot de persoon van Gods Zoon te behoren. Nu is het duidelijk, dat voor een volmaakte werkzaamheid een vervolmaking van het werkend vermogen door een heiligheid noodig is, maar dat de natuur het bestaan heeft in haar drager, wordt niet bewerkt door een heiligheid. Als wij genade nemen in de zin van Gods Wil, die zonder verdiensten iets doet of in iemand behagen schept of hem "in genade" aanneemt, dan moeten wij zeggen dat de vereniging der menswording door de genade is geschied, evenals de vereniging der heiligen met God in kennen en beminnen. Noemen wij echter de gave Gods, die niet verdiend is, genade, dan kan men het een genade noemen, dat de menselijke natuur met de goddelijke persoon verenigd is, in zover dit geschiedde zonder dat er enige verdiensten aan vooraf gingen, maar men mag dit niet opvatten als een genade, die een soort heiligheid is, waardoor die vereniging zou geschieden.
R: Ia-IIae q. 110 a. 1[t:ia-iiae q. 110 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals in het tweede deel is gezegd (1-2, 110° Kw., 1° Art.), betekent de genade twee dingen: ten eerste de Wil van God zelf, die zonder verdiensten iets geeft, en ten tweede de gave zelf van God, die zonder verdiensten gegeven wordt. Nu heeft de menselijke natuur Gods Wil, die zonder verdiensten geeft, nodig om tot God verheven te worden daar dit het vermogen der natuur te boven gaat. De menselijke natuur wordt echter op twee manieren tot God verheven: ten eerste door haar werkzaamheid, waardoor namelijk de heiligen God kennen en beminnen. Ten tweede in het bestaan van de persoon, maar deze wijze is alleen aan Christus voorbehouden, in wie de menselijke natuur verheven is om tot de persoon van Gods Zoon te behoren. Nu is het duidelijk, dat voor een volmaakte werkzaamheid een vervolmaking van het werkend vermogen door een heiligheid noodig is, maar dat de natuur het bestaan heeft in haar drager, wordt niet bewerkt door een heiligheid. Als wij genade nemen in de zin van Gods Wil, die zonder verdiensten iets doet of in iemand behagen schept of hem "in genade" aanneemt, dan moeten wij zeggen dat de vereniging der menswording door de genade is geschied, evenals de vereniging der heiligen met God in kennen en beminnen. Noemen wij echter de gave Gods, die niet verdiend is, genade, dan kan men het een genade noemen, dat de menselijke natuur met de goddelijke persoon verenigd is, in zover dit geschiedde zonder dat er enige verdiensten aan vooraf gingen, maar men mag dit niet opvatten als een genade, die een soort heiligheid is, waardoor die vereniging zou geschieden.
R: Ia-IIae q. 110 a. 1[t:ia-iiae q. 110 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. De genade, die iets bijkomstigs is, is een gelijkenis met de godheid, waarin de mens deelt. Wij zeggen echter niet, dat de menselijke natuur door de menswording deelt in een gelijkenis met de goddelijke natuur, maar zij wordt met de goddelijke natuur verenigd genoemd in de persoon van de Zoon. Maar het ding zelf is hoger in waarde dan de gelijkenis ervan, die wordt meegedeeld.
1e Weerlegging. De genade, die iets bijkomstigs is, is een gelijkenis met de godheid, waarin de mens deelt. Wij zeggen echter niet, dat de menselijke natuur door de menswording deelt in een gelijkenis met de goddelijke natuur, maar zij wordt met de goddelijke natuur verenigd genoemd in de persoon van de Zoon. Maar het ding zelf is hoger in waarde dan de gelijkenis ervan, die wordt meegedeeld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. Alleen de genade, die een hebbelijkheid is, is in de ziel. Maar de genade, dwz. de onverdiende gave Gods, die bestaat in het verenigd zijn met de goddelijke persoon, komt toe aan de hele menselijke natuur, die uit ziel en lichaam is samengesteld. En zo zegt men, dat de volheid der godheid lichamelijk in Christus woont, omdat de goddelijke natuur niet alleen met de ziel is verenigd, maar ook met het lichaam. Men zou echter ook kunnen zeggen, dat de volheid der Godheid in Christus lichamelijk woonde, niet gelijk een schaduw, zoals zij was in de sacramenten der Oude Wet, waarvan op dezelfde plaats wordt gezegd, dat zij maar een "schaduw waren van wat komen ging, maar het lichaam zelf is Christus", zodat er een tegenstelling wordt gemaakt tussen lichaam en schaduw. Anderen zeggen ook nog, dat gesproken wordt van een wonen der godheid in Christus op lichamelijke wijze, nl. op drie manieren, zoals het lichaam drie afmetingen heeft: op de eerste manier door wezenheid, tegenwoordigheid en macht als bij de andere schepselen; vervolgens door de heiligmakende genade, zoals bij de heiligen; ten derde door de vereniging in persoon, die aan Christus eigen is.
2e Weerlegging. Alleen de genade, die een hebbelijkheid is, is in de ziel. Maar de genade, dwz. de onverdiende gave Gods, die bestaat in het verenigd zijn met de goddelijke persoon, komt toe aan de hele menselijke natuur, die uit ziel en lichaam is samengesteld. En zo zegt men, dat de volheid der godheid lichamelijk in Christus woont, omdat de goddelijke natuur niet alleen met de ziel is verenigd, maar ook met het lichaam. Men zou echter ook kunnen zeggen, dat de volheid der Godheid in Christus lichamelijk woonde, niet gelijk een schaduw, zoals zij was in de sacramenten der Oude Wet, waarvan op dezelfde plaats wordt gezegd, dat zij maar een "schaduw waren van wat komen ging, maar het lichaam zelf is Christus", zodat er een tegenstelling wordt gemaakt tussen lichaam en schaduw. Anderen zeggen ook nog, dat gesproken wordt van een wonen der godheid in Christus op lichamelijke wijze, nl. op drie manieren, zoals het lichaam drie afmetingen heeft: op de eerste manier door wezenheid, tegenwoordigheid en macht als bij de andere schepselen; vervolgens door de heiligmakende genade, zoals bij de heiligen; ten derde door de vereniging in persoon, die aan Christus eigen is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 10 ad 3
Unde patet Dit blijkt uit het voorafgaande: want de vereniging der menswording is niet alleen bewerkt door de genade, die een hebbelijkheid is, zoals de andere heiligen met God verenigd worden, maar in het zelfstandig bestaan of de persoon.
B: (Col 2:17) [b:Col 2:17]
Unde patet Dit blijkt uit het voorafgaande: want de vereniging der menswording is niet alleen bewerkt door de genade, die een hebbelijkheid is, zoals de andere heiligen met God verenigd worden, maar in het zelfstandig bestaan of de persoon.
B: (Col 2:17) [b:Col 2:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 11: Gingen aan de vereniging der Menswording verdiensten vooraf?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 16 a. 1 co.[t:iiia q. 16 a. 1 co.]
IIIa q. 2 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert, dat aan de vereniging der menswording verdiensten vooraf gingen. Want bij deze woorden van de 32° psalm (v. 22): "Uw barmhartigheid komt over ons, o Heer, zoals wij op U gehoopt hebben", zegt de Glossa: "Hier wordt het verlangen van de Profeet naar de menswording aangegeven, en de verdiensten, waardoor het werd vervuld". Dus kon de menswording worden verdiend.
B: (Ps 32, Ps 32:22) [b:Ps 32]
IIIa q. 16 a. 1 co.[t:iiia q. 16 a. 1 co.]
IIIa q. 2 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert, dat aan de vereniging der menswording verdiensten vooraf gingen. Want bij deze woorden van de 32° psalm (v. 22): "Uw barmhartigheid komt over ons, o Heer, zoals wij op U gehoopt hebben", zegt de Glossa: "Hier wordt het verlangen van de Profeet naar de menswording aangegeven, en de verdiensten, waardoor het werd vervuld". Dus kon de menswording worden verdiend.
B: (Ps 32, Ps 32:22) [b:Ps 32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 11 arg. 2
Vervolgens. Wie iets verdient, verdient ook datgene zonder wat het niet kan worden bereikt. De oude Vaders echter verdienden het eeuwige leven, dat zij niet konden bereiken tenzij door de menswording; Gregorius immers zegt in het boek Over de Zedenkundige verhandelingen (3° H.): "Al waren zij, die vóór de komst van Christus op deze wereld kwamen, nog zo rechtvaardig, toch konden zij na hun uitgaan uit het lichaam niet onmiddellijk in de schoot van het hemels vaderland worden opgenomen, omdat Hij nog niet gekomen was, die de zielen der rechtvaardigen op de eeuwige troon zou plaatsen". Dus schijnen zij de menswording te hebben verdiend.
Vervolgens. Wie iets verdient, verdient ook datgene zonder wat het niet kan worden bereikt. De oude Vaders echter verdienden het eeuwige leven, dat zij niet konden bereiken tenzij door de menswording; Gregorius immers zegt in het boek Over de Zedenkundige verhandelingen (3° H.): "Al waren zij, die vóór de komst van Christus op deze wereld kwamen, nog zo rechtvaardig, toch konden zij na hun uitgaan uit het lichaam niet onmiddellijk in de schoot van het hemels vaderland worden opgenomen, omdat Hij nog niet gekomen was, die de zielen der rechtvaardigen op de eeuwige troon zou plaatsen". Dus schijnen zij de menswording te hebben verdiend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 11 arg. 3
Vervolgens. Van de H. Maagd zingen wij, dat zij "de Heer van alles verdiende te dragen", en dit geschiedde door de mensenwording. Dus kan de mensenwording verdiend worden.
Vervolgens. Van de H. Maagd zingen wij, dat zij "de Heer van alles verdiende te dragen", en dit geschiedde door de mensenwording. Dus kan de mensenwording verdiend worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 11 s. c.
Daartegenover kan men echter het woord van Augustinus in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15° H.) stellen: "Wie in ons Hoofd verdiensten vindt, die aan die bijzondere geboorte voorafgingen, hij zoeke bij ons, zijn ledematen, verdiensten, die aan de herhaalde wedergeboorte voorafgaan". Maar geen verdiensten gingen aan onze wedergeboorte vooraf naar het woord in de Brief aan Titus (3, 5), "Niet om werken van rechtvaardigheid, die wij gedaan hebben, maar door zijn barmhartigheid redde Hij ons door het water der wedergeboorte". Dus gingen ook aan de geboorte van Christus geen verdiensten vooraf.
B: (Titus 3:5) [b:Titus 3:5]
Daartegenover kan men echter het woord van Augustinus in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15° H.) stellen: "Wie in ons Hoofd verdiensten vindt, die aan die bijzondere geboorte voorafgingen, hij zoeke bij ons, zijn ledematen, verdiensten, die aan de herhaalde wedergeboorte voorafgaan". Maar geen verdiensten gingen aan onze wedergeboorte vooraf naar het woord in de Brief aan Titus (3, 5), "Niet om werken van rechtvaardigheid, die wij gedaan hebben, maar door zijn barmhartigheid redde Hij ons door het water der wedergeboorte". Dus gingen ook aan de geboorte van Christus geen verdiensten vooraf.
B: (Titus 3:5) [b:Titus 3:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 11 co.
Mijn antwoord. Uit het voorafgaande (in het vorige artikel) is het duidelijk, dat wat Christus zelf betreft, geen verdiensten van Hem aan de vereniging konden voorafgaan. Wij beweren immers niet, dat Hij te voren een mens zonder meer was, en daarna door de verdiensten van een goed leven verkreeg Gods Zoon te zijn, zoals Photinus beweerde; maar wij beweren, dat die mens vanaf het ogenblik dat hij ontvangen werd, waarlijk Gods Zoon was, omdat hij geen andere hypostase heeft dan die van Gods Zoon, naar het woord van Lucas (1, 35): "Het heilige, dat uit U geboren wordt, zal de Zoon van God worden genoemd". En daarom volgde elke werking van die mens op de vereniging, zodat geen daad van hem verdienste voor die vereniging kon zijn. Maar de werken van enig ander mens zouden evenmin de verdienstelijk zijn voor die vereniging, ten minste naar gelijkwaardigheid. Ten eerste omdat de verdienstelijke daden van een mens eigenlijk op de zaligheid zijn gericht, die "de beloning is voor de deugd", en bestaat in het volledig genieten van God. Daar nu de vereniging van de menswording in het persoonlijke zijn ligt, gaat zij de vereniging van de zalige geest met God te boven, een vereniging die geschiedt door de daad van hem die geniet. En daarom kan zij geen voorwerp van verdiensten zijn. Ten tweede kan de genade niet onder de verdienste vallen, omdat zij juist beginsel van verdienste is. Maar dan valt de mensvordering nog veel minder onder de verdiensten, omdat zij beginsel van de genade is, volgens het woord van Johannes (1, 17): "Genade en waarheid zijn door Jesus Christus". — Ten derde, omdat de mensvordering van Christus de hele menselijke natuur hervormt. En daarom valt zij niet onder de verdienste van één enkel mens, omdat het goede in een mens-zonder-meer, geen oorzaak kan zijn van het goede in de gehele natuur. De H. Vaders verdienden echter de mensvordering als iets passends door ernaar te verlangen en haar af te smeeken. Want het was passend, dat God hen verhoorde, die Hem gehoorzaamden.
B: (Luke 1:35) [b:Luke 1:35]
R: q. 2 a. 10[t:iiia q. 2 a. 10]
Mijn antwoord. Uit het voorafgaande (in het vorige artikel) is het duidelijk, dat wat Christus zelf betreft, geen verdiensten van Hem aan de vereniging konden voorafgaan. Wij beweren immers niet, dat Hij te voren een mens zonder meer was, en daarna door de verdiensten van een goed leven verkreeg Gods Zoon te zijn, zoals Photinus beweerde; maar wij beweren, dat die mens vanaf het ogenblik dat hij ontvangen werd, waarlijk Gods Zoon was, omdat hij geen andere hypostase heeft dan die van Gods Zoon, naar het woord van Lucas (1, 35): "Het heilige, dat uit U geboren wordt, zal de Zoon van God worden genoemd". En daarom volgde elke werking van die mens op de vereniging, zodat geen daad van hem verdienste voor die vereniging kon zijn. Maar de werken van enig ander mens zouden evenmin de verdienstelijk zijn voor die vereniging, ten minste naar gelijkwaardigheid. Ten eerste omdat de verdienstelijke daden van een mens eigenlijk op de zaligheid zijn gericht, die "de beloning is voor de deugd", en bestaat in het volledig genieten van God. Daar nu de vereniging van de menswording in het persoonlijke zijn ligt, gaat zij de vereniging van de zalige geest met God te boven, een vereniging die geschiedt door de daad van hem die geniet. En daarom kan zij geen voorwerp van verdiensten zijn. Ten tweede kan de genade niet onder de verdienste vallen, omdat zij juist beginsel van verdienste is. Maar dan valt de mensvordering nog veel minder onder de verdiensten, omdat zij beginsel van de genade is, volgens het woord van Johannes (1, 17): "Genade en waarheid zijn door Jesus Christus". — Ten derde, omdat de mensvordering van Christus de hele menselijke natuur hervormt. En daarom valt zij niet onder de verdienste van één enkel mens, omdat het goede in een mens-zonder-meer, geen oorzaak kan zijn van het goede in de gehele natuur. De H. Vaders verdienden echter de mensvordering als iets passends door ernaar te verlangen en haar af te smeeken. Want het was passend, dat God hen verhoorde, die Hem gehoorzaamden.
B: (Luke 1:35) [b:Luke 1:35]
R: q. 2 a. 10[t:iiia q. 2 a. 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 11 ad 1
Et per hoc Dit blijkt uit het bovengenoemde.
B: (John 1:17) [b:John 1:17]
Et per hoc Dit blijkt uit het bovengenoemde.
B: (John 1:17) [b:John 1:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 11 ad 2
2e Weerlegging. Het is onjuist te zeggen, dat alles onder de verdiensten valt wat voor de beloning onmisbaar is. Want er zijn dingen, die niet alleen voor de beloning nodig zijn, maar ook aan iedere verdienste moeten vooraf gaan, zoals de goddelijke goedheid en haar genade en de menselijke natuur zelf. En evenzo is de menswording beginsel van verdienste, want "uit Christus’ volheid ontvingen wij allen", zoals Johannes (1, 16) zegt.
2e Weerlegging. Het is onjuist te zeggen, dat alles onder de verdiensten valt wat voor de beloning onmisbaar is. Want er zijn dingen, die niet alleen voor de beloning nodig zijn, maar ook aan iedere verdienste moeten vooraf gaan, zoals de goddelijke goedheid en haar genade en de menselijke natuur zelf. En evenzo is de menswording beginsel van verdienste, want "uit Christus’ volheid ontvingen wij allen", zoals Johannes (1, 16) zegt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 11 ad 3
3e Weerlegging. Men zegt, dat de Heilige Maagd verdiende Jezus Christus onze Heer te dragen, niet omdat zij verdiende, dat God mens werd, maar omdat zij door de haar gegeven genade die graad van reinheid en heiligheid verdiende, waardoor zij passend Gods Moeder kon zijn.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
3e Weerlegging. Men zegt, dat de Heilige Maagd verdiende Jezus Christus onze Heer te dragen, niet omdat zij verdiende, dat God mens werd, maar omdat zij door de haar gegeven genade die graad van reinheid en heiligheid verdiende, waardoor zij passend Gods Moeder kon zijn.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 12: Was de genade der vereniging voor de mens Christus iets natuurlijks?
IIIa q. 2 a. 12 arg. 1
Over het twaalfde als volgt. Men beweert, dat de genade der vereniging voor de mens Christus niet iets natuurlijks was. Zoals immers boven is gezegd (1° en 2° Art.), geschiedde de vereniging der menswording niet in natuur, maar in persoon. Alles nu wordt bepaald door de eindterm. Dus moet men die genade eerder persoonlijk dan natuurlijk noemen.
R: q. 2 a. 2[t:iiia q. 2 a. 2]
Over het twaalfde als volgt. Men beweert, dat de genade der vereniging voor de mens Christus niet iets natuurlijks was. Zoals immers boven is gezegd (1° en 2° Art.), geschiedde de vereniging der menswording niet in natuur, maar in persoon. Alles nu wordt bepaald door de eindterm. Dus moet men die genade eerder persoonlijk dan natuurlijk noemen.
R: q. 2 a. 2[t:iiia q. 2 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 12 arg. 2
Vervolgens. Genade staat tegenover natuur, zoals de onverdiende gunsten, die van God komen, staan tegenover de natuurlijke, die door een inwendig beginsel ontstaan. Maar tegenovergestelde dingen worden niet naar elkaar benoemd. Dus is die genade van Christus niet iets natuurlijks.
Vervolgens. Genade staat tegenover natuur, zoals de onverdiende gunsten, die van God komen, staan tegenover de natuurlijke, die door een inwendig beginsel ontstaan. Maar tegenovergestelde dingen worden niet naar elkaar benoemd. Dus is die genade van Christus niet iets natuurlijks.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 12 arg. 3
Vervolgens. Natuurlijk is datgene wat volgens de natuur is. Nu was de genade der vereniging voor Christus niet iets natuurlijks naar de goddelijke natuur, omdat zij dan ook aan de andere Personen zou toekomen. Evenmin is zij Hem natuurlijk naar de menselijke natuur, want dan zou zij ook toekomen aan alle mensen, die dezelfde natuur bezitten als Hij. Dus schijnt de genade der vereniging Christus op geen enkele manier natuurlijk te zijn.
Vervolgens. Natuurlijk is datgene wat volgens de natuur is. Nu was de genade der vereniging voor Christus niet iets natuurlijks naar de goddelijke natuur, omdat zij dan ook aan de andere Personen zou toekomen. Evenmin is zij Hem natuurlijk naar de menselijke natuur, want dan zou zij ook toekomen aan alle mensen, die dezelfde natuur bezitten als Hij. Dus schijnt de genade der vereniging Christus op geen enkele manier natuurlijk te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 12 s. c.
Daartegenover staat echter het woord van Augustinus in het Enchiridion (40° H.): "Bij het ontvangen der menselijke natuur werd de genade voor die mens als het ware iets natuurlijks, zodat Hij geen enkele zonde kon bedrijven".
Daartegenover staat echter het woord van Augustinus in het Enchiridion (40° H.): "Bij het ontvangen der menselijke natuur werd de genade voor die mens als het ware iets natuurlijks, zodat Hij geen enkele zonde kon bedrijven".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 12 co.
Mijn antwoord. Volgens de Philosoof, in het 5e boek Over de Metaphysica, wordt ten eerste de geboorte natuur genoemd, en daarnaast ook de wezenheid. In dubbelen zin kan daarom iets natuurlijk worden genoemd. Vooreerst wat alleen uit de wezensbeginselen van een ding komt, zoals het voor het vuur natuurlijk is zich omhoog te bewegen. In een andere betekenis wordt natuurlijk genoemd wat een mens van zijn geboorte heeft, naar het woord uit de Brief aan de Ephesiërs (2, 3): "Wij waren van nature kinderen van toorn", en uit het boek der Wijsheid (12, 10): "Hun geslacht is verdorven en hun boosheid natuurlijk". De genade van Christus, hetzij die der vereniging, hetzij de heiligmakende, kan daarom niet natuurlijk worden genoemd als veroorzaakt door de beginselen der menselijke natuur in Hem, al zou zij natuurlijk kunnen worden genoemd in zover zij in de menselijke natuur van Christus veroorzaakt wordt door zijn goddelijke natuur. Maar beide genaden worden in Christus natuurlijk genoemd in zover Hij ze van af zijn geboorte heeft; want vanaf het eerste ogenblik dat Hij ontvangen werd was de menselijke natuur met de goddelijke persoon verenigd en was zijn ziel vervuld met de gave der genade.
B: (Eph 2:3) [b:Eph 2:3] (Wis 12:10) [b:Wis 12:10]
Mijn antwoord. Volgens de Philosoof, in het 5e boek Over de Metaphysica, wordt ten eerste de geboorte natuur genoemd, en daarnaast ook de wezenheid. In dubbelen zin kan daarom iets natuurlijk worden genoemd. Vooreerst wat alleen uit de wezensbeginselen van een ding komt, zoals het voor het vuur natuurlijk is zich omhoog te bewegen. In een andere betekenis wordt natuurlijk genoemd wat een mens van zijn geboorte heeft, naar het woord uit de Brief aan de Ephesiërs (2, 3): "Wij waren van nature kinderen van toorn", en uit het boek der Wijsheid (12, 10): "Hun geslacht is verdorven en hun boosheid natuurlijk". De genade van Christus, hetzij die der vereniging, hetzij de heiligmakende, kan daarom niet natuurlijk worden genoemd als veroorzaakt door de beginselen der menselijke natuur in Hem, al zou zij natuurlijk kunnen worden genoemd in zover zij in de menselijke natuur van Christus veroorzaakt wordt door zijn goddelijke natuur. Maar beide genaden worden in Christus natuurlijk genoemd in zover Hij ze van af zijn geboorte heeft; want vanaf het eerste ogenblik dat Hij ontvangen werd was de menselijke natuur met de goddelijke persoon verenigd en was zijn ziel vervuld met de gave der genade.
B: (Eph 2:3) [b:Eph 2:3] (Wis 12:10) [b:Wis 12:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 12 ad 1
1e Weerlegging. Al geschiedde de vereniging niet in natuur, toch is zij veroorzaakt door de goddelijke natuur, die waarlijk Christus’ natuur is. En Christus heeft haar vanaf het eerste ogenblik van zijn geboorte.
1e Weerlegging. Al geschiedde de vereniging niet in natuur, toch is zij veroorzaakt door de goddelijke natuur, die waarlijk Christus’ natuur is. En Christus heeft haar vanaf het eerste ogenblik van zijn geboorte.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 12 ad 2
2e Weerlegging. Niet om dezelfde reden wordt de vereniging "genade" genoemd en "natuurlijk". Maar genade in zover zij niet verdiend is, en "natuurlijk" in zover zij komt van de kracht der goddelijke natuur in Christus’ mensheid vanaf zijn geboorte.
2e Weerlegging. Niet om dezelfde reden wordt de vereniging "genade" genoemd en "natuurlijk". Maar genade in zover zij niet verdiend is, en "natuurlijk" in zover zij komt van de kracht der goddelijke natuur in Christus’ mensheid vanaf zijn geboorte.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 2 a. 12 ad 3
3e Weerlegging. De genade der vereniging is voor Christus niet natuurlijk naar zijn menselijke natuur, alsof zij door de beginselen der menselijke natuur veroorzaakt was. En daarom is het niet nodig, dat alle mensen haar bezitten. Toch is zij Hem natuurlijk naar de menselijke natuur, om de bijzondere eigenschappen van zijn geboorte; want zo is Hij van de Heilige Geest ontvangen, dat één en dezelfde persoon Godszoon en mensenzoon is. Maar zij is Hem natuurlijk krachtens de goddelijke natuur in zover de goddelijke natuur van deze genade het werkende beginsel was. En werkend beginsel zijn van deze genade komt toe aan de gehele Drieëenheid.
3e Weerlegging. De genade der vereniging is voor Christus niet natuurlijk naar zijn menselijke natuur, alsof zij door de beginselen der menselijke natuur veroorzaakt was. En daarom is het niet nodig, dat alle mensen haar bezitten. Toch is zij Hem natuurlijk naar de menselijke natuur, om de bijzondere eigenschappen van zijn geboorte; want zo is Hij van de Heilige Geest ontvangen, dat één en dezelfde persoon Godszoon en mensenzoon is. Maar zij is Hem natuurlijk krachtens de goddelijke natuur in zover de goddelijke natuur van deze genade het werkende beginsel was. En werkend beginsel zijn van deze genade komt toe aan de gehele Drieëenheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 3: Over de Vereniging, bezien van de kant van de Persoon, die aannam
IIIa q. 3 pr.
Vervolgens moeten wij de vereniging beschouwen van de kant van de persoon, die aannam, en hierover stellen wij acht vragen:
1. Komt het aannemen toe aan de goddelijke persoon?
2. Komt het toe aan de goddelijke natuur?
3. Kan de natuur nog aannemen, als men afziet van de persoonlijkheid?
4. Kan een persoon aannemen zonder de andere?
5. Kon iedere persoon aannemen?
6. Konden meerdere personen één natuur aannemen?
7. Kon een persoon twee naturen aannemen?
8. Was het meer gepast voor de persoon van de Zoon de menselijke natuur aan te nemen dan voor een andere?
Vervolgens moeten wij de vereniging beschouwen van de kant van de persoon, die aannam, en hierover stellen wij acht vragen:
1. Komt het aannemen toe aan de goddelijke persoon?
2. Komt het toe aan de goddelijke natuur?
3. Kan de natuur nog aannemen, als men afziet van de persoonlijkheid?
4. Kan een persoon aannemen zonder de andere?
5. Kon iedere persoon aannemen?
6. Konden meerdere personen één natuur aannemen?
7. Kon een persoon twee naturen aannemen?
8. Was het meer gepast voor de persoon van de Zoon de menselijke natuur aan te nemen dan voor een andere?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Komt het aan de Goddelijke Persoon toe een geschapen natuur aan te nemen
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 3 a. 2 arg. 1
IIIa q. 3 a. 2 co.
IIIa q. 3 a. 3 arg. 1
IIIa q. 3 a. 3 arg. 2
IIIa q. 3 a. 4 co.
IIIa q. 3 a. 4 ad 2
IIIa q. 3 a. 5 co.
IIIa q. 4 a. 2 co.
IIIa q. 4 a. 3 co.
IIIa q. 9 a. 1 ad 3[t:iiia q. 3 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 3 a. 2 co.][t:iiia q. 3 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 3 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 3 a. 4 co.][t:iiia q. 3 a. 4 ad 2][t:iiia q. 3 a. 5 co.][t:iiia q. 4 a. 2 co.][t:iiia q. 4 a. 3 co.][t:iiia q. 9 a. 1 ad 3]
IIIa q. 3 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het aan de goddelijke persoon niet toekomt een geschapen natuur aan te nemen. Want de goddelijke persoon betekent iets zo volmaakt mogelijk. Nu is datgene volmaakt, waar niets bijgevoegd kan worden. Omdat nu aannemen zoiets als tot zich nemen is, zodat wat aangenomen wordt, gevoegd wordt bij hem, die aanneemt, schijnt het, dat het aan de goddelijke persoon niet toekomt een geschapen natuur aan te nemen.
IIIa q. 3 a. 2 arg. 1
IIIa q. 3 a. 2 co.
IIIa q. 3 a. 3 arg. 1
IIIa q. 3 a. 3 arg. 2
IIIa q. 3 a. 4 co.
IIIa q. 3 a. 4 ad 2
IIIa q. 3 a. 5 co.
IIIa q. 4 a. 2 co.
IIIa q. 4 a. 3 co.
IIIa q. 9 a. 1 ad 3[t:iiia q. 3 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 3 a. 2 co.][t:iiia q. 3 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 3 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 3 a. 4 co.][t:iiia q. 3 a. 4 ad 2][t:iiia q. 3 a. 5 co.][t:iiia q. 4 a. 2 co.][t:iiia q. 4 a. 3 co.][t:iiia q. 9 a. 1 ad 3]
IIIa q. 3 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het aan de goddelijke persoon niet toekomt een geschapen natuur aan te nemen. Want de goddelijke persoon betekent iets zo volmaakt mogelijk. Nu is datgene volmaakt, waar niets bijgevoegd kan worden. Omdat nu aannemen zoiets als tot zich nemen is, zodat wat aangenomen wordt, gevoegd wordt bij hem, die aanneemt, schijnt het, dat het aan de goddelijke persoon niet toekomt een geschapen natuur aan te nemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Datgene waartoe iets aangenomen wordt, wordt in zekere zin medegedeeld aan wat ertoe aangenomen wordt, zoals een waardigheid wordt medegedeeld aan iemand, die ertoe verheven wordt. Maar het behoort tot het wezen van de persoon onmede deelbaar te zijn, zoals in het eerste deel is gezegd (29° Kw., 1° Art.). Daarom komt het aan de goddelijke persoon niet toe aan te nemen in de zin van tot zich te nemen.
R: I q. 29 a. 1[t:ia q. 29 a. 1]
Vervolgens. Datgene waartoe iets aangenomen wordt, wordt in zekere zin medegedeeld aan wat ertoe aangenomen wordt, zoals een waardigheid wordt medegedeeld aan iemand, die ertoe verheven wordt. Maar het behoort tot het wezen van de persoon onmede deelbaar te zijn, zoals in het eerste deel is gezegd (29° Kw., 1° Art.). Daarom komt het aan de goddelijke persoon niet toe aan te nemen in de zin van tot zich te nemen.
R: I q. 29 a. 1[t:ia q. 29 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 1 arg. 3
Vervolgens. De persoon wordt gevormd door de natuur. Maar het gaat niet aan, dat wat gevormd wordt datgene wat vormt tot zich neemt, omdat het gevolg niet op de oorzaak inwerkt. Daarom komt het de persoon niet toe een natuur tot zich te nemen.
Vervolgens. De persoon wordt gevormd door de natuur. Maar het gaat niet aan, dat wat gevormd wordt datgene wat vormt tot zich neemt, omdat het gevolg niet op de oorzaak inwerkt. Daarom komt het de persoon niet toe een natuur tot zich te nemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter het woord van Augustinus (Fulgentius), in het boek *Aan Petrus over het Geloof*: "De vorm, dwz. de natuur van een slaaf nam die, dwz. de eniggeboren God, aan in zijn persoon". Maar de eniggeboren God is een persoon. Dus komt het de persoon toe een natuur te krijgen, dwz. tot zich te nemen.
Daartegenover staat echter het woord van Augustinus (Fulgentius), in het boek *Aan Petrus over het Geloof*: "De vorm, dwz. de natuur van een slaaf nam die, dwz. de eniggeboren God, aan in zijn persoon". Maar de eniggeboren God is een persoon. Dus komt het de persoon toe een natuur te krijgen, dwz. tot zich te nemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 1 co.
Mijn antwoord. In het woord *aanneming* liggen twee dingen opgesloten, nl. het beginsel van de daad en de term, want men spreekt van aannemen in de zin van iets tot zich nemen. Nu is de persoon beginsel en term van die aanneming. En wel beginsel, omdat het eigenlijk aan de persoon toekomt te werken, en die aanneming van het vlees is gebeurd door een goddelijke daad. Evenzo is de persoon ook de eindterm van deze aanneming, want de vereniging is, zoals boven werd gezegd (2° Kw., 1° en 2° Art.), geschied in persoon, niet in natuur. En zo blijkt dat het het meest eigenlijk aan de persoon toekomt een natuur aan te nemen.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1] q. 2 a. 2[t:iiia q. 2 a. 2]
Mijn antwoord. In het woord *aanneming* liggen twee dingen opgesloten, nl. het beginsel van de daad en de term, want men spreekt van aannemen in de zin van iets tot zich nemen. Nu is de persoon beginsel en term van die aanneming. En wel beginsel, omdat het eigenlijk aan de persoon toekomt te werken, en die aanneming van het vlees is gebeurd door een goddelijke daad. Evenzo is de persoon ook de eindterm van deze aanneming, want de vereniging is, zoals boven werd gezegd (2° Kw., 1° en 2° Art.), geschied in persoon, niet in natuur. En zo blijkt dat het het meest eigenlijk aan de persoon toekomt een natuur aan te nemen.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1] q. 2 a. 2[t:iiia q. 2 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Omdat de goddelijke persoon oneindig is, kan daar niets aan worden toegevoegd. Daarom zegt Cyrillus in de Synodale brief van het Concilie van Ephese: "Wij vatten de manier van vereniging niet op als een bijvoeging". Op dezelfde manier wordt er bij de vereniging van een mens met God door de genade van adoptie niet iets bij God gevoegd, maar het goddelijke wordt bij de mens gevoegd. Dus niet God, maar de mens wordt vervolmaakt.
1e Weerlegging. Omdat de goddelijke persoon oneindig is, kan daar niets aan worden toegevoegd. Daarom zegt Cyrillus in de Synodale brief van het Concilie van Ephese: "Wij vatten de manier van vereniging niet op als een bijvoeging". Op dezelfde manier wordt er bij de vereniging van een mens met God door de genade van adoptie niet iets bij God gevoegd, maar het goddelijke wordt bij de mens gevoegd. Dus niet God, maar de mens wordt vervolmaakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De persoon wordt onmededeelbaar genoemd, in zover hij niet van meerdere dragers kan worden gezegd. Maar er is niets tegen dat meerdere dingen van de persoon worden gezegd. Daarom is het ook niet tegen het wezen van een persoon, dat deze zo wordt medegedeeld, dat hij in meerdere naturen bestaat. Want meerdere naturen kunnen ook in een geschapen persoon op bijkomstige manier tesamen komen, zoals men in de persoon van een mens grootheid en hoedanigheid vindt. Maar aan de goddelijke persoon is het om zijn oneindigheid eigen, dat in hem de naturen niet op bijkomstige wijze, maar naar het zelfstandig bestaan tesamen komen.
2e Weerlegging. De persoon wordt onmededeelbaar genoemd, in zover hij niet van meerdere dragers kan worden gezegd. Maar er is niets tegen dat meerdere dingen van de persoon worden gezegd. Daarom is het ook niet tegen het wezen van een persoon, dat deze zo wordt medegedeeld, dat hij in meerdere naturen bestaat. Want meerdere naturen kunnen ook in een geschapen persoon op bijkomstige manier tesamen komen, zoals men in de persoon van een mens grootheid en hoedanigheid vindt. Maar aan de goddelijke persoon is het om zijn oneindigheid eigen, dat in hem de naturen niet op bijkomstige wijze, maar naar het zelfstandig bestaan tesamen komen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (2e Kw., 1e Art.), vormt de menselijke natuur de goddelijke persoon niet zonder meer, maar alleen in zover deze naar deze natuur genoemd wordt. Want de Zoon Gods heeft niet het zijn zonder meer van de menselijke natuur, omdat Hij van eeuwigheid bestaat, maar het mens zijn. Door de goddelijke natuur echter wordt de goddelijke persoon gevormd, en daarom zegt men niet, dat de goddelijke persoon de goddelijke natuur aanneemt, maar de menselijke.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1]
3e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (2e Kw., 1e Art.), vormt de menselijke natuur de goddelijke persoon niet zonder meer, maar alleen in zover deze naar deze natuur genoemd wordt. Want de Zoon Gods heeft niet het zijn zonder meer van de menselijke natuur, omdat Hij van eeuwigheid bestaat, maar het mens zijn. Door de goddelijke natuur echter wordt de goddelijke persoon gevormd, en daarom zegt men niet, dat de goddelijke persoon de goddelijke natuur aanneemt, maar de menselijke.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Komt het aan de goddelijke natuur toe aan te nemen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 3 a. 4 co.
IIIa q. 3 a. 4 ad 2
IIIa q. 3 a. 5 co.
IIIa q. 3 a. 6 arg. 2
IIIa q. 4 a. 2 co.
IIIa q. 4 a. 3 co.[t:iiia q. 3 a. 4 co.][t:iiia q. 3 a. 4 ad 2][t:iiia q. 3 a. 5 co.][t:iiia q. 3 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 4 a. 2 co.][t:iiia q. 4 a. 3 co.]
IIIa q. 3 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat het aannemen niet aan de goddelijke natuur toekomt. Want aannemen betekent, zoals gezegd is (voorgaande Artikel), tot zich nemen, maar de goddelijke natuur heeft de menselijke niet tot zich genomen, omdat de vereniging niet in natuur is gebeurd, maar in persoon, zoals boven is gezegd (2e Kw., 1e-3e Artikel). Daarom komt het aannemen niet aan de goddelijke natuur toe.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1] q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3]
IIIa q. 3 a. 4 co.
IIIa q. 3 a. 4 ad 2
IIIa q. 3 a. 5 co.
IIIa q. 3 a. 6 arg. 2
IIIa q. 4 a. 2 co.
IIIa q. 4 a. 3 co.[t:iiia q. 3 a. 4 co.][t:iiia q. 3 a. 4 ad 2][t:iiia q. 3 a. 5 co.][t:iiia q. 3 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 4 a. 2 co.][t:iiia q. 4 a. 3 co.]
IIIa q. 3 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat het aannemen niet aan de goddelijke natuur toekomt. Want aannemen betekent, zoals gezegd is (voorgaande Artikel), tot zich nemen, maar de goddelijke natuur heeft de menselijke niet tot zich genomen, omdat de vereniging niet in natuur is gebeurd, maar in persoon, zoals boven is gezegd (2e Kw., 1e-3e Artikel). Daarom komt het aannemen niet aan de goddelijke natuur toe.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1] q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De goddelijke natuur komt aan drie personen gemeenschappelijk toe. Als dus het aannemen aan de natuur toekomt, volgt daaruit dat het aan drie personen toekomt. En zo had de Vader de menselijke natuur aangenomen zoals de Zoon. Maar dat is niet waar.
Vervolgens. De goddelijke natuur komt aan drie personen gemeenschappelijk toe. Als dus het aannemen aan de natuur toekomt, volgt daaruit dat het aan drie personen toekomt. En zo had de Vader de menselijke natuur aangenomen zoals de Zoon. Maar dat is niet waar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Aannemen is werken. Werken echter is iets van de persoon, niet van de natuur, die meer het beginsel betekent, waardoor de werker werkt. Dus komt het de natuur niet toe om aan te nemen.
Vervolgens. Aannemen is werken. Werken echter is iets van de persoon, niet van de natuur, die meer het beginsel betekent, waardoor de werker werkt. Dus komt het de natuur niet toe om aan te nemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter het woord van Augustinus (Fulgentius) in het boek Over het Geloof aan Petrus: "Die natuur, die altijd door de Vader voortgebracht blijft, dwz. die door de eeuwige voortbrenging van de Vader ontvangen is, heeft zonder zonde onze natuur gekregen".
Daartegenover staat echter het woord van Augustinus (Fulgentius) in het boek Over het Geloof aan Petrus: "Die natuur, die altijd door de Vader voortgebracht blijft, dwz. die door de eeuwige voortbrenging van de Vader ontvangen is, heeft zonder zonde onze natuur gekregen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (voorgaande Art.), worden door het woord aanneming twee dingen aangegeven, nl. het uitgangspunt van de daad en haar eindterm. Nu komt het aan de goddelijke natuur krachtens haarzelf toe beginsel van de aanneming te zijn, omdat de aanneming door haar kracht is geschied. Maar eindterm van de aanneming te zijn, komt aan de goddelijke natuur niet krachtens zichzelf toe, maar krachtens de persoon, waarin wij haar beschouwen. En daarom zeggen wij op de eerste plaats en het meest eigenlijk van de persoon, dat hij aanneemt, maar daarna kan ook gezegd worden, dat de natuur de natuur heeft aangenomen tot de persoon, waarin zij is. En op deze manier spreken wij van een mensgeworden natuur, niet alsof zij in vlees was veranderd, maar omdat zij de vleselijke natuur heeft aangenomen. Daarom zegt Damascenus (Over het Ware Geloof, 3° B., 6° H.): "Wij zeggen, op het voorbeeld van de Heilige Athanasius en Cyrillus, dat de goddelijke natuur is mensgeworden".
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (voorgaande Art.), worden door het woord aanneming twee dingen aangegeven, nl. het uitgangspunt van de daad en haar eindterm. Nu komt het aan de goddelijke natuur krachtens haarzelf toe beginsel van de aanneming te zijn, omdat de aanneming door haar kracht is geschied. Maar eindterm van de aanneming te zijn, komt aan de goddelijke natuur niet krachtens zichzelf toe, maar krachtens de persoon, waarin wij haar beschouwen. En daarom zeggen wij op de eerste plaats en het meest eigenlijk van de persoon, dat hij aanneemt, maar daarna kan ook gezegd worden, dat de natuur de natuur heeft aangenomen tot de persoon, waarin zij is. En op deze manier spreken wij van een mensgeworden natuur, niet alsof zij in vlees was veranderd, maar omdat zij de vleselijke natuur heeft aangenomen. Daarom zegt Damascenus (Over het Ware Geloof, 3° B., 6° H.): "Wij zeggen, op het voorbeeld van de Heilige Athanasius en Cyrillus, dat de goddelijke natuur is mensgeworden".
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Het "zich" is een wederkerig voornaamwoord en geeft aan, dat het gaat over de zelfde drager. Nu verschilt de goddelijke natuur niet in drager van de persoon van het Woord. Daarom zegt men, dat de goddelijke natuur, in zover zij de menselijke natuur opnam tot de persoon van het Woord, haar tot zich genomen heeft. De Vader echter heeft, al heeft Hij de menselijke natuur opgenomen tot de persoon van het Woord, haar daarom toch niet tot zich genomen, omdat Vader en Woord niet dezelfde drager hebben. En daarom kan men niet in eigenlijke zin zeggen, dat de Vader de menselijke natuur heeft aangenomen.
1e Weerlegging. Het "zich" is een wederkerig voornaamwoord en geeft aan, dat het gaat over de zelfde drager. Nu verschilt de goddelijke natuur niet in drager van de persoon van het Woord. Daarom zegt men, dat de goddelijke natuur, in zover zij de menselijke natuur opnam tot de persoon van het Woord, haar tot zich genomen heeft. De Vader echter heeft, al heeft Hij de menselijke natuur opgenomen tot de persoon van het Woord, haar daarom toch niet tot zich genomen, omdat Vader en Woord niet dezelfde drager hebben. En daarom kan men niet in eigenlijke zin zeggen, dat de Vader de menselijke natuur heeft aangenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Wat aan de goddelijke natuur als zodanig toekomt, komt aan de drie personen toe, als de goedheid, wijsheid en dergelijken. Maar aannemen komt, zoals gezegd is, aan haar toe krachtens de persoon van het Woord. En daarom komt dat alleen aan die persoon toe.
2e Weerlegging. Wat aan de goddelijke natuur als zodanig toekomt, komt aan de drie personen toe, als de goedheid, wijsheid en dergelijken. Maar aannemen komt, zoals gezegd is, aan haar toe krachtens de persoon van het Woord. En daarom komt dat alleen aan die persoon toe.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals in God datgene wat bestaat en datgene waardoor het bestaat, hetzelfde is, zo is het ook hetzelfde wat werkt en waardoor het werkt, want alles werkt naarmate het bestaat. Daarom is de goddelijke natuur zowel datgene, waardoor God werkt, en de God zelf, die werkt.
3e Weerlegging. Zoals in God datgene wat bestaat en datgene waardoor het bestaat, hetzelfde is, zo is het ook hetzelfde wat werkt en waardoor het werkt, want alles werkt naarmate het bestaat. Daarom is de goddelijke natuur zowel datgene, waardoor God werkt, en de God zelf, die werkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Kan de natuur nog werken, als wij haar beschouwen met ons verstand, afgezien van de persoonlijkheid?
IIIa q. 3 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat als wij met ons verstand de persoonlijkheid buiten beschouwing laten, de natuur niet kan aannemen. We hebben namelijk gezegd (1° Art.), dat het aannemen aan de natuur toekomt krachtens de persoon. Maar wat aan iets toekomt krachtens iets anders, kan er niet meer aan toekomen, als dat andere is weggenomen, zoals een lichaam, dat door zijn kleur zichtbaar is, zonder kleur onzichtbaar is. Daarom kan de natuur, als wij met het verstand van de persoonlijkheid afzien, niet meer aannemen.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1]
Over het derde als volgt. Men beweert dat als wij met ons verstand de persoonlijkheid buiten beschouwing laten, de natuur niet kan aannemen. We hebben namelijk gezegd (1° Art.), dat het aannemen aan de natuur toekomt krachtens de persoon. Maar wat aan iets toekomt krachtens iets anders, kan er niet meer aan toekomen, als dat andere is weggenomen, zoals een lichaam, dat door zijn kleur zichtbaar is, zonder kleur onzichtbaar is. Daarom kan de natuur, als wij met het verstand van de persoonlijkheid afzien, niet meer aannemen.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De aanneming sluit ook de eindterm van de vereniging in, zoals gezegd is (t. a. p.). De vereniging kan echter niet geschieden in natuur, maar alleen in persoon. Dus kan de goddelijke natuur afgezien van de persoonlijkheid niet aannemen.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1]
Vervolgens. De aanneming sluit ook de eindterm van de vereniging in, zoals gezegd is (t. a. p.). De vereniging kan echter niet geschieden in natuur, maar alleen in persoon. Dus kan de goddelijke natuur afgezien van de persoonlijkheid niet aannemen.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 3 arg. 3
Vervolgens. In het eerste deel is gezegd (40° Kw., 3° Art.), dat als men bij goddelijke dingen afziet van de persoonlijkheid, er niets overblijft. Maar wie aanneemt, is iets. Daarom kan de goddelijke natuur afgezien van de persoonlijkheid, niet aannemen.
R: I q. 40 a. 3[t:ia q. 40 a. 3]
Vervolgens. In het eerste deel is gezegd (40° Kw., 3° Art.), dat als men bij goddelijke dingen afziet van de persoonlijkheid, er niets overblijft. Maar wie aanneemt, is iets. Daarom kan de goddelijke natuur afgezien van de persoonlijkheid, niet aannemen.
R: I q. 40 a. 3[t:ia q. 40 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij goddelijke dingen de persoonlijkheid een persoonlijke eigenschap wordt genoemd, en deze is drievoudig, namelijk vaderschap, zoonschap en voortkomen, zoals in het eerste deel is gezegd (30° Kw., 2° Art.). Maar ziet men met het verstand daarvan af, dan blijft nog Gods almacht over, waardoor de menswording is geschied, zoals de Engel zei, Lucas, (1, 37): "Bij God is geen ding onmogelijk". Daarom schijnt de goddelijke natuur te kunnen aannemen, zelfs afgezien van de persoonlijkheid.
B: (Luke 1:37) [b:Luke 1:37]
R: I q. 30 a. 2[t:ia q. 30 a. 2]
Daartegenover staat echter, dat bij goddelijke dingen de persoonlijkheid een persoonlijke eigenschap wordt genoemd, en deze is drievoudig, namelijk vaderschap, zoonschap en voortkomen, zoals in het eerste deel is gezegd (30° Kw., 2° Art.). Maar ziet men met het verstand daarvan af, dan blijft nog Gods almacht over, waardoor de menswording is geschied, zoals de Engel zei, Lucas, (1, 37): "Bij God is geen ding onmogelijk". Daarom schijnt de goddelijke natuur te kunnen aannemen, zelfs afgezien van de persoonlijkheid.
B: (Luke 1:37) [b:Luke 1:37]
R: I q. 30 a. 2[t:ia q. 30 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 3 co.
Mijn antwoord. Het verstand verhoudt zich tot de goddelijke dingen op een dubbele manier. Vooreerst zo, dat het God kent zoals Hij is. En dan is het onmogelijk, dat het verstand zo iets van God afzondert, dat er iets anders overblijft, want alles wat in God is, is één behalve het onderscheid in personen; en zelfs van deze verdwijnt de Een, als de Ander wordt weggenomen, omdat zij alleen door hun onderlinge verhouding onderscheiden zijn, die steeds tegelijk moeten bestaan. Anders staat het verstand tegenover de goddelijke dingen, als het God niet kent, zoals Hij is, maar op zijn eigen manier, namelijk dat wat in God een is, op verschillende manier en verdeeld. En op die manier kan ons verstand de goddelijke goedheid en wijsheid en dergelijken, die wezenseigenschappen worden genoemd, begrijpen, terwijl het het vaderschap en zoonschap, die persoonlijkheden worden genoemd, niet beschouwt. En op die manier kunnen wij, als het verstand van de persoonlijkheid afziet, nog een natuur begrijpen, die aanneemt.
Mijn antwoord. Het verstand verhoudt zich tot de goddelijke dingen op een dubbele manier. Vooreerst zo, dat het God kent zoals Hij is. En dan is het onmogelijk, dat het verstand zo iets van God afzondert, dat er iets anders overblijft, want alles wat in God is, is één behalve het onderscheid in personen; en zelfs van deze verdwijnt de Een, als de Ander wordt weggenomen, omdat zij alleen door hun onderlinge verhouding onderscheiden zijn, die steeds tegelijk moeten bestaan. Anders staat het verstand tegenover de goddelijke dingen, als het God niet kent, zoals Hij is, maar op zijn eigen manier, namelijk dat wat in God een is, op verschillende manier en verdeeld. En op die manier kan ons verstand de goddelijke goedheid en wijsheid en dergelijken, die wezenseigenschappen worden genoemd, begrijpen, terwijl het het vaderschap en zoonschap, die persoonlijkheden worden genoemd, niet beschouwt. En op die manier kunnen wij, als het verstand van de persoonlijkheid afziet, nog een natuur begrijpen, die aanneemt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Omdat in God datgene waardoor Hij is, en dat wat Hij is, een en hetzelfde is, is alles wat aan God wordt toegekend, als het abstract en op zichzelf, afgezien van het andere, wordt beschouwd, nog iets wat zelfstandig bestaat, en dus een persoon, omdat het gaat over een verstandelijke natuur. Zo spreken wij nu van drie personen in God, omdat wij persoonlijke eigenschappen in God aannemen, maar als wij die persoonlijke eigenschappen met ons verstand uitsluiten, blijven wij daarom nog de goddelijke natuur beschouwen als iets zelfstandig bestaande en als een persoon. En zo kunnen wij begrijpen, dat zij de menselijke natuur aanneemt om haar zelfstandig bestaan of persoonlijkheid.
1e Weerlegging. Omdat in God datgene waardoor Hij is, en dat wat Hij is, een en hetzelfde is, is alles wat aan God wordt toegekend, als het abstract en op zichzelf, afgezien van het andere, wordt beschouwd, nog iets wat zelfstandig bestaat, en dus een persoon, omdat het gaat over een verstandelijke natuur. Zo spreken wij nu van drie personen in God, omdat wij persoonlijke eigenschappen in God aannemen, maar als wij die persoonlijke eigenschappen met ons verstand uitsluiten, blijven wij daarom nog de goddelijke natuur beschouwen als iets zelfstandig bestaande en als een persoon. En zo kunnen wij begrijpen, dat zij de menselijke natuur aanneemt om haar zelfstandig bestaan of persoonlijkheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Ook als wij met ons verstand de persoonlijkheden der drie personen uitsluiten, blijft in ons verstand de ene persoonlijkheid van God, zoals de Joden haar opvatten, en dat kan de eindterm van de aanneming zijn, zoals wij zeggen, dat de persoon van het Woord haar eindterm is.
2e Weerlegging. Ook als wij met ons verstand de persoonlijkheden der drie personen uitsluiten, blijft in ons verstand de ene persoonlijkheid van God, zoals de Joden haar opvatten, en dat kan de eindterm van de aanneming zijn, zoals wij zeggen, dat de persoon van het Woord haar eindterm is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Men zegt, dat als het verstand van de persoonlijkheid afziet, er niets overblijft, wanneer men dit als een volkomen scheiding zou opvatten, alsof namelijk de drager van de verhouding iets anders zou zijn dan de verhouding zelf, want alles wat wij in God beschouwen, vatten wij op als een zelfstandig bestaande drager. Maar van de dingen, die wij van God zeggen, kan men het een beschouwen zonder het ander, niet als een volkomen onderscheiden, maar op de reeds uiteengezette manier.
3e Weerlegging. Men zegt, dat als het verstand van de persoonlijkheid afziet, er niets overblijft, wanneer men dit als een volkomen scheiding zou opvatten, alsof namelijk de drager van de verhouding iets anders zou zijn dan de verhouding zelf, want alles wat wij in God beschouwen, vatten wij op als een zelfstandig bestaande drager. Maar van de dingen, die wij van God zeggen, kan men het een beschouwen zonder het ander, niet als een volkomen onderscheiden, maar op de reeds uiteengezette manier.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Kan een persoon een geschapen natuur aannemen, als de andere niet aanneemt?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 3 a. 5 co.[t:iiia q. 3 a. 5 co.]
IIIa q. 3 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Want, zoals Augustinus zegt in het *Enchiridion*, "de werken der Drievuldigheid zijn niet verdeeld", omdat de drie personen één werking hebben, als één natuur. Maar aannemen is een soort werking. Daarom kan zij niet aan een persoon toekomen als zij ook niet aan de andere toekomt.
IIIa q. 3 a. 5 co.[t:iiia q. 3 a. 5 co.]
IIIa q. 3 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Want, zoals Augustinus zegt in het *Enchiridion*, "de werken der Drievuldigheid zijn niet verdeeld", omdat de drie personen één werking hebben, als één natuur. Maar aannemen is een soort werking. Daarom kan zij niet aan een persoon toekomen als zij ook niet aan de andere toekomt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Zoals wij de Zoon mensgeworden noemen, noemen wij ook de natuur mensgeworden, want zoals Damascenus zegt (in het 3° boek Over het Ware Geloof): "is de gehele goddelijke natuur in een van haar hypostasen mensgeworden". Nu hebben de drie personen een gemeenschappelijke natuur. Dus ook de aanneming.
Vervolgens. Zoals wij de Zoon mensgeworden noemen, noemen wij ook de natuur mensgeworden, want zoals Damascenus zegt (in het 3° boek Over het Ware Geloof): "is de gehele goddelijke natuur in een van haar hypostasen mensgeworden". Nu hebben de drie personen een gemeenschappelijke natuur. Dus ook de aanneming.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Zoals de menselijke natuur in Christus door God is aangenomen, zo worden ook de mensen door de genade door Hem aangenomen, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (14, 3): "God heeft hem aangenomen". Maar die aanneming komt gemeenschappelijk aan de drie personen toe. Dus ook de eerstgenoemde.
B: (Rom 14:3) [b:Rom 14:3]
Vervolgens. Zoals de menselijke natuur in Christus door God is aangenomen, zo worden ook de mensen door de genade door Hem aangenomen, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (14, 3): "God heeft hem aangenomen". Maar die aanneming komt gemeenschappelijk aan de drie personen toe. Dus ook de eerstgenoemde.
B: (Rom 14:3) [b:Rom 14:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Dionysius in het boek Over de Goddelijke namen zegt, dat het geheim der menswording valt onder de "bijzondere godgeleerdheid", waarin namelijk iets bijzonders wordt geleerd over de goddelijke personen.
Daartegenover staat echter, dat Dionysius in het boek Over de Goddelijke namen zegt, dat het geheim der menswording valt onder de "bijzondere godgeleerdheid", waarin namelijk iets bijzonders wordt geleerd over de goddelijke personen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 4 co.
Mijn antwoord. De aanneming sluit, zoals gezegd is (1° Art.), twee dingen in: nl. de daad van hem, die aanneemt, en de eindterm der aanneming. Nu komt de daad van hem, die aanneemt, voort uit de goddelijke kracht, die aan de drie personen gemeen is, maar de term van de aanneming is, zoals gezegd is (t. a. pl.), de persoon. Daarom is wat er aan daad is in de aanneming aan de drie personen gemeen, maar wat de eindterm betreft, komt zij zo aan een persoon toe, dat zij niet van de andere is. Want drie personen bewerkten, dat de menselijke natuur werd verenigd met de ene persoon van de Zoon.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 3 a. 2[t:iiia q. 3 a. 2]
Mijn antwoord. De aanneming sluit, zoals gezegd is (1° Art.), twee dingen in: nl. de daad van hem, die aanneemt, en de eindterm der aanneming. Nu komt de daad van hem, die aanneemt, voort uit de goddelijke kracht, die aan de drie personen gemeen is, maar de term van de aanneming is, zoals gezegd is (t. a. pl.), de persoon. Daarom is wat er aan daad is in de aanneming aan de drie personen gemeen, maar wat de eindterm betreft, komt zij zo aan een persoon toe, dat zij niet van de andere is. Want drie personen bewerkten, dat de menselijke natuur werd verenigd met de ene persoon van de Zoon.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 3 a. 2[t:iiia q. 3 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Het eerste bezwaar ging uit van de daad. En de gevolgtrekking zou opgaan als de aanneming alleen de daad insloot zonder de eindterm, die een persoon is.
1e Weerlegging. Het eerste bezwaar ging uit van de daad. En de gevolgtrekking zou opgaan als de aanneming alleen de daad insloot zonder de eindterm, die een persoon is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Wij noemen de natuur mensgeworden, zoals wij zeggen, dat zij aangenomen heeft, om wille van de persoon, die de eindterm van de vereniging is, zoals werd gezegd (1° en 2° Art.), maar niet in zover zij aan de drie personen gemeen is. Men zegt niet, dat de hele natuur mensgeworden is, omdat zij in alle personen is mensgeworden, maar omdat er niets ontbreekt aan de volmaaktheid van de goddelijke natuur van de mensgeworden persoon.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 3 a. 2[t:iiia q. 3 a. 2]
2e Weerlegging. Wij noemen de natuur mensgeworden, zoals wij zeggen, dat zij aangenomen heeft, om wille van de persoon, die de eindterm van de vereniging is, zoals werd gezegd (1° en 2° Art.), maar niet in zover zij aan de drie personen gemeen is. Men zegt niet, dat de hele natuur mensgeworden is, omdat zij in alle personen is mensgeworden, maar omdat er niets ontbreekt aan de volmaaktheid van de goddelijke natuur van de mensgeworden persoon.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 3 a. 2[t:iiia q. 3 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De aanneming die door de genade der adoptie geschiedt, vindt haar eindresultaat in een deelhebben aan de goddelijke natuur door een gelijkenis met haar goedheid, naar het woord uit de Tweede Brief van Petrus (1, 4): "deelgenoten aan de goddelijke natuur". Daarom ook is deze aanneming de drie personen gemeen en beschouwd van haar uitgangspunt en van haar eindresultaat. Maar de aanneming door de genade der vereniging is gemeenschappelijk wat het beginsel betreft, maar niet wat de eindterm betreft, zoals gezegd is (in de Leerstelling, en 2° Art.).
B: (2Pet 1:4) [b:2Pet 1:4]
3e Weerlegging. De aanneming die door de genade der adoptie geschiedt, vindt haar eindresultaat in een deelhebben aan de goddelijke natuur door een gelijkenis met haar goedheid, naar het woord uit de Tweede Brief van Petrus (1, 4): "deelgenoten aan de goddelijke natuur". Daarom ook is deze aanneming de drie personen gemeen en beschouwd van haar uitgangspunt en van haar eindresultaat. Maar de aanneming door de genade der vereniging is gemeenschappelijk wat het beginsel betreft, maar niet wat de eindterm betreft, zoals gezegd is (in de Leerstelling, en 2° Art.).
B: (2Pet 1:4) [b:2Pet 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Kon een andere goddelijke persoon dan die van den Zoon de menselijke natuur aannemen?
IIIa q. 3 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat geen andere goddelijke persoon dan die van de Zoon de menselijke natuur kon aannemen. Want door deze aanneming werd God de mensenzoon. Maar het zou niet passen, dat de Vader of de Heilige Geest Zoon werden, want dat zou leiden tot verwarring der personen. Daarom zouden de Vader en de Heilige Geest het vlees niet kunnen aannemen.
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat geen andere goddelijke persoon dan die van de Zoon de menselijke natuur kon aannemen. Want door deze aanneming werd God de mensenzoon. Maar het zou niet passen, dat de Vader of de Heilige Geest Zoon werden, want dat zou leiden tot verwarring der personen. Daarom zouden de Vader en de Heilige Geest het vlees niet kunnen aannemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Door de goddelijke menswording zijn de mensen tot kinderen aangenomen, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (8, 15): "Gij hebt niet wederom een slavengeest in vrees gekregen, maar de geest van aangenomen kinderen". Maar het kind zijn door aanneming is een delen door gelijkenis in het kind zijn van nature, dat aan de Vader noch aan de Heilige Geest toekomt, zodat in de Romeinenbrief (8, 19) wordt gezegd: "Die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon". Dus schijnt geen ander persoon mensgeworden te kunnen zijn dan de persoon van de Zoon.
B: (Rom 8:15) [b:Rom 8:15] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Vervolgens. Door de goddelijke menswording zijn de mensen tot kinderen aangenomen, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (8, 15): "Gij hebt niet wederom een slavengeest in vrees gekregen, maar de geest van aangenomen kinderen". Maar het kind zijn door aanneming is een delen door gelijkenis in het kind zijn van nature, dat aan de Vader noch aan de Heilige Geest toekomt, zodat in de Romeinenbrief (8, 19) wordt gezegd: "Die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon". Dus schijnt geen ander persoon mensgeworden te kunnen zijn dan de persoon van de Zoon.
B: (Rom 8:15) [b:Rom 8:15] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Men zegt dat de Zoon gezonden en geboren is door een geboorte in de tijd, omdat hij mensgeworden is. Maar gezonden worden past de Vader niet, die niet geboren kan worden, zoals in het eerste deel is behandeld (32° Kw., 3° Art. en 43° Kw., 4° Art.). Daarom kon minstens de persoon van de Vader niet mens worden.
R: I q. 32 a. 3[t:ia q. 32 a. 3] I q. 43 a. 4[t:ia q. 43 a. 4]
Vervolgens. Men zegt dat de Zoon gezonden en geboren is door een geboorte in de tijd, omdat hij mensgeworden is. Maar gezonden worden past de Vader niet, die niet geboren kan worden, zoals in het eerste deel is behandeld (32° Kw., 3° Art. en 43° Kw., 4° Art.). Daarom kon minstens de persoon van de Vader niet mens worden.
R: I q. 32 a. 3[t:ia q. 32 a. 3] I q. 43 a. 4[t:ia q. 43 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, dat al wat de Zoon kan, ook de Vader kan, anders zouden alle drie niet dezelfde macht hebben. Maar de Zoon kon mens worden. Dus de Vader en de Heilige Geest evenzeer.
Daartegenover staat echter, dat al wat de Zoon kan, ook de Vader kan, anders zouden alle drie niet dezelfde macht hebben. Maar de Zoon kon mens worden. Dus de Vader en de Heilige Geest evenzeer.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 5 co.
Mijn antwoord. Aanneming sluit twee dingen in, zoals wij gezegd hebben (voorgaand Art.): nl. de daad zelf van hem, die aanneemt, en de eindterm der aanneming. Nu is de goddelijke kracht het beginsel van de daad, maar de eindterm is de persoon. De goddelijke kracht verhoudt zich op precies dezelfde manier tot de drie personen. Ook zijn de drie personen op dezelfde wijze persoon, al verschillen de persoonlijke eigenschappen. Als nu een kracht tot meerderen in dezelfde verhouding staat, kan zij ieder van hen tot eindterm van haar daad maken, zoals blijkt bij de verstandelijke vermogens, die zich richten op tegenovergestelde dingen, welke zij beiden kunnen verrichten. Hierom kon de goddelijke kracht de menselijke natuur verenigen met de persoon van de Vader of de Heilige Geest, zoals zij haar met de persoon van de Zoon heeft verenigd. En daarom moet men zeggen, dat de Vader of de Heilige Geest het vlees konden aannemen zoals de Zoon.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 3 a. 2[t:iiia q. 3 a. 2] q. 3 a. 4[t:iiia q. 3 a. 4]
Mijn antwoord. Aanneming sluit twee dingen in, zoals wij gezegd hebben (voorgaand Art.): nl. de daad zelf van hem, die aanneemt, en de eindterm der aanneming. Nu is de goddelijke kracht het beginsel van de daad, maar de eindterm is de persoon. De goddelijke kracht verhoudt zich op precies dezelfde manier tot de drie personen. Ook zijn de drie personen op dezelfde wijze persoon, al verschillen de persoonlijke eigenschappen. Als nu een kracht tot meerderen in dezelfde verhouding staat, kan zij ieder van hen tot eindterm van haar daad maken, zoals blijkt bij de verstandelijke vermogens, die zich richten op tegenovergestelde dingen, welke zij beiden kunnen verrichten. Hierom kon de goddelijke kracht de menselijke natuur verenigen met de persoon van de Vader of de Heilige Geest, zoals zij haar met de persoon van de Zoon heeft verenigd. En daarom moet men zeggen, dat de Vader of de Heilige Geest het vlees konden aannemen zoals de Zoon.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 3 a. 2[t:iiia q. 3 a. 2] q. 3 a. 4[t:iiia q. 3 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Het zoonschap in de tijd, waardoor Christus mensenzoon wordt genoemd, vormt zijn persoon niet, zoals het eeuwig zoonschap dat doet, maar is iets, wat op de geboorte in de tijd volgt. Als dus op die manier de naam zoonschap op de Vader of de Heilige Geest zou worden overgebracht, zou er toch geen verwarring der personen volgen.
1e Weerlegging. Het zoonschap in de tijd, waardoor Christus mensenzoon wordt genoemd, vormt zijn persoon niet, zoals het eeuwig zoonschap dat doet, maar is iets, wat op de geboorte in de tijd volgt. Als dus op die manier de naam zoonschap op de Vader of de Heilige Geest zou worden overgebracht, zou er toch geen verwarring der personen volgen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Door het zoonschap door aanneming heeft men deel in een gelijkenis met het zoonschap van nature, maar als wij dat krijgen, wordt het aan de Vader toegeschreven, die het beginsel van het zoon zijn van nature is, en door de gave van de Heilige Geest, die de liefde van Vader en Zoon is, volgens het woord uit de Galatenbrief (4, 6): "God zond de Geest van zijn Zoon in onze harten, die roept Abba, Vader". En zoals wij dus door het mens worden van de Zoon het zoonschap door aanneming kregen in gelijkenis met het zoonschap van nature, zo zouden wij, als de Vader mens geworden was, van Hem het zoonschap door aanneming krijgen als van het beginsel van het zoonschap van nature, en van de Heilige Geest, als van de band tussen Vader en Zoon.
B: (Gal 4:6) [b:Gal 4:6]
2e Weerlegging. Door het zoonschap door aanneming heeft men deel in een gelijkenis met het zoonschap van nature, maar als wij dat krijgen, wordt het aan de Vader toegeschreven, die het beginsel van het zoon zijn van nature is, en door de gave van de Heilige Geest, die de liefde van Vader en Zoon is, volgens het woord uit de Galatenbrief (4, 6): "God zond de Geest van zijn Zoon in onze harten, die roept Abba, Vader". En zoals wij dus door het mens worden van de Zoon het zoonschap door aanneming kregen in gelijkenis met het zoonschap van nature, zo zouden wij, als de Vader mens geworden was, van Hem het zoonschap door aanneming krijgen als van het beginsel van het zoonschap van nature, en van de Heilige Geest, als van de band tussen Vader en Zoon.
B: (Gal 4:6) [b:Gal 4:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Aan de Vader komt het toe niet geboren te kunnen worden naar de eeuwige geboorte, maar dat sluit een geboorte in de tijd niet uit. Men zegt, dat de Zoon door de menswording gezonden is, in zover dit van Hem (de Vader) uitgaat; anders zou de menswording niet het karakter van een zending hebben.
3e Weerlegging. Aan de Vader komt het toe niet geboren te kunnen worden naar de eeuwige geboorte, maar dat sluit een geboorte in de tijd niet uit. Men zegt, dat de Zoon door de menswording gezonden is, in zover dit van Hem (de Vader) uitgaat; anders zou de menswording niet het karakter van een zending hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Konden twee goddelijke personen een enkele natuur aannemen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 3 a. 7 ad 1
IIIa q. 9 a. 1 ad 3[t:iiia q. 3 a. 7 ad 1][t:iiia q. 9 a. 1 ad 3]
IIIa q. 3 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat twee goddelijke personen niet één en dezelfde natuur kunnen aannemen. — I. Want veronderstelt men dit, dan zouden zij of één mens zijn of meerdere, maar niet meerdere, want zoals door de ene goddelijke natuur in meerdere personen er niet meerdere goden zijn, zo zou één menselijke natuur, in meerdere personen niet meer mensen geven. Evenmin zouden zij één mens kunnen zijn, want één mens is deze bepaalde mens, wat een persoon aangeeft, en zo zou het verschil tussen de goddelijke personen worden opgeheven, wat niet past. Daarom kunnen twee of drie personen niet één menselijke natuur aannemen.
IIIa q. 3 a. 7 ad 1
IIIa q. 9 a. 1 ad 3[t:iiia q. 3 a. 7 ad 1][t:iiia q. 9 a. 1 ad 3]
IIIa q. 3 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat twee goddelijke personen niet één en dezelfde natuur kunnen aannemen. — I. Want veronderstelt men dit, dan zouden zij of één mens zijn of meerdere, maar niet meerdere, want zoals door de ene goddelijke natuur in meerdere personen er niet meerdere goden zijn, zo zou één menselijke natuur, in meerdere personen niet meer mensen geven. Evenmin zouden zij één mens kunnen zijn, want één mens is deze bepaalde mens, wat een persoon aangeeft, en zo zou het verschil tussen de goddelijke personen worden opgeheven, wat niet past. Daarom kunnen twee of drie personen niet één menselijke natuur aannemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 6 arg. 2
Vervolgens. De eindterm van de aanneming is de eenheid in persoon, zo als wij gezegd hebben (3° Art.). Maar Vader, Zoon en Heilige Geest vormen niet één persoon. Dus kunnen de drie personen niet één menselijke natuur aannemen.
R: q. 3 a. 2[t:iiia q. 3 a. 2]
Vervolgens. De eindterm van de aanneming is de eenheid in persoon, zo als wij gezegd hebben (3° Art.). Maar Vader, Zoon en Heilige Geest vormen niet één persoon. Dus kunnen de drie personen niet één menselijke natuur aannemen.
R: q. 3 a. 2[t:iiia q. 3 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (3e en 4e H.) en Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (11e, 12e, 13e H.), dat uit de menswording van Gods Zoon volgt, dat al wat van de Zoon Gods wordt gezegd, ook van de mensenzoon wordt gezegd en omgekeerd. Als dus de drie personen een enkele menselijke natuur zouden aannemen, zou daaruit volgen, dat al wat van ieder van die drie personen wordt gezegd, ook van die mens werd gezegd; en omgekeerd zou wat van die mens werd gezegd, van ieder dier drie personen gezegd kunnen worden. Zo zou wat de Vader eigen is, nl. van eeuwigheid de Zoon voort te brengen, van die mens worden gezegd, en dientengevolge zou het van de Zoon Gods worden gezegd, wat niet past. Het is dus niet mogelijk, dat drie goddelijke personen een menselijke natuur zouden aannemen.
Vervolgens. Damascenus zegt in het 3e boek Over het Ware Geloof (3e en 4e H.) en Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (11e, 12e, 13e H.), dat uit de menswording van Gods Zoon volgt, dat al wat van de Zoon Gods wordt gezegd, ook van de mensenzoon wordt gezegd en omgekeerd. Als dus de drie personen een enkele menselijke natuur zouden aannemen, zou daaruit volgen, dat al wat van ieder van die drie personen wordt gezegd, ook van die mens werd gezegd; en omgekeerd zou wat van die mens werd gezegd, van ieder dier drie personen gezegd kunnen worden. Zo zou wat de Vader eigen is, nl. van eeuwigheid de Zoon voort te brengen, van die mens worden gezegd, en dientengevolge zou het van de Zoon Gods worden gezegd, wat niet past. Het is dus niet mogelijk, dat drie goddelijke personen een menselijke natuur zouden aannemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de mensgeworden persoon zelfstandig bestaat in twee naturen, namelijk de goddelijke en de menselijke. Maar de drie personen kunnen zelfstandig bestaan in één goddelijke natuur. Dus kunnen zij ook bestaan in één menselijke natuur, zodat één menselijke natuur door drie personen is aangenomen.
Daartegenover staat echter, dat de mensgeworden persoon zelfstandig bestaat in twee naturen, namelijk de goddelijke en de menselijke. Maar de drie personen kunnen zelfstandig bestaan in één goddelijke natuur. Dus kunnen zij ook bestaan in één menselijke natuur, zodat één menselijke natuur door drie personen is aangenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 6 co.
Mijn antwoord. In Christus ontstaat, zoals boven gezegd is (2° Kw., 5° Art., Antw. op de 1° B.), door de vereniging van ziel en lichaam geen nieuwe persoon, of hypostase, maar er ontstaat een natuur, die opgenomen is in de goddelijke persoon of hypostase. Dit nu geschiedt niet door de kracht der menselijke natuur, maar door de kracht van de goddelijke persoon. Nu zijn de goddelijke personen van die aard, dat een hunner de ander niet uitsluit van het delen in dezelfde natuur, maar alleen van het delen in dezelfde persoonlijkheid. Omdat nu bij het geheim der menswording "de gehele verklaring van het gebeurde ligt in de macht van wie het bewerkt", zoals Augustinus zegt in de Brief aan Volusianus, moeten wij hierover meer oordelen naar de aard van de aannemende persoon dan naar de aard van de aangenomen menselijke natuur. En daarom is het voor de goddelijke personen niet onmogelijk, dat twee of drie een menselijke natuur aannemen. Maar het zou mogelijk zijn, dat zij één menselijke persoon of hypostase zouden aannemen, zoals Anselmus zegt in het boek Over het Ontvangen der Maagd (2e B., 9e H.): "dat meerdere personen niet één en dezelfde mens kunnen aannemen".
R: q. 2 a. 5 ad 1[t:iiia q. 2 a. 5 ad 1]
Mijn antwoord. In Christus ontstaat, zoals boven gezegd is (2° Kw., 5° Art., Antw. op de 1° B.), door de vereniging van ziel en lichaam geen nieuwe persoon, of hypostase, maar er ontstaat een natuur, die opgenomen is in de goddelijke persoon of hypostase. Dit nu geschiedt niet door de kracht der menselijke natuur, maar door de kracht van de goddelijke persoon. Nu zijn de goddelijke personen van die aard, dat een hunner de ander niet uitsluit van het delen in dezelfde natuur, maar alleen van het delen in dezelfde persoonlijkheid. Omdat nu bij het geheim der menswording "de gehele verklaring van het gebeurde ligt in de macht van wie het bewerkt", zoals Augustinus zegt in de Brief aan Volusianus, moeten wij hierover meer oordelen naar de aard van de aannemende persoon dan naar de aard van de aangenomen menselijke natuur. En daarom is het voor de goddelijke personen niet onmogelijk, dat twee of drie een menselijke natuur aannemen. Maar het zou mogelijk zijn, dat zij één menselijke persoon of hypostase zouden aannemen, zoals Anselmus zegt in het boek Over het Ontvangen der Maagd (2e B., 9e H.): "dat meerdere personen niet één en dezelfde mens kunnen aannemen".
R: q. 2 a. 5 ad 1[t:iiia q. 2 a. 5 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Veronderstelt men dit, dat nl. drie personen één menselijke natuur zouden aannemen, dan kon men in waarheid zeggen, dat die drie personen één mens waren om de ene menselijke natuur, zoals men nu in waarheid zegt, dat zij één God zijn om de ene goddelijke natuur. En dat één sluit geen eenheid van persoon in, maar eenheid in de menselijke natuur. Uit het feit, dat drie personen een mens zijn, kan men niet bewijzen, dat zij één zijn zonder meer; er is immers niets op tegen te zeggen, dat de mensen, die zonder meer velen zijn, in zeker opzicht één zijn, bv. een volk, zoals Augustinus zegt in het 6e boek Over de Drievuldigheid (3e H.): "Van nature verschillen de geest van de mens en de geest Gods, maar als zij innig verbonden zijn, wordt het één geest, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs: "Wie innig met God is verbonden, is één geest met Hem".
B: (1Cor 6:17) [b:1Cor 6:17]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 3 a. 7 ad 2
IIIa q. 3 a. 7 ad 2[t:iiia q. 3 a. 7 ad 2][t:iiia q. 3 a. 7 ad 2]
1e Weerlegging. Veronderstelt men dit, dat nl. drie personen één menselijke natuur zouden aannemen, dan kon men in waarheid zeggen, dat die drie personen één mens waren om de ene menselijke natuur, zoals men nu in waarheid zegt, dat zij één God zijn om de ene goddelijke natuur. En dat één sluit geen eenheid van persoon in, maar eenheid in de menselijke natuur. Uit het feit, dat drie personen een mens zijn, kan men niet bewijzen, dat zij één zijn zonder meer; er is immers niets op tegen te zeggen, dat de mensen, die zonder meer velen zijn, in zeker opzicht één zijn, bv. een volk, zoals Augustinus zegt in het 6e boek Over de Drievuldigheid (3e H.): "Van nature verschillen de geest van de mens en de geest Gods, maar als zij innig verbonden zijn, wordt het één geest, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs: "Wie innig met God is verbonden, is één geest met Hem".
B: (1Cor 6:17) [b:1Cor 6:17]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 3 a. 7 ad 2
IIIa q. 3 a. 7 ad 2[t:iiia q. 3 a. 7 ad 2][t:iiia q. 3 a. 7 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. In deze veronderstelling zou de menselijke natuur niet opgenomen zijn tot de eenheid met een persoon, maar in eenheid met de afzonderlijke personen, zodat evenals de goddelijke natuur van nature één is met de afzonderlijke personen, ook de menselijke natuur met iedere afzonderlijke een eenheid zou hebben door aanneming.
2e Weerlegging. In deze veronderstelling zou de menselijke natuur niet opgenomen zijn tot de eenheid met een persoon, maar in eenheid met de afzonderlijke personen, zodat evenals de goddelijke natuur van nature één is met de afzonderlijke personen, ook de menselijke natuur met iedere afzonderlijke een eenheid zou hebben door aanneming.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Bij het geheim der menswording is er een uitwisseling van eigenschappen, die tot de natuur behoren, want al wat aan de natuur toekomt, kan gezegd worden van de persoon, die in die natuur zelfstandig bestaat, en hij kan met de naam van welke natuur ook worden aangeduid. Dus zou in de gegeven veronderstelling van de persoon des Vaders gezegd kunnen worden wat toekomt aan de menselijke natuur en wat aan de goddelijke; en evenzo van de persoon van de Zoon en van de Heilige Geest. Maar wat aan de persoon van de Vader om zijn eigen persoonlijkheid toekomt, zou niet aan de persoon van de Zoon of de Heilige Geest kunnen worden toegekend, omdat het onderscheid in personen zou blijven. Men zou dus kunnen zeggen, dat zoals de Vader ongeboren is, zo ook de mens ongeboren was, voor zover dit "mens" de persoon des Vaders betekende. Maar als iemand verder zou gaan: de mens is ongeboren, de Zoon is de mens, dus de Zoon is ongeboren, dan zou men een fout maken in de vorm van redeneren en van eigenschappen toe te kennen. Zo zeggen wij nu ook, dat God ongeboren is, omdat de Vader ongeboren is, maar toch kunnen wij niet besluiten, dat de Zoon ongeboren is, al is Hij God.
3e Weerlegging. Bij het geheim der menswording is er een uitwisseling van eigenschappen, die tot de natuur behoren, want al wat aan de natuur toekomt, kan gezegd worden van de persoon, die in die natuur zelfstandig bestaat, en hij kan met de naam van welke natuur ook worden aangeduid. Dus zou in de gegeven veronderstelling van de persoon des Vaders gezegd kunnen worden wat toekomt aan de menselijke natuur en wat aan de goddelijke; en evenzo van de persoon van de Zoon en van de Heilige Geest. Maar wat aan de persoon van de Vader om zijn eigen persoonlijkheid toekomt, zou niet aan de persoon van de Zoon of de Heilige Geest kunnen worden toegekend, omdat het onderscheid in personen zou blijven. Men zou dus kunnen zeggen, dat zoals de Vader ongeboren is, zo ook de mens ongeboren was, voor zover dit "mens" de persoon des Vaders betekende. Maar als iemand verder zou gaan: de mens is ongeboren, de Zoon is de mens, dus de Zoon is ongeboren, dan zou men een fout maken in de vorm van redeneren en van eigenschappen toe te kennen. Zo zeggen wij nu ook, dat God ongeboren is, omdat de Vader ongeboren is, maar toch kunnen wij niet besluiten, dat de Zoon ongeboren is, al is Hij God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Kan een goddelijke Persoon twee menselijke naturen aannemen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 4 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 4 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 3 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat een goddelijke persoon niet twee menselijke naturen kan aannemen. Wat de natuur, die in het geheim der menswording is aangenomen, heeft geen andere drager dan de drager van de goddelijke persoon, zoals boven gezegd is (voorgaand Art. en 2° Art.). Als wij dus veronderstellen, dat er één goddelijke persoon was, die twee menselijke naturen aannam, dan zou er één drager zijn van twee naturen van dezelfde soort. Maar dat schijnt een tegenstrijdigheid in te sluiten: want de natuur van dezelfde soort wordt niet vermenigvuldigd dan door het onderscheid in dragers.
R: q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6]
IIIa q. 4 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 4 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 3 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat een goddelijke persoon niet twee menselijke naturen kan aannemen. Wat de natuur, die in het geheim der menswording is aangenomen, heeft geen andere drager dan de drager van de goddelijke persoon, zoals boven gezegd is (voorgaand Art. en 2° Art.). Als wij dus veronderstellen, dat er één goddelijke persoon was, die twee menselijke naturen aannam, dan zou er één drager zijn van twee naturen van dezelfde soort. Maar dat schijnt een tegenstrijdigheid in te sluiten: want de natuur van dezelfde soort wordt niet vermenigvuldigd dan door het onderscheid in dragers.
R: q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 7 arg. 2
Vervolgens. In deze veronderstelling zou men niet kunnen zeggen, dat de mens geworden goddelijke persoon één mens was, omdat hij niet één menselijke natuur zou hebben. Men zou ook niet kunnen zeggen, dat hij meerdere mensen was, omdat meerdere mensen in dragers onderscheiden zijn, en daar zou er maar één drager zijn. Dus is de genoemde veronderstelling geheel en al onmogelijk.
Vervolgens. In deze veronderstelling zou men niet kunnen zeggen, dat de mens geworden goddelijke persoon één mens was, omdat hij niet één menselijke natuur zou hebben. Men zou ook niet kunnen zeggen, dat hij meerdere mensen was, omdat meerdere mensen in dragers onderscheiden zijn, en daar zou er maar één drager zijn. Dus is de genoemde veronderstelling geheel en al onmogelijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 7 arg. 3
Vervolgens. In het geheim der menswording is de gehele goddelijke natuur verenigd met geheel de aangenomen natuur, dwz. met elk van haar delen; want Christus is "volmaakt God en volmaakt mens, geheel God en geheel mens", zoals Damascenus zegt in het 3e boek. Maar twee menselijke naturen kunnen niet geheel en al met elkaar verenigd worden; want dan zou de ziel van de een met het lichaam van de ander verenigd moeten zijn en ook zouden twee lichamen tegelijk (op dezelfde plaats) moeten zijn, wat tot verwarring der naturen zou leiden. Dus is het onmogelijk, dat de goddelijke persoon twee menselijke naturen zou aannemen.
Vervolgens. In het geheim der menswording is de gehele goddelijke natuur verenigd met geheel de aangenomen natuur, dwz. met elk van haar delen; want Christus is "volmaakt God en volmaakt mens, geheel God en geheel mens", zoals Damascenus zegt in het 3e boek. Maar twee menselijke naturen kunnen niet geheel en al met elkaar verenigd worden; want dan zou de ziel van de een met het lichaam van de ander verenigd moeten zijn en ook zouden twee lichamen tegelijk (op dezelfde plaats) moeten zijn, wat tot verwarring der naturen zou leiden. Dus is het onmogelijk, dat de goddelijke persoon twee menselijke naturen zou aannemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Zoon kan al wat de Vader kan. Maar de Vader kan na de menswording van de Zoon een andere menselijke natuur aannemen als de Zoon heeft aangenomen; want door de menswording van de Zoon is de macht van de Vader of de Zoon in niets verminderd. Dus schijnt het, dat de Zoon na de menswording een andere menselijke natuur kan aannemen als die Hij reeds aangenomen heeft.
Daartegenover staat echter, dat de Zoon kan al wat de Vader kan. Maar de Vader kan na de menswording van de Zoon een andere menselijke natuur aannemen als de Zoon heeft aangenomen; want door de menswording van de Zoon is de macht van de Vader of de Zoon in niets verminderd. Dus schijnt het, dat de Zoon na de menswording een andere menselijke natuur kan aannemen als die Hij reeds aangenomen heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 7 co.
Mijn antwoord. Wat macht heeft over één ding en niet meer, heeft een macht, die tot één ding is beperkt. Nu is de macht van de goddelijke persoon oneindig en kan niet tot iets geschapens beperkt worden. Daarom moet men niet zeggen, dat de goddelijke persoon zo een menselijke natuur heeft aangenomen, dat Hij geen andere zou kunnen aannemen. Want daaruit zou schijnen te volgen, dat de persoonlijkheid der goddelijke natuur zo omvat zou zijn door een menselijke natuur, dat een andere tot haar persoonlijkheid niet aangenomen kon worden. En dat is onmogelijk, want het ongeschapene kan niet door iets geschapens omvat worden. Dus blijkt het, dat wij altijd van de goddelijke persoon, hetzij wij hem beschouwen naar zijn macht, die het beginsel der vereniging is, hetzij naar zijn persoonlijkheid, die er de eindterm van is, moeten zeggen, dat hij behalve de menselijke natuur, die hij aangenomen heeft, nog een andere menselijke natuur kan aannemen.
Mijn antwoord. Wat macht heeft over één ding en niet meer, heeft een macht, die tot één ding is beperkt. Nu is de macht van de goddelijke persoon oneindig en kan niet tot iets geschapens beperkt worden. Daarom moet men niet zeggen, dat de goddelijke persoon zo een menselijke natuur heeft aangenomen, dat Hij geen andere zou kunnen aannemen. Want daaruit zou schijnen te volgen, dat de persoonlijkheid der goddelijke natuur zo omvat zou zijn door een menselijke natuur, dat een andere tot haar persoonlijkheid niet aangenomen kon worden. En dat is onmogelijk, want het ongeschapene kan niet door iets geschapens omvat worden. Dus blijkt het, dat wij altijd van de goddelijke persoon, hetzij wij hem beschouwen naar zijn macht, die het beginsel der vereniging is, hetzij naar zijn persoonlijkheid, die er de eindterm van is, moeten zeggen, dat hij behalve de menselijke natuur, die hij aangenomen heeft, nog een andere menselijke natuur kan aannemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. De geschapen natuur wordt in haar aard volmaakt door de vorm, die door de verdeling der stof wordt vermenigvuldigd. Daarom zou, als de vereniging van stof en vorm een nieuwe drager zou maken, eruit volgen, dat de natuur vermenigvuldigd werd door de vermenigvuldiging der dragers. Maar bij het geheim der menswording maakt de vereniging van stof en vorm, dwz. van ziel en lichaam geen nieuwe drager, zoals boven is gezegd (Voorgaand artikel). En daarom zou er gezien van de kant van de natuur een veelheid in getal kunnen zijn door de verdeling der stof, zonder onderscheid in dragers.
R: q. 3 a. 6[t:iiia q. 3 a. 6]
1e Weerlegging. De geschapen natuur wordt in haar aard volmaakt door de vorm, die door de verdeling der stof wordt vermenigvuldigd. Daarom zou, als de vereniging van stof en vorm een nieuwe drager zou maken, eruit volgen, dat de natuur vermenigvuldigd werd door de vermenigvuldiging der dragers. Maar bij het geheim der menswording maakt de vereniging van stof en vorm, dwz. van ziel en lichaam geen nieuwe drager, zoals boven is gezegd (Voorgaand artikel). En daarom zou er gezien van de kant van de natuur een veelheid in getal kunnen zijn door de verdeling der stof, zonder onderscheid in dragers.
R: q. 3 a. 6[t:iiia q. 3 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Uit de gemaakte veronderstelling zou kunnen schijnen te volgen, dat er twee mensen waren om de twee naturen, zonder dat er twee dragers waren, zoals omgekeerd de drie personen één mens genoemd zouden worden om de ene natuur, die zij aannamen, zoals boven is gezegd (Voorgaand Art., Antw. op de I° B.). Maar dat schijnt niet waar te zijn, omdat wij de namen moeten gebruiken naar de betekenis waarom zij gegeven zijn, en dat was uit overweging van de dingen, die om ons heen zijn. En daarom moeten wij wat de manier om iets te betekenen of mee in te sluiten betreft letten op wat om ons heen is. Dan wordt een aan een vorm ontleende naam nooit in het meervoud gebruikt tenzij om de meervoudigheid van de dragers; iemand, die twee kleren draagt, wordt niet twee gekleed genoemd, maar iemand, die in twee kleren is gekleed; en wie twee eigenschappen heeft, wordt in het enkelvoud iemand genoemd, die door twee eigenschappen een bepaalde aard heeft. Nu dient een natuur, die tot iets aangenomen is, als een kleed, al gaat de vergelijking niet in alle opzichten op, zoals wij gezegd hebben (2 Kw., 6° Art., Antw. op de 1° B.). En als dus de goddelijke persoon twee naturen aangenomen had, zou hij daarom om de eenheid van de drager een mens met twee menselijke naturen worden genoemd. — Het gebeurt ook wel, dat meerdere mensen een volk worden genoemd, omdat zij in een punt overeenkomen, maar niet om de eenheid van drager. En evenzo zouden twee goddelijke personen, als zij een menselijke natuur hadden aangenomen, één mens worden genoemd, zoals boven is gezegd (Voorgaand Art., Antw. op de 1° B.), niet om de eenheid van drager, maar omdat zij in iets overeenkomen.
R: q. 3 a. 6 ad 1[t:iiia q. 3 a. 6 ad 1] q. 2 a. 6 ad 1[t:iiia q. 2 a. 6 ad 1] q. 3 a. 6 ad 1[t:iiia q. 3 a. 6 ad 1]
2e Weerlegging. Uit de gemaakte veronderstelling zou kunnen schijnen te volgen, dat er twee mensen waren om de twee naturen, zonder dat er twee dragers waren, zoals omgekeerd de drie personen één mens genoemd zouden worden om de ene natuur, die zij aannamen, zoals boven is gezegd (Voorgaand Art., Antw. op de I° B.). Maar dat schijnt niet waar te zijn, omdat wij de namen moeten gebruiken naar de betekenis waarom zij gegeven zijn, en dat was uit overweging van de dingen, die om ons heen zijn. En daarom moeten wij wat de manier om iets te betekenen of mee in te sluiten betreft letten op wat om ons heen is. Dan wordt een aan een vorm ontleende naam nooit in het meervoud gebruikt tenzij om de meervoudigheid van de dragers; iemand, die twee kleren draagt, wordt niet twee gekleed genoemd, maar iemand, die in twee kleren is gekleed; en wie twee eigenschappen heeft, wordt in het enkelvoud iemand genoemd, die door twee eigenschappen een bepaalde aard heeft. Nu dient een natuur, die tot iets aangenomen is, als een kleed, al gaat de vergelijking niet in alle opzichten op, zoals wij gezegd hebben (2 Kw., 6° Art., Antw. op de 1° B.). En als dus de goddelijke persoon twee naturen aangenomen had, zou hij daarom om de eenheid van de drager een mens met twee menselijke naturen worden genoemd. — Het gebeurt ook wel, dat meerdere mensen een volk worden genoemd, omdat zij in een punt overeenkomen, maar niet om de eenheid van drager. En evenzo zouden twee goddelijke personen, als zij een menselijke natuur hadden aangenomen, één mens worden genoemd, zoals boven is gezegd (Voorgaand Art., Antw. op de 1° B.), niet om de eenheid van drager, maar omdat zij in iets overeenkomen.
R: q. 3 a. 6 ad 1[t:iiia q. 3 a. 6 ad 1] q. 2 a. 6 ad 1[t:iiia q. 2 a. 6 ad 1] q. 3 a. 6 ad 1[t:iiia q. 3 a. 6 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. De goddelijke en menselijke natuur staan niet in dezelfde verhouding tot een goddelijke persoon, maar eerst komt de goddelijke natuur die van eeuwigheid een met haar is, en pas daarna treedt de menselijke natuur tot de goddelijke persoon in verhouding, omdat zij in de tijd door de goddelijke persoon is aangenomen, niet hiertoe, dat de natuur de persoon zelf is, maar dat de persoon in de natuur bestaat; de Zoon Gods immers is wel zijn godheid, maar niet zijn mensheid. En daarom blijft er voor het aannemen van de menselijke natuur door de goddelijke persoon over, dat de goddelijke natuur in een vereniging in persoon verenigd wordt met de gehele aangenomen natuur, dwz. naar al haar delen. Maar twee aangenomen naturen zouden dezelfde verhouding tot de goddelijke persoon hebben, en de een zou de ander niet aannemen. Daarom zou het niet nodig zijn, dat de ene van hen geheel en al met de andere zou worden verenigd, dwz. alle delen van de een met alle delen van de ander.
3e Weerlegging. De goddelijke en menselijke natuur staan niet in dezelfde verhouding tot een goddelijke persoon, maar eerst komt de goddelijke natuur die van eeuwigheid een met haar is, en pas daarna treedt de menselijke natuur tot de goddelijke persoon in verhouding, omdat zij in de tijd door de goddelijke persoon is aangenomen, niet hiertoe, dat de natuur de persoon zelf is, maar dat de persoon in de natuur bestaat; de Zoon Gods immers is wel zijn godheid, maar niet zijn mensheid. En daarom blijft er voor het aannemen van de menselijke natuur door de goddelijke persoon over, dat de goddelijke natuur in een vereniging in persoon verenigd wordt met de gehele aangenomen natuur, dwz. naar al haar delen. Maar twee aangenomen naturen zouden dezelfde verhouding tot de goddelijke persoon hebben, en de een zou de ander niet aannemen. Daarom zou het niet nodig zijn, dat de ene van hen geheel en al met de andere zou worden verenigd, dwz. alle delen van de een met alle delen van de ander.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Was het meer gepast, dat de Zoon Godsmens werd dan de Vader of de Heilige Geest?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 4 a. 1 arg. 2[t:iiia q. 4 a. 1 arg. 2]
IIIa q. 3 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat het niet meer gepast was, dat de Zoon Gods mens werd dan de Vader of de Heilige Geest. Want door het geheim der menswording zijn de mensen tot de ware kennis van God gebracht, volgens het woord van Johannes (18, 37): "Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen voor de waarheid". Maar doordat de Zoon Gods mens geworden is, zijn velen belet om tot de ware kennis van God te komen, omdat zij wat van de Zoon naar zijn menselijke natuur werd gezegd, toepasten op de persoon zelf van de Zoon, zoals Arius een ongelijkheid tussen de personen hield om wat bij Johannes (14, 28) wordt gezegd: "De Vader is groter dan ik". En deze dwaling zou niet opgekomen zijn, als de persoon van de Vader was mensgeworden, omdat niemand de Vader minder dan de Zoon had geacht. Daarom schijnt het meer gepast, dat de persoon van de Vader was mensgeworden dan de persoon van de Zoon.
B: (John 14:28, John 14:28) [b:John 14:28] (John 18:37, John 18:37) [b:John 18:37]
IIIa q. 4 a. 1 arg. 2[t:iiia q. 4 a. 1 arg. 2]
IIIa q. 3 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat het niet meer gepast was, dat de Zoon Gods mens werd dan de Vader of de Heilige Geest. Want door het geheim der menswording zijn de mensen tot de ware kennis van God gebracht, volgens het woord van Johannes (18, 37): "Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen voor de waarheid". Maar doordat de Zoon Gods mens geworden is, zijn velen belet om tot de ware kennis van God te komen, omdat zij wat van de Zoon naar zijn menselijke natuur werd gezegd, toepasten op de persoon zelf van de Zoon, zoals Arius een ongelijkheid tussen de personen hield om wat bij Johannes (14, 28) wordt gezegd: "De Vader is groter dan ik". En deze dwaling zou niet opgekomen zijn, als de persoon van de Vader was mensgeworden, omdat niemand de Vader minder dan de Zoon had geacht. Daarom schijnt het meer gepast, dat de persoon van de Vader was mensgeworden dan de persoon van de Zoon.
B: (John 14:28, John 14:28) [b:John 14:28] (John 18:37, John 18:37) [b:John 18:37]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Het gevolg van de menswording schijnt een soort herschepping van de menselijke natuur te zijn geweest, naar het woord uit de Galatenbrief (Laatste H., 15): "In Christus Jesus is noch de besnijdenis iets waard, noch de voorhuid, maar alleen een nieuw schepsel". Het vermogen om te scheppen wordt echter bijzonder aan de Vader toegeschreven. Dus had de Vader eerder mens moeten worden dan de Zoon.
B: (Gal 6:15) [b:Gal 6:15]
Vervolgens. Het gevolg van de menswording schijnt een soort herschepping van de menselijke natuur te zijn geweest, naar het woord uit de Galatenbrief (Laatste H., 15): "In Christus Jesus is noch de besnijdenis iets waard, noch de voorhuid, maar alleen een nieuw schepsel". Het vermogen om te scheppen wordt echter bijzonder aan de Vader toegeschreven. Dus had de Vader eerder mens moeten worden dan de Zoon.
B: (Gal 6:15) [b:Gal 6:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 8 arg. 3
Vervolgens. De menswording heeft de vergiffenis der zonden tot doel, naar het woord van Matthaeus (1, 21): "Gij zult zijn naam Jesus noemen, want hij zal zijn volk redden uit hun zonden". Maar de zondenvergeving wordt bijzonder aan de Heilige Geest toegeschreven, naar het woord van Johannes (20, 22-23): "Ontvangt de Heilige Geest; wier zonden gij zult vergeven, die worden zij vergeven". Daarom was het meer gepast, dat de Heilige Geest mens werd dan de Zoon.
B: (Matt 1:21) [b:Matt 1:21] (John 20:22, John 20:22) [b:John 20:22] (John 20:23, John 20:23) [b:John 20:23]
Vervolgens. De menswording heeft de vergiffenis der zonden tot doel, naar het woord van Matthaeus (1, 21): "Gij zult zijn naam Jesus noemen, want hij zal zijn volk redden uit hun zonden". Maar de zondenvergeving wordt bijzonder aan de Heilige Geest toegeschreven, naar het woord van Johannes (20, 22-23): "Ontvangt de Heilige Geest; wier zonden gij zult vergeven, die worden zij vergeven". Daarom was het meer gepast, dat de Heilige Geest mens werd dan de Zoon.
B: (Matt 1:21) [b:Matt 1:21] (John 20:22, John 20:22) [b:John 20:22] (John 20:23, John 20:23) [b:John 20:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter het woord van Damascenus in het 3e boek Over het Ware Geloof (1e H.): "In het geheim der mensvordering zijn Gods wijsheid en kracht geopenbaard; en wel de wijsheid omdat Hij een meest gepaste betaling vond van een zeer zware prijs, en de kracht, omdat Hij de overwonnene weer overwinnaar heeft gemaakt". Maar kracht en wijsheid worden aan de Zoon toegeschreven naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 24): "Christus, Gods kracht en Gods wijsheid". Dus was het gepast, dat de persoon van Gods Zoon mens werd.
B: (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24]
Daartegenover staat echter het woord van Damascenus in het 3e boek Over het Ware Geloof (1e H.): "In het geheim der mensvordering zijn Gods wijsheid en kracht geopenbaard; en wel de wijsheid omdat Hij een meest gepaste betaling vond van een zeer zware prijs, en de kracht, omdat Hij de overwonnene weer overwinnaar heeft gemaakt". Maar kracht en wijsheid worden aan de Zoon toegeschreven naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 24): "Christus, Gods kracht en Gods wijsheid". Dus was het gepast, dat de persoon van Gods Zoon mens werd.
B: (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 8 co.
Mijn antwoord. Het was zo gepast mogelijk, dat de persoon van de Zoon mens werd. Ten eerste, als wij het bezien van de kant der vereniging, omdat de vereniging tussen dingen, die op elkaar gelijken, gepast is. Nu kan men ten minste onder zeker opzicht een gemeenschappelijke overeenkomst vinden tussen de persoon zelf van de Zoon, die het Woord Gods is, en het geheel van de schepping. want het "woord" van de kunstenaar, dwz. (de uitdrukking van) zijn ontwerp heeft als voorbeeld een gelijkenis met de dingen, die door hem gemaakt worden. En zo heeft het Woord Gods, dat Zijn eeuwige begripsuitdrukking is, als voorbeeld een gelijkheid met de hele schepping. En zoals door in deze gelijkenis te delen de schepselen in hun soorten zijn gemaakt, maar nog veranderlijk, paste het, dat zij door een niet meegedeelde, maar persoonlijke vereniging van het Woord met een schepsel werden hersteld tot een eeuwige en onveranderlijke volmaaktheid. Want ook de kunstenaar herstelt het kunstwerk, als het gebroken is, door hetzelfde ontwerp van zijn kunst, waarmee hij het gemaakt had. — Op een andere manier is er een bijzondere overeenkomst met de menselijke natuur, omdat het Woord het begrip is van de eeuwige wijsheid, waaraan iedere menselijke wijsheid is ontleend. En daarom komt de mens door deel te hebben in Gods Woord vooruit in de wijsheid, wat zijn eigenlijke volmaaktheid is, omdat hij verstand heeft; zoals een leerling onderricht wordt, doordat hij het woord van zijn leermeester opneemt. Daarom staat in het boek Ecclesiasticus (1, 5): "De bron der wijsheid is Gods Woord in de hemel". En daarom was het gepast om de menselijke volmaaktheid zo hoog mogelijk op te voeren, dat Gods Woord zelf in persoon met de menselijke natuur werd verenigd. Ten tweede kan men de reden van deze gepastheid zien uit het doel van de vereniging, nl. het vervullen van de voorbestemming, en wel van hen, die voorbestemd zijn voor het hemels erfdeel, dat alleen aan zonen toekomt volgens het woord uit de Romeinenbrief (8,17): "Zonen en erfgenamen". En daarom was het gepast, dat de mensen door hem, die van nature Zoon is, door aanneming deel zouden hebben in een gelijkenis met dit zoonschap, zoals de Apostel op dezelfde plaats zegt (8, 29): "Die Hij vooraf heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijk te worden aan het beeld van zijn Zoon". Ten derde kan men de reden, waarom dit gepast was begrijpen uit de zonde van de eerste vader, waartegen wij door de menswording een redmiddel krijgen. De eerste mens zondigde door zijn verlangen naar kennis, zoals blijkt uit de woorden van de slang, die de mens "kennis van goed en kwaad" beloofde. Daarom paste het, dat de mens door het Woord van de ware kennis werd teruggebracht tot God, nadat hij door een ongeordend verlangen naar kennis van God was afgeweken.
B: (Sir 1:5) [b:Sir 1:5]
Mijn antwoord. Het was zo gepast mogelijk, dat de persoon van de Zoon mens werd. Ten eerste, als wij het bezien van de kant der vereniging, omdat de vereniging tussen dingen, die op elkaar gelijken, gepast is. Nu kan men ten minste onder zeker opzicht een gemeenschappelijke overeenkomst vinden tussen de persoon zelf van de Zoon, die het Woord Gods is, en het geheel van de schepping. want het "woord" van de kunstenaar, dwz. (de uitdrukking van) zijn ontwerp heeft als voorbeeld een gelijkenis met de dingen, die door hem gemaakt worden. En zo heeft het Woord Gods, dat Zijn eeuwige begripsuitdrukking is, als voorbeeld een gelijkheid met de hele schepping. En zoals door in deze gelijkenis te delen de schepselen in hun soorten zijn gemaakt, maar nog veranderlijk, paste het, dat zij door een niet meegedeelde, maar persoonlijke vereniging van het Woord met een schepsel werden hersteld tot een eeuwige en onveranderlijke volmaaktheid. Want ook de kunstenaar herstelt het kunstwerk, als het gebroken is, door hetzelfde ontwerp van zijn kunst, waarmee hij het gemaakt had. — Op een andere manier is er een bijzondere overeenkomst met de menselijke natuur, omdat het Woord het begrip is van de eeuwige wijsheid, waaraan iedere menselijke wijsheid is ontleend. En daarom komt de mens door deel te hebben in Gods Woord vooruit in de wijsheid, wat zijn eigenlijke volmaaktheid is, omdat hij verstand heeft; zoals een leerling onderricht wordt, doordat hij het woord van zijn leermeester opneemt. Daarom staat in het boek Ecclesiasticus (1, 5): "De bron der wijsheid is Gods Woord in de hemel". En daarom was het gepast om de menselijke volmaaktheid zo hoog mogelijk op te voeren, dat Gods Woord zelf in persoon met de menselijke natuur werd verenigd. Ten tweede kan men de reden van deze gepastheid zien uit het doel van de vereniging, nl. het vervullen van de voorbestemming, en wel van hen, die voorbestemd zijn voor het hemels erfdeel, dat alleen aan zonen toekomt volgens het woord uit de Romeinenbrief (8,17): "Zonen en erfgenamen". En daarom was het gepast, dat de mensen door hem, die van nature Zoon is, door aanneming deel zouden hebben in een gelijkenis met dit zoonschap, zoals de Apostel op dezelfde plaats zegt (8, 29): "Die Hij vooraf heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijk te worden aan het beeld van zijn Zoon". Ten derde kan men de reden, waarom dit gepast was begrijpen uit de zonde van de eerste vader, waartegen wij door de menswording een redmiddel krijgen. De eerste mens zondigde door zijn verlangen naar kennis, zoals blijkt uit de woorden van de slang, die de mens "kennis van goed en kwaad" beloofde. Daarom paste het, dat de mens door het Woord van de ware kennis werd teruggebracht tot God, nadat hij door een ongeordend verlangen naar kennis van God was afgeweken.
B: (Sir 1:5) [b:Sir 1:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Er is niets, waarvan de boosheid der mensen geen misbruik kan maken, als zij immers Gods goedheid zelf misbruikt naar het woord uit de Romeinenbrief (2, 4): "Veracht gij de rijkdommen van zijn goedheid?" Daarom zou de mens, als de Vader was mensgeworden, hierin nog een aanleiding voor dwaling kunnen vinden, alsof de Zoon niet voldoende was geweest om de menselijke natuur te herstellen.
B: (Rom 8:17) [b:Rom 8:17] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
1e Weerlegging. Er is niets, waarvan de boosheid der mensen geen misbruik kan maken, als zij immers Gods goedheid zelf misbruikt naar het woord uit de Romeinenbrief (2, 4): "Veracht gij de rijkdommen van zijn goedheid?" Daarom zou de mens, als de Vader was mensgeworden, hierin nog een aanleiding voor dwaling kunnen vinden, alsof de Zoon niet voldoende was geweest om de menselijke natuur te herstellen.
B: (Rom 8:17) [b:Rom 8:17] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. De eerste schepping der dingen is geschied door de kracht van God de Vader door het Woord. Daarom moest ook de herschepping door het Woord gebeuren door de kracht van God de Vader, opdat de herschepping aan de schepping zou beantwoorden naar het woord uit de Tweede Brief aan de Korinthiërs (5, 19): "God verzoende in Christus de wereld met zichzelf".
2e Weerlegging. De eerste schepping der dingen is geschied door de kracht van God de Vader door het Woord. Daarom moest ook de herschepping door het Woord gebeuren door de kracht van God de Vader, opdat de herschepping aan de schepping zou beantwoorden naar het woord uit de Tweede Brief aan de Korinthiërs (5, 19): "God verzoende in Christus de wereld met zichzelf".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 3 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Het is aan de Heilige Geest eigen de gave van de Vader en de Zoon te zijn. Nu geschiedt de vergiffenis der zonden door de Heilige Geest als een gave van God. En daarom was het voor de rechtvaardiging der mensen meer gepast, dat de Zoon, wiens gave de Heilige Geest is, mens werd.
B: (Rom 2:4) [b:Rom 2:4]
3e Weerlegging. Het is aan de Heilige Geest eigen de gave van de Vader en de Zoon te zijn. Nu geschiedt de vergiffenis der zonden door de Heilige Geest als een gave van God. En daarom was het voor de rechtvaardiging der mensen meer gepast, dat de Zoon, wiens gave de Heilige Geest is, mens werd.
B: (Rom 2:4) [b:Rom 2:4]
Referenties naar deze alinea: 1
Divinum Illud Munus ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 4: Over de Vereniging, bezien van de kant van wat aangenomen werd
IIIa q. 4 pr.
Vervolgens moeten wij spreken over de vereniging, bezien van de kant van wat aangenomen werd. En hieromtrent moeten wij eerst spreken over de dingen, die door Gods Woord werden aangenomen, en ten tweede over wat mede aangenomen werd, nl. de volmaaktheden en gebreken. Nu nam Gods Zoon een menselijke natuur en haar delen aan. Daarom zijn er drie dingen te behandelen wat het eerste punt betreft: ten eerste de menselijke natuur zelf, dan haar delen en ten derde de volgorde van het aannemen. Over het eerste punt stellen wij ons zes vragen:
1. Kon de menselijke natuur beter door Gods Zoon worden aangenomen dan een andere natuur?
2. Nam Gods Zoon een persoon aan?
3. Nam Hij een mens aan?
4. Was het gepast, dat Hij een menselijke natuur aannam, die van de eenlingen onderscheiden was?
5. Was het gepast, dat Hij de menselijke natuur aannam in alle eenlingen?
6. Was het gepast, dat Hij de menselijke natuur aannam in een mens die van Adams geslacht afstamde?
Vervolgens moeten wij spreken over de vereniging, bezien van de kant van wat aangenomen werd. En hieromtrent moeten wij eerst spreken over de dingen, die door Gods Woord werden aangenomen, en ten tweede over wat mede aangenomen werd, nl. de volmaaktheden en gebreken. Nu nam Gods Zoon een menselijke natuur en haar delen aan. Daarom zijn er drie dingen te behandelen wat het eerste punt betreft: ten eerste de menselijke natuur zelf, dan haar delen en ten derde de volgorde van het aannemen. Over het eerste punt stellen wij ons zes vragen:
1. Kon de menselijke natuur beter door Gods Zoon worden aangenomen dan een andere natuur?
2. Nam Gods Zoon een persoon aan?
3. Nam Hij een mens aan?
4. Was het gepast, dat Hij een menselijke natuur aannam, die van de eenlingen onderscheiden was?
5. Was het gepast, dat Hij de menselijke natuur aannam in alle eenlingen?
6. Was het gepast, dat Hij de menselijke natuur aannam in een mens die van Adams geslacht afstamde?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Kon de menselijke natuur beter door Gods Zoon worden aangenomen dan iedere andere natuur?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 5 a. 1 co.
IIIa q. 6 a. 1 co.
IIIa q. 6 a. 2 arg. 2[t:iiia q. 5 a. 1 co.][t:iiia q. 6 a. 1 co.][t:iiia q. 6 a. 2 arg. 2]
IIIa q. 4 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de menselijke natuur niet beter door Gods Zoon kon worden aangenomen dan iedere natuur. Want Augustinus zegt in de Brief aan Volusianus: "Bij wonderbaar gebeurde dingen ligt de hele verklaring van het feit in de macht van hem, die het doet". Maar de macht Gods, die de menswording, het meest wonderbare werk, tot stand brengt, is niet aan een natuur gebonden, omdat Gods macht oneindig is. Dus kan de menselijke natuur niet beter door Gods Zoon worden aangenomen dan een ander schepsel.
IIIa q. 5 a. 1 co.
IIIa q. 6 a. 1 co.
IIIa q. 6 a. 2 arg. 2[t:iiia q. 5 a. 1 co.][t:iiia q. 6 a. 1 co.][t:iiia q. 6 a. 2 arg. 2]
IIIa q. 4 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de menselijke natuur niet beter door Gods Zoon kon worden aangenomen dan iedere natuur. Want Augustinus zegt in de Brief aan Volusianus: "Bij wonderbaar gebeurde dingen ligt de hele verklaring van het feit in de macht van hem, die het doet". Maar de macht Gods, die de menswording, het meest wonderbare werk, tot stand brengt, is niet aan een natuur gebonden, omdat Gods macht oneindig is. Dus kan de menselijke natuur niet beter door Gods Zoon worden aangenomen dan een ander schepsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De gelijkheid is datgene, waarmee men rekening moet houden bij de gepastheid van de menswording van de goddelijke persoon, zoals boven is gezegd (3e Kw., 8e Art.). Maar zoals wij in de redelijke natuur de gelijkenis van het beeld vinden, vinden wij in de niet-redelijke natuur de gelijkenis van het spoor. Daarom kon een niet redelijk schepsel worden aangenomen, zoals de menselijke natuur.
R: q. 3 a. 8[t:iiia q. 3 a. 8]
Vervolgens. De gelijkheid is datgene, waarmee men rekening moet houden bij de gepastheid van de menswording van de goddelijke persoon, zoals boven is gezegd (3e Kw., 8e Art.). Maar zoals wij in de redelijke natuur de gelijkenis van het beeld vinden, vinden wij in de niet-redelijke natuur de gelijkenis van het spoor. Daarom kon een niet redelijk schepsel worden aangenomen, zoals de menselijke natuur.
R: q. 3 a. 8[t:iiia q. 3 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 1 arg. 3
Vervolgens. In de engelennatuur vindt men een sterker uitgedrukte gelijkenis met God dan in de menselijke natuur, zoals Gregorius zegt in de homelie Over de Honderd Schapen, waar hij het woord van Ezechiel aanhaalt (28, 12): "Gij zegel van gelijkheid". Ook in de Engelen wordt zonde gevonden zoals in de mens, naar het woord van Job (4, 15): "In zijn engelen vond Hij slechtheid". Dus kon de engelennatuur even goed aangenomen worden als de natuur van de mens.
B: (Job 4:18) [b:Job 4:18] (Ezek 28:12) [b:Ezek 28:12]
Vervolgens. In de engelennatuur vindt men een sterker uitgedrukte gelijkenis met God dan in de menselijke natuur, zoals Gregorius zegt in de homelie Over de Honderd Schapen, waar hij het woord van Ezechiel aanhaalt (28, 12): "Gij zegel van gelijkheid". Ook in de Engelen wordt zonde gevonden zoals in de mens, naar het woord van Job (4, 15): "In zijn engelen vond Hij slechtheid". Dus kon de engelennatuur even goed aangenomen worden als de natuur van de mens.
B: (Job 4:18) [b:Job 4:18] (Ezek 28:12) [b:Ezek 28:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Omdat de hoogste volmaaktheid aan God toekomt, is iets God meer gelijk, naarmate het volmaakter is. Nu is het gehele heelal volmaakter dan zijn delen, waartoe ook de menselijke natuur behoort. Dus kan het gehele heelal beter door God worden aangenomen dan de menselijke natuur.
Vervolgens. Omdat de hoogste volmaaktheid aan God toekomt, is iets God meer gelijk, naarmate het volmaakter is. Nu is het gehele heelal volmaakter dan zijn delen, waartoe ook de menselijke natuur behoort. Dus kan het gehele heelal beter door God worden aangenomen dan de menselijke natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter wat in het boek der Spreuken aan de geboren Wijsheid in de mond wordt gelegd (8, 31): "Het is mijn vermaak met de kinderen der mensen te zijn". Dus schijnt er een reden voor de gepastheid te zijn van de vereniging van Gods Zoon met de menselijke natuur.
B: (Prov 8:31) [b:Prov 8:31]
Daartegenover staat echter wat in het boek der Spreuken aan de geboren Wijsheid in de mond wordt gelegd (8, 31): "Het is mijn vermaak met de kinderen der mensen te zijn". Dus schijnt er een reden voor de gepastheid te zijn van de vereniging van Gods Zoon met de menselijke natuur.
B: (Prov 8:31) [b:Prov 8:31]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 1 co.
Mijn antwoord. Men zegt, dat iets aangenomen kan worden als van een geschiktheid om door een goddelijke persoon te worden aangenomen. Maar deze geschiktheid mag men niet opvatten als het natuurlijke vermogen om iets te ondergaan, omdat dit zich niet uitstrekt tot wat de natuurlijke orde te boven gaat, en de persoonlijke vereniging van het schepsel met God gaat die te boven. Dus blijft over, dat wij van iets zeggen, dat het aangenomen kan worden krachtens een gepastheid, die het voor die vereniging bezit. En deze gepastheid vindt men in de menselijke natuur in twee punten: vooreerst namelijk in haar waardigheid en dan in haar behoeften. En wel in haar waardigheid, omdat de menselijke natuur als redelijk en verstandelijk, er op aangelegd is, door haar werking enigerwijs het Woord zelf te bereiken, namelijk door Het te kennen en te beminnen. En in haar behoeften, omdat zij herstelling nodig had, daar zij in zonden neerlag. En deze twee dingen komen alleen aan de menselijke natuur toe: want het niet-redelijke schepsel mist de gepastheid, die aan de waardigheid wordt ontleend, en de natuur der engelen mist de genoemde behoefte. Dus blijft alleen over, dat de menselijke natuur aangenomen kon worden.
Mijn antwoord. Men zegt, dat iets aangenomen kan worden als van een geschiktheid om door een goddelijke persoon te worden aangenomen. Maar deze geschiktheid mag men niet opvatten als het natuurlijke vermogen om iets te ondergaan, omdat dit zich niet uitstrekt tot wat de natuurlijke orde te boven gaat, en de persoonlijke vereniging van het schepsel met God gaat die te boven. Dus blijft over, dat wij van iets zeggen, dat het aangenomen kan worden krachtens een gepastheid, die het voor die vereniging bezit. En deze gepastheid vindt men in de menselijke natuur in twee punten: vooreerst namelijk in haar waardigheid en dan in haar behoeften. En wel in haar waardigheid, omdat de menselijke natuur als redelijk en verstandelijk, er op aangelegd is, door haar werking enigerwijs het Woord zelf te bereiken, namelijk door Het te kennen en te beminnen. En in haar behoeften, omdat zij herstelling nodig had, daar zij in zonden neerlag. En deze twee dingen komen alleen aan de menselijke natuur toe: want het niet-redelijke schepsel mist de gepastheid, die aan de waardigheid wordt ontleend, en de natuur der engelen mist de genoemde behoefte. Dus blijft alleen over, dat de menselijke natuur aangenomen kon worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Sommige schepsels worden benoemd naar wat hun uit hun eigen oorzaken toekomt, maar niet naar wat hun uit de eerste en algemene oorzaken toekomt; zo noemen wij een ziekte ongeneeslijk, niet omdat zij door God niet genezen kan worden, maar omdat zij niet genezen kan worden door de eigen krachten van de lijder. En zo zeggen wij niet, dat een schepsel niet aangenomen kan worden, om iets aan Gods macht te onttrekken, maar om te wijzen op de toestand van het schepsel, dat daartoe geen geschiktheid heeft.
1e Weerlegging. Sommige schepsels worden benoemd naar wat hun uit hun eigen oorzaken toekomt, maar niet naar wat hun uit de eerste en algemene oorzaken toekomt; zo noemen wij een ziekte ongeneeslijk, niet omdat zij door God niet genezen kan worden, maar omdat zij niet genezen kan worden door de eigen krachten van de lijder. En zo zeggen wij niet, dat een schepsel niet aangenomen kan worden, om iets aan Gods macht te onttrekken, maar om te wijzen op de toestand van het schepsel, dat daartoe geen geschiktheid heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De gelijkheid van het beeld vinden wij bij de menselijke natuur hierin, dat zij God kan ontvangen, door Hem namelijk te bereiken door haar eigen daden van kennen en beminnen. Maar de gelijkheid van het spoor ligt alleen hierin, dat het schepsel iets afbeeldt, dat door God erin is gedrukt, maar niet hierin, dat het niet-redelijke schepsel, waarin alleen deze gelijkheid bestaat, God zou kunnen bereiken door zijn daden alleen. Maar wat in het mindere al te kort schiet, heeft geen geschiktheid voor het hogere, zoals het lichaam, dat niet geschikt is om door een zintuiglijke ziel vervolmaakt te worden, veel minder geschikt is om door een redelijke ziel vervolmaakt te worden. Nu is de vereniging met God in het persoonlijk zijn veel groter en volmaakter dan die door een daad gebeurt. En als daarom het niet redelijke schepsel te kort schiet voor de vereniging met God door een daad, is het veel minder geschikt om in het persoonlijk zijn met Hem verenigd te worden.
2e Weerlegging. De gelijkheid van het beeld vinden wij bij de menselijke natuur hierin, dat zij God kan ontvangen, door Hem namelijk te bereiken door haar eigen daden van kennen en beminnen. Maar de gelijkheid van het spoor ligt alleen hierin, dat het schepsel iets afbeeldt, dat door God erin is gedrukt, maar niet hierin, dat het niet-redelijke schepsel, waarin alleen deze gelijkheid bestaat, God zou kunnen bereiken door zijn daden alleen. Maar wat in het mindere al te kort schiet, heeft geen geschiktheid voor het hogere, zoals het lichaam, dat niet geschikt is om door een zintuiglijke ziel vervolmaakt te worden, veel minder geschikt is om door een redelijke ziel vervolmaakt te worden. Nu is de vereniging met God in het persoonlijk zijn veel groter en volmaakter dan die door een daad gebeurt. En als daarom het niet redelijke schepsel te kort schiet voor de vereniging met God door een daad, is het veel minder geschikt om in het persoonlijk zijn met Hem verenigd te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Sommigen zeggen, dat een engel niet aangenomen kon worden, omdat deze van het begin van zijn schepping af volmaakt persoon is, daar hij aan ontstaan en vergaan niet onderhevig is. Daarom zou hij niet tot de eenheid met de goddelijke persoon kunnen aangenomen worden, tenzij zijn persoonlijkheid vernietigd werd, wat noch aan de onvergankelijkheid van zijn natuur, noch aan de goedheid past van hem, die aanneemt, waaraan het niet eigen is iets volmaakts in het aangenomen schepsel te vernietigen. — Deze reden echter sluit de gepastheid van het aannemen van een engelennatuur niet geheel en al uit, want God kon een nieuwe engelennatuur tevoorschijn roepen en haar aan zich in eenheid van persoon verbinden, en zo zou dan niets, wat te voren bestond, vernietigd worden. Maar de gepastheid uit hoofde van de behoefte ontbreekt, zoals gezegd is (in de Leerstelling), want al ligt de engelennatuur in sommigen in zonden, hun misdaad is onherstelbaar, zoals in het eerste deel behandeld is (64° Kw., 2° Art.).
R: I q. 64 a. 2[t:ia q. 64 a. 2]
3e Weerlegging. Sommigen zeggen, dat een engel niet aangenomen kon worden, omdat deze van het begin van zijn schepping af volmaakt persoon is, daar hij aan ontstaan en vergaan niet onderhevig is. Daarom zou hij niet tot de eenheid met de goddelijke persoon kunnen aangenomen worden, tenzij zijn persoonlijkheid vernietigd werd, wat noch aan de onvergankelijkheid van zijn natuur, noch aan de goedheid past van hem, die aanneemt, waaraan het niet eigen is iets volmaakts in het aangenomen schepsel te vernietigen. — Deze reden echter sluit de gepastheid van het aannemen van een engelennatuur niet geheel en al uit, want God kon een nieuwe engelennatuur tevoorschijn roepen en haar aan zich in eenheid van persoon verbinden, en zo zou dan niets, wat te voren bestond, vernietigd worden. Maar de gepastheid uit hoofde van de behoefte ontbreekt, zoals gezegd is (in de Leerstelling), want al ligt de engelennatuur in sommigen in zonden, hun misdaad is onherstelbaar, zoals in het eerste deel behandeld is (64° Kw., 2° Art.).
R: I q. 64 a. 2[t:ia q. 64 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. De volmaaktheid van het heelal is niet de volmaaktheid van een persoon of drager, maar van iets, dat een is door samenhang en ordening. En de meeste delen daarvan kunnen niet aangenomen worden, zoals gezegd is (in de Leerstelling en Antw. op de 1° B.). Daarom blijft alleen over, dat de menselijke natuur aangenomen kan worden.
4e Weerlegging. De volmaaktheid van het heelal is niet de volmaaktheid van een persoon of drager, maar van iets, dat een is door samenhang en ordening. En de meeste delen daarvan kunnen niet aangenomen worden, zoals gezegd is (in de Leerstelling en Antw. op de 1° B.). Daarom blijft alleen over, dat de menselijke natuur aangenomen kan worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Nam Gods Zoon een persoon aan?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 4 a. 3 co.
IIIa q. 16 a. 12 s. c.[t:iiia q. 4 a. 3 co.][t:iiia q. 16 a. 12 s. c.]
IIIa q. 4 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon een persoon aannam. Want Damascenus zegt in het 3e boek, dat "Gods Zoon de menselijke natuur aannam "in atomo", dwz. in een individu". Maar de eenling met een redelijke natuur is een persoon, zoals Boëtius aantoont in het boek Over de Twee naturen (3, 4). Dus nam Gods Zoon een persoon aan.
IIIa q. 4 a. 3 co.
IIIa q. 16 a. 12 s. c.[t:iiia q. 4 a. 3 co.][t:iiia q. 16 a. 12 s. c.]
IIIa q. 4 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon een persoon aannam. Want Damascenus zegt in het 3e boek, dat "Gods Zoon de menselijke natuur aannam "in atomo", dwz. in een individu". Maar de eenling met een redelijke natuur is een persoon, zoals Boëtius aantoont in het boek Over de Twee naturen (3, 4). Dus nam Gods Zoon een persoon aan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 6e H.), dat "Gods Zoon datgene aannam, wat Hij in onze natuur had gelegd". Maar Hij legde de persoonlijkheid erin. Dus nam Gods Zoon een persoon aan.
Vervolgens. Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 6e H.), dat "Gods Zoon datgene aannam, wat Hij in onze natuur had gelegd". Maar Hij legde de persoonlijkheid erin. Dus nam Gods Zoon een persoon aan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Niets wordt verteerd dan wat bestaat. Nu zegt Innocentius III in een Decretaal, dat "Gods Persoon de menselijke persoon verteerde". Dus schijnt het, dat de menselijke persoon eerst aangenomen was.
Vervolgens. Niets wordt verteerd dan wat bestaat. Nu zegt Innocentius III in een Decretaal, dat "Gods Persoon de menselijke persoon verteerde". Dus schijnt het, dat de menselijke persoon eerst aangenomen was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek *Over het Geloof aan Petrus* (17e H.), “dat God de menselijke natuur heeft aangenomen, niet de menselijke persoon”.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek *Over het Geloof aan Petrus* (17e H.), “dat God de menselijke natuur heeft aangenomen, niet de menselijke persoon”.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 2 co.
Mijn antwoord. Men zegt, dat iets aangenomen wordt, omdat het tot iets genomen wordt. Dus moet men datgene wat aangenomen wordt, zo opvatten, dat het van tevoren bestaat, zoals men veronderstelt, dat wat plaatselijk bewogen wordt, voor de beweging bestaat. Maar nu veronderstelt men geen persoon in de menselijke natuur voor de aanneming, maar die doet eerder dienst als eindterm van de aanneming, zoals boven is gezegd (3e Kw., 1e en 2e Art.). Als die immers tevoren werd verondersteld, zou hij of moeten vergaan, en zou er dus voor niets zijn geweest; of moeten blijven na de vereniging, en dan zouden er twee personen zijn, een aangenomen en een, die aanneemt, wat verkeerd is, zoals boven werd aangetoond (2e Kw., 6e Art.). Dus blijft er over, dat Gods Zoon op geen enkele manier een menselijke persoon heeft aangenomen.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 3 a. 2[t:iiia q. 3 a. 2] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6]
Mijn antwoord. Men zegt, dat iets aangenomen wordt, omdat het tot iets genomen wordt. Dus moet men datgene wat aangenomen wordt, zo opvatten, dat het van tevoren bestaat, zoals men veronderstelt, dat wat plaatselijk bewogen wordt, voor de beweging bestaat. Maar nu veronderstelt men geen persoon in de menselijke natuur voor de aanneming, maar die doet eerder dienst als eindterm van de aanneming, zoals boven is gezegd (3e Kw., 1e en 2e Art.). Als die immers tevoren werd verondersteld, zou hij of moeten vergaan, en zou er dus voor niets zijn geweest; of moeten blijven na de vereniging, en dan zouden er twee personen zijn, een aangenomen en een, die aanneemt, wat verkeerd is, zoals boven werd aangetoond (2e Kw., 6e Art.). Dus blijft er over, dat Gods Zoon op geen enkele manier een menselijke persoon heeft aangenomen.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 3 a. 2[t:iiia q. 3 a. 2] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Gods Zoon nam de menselijke natuur aan "in atomo", dwz. in een eenling, die niet onderscheiden is van de ongeschapen drager, die de persoon van Gods Zoon is. Dus volgt niet, dat er een persoon aangenomen is.
1e Weerlegging. Gods Zoon nam de menselijke natuur aan "in atomo", dwz. in een eenling, die niet onderscheiden is van de ongeschapen drager, die de persoon van Gods Zoon is. Dus volgt niet, dat er een persoon aangenomen is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. De aangenomen natuur mist de eigen persoonlijkheid niet uit gebrek aan iets, dat tot de volmaaktheid der menselijke natuur behoort, maar om de toevoeging van iets, wat boven de menselijke natuur is, nl. de vereniging met de goddelijke persoon.
2e Weerlegging. De aangenomen natuur mist de eigen persoonlijkheid niet uit gebrek aan iets, dat tot de volmaaktheid der menselijke natuur behoort, maar om de toevoeging van iets, wat boven de menselijke natuur is, nl. de vereniging met de goddelijke persoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Het "verteerd worden" betekent op de aangehaalde plaats niet het vernielen van iets, dat er eerst was, maar het verhinderen van iets, dat er anders had kunnen zijn. Want als de menselijke natuur niet door de goddelijke persoon was aangenomen, zou de menselijke natuur een eigen persoonlijkheid hebben gehad. En in die zin zegt men, ofschoon oneigenlijk, dat de persoon "de persoon heeft verteerd", omdat de goddelijke persoon door zijn vereniging heeft belet, dat de menselijke natuur een eigen persoonlijkheid zou hebben.
3e Weerlegging. Het "verteerd worden" betekent op de aangehaalde plaats niet het vernielen van iets, dat er eerst was, maar het verhinderen van iets, dat er anders had kunnen zijn. Want als de menselijke natuur niet door de goddelijke persoon was aangenomen, zou de menselijke natuur een eigen persoonlijkheid hebben gehad. En in die zin zegt men, ofschoon oneigenlijk, dat de persoon "de persoon heeft verteerd", omdat de goddelijke persoon door zijn vereniging heeft belet, dat de menselijke natuur een eigen persoonlijkheid zou hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Heeft de goddelijke persoon een mens aangenomen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 4 a. 4 arg. 3
IIIa q. 4 a. 4 arg. 3
IIIa q. 4 a. 5 co.[t:iiia q. 4 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 4 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 4 a. 5 co.]
IIIa q. 4 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de goddelijke persoon een mens heeft aangenomen. Want in een psalm wordt gezegd (64, 5): "Zalig hij, die Gij uitgekozen en aangenomen hebt", en de Glossa legt dit uit van Christus. En Augustinus zegt in het boek Over de strijd van de Christen (11e H.): "Gods Zoon heeft een mens aangenomen en in hem geleden wat een mens lijdt".
B: (Ps 64:5) [b:Ps 64:5]
IIIa q. 4 a. 4 arg. 3
IIIa q. 4 a. 4 arg. 3
IIIa q. 4 a. 5 co.[t:iiia q. 4 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 4 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 4 a. 5 co.]
IIIa q. 4 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de goddelijke persoon een mens heeft aangenomen. Want in een psalm wordt gezegd (64, 5): "Zalig hij, die Gij uitgekozen en aangenomen hebt", en de Glossa legt dit uit van Christus. En Augustinus zegt in het boek Over de strijd van de Christen (11e H.): "Gods Zoon heeft een mens aangenomen en in hem geleden wat een mens lijdt".
B: (Ps 64:5) [b:Ps 64:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Deze naam mens betekent de menselijke natuur. Nu heeft Gods Zoon een menselijke natuur aangenomen. Dus heeft Hij een mens aangenomen.
Vervolgens. Deze naam mens betekent de menselijke natuur. Nu heeft Gods Zoon een menselijke natuur aangenomen. Dus heeft Hij een mens aangenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Gods Zoon is mens. Maar hij is niet de mens, die Hij niet heeft aangenomen, anders zou Hij evengoed Petrus of iedere ander mens zijn. Dus is het een mens, die Hij aangenomen heeft.
Vervolgens. Gods Zoon is mens. Maar hij is niet de mens, die Hij niet heeft aangenomen, anders zou Hij evengoed Petrus of iedere ander mens zijn. Dus is het een mens, die Hij aangenomen heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter het gezag van de Paus en Martelaar Felix, dat op het Concilie van Ephese wordt aangehaald: "Wij geloven in onze Heer Jesus Christus, geboren uit de maagd Maria, omdat Hij de eeuwige Zoon en het Woord van de Vader is, en niet een door God aangenomen mens, zodat Hij een ander dan Hem zou zijn. Want Gods Zoon heeft ook geen mens aangenomen om een ander dan Hijzelf te zijn".
Daartegenover staat echter het gezag van de Paus en Martelaar Felix, dat op het Concilie van Ephese wordt aangehaald: "Wij geloven in onze Heer Jesus Christus, geboren uit de maagd Maria, omdat Hij de eeuwige Zoon en het Woord van de Vader is, en niet een door God aangenomen mens, zodat Hij een ander dan Hem zou zijn. Want Gods Zoon heeft ook geen mens aangenomen om een ander dan Hijzelf te zijn".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals wij boven zeiden (Voorgaand Art.), is datgene wat aangenomen wordt niet de eindterm van de aanneming, maar wordt verondersteld van tevoren te bestaan. Nu is er gezegd (3e Kw., 2e Art. Antw. op de 1e B.), dat de eenling, waarin de menselijke natuur wordt aangenomen, geen ander is dan de goddelijke persoon, die de eindterm der aanneming is. Maar deze naam mens geeft de menselijke natuur aan, voor zover zij erop aangelegd is in een drager te bestaan, omdat, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 11e H.), gelijk de naam God Hem aangeeft, die de goddelijke natuur heeft, zo ook de naam mens degene aangeeft, die de menselijke natuur bezit. En daarom spreekt men niet in eigenlijke zin, als men zegt, dat de Zoon Gods een mens heeft aangenomen, als men veronderstelt, zoals het in waarheid is, dat er in Christus een drager en een hypostase is. Maar volgens hen, die in Christus twee dragers of twee hypostases aannemen, kan men gepast en in eigenlijke zin zeggen, dat Gods Zoon een mens heeft aangenomen. Daarom geeft ook de eerste mening, die in de 6e distinctie van het 3e boek der Sententiae vermeld wordt, toe, dat er een mens is aangenomen. Maar die mening is verkeerd, zoals boven is aangetoond (2e Kw., 6e Art.).
R: q. 4 a. 2[t:iiia q. 4 a. 2] q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 3 a. 2[t:iiia q. 3 a. 2] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6]
Mijn antwoord. Zoals wij boven zeiden (Voorgaand Art.), is datgene wat aangenomen wordt niet de eindterm van de aanneming, maar wordt verondersteld van tevoren te bestaan. Nu is er gezegd (3e Kw., 2e Art. Antw. op de 1e B.), dat de eenling, waarin de menselijke natuur wordt aangenomen, geen ander is dan de goddelijke persoon, die de eindterm der aanneming is. Maar deze naam mens geeft de menselijke natuur aan, voor zover zij erop aangelegd is in een drager te bestaan, omdat, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 11e H.), gelijk de naam God Hem aangeeft, die de goddelijke natuur heeft, zo ook de naam mens degene aangeeft, die de menselijke natuur bezit. En daarom spreekt men niet in eigenlijke zin, als men zegt, dat de Zoon Gods een mens heeft aangenomen, als men veronderstelt, zoals het in waarheid is, dat er in Christus een drager en een hypostase is. Maar volgens hen, die in Christus twee dragers of twee hypostases aannemen, kan men gepast en in eigenlijke zin zeggen, dat Gods Zoon een mens heeft aangenomen. Daarom geeft ook de eerste mening, die in de 6e distinctie van het 3e boek der Sententiae vermeld wordt, toe, dat er een mens is aangenomen. Maar die mening is verkeerd, zoals boven is aangetoond (2e Kw., 6e Art.).
R: q. 4 a. 2[t:iiia q. 4 a. 2] q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 3 a. 2[t:iiia q. 3 a. 2] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Dergelijke uitdrukkingen moet men verder niet gebruiken, alsof zij in eigenlijke zin kunnen worden opgevat, maar waar zij door de Heilige Leeraars worden neergeschreven, moet men hen vroom verklaren, zodat wij zeggen, dat er een mens is aangenomen, omdat zijn natuur aangenomen is; en omdat de aanneming hierin haar eindterm gevonden heeft, dat Gods Zoon mens is.
1e Weerlegging. Dergelijke uitdrukkingen moet men verder niet gebruiken, alsof zij in eigenlijke zin kunnen worden opgevat, maar waar zij door de Heilige Leeraars worden neergeschreven, moet men hen vroom verklaren, zodat wij zeggen, dat er een mens is aangenomen, omdat zijn natuur aangenomen is; en omdat de aanneming hierin haar eindterm gevonden heeft, dat Gods Zoon mens is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Deze naam mens betekent de menselijke natuur in de werkelijkheid, nl. zoals zij in een drager is. En daarom kunnen wij niet zeggen, evenmin als wij kunnen zeggen dat een drager aangenomen is, dat een mens aangenomen is.
2e Weerlegging. Deze naam mens betekent de menselijke natuur in de werkelijkheid, nl. zoals zij in een drager is. En daarom kunnen wij niet zeggen, evenmin als wij kunnen zeggen dat een drager aangenomen is, dat een mens aangenomen is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Gods Zoon is niet de mens, die Hij aangenomen heeft, maar waarvan Hij de natuur heeft aangenomen.
3e Weerlegging. Gods Zoon is niet de mens, die Hij aangenomen heeft, maar waarvan Hij de natuur heeft aangenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Moest Gods Zoon een van alle eenlingen geabstraheerde menselijke natuur aannemen?
IIIa q. 4 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Want de aanneming der menselijke natuur geschiedde om het gezamenlijke heil van alle mensen, zodat in de Eerste Brief aan Timotheus (4, 10) over Christus wordt gezegd, dat Hij "de Redder is van alle mensen, vooral van de gelovigen". Maar voorzover de natuur in de eenlingen is, mist zij haar algemeenheid. Dus moest Gods Zoon de menselijke natuur aannemen, zoals zij geabstraheerd is van alle eenlingen.
B: (1Tim 4:10) [b:1Tim 4:10]
Over het vierde als volgt. Want de aanneming der menselijke natuur geschiedde om het gezamenlijke heil van alle mensen, zodat in de Eerste Brief aan Timotheus (4, 10) over Christus wordt gezegd, dat Hij "de Redder is van alle mensen, vooral van de gelovigen". Maar voorzover de natuur in de eenlingen is, mist zij haar algemeenheid. Dus moest Gods Zoon de menselijke natuur aannemen, zoals zij geabstraheerd is van alle eenlingen.
B: (1Tim 4:10) [b:1Tim 4:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 4 arg. 2
Vervolgens. In alles moeten wij aan God toekennen wat het edelst is. Maar bij alle soorten is datgene het voornaamst, wat door zichzelf is. Dus moest Gods Zoon datgene aannemen, wat door zichzelf mens is. Maar volgens de volgelingen van Plato is dat de van de enkelingen gescheiden menselijke natuur. Dus die moest Gods Zoon aannemen.
Vervolgens. In alles moeten wij aan God toekennen wat het edelst is. Maar bij alle soorten is datgene het voornaamst, wat door zichzelf is. Dus moest Gods Zoon datgene aannemen, wat door zichzelf mens is. Maar volgens de volgelingen van Plato is dat de van de enkelingen gescheiden menselijke natuur. Dus die moest Gods Zoon aannemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Door Gods Zoon is de menselijke natuur niet aangenomen, voor zover zij in de werkelijkheid door de naam mens wordt aangeduid, gelijk wij gezegd hebben (voorg. Art.). Maar zoals uit het gezegde blijkt, wordt zij met die naam aangeduid voor zover zij in de eenlingen bestaat. Dus moest Gods Zoon de menselijke natuur aannemen, in zover zij van de eenlingen gescheiden is.
R: q. 4 a. 3[t:iiia q. 4 a. 3] q. 4 a. 3[t:iiia q. 4 a. 3]
Vervolgens. Door Gods Zoon is de menselijke natuur niet aangenomen, voor zover zij in de werkelijkheid door de naam mens wordt aangeduid, gelijk wij gezegd hebben (voorg. Art.). Maar zoals uit het gezegde blijkt, wordt zij met die naam aangeduid voor zover zij in de eenlingen bestaat. Dus moest Gods Zoon de menselijke natuur aannemen, in zover zij van de eenlingen gescheiden is.
R: q. 4 a. 3[t:iiia q. 4 a. 3] q. 4 a. 3[t:iiia q. 4 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 4 s. c.
Daartegenover echter staat het woord van Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 11e H.) : "Gods mensgeworden Woord heeft ook niet de natuur, die door de zuivere verstandskennis wordt beschouwd, aangenomen, want dat is geen menswording, maar een bedrog en een namaak van menswording". Maar voor zover de menselijke natuur gescheiden of geabstraheerd wordt van de eenlingen, "wordt zij in de zuivere verstandskennis beschouwd, omdat zij naar haarzelf niet bestaat", zoals dezelfde Damascenus zegt (t. a. pl.). Dus nam Gods Zoon de menselijke natuur niet aan voor zover zij van de eenlingen gescheiden is.
Daartegenover echter staat het woord van Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 11e H.) : "Gods mensgeworden Woord heeft ook niet de natuur, die door de zuivere verstandskennis wordt beschouwd, aangenomen, want dat is geen menswording, maar een bedrog en een namaak van menswording". Maar voor zover de menselijke natuur gescheiden of geabstraheerd wordt van de eenlingen, "wordt zij in de zuivere verstandskennis beschouwd, omdat zij naar haarzelf niet bestaat", zoals dezelfde Damascenus zegt (t. a. pl.). Dus nam Gods Zoon de menselijke natuur niet aan voor zover zij van de eenlingen gescheiden is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 4 co.
Mijn antwoord. Men kan de menselijke natuur, of die van een ander onder de zintuigen vallend ding, buiten het bestaan, dat zij in de eenlingen heeft, op twee manieren opvatten: ten eerste, alsof zij uit zichzelf het bestaan had buiten de stof, zoals de volgelingen van Plato het hielden, en anders als bestaand in het verstand, hetzij het menselijke, hetzij het goddelijke. Krachtens zichzelf kan zij niet bestaan, zoals de Filosoof bewijst in het 7e boek *Over de Metaphysiek*, omdat tot de soortelijke natuur van de onder zintuigen vallende dingen de onder zintuigen vallende stof behoort, daar deze in de definitie is opgenomen, als vlees en beenderen in de definitie van de mens. Daarom kan de menselijke natuur niet bestaan buiten de onder zintuigen vallende stof. Maar ook als de menselijke natuur zo zelfstandig bestond, zou het niet gepast zijn, dat zij door het Woord Gods werd aangenomen. Ten eerste, omdat die aanneming de persoon als einterm heeft. Maar tegen het wezen van een gemeenschappelijke vorm is het, dat zij zo in een persoon tot een eenling zou worden gemaakt. — Ten tweede kunnen aan de gemeenschappelijke natuur alleen gemeenschappelijke en algemene handelingen worden toegerekend, waardoor de mens loon noch straf verdient, terwijl de aanneming toch dit ten doel heeft, dat Gods Zoon in de aangenomen natuur voor ons zou verdienen. — Ten derde valt een zo bestaande natuur niet onder de zintuigen, maar onder het verstand. Gods Zoon heeft evenwel de menselijke natuur aangenomen om zichtbaar in haar onder de mensen te verschijnen naar het woord van Baruch (3, 38): "Daarna is Hij op aarde gezien en heeft met de mensen omgegaan". De menselijke natuur kon evenmin door Gods Zoon worden aangenomen, in zover zij bestaat in het verstand van God. Want zo is zij niets anders dan de goddelijke natuur en op deze manier zou de menselijke natuur van eeuwigheid af in Gods Zoon zijn geweest. Evenmin gaat het aan te zeggen, dat Gods Zoon de menselijke natuur heeft aangenomen zoals zij in het mensenverstand bestaat. Want dat zou niets anders zijn als dat men begreep, dat Hij de menselijke natuur aannam. En op die manier zou het intellect dwalen, als Hij haar in de werkelijkheid niet aannam. En dat zou niets anders zijn dan "een soort namaak van de menswording", zoals Damascenus zegt (t. a. pl.).
B: (Bar 3:38) [b:Bar 3:38]
Mijn antwoord. Men kan de menselijke natuur, of die van een ander onder de zintuigen vallend ding, buiten het bestaan, dat zij in de eenlingen heeft, op twee manieren opvatten: ten eerste, alsof zij uit zichzelf het bestaan had buiten de stof, zoals de volgelingen van Plato het hielden, en anders als bestaand in het verstand, hetzij het menselijke, hetzij het goddelijke. Krachtens zichzelf kan zij niet bestaan, zoals de Filosoof bewijst in het 7e boek *Over de Metaphysiek*, omdat tot de soortelijke natuur van de onder zintuigen vallende dingen de onder zintuigen vallende stof behoort, daar deze in de definitie is opgenomen, als vlees en beenderen in de definitie van de mens. Daarom kan de menselijke natuur niet bestaan buiten de onder zintuigen vallende stof. Maar ook als de menselijke natuur zo zelfstandig bestond, zou het niet gepast zijn, dat zij door het Woord Gods werd aangenomen. Ten eerste, omdat die aanneming de persoon als einterm heeft. Maar tegen het wezen van een gemeenschappelijke vorm is het, dat zij zo in een persoon tot een eenling zou worden gemaakt. — Ten tweede kunnen aan de gemeenschappelijke natuur alleen gemeenschappelijke en algemene handelingen worden toegerekend, waardoor de mens loon noch straf verdient, terwijl de aanneming toch dit ten doel heeft, dat Gods Zoon in de aangenomen natuur voor ons zou verdienen. — Ten derde valt een zo bestaande natuur niet onder de zintuigen, maar onder het verstand. Gods Zoon heeft evenwel de menselijke natuur aangenomen om zichtbaar in haar onder de mensen te verschijnen naar het woord van Baruch (3, 38): "Daarna is Hij op aarde gezien en heeft met de mensen omgegaan". De menselijke natuur kon evenmin door Gods Zoon worden aangenomen, in zover zij bestaat in het verstand van God. Want zo is zij niets anders dan de goddelijke natuur en op deze manier zou de menselijke natuur van eeuwigheid af in Gods Zoon zijn geweest. Evenmin gaat het aan te zeggen, dat Gods Zoon de menselijke natuur heeft aangenomen zoals zij in het mensenverstand bestaat. Want dat zou niets anders zijn als dat men begreep, dat Hij de menselijke natuur aannam. En op die manier zou het intellect dwalen, als Hij haar in de werkelijkheid niet aannam. En dat zou niets anders zijn dan "een soort namaak van de menswording", zoals Damascenus zegt (t. a. pl.).
B: (Bar 3:38) [b:Bar 3:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Gods mensgeworden Zoon is de gemeenschappelijke Redder van allen, niet zoals geslacht en soort gemeenschappelijk zijn, die aan de van de enkelingen gescheiden natuur worden toegekend; maar zoals een oorzaak gemeenschappelijk is, in zover de mensgeworden Zoon Gods de gemeenschappelijke oorzaak is van het heil der mensen.
1e Weerlegging. Gods mensgeworden Zoon is de gemeenschappelijke Redder van allen, niet zoals geslacht en soort gemeenschappelijk zijn, die aan de van de enkelingen gescheiden natuur worden toegekend; maar zoals een oorzaak gemeenschappelijk is, in zover de mensgeworden Zoon Gods de gemeenschappelijke oorzaak is van het heil der mensen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Datgene wat door zichzelf mens is, wordt in de werkelijkheid niet zo gevonden, dat het buiten de eenlingen bestaat, zoals de Platonisten beweerden. — Sommigen zeggen evenwel, dat Plato niet hield, dat de mens van de eenlingen gescheiden bestaat tenzij in het goddelijk verstand. En zo moest hij door het Woord niet aangenomen worden, omdat hij eeuwig bij Hem was.
2e Weerlegging. Datgene wat door zichzelf mens is, wordt in de werkelijkheid niet zo gevonden, dat het buiten de eenlingen bestaat, zoals de Platonisten beweerden. — Sommigen zeggen evenwel, dat Plato niet hield, dat de mens van de eenlingen gescheiden bestaat tenzij in het goddelijk verstand. En zo moest hij door het Woord niet aangenomen worden, omdat hij eeuwig bij Hem was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Al moet men het aannemen der menselijke natuur in concreto niet zo opvatten, dat men er voor de aanneming een drager in veronderstelt, toch is zij in een eenling aangenomen, want zij is zo aangenomen, dat zij in een eenling bestaat.
3e Weerlegging. Al moet men het aannemen der menselijke natuur in concreto niet zo opvatten, dat men er voor de aanneming een drager in veronderstelt, toch is zij in een eenling aangenomen, want zij is zo aangenomen, dat zij in een eenling bestaat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Moest Gods Zoon de menselijke natuur aannemen in alle eenlingen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 80 a. 3 arg. 1[t:iiia q. 80 a. 3 arg. 1]
IIIa q. 4 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon de menselijke natuur moest aannemen in alle enkelingen. Want wat allereerst en uiteraard is aangenomen, is de menselijke natuur. Maar wat uiteraard aan een natuur toekomt, komt aan allen toe, die in die natuur bestaan. Dus paste het, dat de menselijke natuur door Gods Zoon werd aangenomen in alle enkelingen.
IIIa q. 80 a. 3 arg. 1[t:iiia q. 80 a. 3 arg. 1]
IIIa q. 4 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon de menselijke natuur moest aannemen in alle enkelingen. Want wat allereerst en uiteraard is aangenomen, is de menselijke natuur. Maar wat uiteraard aan een natuur toekomt, komt aan allen toe, die in die natuur bestaan. Dus paste het, dat de menselijke natuur door Gods Zoon werd aangenomen in alle enkelingen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 5 arg. 2
Vervolgens. De goddelijke menswording komt voort uit de goddelijke liefde, en daarom zegt Johannes (3, 16): "Zo heeft God de wereld bemind, dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven". Maar de liefde maakt, dat iemand zich aan zijn vrienden geeft voor zover het mogelijk is. Zoals nu boven is gezegd (3e Kw., 7e Art), kon Gods Zoon meerdere mensen naturen aannemen en daarom ook alle. Dus paste het, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam in al haar dragers.
B: (John 3:16) [b:John 3:16]
R: q. 3 a. 7[t:iiia q. 3 a. 7]
Vervolgens. De goddelijke menswording komt voort uit de goddelijke liefde, en daarom zegt Johannes (3, 16): "Zo heeft God de wereld bemind, dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven". Maar de liefde maakt, dat iemand zich aan zijn vrienden geeft voor zover het mogelijk is. Zoals nu boven is gezegd (3e Kw., 7e Art), kon Gods Zoon meerdere mensen naturen aannemen en daarom ook alle. Dus paste het, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam in al haar dragers.
B: (John 3:16) [b:John 3:16]
R: q. 3 a. 7[t:iiia q. 3 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Een wijs werkman brengt zijn werk langs de kortst mogelijke weg ten einde. Maar het was een kortere weg, als alle mensen werden aangenomen tot het zoonschap van nature, dan dat "velen door een Zoon van nature ertoe worden gebracht aangenomen zonen te zijn", zoals in de Galatenbrief (4, 5) wordt gezegd. Dus moest de menselijke natuur door Gods Zoon in al haar dragers worden aangenomen.
B: (Gal 4:5) [b:Gal 4:5] (Heb 2:10) [b:Heb 2:10]
Vervolgens. Een wijs werkman brengt zijn werk langs de kortst mogelijke weg ten einde. Maar het was een kortere weg, als alle mensen werden aangenomen tot het zoonschap van nature, dan dat "velen door een Zoon van nature ertoe worden gebracht aangenomen zonen te zijn", zoals in de Galatenbrief (4, 5) wordt gezegd. Dus moest de menselijke natuur door Gods Zoon in al haar dragers worden aangenomen.
B: (Gal 4:5) [b:Gal 4:5] (Heb 2:10) [b:Heb 2:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter wat Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 11e hoofdstuk) zegt: "dat Gods Zoon de menselijke natuur niet aannam, zoals zij als soort wordt beschouwd, en ook niet al haar hypostasen heeft aangenomen".
Daartegenover staat echter wat Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 11e hoofdstuk) zegt: "dat Gods Zoon de menselijke natuur niet aannam, zoals zij als soort wordt beschouwd, en ook niet al haar hypostasen heeft aangenomen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 5 co.
Mijn antwoord. Het was niet gepast, dat de menselijke natuur door Gods Zoon in al haar dragers werd aangenomen. Ten eerste zou wat aan de menselijke natuur eigen is, de veelheid van dragers, worden weggenomen. Want omdat, zoals wij zeiden (2e Kw., 3e Art.), in een aangenomen natuur geen andere drager gesteld mag worden dan de aannemende persoon, zou volgen, dat er maar een drager van de menselijke natuur was, nl. de persoon, die aannam, als er geen andere menselijke natuur was dan die werd aangenomen. Ten tweede zou dit aan de waardigheid van Gods mensgeworden Zoon te kort doen, in zover deze naar de menselijke natuur "de eerstgeboren van vele broeders" (Rom. 8, 29) is, zoals naar de goddelijke "de eerstgeboren van alle schepsels" (Coloss. 1, 15). Want dan zouden alle mensen dezelfde waardigheid hebben. Ten derde paste het, dat zoals er één goddelijke Drager is mensgeworden, Deze ook maar een menselijke natuur aannam, zodat van beide zijden eenheid werd gevonden.
R: q. 4 a. 3[t:iiia q. 4 a. 3]
Mijn antwoord. Het was niet gepast, dat de menselijke natuur door Gods Zoon in al haar dragers werd aangenomen. Ten eerste zou wat aan de menselijke natuur eigen is, de veelheid van dragers, worden weggenomen. Want omdat, zoals wij zeiden (2e Kw., 3e Art.), in een aangenomen natuur geen andere drager gesteld mag worden dan de aannemende persoon, zou volgen, dat er maar een drager van de menselijke natuur was, nl. de persoon, die aannam, als er geen andere menselijke natuur was dan die werd aangenomen. Ten tweede zou dit aan de waardigheid van Gods mensgeworden Zoon te kort doen, in zover deze naar de menselijke natuur "de eerstgeboren van vele broeders" (Rom. 8, 29) is, zoals naar de goddelijke "de eerstgeboren van alle schepsels" (Coloss. 1, 15). Want dan zouden alle mensen dezelfde waardigheid hebben. Ten derde paste het, dat zoals er één goddelijke Drager is mensgeworden, Deze ook maar een menselijke natuur aannam, zodat van beide zijden eenheid werd gevonden.
R: q. 4 a. 3[t:iiia q. 4 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Aangenomen worden komt uiteraard aan de menselijke natuur toe, omdat het haar niet om een persoon toekomt, zoals aannemen de goddelijke natuur toekomt om de persoon. Maar het komt haar niet uiteraard toe alsof het tot haar wezensbeginselen zou behoren of als een natuurlijke eigenschap; was het zo, dan zou het aan al haar dragers toekomen.
1e Weerlegging. Aangenomen worden komt uiteraard aan de menselijke natuur toe, omdat het haar niet om een persoon toekomt, zoals aannemen de goddelijke natuur toekomt om de persoon. Maar het komt haar niet uiteraard toe alsof het tot haar wezensbeginselen zou behoren of als een natuurlijke eigenschap; was het zo, dan zou het aan al haar dragers toekomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Gods liefde wordt aan de mensen niet alleen in het aannemen zelf van de menselijke natuur getoond, maar vooral in wat Hij in de menselijke natuur voor de andere mensen leed, naar het woord uit de Romeinenbrief (5, 8): "God bewijst zijn liefde voor ons, omdat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren". Dat zou niet zijn gebeurd, als Hij in alle mensen de menselijke natuur had aangenomen.
B: (Rom 5:8) [b:Rom 5:8]
2e Weerlegging. Gods liefde wordt aan de mensen niet alleen in het aannemen zelf van de menselijke natuur getoond, maar vooral in wat Hij in de menselijke natuur voor de andere mensen leed, naar het woord uit de Romeinenbrief (5, 8): "God bewijst zijn liefde voor ons, omdat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren". Dat zou niet zijn gebeurd, als Hij in alle mensen de menselijke natuur had aangenomen.
B: (Rom 5:8) [b:Rom 5:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Tot de kortheid van de weg, waarop een verstandig werkman let, behoort het ook niet door velen te doen, wat door één kan geschieden. En zo was het zo gepast mogelijk, dat door een mens alle anderen werden gered.
3e Weerlegging. Tot de kortheid van de weg, waarop een verstandig werkman let, behoort het ook niet door velen te doen, wat door één kan geschieden. En zo was het zo gepast mogelijk, dat door een mens alle anderen werden gered.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Was het passend, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam uit Adams geslacht?
IIIa q. 4 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam uit Adams geslacht. Want de Apostel zegt in de Hebreënbrief (7, 26): "Wij hadden een hogepriester nodig, die van de zondaars afgescheiden was". Maar Hij zou meer van de zondaars afgescheiden zijn geweest, als Hij de menselijke natuur niet uit Adams geslacht had aangenomen. Dus schijnt het, dat Hij de menselijke natuur niet uit Adams geslacht had moeten aannemen.
B: (Heb 7:26) [b:Heb 7:26]
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam uit Adams geslacht. Want de Apostel zegt in de Hebreënbrief (7, 26): "Wij hadden een hogepriester nodig, die van de zondaars afgescheiden was". Maar Hij zou meer van de zondaars afgescheiden zijn geweest, als Hij de menselijke natuur niet uit Adams geslacht had aangenomen. Dus schijnt het, dat Hij de menselijke natuur niet uit Adams geslacht had moeten aannemen.
B: (Heb 7:26) [b:Heb 7:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 6 arg. 2
Vervolgens. In iedere soort is het beginsel zelf edeler dan wat uit het beginsel voortkomt. Wilde Hij dus de menselijke natuur aannemen, dan had Hij het in Adam zelf moeten doen.
Vervolgens. In iedere soort is het beginsel zelf edeler dan wat uit het beginsel voortkomt. Wilde Hij dus de menselijke natuur aannemen, dan had Hij het in Adam zelf moeten doen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 6 arg. 3
Vervolgens. De heidenen waren grotere zondaars dan de Joden, zoals de Glossa zegt bij het woord uit de Galatenbrief (2, 15): "Wij zijn Joden van afkomst en geen zondaars uit de heidenen". Als Hij dus de menselijke natuur uit zondaars wilde aannemen, dan had Hij het eerder uit de heidenen moeten doen dan uit het geslacht van Abraham, die rechtvaardig was.
B: (Gal 2:15) [b:Gal 2:15]
Vervolgens. De heidenen waren grotere zondaars dan de Joden, zoals de Glossa zegt bij het woord uit de Galatenbrief (2, 15): "Wij zijn Joden van afkomst en geen zondaars uit de heidenen". Als Hij dus de menselijke natuur uit zondaars wilde aannemen, dan had Hij het eerder uit de heidenen moeten doen dan uit het geslacht van Abraham, die rechtvaardig was.
B: (Gal 2:15) [b:Gal 2:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Lucas (3, 23) de afkomst van de Heer tot Adam wordt teruggevoerd.
B: (Luke 3) [b:Luke 3]
Daartegenover staat echter, dat bij Lucas (3, 23) de afkomst van de Heer tot Adam wordt teruggevoerd.
B: (Luke 3) [b:Luke 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 6 co.
Mijn antwoord. Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (18e H.): "God kon de menselijke natuur ergens anders vandaan aannemen, en niet uit het geslacht van die Adam, die door zijn zonde het menselijk geslacht schuldig had gemaakt. Maar God oordeelde het beter uit het overwonnen geslacht zelf een mens aan te nemen, waardoor Hij de vijand van het menselijk geslacht zou verslaan". En dat om drie redenen. Ten eerste scheen het rechtvaardig, dat hij, die gezondigd heeft, ook voldoening brengt. En daarom moest uit de door de zonde bedorven natuur datgene worden aangenomen, waardoor voldoening voor de hele natuur zou worden gegeven. Ten tweede strekt het ook de mens tot grotere eer, als de overwinnaar van de duivel uit het door de duivel overwonnen geslacht wordt geboren. Ten derde wordt hierdoor Gods macht meer getoond, als Hij uit de bedorven en verzwakte natuur dat weeneemt wat zo'n kracht en waardigheid krijgt.
Mijn antwoord. Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (18e H.): "God kon de menselijke natuur ergens anders vandaan aannemen, en niet uit het geslacht van die Adam, die door zijn zonde het menselijk geslacht schuldig had gemaakt. Maar God oordeelde het beter uit het overwonnen geslacht zelf een mens aan te nemen, waardoor Hij de vijand van het menselijk geslacht zou verslaan". En dat om drie redenen. Ten eerste scheen het rechtvaardig, dat hij, die gezondigd heeft, ook voldoening brengt. En daarom moest uit de door de zonde bedorven natuur datgene worden aangenomen, waardoor voldoening voor de hele natuur zou worden gegeven. Ten tweede strekt het ook de mens tot grotere eer, als de overwinnaar van de duivel uit het door de duivel overwonnen geslacht wordt geboren. Ten derde wordt hierdoor Gods macht meer getoond, als Hij uit de bedorven en verzwakte natuur dat weeneemt wat zo'n kracht en waardigheid krijgt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Christus moest wat de schuld, die Hij kwam vernietigen, betreft van de zondaars gescheiden zijn, maar niet wat de natuur, die Hij kwam redden betreft. Hierin "moest Hij in alles aan zijn broeders gelijk worden gemaakt", zoals dezelfde Apostel zegt in de Hebreënbrief (2, 17). En daarom is zijn onschuld nog meer wonderbaar, dat een natuur, die uit aan zonde onderworpen stof is aangenomen, zo’n grote reinheid bezit.
B: (Heb 2:17) [b:Heb 2:17]
1e Weerlegging. Christus moest wat de schuld, die Hij kwam vernietigen, betreft van de zondaars gescheiden zijn, maar niet wat de natuur, die Hij kwam redden betreft. Hierin "moest Hij in alles aan zijn broeders gelijk worden gemaakt", zoals dezelfde Apostel zegt in de Hebreënbrief (2, 17). En daarom is zijn onschuld nog meer wonderbaar, dat een natuur, die uit aan zonde onderworpen stof is aangenomen, zo’n grote reinheid bezit.
B: (Heb 2:17) [b:Heb 2:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Zoals gezegd is (Antw. op 1° B.), moest Hij, die de zonden kwam wegnemen, wat de schuld betreft van de zondaars gescheiden zijn. Adam ging onder schuld gebukt en Christus "bevrijdde hem van zijn misdaad", zoals in het boek der Wijsheid (10, 2) wordt gezegd. Maar Hij, die allen kwam reinigen, moest zelf geen reiniging nodig hebben, zoals bij alle soorten van beweging de eerste die in beweging brengt, zelf in dat opzicht niet bewogen wordt, gelijk de eerste, die verandering brengt, zelf onveranderlijk is. En daarom paste het niet, dat Hij de menselijke natuur in Adam zelf aannam.
B: (Wis 10:2) [b:Wis 10:2]
2e Weerlegging. Zoals gezegd is (Antw. op 1° B.), moest Hij, die de zonden kwam wegnemen, wat de schuld betreft van de zondaars gescheiden zijn. Adam ging onder schuld gebukt en Christus "bevrijdde hem van zijn misdaad", zoals in het boek der Wijsheid (10, 2) wordt gezegd. Maar Hij, die allen kwam reinigen, moest zelf geen reiniging nodig hebben, zoals bij alle soorten van beweging de eerste die in beweging brengt, zelf in dat opzicht niet bewogen wordt, gelijk de eerste, die verandering brengt, zelf onveranderlijk is. En daarom paste het niet, dat Hij de menselijke natuur in Adam zelf aannam.
B: (Wis 10:2) [b:Wis 10:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 4 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Omdat Christus vooral wat de schuld betreft van de zondaars moest gescheiden zijn om het toppunt van onschuld te bereiken, paste het dat men van de eerste zondaar langs enige rechtvaardigen, waarin reeds enige kenmerken der toekomstige heiligheid zouden schitteren, tot Christus kwam. Daarom gaf God ook aan het volk, waaruit Christus zou geboren worden, enige tekenen van heiligheid, die begonnen in Abraham, die het eerst de belofte over Christus ontving, en ook de besnijdenis als een teken van het verbond, dat gesloten zou worden, zoals in het boek der Schepping (17, 11) wordt gezegd.
B: (Gen 17:11) [b:Gen 17:11]
3e Weerlegging. Omdat Christus vooral wat de schuld betreft van de zondaars moest gescheiden zijn om het toppunt van onschuld te bereiken, paste het dat men van de eerste zondaar langs enige rechtvaardigen, waarin reeds enige kenmerken der toekomstige heiligheid zouden schitteren, tot Christus kwam. Daarom gaf God ook aan het volk, waaruit Christus zou geboren worden, enige tekenen van heiligheid, die begonnen in Abraham, die het eerst de belofte over Christus ontving, en ook de besnijdenis als een teken van het verbond, dat gesloten zou worden, zoals in het boek der Schepping (17, 11) wordt gezegd.
B: (Gen 17:11) [b:Gen 17:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 5: Over het aannemen der delen van de menselijke natuur
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 9 a. 1 co.
IIIa q. 9 a. 1 co.
IIIa q. 18 a. 1 co.[t:iiia q. 9 a. 1 co.][t:iiia q. 9 a. 1 co.][t:iiia q. 18 a. 1 co.]
IIIa q. 5 pr.
Vervolgens moeten wij spreken over het aannemen der delen van de menselijke natuur. En hierover stellen wij ons vier vragen:
1. Moest Gods Zoon een werkelijk lichaam aannemen?
2. Moest Hij een aards lichaam aannemen, nl. vlees en bloed?
3. Nam Hij een ziel aan? 4. Moest Hij een verstand aannemen?
IIIa q. 9 a. 1 co.
IIIa q. 9 a. 1 co.
IIIa q. 18 a. 1 co.[t:iiia q. 9 a. 1 co.][t:iiia q. 9 a. 1 co.][t:iiia q. 18 a. 1 co.]
IIIa q. 5 pr.
Vervolgens moeten wij spreken over het aannemen der delen van de menselijke natuur. En hierover stellen wij ons vier vragen:
1. Moest Gods Zoon een werkelijk lichaam aannemen?
2. Moest Hij een aards lichaam aannemen, nl. vlees en bloed?
3. Nam Hij een ziel aan? 4. Moest Hij een verstand aannemen?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Nam Gods Zoon een werkelijk lichaam aan?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 16 a. 1 co.
IIIa q. 39 a. 7 co.
IIIa q. 45 a. 1 arg. 1
IIIa q. 76 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 16 a. 1 co.][t:iiia q. 39 a. 7 co.][t:iiia q. 45 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 76 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 5 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon geen werkelijk lichaam aannam. Want in de Brief aan de Philippiërs (2, 7) wordt gezegd, dat Hij "aan de mensen gelijk is geworden". Maar wat werkelijk iets is, wordt niet daaraan gelijk genoemd. Dus nam Gods Zoon geen werkelijk lichaam aan.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
IIIa q. 16 a. 1 co.
IIIa q. 39 a. 7 co.
IIIa q. 45 a. 1 arg. 1
IIIa q. 76 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 16 a. 1 co.][t:iiia q. 39 a. 7 co.][t:iiia q. 45 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 76 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 5 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon geen werkelijk lichaam aannam. Want in de Brief aan de Philippiërs (2, 7) wordt gezegd, dat Hij "aan de mensen gelijk is geworden". Maar wat werkelijk iets is, wordt niet daaraan gelijk genoemd. Dus nam Gods Zoon geen werkelijk lichaam aan.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Het aannemen van het lichaam heeft in niets aan de waardigheid van de godheid te kort gedaan; want Paus Leo zegt in zijn preek Over de Geboorte (serm. 21), dat "noch de verheerlijking de lagere natuur heeft verteerd, noch het aannemen de hogere verlaagd". Maar het behoort tot Gods waardigheid, dat Hij geheel en al van het lichaam is gescheiden. Dus schijnt het, dat God door het aannemen niet met een lichaam is verenigd.
Vervolgens. Het aannemen van het lichaam heeft in niets aan de waardigheid van de godheid te kort gedaan; want Paus Leo zegt in zijn preek Over de Geboorte (serm. 21), dat "noch de verheerlijking de lagere natuur heeft verteerd, noch het aannemen de hogere verlaagd". Maar het behoort tot Gods waardigheid, dat Hij geheel en al van het lichaam is gescheiden. Dus schijnt het, dat God door het aannemen niet met een lichaam is verenigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Tekens moeten beantwoorden aan wat betekent wordt. Maar de verschijningen onder het Oude Verbond, die tekens en voorafbeeldingen waren van Christus’ verschijning, geschiedden niet in de lichamelijke werkelijkheid, maar in aan de verbeelding getoonde gezichten, zoals blijkt uit Isaïas (6,2): "Ik zag de Heer gezeten", enz. Dus schijnt het, dat ook de verschijning van Gods Zoon in de wereld niet gebeurde in een werkelijk lichaam, maar in de verbeelding.
B: (Isa 60:1) [b:Isa 60:1]
Vervolgens. Tekens moeten beantwoorden aan wat betekent wordt. Maar de verschijningen onder het Oude Verbond, die tekens en voorafbeeldingen waren van Christus’ verschijning, geschiedden niet in de lichamelijke werkelijkheid, maar in aan de verbeelding getoonde gezichten, zoals blijkt uit Isaïas (6,2): "Ik zag de Heer gezeten", enz. Dus schijnt het, dat ook de verschijning van Gods Zoon in de wereld niet gebeurde in een werkelijk lichaam, maar in de verbeelding.
B: (Isa 60:1) [b:Isa 60:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (14° Vr.): "Als Christus’ lichaam een verschijning was, heeft Christus bedrogen. En als Hij bedrogen heeft, is Hij de Waarheid niet. Maar Christus is de Waarheid. Dus was zijn lichaam geen verschijning". En zo blijkt het, dat Hij een werkelijk lichaam heeft aangenomen.
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (14° Vr.): "Als Christus’ lichaam een verschijning was, heeft Christus bedrogen. En als Hij bedrogen heeft, is Hij de Waarheid niet. Maar Christus is de Waarheid. Dus was zijn lichaam geen verschijning". En zo blijkt het, dat Hij een werkelijk lichaam heeft aangenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals in het boek Over de Leerstukken der Kerk wordt gezegd (2° H.), "is Gods Zoon niet schijnbaar geboren, alsof Hij maar een in de verbeelding bestaand lichaam bezat, maar een echt lichaam". En hiervoor kan men drie redenen aangeven. De eerste hiervan is ontleend aan de aard van de menselijke natuur, waaraan het toekomt een echt lichaam te bezitten. Als wij dus volgens het voorafgaande (4e Kw., 1e Art.) veronderstellen, dat het paste, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam, volgt er uit, dat Hij een echt lichaam aannam. De tweede reden kan men ontlenen aan wat bij het geheim der menswording is gebeurd. Want als zijn lichaam niet echt maar verbeeld was, heeft Hij ook niet werkelijk de dood ondergaan, en heeft Hij niets van wat de Evangelisten verhalen, in waarheid gedaan, maar alleen naar een uiterlijke schijn. En dan volgt ook, dat het ware heil van de mens er niet uit gevolgd is, omdat het gevolg aan de oorzaak evenredig moet zijn. De derde reden kan men ontlenen aan de persoonlijke waardigheid zelf van Hem, die aanneemt, want omdat Hij de waarheid is, past het niet, dat er enig bedrog in zijn werk is. Daarom heeft de Heer zichzelf gewaardigd dwaling op dit punt uit te sluiten, toen de leerlingen "verward en bevreesd, een geest meenden te zien" (Luc., Laatste H. 37), en geen echt lichaam, en daarom liet Hij zich aanraken, zeggend (39): "Tast en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat ik heb."
B: (Luke 24:37) [b:Luke 24:37] (Luke 24:39) [b:Luke 24:39]
R: q. 4 a. 1[t:iiia q. 4 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals in het boek Over de Leerstukken der Kerk wordt gezegd (2° H.), "is Gods Zoon niet schijnbaar geboren, alsof Hij maar een in de verbeelding bestaand lichaam bezat, maar een echt lichaam". En hiervoor kan men drie redenen aangeven. De eerste hiervan is ontleend aan de aard van de menselijke natuur, waaraan het toekomt een echt lichaam te bezitten. Als wij dus volgens het voorafgaande (4e Kw., 1e Art.) veronderstellen, dat het paste, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam, volgt er uit, dat Hij een echt lichaam aannam. De tweede reden kan men ontlenen aan wat bij het geheim der menswording is gebeurd. Want als zijn lichaam niet echt maar verbeeld was, heeft Hij ook niet werkelijk de dood ondergaan, en heeft Hij niets van wat de Evangelisten verhalen, in waarheid gedaan, maar alleen naar een uiterlijke schijn. En dan volgt ook, dat het ware heil van de mens er niet uit gevolgd is, omdat het gevolg aan de oorzaak evenredig moet zijn. De derde reden kan men ontlenen aan de persoonlijke waardigheid zelf van Hem, die aanneemt, want omdat Hij de waarheid is, past het niet, dat er enig bedrog in zijn werk is. Daarom heeft de Heer zichzelf gewaardigd dwaling op dit punt uit te sluiten, toen de leerlingen "verward en bevreesd, een geest meenden te zien" (Luc., Laatste H. 37), en geen echt lichaam, en daarom liet Hij zich aanraken, zeggend (39): "Tast en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat ik heb."
B: (Luke 24:37) [b:Luke 24:37] (Luke 24:39) [b:Luke 24:39]
R: q. 4 a. 1[t:iiia q. 4 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Deze gelijkheid drukt de waarheid van de menselijke natuur in Christus uit, zoals allen, die werkelijk als mens bestaan, gelijk in natuur worden genoemd. Maar een gelijkheid in de verbeelding wordt niet bedoeld. Om dat aan te tonen, voegt de Apostel er aan toe (t. a. p., 8): "Hij werd gehoorzaam tot de dood, ja tot de dood des kruises", wat niet zou kunnen, als er alleen een gelijkheid in verbeelding bestond.
B: (Phil 2:8) [b:Phil 2:8]
1e Weerlegging. Deze gelijkheid drukt de waarheid van de menselijke natuur in Christus uit, zoals allen, die werkelijk als mens bestaan, gelijk in natuur worden genoemd. Maar een gelijkheid in de verbeelding wordt niet bedoeld. Om dat aan te tonen, voegt de Apostel er aan toe (t. a. p., 8): "Hij werd gehoorzaam tot de dood, ja tot de dood des kruises", wat niet zou kunnen, als er alleen een gelijkheid in verbeelding bestond.
B: (Phil 2:8) [b:Phil 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Doordat Gods Zoon een echt lichaam aannam is zijn waardigheid in geen enkel opzicht verminderd. Daarom zegt Augustinus in het boek *Over het Geloof aan Petrus*: "Hij vernietigde zichzelf, toen Hij het uiterlijk van een slaaf aannam om een slaaf te worden; maar de volheid van Gods Wezen verloor Hij niet". Want Gods Zoon nam het echte lichaam niet zo aan, dat Hij de vorm van een lichaam werd, wat strijdt met de goddelijke eenvoudigheid en zuiverheid; want dat zou een lichaam aannemen zijn in de eenheid van natuur, wat onmogelijk is, zoals uit het boven gezegde blijkt (2e Kw., 1e Art.). Maar met behoud van het onderscheid in natuur, nam Hij het aan in de eenheid in persoon.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1]
2e Weerlegging. Doordat Gods Zoon een echt lichaam aannam is zijn waardigheid in geen enkel opzicht verminderd. Daarom zegt Augustinus in het boek *Over het Geloof aan Petrus*: "Hij vernietigde zichzelf, toen Hij het uiterlijk van een slaaf aannam om een slaaf te worden; maar de volheid van Gods Wezen verloor Hij niet". Want Gods Zoon nam het echte lichaam niet zo aan, dat Hij de vorm van een lichaam werd, wat strijdt met de goddelijke eenvoudigheid en zuiverheid; want dat zou een lichaam aannemen zijn in de eenheid van natuur, wat onmogelijk is, zoals uit het boven gezegde blijkt (2e Kw., 1e Art.). Maar met behoud van het onderscheid in natuur, nam Hij het aan in de eenheid in persoon.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het beeld moet aan het ding beantwoorden wat de gelijkheid, niet wat de werkelijkheid ervan betreft, "want als er een gelijkheid in alle opzichten was, zou er geen beeld, maar het ding zelf zijn", zoals Damascenus in het 3e boek zegt. Het paste daarom, dat de verschijningen van het Oude Verbond er alleen naar de uiterlijke schijn waren als beelden; maar de verschijning van Gods Zoon in de wereld met een echt lichaam, als wat afgebeeld en betekend werd door die beelden. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Colossensen (2e Br. 2, 17): "Zij zijn de schaduw van de komende dingen, maar het lichaam is Christus".
B: (Col 2:17) [b:Col 2:17]
3e Weerlegging. Het beeld moet aan het ding beantwoorden wat de gelijkheid, niet wat de werkelijkheid ervan betreft, "want als er een gelijkheid in alle opzichten was, zou er geen beeld, maar het ding zelf zijn", zoals Damascenus in het 3e boek zegt. Het paste daarom, dat de verschijningen van het Oude Verbond er alleen naar de uiterlijke schijn waren als beelden; maar de verschijning van Gods Zoon in de wereld met een echt lichaam, als wat afgebeeld en betekend werd door die beelden. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Colossensen (2e Br. 2, 17): "Zij zijn de schaduw van de komende dingen, maar het lichaam is Christus".
B: (Col 2:17) [b:Col 2:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Had Christus een vleselijk of aards lichaam?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 35 a. 3 co.[t:iiia q. 35 a. 3 co.]
IIIa q. 5 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus geen vleeselijk of aards, maar een hemels lichaam had. Want de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 47): "De eerste mens was uit de aarde en aards, de tweede mens uit de hemel en hemels". Nu was de eerste mens, namelijk Adam, naar zijn lichaam uit de aarde, zoals uit het boek der Schepping blijkt (2, 7). Dus was ook de tweede mens, namelijk Christus naar zijn lichaam uit de hemel.
B: (Gen 1) [b:Gen 1] (1Cor 15:41) [b:1Cor 15:41]
IIIa q. 35 a. 3 co.[t:iiia q. 35 a. 3 co.]
IIIa q. 5 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus geen vleeselijk of aards, maar een hemels lichaam had. Want de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 47): "De eerste mens was uit de aarde en aards, de tweede mens uit de hemel en hemels". Nu was de eerste mens, namelijk Adam, naar zijn lichaam uit de aarde, zoals uit het boek der Schepping blijkt (2, 7). Dus was ook de tweede mens, namelijk Christus naar zijn lichaam uit de hemel.
B: (Gen 1) [b:Gen 1] (1Cor 15:41) [b:1Cor 15:41]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 2 arg. 2
Vervolgens. In de Eerste Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd (15, 50): "Vlees en bloed zullen Gods rijk niet bezitten". Maar Gods Rijk is vooral in Christus. Dus was in Hem geen vlees en bloed, maar eerder een hemels lichaam.
B: (1Cor 15:50) [b:1Cor 15:50]
Vervolgens. In de Eerste Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd (15, 50): "Vlees en bloed zullen Gods rijk niet bezitten". Maar Gods Rijk is vooral in Christus. Dus was in Hem geen vlees en bloed, maar eerder een hemels lichaam.
B: (1Cor 15:50) [b:1Cor 15:50]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Men moet aan God toekennen wat het volmaakste is. Maar onder alle lichamen is een hemels het volmaakste. Dus moest Christus zo’n lichaam aannemen.
Vervolgens. Men moet aan God toekennen wat het volmaakste is. Maar onder alle lichamen is een hemels het volmaakste. Dus moest Christus zo’n lichaam aannemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat wat de Heer zegt bij Lucas (Laatste H., 39): "Een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals jij ziet, dat Ik heb". Nu zijn vlees en beenderen niet gemaakt van de stof van een hemellichaam, maar uit lagere bestanddelen. Dus Christus’ lichaam geen hemels, maar een aards en vleeselijk lichaam.
B: (Luke 24:39) [b:Luke 24:39]
Maar daartegenover staat wat de Heer zegt bij Lucas (Laatste H., 39): "Een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals jij ziet, dat Ik heb". Nu zijn vlees en beenderen niet gemaakt van de stof van een hemellichaam, maar uit lagere bestanddelen. Dus Christus’ lichaam geen hemels, maar een aards en vleeselijk lichaam.
B: (Luke 24:39) [b:Luke 24:39]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 2 co.
Mijn antwoord. Uit dezelfde redenen, waarmee is aangetoond (in 't vorige Artikel), dat Christus geen schijnlichaam moest hebben, blijkt, dat het niet hemels moest zijn. Want ten eerste wordt, zoals de ware menselijke natuur niet in Christus bewaard blijft, als Hij een schijnlichaam heeft, zoals Manichaeus beweerde, ze evenmin bewaard als men een hemels lichaam aanneemt als Valentinus. Want omdat de menselijke vorm een natuurding is, heeft zij een bepaalde stof nodig, namelijk vlees en beenderen, die in de definitie van mens moeten worden opgenomen, zoals de Filosoof bewijst in het 7e boek der Metaphysica. Ten tweede zou dat ook te kort doen aan de waarheid van wat Christus in dat lichaam deed. Want omdat een hemels lichaam niet kan lijden en vergaan, zoals in het 1e boek Over de Hemel (8e Hoofdstuk, n. 4 en 5) wordt bewezen, zou Gods Zoon, als Hij een hemels lichaam had aangenomen, niet werkelijk honger en dorst hebben gehad, noch lijden en dood ondergaan. Ten derde doet dit ook aan de goddelijke waarachtigheid te kort. Want toen Gods Zoon zich aan de mensen vertoonde alsof Hij een vleeselijk en aardsch lichaam had, zou dit een valse vertoon zijn geweest, als Hij een hemels had gehad. En daarom wordt in het boek Over de Leerstukken der Kerk (2e Hoofdstuk) gezegd: "Toen Gods Zoon werd geboren, nam Hij het vlees uit het lichaam der Maagd, en bracht het niet uit de hemel mee".
Mijn antwoord. Uit dezelfde redenen, waarmee is aangetoond (in 't vorige Artikel), dat Christus geen schijnlichaam moest hebben, blijkt, dat het niet hemels moest zijn. Want ten eerste wordt, zoals de ware menselijke natuur niet in Christus bewaard blijft, als Hij een schijnlichaam heeft, zoals Manichaeus beweerde, ze evenmin bewaard als men een hemels lichaam aanneemt als Valentinus. Want omdat de menselijke vorm een natuurding is, heeft zij een bepaalde stof nodig, namelijk vlees en beenderen, die in de definitie van mens moeten worden opgenomen, zoals de Filosoof bewijst in het 7e boek der Metaphysica. Ten tweede zou dat ook te kort doen aan de waarheid van wat Christus in dat lichaam deed. Want omdat een hemels lichaam niet kan lijden en vergaan, zoals in het 1e boek Over de Hemel (8e Hoofdstuk, n. 4 en 5) wordt bewezen, zou Gods Zoon, als Hij een hemels lichaam had aangenomen, niet werkelijk honger en dorst hebben gehad, noch lijden en dood ondergaan. Ten derde doet dit ook aan de goddelijke waarachtigheid te kort. Want toen Gods Zoon zich aan de mensen vertoonde alsof Hij een vleeselijk en aardsch lichaam had, zou dit een valse vertoon zijn geweest, als Hij een hemels had gehad. En daarom wordt in het boek Over de Leerstukken der Kerk (2e Hoofdstuk) gezegd: "Toen Gods Zoon werd geboren, nam Hij het vlees uit het lichaam der Maagd, en bracht het niet uit de hemel mee".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. In dubbele zin zegt men, dat Christus uit de hemel nederdaalde. Ten eerste om de goddelijke natuur; niet zo dat de goddelijke natuur in de hemel niet meer was, maar omdat Zij omlaag op nieuwe wijze begon te bestaan, nl. naar de aangenomen natuur volgens het woord van Johannes (3, 13): "Niemand stijgt op ten hemel tenzij Die van de hemel is neergedaald, de mensenzoon, die in de hemel is". Ten tweede om het lichaam; niet omdat het lichaam van Christus zelf naar zijn zelfstandigheid van de hemel is neergedaald, maar omdat het door goddelijke kracht, nl. van de H. Geest is gevormd. Daarom zegt Augustinus, als hij Orosius de aangehaalde tekst uitlegt: "Ik noem Christus hemels, omdat Hij niet uit menselijk zaad is ontvangen". Zo ook legt Hilarius het uit in het boek Over de Drievuldigheid.
B: (John 3:13) [b:John 3:13]
1e Weerlegging. In dubbele zin zegt men, dat Christus uit de hemel nederdaalde. Ten eerste om de goddelijke natuur; niet zo dat de goddelijke natuur in de hemel niet meer was, maar omdat Zij omlaag op nieuwe wijze begon te bestaan, nl. naar de aangenomen natuur volgens het woord van Johannes (3, 13): "Niemand stijgt op ten hemel tenzij Die van de hemel is neergedaald, de mensenzoon, die in de hemel is". Ten tweede om het lichaam; niet omdat het lichaam van Christus zelf naar zijn zelfstandigheid van de hemel is neergedaald, maar omdat het door goddelijke kracht, nl. van de H. Geest is gevormd. Daarom zegt Augustinus, als hij Orosius de aangehaalde tekst uitlegt: "Ik noem Christus hemels, omdat Hij niet uit menselijk zaad is ontvangen". Zo ook legt Hilarius het uit in het boek Over de Drievuldigheid.
B: (John 3:13) [b:John 3:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Vlees en bloed moet men hier niet opvatten als de zelfstandigheid van vlees en bloed, maar als hun bedorvenheid. En die was in Christus niet wat de schuld betreft. Tijdelijk was zij er wat de straf betreft, opdat Hij het werk van onze verlossing zou voltooien.
2e Weerlegging. Vlees en bloed moet men hier niet opvatten als de zelfstandigheid van vlees en bloed, maar als hun bedorvenheid. En die was in Christus niet wat de schuld betreft. Tijdelijk was zij er wat de straf betreft, opdat Hij het werk van onze verlossing zou voltooien.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Het strekt juist tot Gods grootste eer, dat Hij een zwak en aards lichaam tot zo’n heerlijkheid verheft. Daarom lezen wij in het Concilie van Ephese wat de H. Theophilus zegt: "Zoals de beste kunstenaars niet alleen bewonderd worden, als zij hun kunst tonen in kostbare stoffen, maar veel meer geprezen worden als zij het vermogen van hun vaardigheid tonen, bij het gebruik van het minste slijk en losse aarde, zo nam de hoogste van alle kunstenaars, Gods Woord, niet de kostbare stof van een hemels lichaam aan bij zijn komst tot ons, maar toonde de grootheid van zijn kunst in het slijk".
3e Weerlegging. Het strekt juist tot Gods grootste eer, dat Hij een zwak en aards lichaam tot zo’n heerlijkheid verheft. Daarom lezen wij in het Concilie van Ephese wat de H. Theophilus zegt: "Zoals de beste kunstenaars niet alleen bewonderd worden, als zij hun kunst tonen in kostbare stoffen, maar veel meer geprezen worden als zij het vermogen van hun vaardigheid tonen, bij het gebruik van het minste slijk en losse aarde, zo nam de hoogste van alle kunstenaars, Gods Woord, niet de kostbare stof van een hemels lichaam aan bij zijn komst tot ons, maar toonde de grootheid van zijn kunst in het slijk".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Nam Gods Zoon een ziel aan?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 76 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 76 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 5 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon geen ziel aannam. Want als Johannes het geheim van de menswording meedeelt, zegt hij (1, 14): "Het Woord is vlees geworden", zonder melding te maken van de ziel. Maar men spreekt niet van vlees worden, omdat Hij in vlees veranderd is, maar omdat Hij vlees heeft aangenomen. Daarom schijnt Hij geen ziel aangenomen te hebben.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
IIIa q. 76 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 76 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 5 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon geen ziel aannam. Want als Johannes het geheim van de menswording meedeelt, zegt hij (1, 14): "Het Woord is vlees geworden", zonder melding te maken van de ziel. Maar men spreekt niet van vlees worden, omdat Hij in vlees veranderd is, maar omdat Hij vlees heeft aangenomen. Daarom schijnt Hij geen ziel aangenomen te hebben.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De ziel is nodig voor het lichaam om het levend te maken. Maar het schijnt, dat zij hiervoor bij Christus’ lichaam niet nodig was, want Hij is Gods Woord, waarvan in de Psalm (35, 10) wordt gezegd: "Heer, bij U is de bron van het leven". Het schijnt dus overbodig, dat de ziel is, waar het Woord aanwezig is. Nu "doen God noch de natuur iets overbodigs", zoals de filosoof zegt in het 1e boek Over de Hemel. Daarom schijnt Gods Zoon geen ziel aangenomen te hebben.
B: (Ps 35:10) [b:Ps 35:10]
Vervolgens. De ziel is nodig voor het lichaam om het levend te maken. Maar het schijnt, dat zij hiervoor bij Christus’ lichaam niet nodig was, want Hij is Gods Woord, waarvan in de Psalm (35, 10) wordt gezegd: "Heer, bij U is de bron van het leven". Het schijnt dus overbodig, dat de ziel is, waar het Woord aanwezig is. Nu "doen God noch de natuur iets overbodigs", zoals de filosoof zegt in het 1e boek Over de Hemel. Daarom schijnt Gods Zoon geen ziel aangenomen te hebben.
B: (Ps 35:10) [b:Ps 35:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Uit de vereniging van de ziel met het lichaam wordt de gemeenschappelijke natuur, die de menselijke soort is, gevormd. Maar, zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.) zegt, "moeten wij in Christus geen gemeenschappelijke natuur aannemen". Dus heeft Hij geen ziel aangenomen.
Vervolgens. Uit de vereniging van de ziel met het lichaam wordt de gemeenschappelijke natuur, die de menselijke soort is, gevormd. Maar, zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.) zegt, "moeten wij in Christus geen gemeenschappelijke natuur aannemen". Dus heeft Hij geen ziel aangenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over de Strijd van de Christen (21e H.): "Laten wij niet naar hen luisteren, die zeggen, dat alleen een menselijk lichaam door het Woord Gods is aangenomen, en die wat gezegd is: "Het Woord is vleesgeworden", zo verstaan, dat zij ontkennen, dat die mens een ziel of iets anders menselijks had dan alleen het vlees".
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over de Strijd van de Christen (21e H.): "Laten wij niet naar hen luisteren, die zeggen, dat alleen een menselijk lichaam door het Woord Gods is aangenomen, en die wat gezegd is: "Het Woord is vleesgeworden", zo verstaan, dat zij ontkennen, dat die mens een ziel of iets anders menselijks had dan alleen het vlees".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals Augustinus in het boek Over de Ketterijen zegt, was het eerst de mening van Arius en later van Apollinaris, dat Gods Zoon alleen het vlees aannam zonder de ziel, omdat zij beweerden, dat het Woord in de plaats van de ziel kwam. Hieruit volgde, dat er in Christus geen twee naturen waren, maar slechts een; want uit ziel en lichaam wordt een menselijke natuur gevormd. Deze bewering houdt echter om drie redenen geen stand. Vooreerst omdat zij strijdt met het gezag van de Schrift, waarin de Heer van zijn ziel melding maakt: "Mijn ziel is bedroefd tot de dood toe", Matth. (26, 38) en Joh. (10, 18): "Ik heb macht om mijn ziel af te leggen". Hierop antwoordde Apollinaris echter, dat bij die woorden de ziel zinnebeeldig werd opgevat, zoals in het Oude Verbond Gods ziel wordt vermeld, Isaïas (1, 14): "Uw maandfeesten en plechtigheden haat mijn ziel". De Evangelisten echter vermelden, zoals Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken, in het evangelieverhaal, dat Jesus zich verwonderde en vertoornd en bedroefd werd en honger had. En deze dingen maken op die manier duidelijk, dat Hij een ziel had, zoals men bewijst, dat Hij een echt menselijk lichaam had uit het feit, dat Hij at en sliep en vermoeid was. Anders gaat, als men ook dit tot beeldspraak terug brengt, omdat in het Oude Verbond dergelijke dingen van God worden gezegd, de oprechtheid van het Evangelieverhaal verloren. Want het is iets anders of iets profetisch wordt aangekondigd, of naar de werkelijkheid door de Evangelisten als geschied wordt vermeld. Ten tweede doet de genoemde dwaling te kort aan het nut der menswording, nl. de bevrijding van de mens. Want zoals Augustinus in het boek Tegen Felicianus (13e H.) redeneert, "als Gods Zoon het vlees aannam en de ziel heeft weggelaten, was het ofwel omdat Hij haar onschuldig achtte en dus meende, dat zij geen geneesmiddel nodig had, of omdat Hij haar als iets vreemds beschouwde en dus de weldaad der verlossing niet schonk, of haar niet te redden oordeelde en haar niet kon genezen, of haar verwierp als minderwaardig en voor geen enkel doel geschikt. In twee van deze veronderstellingen ligt een vloek tegen God opgesloten. Hoe zou Hij almachtig worden genoemd als Hij aan de ziel wanhoopte en haar niet kon redden? Of hoe zou Hij de God van alles zijn, als Hij niet zelf onze ziel had gemaakt? Wat de twee anderen betreft, in de ene weet men niet, hoe het met de ziel was gesteld, en in de andere houdt men geen rekening met haar waarde. Of zou men menen, dat hij van de toestand op de hoogte was, die de ziel wil losmaken van de zonde der vrijwillige overtreding, terwijl in haar een verstand is gelegd, dat de wet kan ontvangen? Of hoe zou hij haar waarde kennen, die zegt dat zij veracht is om de smet van haar gemeenheid? Let men op haar oorsprong, dan is de zelfstandigheid der ziel zoveel te kostbaarder; let men op de schuld van haar overtreding, dan is haar zaak erger om haar verstand. Maar ik weet, dat Christus de volmaakte wijsheid is, en twijfel niet, dat Hij de meest liefdevolle is; en om de eerste reden heeft Hij de ziel, die beter en tot rede in staat is, niet veracht, en om de tweede heeft Hij haar, die meer gewond was, aangenomen". Ten derde is deze bewering tegen de waarheid der menswording zelf. Want het vlees en de andere delen van de mens behoren door de ziel tot een bepaald soort. Als dus de ziel verdwijnt, zijn er alleen in oneigenlijke zin beenderen en vlees, zoals de Filosoof bewijst in het 2e boek Over de Ziel en het 7e Over de Metaphysiek.
B: (Isa 1:14) [b:Isa 1:14] (Matt 26:38) [b:Matt 26:38] (John 10:18, John 10:18) [b:John 10:18]
Mijn antwoord. Zoals Augustinus in het boek Over de Ketterijen zegt, was het eerst de mening van Arius en later van Apollinaris, dat Gods Zoon alleen het vlees aannam zonder de ziel, omdat zij beweerden, dat het Woord in de plaats van de ziel kwam. Hieruit volgde, dat er in Christus geen twee naturen waren, maar slechts een; want uit ziel en lichaam wordt een menselijke natuur gevormd. Deze bewering houdt echter om drie redenen geen stand. Vooreerst omdat zij strijdt met het gezag van de Schrift, waarin de Heer van zijn ziel melding maakt: "Mijn ziel is bedroefd tot de dood toe", Matth. (26, 38) en Joh. (10, 18): "Ik heb macht om mijn ziel af te leggen". Hierop antwoordde Apollinaris echter, dat bij die woorden de ziel zinnebeeldig werd opgevat, zoals in het Oude Verbond Gods ziel wordt vermeld, Isaïas (1, 14): "Uw maandfeesten en plechtigheden haat mijn ziel". De Evangelisten echter vermelden, zoals Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken, in het evangelieverhaal, dat Jesus zich verwonderde en vertoornd en bedroefd werd en honger had. En deze dingen maken op die manier duidelijk, dat Hij een ziel had, zoals men bewijst, dat Hij een echt menselijk lichaam had uit het feit, dat Hij at en sliep en vermoeid was. Anders gaat, als men ook dit tot beeldspraak terug brengt, omdat in het Oude Verbond dergelijke dingen van God worden gezegd, de oprechtheid van het Evangelieverhaal verloren. Want het is iets anders of iets profetisch wordt aangekondigd, of naar de werkelijkheid door de Evangelisten als geschied wordt vermeld. Ten tweede doet de genoemde dwaling te kort aan het nut der menswording, nl. de bevrijding van de mens. Want zoals Augustinus in het boek Tegen Felicianus (13e H.) redeneert, "als Gods Zoon het vlees aannam en de ziel heeft weggelaten, was het ofwel omdat Hij haar onschuldig achtte en dus meende, dat zij geen geneesmiddel nodig had, of omdat Hij haar als iets vreemds beschouwde en dus de weldaad der verlossing niet schonk, of haar niet te redden oordeelde en haar niet kon genezen, of haar verwierp als minderwaardig en voor geen enkel doel geschikt. In twee van deze veronderstellingen ligt een vloek tegen God opgesloten. Hoe zou Hij almachtig worden genoemd als Hij aan de ziel wanhoopte en haar niet kon redden? Of hoe zou Hij de God van alles zijn, als Hij niet zelf onze ziel had gemaakt? Wat de twee anderen betreft, in de ene weet men niet, hoe het met de ziel was gesteld, en in de andere houdt men geen rekening met haar waarde. Of zou men menen, dat hij van de toestand op de hoogte was, die de ziel wil losmaken van de zonde der vrijwillige overtreding, terwijl in haar een verstand is gelegd, dat de wet kan ontvangen? Of hoe zou hij haar waarde kennen, die zegt dat zij veracht is om de smet van haar gemeenheid? Let men op haar oorsprong, dan is de zelfstandigheid der ziel zoveel te kostbaarder; let men op de schuld van haar overtreding, dan is haar zaak erger om haar verstand. Maar ik weet, dat Christus de volmaakte wijsheid is, en twijfel niet, dat Hij de meest liefdevolle is; en om de eerste reden heeft Hij de ziel, die beter en tot rede in staat is, niet veracht, en om de tweede heeft Hij haar, die meer gewond was, aangenomen". Ten derde is deze bewering tegen de waarheid der menswording zelf. Want het vlees en de andere delen van de mens behoren door de ziel tot een bepaald soort. Als dus de ziel verdwijnt, zijn er alleen in oneigenlijke zin beenderen en vlees, zoals de Filosoof bewijst in het 2e boek Over de Ziel en het 7e Over de Metaphysiek.
B: (Isa 1:14) [b:Isa 1:14] (Matt 26:38) [b:Matt 26:38] (John 10:18, John 10:18) [b:John 10:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Als men zegt, "het Woord is vlees geworden", staat "vlees" daar voor de hele mens; alsof er gezegd werd "het Woord is mens geworden", zoals bij Isaïas (40, 5) wordt gezegd: "Alle vlees zal het heil van onze God zien". En nu wordt de hele mens door het vlees aangeduid, omdat, zoals in de aangehaalde tekst wordt gezegd, Gods Zoon door het vlees zichtbaar verscheen, zodat er op volgt "En wij hebben zijn heerlijkheid gezien". Ofwel omdat, zoals Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken (80e Vr.) zegt, "Gods Woord bij heel die vereniging door aanheming het voornaamste is, maar het uiterste en laagste het vlees. Omdat de Evangelist ons nu een idee wilde geven van de liefde en vernedering van God, noemde Hij het Woord en het vlees en sloeg de ziel, die lager dan het Woord en hoger dan het vlees is, over". Ook was het redelijk, dat hij het vlees noemde, dat naar het scheen minder goed kon worden aangenomen, omdat het verder van het Woord af staat.
B: (Isa 40:5) [b:Isa 40:5]
1e Weerlegging. Als men zegt, "het Woord is vlees geworden", staat "vlees" daar voor de hele mens; alsof er gezegd werd "het Woord is mens geworden", zoals bij Isaïas (40, 5) wordt gezegd: "Alle vlees zal het heil van onze God zien". En nu wordt de hele mens door het vlees aangeduid, omdat, zoals in de aangehaalde tekst wordt gezegd, Gods Zoon door het vlees zichtbaar verscheen, zodat er op volgt "En wij hebben zijn heerlijkheid gezien". Ofwel omdat, zoals Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken (80e Vr.) zegt, "Gods Woord bij heel die vereniging door aanheming het voornaamste is, maar het uiterste en laagste het vlees. Omdat de Evangelist ons nu een idee wilde geven van de liefde en vernedering van God, noemde Hij het Woord en het vlees en sloeg de ziel, die lager dan het Woord en hoger dan het vlees is, over". Ook was het redelijk, dat hij het vlees noemde, dat naar het scheen minder goed kon worden aangenomen, omdat het verder van het Woord af staat.
B: (Isa 40:5) [b:Isa 40:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Het Woord is de levensbron als eerste werkende oorzaak van het leven. Maar de ziel is het levensbeginsel van het lichaam als zijn vorm. Nu is de vorm datgene wat de werkende oorzaak maakt. Daarom zou men uit de tegenwoordigheid van het Woord eerder kunnen besluiten, dat het lichaam bezield was, zoals men uit de tegenwoordigheid van het vuur kan besluiten, dat het lichaam, waarin het vuur is, warm is.
2e Weerlegging. Het Woord is de levensbron als eerste werkende oorzaak van het leven. Maar de ziel is het levensbeginsel van het lichaam als zijn vorm. Nu is de vorm datgene wat de werkende oorzaak maakt. Daarom zou men uit de tegenwoordigheid van het Woord eerder kunnen besluiten, dat het lichaam bezield was, zoals men uit de tegenwoordigheid van het vuur kan besluiten, dat het lichaam, waarin het vuur is, warm is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Het is niet ongepast en zelfs noodzakelijk te zeggen, dat er in Christus een natuur was, die door de bij het lichaam komende ziel werd gevormd. Damascenus echter ontkent, dat er in Christus een gemeenschappelijke natuur was als een derde ding, dat ontstond uit de vereniging van Godheid en mensheid.
3e Weerlegging. Het is niet ongepast en zelfs noodzakelijk te zeggen, dat er in Christus een natuur was, die door de bij het lichaam komende ziel werd gevormd. Damascenus echter ontkent, dat er in Christus een gemeenschappelijke natuur was als een derde ding, dat ontstond uit de vereniging van Godheid en mensheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Nam Gods Zoon een menselijke geest of verstand aan?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 11 a. 3 s. c.[t:iiia q. 11 a. 3 s. c.]
IIIa q. 5 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon geen menselijk geest of verstand aannem. Want waar een ding zelf aanwezig is, is zijn beeld niet nodig. Maar de mens is naar zijn verstand als een beeld van God, zoals Augustinus zegt in het 14e boek *Over de Drievuldigheid* (3e en 8e H.). Omdat nu in Christus het goddelijk Woord zelf aanwezig was, behoefde er geen menselijk verstand te zijn.
IIIa q. 11 a. 3 s. c.[t:iiia q. 11 a. 3 s. c.]
IIIa q. 5 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon geen menselijk geest of verstand aannem. Want waar een ding zelf aanwezig is, is zijn beeld niet nodig. Maar de mens is naar zijn verstand als een beeld van God, zoals Augustinus zegt in het 14e boek *Over de Drievuldigheid* (3e en 8e H.). Omdat nu in Christus het goddelijk Woord zelf aanwezig was, behoefde er geen menselijk verstand te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Een groter licht doet een kleiner verduisteren. Maar Gods Woord, dat "het licht is, dat iedere mens, die in de wereld komt verlicht", zoals bij Johannes (1, 9) wordt gezegd, wordt met de geest vergeleken als het grotere licht met het kleinere, want ook de geest zelf is een licht, als een lamp die ontstoken is door het eerste licht: "Een lamp des Heren is de geest van de mens", (boek der Spreuken, 10, 27). Daarom was in Christus, die Gods Woord is, geen menselijke geest nodig.
B: (Prov 20:27) [b:Prov 20:27] (John 1:9) [b:John 1:9]
Vervolgens. Een groter licht doet een kleiner verduisteren. Maar Gods Woord, dat "het licht is, dat iedere mens, die in de wereld komt verlicht", zoals bij Johannes (1, 9) wordt gezegd, wordt met de geest vergeleken als het grotere licht met het kleinere, want ook de geest zelf is een licht, als een lamp die ontstoken is door het eerste licht: "Een lamp des Heren is de geest van de mens", (boek der Spreuken, 10, 27). Daarom was in Christus, die Gods Woord is, geen menselijke geest nodig.
B: (Prov 20:27) [b:Prov 20:27] (John 1:9) [b:John 1:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Het aannemen van de menselijke natuur door Gods Woord wordt Zijn vleeswording genoemd. Maar het verstand of de menselijke geest, is noch vlees noch de daad van het vlees, omdat de daad van geen enkel lichaam is, zoals in het 3e boek Over de Ziel (4e H., n. 4) bewezen wordt. Daarom schijnt Gods Zoon geen menselijke geest te hebben aangenomen.
Vervolgens. Het aannemen van de menselijke natuur door Gods Woord wordt Zijn vleeswording genoemd. Maar het verstand of de menselijke geest, is noch vlees noch de daad van het vlees, omdat de daad van geen enkel lichaam is, zoals in het 3e boek Over de Ziel (4e H., n. 4) bewezen wordt. Daarom schijnt Gods Zoon geen menselijke geest te hebben aangenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het boek Over het Geloof aan Petrus (14e H.): "Wees er zo vast mogelijk van overtuigd, en twijfel er helemaal niet aan, dat Christus, Gods Zoon, het vlees van onze soort heeft en een redelijke ziel. Want Hij zegt van zijn Vlees: "Betast en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb", (Lucas, het laatste hoofdstuk, 1, 39). En Hij toont ook, dat Hij een ziel heeft als Hij zegt: "Ik leg mijn ziel af en Ik neem haar weer aan", (Joannes, 10, 17). En Hij toont ook, dat Hij een verstand heeft, als Hij zegt: "Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Matthaeus, 11, 29). En van Hem zegt de Heer door de profeet: "Ziet, mijn dienaar zal het begrijpen" (Isaias, 52, 13).
B: (Isa 52:13) [b:Isa 52:13] (Matt 11:29) [b:Matt 11:29] (Luke 24:39) [b:Luke 24:39] (John 10:17, John 10:17) [b:John 10:17]
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in het boek Over het Geloof aan Petrus (14e H.): "Wees er zo vast mogelijk van overtuigd, en twijfel er helemaal niet aan, dat Christus, Gods Zoon, het vlees van onze soort heeft en een redelijke ziel. Want Hij zegt van zijn Vlees: "Betast en ziet, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb", (Lucas, het laatste hoofdstuk, 1, 39). En Hij toont ook, dat Hij een ziel heeft als Hij zegt: "Ik leg mijn ziel af en Ik neem haar weer aan", (Joannes, 10, 17). En Hij toont ook, dat Hij een verstand heeft, als Hij zegt: "Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart" (Matthaeus, 11, 29). En van Hem zegt de Heer door de profeet: "Ziet, mijn dienaar zal het begrijpen" (Isaias, 52, 13).
B: (Isa 52:13) [b:Isa 52:13] (Matt 11:29) [b:Matt 11:29] (Luke 24:39) [b:Luke 24:39] (John 10:17, John 10:17) [b:John 10:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals Augustinus zegt in het boek Over de Ketterijen, "wijken de volgelingen van Apollinaris van de Katholieke Kerk af, wat de ziel van Christus betreft, omdat zij als de Arianen zeggen, dat Christus alleen het vlees zonder een ziel heeft aangenomen. En als zij in deze kwestie door de getuigenissen van het Evangelie weerlegd worden, zeggen zij, dat Christus' ziel geen geest heeft gehad, maar dat in plaats daarvan het Woord zelf in haar is geweest". Maar deze stelling wordt met dezelfde redenen weerlegd als de vorige. Want ten eerste strijdt dit met het Evangelieverhaal, dat vermeldt, dat Hij zich verwonderd heeft, als blijkt uit Mattheus (8, 10). Maar zonder verstand kan er geen verwondering zijn, omdat dit een vergelijking van oorzaak en gevolg meebrengt, als iemand namelijk een gevolg ziet, waarvan hij de oorzaak niet kent en zoekt, zoals in het begin van de boeken over de Metaphysiek wordt gezegd. Ten tweede strijdt dit met het nut van de menswording, namelijk de rechtvaardiging van de mens uit de zonde. Want de ziel is niet in staat om te zondigen of de heiligmakende genade te ontvangen tenzij door de geest. En daarom moet vooral de menselijke geest worden aangenomen. Daarom ook zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.), dat "Gods Woord een lichaam en een verstandelijke en redelijke ziel aannam", en verderop voegt hij er bij "Geheel en al is Hij met het geheel verenigd, opdat Hij aan mijn hele ik het heil zonder verdiensten zou geven, (dwz. mij aan God welgevallig zou maken), want wat niet aangenomen kan worden, is ongeneeslijk". Ten derde is dit in strijd met de waarheid van de menswording. Want omdat het lichaam aan de ziel beantwoordt als de stof aan haar eigen vorm, is er geen echt menselijk vlees als dit niet vervolmaakt is door een menselijke, dwz. redelijke ziel. Had dus Christus een ziel zonder een geest gehad, dan zou Hij geen echt menselijk vlees, maar het vlees van een dier hebben gehad, want onze ziel verschilt alleen door de geest van een dierenziel. Daarom zegt Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken (80e Vr.), dat uit deze dwaling zou volgen, "dat Gods Zoon een dier met de vorm van een menselijk lichaam had aangenomen". En dat strijdt weer met de goddelijke waarachtigheid, die geen enkele onwaarheid en bedrog toelaat.
B: (Matt 8:10) [b:Matt 8:10]
Mijn antwoord. Zoals Augustinus zegt in het boek Over de Ketterijen, "wijken de volgelingen van Apollinaris van de Katholieke Kerk af, wat de ziel van Christus betreft, omdat zij als de Arianen zeggen, dat Christus alleen het vlees zonder een ziel heeft aangenomen. En als zij in deze kwestie door de getuigenissen van het Evangelie weerlegd worden, zeggen zij, dat Christus' ziel geen geest heeft gehad, maar dat in plaats daarvan het Woord zelf in haar is geweest". Maar deze stelling wordt met dezelfde redenen weerlegd als de vorige. Want ten eerste strijdt dit met het Evangelieverhaal, dat vermeldt, dat Hij zich verwonderd heeft, als blijkt uit Mattheus (8, 10). Maar zonder verstand kan er geen verwondering zijn, omdat dit een vergelijking van oorzaak en gevolg meebrengt, als iemand namelijk een gevolg ziet, waarvan hij de oorzaak niet kent en zoekt, zoals in het begin van de boeken over de Metaphysiek wordt gezegd. Ten tweede strijdt dit met het nut van de menswording, namelijk de rechtvaardiging van de mens uit de zonde. Want de ziel is niet in staat om te zondigen of de heiligmakende genade te ontvangen tenzij door de geest. En daarom moet vooral de menselijke geest worden aangenomen. Daarom ook zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.), dat "Gods Woord een lichaam en een verstandelijke en redelijke ziel aannam", en verderop voegt hij er bij "Geheel en al is Hij met het geheel verenigd, opdat Hij aan mijn hele ik het heil zonder verdiensten zou geven, (dwz. mij aan God welgevallig zou maken), want wat niet aangenomen kan worden, is ongeneeslijk". Ten derde is dit in strijd met de waarheid van de menswording. Want omdat het lichaam aan de ziel beantwoordt als de stof aan haar eigen vorm, is er geen echt menselijk vlees als dit niet vervolmaakt is door een menselijke, dwz. redelijke ziel. Had dus Christus een ziel zonder een geest gehad, dan zou Hij geen echt menselijk vlees, maar het vlees van een dier hebben gehad, want onze ziel verschilt alleen door de geest van een dierenziel. Daarom zegt Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken (80e Vr.), dat uit deze dwaling zou volgen, "dat Gods Zoon een dier met de vorm van een menselijk lichaam had aangenomen". En dat strijdt weer met de goddelijke waarachtigheid, die geen enkele onwaarheid en bedrog toelaat.
B: (Matt 8:10) [b:Matt 8:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Waar een ding zelf aanwezig is door zijn tegenwoordigheid, is zijn beeld niet nodig om de plaats van het ding in te nemen, zoals de soldaten, waar de keizer was, zijn beeld niet vereerden. Maar bij de tegenwoordigheid van een ding wordt zijn beeld vereist, om door de aanwezigheid van het ding zelf vervolmaakt te worden, zoals het beeld in de was wordt gemaakt door het indrukken van het zegel, en het beeld van de mens in een spiegel ontstaat door zijn aanwezigheid. Daarom was het voor de vervolmaking van de menselijke geest nodig, dat het Woord hem met zich verenigde.
1e Weerlegging. Waar een ding zelf aanwezig is door zijn tegenwoordigheid, is zijn beeld niet nodig om de plaats van het ding in te nemen, zoals de soldaten, waar de keizer was, zijn beeld niet vereerden. Maar bij de tegenwoordigheid van een ding wordt zijn beeld vereist, om door de aanwezigheid van het ding zelf vervolmaakt te worden, zoals het beeld in de was wordt gemaakt door het indrukken van het zegel, en het beeld van de mens in een spiegel ontstaat door zijn aanwezigheid. Daarom was het voor de vervolmaking van de menselijke geest nodig, dat het Woord hem met zich verenigde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Een groter licht doet het kleinere licht van een ander verlichtend lichaam verdwijnen, maar het licht van een verlicht lichaam wordt niet uitgedoofd, maar vervolmaakt. Want als de zon er is, verduistert het licht van de sterren, maar het licht van het uitspansel wordt vervolmaakt. Nu is de geest of het verstand van de mens als een licht, dat door het licht van Gods Woord wordt verlicht, en dus wordt het licht van de menselijke geest door Gods Woord niet verborgen, maar vervolmaakt.
2e Weerlegging. Een groter licht doet het kleinere licht van een ander verlichtend lichaam verdwijnen, maar het licht van een verlicht lichaam wordt niet uitgedoofd, maar vervolmaakt. Want als de zon er is, verduistert het licht van de sterren, maar het licht van het uitspansel wordt vervolmaakt. Nu is de geest of het verstand van de mens als een licht, dat door het licht van Gods Woord wordt verlicht, en dus wordt het licht van de menselijke geest door Gods Woord niet verborgen, maar vervolmaakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 5 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Al is het verstandsvermogen geen act van een lichaam, toch is het nodig, dat de menselijke geest, die de vorm van het lichaam is, om te kunnen begrijpen, edeler is. En daarom is het nodig, dat een beter geordend lichaam eraan beantwoordt.
3e Weerlegging. Al is het verstandsvermogen geen act van een lichaam, toch is het nodig, dat de menselijke geest, die de vorm van het lichaam is, om te kunnen begrijpen, edeler is. En daarom is het nodig, dat een beter geordend lichaam eraan beantwoordt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 6: Over de volgorde bij het aannemen
IIIa q. 6 pr.
Vervolgens moeten wij de volgorde bij de bovengenoemde aanneming beschouwen, en hieromtrent stellen wij ons zes vragen:
1. Nam Gods Zoon het vlees aan door middel van de ziel?
2. Nam Hij de ziel door middel van de geest of het verstand aan?
3. Werd de ziel van Christus eerder door het Woord aangenomen dan het vlees?
4. Werd het vlees door het Woord aangenomen voordat het met de ziel was verenigd?
5. Werd de gehele menselijke natuur aangenomen door middel van de delen?
6. Werd zij aangenomen door middel van de genade?
Vervolgens moeten wij de volgorde bij de bovengenoemde aanneming beschouwen, en hieromtrent stellen wij ons zes vragen:
1. Nam Gods Zoon het vlees aan door middel van de ziel?
2. Nam Hij de ziel door middel van de geest of het verstand aan?
3. Werd de ziel van Christus eerder door het Woord aangenomen dan het vlees?
4. Werd het vlees door het Woord aangenomen voordat het met de ziel was verenigd?
5. Werd de gehele menselijke natuur aangenomen door middel van de delen?
6. Werd zij aangenomen door middel van de genade?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Nam Gods Zoon het vlees aan door middel van de ziel?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 6 a. 2 co.
IIIa q. 6 a. 3 arg. 1
IIIa q. 6 a. 3 ad 1
IIIa q. 8 a. 2 co.
IIIa q. 33 a. 2 co.
IIIa q. 50 a. 2 arg. 2
IIIa q. 50 a. 3 co.[t:iiia q. 6 a. 2 co.][t:iiia q. 6 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 6 a. 3 ad 1][t:iiia q. 8 a. 2 co.][t:iiia q. 33 a. 2 co.][t:iiia q. 50 a. 2 arg. 2][t:iiia q. 50 a. 3 co.]
IIIa q. 6 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon het vlees niet aannam door middel van de ziel. Want de wijze, waarop Gods Zoon met de menselijke natuur en haar delen verenigd is, is volmaakter dan die, waardoor Hij in alle schepsels is. Nu is Hij onmiddellijk in de schepsels door Zijn wezen, tegenwoordigheid en macht. Dus is Gods Zoon nog veel meer met het vlees verenigd en niet door middel van de ziel.
IIIa q. 6 a. 2 co.
IIIa q. 6 a. 3 arg. 1
IIIa q. 6 a. 3 ad 1
IIIa q. 8 a. 2 co.
IIIa q. 33 a. 2 co.
IIIa q. 50 a. 2 arg. 2
IIIa q. 50 a. 3 co.[t:iiia q. 6 a. 2 co.][t:iiia q. 6 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 6 a. 3 ad 1][t:iiia q. 8 a. 2 co.][t:iiia q. 33 a. 2 co.][t:iiia q. 50 a. 2 arg. 2][t:iiia q. 50 a. 3 co.]
IIIa q. 6 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon het vlees niet aannam door middel van de ziel. Want de wijze, waarop Gods Zoon met de menselijke natuur en haar delen verenigd is, is volmaakter dan die, waardoor Hij in alle schepsels is. Nu is Hij onmiddellijk in de schepsels door Zijn wezen, tegenwoordigheid en macht. Dus is Gods Zoon nog veel meer met het vlees verenigd en niet door middel van de ziel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Ziel en Vlees zijn met Gods Woord verenigd in eenheid van hypostase of persoon. Nu behoort het lichaam onmiddellijk tot de hypostase of persoon van de mens evenals de ziel. En zelfs schijnt het lichaam nog nauwer in verband te staan met de hypostase van de mens, omdat het de stof is, dan de ziel, die de vorm is; want het beginsel van een eenling te zijn, wat in het woord hypostase ligt opgesloten, is de stof. Dus nam Gods Zoon het vlees niet aan door middel van de ziel.
Vervolgens. Ziel en Vlees zijn met Gods Woord verenigd in eenheid van hypostase of persoon. Nu behoort het lichaam onmiddellijk tot de hypostase of persoon van de mens evenals de ziel. En zelfs schijnt het lichaam nog nauwer in verband te staan met de hypostase van de mens, omdat het de stof is, dan de ziel, die de vorm is; want het beginsel van een eenling te zijn, wat in het woord hypostase ligt opgesloten, is de stof. Dus nam Gods Zoon het vlees niet aan door middel van de ziel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Als men het verbindingsmiddel weeneemt, worden de dingen, die door het middel worden verbonden, gescheiden; zoals de kleur van het lichaam zou verdwijnen, als men het oppervlak weeneemt, omdat de kleur in het lichaam is door het oppervlak. Maar als de ziel door de dood afgescheiden wordt, blijft nog de vereniging van het Woord met het lichaam, zoals later zal blijken (50° Kw., 2° Art.). Dus is het Woord niet met het lichaam verenigd door de ziel.
R: q. 50 a. 2[t:iiia q. 50 a. 2] q. 50 a. 3[t:iiia q. 50 a. 3]
Vervolgens. Als men het verbindingsmiddel weeneemt, worden de dingen, die door het middel worden verbonden, gescheiden; zoals de kleur van het lichaam zou verdwijnen, als men het oppervlak weeneemt, omdat de kleur in het lichaam is door het oppervlak. Maar als de ziel door de dood afgescheiden wordt, blijft nog de vereniging van het Woord met het lichaam, zoals later zal blijken (50° Kw., 2° Art.). Dus is het Woord niet met het lichaam verenigd door de ziel.
R: q. 50 a. 2[t:iiia q. 50 a. 2] q. 50 a. 3[t:iiia q. 50 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 1 s. c.
Hiertegenover staat echter, wat Augustinus zegt in de Brief aan Volusianus (3° Br., 2° H.) : "De grootheid zelf van de goddelijke macht verenigde met zichzelf een redelijke ziel en door haar een menselijk lichaam en de gehele mens, die in iets beters moest veranderd worden".
Hiertegenover staat echter, wat Augustinus zegt in de Brief aan Volusianus (3° Br., 2° H.) : "De grootheid zelf van de goddelijke macht verenigde met zichzelf een redelijke ziel en door haar een menselijk lichaam en de gehele mens, die in iets beters moest veranderd worden".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 1 co.
Mijn antwoord. Iets wordt een middel genoemd met betrekking tot het uitgangspunt en het doel. Vandaar dat een middel evenals een uitgangspunt en een doel een orde meebrengt. Nu zijn er twee soorten van volgorden: en wel een in tijd en een ander in natuur. Wat nu de volgorde in tijd betreft, wordt er niets bij het geheim der menswording middel genoemd, omdat Gods Woord de gehele menselijke natuur tegelijk met zich verenigd heeft, zoals later zal blijken (33° Kw., 3° Art.). Maar een volgorde naar de natuur tussen verschillende dingen kan men op twee manieren vinden: ten eerste naar de graad van waardigheid, zoals wij zeggen, dat de Engelen midden tussen God en de mensen in staan; en op een andere manier naar de wijze van iets veroorzaken, zoals wij zeggen, dat de tussenoorzaak staat tussen de eerste oorzaak en het laatste gevolg. En deze tweede soort volgorde volgt enigszins uit de eerste; want zoals Dionysius zegt in het boek Over de Hemelse Hierarchiën (13° H.), "werkt God door de zelfstandigheden, die dichter bij Hem staan op hen, die verder af zijn". Letten wij nu op de graad van waardigheid, dan staat de ziel midden tussen God en het vlees. En hierdoor kan men zeggen, dat Gods Zoon het vlees met zich heeft verenigd door middel van de ziel. Maar in de orde van het veroorzaken, is de ziel zelf enigszins de oorzaak, dat het vlees met Gods Zoon werd verenigd. Want dit zou niet aangenomen kunnen worden, als het niet in verhouding stond tot de verstandelijke ziel, waardoor het juist menselijk vlees is; want boven is gezegd (4° Kw., 1° Art.), dat de menselijke natuur meer dan andere aangenomen kan worden.
R: q. 30 a. 3[t:iiia q. 30 a. 3] q. 4 a. 1[t:iiia q. 4 a. 1]
Mijn antwoord. Iets wordt een middel genoemd met betrekking tot het uitgangspunt en het doel. Vandaar dat een middel evenals een uitgangspunt en een doel een orde meebrengt. Nu zijn er twee soorten van volgorden: en wel een in tijd en een ander in natuur. Wat nu de volgorde in tijd betreft, wordt er niets bij het geheim der menswording middel genoemd, omdat Gods Woord de gehele menselijke natuur tegelijk met zich verenigd heeft, zoals later zal blijken (33° Kw., 3° Art.). Maar een volgorde naar de natuur tussen verschillende dingen kan men op twee manieren vinden: ten eerste naar de graad van waardigheid, zoals wij zeggen, dat de Engelen midden tussen God en de mensen in staan; en op een andere manier naar de wijze van iets veroorzaken, zoals wij zeggen, dat de tussenoorzaak staat tussen de eerste oorzaak en het laatste gevolg. En deze tweede soort volgorde volgt enigszins uit de eerste; want zoals Dionysius zegt in het boek Over de Hemelse Hierarchiën (13° H.), "werkt God door de zelfstandigheden, die dichter bij Hem staan op hen, die verder af zijn". Letten wij nu op de graad van waardigheid, dan staat de ziel midden tussen God en het vlees. En hierdoor kan men zeggen, dat Gods Zoon het vlees met zich heeft verenigd door middel van de ziel. Maar in de orde van het veroorzaken, is de ziel zelf enigszins de oorzaak, dat het vlees met Gods Zoon werd verenigd. Want dit zou niet aangenomen kunnen worden, als het niet in verhouding stond tot de verstandelijke ziel, waardoor het juist menselijk vlees is; want boven is gezegd (4° Kw., 1° Art.), dat de menselijke natuur meer dan andere aangenomen kan worden.
R: q. 30 a. 3[t:iiia q. 30 a. 3] q. 4 a. 1[t:iiia q. 4 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Men vindt een dubbele orde tussen het schepsel en God. Een, in zover de schepselen door God worden veroorzaakt en van Hem als van het beginsel van hun bestaan afhangen. En zo bereikt God door de oneindigheid van Zijn macht ieder ding onmiddellijk door het te veroorzaken en het te bewaren. En hierbij behoort het, dat God onmiddellijk in alles is door Zijn wezen, macht en tegenwoordigheid. Maar er is een andere orde, volgens welke de dingen tot God worden teruggebracht als tot hun doel. En wat dit betreft staat er iets tussen de schepselen en God: want de lagere dingen worden tot God teruggebracht door de hogere, zoals Dionysius zegt in het boek Over de Hemelse Hiërarchieën (5° H.). En tot die orde behoort het aannemen van de menselijke natuur door het Woord, dat de eindterm van het aannemen is. En daarom wordt Het door de ziel met het vlees verenigd.
1e Weerlegging. Men vindt een dubbele orde tussen het schepsel en God. Een, in zover de schepselen door God worden veroorzaakt en van Hem als van het beginsel van hun bestaan afhangen. En zo bereikt God door de oneindigheid van Zijn macht ieder ding onmiddellijk door het te veroorzaken en het te bewaren. En hierbij behoort het, dat God onmiddellijk in alles is door Zijn wezen, macht en tegenwoordigheid. Maar er is een andere orde, volgens welke de dingen tot God worden teruggebracht als tot hun doel. En wat dit betreft staat er iets tussen de schepselen en God: want de lagere dingen worden tot God teruggebracht door de hogere, zoals Dionysius zegt in het boek Over de Hemelse Hiërarchieën (5° H.). En tot die orde behoort het aannemen van de menselijke natuur door het Woord, dat de eindterm van het aannemen is. En daarom wordt Het door de ziel met het vlees verenigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Als de hypostase van Gods Woord zonder meer door de menselijke natuur werd gevormd, zou daaruit volgen, dat het vlees nauwer ermee in verband stond, omdat het de stof is, die het beginsel van een eenling te zijn is; zoals de ziel, die de soortelijke vorm is, in nauwer verband staat met de menselijke natuur. Maar omdat de hypostase eerder bestaat dan de menselijke natuur en hoger is, staat iets in de menselijke natuur nauwer ermee in verband, naarmate het hoger is. En daarom is de ziel Gods Woord nader dan het lichaam.
2e Weerlegging. Als de hypostase van Gods Woord zonder meer door de menselijke natuur werd gevormd, zou daaruit volgen, dat het vlees nauwer ermee in verband stond, omdat het de stof is, die het beginsel van een eenling te zijn is; zoals de ziel, die de soortelijke vorm is, in nauwer verband staat met de menselijke natuur. Maar omdat de hypostase eerder bestaat dan de menselijke natuur en hoger is, staat iets in de menselijke natuur nauwer ermee in verband, naarmate het hoger is. En daarom is de ziel Gods Woord nader dan het lichaam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Niets belet dat iets oorzaak van iets is wat de geschiktheid en gepastheid betreft, welke blijven ook als dat ding wordt weggenomen; want al hangt iets wat het worden betreft van iets anders af, is het toch niet afhankelijk als het eenmaal zijn bestaan heeft. Zoals de vriendschap tussen een paar mensen door bemiddeling van iemand ontstaat en toch niet verdwijnt als die persoon weggaat; en als iemand in het huwelijk treedt, om de schoonheid die een vrouw geschikt maakt voor de huwelijksvereniging, deze huwelijksvereniging toch blijft als de schoonheid verdwijnt; evenzo blijft de vereniging van Gods Woord met het vlees, als de ziel weg is.
3e Weerlegging. Niets belet dat iets oorzaak van iets is wat de geschiktheid en gepastheid betreft, welke blijven ook als dat ding wordt weggenomen; want al hangt iets wat het worden betreft van iets anders af, is het toch niet afhankelijk als het eenmaal zijn bestaan heeft. Zoals de vriendschap tussen een paar mensen door bemiddeling van iemand ontstaat en toch niet verdwijnt als die persoon weggaat; en als iemand in het huwelijk treedt, om de schoonheid die een vrouw geschikt maakt voor de huwelijksvereniging, deze huwelijksvereniging toch blijft als de schoonheid verdwijnt; evenzo blijft de vereniging van Gods Woord met het vlees, als de ziel weg is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Nam Gods Zoon de ziel aan door middel van den geest?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 33 a. 2 co.[t:iiia q. 33 a. 2 co.]
IIIa q. 6 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon de ziel niet aannam door middel van de geest. Want een en hetzelfde ding staat niet tussen zichzelf en iets anders in. Maar de geest of het verstand is naar zijn wezen niets anders dan de ziel zelf, zoals in het eerste deel is gezegd. Dus nam Gods Zoon de ziel niet aan door middel van de geest of het verstand.
R: I q. 77 a. 1 ad 1[t:ia q. 77 a. 1 ad 1]
IIIa q. 33 a. 2 co.[t:iiia q. 33 a. 2 co.]
IIIa q. 6 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon de ziel niet aannam door middel van de geest. Want een en hetzelfde ding staat niet tussen zichzelf en iets anders in. Maar de geest of het verstand is naar zijn wezen niets anders dan de ziel zelf, zoals in het eerste deel is gezegd. Dus nam Gods Zoon de ziel niet aan door middel van de geest of het verstand.
R: I q. 77 a. 1 ad 1[t:ia q. 77 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Wat middel is voor de aanneming, schijnt beter geschikt om aangenomen te worden. Maar de geest of het verstand kan niet beter aangenomen worden dan de ziel, wat hieruit blijkt, dat de engelachtige geesten niet aangenomen kunnen worden, zoals boven is gezegd (4° Kw., 1° Art.). Dus schijnt Gods Zoon de ziel niet te hebben aangenomen door de geest.
R: q. 4 a. 1[t:iiia q. 4 a. 1]
Vervolgens. Wat middel is voor de aanneming, schijnt beter geschikt om aangenomen te worden. Maar de geest of het verstand kan niet beter aangenomen worden dan de ziel, wat hieruit blijkt, dat de engelachtige geesten niet aangenomen kunnen worden, zoals boven is gezegd (4° Kw., 1° Art.). Dus schijnt Gods Zoon de ziel niet te hebben aangenomen door de geest.
R: q. 4 a. 1[t:iiia q. 4 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Wat later is, wordt door het eerste aangenomen door middel van iets, dat eerder is. Maar de ziel geeft het wezen zelf aan, dat van nature eerder is dan zijn vermogen, de geest. Dus schijnt Gods Zoon de ziel niet te hebben aangenomen door middel van de geest of het verstand.
Vervolgens. Wat later is, wordt door het eerste aangenomen door middel van iets, dat eerder is. Maar de ziel geeft het wezen zelf aan, dat van nature eerder is dan zijn vermogen, de geest. Dus schijnt Gods Zoon de ziel niet te hebben aangenomen door middel van de geest of het verstand.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 2 s. c.
Hiertegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek *Over de Strijd van de Christen* (13e H): "De onzichtbare en onveranderlijke Waarheid nam door de geest de ziel en door de ziel het lichaam aan".
Hiertegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek *Over de Strijd van de Christen* (13e H): "De onzichtbare en onveranderlijke Waarheid nam door de geest de ziel en door de ziel het lichaam aan".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals werd uiteengezet (in 't vorige Art.), zegt men dat Gods Zoon het vlees aannam door middel van de ziel, zowel om de volgorde in waardigheid als om de geschiktheid om aangenomen te worden. Beiden nu vinden wij, als wij het verstand, dat geest wordt genoemd, vergelijken met de andere delen der ziel. Want de ziel kan wat de gepastheid betreft niet aangenomen worden, tenzij hierom, dat zij God bereiken kan als naar zijn beeld bestaand; en dit is juist volgens het verstand, dat geest wordt genoemd, volgens het woord uit de *Ephesiërsbrief* (4, 23): "Vernieuw U door de geest van uw gemoed". Het verstand is eveneens onder de delen der ziel hoger en groter in waarde en aan God meer gelijk. En daarom zegt Damascenus in het 3e boek (*Over het Ware Geloof*, 6e H.): "Met het vlees is door middel van het verstand het Woord Gods verenigd; want het verstand is het zuiverste van de ziel, maar ook God is verstand".
B: (Eph 4:23) [b:Eph 4:23]
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals werd uiteengezet (in 't vorige Art.), zegt men dat Gods Zoon het vlees aannam door middel van de ziel, zowel om de volgorde in waardigheid als om de geschiktheid om aangenomen te worden. Beiden nu vinden wij, als wij het verstand, dat geest wordt genoemd, vergelijken met de andere delen der ziel. Want de ziel kan wat de gepastheid betreft niet aangenomen worden, tenzij hierom, dat zij God bereiken kan als naar zijn beeld bestaand; en dit is juist volgens het verstand, dat geest wordt genoemd, volgens het woord uit de *Ephesiërsbrief* (4, 23): "Vernieuw U door de geest van uw gemoed". Het verstand is eveneens onder de delen der ziel hoger en groter in waarde en aan God meer gelijk. En daarom zegt Damascenus in het 3e boek (*Over het Ware Geloof*, 6e H.): "Met het vlees is door middel van het verstand het Woord Gods verenigd; want het verstand is het zuiverste van de ziel, maar ook God is verstand".
B: (Eph 4:23) [b:Eph 4:23]
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Ook al is de geest als wezen niet iets anders dan de ziel, hij is toch als vermogen van de andere delen der ziel onderscheiden. En zo komt het aan hun toe middel te zijn.
1e Weerlegging. Ook al is de geest als wezen niet iets anders dan de ziel, hij is toch als vermogen van de andere delen der ziel onderscheiden. En zo komt het aan hun toe middel te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. De engelachtige geest mist de gepastheid om aangenomen te worden, niet om gebrek aan waardigheid, maar om de onherstelbaarheid van zijn val. Dat gaat niet op voor de menselijke geest, als blijkt uit wat in het eerste deel werd gezegd (64° Kw., 2° Art.).
R: I q. 62 a. 8[t:ia q. 62 a. 8] I q. 64 a. 2[t:ia q. 64 a. 2]
2e Weerlegging. De engelachtige geest mist de gepastheid om aangenomen te worden, niet om gebrek aan waardigheid, maar om de onherstelbaarheid van zijn val. Dat gaat niet op voor de menselijke geest, als blijkt uit wat in het eerste deel werd gezegd (64° Kw., 2° Art.).
R: I q. 62 a. 8[t:ia q. 62 a. 8] I q. 64 a. 2[t:ia q. 64 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Als men zegt, dat de geest staat tussen God en de ziel, betekent ziel niet het wezen der ziel, dat aan alle vermogens gemeen is, maar de lagere vermogens, die iedere ziel bezit.
3e Weerlegging. Als men zegt, dat de geest staat tussen God en de ziel, betekent ziel niet het wezen der ziel, dat aan alle vermogens gemeen is, maar de lagere vermogens, die iedere ziel bezit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Werd Christus’ ziel eerder door het Woord aangenomen dan het vlees?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 6 a. 4 arg. 2
IIIa q. 6 a. 5 co.[t:iiia q. 6 a. 4 arg. 2][t:iiia q. 6 a. 5 co.]
IIIa q. 6 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel eerder door het Woord werd aangenomen dan het vlees. Want Gods Zoon nam het vlees aan door middel van de ziel, zoals gezegd is (1° Art. dezer Kw.). Nu komt men eerder bij wat in het midden dan bij wat het uiterste is. Dus nam Gods Zoon eerder de ziel aan dan het vlees.
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1]
IIIa q. 6 a. 4 arg. 2
IIIa q. 6 a. 5 co.[t:iiia q. 6 a. 4 arg. 2][t:iiia q. 6 a. 5 co.]
IIIa q. 6 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel eerder door het Woord werd aangenomen dan het vlees. Want Gods Zoon nam het vlees aan door middel van de ziel, zoals gezegd is (1° Art. dezer Kw.). Nu komt men eerder bij wat in het midden dan bij wat het uiterste is. Dus nam Gods Zoon eerder de ziel aan dan het vlees.
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Christus’ ziel staat hoger in waarde dan de engelen volgens het Psalmwoord (96, 7): "Aanbidt hem, al zijn engelen". Maar de engelen zijn van het begin af geschapen, zoals in het eerste deel (46° Kw., 3° Art.) behandeld is. Dus ook Christus’ ziel. En deze werd niet eerder geschapen dan aangenomen; want Damascenus zegt in het 3° boek (Over het Ware Geloof, 27° H.), dat "noch de ziel noch het lichaam van Christus ooit een andere, eigen hypostase hebben gehad als de hypostase van het Woord". Dus schijnt de ziel aangenomen te zijn voor het vlees, dat ontvangen werd in de maagdelijke schoot.
B: (Ps 96:8) [b:Ps 96:8]
R: I q. 46 a. 3[t:ia q. 46 a. 3]
Vervolgens. Christus’ ziel staat hoger in waarde dan de engelen volgens het Psalmwoord (96, 7): "Aanbidt hem, al zijn engelen". Maar de engelen zijn van het begin af geschapen, zoals in het eerste deel (46° Kw., 3° Art.) behandeld is. Dus ook Christus’ ziel. En deze werd niet eerder geschapen dan aangenomen; want Damascenus zegt in het 3° boek (Over het Ware Geloof, 27° H.), dat "noch de ziel noch het lichaam van Christus ooit een andere, eigen hypostase hebben gehad als de hypostase van het Woord". Dus schijnt de ziel aangenomen te zijn voor het vlees, dat ontvangen werd in de maagdelijke schoot.
B: (Ps 96:8) [b:Ps 96:8]
R: I q. 46 a. 3[t:ia q. 46 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 3 arg. 3
Vervolgens. In het eerste hoofdstuk van Johannes (v. 14) wordt gezegd: "Wij hebben Hem gezien, vol genade en waarheid" en later volgt (v. 16): "Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen", dwz. alle gelovigen in iedere tijd, zoals Chrysostomus uitlegt. Maar dat zou niet geval zijn, als Christus de volheid van genade en waarheid niet gehad vóór alle heiligen, die er geweest zijn vanaf het ontstaan van de wereld; want de oorzaak kan niet na het veroorzaakte komen. Omdat nu de volheid van genade en waarheid in Christus’ ziel was door de vereniging met het Woord, volgens hetgeen op dezelfde plaats wordt gezegd (v. 14): "Wij hebben zijn glorie gezien als van de Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid", schijnt te volgen, dat Christus’ ziel vanaf het begin der wereld door Gods Woord is aangenomen.
B: (John 1:14) [b:John 1:14] (John 1:16) [b:John 1:16]
Vervolgens. In het eerste hoofdstuk van Johannes (v. 14) wordt gezegd: "Wij hebben Hem gezien, vol genade en waarheid" en later volgt (v. 16): "Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen", dwz. alle gelovigen in iedere tijd, zoals Chrysostomus uitlegt. Maar dat zou niet geval zijn, als Christus de volheid van genade en waarheid niet gehad vóór alle heiligen, die er geweest zijn vanaf het ontstaan van de wereld; want de oorzaak kan niet na het veroorzaakte komen. Omdat nu de volheid van genade en waarheid in Christus’ ziel was door de vereniging met het Woord, volgens hetgeen op dezelfde plaats wordt gezegd (v. 14): "Wij hebben zijn glorie gezien als van de Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid", schijnt te volgen, dat Christus’ ziel vanaf het begin der wereld door Gods Woord is aangenomen.
B: (John 1:14) [b:John 1:14] (John 1:16) [b:John 1:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 3 s. c.
Hiertegenover staat echter wat Damascenus zegt in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.): "Het verstand is niet, zoals sommigen leugenachtig beweren, voor de menswording uit de Maagd met God het Woord verenigd en van toen af aan Christus genoemd".
Hiertegenover staat echter wat Damascenus zegt in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.): "Het verstand is niet, zoals sommigen leugenachtig beweren, voor de menswording uit de Maagd met God het Woord verenigd en van toen af aan Christus genoemd".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 3 co.
Mijn antwoord. Origenes beweerde, dat alle zielen van het begin af geschapen waren, waarbij naar hij zei ook de ziel van Christus geschapen was. Maar dit, namelijk beweren, dat zij toen geschapen, maar nog niet aanstonds met het Woord verenigd was, is ongepast; want dan zou volgen, dat die ziel eenmaal een eigen zelfstandig bestaan heeft gehad zonder het Woord. En dan zou er toen zij door het Woord aangenomen werd, of geen vereniging in het zelfstandig bestaan zijn geweest, of het tevoren bestaand zelfstandig bestaan zou vernietigd zijn. Evenmin gaat het aan te beweren, dat die ziel van het begin af met het Woord was verenigd en later in de schoot der maagd mensgeworden. Want dan zou Zijn ziel niet van dezelfde natuur als de onze schijnen te zijn, die tegelijk geschapen worden als zij in de lichamen worden gestort. Daarom zegt Paus Leo in de Brief aan Julianus, dat "het vlees niet van een andere aard was dan het onze, en door geen ander beginsel dan bij andere mensen is een ziel er ingestort".
Mijn antwoord. Origenes beweerde, dat alle zielen van het begin af geschapen waren, waarbij naar hij zei ook de ziel van Christus geschapen was. Maar dit, namelijk beweren, dat zij toen geschapen, maar nog niet aanstonds met het Woord verenigd was, is ongepast; want dan zou volgen, dat die ziel eenmaal een eigen zelfstandig bestaan heeft gehad zonder het Woord. En dan zou er toen zij door het Woord aangenomen werd, of geen vereniging in het zelfstandig bestaan zijn geweest, of het tevoren bestaand zelfstandig bestaan zou vernietigd zijn. Evenmin gaat het aan te beweren, dat die ziel van het begin af met het Woord was verenigd en later in de schoot der maagd mensgeworden. Want dan zou Zijn ziel niet van dezelfde natuur als de onze schijnen te zijn, die tegelijk geschapen worden als zij in de lichamen worden gestort. Daarom zegt Paus Leo in de Brief aan Julianus, dat "het vlees niet van een andere aard was dan het onze, en door geen ander beginsel dan bij andere mensen is een ziel er ingestort".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Zoals boven is gezegd (1° Art.), noemt men Christus’ ziel het middel bij de vereniging van het vlees met het Woord naar de orde in natuur. Maar zij behoefde geen middel te zijn naar de orde in tijd.
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1]
1e Weerlegging. Zoals boven is gezegd (1° Art.), noemt men Christus’ ziel het middel bij de vereniging van het vlees met het Woord naar de orde in natuur. Maar zij behoefde geen middel te zijn naar de orde in tijd.
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Paus Leo in dezelfde brief zegt, "overtreft Christus' ziel de onze niet door een verschil in soort, maar door de uitstekenheid van haar kracht. Want zij is van dezelfde soort als onze zielen, maar zij overtreft zelfs de engelen door de volheid van waarheid en genade". Maar de manier van het mensworden beantwoordt aan de ziel volgens de eigenaardigheid van haar soort; en daarvan heeft zij het, dat zij, omdat ze de vorm van het lichaam is, tegelijk wordt geschapen als zij in het lichaam gestort en ermee verenigd wordt. En dat komt aan de engelen niet toe, omdat zij zelfstandigheden zijn, die geheel los staan van de lichamen.
2e Weerlegging. Zoals Paus Leo in dezelfde brief zegt, "overtreft Christus' ziel de onze niet door een verschil in soort, maar door de uitstekenheid van haar kracht. Want zij is van dezelfde soort als onze zielen, maar zij overtreft zelfs de engelen door de volheid van waarheid en genade". Maar de manier van het mensworden beantwoordt aan de ziel volgens de eigenaardigheid van haar soort; en daarvan heeft zij het, dat zij, omdat ze de vorm van het lichaam is, tegelijk wordt geschapen als zij in het lichaam gestort en ermee verenigd wordt. En dat komt aan de engelen niet toe, omdat zij zelfstandigheden zijn, die geheel los staan van de lichamen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Van Christus' volheid ontvangen alle mensen door het geloof, dat zij in Hem hebben; want in de Romeinenbrief (3. 22) wordt gezegd, dat "de gerechtigheid van God door het geloof in Jezus Christus in allen en over allen komt, die in Hem geloven". Zoals wij nu geloven, dat Hij mensgeworden is, zo geloofden de ouden, dat Hij geboren zou worden; "want wij geloven, omdat wij dezelfde geest hebben", zoals in de Tweede Korintiërsbrief (4, 13) wordt gezegd. Het geloof nu in Christus heeft de kracht om rechtvaardig te maken door het plan van Gods genade; naar het woord uit de Romeinenbrief (4, 5): "Aan iemand, die niet werkt, maar gelooft in Hem, die de zondaar rechtvaardig maakt, wordt het geloof toegerekend tot rechtvaardigheid volgens het plan van Gods genade". En omdat dit plan eeuwig is, is er niets tegen, dat het geloof in Jezus Christus sommigen rechtvaardig maakt voordat zijn ziel vol van genade en waarheid is.
B: (Rom 3:22) [b:Rom 3:22] (Rom 4:5) [b:Rom 4:5] (2Cor 4:13) [b:2Cor 4:13]
3e Weerlegging. Van Christus' volheid ontvangen alle mensen door het geloof, dat zij in Hem hebben; want in de Romeinenbrief (3. 22) wordt gezegd, dat "de gerechtigheid van God door het geloof in Jezus Christus in allen en over allen komt, die in Hem geloven". Zoals wij nu geloven, dat Hij mensgeworden is, zo geloofden de ouden, dat Hij geboren zou worden; "want wij geloven, omdat wij dezelfde geest hebben", zoals in de Tweede Korintiërsbrief (4, 13) wordt gezegd. Het geloof nu in Christus heeft de kracht om rechtvaardig te maken door het plan van Gods genade; naar het woord uit de Romeinenbrief (4, 5): "Aan iemand, die niet werkt, maar gelooft in Hem, die de zondaar rechtvaardig maakt, wordt het geloof toegerekend tot rechtvaardigheid volgens het plan van Gods genade". En omdat dit plan eeuwig is, is er niets tegen, dat het geloof in Jezus Christus sommigen rechtvaardig maakt voordat zijn ziel vol van genade en waarheid is.
B: (Rom 3:22) [b:Rom 3:22] (Rom 4:5) [b:Rom 4:5] (2Cor 4:13) [b:2Cor 4:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Werd het Vlees van Christus eerder door het Woord aangenomen dan het met de ziel verenigd was?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 6 a. 5 co.[t:iiia q. 6 a. 5 co.]
IIIa q. 6 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het vlees van Christus door het Woord werd aangenomen, voordat het met de ziel werd verenigd. Want Augustinus zegt in het boek *Over het Geloof aan Petrus*: "Wees er zo sterk mogelijk van overtuigd en betwijfel helemaal niet, dat Christus’ vlees niet zonder de godheid in de schoot der Maagd ontvangen is voordat het door het Woord werd aangenomen". Maar Christus’ vlees schijnt ontvangen te zijn, voordat het met de redelijke ziel werd verenigd, omdat de geschiktmaking van de stof in het verloop van het ontstaan vóór de voltooiende vorm komt. Dus was Christus’ vlees eerder aangenomen dan met de ziel verenigd.
IIIa q. 6 a. 5 co.[t:iiia q. 6 a. 5 co.]
IIIa q. 6 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het vlees van Christus door het Woord werd aangenomen, voordat het met de ziel werd verenigd. Want Augustinus zegt in het boek *Over het Geloof aan Petrus*: "Wees er zo sterk mogelijk van overtuigd en betwijfel helemaal niet, dat Christus’ vlees niet zonder de godheid in de schoot der Maagd ontvangen is voordat het door het Woord werd aangenomen". Maar Christus’ vlees schijnt ontvangen te zijn, voordat het met de redelijke ziel werd verenigd, omdat de geschiktmaking van de stof in het verloop van het ontstaan vóór de voltooiende vorm komt. Dus was Christus’ vlees eerder aangenomen dan met de ziel verenigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Zoals de ziel is ook het lichaam een deel van de menselijke natuur. Nu had de menselijke ziel in Christus geen ander beginsel van haar bestaan dan in andere mensen, zoals blijkt uit de boven aangehaalde tekst van Paus Leo. Dus schijnt ook het lichaam van Christus geen ander beginsel van bestaan te hebben gehad dan bij ons. Maar bij ons wordt het vlees eerder ontvangen dan dat de redelijke ziel komt. Dus dat was ook zo in Christus. En zo was het vlees eerder door het Woord aangenomen dan met de ziel verenigd.
R: q. 6 a. 3[t:iiia q. 6 a. 3]
Vervolgens. Zoals de ziel is ook het lichaam een deel van de menselijke natuur. Nu had de menselijke ziel in Christus geen ander beginsel van haar bestaan dan in andere mensen, zoals blijkt uit de boven aangehaalde tekst van Paus Leo. Dus schijnt ook het lichaam van Christus geen ander beginsel van bestaan te hebben gehad dan bij ons. Maar bij ons wordt het vlees eerder ontvangen dan dat de redelijke ziel komt. Dus dat was ook zo in Christus. En zo was het vlees eerder door het Woord aangenomen dan met de ziel verenigd.
R: q. 6 a. 3[t:iiia q. 6 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Zoals in het boek Over de Oorzaken wordt gezegd, "heeft de eerste oorzaak meer invloed op het veroorzaakte en wordt er eerder mee verenigd dan de tweede oorzaak". Maar de ziel van Christus verhoudt zich tot het Woord als een tweede oorzaak tot de eerste. Het Woord is dus eerder met het vlees verenigd dan de ziel.
Vervolgens. Zoals in het boek Over de Oorzaken wordt gezegd, "heeft de eerste oorzaak meer invloed op het veroorzaakte en wordt er eerder mee verenigd dan de tweede oorzaak". Maar de ziel van Christus verhoudt zich tot het Woord als een tweede oorzaak tot de eerste. Het Woord is dus eerder met het vlees verenigd dan de ziel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter wat Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 2e H.): "Het vlees is tegelijk het vlees van het Woord Gods, tegelijk bezield, redelijk en verstandig vlees". Dus ging de vereniging van het Woord met het vlees niet de vereniging met de ziel vooraf.
Daartegenover staat echter wat Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 2e H.): "Het vlees is tegelijk het vlees van het Woord Gods, tegelijk bezield, redelijk en verstandig vlees". Dus ging de vereniging van het Woord met het vlees niet de vereniging met de ziel vooraf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 4 co.
Mijn antwoord. Het menselijk vlees kan door het Woord worden aangenomen krachtens de verhouding, die het heeft tot de redelijke ziel als tot zijn eigen vorm. Nu heeft het deze verhouding niet, voordat de redelijke ziel tot het komt, want zodra een stof de eigen stof van een vorm wordt, ontvangt zij die vorm, zodat de verandering in hetzelfde ogenblik beëindigd wordt, als de zelfstandigheidsvorm in wordt gebracht. En daarvan komt het, dat het vlees niet aangenomen moest worden, voordat het menselijk vlees was, wat gebeurde, toen de redelijke ziel kwam. Zo is dus de ziel niet eerder aangenomen dan het vlees, omdat het tegen de natuur van de ziel is te bestaan voordat zij met het lichaam verenigd wordt, en eveneens moest het vlees niet eerder aangenomen worden dan de ziel, omdat het geen menselijk vlees was, voordat het een redelijke ziel had.
Mijn antwoord. Het menselijk vlees kan door het Woord worden aangenomen krachtens de verhouding, die het heeft tot de redelijke ziel als tot zijn eigen vorm. Nu heeft het deze verhouding niet, voordat de redelijke ziel tot het komt, want zodra een stof de eigen stof van een vorm wordt, ontvangt zij die vorm, zodat de verandering in hetzelfde ogenblik beëindigd wordt, als de zelfstandigheidsvorm in wordt gebracht. En daarvan komt het, dat het vlees niet aangenomen moest worden, voordat het menselijk vlees was, wat gebeurde, toen de redelijke ziel kwam. Zo is dus de ziel niet eerder aangenomen dan het vlees, omdat het tegen de natuur van de ziel is te bestaan voordat zij met het lichaam verenigd wordt, en eveneens moest het vlees niet eerder aangenomen worden dan de ziel, omdat het geen menselijk vlees was, voordat het een redelijke ziel had.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Het menselijk vlees krijgt het zijn door de ziel. En dus is het voor de komst van de ziel geen menselijk vlees, maar het kan een voorbereiding zijn voor menselijk vlees. Maar bij de ontvangenis van Christus heeft de Heilige Geest, die met oneindige kracht werkt, tegelijk de stof voorbereid en tot volmaaktheid gebracht.
1e Weerlegging. Het menselijk vlees krijgt het zijn door de ziel. En dus is het voor de komst van de ziel geen menselijk vlees, maar het kan een voorbereiding zijn voor menselijk vlees. Maar bij de ontvangenis van Christus heeft de Heilige Geest, die met oneindige kracht werkt, tegelijk de stof voorbereid en tot volmaaktheid gebracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. De vorm maakt daadwerkelijk de soort, maar de stof heeft uit zichzelf alleen het vermogen die soort te worden. En dus zou het tegen de aard van de vorm zijn vóór de soortelijke natuur, die volmaakt wordt door haar vereniging met de stof, te bestaan; maar het is niet tegen de aard van de stof voor de soortelijke natuur te bestaan. En daarom ligt het verschil, dat bestaat tussen ons ontstaan en dat van Christus, in zover ons vlees ontvangen wordt eer het bezield wordt, maar Christus’ vlees niet, in wat aan de volledigheid der natuur voorafgaat; zoals wij ook ontvangen worden door het zaad van de man, maar Christus niet. Maar een verschil, dat lag in het ontstaan van de ziel, zou neerkomen op een verschil in natuur.
2e Weerlegging. De vorm maakt daadwerkelijk de soort, maar de stof heeft uit zichzelf alleen het vermogen die soort te worden. En dus zou het tegen de aard van de vorm zijn vóór de soortelijke natuur, die volmaakt wordt door haar vereniging met de stof, te bestaan; maar het is niet tegen de aard van de stof voor de soortelijke natuur te bestaan. En daarom ligt het verschil, dat bestaat tussen ons ontstaan en dat van Christus, in zover ons vlees ontvangen wordt eer het bezield wordt, maar Christus’ vlees niet, in wat aan de volledigheid der natuur voorafgaat; zoals wij ook ontvangen worden door het zaad van de man, maar Christus niet. Maar een verschil, dat lag in het ontstaan van de ziel, zou neerkomen op een verschil in natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Men moet begrijpen, dat het Woord Gods eerder met het lichaam is verenigd dan de ziel op de gewone manier, waarop Het in de andere schepsels is door wezen, tegenwoordigheid en macht; maar dit eerder bedoel ik in natuur, niet in tijd. Want het vlees wordt eerder opgevat als iets, dat is, wat het van het Woord heeft, dan als bezield, wat het van de ziel heeft. Maar bij de vereniging in persoon moet het vlees eerder opgevat worden als verenigd met de ziel dan met het Woord; want van de vereniging met de ziel heeft het, dat het met het Woord kan verenigd worden, vooral omdat een persoon alleen gevonden wordt in een redelijke natuur.
3e Weerlegging. Men moet begrijpen, dat het Woord Gods eerder met het lichaam is verenigd dan de ziel op de gewone manier, waarop Het in de andere schepsels is door wezen, tegenwoordigheid en macht; maar dit eerder bedoel ik in natuur, niet in tijd. Want het vlees wordt eerder opgevat als iets, dat is, wat het van het Woord heeft, dan als bezield, wat het van de ziel heeft. Maar bij de vereniging in persoon moet het vlees eerder opgevat worden als verenigd met de ziel dan met het Woord; want van de vereniging met de ziel heeft het, dat het met het Woord kan verenigd worden, vooral omdat een persoon alleen gevonden wordt in een redelijke natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Nam Gods Zoon de gehele menselijke natuur aan door middel van de delen?
IIIa q. 6 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon de gehele menselijke natuur door middel van haar delen aannam Want Augustinus zegt in het boek Over de Strijd van de Christen (18° H.) : "De onzichtbare en onveranderlijke Waarheid nam door de geest de ziel, en door de ziel het lichaam en zo de gehele mens aan". Maar geest, ziel en lichaam zijn delen van de gehele mens. Dus nam Hij de hele mens aan door middel van de delen.
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon de gehele menselijke natuur door middel van haar delen aannam Want Augustinus zegt in het boek Over de Strijd van de Christen (18° H.) : "De onzichtbare en onveranderlijke Waarheid nam door de geest de ziel, en door de ziel het lichaam en zo de gehele mens aan". Maar geest, ziel en lichaam zijn delen van de gehele mens. Dus nam Hij de hele mens aan door middel van de delen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Daarom nam Gods Zoon het vlees aan door de ziel, omdat de ziel meer op God gelijkt dan het lichaam. Maar de delen van de menselijke natuur, die eenvoudig zijn, gelijken meer op Hem, die aller eenvoudigst is, dan het geheel. Dus nam Hij het geheel aan door middel van de delen.
Vervolgens. Daarom nam Gods Zoon het vlees aan door de ziel, omdat de ziel meer op God gelijkt dan het lichaam. Maar de delen van de menselijke natuur, die eenvoudig zijn, gelijken meer op Hem, die aller eenvoudigst is, dan het geheel. Dus nam Hij het geheel aan door middel van de delen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Het geheel ontstaat door vereniging van de delen. Maar de vereniging wordt opgevat als de eindterm van het aannemen; en men beschouwt de delen als bestaand voor de aanneming. Dus nam Hij het geheel door de delen aan.
Vervolgens. Het geheel ontstaat door vereniging van de delen. Maar de vereniging wordt opgevat als de eindterm van het aannemen; en men beschouwt de delen als bestaand voor de aanneming. Dus nam Hij het geheel door de delen aan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 5 s. c.
Maar daartegenover staat, wat Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 16e H.): "In de Heer Jesus Christus zien wij geen gedeelten van delen, maar wat nauw verenigd is, dwz. de mensheid en de godheid". Nu is de mensheid een geheel, dat uit lichaam en ziel als uit delen is samengesteld. Dus nam Gods Zoon de delen aan door middel van het geheel.
Maar daartegenover staat, wat Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 16e H.): "In de Heer Jesus Christus zien wij geen gedeelten van delen, maar wat nauw verenigd is, dwz. de mensheid en de godheid". Nu is de mensheid een geheel, dat uit lichaam en ziel als uit delen is samengesteld. Dus nam Gods Zoon de delen aan door middel van het geheel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 5 co.
Mijn antwoord. Als iets middel wordt genoemd bij het aannemen der mensenvouding, geeft men geen volgorde in tijd aan, want de aanneming van het geheel en van de delen is tegelijk geschied. Want wij hebben aangetoond, dat lichaam en ziel tegelijk met elkaar verenigd zijn om de menselijke natuur in het Woord te vormen. Maar er wordt een orde in natuur aangeduid. Dus wordt door wat eerder in natuur is, het latere aangenomen. Nu is iets dubbel eerder in natuur, ten eerste van de kant van de werkende oorzaak genomen, ten tweede van de kant van de stof. Van de kant van de werkende oorzaak is eerder zonder meer, wat het eerst in zijn bedoeling ligt, maar in zeker opzicht is dat het eerste, waarmee zijn werking begint, en dit is zo, omdat de bedoeling er eerder is dan het werken. Van de kant van de stof is het eerste, wat het eerste bestaat bij de verandering van de stof. Nu moet men bij de menswording vooral letten op de orde, die van de kant van de bewerker gerekend wordt; want, zoals Augustinus in de Brief aan Volusianus zegt, "is in dergelijke zaken de macht van de bewerker de hele verklaring van het feit". Nu is het duidelijk, dat naar de bedoeling van de bewerker het volledige voor het onvolledige komt, en bijgevolg het geheel voor de delen. En dus moet men zeggen, dat Gods Woord de delen der menselijke natuur door middel van het geheel aannam. Want zoals Het het lichaam aannam om de verhouding, die het tot de redelijke ziel heeft, nam Het lichaam en ziel aan om hun verhouding tot de menselijke natuur.
R: q. 6 a. 3[t:iiia q. 6 a. 3] q. 6 a. 4[t:iiia q. 6 a. 4]
Mijn antwoord. Als iets middel wordt genoemd bij het aannemen der mensenvouding, geeft men geen volgorde in tijd aan, want de aanneming van het geheel en van de delen is tegelijk geschied. Want wij hebben aangetoond, dat lichaam en ziel tegelijk met elkaar verenigd zijn om de menselijke natuur in het Woord te vormen. Maar er wordt een orde in natuur aangeduid. Dus wordt door wat eerder in natuur is, het latere aangenomen. Nu is iets dubbel eerder in natuur, ten eerste van de kant van de werkende oorzaak genomen, ten tweede van de kant van de stof. Van de kant van de werkende oorzaak is eerder zonder meer, wat het eerst in zijn bedoeling ligt, maar in zeker opzicht is dat het eerste, waarmee zijn werking begint, en dit is zo, omdat de bedoeling er eerder is dan het werken. Van de kant van de stof is het eerste, wat het eerste bestaat bij de verandering van de stof. Nu moet men bij de menswording vooral letten op de orde, die van de kant van de bewerker gerekend wordt; want, zoals Augustinus in de Brief aan Volusianus zegt, "is in dergelijke zaken de macht van de bewerker de hele verklaring van het feit". Nu is het duidelijk, dat naar de bedoeling van de bewerker het volledige voor het onvolledige komt, en bijgevolg het geheel voor de delen. En dus moet men zeggen, dat Gods Woord de delen der menselijke natuur door middel van het geheel aannam. Want zoals Het het lichaam aannam om de verhouding, die het tot de redelijke ziel heeft, nam Het lichaam en ziel aan om hun verhouding tot de menselijke natuur.
R: q. 6 a. 3[t:iiia q. 6 a. 3] q. 6 a. 4[t:iiia q. 6 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Uit die woorden moet men niets anders opmaken, dan dat het Woord, door de delen van de menselijke natuur aan te nemen, de hele menselijke natuur aannam. En zo is het aannemen van de delen in het verloop van de uitwerking naar ons begrip, niet in tijd eerder. Maar het aannemen van de natuur ligt eerder in de bedoeling, en dat is zonder meer eerder, zoals is gezegd (in de Leerstelling).
1e Weerlegging. Uit die woorden moet men niets anders opmaken, dan dat het Woord, door de delen van de menselijke natuur aan te nemen, de hele menselijke natuur aannam. En zo is het aannemen van de delen in het verloop van de uitwerking naar ons begrip, niet in tijd eerder. Maar het aannemen van de natuur ligt eerder in de bedoeling, en dat is zonder meer eerder, zoals is gezegd (in de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. God is op zo'n manier eenvoudig, dat Hij ook allervolmaakst is. En daarom is het geheel meer gelijk aan God dan de delen, in zover het volmaakter is.
2e Weerlegging. God is op zo'n manier eenvoudig, dat Hij ook allervolmaakst is. En daarom is het geheel meer gelijk aan God dan de delen, in zover het volmaakter is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. De vereniging in persoon is het, wat de eindterm der aanneming is; maar niet de vereniging in natuur, die ontstaat uit de vereniging der delen.
3e Weerlegging. De vereniging in persoon is het, wat de eindterm der aanneming is; maar niet de vereniging in natuur, die ontstaat uit de vereniging der delen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Nam Gods Zoon de menselijke natuur aan door middel van de genade?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 7 a. 11 co.
IIIa q. 7 a. 13 co.
IIIa q. 8 a. 5 arg. 3[t:iiia q. 7 a. 11 co.][t:iiia q. 7 a. 13 co.][t:iiia q. 8 a. 5 arg. 3]
IIIa q. 6 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam door middel der genade. Want door de genade worden wij met God verenigd. Nu is de menselijke natuur in Christus zo innig mogelijk verenigd. Dus geschiedde die vereniging door de genade.
IIIa q. 7 a. 11 co.
IIIa q. 7 a. 13 co.
IIIa q. 8 a. 5 arg. 3[t:iiia q. 7 a. 11 co.][t:iiia q. 7 a. 13 co.][t:iiia q. 8 a. 5 arg. 3]
IIIa q. 6 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon de menselijke natuur aannam door middel der genade. Want door de genade worden wij met God verenigd. Nu is de menselijke natuur in Christus zo innig mogelijk verenigd. Dus geschiedde die vereniging door de genade.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Zoals het lichaam leeft door de ziel, die zijn vervolmaking is, zo leeft de ziel door de genade. Maar de menselijke natuur wordt door de ziel geschikt voor de aanneming. Dus nam Gods Zoon de ziel aan door de genade.
Vervolgens. Zoals het lichaam leeft door de ziel, die zijn vervolmaking is, zo leeft de ziel door de genade. Maar de menselijke natuur wordt door de ziel geschikt voor de aanneming. Dus nam Gods Zoon de ziel aan door de genade.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Augustinus zegt in het 15e boek Over de Drievuldigheid, dat het mensgeworden Woord is als ons woord in de spraak. Nu wordt ons woord door de geest met de spraak verenigd. Dus wordt Gods Woord met het vlees verenigd door de Heilige Geest, en dus door middel der genade, die aan de Heilige Geest wordt toegeschreven, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 4): "Er zijn soorten van genade, maar het is dezelfde Geest".
B: (1Cor 12:4) [b:1Cor 12:4]
Vervolgens. Augustinus zegt in het 15e boek Over de Drievuldigheid, dat het mensgeworden Woord is als ons woord in de spraak. Nu wordt ons woord door de geest met de spraak verenigd. Dus wordt Gods Woord met het vlees verenigd door de Heilige Geest, en dus door middel der genade, die aan de Heilige Geest wordt toegeschreven, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 4): "Er zijn soorten van genade, maar het is dezelfde Geest".
B: (1Cor 12:4) [b:1Cor 12:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de genade een bijkomstigheid der ziel is, zoals in het tweede deel is behandeld (Ia-IIae, 110e Kw., 2e Art., Antw. op de 2e B.). Maar de vereniging van het Woord met de menselijke natuur is naar het zelfstandig bestaan en niet naar iets bijkomstigs, zoals uit het bovengezegde blijkt (2° Kw., 6° Art.). En dus is de menselijke natuur niet aangenomen door middel van genade.
R: Ia-IIae q. 110 a. 2[t:ia-iiae q. 110 a. 2] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6]
Daartegenover staat echter, dat de genade een bijkomstigheid der ziel is, zoals in het tweede deel is behandeld (Ia-IIae, 110e Kw., 2e Art., Antw. op de 2e B.). Maar de vereniging van het Woord met de menselijke natuur is naar het zelfstandig bestaan en niet naar iets bijkomstigs, zoals uit het bovengezegde blijkt (2° Kw., 6° Art.). En dus is de menselijke natuur niet aangenomen door middel van genade.
R: Ia-IIae q. 110 a. 2[t:ia-iiae q. 110 a. 2] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 6 co.
Mijn antwoord. In Christus stelt men de genade der vereniging, en de genade, die een soort hebbelijkheid is. En dus kan de genade niet opgevat worden als het middel bij het aannemen der menselijke natuur, hetzij wij spreken van de genade der vereniging, hetzij van de genade, die een hebbelijkheid is. Want de genade der vereniging is het persoonlijk zijn zelf, dat zonder verdiensten door God aan de menselijke natuur gegeven wordt in de persoon van het Woord, dat immers de eindterm van de aanneming is. Maar de genade die een hebbelijkheid is en behoort tot de bijzondere heiligheid van die mens, is een gevolg van die vereniging, naar het woord van Johannes (1, 14): "Wij hebben zijn heerlijkheid gezien als van de eniggeborene uit de Vader, vol van genade en waarheid», waardoor te verstaan wordt gegeven, dat die mens juist hierdoor, dat hij de eniggeborene des Vaders is, wat hij door de vereniging heeft, de volheid van genade en waarheid heeft. Maar als door genade wordt verstaan de wil zelf van God, die zonder verdiensten iets doet of geeft, dan is de vereniging gebeurd door de genade, niet als door een middel, maar als door de bewerkende oorzaak.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Mijn antwoord. In Christus stelt men de genade der vereniging, en de genade, die een soort hebbelijkheid is. En dus kan de genade niet opgevat worden als het middel bij het aannemen der menselijke natuur, hetzij wij spreken van de genade der vereniging, hetzij van de genade, die een hebbelijkheid is. Want de genade der vereniging is het persoonlijk zijn zelf, dat zonder verdiensten door God aan de menselijke natuur gegeven wordt in de persoon van het Woord, dat immers de eindterm van de aanneming is. Maar de genade die een hebbelijkheid is en behoort tot de bijzondere heiligheid van die mens, is een gevolg van die vereniging, naar het woord van Johannes (1, 14): "Wij hebben zijn heerlijkheid gezien als van de eniggeborene uit de Vader, vol van genade en waarheid», waardoor te verstaan wordt gegeven, dat die mens juist hierdoor, dat hij de eniggeborene des Vaders is, wat hij door de vereniging heeft, de volheid van genade en waarheid heeft. Maar als door genade wordt verstaan de wil zelf van God, die zonder verdiensten iets doet of geeft, dan is de vereniging gebeurd door de genade, niet als door een middel, maar als door de bewerkende oorzaak.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Onze vereniging met God geschiedt door een daad, in zover wij Hem kennen en beminnen. En daarom is die vereniging door een genade, die een heerlijkheid is, in zover een volmaakte daad uit een heerlijkheid voortkomt. Maar de vereniging van de menselijke natuur met het Woord Gods is naar het persoonlijk zijn, wat niet van een heerlijkheid afhangt, maar onmiddellijk van de natuur.
1e Weerlegging. Onze vereniging met God geschiedt door een daad, in zover wij Hem kennen en beminnen. En daarom is die vereniging door een genade, die een heerlijkheid is, in zover een volmaakte daad uit een heerlijkheid voortkomt. Maar de vereniging van de menselijke natuur met het Woord Gods is naar het persoonlijk zijn, wat niet van een heerlijkheid afhangt, maar onmiddellijk van de natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. De ziel is de zelfstandige volmaaktheid van het lichaam; maar de genade is de bijkomstige volmaaktheid van de ziel. En dus kan de genade de ziel niet brengen tot de persoonlijke vereniging, die niet iets bijkomstigs is, zoals de ziel het lichaam.
2e Weerlegging. De ziel is de zelfstandige volmaaktheid van het lichaam; maar de genade is de bijkomstige volmaaktheid van de ziel. En dus kan de genade de ziel niet brengen tot de persoonlijke vereniging, die niet iets bijkomstigs is, zoals de ziel het lichaam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 6 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Ons woord wordt met de spraak verenigd door de geest, niet als een middel dat door vorm oorzaak is, maar als door een middel, dat beweegt, want de geest komt voort uit het innerlijk ontvangen woord, waardoor de spraak wordt gevormd. En evenzo komt uit het eeuwige Woord de Heilige Geest voort, die het lichaam van Christus heeft gevormd, zoals later zal blijken (32° Kw., 1° Art.). Maar daaruit volgt niet, dat de genade van de Heilige Geest het formele middel is bij de genoemde vereniging.
R: q. 32 a. 1[t:iiia q. 32 a. 1]
3e Weerlegging. Ons woord wordt met de spraak verenigd door de geest, niet als een middel dat door vorm oorzaak is, maar als door een middel, dat beweegt, want de geest komt voort uit het innerlijk ontvangen woord, waardoor de spraak wordt gevormd. En evenzo komt uit het eeuwige Woord de Heilige Geest voort, die het lichaam van Christus heeft gevormd, zoals later zal blijken (32° Kw., 1° Art.). Maar daaruit volgt niet, dat de genade van de Heilige Geest het formele middel is bij de genoemde vereniging.
R: q. 32 a. 1[t:iiia q. 32 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 7: Over de genade, die Christus als op zichzelf staand mens had
IIIa q. 7 pr.
Hierna moeten wij spreken over wat Christus in de menselijke natuur mede aannam.
En ten eerste over wat tot de volmaaktheid,
ten tweede over wat tot de gebreken behoort.
Wat het eerste betreft, moeten wij over drie dingen spreken:
ten eerste over Christus’ genade,
ten tweede over zijn wetenschap,
ten derde over zijn macht.
Over de genade nu van Christus moeten wij onder tweevoudig opzicht spreken:
en wel ten eerste over Zijn genade, die Hij als op zichzelf staand mens heeft;
en ten tweede over Zijn genade als Hoofd der Kerk. Want over de genade der vereniging is reeds gesproken.
Over het eerste punt stellen wij ons dertien vragen:
1. Was er in Christus’ ziel een genade, die een hebbelijkheid is?
2. Waren er deugden in Christus?
3. Was het geloof in Hem?
4. Was er hoop in Hem?
5. Waren de gaven van de Heilige Geest in Christus?
6. Was de gave van vrees in Christus?
7. Waren er om niet gegeven genaden in Christus?
8. Was de gave der profetie in Christus?
9. Was de volheid der genade in Hem?
10. Is die volheid eigen aan Christus?
11. Is Christus’ genade oneindig?
12. Kan zij vermeerderd worden?
13. Hoe verhoudt deze genade zich tot de vereniging?
Hierna moeten wij spreken over wat Christus in de menselijke natuur mede aannam.
En ten eerste over wat tot de volmaaktheid,
ten tweede over wat tot de gebreken behoort.
Wat het eerste betreft, moeten wij over drie dingen spreken:
ten eerste over Christus’ genade,
ten tweede over zijn wetenschap,
ten derde over zijn macht.
Over de genade nu van Christus moeten wij onder tweevoudig opzicht spreken:
en wel ten eerste over Zijn genade, die Hij als op zichzelf staand mens heeft;
en ten tweede over Zijn genade als Hoofd der Kerk. Want over de genade der vereniging is reeds gesproken.
Over het eerste punt stellen wij ons dertien vragen:
1. Was er in Christus’ ziel een genade, die een hebbelijkheid is?
2. Waren er deugden in Christus?
3. Was het geloof in Hem?
4. Was er hoop in Hem?
5. Waren de gaven van de Heilige Geest in Christus?
6. Was de gave van vrees in Christus?
7. Waren er om niet gegeven genaden in Christus?
8. Was de gave der profetie in Christus?
9. Was de volheid der genade in Hem?
10. Is die volheid eigen aan Christus?
11. Is Christus’ genade oneindig?
12. Kan zij vermeerderd worden?
13. Hoe verhoudt deze genade zich tot de vereniging?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was er in de door het Woord aangenomen ziel een genade, die een hebbelijkheid is?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 7 a. 4 s. c.
IIIa q. 7 a. 9 co.
IIIa q. 48 a. 1 co.[t:iiia q. 7 a. 4 s. c.][t:iiia q. 7 a. 9 co.][t:iiia q. 48 a. 1 co.]
IIIa q. 7 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat er in de door het Woord aangenomen ziel geen genade was, die een hebbelijkheid is. Want de genade is een deelhebben der godheid van het redelijke schepsel, naar het woord uit de Tweede Brief van Petrus (1, 4): "Door Wien Hij ons grote en kostbare beloften heeft gegeven, dat wij deel zouden hebben aan de goddelijke natuur". Nu is Christus niet God door deel te hebben, maar in waarheid. Dus was de genade, die een hebbelijkheid is, niet in Hem.
B: (2Pet 1:4) [b:2Pet 1:4]
IIIa q. 7 a. 4 s. c.
IIIa q. 7 a. 9 co.
IIIa q. 48 a. 1 co.[t:iiia q. 7 a. 4 s. c.][t:iiia q. 7 a. 9 co.][t:iiia q. 48 a. 1 co.]
IIIa q. 7 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat er in de door het Woord aangenomen ziel geen genade was, die een hebbelijkheid is. Want de genade is een deelhebben der godheid van het redelijke schepsel, naar het woord uit de Tweede Brief van Petrus (1, 4): "Door Wien Hij ons grote en kostbare beloften heeft gegeven, dat wij deel zouden hebben aan de goddelijke natuur". Nu is Christus niet God door deel te hebben, maar in waarheid. Dus was de genade, die een hebbelijkheid is, niet in Hem.
B: (2Pet 1:4) [b:2Pet 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Hiertoe is de genade noodig voor de mens, dat hij door haar goede daden stelt, zoals in de Eerste Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd (15, 10): "Meer dan allen heb ik gewerkt, maar niet ik, doch Gods genade met mij"; en ook hiertoe, dat de mens het eeuwige leven verkrijgt, zoals in de Romeinenbrief wordt gezegd (6, 23): "Gods genade is het eeuwige leven". Maar Christus kwam de erfenis van het eeuwige leven alleen al hierom toe, dat Hij van nature Gods Zoon was. En ook omdat Hij het Woord was, "waardoor alles is gemaakt" (Johannes, 1, 3) had Hij het vermogen om alle goede dingen te doen. Dus had Hij naar de menselijke natuur geen andere genade nodig dan de vereniging met het Woord.
B: (Rom 6:23) [b:Rom 6:23] (1Cor 15:10) [b:1Cor 15:10]
Vervolgens. Hiertoe is de genade noodig voor de mens, dat hij door haar goede daden stelt, zoals in de Eerste Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd (15, 10): "Meer dan allen heb ik gewerkt, maar niet ik, doch Gods genade met mij"; en ook hiertoe, dat de mens het eeuwige leven verkrijgt, zoals in de Romeinenbrief wordt gezegd (6, 23): "Gods genade is het eeuwige leven". Maar Christus kwam de erfenis van het eeuwige leven alleen al hierom toe, dat Hij van nature Gods Zoon was. En ook omdat Hij het Woord was, "waardoor alles is gemaakt" (Johannes, 1, 3) had Hij het vermogen om alle goede dingen te doen. Dus had Hij naar de menselijke natuur geen andere genade nodig dan de vereniging met het Woord.
B: (Rom 6:23) [b:Rom 6:23] (1Cor 15:10) [b:1Cor 15:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Wat als werktuig werkt, heeft geen hebbelijkheid nodig voor de eigen daden, maar de hebbelijkheid ligt in de voornaamste werkoorzaak. Nu was de menselijke natuur in Christus als "het werktuig der godheid," zoals Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 15e H.). Dus moest er in Christus geen genade zijn, die een hebbelijkheid is.
Vervolgens. Wat als werktuig werkt, heeft geen hebbelijkheid nodig voor de eigen daden, maar de hebbelijkheid ligt in de voornaamste werkoorzaak. Nu was de menselijke natuur in Christus als "het werktuig der godheid," zoals Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 15e H.). Dus moest er in Christus geen genade zijn, die een hebbelijkheid is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 1 s. c.
Hiertegenover staat echter, wat in het boek Isaïas gezegd wordt (11, 2): "Op Hem zal de Geest des Heren rusten", en van Dezen wordt juist gezegd, dat Hij in de mens is door de genade, die een hebbelijkheid is, zoals in het eerste deel aangetoond werd (43e Kw., 3e Art.). Dus was in Christus de genade, die een hebbelijkheid is.
B: (Isa 11:2) [b:Isa 11:2]
R: I q. 8 a. 3[t:ia q. 8 a. 3] I q. 43 a. 3[t:ia q. 43 a. 3] I q. 43 a. 6[t:ia q. 43 a. 6]
Hiertegenover staat echter, wat in het boek Isaïas gezegd wordt (11, 2): "Op Hem zal de Geest des Heren rusten", en van Dezen wordt juist gezegd, dat Hij in de mens is door de genade, die een hebbelijkheid is, zoals in het eerste deel aangetoond werd (43e Kw., 3e Art.). Dus was in Christus de genade, die een hebbelijkheid is.
B: (Isa 11:2) [b:Isa 11:2]
R: I q. 8 a. 3[t:ia q. 8 a. 3] I q. 43 a. 3[t:ia q. 43 a. 3] I q. 43 a. 6[t:ia q. 43 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 1 co.
Mijn antwoord. Om drie redenen is het noodig de genade, die een hebbelijkheid is, in Christus aan te nemen. En wel ten eerste om de vereniging van zijn ziel met Gods Woord. Want naarmate iets, dat ontvankelijk is, dichter bij de invloed der oorzaak staat, zoveel te meer deelt het in haar beïnvloeding. Nu is de instorting der genade iets, wat van God komt volgens het Psalmwoord (Ps. 83, 12): "Genade en heerlijkheid zal de Heer geven". En daarom was het in hoge mate gepast, dat die ziel de invloed der genade onderging. Ten tweede om de adel van die ziel, wier werkingen God zo innig mogelijk moesten bereiken door kennis en liefde. En hiervoor is het noodig, dat de menselijke ziel door de genade verheven wordt. Ten derde om de verhouding van Christus' zelf tot het menselijk geslacht. Want Christus als mens is de middelaar tussen God en de mensen, zoals in de Eerste Brief aan Timotheüs wordt gezegd (2, 5). En dus moest Hij de genade hebben, die ook op anderen overvloeide, naar het woord van Johannes (1, 16): "Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade".
B: (Ps 83:12) [b:Ps 83:12] (John 1:16) [b:John 1:16] (1Tim 2:5) [b:1Tim 2:5]
Mijn antwoord. Om drie redenen is het noodig de genade, die een hebbelijkheid is, in Christus aan te nemen. En wel ten eerste om de vereniging van zijn ziel met Gods Woord. Want naarmate iets, dat ontvankelijk is, dichter bij de invloed der oorzaak staat, zoveel te meer deelt het in haar beïnvloeding. Nu is de instorting der genade iets, wat van God komt volgens het Psalmwoord (Ps. 83, 12): "Genade en heerlijkheid zal de Heer geven". En daarom was het in hoge mate gepast, dat die ziel de invloed der genade onderging. Ten tweede om de adel van die ziel, wier werkingen God zo innig mogelijk moesten bereiken door kennis en liefde. En hiervoor is het noodig, dat de menselijke ziel door de genade verheven wordt. Ten derde om de verhouding van Christus' zelf tot het menselijk geslacht. Want Christus als mens is de middelaar tussen God en de mensen, zoals in de Eerste Brief aan Timotheüs wordt gezegd (2, 5). En dus moest Hij de genade hebben, die ook op anderen overvloeide, naar het woord van Johannes (1, 16): "Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade".
B: (Ps 83:12) [b:Ps 83:12] (John 1:16) [b:John 1:16] (1Tim 2:5) [b:1Tim 2:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Christus is waarlijk God naar zijn persoon en de goddelijke natuur. Maar omdat zoals uit het vroeger gezegde blijkt (2e Kw., 1e en 2e Art.), bij de eenheid in persoon het onderscheid der naturen blijft, is Christus’ ziel niet naar haar wezen goddelijk. Dus moet zij goddelijk worden door deelhebbing, dat wil zeggen door de genade.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1] q. 2 a. 2[t:iiia q. 2 a. 2]
1e Weerlegging. Christus is waarlijk God naar zijn persoon en de goddelijke natuur. Maar omdat zoals uit het vroeger gezegde blijkt (2e Kw., 1e en 2e Art.), bij de eenheid in persoon het onderscheid der naturen blijft, is Christus’ ziel niet naar haar wezen goddelijk. Dus moet zij goddelijk worden door deelhebbing, dat wil zeggen door de genade.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1] q. 2 a. 2[t:iiia q. 2 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. In zover Christus van nature Gods Zoon is, heeft Hij recht op de eeuwige erfenis, nl. de ongeschapen zaligheid zelf door een ongeschapen daad van God te kennen en te beminnen, nl. dezelfde waardoor de Vader zich zelf kent en bemint. Tot deze daad was de ziel niet in staat om het verschil in natuur. Dus was het noodig, dat zij God bereikte door een geschapen daad van genieten. En dat kan niet dan door de genade. Evenzo had Hij, in zover Hij het Woord Gods is, het vermogen om alles goed te doen met een goddelijke daad. Maar omdat het, zoals verderop zal worden gezegd, noodig is naast de goddelijke werkzaamheid een menselijke aan te nemen, moest in Hem de genade zijn, die een hebbelijkheid is, waardoor zo’n werkzaamheid in Hem volmaakt is.
R: q. 19 a. 1[t:iiia q. 19 a. 1]
2e Weerlegging. In zover Christus van nature Gods Zoon is, heeft Hij recht op de eeuwige erfenis, nl. de ongeschapen zaligheid zelf door een ongeschapen daad van God te kennen en te beminnen, nl. dezelfde waardoor de Vader zich zelf kent en bemint. Tot deze daad was de ziel niet in staat om het verschil in natuur. Dus was het noodig, dat zij God bereikte door een geschapen daad van genieten. En dat kan niet dan door de genade. Evenzo had Hij, in zover Hij het Woord Gods is, het vermogen om alles goed te doen met een goddelijke daad. Maar omdat het, zoals verderop zal worden gezegd, noodig is naast de goddelijke werkzaamheid een menselijke aan te nemen, moest in Hem de genade zijn, die een hebbelijkheid is, waardoor zo’n werkzaamheid in Hem volmaakt is.
R: q. 19 a. 1[t:iiia q. 19 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Christus' mensheid is het werktuig der godheid, maar niet als een onbezield werktuig, dat helemaal niet zelf werkt, maar alleen bij het werken gebruikt wordt, doch als een werktuig, bezield met een redelijke ziel, dat zo zelf werkt, dat het ook bij het werken gebruikt wordt. En dus moest Hij de genade, die een hebbelijkheid is, hebben om zijn werkzaamheid goed te doen zijn.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 19 a. 1 arg. 2
IIIa q. 34 a. 1 ad 3[t:iiia q. 19 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 34 a. 1 ad 3]
3e Weerlegging. Christus' mensheid is het werktuig der godheid, maar niet als een onbezield werktuig, dat helemaal niet zelf werkt, maar alleen bij het werken gebruikt wordt, doch als een werktuig, bezield met een redelijke ziel, dat zo zelf werkt, dat het ook bij het werken gebruikt wordt. En dus moest Hij de genade, die een hebbelijkheid is, hebben om zijn werkzaamheid goed te doen zijn.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 19 a. 1 arg. 2
IIIa q. 34 a. 1 ad 3[t:iiia q. 19 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 34 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Waren er deugden in Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 7 a. 3 arg. 1
IIIa q. 15 a. 2 co.[t:iiia q. 7 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 15 a. 2 co.]
IIIa q. 7 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat er geen deugden in Christus waren. Want Christus had een overvloed van genade. Nu is de genade voldoende om alles goed te doen, naar het woord uit de Tweede Korinthiërsbrief (12, 9): "Mijn genade is U voldoende". Dus waren er in Christus geen deugden.
B: (2Cor 12:9) [b:2Cor 12:9]
IIIa q. 7 a. 3 arg. 1
IIIa q. 15 a. 2 co.[t:iiia q. 7 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 15 a. 2 co.]
IIIa q. 7 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat er geen deugden in Christus waren. Want Christus had een overvloed van genade. Nu is de genade voldoende om alles goed te doen, naar het woord uit de Tweede Korinthiërsbrief (12, 9): "Mijn genade is U voldoende". Dus waren er in Christus geen deugden.
B: (2Cor 12:9) [b:2Cor 12:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Volgens de Filosoof in het 7e boek Over de Zedeleer, staan de deugden tegenover een heldhaftige of goddelijke hebbelijkheid, die men aan goddelijke mensen toeschrijft. Maar dat komt vooral aan Christus toe. Dus had Christus geen deugden, maar iets hogers dan de deugd.
Vervolgens. Volgens de Filosoof in het 7e boek Over de Zedeleer, staan de deugden tegenover een heldhaftige of goddelijke hebbelijkheid, die men aan goddelijke mensen toeschrijft. Maar dat komt vooral aan Christus toe. Dus had Christus geen deugden, maar iets hogers dan de deugd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Zoals in het tweede deel is bewezen (Ia-IIae, 65e Kw., 1e en 2e Art.), heeft men alle deugden tegelijk. Maar het paste niet, dat Christus alle deugden tegelijk had, zoals blijkt uit de vrijgevigheid en prachtliefde, wier daden zich betrekken op de rijkdommen, die Christus verachtte naar het woord van Matthaeus (8, 20): "De mensenzoon heeft niets om zijn hoofd op neer te leggen". Ook betrekken de matigheid en de onthouding zich op de slechte begeerten, die er in Christus niet waren. Dus had Christus geen deugden.
B: (Matt 8:20) [b:Matt 8:20]
R: Ia-IIae q. 65 a. 1[t:ia-iiae q. 65 a. 1] Ia-IIae q. 65 a. 2[t:ia-iiae q. 65 a. 2]
Vervolgens. Zoals in het tweede deel is bewezen (Ia-IIae, 65e Kw., 1e en 2e Art.), heeft men alle deugden tegelijk. Maar het paste niet, dat Christus alle deugden tegelijk had, zoals blijkt uit de vrijgevigheid en prachtliefde, wier daden zich betrekken op de rijkdommen, die Christus verachtte naar het woord van Matthaeus (8, 20): "De mensenzoon heeft niets om zijn hoofd op neer te leggen". Ook betrekken de matigheid en de onthouding zich op de slechte begeerten, die er in Christus niet waren. Dus had Christus geen deugden.
B: (Matt 8:20) [b:Matt 8:20]
R: Ia-IIae q. 65 a. 1[t:ia-iiae q. 65 a. 1] Ia-IIae q. 65 a. 2[t:ia-iiae q. 65 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 2 s. c.
Hiertegenover staat echter, dat de Glossa bij het Psalmwoord (Ps. 1, 2): "Maar zijn wil is in Gods Wet" zegt: "Hier blijkt, dat Christus vol was van elk goed". Maar de deugd is "een goede eigenschap van de geest". Dus was Christus vol van alle deugden.
B: (Ps 1:2) [b:Ps 1:2]
Hiertegenover staat echter, dat de Glossa bij het Psalmwoord (Ps. 1, 2): "Maar zijn wil is in Gods Wet" zegt: "Hier blijkt, dat Christus vol was van elk goed". Maar de deugd is "een goede eigenschap van de geest". Dus was Christus vol van alle deugden.
B: (Ps 1:2) [b:Ps 1:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals in het tweede deel is behandeld (Ia-Iaie, 110e Kw., 4e Art.), betrekt de genade zich op het wezen der ziel, en evenzo de deugd op haar vermogens. Dus moeten, zoals de vermogens der ziel uit haar wezen vloeien, de deugden een uitvloeisel der genade zijn. Naarmate nu een beginsel volmaakter is, zoveel te meer zal het zijn gevolgen teweeg brengen. En omdat Christus’ genade allervolmaaktst is, volgt eruit, dat uit haar deugden voortvloeien om alle vermogens der ziel ten opzichte van alle daden te vervolmaken. En zo had Christus alle deugden.
R: Ia-IIae q. 110 a. 3[t:ia-iiae q. 110 a. 3] Ia-IIae q. 110 a. 4[t:ia-iiae q. 110 a. 4]
Mijn antwoord. Zoals in het tweede deel is behandeld (Ia-Iaie, 110e Kw., 4e Art.), betrekt de genade zich op het wezen der ziel, en evenzo de deugd op haar vermogens. Dus moeten, zoals de vermogens der ziel uit haar wezen vloeien, de deugden een uitvloeisel der genade zijn. Naarmate nu een beginsel volmaakter is, zoveel te meer zal het zijn gevolgen teweeg brengen. En omdat Christus’ genade allervolmaaktst is, volgt eruit, dat uit haar deugden voortvloeien om alle vermogens der ziel ten opzichte van alle daden te vervolmaken. En zo had Christus alle deugden.
R: Ia-IIae q. 110 a. 3[t:ia-iiae q. 110 a. 3] Ia-IIae q. 110 a. 4[t:ia-iiae q. 110 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De genade is voor de mens voldoende in alles, waardoor hij op de zaligheid wordt gericht. Maar sommige dingen hiervan vervolmaakt de genade onmiddellijk door zichzelf, zoals aan God welgevallig maken en dergelijke; maar anderen door middel der deugden die uit de genade voortvloeien.
1e Weerlegging. De genade is voor de mens voldoende in alles, waardoor hij op de zaligheid wordt gericht. Maar sommige dingen hiervan vervolmaakt de genade onmiddellijk door zichzelf, zoals aan God welgevallig maken en dergelijke; maar anderen door middel der deugden die uit de genade voortvloeien.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Die heldhaftige en goddelijke hebbelijkheid verschilt van de deugd in gewone zin alleen door de meer volmaakte manier van handelen, nl. in zover iemand op een hogere manier op het goede is aangelegd dan de anderen gewoonlijk zijn. Dus blijkt hieruit niet, dat Christus geen deugden had, maar dat Hij ze zo volmaakt mogelijk boven het gewone peil had. Zoals ook Plotinus een verheven soort deugd aannam, die hij noemde "van de gereinigde ziel".
2e Weerlegging. Die heldhaftige en goddelijke hebbelijkheid verschilt van de deugd in gewone zin alleen door de meer volmaakte manier van handelen, nl. in zover iemand op een hogere manier op het goede is aangelegd dan de anderen gewoonlijk zijn. Dus blijkt hieruit niet, dat Christus geen deugden had, maar dat Hij ze zo volmaakt mogelijk boven het gewone peil had. Zoals ook Plotinus een verheven soort deugd aannam, die hij noemde "van de gereinigde ziel".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Vrijgevigheid en prachtliefde ten opzichte van de rijkdommen zijn hierom aanbevelenswaardig, dat iemand de rijkdom niet zo hoog aanslaat, dat hij hem wil behouden met nalating van wat geschieden moet. Maar wie hen geheel en al veracht en verwerpt uit liefde voor de volmaaktheid, stelt ze helemaal niet op prijs. En dus toonde Christus een grote graad van vrijgevigheid en prachtliefde te bezitten door hen geheel te verwerpen. Toch stelde Hij ook daden van vrijgevigheid, in zover het Hem paste, door aan de armen te geven, wat Hem geschonken werd, zodat de leerlingen, toen de Heer tot Judas zei (Johannes, 13, 27): "Wat gij doet, doe dat spoedig", dit zo opvatten, alsof de Heer bevel gaf om "de armen iets te geven". Maar slechte begeerten had Christus helemaal niet, zoals beneden zal blijken. Maar daarmee is het nog niet uitgesloten, dat Hij de matigheid bezat, die in de mens zoveel te volmaakter aanwezig is, naarmate hij vrijer is van slechte begeerten. Vandaar dat volgens de Filosoof in het 7e boek Over de Zedeleer, de matige mens zich hierin van hem, die zich onthoudt onderscheidt, dat wie zich onthoudt, nog onder slechte begeerten gebukt gaat, die de matige mist. En als wij dus de onthouding opvatten in de zin van de Filosoof, had Christus, juist omdat Hij alle deugden had, de onthouding niet, die immers geen deugd is, maar iets, dat lager staat.
B: (John 13:21, John 13:21) [b:John 13:21]
R: q. 15 a. 1[t:iiia q. 15 a. 1] q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
3e Weerlegging. Vrijgevigheid en prachtliefde ten opzichte van de rijkdommen zijn hierom aanbevelenswaardig, dat iemand de rijkdom niet zo hoog aanslaat, dat hij hem wil behouden met nalating van wat geschieden moet. Maar wie hen geheel en al veracht en verwerpt uit liefde voor de volmaaktheid, stelt ze helemaal niet op prijs. En dus toonde Christus een grote graad van vrijgevigheid en prachtliefde te bezitten door hen geheel te verwerpen. Toch stelde Hij ook daden van vrijgevigheid, in zover het Hem paste, door aan de armen te geven, wat Hem geschonken werd, zodat de leerlingen, toen de Heer tot Judas zei (Johannes, 13, 27): "Wat gij doet, doe dat spoedig", dit zo opvatten, alsof de Heer bevel gaf om "de armen iets te geven". Maar slechte begeerten had Christus helemaal niet, zoals beneden zal blijken. Maar daarmee is het nog niet uitgesloten, dat Hij de matigheid bezat, die in de mens zoveel te volmaakter aanwezig is, naarmate hij vrijer is van slechte begeerten. Vandaar dat volgens de Filosoof in het 7e boek Over de Zedeleer, de matige mens zich hierin van hem, die zich onthoudt onderscheidt, dat wie zich onthoudt, nog onder slechte begeerten gebukt gaat, die de matige mist. En als wij dus de onthouding opvatten in de zin van de Filosoof, had Christus, juist omdat Hij alle deugden had, de onthouding niet, die immers geen deugd is, maar iets, dat lager staat.
B: (John 13:21, John 13:21) [b:John 13:21]
R: q. 15 a. 1[t:iiia q. 15 a. 1] q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Was er geloof in Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 7 a. 8 arg. 2
IIIa q. 7 a. 9 arg. 1[t:iiia q. 7 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 7 a. 9 arg. 1]
IIIa q. 7 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat er geloof was in Christus. Want het geloof is een edelere deugd dan de zedelijke deugden als de vrijgevigheid en de matigheid. Maar die deugden waren in Christus, dus was het geloof nog veel eerder in Hem.
R: q. 7 a. 2[t:iiia q. 7 a. 2]
IIIa q. 7 a. 8 arg. 2
IIIa q. 7 a. 9 arg. 1[t:iiia q. 7 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 7 a. 9 arg. 1]
IIIa q. 7 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat er geloof was in Christus. Want het geloof is een edelere deugd dan de zedelijke deugden als de vrijgevigheid en de matigheid. Maar die deugden waren in Christus, dus was het geloof nog veel eerder in Hem.
R: q. 7 a. 2[t:iiia q. 7 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Christus onderwees geen deugden, die Hij zelf niet had, volgens de Handelingen (1, 1): "Jesus begon te doen en te leren". Maar van Christus wordt in de Hebreeënbrief gezegd (12, 2), dat Hij "geworpen en voltooier van het geloof" is. Dus was het geloof in hoogste mate in Hem.
B: (Acts 1:1) [b:Acts 1:1] (Heb 12:2) [b:Heb 12:2]
Vervolgens. Christus onderwees geen deugden, die Hij zelf niet had, volgens de Handelingen (1, 1): "Jesus begon te doen en te leren". Maar van Christus wordt in de Hebreeënbrief gezegd (12, 2), dat Hij "geworpen en voltooier van het geloof" is. Dus was het geloof in hoogste mate in Hem.
B: (Acts 1:1) [b:Acts 1:1] (Heb 12:2) [b:Heb 12:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Van de zaligen wordt iedere onvolmaaktheid uitgesloten. Nu is er geloof in de zaligen, want op de Romeinenbrief (1, 17), "Gods rechtvaardigheid wordt in Hem getoond van geloof tot geloof", zegt de Glossa: "Van het geloof aan woorden en in hoop tot het geloof aan de dingen en het zien". Dus schijnt het geloof ook in Christus te zijn geweest, omdat het geen onvolmaaktheid bevat.
B: (Rom 1:17) [b:Rom 1:17]
Vervolgens. Van de zaligen wordt iedere onvolmaaktheid uitgesloten. Nu is er geloof in de zaligen, want op de Romeinenbrief (1, 17), "Gods rechtvaardigheid wordt in Hem getoond van geloof tot geloof", zegt de Glossa: "Van het geloof aan woorden en in hoop tot het geloof aan de dingen en het zien". Dus schijnt het geloof ook in Christus te zijn geweest, omdat het geen onvolmaaktheid bevat.
B: (Rom 1:17) [b:Rom 1:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat het woord uit de Hebreeënbrief (11, 1), dat "het geloof een bewijs is van zaken, die men niet ziet". Maar er was niets, dat Christus niet zag, volgens wat Petrus tot Hem zei (Johannes, laatste H., 17): "Gij weet alles". Dus was er geen geloof in Christus.
B: (John 21:17) [b:John 21:17] (Heb 11:1) [b:Heb 11:1]
Maar daartegenover staat het woord uit de Hebreeënbrief (11, 1), dat "het geloof een bewijs is van zaken, die men niet ziet". Maar er was niets, dat Christus niet zag, volgens wat Petrus tot Hem zei (Johannes, laatste H., 17): "Gij weet alles". Dus was er geen geloof in Christus.
B: (John 21:17) [b:John 21:17] (Heb 11:1) [b:Heb 11:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals in het tweede deel is gezegd (IIa-IIae, 4e Kw., 1e Art.), is het voorwerp van het geloof een goddelijk, ongesien ding. Maar de deugdzaamheid, als iedere andere, krijgt haar aard van haar voorwerp. Sluit men dus uit, dat de goddelijke dingen ongesien zijn, dan sluit men de eigenlijke aard van het geloof uit. Nu zag Christus reeds in het eerste ogenblik, dat Hij ontvangen werd, God volledig naar Zijn wezen, zoals later zal blijken (34e Kw., 4e Art.). Dus kon er in Hem geen geloof zijn.
R: IIa-IIae q. 1 a. 4[t:iia-iiae q. 1 a. 4] q. 34 a. 1[t:iiia q. 34 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals in het tweede deel is gezegd (IIa-IIae, 4e Kw., 1e Art.), is het voorwerp van het geloof een goddelijk, ongesien ding. Maar de deugdzaamheid, als iedere andere, krijgt haar aard van haar voorwerp. Sluit men dus uit, dat de goddelijke dingen ongesien zijn, dan sluit men de eigenlijke aard van het geloof uit. Nu zag Christus reeds in het eerste ogenblik, dat Hij ontvangen werd, God volledig naar Zijn wezen, zoals later zal blijken (34e Kw., 4e Art.). Dus kon er in Hem geen geloof zijn.
R: IIa-IIae q. 1 a. 4[t:iia-iiae q. 1 a. 4] q. 34 a. 1[t:iiia q. 34 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het geloof is edeler dan de zedelijke deugden, omdat het zich op een edeler voorwerp betrekt; maar in vergelijking met dat voorwerp sluit het een volmaaktheid in, die in Christus er niet was. Dus kon er geen geloof in Hem zijn, ook al waren er zedelijke deugden, die in vergelijking met hun voorwerp zo’n gebrek niet meebrengen.
1e Weerlegging. Het geloof is edeler dan de zedelijke deugden, omdat het zich op een edeler voorwerp betrekt; maar in vergelijking met dat voorwerp sluit het een volmaaktheid in, die in Christus er niet was. Dus kon er geen geloof in Hem zijn, ook al waren er zedelijke deugden, die in vergelijking met hun voorwerp zo’n gebrek niet meebrengen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De verdienstelijkheid van het geloof ligt hierin, dat de mens uit gehoorzaamheid aan God datgene aanneemt, wat hij niet ziet, naar het woord uit de Romeinenbrief (1, 5): "Om aan het geloof te doen gehoorzamen onder alle volkeren ter ere van zijn Naam". Nu had Christus ten volle de gehoorzaamheid aan God volgens de Brief aan de Philippiërs (2, 8): "Hij is gehoorzaam geworden tot aan de dood". En dus onderwees Hij niets in verband met de verdienste, wat Hij niet eerst zelf schitterend had volbracht.
B: (Rom 1:5) [b:Rom 1:5] (Phil 2:8) [b:Phil 2:8]
2e Weerlegging. De verdienstelijkheid van het geloof ligt hierin, dat de mens uit gehoorzaamheid aan God datgene aanneemt, wat hij niet ziet, naar het woord uit de Romeinenbrief (1, 5): "Om aan het geloof te doen gehoorzamen onder alle volkeren ter ere van zijn Naam". Nu had Christus ten volle de gehoorzaamheid aan God volgens de Brief aan de Philippiërs (2, 8): "Hij is gehoorzaam geworden tot aan de dood". En dus onderwees Hij niets in verband met de verdienste, wat Hij niet eerst zelf schitterend had volbracht.
B: (Rom 1:5) [b:Rom 1:5] (Phil 2:8) [b:Phil 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Zoals de Glossa op dezelfde plaats zegt, "is het geloof eigenlijk datgene, waardoor wat niet gezien wordt, aangenomen wordt". Maar het geloof ten opzichte van geziene dingen wordt oneigenlijk zo genoemd krachtens een gelijkheid wat de zekerheid en vastheid van het aannemen betreft.
3e Weerlegging. Zoals de Glossa op dezelfde plaats zegt, "is het geloof eigenlijk datgene, waardoor wat niet gezien wordt, aangenomen wordt". Maar het geloof ten opzichte van geziene dingen wordt oneigenlijk zo genoemd krachtens een gelijkheid wat de zekerheid en vastheid van het aannemen betreft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Was er hoop in Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 7 a. 6 arg. 1
IIIa q. 7 a. 8 arg. 2
IIIa q. 7 a. 9 arg. 1[t:iiia q. 7 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 7 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 7 a. 9 arg. 1]
IIIa q. 7 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat er in Christus hoop was. Want in de Psalm (30, 2) wordt, volgens de Glossa uit Christus' naam, gezegd: "Op U, Heer, heb ik gehoopt". Maar de hoop is de deugd, waardoor de mens op God hoopt. Dus was de deugd van hoop in Christus.
B: (Ps 30:1) [b:Ps 30:1]
IIIa q. 7 a. 6 arg. 1
IIIa q. 7 a. 8 arg. 2
IIIa q. 7 a. 9 arg. 1[t:iiia q. 7 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 7 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 7 a. 9 arg. 1]
IIIa q. 7 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat er in Christus hoop was. Want in de Psalm (30, 2) wordt, volgens de Glossa uit Christus' naam, gezegd: "Op U, Heer, heb ik gehoopt". Maar de hoop is de deugd, waardoor de mens op God hoopt. Dus was de deugd van hoop in Christus.
B: (Ps 30:1) [b:Ps 30:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De hoop is de verwachting van de toekomstige zaligheid, zoals in het tweede deel is uiteengezet (IIa-IIae 17° Kw., 1° Art., Antw. op de 2° B., 8° Art., 6° Art., Antw. op de 2° B.). Nu verwachtte Christus iets, dat bij de zaligheid behoorde, namelijk de verheerlijking van zijn lichaam. Dus schijnt de hoop in Hem te zijn geweest.
R: IIa-IIae q. 17 a. 5 ad 3[t:iia-iiae q. 17 a. 5 ad 3]
Vervolgens. De hoop is de verwachting van de toekomstige zaligheid, zoals in het tweede deel is uiteengezet (IIa-IIae 17° Kw., 1° Art., Antw. op de 2° B., 8° Art., 6° Art., Antw. op de 2° B.). Nu verwachtte Christus iets, dat bij de zaligheid behoorde, namelijk de verheerlijking van zijn lichaam. Dus schijnt de hoop in Hem te zijn geweest.
R: IIa-IIae q. 17 a. 5 ad 3[t:iia-iiae q. 17 a. 5 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Ieder kan hopen op wat tot zijn volmaaktheid behoort, als het toekomstig is. Maar iets, wat tot Christus’ volmaaktheid behoorde, was nog toekomstig, volgens de Brief aan de Ephesiërs (4, 12): "Om de heiligen te voltooien, om de bediening uit te oefenen, om het lichaam van Christus op te bouwen". Dus schijnt het aan Christus toegekomen te hebben te hopen.
B: (Eph 4:12) [b:Eph 4:12]
Vervolgens. Ieder kan hopen op wat tot zijn volmaaktheid behoort, als het toekomstig is. Maar iets, wat tot Christus’ volmaaktheid behoorde, was nog toekomstig, volgens de Brief aan de Ephesiërs (4, 12): "Om de heiligen te voltooien, om de bediening uit te oefenen, om het lichaam van Christus op te bouwen". Dus schijnt het aan Christus toegekomen te hebben te hopen.
B: (Eph 4:12) [b:Eph 4:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 4 s. c.
Maar hiertegenover staat wat in de Romeinenbrief gezegd wordt (8, 24): "Als iemand iets ziet, hoe zal hij het nog hopen?" En zo blijkt, dat de hoop evenals het geloof gaat over wat niet gezien wordt. Maar zoals gezegd werd (Vorig Artikel), was het geloof niet in Christus. Dus evenmin de hoop.
B: (Rom 8:24) [b:Rom 8:24]
R: q. 7 a. 1[t:iiia q. 7 a. 1]
Maar hiertegenover staat wat in de Romeinenbrief gezegd wordt (8, 24): "Als iemand iets ziet, hoe zal hij het nog hopen?" En zo blijkt, dat de hoop evenals het geloof gaat over wat niet gezien wordt. Maar zoals gezegd werd (Vorig Artikel), was het geloof niet in Christus. Dus evenmin de hoop.
B: (Rom 8:24) [b:Rom 8:24]
R: q. 7 a. 1[t:iiia q. 7 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals het tot de aard van het geloof behoort, dat iemand aanneemt wat hij niet ziet, zo behoort het tot de aard van de hoop, dat iemand verwacht wat hij nog niet heeft. En zoals het geloof, genomen als goddelijke deugd, niet gaat over elk ongezien ding, maar alleen over God, heeft ook de hoop als goddelijke deugd het genieten zelf van God als voorwerp, wat de mens vooral verwacht door de deugd van hoop. Maar als een gevolg hiervan kan iemand, die de deugd van hoop heeft, ook in andere dingen Gods hulp verwachten, zoals hij, die de deugd van geloof heeft, God niet alleen gelooft als het gaat over goddelijke dingen, maar ook over alle andere dingen, die hem van Godswege geopenbaard zijn. Nu had Christus vanaf het begin, dat Hij ontvangen was, volledig het genieten van God, zoals later besproken zal worden (34° Kw., 4° Art.). En dus had Hij de deugd van hoop niet. Maar Hij had hoop ten opzichte van sommige dingen, die Hij nog niet verkregen had, al had Hij dan geen hoop ten opzichte van alles. Want al kende Hij alles volledig, waardoor het geloof bij Hem geheel en al uitgesloten was, had Hij toch nog niet volledig alles, wat tot zijn volmaaktheid behoort, bijvoorbeeld de onsterfelijkheid en de verheerlijking van Zijn lichaam, die Hij nog kon hopen.
R: q. 34 a. 4[t:iiia q. 34 a. 4]
Mijn antwoord. Zoals het tot de aard van het geloof behoort, dat iemand aanneemt wat hij niet ziet, zo behoort het tot de aard van de hoop, dat iemand verwacht wat hij nog niet heeft. En zoals het geloof, genomen als goddelijke deugd, niet gaat over elk ongezien ding, maar alleen over God, heeft ook de hoop als goddelijke deugd het genieten zelf van God als voorwerp, wat de mens vooral verwacht door de deugd van hoop. Maar als een gevolg hiervan kan iemand, die de deugd van hoop heeft, ook in andere dingen Gods hulp verwachten, zoals hij, die de deugd van geloof heeft, God niet alleen gelooft als het gaat over goddelijke dingen, maar ook over alle andere dingen, die hem van Godswege geopenbaard zijn. Nu had Christus vanaf het begin, dat Hij ontvangen was, volledig het genieten van God, zoals later besproken zal worden (34° Kw., 4° Art.). En dus had Hij de deugd van hoop niet. Maar Hij had hoop ten opzichte van sommige dingen, die Hij nog niet verkregen had, al had Hij dan geen hoop ten opzichte van alles. Want al kende Hij alles volledig, waardoor het geloof bij Hem geheel en al uitgesloten was, had Hij toch nog niet volledig alles, wat tot zijn volmaaktheid behoort, bijvoorbeeld de onsterfelijkheid en de verheerlijking van Zijn lichaam, die Hij nog kon hopen.
R: q. 34 a. 4[t:iiia q. 34 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Dit zegt men niet van Christus krachtens de hoop, die een goddelijke deugd is, maar omdat Hij sommige dingen hoopte, die Hij niet verkregen had, zoals gezegd is (in de Leerstelling).
1e Weerlegging. Dit zegt men niet van Christus krachtens de hoop, die een goddelijke deugd is, maar omdat Hij sommige dingen hoopte, die Hij niet verkregen had, zoals gezegd is (in de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. De verheerlijking van het lichaam behoort niet tot de zaligheid als datgene, waarin de zaligheid voornamelijk bestaat, maar gebeurt door een overvloeiing van de glorie der ziel, zoals in het tweede deel is gezegd (Ia-IIae, 4° Kw., 6° Art.). Daarom slaat de hoop als goddelijke deugd niet op het geluk van het lichaam, maar op de zaligheid der ziel, die in het genieten van God bestaat.
R: Ia-IIae q. 4 a. 6[t:ia-iiae q. 4 a. 6]
2e Weerlegging. De verheerlijking van het lichaam behoort niet tot de zaligheid als datgene, waarin de zaligheid voornamelijk bestaat, maar gebeurt door een overvloeiing van de glorie der ziel, zoals in het tweede deel is gezegd (Ia-IIae, 4° Kw., 6° Art.). Daarom slaat de hoop als goddelijke deugd niet op het geluk van het lichaam, maar op de zaligheid der ziel, die in het genieten van God bestaat.
R: Ia-IIae q. 4 a. 6[t:ia-iiae q. 4 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De opbouw der Kerk door de bekeering der gelovigen behoort niet tot de volmaaktheid van Christus, waardoor Hij in zichzelf volmaakt is, maar voor zover Hij anderen brengt tot het delen in zijn volmaaktheid. En omdat men in eigenlijke zin van hoop spreekt met betrekking tot iets, wat hij, die hoopt, zelf verwacht te bezitten, kan men niet eigenlijk zeggen, dat Christus om de aangehaalde reden de deugd van hoop bezat.
3e Weerlegging. De opbouw der Kerk door de bekeering der gelovigen behoort niet tot de volmaaktheid van Christus, waardoor Hij in zichzelf volmaakt is, maar voor zover Hij anderen brengt tot het delen in zijn volmaaktheid. En omdat men in eigenlijke zin van hoop spreekt met betrekking tot iets, wat hij, die hoopt, zelf verwacht te bezitten, kan men niet eigenlijk zeggen, dat Christus om de aangehaalde reden de deugd van hoop bezat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Waren de gaven van de Heilige Geest in Christus?
IIIa q. 7 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat de gaven van de Heilige Geest niet in Christus waren. Want zoals men gewoonlijk zegt, worden de gaven gegeven als hulp voor de deugden. Maar wat in zichzelf volmaakt is, heeft geen hulp van buiten nodig. Omdat dus de deugden in Christus volmaakt waren, schijnt het dat de gaven niet in Hem waren.
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat de gaven van de Heilige Geest niet in Christus waren. Want zoals men gewoonlijk zegt, worden de gaven gegeven als hulp voor de deugden. Maar wat in zichzelf volmaakt is, heeft geen hulp van buiten nodig. Omdat dus de deugden in Christus volmaakt waren, schijnt het dat de gaven niet in Hem waren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Dezelfde schijnt niet gaven te schenken en te ontvangen, want geven komt toe aan wie bezit, maar ontvangen aan wie niet bezit. Maar aan Christus komt het toe gaven te geven, volgens het Psalmwoord (Ps. 67): "Hij gaf gaven aan de mensen". Dus kwam het Christus niet toe de gaven van de Heilige Geest te ontvangen.
B: (Ps 67, Ps 67:19) [b:Ps 67]
Vervolgens. Dezelfde schijnt niet gaven te schenken en te ontvangen, want geven komt toe aan wie bezit, maar ontvangen aan wie niet bezit. Maar aan Christus komt het toe gaven te geven, volgens het Psalmwoord (Ps. 67): "Hij gaf gaven aan de mensen". Dus kwam het Christus niet toe de gaven van de Heilige Geest te ontvangen.
B: (Ps 67, Ps 67:19) [b:Ps 67]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Vier gaven schijnen te behoren tot de beschouwing van hen, die nog op hun pelgrimsreis zijn, nl. die van wijsheid, wetenschap, verstand en raad, wat tot de voorzichtigheid behoort: vandaar dat de Filosoof hen onder de verstandsdeugden rekent. Maar Christus had de beschouwing van hen, die reeds in het vaderland zijn. Dus had Hij die gaven niet.
Vervolgens. Vier gaven schijnen te behoren tot de beschouwing van hen, die nog op hun pelgrimsreis zijn, nl. die van wijsheid, wetenschap, verstand en raad, wat tot de voorzichtigheid behoort: vandaar dat de Filosoof hen onder de verstandsdeugden rekent. Maar Christus had de beschouwing van hen, die reeds in het vaderland zijn. Dus had Hij die gaven niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 5 s. c.
Maar daartegenover staat wat Isaïas zegt (4, 1): "Zeven vrouwen zullen grijpen naar een man" en de Glossa: "dit betekent: de zeven gaven van de Heilige Geest Christus".
B: (Isa 4:1) [b:Isa 4:1]
Maar daartegenover staat wat Isaïas zegt (4, 1): "Zeven vrouwen zullen grijpen naar een man" en de Glossa: "dit betekent: de zeven gaven van de Heilige Geest Christus".
B: (Isa 4:1) [b:Isa 4:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zoals in het tweede deel is gezegd (Ia-Ilae, 68e Kw., 1e Art.), zijn de gaven eigenlijk vervolmakingen van de vermogens der ziel, in zover dezen er op aangelegd zijn door de H. Geest bewogen te worden. Nu is het duidelijk dat Christus’ ziel zo volmaakt mogelijk door de Heilige Geest bewogen werd, volgens het woord van Lucas (4, 1): "Jesus, vol van de Heilige Geest, verliet de Jordaan en werd door de Geest naar de woestijn gevoerd". Daarom is het duidelijk dat de gaven op een uitmuntende wijze in Christus waren.
B: (Luke 4:1) [b:Luke 4:1]
R: Ia-IIae q. 68 a. 1[t:ia-iiae q. 68 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals in het tweede deel is gezegd (Ia-Ilae, 68e Kw., 1e Art.), zijn de gaven eigenlijk vervolmakingen van de vermogens der ziel, in zover dezen er op aangelegd zijn door de H. Geest bewogen te worden. Nu is het duidelijk dat Christus’ ziel zo volmaakt mogelijk door de Heilige Geest bewogen werd, volgens het woord van Lucas (4, 1): "Jesus, vol van de Heilige Geest, verliet de Jordaan en werd door de Geest naar de woestijn gevoerd". Daarom is het duidelijk dat de gaven op een uitmuntende wijze in Christus waren.
B: (Luke 4:1) [b:Luke 4:1]
R: Ia-IIae q. 68 a. 1[t:ia-iiae q. 68 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Wat volmaakt is in de orde van zijn natuur, moet geholpen worden door wat een hogere natuur is, zoals de mens, hoe volmaakt hij ook is, er behoefte aan heeft door God geholpen te worden. En op die manier moeten de deugden door de gaven geholpen worden, die de vermogens der ziel vervolmaken in zover zij bewogen worden door de H. Geest.
1e Weerlegging. Wat volmaakt is in de orde van zijn natuur, moet geholpen worden door wat een hogere natuur is, zoals de mens, hoe volmaakt hij ook is, er behoefte aan heeft door God geholpen te worden. En op die manier moeten de deugden door de gaven geholpen worden, die de vermogens der ziel vervolmaken in zover zij bewogen worden door de H. Geest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Christus is niet onder hetzelfde opzicht de gever en ontvanger der gaven, maar Hij geeft hen als God en ontvangt hen als mens. Daarom zegt Gregorius in het 2e boek Over de Zedeleer (56e H.): "De Heilige Geest verliet de mensheid van Christus, uit Wiens Godheid Hij voortkomt, nooit".
2e Weerlegging. Christus is niet onder hetzelfde opzicht de gever en ontvanger der gaven, maar Hij geeft hen als God en ontvangt hen als mens. Daarom zegt Gregorius in het 2e boek Over de Zedeleer (56e H.): "De Heilige Geest verliet de mensheid van Christus, uit Wiens Godheid Hij voortkomt, nooit".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. In Christus was niet alleen de kennis, die wij in het vaderland zullen hebben, maar ook die, welke wij hebben op de weg erheen, zoals later zal worden gezegd. En bovendien zijn ook in het vaderland de gaven er nog enigszins, zoals in het tweede deel besproken is. (Ia-IIae, 68e Kw., 6e Art.).
R: q. 15 a. 10[t:iiia q. 15 a. 10] Ia-IIae q. 68 a. 6[t:ia-iiae q. 68 a. 6]
3e Weerlegging. In Christus was niet alleen de kennis, die wij in het vaderland zullen hebben, maar ook die, welke wij hebben op de weg erheen, zoals later zal worden gezegd. En bovendien zijn ook in het vaderland de gaven er nog enigszins, zoals in het tweede deel besproken is. (Ia-IIae, 68e Kw., 6e Art.).
R: q. 15 a. 10[t:iiia q. 15 a. 10] Ia-IIae q. 68 a. 6[t:ia-iiae q. 68 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Was de gave van vrees in Christus?
IIIa q. 7 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de gave van vrees niet in Christus was. Want de hoop schijnt sterker te zijn dan de vrees, omdat het voorwerp van de hoop het goede is, dat van de vrees het kwaad is, zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 40e Kw., 1e Art.) werd uiteengezet. Maar in Christus was geen deugd van hoop, zoals boven is gezegd. Dus was er in Hem ook geen gave van vrees.
R: Ia-IIae q. 40 a. 1[t:ia-iiae q. 40 a. 1] Ia-IIae q. 42 a. 1[t:ia-iiae q. 42 a. 1] q. 7 a. 4[t:iiia q. 7 a. 4]
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de gave van vrees niet in Christus was. Want de hoop schijnt sterker te zijn dan de vrees, omdat het voorwerp van de hoop het goede is, dat van de vrees het kwaad is, zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 40e Kw., 1e Art.) werd uiteengezet. Maar in Christus was geen deugd van hoop, zoals boven is gezegd. Dus was er in Hem ook geen gave van vrees.
R: Ia-IIae q. 40 a. 1[t:ia-iiae q. 40 a. 1] Ia-IIae q. 42 a. 1[t:ia-iiae q. 42 a. 1] q. 7 a. 4[t:iiia q. 7 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Door de gave van vrees vreest iemand ofwel van God gescheiden te worden, wat eigen is aan de reine vrees; ofwel door Hem gestraft te worden, wat onder de slaven vrees valt, zoals Augustinus zegt in het Commentaar op de Kanonieke brief van Johannes. Maar Christus vreesde niet door de zonde van God gescheiden te worden, of door Hem gestraft te worden om Zijn schuld, want het was onmogelijk, dat Hij zondigde, zoals later gezegd zal worden; maar onmogelijke dingen worden niet gevreesd. Dus was de gave van vrees niet in Christus.
R: q. 15 a. 1[t:iiia q. 15 a. 1] q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
Vervolgens. Door de gave van vrees vreest iemand ofwel van God gescheiden te worden, wat eigen is aan de reine vrees; ofwel door Hem gestraft te worden, wat onder de slaven vrees valt, zoals Augustinus zegt in het Commentaar op de Kanonieke brief van Johannes. Maar Christus vreesde niet door de zonde van God gescheiden te worden, of door Hem gestraft te worden om Zijn schuld, want het was onmogelijk, dat Hij zondigde, zoals later gezegd zal worden; maar onmogelijke dingen worden niet gevreesd. Dus was de gave van vrees niet in Christus.
R: q. 15 a. 1[t:iiia q. 15 a. 1] q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 6 arg. 3
Vervolgens. In de Eerste brief van Johannes wordt gezegd (4, 18): "De volmaakte liefde werpt de vrees buiten". Nu was er in Christus een allervolmaaktste liefde, naar het woord uit de Brief aan de Ephesiërs (3, 19): de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat". Dus was de gave van vrees niet in Christus.
B: (Eph 3:19) [b:Eph 3:19] (1John 4:18) [b:1John 4:18]
Vervolgens. In de Eerste brief van Johannes wordt gezegd (4, 18): "De volmaakte liefde werpt de vrees buiten". Nu was er in Christus een allervolmaaktste liefde, naar het woord uit de Brief aan de Ephesiërs (3, 19): de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat". Dus was de gave van vrees niet in Christus.
B: (Eph 3:19) [b:Eph 3:19] (1John 4:18) [b:1John 4:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 6 s. c.
Maar daartegenover staat wat bij Isaïas wordt gezegd (11, 3): "De geest van de vrees des Heren zal Hem vervullen".
B: (Isa 11:3) [b:Isa 11:3]
Maar daartegenover staat wat bij Isaïas wordt gezegd (11, 3): "De geest van de vrees des Heren zal Hem vervullen".
B: (Isa 11:3) [b:Isa 11:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 6 co.
Mijn antwoord. Zoals in het tweede deel werd gezegd (Ia-Iae, 42e Kw., 1e Art.), slaat de vrees op een dubbel voorwerp: waarvan het ene het kwaad is, dat angst aanjaagt, en het andere diegene, door wiens macht kwaad kan worden toegebracht, zoals iemand een koning vreest, in zover hij macht heeft om te doden. Maar wie macht heeft, zou niet gevreesd worden, als hij niet een bijzondere macht had, waaraan niet gemakkelijk kan worden weerstaan; want wat wij gemakkelijk kunnen afwenden, vrezen wij niet. En zo blijkt het, dat iemand niet gevreesd wordt tenzij omdat hij boven anderen uitsteekt. Daarom moeten wij zeggen, dat de vrees voor God in Christus was, niet wat het kwaad der scheiding van God door de schuld betreft, en ook niet wat het kwaad van de straf voor de schuld betreft, maar voor zover zij zich richt op de alovertreffendheid van God, zodat Christus’ ziel, bewogen door de Heilige Geest, met een gevoel van eerbied zich tot Hem richtte. Daarom wordt ook in de Hebreeënbrief gezegd (5, 7), dat Hij "in alles verhoord is om Zijn eerbied". Want dit gevoel van eerbied voor God had Christus als mens in hogere mate dan de anderen. En daarom schrijft de H. Schrift Hem de volheid der vrees toe.
B: (Heb 5:7) [b:Heb 5:7]
R: Ia-IIae q. 42 a. 1[t:ia-iiae q. 42 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals in het tweede deel werd gezegd (Ia-Iae, 42e Kw., 1e Art.), slaat de vrees op een dubbel voorwerp: waarvan het ene het kwaad is, dat angst aanjaagt, en het andere diegene, door wiens macht kwaad kan worden toegebracht, zoals iemand een koning vreest, in zover hij macht heeft om te doden. Maar wie macht heeft, zou niet gevreesd worden, als hij niet een bijzondere macht had, waaraan niet gemakkelijk kan worden weerstaan; want wat wij gemakkelijk kunnen afwenden, vrezen wij niet. En zo blijkt het, dat iemand niet gevreesd wordt tenzij omdat hij boven anderen uitsteekt. Daarom moeten wij zeggen, dat de vrees voor God in Christus was, niet wat het kwaad der scheiding van God door de schuld betreft, en ook niet wat het kwaad van de straf voor de schuld betreft, maar voor zover zij zich richt op de alovertreffendheid van God, zodat Christus’ ziel, bewogen door de Heilige Geest, met een gevoel van eerbied zich tot Hem richtte. Daarom wordt ook in de Hebreeënbrief gezegd (5, 7), dat Hij "in alles verhoord is om Zijn eerbied". Want dit gevoel van eerbied voor God had Christus als mens in hogere mate dan de anderen. En daarom schrijft de H. Schrift Hem de volheid der vrees toe.
B: (Heb 5:7) [b:Heb 5:7]
R: Ia-IIae q. 42 a. 1[t:ia-iiae q. 42 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. De hebbelijkheden van deugden en gaven slaan eigenlijk en krachtens zichzelf op het goede, en dientengevolge pas op het kwade; want het behoort tot de aard van de deugd, dat zij "het werk goed maakt", zoals in het 2e boek Over de Zedeleer wordt gezegd. En daarom behoort het kwaad, waarop de vrees zich richt, niet tot de eigen aard van de gave van vrees, maar de allesovertreffendheid van dat (nl. het goddelijke) goed, door welks macht kwaad kan worden aangedaan. Maar de hoop, genomen als deugd, richt zich niet alleen op de bewerker van het goede, maar ook op het goede zelf in zover dit nog niet bezeten wordt. En daarom wordt aan Christus, die immers het volmaakte goed der zaligheid reeds bezat, de deugd van hoop niet toegeschreven, maar wel de gave van vrees.
1e Weerlegging. De hebbelijkheden van deugden en gaven slaan eigenlijk en krachtens zichzelf op het goede, en dientengevolge pas op het kwade; want het behoort tot de aard van de deugd, dat zij "het werk goed maakt", zoals in het 2e boek Over de Zedeleer wordt gezegd. En daarom behoort het kwaad, waarop de vrees zich richt, niet tot de eigen aard van de gave van vrees, maar de allesovertreffendheid van dat (nl. het goddelijke) goed, door welks macht kwaad kan worden aangedaan. Maar de hoop, genomen als deugd, richt zich niet alleen op de bewerker van het goede, maar ook op het goede zelf in zover dit nog niet bezeten wordt. En daarom wordt aan Christus, die immers het volmaakte goed der zaligheid reeds bezat, de deugd van hoop niet toegeschreven, maar wel de gave van vrees.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Dit argument gaat uit van de vrees, in zover zij slaat op het kwaad als haar voorwerp.
2e Weerlegging. Dit argument gaat uit van de vrees, in zover zij slaat op het kwaad als haar voorwerp.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. De volmaakte liefde werpt de slaverse vrees buiten, die vooral op de straf slaat. Maar zo’n vrees had Christus niet.
3e Weerlegging. De volmaakte liefde werpt de slaverse vrees buiten, die vooral op de straf slaat. Maar zo’n vrees had Christus niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Waren de om niet gegeven genaden in Christus?
IIIa q. 7 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de om niet gegeven genaden niet in Christus waren. Want aan wie iets in alle volheid heeft, komt het niet toe dat ook door deelhebbing te bezitten. Nu had Christus de genade in haar volheid, volgens het woord van Johannes (1, 14): "Vol van genade en waarheid". Nu schijnen de om niet gegeven genaden daarvan deelhebbingen, verdeeld en onderscheiden aan verschillende gegeven te zijn volgens het woord uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 4): "Er zijn verdelingen der genade". Dus schijnt het, dat de om niet gegeven genaden niet in Christus waren.
B: (John 1:14) [b:John 1:14] (1Cor 12:4) [b:1Cor 12:4]
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de om niet gegeven genaden niet in Christus waren. Want aan wie iets in alle volheid heeft, komt het niet toe dat ook door deelhebbing te bezitten. Nu had Christus de genade in haar volheid, volgens het woord van Johannes (1, 14): "Vol van genade en waarheid". Nu schijnen de om niet gegeven genaden daarvan deelhebbingen, verdeeld en onderscheiden aan verschillende gegeven te zijn volgens het woord uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 4): "Er zijn verdelingen der genade". Dus schijnt het, dat de om niet gegeven genaden niet in Christus waren.
B: (John 1:14) [b:John 1:14] (1Cor 12:4) [b:1Cor 12:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Waarop iemand recht heeft, schijnt hem niet om niet gegeven te zijn. Nu had Christus als mens recht op een overvloed van wijsheid en wetenschap in Zijn woorden en op macht om tekenen te doen, en op andere dingen, die onder de om niet gegeven genaden vallen; want Hijzelf is "Gods kracht en Gods wijsheid", zoals in de Eerste Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd (12, 8). Dus paste het niet, dat Christus de om niet gegeven genaden bezat.
B: (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24]
Vervolgens. Waarop iemand recht heeft, schijnt hem niet om niet gegeven te zijn. Nu had Christus als mens recht op een overvloed van wijsheid en wetenschap in Zijn woorden en op macht om tekenen te doen, en op andere dingen, die onder de om niet gegeven genaden vallen; want Hijzelf is "Gods kracht en Gods wijsheid", zoals in de Eerste Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd (12, 8). Dus paste het niet, dat Christus de om niet gegeven genaden bezat.
B: (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 7 arg. 3
Vervolgens. De om niet gegeven genaden zijn bestemd tot nut der gelovigen, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 7): "Aan iedere wordt een openbaring van de Geest tot nuttig gebruik gegeven". Maar een hebbelijkheid of een andere aanleg schijnt niet nuttig te zijn, als de mens ze niet gebruikt, volgens het boek Ecclesiasticus (20, 32): "Verborgen wijsheid en een ongeziene schat, welk nut is er in beiden?" Maar wij lezen niet, dat Christus alle om niet gegeven genaden gebruikte, vooral niet de gave om allerlei soort talen te spreken. Dus schijnen niet alle om niet gegeven genaden in Christus geweest te zijn.
B: (Sir 20:32) [b:Sir 20:32]
Vervolgens. De om niet gegeven genaden zijn bestemd tot nut der gelovigen, naar het woord uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 7): "Aan iedere wordt een openbaring van de Geest tot nuttig gebruik gegeven". Maar een hebbelijkheid of een andere aanleg schijnt niet nuttig te zijn, als de mens ze niet gebruikt, volgens het boek Ecclesiasticus (20, 32): "Verborgen wijsheid en een ongeziene schat, welk nut is er in beiden?" Maar wij lezen niet, dat Christus alle om niet gegeven genaden gebruikte, vooral niet de gave om allerlei soort talen te spreken. Dus schijnen niet alle om niet gegeven genaden in Christus geweest te zijn.
B: (Sir 20:32) [b:Sir 20:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus in de Brief aan Dardanus zegt, dat zoals alle zintuigen in het hoofd zijn, zo ook in Christus alle genaden waren.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus in de Brief aan Dardanus zegt, dat zoals alle zintuigen in het hoofd zijn, zo ook in Christus alle genaden waren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 7 co.
Mijn antwoord. Zoals in het tweede deel is gezegd (Ia-IIae, 111° Kw., 4° Art.), zijn de om niet gegeven genaden bestemd om het geloof en de geestelijke leer openbaar te maken. Nu is het nodig, dat hij, die onderwijst, alles heeft om zijn leer bekend te maken, want anders is zijn onderricht nutteloos. Nu is van de geestelijke leer en het geloof Christus de eerste en voornaamste leeraar volgens het woord uit de Hebreeënbrief (2, 3 en 4): "Toen de leer in het begin eerst door de Heer verkondigd was, is zij door hen, die dat aanhoord hadden, in ons bevestigd, terwijl de Heer voor hen getuigde het tekenen en wonderen". Daarom is het duidelijk, dat in Christus als in de eerste en voornaamste leeraar van het geloof de om niet gegeven genaden zo volmaakt mogelijk waren.
B: (Heb 2:3) [b:Heb 2:3] (Heb 2:4) [b:Heb 2:4]
R: Ia-IIae q. 111 a. 1[t:ia-iiae q. 111 a. 1] Ia-IIae q. 111 a. 4[t:ia-iiae q. 111 a. 4]
Mijn antwoord. Zoals in het tweede deel is gezegd (Ia-IIae, 111° Kw., 4° Art.), zijn de om niet gegeven genaden bestemd om het geloof en de geestelijke leer openbaar te maken. Nu is het nodig, dat hij, die onderwijst, alles heeft om zijn leer bekend te maken, want anders is zijn onderricht nutteloos. Nu is van de geestelijke leer en het geloof Christus de eerste en voornaamste leeraar volgens het woord uit de Hebreeënbrief (2, 3 en 4): "Toen de leer in het begin eerst door de Heer verkondigd was, is zij door hen, die dat aanhoord hadden, in ons bevestigd, terwijl de Heer voor hen getuigde het tekenen en wonderen". Daarom is het duidelijk, dat in Christus als in de eerste en voornaamste leeraar van het geloof de om niet gegeven genaden zo volmaakt mogelijk waren.
B: (Heb 2:3) [b:Heb 2:3] (Heb 2:4) [b:Heb 2:4]
R: Ia-IIae q. 111 a. 1[t:ia-iiae q. 111 a. 1] Ia-IIae q. 111 a. 4[t:ia-iiae q. 111 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Zoals de genade, die welgevallig maakt, bestemd is voor verdienstelijke daden, zowel innerlijke als uiterlijke, is de om niet gegeven genade bestemd voor sommige uiterlijke daden, die het geloof bekend maken, als het doen van wonderen en dergelijke. Maar in beiden had Christus de volheid der genade, want in zover Zijn ziel met de godheid verenigd was, had zij volledig kracht om alle genoemde handelingen te verrichten. Andere heiligen echter, die door God bewoogen worden als niet met Hem verenigde, maar los staande werktuigen, ontvangen speciaal de macht om deze of die handelingen te stellen. En daarom worden deze genaden bij de andere heiligen verdeeld aangetroffen, maar niet bij Christus.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 22 a. 1 ad 3
IIIa q. 22 a. 1 ad 3[t:iiia q. 22 a. 1 ad 3][t:iiia q. 22 a. 1 ad 3]
1e Weerlegging. Zoals de genade, die welgevallig maakt, bestemd is voor verdienstelijke daden, zowel innerlijke als uiterlijke, is de om niet gegeven genade bestemd voor sommige uiterlijke daden, die het geloof bekend maken, als het doen van wonderen en dergelijke. Maar in beiden had Christus de volheid der genade, want in zover Zijn ziel met de godheid verenigd was, had zij volledig kracht om alle genoemde handelingen te verrichten. Andere heiligen echter, die door God bewoogen worden als niet met Hem verenigde, maar los staande werktuigen, ontvangen speciaal de macht om deze of die handelingen te stellen. En daarom worden deze genaden bij de andere heiligen verdeeld aangetroffen, maar niet bij Christus.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 22 a. 1 ad 3
IIIa q. 22 a. 1 ad 3[t:iiia q. 22 a. 1 ad 3][t:iiia q. 22 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Christus wordt “Gods kracht en Gods wijsheid” genoemd in zover Hij de eeuwige Zoon Gods is. Maar onder dit opzicht komt het Hem niet toe de genade te hebben, maar eerder de gever van de genade te zijn. Het komt Hem echter krachtens de menselijke natuur toe de genade te hebben.
2e Weerlegging. Christus wordt “Gods kracht en Gods wijsheid” genoemd in zover Hij de eeuwige Zoon Gods is. Maar onder dit opzicht komt het Hem niet toe de genade te hebben, maar eerder de gever van de genade te zijn. Het komt Hem echter krachtens de menselijke natuur toe de genade te hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. De gave der talen werd aan de Apostelen gegeven, omdat zij gezonden werden "om alle volkeren te onderwijzen". Maar Christus wilde persoonlijk alleen prediken onder het ene volk der Joden, naar Hij zelf volgens Matthaeus zei (15, 24): "Ik ben niet gezonden tenzij tot de schapen van het huis van Israël, die verloren gingen"; en de Apostel zegt in de Romeinenbrief (15, 8): "Ik zeg, dat Jesus Christus de bedienaar der besnijdenis is geweest". En daarom was het niet nodig, dat Hij meerdere talen sprak. Toch miste Hij de kennis van alle talen niet; omdat zelfs, zoals later gezegd zal worden, de geheimen der harten, waarvan de woorden de tekens zijn, Hem niet verborgen waren. En deze kennis had Hij niet zonder nut, zoals hij, die een hebbelijkheid niet gebruikt, als er geen gelegenheid voor is, deze niet zonder nut heeft.
B: (Matt 15:24) [b:Matt 15:24] (Rom 15:8) [b:Rom 15:8]
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
3e Weerlegging. De gave der talen werd aan de Apostelen gegeven, omdat zij gezonden werden "om alle volkeren te onderwijzen". Maar Christus wilde persoonlijk alleen prediken onder het ene volk der Joden, naar Hij zelf volgens Matthaeus zei (15, 24): "Ik ben niet gezonden tenzij tot de schapen van het huis van Israël, die verloren gingen"; en de Apostel zegt in de Romeinenbrief (15, 8): "Ik zeg, dat Jesus Christus de bedienaar der besnijdenis is geweest". En daarom was het niet nodig, dat Hij meerdere talen sprak. Toch miste Hij de kennis van alle talen niet; omdat zelfs, zoals later gezegd zal worden, de geheimen der harten, waarvan de woorden de tekens zijn, Hem niet verborgen waren. En deze kennis had Hij niet zonder nut, zoals hij, die een hebbelijkheid niet gebruikt, als er geen gelegenheid voor is, deze niet zonder nut heeft.
B: (Matt 15:24) [b:Matt 15:24] (Rom 15:8) [b:Rom 15:8]
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Was de gave der profetie in Christus?
IIIa q. 7 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert dat de gave van profetie niet in Christus was. Want profetie sluit een duistere en onvolmaakte kennis in, naar het boek der Getallen (12, 6): "Als iemand onder u profeet des Heren is, zal Ik in dromen of gezichten tot hem spreken". Maar Christus had de volle en volmaakte kennis, veel meer dan Mozes, van wie er daar bij wordt gevoegd, dat hij "openlijk en niet in raadsels God zag". Dus moest er in Christus geen profetie zijn.
B: (Num 6:8) [b:Num 6:8] (Num 12:6) [b:Num 12:6]
Over het achtste als volgt. Men beweert dat de gave van profetie niet in Christus was. Want profetie sluit een duistere en onvolmaakte kennis in, naar het boek der Getallen (12, 6): "Als iemand onder u profeet des Heren is, zal Ik in dromen of gezichten tot hem spreken". Maar Christus had de volle en volmaakte kennis, veel meer dan Mozes, van wie er daar bij wordt gevoegd, dat hij "openlijk en niet in raadsels God zag". Dus moest er in Christus geen profetie zijn.
B: (Num 6:8) [b:Num 6:8] (Num 12:6) [b:Num 12:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Zoals geloof gaat over wat niet gezien en hoop over wat niet bezeten wordt, zo gaat profetie over wat niet aanwezig is, want het woord "profeet" beduidt "die van verre spreekt". Maar, zoals wij boven zeiden (3° en 4° Art.), nemen wij in Christus geloof noch hoop aan. Dus moet men ook de profetie niet in Christus aannemen.
R: q. 7 a. 3[t:iiia q. 7 a. 3] q. 7 a. 4[t:iiia q. 7 a. 4]
Vervolgens. Zoals geloof gaat over wat niet gezien en hoop over wat niet bezeten wordt, zo gaat profetie over wat niet aanwezig is, want het woord "profeet" beduidt "die van verre spreekt". Maar, zoals wij boven zeiden (3° en 4° Art.), nemen wij in Christus geloof noch hoop aan. Dus moet men ook de profetie niet in Christus aannemen.
R: q. 7 a. 3[t:iiia q. 7 a. 3] q. 7 a. 4[t:iiia q. 7 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 8 arg. 3
Vervolgens. De profeet is van een lagere orde dan een engel, zodat van Mozes, die de grootste der profeten was, zoals in het tweede deel is gezegd (IIa-IIae, 174° Kw., 4° Art.), in de Handelingen staat geschreven (7, 38): "Hij sprak met de Engel in de eenzaamheid". Maar Christus is niet "lager gesteld dan de engelen" wat de kennis van Zijn ziel, maar "wat het lijden van zijn lichaam betreft", zoals in de Hebreeënbrief staat (2, 9). Dus schijnt Christus geen profeet te zijn geweest.
B: (Acts 7:38) [b:Acts 7:38] (Heb 2:9) [b:Heb 2:9]
R: IIa-IIae q. 174 a. 4[t:iia-iiae q. 174 a. 4] IIa-IIae q. 174 a. 4[t:iia-iiae q. 174 a. 4]
Vervolgens. De profeet is van een lagere orde dan een engel, zodat van Mozes, die de grootste der profeten was, zoals in het tweede deel is gezegd (IIa-IIae, 174° Kw., 4° Art.), in de Handelingen staat geschreven (7, 38): "Hij sprak met de Engel in de eenzaamheid". Maar Christus is niet "lager gesteld dan de engelen" wat de kennis van Zijn ziel, maar "wat het lijden van zijn lichaam betreft", zoals in de Hebreeënbrief staat (2, 9). Dus schijnt Christus geen profeet te zijn geweest.
B: (Acts 7:38) [b:Acts 7:38] (Heb 2:9) [b:Heb 2:9]
R: IIa-IIae q. 174 a. 4[t:iia-iiae q. 174 a. 4] IIa-IIae q. 174 a. 4[t:iia-iiae q. 174 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 8 s. c.
Maar daartegenover staat wat in Deuteronomium van Hem wordt gezegd (18, 15): "Een profeet zal God U opwekken uit uw broeders". En Hij zegt van zichzelf bij Mattheüs (13, 57) en Johannes (4, 44): "Een profeet is niet zonder eer tenzij in zijn vaderstad".
B: (Deut 18:15) [b:Deut 18:15] (Matt 13:57) [b:Matt 13:57] (John 4:44, John 4:44) [b:John 4:44]
Maar daartegenover staat wat in Deuteronomium van Hem wordt gezegd (18, 15): "Een profeet zal God U opwekken uit uw broeders". En Hij zegt van zichzelf bij Mattheüs (13, 57) en Johannes (4, 44): "Een profeet is niet zonder eer tenzij in zijn vaderstad".
B: (Deut 18:15) [b:Deut 18:15] (Matt 13:57) [b:Matt 13:57] (John 4:44, John 4:44) [b:John 4:44]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 8 co.
Mijn antwoord. "Profeet" betekent "van verre spre-kend" of "van verre ziend", in zover hij nl. kent en ziet, wat ver van de zinnen van de mens is, zoals ook Augustinus zegt in het 16e boek Tegen Faustus (18e H.). Maar nu moet men er rekening mee houden, dat iemand niet hierom profeet kan worden genoemd, dat hij kent en aankondigt wat ver is van anderen, bij wie hij zelf niet is. En dat is duidelijk zowel wat tijd als wat plaats betreft. Want als iemand in Gallië was en wat in Syrië gebeurde, kende en aan anderen in Gallië verkondigde, zou het profetisch zijn, zoals Eliseus aan Giezi zei, in het 4e boek der Koningen, hoe een man van zijn wagen steeg en hem tegemoet kwam. Maar als iemand in Syrië was, en verkondigde, wat daar gebeurde, was het niet profetisch. En dat blijkt ook wat de tijd betreft. Want het was profetisch, dat Isaias verkondigde, dat Cyrus, de koning der Perzen, de tempel van God zou herbouwen, zoals uit het XLIV hoofdstuk van Isaias blijkt; maar het was niet profetisch, dat Esdras het schreef, in wiens tijd het geschiedde. Als dus God of de engelen of zaligen kennen en verkondigen, wat ver van onze kennis is, valt dat niet onder de profetie, want in niets zijn zij in onze toestand. Maar Christus was voor zijn lijden in onze toestand, in zover Hij niet alleen de zaligheid reeds bezat, maar ook op weg erheen was. En daarom was het profetisch, dat Hij wat ver was van de kennis van andere pelgrims, kende en aankondigde. En daarom zegt men, dat de profetie in Hem was.
B: (Isa 44:28) [b:Isa 44:28]
Mijn antwoord. "Profeet" betekent "van verre spre-kend" of "van verre ziend", in zover hij nl. kent en ziet, wat ver van de zinnen van de mens is, zoals ook Augustinus zegt in het 16e boek Tegen Faustus (18e H.). Maar nu moet men er rekening mee houden, dat iemand niet hierom profeet kan worden genoemd, dat hij kent en aankondigt wat ver is van anderen, bij wie hij zelf niet is. En dat is duidelijk zowel wat tijd als wat plaats betreft. Want als iemand in Gallië was en wat in Syrië gebeurde, kende en aan anderen in Gallië verkondigde, zou het profetisch zijn, zoals Eliseus aan Giezi zei, in het 4e boek der Koningen, hoe een man van zijn wagen steeg en hem tegemoet kwam. Maar als iemand in Syrië was, en verkondigde, wat daar gebeurde, was het niet profetisch. En dat blijkt ook wat de tijd betreft. Want het was profetisch, dat Isaias verkondigde, dat Cyrus, de koning der Perzen, de tempel van God zou herbouwen, zoals uit het XLIV hoofdstuk van Isaias blijkt; maar het was niet profetisch, dat Esdras het schreef, in wiens tijd het geschiedde. Als dus God of de engelen of zaligen kennen en verkondigen, wat ver van onze kennis is, valt dat niet onder de profetie, want in niets zijn zij in onze toestand. Maar Christus was voor zijn lijden in onze toestand, in zover Hij niet alleen de zaligheid reeds bezat, maar ook op weg erheen was. En daarom was het profetisch, dat Hij wat ver was van de kennis van andere pelgrims, kende en aankondigde. En daarom zegt men, dat de profetie in Hem was.
B: (Isa 44:28) [b:Isa 44:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Uit deze woorden blijkt niet, dat de kennis in raadsels tot het wezen der profetie behoort, die namelijk, die in dromen en gezichten bestaat, maar hieruit blijkt de verhouding tussen de andere profeten, die het goddelijke door dromen en gezichten ontvingen, en Mozes, die openlijk en niet in raadsels God zag, en toch profeet werd genoemd, volgens Deuteronomium (Laatste H., 10): "Later stond geen profeet in Israël op zoals Moses". Men kan evenwel zeggen, dat Christus, al had Hij wat het redelijke deel betreft een volledige en openlijke kennis, toch in Zijn verbeelding enige beelden bezat, waarin Hij het goddelijke kon beschouwen, in zover Hij niet alleen reeds bezitter was van de hemel, maar ook pelgrim daarheen.
B: (Deut 24:10) [b:Deut 24:10]
1e Weerlegging. Uit deze woorden blijkt niet, dat de kennis in raadsels tot het wezen der profetie behoort, die namelijk, die in dromen en gezichten bestaat, maar hieruit blijkt de verhouding tussen de andere profeten, die het goddelijke door dromen en gezichten ontvingen, en Mozes, die openlijk en niet in raadsels God zag, en toch profeet werd genoemd, volgens Deuteronomium (Laatste H., 10): "Later stond geen profeet in Israël op zoals Moses". Men kan evenwel zeggen, dat Christus, al had Hij wat het redelijke deel betreft een volledige en openlijke kennis, toch in Zijn verbeelding enige beelden bezat, waarin Hij het goddelijke kon beschouwen, in zover Hij niet alleen reeds bezitter was van de hemel, maar ook pelgrim daarheen.
B: (Deut 24:10) [b:Deut 24:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Geloof gaat over die dingen, die niet gezien worden door hem die gelooft. Evenzo gaat de hoop over dingen, die niet bezeten worden door hem die hoopt zelf. Maar de profetie betreft zich op dingen, die ver zijn van wat de gewone mensen waarnemen, waarmee de profeet omgaat en verkeert, terwijl hij op aarde is. En daarom strijden geloof en hoop met de volmaaktheid der zaligheid in Christus, maar de profetie niet.
2e Weerlegging. Geloof gaat over die dingen, die niet gezien worden door hem die gelooft. Evenzo gaat de hoop over dingen, die niet bezeten worden door hem die hoopt zelf. Maar de profetie betreft zich op dingen, die ver zijn van wat de gewone mensen waarnemen, waarmee de profeet omgaat en verkeert, terwijl hij op aarde is. En daarom strijden geloof en hoop met de volmaaktheid der zaligheid in Christus, maar de profetie niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Omdat de engel reeds de zaligheid bezit, is hij boven de profeet, die niets meer is dan een reiziger op weg naar de hemel, maar niet boven Christus, die tegelijk pelgrim en bezitter van de hemel was.
3e Weerlegging. Omdat de engel reeds de zaligheid bezit, is hij boven de profeet, die niets meer is dan een reiziger op weg naar de hemel, maar niet boven Christus, die tegelijk pelgrim en bezitter van de hemel was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Is de volheid der genade eigen aan Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 8 a. 1 co.
IIIa q. 8 a. 5 s. c.
IIIa q. 8 a. 5 co.
IIIa q. 14 a. 1 arg. 1
IIIa q. 15 a. 2 co.
IIIa q. 15 a. 3 co.
IIIa q. 34 a. 1 co.
IIIa q. 48 a. 1 co.[t:iiia q. 8 a. 1 co.][t:iiia q. 8 a. 5 s. c.][t:iiia q. 8 a. 5 co.][t:iiia q. 14 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 15 a. 2 co.][t:iiia q. 15 a. 3 co.][t:iiia q. 34 a. 1 co.][t:iiia q. 48 a. 1 co.]
IIIa q. 7 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert, dat de volheid der genade niet)n Christus was; Want uit de genade ontspruiten de deugden, zooals in het tweede deel is gezegd (la-Ilae, 11O Kw., 4 Art.. Antw. op 1B.)[t:ia-iiae q. 110 a. 4 ad 1]. Maar in Christus waren niet alle deugden, omdat in Hem zoals is aangetoond, geloof noch hoop waren. Dus was de volheid der genade niet in Christus.
R: Ia-IIae q. 110 a. 4[t:ia-iiae q. 110 a. 4] q. 7 a. 3[t:iiia q. 7 a. 3] q. 7 a. 4[t:iiia q. 7 a. 4]
IIIa q. 8 a. 1 co.
IIIa q. 8 a. 5 s. c.
IIIa q. 8 a. 5 co.
IIIa q. 14 a. 1 arg. 1
IIIa q. 15 a. 2 co.
IIIa q. 15 a. 3 co.
IIIa q. 34 a. 1 co.
IIIa q. 48 a. 1 co.[t:iiia q. 8 a. 1 co.][t:iiia q. 8 a. 5 s. c.][t:iiia q. 8 a. 5 co.][t:iiia q. 14 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 15 a. 2 co.][t:iiia q. 15 a. 3 co.][t:iiia q. 34 a. 1 co.][t:iiia q. 48 a. 1 co.]
IIIa q. 7 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert, dat de volheid der genade niet)n Christus was; Want uit de genade ontspruiten de deugden, zooals in het tweede deel is gezegd (la-Ilae, 11O Kw., 4 Art.. Antw. op 1B.)[t:ia-iiae q. 110 a. 4 ad 1]. Maar in Christus waren niet alle deugden, omdat in Hem zoals is aangetoond, geloof noch hoop waren. Dus was de volheid der genade niet in Christus.
R: Ia-IIae q. 110 a. 4[t:ia-iiae q. 110 a. 4] q. 7 a. 3[t:iiia q. 7 a. 3] q. 7 a. 4[t:iiia q. 7 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 9 arg. 2
Vervolgens. Zoals blijkt uit wat in het tweede deel is gezegd (Ia-Ilae, 111e Kw., 2e Art.)[t:ia-iiae q. 111 a. 2], wordt de genade verdeeld in genade, die Werkt en genade, die medewerkt. Nu noemt men de genade, waardoor de zondaar gerechtvaardigd wordt, de werkende genade. En dat gebeurde bij Christus, die nooit in enige zonde viel. niet. Dus Was de volheid der genade niet in Christus.
R: Ia-IIae q. 111 a. 2[t:ia-iiae q. 111 a. 2]
Vervolgens. Zoals blijkt uit wat in het tweede deel is gezegd (Ia-Ilae, 111e Kw., 2e Art.)[t:ia-iiae q. 111 a. 2], wordt de genade verdeeld in genade, die Werkt en genade, die medewerkt. Nu noemt men de genade, waardoor de zondaar gerechtvaardigd wordt, de werkende genade. En dat gebeurde bij Christus, die nooit in enige zonde viel. niet. Dus Was de volheid der genade niet in Christus.
R: Ia-IIae q. 111 a. 2[t:ia-iiae q. 111 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 9 arg. 3
Vervolgens. In den Brief van Jacobus wordt gezegd (1, 17): "Iedere volmaakte gave en elk hoog geschenk komt van boven, neerdalend van den Vader van het licht". Maar wat nederdaalt, wordt voor een gedeelte bezeten en niet naar zijn volheid. Dus kan geen schepsel en ook Christus' ziel niet, de genadegaven in hun volheid hebben.
Vervolgens. In den Brief van Jacobus wordt gezegd (1, 17): "Iedere volmaakte gave en elk hoog geschenk komt van boven, neerdalend van den Vader van het licht". Maar wat nederdaalt, wordt voor een gedeelte bezeten en niet naar zijn volheid. Dus kan geen schepsel en ook Christus' ziel niet, de genadegaven in hun volheid hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 9 s. c.
Maar daartegenover staat wat bij Johannes wordt gezegd (l, 14): "Wij hebben Hem gezien, vol van genade en waarheid".
Maar daartegenover staat wat bij Johannes wordt gezegd (l, 14): "Wij hebben Hem gezien, vol van genade en waarheid".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 9 co.
Mijn antwoord. Men zegt, dat iets volledig bezeten wordt, als het geheel en al en volmaakt wordt bezeten. Nu kan men de volledigheid en de volmaaktheid dubbel beschouwen. Ten eerste wat de intensieve hoeveelheid betreft, zoals men bv. zegt, dat iemand de witheid volledig heeft, als hij haar bezit in de volle mate, waarin zij bezeten kan worden. Vervolgens wat de kracht betreft, zoals men van iemand zegt, dat hij ten volle het leven heeft, omdat hij dat bezit in al zijn gevolgen of in alle levensuitingen. En zo heeft de mens het leven ten volle, maar het redeloze dier of een plant niet.
Op beide manieren nu had Christus de genade ten volle. Vooreerst omdat Hij haar in hoogste mate bezat, op de volmaaktste manier, waarop zij bezeten kan worden. En dat blijkt vooreerst uit de nauwe verbinding van Christus' ziel met de oorzaak der genade. Want wij hebben gezegd (1e Art.)[t:iiia q. 7 a. 1], dat naarmate iets. dat ontvangen kan, dichter bij den invloed der oorzaak staat, het ook in ruimer mate ontvangt. En dus kreeg Christus' ziel, die van alle schepselen het innigst met God verenigd is, den grootsten stroom van zijn genade. - Ten tweede uit de vergelijking met wat Hij uitwerkte. Want Christus' ziel ontving de genade zoo, dat zij uit haar in zekeren zin op anderen overvloeide. En dus moest zij de hoogste genade hebben, zoo als het vuur, dat de oorzaak der warmte in alle dingen is, van allen het warmst is.
Evenzo had Hij de genade ten volle, wat de kracht der genade betreft, want Hij had haar met alles, wat de genade uitwerkt of ten gevolge heeft. En dat is hierom, dat Hem de genade werd gegeven als aan een algemeen beginsel onder hen, die de genade bezitten. Nu strekt de kracht van een eerste beginsel in de een of andere orde zich algemeen uit over alle gevolgen in die orde, zoals de kracht van de zon, die zoals Dionysius in het boek Over de Namen van God (4 H), de algemene oorzaak van het ontstaan is, zich uitstrekt tot alles, wat onder het ontstaan valt. En zoo vindt men de tweede volheid der genade in Christus, in zover Zijn genade zich uitstrekt tot alle gevolgen der genade, nl. de deugden en de gaven en dergelijken.
R: q. 7 a. 1[t:iiia q. 7 a. 1]
Mijn antwoord. Men zegt, dat iets volledig bezeten wordt, als het geheel en al en volmaakt wordt bezeten. Nu kan men de volledigheid en de volmaaktheid dubbel beschouwen. Ten eerste wat de intensieve hoeveelheid betreft, zoals men bv. zegt, dat iemand de witheid volledig heeft, als hij haar bezit in de volle mate, waarin zij bezeten kan worden. Vervolgens wat de kracht betreft, zoals men van iemand zegt, dat hij ten volle het leven heeft, omdat hij dat bezit in al zijn gevolgen of in alle levensuitingen. En zo heeft de mens het leven ten volle, maar het redeloze dier of een plant niet.
Op beide manieren nu had Christus de genade ten volle. Vooreerst omdat Hij haar in hoogste mate bezat, op de volmaaktste manier, waarop zij bezeten kan worden. En dat blijkt vooreerst uit de nauwe verbinding van Christus' ziel met de oorzaak der genade. Want wij hebben gezegd (1e Art.)[t:iiia q. 7 a. 1], dat naarmate iets. dat ontvangen kan, dichter bij den invloed der oorzaak staat, het ook in ruimer mate ontvangt. En dus kreeg Christus' ziel, die van alle schepselen het innigst met God verenigd is, den grootsten stroom van zijn genade. - Ten tweede uit de vergelijking met wat Hij uitwerkte. Want Christus' ziel ontving de genade zoo, dat zij uit haar in zekeren zin op anderen overvloeide. En dus moest zij de hoogste genade hebben, zoo als het vuur, dat de oorzaak der warmte in alle dingen is, van allen het warmst is.
Evenzo had Hij de genade ten volle, wat de kracht der genade betreft, want Hij had haar met alles, wat de genade uitwerkt of ten gevolge heeft. En dat is hierom, dat Hem de genade werd gegeven als aan een algemeen beginsel onder hen, die de genade bezitten. Nu strekt de kracht van een eerste beginsel in de een of andere orde zich algemeen uit over alle gevolgen in die orde, zoals de kracht van de zon, die zoals Dionysius in het boek Over de Namen van God (4 H), de algemene oorzaak van het ontstaan is, zich uitstrekt tot alles, wat onder het ontstaan valt. En zoo vindt men de tweede volheid der genade in Christus, in zover Zijn genade zich uitstrekt tot alle gevolgen der genade, nl. de deugden en de gaven en dergelijken.
R: q. 7 a. 1[t:iiia q. 7 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. Geloof en hoop geven gevolgen der genade aan, waaraan een gebrek is verbonden, dat komt van de kant van hem, die de genade ontvangt, in zover nl. het geloof gaat over wat niet wordt gezien en de hoop over wat niet bezeten wordt. Daarom moesten in Christus, die de gever der genade is, de gebreken, die geloof en hoop meebrengen, niet zijn. Maar wat er aan volmaaktheid is in geloof en hoop, vinden wij in Christus op nog veel volmaakter manier. Zoals er ook in het vuur niet alle gebrekkige manieren van warm zijn, die komen van een gebrek van wat verwarmd wordt, gevonden worden, maar wel alles, wat tot de volmaaktheid der warmte behoort.
1e Weerlegging. Geloof en hoop geven gevolgen der genade aan, waaraan een gebrek is verbonden, dat komt van de kant van hem, die de genade ontvangt, in zover nl. het geloof gaat over wat niet wordt gezien en de hoop over wat niet bezeten wordt. Daarom moesten in Christus, die de gever der genade is, de gebreken, die geloof en hoop meebrengen, niet zijn. Maar wat er aan volmaaktheid is in geloof en hoop, vinden wij in Christus op nog veel volmaakter manier. Zoals er ook in het vuur niet alle gebrekkige manieren van warm zijn, die komen van een gebrek van wat verwarmd wordt, gevonden worden, maar wel alles, wat tot de volmaaktheid der warmte behoort.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. Uiteraard is het aan de werkende genade eigen iemand recht vaardig te maken; maar dat het iemand van zondaar rechtvaardig maakt, komt er toevallig bij van de kant van den ontvanger der genade, in wien de zonde wordt gevonden. Christus' ziel is dus rechtvaardig gemaakt door de werkende genade, in zover zij rechtvaardig en heilig is gemaakt vanaf het begin, dat zij ontvangen is; maar niet alsof zij te voren zondig of zelfs maar niet rechtvaardig was.
2e Weerlegging. Uiteraard is het aan de werkende genade eigen iemand recht vaardig te maken; maar dat het iemand van zondaar rechtvaardig maakt, komt er toevallig bij van de kant van den ontvanger der genade, in wien de zonde wordt gevonden. Christus' ziel is dus rechtvaardig gemaakt door de werkende genade, in zover zij rechtvaardig en heilig is gemaakt vanaf het begin, dat zij ontvangen is; maar niet alsof zij te voren zondig of zelfs maar niet rechtvaardig was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. De volheid der genade wordt aan Christus' ziel toegeschreven, gerekend naar het vermogen van het schepsel om te ontvangen, maar niet in vergelijking met de oneindige volheid der goddelijke goedheid.
3e Weerlegging. De volheid der genade wordt aan Christus' ziel toegeschreven, gerekend naar het vermogen van het schepsel om te ontvangen, maar niet in vergelijking met de oneindige volheid der goddelijke goedheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Is de volheid der genade eigen aan Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 34 a. 1 co.[t:iiia q. 34 a. 1 co.]
IIIa q. 7 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert, dat de volheid der genade niet eigen was aan Christus. Want wat aan iemand eigen is, komt hem alleen toe. Maar vol zijn van genade wordt ook aan sommige anderen toegeschreven; want bij Lucas (1, 28) wordt tot de Heilige Maagd gezegd: "Wees gegroet, gij vol van genade, de Heer is met U", en in de Handelingen wordt van Stephanus gezegd (6, 8): "Stephanus echter, vol van genade en kracht..." Dus is de volheid der genade niet eigen aan Christus.
B: (Luke 1:28) [b:Luke 1:28] (Acts 6:8) [b:Acts 6:8]
IIIa q. 34 a. 1 co.[t:iiia q. 34 a. 1 co.]
IIIa q. 7 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert, dat de volheid der genade niet eigen was aan Christus. Want wat aan iemand eigen is, komt hem alleen toe. Maar vol zijn van genade wordt ook aan sommige anderen toegeschreven; want bij Lucas (1, 28) wordt tot de Heilige Maagd gezegd: "Wees gegroet, gij vol van genade, de Heer is met U", en in de Handelingen wordt van Stephanus gezegd (6, 8): "Stephanus echter, vol van genade en kracht..." Dus is de volheid der genade niet eigen aan Christus.
B: (Luke 1:28) [b:Luke 1:28] (Acts 6:8) [b:Acts 6:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 10 arg. 2
Vervolgens. Want aan anderen door Christus kan worden medegedeeld, schijnt aan Christus niet eigen te zijn. Nu kan de volheid der genade door Christus aan anderen worden medegedeeld, want de apostel zegt in de Ephesiërsbrief (3, 19): "Dat gij vervuld moogt worden met al de volheid van God". Dus is de volheid der genade niet eigen aan Christus.
B: (Eph 3:19) [b:Eph 3:19]
Vervolgens. Want aan anderen door Christus kan worden medegedeeld, schijnt aan Christus niet eigen te zijn. Nu kan de volheid der genade door Christus aan anderen worden medegedeeld, want de apostel zegt in de Ephesiërsbrief (3, 19): "Dat gij vervuld moogt worden met al de volheid van God". Dus is de volheid der genade niet eigen aan Christus.
B: (Eph 3:19) [b:Eph 3:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 10 arg. 3
Vervolgens. Onze toestand op weg naar de hemel schijnt te beantwoorden aan die in het hemels vaderland. Maar daar zal er een volheid zijn, omdat "in dat hemels vaderland, waar de volheid van alle goed is, niemand iets alleen wat bezit, ook al zijn er een paar heel uitstekende gaven", zoals Gregorius zegt in de homelie Over de Honderd Schapen. Dus hebben de mensen op weg ernaartoe ieder afzonderlijk de volheid der genade. En zo is de volheid der genade niet eigen aan Christus.
Vervolgens. Onze toestand op weg naar de hemel schijnt te beantwoorden aan die in het hemels vaderland. Maar daar zal er een volheid zijn, omdat "in dat hemels vaderland, waar de volheid van alle goed is, niemand iets alleen wat bezit, ook al zijn er een paar heel uitstekende gaven", zoals Gregorius zegt in de homelie Over de Honderd Schapen. Dus hebben de mensen op weg ernaartoe ieder afzonderlijk de volheid der genade. En zo is de volheid der genade niet eigen aan Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 10 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de volheid der genade aan Christus wordt toegeschreven, in zover Hij de eniggeborene der Vaders is, volgens Johannes (1, 14): "Wij hebben Hem gezien als de Eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid". Maar eniggeborene des Vaders te zijn is eigen aan Christus. En zo is het eigen vol van genade en waarheid te zijn.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Maar daartegenover staat, dat de volheid der genade aan Christus wordt toegeschreven, in zover Hij de eniggeborene der Vaders is, volgens Johannes (1, 14): "Wij hebben Hem gezien als de Eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid". Maar eniggeborene des Vaders te zijn is eigen aan Christus. En zo is het eigen vol van genade en waarheid te zijn.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 10 co.
Mijn antwoord. De volheid der genade kan men dubbel beschouwen: ten eerste van de kant der genade zelf en ten tweede van de kant van hem, die de genade heeft. Van de kant der genade genomen spreekt men van volheid van genade hierom, dat iemand tot de hoogste graad der genade komt en wat haar wezen en wat haar kracht betreft, omdat hij namelijk de genade bezit in de hoogste volmaaktheid, waarin zij bezeten kan worden en in haar grootsten omvang, die zich uitstrekt tot alle gevolgen der genade. En deze volheid der genade is eigen aan Christus. — Genomen van de kant van de bezitter, spreekt men van volheid van genade, wanneer iemand ten volle de genade heeft, voor zover het aan zijn toestand past; hetzij naar de intensiteit, in zover de genade zo diep in hem geworteld is als de door God gestelde grens het toelaat, volgens de Ephesiërsbrief (4, 7): "Aan ieder van ons is de genade gegeven naar de graad van Christus' gave"; hetzij naar haar kracht, in zover hij de vermogens der genade bezit voor alles, wat tot zijn staat of plicht behoort, zoals de Apostel in de Ephesiërsbrief zei (3, 8 en 9): "Aan mij, de minste der heiligen, is deze genade gegeven, de mensen te verlichten, enz." En deze genade is niet eigen aan Christus, maar wordt aan anderen door Christus medegedeeld. graad, waarin zij bezeten kan worden, en ook niet voor alles, wat
B: (Eph 3:8) [b:Eph 3:8] (Eph 4:1) [b:Eph 4:1]
Mijn antwoord. De volheid der genade kan men dubbel beschouwen: ten eerste van de kant der genade zelf en ten tweede van de kant van hem, die de genade heeft. Van de kant der genade genomen spreekt men van volheid van genade hierom, dat iemand tot de hoogste graad der genade komt en wat haar wezen en wat haar kracht betreft, omdat hij namelijk de genade bezit in de hoogste volmaaktheid, waarin zij bezeten kan worden en in haar grootsten omvang, die zich uitstrekt tot alle gevolgen der genade. En deze volheid der genade is eigen aan Christus. — Genomen van de kant van de bezitter, spreekt men van volheid van genade, wanneer iemand ten volle de genade heeft, voor zover het aan zijn toestand past; hetzij naar de intensiteit, in zover de genade zo diep in hem geworteld is als de door God gestelde grens het toelaat, volgens de Ephesiërsbrief (4, 7): "Aan ieder van ons is de genade gegeven naar de graad van Christus' gave"; hetzij naar haar kracht, in zover hij de vermogens der genade bezit voor alles, wat tot zijn staat of plicht behoort, zoals de Apostel in de Ephesiërsbrief zei (3, 8 en 9): "Aan mij, de minste der heiligen, is deze genade gegeven, de mensen te verlichten, enz." En deze genade is niet eigen aan Christus, maar wordt aan anderen door Christus medegedeeld. graad, waarin zij bezeten kan worden, en ook niet voor alles, wat
B: (Eph 3:8) [b:Eph 3:8] (Eph 4:1) [b:Eph 4:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. De Heilige Maagd wordt vol genade genoemd, niet genomen van de kant der genade zelf, omdat zij de genade niet bezat in de hoogste en uitstekende de genade kan uitwerken; maar zij wordt vol van genade genoemd met betrekking tot haar zelf, omdat zij namelijk voldoende genade had voor de staat, waartoe zij door God uitverkoren was, dat zij namelijk Moeder Gods zou zijn. En evenzo wordt Stephanus vol van genade genoemd, omdat hij voldoende genade had om een geschikte dienaar en getuige voor God te zijn, waartoe hij uitverkozen was. En om dezelfde reden wordt het van anderen gezegd. Maar van deze volheden is de een voller dan de andere, naargelang iemand door God is voorbestemd voor een hogere of lagere staat.
1e Weerlegging. De Heilige Maagd wordt vol genade genoemd, niet genomen van de kant der genade zelf, omdat zij de genade niet bezat in de hoogste en uitstekende de genade kan uitwerken; maar zij wordt vol van genade genoemd met betrekking tot haar zelf, omdat zij namelijk voldoende genade had voor de staat, waartoe zij door God uitverkoren was, dat zij namelijk Moeder Gods zou zijn. En evenzo wordt Stephanus vol van genade genoemd, omdat hij voldoende genade had om een geschikte dienaar en getuige voor God te zijn, waartoe hij uitverkozen was. En om dezelfde reden wordt het van anderen gezegd. Maar van deze volheden is de een voller dan de andere, naargelang iemand door God is voorbestemd voor een hogere of lagere staat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. De Apostel spreekt daar van de volheid der genade, die genomen wordt van de kant van de bezitter in vergelijking met datgene, waartoe hij door God is voorbestemd. En dat is ofwel iets algemeens, waartoe alle heiligen bestemd worden, ofwel iets bijzonders, wat tot de voorrang van enkelen behoort. En volgens dit is er een volheid van genade, die alle heiligen gemeenschappelijk is, dat zij namelijk voldoende genade hebben om het eeuwige leven, dat in het volle genieten van God bestaat, te verdienen. En deze volheid wenst de Apostel voor de gelovigen, aan wie hij schrijft.
2e Weerlegging. De Apostel spreekt daar van de volheid der genade, die genomen wordt van de kant van de bezitter in vergelijking met datgene, waartoe hij door God is voorbestemd. En dat is ofwel iets algemeens, waartoe alle heiligen bestemd worden, ofwel iets bijzonders, wat tot de voorrang van enkelen behoort. En volgens dit is er een volheid van genade, die alle heiligen gemeenschappelijk is, dat zij namelijk voldoende genade hebben om het eeuwige leven, dat in het volle genieten van God bestaat, te verdienen. En deze volheid wenst de Apostel voor de gelovigen, aan wie hij schrijft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 10 ad 3
3e Weerlegging. Die gaven, die in het hemels vaderland aan allen gemeenschappelijk zijn, nl. het schouwen, bevatten en genieten en dergelijke, hebben in onze toestand van op weg erheen te zijn enige gaven, die aan hen beantwoorden, die alle heiligen ook gemeenschappelijk hebben. Maar er zijn ook enige voorrechten van de heiligen, in het vaderland en op weg erheen, die niet allen bezitten.
3e Weerlegging. Die gaven, die in het hemels vaderland aan allen gemeenschappelijk zijn, nl. het schouwen, bevatten en genieten en dergelijke, hebben in onze toestand van op weg erheen te zijn enige gaven, die aan hen beantwoorden, die alle heiligen ook gemeenschappelijk hebben. Maar er zijn ook enige voorrechten van de heiligen, in het vaderland en op weg erheen, die niet allen bezitten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 11: Is Christus’ genade oneindig?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 34 a. 4 co.[t:iiia q. 34 a. 4 co.]
IIIa q. 7 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert, dat Christus’ genade oneindig is. Want al het onmetelijke is oneindig. Nu was Christus’ genade oneindig; want bij Johannes wordt gezegd (3, 34): "God geeft de Geest niet naar een vastgestelde maat", nl. aan Christus. Dus was Christus’ genade oneindig.
B: (John 3:34, John 3:34) [b:John 3:34]
IIIa q. 34 a. 4 co.[t:iiia q. 34 a. 4 co.]
IIIa q. 7 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert, dat Christus’ genade oneindig is. Want al het onmetelijke is oneindig. Nu was Christus’ genade oneindig; want bij Johannes wordt gezegd (3, 34): "God geeft de Geest niet naar een vastgestelde maat", nl. aan Christus. Dus was Christus’ genade oneindig.
B: (John 3:34, John 3:34) [b:John 3:34]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 11 arg. 2
Vervolgens. De oneindigheid van een gevolg toont de oneindigheid der kracht aan, en deze kan alleen wortelen in een oneindig wezen. Maar wat de genade van Christus uitwerkt, is oneindig; het strekt zich nl. uit tot het heil van alle mensen "want Hij is verzoening voor de zonden van alle mensen", zoals in de Eerste Brief van Johannes (2, 2) wordt gezegd. Dus is de genade van Christus oneindig.
B: (1John 2:2) [b:1John 2:2]
Vervolgens. De oneindigheid van een gevolg toont de oneindigheid der kracht aan, en deze kan alleen wortelen in een oneindig wezen. Maar wat de genade van Christus uitwerkt, is oneindig; het strekt zich nl. uit tot het heil van alle mensen "want Hij is verzoening voor de zonden van alle mensen", zoals in de Eerste Brief van Johannes (2, 2) wordt gezegd. Dus is de genade van Christus oneindig.
B: (1John 2:2) [b:1John 2:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 11 arg. 3
Vervolgens. Alles wat eindig is, kan door toevoeging komen tot de hoeveelheid van elk eindig ding. Is dus Christus’ genade eindig, dan kan de genade van een ander mens groeien totdat zij komt tot gelijkheid met de genade van Christus. Maar dat is tegen wat bij Job wordt gezegd (28, 17): "Goud of glas worden er niet aan gelijk gesteld", zoals Gregorius dat uitlegt. Dus is Christus’ genade oneindig.
B: (Job 28:17) [b:Job 28:17]
Vervolgens. Alles wat eindig is, kan door toevoeging komen tot de hoeveelheid van elk eindig ding. Is dus Christus’ genade eindig, dan kan de genade van een ander mens groeien totdat zij komt tot gelijkheid met de genade van Christus. Maar dat is tegen wat bij Job wordt gezegd (28, 17): "Goud of glas worden er niet aan gelijk gesteld", zoals Gregorius dat uitlegt. Dus is Christus’ genade oneindig.
B: (Job 28:17) [b:Job 28:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 11 s. c.
Maar daartegenover staat dat Christus’ genade iets is dat in de ziel geschapen is. Maar al het geschapene is eindig volgens het boek der Wijsheid (11, 21): "Alles hebt gij verordend in getal, gewicht en maat". Dus is de genade van Christus niet oneindig.
B: (Wis 11:21) [b:Wis 11:21]
Maar daartegenover staat dat Christus’ genade iets is dat in de ziel geschapen is. Maar al het geschapene is eindig volgens het boek der Wijsheid (11, 21): "Alles hebt gij verordend in getal, gewicht en maat". Dus is de genade van Christus niet oneindig.
B: (Wis 11:21) [b:Wis 11:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 11 co.
Mijn antwoord. Zoals uit het boven gezegde blijkt (2° K., 10 Ar.; 6 Kw., 6 Art.), kunnen wij in Christus een dubbele genade beschouwen. Een daarvan is de genade der vereniging, wat zoals boven gezegd is, niets anders is dan in het in persoon verenigd worden zelf met den Zoon Gods, wat zonder verdiensten aan de menselijke natuur is gegeven. En het is zeker, dat deze genade oneindig is, in zover de persoon zelf van het Woord oneindig is.
De andere genade is die, welke een hebbelijkheid is. En deze kan weer dubbel beschouwd worden. Ten eerste in zover het een zijnde is; en zo moet zij wel een eindig zijnde zijn. Want zij is in de ziel van Christus als in haar drager. Maar de ziel van Christus is een schepsel, dat alleen iets eindigs kan opnemen. Dus moet het zijn der genade, die immers niet boven haar drager gaat, een eindig zijn wezen.
Op een andere manier kan zij beschouwd worden volgens de eigen aard der genade. En zo kan de genade zelf oneindig worden genoemd, omdat zij geen grens heeft; want zij heeft alles, wat tot de aard der genade kan behoren; en wat tot de eigen aard der genade behoort, wordt Hem niet in een bepaalde maat gegeven, omdat de genade volgens het plan van Gods welbehagen, dat de genade afmeet, aan Christus’ ziel wordt gegeven als aan een algemeen beginsel der genadeverdeling in de menselijke natuur, volgens de Brief aan de Ephesiërs (1, 6): "Hij heeft ons welgevallig gemaakt in Zijn beminden Zoon". Precies alsof wij zeggen, dat het licht der zon oneindig is, weliswaar niet naar het zijn, maar naar de aard van het licht, omdat zij alles heeft wat tot de aard van het licht kan behoren.
B: (Eph 1:5) [b:Eph 1:5] (Eph 1:6) [b:Eph 1:6]
R: q. 2 a. 10[t:iiia q. 2 a. 10] q. 6 a. 6[t:iiia q. 6 a. 6]
Mijn antwoord. Zoals uit het boven gezegde blijkt (2° K., 10 Ar.; 6 Kw., 6 Art.), kunnen wij in Christus een dubbele genade beschouwen. Een daarvan is de genade der vereniging, wat zoals boven gezegd is, niets anders is dan in het in persoon verenigd worden zelf met den Zoon Gods, wat zonder verdiensten aan de menselijke natuur is gegeven. En het is zeker, dat deze genade oneindig is, in zover de persoon zelf van het Woord oneindig is.
De andere genade is die, welke een hebbelijkheid is. En deze kan weer dubbel beschouwd worden. Ten eerste in zover het een zijnde is; en zo moet zij wel een eindig zijnde zijn. Want zij is in de ziel van Christus als in haar drager. Maar de ziel van Christus is een schepsel, dat alleen iets eindigs kan opnemen. Dus moet het zijn der genade, die immers niet boven haar drager gaat, een eindig zijn wezen.
Op een andere manier kan zij beschouwd worden volgens de eigen aard der genade. En zo kan de genade zelf oneindig worden genoemd, omdat zij geen grens heeft; want zij heeft alles, wat tot de aard der genade kan behoren; en wat tot de eigen aard der genade behoort, wordt Hem niet in een bepaalde maat gegeven, omdat de genade volgens het plan van Gods welbehagen, dat de genade afmeet, aan Christus’ ziel wordt gegeven als aan een algemeen beginsel der genadeverdeling in de menselijke natuur, volgens de Brief aan de Ephesiërs (1, 6): "Hij heeft ons welgevallig gemaakt in Zijn beminden Zoon". Precies alsof wij zeggen, dat het licht der zon oneindig is, weliswaar niet naar het zijn, maar naar de aard van het licht, omdat zij alles heeft wat tot de aard van het licht kan behoren.
B: (Eph 1:5) [b:Eph 1:5] (Eph 1:6) [b:Eph 1:6]
R: q. 2 a. 10[t:iiia q. 2 a. 10] q. 6 a. 6[t:iiia q. 6 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 11 ad 1
1e Weerlegging. Dat gezegde: "De Vader geeft de Geest aan de Zoon niet in een vastgestelde maat", wordt op één manier uitgelegd van de gave, die de Vader van eeuwigheid aan de Zoon geeft, nl. de goddelijke natuur, die een oneindige gave is. Daarom zegt een Glossa, dat "de Zoon even groot is, als de Vader". Op een andere manier kan men het doen slaan op de gave, die aan de menselijke natuur is geschonken, dat zij nl. met de goddelijke persoon is verenigd, wat een oneindige gave is. Daarom zegt de Glossa op dezelfde plaats: "Zoals de Vader een volledige en volmaakt Woord heeft voortgebracht, zo is dat Volmaakte en Volledige verenigd met de menselijke natuur". Ten derde kan men het laten slaan op de genade, die een hebbelijkheid is, in zover de genade van Christus zich uitstrekt tot alles, want onder de genade valt. Daarom zegt Augustinus, als hij dit uitlegt (14e Trakt., Ev. van Johannes): "De maat is een soort verdeling der gaven; want aan de een wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven, aan de ander een woord van wetenschap. Maar Christus, die geeft, heeft niet met maat ontvangen".
1e Weerlegging. Dat gezegde: "De Vader geeft de Geest aan de Zoon niet in een vastgestelde maat", wordt op één manier uitgelegd van de gave, die de Vader van eeuwigheid aan de Zoon geeft, nl. de goddelijke natuur, die een oneindige gave is. Daarom zegt een Glossa, dat "de Zoon even groot is, als de Vader". Op een andere manier kan men het doen slaan op de gave, die aan de menselijke natuur is geschonken, dat zij nl. met de goddelijke persoon is verenigd, wat een oneindige gave is. Daarom zegt de Glossa op dezelfde plaats: "Zoals de Vader een volledige en volmaakt Woord heeft voortgebracht, zo is dat Volmaakte en Volledige verenigd met de menselijke natuur". Ten derde kan men het laten slaan op de genade, die een hebbelijkheid is, in zover de genade van Christus zich uitstrekt tot alles, want onder de genade valt. Daarom zegt Augustinus, als hij dit uitlegt (14e Trakt., Ev. van Johannes): "De maat is een soort verdeling der gaven; want aan de een wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven, aan de ander een woord van wetenschap. Maar Christus, die geeft, heeft niet met maat ontvangen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 11 ad 2
2e Weerlegging. De genade van Christus heeft oneindige gevolgen, zowel om genoemde oneindigheid der genade, als om de oneindigheid van de goddelijke persoon, waarmee de ziel van Christus verenigd is.
2e Weerlegging. De genade van Christus heeft oneindige gevolgen, zowel om genoemde oneindigheid der genade, als om de oneindigheid van de goddelijke persoon, waarmee de ziel van Christus verenigd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 11 ad 3
3e Weerlegging. Het mindere kan door vermeerdering komen tot de hoeveelheid van het meerdere bij die dingen, die eenzelfde soort hoeveelheid hebben. Maar de genade van een ander mens wordt met Christus’ genade vergeleken als een gedeeltelijke kracht met een algemene. Zoals dus de kracht van het vuur, hoe dit ook groeit, niet gelijk kan worden aan de kracht der zon, zo kan ook de genade van een ander mens, hoe zij ook groeit, niet gelijk worden aan de genade van Christus.
3e Weerlegging. Het mindere kan door vermeerdering komen tot de hoeveelheid van het meerdere bij die dingen, die eenzelfde soort hoeveelheid hebben. Maar de genade van een ander mens wordt met Christus’ genade vergeleken als een gedeeltelijke kracht met een algemene. Zoals dus de kracht van het vuur, hoe dit ook groeit, niet gelijk kan worden aan de kracht der zon, zo kan ook de genade van een ander mens, hoe zij ook groeit, niet gelijk worden aan de genade van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 12: Kon de genade van Christus groter worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 10 a. 4 ad 3
IIIa q. 34 a. 1 co.
IIIa q. 39 a. 6 arg. 1[t:iiia q. 10 a. 4 ad 3][t:iiia q. 34 a. 1 co.][t:iiia q. 39 a. 6 arg. 1]
IIIa q. 7 a. 12 arg. 1
Over het twaalfde als volgt. Men beweert, dat de genade van Christus groter kon worden. Want bij al het eindige kan iets bijgevoegd worden. Maar Christus’ genade was eindig, zoals is gezegd. Dus kon zij groter worden.
IIIa q. 10 a. 4 ad 3
IIIa q. 34 a. 1 co.
IIIa q. 39 a. 6 arg. 1[t:iiia q. 10 a. 4 ad 3][t:iiia q. 34 a. 1 co.][t:iiia q. 39 a. 6 arg. 1]
IIIa q. 7 a. 12 arg. 1
Over het twaalfde als volgt. Men beweert, dat de genade van Christus groter kon worden. Want bij al het eindige kan iets bijgevoegd worden. Maar Christus’ genade was eindig, zoals is gezegd. Dus kon zij groter worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 12 arg. 2
Vervolgens. Het toenemen der genade geschiedt door de goddelijke kracht, volgens de Tweede Brief aan de Korinthiërs (9, 8): "God is machtig om alle genade in u te doen overvloeien". Maar omdat Gods kracht oneindig is, is zij aan geen enkele grens gebonden. Daarom schijnt het, dat de genade van Christus groter kon zijn.
B: (2Cor 9:8) [b:2Cor 9:8]
Vervolgens. Het toenemen der genade geschiedt door de goddelijke kracht, volgens de Tweede Brief aan de Korinthiërs (9, 8): "God is machtig om alle genade in u te doen overvloeien". Maar omdat Gods kracht oneindig is, is zij aan geen enkele grens gebonden. Daarom schijnt het, dat de genade van Christus groter kon zijn.
B: (2Cor 9:8) [b:2Cor 9:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 12 arg. 3
Vervolgens. Lucas (2, 52) zegt, dat "Het Kind Jezus groeide in jaren, wijsheid en welbehagelijkheid bij God en de mensen". Dus kon de genade van Christus groter worden.
B: (Luke 2:52) [b:Luke 2:52]
Vervolgens. Lucas (2, 52) zegt, dat "Het Kind Jezus groeide in jaren, wijsheid en welbehagelijkheid bij God en de mensen". Dus kon de genade van Christus groter worden.
B: (Luke 2:52) [b:Luke 2:52]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 12 s. c.
Maar daartegenover staat, wat bij Johannes wordt gezegd (1, 14): "Wij hebben Hem gezien als de Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid". Maar niets kan grooter zijn of gedacht worden dan iemand de Eeniggeborene des Vaders is. Dus kan er geen grotere genade zijn of maar gedacht worden dan die, waar Christus vol van was.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Maar daartegenover staat, wat bij Johannes wordt gezegd (1, 14): "Wij hebben Hem gezien als de Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid". Maar niets kan grooter zijn of gedacht worden dan iemand de Eeniggeborene des Vaders is. Dus kan er geen grotere genade zijn of maar gedacht worden dan die, waar Christus vol van was.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 12 co.
Mijn antwoord. Dat een vorm niet groter kan worden, geschiedt om twee redenen: ten eerste om de drager, en ten tweede om de vorm. Om de drager namelijk, als die het hoogste bereikt in het deel hebben aan die vorm volgens zijn manier van zijn, zoals wij zeggen, dat de lucht niet in warmte kan toenemen, als zij de hoogste graad van warmte bereikt, die bestaan kan met behoud van de natuur van lucht, al kan er een grotere warmte bestaan in de werkelijkheid, namelijk de warmte van het vuur. Krachtens de vorm wordt de mogelijkheid van toename uitgesloten, als een drager de hoogste volmaaktheid bereikt, waarin zo’n vorm bezeten kan worden; zoals wij zeggen, dat de warmte van het vuur niet kan toenemen, omdat er geen volmaaktere graad van warmte kan zijn dan die het vuur bereikt. Zoals nu door de goddelijke wijsheid een bepaalde maat voor de andere vormen is vastgesteld, zo ook voor de genade, volgens het boek der Wijsheid (11, 21): "Alles hebt Gij in getal, gewicht en maat vastgesteld". Nu wordt de maat voor iedere vorm vastgesteld in verhouding tot haar doel; zoals er geen grotere zwaarte is dan die der aarde, omdat er geen dieper liggende plaats kan zijn dan die, waar de aarde zich bevindt. Nu is het doel der genade de vereniging van het redelijke schepsel met God. Maar een grotere vereniging van het redelijke schepsel met God dan die in persoon kan bestaan noch gedacht worden. En dus bereikt de genade van Christus de hoogste graad der genade. En dus is het duidelijk, dat de genade van Christus wat de genade zelf betreft, niet kon vermeerderen worden. Maar ook niet van de kant van de drager. Want Christus als mens was vanaf het eerste ogenblik, dat Hij ontvangen werd, volledig en volmaakt bereiker van de zaligheid. En dus kon er in hem geen toename der genade zijn, evenmin als in andere zaligen, wier genade niet groter kan worden, omdat zij de grens hebben bereikt. De genade van de mensen, die enkel pelgrims zijn, kan toenemen wat de genade zelf betreft, omdat zij de hoogste graad der genade niet bereiken; en van de kant van de drager, omdat zij de grens nog niet bereikt hebben.
B: (Wis 11:21) [b:Wis 11:21]
Mijn antwoord. Dat een vorm niet groter kan worden, geschiedt om twee redenen: ten eerste om de drager, en ten tweede om de vorm. Om de drager namelijk, als die het hoogste bereikt in het deel hebben aan die vorm volgens zijn manier van zijn, zoals wij zeggen, dat de lucht niet in warmte kan toenemen, als zij de hoogste graad van warmte bereikt, die bestaan kan met behoud van de natuur van lucht, al kan er een grotere warmte bestaan in de werkelijkheid, namelijk de warmte van het vuur. Krachtens de vorm wordt de mogelijkheid van toename uitgesloten, als een drager de hoogste volmaaktheid bereikt, waarin zo’n vorm bezeten kan worden; zoals wij zeggen, dat de warmte van het vuur niet kan toenemen, omdat er geen volmaaktere graad van warmte kan zijn dan die het vuur bereikt. Zoals nu door de goddelijke wijsheid een bepaalde maat voor de andere vormen is vastgesteld, zo ook voor de genade, volgens het boek der Wijsheid (11, 21): "Alles hebt Gij in getal, gewicht en maat vastgesteld". Nu wordt de maat voor iedere vorm vastgesteld in verhouding tot haar doel; zoals er geen grotere zwaarte is dan die der aarde, omdat er geen dieper liggende plaats kan zijn dan die, waar de aarde zich bevindt. Nu is het doel der genade de vereniging van het redelijke schepsel met God. Maar een grotere vereniging van het redelijke schepsel met God dan die in persoon kan bestaan noch gedacht worden. En dus bereikt de genade van Christus de hoogste graad der genade. En dus is het duidelijk, dat de genade van Christus wat de genade zelf betreft, niet kon vermeerderen worden. Maar ook niet van de kant van de drager. Want Christus als mens was vanaf het eerste ogenblik, dat Hij ontvangen werd, volledig en volmaakt bereiker van de zaligheid. En dus kon er in hem geen toename der genade zijn, evenmin als in andere zaligen, wier genade niet groter kan worden, omdat zij de grens hebben bereikt. De genade van de mensen, die enkel pelgrims zijn, kan toenemen wat de genade zelf betreft, omdat zij de hoogste graad der genade niet bereiken; en van de kant van de drager, omdat zij de grens nog niet bereikt hebben.
B: (Wis 11:21) [b:Wis 11:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 12 ad 1
1e Weerlegging. Als wij spreken over de wiskundige hoeveelheden, kan bij iedere eindige grootheid iets gevoegd worden; want van de kant van de eindige hoeveelheid is er niets, wat met het bijvoegen strijdt. Maar als wij van de hoeveelheden spreken, zoals zij in de natuur worden gevonden, kan er bezwaar zijn van de kant van de vorm, die een bepaalde hoeveelheid nodig heeft evenals andere bepaalde bijkomstigheden. Daarom zegt de Filosoof in het 2e boek Over de ziel (4e H., n. 8), dat "alle vaststaande naturen een bepaalde grens hebben van hoeveelheid en groei". En daarom is het, dat er niets bij de hoeveelheid van de gehele hemel kan worden gevoegd. Zo veel te meer dus nog heeft men bij de vormen zelf een grens, die zij niet overschrijden. En daarom is het, dat er niets bij de hoeveelheid van de gehele hemel kan worden gevoegd. Zo veel te meer dus nog heeft men bij de vormen zelf een grens, die zij niet overschrijden. En daarom is het niet nodig, dat er aan Christus' genade iets kan worden toegevoegd, al is zij dan nog zo zeer eindig.
1e Weerlegging. Als wij spreken over de wiskundige hoeveelheden, kan bij iedere eindige grootheid iets gevoegd worden; want van de kant van de eindige hoeveelheid is er niets, wat met het bijvoegen strijdt. Maar als wij van de hoeveelheden spreken, zoals zij in de natuur worden gevonden, kan er bezwaar zijn van de kant van de vorm, die een bepaalde hoeveelheid nodig heeft evenals andere bepaalde bijkomstigheden. Daarom zegt de Filosoof in het 2e boek Over de ziel (4e H., n. 8), dat "alle vaststaande naturen een bepaalde grens hebben van hoeveelheid en groei". En daarom is het, dat er niets bij de hoeveelheid van de gehele hemel kan worden gevoegd. Zo veel te meer dus nog heeft men bij de vormen zelf een grens, die zij niet overschrijden. En daarom is het, dat er niets bij de hoeveelheid van de gehele hemel kan worden gevoegd. Zo veel te meer dus nog heeft men bij de vormen zelf een grens, die zij niet overschrijden. En daarom is het niet nodig, dat er aan Christus' genade iets kan worden toegevoegd, al is zij dan nog zo zeer eindig.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 12 ad 2
2e Weerlegging. Al kan de goddelijke kracht iets grooters en beters maken dan de genade van Christus, die een hebbelijkheid is, toch kan zij niet maken, dat dit iets grooters ten doel had dan de vereniging in persoon met de Eniggeboren Zoon des Vaders; en aan deze vereniging beantwoordt die maat van genade volgens de bepaling der goddelijke wijsheid voldoende.
2e Weerlegging. Al kan de goddelijke kracht iets grooters en beters maken dan de genade van Christus, die een hebbelijkheid is, toch kan zij niet maken, dat dit iets grooters ten doel had dan de vereniging in persoon met de Eniggeboren Zoon des Vaders; en aan deze vereniging beantwoordt die maat van genade volgens de bepaling der goddelijke wijsheid voldoende.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 12 ad 3
3e Weerlegging. Iemand kan in dubbele zin vooruitgaan in wijsheid en genade. Ten eerste, doordat de gewoonten zelf van wijsheid en genade toenemen. En zo ging Christus niet in hen vooruit. Anders wat de gevolgen betreft, in zover iemand werken doet, die wijzer en deugdzamer zijn. En zo ging Christus vooruit in wijsheid en genade, omdat Hij met het toenemen in leeftijd meer volmaakte werken deed, om zich een echt mens te tonen, zowel in verhouding tot God als tot de mensen.
3e Weerlegging. Iemand kan in dubbele zin vooruitgaan in wijsheid en genade. Ten eerste, doordat de gewoonten zelf van wijsheid en genade toenemen. En zo ging Christus niet in hen vooruit. Anders wat de gevolgen betreft, in zover iemand werken doet, die wijzer en deugdzamer zijn. En zo ging Christus vooruit in wijsheid en genade, omdat Hij met het toenemen in leeftijd meer volmaakte werken deed, om zich een echt mens te tonen, zowel in verhouding tot God als tot de mensen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 13: Volgde de genade, die een hebbelijkheid is, in Christus op de Vereniging?
IIIa q. 7 a. 13 arg. 1
Ad decimum Men beweert, dat de genade, die een hebbelijkheid is, in Christus niet de vereniging volgde. Want iets volgt niet op zichzelf. Maar deze genade-hebbelijkheid schijnt hetzelfde te zijn geweest als de genade der vereniging, want Augustinus zegt in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15° H.): "Door die genade wordt ieder mens vanaf het begin van zijn geloof Christen, waardoor die mens vanaf Zijn begin Christus is geworden". Nu behoort het eerste van de twee tot de genade, die een hebbelijkheid is, en het tweede tot de genade der vereniging. Dus schijnt het, dat de genade, die een hebbelijkheid is, niet op de vereniging volgde.
Ad decimum Men beweert, dat de genade, die een hebbelijkheid is, in Christus niet de vereniging volgde. Want iets volgt niet op zichzelf. Maar deze genade-hebbelijkheid schijnt hetzelfde te zijn geweest als de genade der vereniging, want Augustinus zegt in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15° H.): "Door die genade wordt ieder mens vanaf het begin van zijn geloof Christen, waardoor die mens vanaf Zijn begin Christus is geworden". Nu behoort het eerste van de twee tot de genade, die een hebbelijkheid is, en het tweede tot de genade der vereniging. Dus schijnt het, dat de genade, die een hebbelijkheid is, niet op de vereniging volgde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 13 arg. 2
Vervolgens. De voorbereiding gaat in tijd of minstens in begrip aan de volmaaktheid vooraf. Nu schijnt de genade-hebbelijkheid een soort voorbereiding van de menselijke natuur voor de vereniging te zijn. Dus schijnt het, dat die genade de vereniging niet volgt, maar voorafgaat.
Vervolgens. De voorbereiding gaat in tijd of minstens in begrip aan de volmaaktheid vooraf. Nu schijnt de genade-hebbelijkheid een soort voorbereiding van de menselijke natuur voor de vereniging te zijn. Dus schijnt het, dat die genade de vereniging niet volgt, maar voorafgaat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 13 arg. 3
Vervolgens. Het algemene komt voor het eigen. Nu is de genade-hebbelijkheid iets gemeenschappelijks van Christus en de andere mensen; maar de genade der vereniging is eigen aan Christus. Dus komt de eerste in begrip voor de vereniging. Dus volgt niet op haar.
Vervolgens. Het algemene komt voor het eigen. Nu is de genade-hebbelijkheid iets gemeenschappelijks van Christus en de andere mensen; maar de genade der vereniging is eigen aan Christus. Dus komt de eerste in begrip voor de vereniging. Dus volgt niet op haar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 13 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Isaïas zegt (42, 1): "Ziet mijn dienaar, Ik zal hem aannemen", en later volgt: "Ik heb mijn Geest over hem gezonden", wat behoort tot de gave van de genade, die een heerlijkheid is. Dus blijft over, dat het aannemen der menselijke natuur in de vereniging in persoon in Christus de genade, die een heerlijkheid is, voorafgaat.
B: (Isa 42:1) [b:Isa 42:1]
Daartegenover staat echter, wat Isaïas zegt (42, 1): "Ziet mijn dienaar, Ik zal hem aannemen", en later volgt: "Ik heb mijn Geest over hem gezonden", wat behoort tot de gave van de genade, die een heerlijkheid is. Dus blijft over, dat het aannemen der menselijke natuur in de vereniging in persoon in Christus de genade, die een heerlijkheid is, voorafgaat.
B: (Isa 42:1) [b:Isa 42:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 13 co.
Mijn antwoord. De vereniging van de menselijke natuur met de goddelijke persoon, waarvan wij boven hebben gezegd (2e Kw., 10e Art.; 6e Kw., 6e Art.), dat zij de genade der vereniging is, gaat aan de genade-hebbelijkheid in Christus niet in tijd, maar in natuur en naar ons begrip vooraf. En dat om drie redenen. Ten eerste om de orde der beginselen van beiden. Want het beginsel der vereniging is de goddelijke persoon, die de menselijke natuur aanneemt, die hierom "in de wereld gezonden" wordt genoemd, omdat zij de menselijke natuur heeft aangenomen. Maar het beginsel van de genade, die een gewoonte is en tegelijk met de liefde wordt gegeven, is de Heilige Geest, die gezonden wordt genoemd, omdat Hij door de liefde in de geest woont. Maar nu is de zending van de Zoon volgens de orde in natuur eerder dan de zending van de Heilige Geest, zoals volgens de orde der natuur de Heilige Geest als liefde uit de Zoon en de Vader voortkomt. Daarom ook is volgens de orde der natuur de vereniging in persoon, waarin wij de zending van de Zoon zien, eerder dan de genade, die een hebbelijkheid is, waarin wij de zending van de H. Geest stellen. Ten tweede begrijpen wij het waarom van deze orde uit de verhouding van de genade tot haar oorzaak. Want de genade wordt in de mens veroorzaakt door de tegenwoordigheid der godheid, als het licht in de lucht door de tegenwoordigheid der zon; zodat bij Ezechiel wordt gezegd (43, 2): "De heerlijkheid van Israëls God ging binnen door de oostelijke poort en de aarde schitterde door zijn majesteit". Maar met de tegenwoordigheid van God in Christus bedoelen wij de vereniging van de menselijke natuur met de goddelijke persoon. En daarom beschouwen wij de genade van Christus, die een hebbelijkheid is, als volgend op die vereniging als de glans op de zon. De derde reden van deze orde kan men vinden in het doel der genade. Want zij is gericht op goed handelen. Maar "handelingen komen toe aan dragers en eenlingen". Dus veronderstelt een daad, en dus ook de genade, die iemand daarop richt, de hypostase, die handelt. Maar nu wordt er geen hypostase in de menselijke natuur aangenomen voor de vereniging, zoals wij boven zeiden. En dus komt de genade der vereniging volgens ons begrip voor de genade, die een hebbelijkheid is.
B: (Ezek 43:2) [b:Ezek 43:2]
R: q. 2 a. 10[t:iiia q. 2 a. 10] q. 6 a. 6[t:iiia q. 6 a. 6]
Mijn antwoord. De vereniging van de menselijke natuur met de goddelijke persoon, waarvan wij boven hebben gezegd (2e Kw., 10e Art.; 6e Kw., 6e Art.), dat zij de genade der vereniging is, gaat aan de genade-hebbelijkheid in Christus niet in tijd, maar in natuur en naar ons begrip vooraf. En dat om drie redenen. Ten eerste om de orde der beginselen van beiden. Want het beginsel der vereniging is de goddelijke persoon, die de menselijke natuur aanneemt, die hierom "in de wereld gezonden" wordt genoemd, omdat zij de menselijke natuur heeft aangenomen. Maar het beginsel van de genade, die een gewoonte is en tegelijk met de liefde wordt gegeven, is de Heilige Geest, die gezonden wordt genoemd, omdat Hij door de liefde in de geest woont. Maar nu is de zending van de Zoon volgens de orde in natuur eerder dan de zending van de Heilige Geest, zoals volgens de orde der natuur de Heilige Geest als liefde uit de Zoon en de Vader voortkomt. Daarom ook is volgens de orde der natuur de vereniging in persoon, waarin wij de zending van de Zoon zien, eerder dan de genade, die een hebbelijkheid is, waarin wij de zending van de H. Geest stellen. Ten tweede begrijpen wij het waarom van deze orde uit de verhouding van de genade tot haar oorzaak. Want de genade wordt in de mens veroorzaakt door de tegenwoordigheid der godheid, als het licht in de lucht door de tegenwoordigheid der zon; zodat bij Ezechiel wordt gezegd (43, 2): "De heerlijkheid van Israëls God ging binnen door de oostelijke poort en de aarde schitterde door zijn majesteit". Maar met de tegenwoordigheid van God in Christus bedoelen wij de vereniging van de menselijke natuur met de goddelijke persoon. En daarom beschouwen wij de genade van Christus, die een hebbelijkheid is, als volgend op die vereniging als de glans op de zon. De derde reden van deze orde kan men vinden in het doel der genade. Want zij is gericht op goed handelen. Maar "handelingen komen toe aan dragers en eenlingen". Dus veronderstelt een daad, en dus ook de genade, die iemand daarop richt, de hypostase, die handelt. Maar nu wordt er geen hypostase in de menselijke natuur aangenomen voor de vereniging, zoals wij boven zeiden. En dus komt de genade der vereniging volgens ons begrip voor de genade, die een hebbelijkheid is.
B: (Ezek 43:2) [b:Ezek 43:2]
R: q. 2 a. 10[t:iiia q. 2 a. 10] q. 6 a. 6[t:iiia q. 6 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 13 ad 1
1e Weerlegging. Augustinus noemt daar de goedgunstige wil van God, die zonder verdiensten weldaden geeft, de genade. En daarom zegt hij, dat iedere mens door dezelfde genade Christen wordt, waardoor Christus mens werd. Want beiden zijn gebeurd door de goedgunstige wil Gods zonder verdiensten.
1e Weerlegging. Augustinus noemt daar de goedgunstige wil van God, die zonder verdiensten weldaden geeft, de genade. En daarom zegt hij, dat iedere mens door dezelfde genade Christen wordt, waardoor Christus mens werd. Want beiden zijn gebeurd door de goedgunstige wil Gods zonder verdiensten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 13 ad 2
2e Weerlegging. Bij het ontstaan gaat de voorbereiding de volmaaktheid, waartoe zij geschikt maakt, vooraf bij de dingen, die in verloop van tijd volmaakt worden; en evenzo volgt zij van nature de volmaaktheid, die iemand reeds gekregen heeft; zoals de warmte, die een voorbereiding voor de vorm vuur was, ook een gevolg is, dat uit de bestaande vuurvorm voortvloeit. Maar de menselijke natuur is in Christus met het persoon van het Woord verenigd zonder tijdelijke opeenvolging. Daarom beschouwen wij de genade-hebbelijkheid niet als voorafgaand, maar als volgend als een natuurlijke eigenschap op de vereniging. Daarom zegt Augustinus in het Handboek (11e H.), dat "de genade in zekeren zin de mens Christus natuurlijk is".
2e Weerlegging. Bij het ontstaan gaat de voorbereiding de volmaaktheid, waartoe zij geschikt maakt, vooraf bij de dingen, die in verloop van tijd volmaakt worden; en evenzo volgt zij van nature de volmaaktheid, die iemand reeds gekregen heeft; zoals de warmte, die een voorbereiding voor de vorm vuur was, ook een gevolg is, dat uit de bestaande vuurvorm voortvloeit. Maar de menselijke natuur is in Christus met het persoon van het Woord verenigd zonder tijdelijke opeenvolging. Daarom beschouwen wij de genade-hebbelijkheid niet als voorafgaand, maar als volgend als een natuurlijke eigenschap op de vereniging. Daarom zegt Augustinus in het Handboek (11e H.), dat "de genade in zekeren zin de mens Christus natuurlijk is".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 7 a. 13 ad 3
3e Weerlegging. Het algemene komt voor het eigene als beiden van één soort zijn, maar bij soortverschil kan het eigene zeer goed voor het algemene komen. Nu is de genade der vereniging geen soort genadehebbelijkheid, maar boven alle soorten zoals de goddelijke persoon zelf. Daarom is er niets tegen, dat dit eigene voor het gemeenschappelijke komt, want het is geen toevoeging daaraan, maar eerder zijn beginsel en oorsprong.
3e Weerlegging. Het algemene komt voor het eigene als beiden van één soort zijn, maar bij soortverschil kan het eigene zeer goed voor het algemene komen. Nu is de genade der vereniging geen soort genadehebbelijkheid, maar boven alle soorten zoals de goddelijke persoon zelf. Daarom is er niets tegen, dat dit eigene voor het gemeenschappelijke komt, want het is geen toevoeging daaraan, maar eerder zijn beginsel en oorsprong.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 8: Over de genade, die Christus als Hoofd der Kerk bezit
IIIa q. 8 pr.
Hierna moeten wij de genade beschouwen, die Christus als Hoofd der Kerk bezit. En hierover stellen wij ons acht vragen.
1. Is Christus het Hoofd der Kerk?
2. Is Hij het Hoofd der mensen wat hun lichaam, of alleen wat hun ziel betreft?
3. Is Hij het Hoofd van alle mensen?
4. Is Hij het Hoofd der Engelen?
5. Is de genade, waardoor Hij het Hoofd der Kerk is, dezelfde als de genade-hebbelijkheid, die Hij als op zichzelf staand mens heeft?
6. Is het eigen aan Christus Hoofd der Kerk te zijn?
7. Is de duivel het hoofd van alle slechten?
8. Kan ook de Antichrist het hoofd van alle slechten worden genoemd?
Hierna moeten wij de genade beschouwen, die Christus als Hoofd der Kerk bezit. En hierover stellen wij ons acht vragen.
1. Is Christus het Hoofd der Kerk?
2. Is Hij het Hoofd der mensen wat hun lichaam, of alleen wat hun ziel betreft?
3. Is Hij het Hoofd van alle mensen?
4. Is Hij het Hoofd der Engelen?
5. Is de genade, waardoor Hij het Hoofd der Kerk is, dezelfde als de genade-hebbelijkheid, die Hij als op zichzelf staand mens heeft?
6. Is het eigen aan Christus Hoofd der Kerk te zijn?
7. Is de duivel het hoofd van alle slechten?
8. Kan ook de Antichrist het hoofd van alle slechten worden genoemd?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Komt het aan Christus als mens toe het Hoofd der Kerk te zijn?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 8 a. 5 co.
IIIa q. 8 a. 8 co.
IIIa q. 8 a. 8 ad 1
IIIa q. 19 a. 4 co.
IIIa q. 48 a. 1 co.
IIIa q. 59 a. 2 co.[t:iiia q. 8 a. 5 co.][t:iiia q. 8 a. 8 co.][t:iiia q. 8 a. 8 ad 1][t:iiia q. 19 a. 4 co.][t:iiia q. 48 a. 1 co.][t:iiia q. 59 a. 2 co.]
IIIa q. 8 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het aan Christus als mens niet toekomt het Hoofd der Kerk te zijn. Want het hoofd beïnvloedt de zintuigelijke waarneming en de beweging in de ledematen. Maar het geestelijke waarnemen en bewegen, dat door de genade geschiedt, wordt ons door de mens Christus niet ingestort, omdat Christus als mens genomen, zoals Augustinus in het 15e boek Over de Drievuldigheid (26e H.) zegt, ons ook niet de Heilige Geest geeft, maar alleen in zover Hij God is. Dus komt het Hem, in zover Hij mens is, niet toe Hoofd der Kerk te zijn.
IIIa q. 8 a. 5 co.
IIIa q. 8 a. 8 co.
IIIa q. 8 a. 8 ad 1
IIIa q. 19 a. 4 co.
IIIa q. 48 a. 1 co.
IIIa q. 59 a. 2 co.[t:iiia q. 8 a. 5 co.][t:iiia q. 8 a. 8 co.][t:iiia q. 8 a. 8 ad 1][t:iiia q. 19 a. 4 co.][t:iiia q. 48 a. 1 co.][t:iiia q. 59 a. 2 co.]
IIIa q. 8 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het aan Christus als mens niet toekomt het Hoofd der Kerk te zijn. Want het hoofd beïnvloedt de zintuigelijke waarneming en de beweging in de ledematen. Maar het geestelijke waarnemen en bewegen, dat door de genade geschiedt, wordt ons door de mens Christus niet ingestort, omdat Christus als mens genomen, zoals Augustinus in het 15e boek Over de Drievuldigheid (26e H.) zegt, ons ook niet de Heilige Geest geeft, maar alleen in zover Hij God is. Dus komt het Hem, in zover Hij mens is, niet toe Hoofd der Kerk te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Van het hoofd schijnt niet weer iets anders het hoofd te zijn. Maar God is het Hoofd van Christus als mens, zoals staat in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (11, 3): "Het Hoofd van Christus is God". Dus Christus zelf is geen hoofd.
B: (1Cor 11:3) [b:1Cor 11:3]
Vervolgens. Van het hoofd schijnt niet weer iets anders het hoofd te zijn. Maar God is het Hoofd van Christus als mens, zoals staat in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (11, 3): "Het Hoofd van Christus is God". Dus Christus zelf is geen hoofd.
B: (1Cor 11:3) [b:1Cor 11:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Het hoofd in de mens is een bijzonder lichaamsdeel, dat door het hart beïnvloed wordt. Nu is Christus het algemene beginsel van de gehele Kerk. Dus is Hij het hoofd der Kerk niet.
Vervolgens. Het hoofd in de mens is een bijzonder lichaamsdeel, dat door het hart beïnvloed wordt. Nu is Christus het algemene beginsel van de gehele Kerk. Dus is Hij het hoofd der Kerk niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat wat in de Ephesiërsbrief geschreven is (1, 22): "Hem stelde Hij aan als Hoofd over de gehele Kerk".
B: (Eph 1:22) [b:Eph 1:22]
Maar daartegenover staat wat in de Ephesiërsbrief geschreven is (1, 22): "Hem stelde Hij aan als Hoofd over de gehele Kerk".
B: (Eph 1:22) [b:Eph 1:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals de gehele Kerk een mystiek lichaam wordt genoemd in vergelijking met het natuurlijke lichaam van de mens, dat in de verschillende ledematen verschillende handelingen stelt, zoals de Apostel leert in de Romeinenbrief (12, 4 en 5) en in de Eerste aan de Korinthiërs (12, 12), wordt ook Christus het hoofd der Kerk genoemd in vergelijking met het hoofd van de mens. Dat kunnen wij in drie punten beschouwen: namelijk de orde, de volmaaktheid en de kracht. En wel de orde, omdat het hoofd het eerste deel van de mens is, als men van boven af begint. En daarom noemt men gewoonlijk ieder beginsel het hoofd, volgens Jeremias (2,20): "Bij het begin van iedere weg hebt gij u een oordeel opgericht". — En de volmaaktheid, omdat alle inwendige en uitwendige zintuigen in het hoofd liggen, terwijl alleen de tastzin in de andere lichaamsdelen ligt. En daarom wordt bij Isaïas gezegd (9, 15): "Een oude en eerbiedwaardige, dat is een hoofd". — Maar de kracht, omdat de kracht en de beweging van de andere ledematen en het besturen van hun handelingen van het hoofd komen, daar de kennende en bewegende kracht daar overheerst. Daarom wordt de bestuurder het hoofd van het volk genoemd, naar het 1e boek der Koningen (15, 17): "Toen gij nog klein waart in uw eigen ogen, heb Ik u hoofd van de stammen van Israël gemaakt".
Deze drie dingen nu komen in geestelijken zin aan Christus toe.
Vooreerst is immers zijn genade hoger en eerder, zij het niet in tijd, omdat Hij dichter bij God is; want alle anderen ontvangen de genade met het oog op Zijn genade volgens de Romeinenbrief (8, 29): "Die Hij vooruit kende, heeft Hij voorbestemd om gelijk te worden aan het beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders".
— Ten tweede heeft Hij de volmaaktheid wat de volheid van alle genaden betreft naar het woord van Johannes (1, 14): "Wij hebben Hem gezien vol van genade en waarheid", zoals boven is gezegd (7e Kw., 9e Art.).
— Ten derde had Hij de kracht om de genade te doen vloeien in alle ledematen der Kerk naar het woord van Johannes (1, 16): "Van Zijn volheid hebben wij allen ontvangen". En zo blijkt het dat het heel gepast is Christus het Hoofd der Kerk te noemen.
B: (1Kgs 15:17) [b:1Kgs 15:17] (Isa 9:15) [b:Isa 9:15] (Ezek 16:25) [b:Ezek 16:25] (John 1:14) [b:John 1:14] (John 1:16) [b:John 1:16] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29] (Rom 12) [b:Rom 12] (1Cor 12) [b:1Cor 12]
R: q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9]
Mijn antwoord. Zoals de gehele Kerk een mystiek lichaam wordt genoemd in vergelijking met het natuurlijke lichaam van de mens, dat in de verschillende ledematen verschillende handelingen stelt, zoals de Apostel leert in de Romeinenbrief (12, 4 en 5) en in de Eerste aan de Korinthiërs (12, 12), wordt ook Christus het hoofd der Kerk genoemd in vergelijking met het hoofd van de mens. Dat kunnen wij in drie punten beschouwen: namelijk de orde, de volmaaktheid en de kracht. En wel de orde, omdat het hoofd het eerste deel van de mens is, als men van boven af begint. En daarom noemt men gewoonlijk ieder beginsel het hoofd, volgens Jeremias (2,20): "Bij het begin van iedere weg hebt gij u een oordeel opgericht". — En de volmaaktheid, omdat alle inwendige en uitwendige zintuigen in het hoofd liggen, terwijl alleen de tastzin in de andere lichaamsdelen ligt. En daarom wordt bij Isaïas gezegd (9, 15): "Een oude en eerbiedwaardige, dat is een hoofd". — Maar de kracht, omdat de kracht en de beweging van de andere ledematen en het besturen van hun handelingen van het hoofd komen, daar de kennende en bewegende kracht daar overheerst. Daarom wordt de bestuurder het hoofd van het volk genoemd, naar het 1e boek der Koningen (15, 17): "Toen gij nog klein waart in uw eigen ogen, heb Ik u hoofd van de stammen van Israël gemaakt".
Deze drie dingen nu komen in geestelijken zin aan Christus toe.
Vooreerst is immers zijn genade hoger en eerder, zij het niet in tijd, omdat Hij dichter bij God is; want alle anderen ontvangen de genade met het oog op Zijn genade volgens de Romeinenbrief (8, 29): "Die Hij vooruit kende, heeft Hij voorbestemd om gelijk te worden aan het beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders".
— Ten tweede heeft Hij de volmaaktheid wat de volheid van alle genaden betreft naar het woord van Johannes (1, 14): "Wij hebben Hem gezien vol van genade en waarheid", zoals boven is gezegd (7e Kw., 9e Art.).
— Ten derde had Hij de kracht om de genade te doen vloeien in alle ledematen der Kerk naar het woord van Johannes (1, 16): "Van Zijn volheid hebben wij allen ontvangen". En zo blijkt het dat het heel gepast is Christus het Hoofd der Kerk te noemen.
B: (1Kgs 15:17) [b:1Kgs 15:17] (Isa 9:15) [b:Isa 9:15] (Ezek 16:25) [b:Ezek 16:25] (John 1:14) [b:John 1:14] (John 1:16) [b:John 1:16] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29] (Rom 12) [b:Rom 12] (1Cor 12) [b:1Cor 12]
R: q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Met gezag de genade of de Heilige Geest te geven, komt toe aan Christus als God, maar dit als werktuig te doen, komt Hem als mens toe, in zover Zijn mensheid nl. het "werktuig van Zijn godheid" was. En zo waren Zijn daden door de kracht van Zijn godheid heilzaam voor ons, in zover zij in ons de genade brachten door verdiensten en ook door oorzaak te zijn. Augustinus ontkent echter, dat Christus als mens de Heilige Geest kan geven, alsof Hij daar gezag over had. Maar men zegt ook, dat andere Heiligen als werktuigen of dienaars de Heilige Geest geven volgens de Galatenbrief (3, 5): "Die u de Heilige Geest gegeven heeft".
B: (Gal 3:5) [b:Gal 3:5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 19 a. 1 arg. 2
IIIa q. 34 a. 1 ad 3[t:iiia q. 19 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 34 a. 1 ad 3]
1e Weerlegging. Met gezag de genade of de Heilige Geest te geven, komt toe aan Christus als God, maar dit als werktuig te doen, komt Hem als mens toe, in zover Zijn mensheid nl. het "werktuig van Zijn godheid" was. En zo waren Zijn daden door de kracht van Zijn godheid heilzaam voor ons, in zover zij in ons de genade brachten door verdiensten en ook door oorzaak te zijn. Augustinus ontkent echter, dat Christus als mens de Heilige Geest kan geven, alsof Hij daar gezag over had. Maar men zegt ook, dat andere Heiligen als werktuigen of dienaars de Heilige Geest geven volgens de Galatenbrief (3, 5): "Die u de Heilige Geest gegeven heeft".
B: (Gal 3:5) [b:Gal 3:5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 19 a. 1 arg. 2
IIIa q. 34 a. 1 ad 3[t:iiia q. 19 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 34 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 2
Redemptoris Custos ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. In beeldspraak moet men de gelijkheid niet in alle opzichten doorvoeren, want dan was het geen vergelijking meer, maar het ding zelf. Het natuurlijke hoofd heeft dus geen ander hoofd, omdat het menselijk lichaam geen deel is van een ander lichaam. Maar wat men in beeldspraak een lichaam noemt, dwz. iedere geordende menigte, is deel van een andere menigte; zoals de groep die het huisgezin vormt, een deel is van de menigte, die de staat vormt. En daarom heeft de familievader, die het hoofd van het huisgezin is, boven zich de bestuurder van de staat als hoofd. En op die manier is er niets op tegen, dat God het Hoofd van Christus is, al is Deze het Hoofd der Kerk.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 8 a. 4 co.
IIIa q. 8 a. 8 ad 2[t:iiia q. 8 a. 4 co.][t:iiia q. 8 a. 8 ad 2]
2e Weerlegging. In beeldspraak moet men de gelijkheid niet in alle opzichten doorvoeren, want dan was het geen vergelijking meer, maar het ding zelf. Het natuurlijke hoofd heeft dus geen ander hoofd, omdat het menselijk lichaam geen deel is van een ander lichaam. Maar wat men in beeldspraak een lichaam noemt, dwz. iedere geordende menigte, is deel van een andere menigte; zoals de groep die het huisgezin vormt, een deel is van de menigte, die de staat vormt. En daarom heeft de familievader, die het hoofd van het huisgezin is, boven zich de bestuurder van de staat als hoofd. En op die manier is er niets op tegen, dat God het Hoofd van Christus is, al is Deze het Hoofd der Kerk.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 8 a. 4 co.
IIIa q. 8 a. 8 ad 2[t:iiia q. 8 a. 4 co.][t:iiia q. 8 a. 8 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 2
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het hoofd steekt duidelijk boven de andere ledematen uit, maar het hart heeft een meer verborgen invloed. En daarom wordt de Heilige Geest met het hart vergeleken, omdat Hij onzichtbaar de Kerk levend maakt en verenigt; maar Christus wordt met het hoofd vergeleken naar Zijn zichtbare natuur, waardoor Hij als mens boven de mensen staat.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 8 a. 2 arg. 3[t:iiia q. 8 a. 2 arg. 3]
3e Weerlegging. Het hoofd steekt duidelijk boven de andere ledematen uit, maar het hart heeft een meer verborgen invloed. En daarom wordt de Heilige Geest met het hart vergeleken, omdat Hij onzichtbaar de Kerk levend maakt en verenigt; maar Christus wordt met het hoofd vergeleken naar Zijn zichtbare natuur, waardoor Hij als mens boven de mensen staat.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 8 a. 2 arg. 3[t:iiia q. 8 a. 2 arg. 3]
Referenties naar deze alinea: 4
Dominum et vivificantem ->=geentekst=Divinum Illud Munus ->=geentekst=
Provida Matris ->=geentekst=
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is Christus het Hoofd der mensen wat hun lichaam betreft?
IIIa q. 8 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat Christus het hoofd der mensen wat hun lichaam betreft niet is. Want Hij wordt Hoofd der Kerk genoemd, in zover Hij het geestelijke kennen en bewegen der genade in de Kerk stort. Maar het lichaam kan deze geestelijke kennis en bewegen niet opnemen. Daarom is Hij het hoofd der mensen wat hun lichaam betreft niet.
Over het tweede als volgt. Men beweert dat Christus het hoofd der mensen wat hun lichaam betreft niet is. Want Hij wordt Hoofd der Kerk genoemd, in zover Hij het geestelijke kennen en bewegen der genade in de Kerk stort. Maar het lichaam kan deze geestelijke kennis en bewegen niet opnemen. Daarom is Hij het hoofd der mensen wat hun lichaam betreft niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Wat de lichamen betreft, komen wij met de dieren overeen. Als Christus dus het hoofd der mensen wat hun lichaam betreft was, zou daaruit volgen, dat Hij ook het hoofd der dieren was. En dat is niet passend.
Vervolgens. Wat de lichamen betreft, komen wij met de dieren overeen. Als Christus dus het hoofd der mensen wat hun lichaam betreft was, zou daaruit volgen, dat Hij ook het hoofd der dieren was. En dat is niet passend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Christus kreeg Zijn lichaam van andere mensen, zoals uit *Matthaeus* (1° H.) en *Lucas* (3, 23 en volg.) blijkt. Maar het hoofd is, zoals werd gezegd (Vorig Artikel), het eerste onder de ledematen. Dus is Christus niet het Hoofd der Kerk wat de lichamen betreft.
B: (Matt 1) [b:Matt 1] (Luke 3) [b:Luke 3]
R: q. 8 a. 1 ad 3[t:iiia q. 8 a. 1 ad 3]
Vervolgens. Christus kreeg Zijn lichaam van andere mensen, zoals uit *Matthaeus* (1° H.) en *Lucas* (3, 23 en volg.) blijkt. Maar het hoofd is, zoals werd gezegd (Vorig Artikel), het eerste onder de ledematen. Dus is Christus niet het Hoofd der Kerk wat de lichamen betreft.
B: (Matt 1) [b:Matt 1] (Luke 3) [b:Luke 3]
R: q. 8 a. 1 ad 3[t:iiia q. 8 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat het woord uit de Brief aan de Philippiërs (3, 21): "Hij zal ons nederig lichaam hervormen en gelijk maken aan zijn verheerlijk lichaam".
B: (Phil 3:21) [b:Phil 3:21]
Maar daartegenover staat het woord uit de Brief aan de Philippiërs (3, 21): "Hij zal ons nederig lichaam hervormen en gelijk maken aan zijn verheerlijk lichaam".
B: (Phil 3:21) [b:Phil 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 2 co.
Mijn antwoord. Het menselijk lichaam beantwoordt van nature aan de redelijke ziel, die zijn vorm en beweegkracht is. En in zover deze zijn vorm is, ontvangt het van de ziel het leven en de andere eigenschappen, die aan het menselijk lichaam naar zijn aard toekomen. In zover echter de ziel de beweegkracht van het lichaam is, dient het de ziel als werktuig. Wij moeten daarom zeggen, dat Christus’ mensheid invloed kan uitoefenen in zover het met Gods Woord verenigd is, waarmee zoals boven werd gezegd, het lichaam door de ziel wordt verenigd. Daarom heeft de gehele mensheid van Christus, nl. naar ziel en lichaam, invloed op de mensen zowel naar hun ziel als naar hun lichaam, maar op de eerste plaats wat de ziel betreft, en naar het lichaam pas op de tweede plaats. Op één manier, in zover "de ledematen van het lichaam als werktuigen ter rechtvaardigheid ter beschikking worden gesteld" aan de ziel, die door Christus leeft, zoals de Apostel in de Romeinenbrief (6, 13) zegt. Ten tweede in zover het leven der heerlijkheid uit de ziel op het lichaam overvloeit volgens de Romeinenbrief (8, 11): "Die Christus van de doden heeft opgewekt, zal ook uw sterfelijke lichamen levend maken om Zijn Geest, die in u woont".
B: (Rom 6:13) [b:Rom 6:13] (Rom 8:11) [b:Rom 8:11]
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1]
Mijn antwoord. Het menselijk lichaam beantwoordt van nature aan de redelijke ziel, die zijn vorm en beweegkracht is. En in zover deze zijn vorm is, ontvangt het van de ziel het leven en de andere eigenschappen, die aan het menselijk lichaam naar zijn aard toekomen. In zover echter de ziel de beweegkracht van het lichaam is, dient het de ziel als werktuig. Wij moeten daarom zeggen, dat Christus’ mensheid invloed kan uitoefenen in zover het met Gods Woord verenigd is, waarmee zoals boven werd gezegd, het lichaam door de ziel wordt verenigd. Daarom heeft de gehele mensheid van Christus, nl. naar ziel en lichaam, invloed op de mensen zowel naar hun ziel als naar hun lichaam, maar op de eerste plaats wat de ziel betreft, en naar het lichaam pas op de tweede plaats. Op één manier, in zover "de ledematen van het lichaam als werktuigen ter rechtvaardigheid ter beschikking worden gesteld" aan de ziel, die door Christus leeft, zoals de Apostel in de Romeinenbrief (6, 13) zegt. Ten tweede in zover het leven der heerlijkheid uit de ziel op het lichaam overvloeit volgens de Romeinenbrief (8, 11): "Die Christus van de doden heeft opgewekt, zal ook uw sterfelijke lichamen levend maken om Zijn Geest, die in u woont".
B: (Rom 6:13) [b:Rom 6:13] (Rom 8:11) [b:Rom 8:11]
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Het geestelijk kennen der genade komt wel niet voornamelijk en op de eerste plaats in het lichaam, maar toch op de tweede plaats en als in een werktuig, zoals wij gezegd hebben in de Leerstelling.
1e Weerlegging. Het geestelijk kennen der genade komt wel niet voornamelijk en op de eerste plaats in het lichaam, maar toch op de tweede plaats en als in een werktuig, zoals wij gezegd hebben in de Leerstelling.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Het lichaam van een redeloos dier beantwoordt niet aan de redelijke ziel zoals het menselijk lichaam. En daarom is het niet hetzelfde geval.
2e Weerlegging. Het lichaam van een redeloos dier beantwoordt niet aan de redelijke ziel zoals het menselijk lichaam. En daarom is het niet hetzelfde geval.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Al ontving Christus de stof van zijn lichaam van andere mensen, toch krijgen alle mensen het onsterfelijk leven van hun lichaam van Hem, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 22): "Zoals in Adam allen sterven, worden allen in Christus levend gemaakt".
B: (1Cor 15:22) [b:1Cor 15:22]
3e Weerlegging. Al ontving Christus de stof van zijn lichaam van andere mensen, toch krijgen alle mensen het onsterfelijk leven van hun lichaam van Hem, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 22): "Zoals in Adam allen sterven, worden allen in Christus levend gemaakt".
B: (1Cor 15:22) [b:1Cor 15:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is Christus het Hoofd van alle mensen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 12 a. 3 co.
IIIa q. 73 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 12 a. 3 co.][t:iiia q. 73 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 8 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus het Hoofd van alle mensen niet is. Want het hoofd staat alleen in verbinding met de ledematen van zijn lichaam. Nu zijn de ongelovigen op geen enkele manier leden der Kerk, die "het lichaam van Christus is", zoals in de Ephesiërsbrief (1, 23) wordt gezegd. Dus is Christus niet het Hoofd van alle mensen.
B: (Eph 1:23) [b:Eph 1:23]
IIIa q. 12 a. 3 co.
IIIa q. 73 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 12 a. 3 co.][t:iiia q. 73 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 8 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus het Hoofd van alle mensen niet is. Want het hoofd staat alleen in verbinding met de ledematen van zijn lichaam. Nu zijn de ongelovigen op geen enkele manier leden der Kerk, die "het lichaam van Christus is", zoals in de Ephesiërsbrief (1, 23) wordt gezegd. Dus is Christus niet het Hoofd van alle mensen.
B: (Eph 1:23) [b:Eph 1:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De Apostel zegt in de Brief aan de Ephesiërs (5, 25 en 27): "dat Christus zichzelf voor de Kerk heeft overgeleverd om aan Zichzelf een heerlijke Kerk voor te stellen zonder vlek of rimpel of iets dergelijks". Maar er zijn velen zelfs bij de gelovigen, in wie men vlek en rimpel der zonde vindt. Dus zal Christus zelfs niet het Hoofd van alle gelovigen zijn.
Vervolgens. De Apostel zegt in de Brief aan de Ephesiërs (5, 25 en 27): "dat Christus zichzelf voor de Kerk heeft overgeleverd om aan Zichzelf een heerlijke Kerk voor te stellen zonder vlek of rimpel of iets dergelijks". Maar er zijn velen zelfs bij de gelovigen, in wie men vlek en rimpel der zonde vindt. Dus zal Christus zelfs niet het Hoofd van alle gelovigen zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 3 arg. 3
Vervolgens. De Sacramenten van de Oude Wet worden met Christus vergeleken als de "schaduw" met het "lichaam", zoals in de Brief aan de Colossensen wordt gezegd. Maar de Vaders van het Oude Testament waren in hun tijd bedienaars van die sacramenten naar de Hebreeënbrief (8, 5): "Zij bedienden een afbeeldsel en de schaduw der hemelse dingen". Dus behoren zij niet tot het lichaam van Christus. En zo is Christus niet het hoofd van alle mensen.
B: (Col 2:17) [b:Col 2:17] (Heb 8:5) [b:Heb 8:5]
Vervolgens. De Sacramenten van de Oude Wet worden met Christus vergeleken als de "schaduw" met het "lichaam", zoals in de Brief aan de Colossensen wordt gezegd. Maar de Vaders van het Oude Testament waren in hun tijd bedienaars van die sacramenten naar de Hebreeënbrief (8, 5): "Zij bedienden een afbeeldsel en de schaduw der hemelse dingen". Dus behoren zij niet tot het lichaam van Christus. En zo is Christus niet het hoofd van alle mensen.
B: (Col 2:17) [b:Col 2:17] (Heb 8:5) [b:Heb 8:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat wat in de Eerste Brief aan Timotheus wordt gezegd (4, 10): "Hij is de Redder van allen, vooral van de gelovigen"; en in de Eerste Brief van Johannes wordt gezegd (2, 2): "Hij is de Verzoening voor onze zonden, maar niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de gehele wereld". Maar mensen redden of verzoening zijn voor hun zonden komt aan Christus toe in zover Hij hun hoofd is. Dus is Christus het Hoofd van alle mensen.
B: (1Tim 4:10) [b:1Tim 4:10] (1John 2:2) [b:1John 2:2]
Maar daartegenover staat wat in de Eerste Brief aan Timotheus wordt gezegd (4, 10): "Hij is de Redder van allen, vooral van de gelovigen"; en in de Eerste Brief van Johannes wordt gezegd (2, 2): "Hij is de Verzoening voor onze zonden, maar niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de gehele wereld". Maar mensen redden of verzoening zijn voor hun zonden komt aan Christus toe in zover Hij hun hoofd is. Dus is Christus het Hoofd van alle mensen.
B: (1Tim 4:10) [b:1Tim 4:10] (1John 2:2) [b:1John 2:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 3 co.
Mijn antwoord. Het verschil tussen het natuurlijke lichaam van de mens en het mystieke lichaam der Kerk ligt hierin, dat alle ledematen van het natuurlijke lichaam tegelijk bestaan, maar de ledematen van het mystieke lichaam niet, noch wat het natuurlijk bestaan betreft, omdat het lichaam der Kerk wordt gevormd door mensen, die er waren vanaf het begin der wereld tot aan haar einde; noch wat het in genade zijn betreft, omdat van hen, die in dezelfde tijd leven, sommigen de genade missen, maar haar later zullen hebben, terwijl anderen haar reeds bezitten. Zo worden de leden van het mystieke lichaam niet alleen genomen naar wat zij daadwerkelijk zijn, maar ook naar wat zij kunnen zijn. Sommige dingen echter kunnen iets zijn, waartoe zij nooit daadwerkelijk worden gebracht, maar er zijn anderen, die er soms werkelijk toe gebracht worden tot deze drievoudige graad: tot de eerste door het geloof, tot de tweede door de liefde, tot de derde door het genieten in het vaderland. Als wij dus in het algemeen spreken volgens alle tijdperken der wereld, moeten wij zeggen, dat Christus het Hoofd van alle mensen is, maar naar verschillende graad. Op de eerste en voornaamste plaats is Hij het Hoofd van degenen, die daadwerkelijk met Hem verenigd zijn door de glorie. Op de tweede plaats met hen, die daadwerkelijk met Hem verenigd worden door de liefde. Op de derde plaats van hen, die daadwerkelijk met Hem verenigd worden door het geloof. Op de vierde plaats van hen, die alleen het vermogen hebben met Hem verenigd te worden, dat nu nog wel niet tot daadwerkelijkheid is gebracht, maar volgens de goddelijke voorbestemming daartoe zal gebracht worden. Ten vijfde van degenen, die het vermogen hebben met Hem verenigd te worden, dat echter nooit tot daadwerkelijkheid zal worden gebracht, zoals de mensen, die nu op aarde leven, maar niet voorbestemd zijn. Als dezen echter de aarde verlaten, houden zij geheel en al op ledematen van Christus te zijn, omdat het dan ook niet meer mogelijk is, dat zij met Christus verenigd worden.
Mijn antwoord. Het verschil tussen het natuurlijke lichaam van de mens en het mystieke lichaam der Kerk ligt hierin, dat alle ledematen van het natuurlijke lichaam tegelijk bestaan, maar de ledematen van het mystieke lichaam niet, noch wat het natuurlijk bestaan betreft, omdat het lichaam der Kerk wordt gevormd door mensen, die er waren vanaf het begin der wereld tot aan haar einde; noch wat het in genade zijn betreft, omdat van hen, die in dezelfde tijd leven, sommigen de genade missen, maar haar later zullen hebben, terwijl anderen haar reeds bezitten. Zo worden de leden van het mystieke lichaam niet alleen genomen naar wat zij daadwerkelijk zijn, maar ook naar wat zij kunnen zijn. Sommige dingen echter kunnen iets zijn, waartoe zij nooit daadwerkelijk worden gebracht, maar er zijn anderen, die er soms werkelijk toe gebracht worden tot deze drievoudige graad: tot de eerste door het geloof, tot de tweede door de liefde, tot de derde door het genieten in het vaderland. Als wij dus in het algemeen spreken volgens alle tijdperken der wereld, moeten wij zeggen, dat Christus het Hoofd van alle mensen is, maar naar verschillende graad. Op de eerste en voornaamste plaats is Hij het Hoofd van degenen, die daadwerkelijk met Hem verenigd zijn door de glorie. Op de tweede plaats met hen, die daadwerkelijk met Hem verenigd worden door de liefde. Op de derde plaats van hen, die daadwerkelijk met Hem verenigd worden door het geloof. Op de vierde plaats van hen, die alleen het vermogen hebben met Hem verenigd te worden, dat nu nog wel niet tot daadwerkelijkheid is gebracht, maar volgens de goddelijke voorbestemming daartoe zal gebracht worden. Ten vijfde van degenen, die het vermogen hebben met Hem verenigd te worden, dat echter nooit tot daadwerkelijkheid zal worden gebracht, zoals de mensen, die nu op aarde leven, maar niet voorbestemd zijn. Als dezen echter de aarde verlaten, houden zij geheel en al op ledematen van Christus te zijn, omdat het dan ook niet meer mogelijk is, dat zij met Christus verenigd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Al zijn zij, die ongelovig zijn, niet daadwerkelijk leden van de Kerk, toch hebben zij het vermogen daartoe. En dit vermogen berust op twee dingen: op de eerste plaats en voornamelijk op Christus’ kracht, die voldoende is voor het heil van geheel het menselijk geslacht, en ten tweede op de vrijheid van hun wil.
1e Weerlegging. Al zijn zij, die ongelovig zijn, niet daadwerkelijk leden van de Kerk, toch hebben zij het vermogen daartoe. En dit vermogen berust op twee dingen: op de eerste plaats en voornamelijk op Christus’ kracht, die voldoende is voor het heil van geheel het menselijk geslacht, en ten tweede op de vrijheid van hun wil.
Referenties naar deze alinea: 1
Lumen Gentium ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Dat de Kerk "heerlijk, zonder smet of rimpel is", is het laatste doel, waartoe wij door Christus’ lijden worden gebracht. Daarom zal dat de toestand in het hemelse vaderland zijn, maar niet de toestand, als wij op weg erheen zijn, waarin we "als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, onszelf bedriegen", zoals in de Eerste Brief van Johannes (1, 8) staat. Maar er zijn zonden, namelijk de doodzonden, waarvan zij, die daadwerkelijk ledematen van Christus zijn door de vereniging der liefde, vrij zijn. Zij, die deze zonden op hun geweten hebben, zijn niet daadwerkelijk Christus’ ledematen, maar hebben het vermogen ertoe, tenzij alleen onvolmaakt krachtens het niet door de liefde gevormde geloof, dat in zeker opzicht, maar niet zonder beperking met Christus verenigt in die zin, dat de mens door Christus het leven der genade krijgt; want "het geloof is zonder de liefde dood", zoals de Brief van Jacobus (2, 20) zegt. Maar dezen krijgen wel van Christus één levensdaad, namelijk geloven, zoals ook een afgestorven lichaamsdeel nog enigermate door de mens wordt bewogen.
B: (Jas 2:20) [b:Jas 2:20] (1John 1:8) [b:1John 1:8]
2e Weerlegging. Dat de Kerk "heerlijk, zonder smet of rimpel is", is het laatste doel, waartoe wij door Christus’ lijden worden gebracht. Daarom zal dat de toestand in het hemelse vaderland zijn, maar niet de toestand, als wij op weg erheen zijn, waarin we "als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, onszelf bedriegen", zoals in de Eerste Brief van Johannes (1, 8) staat. Maar er zijn zonden, namelijk de doodzonden, waarvan zij, die daadwerkelijk ledematen van Christus zijn door de vereniging der liefde, vrij zijn. Zij, die deze zonden op hun geweten hebben, zijn niet daadwerkelijk Christus’ ledematen, maar hebben het vermogen ertoe, tenzij alleen onvolmaakt krachtens het niet door de liefde gevormde geloof, dat in zeker opzicht, maar niet zonder beperking met Christus verenigt in die zin, dat de mens door Christus het leven der genade krijgt; want "het geloof is zonder de liefde dood", zoals de Brief van Jacobus (2, 20) zegt. Maar dezen krijgen wel van Christus één levensdaad, namelijk geloven, zoals ook een afgestorven lichaamsdeel nog enigermate door de mens wordt bewogen.
B: (Jas 2:20) [b:Jas 2:20] (1John 1:8) [b:1John 1:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De Heilige Vaders hechtten aan de sacramenten der Wet niet als aan de werkelijkheid, maar als beelden en schaduwen van wat komen ging. Maar het is hetzelfde of men zich tot een beeld precies als beeld of tot het afgebeelde ding richt, zoals de Filosoof bewijst in het boek Over het Geheugen en de Herinnering (1° H.). En daarom richtten de Oudvaders, als zij de sacramenten der Wet onderhielden, zich met hetzelfde geloof en dezelfde liefde op Christus als wij het doen. En daarom behoorden de Oudvaders tot hetzelfde lichaam der Kerk als waartoe wij behoren.
3e Weerlegging. De Heilige Vaders hechtten aan de sacramenten der Wet niet als aan de werkelijkheid, maar als beelden en schaduwen van wat komen ging. Maar het is hetzelfde of men zich tot een beeld precies als beeld of tot het afgebeelde ding richt, zoals de Filosoof bewijst in het boek Over het Geheugen en de Herinnering (1° H.). En daarom richtten de Oudvaders, als zij de sacramenten der Wet onderhielden, zich met hetzelfde geloof en dezelfde liefde op Christus als wij het doen. En daarom behoorden de Oudvaders tot hetzelfde lichaam der Kerk als waartoe wij behoren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Is Christus als mens ook het hoofd der Engelen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 59 a. 2 co.[t:iiia q. 59 a. 2 co.]
IIIa q. 8 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus als mens niet het Hoofd van de Engelen is. Want het hoofd en de ledematen zijn van dezelfde natuur. Maar Christus is als mens niet aan de Engelen gelijk in natuur, maar alleen aan de mensen, want zoals in de Hebreeënbrief wordt gezegd (2, 16): "heeft Hij niet de engelen zich aangetrokken, maar zich het zaad van Abraham aangetrokken". Dus is Christus als mens niet het Hoofd der Engelen.
B: (Heb 2:16) [b:Heb 2:16]
IIIa q. 59 a. 2 co.[t:iiia q. 59 a. 2 co.]
IIIa q. 8 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus als mens niet het Hoofd van de Engelen is. Want het hoofd en de ledematen zijn van dezelfde natuur. Maar Christus is als mens niet aan de Engelen gelijk in natuur, maar alleen aan de mensen, want zoals in de Hebreeënbrief wordt gezegd (2, 16): "heeft Hij niet de engelen zich aangetrokken, maar zich het zaad van Abraham aangetrokken". Dus is Christus als mens niet het Hoofd der Engelen.
B: (Heb 2:16) [b:Heb 2:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Christus is het Hoofd van hen, die tot Zijn Kerk behoren, "die Zijn lichaam is", zoals in de Brief aan de Ephesiërs (1, 23) wordt gezegd. Maar de Engelen behoren niet tot de Kerk, want deze is de vereniging der gelovigen, en de Engelen hebben geen geloof, want "zij wandelen niet in geloof, maar in het aanschouwen", want "anders zouden zij ver van God zijn", zoals de Apostel redeneert in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (5, 6 en 7). Dus is Christus als mens het Hoofd der Engelen niet.
B: (2Cor 5:6) [b:2Cor 5:6] (2Cor 5:7) [b:2Cor 5:7] (Eph 1:23) [b:Eph 1:23]
Vervolgens. Christus is het Hoofd van hen, die tot Zijn Kerk behoren, "die Zijn lichaam is", zoals in de Brief aan de Ephesiërs (1, 23) wordt gezegd. Maar de Engelen behoren niet tot de Kerk, want deze is de vereniging der gelovigen, en de Engelen hebben geen geloof, want "zij wandelen niet in geloof, maar in het aanschouwen", want "anders zouden zij ver van God zijn", zoals de Apostel redeneert in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (5, 6 en 7). Dus is Christus als mens het Hoofd der Engelen niet.
B: (2Cor 5:6) [b:2Cor 5:6] (2Cor 5:7) [b:2Cor 5:7] (Eph 1:23) [b:Eph 1:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (19e en 23e Trakt.), dat "zoals het Woord, dat van eeuwigheid was, de zielen levend maakt, zo ook het mensgeworden Woord de lichamen levend maakt", die de Engelen niet hebben. Maar het mensgeworden Woord is Christus als mens. Dus geeft Christus als mens de Engelen het leven niet. En dus is Hij als mens het Hoofd der Engelen niet.
Vervolgens. Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (19e en 23e Trakt.), dat "zoals het Woord, dat van eeuwigheid was, de zielen levend maakt, zo ook het mensgeworden Woord de lichamen levend maakt", die de Engelen niet hebben. Maar het mensgeworden Woord is Christus als mens. Dus geeft Christus als mens de Engelen het leven niet. En dus is Hij als mens het Hoofd der Engelen niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat wat de Apostel zegt in de Brief aan de Colossensen (2, 10): "Hij is het Hoofd van alle Heerschappen en Machten". En met de andere koren der Engelen is het hetzelfde. Dus is Christus het Hoofd der Engelen.
B: (Col 2:10) [b:Col 2:10]
Maar daartegenover staat wat de Apostel zegt in de Brief aan de Colossensen (2, 10): "Hij is het Hoofd van alle Heerschappen en Machten". En met de andere koren der Engelen is het hetzelfde. Dus is Christus het Hoofd der Engelen.
B: (Col 2:10) [b:Col 2:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 4 co.
Mijn antwoord. Waar één lichaam is, moeten wij, zoals wij zeiden (1° Art., Antw. op de 2° B.), één hoofd aannemen. Maar in beeldspraak noemt men een op één doel gerichte menigte met verschillende werkzaamheden en plichten een lichaam. Nu is het duidelijk, dat zowel Engelen als mensen op hetzelfde doel zijn gericht, nl. de heerlijkheid van het genieten van God. Daarom bestaat het mystieke lichaam der Kerk niet alleen uit mensen, maar ook uit Engelen. En het Hoofd van deze hele menigte is Christus, want Hij staat dichter bij God en ontvangt Zijn gaven niet alleen volmaakter dan de mensen, maar ook dan de Engelen; en van Zijn genadenstroom ontvangen niet alleen de mensen, maar ook de Engelen. Want in de Brief aan de Ephesiërs (1, 20) wordt gezegd, dat God de Vader Hem, dwz. Christus "plaatste aan Zijn rechterhand in de hemel boven alle heerlijkheid en macht en kracht en hoogheid, en boven elke naam, die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomstige; en alles heeft Hij onder Zijn voeten gesteld". En dus is Christus niet alleen het Hoofd der mensen, maar ook van de Engelen. Daarom ook lezen wij bij Mattheüs (4, 11), dat "de Engelen kwamen en Hem dienden".
B: (Matt 4:11) [b:Matt 4:11] (Eph 1:20-22) [b:Eph 1:20-22]
R: q. 8 a. 1 ad 2[t:iiia q. 8 a. 1 ad 2]
Mijn antwoord. Waar één lichaam is, moeten wij, zoals wij zeiden (1° Art., Antw. op de 2° B.), één hoofd aannemen. Maar in beeldspraak noemt men een op één doel gerichte menigte met verschillende werkzaamheden en plichten een lichaam. Nu is het duidelijk, dat zowel Engelen als mensen op hetzelfde doel zijn gericht, nl. de heerlijkheid van het genieten van God. Daarom bestaat het mystieke lichaam der Kerk niet alleen uit mensen, maar ook uit Engelen. En het Hoofd van deze hele menigte is Christus, want Hij staat dichter bij God en ontvangt Zijn gaven niet alleen volmaakter dan de mensen, maar ook dan de Engelen; en van Zijn genadenstroom ontvangen niet alleen de mensen, maar ook de Engelen. Want in de Brief aan de Ephesiërs (1, 20) wordt gezegd, dat God de Vader Hem, dwz. Christus "plaatste aan Zijn rechterhand in de hemel boven alle heerlijkheid en macht en kracht en hoogheid, en boven elke naam, die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomstige; en alles heeft Hij onder Zijn voeten gesteld". En dus is Christus niet alleen het Hoofd der mensen, maar ook van de Engelen. Daarom ook lezen wij bij Mattheüs (4, 11), dat "de Engelen kwamen en Hem dienden".
B: (Matt 4:11) [b:Matt 4:11] (Eph 1:20-22) [b:Eph 1:20-22]
R: q. 8 a. 1 ad 2[t:iiia q. 8 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Christus' invloed over alle mensen gaat wel hoofdzakelijk naar hun zielen uit, waarin de mensen met de engelen overeenkomen wat de generieke, niet wat de soortelijke natuur betreft. En om deze overeenkomst kan Christus het hoofd der engelen worden genoemd, al ontbreekt zij wat de lichamen betreft.
1e Weerlegging. Christus' invloed over alle mensen gaat wel hoofdzakelijk naar hun zielen uit, waarin de mensen met de engelen overeenkomen wat de generieke, niet wat de soortelijke natuur betreft. En om deze overeenkomst kan Christus het hoofd der engelen worden genoemd, al ontbreekt zij wat de lichamen betreft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. De Kerk beschouwd naar haar toestand hier op aarde is de vereniging der gelovigen, maar naar haar toestand in het vaderland is zij de vereniging van hen die bereikt hebben. Nu was Christus niet alleen op weg naar het vaderland, maar Hij had het ook bereikt. En dus is Hij niet alleen het Hoofd van de gelovigen, maar ook van hen die bereikt hebben, omdat Hij de hoogste maat van genade en glorie heeft.
2e Weerlegging. De Kerk beschouwd naar haar toestand hier op aarde is de vereniging der gelovigen, maar naar haar toestand in het vaderland is zij de vereniging van hen die bereikt hebben. Nu was Christus niet alleen op weg naar het vaderland, maar Hij had het ook bereikt. En dus is Hij niet alleen het Hoofd van de gelovigen, maar ook van hen die bereikt hebben, omdat Hij de hoogste maat van genade en glorie heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Augustinus spreekt hier volgens een gelijkenis tussen oorzaak en gevolg, in zover een lichamelijk ding op lichamen inwerkt en een geest op geesten. Toch kan Christus’ mensheid door de kracht van de geestelijke, dwz. goddelijke natuur, ook iets teweegbrengen niet alleen in de geesten van de mensen, maar ook in de geesten der Engelen om Zijn allerhoogste vereniging met God, nl. die in persoon.
3e Weerlegging. Augustinus spreekt hier volgens een gelijkenis tussen oorzaak en gevolg, in zover een lichamelijk ding op lichamen inwerkt en een geest op geesten. Toch kan Christus’ mensheid door de kracht van de geestelijke, dwz. goddelijke natuur, ook iets teweegbrengen niet alleen in de geesten van de mensen, maar ook in de geesten der Engelen om Zijn allerhoogste vereniging met God, nl. die in persoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Is de genade, waardoor Christus het Hoofd der Kerk is, dezelfde als die Hij als op zichzelf staand mens bezit?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 19 a. 4 co.
IIIa q. 48 a. 1 co.[t:iiia q. 19 a. 4 co.][t:iiia q. 48 a. 1 co.]
IIIa q. 8 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de genade, waardoor Christus Hoofd der Kerk is, niet dezelfde is als die Hij als op zichzelf staand mens bezit. Want de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (5, 15): "Als door de val van een velen gestorven zijn, is de genade en gave van God in de genade van de ene mens Jesus Christus nog veel meer in velen overvloedig geweest". Maar de zondedaad in Adam was iets anders als de erfzonde, die hij op zijn nakomelingen heeft overgebracht. Dus is ook de persoonlijke genade van Christus, die Hem eigen is, iets anders dan Zijn genade als Hoofd der Kerk, die van Hem op anderen wordt overgebracht.
B: (Rom 5:15) [b:Rom 5:15]
IIIa q. 19 a. 4 co.
IIIa q. 48 a. 1 co.[t:iiia q. 19 a. 4 co.][t:iiia q. 48 a. 1 co.]
IIIa q. 8 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de genade, waardoor Christus Hoofd der Kerk is, niet dezelfde is als die Hij als op zichzelf staand mens bezit. Want de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (5, 15): "Als door de val van een velen gestorven zijn, is de genade en gave van God in de genade van de ene mens Jesus Christus nog veel meer in velen overvloedig geweest". Maar de zondedaad in Adam was iets anders als de erfzonde, die hij op zijn nakomelingen heeft overgebracht. Dus is ook de persoonlijke genade van Christus, die Hem eigen is, iets anders dan Zijn genade als Hoofd der Kerk, die van Hem op anderen wordt overgebracht.
B: (Rom 5:15) [b:Rom 5:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 5 arg. 2
Vervolgens. De hebbelijkheden worden onderscheiden door de handelingen, die zij voortbrengen. Nu is Christus’ persoonlijke genade op iets anders, namelijk op de heiligheid van zijn ziel gericht, dan de genade als Hoofd, die namelijk gericht is op de heiliging van anderen. Dus is de persoonlijke genade van Christus zelf iets anders als zijn genade als Hoofd der Kerk.
Vervolgens. De hebbelijkheden worden onderscheiden door de handelingen, die zij voortbrengen. Nu is Christus’ persoonlijke genade op iets anders, namelijk op de heiligheid van zijn ziel gericht, dan de genade als Hoofd, die namelijk gericht is op de heiliging van anderen. Dus is de persoonlijke genade van Christus zelf iets anders als zijn genade als Hoofd der Kerk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Zoals wij boven zeiden, onderscheidt men in Christus drie genaden: nl. die der vereniging, die van Hoofd te zijn en de persoonlijke genade als een bepaald mens. Maar de persoonlijke genade is een andere dan die der vereniging. Dus is zij ook een andere dan die van Hoofd te zijn.
R: q. 6 a. 6[t:iiia q. 6 a. 6]
Vervolgens. Zoals wij boven zeiden, onderscheidt men in Christus drie genaden: nl. die der vereniging, die van Hoofd te zijn en de persoonlijke genade als een bepaald mens. Maar de persoonlijke genade is een andere dan die der vereniging. Dus is zij ook een andere dan die van Hoofd te zijn.
R: q. 6 a. 6[t:iiia q. 6 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, wat wij bij Johannes vinden (1, 16): "Van Zijn genade hebben wij allen ontvangen". Nu is Hij juist hierom Hoofd, dat wij van Hem ontvangen. Dus is Hij ons Hoofd in zover Hij de volheid der genade heeft. Maar Hij heeft de volheid der genade, omdat, zoals wij zeiden, de persoonlijke genade in alle volmaaktheid in Hem was. Dus is Hij ons Hoofd door de persoonlijke genade. En dus is de genade van Hoofd te zijn geen andere dan de persoonlijke genade.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
R: q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9]
Daartegenover staat echter, wat wij bij Johannes vinden (1, 16): "Van Zijn genade hebben wij allen ontvangen". Nu is Hij juist hierom Hoofd, dat wij van Hem ontvangen. Dus is Hij ons Hoofd in zover Hij de volheid der genade heeft. Maar Hij heeft de volheid der genade, omdat, zoals wij zeiden, de persoonlijke genade in alle volmaaktheid in Hem was. Dus is Hij ons Hoofd door de persoonlijke genade. En dus is de genade van Hoofd te zijn geen andere dan de persoonlijke genade.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
R: q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 5 co.
Mijn antwoord. Alles werkt in zover het daadwerkelijk iets is. Nu moet het hetzelfde daadwerkelijke beginsel zijn, waardoor iets daadwerkelijk is en waardoor het werkt; en zo is het dezelfde warmte, waardoor het vuur warm is en verwarmt. Maar niet iedere act, waardoor iets daadwerkelijk iets is, is voldoende om beginsel van inwerking op iets anders te zijn; want omdat "wat werkt hoger staat dan wat ondergaat", zoals Augustinus (12° B., Verkl. der Genesis, 16° H.) en de Filosoof (in het 3° B., Over de Ziel) zeggen, moet datgene wat op anderen inwerkt een act hebben, die boven anderen uitsteekt. Nu hebben wij vroeger gezegd, dat de genade in Christus’ ziel in de hoogste graad van volmaaktheid ontvangen is. En zo komt het Hem om de uitstekendheid van de genade, die Hij ontving, toe, dat die genade van Hem op anderen overvloeit. Dat behoort tot het begrip hoofd. En daarom is de persoonlijke genade, waardoor Christus’ ziel rechtvaardig is gemaakt, naar haar wezen dezelfde als die, waardoor Hij het Hoofd der Kerk is, dat anderen heilig maakt; het onderscheid maken wij met ons verstand.
R: q. 8 a. 1[t:iiia q. 8 a. 1] q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9]
Mijn antwoord. Alles werkt in zover het daadwerkelijk iets is. Nu moet het hetzelfde daadwerkelijke beginsel zijn, waardoor iets daadwerkelijk is en waardoor het werkt; en zo is het dezelfde warmte, waardoor het vuur warm is en verwarmt. Maar niet iedere act, waardoor iets daadwerkelijk iets is, is voldoende om beginsel van inwerking op iets anders te zijn; want omdat "wat werkt hoger staat dan wat ondergaat", zoals Augustinus (12° B., Verkl. der Genesis, 16° H.) en de Filosoof (in het 3° B., Over de Ziel) zeggen, moet datgene wat op anderen inwerkt een act hebben, die boven anderen uitsteekt. Nu hebben wij vroeger gezegd, dat de genade in Christus’ ziel in de hoogste graad van volmaaktheid ontvangen is. En zo komt het Hem om de uitstekendheid van de genade, die Hij ontving, toe, dat die genade van Hem op anderen overvloeit. Dat behoort tot het begrip hoofd. En daarom is de persoonlijke genade, waardoor Christus’ ziel rechtvaardig is gemaakt, naar haar wezen dezelfde als die, waardoor Hij het Hoofd der Kerk is, dat anderen heilig maakt; het onderscheid maken wij met ons verstand.
R: q. 8 a. 1[t:iiia q. 8 a. 1] q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De erfzonde in Adam, die een zonde van de natuur is, komt van zijn zondedaad, die een persoonlijke is, omdat de persoon in hem de natuur bedierf; en door dat bederf wordt de zonde van de eerste mens op zijn nakomelingen overgebracht, in zover de bedorven natuur haar bederf op de persoon overbrengt. Maar de genade wordt van Christus op ons niet door de menselijke natuur overgebracht, maar alleen door de persoonlijke werkzaamheid van Christus zelf. Daarom behoeft men in Christus geen dubbele genade te onderscheiden, waarvan een aan de natuur en een aan de persoon beantwoordt, zoals men in Adam natuurzonde en persoonlijke zonde onderscheidt.
1e Weerlegging. De erfzonde in Adam, die een zonde van de natuur is, komt van zijn zondedaad, die een persoonlijke is, omdat de persoon in hem de natuur bedierf; en door dat bederf wordt de zonde van de eerste mens op zijn nakomelingen overgebracht, in zover de bedorven natuur haar bederf op de persoon overbrengt. Maar de genade wordt van Christus op ons niet door de menselijke natuur overgebracht, maar alleen door de persoonlijke werkzaamheid van Christus zelf. Daarom behoeft men in Christus geen dubbele genade te onderscheiden, waarvan een aan de natuur en een aan de persoon beantwoordt, zoals men in Adam natuurzonde en persoonlijke zonde onderscheidt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Meerdere daden, waarvan de een de oorzaak en reden van bestaan van de andere is, geven geen meervoudigheid van hebbelijkheden. Nu is de daad van de persoonlijke genade, namelijk dengene die haar bezit formeel heilig maakt, de reden van bestaan van het heilig maken van anderen, wat tot de genade van het Hoofd behoort. En dus krijgen wij door dit verschil geen wezenlijk onderscheid tussen de hebbelijkheden.
2e Weerlegging. Meerdere daden, waarvan de een de oorzaak en reden van bestaan van de andere is, geven geen meervoudigheid van hebbelijkheden. Nu is de daad van de persoonlijke genade, namelijk dengene die haar bezit formeel heilig maakt, de reden van bestaan van het heilig maken van anderen, wat tot de genade van het Hoofd behoort. En dus krijgen wij door dit verschil geen wezenlijk onderscheid tussen de hebbelijkheden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. De persoonlijke genade en de genade van Hoofd te zijn hebben een daad tot doel, maar de genade van vereniging richt zich niet op een daad, maar op het persoonlijke zijn. En daarom zijn de persoonlijke genade en de genade van Hoofd te zijn in wezen een hebbelijkheid, maar de genade der vereniging niet. Toch kan men de persoonlijke genade wel in zekere zin een genade van vereniging noemen, in zover zij een soort geschiktheid voor de aanneming teweeg brengt. En onder dit opzicht zijn genade van vereniging en genade van Hoofd te zijn en persoonlijke genade in wezen een, en maakt alleen het verstand onderscheid.
3e Weerlegging. De persoonlijke genade en de genade van Hoofd te zijn hebben een daad tot doel, maar de genade van vereniging richt zich niet op een daad, maar op het persoonlijke zijn. En daarom zijn de persoonlijke genade en de genade van Hoofd te zijn in wezen een hebbelijkheid, maar de genade der vereniging niet. Toch kan men de persoonlijke genade wel in zekere zin een genade van vereniging noemen, in zover zij een soort geschiktheid voor de aanneming teweeg brengt. En onder dit opzicht zijn genade van vereniging en genade van Hoofd te zijn en persoonlijke genade in wezen een, en maakt alleen het verstand onderscheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Is het eigen aan Christus Hoofd der Kerk te zijn?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 8 a. 7 co.
IIIa q. 8 a. 7 co.
IIIa q. 73 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 8 a. 7 co.][t:iiia q. 8 a. 7 co.][t:iiia q. 73 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 8 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het Hoofd der Kerk te zijn niet eigen is aan Christus. Want in het eerste boek der Koningen wordt gezegd (15, 17): "Toen gij nog klein waart in uw eigen ogen, zijt gij hoofd geworden onder de stammen van Israël". Nu is de Kerk in het Nieuwe en Oude Testament een. Dus schijnt om dezelfde reden een ander mens als Christus hoofd der Kerk te kunnen zijn.
B: (1Kgs 15:17) [b:1Kgs 15:17]
IIIa q. 8 a. 7 co.
IIIa q. 8 a. 7 co.
IIIa q. 73 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 8 a. 7 co.][t:iiia q. 8 a. 7 co.][t:iiia q. 73 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 8 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het Hoofd der Kerk te zijn niet eigen is aan Christus. Want in het eerste boek der Koningen wordt gezegd (15, 17): "Toen gij nog klein waart in uw eigen ogen, zijt gij hoofd geworden onder de stammen van Israël". Nu is de Kerk in het Nieuwe en Oude Testament een. Dus schijnt om dezelfde reden een ander mens als Christus hoofd der Kerk te kunnen zijn.
B: (1Kgs 15:17) [b:1Kgs 15:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Christus wordt hierom Hoofd der Kerk genoemd, dat Hij de genade stort in de ledematen der Kerk. Maar ook aan anderen schijnt het toe te komen anderen genade te schenken, volgens de Ephesiërsbrief (4, 29): "Uit uw mond kome geen vuile taal, maar alleen goede woorden, die kunnen stichten, zodat zij de genade brengen aan de hoorders". Dus schijnt het ook aan anderen als Christus toe te komen Hoofd der Kerk te zijn.
B: (Eph 4:29) [b:Eph 4:29]
Vervolgens. Christus wordt hierom Hoofd der Kerk genoemd, dat Hij de genade stort in de ledematen der Kerk. Maar ook aan anderen schijnt het toe te komen anderen genade te schenken, volgens de Ephesiërsbrief (4, 29): "Uit uw mond kome geen vuile taal, maar alleen goede woorden, die kunnen stichten, zodat zij de genade brengen aan de hoorders". Dus schijnt het ook aan anderen als Christus toe te komen Hoofd der Kerk te zijn.
B: (Eph 4:29) [b:Eph 4:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Omdat Christus de Kerk leidt, wordt Hij niet alleen Hoofd genoemd, maar ook "Herder" en "Grondslag". Christus echter heeft de naam van Herder niet voor zichzelf alleen gehouden volgens de Eerste Brief van Petrus (5, 4): "Als de Vorst der Herders verschenen zal zijn, zult gij de onvergankelijke kroon der heerlijkheid ontvangen". En evenmin die van grondslag, volgens het boek der Openbaring (21, 14): "De muur der stad heeft twaalf grondslagen". Dus schijnt Hij ook de naam van Hoofd niet voor zichzelf te hebben gehouden.
B: (1Pet 5:4) [b:1Pet 5:4] (Rev 21:14) [b:Rev 21:14]
Vervolgens. Omdat Christus de Kerk leidt, wordt Hij niet alleen Hoofd genoemd, maar ook "Herder" en "Grondslag". Christus echter heeft de naam van Herder niet voor zichzelf alleen gehouden volgens de Eerste Brief van Petrus (5, 4): "Als de Vorst der Herders verschenen zal zijn, zult gij de onvergankelijke kroon der heerlijkheid ontvangen". En evenmin die van grondslag, volgens het boek der Openbaring (21, 14): "De muur der stad heeft twaalf grondslagen". Dus schijnt Hij ook de naam van Hoofd niet voor zichzelf te hebben gehouden.
B: (1Pet 5:4) [b:1Pet 5:4] (Rev 21:14) [b:Rev 21:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 6 s. c.
Maar daartegenover staat het woord uit de Brief aan de Colossensen (2, 15): "Het is het Hoofd der Kerk, waaruit het ganse lichaam door gewrichten en vezels vastgehouden, gestut en samengehouden wordt en groeit tot goddelijke rijpheid". Maar dat komt alleen aan Christus toe. Dus is alleen Christus het Hoofd der Kerk.
B: (Col 2:19) [b:Col 2:19]
Maar daartegenover staat het woord uit de Brief aan de Colossensen (2, 15): "Het is het Hoofd der Kerk, waaruit het ganse lichaam door gewrichten en vezels vastgehouden, gestut en samengehouden wordt en groeit tot goddelijke rijpheid". Maar dat komt alleen aan Christus toe. Dus is alleen Christus het Hoofd der Kerk.
B: (Col 2:19) [b:Col 2:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 6 co.
Mijn antwoord. Het hoofd heeft een dubbele invloed op de ledematen. Ten eerste door een soort innerlijke inwerking, in zover de vermogens van beweging en zintuiglijk leven van het hoofd op de andere ledematen worden overgebracht. En daarnaast door een soort uiterlijke besturing, in zover namelijk de mens in zijn uiterlijke daden wordt bestuurd door het gezicht en de andere zintuigen, die in het hoofd hun plaats hebben. Nu komt de inwendige genadestroom van niemand anders dan van Christus, wiens mensheid, omdat zij met de godheid verbonden is, het vermogen heeft om rechtvaardig te maken. Maar het beïnvloeden van de ledematen der Kerk, wat het uitwendig bestuur betreft, kan ook aan anderen toekomen. En zo kunnen ook anderen hoofden der Kerk genoemd worden naar het woord van Amos (6, 1): "De voornamen zijn de hoofden der volken". Maar anders dan Christus. Ten eerste hierom, dat Christus het Hoofd is van allen, die tot de Kerk behoren, in alle plaatsen en tijden en toestanden; terwijl de andere mensen hoofden worden genoemd op bepaalde plaatsen als de bisschoppen in hun kerken; of gedurende bepaalde tijden, zoals de Paus het Hoofd is der gehele Kerk, namelijk gedurende de tijd van zijn Pontificaat; of in een bepaalde toestand, namelijk zolang zij nog pelgrims naar de eeuwigheid zijn. En daarnaast hierom, dat Christus Hoofd der Kerk is door eigen macht en gezag; maar de anderen worden hoofden genoemd als plaatsbekleeders van Christus volgens de Tweede Brief aan de Korinthiërs (2, 10): "Wat ik gegeven heb, als ik iets gegeven heb, heb ik dat om uwentwil in Christus' naam gedaan". en (5, 20): "In Christus' naam treden wij als gezanten op, alsof God door ons vermaant".
B: (Amos 6:1) [b:Amos 6:1] (2Cor 2:10) [b:2Cor 2:10] (2Cor 5:20) [b:2Cor 5:20]
Mijn antwoord. Het hoofd heeft een dubbele invloed op de ledematen. Ten eerste door een soort innerlijke inwerking, in zover de vermogens van beweging en zintuiglijk leven van het hoofd op de andere ledematen worden overgebracht. En daarnaast door een soort uiterlijke besturing, in zover namelijk de mens in zijn uiterlijke daden wordt bestuurd door het gezicht en de andere zintuigen, die in het hoofd hun plaats hebben. Nu komt de inwendige genadestroom van niemand anders dan van Christus, wiens mensheid, omdat zij met de godheid verbonden is, het vermogen heeft om rechtvaardig te maken. Maar het beïnvloeden van de ledematen der Kerk, wat het uitwendig bestuur betreft, kan ook aan anderen toekomen. En zo kunnen ook anderen hoofden der Kerk genoemd worden naar het woord van Amos (6, 1): "De voornamen zijn de hoofden der volken". Maar anders dan Christus. Ten eerste hierom, dat Christus het Hoofd is van allen, die tot de Kerk behoren, in alle plaatsen en tijden en toestanden; terwijl de andere mensen hoofden worden genoemd op bepaalde plaatsen als de bisschoppen in hun kerken; of gedurende bepaalde tijden, zoals de Paus het Hoofd is der gehele Kerk, namelijk gedurende de tijd van zijn Pontificaat; of in een bepaalde toestand, namelijk zolang zij nog pelgrims naar de eeuwigheid zijn. En daarnaast hierom, dat Christus Hoofd der Kerk is door eigen macht en gezag; maar de anderen worden hoofden genoemd als plaatsbekleeders van Christus volgens de Tweede Brief aan de Korinthiërs (2, 10): "Wat ik gegeven heb, als ik iets gegeven heb, heb ik dat om uwentwil in Christus' naam gedaan". en (5, 20): "In Christus' naam treden wij als gezanten op, alsof God door ons vermaant".
B: (Amos 6:1) [b:Amos 6:1] (2Cor 2:10) [b:2Cor 2:10] (2Cor 5:20) [b:2Cor 5:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Deze tekst moet men zo begrijpen, dat men hier het hoofd zijn beschouwt in het uiterlijke bestuur, zoals de koning hoofd van zijn rijk wordt genoemd.
1e Weerlegging. Deze tekst moet men zo begrijpen, dat men hier het hoofd zijn beschouwt in het uiterlijke bestuur, zoals de koning hoofd van zijn rijk wordt genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. De mens geeft de genade niet door een innerlijke invloed, maar door uiterlijk te overreden tot wat met de genade samenhangt.
2e Weerlegging. De mens geeft de genade niet door een innerlijke invloed, maar door uiterlijk te overreden tot wat met de genade samenhangt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Het is zoals Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (46e Tract.): "Als de leiders der Kerk herders zijn, hoe kan men dan spreken van één herder, als die allen niet de ledematen van een herder zijn?" En evenzo kan men anderen grondslagen en hoofden noemen, in zover zij de ledematen zijn van één grondslag en hoofd. En toch is het waar, wat Augustinus op dezelfde plaats zegt (47e Tr.): "Herder te zijn heeft Hij aan anderen gegeven, maar niemand van ons noemt zich de deur; want dat heeft Hij als iets eigens voor zich gehouden". En dat is hierom, dat de term deur het voornaamste gezag insluit, omdat het de deur is, waardoor allen het huis binnen gaan; en Christus zelf is de enige, "waardoor wij toegang hebben gekregen tot deze genade, waardoor wij vast staan" (Brief aan de Romeinen, 5, 2). Maar met de andere aangehaalde namen kan niet alleen het voornaamste, maar ook het ondergeschikte gezag worden aangeduid.
B: (Rom 5:2) [b:Rom 5:2]
3e Weerlegging. Het is zoals Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (46e Tract.): "Als de leiders der Kerk herders zijn, hoe kan men dan spreken van één herder, als die allen niet de ledematen van een herder zijn?" En evenzo kan men anderen grondslagen en hoofden noemen, in zover zij de ledematen zijn van één grondslag en hoofd. En toch is het waar, wat Augustinus op dezelfde plaats zegt (47e Tr.): "Herder te zijn heeft Hij aan anderen gegeven, maar niemand van ons noemt zich de deur; want dat heeft Hij als iets eigens voor zich gehouden". En dat is hierom, dat de term deur het voornaamste gezag insluit, omdat het de deur is, waardoor allen het huis binnen gaan; en Christus zelf is de enige, "waardoor wij toegang hebben gekregen tot deze genade, waardoor wij vast staan" (Brief aan de Romeinen, 5, 2). Maar met de andere aangehaalde namen kan niet alleen het voornaamste, maar ook het ondergeschikte gezag worden aangeduid.
B: (Rom 5:2) [b:Rom 5:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Is de duivel het hoofd van alle zondaars?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 64 a. 7 arg. 3[t:iiia q. 64 a. 7 arg. 3]
IIIa q. 8 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de duivel niet het hoofd is van de zondaars. Want het begrip hoofd sluit in waarneming en beweging in de ledematen te storten, zoals een glossa zegt bij deze tekst uit de Ephesiërsbrief (1, 18): "Hem stelde Hij aan als Hoofd". De duivel heeft echter de macht niet de boosheid der zonde, die van de wil van de zondaar komt, in te storten. Dus kan men de duivel geen hoofd der zondaars noemen.
B: (Eph 1:22) [b:Eph 1:22]
IIIa q. 64 a. 7 arg. 3[t:iiia q. 64 a. 7 arg. 3]
IIIa q. 8 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de duivel niet het hoofd is van de zondaars. Want het begrip hoofd sluit in waarneming en beweging in de ledematen te storten, zoals een glossa zegt bij deze tekst uit de Ephesiërsbrief (1, 18): "Hem stelde Hij aan als Hoofd". De duivel heeft echter de macht niet de boosheid der zonde, die van de wil van de zondaar komt, in te storten. Dus kan men de duivel geen hoofd der zondaars noemen.
B: (Eph 1:22) [b:Eph 1:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Door iedere zonde wordt de mens een zondaar. Maar niet alle zonden komen van de duivel. Dat blijkt duidelijk uit de zonde van de duivels, die niet op aanraden van een ander zondigden. En evenmin komt iedere zonde der mensen van de duivel; want het boek Over de Leerstukken der Kerk zegt: "Niet al onze slechte gedachten worden steeds door het aanstoken van de duivel opgewekt, maar soms duiken zij op uit de werkzaamheid van ons verstand". Dus is de duivel het hoofd der zondaars niet.
Vervolgens. Door iedere zonde wordt de mens een zondaar. Maar niet alle zonden komen van de duivel. Dat blijkt duidelijk uit de zonde van de duivels, die niet op aanraden van een ander zondigden. En evenmin komt iedere zonde der mensen van de duivel; want het boek Over de Leerstukken der Kerk zegt: "Niet al onze slechte gedachten worden steeds door het aanstoken van de duivel opgewekt, maar soms duiken zij op uit de werkzaamheid van ons verstand". Dus is de duivel het hoofd der zondaars niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Een hoofd past op één lichaam. Maar de hele menigte der zondaars schijnt niets te hebben, dat hen verenigt, want "soms staat kwaad tegenover kwaad"; omdat het voortkomt "uit verschillende gebreken", zoals Dionysius zegt in het boek Over de Namen van God (4e H.). Dus kan men de duivel niet het hoofd van alle zondaars noemen.
Vervolgens. Een hoofd past op één lichaam. Maar de hele menigte der zondaars schijnt niets te hebben, dat hen verenigt, want "soms staat kwaad tegenover kwaad"; omdat het voortkomt "uit verschillende gebreken", zoals Dionysius zegt in het boek Over de Namen van God (4e H.). Dus kan men de duivel niet het hoofd van alle zondaars noemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 7 s. c.
Hiertegenover staat echter, dat de Glossa, bij het woord van Job (18, 17): "De herinnering aan hem moge van de aarde verdwijnen", zegt: "Van iedere onrechtvaardige wordt hier gezegd, dat hij naar zijn hoofd, dwz. de duivel moge terugkeren".
B: (Job 18:17) [b:Job 18:17]
Hiertegenover staat echter, dat de Glossa, bij het woord van Job (18, 17): "De herinnering aan hem moge van de aarde verdwijnen", zegt: "Van iedere onrechtvaardige wordt hier gezegd, dat hij naar zijn hoofd, dwz. de duivel moge terugkeren".
B: (Job 18:17) [b:Job 18:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 7 co.
Mijn antwoord. Zoals vroeger werd gezegd (Vorig Art.). heeft het hoofd niet alleen een innerlijke invloed op de ledematen, maar beweegt ze ook uiterlijk door ze op een doel te richten. En dus kan iemand hoofd van een menigte worden genoemd ofwel in beide opzichten, en zo is Christus het hoofd der Kerk, zoals wij zeiden (t. a. p.); of alleen wat het uiterlijk bestuur betreft en zo is iedere vorst en prelaat het hoofd van de aan hem onderworpen menigte. En op deze manier wordt de duivel het hoofd van alle zondaars genoemd, want zoals in het boek Job wordt gezegd (41, 25): "Hij is de koning over alle zonen van de hoogmoed". Nu behoort het tot de taak van een bestuurder, dat hij hen, die hij bestuurt, tot zijn doel brengt. En het doel van de duivel is het afwenden van het redelijke schepsel van God; daarom trachtte hij vanaf het begin de mens van de gehoorzaamheid aan het goddelijke gebod af te brengen. Het afwenden zelf van God kan als een soort vrijheid, als een doel worden beschouwd, naar Jeremias (2,20): "Van eeuwigheid hebt gij het juk gebroken, de boeien los gemaakt en gezegd Ik zal niet dienstbaar zijn". In zover nu sommigen door te zondigen tot dit doel worden verleid, vallen zij onder de heerschappij en het bestuur van de duivel. En daarom wordt hij hun hoofd genoemd.
B: (Job 41:25) [b:Job 41:25] (Jer 2:20) [b:Jer 2:20]
R: q. 8 a. 6[t:iiia q. 8 a. 6] q. 8 a. 6[t:iiia q. 8 a. 6]
Mijn antwoord. Zoals vroeger werd gezegd (Vorig Art.). heeft het hoofd niet alleen een innerlijke invloed op de ledematen, maar beweegt ze ook uiterlijk door ze op een doel te richten. En dus kan iemand hoofd van een menigte worden genoemd ofwel in beide opzichten, en zo is Christus het hoofd der Kerk, zoals wij zeiden (t. a. p.); of alleen wat het uiterlijk bestuur betreft en zo is iedere vorst en prelaat het hoofd van de aan hem onderworpen menigte. En op deze manier wordt de duivel het hoofd van alle zondaars genoemd, want zoals in het boek Job wordt gezegd (41, 25): "Hij is de koning over alle zonen van de hoogmoed". Nu behoort het tot de taak van een bestuurder, dat hij hen, die hij bestuurt, tot zijn doel brengt. En het doel van de duivel is het afwenden van het redelijke schepsel van God; daarom trachtte hij vanaf het begin de mens van de gehoorzaamheid aan het goddelijke gebod af te brengen. Het afwenden zelf van God kan als een soort vrijheid, als een doel worden beschouwd, naar Jeremias (2,20): "Van eeuwigheid hebt gij het juk gebroken, de boeien los gemaakt en gezegd Ik zal niet dienstbaar zijn". In zover nu sommigen door te zondigen tot dit doel worden verleid, vallen zij onder de heerschappij en het bestuur van de duivel. En daarom wordt hij hun hoofd genoemd.
B: (Job 41:25) [b:Job 41:25] (Jer 2:20) [b:Jer 2:20]
R: q. 8 a. 6[t:iiia q. 8 a. 6] q. 8 a. 6[t:iiia q. 8 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Al heeft de duivel geen innerlijke invloed op het redelijke verstand, toch brengt hij door inblazing tot de zonde.
1e Weerlegging. Al heeft de duivel geen innerlijke invloed op het redelijke verstand, toch brengt hij door inblazing tot de zonde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Een bestuurder geeft niet altijd iedere afzonderlijk in, dat zij aan zijn wil gehoorzamen, maar hij toont aan allen het teken van zijn wil, dat door sommigen na overreding wordt gevolgd, en door anderen uit eigen beweging, zoals blijkt uit de aanvoerder van een leger, wiens vaandel de soldaten volgen zonder dat iemand hen ertoe aanspoort. Zo is dan de eerste zonde van de duivel, "die vanaf het begin heeft gezondigd", zoals in de Eerste Brief van Johannes (3, 8) staat, aan allen ter navolging voorgesteld; en sommigen volgen dat na op zijn aansporen, en anderen uit eigen beweging zonder enige aansporing. En hierom is de duivel het hoofd der zondaars, in zover zij hem navolgen volgens het boek der Wijsheid (2, 24 en 25): "Door de nijd van de duivel kwam de dood op de wereld; in hem volgen zij, die aan zijn kant staan, na".
B: (1John 3:8) [b:1John 3:8] (Wis 2:24) [b:Wis 2:24] (Wis 2, Wis 2:25) [b:Wis 2]
2e Weerlegging. Een bestuurder geeft niet altijd iedere afzonderlijk in, dat zij aan zijn wil gehoorzamen, maar hij toont aan allen het teken van zijn wil, dat door sommigen na overreding wordt gevolgd, en door anderen uit eigen beweging, zoals blijkt uit de aanvoerder van een leger, wiens vaandel de soldaten volgen zonder dat iemand hen ertoe aanspoort. Zo is dan de eerste zonde van de duivel, "die vanaf het begin heeft gezondigd", zoals in de Eerste Brief van Johannes (3, 8) staat, aan allen ter navolging voorgesteld; en sommigen volgen dat na op zijn aansporen, en anderen uit eigen beweging zonder enige aansporing. En hierom is de duivel het hoofd der zondaars, in zover zij hem navolgen volgens het boek der Wijsheid (2, 24 en 25): "Door de nijd van de duivel kwam de dood op de wereld; in hem volgen zij, die aan zijn kant staan, na".
B: (1John 3:8) [b:1John 3:8] (Wis 2:24) [b:Wis 2:24] (Wis 2, Wis 2:25) [b:Wis 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Alle zonden hebben het zich afwenden van God gemeen, al verschillen zij onderling door het zich wenden tot verschillende vergankelijke goederen.
3e Weerlegging. Alle zonden hebben het zich afwenden van God gemeen, al verschillen zij onderling door het zich wenden tot verschillende vergankelijke goederen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Is de Antichrist het hoofd der zondaars?
IIIa q. 8 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat de Antichrist het hoofd der zondaars niet is. Want een lichaam heeft niet verschillende hoofden. Nu is de duivel het hoofd van de menigte der zondaars. Dus is de Antichrist hun hoofd niet.
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat de Antichrist het hoofd der zondaars niet is. Want een lichaam heeft niet verschillende hoofden. Nu is de duivel het hoofd van de menigte der zondaars. Dus is de Antichrist hun hoofd niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 8 arg. 2
Vervolgens. De Antichrist is een der ledematen van de duivel. Maar het hoofd is van de ledematen onderscheiden. Dus is de Antichrist het hoofd der zondaars niet.
Vervolgens. De Antichrist is een der ledematen van de duivel. Maar het hoofd is van de ledematen onderscheiden. Dus is de Antichrist het hoofd der zondaars niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Het hoofd heeft invloed op de ledematen. Maar de Antichrist heeft geen invloed op de mensen, die er voor hem waren. Dus is de Antichrist het hoofd der zondaars niet.
Vervolgens. Het hoofd heeft invloed op de ledematen. Maar de Antichrist heeft geen invloed op de mensen, die er voor hem waren. Dus is de Antichrist het hoofd der zondaars niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 8 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de Glossa bij Job (21, 29): "Ondervraag alle reizigers", zegt: "Terwijl hij over het lichaam van alle zondaars spreekt, springt hij plotseling op de antichrist, het hoofd van alle onrechtvaardigen, over".
B: (Job 21:29) [b:Job 21:29]
Maar daartegenover staat, dat de Glossa bij Job (21, 29): "Ondervraag alle reizigers", zegt: "Terwijl hij over het lichaam van alle zondaars spreekt, springt hij plotseling op de antichrist, het hoofd van alle onrechtvaardigen, over".
B: (Job 21:29) [b:Job 21:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 8 co.
Mijn antwoord. Zoals boven werd gezegd (1° Art.), vinden wij in een natuurlijk hoofd drie dingen, nl. rangorde, volmaaktheid en macht om te beïnvloeden. Wat dus de rangorde in tijd betreft, is de Antichrist het hoofd van de zondaars niet, alsof zijn zonde het eerst was gekomen, zoals de zonde van de duivel de eerste was. Evenmin wordt hij het hoofd der zondaars genoemd om het verwogen invloed uit te oefenen. Want al zou hij ook door uiterlijke beïnvloeding sommige tijdgenoten tot het kwaad brengen, zijn toch zij, die voor hem waren, niet door hem tot de zonde gebracht en hebben zijn boosheid niet nagevolgd. En in dit opzicht zou hij dus niet het hoofd van alle zondaars kunnen worden genoemd, maar van enkelen. Er blijft dus alleen over, dat hij om de volmaaktheid van zijn boosheid het hoofd van alle zondaars wordt genoemd. Daarom zegt de Glossa bij het woord uit de Tweede Brief aan de Thessalonicensen (2, 4): "Zich vertoonend alsof hij God was", "Zoals in Christus de gehele volheid der godheid heeft gewoond, zo in de Antichrist de volheid van alle zonde". Maar niet zo, dat zijn mensheid door de duivel in eenheid van persoon zou aangenomen zijn, als Christus' mensheid door Gods Zoon; maar omdat de duivel door verleiding zijn boosheid volmaakter in hem bracht dan in alle anderen. En in dit opzicht zijn alle zondaars, die voor hem kwamen, als een beeld van de Antichrist volgens de Tweede Brief aan de Thessalonicensen (2, 7): "Reeds werkt het geheim der onrechtvaardigheid".
B: (2Thess 2:4) [b:2Thess 2:4] (2Thess 2:7) [b:2Thess 2:7]
R: q. 8 a. 1[t:iiia q. 8 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven werd gezegd (1° Art.), vinden wij in een natuurlijk hoofd drie dingen, nl. rangorde, volmaaktheid en macht om te beïnvloeden. Wat dus de rangorde in tijd betreft, is de Antichrist het hoofd van de zondaars niet, alsof zijn zonde het eerst was gekomen, zoals de zonde van de duivel de eerste was. Evenmin wordt hij het hoofd der zondaars genoemd om het verwogen invloed uit te oefenen. Want al zou hij ook door uiterlijke beïnvloeding sommige tijdgenoten tot het kwaad brengen, zijn toch zij, die voor hem waren, niet door hem tot de zonde gebracht en hebben zijn boosheid niet nagevolgd. En in dit opzicht zou hij dus niet het hoofd van alle zondaars kunnen worden genoemd, maar van enkelen. Er blijft dus alleen over, dat hij om de volmaaktheid van zijn boosheid het hoofd van alle zondaars wordt genoemd. Daarom zegt de Glossa bij het woord uit de Tweede Brief aan de Thessalonicensen (2, 4): "Zich vertoonend alsof hij God was", "Zoals in Christus de gehele volheid der godheid heeft gewoond, zo in de Antichrist de volheid van alle zonde". Maar niet zo, dat zijn mensheid door de duivel in eenheid van persoon zou aangenomen zijn, als Christus' mensheid door Gods Zoon; maar omdat de duivel door verleiding zijn boosheid volmaakter in hem bracht dan in alle anderen. En in dit opzicht zijn alle zondaars, die voor hem kwamen, als een beeld van de Antichrist volgens de Tweede Brief aan de Thessalonicensen (2, 7): "Reeds werkt het geheim der onrechtvaardigheid".
B: (2Thess 2:4) [b:2Thess 2:4] (2Thess 2:7) [b:2Thess 2:7]
R: q. 8 a. 1[t:iiia q. 8 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Duivel en Antichrist zijn niet twee hoofden, maar een; want de Antichrist wordt hoofd genoemd, in zover wij de boosheid van de duivel in hem zo volledig mogelijk ingedrukt vinden. Daarom zegt de Glossa bij deze tekst uit de Tweede Brief aan de Thessalonicensen (2, 4): "Zich vertonend alsof hij God was": "In hem zal de koning van alle zondaars zijn, nl. de duivel, die koning is over alle zonen van de hoogmoed". Er wordt niet gezegd, dat hij door persoonlijke vereniging in hem is en ook niet door inwendig in hem te wonen, want "alleen de Drievuldigheid komt binnen in de geest", zoals in het boek Over de Leerstukken der Kerk wordt gezegd; maar door de uitwerking van zijn boosheid.
B: (2Thess 2:4) [b:2Thess 2:4]
R: q. 8 a. 1[t:iiia q. 8 a. 1]
1e Weerlegging. Duivel en Antichrist zijn niet twee hoofden, maar een; want de Antichrist wordt hoofd genoemd, in zover wij de boosheid van de duivel in hem zo volledig mogelijk ingedrukt vinden. Daarom zegt de Glossa bij deze tekst uit de Tweede Brief aan de Thessalonicensen (2, 4): "Zich vertonend alsof hij God was": "In hem zal de koning van alle zondaars zijn, nl. de duivel, die koning is over alle zonen van de hoogmoed". Er wordt niet gezegd, dat hij door persoonlijke vereniging in hem is en ook niet door inwendig in hem te wonen, want "alleen de Drievuldigheid komt binnen in de geest", zoals in het boek Over de Leerstukken der Kerk wordt gezegd; maar door de uitwerking van zijn boosheid.
B: (2Thess 2:4) [b:2Thess 2:4]
R: q. 8 a. 1[t:iiia q. 8 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Zoals "het Hoofd van Christus God is", en toch "Hij zelf het Hoofd der Kerk", zoals boven is gezegd (1 Art., Antw. op de 2e B.), zo is ook de Antichrist lidmaat van de duivel en is hij toch het hoofd van alle zondaars.
R: q. 8 a. 1 ad 2[t:iiia q. 8 a. 1 ad 2]
2e Weerlegging. Zoals "het Hoofd van Christus God is", en toch "Hij zelf het Hoofd der Kerk", zoals boven is gezegd (1 Art., Antw. op de 2e B.), zo is ook de Antichrist lidmaat van de duivel en is hij toch het hoofd van alle zondaars.
R: q. 8 a. 1 ad 2[t:iiia q. 8 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 8 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. De Antichrist wordt geen hoofd van alle zondaars genoemd in vergelijking met de invloed, maar in vergelijking met de volmaaktheid. Want in hem heeft de duivel zijn boosheid als het ware ten top, (Lat. ad caput = hoofd) gevoerd, zoals wij van iemand zeggen, dat hij zijn plannen ten top (Lat. ad caput) voert, als hij hen volledig ten uitvoer brengt.
3e Weerlegging. De Antichrist wordt geen hoofd van alle zondaars genoemd in vergelijking met de invloed, maar in vergelijking met de volmaaktheid. Want in hem heeft de duivel zijn boosheid als het ware ten top, (Lat. ad caput = hoofd) gevoerd, zoals wij van iemand zeggen, dat hij zijn plannen ten top (Lat. ad caput) voert, als hij hen volledig ten uitvoer brengt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 9: Over Christus' wetenschap in het algemeen
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 14 a. 1 arg. 1
IIIa q. 15 a. 3 co.[t:iiia q. 14 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 15 a. 3 co.]
IIIa q. 9 pr.
Hierna moet de wetenschap van Christus behandeld worden. Het bespreken hiervan omvat twee dingen: ten eerste welke wetenschap Hij bezat; ten tweede over iedere wetenschap, die Hij had, afzonderlijk. Over het eerste punt stellen wij ons vier vragen:
1. Had Christus nog een andere wetenschap dan de goddelijke?
2. Had Hij de wetenschap, die zij bezitten die de zaligheid hebben bereikt?
3. Had Hij een ingestorte of ingegeven wetenschap?
4. Had Hij een verworven of aangeleerde wetenschap?
IIIa q. 14 a. 1 arg. 1
IIIa q. 15 a. 3 co.[t:iiia q. 14 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 15 a. 3 co.]
IIIa q. 9 pr.
Hierna moet de wetenschap van Christus behandeld worden. Het bespreken hiervan omvat twee dingen: ten eerste welke wetenschap Hij bezat; ten tweede over iedere wetenschap, die Hij had, afzonderlijk. Over het eerste punt stellen wij ons vier vragen:
1. Had Christus nog een andere wetenschap dan de goddelijke?
2. Had Hij de wetenschap, die zij bezitten die de zaligheid hebben bereikt?
3. Had Hij een ingestorte of ingegeven wetenschap?
4. Had Hij een verworven of aangeleerde wetenschap?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Had Christus nog een andere wetenschap dan de goddelijke?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 9 a. 3 co.
IIIa q. 10 a. 2 ad 1
IIIa q. 10 a. 2 ad 1
IIIa q. 11 a. 1 co.
IIIa q. 11 a. 5 arg. 1
IIIa q. 18 a. 1 co.
IIIa q. 18 a. 2 co.[t:iiia q. 9 a. 3 co.][t:iiia q. 10 a. 2 ad 1][t:iiia q. 10 a. 2 ad 1][t:iiia q. 11 a. 1 co.][t:iiia q. 11 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 18 a. 1 co.][t:iiia q. 18 a. 2 co.]
IIIa q. 9 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat Christus geen andere wetenschap had dan de goddelijke. Want wetenschap is hierom nodig, dat iets erdoor gekend wordt. Nu kende Christus alles door de goddelijke wetenschap. Dus zou het overbodig zijn geweest, als er een andere wetenschap in Hem was.
IIIa q. 9 a. 3 co.
IIIa q. 10 a. 2 ad 1
IIIa q. 10 a. 2 ad 1
IIIa q. 11 a. 1 co.
IIIa q. 11 a. 5 arg. 1
IIIa q. 18 a. 1 co.
IIIa q. 18 a. 2 co.[t:iiia q. 9 a. 3 co.][t:iiia q. 10 a. 2 ad 1][t:iiia q. 10 a. 2 ad 1][t:iiia q. 11 a. 1 co.][t:iiia q. 11 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 18 a. 1 co.][t:iiia q. 18 a. 2 co.]
IIIa q. 9 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat Christus geen andere wetenschap had dan de goddelijke. Want wetenschap is hierom nodig, dat iets erdoor gekend wordt. Nu kende Christus alles door de goddelijke wetenschap. Dus zou het overbodig zijn geweest, als er een andere wetenschap in Hem was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Het zwakkere licht wordt door het grotere verduisterd. Nu verhoudt iedere geschapen wetenschap zich tot Gods ongeschapen wetenschap als een zwakker licht tot het sterkere. Dus werd Christus door geen andere wetenschap dan de goddelijke verlicht.
Vervolgens. Het zwakkere licht wordt door het grotere verduisterd. Nu verhoudt iedere geschapen wetenschap zich tot Gods ongeschapen wetenschap als een zwakker licht tot het sterkere. Dus werd Christus door geen andere wetenschap dan de goddelijke verlicht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 1 arg. 3
Vervolgens. De vereniging van de menselijke en de goddelijke natuur geschiedde in persoon, zoals boven is gezegd (2° Kw., 2° Art.). Nu nemen sommigen in Christus een wetenschap der vereniging aan, waardoor Christus alles wat het geheim der menswording samenhangt, dieper doorgrondde dan iedere ander. Omdat nu de vereniging in persoon de beide naturen omvat, schijnen er in Christus geen twee wetenschappen te zijn, maar slechts een, die tot beide naturen behoort.
Vervolgens. De vereniging van de menselijke en de goddelijke natuur geschiedde in persoon, zoals boven is gezegd (2° Kw., 2° Art.). Nu nemen sommigen in Christus een wetenschap der vereniging aan, waardoor Christus alles wat het geheim der menswording samenhangt, dieper doorgrondde dan iedere ander. Omdat nu de vereniging in persoon de beide naturen omvat, schijnen er in Christus geen twee wetenschappen te zijn, maar slechts een, die tot beide naturen behoort.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 1 s. c.
Hier staat echter tegenover, wat Ambrosius in het boek Over de menswording zegt (7e H.): "In het vlees nam God de volmaaktheden der menselijke natuur aan; Hij nam de menselijke kennis aan, maar niet de opgeblazen kennis van het vlees". En nu behoort de geschapen wetenschap tot de menselijke kennis. Dus was er in Hem nog een andere wetenschap dan de goddelijke.
Hier staat echter tegenover, wat Ambrosius in het boek Over de menswording zegt (7e H.): "In het vlees nam God de volmaaktheden der menselijke natuur aan; Hij nam de menselijke kennis aan, maar niet de opgeblazen kennis van het vlees". En nu behoort de geschapen wetenschap tot de menselijke kennis. Dus was er in Hem nog een andere wetenschap dan de goddelijke.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals uit het boven gezegde blijkt (5e Kw.), nam Gods Zoon een volledige menselijke natuur aan, dwz. niet alleen een lichaam, maar ook een ziel, en niet alleen de zintuiglijke, maar ook de redelijke. En daarom moest Hij om drie redenen de geschapen wetenschap bezitten. Ten eerste om wille van de volmaaktheid der ziel. Want de ziel heeft op zichzelf beschouwd het vermogen om wat begrepen kan worden te kennen, want zij is "als een schrijfbord, waarop niets geschreven is", en toch kan erop geschreven worden om het ontvangend verstand, "waarin het vermogen is alles te worden", zoals in het 3e boek Over de Ziel wordt gezegd (4e H. n. 2; 5e H., n. 1). Maar wat een vermogen heeft, is onvolmaakt tenzij het tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. En nu paste het niet, dat Gods Zoon een onvolmaakte menselijke natuur aannam, maar een volmaakte; omdat door middel van haar het gehele menselijke geslacht tot volmaaktheid moest worden gebracht. En dus moest Christus' ziel door een wetenschap vervolmaakt worden, omdat die haar eigen volmaaktheid is. En daarom moest Christus nog een andere wetenschap hebben naast de goddelijke. Anders zou Christus' ziel onvolmaakter zijn geweest dan alle andere zielen van mensen.
Ten tweede omdat Christus, daar "ieder ding bestaat om zijn werkzaamheid", zoals in het 2e boek Over Hemel en Aarde gezegd wordt (3e H. n. 1), een nutteloze redelijke ziel had gehad, als Hij niet door haar had begrepen. En dat valt onder de geschapen wetenschap.
Ten derde omdat een soort geschapen wetenschap behoort tot de natuur van de menselijke ziel, nl. die, waardoor wij van nature de eerste beginselen kennen; want wij nemen wetenschap hier in brede zin voor iedere kennis van het menselijke verstand. Nu miste Christus niets, wat tot de natuur behoort, omdat Hij, zoals boven werd gezegd (5° Kw.), de gehele menselijke natuur aannam. Daarom is op de zesde Kerkvergadering vgl: Agatho p.p. - Epistolae - Consideranti mihi ad imperatores - Aan Constantiunus IV Pogonatus (27 Martii 680), [[[7348|+6]]] de stelling van hen veroordeeld, die ontkenden, dat er in Christus twee wetenschappen of twee wijsheden waren.
B: (Acts 4) [b:Acts 4]
R: q. 5[t:iiia q. 5] q. 5[t:iiia q. 5] vgl: Agatho p.p. - Epistolae - Consideranti mihi ad imperatores - Aan Constantiunus IV Pogonatus (27 Martii 680), [[[7348|+6]]]
Mijn antwoord. Zoals uit het boven gezegde blijkt (5e Kw.), nam Gods Zoon een volledige menselijke natuur aan, dwz. niet alleen een lichaam, maar ook een ziel, en niet alleen de zintuiglijke, maar ook de redelijke. En daarom moest Hij om drie redenen de geschapen wetenschap bezitten. Ten eerste om wille van de volmaaktheid der ziel. Want de ziel heeft op zichzelf beschouwd het vermogen om wat begrepen kan worden te kennen, want zij is "als een schrijfbord, waarop niets geschreven is", en toch kan erop geschreven worden om het ontvangend verstand, "waarin het vermogen is alles te worden", zoals in het 3e boek Over de Ziel wordt gezegd (4e H. n. 2; 5e H., n. 1). Maar wat een vermogen heeft, is onvolmaakt tenzij het tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. En nu paste het niet, dat Gods Zoon een onvolmaakte menselijke natuur aannam, maar een volmaakte; omdat door middel van haar het gehele menselijke geslacht tot volmaaktheid moest worden gebracht. En dus moest Christus' ziel door een wetenschap vervolmaakt worden, omdat die haar eigen volmaaktheid is. En daarom moest Christus nog een andere wetenschap hebben naast de goddelijke. Anders zou Christus' ziel onvolmaakter zijn geweest dan alle andere zielen van mensen.
Ten tweede omdat Christus, daar "ieder ding bestaat om zijn werkzaamheid", zoals in het 2e boek Over Hemel en Aarde gezegd wordt (3e H. n. 1), een nutteloze redelijke ziel had gehad, als Hij niet door haar had begrepen. En dat valt onder de geschapen wetenschap.
Ten derde omdat een soort geschapen wetenschap behoort tot de natuur van de menselijke ziel, nl. die, waardoor wij van nature de eerste beginselen kennen; want wij nemen wetenschap hier in brede zin voor iedere kennis van het menselijke verstand. Nu miste Christus niets, wat tot de natuur behoort, omdat Hij, zoals boven werd gezegd (5° Kw.), de gehele menselijke natuur aannam. Daarom is op de zesde Kerkvergadering vgl: Agatho p.p. - Epistolae - Consideranti mihi ad imperatores - Aan Constantiunus IV Pogonatus (27 Martii 680), [[[7348|+6]]] de stelling van hen veroordeeld, die ontkenden, dat er in Christus twee wetenschappen of twee wijsheden waren.
B: (Acts 4) [b:Acts 4]
R: q. 5[t:iiia q. 5] q. 5[t:iiia q. 5] vgl: Agatho p.p. - Epistolae - Consideranti mihi ad imperatores - Aan Constantiunus IV Pogonatus (27 Martii 680), [[[7348|+6]]]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Christus kende door de goddelijke wetenschap alles met een ongeschapen daad, die Gods Wezen zelf is; want Gods begrijpen is Zijn zelfstandigheid, zoals in het 12e boek Over de Metaphysiek bewezen wordt. Daarom kon dit geen daad zijn van Christus’ menselijke ziel, omdat zij van een andere natuur is. Was er dus in Christus’ ziel geen andere wetenschap naast de goddelijke, dan zou zij niets hebben gekend. En zo zou zij zonder nut aangenomen zijn, omdat "een ding bestaat om zijn werkzaamheid".
1e Weerlegging. Christus kende door de goddelijke wetenschap alles met een ongeschapen daad, die Gods Wezen zelf is; want Gods begrijpen is Zijn zelfstandigheid, zoals in het 12e boek Over de Metaphysiek bewezen wordt. Daarom kon dit geen daad zijn van Christus’ menselijke ziel, omdat zij van een andere natuur is. Was er dus in Christus’ ziel geen andere wetenschap naast de goddelijke, dan zou zij niets hebben gekend. En zo zou zij zonder nut aangenomen zijn, omdat "een ding bestaat om zijn werkzaamheid".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Als wij spreken over twee lichtbronnen in dezelfde orde, dan wordt het zwakkere verduisterd door het sterkere, zoals het zonlicht het licht van een kaars verduistert, welke beide genomen worden als lichtbronnen. Maar als men het sterkere kiest onder de bronnen van licht en het zwakkere onder de dingen, die verlicht worden, wordt het mindere licht niet verduisterd door het grotere, maar eerder versterkt zoals het licht van de lucht door het licht van de zon. En zo wordt het licht der wetenschap in Christus’ ziel niet verduisterd, maar versterkt door het licht van de goddelijke wetenschap, die "het ware licht is, dat alle mensen verlicht, die in de wereld komen", zoals bij Johannes wordt gezegd (1, 9).
B: (John 1:9) [b:John 1:9]
2e Weerlegging. Als wij spreken over twee lichtbronnen in dezelfde orde, dan wordt het zwakkere verduisterd door het sterkere, zoals het zonlicht het licht van een kaars verduistert, welke beide genomen worden als lichtbronnen. Maar als men het sterkere kiest onder de bronnen van licht en het zwakkere onder de dingen, die verlicht worden, wordt het mindere licht niet verduisterd door het grotere, maar eerder versterkt zoals het licht van de lucht door het licht van de zon. En zo wordt het licht der wetenschap in Christus’ ziel niet verduisterd, maar versterkt door het licht van de goddelijke wetenschap, die "het ware licht is, dat alle mensen verlicht, die in de wereld komen", zoals bij Johannes wordt gezegd (1, 9).
B: (John 1:9) [b:John 1:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Van de kant van wat verenigd wordt, nemen wij in Christus een wetenschap aan, en wat de goddelijke, en wat de menselijke natuur betreft, zodat door de vereniging, waardoor er één hypostase van God en mens is, wat van God is aan de mens, en wat van de mens is aan God wordt toegeschreven, zoals boven gezegd is (3° Kw., 6° Art., Antw. op de 3° B.). Maar van de kant der vereniging zelf kan men in Christus geen wetenschap aannemen. Want die vereniging richt zich op het persoonlijke zijn, maar wetenschap komt aan een persoon niet toe, tenzij om een natuur.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 3 a. 6[t:iiia q. 3 a. 6]
3e Weerlegging. Van de kant van wat verenigd wordt, nemen wij in Christus een wetenschap aan, en wat de goddelijke, en wat de menselijke natuur betreft, zodat door de vereniging, waardoor er één hypostase van God en mens is, wat van God is aan de mens, en wat van de mens is aan God wordt toegeschreven, zoals boven gezegd is (3° Kw., 6° Art., Antw. op de 3° B.). Maar van de kant der vereniging zelf kan men in Christus geen wetenschap aannemen. Want die vereniging richt zich op het persoonlijke zijn, maar wetenschap komt aan een persoon niet toe, tenzij om een natuur.
R: q. 3 a. 1[t:iiia q. 3 a. 1] q. 3 a. 6[t:iiia q. 3 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was de wetenschap van hen, die de zaligheid bereikt hebben, in Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 9 a. 3 arg. 1
IIIa q. 14 a. 1 arg. 2
IIIa q. 15 a. 5 arg. 3
IIIa q. 15 a. 5 s. c.[t:iiia q. 9 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 14 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 15 a. 5 arg. 3][t:iiia q. 15 a. 5 s. c.]
IIIa q. 9 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de wetenschap van hen die de zaligheid bereikt hebben, niet in Christus was. Want de zaligen hebben hun wetenschap door deel te hebben aan het goddelijk licht volgens het Psalmwoord (Ps. 35, 10): "In Uw licht zullen wij het licht zien". Nu had Christus het goddelijk licht niet door deelhebbing, maar Hij had de godheid zelf zelfstandig in Hem blijvend volgens het woord uit de Brief aan de Colossensen (2, 9): "In Hem woont de gehele volheid der godheid lichamelijk". Dus was de wetenschap der zaligen niet in Hem.
B: (Ps 35:10) [b:Ps 35:10] (Col 2:9) [b:Col 2:9]
IIIa q. 9 a. 3 arg. 1
IIIa q. 14 a. 1 arg. 2
IIIa q. 15 a. 5 arg. 3
IIIa q. 15 a. 5 s. c.[t:iiia q. 9 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 14 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 15 a. 5 arg. 3][t:iiia q. 15 a. 5 s. c.]
IIIa q. 9 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de wetenschap van hen die de zaligheid bereikt hebben, niet in Christus was. Want de zaligen hebben hun wetenschap door deel te hebben aan het goddelijk licht volgens het Psalmwoord (Ps. 35, 10): "In Uw licht zullen wij het licht zien". Nu had Christus het goddelijk licht niet door deelhebbing, maar Hij had de godheid zelf zelfstandig in Hem blijvend volgens het woord uit de Brief aan de Colossensen (2, 9): "In Hem woont de gehele volheid der godheid lichamelijk". Dus was de wetenschap der zaligen niet in Hem.
B: (Ps 35:10) [b:Ps 35:10] (Col 2:9) [b:Col 2:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De wetenschap der zaligen maakt hen zalig, volgens het woord van Johannes (17, 3): "Dit is het eeuwige leven, dat zij U, de waren God kennen en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt". Maar deze mens was hierdoor zalig, dat Hij met God in persoon verenigd was volgens het Psalmwoord (Ps. 44, 5): "Zalig degene, die Gij hebt uitgekozen en aangenomen". Dus moet men de wetenschap der zaligen niet in Hem aannemen.
B: (Ps 64:5) [b:Ps 64:5] (John 17:3) [b:John 17:3]
Vervolgens. De wetenschap der zaligen maakt hen zalig, volgens het woord van Johannes (17, 3): "Dit is het eeuwige leven, dat zij U, de waren God kennen en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt". Maar deze mens was hierdoor zalig, dat Hij met God in persoon verenigd was volgens het Psalmwoord (Ps. 44, 5): "Zalig degene, die Gij hebt uitgekozen en aangenomen". Dus moet men de wetenschap der zaligen niet in Hem aannemen.
B: (Ps 64:5) [b:Ps 64:5] (John 17:3) [b:John 17:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Een tweevoudige wetenschap komt de mens toe: een volgens zijn natuur en een boven zijn natuur. Nu is de wetenschap der zaligen, die in het aanschouwen van God bestaat, niet volgens, maar boven de menselijke natuur. Maar in Christus was er een andere, veel sterkere en hogere bovennatuurlijke wetenschap, nl. de goddelijke wetenschap. Dus moest de wetenschap der zaligen niet in Christus zijn.
Vervolgens. Een tweevoudige wetenschap komt de mens toe: een volgens zijn natuur en een boven zijn natuur. Nu is de wetenschap der zaligen, die in het aanschouwen van God bestaat, niet volgens, maar boven de menselijke natuur. Maar in Christus was er een andere, veel sterkere en hogere bovennatuurlijke wetenschap, nl. de goddelijke wetenschap. Dus moest de wetenschap der zaligen niet in Christus zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de wetenschap der zaligen in het aanschouwen of kennen van God bestaat. Nu kende Hij, zelfs in zover Hij mens was, God volkomen, volgens het woord van Johannes (8, 55): "Ik ken Hem en bewaar zijn woord". Dus was de wetenschap der zaligen in Christus.
B: (John 8:55, John 8:55) [b:John 8:55]
Maar daartegenover staat, dat de wetenschap der zaligen in het aanschouwen of kennen van God bestaat. Nu kende Hij, zelfs in zover Hij mens was, God volkomen, volgens het woord van Johannes (8, 55): "Ik ken Hem en bewaar zijn woord". Dus was de wetenschap der zaligen in Christus.
B: (John 8:55, John 8:55) [b:John 8:55]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 2 co.
Mijn antwoord. Wat iets kan zijn, wordt tot daadwerkelijkheid gebracht door datgene wat daadwerkelijk iets is; want datgene waardoor iets anders verwarmd wordt, moet zelf warm zijn. Nu kan de mens de wetenschap der zaligen, die in het aanschouwen van God bestaat, bezitten, en hij is erop gericht als op zijn einddoel; want hij is een redelijk schepsel, dat die zalige kennis kan krijgen in zover hij naar Gods beeld is gemaakt. Nu worden de mensen door Christus’ mensheid tot dit zalige einddoel gebracht volgens de Brief aan de Hebreeën (2, 10): "Het lag voor de hand, dat Hij, om wie en door wie alles bestaat, en die vele zonen tot heerlijkheid brengt, ook hun Leidsman ter zaligheid door lijden tot heerlijkheid zou brengen". En dus moest diezelfde kennis, die in het aanschouwen van God bestaat, zo uitstekend mogelijk aan Christus’ mensheid toekomen; want de oorzaak moet altijd sterker zijn dan wat veroorzaakt wordt.
B: (Heb 2:10) [b:Heb 2:10]
Mijn antwoord. Wat iets kan zijn, wordt tot daadwerkelijkheid gebracht door datgene wat daadwerkelijk iets is; want datgene waardoor iets anders verwarmd wordt, moet zelf warm zijn. Nu kan de mens de wetenschap der zaligen, die in het aanschouwen van God bestaat, bezitten, en hij is erop gericht als op zijn einddoel; want hij is een redelijk schepsel, dat die zalige kennis kan krijgen in zover hij naar Gods beeld is gemaakt. Nu worden de mensen door Christus’ mensheid tot dit zalige einddoel gebracht volgens de Brief aan de Hebreeën (2, 10): "Het lag voor de hand, dat Hij, om wie en door wie alles bestaat, en die vele zonen tot heerlijkheid brengt, ook hun Leidsman ter zaligheid door lijden tot heerlijkheid zou brengen". En dus moest diezelfde kennis, die in het aanschouwen van God bestaat, zo uitstekend mogelijk aan Christus’ mensheid toekomen; want de oorzaak moet altijd sterker zijn dan wat veroorzaakt wordt.
B: (Heb 2:10) [b:Heb 2:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De godheid is met Christus’ mensheid in persoon en niet in natuur of wezen verenigd; maar bij de eenheid van persoon bleef het verschil der naturen. En dus kreeg Christus’ ziel, die een deel van de menselijke natuur is, door deelhebbing aan het licht van de goddelijke natuur, haar volmaaktheid in de wetenschap der zaligen, waardoor God naar zijn wezen wordt gezien.
1e Weerlegging. De godheid is met Christus’ mensheid in persoon en niet in natuur of wezen verenigd; maar bij de eenheid van persoon bleef het verschil der naturen. En dus kreeg Christus’ ziel, die een deel van de menselijke natuur is, door deelhebbing aan het licht van de goddelijke natuur, haar volmaaktheid in de wetenschap der zaligen, waardoor God naar zijn wezen wordt gezien.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Door de vereniging zelf is die mens in een ongeschapen geluk zalig, zoals hij God is door de vereniging. Maar buiten de ongeschapen zaligheid moet er in Christus’ ziel een geschapen zaligheid zijn, waardoor zijn ziel het laatste einddoel van de menselijke natuur bereikt.
2e Weerlegging. Door de vereniging zelf is die mens in een ongeschapen geluk zalig, zoals hij God is door de vereniging. Maar buiten de ongeschapen zaligheid moet er in Christus’ ziel een geschapen zaligheid zijn, waardoor zijn ziel het laatste einddoel van de menselijke natuur bereikt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De zalige kennis of wetenschap is in zekere zin boven de natuur van de redelijke ziel, in zover zij door eigen kracht niet daartoe komen kan. Maar op een andere manier is zij volgens haar natuur, in zover zij naar de natuur het vermogen er te komen heeft, omdat zij namelijk naar Gods beeld geschapen is, zoals boven werd gezegd (in de Leerstelling). Maar de ongeschapen wetenschap is in alle opzichten boven de menselijke natuur.
3e Weerlegging. De zalige kennis of wetenschap is in zekere zin boven de natuur van de redelijke ziel, in zover zij door eigen kracht niet daartoe komen kan. Maar op een andere manier is zij volgens haar natuur, in zover zij naar de natuur het vermogen er te komen heeft, omdat zij namelijk naar Gods beeld geschapen is, zoals boven werd gezegd (in de Leerstelling). Maar de ongeschapen wetenschap is in alle opzichten boven de menselijke natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Had Christus nog een andere ingestorte wetenschap behalve die der zaligen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 9 a. 4 arg. 2[t:iiia q. 9 a. 4 arg. 2]
IIIa q. 9 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen andere ingestorte wetenschap was dan die der zaligen. Want iedere andere geschapen wetenschap verhoudt zich tot die der zaligen als het onvolmaakte tot het volmaakte. Maar als de volmaakte wetenschap aanwezig is, is de onvolmaakte uitgesloten, zoals het duidelijk aanschouwen van aanschijn tot aanschijn het zien in raadsels van het geloof uitsluit, zoals uit de Eerste Korinthiërsbrief (13, 10 en 12) blijkt. Daar nu, zoals gezegd werd (vorig artikel), de wetenschap der zaligen in Christus was, schijnt het, dat er geen andere ingestorte wetenschap in Hem kon zijn.
B: (1Cor 13:10) [b:1Cor 13:10] (1Cor 13:12) [b:1Cor 13:12]
R: q. 9 a. 2[t:iiia q. 9 a. 2]
IIIa q. 9 a. 4 arg. 2[t:iiia q. 9 a. 4 arg. 2]
IIIa q. 9 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen andere ingestorte wetenschap was dan die der zaligen. Want iedere andere geschapen wetenschap verhoudt zich tot die der zaligen als het onvolmaakte tot het volmaakte. Maar als de volmaakte wetenschap aanwezig is, is de onvolmaakte uitgesloten, zoals het duidelijk aanschouwen van aanschijn tot aanschijn het zien in raadsels van het geloof uitsluit, zoals uit de Eerste Korinthiërsbrief (13, 10 en 12) blijkt. Daar nu, zoals gezegd werd (vorig artikel), de wetenschap der zaligen in Christus was, schijnt het, dat er geen andere ingestorte wetenschap in Hem kon zijn.
B: (1Cor 13:10) [b:1Cor 13:10] (1Cor 13:12) [b:1Cor 13:12]
R: q. 9 a. 2[t:iiia q. 9 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De onvolmaakte wijze van kennen is een voorbereiding voor de meer volmaakte, zoals een mening, die door een dialectisch syllogisme ontstaat, tot de wetenschap voorbereidt, die door een inzichtgevend syllogisme gegeven wordt. Heeft men nu de volmaaktheid, dan is de voorbereiding niet langer noodzakelijk, zoals de beweging niet meer nodig is, als het doel is bereikt. Omdat nu iedere andere geschapen kennis zich tot de wetenschap der zaligen verhoudt als het onvolmaakte tot het volmaakte en als een voorbereiding tot het doel, schijnt het, dat Christus, omdat Hij de zalige wetenschap bezat, aan een andere kennis geen behoefte meer had.
Vervolgens. De onvolmaakte wijze van kennen is een voorbereiding voor de meer volmaakte, zoals een mening, die door een dialectisch syllogisme ontstaat, tot de wetenschap voorbereidt, die door een inzichtgevend syllogisme gegeven wordt. Heeft men nu de volmaaktheid, dan is de voorbereiding niet langer noodzakelijk, zoals de beweging niet meer nodig is, als het doel is bereikt. Omdat nu iedere andere geschapen kennis zich tot de wetenschap der zaligen verhoudt als het onvolmaakte tot het volmaakte en als een voorbereiding tot het doel, schijnt het, dat Christus, omdat Hij de zalige wetenschap bezat, aan een andere kennis geen behoefte meer had.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Zoals de stoffelijke materie het vermogen heeft om de onder de zintuigen vallende vorm te ontvangen, zo heeft het ontvangend verstand het vermogen om de begripsvorm te ontvangen. Nu kan de lichamelijke stof geen twee onder de zintuigen vallende vormen, een meer volmaakte en een minder volmaakte, tegelijk ontvangen. Dus kan ook de ziel niet tegelijk een dubbele wetenschap opnemen, een meer volmaakte en een minder volmaakte. En zo volgt hetzelfde als tevoren.
Vervolgens. Zoals de stoffelijke materie het vermogen heeft om de onder de zintuigen vallende vorm te ontvangen, zo heeft het ontvangend verstand het vermogen om de begripsvorm te ontvangen. Nu kan de lichamelijke stof geen twee onder de zintuigen vallende vormen, een meer volmaakte en een minder volmaakte, tegelijk ontvangen. Dus kan ook de ziel niet tegelijk een dubbele wetenschap opnemen, een meer volmaakte en een minder volmaakte. En zo volgt hetzelfde als tevoren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, wat in de Brief aan de Colossensen wordt gezegd (2, 3): "In Christus zijn alle schatten van wijsheid en wetenschap verborgen".
B: (Col 2:3) [b:Col 2:3]
Maar daartegenover staat, wat in de Brief aan de Colossensen wordt gezegd (2, 3): "In Christus zijn alle schatten van wijsheid en wetenschap verborgen".
B: (Col 2:3) [b:Col 2:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (1° Art.), was het niet gepast, dat de door Gods Woord aangenomen menselijke natuur onvolmaakt zou zijn. Alles nu, wat iets kan zijn, is onvolmaakt tenzij het tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. Nu heeft het menselijke ontvangende verstand het vermogen om alle begrijpbare dingen op te nemen. En het wordt tot daadwerkelijkheid gebracht door het verstandskenbeeld, dat een soort vervolmakende vorm ervan is, zoals blijkt uit wat in het 3° boek Over de Ziel (8° H. n. 1 en 2) wordt gezegd. En dus moet men in Christus een ingegeven wetenschap aannemen in zover door Gods Woord in Christus’ ziel, die in persoon ermee verenigd is, verstandskenbeelden zijn ingedrukt voor alle dingen, die het ontvangende verstand begrijpen kan, zoals ook de verstandskenbeelden door Gods Woord vanaf het begin van de schepping der dingen in het verstand der Engelen zijn ingedrukt, zoals Augustinus bewijst in het Letterlijke Commentaar op het Boek der Schepping (2° B., 8° H.). En daarom vinden wij, zoals door dezelfde Augustinus (t. a. p., 4° B., 22° H.) bij de Engelen een dubbele kennis wordt aangenomen, nl. een "van de ochtend", waarmee zij de dingen kennen in het Woord, en een andere "van de avond", waardoor zij de dingen in hun eigen natuur kennen door de hun ingegeven kenbeelden, ook in Christus naast de ongeschapen goddelijke wetenschap, in zijn ziel de wetenschap der zaligen, waardoor Hij het Woord kent en de dingen in het Woord, en de ingegeven of ingestorte kennis, waardoor Hij de dingen kent in hun eigen natuur door verstandskenbeelden, die passen bij het menselijke verstand.
R: q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (1° Art.), was het niet gepast, dat de door Gods Woord aangenomen menselijke natuur onvolmaakt zou zijn. Alles nu, wat iets kan zijn, is onvolmaakt tenzij het tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. Nu heeft het menselijke ontvangende verstand het vermogen om alle begrijpbare dingen op te nemen. En het wordt tot daadwerkelijkheid gebracht door het verstandskenbeeld, dat een soort vervolmakende vorm ervan is, zoals blijkt uit wat in het 3° boek Over de Ziel (8° H. n. 1 en 2) wordt gezegd. En dus moet men in Christus een ingegeven wetenschap aannemen in zover door Gods Woord in Christus’ ziel, die in persoon ermee verenigd is, verstandskenbeelden zijn ingedrukt voor alle dingen, die het ontvangende verstand begrijpen kan, zoals ook de verstandskenbeelden door Gods Woord vanaf het begin van de schepping der dingen in het verstand der Engelen zijn ingedrukt, zoals Augustinus bewijst in het Letterlijke Commentaar op het Boek der Schepping (2° B., 8° H.). En daarom vinden wij, zoals door dezelfde Augustinus (t. a. p., 4° B., 22° H.) bij de Engelen een dubbele kennis wordt aangenomen, nl. een "van de ochtend", waarmee zij de dingen kennen in het Woord, en een andere "van de avond", waardoor zij de dingen in hun eigen natuur kennen door de hun ingegeven kenbeelden, ook in Christus naast de ongeschapen goddelijke wetenschap, in zijn ziel de wetenschap der zaligen, waardoor Hij het Woord kent en de dingen in het Woord, en de ingegeven of ingestorte kennis, waardoor Hij de dingen kent in hun eigen natuur door verstandskenbeelden, die passen bij het menselijke verstand.
R: q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het onvolmaakte zien van het geloof bevat iets, dat met de duidelijke aanschouwing strijdt, omdat het namelijk tot de aard van het geloof behoort zich op ongeziene dingen te betrekken, zoals in het tweede deel is behandeld (IIa-IIae, 1e Kw., 4e Art.); maar de kennis door ingestorte kenbeelden sluit niets in, dat met de zalige kennis strijdt. En dus gaat dezelfde redenering niet in beide gevallen op.
R: IIa-IIae q. 1 a. 4[t:iia-iiae q. 1 a. 4]
1e Weerlegging. Het onvolmaakte zien van het geloof bevat iets, dat met de duidelijke aanschouwing strijdt, omdat het namelijk tot de aard van het geloof behoort zich op ongeziene dingen te betrekken, zoals in het tweede deel is behandeld (IIa-IIae, 1e Kw., 4e Art.); maar de kennis door ingestorte kenbeelden sluit niets in, dat met de zalige kennis strijdt. En dus gaat dezelfde redenering niet in beide gevallen op.
R: IIa-IIae q. 1 a. 4[t:iia-iiae q. 1 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De voorbereiding heeft een dubbele verhouding tot het volmaakte: ten eerste als weg, die naar de volmaaktheid leidt, en ten tweede als iets, wat uit de volmaaktheid volgt. Want door de warmte wordt de stof geschikt gemaakt om de vuurvorm te ontvangen; maar als die komt, verdwijnt de warmte niet, maar blijft als een gevolg van die vorm. En op dezelfde manier is een mening, die uit een dialectische redenering ontstaat, een weg tot de wetenschap, maar heeft men deze, dan kan de kennis, die door het dialectische syllogisme is ontstaan, blijven als een gevolg van de wetenschap, die doorslaggevend aantoont uit de oorzaken; want wie de oorzaak kent, kan zelfs nog beter de waarschijnlijke tekenen kennen, waar het dialectische syllogisme van uitgaat. En zo blijft ook in Christus de ingestorte kennis tegelijk met de wetenschap der zaligen, niet als een weg, die tot de zaligheid leidt, maar door de zaligheid bevestigd.
2e Weerlegging. De voorbereiding heeft een dubbele verhouding tot het volmaakte: ten eerste als weg, die naar de volmaaktheid leidt, en ten tweede als iets, wat uit de volmaaktheid volgt. Want door de warmte wordt de stof geschikt gemaakt om de vuurvorm te ontvangen; maar als die komt, verdwijnt de warmte niet, maar blijft als een gevolg van die vorm. En op dezelfde manier is een mening, die uit een dialectische redenering ontstaat, een weg tot de wetenschap, maar heeft men deze, dan kan de kennis, die door het dialectische syllogisme is ontstaan, blijven als een gevolg van de wetenschap, die doorslaggevend aantoont uit de oorzaken; want wie de oorzaak kent, kan zelfs nog beter de waarschijnlijke tekenen kennen, waar het dialectische syllogisme van uitgaat. En zo blijft ook in Christus de ingestorte kennis tegelijk met de wetenschap der zaligen, niet als een weg, die tot de zaligheid leidt, maar door de zaligheid bevestigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De kennis der zaligen geschiedt niet door middel van een kenbeeld; dat een gelijkenis is van het goddelijke wezen, of van wat in het goddelijke wezen gekend wordt, zoals uit het eerste deel (12e Kw., 2e en 9e Art.) blijkt; maar deze kennis bereikt het goddelijk wezen zelf onmiddellijk, doordat het goddelijk wezen zelf onmiddellijk met het zalig verstand verenigd wordt als het begrijpbare met hem, die begrijpt. Nu is dit goddelijk wezen een vorm, die de verhoudingen van iedere schepsel overtreft. Dus is er niets op tegen, dat er tegelijk met deze overtreffende vorm in het redelijk verstand andere kenbeelden zijn, die aan zijn natuur beantwoorden.
R: I q. 12 a. 2[t:ia q. 12 a. 2]
3e Weerlegging. De kennis der zaligen geschiedt niet door middel van een kenbeeld; dat een gelijkenis is van het goddelijke wezen, of van wat in het goddelijke wezen gekend wordt, zoals uit het eerste deel (12e Kw., 2e en 9e Art.) blijkt; maar deze kennis bereikt het goddelijk wezen zelf onmiddellijk, doordat het goddelijk wezen zelf onmiddellijk met het zalig verstand verenigd wordt als het begrijpbare met hem, die begrijpt. Nu is dit goddelijk wezen een vorm, die de verhoudingen van iedere schepsel overtreft. Dus is er niets op tegen, dat er tegelijk met deze overtreffende vorm in het redelijk verstand andere kenbeelden zijn, die aan zijn natuur beantwoorden.
R: I q. 12 a. 2[t:ia q. 12 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Was er in Christus een door ondervinding verkregen wetenschap?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 12 a. 1 co.
IIIa q. 48 a. 1 arg. 2[t:iiia q. 12 a. 1 co.][t:iiia q. 48 a. 1 arg. 2]
IIIa q. 9 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen door ondervinding verkregen wetenschap was. Want wat aan Christus paste, had Hij op de meest uitstekende manier. Maar de verkregen wetenschap had Hij niet zo uitstekend mogelijk, omdat Hij zich niet op de studie der geschriften toelegde, waardoor de wetenschap zo volmaakt mogelijk verkregen wordt; want bij Johannes wordt gezegd (7, 15): "De Joden verwonderden zich en zeiden: "Hoe kent deze de geschriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?" Dus schijnt er in Christus geen aangeleerde wetenschap te zijn geweest.
B: (John 7:15) [b:John 7:15]
IIIa q. 12 a. 1 co.
IIIa q. 48 a. 1 arg. 2[t:iiia q. 12 a. 1 co.][t:iiia q. 48 a. 1 arg. 2]
IIIa q. 9 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen door ondervinding verkregen wetenschap was. Want wat aan Christus paste, had Hij op de meest uitstekende manier. Maar de verkregen wetenschap had Hij niet zo uitstekend mogelijk, omdat Hij zich niet op de studie der geschriften toelegde, waardoor de wetenschap zo volmaakt mogelijk verkregen wordt; want bij Johannes wordt gezegd (7, 15): "De Joden verwonderden zich en zeiden: "Hoe kent deze de geschriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?" Dus schijnt er in Christus geen aangeleerde wetenschap te zijn geweest.
B: (John 7:15) [b:John 7:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Aan wat vol is, kan niets toegevoegd worden. Maar het vermogen van Christus’ ziel was vol met de door God ingestorte kenbeelden, zoals gezegd is (vorig artikel). Dus konden er in zijn ziel geen verworven kenbeelden meer bijkomen.
R: q. 9 a. 3[t:iiia q. 9 a. 3]
Vervolgens. Aan wat vol is, kan niets toegevoegd worden. Maar het vermogen van Christus’ ziel was vol met de door God ingestorte kenbeelden, zoals gezegd is (vorig artikel). Dus konden er in zijn ziel geen verworven kenbeelden meer bijkomen.
R: q. 9 a. 3[t:iiia q. 9 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Wie de gewoonte der wetenschap reeds bezit, krijgt door wat hij van de zintuigen ontvangt, geen nieuwe gewoonte, want dan zouden er in dezelfde persoon twee vormen van dezelfde soort zijn; maar de gewoonte, die er reeds was, wordt groter en sterker. Omdat nu Christus reeds de gewoonte bezat der ingestorte wetenschap, schijnt het, dat Hij geen andere wetenschap kreeg door wat Hij met de zintuigen waarnam.
Vervolgens. Wie de gewoonte der wetenschap reeds bezit, krijgt door wat hij van de zintuigen ontvangt, geen nieuwe gewoonte, want dan zouden er in dezelfde persoon twee vormen van dezelfde soort zijn; maar de gewoonte, die er reeds was, wordt groter en sterker. Omdat nu Christus reeds de gewoonte bezat der ingestorte wetenschap, schijnt het, dat Hij geen andere wetenschap kreeg door wat Hij met de zintuigen waarnam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 4 s. c.
Maar hiertegenover staat het woord uit de Hebreeënbrief (5, 8): "Hoewel Hij Gods Zoon was, leerde Hij gehoorzaamheid door wat Hij leed", en de Glossa zegt erbij: "Dit betekent: leerde Hij door ondervinding". Dus was er in Christus een door ondervinding verkregen wetenschap, en dat is een aangeleerde wetenschap.
B: (Heb 5:8) [b:Heb 5:8]
Maar hiertegenover staat het woord uit de Hebreeënbrief (5, 8): "Hoewel Hij Gods Zoon was, leerde Hij gehoorzaamheid door wat Hij leed", en de Glossa zegt erbij: "Dit betekent: leerde Hij door ondervinding". Dus was er in Christus een door ondervinding verkregen wetenschap, en dat is een aangeleerde wetenschap.
B: (Heb 5:8) [b:Heb 5:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals uit het bovengezegde (4° Kw., 2° Art., Antw. op de 2° B., en 5° Kw.) blijkt, ontbrak er niets van al datgene "wat God in onze natuur geplant heeft" aan de menselijke natuur, die door Gods Woord werd aangenomen. Nu is het duidelijk, dat God in de menselijke natuur niet alleen het ontvangende, maar ook het werkende verstand geplant heeft. Dus moet men zeggen, dat er in Christus' ziel niet alleen een ontvangend, maar ook een werkend verstand was. Maar als "God en de natuur niets zonder nut doen" bij de andere dingen, zoals de Filosoof zegt in het 1° boek Over Hemel en Aarde (4° H. n. 8), was er nog veel minder in Christus' ziel iets nutteloos. Nu is datgene nutteloos, wat geen eigen werkzaamheid heeft, omdat "alle dingen bestaan om hun werkzaamheid", zoals wordt gezegd in het 2° boek Over Hemel en Aarde (3° H. n. 1). Nu is het de eigen werkzaamheid van het werkende verstand, de verstandsbeelden daadwerkelijk te doen bestaan, door hen te abstraheren uit de beelden der fantasie; daarom wordt in het 3e boek Over de Ziel (5e H. n. 1) gezegd, dat het werkend verstand datgene is, "waaraan het toekomt alles te maken". En zo moeten wij wel zeggen, dat er in Christus verstandskenbeelden waren, die in Zijn ontvangend verstand werden opgenomen door de werkzaamheid van het werkende verstand. En dat betekent, dat er in Hem een verworven wetenschap is, die sommigen een wetenschap door ondervinding noemen. En daarom moeten wij, al heb ik het elders anders neergeschreven, zeggen, dat er in Christus een aangeleerde wetenschap was. En dat is eigenlijk een wetenschap zoals de mensen haar hebben, niet alleen bezien van de kant van het subject, dat haar ontvangt, maar ook van de kant van de oorzaak, die haar teweegbrengt, want deze wetenschap nemen wij in Christus aan volgens het licht van het werkende verstand, dat past bij de menselijke natuur. De ingestorte kennis echter wordt aan de mens toegekend krachtens een van boven neerschijnend licht, en deze manier van kennen past bij de natuur der engelen. Maar de zalige kennis, waardoor het wezen zelf van God wordt gezien, past eigenlijk alleen bij de natuur van God, zoals in het eerste deel is behandeld (12e Kw., 4e Art.).
R: I q. 12 a. 4[t:ia q. 12 a. 4]
Mijn antwoord. Zoals uit het bovengezegde (4° Kw., 2° Art., Antw. op de 2° B., en 5° Kw.) blijkt, ontbrak er niets van al datgene "wat God in onze natuur geplant heeft" aan de menselijke natuur, die door Gods Woord werd aangenomen. Nu is het duidelijk, dat God in de menselijke natuur niet alleen het ontvangende, maar ook het werkende verstand geplant heeft. Dus moet men zeggen, dat er in Christus' ziel niet alleen een ontvangend, maar ook een werkend verstand was. Maar als "God en de natuur niets zonder nut doen" bij de andere dingen, zoals de Filosoof zegt in het 1° boek Over Hemel en Aarde (4° H. n. 8), was er nog veel minder in Christus' ziel iets nutteloos. Nu is datgene nutteloos, wat geen eigen werkzaamheid heeft, omdat "alle dingen bestaan om hun werkzaamheid", zoals wordt gezegd in het 2° boek Over Hemel en Aarde (3° H. n. 1). Nu is het de eigen werkzaamheid van het werkende verstand, de verstandsbeelden daadwerkelijk te doen bestaan, door hen te abstraheren uit de beelden der fantasie; daarom wordt in het 3e boek Over de Ziel (5e H. n. 1) gezegd, dat het werkend verstand datgene is, "waaraan het toekomt alles te maken". En zo moeten wij wel zeggen, dat er in Christus verstandskenbeelden waren, die in Zijn ontvangend verstand werden opgenomen door de werkzaamheid van het werkende verstand. En dat betekent, dat er in Hem een verworven wetenschap is, die sommigen een wetenschap door ondervinding noemen. En daarom moeten wij, al heb ik het elders anders neergeschreven, zeggen, dat er in Christus een aangeleerde wetenschap was. En dat is eigenlijk een wetenschap zoals de mensen haar hebben, niet alleen bezien van de kant van het subject, dat haar ontvangt, maar ook van de kant van de oorzaak, die haar teweegbrengt, want deze wetenschap nemen wij in Christus aan volgens het licht van het werkende verstand, dat past bij de menselijke natuur. De ingestorte kennis echter wordt aan de mens toegekend krachtens een van boven neerschijnend licht, en deze manier van kennen past bij de natuur der engelen. Maar de zalige kennis, waardoor het wezen zelf van God wordt gezien, past eigenlijk alleen bij de natuur van God, zoals in het eerste deel is behandeld (12e Kw., 4e Art.).
R: I q. 12 a. 4[t:ia q. 12 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Terwijl er twee manieren zijn om wetenschap te verkrijgen, nl. door zelf iets te vinden en door onderricht te worden, is de manier van zelf te vinden de voornaamste, en de manier van onderricht te worden ondergeschikt. Daarom wordt in het 1e boek Over de Zedeleer (4e H., n. 7) gezegd: "Hij die alles door eigen kracht begrijpt is de beste; maar wie goed aan zijn onderwijzer gehoorzaamt, is ook goed". En dus kwam het Christus meer toe door eigen vinding wetenschap verkregen te hebben, dan door onderricht, vooral omdat Hij door God aan allen tot Leeraar gegeven was naar het woord van Joël (2, 23): "Verheugt U in de Heer, uwen God; want Hij heeft U de Leeraar der Rechtvaardigheid gegeven".
B: (Joel 2:23) [b:Joel 2:23]
1e Weerlegging. Terwijl er twee manieren zijn om wetenschap te verkrijgen, nl. door zelf iets te vinden en door onderricht te worden, is de manier van zelf te vinden de voornaamste, en de manier van onderricht te worden ondergeschikt. Daarom wordt in het 1e boek Over de Zedeleer (4e H., n. 7) gezegd: "Hij die alles door eigen kracht begrijpt is de beste; maar wie goed aan zijn onderwijzer gehoorzaamt, is ook goed". En dus kwam het Christus meer toe door eigen vinding wetenschap verkregen te hebben, dan door onderricht, vooral omdat Hij door God aan allen tot Leeraar gegeven was naar het woord van Joël (2, 23): "Verheugt U in de Heer, uwen God; want Hij heeft U de Leeraar der Rechtvaardigheid gegeven".
B: (Joel 2:23) [b:Joel 2:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. De menselijke geest is op twee dingen gericht. Ten eerste op wat boven is, en onder dit opzicht was Christus’ ziel vol van ingestorte wetenschap. Maar daarnaast is zij op het lagere gericht, namelijk op de beelden der fantasie, die erop aangelegd zijn de menselijke geest te bewegen door de kracht van het werkende verstand. Maar nu moest Christus’ ziel ook onder dit opzicht van wetenschap vervuld worden; niet omdat de eerste volheid van de menselijke geest op zich niet genoeg zou zijn geweest; maar zij moest ook vervolmaakt worden in verhouding tot de fantasiebeelden.
2e Weerlegging. De menselijke geest is op twee dingen gericht. Ten eerste op wat boven is, en onder dit opzicht was Christus’ ziel vol van ingestorte wetenschap. Maar daarnaast is zij op het lagere gericht, namelijk op de beelden der fantasie, die erop aangelegd zijn de menselijke geest te bewegen door de kracht van het werkende verstand. Maar nu moest Christus’ ziel ook onder dit opzicht van wetenschap vervuld worden; niet omdat de eerste volheid van de menselijke geest op zich niet genoeg zou zijn geweest; maar zij moest ook vervolmaakt worden in verhouding tot de fantasiebeelden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 9 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De aard van een verkregen en van een ingestorte hebbelijkheid is anders. Want de hebbelijkheid der wetenschap wordt verkregen door de verhouding van de menselijke geest tot de fantasiebeelden; daarom kan op deze manier niet nogmaals een andere hebbelijkheid gekregen worden. Maar de hebbelijkheid der ingestorte wetenschap is van een andere aard; zij daalt immers van boven in de ziel, niet door de verhouding tot de fantasiebeelden. En daarom is het met beide hebbelijkheden niet hetzelfde gesteld.
3e Weerlegging. De aard van een verkregen en van een ingestorte hebbelijkheid is anders. Want de hebbelijkheid der wetenschap wordt verkregen door de verhouding van de menselijke geest tot de fantasiebeelden; daarom kan op deze manier niet nogmaals een andere hebbelijkheid gekregen worden. Maar de hebbelijkheid der ingestorte wetenschap is van een andere aard; zij daalt immers van boven in de ziel, niet door de verhouding tot de fantasiebeelden. En daarom is het met beide hebbelijkheden niet hetzelfde gesteld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 10: Over de zalige wetenschap van Christus’ ziel
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 11 a. 1 co.[t:iiia q. 11 a. 1 co.]
IIIa q. 10 pr.
Vervolgens moeten wij over iedere van genoemde wetenschappen afzonderlijk spreken. Maar omdat in het eerste deel reeds over de goddelijke wetenschap gesproken is, blijven nu de anderen nog te beschouwen; ten eerste de zalige wetenschap, ten tweede de ingestorte, ten derde de aangeleerde. Maar omdat in het eerste deel reeds verschillende punten van de zalige wetenschap, die in het aanschouwen van God bestaat, behandeld zijn, moeten hier alleen die punten onderzocht worden, die betrekking hebben op Christus’ ziel.
Hierover stellen wij ons vier vragen:
1. Doorgrondde Christus’ ziel het Woord of het Goddelijk Wezen?
2. Kende zij alles in het Woord?
3. Kende Christus’ ziel in het Woord het oneindige?
4. Kende zij het Woord of het Goddelijk Wezen duidelijker dan enig ander schepsel?
IIIa q. 11 a. 1 co.[t:iiia q. 11 a. 1 co.]
IIIa q. 10 pr.
Vervolgens moeten wij over iedere van genoemde wetenschappen afzonderlijk spreken. Maar omdat in het eerste deel reeds over de goddelijke wetenschap gesproken is, blijven nu de anderen nog te beschouwen; ten eerste de zalige wetenschap, ten tweede de ingestorte, ten derde de aangeleerde. Maar omdat in het eerste deel reeds verschillende punten van de zalige wetenschap, die in het aanschouwen van God bestaat, behandeld zijn, moeten hier alleen die punten onderzocht worden, die betrekking hebben op Christus’ ziel.
Hierover stellen wij ons vier vragen:
1. Doorgrondde Christus’ ziel het Woord of het Goddelijk Wezen?
2. Kende zij alles in het Woord?
3. Kende Christus’ ziel in het Woord het oneindige?
4. Kende zij het Woord of het Goddelijk Wezen duidelijker dan enig ander schepsel?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Doorgrondde en doorgrondt Christus’ ziel het Woord of het Goddelijk Wezen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 10 a. 3 ad 2
IIIa q. 13 a. 1 co.[t:iiia q. 10 a. 3 ad 2][t:iiia q. 13 a. 1 co.]
IIIa q. 10 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus ziel het Woord of het Goddelijk Wezen doorgrondde en doorgrondt. Want Isidorus zegt, dat "de Drievuldigheid aan zichzelf bekend is en aan de aangenomen mens". Dus heeft de aangenomen mens te samen met de Drievuldigheid die kennis, die aan de Heilige Drievuldigheid eigen is. En dit is een doorgrondende kennis. Dus doorgrondde Christus’ ziel het Goddelijk Wezen.
IIIa q. 10 a. 3 ad 2
IIIa q. 13 a. 1 co.[t:iiia q. 10 a. 3 ad 2][t:iiia q. 13 a. 1 co.]
IIIa q. 10 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus ziel het Woord of het Goddelijk Wezen doorgrondde en doorgrondt. Want Isidorus zegt, dat "de Drievuldigheid aan zichzelf bekend is en aan de aangenomen mens". Dus heeft de aangenomen mens te samen met de Drievuldigheid die kennis, die aan de Heilige Drievuldigheid eigen is. En dit is een doorgrondende kennis. Dus doorgrondde Christus’ ziel het Goddelijk Wezen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Het is meer met God in het persoonlijk zijn verenigd te worden dan door Hem te aanschouwen. Maar nu zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.) : "De gehele godheid is in een der personen verenigd met de menselijke natuur". Des te meer wordt dus de gehele goddelijke natuur door Christus’ ziel aanschouwd. En zo schijnt Christus’ ziel het goddelijk wezen te doorgronden.
Vervolgens. Het is meer met God in het persoonlijk zijn verenigd te worden dan door Hem te aanschouwen. Maar nu zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.) : "De gehele godheid is in een der personen verenigd met de menselijke natuur". Des te meer wordt dus de gehele goddelijke natuur door Christus’ ziel aanschouwd. En zo schijnt Christus’ ziel het goddelijk wezen te doorgronden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 1 arg. 3
Vervolgens. "Wat aan Gods Zoon van nature toekomt, komt de mensenzoon door genade toe", zoals Augustinus zegt in het boek Over de Drievuldigheid (1e B., 13e H.). Nu komt het Gods Zoon van nature toe het goddelijk wezen te doorgronden. Dus komt dat de mensenzoon door genade toe. En zo schijnt Christus’ ziel door de genade het Woord te doorgronden.
Vervolgens. "Wat aan Gods Zoon van nature toekomt, komt de mensenzoon door genade toe", zoals Augustinus zegt in het boek Over de Drievuldigheid (1e B., 13e H.). Nu komt het Gods Zoon van nature toe het goddelijk wezen te doorgronden. Dus komt dat de mensenzoon door genade toe. En zo schijnt Christus’ ziel door de genade het Woord te doorgronden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (15e Vr.) : "Wat zichzelf doorgrondt, is voor zichzelf begrensd". Maar het goddelijk wezen is vergeleken met Christus’ ziel niet begrensd, omdat zij haar in het oneindige te boven gaat. Dus doorgrondt Christus’ ziel het Woord niet.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (15e Vr.) : "Wat zichzelf doorgrondt, is voor zichzelf begrensd". Maar het goddelijk wezen is vergeleken met Christus’ ziel niet begrensd, omdat zij haar in het oneindige te boven gaat. Dus doorgrondt Christus’ ziel het Woord niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals uit het boven gezegde blijkt, kwam de vereniging der naturen in Christus' persoon zo tot stand, dat de eigenschappen van iedere der beide naturen onvermengd bleven bestaan, nl. zo, dat "Wat ongeschapen was, ongeschapen bleef, en dat wat geschapen was, binnen de grenzen van het geschapene bleef", zoals Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.). Nu is het onmogelijk dat het schepsel het goddelijk wezen doorgrondt, zoals in het eerste deel is gezegd (12e Kw., 7e Art.), omdat het oneindige niet door het eindige wordt omvat. En dus moeten wij zeggen, dat Christus' ziel het goddelijk wezen in het geheel niet doorgrondde.
R: I q. 12 a. 1[t:ia q. 12 a. 1] I q. 12 a. 4[t:ia q. 12 a. 4] I q. 12 a. 7[t:ia q. 12 a. 7]
Mijn antwoord. Zoals uit het boven gezegde blijkt, kwam de vereniging der naturen in Christus' persoon zo tot stand, dat de eigenschappen van iedere der beide naturen onvermengd bleven bestaan, nl. zo, dat "Wat ongeschapen was, ongeschapen bleef, en dat wat geschapen was, binnen de grenzen van het geschapene bleef", zoals Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.). Nu is het onmogelijk dat het schepsel het goddelijk wezen doorgrondt, zoals in het eerste deel is gezegd (12e Kw., 7e Art.), omdat het oneindige niet door het eindige wordt omvat. En dus moeten wij zeggen, dat Christus' ziel het goddelijk wezen in het geheel niet doorgrondde.
R: I q. 12 a. 1[t:ia q. 12 a. 1] I q. 12 a. 4[t:ia q. 12 a. 4] I q. 12 a. 7[t:ia q. 12 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De aangenomen mens wordt in zijn kennis met de goddelijke Drievuldigheid op een lijn gesteld, niet omdat hij Haar doorgrondt, maar om een kennis, die boven die der andere schepsels uitsteekt.
1e Weerlegging. De aangenomen mens wordt in zijn kennis met de goddelijke Drievuldigheid op een lijn gesteld, niet omdat hij Haar doorgrondt, maar om een kennis, die boven die der andere schepsels uitsteekt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zelfs in de vereniging naar het persoonlijk zijn omvat de menselijke natuur Gods Woord of het goddelijk Wezen niet; want al was dit gehele wezen met de menselijke natuur verenigd in de persoon van de Zoon, toch werd de gehele kracht der godheid niet door de menselijke natuur als het ware in beslag genomen. Daarom zegt Augustinus in de Brief aan Volusianus (137e Br.): "Ik wil, dat gij weet, dat de Christelijke leer niet dit bevat, dat God zo in het vlees is gekomen, dat Hij de zorg voor het bestuur van het heelal naliet of verloor, of haar als het ware samentrok en overbracht en enkel wijdde aan dat lichaampje". En zo zag Christus’ ziel de gehele goddelijke natuur, maar zij doorgrondde haar niet, omdat zij haar niet geheel en al zag, dwz. niet in alle volmaaktheid, waarin zij gezien kan worden, zoals in het eerste deel is gezegd.
R: I q. 12 a. 7[t:ia q. 12 a. 7]
2e Weerlegging. Zelfs in de vereniging naar het persoonlijk zijn omvat de menselijke natuur Gods Woord of het goddelijk Wezen niet; want al was dit gehele wezen met de menselijke natuur verenigd in de persoon van de Zoon, toch werd de gehele kracht der godheid niet door de menselijke natuur als het ware in beslag genomen. Daarom zegt Augustinus in de Brief aan Volusianus (137e Br.): "Ik wil, dat gij weet, dat de Christelijke leer niet dit bevat, dat God zo in het vlees is gekomen, dat Hij de zorg voor het bestuur van het heelal naliet of verloor, of haar als het ware samentrok en overbracht en enkel wijdde aan dat lichaampje". En zo zag Christus’ ziel de gehele goddelijke natuur, maar zij doorgrondde haar niet, omdat zij haar niet geheel en al zag, dwz. niet in alle volmaaktheid, waarin zij gezien kan worden, zoals in het eerste deel is gezegd.
R: I q. 12 a. 7[t:ia q. 12 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Dit woord van Augustinus moet men laten slaan op de genade der vereniging, waardoor alles wat van Gods Zoon naar de goddelijke natuur wordt gezegd, van de mensenzoon wordt gezegd om de eenheid van drager. En op deze manier kan men zeggen, dat de mensenzoon de goddelijke natuur doorgrondt, maar niet naar de ziel, doch krachtens de goddelijke natuur. Op dezelfde manier kan men ook zeggen, dat de mensenzoon schepper is.
3e Weerlegging. Dit woord van Augustinus moet men laten slaan op de genade der vereniging, waardoor alles wat van Gods Zoon naar de goddelijke natuur wordt gezegd, van de mensenzoon wordt gezegd om de eenheid van drager. En op deze manier kan men zeggen, dat de mensenzoon de goddelijke natuur doorgrondt, maar niet naar de ziel, doch krachtens de goddelijke natuur. Op dezelfde manier kan men ook zeggen, dat de mensenzoon schepper is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Kende Christus’ ziel alles in het Woord?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 7 a. 7 ad 3
IIIa q. 10 a. 3 arg. 3
IIIa q. 10 a. 3 co.
IIIa q. 11 a. 3 arg. 2
IIIa q. 11 a. 5 arg. 2
IIIa q. 13 a. 1 arg. 2
IIIa q. 59 a. 2 ad 3[t:iiia q. 7 a. 7 ad 3][t:iiia q. 10 a. 3 arg. 3][t:iiia q. 10 a. 3 co.][t:iiia q. 11 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 11 a. 5 arg. 2][t:iiia q. 13 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 59 a. 2 ad 3]
IIIa q. 10 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel in het Woord niet alles kende. Want bij Marcus wordt gezegd (13, 32): "Dien dag echter kent niemand, noch de engelen in de hemel, noch de Zoon, maar alleen de Vader". Dus kende Hij niet alles in het Woord.
B: (Mark 13:32) [b:Mark 13:32]
IIIa q. 7 a. 7 ad 3
IIIa q. 10 a. 3 arg. 3
IIIa q. 10 a. 3 co.
IIIa q. 11 a. 3 arg. 2
IIIa q. 11 a. 5 arg. 2
IIIa q. 13 a. 1 arg. 2
IIIa q. 59 a. 2 ad 3[t:iiia q. 7 a. 7 ad 3][t:iiia q. 10 a. 3 arg. 3][t:iiia q. 10 a. 3 co.][t:iiia q. 11 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 11 a. 5 arg. 2][t:iiia q. 13 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 59 a. 2 ad 3]
IIIa q. 10 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel in het Woord niet alles kende. Want bij Marcus wordt gezegd (13, 32): "Dien dag echter kent niemand, noch de engelen in de hemel, noch de Zoon, maar alleen de Vader". Dus kende Hij niet alles in het Woord.
B: (Mark 13:32) [b:Mark 13:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Naarmate iemand een beginsel volmaakter kent, kent hij meer dingen in dat beginsel. Nu kent God Zijn eigen wezen volmaakter dan Christus’ ziel. Dus kent Hij meer in het Woord dan Christus’ ziel. Dus kent Christus’ ziel in het Woord niet alles.
Vervolgens. Naarmate iemand een beginsel volmaakter kent, kent hij meer dingen in dat beginsel. Nu kent God Zijn eigen wezen volmaakter dan Christus’ ziel. Dus kent Hij meer in het Woord dan Christus’ ziel. Dus kent Christus’ ziel in het Woord niet alles.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De grootheid van een kennis wordt afgemeten naar het aantal kenbare dingen. Als dus Christus’ ziel in het Woord evenveel kende als het Woord zelf, zou daaruit volgen, dat de wetenschap van Christus’ ziel gelijk was aan de goddelijke wetenschap, en dus het geschapene aan het ongeschapene. En dat is onmogelijk.
Vervolgens. De grootheid van een kennis wordt afgemeten naar het aantal kenbare dingen. Als dus Christus’ ziel in het Woord evenveel kende als het Woord zelf, zou daaruit volgen, dat de wetenschap van Christus’ ziel gelijk was aan de goddelijke wetenschap, en dus het geschapene aan het ongeschapene. En dat is onmogelijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de Glossa bij het woord van de Apocalyps (5, 12): "Waardig is het Lam, dat geslacht is, godheid en wetenschap te ontvangen", zegt: "Dat wil zeggen, iedere kennis".
B: (Rev 5:12) [b:Rev 5:12]
Maar daartegenover staat, dat de Glossa bij het woord van de Apocalyps (5, 12): "Waardig is het Lam, dat geslacht is, godheid en wetenschap te ontvangen", zegt: "Dat wil zeggen, iedere kennis".
B: (Rev 5:12) [b:Rev 5:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 2 co.
Mijn antwoord. Als gevraagd wordt, of Christus in het Woord alles kende, moeten wij opmerken, dat dit alles op twee manieren kan opgevat worden. Ten eerste in eigenlijke zin en dan slaat het op alles, wat op welke manier ook bestaat of was of zal zijn, dingen of woorden of gedachten van wie dan ook en in elke tijd. En in die zin moeten wij zeggen, dat Christus’ ziel in het Woord alles kende. Want iedere geschapen verstand kent in het Woord wel niet alles zonder meer, maar zoveel te meer, naarmate het het Woord volmaakter ziet; geen verstand van een gelukzalige mist echter het kennen in het Woord van datgene, dat met hem in verband staat. Nu staat in zekere zin alles in verband met Christus en Zijn waardigheid in zover "alles aan Hem onderworpen is" (I° Br. aan de Korinthiërs, 15, 27). Want Hij is "door God aangesteld als rechter over alles, omdat Hij de mensenzoon is", zoals bij Johannes (5, 27) wordt gezegd. En dus kende Christus’ ziel in het Woord alles, wat in welke tijd ook bestaat en ook de gedachten der mensen, waarvan Hij rechter is, zodat van Hem bij Johannes wordt gezegd (2, 25): "Hij echter wist, wat er in de mens is"; wat men niet alleen op de goddelijke wetenschap kan laten slaan, maar ook op de wetenschap, die Zijn ziel in het Woord bezit. In een andere betekenis kan men het alles ruimer opvatten, zodat het zich niet alleen uitstrekt tot alles wat in welke tijd ook bestaat, maar ook tot alles, wat daartoe een vermogen heeft, dat nooit tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. Sommige dingen hiervan bestaan alleen in Gods kunnen. En al deze dingen kent Christus’ ziel in het Woord niet. Want dat zou betekenen alles te omvatten, wat God kan doen, en dat is het doorgronden van de goddelijke kracht en dus ook van het goddelijk wezen; want iedere kracht wordt gekend door het kennen van die dingen, waar zij macht over heeft. Andere dingen echter bestaan niet alleen in het goddelijk kunnen, maar ook in het vermogen van een schepsel. En al deze dingen kende Christus’ ziel in het Woord. Want in het Woord omvat zij het wezen van ieder schepsel; en dientengevolge het vermogen en de kracht en alles, wat in het vermogen van een schepsel ligt.
B: (John 2:25) [b:John 2:25] (John 5:27, John 5:27) [b:John 5:27]
Mijn antwoord. Als gevraagd wordt, of Christus in het Woord alles kende, moeten wij opmerken, dat dit alles op twee manieren kan opgevat worden. Ten eerste in eigenlijke zin en dan slaat het op alles, wat op welke manier ook bestaat of was of zal zijn, dingen of woorden of gedachten van wie dan ook en in elke tijd. En in die zin moeten wij zeggen, dat Christus’ ziel in het Woord alles kende. Want iedere geschapen verstand kent in het Woord wel niet alles zonder meer, maar zoveel te meer, naarmate het het Woord volmaakter ziet; geen verstand van een gelukzalige mist echter het kennen in het Woord van datgene, dat met hem in verband staat. Nu staat in zekere zin alles in verband met Christus en Zijn waardigheid in zover "alles aan Hem onderworpen is" (I° Br. aan de Korinthiërs, 15, 27). Want Hij is "door God aangesteld als rechter over alles, omdat Hij de mensenzoon is", zoals bij Johannes (5, 27) wordt gezegd. En dus kende Christus’ ziel in het Woord alles, wat in welke tijd ook bestaat en ook de gedachten der mensen, waarvan Hij rechter is, zodat van Hem bij Johannes wordt gezegd (2, 25): "Hij echter wist, wat er in de mens is"; wat men niet alleen op de goddelijke wetenschap kan laten slaan, maar ook op de wetenschap, die Zijn ziel in het Woord bezit. In een andere betekenis kan men het alles ruimer opvatten, zodat het zich niet alleen uitstrekt tot alles wat in welke tijd ook bestaat, maar ook tot alles, wat daartoe een vermogen heeft, dat nooit tot daadwerkelijkheid wordt gebracht. Sommige dingen hiervan bestaan alleen in Gods kunnen. En al deze dingen kent Christus’ ziel in het Woord niet. Want dat zou betekenen alles te omvatten, wat God kan doen, en dat is het doorgronden van de goddelijke kracht en dus ook van het goddelijk wezen; want iedere kracht wordt gekend door het kennen van die dingen, waar zij macht over heeft. Andere dingen echter bestaan niet alleen in het goddelijk kunnen, maar ook in het vermogen van een schepsel. En al deze dingen kende Christus’ ziel in het Woord. Want in het Woord omvat zij het wezen van ieder schepsel; en dientengevolge het vermogen en de kracht en alles, wat in het vermogen van een schepsel ligt.
B: (John 2:25) [b:John 2:25] (John 5:27, John 5:27) [b:John 5:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Dit woord vatten Eunomius en Arius niet op van de wetenschap der ziel, die zij in Christus niet aannamen, zoals boven is gezegd (5° Kw., 3° Art.); maar van de goddelijke wetenschap, waarin volgens hun bewering de Zoon kleiner was dan de Vader. — Maar dat mag men niet houden. Want "Door Gods Woord is alles gemaakt", zoals bij Johannes (1, 3) wordt gezegd, en onder anderen zijn door Hem ook alle tijden gemaakt. Maar niets is door Hem gemaakt, dat Hij niet kent. Daarom wordt van Hem gezegd, dat Hij dag en uur niet weet, omdat Hij niet doet weten; want toen Hij door de Apostelen daarover werd ondervraagd, zoals in de Handelingen (1, 6 en 7) staat, wilde Hij het hun niet openbaren. Zoals in het tegenovergestelde geval in het boek der Schepping wordt gezegd (22, 12): "Nu weet ik, dat gij God vreest", dwz. "heb ik duidelijk doen zien". Van de Vader wordt echter gezegd, dat Hij het weet, omdat Hij het de Zoon heeft medegedeeld. Daarom wordt in wat gezegd wordt: "behalve de Vader", te verstaan gegeven, dat de Zoon het weet, niet alleen wat Zijn goddelijke natuur betreft, maar ook wat Zijn menselijke. Want Chrysostomus redeneert terecht (22° Hom.): "Als het aan Christus als mens gegeven is te weten, hoe Hij recht moet spreken, wat van meer belang is, is het Hem zoveel te meer gegeven te weten wat van minder belang is, nl. het tijdstip van het oordeel". Origenes legt het echter uit van Christus, wat "zijn lichaam, dat de Kerk is, betreft", die namelijk dit tijdstip niet kent. Anderen zeggen, dat het moet opgevat worden van Gods aangenomen, niet van Gods natuurlijke Zoon.
B: (John 1:3) [b:John 1:3]
R: q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1] q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1]
1e Weerlegging. Dit woord vatten Eunomius en Arius niet op van de wetenschap der ziel, die zij in Christus niet aannamen, zoals boven is gezegd (5° Kw., 3° Art.); maar van de goddelijke wetenschap, waarin volgens hun bewering de Zoon kleiner was dan de Vader. — Maar dat mag men niet houden. Want "Door Gods Woord is alles gemaakt", zoals bij Johannes (1, 3) wordt gezegd, en onder anderen zijn door Hem ook alle tijden gemaakt. Maar niets is door Hem gemaakt, dat Hij niet kent. Daarom wordt van Hem gezegd, dat Hij dag en uur niet weet, omdat Hij niet doet weten; want toen Hij door de Apostelen daarover werd ondervraagd, zoals in de Handelingen (1, 6 en 7) staat, wilde Hij het hun niet openbaren. Zoals in het tegenovergestelde geval in het boek der Schepping wordt gezegd (22, 12): "Nu weet ik, dat gij God vreest", dwz. "heb ik duidelijk doen zien". Van de Vader wordt echter gezegd, dat Hij het weet, omdat Hij het de Zoon heeft medegedeeld. Daarom wordt in wat gezegd wordt: "behalve de Vader", te verstaan gegeven, dat de Zoon het weet, niet alleen wat Zijn goddelijke natuur betreft, maar ook wat Zijn menselijke. Want Chrysostomus redeneert terecht (22° Hom.): "Als het aan Christus als mens gegeven is te weten, hoe Hij recht moet spreken, wat van meer belang is, is het Hem zoveel te meer gegeven te weten wat van minder belang is, nl. het tijdstip van het oordeel". Origenes legt het echter uit van Christus, wat "zijn lichaam, dat de Kerk is, betreft", die namelijk dit tijdstip niet kent. Anderen zeggen, dat het moet opgevat worden van Gods aangenomen, niet van Gods natuurlijke Zoon.
B: (John 1:3) [b:John 1:3]
R: q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1] q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. God kent Zijn Wezen op volmaaktere wijze dan Christus’ ziel, omdat Hij het doorgrondt. En daarom kent Hij alles, niet alleen wat daadwerkelijk in een of andere tijd bestaat, welke kennis “de wetenschap van aanschouwen” wordt genoemd, maar ook alles wat Hij zelf kan maken, wat de “kennis van eenvoudig begrijpen” wordt genoemd, zoals in het eerste deel (14e Kw., 9e Art.) is behandeld. Christus’ ziel kent dus alles, wat God in zichzelf kent met de kennis van aanschouwen; maar niet, wat God in zichzelf kent met de wetenschap van eenvoudig begrijpen. En daarom ziet God in zichzelf meer dan Christus’ ziel.
B: (Gen 22:12) [b:Gen 22:12] (Acts 1:7) [b:Acts 1:7]
R: I q. 14 a. 9[t:ia q. 14 a. 9]
2e Weerlegging. God kent Zijn Wezen op volmaaktere wijze dan Christus’ ziel, omdat Hij het doorgrondt. En daarom kent Hij alles, niet alleen wat daadwerkelijk in een of andere tijd bestaat, welke kennis “de wetenschap van aanschouwen” wordt genoemd, maar ook alles wat Hij zelf kan maken, wat de “kennis van eenvoudig begrijpen” wordt genoemd, zoals in het eerste deel (14e Kw., 9e Art.) is behandeld. Christus’ ziel kent dus alles, wat God in zichzelf kent met de kennis van aanschouwen; maar niet, wat God in zichzelf kent met de wetenschap van eenvoudig begrijpen. En daarom ziet God in zichzelf meer dan Christus’ ziel.
B: (Gen 22:12) [b:Gen 22:12] (Acts 1:7) [b:Acts 1:7]
R: I q. 14 a. 9[t:ia q. 14 a. 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De grootheid van een wetenschap wordt niet alleen afgemeten naar het aantal kenbare dingen, maar ook naar de duidelijkheid der kennis. Al zou dus de kennis, die Christus’ ziel in het Woord heeft, gelijk zijn aan de wetenschap van aanschouwen, die God in zichzelf heeft, wat het aantal kenbare dingen betreft, toch gaat Gods wetenschap wat de duidelijkheid der kennis betreft die van Christus’ ziel oneindig te boven. Want het ongeschapen licht van Gods verstand gaat ieder geschapen en in Christus’ ziel ontvangen licht oneindig te boven, niet alleen wat de manier van kennen betreft, maar ook, zoals gezegd is (in de Leerstelling en in Antw. op 2° B.), het aantal kenbare dingen.
3e Weerlegging. De grootheid van een wetenschap wordt niet alleen afgemeten naar het aantal kenbare dingen, maar ook naar de duidelijkheid der kennis. Al zou dus de kennis, die Christus’ ziel in het Woord heeft, gelijk zijn aan de wetenschap van aanschouwen, die God in zichzelf heeft, wat het aantal kenbare dingen betreft, toch gaat Gods wetenschap wat de duidelijkheid der kennis betreft die van Christus’ ziel oneindig te boven. Want het ongeschapen licht van Gods verstand gaat ieder geschapen en in Christus’ ziel ontvangen licht oneindig te boven, niet alleen wat de manier van kennen betreft, maar ook, zoals gezegd is (in de Leerstelling en in Antw. op 2° B.), het aantal kenbare dingen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Kende Christus’ ziel het oneindige in het Woord?
IIIa q. 10 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel in het Woord het oneindige niet kon kennen. Want dat het oneindige gekend zou worden, strijdt met het begrip oneindig, zoals in het 3° boek *Over de Physica* (6° H., n. 8) wordt gezegd, dat "oneindig is datgene, aan wiens grootheid hij die haar begrijpt, altijd nog iets meer moet toevoegen". Maar nu is de omschrijving onscheidbaar aan wat omschreven wordt verbonden; want scheiding zou betekenen, dat tegenovergestelde dingen tegelijk bestonden. Dus is het onmogelijk, dat Christus’ ziel het oneindige zou begrijpen.
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel in het Woord het oneindige niet kon kennen. Want dat het oneindige gekend zou worden, strijdt met het begrip oneindig, zoals in het 3° boek *Over de Physica* (6° H., n. 8) wordt gezegd, dat "oneindig is datgene, aan wiens grootheid hij die haar begrijpt, altijd nog iets meer moet toevoegen". Maar nu is de omschrijving onscheidbaar aan wat omschreven wordt verbonden; want scheiding zou betekenen, dat tegenovergestelde dingen tegelijk bestonden. Dus is het onmogelijk, dat Christus’ ziel het oneindige zou begrijpen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Het weten van iets oneindigs is zelf oneindig. Nu kan de wetenschap van Christus’ ziel niet oneindig zijn, want haar opnemingsvermogen is, omdat zij een schepsel is, eindig. Dus kon Christus’ ziel het oneindige niet kennen.
Vervolgens. Het weten van iets oneindigs is zelf oneindig. Nu kan de wetenschap van Christus’ ziel niet oneindig zijn, want haar opnemingsvermogen is, omdat zij een schepsel is, eindig. Dus kon Christus’ ziel het oneindige niet kennen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Niets kan grooter zijn dan het oneindige. Maar absoluut gesproken, wordt door de goddelijke wetenschap meer omvat dan door die van Christus’ ziel, zoals gezegd is (in het vorig artikel). Dus kent Christus’ ziel niets oneindigs.
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
Vervolgens. Niets kan grooter zijn dan het oneindige. Maar absoluut gesproken, wordt door de goddelijke wetenschap meer omvat dan door die van Christus’ ziel, zoals gezegd is (in het vorig artikel). Dus kent Christus’ ziel niets oneindigs.
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Christus’ ziel haar eigen vermogen en alles, waarover zij macht heeft, kent. Maar zij heeft vermogen om oneindig veel zonden weg te nemen, volgens de Eerste Brief van Johannes (2, 2): "Hij is de verzoening voor onze zonden, maar niet voor de onze alleen, doch ook voor die van de gehele wereld". Dus kent Christus’ ziel een oneindig aantal dingen.
B: (1John 2:2) [b:1John 2:2]
Maar daartegenover staat, dat Christus’ ziel haar eigen vermogen en alles, waarover zij macht heeft, kent. Maar zij heeft vermogen om oneindig veel zonden weg te nemen, volgens de Eerste Brief van Johannes (2, 2): "Hij is de verzoening voor onze zonden, maar niet voor de onze alleen, doch ook voor die van de gehele wereld". Dus kent Christus’ ziel een oneindig aantal dingen.
B: (1John 2:2) [b:1John 2:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 3 co.
Mijn antwoord. Wetenschap gaat alleen over wat bestaat, omdat bestaan en waar onkeerbaar zijn. Nu noemt men in dubbele zin iets bestaand: ten eerste zonder beperking, nl. datgene wat daadwerkelijk bestaat; ten tweede in zekere zin, nl. datgene wat het vermogen heeft om te bestaan. En omdat, zoals in het 9e boek *Over de Metaphysiek* wordt gezegd, iets gekend wordt, in zover iets daadwerkelijk iets is, niet in zover het iets kan zijn, gaat de wetenschap op de eerste plaats en voornamelijk over wat daadwerkelijk bestaat. Op de tweede plaats houdt zij zich bezig met wat kan bestaan, en dat is in zichzelf niet kenbaar, maar in zover datgene wordt gekend, in welks vermogen het besloten ligt. Wat nu de eerste soort wetenschap betreft, kent Christus’ ziel geen oneindig aantal dingen. Want daadwerkelijk bestaat er geen oneindig aantal dingen, ook al neemt men alles bijeen, wat daadwerkelijk bestaat in welke tijd ook; en dit is hierom, dat de toestand van worden en vergaan niet in het oneindige voortduurt; daarom is er een bepaald getal niet alleen van de dingen, die aan worden en vergaan niet onderhevig zijn, maar ook van wat wordt en vergaat. — Maar wat de andere soort van wetenschap aangaat, kent Christus’ ziel in het Woord een oneindig aantal dingen. Want zij kent, zoals gezegd is (in het vorige Artikel), alles wat in het vermogen der schepselen ligt. En omdat er een oneindig aantal dingen onder het vermogen der schepselen valt, kent zij zo een oneindig aantal dingen als met een wetenschap van eenvoudig begrijpen, maar niet met een wetenschap van aanschouwen.
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
Mijn antwoord. Wetenschap gaat alleen over wat bestaat, omdat bestaan en waar onkeerbaar zijn. Nu noemt men in dubbele zin iets bestaand: ten eerste zonder beperking, nl. datgene wat daadwerkelijk bestaat; ten tweede in zekere zin, nl. datgene wat het vermogen heeft om te bestaan. En omdat, zoals in het 9e boek *Over de Metaphysiek* wordt gezegd, iets gekend wordt, in zover iets daadwerkelijk iets is, niet in zover het iets kan zijn, gaat de wetenschap op de eerste plaats en voornamelijk over wat daadwerkelijk bestaat. Op de tweede plaats houdt zij zich bezig met wat kan bestaan, en dat is in zichzelf niet kenbaar, maar in zover datgene wordt gekend, in welks vermogen het besloten ligt. Wat nu de eerste soort wetenschap betreft, kent Christus’ ziel geen oneindig aantal dingen. Want daadwerkelijk bestaat er geen oneindig aantal dingen, ook al neemt men alles bijeen, wat daadwerkelijk bestaat in welke tijd ook; en dit is hierom, dat de toestand van worden en vergaan niet in het oneindige voortduurt; daarom is er een bepaald getal niet alleen van de dingen, die aan worden en vergaan niet onderhevig zijn, maar ook van wat wordt en vergaat. — Maar wat de andere soort van wetenschap aangaat, kent Christus’ ziel in het Woord een oneindig aantal dingen. Want zij kent, zoals gezegd is (in het vorige Artikel), alles wat in het vermogen der schepselen ligt. En omdat er een oneindig aantal dingen onder het vermogen der schepselen valt, kent zij zo een oneindig aantal dingen als met een wetenschap van eenvoudig begrijpen, maar niet met een wetenschap van aanschouwen.
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Zoals in het eerste deel (7e Kw., 1e Art.) gezegd is, spreekt men in dubbele zin van oneindig. Ten eerste naar de aard van de vorm. En zo wordt iets ontkennend oneindig genoemd, namelijk datgene wat een vorm of act is, die niet begrensd wordt door een stof of drager, waarin zij ontvangen wordt. Zo iets oneindigs is van zijn kant bezien in hoogste mate kenbaar om de volmaaktheid van de act, al kan het niet doorgrond worden door het eindige vermogen van een schepsel; zo noemen wij God oneindig. En zo iets oneindigs kende Christus’ ziel, al doorgrondde zij het niet. Daarnaast wordt iets oneindig genoemd om het vermogen van de stof. En hierbij noemt men een gebrek, omdat het namelijk de vorm niet heeft, die het van nature hebben moet. En op deze manier spreekt men van het oneindige in hoeveelheid. Maar zo iets oneindigs is bij begrip onkenbaar, want het is als het ware een stof, die de vorm mist, zoals in het 3e boek Over de Physica (6e H., n. 10) wordt gezegd; en iedere kennis komt van een vorm of een act. En als dus zo iets oneindigs volgens de eigen aard van het voorwerp der kennis gekend moet worden, is het onkenbaar, want die eigen aard is, dat het ene deel ervan na het andere waargenomen wordt, zoals in het 3e boek Over de Physica (6e H., n. 2 en 3) staat. En zo is het waar, dat "als iemand zijn hoeveelheid begrijpt", namelijk door het ene deel na het andere te nemen, "hij er altijd nog iets bij moet nemen". Zoals echter de stoffelijke dingen door het verstand onstoffelijk kunnen worden opgevat en wat veel is als een eenheid, zo kan ook het oneindige door het verstand worden opgevat niet als oneindig, maar als het ware eindig, zodat zo wat in zichzelf oneindig is, voor het verstand van de kenner eindig is. En op die manier kent Christus’ ziel een oneindig aantal dingen, in zover het hen namelijk niet kent door hen een voor een af te gaan, maar in iets eens, bijvoorbeeld in een schepsel, in welks vermogen zij te voren bestaan, en vooral in het Woord zelf.
R: I q. 8 a. 1[t:ia q. 8 a. 1]
1e Weerlegging. Zoals in het eerste deel (7e Kw., 1e Art.) gezegd is, spreekt men in dubbele zin van oneindig. Ten eerste naar de aard van de vorm. En zo wordt iets ontkennend oneindig genoemd, namelijk datgene wat een vorm of act is, die niet begrensd wordt door een stof of drager, waarin zij ontvangen wordt. Zo iets oneindigs is van zijn kant bezien in hoogste mate kenbaar om de volmaaktheid van de act, al kan het niet doorgrond worden door het eindige vermogen van een schepsel; zo noemen wij God oneindig. En zo iets oneindigs kende Christus’ ziel, al doorgrondde zij het niet. Daarnaast wordt iets oneindig genoemd om het vermogen van de stof. En hierbij noemt men een gebrek, omdat het namelijk de vorm niet heeft, die het van nature hebben moet. En op deze manier spreekt men van het oneindige in hoeveelheid. Maar zo iets oneindigs is bij begrip onkenbaar, want het is als het ware een stof, die de vorm mist, zoals in het 3e boek Over de Physica (6e H., n. 10) wordt gezegd; en iedere kennis komt van een vorm of een act. En als dus zo iets oneindigs volgens de eigen aard van het voorwerp der kennis gekend moet worden, is het onkenbaar, want die eigen aard is, dat het ene deel ervan na het andere waargenomen wordt, zoals in het 3e boek Over de Physica (6e H., n. 2 en 3) staat. En zo is het waar, dat "als iemand zijn hoeveelheid begrijpt", namelijk door het ene deel na het andere te nemen, "hij er altijd nog iets bij moet nemen". Zoals echter de stoffelijke dingen door het verstand onstoffelijk kunnen worden opgevat en wat veel is als een eenheid, zo kan ook het oneindige door het verstand worden opgevat niet als oneindig, maar als het ware eindig, zodat zo wat in zichzelf oneindig is, voor het verstand van de kenner eindig is. En op die manier kent Christus’ ziel een oneindig aantal dingen, in zover het hen namelijk niet kent door hen een voor een af te gaan, maar in iets eens, bijvoorbeeld in een schepsel, in welks vermogen zij te voren bestaan, en vooral in het Woord zelf.
R: I q. 8 a. 1[t:ia q. 8 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Niets belet dat iets op een manier eindig en op een andere oneindig is, zoals wij ons bij de hoeveelheden een oppervlak voorstellen dat in de lengte oneindig, maar in breedte eindig is. Als de mensen dus oneindig in aantal waren, zouden zij in hun bestaan in een opzicht de oneindigheid hebben, namelijk in menigte; maar naar de aard van hun wezen zouden zij geen oneindigheid hebben, omdat ieder wezen begrensd is, daar het de aard van maar een soort had. Maar wat zonder meer oneindig is naar de wezensaard, is God, zoals in het eerste deel (7° Kw., 2° Art.) is gezegd. Nu is het eigen voorwerp van het verstand “dat wat iets is”, zoals in het 3° boek Over de Ziel wordt gezegd; daartoe behoort de wezensaard. Zo bereikt dus Christus’ ziel, omdat zij een begrensd vermogen heeft, dat wat naar Zijn wezen zonder meer oneindig is, namelijk God, wel, maar doorgrondt Het niet, zoals werd gezegd (1° Art.). Maar het oneindige, dat in het vermogen der schepselen bestaat, kan door Christus’ ziel omvat worden, want het verhoudt zich tot haar volgens de wezensaard, en van die kant bezit het geen oneindigheid. Want ons verstand begrijpt ook wel het algemene, namelijk de soortelijke of geslachtelijke natuur, die ook in zekeren zin een oneindigheid bezit, in zover het van een oneindig aantal dingen kan worden gezegd.
R: I q. 7 a. 2[t:ia q. 7 a. 2] q. 10 a. 1[t:iiia q. 10 a. 1]
2e Weerlegging. Niets belet dat iets op een manier eindig en op een andere oneindig is, zoals wij ons bij de hoeveelheden een oppervlak voorstellen dat in de lengte oneindig, maar in breedte eindig is. Als de mensen dus oneindig in aantal waren, zouden zij in hun bestaan in een opzicht de oneindigheid hebben, namelijk in menigte; maar naar de aard van hun wezen zouden zij geen oneindigheid hebben, omdat ieder wezen begrensd is, daar het de aard van maar een soort had. Maar wat zonder meer oneindig is naar de wezensaard, is God, zoals in het eerste deel (7° Kw., 2° Art.) is gezegd. Nu is het eigen voorwerp van het verstand “dat wat iets is”, zoals in het 3° boek Over de Ziel wordt gezegd; daartoe behoort de wezensaard. Zo bereikt dus Christus’ ziel, omdat zij een begrensd vermogen heeft, dat wat naar Zijn wezen zonder meer oneindig is, namelijk God, wel, maar doorgrondt Het niet, zoals werd gezegd (1° Art.). Maar het oneindige, dat in het vermogen der schepselen bestaat, kan door Christus’ ziel omvat worden, want het verhoudt zich tot haar volgens de wezensaard, en van die kant bezit het geen oneindigheid. Want ons verstand begrijpt ook wel het algemene, namelijk de soortelijke of geslachtelijke natuur, die ook in zekeren zin een oneindigheid bezit, in zover het van een oneindig aantal dingen kan worden gezegd.
R: I q. 7 a. 2[t:ia q. 7 a. 2] q. 10 a. 1[t:iiia q. 10 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Want in alle opzichten oneindig is, kan maar een ding zijn: daarom zegt de Filosoof in het 1e boek Over Hemel en Aarde (7e H., n. 5), dat het onmogelijk is, dat er meerdere oneindige lichamen bestaan, omdat een lichaam aan alle kanten afmetingen heeft. Maar als iets maar op een manier oneindig zou zijn, was er niets tegen, dat er meer van die oneindige dingen waren; zoals wij ons meerdere lijnen zouden kunnen voorstellen oneindig in lengte, die getrokken waren op een in de breedte begrensd vlak. Omdat dus het oneindige geen zelfstandigheid is, maar een bijkomstigheid van de dingen, die oneindig worden genoemd, naar het 3e boek Over de Physica (5e H., n. 3 en 4), moet men wel zeggen, dat zoals het oneindige vermenigvuldigd wordt door de verschillende dragers, zo ook de eigenschappen van het oneindige vermenigvuldigd worden en dus aan elk ervan toekomen volgens die drager. Nu is het een van de eigenschappen van het oneindige, dat niets groter kan zijn dan het oneindige. Nemen wij dus een oneindige lijn, dan kan er in haar niets groter zijn dan het oneindige. En nemen wij evenzo ieder van de andere oneindige lijnen, dan is het duidelijk, dat de delen van ieder oneindig in aantal zijn. Bij al die oneindige dingen is het dus nodig, dat er in die lijn niets grooters is, maar in een andere en derde lijn zullen er daarbuiten meer delen, ook oneindig zijn. Dat zien wij ook bij getallen gebeuren; want er zijn oneindig veel soorten even getallen en eveneens oneven getallen; en toch zijn er meer even en oneven getallen te samen dan even getallen. Wij moeten daarom zeggen, dat er niets groter is dan wat zonder meer in alle opzichten oneindig is; maar groter dan iets, wat in een bepaald opzicht oneindig is, is er niets in datzelfde opzicht, maar wel kan men iets groters vinden buiten die orde. En zo liggen er een oneindig aantal dingen in het vermogen der schepselen; en toch ligt er meer in Gods vermogen dan in dat van het schepsel. Evenzo ook kent Christus’ ziel een oneindig aantal dingen met de wetenschap van eenvoudig begrijpen; toch kent God er op deze manier meer.
3e Weerlegging. Want in alle opzichten oneindig is, kan maar een ding zijn: daarom zegt de Filosoof in het 1e boek Over Hemel en Aarde (7e H., n. 5), dat het onmogelijk is, dat er meerdere oneindige lichamen bestaan, omdat een lichaam aan alle kanten afmetingen heeft. Maar als iets maar op een manier oneindig zou zijn, was er niets tegen, dat er meer van die oneindige dingen waren; zoals wij ons meerdere lijnen zouden kunnen voorstellen oneindig in lengte, die getrokken waren op een in de breedte begrensd vlak. Omdat dus het oneindige geen zelfstandigheid is, maar een bijkomstigheid van de dingen, die oneindig worden genoemd, naar het 3e boek Over de Physica (5e H., n. 3 en 4), moet men wel zeggen, dat zoals het oneindige vermenigvuldigd wordt door de verschillende dragers, zo ook de eigenschappen van het oneindige vermenigvuldigd worden en dus aan elk ervan toekomen volgens die drager. Nu is het een van de eigenschappen van het oneindige, dat niets groter kan zijn dan het oneindige. Nemen wij dus een oneindige lijn, dan kan er in haar niets groter zijn dan het oneindige. En nemen wij evenzo ieder van de andere oneindige lijnen, dan is het duidelijk, dat de delen van ieder oneindig in aantal zijn. Bij al die oneindige dingen is het dus nodig, dat er in die lijn niets grooters is, maar in een andere en derde lijn zullen er daarbuiten meer delen, ook oneindig zijn. Dat zien wij ook bij getallen gebeuren; want er zijn oneindig veel soorten even getallen en eveneens oneven getallen; en toch zijn er meer even en oneven getallen te samen dan even getallen. Wij moeten daarom zeggen, dat er niets groter is dan wat zonder meer in alle opzichten oneindig is; maar groter dan iets, wat in een bepaald opzicht oneindig is, is er niets in datzelfde opzicht, maar wel kan men iets groters vinden buiten die orde. En zo liggen er een oneindig aantal dingen in het vermogen der schepselen; en toch ligt er meer in Gods vermogen dan in dat van het schepsel. Evenzo ook kent Christus’ ziel een oneindig aantal dingen met de wetenschap van eenvoudig begrijpen; toch kent God er op deze manier meer.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Kent Christus’ ziel het Woord volmaakter dan welk ander schepsel ook?
IIIa q. 10 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel het Woord niet volmaakter kent dan welk ander schepsel ook. Want de volmaaktheid der kennis ligt aan het kenmiddel; zoals de kennis door middel van een de reden aangevend syllogisme volmaakter is dan die door middel van een op waarschijnlijkheden steunend syllogisme. Nu zien alle zaligen het Woord onmiddellijk door het goddelijk wezen zelf, zoals in het eerste deel is gezegd (12° Kw., 2° Art.). Dus ziet Christus’ ziel het Woord niet volmaakter dan een ander schepsel.
R: I q. 12 a. 2[t:ia q. 12 a. 2]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel het Woord niet volmaakter kent dan welk ander schepsel ook. Want de volmaaktheid der kennis ligt aan het kenmiddel; zoals de kennis door middel van een de reden aangevend syllogisme volmaakter is dan die door middel van een op waarschijnlijkheden steunend syllogisme. Nu zien alle zaligen het Woord onmiddellijk door het goddelijk wezen zelf, zoals in het eerste deel is gezegd (12° Kw., 2° Art.). Dus ziet Christus’ ziel het Woord niet volmaakter dan een ander schepsel.
R: I q. 12 a. 2[t:ia q. 12 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De volmaaktheid van het aanschouwen gaat het vermogen om te aanschouwen niet te boven. Nu staat het vermogen van een redelijke ziel als die van Christus lager dan het begripsvermogen van een engel, zoals Dionysius bewijst in het boek Over de Hemelse Hiërarchieën (4° en 7° H.). Dus ziet Christus’ ziel het Woord niet volmaakter dan de engelen.
Vervolgens. De volmaaktheid van het aanschouwen gaat het vermogen om te aanschouwen niet te boven. Nu staat het vermogen van een redelijke ziel als die van Christus lager dan het begripsvermogen van een engel, zoals Dionysius bewijst in het boek Over de Hemelse Hiërarchieën (4° en 7° H.). Dus ziet Christus’ ziel het Woord niet volmaakter dan de engelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 4 arg. 3
Vervolgens. God ziet Zijn woord oneindig veel volmaakter dan de ziel. Dus liggen er een oneindig aantal trappen tussen de wijze, waarop God Zijn Woord ziet en die, waarop Christus’ ziel het ziet. Dus moet men niet beweren, dat Christus’ ziel het Woord of het goddelijk Wezen volmaakter ziet dan een ander schepsel.
Vervolgens. God ziet Zijn woord oneindig veel volmaakter dan de ziel. Dus liggen er een oneindig aantal trappen tussen de wijze, waarop God Zijn Woord ziet en die, waarop Christus’ ziel het ziet. Dus moet men niet beweren, dat Christus’ ziel het Woord of het goddelijk Wezen volmaakter ziet dan een ander schepsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Brief aan de Ephesiërs zegt (1, 20 en 21): "God plaatste Christus in de hemel boven alle macht en kracht en heerlijkheid en heerschappij, en boven iedere naam, die genoemd wordt niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomstige". Nu staat iemand hoger in de hemelse heerlijkheid naarmate hij God volmaakter kent. Dus kent Christus’ ziel God volmaakter dan enig ander schepsel.
B: (Eph 1:20) [b:Eph 1:20] (Eph 1:21) [b:Eph 1:21]
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Brief aan de Ephesiërs zegt (1, 20 en 21): "God plaatste Christus in de hemel boven alle macht en kracht en heerlijkheid en heerschappij, en boven iedere naam, die genoemd wordt niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomstige". Nu staat iemand hoger in de hemelse heerlijkheid naarmate hij God volmaakter kent. Dus kent Christus’ ziel God volmaakter dan enig ander schepsel.
B: (Eph 1:20) [b:Eph 1:20] (Eph 1:21) [b:Eph 1:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 4 co.
Mijn antwoord. Alle zaligen bezitten het aanschouwen van Gods Wezen doordat zij een licht ontvangen, dat op hun afstraalt uit de bron, die Gods Woord is; volgens het boek Ecclesiasticus (1, 5): "De bron der wijsheid is Gods Woord in de hoge". Nu is Christus’ ziel inniger dan iedere ander schepsel verenigd met Gods Woord, omdat zij er in persoon mee verenigd is. En dus ontvangt zij de invloed van het licht, waarin God gezien wordt door het Woord zelf, vollediger dan een ander schepsel. Daarom ziet zij volmaakter dan de andere schepselen de eerste waarheid, die Gods Wezen is. Daarom lezen wij bij Johannes (1, 14): "Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien als van de Eeniggeborene des Vaders, vol" niet alleen "van genade", maar ook "van waarheid".
B: (John 1:14) [b:John 1:14] (Sir 1:5) [b:Sir 1:5]
Mijn antwoord. Alle zaligen bezitten het aanschouwen van Gods Wezen doordat zij een licht ontvangen, dat op hun afstraalt uit de bron, die Gods Woord is; volgens het boek Ecclesiasticus (1, 5): "De bron der wijsheid is Gods Woord in de hoge". Nu is Christus’ ziel inniger dan iedere ander schepsel verenigd met Gods Woord, omdat zij er in persoon mee verenigd is. En dus ontvangt zij de invloed van het licht, waarin God gezien wordt door het Woord zelf, vollediger dan een ander schepsel. Daarom ziet zij volmaakter dan de andere schepselen de eerste waarheid, die Gods Wezen is. Daarom lezen wij bij Johannes (1, 14): "Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien als van de Eeniggeborene des Vaders, vol" niet alleen "van genade", maar ook "van waarheid".
B: (John 1:14) [b:John 1:14] (Sir 1:5) [b:Sir 1:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De volmaaktheid der kennis, gerekend van de kant van wat gekend wordt, wordt naar het kenmiddel afgemeten; maar gerekend van de kant van de kenner, wordt zij afgemeten naar het vermogen of de gewoonte. Daarvandaan komt het ook, dat bij de mensen de een door hetzelfde kenmiddel een gevolgtrekking beter kent dan de ander. En op deze manier kent Christus’ ziel, die met een rijker licht wordt vervuld, het goddelijk wezen volmaakter dan de andere zaligen, al kennen allen Gods Wezen door dat Wezen zelf.
1e Weerlegging. De volmaaktheid der kennis, gerekend van de kant van wat gekend wordt, wordt naar het kenmiddel afgemeten; maar gerekend van de kant van de kenner, wordt zij afgemeten naar het vermogen of de gewoonte. Daarvandaan komt het ook, dat bij de mensen de een door hetzelfde kenmiddel een gevolgtrekking beter kent dan de ander. En op deze manier kent Christus’ ziel, die met een rijker licht wordt vervuld, het goddelijk wezen volmaakter dan de andere zaligen, al kennen allen Gods Wezen door dat Wezen zelf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Het aanschouwen van Gods Wezen gaat het natuurlijke vermogen van iedere schepsel te boven, zoals in het Eerste Deel is gezegd (12° Kw., 2° Art.). Daarom moeten de trappen daarin meer gerekend worden naar de orde der genade, waarin Christus boven allen uitsteekt, dan naar de natuurlijke orde, waarin de natuur der engelen boven de menselijke staat.
R: I q. 12 a. 4[t:ia q. 12 a. 4]
2e Weerlegging. Het aanschouwen van Gods Wezen gaat het natuurlijke vermogen van iedere schepsel te boven, zoals in het Eerste Deel is gezegd (12° Kw., 2° Art.). Daarom moeten de trappen daarin meer gerekend worden naar de orde der genade, waarin Christus boven allen uitsteekt, dan naar de natuurlijke orde, waarin de natuur der engelen boven de menselijke staat.
R: I q. 12 a. 4[t:ia q. 12 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 10 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Zoals boven wat de genade betreft gezegd is (7° Kw., 12° Art.), dat er geen grotere genade kan zijn dan die van Christus met betrekking tot de vereniging met het Woord, moeten wij hetzelfde zeggen wat de volmaaktheid van het aanschouwen van God aangaat; al zou er dan ook absoluut genomen een hogere graad kunnen zijn volgens Gods oneindige kracht.
R: q. 7 a. 12[t:iiia q. 7 a. 12]
3e Weerlegging. Zoals boven wat de genade betreft gezegd is (7° Kw., 12° Art.), dat er geen grotere genade kan zijn dan die van Christus met betrekking tot de vereniging met het Woord, moeten wij hetzelfde zeggen wat de volmaaktheid van het aanschouwen van God aangaat; al zou er dan ook absoluut genomen een hogere graad kunnen zijn volgens Gods oneindige kracht.
R: q. 7 a. 12[t:iiia q. 7 a. 12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 11: Over de Christus’ ziel ingegeven of ingestorte kennis
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 12 a. 1 ad 3[t:iiia q. 12 a. 1 ad 3]
IIIa q. 11 pr.
Vervolgens moeten wij de Christus’ ziel ingegeven of ingestorte kennis beschouwen. En hierover stellen wij ons zes vragen:
1. Kende Christus door deze wetenschap alles?
2. Kon Hij deze wetenschap gebruiken zonder zich van de fantasiebeelden te bedienen?
3. Ging deze wetenschap van het ene naar het andere onderwerp over?
4. Hoe verhoudt deze wetenschap zich tot die der Engelen?
5. Was deze wetenschap een blijvende hebbelijkheid?
6. Was zij onderscheiden in verschillende hebbelijkheden?
IIIa q. 12 a. 1 ad 3[t:iiia q. 12 a. 1 ad 3]
IIIa q. 11 pr.
Vervolgens moeten wij de Christus’ ziel ingegeven of ingestorte kennis beschouwen. En hierover stellen wij ons zes vragen:
1. Kende Christus door deze wetenschap alles?
2. Kon Hij deze wetenschap gebruiken zonder zich van de fantasiebeelden te bedienen?
3. Ging deze wetenschap van het ene naar het andere onderwerp over?
4. Hoe verhoudt deze wetenschap zich tot die der Engelen?
5. Was deze wetenschap een blijvende hebbelijkheid?
6. Was zij onderscheiden in verschillende hebbelijkheden?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Kende Christus alles met Zijn ingegeven of ingestorte wetenschap?
IIIa q. 11 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus met deze wetenschap niet alles kende. Want deze wetenschap is Christus ingegeven om Zijn begripsvermogen te vervolmaken. Maar nu schijnt het ontvangend verstand van de menselijke ziel het vermogen niet te hebben om alles zonder meer op te nemen, maar alleen die dingen, ten opzichte waarvan het tot act kan worden gebracht door het werkend verstand, wat het eigen werkend beginsel ervan is; en dat zijn die dingen, die voor het natuurlijk verstand kenbaar zijn. Daarom kende Hij met deze wetenschap de dingen, die het natuurlijk verstand te boven gaan, niet.
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus met deze wetenschap niet alles kende. Want deze wetenschap is Christus ingegeven om Zijn begripsvermogen te vervolmaken. Maar nu schijnt het ontvangend verstand van de menselijke ziel het vermogen niet te hebben om alles zonder meer op te nemen, maar alleen die dingen, ten opzichte waarvan het tot act kan worden gebracht door het werkend verstand, wat het eigen werkend beginsel ervan is; en dat zijn die dingen, die voor het natuurlijk verstand kenbaar zijn. Daarom kende Hij met deze wetenschap de dingen, die het natuurlijk verstand te boven gaan, niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De fantasiebeelden verhouden zich tot het menselijk verstand als de kleuren tot het gezicht, zoals in het 3e boek Over de Ziel (7e H., n. 3) wordt gezegd. Maar het valt niet onder de volmaaktheid van het gezichtsvermogen de geheel en al kleurloze dingen te kennen. Dus valt het evenmin onder de volmaaktheid van het menselijk verstand die dingen te kennen, waarvan er geen fantasiebeelden zijn, zoals de lichaamloze zelfstandigheden. Omdat deze wetenschap dus in Christus was om zijn redelijke ziel te vervolmaken, schijnt het dat Hij met deze wetenschap de lichaamloze zelfstandigheden niet kende.
Vervolgens. De fantasiebeelden verhouden zich tot het menselijk verstand als de kleuren tot het gezicht, zoals in het 3e boek Over de Ziel (7e H., n. 3) wordt gezegd. Maar het valt niet onder de volmaaktheid van het gezichtsvermogen de geheel en al kleurloze dingen te kennen. Dus valt het evenmin onder de volmaaktheid van het menselijk verstand die dingen te kennen, waarvan er geen fantasiebeelden zijn, zoals de lichaamloze zelfstandigheden. Omdat deze wetenschap dus in Christus was om zijn redelijke ziel te vervolmaken, schijnt het dat Hij met deze wetenschap de lichaamloze zelfstandigheden niet kende.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Het behoort niet tot de volmaaktheid van het verstand de enkelingen te kennen. Dus schijnt Christus met deze wetenschap de enkelingen niet gekend te hebben.
Vervolgens. Het behoort niet tot de volmaaktheid van het verstand de enkelingen te kennen. Dus schijnt Christus met deze wetenschap de enkelingen niet gekend te hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 1 s. c.
Maar hiertegenover staat, dat bij Isaïas (11, 2 en 3) gezegd wordt: "Hem zal vervullen de Geest van wijsheid en verstand, van wetenschap en raad", en daaronder valt alles, wat kenbaar is. Want tot de wijsheid behoort de kennis van al wat goddelijk is; tot het verstand die van al het onstoffelijke; tot de wetenschap het kennen van alle gevolgtrekkingen en tot de raad van alles, wat gedaan kan worden. Dus schijnt Christus volgens de kennis, die Hem door de Heilige Geest is ingegeven, alles gekend te hebben.
B: (Isa 11:2) [b:Isa 11:2] (Sir 15:5) [b:Sir 15:5]
Maar hiertegenover staat, dat bij Isaïas (11, 2 en 3) gezegd wordt: "Hem zal vervullen de Geest van wijsheid en verstand, van wetenschap en raad", en daaronder valt alles, wat kenbaar is. Want tot de wijsheid behoort de kennis van al wat goddelijk is; tot het verstand die van al het onstoffelijke; tot de wetenschap het kennen van alle gevolgtrekkingen en tot de raad van alles, wat gedaan kan worden. Dus schijnt Christus volgens de kennis, die Hem door de Heilige Geest is ingegeven, alles gekend te hebben.
B: (Isa 11:2) [b:Isa 11:2] (Sir 15:5) [b:Sir 15:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals vroeger is gezegd (9° Kw., 1° Art.)** was het gepast, dat Christus’ ziel in alle opzichten volmaakt was, nl., dat al haar vermogens tot act waren gebracht. Nu moet men in het oog houden, dat men in de menselijke ziel als in iedere ander schepsel een dubbel vermogen om iets te ondergaan kan onderscheiden: nl. een met betrekking tot een werkoorzaak, die tot de natuur behoort en een met betrekking tot de eerste werkoorzaak, die ieder schepsel kan brengen tot een hogere act, dan waartoe het door een natuurlijke werkoorzaak wordt gebracht. Dit noemt men gewoonlijk het vermogen om te gehoorzamen in het schepsel. En nu waren beide vermogens in Christus’ ziel door deze van godswege ingestorte wetenschap tot act gebracht. En daarom kende Christus’ ziel daardoor ten eerste alles wat door de mens kan worden gekend door de kracht van het licht van het verstand, zoals alles, wat onder de menselijke wetenschap valt. Maar ten tweede kende Christus met deze wetenschap ook alles, wat de mens door de goddelijke openbaring bekend wordt, hetzij dit nu valt onder de gave van wijsheid, hetzij onder de gave der profetie, of tot een andere gave van de Heilige Geest. Want dit alles kende Christus’ ziel vollediger en overvloediger dan de anderen. Maar Gods Wezen zelf kende Hij door deze wetenschap niet, maar alleen door de eerste, zoals vroeger is gezegd (Vorige Kw.).
R: q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1] q. 10[t:iiia q. 10]
Mijn antwoord. Zoals vroeger is gezegd (9° Kw., 1° Art.)** was het gepast, dat Christus’ ziel in alle opzichten volmaakt was, nl., dat al haar vermogens tot act waren gebracht. Nu moet men in het oog houden, dat men in de menselijke ziel als in iedere ander schepsel een dubbel vermogen om iets te ondergaan kan onderscheiden: nl. een met betrekking tot een werkoorzaak, die tot de natuur behoort en een met betrekking tot de eerste werkoorzaak, die ieder schepsel kan brengen tot een hogere act, dan waartoe het door een natuurlijke werkoorzaak wordt gebracht. Dit noemt men gewoonlijk het vermogen om te gehoorzamen in het schepsel. En nu waren beide vermogens in Christus’ ziel door deze van godswege ingestorte wetenschap tot act gebracht. En daarom kende Christus’ ziel daardoor ten eerste alles wat door de mens kan worden gekend door de kracht van het licht van het verstand, zoals alles, wat onder de menselijke wetenschap valt. Maar ten tweede kende Christus met deze wetenschap ook alles, wat de mens door de goddelijke openbaring bekend wordt, hetzij dit nu valt onder de gave van wijsheid, hetzij onder de gave der profetie, of tot een andere gave van de Heilige Geest. Want dit alles kende Christus’ ziel vollediger en overvloediger dan de anderen. Maar Gods Wezen zelf kende Hij door deze wetenschap niet, maar alleen door de eerste, zoals vroeger is gezegd (Vorige Kw.).
R: q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1] q. 10[t:iiia q. 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Dit bewijs gaat uit van de natuurlijke werkzaamheid van de redelijke ziel, welke zij namelijk heeft met de betrekking tot de natuurlijke oorzaak van het werk, het werkend verstand.
1e Weerlegging. Dit bewijs gaat uit van de natuurlijke werkzaamheid van de redelijke ziel, welke zij namelijk heeft met de betrekking tot de natuurlijke oorzaak van het werk, het werkend verstand.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. In de toestand van dit leven, wanneer de ziel in zekere zin aan het lichaam gebonden is, zodat zij zonder een fantasiebeeld niet begrijpen kan, kan zij de lichaamloze zelfstandigheden niet begrijpen. Maar als de ziel in de toestand na dit leven los van het lichaam is, kan zij de zelfstandigheden zonder lichaam tot op zekere hoogte door zichzelf begrijpen, zoals in het eerste deel is gezegd (89° Kw., 2° Art.). En dat is vooral duidelijk, wat de zielen der zaligen betreft. Nu was Christus voor Zijn lijden niet alleen op weg naar de hemel, maar had deze ook reeds bereikt. Daarom kon zijn ziel de lichaamloze zelfstandigheden begrijpen, zoals de van het lichaam gescheiden ziel dat doet.
R: I q. 89 a. 1[t:ia q. 89 a. 1] I q. 89 a. 2[t:ia q. 89 a. 2]
2e Weerlegging. In de toestand van dit leven, wanneer de ziel in zekere zin aan het lichaam gebonden is, zodat zij zonder een fantasiebeeld niet begrijpen kan, kan zij de lichaamloze zelfstandigheden niet begrijpen. Maar als de ziel in de toestand na dit leven los van het lichaam is, kan zij de zelfstandigheden zonder lichaam tot op zekere hoogte door zichzelf begrijpen, zoals in het eerste deel is gezegd (89° Kw., 2° Art.). En dat is vooral duidelijk, wat de zielen der zaligen betreft. Nu was Christus voor Zijn lijden niet alleen op weg naar de hemel, maar had deze ook reeds bereikt. Daarom kon zijn ziel de lichaamloze zelfstandigheden begrijpen, zoals de van het lichaam gescheiden ziel dat doet.
R: I q. 89 a. 1[t:ia q. 89 a. 1] I q. 89 a. 2[t:ia q. 89 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het kennen van de enkelingen behoort niet tot de volmaaktheid van de redelijke ziel, wat de beschouwende kennis betreft; maar wel wat de kennis betreft, die op handelen is gericht, welke niet volmaakt kan zijn zonder de kennis van enkelingen, waarop de handeling zich betrekt, zoals in het 6e boek Over de Zedeleer (7e H., n. 8) wordt gezegd. Daarom hebben wij voor de voorzichtigheid de herinnering aan wat voorbij is, de kennis van wat tegenwoordig is en het vooruitzien van wat toekomstig is noodig, zoals Tullius zegt in zijn Redeneerkunst. Omdat Christus nu door de gave van raad de volheid der voorzichtigheid had, kende Hij dientengevolge alle enkelingen, die voorafgingen, tegenwoordig of toekomstig zijn.
3e Weerlegging. Het kennen van de enkelingen behoort niet tot de volmaaktheid van de redelijke ziel, wat de beschouwende kennis betreft; maar wel wat de kennis betreft, die op handelen is gericht, welke niet volmaakt kan zijn zonder de kennis van enkelingen, waarop de handeling zich betrekt, zoals in het 6e boek Over de Zedeleer (7e H., n. 8) wordt gezegd. Daarom hebben wij voor de voorzichtigheid de herinnering aan wat voorbij is, de kennis van wat tegenwoordig is en het vooruitzien van wat toekomstig is noodig, zoals Tullius zegt in zijn Redeneerkunst. Omdat Christus nu door de gave van raad de volheid der voorzichtigheid had, kende Hij dientengevolge alle enkelingen, die voorafgingen, tegenwoordig of toekomstig zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Kon Christus met Zijn ingegeven of ingestorte wetenschap begrijpen zonder de fantasiebeelden te gebruiken?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 34 a. 2 ad 3[t:iiia q. 34 a. 2 ad 3]
IIIa q. 11 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat Christus met deze wetenschap niet kon begrijpen, zonder de fantasiebeelden te gebruiken. Want deze verhouden zich tot redelijke ziel als de kleuren tot het gezicht, zoals in het 3e boek *Over de Ziel* (7e H., n. 3) wordt gezegd. Maar Christus’ gezichtsvermogen kon niet tot act komen tenzij door kleuren waar te nemen. Dus kon Zijn redelijke ziel evenmin iets begrijpen zonder zich tot de fantasiebeelden te wenden.
IIIa q. 34 a. 2 ad 3[t:iiia q. 34 a. 2 ad 3]
IIIa q. 11 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat Christus met deze wetenschap niet kon begrijpen, zonder de fantasiebeelden te gebruiken. Want deze verhouden zich tot redelijke ziel als de kleuren tot het gezicht, zoals in het 3e boek *Over de Ziel* (7e H., n. 3) wordt gezegd. Maar Christus’ gezichtsvermogen kon niet tot act komen tenzij door kleuren waar te nemen. Dus kon Zijn redelijke ziel evenmin iets begrijpen zonder zich tot de fantasiebeelden te wenden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Christus’ ziel is van dezelfde natuur als onze zielen, want anders zou Hij niet van dezelfde soort zijn geweest als wij, wat strijdt met hetgeen de Apostel zegt in de *Brief aan de Philippensen* (2, 7), dat "Hij aan de mensen gelijk is gemaakt". Nu kan onze ziel niet begrijpen als zij de fantasiebeelden niet gebruikt. Dus Christus' ziel evenmin.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Vervolgens. Christus’ ziel is van dezelfde natuur als onze zielen, want anders zou Hij niet van dezelfde soort zijn geweest als wij, wat strijdt met hetgeen de Apostel zegt in de *Brief aan de Philippensen* (2, 7), dat "Hij aan de mensen gelijk is gemaakt". Nu kan onze ziel niet begrijpen als zij de fantasiebeelden niet gebruikt. Dus Christus' ziel evenmin.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De zintuigen zijn de mens gegeven om het verstand te dienen. Als Christus’ ziel dus kon begrijpen zonder zich tot de fantasiebeelden te wenden, die door de zintuigen worden verkregen, zou daaruit volgen, dat de zintuigen zonder nut in Christus’ ziel waren, wat niet past. Dus schijnt het, dat Christus’ ziel niet kon begrijpen zonder zich tot de fantasiebeelden te wenden.
Vervolgens. De zintuigen zijn de mens gegeven om het verstand te dienen. Als Christus’ ziel dus kon begrijpen zonder zich tot de fantasiebeelden te wenden, die door de zintuigen worden verkregen, zou daaruit volgen, dat de zintuigen zonder nut in Christus’ ziel waren, wat niet past. Dus schijnt het, dat Christus’ ziel niet kon begrijpen zonder zich tot de fantasiebeelden te wenden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Christus’ ziel enige dingen kende, die door fantasiebeelden niet gekend kunnen worden, zoals de zelfstandigheden zonder lichaam (Vorig Art., Antw. op de 2e B.). Dus kon zij begrijpen zonder zich tot de fantasiebeelden te wenden.
Maar daartegenover staat, dat Christus’ ziel enige dingen kende, die door fantasiebeelden niet gekend kunnen worden, zoals de zelfstandigheden zonder lichaam (Vorig Art., Antw. op de 2e B.). Dus kon zij begrijpen zonder zich tot de fantasiebeelden te wenden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals later breder zal worden uiteengezet (15e Kw., 10e Art.), was Christus in de toestand voor Zijn lijden tegelijk pelgrim naar en bereiker van de hemel. En in de toestand van pelgrim was Hij vooral wat het lichaam betreft, in zover dat kon lijden; maar in die van iemand, die het doel bereikt heeft, was Hij vooral wat de redelijke ziel betreft. En die toestand bestaat vooral hierin, dat de ziel helemaal niet aan het lichaam onderworpen is of ervan afhangt, maar het geheel en al beheerst, zodat na de verrijzenis de heerlijkheid der ziel op het lichaam over zal vloeien. Nu moet de ziel van een mens, die nog pelgrim is, zich hierom tot de fantasiebeelden wenden, dat zij aan het lichaam is gebonden en in zekere zin eraan onderworpen en ervan afhankelijk is. En daarom kunnen de zalige zielen zowel voor als na de verrijzenis begrijpen zonder de fantasiebeelden te gebruiken. En dat zelfde moet men zeggen van Christus' ziel, die volkomen het vermogen had van iemand, die het doel heeft bereikt.
R: q. 15 a. 10[t:iiia q. 15 a. 10]
Mijn antwoord. Zoals later breder zal worden uiteengezet (15e Kw., 10e Art.), was Christus in de toestand voor Zijn lijden tegelijk pelgrim naar en bereiker van de hemel. En in de toestand van pelgrim was Hij vooral wat het lichaam betreft, in zover dat kon lijden; maar in die van iemand, die het doel bereikt heeft, was Hij vooral wat de redelijke ziel betreft. En die toestand bestaat vooral hierin, dat de ziel helemaal niet aan het lichaam onderworpen is of ervan afhangt, maar het geheel en al beheerst, zodat na de verrijzenis de heerlijkheid der ziel op het lichaam over zal vloeien. Nu moet de ziel van een mens, die nog pelgrim is, zich hierom tot de fantasiebeelden wenden, dat zij aan het lichaam is gebonden en in zekere zin eraan onderworpen en ervan afhankelijk is. En daarom kunnen de zalige zielen zowel voor als na de verrijzenis begrijpen zonder de fantasiebeelden te gebruiken. En dat zelfde moet men zeggen van Christus' ziel, die volkomen het vermogen had van iemand, die het doel heeft bereikt.
R: q. 15 a. 10[t:iiia q. 15 a. 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De gelijkenis, die de Filosoof aangeeft, gaat niet in alle opzichten op. Het is immers duidelijk, dat het doel van het gezichtsvermogen de kleuren te kennen is; maar het doel van het begripsvermogen is niet de fantasiebeelden te kennen, maar de verstandsbeelden, die zij van en in de fantasiebeelden krijgt, wanneer zij in de toestand van dit leven is. De gelijkheid ligt dus in datgene, wat beide vermogens beogen; maar niet in de bijzonderen toestand van ieder vermogen afzonderlijk. Nu is er niets tegen, dat een ding in verschillende toestand vanuit verschillende uitgangspunten tot zijn doel komt, maar het eigen doel van iets is altijd hetzelfde. En al kent dus het gezicht niets zonder kleur, kan het verstand daarom toch in een bepaalde toestand zonder fantasiebeelden kennen, maar niet zonder begripsbeeld,
1e Weerlegging. De gelijkenis, die de Filosoof aangeeft, gaat niet in alle opzichten op. Het is immers duidelijk, dat het doel van het gezichtsvermogen de kleuren te kennen is; maar het doel van het begripsvermogen is niet de fantasiebeelden te kennen, maar de verstandsbeelden, die zij van en in de fantasiebeelden krijgt, wanneer zij in de toestand van dit leven is. De gelijkheid ligt dus in datgene, wat beide vermogens beogen; maar niet in de bijzonderen toestand van ieder vermogen afzonderlijk. Nu is er niets tegen, dat een ding in verschillende toestand vanuit verschillende uitgangspunten tot zijn doel komt, maar het eigen doel van iets is altijd hetzelfde. En al kent dus het gezicht niets zonder kleur, kan het verstand daarom toch in een bepaalde toestand zonder fantasiebeelden kennen, maar niet zonder begripsbeeld,
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Al is Christus’ ziel van dezelfde natuur als onze zielen, zij bevond zich toch in een toestand, waarin de onze zich nog niet in werkelijkheid, maar alleen in hoop bevinden, namelijk die van het doel te hebben bereikt.
2e Weerlegging. Al is Christus’ ziel van dezelfde natuur als onze zielen, zij bevond zich toch in een toestand, waarin de onze zich nog niet in werkelijkheid, maar alleen in hoop bevinden, namelijk die van het doel te hebben bereikt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Al kon Christus’ ziel begrijpen zonder zich tot de fantasiebeelden te keren, zij kon het toch ook met gebruik van de fantasiebeelden. En daarom had Hij de zintuigen niet voor niets, vooral omdat de zintuigen de mens niet alleen om de verstandskennis worden gegeven, maar ook om wat voor het dierlijk leven nodig is.
3e Weerlegging. Al kon Christus’ ziel begrijpen zonder zich tot de fantasiebeelden te keren, zij kon het toch ook met gebruik van de fantasiebeelden. En daarom had Hij de zintuigen niet voor niets, vooral omdat de zintuigen de mens niet alleen om de verstandskennis worden gegeven, maar ook om wat voor het dierlijk leven nodig is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Had Christus de ingegeven of ingestorte wetenschap zo, dat Hij ermee van het ene onderwerp naar het andere overging?
IIIa q. 11 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus deze wetenschap niet op deze wijze had. Want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 14e H.): "Wij spreken bij Christus niet van beraad of keuze». Maar het bestaan daarvan wordt bij Christus alleen hierom ontkend, dat zij vergelijking of overgang van het een op het ander insluiten. Dus schijnt er in Christus geen vergelijkende of van het een naar het ander gaande wetenschap te zijn geweest.
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus deze wetenschap niet op deze wijze had. Want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 14e H.): "Wij spreken bij Christus niet van beraad of keuze». Maar het bestaan daarvan wordt bij Christus alleen hierom ontkend, dat zij vergelijking of overgang van het een op het ander insluiten. Dus schijnt er in Christus geen vergelijkende of van het een naar het ander gaande wetenschap te zijn geweest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De mens heeft vergelijkingen en overgangen in zijn redenering nodig om te zoeken wat hij niet weet. Nu kende Christus’ ziel alles, zoals boven is gezegd (1e Art.). Dus was er in Hem geen vergelijkende of overgangen makende kennis.
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
Vervolgens. De mens heeft vergelijkingen en overgangen in zijn redenering nodig om te zoeken wat hij niet weet. Nu kende Christus’ ziel alles, zoals boven is gezegd (1e Art.). Dus was er in Hem geen vergelijkende of overgangen makende kennis.
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 3 arg. 3
Vervolgens. De wetenschap van Christus is als van hen, die de hemel hebben bereikt en die aan de engelen gelijk worden gemaakt, zoals bij Mattheüs wordt gezegd. Nu is er in de engelen geen vergelijkende of overgangen makende wetenschap, zoals Dionysius bewijst in het boek Over de Namen van God (7e H.). Dus was er zo’n wetenschap in Christus niet.
B: (Matt 22:30) [b:Matt 22:30]
Vervolgens. De wetenschap van Christus is als van hen, die de hemel hebben bereikt en die aan de engelen gelijk worden gemaakt, zoals bij Mattheüs wordt gezegd. Nu is er in de engelen geen vergelijkende of overgangen makende wetenschap, zoals Dionysius bewijst in het boek Over de Namen van God (7e H.). Dus was er zo’n wetenschap in Christus niet.
B: (Matt 22:30) [b:Matt 22:30]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 3 s. c.
Maar hiertegenover staat, dat Christus een redelijke ziel had, zoals boven is uiteengezet (5e Kw., 4e Art.). Nu is het eigen aan de redelijke ziel vergelijkingen te maken en van het een op het ander over te gaan. Dus was er zo’n wetenschap in Christus.
R: q. 5 a. 4[t:iiia q. 5 a. 4]
Maar hiertegenover staat, dat Christus een redelijke ziel had, zoals boven is uiteengezet (5e Kw., 4e Art.). Nu is het eigen aan de redelijke ziel vergelijkingen te maken en van het een op het ander over te gaan. Dus was er zo’n wetenschap in Christus.
R: q. 5 a. 4[t:iiia q. 5 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 3 co.
Mijn antwoord. Op twee manieren kan een wetenschap vergelijkend of overgangen makend zijn. Ten eerste wat het verkrijgen van de wetenschap betreft; zoals bij ons gebeurt, die van kennis van het ene komen tot kennis van het andere als tot de gevolgen door de oorzaken en omgekeerd. En op deze manier maakte de wetenschap van Christus’ ziel geen vergelijkingen of overgangen, want de wetenschap waarvan wij nu spreken, was Hem van godswege ingegeven, en niet door onderzoek van het verstand verkregen. In een andere betekenis zegt men, dat een wetenschap vergelijkingen of overgangen maakt, wat het gebruik ervan betreft, zoals mensen, die de wetenschap bezitten, soms uit de oorzaken tot de gevolgen besluiten, niet alsof zij die opnieuw leerden kennen, maar omdat zij de wetenschap, die zij bezitten, willen gebruiken. En zo kon de wetenschap van Christus’ ziel vergelijkingen en overgangen maken, want Hij kon uit het ene tot het andere besluiten, zoals Hij wilde; zoals de Heer, toen Hij volgens Mattheus’ verhaal aan Petrus had gevraagd (17, 24 en 25): "Van wie ontvangen de koningen der aarde schatting, van hun zonen of van de vreemdelingen", uit het antwoord van Petrus: "van de vreemdelingen", de gevolgtrekking maakte: "Dus zijn de zonen vrijgesteld".
B: (Matt 17:24) [b:Matt 17:24] (Matt 17:25) [b:Matt 17:25]
Mijn antwoord. Op twee manieren kan een wetenschap vergelijkend of overgangen makend zijn. Ten eerste wat het verkrijgen van de wetenschap betreft; zoals bij ons gebeurt, die van kennis van het ene komen tot kennis van het andere als tot de gevolgen door de oorzaken en omgekeerd. En op deze manier maakte de wetenschap van Christus’ ziel geen vergelijkingen of overgangen, want de wetenschap waarvan wij nu spreken, was Hem van godswege ingegeven, en niet door onderzoek van het verstand verkregen. In een andere betekenis zegt men, dat een wetenschap vergelijkingen of overgangen maakt, wat het gebruik ervan betreft, zoals mensen, die de wetenschap bezitten, soms uit de oorzaken tot de gevolgen besluiten, niet alsof zij die opnieuw leerden kennen, maar omdat zij de wetenschap, die zij bezitten, willen gebruiken. En zo kon de wetenschap van Christus’ ziel vergelijkingen en overgangen maken, want Hij kon uit het ene tot het andere besluiten, zoals Hij wilde; zoals de Heer, toen Hij volgens Mattheus’ verhaal aan Petrus had gevraagd (17, 24 en 25): "Van wie ontvangen de koningen der aarde schatting, van hun zonen of van de vreemdelingen", uit het antwoord van Petrus: "van de vreemdelingen", de gevolgtrekking maakte: "Dus zijn de zonen vrijgesteld".
B: (Matt 17:24) [b:Matt 17:24] (Matt 17:25) [b:Matt 17:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Bij Christus moet men een beraad met twijfel uitsluiten, en dus ook een keuze, die in haar aard zo’n beraad insluit. Maar het gebruikmaken van een beraadslaging moet men bij Christus niet uitsluiten.
1e Weerlegging. Bij Christus moet men een beraad met twijfel uitsluiten, en dus ook een keuze, die in haar aard zo’n beraad insluit. Maar het gebruikmaken van een beraadslaging moet men bij Christus niet uitsluiten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Dit bewijs gaat uit van vergelijkingen en overgangen, die het verkrijgen van wetenschap ten doel hebben.
2e Weerlegging. Dit bewijs gaat uit van vergelijkingen en overgangen, die het verkrijgen van wetenschap ten doel hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De zaligen worden aan de Engelen gelijk wat de genadegaven betreft, maar het verschil in natuur blijft. En daarom past het bij de natuur der zalige zielen, en niet bij de engelen, gebruik te maken van vergelijkingen en overgangen.
3e Weerlegging. De zaligen worden aan de Engelen gelijk wat de genadegaven betreft, maar het verschil in natuur blijft. En daarom past het bij de natuur der zalige zielen, en niet bij de engelen, gebruik te maken van vergelijkingen en overgangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Was de Christus ingegeven of ingestorte wetenschap groter dan die der Engelen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 11 a. 5 co.
IIIa q. 11 a. 6 co.
IIIa q. 11 a. 6 ad 1[t:iiia q. 11 a. 5 co.][t:iiia q. 11 a. 6 co.][t:iiia q. 11 a. 6 ad 1]
IIIa q. 11 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat deze kennis bij Christus kleiner was dan bij de Engelen. Want de volmaaktheid is evenredig aan wat vervolmaakt wordt. Nu staat de menselijke ziel volgens de natuurlijke orde lager dan de natuur der Engelen. Omdat de wetenschap, waarover wij nu spreken, aan Christus’ ziel was gegeven voor haar volmaaktheid, schijnt deze wetenschap lager te hebben gestaan dan die, waardoor de Engelennatuur vervolmaakt werd.
IIIa q. 11 a. 5 co.
IIIa q. 11 a. 6 co.
IIIa q. 11 a. 6 ad 1[t:iiia q. 11 a. 5 co.][t:iiia q. 11 a. 6 co.][t:iiia q. 11 a. 6 ad 1]
IIIa q. 11 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat deze kennis bij Christus kleiner was dan bij de Engelen. Want de volmaaktheid is evenredig aan wat vervolmaakt wordt. Nu staat de menselijke ziel volgens de natuurlijke orde lager dan de natuur der Engelen. Omdat de wetenschap, waarover wij nu spreken, aan Christus’ ziel was gegeven voor haar volmaaktheid, schijnt deze wetenschap lager te hebben gestaan dan die, waardoor de Engelennatuur vervolmaakt werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 4 arg. 2
Vervolgens. In zekere mate was Christus’ wetenschap vergelijkend en overgangen makend, wat van de wetenschap der Engelen niet kan worden gezegd. Dus stond de wetenschap van Christus’ ziel lager dan die der Engelen.
Vervolgens. In zekere mate was Christus’ wetenschap vergelijkend en overgangen makend, wat van de wetenschap der Engelen niet kan worden gezegd. Dus stond de wetenschap van Christus’ ziel lager dan die der Engelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Naarmate een wetenschap minder stoffelijk is, is zij machtiger. Nu is de wetenschap der Engelen minder stoffelijk dan die van Christus’ ziel; want Christus’ ziel is de act van een lichaam en kan zich tot de fantasiebeelden wenden, wat men van de Engelen niet kan zeggen. Dus is de wetenschap der Engelen groter dan die van Christus’ ziel.
Vervolgens. Naarmate een wetenschap minder stoffelijk is, is zij machtiger. Nu is de wetenschap der Engelen minder stoffelijk dan die van Christus’ ziel; want Christus’ ziel is de act van een lichaam en kan zich tot de fantasiebeelden wenden, wat men van de Engelen niet kan zeggen. Dus is de wetenschap der Engelen groter dan die van Christus’ ziel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de Apostel zegt in de Brief aan de Hebreeën (2, 9): "Hem, die een korte tijd beneden de Engelen verlaagd is geweest, Jesus, zien wij met glans en heerlijkheid gekroond, omdat Hij de dood heeft doorstaan". Daaruit blijkt, dat Christus alleen beneden de Engelen verlaagd wordt genoemd, omdat Hij de dood heeft doorstaan. Dus niet om Zijn wetenschap.
B: (Heb 2:9) [b:Heb 2:9]
Maar daartegenover staat, dat de Apostel zegt in de Brief aan de Hebreeën (2, 9): "Hem, die een korte tijd beneden de Engelen verlaagd is geweest, Jesus, zien wij met glans en heerlijkheid gekroond, omdat Hij de dood heeft doorstaan". Daaruit blijkt, dat Christus alleen beneden de Engelen verlaagd wordt genoemd, omdat Hij de dood heeft doorstaan. Dus niet om Zijn wetenschap.
B: (Heb 2:9) [b:Heb 2:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 4 co.
Mijn antwoord. De Christus’ ziel ingestorte wetenschap kan men op twee manieren beschouwen: ten eerste naar hetgeen zij heeft van de oorzaak, die haar instort, en daarnaast naar wat zij heeft van de drager, die haar ontvangt. Wat het eerste betreft, was de Christus’ ziel ingestorte wetenschap meer verheven dan die der Engelen, en om het aantal gekende dingen en om de zekerheid der wetenschap; want het Christus’ ziel ingestorte geestelijke licht, is veel verhevener dan het licht, dat tot de natuur der Engelen behoort. Maar wat het tweede betreft, staat de wetenschap, die Christus’ ziel is ingestort, beneden die der Engelen, namelijk wat de kenwijze betreft; deze is namelijk die, welke past bij de menselijke natuur, door zich te wenden tot de fantasiebeelden en door het maken van vergelijkingen en overgangen.
Mijn antwoord. De Christus’ ziel ingestorte wetenschap kan men op twee manieren beschouwen: ten eerste naar hetgeen zij heeft van de oorzaak, die haar instort, en daarnaast naar wat zij heeft van de drager, die haar ontvangt. Wat het eerste betreft, was de Christus’ ziel ingestorte wetenschap meer verheven dan die der Engelen, en om het aantal gekende dingen en om de zekerheid der wetenschap; want het Christus’ ziel ingestorte geestelijke licht, is veel verhevener dan het licht, dat tot de natuur der Engelen behoort. Maar wat het tweede betreft, staat de wetenschap, die Christus’ ziel is ingestort, beneden die der Engelen, namelijk wat de kenwijze betreft; deze is namelijk die, welke past bij de menselijke natuur, door zich te wenden tot de fantasiebeelden en door het maken van vergelijkingen en overgangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 4 ad arg.
En hieruit blijkt ook het antwoord op de bedenkingen.
En hieruit blijkt ook het antwoord op de bedenkingen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Was de Christus ingegeven of ingestorte wetenschap een hebbelijkheid?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 11 a. 6 co.[t:iiia q. 11 a. 6 co.]
IIIa q. 11 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de Christus ingestorte wetenschap geen hebbelijkheid was. Want zoals gezegd is (1° Art., en 9° Kw., 1° Art.), paste het, dat Christus’ ziel de hoogste volmaaktheid bevatte. Nu is de volmaaktheid van een wetenschap, die daadwerkelijk bestaat, groter dan die tevoren kan bestaan in een hebbelijkheid. Dus schijnt het gepast te zijn geweest, dat Hij alles daadwerkelijk kende. Dus had Hij geen wetenschap, die een hebbelijkheid was.
R: q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1]
IIIa q. 11 a. 6 co.[t:iiia q. 11 a. 6 co.]
IIIa q. 11 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de Christus ingestorte wetenschap geen hebbelijkheid was. Want zoals gezegd is (1° Art., en 9° Kw., 1° Art.), paste het, dat Christus’ ziel de hoogste volmaaktheid bevatte. Nu is de volmaaktheid van een wetenschap, die daadwerkelijk bestaat, groter dan die tevoren kan bestaan in een hebbelijkheid. Dus schijnt het gepast te zijn geweest, dat Hij alles daadwerkelijk kende. Dus had Hij geen wetenschap, die een hebbelijkheid was.
R: q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Omdat de hebbelijkheid op een daad is gericht, schijnt een hebbelijkheid-wetenschap, die nooit tot een daad wordt gebracht, nutteloos te zijn. Daar Christus nu alles wist, zoals werd gezegd (1° Art.), kon Hij dat alles niet daadwerkelijk beschouwen, als Hij het een na het ander kende, want een oneindig getal kan men niet opeenvolgend aftellen. Dus was de hebbelijkheid-wetenschap in Hem nutteloos geweest, wat niet past. Dus had Hij van alles, dat Hij kende, een wetenschap, die een act en geen hebbelijkheid was.
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
Vervolgens. Omdat de hebbelijkheid op een daad is gericht, schijnt een hebbelijkheid-wetenschap, die nooit tot een daad wordt gebracht, nutteloos te zijn. Daar Christus nu alles wist, zoals werd gezegd (1° Art.), kon Hij dat alles niet daadwerkelijk beschouwen, als Hij het een na het ander kende, want een oneindig getal kan men niet opeenvolgend aftellen. Dus was de hebbelijkheid-wetenschap in Hem nutteloos geweest, wat niet past. Dus had Hij van alles, dat Hij kende, een wetenschap, die een act en geen hebbelijkheid was.
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 5 arg. 3
Vervolgens. De hebbelijkheid-wetenschap is een volmaaktheid van Hem, die de wetenschap bezit. Nu is de volmaaktheid iets, dat hoger staat dan wie vervolmaakt wordt. Was er dus een geschapen hebbelijkheid van wetenschap in Christus’ ziel, dan was een geschapen iets volmaakter geweest dan Christus’ ziel. Dus was er geen hebbelijkheid-wetenschap in Christus’ ziel.
Vervolgens. De hebbelijkheid-wetenschap is een volmaaktheid van Hem, die de wetenschap bezit. Nu is de volmaaktheid iets, dat hoger staat dan wie vervolmaakt wordt. Was er dus een geschapen hebbelijkheid van wetenschap in Christus’ ziel, dan was een geschapen iets volmaakter geweest dan Christus’ ziel. Dus was er geen hebbelijkheid-wetenschap in Christus’ ziel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 5 s. c.
Maar daartegenover staat, dat wij bij Christus over de wetenschap, die wij nu behandelen, in dezelfde zin spreken als bij ons; zoals ook zijn ziel van dezelfde soort was als de onze. Maar onze wetenschap behoort thuis onder soort hebbelijkheid. Dus was ook Christus’ wetenschap een hebbelijkheid.
Maar daartegenover staat, dat wij bij Christus over de wetenschap, die wij nu behandelen, in dezelfde zin spreken als bij ons; zoals ook zijn ziel van dezelfde soort was als de onze. Maar onze wetenschap behoort thuis onder soort hebbelijkheid. Dus was ook Christus’ wetenschap een hebbelijkheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zoals boven werd gezegd (Vorig Art.), paste de bestaanswijze van de Christus’ ziel ingegeven wetenschap bij de drager zelf, die haar ontving; want wat ontvangen wordt, bevindt zich in de drager aangepast aan de zijnswijze van de drager. Nu past deze toestand bij de menselijke ziel, dat zij nu eens daadwerkelijk begrijpt, en dan weer alleen het vermogen ertoe heeft. Nu ligt tussen het vermogen zonder meer en de volledig daad de hebbelijkheid, want de uitersten en wat er tussenin ligt, zijn van dezelfde soort. Zo blijkt het bij de natuur der menselijke ziel te passen een wetenschap te ontvangen als een hebbelijkheid. En dus moet men zeggen, dat de Christus’ ziel ingegeven wetenschap een hebbelijkheid was; want Hij kon haar gebruiken, wanneer Hij wilde.
R: q. 11 a. 4[t:iiia q. 11 a. 4]
Mijn antwoord. Zoals boven werd gezegd (Vorig Art.), paste de bestaanswijze van de Christus’ ziel ingegeven wetenschap bij de drager zelf, die haar ontving; want wat ontvangen wordt, bevindt zich in de drager aangepast aan de zijnswijze van de drager. Nu past deze toestand bij de menselijke ziel, dat zij nu eens daadwerkelijk begrijpt, en dan weer alleen het vermogen ertoe heeft. Nu ligt tussen het vermogen zonder meer en de volledig daad de hebbelijkheid, want de uitersten en wat er tussenin ligt, zijn van dezelfde soort. Zo blijkt het bij de natuur der menselijke ziel te passen een wetenschap te ontvangen als een hebbelijkheid. En dus moet men zeggen, dat de Christus’ ziel ingegeven wetenschap een hebbelijkheid was; want Hij kon haar gebruiken, wanneer Hij wilde.
R: q. 11 a. 4[t:iiia q. 11 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. In Christus’ ziel was er een dubbele kennis en beiden waren op hun manier zo volmaakt mogelijk. Een was er, die de grenzen der menselijke natuur te boven ging, waardoor zij namelijk Gods Wezen zag en het andere daarin. En deze was zonder meer in de hoogste graad volmaakt. Maar deze kennis was geen hebbelijkheid, maar een blijvende daad ten opzichte van alles, wat zij op die manier kende. Er was nog een andere kennis in Christus, die binnen de grenzen van de menselijke natuur viel, waarmee Hij namelijk de dingen kende door Hem van godswege ingegeven eigen kenbeelden, en over deze kennis spreken wij nu. Deze kennis namelijk was niet zonder meer zo volmaakt mogelijk, maar in hoogste mate volmaakt onder de soorten van menselijke kennis. Daarom was het niet nodig dat zij altijd daadwerkelijk aanwezig was.
1e Weerlegging. In Christus’ ziel was er een dubbele kennis en beiden waren op hun manier zo volmaakt mogelijk. Een was er, die de grenzen der menselijke natuur te boven ging, waardoor zij namelijk Gods Wezen zag en het andere daarin. En deze was zonder meer in de hoogste graad volmaakt. Maar deze kennis was geen hebbelijkheid, maar een blijvende daad ten opzichte van alles, wat zij op die manier kende. Er was nog een andere kennis in Christus, die binnen de grenzen van de menselijke natuur viel, waarmee Hij namelijk de dingen kende door Hem van godswege ingegeven eigen kenbeelden, en over deze kennis spreken wij nu. Deze kennis namelijk was niet zonder meer zo volmaakt mogelijk, maar in hoogste mate volmaakt onder de soorten van menselijke kennis. Daarom was het niet nodig dat zij altijd daadwerkelijk aanwezig was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Een hebbelijkheid wordt tot act gebracht op bevel van de wil, want een hebbelijkheid is iets, "waarmee iemand werkt, als hij wil". Nu is de houding van de wil ten opzichte van een oneindig aantal dingen onbepaald. En toch is zij niet nutteloos, al streeft zij niet daadwerkelijk naar alles, als zij maar daadwerkelijk naar datgene streeft, wat bij tijd en plaats past. En zo is een hebbelijkheid evenmin nutteloos, al wordt niet alles, wat onder die hebbelijkheid valt, tot daadwerkelijkheid gebracht, als maar datgene tot act wordt gebracht, wat past bij het verplichte doel, dat de wil zich stelt, naar de zaken en tijdsomstandigheden het eisen.
2e Weerlegging. Een hebbelijkheid wordt tot act gebracht op bevel van de wil, want een hebbelijkheid is iets, "waarmee iemand werkt, als hij wil". Nu is de houding van de wil ten opzichte van een oneindig aantal dingen onbepaald. En toch is zij niet nutteloos, al streeft zij niet daadwerkelijk naar alles, als zij maar daadwerkelijk naar datgene streeft, wat bij tijd en plaats past. En zo is een hebbelijkheid evenmin nutteloos, al wordt niet alles, wat onder die hebbelijkheid valt, tot daadwerkelijkheid gebracht, als maar datgene tot act wordt gebracht, wat past bij het verplichte doel, dat de wil zich stelt, naar de zaken en tijdsomstandigheden het eisen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Van goed en van het zijnde spreekt men in twee betekenissen. Ten eerste zonder beperking. En dan noemt men de zelfstandigheid goed en een zijnde, omdat zij zelfstandig is in haar bestaan en goedheid. Daarnaast spreekt men in zeker opzicht van goed en zijnde. En zo noemt men een bijkomstigheid een zijnde, niet alsof zij zelf bestaan en goedheid heeft, maar omdat het goede en zijnde de drager ervan is. Zo is dus de hebbelijkheid van wetenschap niet zonder meer beter en meer waardevol dan Christus’ ziel, maar in zeker opzicht, want alle goedheid van de hebbelijkheid der wetenschap dient tot de goedheid van de drager.
3e Weerlegging. Van goed en van het zijnde spreekt men in twee betekenissen. Ten eerste zonder beperking. En dan noemt men de zelfstandigheid goed en een zijnde, omdat zij zelfstandig is in haar bestaan en goedheid. Daarnaast spreekt men in zeker opzicht van goed en zijnde. En zo noemt men een bijkomstigheid een zijnde, niet alsof zij zelf bestaan en goedheid heeft, maar omdat het goede en zijnde de drager ervan is. Zo is dus de hebbelijkheid van wetenschap niet zonder meer beter en meer waardevol dan Christus’ ziel, maar in zeker opzicht, want alle goedheid van de hebbelijkheid der wetenschap dient tot de goedheid van de drager.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Was de ingestorte wetenschap van Christus’ ziel in verschillende hebbelijkheden onderscheiden?
IIIa q. 11 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat er in Christus’ ziel maar een hebbelijkheid van wetenschap was. Want naarmate een wetenschap volmaakter is, nadert zij meer tot een eenheid; daarom kennen de hogere engelen ook door meer algemene vormen, zoals in het eerste deel gezegd is (55° Kw., 3° Art.). Nu was Christus’ wetenschap hoogst volmaakt. Dus was zij in hoogste mate een. Dus was zij niet onderscheiden in meerdere hebbelijkheden.
R: I q. 55 a. 3[t:ia q. 55 a. 3]
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat er in Christus’ ziel maar een hebbelijkheid van wetenschap was. Want naarmate een wetenschap volmaakter is, nadert zij meer tot een eenheid; daarom kennen de hogere engelen ook door meer algemene vormen, zoals in het eerste deel gezegd is (55° Kw., 3° Art.). Nu was Christus’ wetenschap hoogst volmaakt. Dus was zij in hoogste mate een. Dus was zij niet onderscheiden in meerdere hebbelijkheden.
R: I q. 55 a. 3[t:ia q. 55 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Ons geloof komt van Christus’ wetenschap, en daarom wordt in de Brief aan de Hebreeën gezegd (12, 2): "Opziend naar de bewerker en voltooier van ons geloof, Jesus". Nu is maar een geloofshebbelijkheid over alle voorwerpen van geloof, zoals in het tweede deel is gezegd (IIa-IIae, 4° Kw., 6° Art.). Dus was er in Christus met zoveel te meer reden maar een hebbelijkheid van wetenschap.
B: (Heb 12:2) [b:Heb 12:2]
R: IIa-IIae q. 4 a. 6[t:iia-iiae q. 4 a. 6]
Vervolgens. Ons geloof komt van Christus’ wetenschap, en daarom wordt in de Brief aan de Hebreeën gezegd (12, 2): "Opziend naar de bewerker en voltooier van ons geloof, Jesus". Nu is maar een geloofshebbelijkheid over alle voorwerpen van geloof, zoals in het tweede deel is gezegd (IIa-IIae, 4° Kw., 6° Art.). Dus was er in Christus met zoveel te meer reden maar een hebbelijkheid van wetenschap.
B: (Heb 12:2) [b:Heb 12:2]
R: IIa-IIae q. 4 a. 6[t:iia-iiae q. 4 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 6 arg. 3
Vervolgens. De wetenschappen worden onderscheiden naar de verschillende opzichten, waaronder men de kenbare dingen beschouwt. Nu kende Christus’ ziel alles onder hetzelfde opzicht, namelijk naar het door God ingestorte licht. Dus was er in Christus maar een hebbelijkheid van wetenschap.
Vervolgens. De wetenschappen worden onderscheiden naar de verschillende opzichten, waaronder men de kenbare dingen beschouwt. Nu kende Christus’ ziel alles onder hetzelfde opzicht, namelijk naar het door God ingestorte licht. Dus was er in Christus maar een hebbelijkheid van wetenschap.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 6 s. c.
Maar daartegenover staat, dat bij Zacharias wordt gezegd (3, 9): "Op de een steen", dwz. Christus, "zijn zeven oogen". Onder oog nu verstaat men wetenschap. Dus schijnen er in Christus meerdere hebbelijkheden van wetenschap te zijn geweest.
B: (Zech 3:9) [b:Zech 3:9]
Maar daartegenover staat, dat bij Zacharias wordt gezegd (3, 9): "Op de een steen", dwz. Christus, "zijn zeven oogen". Onder oog nu verstaat men wetenschap. Dus schijnen er in Christus meerdere hebbelijkheden van wetenschap te zijn geweest.
B: (Zech 3:9) [b:Zech 3:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 6 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (4° en 5° Art.), bestond de ingestorte wetenschap in Christus’ ziel op een manier, die bij de natuur der menselijke ziel paste. Nu behoort het tot de natuur der menselijke ziel de kenbeelden minder algemeen te krijgen dan de Engelen, namelijk zo, dat zij de soortelijk verschillende naturen door verschillende verstandsbeelden kent. Daarvandaan komt het, dat er in ons verschillende hebbelijkheden van wetenschap zijn, omdat er verschillende soorten kenbare dingen zijn, in zover namelijk datgene, wat tot dezelfde soort wordt teruggebracht, door dezelfde hebbelijkheid van wetenschap wordt gekend. Daarom wordt in het 1° boek van de Analytica Posteriora (28° H., n. 1) gezegd, dat "die wetenschap één is, die gaat over onderwerpen van één soort". En dus was de in Christus’ ziel ingestorte wetenschap onderscheiden in verschillende hebbelijkheden.
R: q. 11 a. 4[t:iiia q. 11 a. 4] q. 11 a. 5[t:iiia q. 11 a. 5]
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (4° en 5° Art.), bestond de ingestorte wetenschap in Christus’ ziel op een manier, die bij de natuur der menselijke ziel paste. Nu behoort het tot de natuur der menselijke ziel de kenbeelden minder algemeen te krijgen dan de Engelen, namelijk zo, dat zij de soortelijk verschillende naturen door verschillende verstandsbeelden kent. Daarvandaan komt het, dat er in ons verschillende hebbelijkheden van wetenschap zijn, omdat er verschillende soorten kenbare dingen zijn, in zover namelijk datgene, wat tot dezelfde soort wordt teruggebracht, door dezelfde hebbelijkheid van wetenschap wordt gekend. Daarom wordt in het 1° boek van de Analytica Posteriora (28° H., n. 1) gezegd, dat "die wetenschap één is, die gaat over onderwerpen van één soort". En dus was de in Christus’ ziel ingestorte wetenschap onderscheiden in verschillende hebbelijkheden.
R: q. 11 a. 4[t:iiia q. 11 a. 4] q. 11 a. 5[t:iiia q. 11 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Zoals boven is gezegd (4° Art.), is de wetenschap van Christus’ ziel allervolmaakst en gaat de wetenschap der Engelen te boven, voor zover men haar beschouwt van de kant van God, die haar instort; maar zij is lager dan de wetenschap der Engelen wat de manier betreft, waarop de ziel haar ontvangt. En het valt onder die manier, dat deze wetenschap in vele hebbelijkheden onderscheiden wordt, omdat zij uit minder omvattende kenbeelden bestaat.
R: q. 11 a. 4[t:iiia q. 11 a. 4]
1e Weerlegging. Zoals boven is gezegd (4° Art.), is de wetenschap van Christus’ ziel allervolmaakst en gaat de wetenschap der Engelen te boven, voor zover men haar beschouwt van de kant van God, die haar instort; maar zij is lager dan de wetenschap der Engelen wat de manier betreft, waarop de ziel haar ontvangt. En het valt onder die manier, dat deze wetenschap in vele hebbelijkheden onderscheiden wordt, omdat zij uit minder omvattende kenbeelden bestaat.
R: q. 11 a. 4[t:iiia q. 11 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Ons geloof steunt op de eerste waarheid. En dus is Christus bewerker van ons geloof volgens de goddelijke wetenschap, die zonder beperking een is.
2e Weerlegging. Ons geloof steunt op de eerste waarheid. En dus is Christus bewerker van ons geloof volgens de goddelijke wetenschap, die zonder beperking een is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 11 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Het door God ingestorte licht is de algemeen geldende reden, waardoor wij het door God geopenbaarde begrijpen, zoals het licht van het verstand het is voor die dingen, die wij van nature kennen. Daarom moeten wij in Christus’ ziel kenbeelden aannemen van de afzonderlijke dingen om alles met een eigen kennis te kennen. En wat dit betreft moesten er in Christus’ ziel verschillende hebbelijkheden van wetenschap zijn, zoals is gezegd (in de Leerstelling).
3e Weerlegging. Het door God ingestorte licht is de algemeen geldende reden, waardoor wij het door God geopenbaarde begrijpen, zoals het licht van het verstand het is voor die dingen, die wij van nature kennen. Daarom moeten wij in Christus’ ziel kenbeelden aannemen van de afzonderlijke dingen om alles met een eigen kennis te kennen. En wat dit betreft moesten er in Christus’ ziel verschillende hebbelijkheden van wetenschap zijn, zoals is gezegd (in de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 12: Over de door ondervinding verworven wetenschap van Christus’ ziel
IIIa q. 12 pr.
Hierna moeten wij de wetenschap bespreken, die Christus’ ziel door ondervinding verkregen had. En hierover stellen wij ons vier vragen:
Hierna moeten wij de wetenschap bespreken, die Christus’ ziel door ondervinding verkregen had. En hierover stellen wij ons vier vragen:
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Kende Christus met Zijn door ondervinding verworven wetenschap alles?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 12 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 12 a. 2 arg. 1]
IIIa q. 12 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat Christus met deze wetenschap niet alles kende. Want dit soort wetenschap krijgt men door ondervinding. Nu had Christus geen ondervinding van alles. Dus kende Hij met deze wetenschap niet alles.
IIIa q. 12 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 12 a. 2 arg. 1]
IIIa q. 12 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat Christus met deze wetenschap niet alles kende. Want dit soort wetenschap krijgt men door ondervinding. Nu had Christus geen ondervinding van alles. Dus kende Hij met deze wetenschap niet alles.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De mens verkrijgt de wetenschap door de zintuigen. Maar niet alles, wat met de zintuigen waarneembaar is, kwam onder het bereik van Christus’ lichamelijke zintuigen. Dus kende Hij met die wetenschap niet alles.
Vervolgens. De mens verkrijgt de wetenschap door de zintuigen. Maar niet alles, wat met de zintuigen waarneembaar is, kwam onder het bereik van Christus’ lichamelijke zintuigen. Dus kende Hij met die wetenschap niet alles.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 1 arg. 3
Vervolgens. De grootheid van een wetenschap wordt afgemeten naar de kenbare dingen. Kende Christus dus met deze wetenschap alles, dan zou er in Hem een verworven wetenschap zijn geweest, die gelijk zou zijn aan de ingestorte wetenschap en die der zaligen; en dat past niet. Dus kende Christus met deze wetenschap niet alles.
Vervolgens. De grootheid van een wetenschap wordt afgemeten naar de kenbare dingen. Kende Christus dus met deze wetenschap alles, dan zou er in Hem een verworven wetenschap zijn geweest, die gelijk zou zijn aan de ingestorte wetenschap en die der zaligen; en dat past niet. Dus kende Christus met deze wetenschap niet alles.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat er in Christus, wat Zijn ziel betreft, niets onvolmaakts was. Maar deze wetenschap van Hem zou onvolmaakt zijn geweest, als Hij er niet alles mee gekend had; want datgene, waaraan nog iets aan toegevoegd kan worden, is onvolmaakt. Dus kende Christus met deze wetenschap alles.
Daartegenover staat echter, dat er in Christus, wat Zijn ziel betreft, niets onvolmaakts was. Maar deze wetenschap van Hem zou onvolmaakt zijn geweest, als Hij er niet alles mee gekend had; want datgene, waaraan nog iets aan toegevoegd kan worden, is onvolmaakt. Dus kende Christus met deze wetenschap alles.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 1 co.
Mijn antwoord. Wij nemen, zoals boven is gezegd (9e Kw., 4e Art.), in Christus een verworven wetenschap aan, omdat het aan het werkende verstand past, dat zijn arbeid niet nutteloos is, waarmee het dingen metterdaad kenbaar maakt; precies zoals wij in Christus’ ziel een ingegeven of ingestorte wetenschap aannemen om de volmaaktheid van het ontvangende verstand. Maar zoals het ontvangende verstand datgene is, waaraan het toekomt "alles te worden", zoals in het 3e boek Over de Ziel (5e H., n. 1) wordt gezegd, zo komt het aan het werkende verstand toe "alles te maken". Daarom wist Christus’ ziel evenals zij door de ingestorte wetenschap alles kende, waartoe het ontvangende verstand hoe dan ook het vermogen heeft, ook door de verworven wetenschap alles, wat gekend kan worden door de arbeid van het werkende verstand.
R: q. 9 a. 4[t:iiia q. 9 a. 4]
Mijn antwoord. Wij nemen, zoals boven is gezegd (9e Kw., 4e Art.), in Christus een verworven wetenschap aan, omdat het aan het werkende verstand past, dat zijn arbeid niet nutteloos is, waarmee het dingen metterdaad kenbaar maakt; precies zoals wij in Christus’ ziel een ingegeven of ingestorte wetenschap aannemen om de volmaaktheid van het ontvangende verstand. Maar zoals het ontvangende verstand datgene is, waaraan het toekomt "alles te worden", zoals in het 3e boek Over de Ziel (5e H., n. 1) wordt gezegd, zo komt het aan het werkende verstand toe "alles te maken". Daarom wist Christus’ ziel evenals zij door de ingestorte wetenschap alles kende, waartoe het ontvangende verstand hoe dan ook het vermogen heeft, ook door de verworven wetenschap alles, wat gekend kan worden door de arbeid van het werkende verstand.
R: q. 9 a. 4[t:iiia q. 9 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Kennis van dingen kan niet alleen verworven worden door van die dingen zelf ondervinding op te doen, maar ook door ondervinding met welke andere dingen ook, daar de mens door het licht van het werkend verstand van het begrijpen der gevolgen kan komen tot de oorzaken, en van de oorzaken tot gevolgen en van gelijken tot gelijken en van het een van twee tegengestelden tot het ander. Al had Christus dus geen ondervinding van alles, kon Hij toch zo uit hetgeen Hij wel ondervonden had, komen tot kennis van alles.
1e Weerlegging. Kennis van dingen kan niet alleen verworven worden door van die dingen zelf ondervinding op te doen, maar ook door ondervinding met welke andere dingen ook, daar de mens door het licht van het werkend verstand van het begrijpen der gevolgen kan komen tot de oorzaken, en van de oorzaken tot gevolgen en van gelijken tot gelijken en van het een van twee tegengestelden tot het ander. Al had Christus dus geen ondervinding van alles, kon Hij toch zo uit hetgeen Hij wel ondervonden had, komen tot kennis van alles.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Al viel niet al het zintuiglijk waarneembare onder het bereik van Christus’ lichamelijke zintuigen, toch vielen sommige dingen ervan wel onder Zijn bereik; en door de bijzondere kracht van Zijn verstand kon Hij op bovengenoemde manier (Antw. op de 1e B.) door het begrijpen daarvan komen tot het begrip van de rest. Zo kon Hij door het zien van de hemellichamen hun krachten begrijpen en wat zij onder de lagere dingen, die niet onder Zijn zintuigen vielen, teweegbrengen. En om dezelfde reden kon Hij uit allerlei andere dingen komen tot het begrijpen van de rest.
2e Weerlegging. Al viel niet al het zintuiglijk waarneembare onder het bereik van Christus’ lichamelijke zintuigen, toch vielen sommige dingen ervan wel onder Zijn bereik; en door de bijzondere kracht van Zijn verstand kon Hij op bovengenoemde manier (Antw. op de 1e B.) door het begrijpen daarvan komen tot het begrip van de rest. Zo kon Hij door het zien van de hemellichamen hun krachten begrijpen en wat zij onder de lagere dingen, die niet onder Zijn zintuigen vielen, teweegbrengen. En om dezelfde reden kon Hij uit allerlei andere dingen komen tot het begrijpen van de rest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Christus’ ziel kende met deze wetenschap niet alles zonder meer, maar al datgene wat door het licht van het menselijk werkend verstand kenbaar is. Dus kende Hij met deze wetenschap het wezen van de lichaamloze dingen niet en evenmin de enkelingen in het verleden of de toekomst. Maar dat kende Hij door de ingestorte wetenschap, zoals boven is gezegd (Vorige Kw., 1e Art., Antw. op 2e en 3e B.).
R: q. 11[t:iiia q. 11]
3e Weerlegging. Christus’ ziel kende met deze wetenschap niet alles zonder meer, maar al datgene wat door het licht van het menselijk werkend verstand kenbaar is. Dus kende Hij met deze wetenschap het wezen van de lichaamloze dingen niet en evenmin de enkelingen in het verleden of de toekomst. Maar dat kende Hij door de ingestorte wetenschap, zoals boven is gezegd (Vorige Kw., 1e Art., Antw. op 2e en 3e B.).
R: q. 11[t:iiia q. 11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Ging Christus vooruit in de door ondervinding verkregen wetenschap?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 12 a. 3 arg. 2
IIIa q. 12 a. 3 arg. 3
IIIa q. 12 a. 3 ad 3[t:iiia q. 12 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 12 a. 3 arg. 3][t:iiia q. 12 a. 3 ad 3]
IIIa q. 12 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat Christus in deze wetenschap niet vooruitging. Want zoals Christus met de ingestorte en zalige wetenschap alles kende, kende Hij ook alles met deze verkregen wetenschap; dat blijkt uit wat is gezegd. Nu ging Hij in die andere wetenschappen niet vooruit. Dus ook niet in deze.
R: q. 12 a. 1[t:iiia q. 12 a. 1]
IIIa q. 12 a. 3 arg. 2
IIIa q. 12 a. 3 arg. 3
IIIa q. 12 a. 3 ad 3[t:iiia q. 12 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 12 a. 3 arg. 3][t:iiia q. 12 a. 3 ad 3]
IIIa q. 12 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat Christus in deze wetenschap niet vooruitging. Want zoals Christus met de ingestorte en zalige wetenschap alles kende, kende Hij ook alles met deze verkregen wetenschap; dat blijkt uit wat is gezegd. Nu ging Hij in die andere wetenschappen niet vooruit. Dus ook niet in deze.
R: q. 12 a. 1[t:iiia q. 12 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Vooruitgaan behoort bij het onvolmaakte, want bij het volmaakte kan niet bijgevoegd worden. Nu mogen wij in Christus geen onvolmaakte wetenschap aannemen. Dus ging Christus in deze wetenschap niet vooruit.
Vervolgens. Vooruitgaan behoort bij het onvolmaakte, want bij het volmaakte kan niet bijgevoegd worden. Nu mogen wij in Christus geen onvolmaakte wetenschap aannemen. Dus ging Christus in deze wetenschap niet vooruit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 2 arg. 3
Vervolgens. "Wie beweert, dat Christus in dezen zin in genade en wijsheid vooruitging, dat Hij er iets bij krijgt, heeft geen eerbied voor de vereniging", zegt Damascenus (Over het ware Geloof, 3e B., 22e H.). Maar het is goddeloos voor de vereniging geen eerbied te hebben. Dus is het goddeloos te zeggen, dat er iets bij Zijn wetenschap kwam.
Vervolgens. "Wie beweert, dat Christus in dezen zin in genade en wijsheid vooruitging, dat Hij er iets bij krijgt, heeft geen eerbied voor de vereniging", zegt Damascenus (Over het ware Geloof, 3e B., 22e H.). Maar het is goddeloos voor de vereniging geen eerbied te hebben. Dus is het goddeloos te zeggen, dat er iets bij Zijn wetenschap kwam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 2 s. c.
Maar daar staat tegenover, wat wij bij Lucas (2, 52) lezen, dat "Jesus vooruitging in wijsheid en ouderdom en behagelijkheid bij God en de mensen". En Ambrosius (Over het geheim der menswording, 7e H.) zegt, dat "Hij vooruitging naar de menselijke wetenschap". De menselijke wetenschap nu is die, welke op de gewone menselijke manier verkregen wordt, namelijk door het licht van het werkende verstand. Dus ging Christus volgens deze wetenschap vooruit.
B: (Luke 2:52) [b:Luke 2:52]
Maar daar staat tegenover, wat wij bij Lucas (2, 52) lezen, dat "Jesus vooruitging in wijsheid en ouderdom en behagelijkheid bij God en de mensen". En Ambrosius (Over het geheim der menswording, 7e H.) zegt, dat "Hij vooruitging naar de menselijke wetenschap". De menselijke wetenschap nu is die, welke op de gewone menselijke manier verkregen wordt, namelijk door het licht van het werkende verstand. Dus ging Christus volgens deze wetenschap vooruit.
B: (Luke 2:52) [b:Luke 2:52]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 2 co.
Mijn antwoord. Er is een dubbele vooruitgang in de wetenschap. En wel een wezenlijke, als namelijk de hebbelijkheid zelf Kw, 12, A. 2. 375 der wetenschap groter wordt. Daarnaast is er een in de uitwerkse len, bijvoorbeeld als iemand met dezelfde en gelijke hebbelijkheid van wetenschap eerst anderen het mindere toont en daarna het grotere en fijnere. Nu is het duidelijk, dat Christus op de tweede manier in genade en wetenschap evenals in leeftijd vooruitging, omdat Hij naar het toenemen in jaren grotere werken verrichtte, die van een grotere wijsheid en genade getuigden. Maar het is duidelijk, dat de hebbelijkheid der ingestorte wetenschap wat de hebbelijkheid zelf betreft in Hem niet toegenomen is, omdat vanaf het begin alle wetenschap Hem ten volle was ingestort. En veel minder nog kon de wetenschap der zaligen in Hem groter worden. In het eerste deel (14° Kw., 15° Art., Antw. op de 2° B.) is al over de goddelijke wetenschap gezegd, dat zij niet groeien kon. Was er dus behalve de hebbelijkheid der ingestorte wetenschap geen andere hebbelijkheid van een aangeleerde wetenschap in Christus' ziel geweest, zoals sommigen beweren en ook ik vroeger gehouden heb (Sent. 3° B., 14° D., 3° Art.; 18° D., 3° Art.), dan zou er in Christus geen enkele wetenschap naar haar wezen toegenomen zijn, maar alleen door de ondervinding, dwz. door het toepassen van de ingestorte kenbeelden op de beelden der fantasie. En in dezen zin zeggen sommigen, dat Christus' wetenschap door ondervinding groter werd, namelijk door het toepassen van de ingestorte verstandsbeelden op het nieuwe, dat Hij van de zintuigen kreeg. Maar omdat het niet paste, dat Christus een natuurlijke verdaad miste en het abstraheren van de verstandsbeelden uit de fantasiebeelden een natuurlijke daad van de mens is krachtens het werkende verstand, schijnt het gepast ook deze werkzaamheid in Christus aan te nemen. En daaruit volgt, dat er in Christus' ziel een gewoonte van wetenschap was, die door het abstraheren van dergelijke kenbeelden groter kon worden, namelijk hierdoor, dat het werkende verstand, nadat het de eerste kenbeelden uit de fantasiebeelden geabstraheerd had, nog andere kon abstraheren.
R: I q. 14 a. 15[t:ia q. 14 a. 15]
Mijn antwoord. Er is een dubbele vooruitgang in de wetenschap. En wel een wezenlijke, als namelijk de hebbelijkheid zelf Kw, 12, A. 2. 375 der wetenschap groter wordt. Daarnaast is er een in de uitwerkse len, bijvoorbeeld als iemand met dezelfde en gelijke hebbelijkheid van wetenschap eerst anderen het mindere toont en daarna het grotere en fijnere. Nu is het duidelijk, dat Christus op de tweede manier in genade en wetenschap evenals in leeftijd vooruitging, omdat Hij naar het toenemen in jaren grotere werken verrichtte, die van een grotere wijsheid en genade getuigden. Maar het is duidelijk, dat de hebbelijkheid der ingestorte wetenschap wat de hebbelijkheid zelf betreft in Hem niet toegenomen is, omdat vanaf het begin alle wetenschap Hem ten volle was ingestort. En veel minder nog kon de wetenschap der zaligen in Hem groter worden. In het eerste deel (14° Kw., 15° Art., Antw. op de 2° B.) is al over de goddelijke wetenschap gezegd, dat zij niet groeien kon. Was er dus behalve de hebbelijkheid der ingestorte wetenschap geen andere hebbelijkheid van een aangeleerde wetenschap in Christus' ziel geweest, zoals sommigen beweren en ook ik vroeger gehouden heb (Sent. 3° B., 14° D., 3° Art.; 18° D., 3° Art.), dan zou er in Christus geen enkele wetenschap naar haar wezen toegenomen zijn, maar alleen door de ondervinding, dwz. door het toepassen van de ingestorte kenbeelden op de beelden der fantasie. En in dezen zin zeggen sommigen, dat Christus' wetenschap door ondervinding groter werd, namelijk door het toepassen van de ingestorte verstandsbeelden op het nieuwe, dat Hij van de zintuigen kreeg. Maar omdat het niet paste, dat Christus een natuurlijke verdaad miste en het abstraheren van de verstandsbeelden uit de fantasiebeelden een natuurlijke daad van de mens is krachtens het werkende verstand, schijnt het gepast ook deze werkzaamheid in Christus aan te nemen. En daaruit volgt, dat er in Christus' ziel een gewoonte van wetenschap was, die door het abstraheren van dergelijke kenbeelden groter kon worden, namelijk hierdoor, dat het werkende verstand, nadat het de eerste kenbeelden uit de fantasiebeelden geabstraheerd had, nog andere kon abstraheren.
R: I q. 14 a. 15[t:ia q. 14 a. 15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Zowel de ingestorte wetenschap van Christus’ ziel als die der zaligen waren een gevolg van de oorzaak met oneindige kracht, die alles ineens kan uitwerken; en daarom ging Christus in geen van beide wetenschappen vooruit, maar bezat hen volmaakt vanaf het begin. Maar de aangeleerde wetenschap komt maar van het werkende verstand, dat niet alles ineens, doch achtereenvolgens uitwerkt. En daarom wist Christus met deze wetenschap niet van het begin af alles, maar langzaam aan en na enige tijd, namelijk toen Hij de volmaakte leeftijd had bereikt. En dat blijkt hieruit, dat de Evangelist in een adem zegt dat Hij "toenam in wijsheid en jaren".
1e Weerlegging. Zowel de ingestorte wetenschap van Christus’ ziel als die der zaligen waren een gevolg van de oorzaak met oneindige kracht, die alles ineens kan uitwerken; en daarom ging Christus in geen van beide wetenschappen vooruit, maar bezat hen volmaakt vanaf het begin. Maar de aangeleerde wetenschap komt maar van het werkende verstand, dat niet alles ineens, doch achtereenvolgens uitwerkt. En daarom wist Christus met deze wetenschap niet van het begin af alles, maar langzaam aan en na enige tijd, namelijk toen Hij de volmaakte leeftijd had bereikt. En dat blijkt hieruit, dat de Evangelist in een adem zegt dat Hij "toenam in wijsheid en jaren".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Deze wetenschap was in Christus altijd volmaakt in verhouding tot de leeftijd, al was zij niet zonder meer en naar haar natuur volmaakt. En daarom kon zij groter worden.
2e Weerlegging. Deze wetenschap was in Christus altijd volmaakt in verhouding tot de leeftijd, al was zij niet zonder meer en naar haar natuur volmaakt. En daarom kon zij groter worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Het woord van Damascenus slaat op hen, die beweren, dat er zonder beperking iets aan Christus’ wetenschap is toegevoegd, namelijk naar al Zijn wetenschap, en vooral naar de ingestorte, die in Christus’ ziel door de vereniging met het Woord veroorzaakt werd. Maar het slaat niet op het toenemen in wetenschap, die door een natuurlijke oorzaak teweeg wordt gebracht.
3e Weerlegging. Het woord van Damascenus slaat op hen, die beweren, dat er zonder beperking iets aan Christus’ wetenschap is toegevoegd, namelijk naar al Zijn wetenschap, en vooral naar de ingestorte, die in Christus’ ziel door de vereniging met het Woord veroorzaakt werd. Maar het slaat niet op het toenemen in wetenschap, die door een natuurlijke oorzaak teweeg wordt gebracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Leerde Christus iets van de mensen?
IIIa q. 12 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus iets van de mensen leerde. Want bij Lucas (2, 46 en 67) wordt gezegd, dat "zij Hem in de Tempel vonden te midden der leeraren, hen ondervragend en antwoordend". Nu is wie ondervraagt en antwoordt iemand die leert. Dus heeft Christus iets van de mensen geleerd.
B: (Luke 2:46) [b:Luke 2:46] (Luke 2:47) [b:Luke 2:47]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus iets van de mensen leerde. Want bij Lucas (2, 46 en 67) wordt gezegd, dat "zij Hem in de Tempel vonden te midden der leeraren, hen ondervragend en antwoordend". Nu is wie ondervraagt en antwoordt iemand die leert. Dus heeft Christus iets van de mensen geleerd.
B: (Luke 2:46) [b:Luke 2:46] (Luke 2:47) [b:Luke 2:47]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Wetenschap te krijgen van een mens, die onderwijst, schijnt hoger te staan dan haar van de zintuigen te krijgen, omdat de verstandsbeelden daadwerkelijk bestaan in de ziel van de mens, die onderricht geeft, en zij in de zintuiglijk waarneembare dingen alleen naar het vermogen bestaan. Nu kreeg Christus door ondervinding wetenschap van de zintuiglijk waarneembare dingen zoals gezegd is. (Vorig Artikel; 9° Kw., 4° Artikel). Dus kon Hij zoveel te meer wetenschap krijgen door haar van de mensen te leren.
R: q. 12 a. 2[t:iiia q. 12 a. 2]
Vervolgens. Wetenschap te krijgen van een mens, die onderwijst, schijnt hoger te staan dan haar van de zintuigen te krijgen, omdat de verstandsbeelden daadwerkelijk bestaan in de ziel van de mens, die onderricht geeft, en zij in de zintuiglijk waarneembare dingen alleen naar het vermogen bestaan. Nu kreeg Christus door ondervinding wetenschap van de zintuiglijk waarneembare dingen zoals gezegd is. (Vorig Artikel; 9° Kw., 4° Artikel). Dus kon Hij zoveel te meer wetenschap krijgen door haar van de mensen te leren.
R: q. 12 a. 2[t:iiia q. 12 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Christus wist door de wetenschap der ondervinding van het begin af niet alles, maar ging daarin vooruit, zoals is gezegd (Vorig Art.). Maar wie iemand met een bedoeling hoort spreken, kan leren wat hij nog niet weet. Dus kon Christus iets van de mensen leren, wat Hij met deze wetenschap nog niet wist.
R: q. 12 a. 2[t:iiia q. 12 a. 2]
Vervolgens. Christus wist door de wetenschap der ondervinding van het begin af niet alles, maar ging daarin vooruit, zoals is gezegd (Vorig Art.). Maar wie iemand met een bedoeling hoort spreken, kan leren wat hij nog niet weet. Dus kon Christus iets van de mensen leren, wat Hij met deze wetenschap nog niet wist.
R: q. 12 a. 2[t:iiia q. 12 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, wat bij Isaïas wordt gezegd (55, 4): "Ziet, Ik heb Hem de volken als getuige gegeven, aan de stammen als leider en leeraar". Nu ontvangt een leeraar geen onderricht, maar geeft het. Dus kreeg Christus geen wetenschap door de leer van een mens.
B: (Ps 45:4) [b:Ps 45:4]
Maar daartegenover staat, wat bij Isaïas wordt gezegd (55, 4): "Ziet, Ik heb Hem de volken als getuige gegeven, aan de stammen als leider en leeraar". Nu ontvangt een leeraar geen onderricht, maar geeft het. Dus kreeg Christus geen wetenschap door de leer van een mens.
B: (Ps 45:4) [b:Ps 45:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 3 co.
Mijn antwoord. In alle soorten wordt de eerste beweger zelf niet in dat soort beweging bewogen, zoals de eerste, die iets verandert, zelf niet veranderd wordt. Nu is Christus gesteld tot Hoofd der Kerk, nl. van alle mensen, zoals boven is gezegd (8e Kw., 3e Art.), opdat alle mensen niet alleen door Hem de genade zouden ontvangen, maar ook de leer der waarheid van Hem zouden horen. Daarom zegt Hijzelf bij Johannes (18, 37): "Hiertoe ben Ik geboren en ben Ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen voor de waarheid". En dus paste het niet bij Zijn waardigheid, dat Hij van een mens onderricht ontving.
B: (John 18:37, John 18:37) [b:John 18:37]
R: q. 8 a. 3[t:iiia q. 8 a. 3]
Mijn antwoord. In alle soorten wordt de eerste beweger zelf niet in dat soort beweging bewogen, zoals de eerste, die iets verandert, zelf niet veranderd wordt. Nu is Christus gesteld tot Hoofd der Kerk, nl. van alle mensen, zoals boven is gezegd (8e Kw., 3e Art.), opdat alle mensen niet alleen door Hem de genade zouden ontvangen, maar ook de leer der waarheid van Hem zouden horen. Daarom zegt Hijzelf bij Johannes (18, 37): "Hiertoe ben Ik geboren en ben Ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen voor de waarheid". En dus paste het niet bij Zijn waardigheid, dat Hij van een mens onderricht ontving.
B: (John 18:37, John 18:37) [b:John 18:37]
R: q. 8 a. 3[t:iiia q. 8 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het is zoals Origenes zegt in zijn Commentaar op Lucas (19e Hom.): "De Heer ondervroeg, niet om iets te leren, maar om door Zijn ondervraging te onderrichten. Want uit dezelfde bron van leer vloeit het voort in wijsheid zowel te ondervragen als te antwoorden". Daarom volgt op diezelfde plaats in het Evangelie (47), dat "allen, die Hem hoorden, verstomd stonden over Zijn wijsheid en antwoorden".
1e Weerlegging. Het is zoals Origenes zegt in zijn Commentaar op Lucas (19e Hom.): "De Heer ondervroeg, niet om iets te leren, maar om door Zijn ondervraging te onderrichten. Want uit dezelfde bron van leer vloeit het voort in wijsheid zowel te ondervragen als te antwoorden". Daarom volgt op diezelfde plaats in het Evangelie (47), dat "allen, die Hem hoorden, verstomd stonden over Zijn wijsheid en antwoorden".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Wie van een mens leert, krijgt zijn wetenschap niet onmiddellijk van de verstandsbeelden, die in zijn geest zijn; maar door de onder de zintuigen vallende woorden, die de tekens zijn van de begrippen van het verstand. Zoals nu de door de mens gevormde woorden tekens zijn van de wetenschap van zijn verstand, zo heeft God ook de schepsels gemaakt als tekenen van Zijn wijsheid, zoodat in het boek Ecclesiasticus (7, 10) wordt gezegd, dat God "Zijn wijsheid heeft uitgestort over al Zijn werken". En zoals het dus hoger in waarde staat door God onderricht te worden als door een mens, zo staat het ook hoger wetenschap te krijgen van de onder de zintuigen vallende schepselen dan door de leer van een mens.
B: (Sir 1:10) [b:Sir 1:10]
2e Weerlegging. Wie van een mens leert, krijgt zijn wetenschap niet onmiddellijk van de verstandsbeelden, die in zijn geest zijn; maar door de onder de zintuigen vallende woorden, die de tekens zijn van de begrippen van het verstand. Zoals nu de door de mens gevormde woorden tekens zijn van de wetenschap van zijn verstand, zo heeft God ook de schepsels gemaakt als tekenen van Zijn wijsheid, zoodat in het boek Ecclesiasticus (7, 10) wordt gezegd, dat God "Zijn wijsheid heeft uitgestort over al Zijn werken". En zoals het dus hoger in waarde staat door God onderricht te worden als door een mens, zo staat het ook hoger wetenschap te krijgen van de onder de zintuigen vallende schepselen dan door de leer van een mens.
B: (Sir 1:10) [b:Sir 1:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Jesus ging vooruit in de wetenschap der ondervinding zoals in jaren, naar boven is gezegd (Vorig Art). Evenals er nu een bepaalde leeftijd wordt vereist om door eigen vinding wetenschap te verkrijgen, is dat ook nodig om door onderricht wetenschap te verwerven. Nu deed de Heer niets, wat niet bij Zijn leeftijd paste. En daarom schonk Hij geen aandacht aan het luisteren naar de woorden van een leerling dan op de leeftijd, dat Hij ook langs de weg der ondervinding die graad van wetenschap bereikt kon hebben. Daarom zegt Gregorius in zijn Commentaar op Ezechiël (1° B., 2° Hom.): "Op de leeftijd van twaalf jaar verwaardigde Hij zich op aarde de mensen te ondervragen, omdat door het gebruik van het verstand het verstandig spreken pas komt op de volmaakte leeftijd".
R: q. 12 a. 2[t:iiia q. 12 a. 2]
3e Weerlegging. Jesus ging vooruit in de wetenschap der ondervinding zoals in jaren, naar boven is gezegd (Vorig Art). Evenals er nu een bepaalde leeftijd wordt vereist om door eigen vinding wetenschap te verkrijgen, is dat ook nodig om door onderricht wetenschap te verwerven. Nu deed de Heer niets, wat niet bij Zijn leeftijd paste. En daarom schonk Hij geen aandacht aan het luisteren naar de woorden van een leerling dan op de leeftijd, dat Hij ook langs de weg der ondervinding die graad van wetenschap bereikt kon hebben. Daarom zegt Gregorius in zijn Commentaar op Ezechiël (1° B., 2° Hom.): "Op de leeftijd van twaalf jaar verwaardigde Hij zich op aarde de mensen te ondervragen, omdat door het gebruik van het verstand het verstandig spreken pas komt op de volmaakte leeftijd".
R: q. 12 a. 2[t:iiia q. 12 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Catechesi Tradendae ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Kreeg Christus wetenschap van de Engelen?
IIIa q. 12 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus van de Engelen wetenschap kreeg. Want bij Lucas (22, 43) wordt gezegd, dat "een Engel van de hemel aan Christus verscheen, die Hem versterkte". Nu wordt iemand versterkt door de opwekkende woorden van hem, die onderricht geeft volgens Job. (4, 3-4): "Ziet, gij hebt velen onderricht en de vermoeide handen hebt gij versterkt; uw woorden bevestigen de wankelenden". Dus kreeg Christus onderricht van de Engelen.
B: (Job 4:3) [b:Job 4:3] (Job 4:4) [b:Job 4:4] (Luke 22:43) [b:Luke 22:43]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus van de Engelen wetenschap kreeg. Want bij Lucas (22, 43) wordt gezegd, dat "een Engel van de hemel aan Christus verscheen, die Hem versterkte". Nu wordt iemand versterkt door de opwekkende woorden van hem, die onderricht geeft volgens Job. (4, 3-4): "Ziet, gij hebt velen onderricht en de vermoeide handen hebt gij versterkt; uw woorden bevestigen de wankelenden". Dus kreeg Christus onderricht van de Engelen.
B: (Job 4:3) [b:Job 4:3] (Job 4:4) [b:Job 4:4] (Luke 22:43) [b:Luke 22:43]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Dionysius zegt in het boek *Over de Hemelse Hiërarchieën* (4° H.): "Ik zie, dat Jesus, de bovenzelfstandige zelfstandigheid der bovenhemelse zelfstandigheden, toen Hij onveranderd tot ons kwam, zich gehoorzaam onderwierp aan de vorming van God de Vader door de Engelen". Het schijnt dus, dat Christus zelf zich wilde onderwerpen aan de verordening der goddelijke wet, volgens welke de mensen door middel der Engelen onderricht worden.
Vervolgens. Dionysius zegt in het boek *Over de Hemelse Hiërarchieën* (4° H.): "Ik zie, dat Jesus, de bovenzelfstandige zelfstandigheid der bovenhemelse zelfstandigheden, toen Hij onveranderd tot ons kwam, zich gehoorzaam onderwierp aan de vorming van God de Vader door de Engelen". Het schijnt dus, dat Christus zelf zich wilde onderwerpen aan de verordening der goddelijke wet, volgens welke de mensen door middel der Engelen onderricht worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Zoals het menselijk lichaam volgens de natuurlijke orde aan de hemellichamen onderworpen is, is ook de menselijke geest aan de engelachtige geesten onderworpen. Nu was Christus lichaam onderworpen aan de invloed der hemellichamen, want Hij leed van de hitte in de zomer en van de koude in de winter als van het andere, dat de mens ondergaat. Dus stond ook Zijn menselijke geest onder de verlichting der bovenhemelse geesten.
Vervolgens. Zoals het menselijk lichaam volgens de natuurlijke orde aan de hemellichamen onderworpen is, is ook de menselijke geest aan de engelachtige geesten onderworpen. Nu was Christus lichaam onderworpen aan de invloed der hemellichamen, want Hij leed van de hitte in de zomer en van de koude in de winter als van het andere, dat de mens ondergaat. Dus stond ook Zijn menselijke geest onder de verlichting der bovenhemelse geesten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat, wat Dionysius zegt in het boek Over de Hemelse Hiërarchieën (7e H.): "De hoogste Engelen stellen vragen aan Jesus zelf en leren voor ons de wetenschap over Zijn goddelijke werken, en Jesus zelf onderricht hen zonder tussenpersoon". Maar wie onderricht geeft en het ontvangt, is niet dezelfde persoon. Dus kreeg Jesus geen onderricht van de Engelen.
Maar daartegenover staat, wat Dionysius zegt in het boek Over de Hemelse Hiërarchieën (7e H.): "De hoogste Engelen stellen vragen aan Jesus zelf en leren voor ons de wetenschap over Zijn goddelijke werken, en Jesus zelf onderricht hen zonder tussenpersoon". Maar wie onderricht geeft en het ontvangt, is niet dezelfde persoon. Dus kreeg Jesus geen onderricht van de Engelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 4 co.
Mijn antwoord. De menselijke ziel houdt het midden tussen de geestelijke zelfstandigheden en de lichamelijke dingen en heeft daarom een dubbele aanleg om vervolmaakt te worden: en wel ten eerste door de wetenschap, die zij van de onder de zintuigen vallende dingen krijgt, en daarnaast door de wetenschap, die zij ingegeven of ingedrukt krijgt door de verlichting der geestelijke zelfstandigheden. Nu was Christus’ ziel op beide manieren volmaakt, en wel van de kant der onder de zintuigen vallende dingen door de wetenschap door ondervinding verkregen, waartoe namelijk het licht der Engelen niet nodig is, maar het licht van het werkend verstand volstaat; en door de inwerking van boven was Hij volmaakt naar de ingestorte wetenschap, die Hij onmiddellijk van God kreeg. Want evenals die ziel boven hetgeen in de natuur der gewone schepselen ligt met het Woord in eenheid van persoon verenigd is, werd zij ook onmiddellijk door het Woord zelf met genade en wetenschap vervuld, en niet door middel van de Engelen, die ook in het begin van hun bestaan door de invloed van het Woord kennis der dingen ontvingen, zoals Augustinus zegt in het 2e boek van zijn Commentaar op Genesis’ letterlijke betekenis (8e H.).
Mijn antwoord. De menselijke ziel houdt het midden tussen de geestelijke zelfstandigheden en de lichamelijke dingen en heeft daarom een dubbele aanleg om vervolmaakt te worden: en wel ten eerste door de wetenschap, die zij van de onder de zintuigen vallende dingen krijgt, en daarnaast door de wetenschap, die zij ingegeven of ingedrukt krijgt door de verlichting der geestelijke zelfstandigheden. Nu was Christus’ ziel op beide manieren volmaakt, en wel van de kant der onder de zintuigen vallende dingen door de wetenschap door ondervinding verkregen, waartoe namelijk het licht der Engelen niet nodig is, maar het licht van het werkend verstand volstaat; en door de inwerking van boven was Hij volmaakt naar de ingestorte wetenschap, die Hij onmiddellijk van God kreeg. Want evenals die ziel boven hetgeen in de natuur der gewone schepselen ligt met het Woord in eenheid van persoon verenigd is, werd zij ook onmiddellijk door het Woord zelf met genade en wetenschap vervuld, en niet door middel van de Engelen, die ook in het begin van hun bestaan door de invloed van het Woord kennis der dingen ontvingen, zoals Augustinus zegt in het 2e boek van zijn Commentaar op Genesis’ letterlijke betekenis (8e H.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Deze versterking door een Engel geschiedde niet bij wijze van onderricht, maar om te wijzen op de eigen aard der menselijke natuur. Daarom zegt Beda in zijn Commentaar op Lucas (6e B. op 22, 43): "Om de echtheid van beide naturen te bewijzen wordt zowel gezegd, dat de Engelen Hem dienden als dat zij Hem versterkten. Want de Schepper had geen behoefte aan de bescherming van Zijn schepsel, maar toen Hij mens was geworden, werd Hij om ons versterkt, zoals Hij om ons bedroefd was", omdat namelijk het geloof aan Zijn menswording in ons versterkt zou worden.
B: (Luke 22:43) [b:Luke 22:43]
1e Weerlegging. Deze versterking door een Engel geschiedde niet bij wijze van onderricht, maar om te wijzen op de eigen aard der menselijke natuur. Daarom zegt Beda in zijn Commentaar op Lucas (6e B. op 22, 43): "Om de echtheid van beide naturen te bewijzen wordt zowel gezegd, dat de Engelen Hem dienden als dat zij Hem versterkten. Want de Schepper had geen behoefte aan de bescherming van Zijn schepsel, maar toen Hij mens was geworden, werd Hij om ons versterkt, zoals Hij om ons bedroefd was", omdat namelijk het geloof aan Zijn menswording in ons versterkt zou worden.
B: (Luke 22:43) [b:Luke 22:43]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Dionysius zegt niet, dat Christus "aan de leiding der Engelen onderworpen was" om wille van Hem zelf, maar om wat er om Zijn menswording heen gebeurde en wat hun diensten betreft, toen Hij nog de leeftijd van een kind had. Daarom voegt hij er op dezelfde plaats bij, dat "door middel van Engelen aan Joseph werd bericht, dat Jesus’ vlucht naar Egypte door de Vader was bepaald, en daarna wederom Zijn terugkeer uit Egypte naar Judea".
2e Weerlegging. Dionysius zegt niet, dat Christus "aan de leiding der Engelen onderworpen was" om wille van Hem zelf, maar om wat er om Zijn menswording heen gebeurde en wat hun diensten betreft, toen Hij nog de leeftijd van een kind had. Daarom voegt hij er op dezelfde plaats bij, dat "door middel van Engelen aan Joseph werd bericht, dat Jesus’ vlucht naar Egypte door de Vader was bepaald, en daarna wederom Zijn terugkeer uit Egypte naar Judea".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 12 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Gods Zoon nam een lichaam, dat lijden kon, aan, zoals later zal worden gezegd (14° Kw., 1° Art.), maar een ziel, die in genade en wetenschap volmaakt was. En daarom paste het, dat Zijn lichaam aan de invloed der hemellichamen onderworpen was; maar zijn ziel niet aan die der hemelse geesten.
R: q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1] q. 14 a. 1 ad 1[t:iiia q. 14 a. 1 ad 1] q. 14 a. 4[t:iiia q. 14 a. 4]
3e Weerlegging. Gods Zoon nam een lichaam, dat lijden kon, aan, zoals later zal worden gezegd (14° Kw., 1° Art.), maar een ziel, die in genade en wetenschap volmaakt was. En daarom paste het, dat Zijn lichaam aan de invloed der hemellichamen onderworpen was; maar zijn ziel niet aan die der hemelse geesten.
R: q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1] q. 14 a. 1 ad 1[t:iiia q. 14 a. 1 ad 1] q. 14 a. 4[t:iiia q. 14 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 13: Over de macht van Christus’ ziel
IIIa q. 13 pr.
Hierna moeten wij de macht van Christus’ ziel beschouwen. En daarover stellen wij ons vier vragen:
1. Was Hij zonder enige beperking almachtig?
2. Was Hij almachtig, wat de schepsels, die een lichaam hebben, betreft?
3. Was Hij almachtig waar het Zijn lichaam betrof?
4. Was Hij almachtig in het volbrengen van Zijn eigen wil?
Hierna moeten wij de macht van Christus’ ziel beschouwen. En daarover stellen wij ons vier vragen:
1. Was Hij zonder enige beperking almachtig?
2. Was Hij almachtig, wat de schepsels, die een lichaam hebben, betreft?
3. Was Hij almachtig waar het Zijn lichaam betrof?
4. Was Hij almachtig in het volbrengen van Zijn eigen wil?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was Christus’ ziel almachtig?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 21 a. 1 ad 1[t:iiia q. 21 a. 1 ad 1]
IIIa q. 13 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel almachtig was. Want Ambrosius zegt in zijn Commentaar op Lucas (1, 32): "De macht, die Gods Zoon van nature bezat, zou Hij als mens in de tijd krijgen". En dit schijnt vooral te geschieden naar de ziel, die het voornaamste deel van de mens is. Daar nu Gods Zoon van eeuwigheid de almacht bezat, schijnt Christus’ ziel deze in de tijd te hebben ontvangen.
B: (Luke 1:32) [b:Luke 1:32]
IIIa q. 21 a. 1 ad 1[t:iiia q. 21 a. 1 ad 1]
IIIa q. 13 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel almachtig was. Want Ambrosius zegt in zijn Commentaar op Lucas (1, 32): "De macht, die Gods Zoon van nature bezat, zou Hij als mens in de tijd krijgen". En dit schijnt vooral te geschieden naar de ziel, die het voornaamste deel van de mens is. Daar nu Gods Zoon van eeuwigheid de almacht bezat, schijnt Christus’ ziel deze in de tijd te hebben ontvangen.
B: (Luke 1:32) [b:Luke 1:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Gods macht is als Zijn kennis oneindig. Nu bezat Christus’ ziel in zekere zin wetenschap over alles wat God weet, zoals boven is gezegd (10° Kw., 2° Art.). Dus bezat zij ook alle macht. En zo is zij almachtig.
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
Vervolgens. Gods macht is als Zijn kennis oneindig. Nu bezat Christus’ ziel in zekere zin wetenschap over alles wat God weet, zoals boven is gezegd (10° Kw., 2° Art.). Dus bezat zij ook alle macht. En zo is zij almachtig.
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Christus' ziel bezat alle wetenschap. Onder de wetenschappen nu zijn er sommigen, die handelen, en anderen, die beschouwen als hun doel hebben. Dus bezat Hij een op handelen gerichte wetenschap over datgene, wat Hij kende, zodat Hij namelijk kon maken wat Hij kende. En zo schijnt het, dat Hij alles kon maken.
Vervolgens. Christus' ziel bezat alle wetenschap. Onder de wetenschappen nu zijn er sommigen, die handelen, en anderen, die beschouwen als hun doel hebben. Dus bezat Hij een op handelen gerichte wetenschap over datgene, wat Hij kende, zodat Hij namelijk kon maken wat Hij kende. En zo schijnt het, dat Hij alles kon maken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 1 s. c.
Maar daar staat tegenover, dat wat God eigen is, geen schepsel toe kan komen. Aan God nu is het eigen almachtig te zijn, volgens Exodus (15, 2): "Hij is mijn God en ik zal Hem verheerlijken", en later wordt eraan toegevoegd (v. 3): "De Almachtige, dat is Zijn naam". Daarom kan Christus' ziel, die een schepsel is, geen almacht bezitten.
B: (Exod 15:2) [b:Exod 15:2] (Exod 15:3) [b:Exod 15:3]
Maar daar staat tegenover, dat wat God eigen is, geen schepsel toe kan komen. Aan God nu is het eigen almachtig te zijn, volgens Exodus (15, 2): "Hij is mijn God en ik zal Hem verheerlijken", en later wordt eraan toegevoegd (v. 3): "De Almachtige, dat is Zijn naam". Daarom kan Christus' ziel, die een schepsel is, geen almacht bezitten.
B: (Exod 15:2) [b:Exod 15:2] (Exod 15:3) [b:Exod 15:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (2e Kw., 1e Art.; 10e Kw., 1e Art.), kwam bij het geheim der menswording de eenheid in persoon zo tot stand, dat het onderscheid tussen de naturen toch bewaard bleef, omdat namelijk iedere natuur wat haar eigen is behield. Kracht om te werken nu komt bij ieder ding voort uit zijn vorm, die het beginsel van het werken is. De vorm intussen is ofwel de natuur van het ding zelf, zoals het is bij de dingen, die niet samengesteld zijn; ofwel zij is datgene, wat de natuur van de dingen tot stand brengt, zoals het gaat bij uit stof en vorm samengestelde zaken. Zo blijkt het, dat het werkvermogen van ieder ding uit zijn natuur voortkomt. Op deze wijze ook staat de almacht tot de goddelijke natuur als iets, wat daaruit volgt. Omdat immers de goddelijke natuur het onbegrensde zijn van God zelf is, zoals D’onysius in het boek *Over de Namen van God* (5e H.) bewijst, heeft zij het vermogen om alles te maken wat een zijnde kan zijn, en dat is almacht bezitten; zo ook kan ieder ander ding datgene voortbrengen, wat onder zijn wezensvolmaaktheid valt, als een warm ding warmte kan geven. Waar nu Christus’ ziel een deel is der menselijke natuur, kan zij onmogelijk almachtig zijn.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1] q. 10 a. 1[t:iiia q. 10 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (2e Kw., 1e Art.; 10e Kw., 1e Art.), kwam bij het geheim der menswording de eenheid in persoon zo tot stand, dat het onderscheid tussen de naturen toch bewaard bleef, omdat namelijk iedere natuur wat haar eigen is behield. Kracht om te werken nu komt bij ieder ding voort uit zijn vorm, die het beginsel van het werken is. De vorm intussen is ofwel de natuur van het ding zelf, zoals het is bij de dingen, die niet samengesteld zijn; ofwel zij is datgene, wat de natuur van de dingen tot stand brengt, zoals het gaat bij uit stof en vorm samengestelde zaken. Zo blijkt het, dat het werkvermogen van ieder ding uit zijn natuur voortkomt. Op deze wijze ook staat de almacht tot de goddelijke natuur als iets, wat daaruit volgt. Omdat immers de goddelijke natuur het onbegrensde zijn van God zelf is, zoals D’onysius in het boek *Over de Namen van God* (5e H.) bewijst, heeft zij het vermogen om alles te maken wat een zijnde kan zijn, en dat is almacht bezitten; zo ook kan ieder ander ding datgene voortbrengen, wat onder zijn wezensvolmaaktheid valt, als een warm ding warmte kan geven. Waar nu Christus’ ziel een deel is der menselijke natuur, kan zij onmogelijk almachtig zijn.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1] q. 10 a. 1[t:iiia q. 10 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Door vereniging in persoon kreeg de mens in de tijd de almacht, die Gods Zoon van eeuwigheid bezat; want daarvan kwam het, dat die mens almachtig werd genoemd evenals Zoon Gods; niet alsof de almacht van die mens een andere was als die van Gods Zoon, evenmin als een andere godheid, maar alleen, omdat er in God en mens maar één persoon was.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 13 a. 2 ad 1[t:iiia q. 13 a. 2 ad 1]
1e Weerlegging. Door vereniging in persoon kreeg de mens in de tijd de almacht, die Gods Zoon van eeuwigheid bezat; want daarvan kwam het, dat die mens almachtig werd genoemd evenals Zoon Gods; niet alsof de almacht van die mens een andere was als die van Gods Zoon, evenmin als een andere godheid, maar alleen, omdat er in God en mens maar één persoon was.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 13 a. 2 ad 1[t:iiia q. 13 a. 2 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Naar sommigen zeggen is het met de wetenschap anders gesteld als met het vermogen om te werken. Dit laatste immers komt uit de natuur van een ding zelf voort, daar men een daad beschouwt als uitgaand van hem, die werkt. Maar wetenschap wordt niet bezeten krachtens het wezen zelf van hem, die kent, maar men kan haar verkrijgen, doordat die kenner aan de gekende dingen gelijk wordt door de beelden, die hij in zich opneemt. Deze redenering schijnt echter onvoldoende te zijn. Want zoals iemand door een van een ander ontvangen beeld kan kennen, kan hij ook werken door een van een ander verkregen vorm, zoals water en ijzer verwarmen door de warmte, die zij van het vuur ontvingen. Dit is dus geen bezwaar voor Christus’ ziel ook, gelijk zij door beelden van alle dingen, die God haar instortte, alles kan kennen, ook door dezelfde beelden al die dingen te maken. Wij moeten dus verder nog in aanmerking nemen, dat wat in een lagere natuur van een hogere ontvangen wordt, daar op minder volmaakte manier bestaat, want de warmte kan in het water niet met dezelfde volmaaktheid en kracht worden opgenomen als zij in het vuur bezit. Daar Christus’ ziel nu van een lagere natuur als de goddelijke is, worden de beelden der dingen in Christus’ ziel niet met dezelfde kracht en volmaaktheid opgenomen, als zij in de goddelijke natuur bezitten. Daar komt het ook vandaan, dat de wetenschap van Christus’ ziel lager staat dan de goddelijke wetenschap: én wat de wijze van kennen betreft, omdat God op volmaakter manier kent dan Christus’ ziel; én wat het aantal gekende dingen betreft, omdat Christus’ ziel niet alle dingen kent, die God kan maken, en God daarentegen hen wel kent met de wetenschap van eenvoudig begrijpen, al kent zij dan ook wel al wat verleden, tegenwoordig en toekomstig is, wat God kent met de wetenschap van aanschouwen. Evenzo kan de werkkracht van de beelden in Christus’ ziel ingestort niet op één lijn gesteld worden met de goddelijke kracht, zo dat zij namelijk alles zouden kunnen doen wat God vermag, of ook op die manier konden werken, waarop God iets voortbrengt: want Hij werkt met oneindige kracht, die geen schepsel in zich kan opnemen. Nu is er geen oneindige kracht nodig om welk ding dan ook enigermate te kennen, ofschoon er een manier van kennen bestaat, die een oneindige kracht vereist; maar wel zijn er dingen, die niet tot stand kunnen worden gebracht tenzij door een oneindige kracht als scheppen en dergelijken, zoals blijkt uit wat in het eerste deel is gezegd (45° Kw., 5° Art., Antw. op de 3° B.). Dus kan Christus’ ziel als een schepsel met eindige kracht wel alles kennen, zij het niet op iedere manier, maar zij kan niet alles maken, en dat wordt voor almacht vereist. Zo is het onder anderen duidelijk, dat zij niet kan scheppen.
R: I q. 45[t:ia q. 45]
2e Weerlegging. Naar sommigen zeggen is het met de wetenschap anders gesteld als met het vermogen om te werken. Dit laatste immers komt uit de natuur van een ding zelf voort, daar men een daad beschouwt als uitgaand van hem, die werkt. Maar wetenschap wordt niet bezeten krachtens het wezen zelf van hem, die kent, maar men kan haar verkrijgen, doordat die kenner aan de gekende dingen gelijk wordt door de beelden, die hij in zich opneemt. Deze redenering schijnt echter onvoldoende te zijn. Want zoals iemand door een van een ander ontvangen beeld kan kennen, kan hij ook werken door een van een ander verkregen vorm, zoals water en ijzer verwarmen door de warmte, die zij van het vuur ontvingen. Dit is dus geen bezwaar voor Christus’ ziel ook, gelijk zij door beelden van alle dingen, die God haar instortte, alles kan kennen, ook door dezelfde beelden al die dingen te maken. Wij moeten dus verder nog in aanmerking nemen, dat wat in een lagere natuur van een hogere ontvangen wordt, daar op minder volmaakte manier bestaat, want de warmte kan in het water niet met dezelfde volmaaktheid en kracht worden opgenomen als zij in het vuur bezit. Daar Christus’ ziel nu van een lagere natuur als de goddelijke is, worden de beelden der dingen in Christus’ ziel niet met dezelfde kracht en volmaaktheid opgenomen, als zij in de goddelijke natuur bezitten. Daar komt het ook vandaan, dat de wetenschap van Christus’ ziel lager staat dan de goddelijke wetenschap: én wat de wijze van kennen betreft, omdat God op volmaakter manier kent dan Christus’ ziel; én wat het aantal gekende dingen betreft, omdat Christus’ ziel niet alle dingen kent, die God kan maken, en God daarentegen hen wel kent met de wetenschap van eenvoudig begrijpen, al kent zij dan ook wel al wat verleden, tegenwoordig en toekomstig is, wat God kent met de wetenschap van aanschouwen. Evenzo kan de werkkracht van de beelden in Christus’ ziel ingestort niet op één lijn gesteld worden met de goddelijke kracht, zo dat zij namelijk alles zouden kunnen doen wat God vermag, of ook op die manier konden werken, waarop God iets voortbrengt: want Hij werkt met oneindige kracht, die geen schepsel in zich kan opnemen. Nu is er geen oneindige kracht nodig om welk ding dan ook enigermate te kennen, ofschoon er een manier van kennen bestaat, die een oneindige kracht vereist; maar wel zijn er dingen, die niet tot stand kunnen worden gebracht tenzij door een oneindige kracht als scheppen en dergelijken, zoals blijkt uit wat in het eerste deel is gezegd (45° Kw., 5° Art., Antw. op de 3° B.). Dus kan Christus’ ziel als een schepsel met eindige kracht wel alles kennen, zij het niet op iedere manier, maar zij kan niet alles maken, en dat wordt voor almacht vereist. Zo is het onder anderen duidelijk, dat zij niet kan scheppen.
R: I q. 45[t:ia q. 45]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Christus’ ziel heeft een op handelen en een op beschouwen gerichte wetenschap, maar het is niet nodig, dat zij voor alles, waarvan zij een op beschouwen gerichte wetenschap bezit, ook een op handelen aangelegde kennis bezit. Om immers de eerste wetenschap te bezitten, is alleen de gelijkheid of overeenkomst van hem, die kent, met de gekende dingen voldoende; voor de op handelen gerichte wetenschap daarentegen wordt vereist, dat de in het verstand aanwezige vormen der dingen werkende vormen zijn. Nu staat het hoger een vorm te hebben en die in iets anders af te drukken dan de vorm te bezitten alleen, zoals het meer is licht te bezitten en te verspreiden dan alleen licht te hebben. Daar komt het vandaan, dat Christus’ ziel wel een beschouwende kennis van het scheppen heeft, omdat zij weet, hoe God schept, maar zij heeft zo’n op handelen gerichte wetenschap niet, omdat zij geen op werken aangelegde wetenschap over het scheppen bezit.
3e Weerlegging. Christus’ ziel heeft een op handelen en een op beschouwen gerichte wetenschap, maar het is niet nodig, dat zij voor alles, waarvan zij een op beschouwen gerichte wetenschap bezit, ook een op handelen aangelegde kennis bezit. Om immers de eerste wetenschap te bezitten, is alleen de gelijkheid of overeenkomst van hem, die kent, met de gekende dingen voldoende; voor de op handelen gerichte wetenschap daarentegen wordt vereist, dat de in het verstand aanwezige vormen der dingen werkende vormen zijn. Nu staat het hoger een vorm te hebben en die in iets anders af te drukken dan de vorm te bezitten alleen, zoals het meer is licht te bezitten en te verspreiden dan alleen licht te hebben. Daar komt het vandaan, dat Christus’ ziel wel een beschouwende kennis van het scheppen heeft, omdat zij weet, hoe God schept, maar zij heeft zo’n op handelen gerichte wetenschap niet, omdat zij geen op werken aangelegde wetenschap over het scheppen bezit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was Christus’ ziel almachtig in het veranderen van de schepsels?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 13 a. 3 co.
IIIa q. 13 a. 4 co.
IIIa q. 56 a. 1 ad 3
IIIa q. 64 a. 3 co.[t:iiia q. 13 a. 3 co.][t:iiia q. 13 a. 4 co.][t:iiia q. 56 a. 1 ad 3][t:iiia q. 64 a. 3 co.]
IIIa q. 13 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel almachtig was in het veranderen van de schepsels. Hij zelf immers zegt bij *Matthaeus* (Laatste H., 18): "Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde". Onder de woorden hemel en aarde nu worden alle schepsels verstaan, zoals blijkt uit het boek der Schepping (1, 1): "In de beginne schiep God hemel en aarde". Dus schijnt Christus’ ziel almachtig te zijn in het veranderen der schepsels.
B: (Gen 1:1) [b:Gen 1:1] (Matt 28:18) [b:Matt 28:18]
IIIa q. 13 a. 3 co.
IIIa q. 13 a. 4 co.
IIIa q. 56 a. 1 ad 3
IIIa q. 64 a. 3 co.[t:iiia q. 13 a. 3 co.][t:iiia q. 13 a. 4 co.][t:iiia q. 56 a. 1 ad 3][t:iiia q. 64 a. 3 co.]
IIIa q. 13 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel almachtig was in het veranderen van de schepsels. Hij zelf immers zegt bij *Matthaeus* (Laatste H., 18): "Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde". Onder de woorden hemel en aarde nu worden alle schepsels verstaan, zoals blijkt uit het boek der Schepping (1, 1): "In de beginne schiep God hemel en aarde". Dus schijnt Christus’ ziel almachtig te zijn in het veranderen der schepsels.
B: (Gen 1:1) [b:Gen 1:1] (Matt 28:18) [b:Matt 28:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Christus’ ziel is volmaakter dan welk ander schepsel ook. Nu kan ieder schepsel door een ander bewogen worden, want Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (4e H.): "Zoals de grovere en lagere lichamen in een zekere orde door de fijnere en hogere worden bewogen, worden alle lichamen door de levende, redelijke ziel in beweging gebracht; en de levende, redelijke ziel, die door de zonde God verlaat, door de vrome, rechtvaardige, redelijke, levende geest". Nu heeft Christus’ ziel zelfs invloed op de hoogste geesten zelf, omdat zij hen verlicht, zoals Dionysius zegt in het boek Over de hemelse Hiërarchieën (7e H). Dus schijnt Christus’ ziel almachtig te zijn in het beïnvloeden der schepsels.
Vervolgens. Christus’ ziel is volmaakter dan welk ander schepsel ook. Nu kan ieder schepsel door een ander bewogen worden, want Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (4e H.): "Zoals de grovere en lagere lichamen in een zekere orde door de fijnere en hogere worden bewogen, worden alle lichamen door de levende, redelijke ziel in beweging gebracht; en de levende, redelijke ziel, die door de zonde God verlaat, door de vrome, rechtvaardige, redelijke, levende geest". Nu heeft Christus’ ziel zelfs invloed op de hoogste geesten zelf, omdat zij hen verlicht, zoals Dionysius zegt in het boek Over de hemelse Hiërarchieën (7e H). Dus schijnt Christus’ ziel almachtig te zijn in het beïnvloeden der schepsels.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Christus’ ziel bevat ten volle de genade om wonderen of tekenen te doen zoals alle andere genaden. Nu kan elk beïnvloeden van een schepsel onder de gave der wonderen vallen en, omdat de hemellichamen zelf door een wonder in hun orde veranderd zijn, zoals Dionysius bewijst in zijn Brief aan Polycarpus (7e Br.). Dus was Christus’ ziel almachtig in het beïnvloeden der schepsels.
Vervolgens. Christus’ ziel bevat ten volle de genade om wonderen of tekenen te doen zoals alle andere genaden. Nu kan elk beïnvloeden van een schepsel onder de gave der wonderen vallen en, omdat de hemellichamen zelf door een wonder in hun orde veranderd zijn, zoals Dionysius bewijst in zijn Brief aan Polycarpus (7e Br.). Dus was Christus’ ziel almachtig in het beïnvloeden der schepsels.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 2 s. c.
Daar staat echter tegenover, dat aan een en dezelfde het behouden en veranderen der schepsels toekomt. Nu is het eerste God alleen eigen volgens de Hebreeënbrief (1, 3): "Alles dragend door het woord van Zijn kracht". Dus is God alleen almachtig in het beïnvloeden der schepsels. Dat komt dus Christus’ ziel niet toe.
B: (Heb 1:3) [b:Heb 1:3]
Daar staat echter tegenover, dat aan een en dezelfde het behouden en veranderen der schepsels toekomt. Nu is het eerste God alleen eigen volgens de Hebreeënbrief (1, 3): "Alles dragend door het woord van Zijn kracht". Dus is God alleen almachtig in het beïnvloeden der schepsels. Dat komt dus Christus’ ziel niet toe.
B: (Heb 1:3) [b:Heb 1:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 2 co.
Mijn antwoord. Hier moeten wij een dubbel onderscheid maken. Ten eerste in het veranderen der schepsels, omdat dit drievoudig is. En wel natuurlijk, wat gebeurt door de eigen werk-oorzaak volgens de natuurlijke orde, of wonderbaar door een bovennatuurlijke oorzaak boven de gewone loop en orde der natuur; het derde is het terugbrengen van ieder schepsel tot niets. Het tweede onderscheid moet men maken in Christus’ ziel, die op twee manieren beschouwd kan worden: ten eerste naar haar eigen natuur en kracht, of deze nu van de natuur of van de genade komt; ten tweede in zover zij een werktuig is van Gods Woord, dat in persoon met haar verenigd is. Spreken wij nu van Christus’ ziel naar haar eigen natuur en kracht, hetzij die van de natuur of die der genade, dan heeft zij de macht om te doen, wat aan de ziel past, bv. het lichaam besturen en menselijke daden te stellen, en ook om door de volheid van genade en wetenschap alle redelijke schepsels, die minder volmaakt zijn, te verlichten op een wijze, die bij het redelijke schepsel past. Maar spreken wij over Christus’ ziel als over het met Gods Woord verenigde werktuig, dan heeft zij de kracht van een werktuig om alle wonderbare veranderingen teweeg te brengen, die tot het doel der menswording kunnen meewerken, nl. tot het "vernieuwen van alles, wat in de hemel of op aarde is (Brief aan de Ephesiërs, I, 10). Het veranderen echter van schepsels in zover zij tot niets kunnen worden teruggebracht, beantwoordt aan het scheppen der dingen, in zover zij nl. uit niets worden voortgebracht. En zoals alleen God kan scheppen, kan Hij alleen daarom ook de schepsels tot niets terugbrengen; Hij alleen ook houdt hen in bestaan, zodat zij niet in het niets terugvallen. Men moet daarom zeggen, dat Christus’ ziel niet almachtig is in het veranderen van schepsels.
Mijn antwoord. Hier moeten wij een dubbel onderscheid maken. Ten eerste in het veranderen der schepsels, omdat dit drievoudig is. En wel natuurlijk, wat gebeurt door de eigen werk-oorzaak volgens de natuurlijke orde, of wonderbaar door een bovennatuurlijke oorzaak boven de gewone loop en orde der natuur; het derde is het terugbrengen van ieder schepsel tot niets. Het tweede onderscheid moet men maken in Christus’ ziel, die op twee manieren beschouwd kan worden: ten eerste naar haar eigen natuur en kracht, of deze nu van de natuur of van de genade komt; ten tweede in zover zij een werktuig is van Gods Woord, dat in persoon met haar verenigd is. Spreken wij nu van Christus’ ziel naar haar eigen natuur en kracht, hetzij die van de natuur of die der genade, dan heeft zij de macht om te doen, wat aan de ziel past, bv. het lichaam besturen en menselijke daden te stellen, en ook om door de volheid van genade en wetenschap alle redelijke schepsels, die minder volmaakt zijn, te verlichten op een wijze, die bij het redelijke schepsel past. Maar spreken wij over Christus’ ziel als over het met Gods Woord verenigde werktuig, dan heeft zij de kracht van een werktuig om alle wonderbare veranderingen teweeg te brengen, die tot het doel der menswording kunnen meewerken, nl. tot het "vernieuwen van alles, wat in de hemel of op aarde is (Brief aan de Ephesiërs, I, 10). Het veranderen echter van schepsels in zover zij tot niets kunnen worden teruggebracht, beantwoordt aan het scheppen der dingen, in zover zij nl. uit niets worden voortgebracht. En zoals alleen God kan scheppen, kan Hij alleen daarom ook de schepsels tot niets terugbrengen; Hij alleen ook houdt hen in bestaan, zodat zij niet in het niets terugvallen. Men moet daarom zeggen, dat Christus’ ziel niet almachtig is in het veranderen van schepsels.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. I. Zoals Hieronymus (Commentaar op Matthaeus, 4e B.) zegt, "is aan Hem macht gegeven, die kort tevoren was gekruisigd en begraven, en die daarna verrees", dus aan Christus als mens. Maar dat Hem alle macht gegeven is, zegt Hij om de vereniging, waardoor het gebeurde, dat een mens almachtig was, zoals boven is gezegd (Vorig Art., Antw. op de 1° B.). En al was dat voor de Verrijzenis aan de Engelen bekend, na de Verrijzenis werd het aan alle mensen bekend, zoals Remigius zegt: "Men zegt, dat de dingen dan geschieden, als zij bekend worden". Daarom zei de Heer na de Verrijzenis, dat Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven was.
B: (Eph 1:10) [b:Eph 1:10]
R: q. 13 a. 1 ad 1[t:iiia q. 13 a. 1 ad 1]
1e Weerlegging. I. Zoals Hieronymus (Commentaar op Matthaeus, 4e B.) zegt, "is aan Hem macht gegeven, die kort tevoren was gekruisigd en begraven, en die daarna verrees", dus aan Christus als mens. Maar dat Hem alle macht gegeven is, zegt Hij om de vereniging, waardoor het gebeurde, dat een mens almachtig was, zoals boven is gezegd (Vorig Art., Antw. op de 1° B.). En al was dat voor de Verrijzenis aan de Engelen bekend, na de Verrijzenis werd het aan alle mensen bekend, zoals Remigius zegt: "Men zegt, dat de dingen dan geschieden, als zij bekend worden". Daarom zei de Heer na de Verrijzenis, dat Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven was.
B: (Eph 1:10) [b:Eph 1:10]
R: q. 13 a. 1 ad 1[t:iiia q. 13 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Al kan ieder schepsel door een ander schepsel worden bewogen, behalve dan de hoogste engel, die toch nog door Christus’ ziel wordt verlicht, toch kan niet iedere verandering in een schepsel door een ander schepsel geschieden, maar sommige door God alleen. Alle veranderingen echter, die door schepsels gebeuren kunnen, kunnen door Christus’ ziel als werktuig van het Woord geschieden, maar niet door eigen natuur en kracht, omdat sommige naar de orde van natuur noch genade aan de ziel toekomen.
2e Weerlegging. Al kan ieder schepsel door een ander schepsel worden bewogen, behalve dan de hoogste engel, die toch nog door Christus’ ziel wordt verlicht, toch kan niet iedere verandering in een schepsel door een ander schepsel geschieden, maar sommige door God alleen. Alle veranderingen echter, die door schepsels gebeuren kunnen, kunnen door Christus’ ziel als werktuig van het Woord geschieden, maar niet door eigen natuur en kracht, omdat sommige naar de orde van natuur noch genade aan de ziel toekomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals in het tweede deel (IIa-IIae, 187° Kw., 1° Art., Antw. op de 1° B.) is gezegd, wordt de gave van tekenen of wonderen niet aan een heilige ziel gegeven, om die wonderen te laten geschieden door haar eigen kracht, maar door de goddelijke. En nu is deze gave in hoogste mate aan Christus’ ziel gegeven, opdat Hij niet alleen zelf wonderen zou doen, maar ook die gave aan anderen zou mededelen. Daarom wordt bij Mattheus (10, 1) gezegd, dat "Hij, na de leerlingen bijeengeroepen te hebben hun macht gaf over de onreine geesten om dezen uit te werpen en iedere ziekte en kwaal te genezen".
R: IIa-IIae q. 178 a. 1 ad 1[t:iia-iiae q. 178 a. 1 ad 1]
3e Weerlegging. Zoals in het tweede deel (IIa-IIae, 187° Kw., 1° Art., Antw. op de 1° B.) is gezegd, wordt de gave van tekenen of wonderen niet aan een heilige ziel gegeven, om die wonderen te laten geschieden door haar eigen kracht, maar door de goddelijke. En nu is deze gave in hoogste mate aan Christus’ ziel gegeven, opdat Hij niet alleen zelf wonderen zou doen, maar ook die gave aan anderen zou mededelen. Daarom wordt bij Mattheus (10, 1) gezegd, dat "Hij, na de leerlingen bijeengeroepen te hebben hun macht gaf over de onreine geesten om dezen uit te werpen en iedere ziekte en kwaal te genezen".
R: IIa-IIae q. 178 a. 1 ad 1[t:iia-iiae q. 178 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Was Christus almachtig voor zover het Zijn eigen lichaam betrof?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 56 a. 1 ad 3
IIIa q. 64 a. 3 co.[t:iiia q. 56 a. 1 ad 3][t:iiia q. 64 a. 3 co.]
IIIa q. 13 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus almachtig was voor zover het Zijn eigen Lichaam betrof. Want Damascenus zegt in het 3° boek (Over het Ware Geloof, 20° H.), dat "alles wat van de natuur komt, in Christus aan Zijn vrije wil onderworpen was, omdat Hij vrijwillige honger en vrijwillig dorst had, vrijwillig beangst was en vrijwillig stierf". Dus schijnt Christus' ziel de natuurlijke handelingen van Zijn eigen lichaam almachtig beheerst te hebben.
B: (Ps 113, Ps 113:11) [b:Ps 113]
IIIa q. 56 a. 1 ad 3
IIIa q. 64 a. 3 co.[t:iiia q. 56 a. 1 ad 3][t:iiia q. 64 a. 3 co.]
IIIa q. 13 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus almachtig was voor zover het Zijn eigen Lichaam betrof. Want Damascenus zegt in het 3° boek (Over het Ware Geloof, 20° H.), dat "alles wat van de natuur komt, in Christus aan Zijn vrije wil onderworpen was, omdat Hij vrijwillige honger en vrijwillig dorst had, vrijwillig beangst was en vrijwillig stierf". Dus schijnt Christus' ziel de natuurlijke handelingen van Zijn eigen lichaam almachtig beheerst te hebben.
B: (Ps 113, Ps 113:11) [b:Ps 113]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 3 arg. 2
Vervolgens. In Christus was de menselijke natuur volmaakter dan in Adam; en deze had krachtens de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die hij in de staat van onschuld bezat, een lichaam, dat geheel en al aan de ziel onderworpen was, zodat er in het lichaam niets tegen de wil van de ziel geschieden kon. Zoveel te meer dus nog was Christus' ziel almachtig, waar het Zijn eigen lichaam betrof.
Vervolgens. In Christus was de menselijke natuur volmaakter dan in Adam; en deze had krachtens de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die hij in de staat van onschuld bezat, een lichaam, dat geheel en al aan de ziel onderworpen was, zodat er in het lichaam niets tegen de wil van de ziel geschieden kon. Zoveel te meer dus nog was Christus' ziel almachtig, waar het Zijn eigen lichaam betrof.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Van nature ondergaat het lichaam veranderingen ten gevolge van de verbeelding der ziel, en dat zoveel te meer, naarmate de ziel een sterkere verbeelding heeft, zoals in het eerste deel (117° Kw., 3° Art., Antw. op de 2° en 3° B.) is uiteengezet. Nu bezat Christus' ziel hoogst volmaakte vermogens, zowel wat de verbeelding als wat de andere vermogens betreft. Dus was Christus' ziel almachtig wat Zijn eigen lichaam betrof.
R: I q. 117 a. 3 ad 3[t:ia q. 117 a. 3 ad 3]
Vervolgens. Van nature ondergaat het lichaam veranderingen ten gevolge van de verbeelding der ziel, en dat zoveel te meer, naarmate de ziel een sterkere verbeelding heeft, zoals in het eerste deel (117° Kw., 3° Art., Antw. op de 2° en 3° B.) is uiteengezet. Nu bezat Christus' ziel hoogst volmaakte vermogens, zowel wat de verbeelding als wat de andere vermogens betreft. Dus was Christus' ziel almachtig wat Zijn eigen lichaam betrof.
R: I q. 117 a. 3 ad 3[t:ia q. 117 a. 3 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 3 s. c.
Maar daar staat tegenover, dat in de Hebreeenbrief (2, 17) wordt gezegd, dat "Hij in alles aan Zijn broeders gelijk moest worden". En dat vooral in wat op de toestand der menselijke natuur betrekking heeft. Nu valt daaronder ook, dat de gezondheid van het lichaam met zijn voeding en groei aan de bevelen van verstand en wil niet onderworpen zijn, omdat de krachten der natuur aan God, de maker der natuur, alleen onderworpen zijn. Dus was Christus' ziel niet almachtig wat Zijn eigen lichaam betrof.
B: (Heb 2:17) [b:Heb 2:17]
Maar daar staat tegenover, dat in de Hebreeenbrief (2, 17) wordt gezegd, dat "Hij in alles aan Zijn broeders gelijk moest worden". En dat vooral in wat op de toestand der menselijke natuur betrekking heeft. Nu valt daaronder ook, dat de gezondheid van het lichaam met zijn voeding en groei aan de bevelen van verstand en wil niet onderworpen zijn, omdat de krachten der natuur aan God, de maker der natuur, alleen onderworpen zijn. Dus was Christus' ziel niet almachtig wat Zijn eigen lichaam betrof.
B: (Heb 2:17) [b:Heb 2:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 3 co.
Mijn antwoord. Men kan, zoals gezegd werd (Vorig Art.), Christus' ziel op twee manieren beschouwen. Ten eerste naar haar eigen natuur en kracht; en zo kon zij haar eigen lichaam in zijn natuurlijke aard niet veranderen, evenmin als zij de lichamen buiten haar van hun natuurlijke orde en loop kon afhouden, omdat de ziel krachtens haar natuur een bepaalde verhouding tot haar lichaam bezit. Maar men kan Christus' ziel ook anders beschouwen als een met Gods Woord in persoon verenigd werktuig; en zo was Zijn eigen lichaam in iedere toestand geheel en al aan zijn macht onderworpen. Daar echter de kracht tot het stellen van een daad in eigenlijke zin niet aan het werktuig toegeschreven wordt, maar aan de voornaamste werkoorzaak, schrijft men deze almacht eerder toe aan Gods Woord zelf als aan Christus' ziel.
R: q. 13 a. 2[t:iiia q. 13 a. 2]
Mijn antwoord. Men kan, zoals gezegd werd (Vorig Art.), Christus' ziel op twee manieren beschouwen. Ten eerste naar haar eigen natuur en kracht; en zo kon zij haar eigen lichaam in zijn natuurlijke aard niet veranderen, evenmin als zij de lichamen buiten haar van hun natuurlijke orde en loop kon afhouden, omdat de ziel krachtens haar natuur een bepaalde verhouding tot haar lichaam bezit. Maar men kan Christus' ziel ook anders beschouwen als een met Gods Woord in persoon verenigd werktuig; en zo was Zijn eigen lichaam in iedere toestand geheel en al aan zijn macht onderworpen. Daar echter de kracht tot het stellen van een daad in eigenlijke zin niet aan het werktuig toegeschreven wordt, maar aan de voornaamste werkoorzaak, schrijft men deze almacht eerder toe aan Gods Woord zelf als aan Christus' ziel.
R: q. 13 a. 2[t:iiia q. 13 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Dit gezegde van Damascenus moet men laten slaan op de goddelijke wil van Christus. Zoals hij immers zelf in het voorafgaande hoofdstuk (19° H.) zegt, "stond het goddelijke wijsbesluit aan het vlees toe te lijden en te doen, wat eraan eigen was".
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 18 a. 5 co.
IIIa q. 28 a. 2 ad 3[t:iiia q. 18 a. 5 co.][t:iiia q. 28 a. 2 ad 3]
1e Weerlegging. Dit gezegde van Damascenus moet men laten slaan op de goddelijke wil van Christus. Zoals hij immers zelf in het voorafgaande hoofdstuk (19° H.) zegt, "stond het goddelijke wijsbesluit aan het vlees toe te lijden en te doen, wat eraan eigen was".
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 18 a. 5 co.
IIIa q. 28 a. 2 ad 3[t:iiia q. 18 a. 5 co.][t:iiia q. 28 a. 2 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Tot de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die Adam in de staat van onschuld bezat, behoorde het vermogen der ziel van de mens om zijn lichaam hoe dan ook te veranderen niet, maar wel het vermogen om het ongeschonden te bewaren. En dit vermogen had Christus ook kunnen aannemen als Hij het gewild had. Omdat er echter drie staten zijn, waarin de mens kan verkeren, nl. die van onschuld, die van schuld en die van verheerlijking, nam Hij zoals later gezegd zal worden, uit de staat van schuld de noodzakelijkheid over om aan de straffen van dit leven onderworpen te zijn, zoals Hij uit de staat van verheerlijking het bereiken van het hemelse geluk en uit die van onschuld het vrij zijn van zonden had aangenomen, zoals verder zal gezegd worden (14° Kw., 2° Art.).
R: q. 14 a. 2[t:iiia q. 14 a. 2]
2e Weerlegging. Tot de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die Adam in de staat van onschuld bezat, behoorde het vermogen der ziel van de mens om zijn lichaam hoe dan ook te veranderen niet, maar wel het vermogen om het ongeschonden te bewaren. En dit vermogen had Christus ook kunnen aannemen als Hij het gewild had. Omdat er echter drie staten zijn, waarin de mens kan verkeren, nl. die van onschuld, die van schuld en die van verheerlijking, nam Hij zoals later gezegd zal worden, uit de staat van schuld de noodzakelijkheid over om aan de straffen van dit leven onderworpen te zijn, zoals Hij uit de staat van verheerlijking het bereiken van het hemelse geluk en uit die van onschuld het vrij zijn van zonden had aangenomen, zoals verder zal gezegd worden (14° Kw., 2° Art.).
R: q. 14 a. 2[t:iiia q. 14 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Als de verbeelding sterk is, is het lichaam in sommige opzichten eraan onderworpen, zoals bv. in het geval van de hoog geplaatste balk, omdat de verbeelding uiteraard beginsel is van plaatselijke beweging, gelijk in het 3° boek Over de Ziel (9° H., n. 5) wordt gezegd. Ook wat de verandering in koude of warmte betreft en wat daar verder op volgt, omdat de hartstochten door hun natuurlijke aanleg de verbeelding volgen; daardoor wordt het hart bewogen en zo verandert het gehele lichaam door de beweging der levenskrachten. Maar andere lichaamstoestanden, die van nature geen verband houden met de verbeelding, worden daardoor niet veranderd, hoe sterk zij ook mocht zijn, zoals de vorm van hand of voet en dergelijken.
3e Weerlegging. Als de verbeelding sterk is, is het lichaam in sommige opzichten eraan onderworpen, zoals bv. in het geval van de hoog geplaatste balk, omdat de verbeelding uiteraard beginsel is van plaatselijke beweging, gelijk in het 3° boek Over de Ziel (9° H., n. 5) wordt gezegd. Ook wat de verandering in koude of warmte betreft en wat daar verder op volgt, omdat de hartstochten door hun natuurlijke aanleg de verbeelding volgen; daardoor wordt het hart bewogen en zo verandert het gehele lichaam door de beweging der levenskrachten. Maar andere lichaamstoestanden, die van nature geen verband houden met de verbeelding, worden daardoor niet veranderd, hoe sterk zij ook mocht zijn, zoals de vorm van hand of voet en dergelijken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Was Christus’ ziel almachtig in het volbrengen van Zijn eigen wil?
IIIa q. 13 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel niet almachtig was in het volbrengen van Zijn eigen wil. Want bij Marcus (7, 24) wordt gezegd, dat Hij "na het huis te zijn binnengegaan, niet wilde, dat iemand het wist, maar (dat) Hij niet verborgen kon blijven". Dus kon Hij de besluiten van Zijn eigen wil niet in alles uitvoeren.
B: (Mark 7:24) [b:Mark 7:24]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel niet almachtig was in het volbrengen van Zijn eigen wil. Want bij Marcus (7, 24) wordt gezegd, dat Hij "na het huis te zijn binnengegaan, niet wilde, dat iemand het wist, maar (dat) Hij niet verborgen kon blijven". Dus kon Hij de besluiten van Zijn eigen wil niet in alles uitvoeren.
B: (Mark 7:24) [b:Mark 7:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Bevelen is een teken van willen, zoals in het eerste deel (19° Kw., 12° Art.) is gezegd. Nu legde de Heer het uitvoeren van een paar bevelen op, waarvan juist het tegendeel geschiedde, want bij Mattheus (9, 30 en 31) wordt gezegd, dat Jesus "tot de blinden, die het gezicht teruggehad hadden, dreigend zei: past op, dat niemand het te weten komt; maar toen zij weg waren gegaan, verspreidden zij het bericht hiervan over de gehele landstreek". Dus kon Hij Zijn wilsbesluiten niet in alles uitvoeren.
B: (Matt 9:30) [b:Matt 9:30] (Matt 9:31) [b:Matt 9:31]
R: I q. 19 a. 12[t:ia q. 19 a. 12]
Vervolgens. Bevelen is een teken van willen, zoals in het eerste deel (19° Kw., 12° Art.) is gezegd. Nu legde de Heer het uitvoeren van een paar bevelen op, waarvan juist het tegendeel geschiedde, want bij Mattheus (9, 30 en 31) wordt gezegd, dat Jesus "tot de blinden, die het gezicht teruggehad hadden, dreigend zei: past op, dat niemand het te weten komt; maar toen zij weg waren gegaan, verspreidden zij het bericht hiervan over de gehele landstreek". Dus kon Hij Zijn wilsbesluiten niet in alles uitvoeren.
B: (Matt 9:30) [b:Matt 9:30] (Matt 9:31) [b:Matt 9:31]
R: I q. 19 a. 12[t:ia q. 19 a. 12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Wat iemand zelf kan doen, vraagt hij niet aan een ander. Nu vroeg de Heer in het gebed aan Zijn Vader datgene, wat Hij wilde, dat zou geschieden, omdat bij Lucas (6, 12) gezegd wordt, dat "Hij de berg besteeg om te bidden en de nacht in gebed tot God doorbracht". "Dus kon Hij de plannen van Zijn wil niet in alles volbrengen.
B: (Luke 6:12) [b:Luke 6:12]
Vervolgens. Wat iemand zelf kan doen, vraagt hij niet aan een ander. Nu vroeg de Heer in het gebed aan Zijn Vader datgene, wat Hij wilde, dat zou geschieden, omdat bij Lucas (6, 12) gezegd wordt, dat "Hij de berg besteeg om te bidden en de nacht in gebed tot God doorbracht". "Dus kon Hij de plannen van Zijn wil niet in alles volbrengen.
B: (Luke 6:12) [b:Luke 6:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt in het boek Over de Vraagstukken van het Nieuwe en Oude Verbond (77° Vr.): "Het is onmogelijk, dat de wil van de Verlosser niet verschuldigd zou worden, want als Hij wist, dat iets niet mocht gebeuren, kon Hij dat niet willen".
Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt in het boek Over de Vraagstukken van het Nieuwe en Oude Verbond (77° Vr.): "Het is onmogelijk, dat de wil van de Verlosser niet verschuldigd zou worden, want als Hij wist, dat iets niet mocht gebeuren, kon Hij dat niet willen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 4 co.
Mijn antwoord. Christus’ ziel wilde op twee manieren iets. Ten eerste op deze manier, dat het door Hem zelf zou worden volbracht. En in dit geval moet men zeggen, dat Hij alles kon doen, wat Hij wilde, want het paste zijn wijsheid niet iets te willen doen, dat niet onder Zijn bereik viel. Ten tweede wilde Hij iets op die manier, dat het door goddelijke kracht moest geschieden, als de verrijzenis van Zijn lichaam en andere soortgelijke wonderen. En dat kon Hij niet door eigen kracht, maar alleen als werktuig der Godheid, zoals reeds is gezegd.
R: q. 13 a. 2[t:iiia q. 13 a. 2]
Mijn antwoord. Christus’ ziel wilde op twee manieren iets. Ten eerste op deze manier, dat het door Hem zelf zou worden volbracht. En in dit geval moet men zeggen, dat Hij alles kon doen, wat Hij wilde, want het paste zijn wijsheid niet iets te willen doen, dat niet onder Zijn bereik viel. Ten tweede wilde Hij iets op die manier, dat het door goddelijke kracht moest geschieden, als de verrijzenis van Zijn lichaam en andere soortgelijke wonderen. En dat kon Hij niet door eigen kracht, maar alleen als werktuig der Godheid, zoals reeds is gezegd.
R: q. 13 a. 2[t:iiia q. 13 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Zoals Augustinus in het aangehaalde boek antwoordt, "moeten wij zeggen, dat Christus wat er gebeurd is wilde. Wij moeten er echter rekening mee houden, dat dit geschiedde in het gebied der heidenen, terwijl het nog geen tijd was om onder hen te prediken. Hen die uit eigen beweging tot het geloof kwamen, niet te ontvangen, zou evenwel gebrek aan liefde zijn geweest; en dus wilde Hij niet door de zijnen verkondigd worden, maar Hij wilde wel gezocht worden. En zo is het gebeurd".
1e Weerlegging. Zoals Augustinus in het aangehaalde boek antwoordt, "moeten wij zeggen, dat Christus wat er gebeurd is wilde. Wij moeten er echter rekening mee houden, dat dit geschiedde in het gebied der heidenen, terwijl het nog geen tijd was om onder hen te prediken. Hen die uit eigen beweging tot het geloof kwamen, niet te ontvangen, zou evenwel gebrek aan liefde zijn geweest; en dus wilde Hij niet door de zijnen verkondigd worden, maar Hij wilde wel gezocht worden. En zo is het gebeurd".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Gregorius zegt in het boek Over de Zedeleer (19e B., 23e H.), dat Hij, toen Hij Zijn leerlingen bevel gaf Zijn wonderen geheim te houden, "Zijn dienaren, die Hem volgden, een voorbeeld gaf, dat ook zij het geheim van hun wonderen moesten verlangen, en dat zij toch tegen hun wil bekend zouden worden om anderen een voorbeeld te geven en vooruit te helpen" Zo was dit bevel een teken van Zijn verlangen om roem bij de mensen te ontvluchten, volgens Johannes (8, 50): "Ik zoek mijn eigen roem niet". Absoluut genomen echter wilde Hij vooral met Zijn goddelijke wil, dat het geschiede wonder bekend zou worden gemaakt tot nut van anderen.
B: (John 8:50, John 8:50) [b:John 8:50]
2e Weerlegging. Gregorius zegt in het boek Over de Zedeleer (19e B., 23e H.), dat Hij, toen Hij Zijn leerlingen bevel gaf Zijn wonderen geheim te houden, "Zijn dienaren, die Hem volgden, een voorbeeld gaf, dat ook zij het geheim van hun wonderen moesten verlangen, en dat zij toch tegen hun wil bekend zouden worden om anderen een voorbeeld te geven en vooruit te helpen" Zo was dit bevel een teken van Zijn verlangen om roem bij de mensen te ontvluchten, volgens Johannes (8, 50): "Ik zoek mijn eigen roem niet". Absoluut genomen echter wilde Hij vooral met Zijn goddelijke wil, dat het geschiede wonder bekend zou worden gemaakt tot nut van anderen.
B: (John 8:50, John 8:50) [b:John 8:50]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 13 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Christus bad zowel voor wat door goddelijke kracht moest gebeuren als voor wat Hij met Zijn menselijke wil zou doen. Want de kracht en het werken van Christus’ ziel hingen af van God, "die in allen het willen en het uitvoeren uitwerkt", zoals in de Philippensebrief (2, 13) wordt gezegd.
B: (Phil 2:13) [b:Phil 2:13]
3e Weerlegging. Christus bad zowel voor wat door goddelijke kracht moest gebeuren als voor wat Hij met Zijn menselijke wil zou doen. Want de kracht en het werken van Christus’ ziel hingen af van God, "die in allen het willen en het uitvoeren uitwerkt", zoals in de Philippensebrief (2, 13) wordt gezegd.
B: (Phil 2:13) [b:Phil 2:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 14: Over de lichaamsgebreken, die Christus in de menselijke natuur op zich heeft genomen
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 28 a. 2 ad 3[t:iiia q. 28 a. 2 ad 3]
IIIa q. 14 pr.
Vervolgens moeten wij de gebreken behandelen, die Christus in de menselijke natuur op zich heeft genomen. Vooreerst die van het lichaam en dan die der ziel. Over de eersten stellen wij ons vier vragen:
1. Moest Gods Zoon in de menselijke natuur lichaamsgebreken op zich nemen?
2. Was het uit noodzaak, dat Hij onder die gebreken leed?
3. Moest Hij krachtens contractie (1) die gebreken op zich nemen?
4. Nam Hij alle gebreken van dit soort op zich?
IIIa q. 28 a. 2 ad 3[t:iiia q. 28 a. 2 ad 3]
IIIa q. 14 pr.
Vervolgens moeten wij de gebreken behandelen, die Christus in de menselijke natuur op zich heeft genomen. Vooreerst die van het lichaam en dan die der ziel. Over de eersten stellen wij ons vier vragen:
1. Moest Gods Zoon in de menselijke natuur lichaamsgebreken op zich nemen?
2. Was het uit noodzaak, dat Hij onder die gebreken leed?
3. Moest Hij krachtens contractie (1) die gebreken op zich nemen?
4. Nam Hij alle gebreken van dit soort op zich?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Moest Gods Zoon in de menselijke natuur lichaamsgebreken op Zich nemen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 12 a. 4 ad 3
IIIa q. 14 a. 3 ad 1
IIIa q. 14 a. 4 arg. 2
IIIa q. 14 a. 4 co.
IIIa q. 15 a. 1 co.
IIIa q. 15 a. 5 co.
IIIa q. 15 a. 5 ad 1
IIIa q. 15 a. 10 co.[t:iiia q. 12 a. 4 ad 3][t:iiia q. 14 a. 3 ad 1][t:iiia q. 14 a. 4 arg. 2][t:iiia q. 14 a. 4 co.][t:iiia q. 15 a. 1 co.][t:iiia q. 15 a. 5 co.][t:iiia q. 15 a. 5 ad 1][t:iiia q. 15 a. 10 co.]
IIIa q. 14 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon met de menselijke natuur geen lichaamsgebreken op Zich moest nemen. Want het lichaam is als de ziel met Gods Woord in persoon verenigd. Nu bezit, zoals boven is gezegd (7e Kw., 9e Art.; 9e Kw. en volgend), Christus’ ziel allerlei volmaaktheden van natuur zowel als van genade. Dus moest ook Zijn lichaam in alle opzichten volmaakt en zonder gebreken zijn.
R: q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9] q. 9[t:iiia q. 9]
IIIa q. 12 a. 4 ad 3
IIIa q. 14 a. 3 ad 1
IIIa q. 14 a. 4 arg. 2
IIIa q. 14 a. 4 co.
IIIa q. 15 a. 1 co.
IIIa q. 15 a. 5 co.
IIIa q. 15 a. 5 ad 1
IIIa q. 15 a. 10 co.[t:iiia q. 12 a. 4 ad 3][t:iiia q. 14 a. 3 ad 1][t:iiia q. 14 a. 4 arg. 2][t:iiia q. 14 a. 4 co.][t:iiia q. 15 a. 1 co.][t:iiia q. 15 a. 5 co.][t:iiia q. 15 a. 5 ad 1][t:iiia q. 15 a. 10 co.]
IIIa q. 14 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Gods Zoon met de menselijke natuur geen lichaamsgebreken op Zich moest nemen. Want het lichaam is als de ziel met Gods Woord in persoon verenigd. Nu bezit, zoals boven is gezegd (7e Kw., 9e Art.; 9e Kw. en volgend), Christus’ ziel allerlei volmaaktheden van natuur zowel als van genade. Dus moest ook Zijn lichaam in alle opzichten volmaakt en zonder gebreken zijn.
R: q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9] q. 9[t:iiia q. 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Christus' ziel zag Gods Woord met hetzelfde aanschouwen als de zaligen zoals boven is gezegd (9e Kw., 2e Art.), en op deze wijze was zij gelukkig. Nu wordt het lichaam verheerlijkt krachtens de verheerlijking der ziel, want Augustinus zegt in de Brief aan Dioscorus (118e Br., 3e H.): "God schonk aan de ziel zo'n volmaakte natuur, dat uit de volheid van haar volmaaktheid wel niet de volmaaktheid zelf, die eigen is aan wie door begrijpen geniet, maar de volheid der gezondheid, dwz. een kracht, die onbederfelijkheid geeft, op de lagere natuur, het lichaam namelijk overvloeit». Dus was Christus' lichaam onbederfelijk en zonder enig gebrek.
R: q. 9 a. 2[t:iiia q. 9 a. 2]
Vervolgens. Christus' ziel zag Gods Woord met hetzelfde aanschouwen als de zaligen zoals boven is gezegd (9e Kw., 2e Art.), en op deze wijze was zij gelukkig. Nu wordt het lichaam verheerlijkt krachtens de verheerlijking der ziel, want Augustinus zegt in de Brief aan Dioscorus (118e Br., 3e H.): "God schonk aan de ziel zo'n volmaakte natuur, dat uit de volheid van haar volmaaktheid wel niet de volmaaktheid zelf, die eigen is aan wie door begrijpen geniet, maar de volheid der gezondheid, dwz. een kracht, die onbederfelijkheid geeft, op de lagere natuur, het lichaam namelijk overvloeit». Dus was Christus' lichaam onbederfelijk en zonder enig gebrek.
R: q. 9 a. 2[t:iiia q. 9 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Straf volgt op schuld. Nu was er in Christus geen schuld volgens de Eerste Brief van Petrus (2, 22): "Die geen zonde heeft bedreven". Dus konden er geen lichaamsgebreken, die straffen zijn, gevonden worden.
B: (1Pet 2:22) [b:1Pet 2:22]
Vervolgens. Straf volgt op schuld. Nu was er in Christus geen schuld volgens de Eerste Brief van Petrus (2, 22): "Die geen zonde heeft bedreven". Dus konden er geen lichaamsgebreken, die straffen zijn, gevonden worden.
B: (1Pet 2:22) [b:1Pet 2:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Geen wijze aanvaardt wat hem van zijn doel afhoudt. De bedoeling nu der menswording schijnt door die gebreken op vele wijzen verijdeld te worden. Ten eerste worden de mensen door die gebreken belet Hem te kennen volgens Isaias (53, 2 en 3): "Wij hebben naar Hem verlangd: de verachte en minste der mensen, de man van smarten, die het lijden kent; en zijn aangezicht is als verborgen en veracht, zodat wij op Hem geen acht sloegen". Ten tweede scheen het verlangen der heilige Vaders in Hem niet vervuld te worden, want Isaias (51, 9) zegt namens hen: "Sta op, sta op en omgordt U met kracht, gij arm Gods". Ten derde zou men zeggen, dat de macht van de duivel op meer gepaste manier door kracht dan door zwakheid kon overwonnen worden en de menselijke zwakheid genezen. Dus schijnt het niet gepast te zijn geweest, dat Gods Zoon de menselijke natuur met lichamelijke zwakheden of gebreken aannam.
B: (Isa 51:9) [b:Isa 51:9] (Isa 53:2) [b:Isa 53:2] (Isa 53:3) [b:Isa 53:3]
Vervolgens. Geen wijze aanvaardt wat hem van zijn doel afhoudt. De bedoeling nu der menswording schijnt door die gebreken op vele wijzen verijdeld te worden. Ten eerste worden de mensen door die gebreken belet Hem te kennen volgens Isaias (53, 2 en 3): "Wij hebben naar Hem verlangd: de verachte en minste der mensen, de man van smarten, die het lijden kent; en zijn aangezicht is als verborgen en veracht, zodat wij op Hem geen acht sloegen". Ten tweede scheen het verlangen der heilige Vaders in Hem niet vervuld te worden, want Isaias (51, 9) zegt namens hen: "Sta op, sta op en omgordt U met kracht, gij arm Gods". Ten derde zou men zeggen, dat de macht van de duivel op meer gepaste manier door kracht dan door zwakheid kon overwonnen worden en de menselijke zwakheid genezen. Dus schijnt het niet gepast te zijn geweest, dat Gods Zoon de menselijke natuur met lichamelijke zwakheden of gebreken aannam.
B: (Isa 51:9) [b:Isa 51:9] (Isa 53:2) [b:Isa 53:2] (Isa 53:3) [b:Isa 53:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat, dat in de Hebreeënbrief (2, 18) wordt gezegd: "Omdat Hij Zelf geleden heeft en bekoord is, kan Hij ook hen, die bekoord worden helpen". Nu kwam Hij om ons te helpen, zodat David zei (Ps. 120, 1): "Ik heb mijn ogen opgeheven naar de bergen, waarvandaan mij hulp zal komen". Dus paste het, dat Gods Zoon het aan menselijke zwakheden onderworpen vlees aannam, opdat Hij daarin kon lijden en bekoord worden en zo ons helpen.
B: (Ps 120:1) [b:Ps 120:1] (Heb 2:18) [b:Heb 2:18]
Maar daartegenover staat, dat in de Hebreeënbrief (2, 18) wordt gezegd: "Omdat Hij Zelf geleden heeft en bekoord is, kan Hij ook hen, die bekoord worden helpen". Nu kwam Hij om ons te helpen, zodat David zei (Ps. 120, 1): "Ik heb mijn ogen opgeheven naar de bergen, waarvandaan mij hulp zal komen". Dus paste het, dat Gods Zoon het aan menselijke zwakheden onderworpen vlees aannam, opdat Hij daarin kon lijden en bekoord worden en zo ons helpen.
B: (Ps 120:1) [b:Ps 120:1] (Heb 2:18) [b:Heb 2:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 1 co.
Mijn antwoord. Vooral om drie redenen was het gepast, dat het door Gods Zoon aangenomen vlees aan menselijke zwakheden en gebreken onderworpen was. Ten eerste immers kwam Gods Zoon op aarde om voor de zonden van het menselijk geslacht voldoening te geven. Nu voldoet iemand voor de zonden van anderen door de door die ander verdiende straf op zich te nemen. Deze lichaamsgebreken echter, nl. dood, honger, dorst en dergelijken zijn een straf voor de zonde, die door Adam in de wereld werd gebracht volgens de Romeinenbrief (5, 12): "Door een mens kwam de zonde in de wereld en door de zonde de dood". Het paste dus bij het doel der menswording, dat Hij in onze plaats dergelijke straffen in ons vlees op Zich nam, volgens Isaias (53, 4): "Hij heeft waarlijk ons lijden gedragen". Ten tweede werd het geloof in de mensvordering bevestigd. Want omdat de mensen de menselijke natuur niet anders kenden dan onderworpen aan deze lichaamsgebreken, zou het niet geschenen hebben, dat Hij een echt mens was of een echt lichaam bezat, maar alleen een lichaam, dat wij ons inbeelden, zoals de Manichaeën zeiden. Zoals dus in de Brief aan de Philippensen (2, 7) wordt gezegd, "Vernietigde Hij zichzelf door de gestalte van een slaaf aan te nemen, aan de mensen gelijk te worden en uiterlijk als een mens te worden bevonden". Daarom ook werd Thomas door het beschouwen der wonden tot het geloof teruggebracht, zoals bij Johannes (20, 26 en vlgd.) wordt gezegd. Ten derde gaf Hij ons een voorbeeld van geduld, door het lijden der mensen en hun gebreken moedig te ondergaan. Daarom wordt in de Hebreeënbrief (12, 3) gezegd: "Van de zondaars onderging Hij tegenspraak, opdat gij niet uitgeput zou worden en de zielskracht verliezen".
B: (Isa 53:4) [b:Isa 53:4] (John 20:26, John 20:26) [b:John 20:26] (Rom 5:12) [b:Rom 5:12] (Phil 2:7) [b:Phil 2:7] (Heb 12:3) [b:Heb 12:3]
Mijn antwoord. Vooral om drie redenen was het gepast, dat het door Gods Zoon aangenomen vlees aan menselijke zwakheden en gebreken onderworpen was. Ten eerste immers kwam Gods Zoon op aarde om voor de zonden van het menselijk geslacht voldoening te geven. Nu voldoet iemand voor de zonden van anderen door de door die ander verdiende straf op zich te nemen. Deze lichaamsgebreken echter, nl. dood, honger, dorst en dergelijken zijn een straf voor de zonde, die door Adam in de wereld werd gebracht volgens de Romeinenbrief (5, 12): "Door een mens kwam de zonde in de wereld en door de zonde de dood". Het paste dus bij het doel der menswording, dat Hij in onze plaats dergelijke straffen in ons vlees op Zich nam, volgens Isaias (53, 4): "Hij heeft waarlijk ons lijden gedragen". Ten tweede werd het geloof in de mensvordering bevestigd. Want omdat de mensen de menselijke natuur niet anders kenden dan onderworpen aan deze lichaamsgebreken, zou het niet geschenen hebben, dat Hij een echt mens was of een echt lichaam bezat, maar alleen een lichaam, dat wij ons inbeelden, zoals de Manichaeën zeiden. Zoals dus in de Brief aan de Philippensen (2, 7) wordt gezegd, "Vernietigde Hij zichzelf door de gestalte van een slaaf aan te nemen, aan de mensen gelijk te worden en uiterlijk als een mens te worden bevonden". Daarom ook werd Thomas door het beschouwen der wonden tot het geloof teruggebracht, zoals bij Johannes (20, 26 en vlgd.) wordt gezegd. Ten derde gaf Hij ons een voorbeeld van geduld, door het lijden der mensen en hun gebreken moedig te ondergaan. Daarom wordt in de Hebreeënbrief (12, 3) gezegd: "Van de zondaars onderging Hij tegenspraak, opdat gij niet uitgeput zou worden en de zielskracht verliezen".
B: (Isa 53:4) [b:Isa 53:4] (John 20:26, John 20:26) [b:John 20:26] (Rom 5:12) [b:Rom 5:12] (Phil 2:7) [b:Phil 2:7] (Heb 12:3) [b:Heb 12:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Voldoen voor de zonden van anderen heeft de straffen, die iemand voor een ander ondergaat wel als voorwerp, maar het gaat uit van een gewoonte der ziel, waardoor iemand geneigd is om te willen voldoen voor anderen en waardoor die voldoening ook iets uitwerkt, omdat geen voldoening haar doel bereikt als zij niet uit liefde voortkomt; zoals beneden zal worden gezegd (Suppl. bij 't 3° Deel, 14° Kw., 2° Art.). Christus’ ziel moest dus vervolmaakt zijn door de gewoonten van wetenschap en deugd om te kunnen voldoen, en zijn lichaam moest aan kwalen onderworpen zijn om Hem het voorwerp ter voldoening niet te doen missen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 12 a. 4 ad 3[t:iiia q. 12 a. 4 ad 3]
1e Weerlegging. Voldoen voor de zonden van anderen heeft de straffen, die iemand voor een ander ondergaat wel als voorwerp, maar het gaat uit van een gewoonte der ziel, waardoor iemand geneigd is om te willen voldoen voor anderen en waardoor die voldoening ook iets uitwerkt, omdat geen voldoening haar doel bereikt als zij niet uit liefde voortkomt; zoals beneden zal worden gezegd (Suppl. bij 't 3° Deel, 14° Kw., 2° Art.). Christus’ ziel moest dus vervolmaakt zijn door de gewoonten van wetenschap en deugd om te kunnen voldoen, en zijn lichaam moest aan kwalen onderworpen zijn om Hem het voorwerp ter voldoening niet te doen missen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 12 a. 4 ad 3[t:iiia q. 12 a. 4 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Krachtens de natuurlijke verhouding tussen ziel en lichaam zou de verheerlijking der ziel in heerlijkheid op het lichaam overvloeien, maar in Christus was deze natuurlijke verhouding aan Zijn goddelijke wil onderworpen. Zo kwam het, dat de ziel de heerlijkheid voor zich behield en deze niet op het lichaam overvloeide, maar het vlees leed, zoals bij zijn natuur, die lijden kan, past. Zo ook zegt Damascenus (Over het Ware Geloof, 3° B., 19° H.): "Door toelating der goddelijke wil mocht het vlees lijden en handelen, zoals het bij zijn aard paste".
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 14 a. 2 co.
IIIa q. 15 a. 5 ad 3
IIIa q. 15 a. 6 arg. 1
IIIa q. 18 a. 5 co.
IIIa q. 45 a. 2 co.
IIIa q. 54 a. 2 co.[t:iiia q. 14 a. 2 co.][t:iiia q. 15 a. 5 ad 3][t:iiia q. 15 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 18 a. 5 co.][t:iiia q. 45 a. 2 co.][t:iiia q. 54 a. 2 co.]
2e Weerlegging. Krachtens de natuurlijke verhouding tussen ziel en lichaam zou de verheerlijking der ziel in heerlijkheid op het lichaam overvloeien, maar in Christus was deze natuurlijke verhouding aan Zijn goddelijke wil onderworpen. Zo kwam het, dat de ziel de heerlijkheid voor zich behield en deze niet op het lichaam overvloeide, maar het vlees leed, zoals bij zijn natuur, die lijden kan, past. Zo ook zegt Damascenus (Over het Ware Geloof, 3° B., 19° H.): "Door toelating der goddelijke wil mocht het vlees lijden en handelen, zoals het bij zijn aard paste".
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 14 a. 2 co.
IIIa q. 15 a. 5 ad 3
IIIa q. 15 a. 6 arg. 1
IIIa q. 18 a. 5 co.
IIIa q. 45 a. 2 co.
IIIa q. 54 a. 2 co.[t:iiia q. 14 a. 2 co.][t:iiia q. 15 a. 5 ad 3][t:iiia q. 15 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 18 a. 5 co.][t:iiia q. 45 a. 2 co.][t:iiia q. 54 a. 2 co.]
Referenties naar deze alinea: 6
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Straf eist altijd het bestaan van een schuld, of deze van een zondige daad of van de erfzonde komt; maar soms is het schuld van hem, die gestraft wordt, en soms schuld van een ander, in wiens plaats hij, die lijdt voor de straffen, voldoet. Zo geschiedde het bij Christus volgens Isaïas (53, 5): "Hij is gewond om onze misdaden en geslagen om onze boosheid".
B: (Isa 53:5) [b:Isa 53:5]
3e Weerlegging. Straf eist altijd het bestaan van een schuld, of deze van een zondige daad of van de erfzonde komt; maar soms is het schuld van hem, die gestraft wordt, en soms schuld van een ander, in wiens plaats hij, die lijdt voor de straffen, voldoet. Zo geschiedde het bij Christus volgens Isaïas (53, 5): "Hij is gewond om onze misdaden en geslagen om onze boosheid".
B: (Isa 53:5) [b:Isa 53:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. De zwakheid, die Christus op zich genomen had stond het doel der menswording niet in de weg, maar bevorderde dit ten sterkste, zoals werd gezegd (in de Leerstelling). En al werd door die zwakheid Zijn godheid verborgen, dan werd toch Zijn mensheid duidelijk kenbaar gemaakt; en die is juist de weg naar Zijn godheid volgens de Romeinenbrief (5, 1 en 2): "Wij hebben toegang tot God door Jezus Christus". — De oude Vaders echter verlangden in Christus geen tijdelijke kracht, maar geestelijke, waardoor Hij de duivel heeft overwonnen en de menselijke zwakheid genezen.
B: (Rom 5:1) [b:Rom 5:1] (Rom 5:2) [b:Rom 5:2]
4e Weerlegging. De zwakheid, die Christus op zich genomen had stond het doel der menswording niet in de weg, maar bevorderde dit ten sterkste, zoals werd gezegd (in de Leerstelling). En al werd door die zwakheid Zijn godheid verborgen, dan werd toch Zijn mensheid duidelijk kenbaar gemaakt; en die is juist de weg naar Zijn godheid volgens de Romeinenbrief (5, 1 en 2): "Wij hebben toegang tot God door Jezus Christus". — De oude Vaders echter verlangden in Christus geen tijdelijke kracht, maar geestelijke, waardoor Hij de duivel heeft overwonnen en de menselijke zwakheid genezen.
B: (Rom 5:1) [b:Rom 5:1] (Rom 5:2) [b:Rom 5:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was Christus uit noodzakelijkheid aan de lichaamsgebreken onderworpen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 13 a. 3 ad 2
IIIa q. 14 a. 4 co.
IIIa q. 15 a. 4 co.
IIIa q. 15 a. 5 co.
IIIa q. 15 a. 5 ad 1
IIIa q. 15 a. 10 co.[t:iiia q. 13 a. 3 ad 2][t:iiia q. 14 a. 4 co.][t:iiia q. 15 a. 4 co.][t:iiia q. 15 a. 5 co.][t:iiia q. 15 a. 5 ad 1][t:iiia q. 15 a. 10 co.]
IIIa q. 14 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus niet uit noodzakelijkheid aan de lichaamsgebreken onderworpen was. Want bij *Isaias* (53, 7) wordt gezegd: "Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde", en daar wordt gesproken van geofferd worden door lijden. Nu staat de vrije wil juist tegenover noodzakelijkheid. Dus was Christus niet uit noodzakelijkheid aan de lichaamsgebreken onderworpen.
B: (Isa 53:7) [b:Isa 53:7]
IIIa q. 13 a. 3 ad 2
IIIa q. 14 a. 4 co.
IIIa q. 15 a. 4 co.
IIIa q. 15 a. 5 co.
IIIa q. 15 a. 5 ad 1
IIIa q. 15 a. 10 co.[t:iiia q. 13 a. 3 ad 2][t:iiia q. 14 a. 4 co.][t:iiia q. 15 a. 4 co.][t:iiia q. 15 a. 5 co.][t:iiia q. 15 a. 5 ad 1][t:iiia q. 15 a. 10 co.]
IIIa q. 14 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus niet uit noodzakelijkheid aan de lichaamsgebreken onderworpen was. Want bij *Isaias* (53, 7) wordt gezegd: "Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde", en daar wordt gesproken van geofferd worden door lijden. Nu staat de vrije wil juist tegenover noodzakelijkheid. Dus was Christus niet uit noodzakelijkheid aan de lichaamsgebreken onderworpen.
B: (Isa 53:7) [b:Isa 53:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Damascenus zegt in het 3e boek (*Over het Ware Geloof*, 20e H.): "In Christus wordt niets gedwongen gevonden, maar alles was vrijwillig". Wat nu vrijwillig is, gebeurt niet uit noodzakelijkheid. Dus waren die gebreken niet krachtens een noodzakelijkheid in Christus.
Vervolgens. Damascenus zegt in het 3e boek (*Over het Ware Geloof*, 20e H.): "In Christus wordt niets gedwongen gevonden, maar alles was vrijwillig". Wat nu vrijwillig is, gebeurt niet uit noodzakelijkheid. Dus waren die gebreken niet krachtens een noodzakelijkheid in Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Noodzakelijkheid wordt iemand door een machtigere opgelegd. Geen schepsel echter is machtiger dan Christus’ ziel, waaraan het toekwam haar eigen lichaam te beschermen. Dus waren die zwakheden of gebreken niet krachtens een noodzakelijkheid in Christus.
Vervolgens. Noodzakelijkheid wordt iemand door een machtigere opgelegd. Geen schepsel echter is machtiger dan Christus’ ziel, waaraan het toekwam haar eigen lichaam te beschermen. Dus waren die zwakheden of gebreken niet krachtens een noodzakelijkheid in Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Romeinenbrief (8, 3) zegt: "God zond Zijn Zoon in de gedaante van het zondige vlees". Nu bevindt het zondige vlees zich in zo’n toestand, dat het moet sterven en ander lijden ondergaan. Dus lag in Christus’ vlees de noodzakelijkheid om deze gebreken te dragen.
B: (Rom 8:3) [b:Rom 8:3]
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Romeinenbrief (8, 3) zegt: "God zond Zijn Zoon in de gedaante van het zondige vlees". Nu bevindt het zondige vlees zich in zo’n toestand, dat het moet sterven en ander lijden ondergaan. Dus lag in Christus’ vlees de noodzakelijkheid om deze gebreken te dragen.
B: (Rom 8:3) [b:Rom 8:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 2 co.
Mijn antwoord. Er is een dubbele noodzakelijkheid. En wel een van dwang, die door een invloed van buitenaf wordt opgelegd. Dit soort noodzakelijkheid is zowel aan de natuur als aan de wil, die beiden beginselen zijn, die van binnenuit werken, tegenovergesteld. Maar er is nog een andere en wel een natuurlijke noodzakelijkheid, die uit de beginselen der natuur voortkomt, bijvoorbeeld uit de vorm, zoals het vuur noodzakelijk verwarmt, of uit de stof, zoals een lichaam, dat uit tegenstrijdige elementen is opgebouwd. Spreken wij echter over de noodzakelijkheid uit dwang, in zover deze strijdt met de natuur van het lichaam, dan was Christus’ vlees toch ook weer krachtens de toestand van zijn eigen natuur gebonden aan de noodzakelijkheid om door spijkers doorboord en door geesel geslagen te worden. — Wat het strijden van deze noodzakelijkheid met de wil betreft, is het echter duidelijk, dat er bij Christus geen sprake was van noodzakelijkheid om deze smarten te verduren, noch volgens de goddelijke, noch zelfs absoluut gesproken volgens de menselijke wil, in zover deze zich richt naar het verstandsoverleg, maar alleen naar de zuiver natuurlijke werkzaamheid van de wil, die namelijk van nature dood en lichaamslijden ontvlucht.
R: q. 14 a. 1 ad 2[t:iiia q. 14 a. 1 ad 2]
Mijn antwoord. Er is een dubbele noodzakelijkheid. En wel een van dwang, die door een invloed van buitenaf wordt opgelegd. Dit soort noodzakelijkheid is zowel aan de natuur als aan de wil, die beiden beginselen zijn, die van binnenuit werken, tegenovergesteld. Maar er is nog een andere en wel een natuurlijke noodzakelijkheid, die uit de beginselen der natuur voortkomt, bijvoorbeeld uit de vorm, zoals het vuur noodzakelijk verwarmt, of uit de stof, zoals een lichaam, dat uit tegenstrijdige elementen is opgebouwd. Spreken wij echter over de noodzakelijkheid uit dwang, in zover deze strijdt met de natuur van het lichaam, dan was Christus’ vlees toch ook weer krachtens de toestand van zijn eigen natuur gebonden aan de noodzakelijkheid om door spijkers doorboord en door geesel geslagen te worden. — Wat het strijden van deze noodzakelijkheid met de wil betreft, is het echter duidelijk, dat er bij Christus geen sprake was van noodzakelijkheid om deze smarten te verduren, noch volgens de goddelijke, noch zelfs absoluut gesproken volgens de menselijke wil, in zover deze zich richt naar het verstandsoverleg, maar alleen naar de zuiver natuurlijke werkzaamheid van de wil, die namelijk van nature dood en lichaamslijden ontvlucht.
R: q. 14 a. 1 ad 2[t:iiia q. 14 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Men zegt van Christus, dat Hij "geofferd werd, omdat Hij het zelf wilde" zowel met Zijn goddelijke, als met Zijn menselijke, door de rede geleide wil, al strijdt dan ook de dood met het natuurlijke streven van de menselijke wil, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 23e en 24e H.).
1e Weerlegging. Men zegt van Christus, dat Hij "geofferd werd, omdat Hij het zelf wilde" zowel met Zijn goddelijke, als met Zijn menselijke, door de rede geleide wil, al strijdt dan ook de dood met het natuurlijke streven van de menselijke wil, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 23e en 24e H.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Het antwoord hierop volgt uit het voorafgaande (Leerstelling).
2e Weerlegging. Het antwoord hierop volgt uit het voorafgaande (Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Absoluut genomen was er niets machtiger dan Christus’ ziel, maar er is niets tegen dat iets in een bepaald geval machtiger is, zoals de spijker bij het doorboren. Dit wordt echter gezegd van Christus’ ziel alleen beschouwd naar haar eigen natuur en kracht.
3e Weerlegging. Absoluut genomen was er niets machtiger dan Christus’ ziel, maar er is niets tegen dat iets in een bepaald geval machtiger is, zoals de spijker bij het doorboren. Dit wordt echter gezegd van Christus’ ziel alleen beschouwd naar haar eigen natuur en kracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Had Christus lichaamsgebreken krachtens z.g. contractie?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 15 a. 5 ad 1
IIIa q. 37 a. 1 arg. 3
IIIa q. 86 a. 1 ad 3[t:iiia q. 15 a. 5 ad 1][t:iiia q. 37 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 86 a. 1 ad 3]
IIIa q. 14 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus krachtens contractie lichaamsgebreken had. Wij spreken immers van contractie, als men bij zijn ontstaan iets krijgt tegelijk met de natuur. Nu kreeg Christus deze gebreken bij Zijn geboorte tegelijk met de menselijke natuur van Zijn Moeder, wier vlees onder deze gebreken gebukt ging. Dus schijnt Hij deze gebreken krachtens contractie te hebben.
IIIa q. 15 a. 5 ad 1
IIIa q. 37 a. 1 arg. 3
IIIa q. 86 a. 1 ad 3[t:iiia q. 15 a. 5 ad 1][t:iiia q. 37 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 86 a. 1 ad 3]
IIIa q. 14 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus krachtens contractie lichaamsgebreken had. Wij spreken immers van contractie, als men bij zijn ontstaan iets krijgt tegelijk met de natuur. Nu kreeg Christus deze gebreken bij Zijn geboorte tegelijk met de menselijke natuur van Zijn Moeder, wier vlees onder deze gebreken gebukt ging. Dus schijnt Hij deze gebreken krachtens contractie te hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Wat door de beginselen der natuur veroorzaakt wordt, krijgt men tegelijk met de natuur en dus door contractie. Deze straffen nu worden door de beginselen der natuur teweeggebracht. Dus had Christus ze door contractie.
Vervolgens. Wat door de beginselen der natuur veroorzaakt wordt, krijgt men tegelijk met de natuur en dus door contractie. Deze straffen nu worden door de beginselen der natuur teweeggebracht. Dus had Christus ze door contractie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Christus is door deze gebreken gelijk aan de andere mensen, zoals in de Hebreeënbrief (2, 17) wordt gezegd. De andere mensen nu hebben deze gebreken door contractie. Dus schijnt Christus ze ook door contractie te hebben.
B: (Heb 2:17) [b:Heb 2:17]
Vervolgens. Christus is door deze gebreken gelijk aan de andere mensen, zoals in de Hebreeënbrief (2, 17) wordt gezegd. De andere mensen nu hebben deze gebreken door contractie. Dus schijnt Christus ze ook door contractie te hebben.
B: (Heb 2:17) [b:Heb 2:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, dat deze gebreken om de zonde door contractie gekregen worden volgens de Romeinenbrief (5, 12): "Door een mens kwam de zonde in deze wereld en door de zonde de dood". Nu was er geen zonde in Christus. Dus had Hij die gebreken niet door contractie.
B: (Rom 5:12) [b:Rom 5:12]
Maar daartegenover staat, dat deze gebreken om de zonde door contractie gekregen worden volgens de Romeinenbrief (5, 12): "Door een mens kwam de zonde in deze wereld en door de zonde de dood". Nu was er geen zonde in Christus. Dus had Hij die gebreken niet door contractie.
B: (Rom 5:12) [b:Rom 5:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 3 co.
Mijn antwoord. In de term contraheren wordt een verhouding van oorzaak tot gevolg uitgedrukt, omdat wij ervan spreken, als iets noodzakelijkerwijs tegelijk met zijn oorzaak verkregen wordt. Nu is de zonde in de menselijke natuur de oorzaak van dood en dergelijke ellenden, omdat "door de zonde de dood in deze wereld gekomen is", zoals in de Romeinenbrief (5, 12) wordt gezegd. Daarom spreekt men in eigenlijke zin over contraheren van deze gebreken bij hen, die ze moeten hebben om de zonde. Christus echter werd niet om een zondeschuld door deze gebreken getroffen, want zoals Augustinus (3, 31) in zijn uitleg van Johannes (3, 31): "Wie van boven komt, staat boven alles", zegt: "daalde Christus van boven neer, dwz. van de verhevenheid, die de menselijke natuur voor de zonde van de eerste mens bezat". Want zonder zonde nam Hij de menselijke natuur in dezelfde reinheid aan, als zij bezat in de staat van onschuld. Evenzo had Hij ook de menselijke natuur zonder gebreken kunnen aannemen. Zo blijkt het dus, dat Hij die gebreken niet krachtens contractie had, alsof Hij ze om zondeschuld onderging, maar door eigen vrije wil.
B: (John 3:31, John 3:31) [b:John 3:31] (Rom 5:12) [b:Rom 5:12]
Mijn antwoord. In de term contraheren wordt een verhouding van oorzaak tot gevolg uitgedrukt, omdat wij ervan spreken, als iets noodzakelijkerwijs tegelijk met zijn oorzaak verkregen wordt. Nu is de zonde in de menselijke natuur de oorzaak van dood en dergelijke ellenden, omdat "door de zonde de dood in deze wereld gekomen is", zoals in de Romeinenbrief (5, 12) wordt gezegd. Daarom spreekt men in eigenlijke zin over contraheren van deze gebreken bij hen, die ze moeten hebben om de zonde. Christus echter werd niet om een zondeschuld door deze gebreken getroffen, want zoals Augustinus (3, 31) in zijn uitleg van Johannes (3, 31): "Wie van boven komt, staat boven alles", zegt: "daalde Christus van boven neer, dwz. van de verhevenheid, die de menselijke natuur voor de zonde van de eerste mens bezat". Want zonder zonde nam Hij de menselijke natuur in dezelfde reinheid aan, als zij bezat in de staat van onschuld. Evenzo had Hij ook de menselijke natuur zonder gebreken kunnen aannemen. Zo blijkt het dus, dat Hij die gebreken niet krachtens contractie had, alsof Hij ze om zondeschuld onderging, maar door eigen vrije wil.
B: (John 3:31, John 3:31) [b:John 3:31] (Rom 5:12) [b:Rom 5:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het vlees der Moedermaagd werd in erfzonde ontvangen en contracteerde dus deze gebreken. Christus’ vlees echter kreeg zijn natuur zonder zonde uit de Maagd. En evenzo had Hij Zijn natuur kunnen krijgen zonder de straffen te dragen, maar Hij wilde de straf op Zich nemen om het werk van onze verlossing te voltooien, zoals reeds is gezegd (1° Art.). En dus leed Hij niet krachtens contractie onder deze gebreken, maar omdat Hij ze vrijwillig op Zich nam.
R: q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 7 s. c.[t:iiia q. 31 a. 7 s. c.]
1e Weerlegging. Het vlees der Moedermaagd werd in erfzonde ontvangen en contracteerde dus deze gebreken. Christus’ vlees echter kreeg zijn natuur zonder zonde uit de Maagd. En evenzo had Hij Zijn natuur kunnen krijgen zonder de straffen te dragen, maar Hij wilde de straf op Zich nemen om het werk van onze verlossing te voltooien, zoals reeds is gezegd (1° Art.). En dus leed Hij niet krachtens contractie onder deze gebreken, maar omdat Hij ze vrijwillig op Zich nam.
R: q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 7 s. c.[t:iiia q. 31 a. 7 s. c.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Van de dood en andere lichaamsgebreken is er in de menselijke natuur een dubbele oorzaak. En wel een meer verwijderde, die wij moeten zoeken in de stoffelijke beginselen van het menselijk lichaam, in zover dit uit tegenstrijdige elementen is opgebouwd. Maar de uitwerking van deze oorzaak werd tegengehouden door de oorspronkelijke rechtvaardigheid. De naaste oorzaak van dood en andere gebreken is dus de zonde, waardoor de oorspronkelijke rechtvaardigheid verloren ging. Daarom zegt men, dat Christus, die zonder zonde was, die gebreken niet door contractie had, maar door ze vrijwillig op zich te nemen.
2e Weerlegging. Van de dood en andere lichaamsgebreken is er in de menselijke natuur een dubbele oorzaak. En wel een meer verwijderde, die wij moeten zoeken in de stoffelijke beginselen van het menselijk lichaam, in zover dit uit tegenstrijdige elementen is opgebouwd. Maar de uitwerking van deze oorzaak werd tegengehouden door de oorspronkelijke rechtvaardigheid. De naaste oorzaak van dood en andere gebreken is dus de zonde, waardoor de oorspronkelijke rechtvaardigheid verloren ging. Daarom zegt men, dat Christus, die zonder zonde was, die gebreken niet door contractie had, maar door ze vrijwillig op zich te nemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Wat de soort gebreken betreft, staat Christus met de andere mensen op één lijn, maar niet wat hun oorzaak betreft. En daarom had Hij die gebreken niet door contractie.
3e Weerlegging. Wat de soort gebreken betreft, staat Christus met de andere mensen op één lijn, maar niet wat hun oorzaak betreft. En daarom had Hij die gebreken niet door contractie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Moest Christus alle lichaamsgebreken der mensen op Zich nemen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 12 a. 4 ad 3
IIIa q. 46 a. 5 co.
IIIa q. 46 a. 9 ad 4[t:iiia q. 12 a. 4 ad 3][t:iiia q. 46 a. 5 co.][t:iiia q. 46 a. 9 ad 4]
IIIa q. 14 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus alle lichaamsgebreken der mensen op Zich moest nemen. Want Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 6e en 18e H.): "Wat niet aangenomen kan worden, is ongeneeslijk". Maar Christus is gekomen om al onze gebreken te genezen. Dus moest Hij al onze gebreken op Zich nemen.
IIIa q. 12 a. 4 ad 3
IIIa q. 46 a. 5 co.
IIIa q. 46 a. 9 ad 4[t:iiia q. 12 a. 4 ad 3][t:iiia q. 46 a. 5 co.][t:iiia q. 46 a. 9 ad 4]
IIIa q. 14 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus alle lichaamsgebreken der mensen op Zich moest nemen. Want Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 6e en 18e H.): "Wat niet aangenomen kan worden, is ongeneeslijk". Maar Christus is gekomen om al onze gebreken te genezen. Dus moest Hij al onze gebreken op Zich nemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Wij hebben gezegd (1° Art., Antw. op de 1° B.), dat Christus om voor ons te voldoen in Zijn ziel vervolmakende gewoonten en in Zijn lichaam gebreken moest hebben. Nu heeft Hij wat de ziel betreft de volheid van alle genaden aangenomen. Dus moest Hij ook in Zijn lichaam alle gebreken op zich nemen.
R: q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1]
Vervolgens. Wij hebben gezegd (1° Art., Antw. op de 1° B.), dat Christus om voor ons te voldoen in Zijn ziel vervolmakende gewoonten en in Zijn lichaam gebreken moest hebben. Nu heeft Hij wat de ziel betreft de volheid van alle genaden aangenomen. Dus moest Hij ook in Zijn lichaam alle gebreken op zich nemen.
R: q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Onder alle lichaamsgebreken staat de dood vooraan. Nu nam Christus op zich de dood te ondergaan. Dus moest Hij zoveel te eerder alle andere gebreken op zich nemen.
Vervolgens. Onder alle lichaamsgebreken staat de dood vooraan. Nu nam Christus op zich de dood te ondergaan. Dus moest Hij zoveel te eerder alle andere gebreken op zich nemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat, dat in dezelfde persoon geen tegenstrijdige dingen kunnen gebeuren. Nu zijn sommige gebreken aan elkaar tegenstrijdig, omdat zij uit verschillende beginselen voortkomen. Dus kon Christus onmogelijk alle kwalen op zich nemen.
Maar daartegenover staat, dat in dezelfde persoon geen tegenstrijdige dingen kunnen gebeuren. Nu zijn sommige gebreken aan elkaar tegenstrijdig, omdat zij uit verschillende beginselen voortkomen. Dus kon Christus onmogelijk alle kwalen op zich nemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals is gezegd (1° Art.), heeft Christus de menselijke gebreken op Zich genomen om voor de zonden der menselijke natuur te voldoen. In Zijn ziel werd daartoe de voormaat van wetenschap en genade vereist. Christus moest dus die gebreken op Zich nemen, die uit de zonde der gezamenlijke menselijke natuur voortkomen en niet strijden met de volmaaktheid van Zijn kennis en genade. Het was dus niet passend, dat Hij alle menselijke zwakheden en gebreken op Zich nam. Want er zijn gebreken, die met de volmaaktheid van wetenschap en genade in strijd zijn als onwetendheid, geneigdheid tot het kwaad en traagheid tot het goede. Nu zijn er ook sommige gebreken, die niet om de zonde van de eerste stamvader uit de menselijke natuur in het algemeen voortkomen, maar bij sommige mensen door bijzondere oorzaken worden teweeggebracht, als melaatsheid, vallende ziekte en dergelijke. Soms worden deze gebreken veroorzaakt door schuld van de mens, bv. door onmatigheid in het eten, maar soms komen zij voort uit een tekort in de voortplantingskracht. En bij Christus past geen van beiden, omdat Zijn vlees werd ontvangen van de H. Geest, die als oneindig in kracht en wijsheid niet kan falen en tekort schieten, en Hij zelf heeft in het verloop van Zijn leven niets gedaan, wat met de rede in strijd was. Maar er is een derde soort gebreken, die bij alle mensen gemeenschappelijk gevonden worden om de zonde van de eerste stamvader, als de dood, honger en dorst en dergelijke. En al deze gebreken nam Christus op Zich. Damascenus (Over het Ware Geloof, 1° B., 11° H.; 3° B., 20° H.) noemt hen "natuurlijke en niet tot verachting aanleiding gevende" gebreken, omdat zij algemeen uit de menselijke natuur voortkomen en geen reden tot verachting geven, daar zij geen tekort aan kennis en genade meebrengen.
R: q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1] q. 14 a. 2[t:iiia q. 14 a. 2]
Mijn antwoord. Zoals is gezegd (1° Art.), heeft Christus de menselijke gebreken op Zich genomen om voor de zonden der menselijke natuur te voldoen. In Zijn ziel werd daartoe de voormaat van wetenschap en genade vereist. Christus moest dus die gebreken op Zich nemen, die uit de zonde der gezamenlijke menselijke natuur voortkomen en niet strijden met de volmaaktheid van Zijn kennis en genade. Het was dus niet passend, dat Hij alle menselijke zwakheden en gebreken op Zich nam. Want er zijn gebreken, die met de volmaaktheid van wetenschap en genade in strijd zijn als onwetendheid, geneigdheid tot het kwaad en traagheid tot het goede. Nu zijn er ook sommige gebreken, die niet om de zonde van de eerste stamvader uit de menselijke natuur in het algemeen voortkomen, maar bij sommige mensen door bijzondere oorzaken worden teweeggebracht, als melaatsheid, vallende ziekte en dergelijke. Soms worden deze gebreken veroorzaakt door schuld van de mens, bv. door onmatigheid in het eten, maar soms komen zij voort uit een tekort in de voortplantingskracht. En bij Christus past geen van beiden, omdat Zijn vlees werd ontvangen van de H. Geest, die als oneindig in kracht en wijsheid niet kan falen en tekort schieten, en Hij zelf heeft in het verloop van Zijn leven niets gedaan, wat met de rede in strijd was. Maar er is een derde soort gebreken, die bij alle mensen gemeenschappelijk gevonden worden om de zonde van de eerste stamvader, als de dood, honger en dorst en dergelijke. En al deze gebreken nam Christus op Zich. Damascenus (Over het Ware Geloof, 1° B., 11° H.; 3° B., 20° H.) noemt hen "natuurlijke en niet tot verachting aanleiding gevende" gebreken, omdat zij algemeen uit de menselijke natuur voortkomen en geen reden tot verachting geven, daar zij geen tekort aan kennis en genade meebrengen.
R: q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1] q. 14 a. 2[t:iiia q. 14 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Alle bijzondere gebreken der mensen worden veroorzaakt, doordat het lichaam kan lijden en vergaan, waarbij dan nog bijzondere oorzaken komen. Terwijl Christus dus die geschiktheid van het lichaam om te lijden heelde door haar op Zich te nemen, genas Hij daardoor alle andere gebreken.
Verwijzingen naar deze alinea: Ia q. 97 a. 1 ad 3[t:ia q. 97 a. 1 ad 3]
1e Weerlegging. Alle bijzondere gebreken der mensen worden veroorzaakt, doordat het lichaam kan lijden en vergaan, waarbij dan nog bijzondere oorzaken komen. Terwijl Christus dus die geschiktheid van het lichaam om te lijden heelde door haar op Zich te nemen, genas Hij daardoor alle andere gebreken.
Verwijzingen naar deze alinea: Ia q. 97 a. 1 ad 3[t:ia q. 97 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae, Prima Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Op zichzelf reeds had Christus’ ziel hierom recht op de volheid van alle genade en wetenschap, omdat zij door Gods Woord aangenomen was. En daarom nam Christus de volheid van genade en wetenschap absoluut aan. Maar onze gebreken nam Hij door bijzondere toelating op zich om voor onze zonden te voldoen, niet omdat zij Hem op zichzelf beschouwd toekwamen. Daarom moest Hij ze niet alle op zich nemen, maar alleen die, welke voldoende waren om te voldoen voor de zonden van de gehele menselijke natuur.
2e Weerlegging. Op zichzelf reeds had Christus’ ziel hierom recht op de volheid van alle genade en wetenschap, omdat zij door Gods Woord aangenomen was. En daarom nam Christus de volheid van genade en wetenschap absoluut aan. Maar onze gebreken nam Hij door bijzondere toelating op zich om voor onze zonden te voldoen, niet omdat zij Hem op zichzelf beschouwd toekwamen. Daarom moest Hij ze niet alle op zich nemen, maar alleen die, welke voldoende waren om te voldoen voor de zonden van de gehele menselijke natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 14 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De dood kwam over alle mensen door de zonde van de eerste stamvader, maar de andere gebreken niet, al zijn zij dan ook minder dan de dood. Daarom gaat dezelfde reden niet voor beide op.
3e Weerlegging. De dood kwam over alle mensen door de zonde van de eerste stamvader, maar de andere gebreken niet, al zijn zij dan ook minder dan de dood. Daarom gaat dezelfde reden niet voor beide op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 15: Over de tot de ziel behorende gebreken, die Christus in de menselijke natuur op Zich nam
IIIa q. 15 pr.
Vervolgens moeten wij de tot de ziel behorende gebreken behandelen. En hierover stellen wij ons tien vragen:
1. Was er zonde in Christus?
2. Bestond er een haard van zonden in Christus?
3. Was er onkunde in Hem?
4. Kon Zijn ziel lijden?
5. Bestond er in Hem zintuiglijke smart?
6. Bestond er droefheid in Hem?
7. Bestond er vrees in Hem?
8. Verwonderde Hij zich over iets?
9. Was er toorn in Hem?
10. Was Hij tegelijk pelgrim naar de hemel en bewoner ervan?
Vervolgens moeten wij de tot de ziel behorende gebreken behandelen. En hierover stellen wij ons tien vragen:
1. Was er zonde in Christus?
2. Bestond er een haard van zonden in Christus?
3. Was er onkunde in Hem?
4. Kon Zijn ziel lijden?
5. Bestond er in Hem zintuiglijke smart?
6. Bestond er droefheid in Hem?
7. Bestond er vrees in Hem?
8. Verwonderde Hij zich over iets?
9. Was er toorn in Hem?
10. Was Hij tegelijk pelgrim naar de hemel en bewoner ervan?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was er zonde in Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 7 a. 2 ad 3
IIIa q. 7 a. 6 arg. 2
IIIa q. 18 a. 4 arg. 3
IIIa q. 18 a. 4 s. c.
IIIa q. 37 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 7 a. 2 ad 3][t:iiia q. 7 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 18 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 18 a. 4 s. c.][t:iiia q. 37 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 15 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat er wel zonde in Christus was. Want in een der Psalmen wordt gezegd (Ps. 21, 2): "Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? Mijn zondige woorden zijn ver van Uw heil". Nu wordt dit in Christus’ naam gezegd, zoals blijkt uit het feit, dat Hij die op het kruis uitsprak. Dus schijnen er zonden in Hem te zijn geweest.
B: (Ps 21:2) [b:Ps 21:2]
IIIa q. 7 a. 2 ad 3
IIIa q. 7 a. 6 arg. 2
IIIa q. 18 a. 4 arg. 3
IIIa q. 18 a. 4 s. c.
IIIa q. 37 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 7 a. 2 ad 3][t:iiia q. 7 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 18 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 18 a. 4 s. c.][t:iiia q. 37 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 15 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat er wel zonde in Christus was. Want in een der Psalmen wordt gezegd (Ps. 21, 2): "Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? Mijn zondige woorden zijn ver van Uw heil". Nu wordt dit in Christus’ naam gezegd, zoals blijkt uit het feit, dat Hij die op het kruis uitsprak. Dus schijnen er zonden in Hem te zijn geweest.
B: (Ps 21:2) [b:Ps 21:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 1 arg. 2
Vervolgens. In de Romeinenbrief (5, 12) zegt de Apostel: "Allen hebben in Adam gezondigd", omdat allen nl. oorspronkelijk in hem aanwezig waren. Nu was ook Christus oorspronkelijk in Adam aanwezig. Dus heeft ook Hij in hem gezondigd.
B: (Rom 5:12) [b:Rom 5:12]
Vervolgens. In de Romeinenbrief (5, 12) zegt de Apostel: "Allen hebben in Adam gezondigd", omdat allen nl. oorspronkelijk in hem aanwezig waren. Nu was ook Christus oorspronkelijk in Adam aanwezig. Dus heeft ook Hij in hem gezondigd.
B: (Rom 5:12) [b:Rom 5:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 1 arg. 3
Vervolgens. De Apostel zegt in de Hebreeënbrief (2, 18), dat "Christus, omdat Hij geleden heeft en beproefd is, ook hen, die beproefd worden, kan helpen". Maar wij hebben nog meer behoefte aan Zijn hulp tegen de zonde. Dus zou men zeggen, dat er in Hem ook zonde is geweest.
B: (Heb 2:18) [b:Heb 2:18]
Vervolgens. De Apostel zegt in de Hebreeënbrief (2, 18), dat "Christus, omdat Hij geleden heeft en beproefd is, ook hen, die beproefd worden, kan helpen". Maar wij hebben nog meer behoefte aan Zijn hulp tegen de zonde. Dus zou men zeggen, dat er in Hem ook zonde is geweest.
B: (Heb 2:18) [b:Heb 2:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 1 arg. 4
Vervolgens. In de Tweede Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd, dat God "Hem, die geen zonde kende, voor ons tot zonde heeft gemaakt", namelijk Christus. Nu is iets werkelijk dat wat God ervan maakt. Dus was er waarlijk zonde in Christus.
B: (2Cor 5:21) [b:2Cor 5:21]
Vervolgens. In de Tweede Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd, dat God "Hem, die geen zonde kende, voor ons tot zonde heeft gemaakt", namelijk Christus. Nu is iets werkelijk dat wat God ervan maakt. Dus was er waarlijk zonde in Christus.
B: (2Cor 5:21) [b:2Cor 5:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 1 arg. 5
Vervolgens. Zoals Augustinus zegt in het boek Over de Strijd van de Christen (11e H.), "gaf Gods Zoon Zichzelf aan ons in de mens Christus als voorbeeld". Nu heeft de mens niet alleen een voorbeeld nodig om goed te leven maar ook om berouw over de zonde te hebben. Dus schijnt het, dat er in Christus zonde moest zijn, opdat Hij ons in berouw over de zonde een voorbeeld van berouw kon geven.
Vervolgens. Zoals Augustinus zegt in het boek Over de Strijd van de Christen (11e H.), "gaf Gods Zoon Zichzelf aan ons in de mens Christus als voorbeeld". Nu heeft de mens niet alleen een voorbeeld nodig om goed te leven maar ook om berouw over de zonde te hebben. Dus schijnt het, dat er in Christus zonde moest zijn, opdat Hij ons in berouw over de zonde een voorbeeld van berouw kon geven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Hijzelf bij Johannes (8, 46) zegt: "Wie van jou zal mij van zonde overtuigen?"
B: (John 8:46, John 8:46) [b:John 8:46]
Maar daartegenover staat, dat Hijzelf bij Johannes (8, 46) zegt: "Wie van jou zal mij van zonde overtuigen?"
B: (John 8:46, John 8:46) [b:John 8:46]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (14e Kw., 1e Art.), nam Christus onze gebreken op zich om voor ons te voldoen en te bewijzen, dat zijn menselijke natuur echt was en om een voorbeeld van deugden voor ons te worden. Nu is het duidelijk, dat het voor deze drie dingen niet nodig was het zondegebrek op zich te nemen. Ten eerste immers draagt de zonde in het geheel niets bij tot de voldoening, maar maakt zij deze integendeel krachteloos, omdat zoals bij Ecclesiasticus (34, 23) gezegd wordt, "de Heer de gaven der onrechtvaardigheid het ontvangen niet waardig keurt". De echtheid der menselijke natuur blijkt evenmin uit de zonde, omdat de zonde niet tot de menselijke natuur, die door God is voortgebracht, behoort, maar eerder tegen onze natuur door "het zaad van de duivel" in ons gebracht is, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3° B., 20° H.). De zonde kon ten derde geen voorbeeld van deugd zijn, omdat zij tegenover de deugd staat. Dus nam Christus het gebrek van erfzonde noch van zonde door een daad op zich, zoals in de Eerste Brief van Petrus (2, 22) wordt gezegd: "Hij heeft geen zonde bedreven en in zijn mond is geen bedrog gevonden".
B: (1Pet 2:22) [b:1Pet 2:22] (Sir 34:23) [b:Sir 34:23]
R: q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (14e Kw., 1e Art.), nam Christus onze gebreken op zich om voor ons te voldoen en te bewijzen, dat zijn menselijke natuur echt was en om een voorbeeld van deugden voor ons te worden. Nu is het duidelijk, dat het voor deze drie dingen niet nodig was het zondegebrek op zich te nemen. Ten eerste immers draagt de zonde in het geheel niets bij tot de voldoening, maar maakt zij deze integendeel krachteloos, omdat zoals bij Ecclesiasticus (34, 23) gezegd wordt, "de Heer de gaven der onrechtvaardigheid het ontvangen niet waardig keurt". De echtheid der menselijke natuur blijkt evenmin uit de zonde, omdat de zonde niet tot de menselijke natuur, die door God is voortgebracht, behoort, maar eerder tegen onze natuur door "het zaad van de duivel" in ons gebracht is, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3° B., 20° H.). De zonde kon ten derde geen voorbeeld van deugd zijn, omdat zij tegenover de deugd staat. Dus nam Christus het gebrek van erfzonde noch van zonde door een daad op zich, zoals in de Eerste Brief van Petrus (2, 22) wordt gezegd: "Hij heeft geen zonde bedreven en in zijn mond is geen bedrog gevonden".
B: (1Pet 2:22) [b:1Pet 2:22] (Sir 34:23) [b:Sir 34:23]
R: q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 25e H.) zegt, zegt men op twee manieren iets van Christus, ten eerste om een eigenschap, die van natuur of hypostase komt, zoals men zegt, dat Hij mens geworden is en voor ons geleden heeft; en daarnaast om een persoonlijke eigenschap, die Hij krachtens een of andere verhouding bezit, zoals namelijk sommige dingen van Hem in plaats van ons worden gezegd, ofschoon zij Hem op zichzelf helemaal niet toekomen. Daarom vinden wij als eerste onder de zeven regels van Tichonius, die Augustinus in het 3e boek Over de Christelijke leer (31e H) opgeeft, die over de Heer en Zijn lichaam, daar namelijk "Christus en de Kerk als één persoon beschouwd worden". En zo spreekt Christus in naam van Zijn ledematen die tekst over "Mijn zondige woorden" uit, niet alsof er in Hem, het Hoofd zelf, zonden zouden zijn.
B: (Ps 21:2) [b:Ps 21:2]
1e Weerlegging. Zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 25e H.) zegt, zegt men op twee manieren iets van Christus, ten eerste om een eigenschap, die van natuur of hypostase komt, zoals men zegt, dat Hij mens geworden is en voor ons geleden heeft; en daarnaast om een persoonlijke eigenschap, die Hij krachtens een of andere verhouding bezit, zoals namelijk sommige dingen van Hem in plaats van ons worden gezegd, ofschoon zij Hem op zichzelf helemaal niet toekomen. Daarom vinden wij als eerste onder de zeven regels van Tichonius, die Augustinus in het 3e boek Over de Christelijke leer (31e H) opgeeft, die over de Heer en Zijn lichaam, daar namelijk "Christus en de Kerk als één persoon beschouwd worden". En zo spreekt Christus in naam van Zijn ledematen die tekst over "Mijn zondige woorden" uit, niet alsof er in Hem, het Hoofd zelf, zonden zouden zijn.
B: (Ps 21:2) [b:Ps 21:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Augustinus in het 10e boek Over het boek der Schepping naar zijn letterlijke betekenis (20e H.) zegt, was Christus niet op alle manieren, waarop wij in Adam en de oude Vaders tegenwoordig waren, in hen aanwezig. Want wij waren in Adam zowel naar het zaad, dat ons voortbrengt, als naar de zelfstandigheid, waaruit ons lichaam voortkomt, want omdat wij, zoals hij daar zegt, "in het zaad zowel de zichtbare lichamelijke zelfstandigheid als de onzichtbare oorzaak (van ons ontstaan) vinden, komen beiden van Adam. Nu nam Christus de zichtbare zelfstandigheid van het vlees uit het vlees der Maagd aan, maar de oorzaak van Zijn ontvangenis was niet het zaad van een man, maar iets geheel anders en van boven". Daarom was Hij in Adam niet aanwezig, in zover Hij uit diens zaad geboren werd, maar alleen wat de zelfstandigheid van Zijn lichaam betreft. En dus kreeg Christus, voor zover het de werkende kracht aangaat, Zijn menselijke natuur niet van Adam, maar alleen zoals men iets van een materie krijgt, en wat de actieve kracht betreft van de Heilige Geest, zoals Adam zelf ook zijn lichaam van de aarde kreeg als van een materie, maar van God wat de werkende en voortbrengende kracht betreft. En daarom zondigde Christus in Adam, in wien Hij alleen wat Zijn materie betreft aanwezig was, niet.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 1 ad 3
IIIa q. 31 a. 7 co.[t:iiia q. 31 a. 1 ad 3][t:iiia q. 31 a. 7 co.]
2e Weerlegging. Zoals Augustinus in het 10e boek Over het boek der Schepping naar zijn letterlijke betekenis (20e H.) zegt, was Christus niet op alle manieren, waarop wij in Adam en de oude Vaders tegenwoordig waren, in hen aanwezig. Want wij waren in Adam zowel naar het zaad, dat ons voortbrengt, als naar de zelfstandigheid, waaruit ons lichaam voortkomt, want omdat wij, zoals hij daar zegt, "in het zaad zowel de zichtbare lichamelijke zelfstandigheid als de onzichtbare oorzaak (van ons ontstaan) vinden, komen beiden van Adam. Nu nam Christus de zichtbare zelfstandigheid van het vlees uit het vlees der Maagd aan, maar de oorzaak van Zijn ontvangenis was niet het zaad van een man, maar iets geheel anders en van boven". Daarom was Hij in Adam niet aanwezig, in zover Hij uit diens zaad geboren werd, maar alleen wat de zelfstandigheid van Zijn lichaam betreft. En dus kreeg Christus, voor zover het de werkende kracht aangaat, Zijn menselijke natuur niet van Adam, maar alleen zoals men iets van een materie krijgt, en wat de actieve kracht betreft van de Heilige Geest, zoals Adam zelf ook zijn lichaam van de aarde kreeg als van een materie, maar van God wat de werkende en voortbrengende kracht betreft. En daarom zondigde Christus in Adam, in wien Hij alleen wat Zijn materie betreft aanwezig was, niet.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 1 ad 3
IIIa q. 31 a. 7 co.[t:iiia q. 31 a. 1 ad 3][t:iiia q. 31 a. 7 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Christus bracht door Zijn bekoord worden en lijden hulp, omdat Hij voor ons voldoening gaf. Nu werkt de zonde niet mee ter voldoening, maar staat haar, zoals reeds gezegd is (in de Leerstelling), eerder in de weg. Daarom moest Hij geen zonde in Zich dragen, maar geheel en al rein van zonden zijn; want anders had Hij de straf, die Hij onderging, voor eigen zonden moeten dragen.
3e Weerlegging. Christus bracht door Zijn bekoord worden en lijden hulp, omdat Hij voor ons voldoening gaf. Nu werkt de zonde niet mee ter voldoening, maar staat haar, zoals reeds gezegd is (in de Leerstelling), eerder in de weg. Daarom moest Hij geen zonde in Zich dragen, maar geheel en al rein van zonden zijn; want anders had Hij de straf, die Hij onderging, voor eigen zonden moeten dragen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. "God maakte Christus tot zonde" niet in die zin, dat Hij in Zichzelf zonde droeg, maar dat Hij Hem tot slachtoffer voor de zonde maakte; zoals bij Hosea (4, 8) wordt gezegd, dat "zij de zonden van Mijn volk eten", namelijk de priesters, die de offers aten, die voor de zonden werden opgedragen. En in dezen zin ook wordt bij Isaïas (53, 6) gezegd, dat "God al onze misdaden op Hem heeft gelegd", omdat Hij Hem namelijk heeft overgeleverd als offer voor de zonden van alle mensen. Ofwel "maakte (Hij) Hem tot zonde" d. w. z. "gelijkvormig aan het zondig vlees", zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8, 3). En dit om wille van het lijdelijk en sterfelijk lichaam, dat Hij heeft aangenomen.
B: (Isa 53:6) [b:Isa 53:6] (Hos 4:8) [b:Hos 4:8] (Rom 8:3) [b:Rom 8:3]
4e Weerlegging. "God maakte Christus tot zonde" niet in die zin, dat Hij in Zichzelf zonde droeg, maar dat Hij Hem tot slachtoffer voor de zonde maakte; zoals bij Hosea (4, 8) wordt gezegd, dat "zij de zonden van Mijn volk eten", namelijk de priesters, die de offers aten, die voor de zonden werden opgedragen. En in dezen zin ook wordt bij Isaïas (53, 6) gezegd, dat "God al onze misdaden op Hem heeft gelegd", omdat Hij Hem namelijk heeft overgeleverd als offer voor de zonden van alle mensen. Ofwel "maakte (Hij) Hem tot zonde" d. w. z. "gelijkvormig aan het zondig vlees", zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8, 3). En dit om wille van het lijdelijk en sterfelijk lichaam, dat Hij heeft aangenomen.
B: (Isa 53:6) [b:Isa 53:6] (Hos 4:8) [b:Hos 4:8] (Rom 8:3) [b:Rom 8:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 1 ad 5
Ad quintum Een boetvaardige kan een loflijk voorbeeld geven, niet omdat hij gezondigd heeft, maar omdat hij vrijwillig de straf voor zijn zonde draagt. En dus gaf Christus het hoogste voorbeeld van boetvaardigheid, toen Hij niet voor eigen zonden, maar voor die van anderen de straf wilde dragen.
Ad quintum Een boetvaardige kan een loflijk voorbeeld geven, niet omdat hij gezondigd heeft, maar omdat hij vrijwillig de straf voor zijn zonde draagt. En dus gaf Christus het hoogste voorbeeld van boetvaardigheid, toen Hij niet voor eigen zonden, maar voor die van anderen de straf wilde dragen.
Referenties naar deze alinea: 1
Paenitemini ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was de haard der zonde in Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 7 a. 2 ad 3
IIIa q. 7 a. 6 arg. 2
IIIa q. 15 a. 4 arg. 3
IIIa q. 18 a. 4 arg. 3
IIIa q. 18 a. 4 s. c.
IIIa q. 27 a. 3 co.
IIIa q. 76 a. 5 ad 1[t:iiia q. 7 a. 2 ad 3][t:iiia q. 7 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 15 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 18 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 18 a. 4 s. c.][t:iiia q. 27 a. 3 co.][t:iiia q. 76 a. 5 ad 1]
IIIa q. 15 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de haard der zonde in Christus was. Want de haard der zonde en het kunnen lijden of de sterfelijkheid komen van hetzelfde beginsel, namelijk het wegnemen der oorspronkelijke rechtvaardigheid, waardoor tegelijkertijd de lagere krachten der ziel aan het verstand onderworpen waren en het lichaam aan de ziel. Nu bestonden in Christus het vermogen om te lijden en de sterfelijkheid van het lichaam. Dus ook de haard der zonde.
IIIa q. 7 a. 2 ad 3
IIIa q. 7 a. 6 arg. 2
IIIa q. 15 a. 4 arg. 3
IIIa q. 18 a. 4 arg. 3
IIIa q. 18 a. 4 s. c.
IIIa q. 27 a. 3 co.
IIIa q. 76 a. 5 ad 1[t:iiia q. 7 a. 2 ad 3][t:iiia q. 7 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 15 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 18 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 18 a. 4 s. c.][t:iiia q. 27 a. 3 co.][t:iiia q. 76 a. 5 ad 1]
IIIa q. 15 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de haard der zonde in Christus was. Want de haard der zonde en het kunnen lijden of de sterfelijkheid komen van hetzelfde beginsel, namelijk het wegnemen der oorspronkelijke rechtvaardigheid, waardoor tegelijkertijd de lagere krachten der ziel aan het verstand onderworpen waren en het lichaam aan de ziel. Nu bestonden in Christus het vermogen om te lijden en de sterfelijkheid van het lichaam. Dus ook de haard der zonde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 19e H) zegt, "werd door het besluit van de goddelijke wil aan het lichaam toegestaan te lijden en te handelen zoals het eraan eigen was". Nu is het eigen aan het lichaam te begeren, wat eraan behaagt. Waar nu de zondenhaard niets anders is als die begeerte, zoals de Glossa bij de Brief aan de Romeinen (7, 8), zegt, schijnt de haard der zonde in Christus geweest te zijn.
B: (Rom 7:8) [b:Rom 7:8]
Vervolgens. Zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 19e H) zegt, "werd door het besluit van de goddelijke wil aan het lichaam toegestaan te lijden en te handelen zoals het eraan eigen was". Nu is het eigen aan het lichaam te begeren, wat eraan behaagt. Waar nu de zondenhaard niets anders is als die begeerte, zoals de Glossa bij de Brief aan de Romeinen (7, 8), zegt, schijnt de haard der zonde in Christus geweest te zijn.
B: (Rom 7:8) [b:Rom 7:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Wegens die zondenhaard "begeert het vlees tegen de geest in", zoals in de Galatenbrief (5, 17) wordt gezegd. Nu toont de geest zich sterker en de kroon der overwinning meer waard, naarmate hij de vijand, namelijk de begeerte van het vlees meer beheerst volgens de Tweede Brief aan Timotheus (2, 5): "Niemand zal bekroond worden dan wie wettig gestreden heeft". Nu had Christus een zeer sterke en overwinnende geest, die de bekroning zo waardig mogelijk was naar het boek der Openbaring (6, 2): "Hem werd een kroon gegeven en Hij trok uit om te overwinnen". Dus schijnt het, dat vooral de zondenhaard in Christus aanwezig moet zijn geweest.
B: (Gal 5:17) [b:Gal 5:17] (2Tim 2:5) [b:2Tim 2:5] (Rev 6:2) [b:Rev 6:2]
Vervolgens. Wegens die zondenhaard "begeert het vlees tegen de geest in", zoals in de Galatenbrief (5, 17) wordt gezegd. Nu toont de geest zich sterker en de kroon der overwinning meer waard, naarmate hij de vijand, namelijk de begeerte van het vlees meer beheerst volgens de Tweede Brief aan Timotheus (2, 5): "Niemand zal bekroond worden dan wie wettig gestreden heeft". Nu had Christus een zeer sterke en overwinnende geest, die de bekroning zo waardig mogelijk was naar het boek der Openbaring (6, 2): "Hem werd een kroon gegeven en Hij trok uit om te overwinnen". Dus schijnt het, dat vooral de zondenhaard in Christus aanwezig moet zijn geweest.
B: (Gal 5:17) [b:Gal 5:17] (2Tim 2:5) [b:2Tim 2:5] (Rev 6:2) [b:Rev 6:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat bij Matthaeus (1, 20) wordt gezegd: "Wat in haar geboren is, is van de Heilige Geest". Nu sluit de Heilige Geest iedere zonde en ook de neiging tot zonde, die in de term haard vervat ligt, uit. Dus bestond er geen haard van zonde in Christus.
B: (Matt 1:20) [b:Matt 1:20]
Maar daartegenover staat, dat bij Matthaeus (1, 20) wordt gezegd: "Wat in haar geboren is, is van de Heilige Geest". Nu sluit de Heilige Geest iedere zonde en ook de neiging tot zonde, die in de term haard vervat ligt, uit. Dus bestond er geen haard van zonde in Christus.
B: (Matt 1:20) [b:Matt 1:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (7e Kw., 2e en 9e Art.), bezat Christus de genade en alle deugden in de hoogste volmaaktheid. Nu maken de zedelijke deugden, die zich in het niet-redelijke gedeelte der ziel bevinden, dat aan de rede onderworpen en wel zoveel te meer, naarmate de deugd sterk is; zo doet het de matigheid bij het begeervermogen en de sterkte en zachtmoedigheid bij het tegenstrevende vermogen, zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 56e Kw., 4e Art.) is gezegd. Nu behoort het tot het wezen van de haard, dat er een streven tegen het verstand in bestaat in het zinnelijk streefvermogen. Het blijkt dus, dat naarmate de deugd in iemand volmaakter is, de kracht van de haard in hem wordt verzwakt. Omdat nu de deugden in Christus de hoogste trap der volmaaktheid hadden bereikt, was dientengevolge de haard der zonde in Hem niet meer aanwezig, ook al omdat dit gebrek niet voor de voldoening kan worden benut, maar eerder iemand geneigd maakt tot het tegendeel van voldoening.
R: q. 7 a. 2[t:iiia q. 7 a. 2] q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9] Ia-IIae q. 56 a. 4[t:ia-iiae q. 56 a. 4]
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (7e Kw., 2e en 9e Art.), bezat Christus de genade en alle deugden in de hoogste volmaaktheid. Nu maken de zedelijke deugden, die zich in het niet-redelijke gedeelte der ziel bevinden, dat aan de rede onderworpen en wel zoveel te meer, naarmate de deugd sterk is; zo doet het de matigheid bij het begeervermogen en de sterkte en zachtmoedigheid bij het tegenstrevende vermogen, zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 56e Kw., 4e Art.) is gezegd. Nu behoort het tot het wezen van de haard, dat er een streven tegen het verstand in bestaat in het zinnelijk streefvermogen. Het blijkt dus, dat naarmate de deugd in iemand volmaakter is, de kracht van de haard in hem wordt verzwakt. Omdat nu de deugden in Christus de hoogste trap der volmaaktheid hadden bereikt, was dientengevolge de haard der zonde in Hem niet meer aanwezig, ook al omdat dit gebrek niet voor de voldoening kan worden benut, maar eerder iemand geneigd maakt tot het tegendeel van voldoening.
R: q. 7 a. 2[t:iiia q. 7 a. 2] q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9] Ia-IIae q. 56 a. 4[t:ia-iiae q. 56 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De lagere krachten, die tot het zinnelijk streefvermogen behoren, kunnen van nature aan de rede gehoorzamen, maar de vloeistoffen of krachten van het lichaam of zelfs van de plantaardige ziel niet, zoals uit het 1e boek Over de Zedelcer (13e H., n. 15 en volgend) blijkt. Daarom sluit de volmaaktheid van de deugd volgens de rechte rede het kunnen lijden van het lichaam niet uit, maar wel het bestaan van de zondenhaard, omdat het wezen daarvan bestaat in het weerstreven van het zinnelijk begeervermogen tegen het verstand.
1e Weerlegging. De lagere krachten, die tot het zinnelijk streefvermogen behoren, kunnen van nature aan de rede gehoorzamen, maar de vloeistoffen of krachten van het lichaam of zelfs van de plantaardige ziel niet, zoals uit het 1e boek Over de Zedelcer (13e H., n. 15 en volgend) blijkt. Daarom sluit de volmaaktheid van de deugd volgens de rechte rede het kunnen lijden van het lichaam niet uit, maar wel het bestaan van de zondenhaard, omdat het wezen daarvan bestaat in het weerstreven van het zinnelijk begeervermogen tegen het verstand.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Van nature begeert het vlees wat eraan behaagt met de begeerdaad van het zinnelijk streefvermogen: het vlees echter van de mens, die een redelijk dier is, begeert dit op een manier en volgens een orde, die onder de leiding van het verstand staan. En zo begeerde Christus’ vlees van nature met de begeerdaad van het zinnelijk streefvermogen om te eten en te drinken en te slapen en dergelijke dingen, die volgens het verstand worden begeerd, zoals blijkt uit Damascenus, het 3° boek (14° H.). Daaruit volgt echter niet, dat de haard der zonde in Christus bestond, omdat deze een begeren van het behaaglijke meebrengt tegen de orde van het verstand in.
2e Weerlegging. Van nature begeert het vlees wat eraan behaagt met de begeerdaad van het zinnelijk streefvermogen: het vlees echter van de mens, die een redelijk dier is, begeert dit op een manier en volgens een orde, die onder de leiding van het verstand staan. En zo begeerde Christus’ vlees van nature met de begeerdaad van het zinnelijk streefvermogen om te eten en te drinken en te slapen en dergelijke dingen, die volgens het verstand worden begeerd, zoals blijkt uit Damascenus, het 3° boek (14° H.). Daaruit volgt echter niet, dat de haard der zonde in Christus bestond, omdat deze een begeren van het behaaglijke meebrengt tegen de orde van het verstand in.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Er blijkt een zekere geestessterkte uit het weerstaan aan de tegen het verstand opstandige begeerten van het vlees; maar het is een bewijs van nog grotere geestessterkte, als iedere begeerte van het vlees tegen de geest geheel bedwongen wordt. En dat paste dus aan Christus, Wiens geest de hoogste graad van sterkte had bereikt. Al ondervond Hij dus innerlijk geen weerstand van de zondenhaard, toch had Hij bestrijding van buiten te verduren van de wereld en de duivel, zodat Hij door hen te overwinnen de kroon der zege verdiende.
3e Weerlegging. Er blijkt een zekere geestessterkte uit het weerstaan aan de tegen het verstand opstandige begeerten van het vlees; maar het is een bewijs van nog grotere geestessterkte, als iedere begeerte van het vlees tegen de geest geheel bedwongen wordt. En dat paste dus aan Christus, Wiens geest de hoogste graad van sterkte had bereikt. Al ondervond Hij dus innerlijk geen weerstand van de zondenhaard, toch had Hij bestrijding van buiten te verduren van de wereld en de duivel, zodat Hij door hen te overwinnen de kroon der zege verdiende.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Was er in Christus onwetendheid?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 15 a. 8 arg. 1[t:iiia q. 15 a. 8 arg. 1]
IIIa q. 15 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat er in Christus onwetendheid was. Want in Christus was waarlijk aanwezig wat Hem naar Zijn menselijke natuur toekwam, ook al kwam het Hem naar Zijn goddelijke natuur niet toe zoals lijden en dood. Nu komt onwetendheid Hem naar de menselijke natuur toe, want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 21e H.), dat "Hij een onwetende en slaven natuur aannam". Dus was er in Christus werkelijk onwetendheid.
IIIa q. 15 a. 8 arg. 1[t:iiia q. 15 a. 8 arg. 1]
IIIa q. 15 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat er in Christus onwetendheid was. Want in Christus was waarlijk aanwezig wat Hem naar Zijn menselijke natuur toekwam, ook al kwam het Hem naar Zijn goddelijke natuur niet toe zoals lijden en dood. Nu komt onwetendheid Hem naar de menselijke natuur toe, want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 21e H.), dat "Hij een onwetende en slaven natuur aannam". Dus was er in Christus werkelijk onwetendheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Men noemt iemand onwetend om gebrek aan kennis. Nu was er een kennis die Christus ontbrak, want de Apostel zegt in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (5, 21), dat "(God) Hem, die geen zonde kende, voor ons tot zonde heeft gemaakt". Dus was er in Christus onwetendheid.
B: (2Cor 5:21) [b:2Cor 5:21]
Vervolgens. Men noemt iemand onwetend om gebrek aan kennis. Nu was er een kennis die Christus ontbrak, want de Apostel zegt in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (5, 21), dat "(God) Hem, die geen zonde kende, voor ons tot zonde heeft gemaakt". Dus was er in Christus onwetendheid.
B: (2Cor 5:21) [b:2Cor 5:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Bij Isaïas (8, 4) wordt gezegd: "Voordat dit kind zijn vader en moeder bij hun naam kan noemen, zal de sterkte van Damascus weggenomen zijn". Nu is Christus dit kind en dus is er in Hem onwetendheid over sommige dingen.
B: (Isa 8:4) [b:Isa 8:4]
Vervolgens. Bij Isaïas (8, 4) wordt gezegd: "Voordat dit kind zijn vader en moeder bij hun naam kan noemen, zal de sterkte van Damascus weggenomen zijn". Nu is Christus dit kind en dus is er in Hem onwetendheid over sommige dingen.
B: (Isa 8:4) [b:Isa 8:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, dat onwetendheid niet door onwetendheid wordt weggenomen. Nu kwam Christus onze onwetendheid wegnemen, want "Hij kwam hen verlichten, die in de duisternis en de schaduw des doods zaten". Dus was er geen onwetendheid in Christus.
B: (Luke 1:79) [b:Luke 1:79]
Maar daartegenover staat, dat onwetendheid niet door onwetendheid wordt weggenomen. Nu kwam Christus onze onwetendheid wegnemen, want "Hij kwam hen verlichten, die in de duisternis en de schaduw des doods zaten". Dus was er geen onwetendheid in Christus.
B: (Luke 1:79) [b:Luke 1:79]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals Christus de volheid van genade en deugd bezat, was ook de volheid van iedere kennis in Hem, zoals uit het voorafgaande (7e Kw., 2e en 9e Art.; 9e Kw. en volgd.) blijkt. Gelijk nu de volheid van genade en deugd in Christus het bestaan van de zondenhaard onmogelijk maakt, sluit de volheid der kennis de onwetendheid uit, die tegenover de wetenschap staat. Dus was er in Hem ook geen onwetendheid zoals geen haard van zonde.
R: q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9] q. 9[t:iiia q. 9]
Mijn antwoord. Zoals Christus de volheid van genade en deugd bezat, was ook de volheid van iedere kennis in Hem, zoals uit het voorafgaande (7e Kw., 2e en 9e Art.; 9e Kw. en volgd.) blijkt. Gelijk nu de volheid van genade en deugd in Christus het bestaan van de zondenhaard onmogelijk maakt, sluit de volheid der kennis de onwetendheid uit, die tegenover de wetenschap staat. Dus was er in Hem ook geen onwetendheid zoals geen haard van zonde.
R: q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9] q. 9[t:iiia q. 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. De door Christus aangenomen natuur kan onder een dubbel opzicht worden beschouwd. Ten eerste naar haar soortelijke aard. En in dezen zin zegt Damascenus, dat zij "onwetend en slaafs" is. Hij voegt er immers aan toe: "Want de natuur van de mens is de slaaf van Hem, die haar maakte, God, en zij mist de kennis der toekomstige dingen". Zij kan echter ook anders beschouwd worden, namelijk naar datgene wat zij krachtens de vereniging met de goddelijke hypostase bezit; en daardoor heeft zij de volheid van genade en wetenschap naar het woord van Johannes (1, 14). "Wij hebben Hem gezien als de Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid". En zo beschouwd had de menselijke natuur in Christus geen onwetendheid.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
1e Weerlegging. De door Christus aangenomen natuur kan onder een dubbel opzicht worden beschouwd. Ten eerste naar haar soortelijke aard. En in dezen zin zegt Damascenus, dat zij "onwetend en slaafs" is. Hij voegt er immers aan toe: "Want de natuur van de mens is de slaaf van Hem, die haar maakte, God, en zij mist de kennis der toekomstige dingen". Zij kan echter ook anders beschouwd worden, namelijk naar datgene wat zij krachtens de vereniging met de goddelijke hypostase bezit; en daardoor heeft zij de volheid van genade en wetenschap naar het woord van Johannes (1, 14). "Wij hebben Hem gezien als de Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid". En zo beschouwd had de menselijke natuur in Christus geen onwetendheid.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Van Christus wordt gezegd dat Hij geen zonde kende, omdat Hij haar niet bij ondervinding kende. Hij kende haar echter door eenvoudige kennis.
2e Weerlegging. Van Christus wordt gezegd dat Hij geen zonde kende, omdat Hij haar niet bij ondervinding kende. Hij kende haar echter door eenvoudige kennis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De profeet spreekt hier over de menselijke wetenschap van Christus. Hij zegt daarom: "Voordat dit kind (nl. met zijn menselijke kennis) zijn vader (nl. Jozef, die als zijn vader werd beschouwd) en zijn moeder (nl. Maria) bij hun naam zal noemen, zal de kracht van Damascus worden weggenomen". Maar dit moet men niet zo opvatten, dat Hij eens mens was en dit niet wist, maar "voordat Hij weet" dwz., voordat Hij mens wordt met een menselijke kennis zal ofwel in letterlijke zin "de kracht van Samaria en de buit van Damascus door de koning van Assyrië worden weggenomen" ofwel zal Hij naar de geestelijke zin "de volkeren redden alleen al doordat zij hem aanroepen"; zoals de Glossa van Hieronymus het uitlegt. Augustinus zegt echter in zijn preek over Epiphanie (202° Pr.), dat dit vervuld is bij de aanbidding der wijzen. Want hij zegt: "Voordat Hij in het menselijk vlees menselijke woorden sprak, ontving Hij de kracht van Damascus, nl. de rijkdommen, waar Damascus trots op was en waaronder het goud vooraanstaat. Ook bezat Hij de buit van Damascus. Want Samaria staat hier voor afgodendienst, omdat het volk daar vervallen was tot het vereren van afgoden. Dit was dus de eerste buit, die het Kind op de afgodendienst behaalde". En dan moet men "voordat het Kind weet" verstaan als: "voordat het toont te weten".
3e Weerlegging. De profeet spreekt hier over de menselijke wetenschap van Christus. Hij zegt daarom: "Voordat dit kind (nl. met zijn menselijke kennis) zijn vader (nl. Jozef, die als zijn vader werd beschouwd) en zijn moeder (nl. Maria) bij hun naam zal noemen, zal de kracht van Damascus worden weggenomen". Maar dit moet men niet zo opvatten, dat Hij eens mens was en dit niet wist, maar "voordat Hij weet" dwz., voordat Hij mens wordt met een menselijke kennis zal ofwel in letterlijke zin "de kracht van Samaria en de buit van Damascus door de koning van Assyrië worden weggenomen" ofwel zal Hij naar de geestelijke zin "de volkeren redden alleen al doordat zij hem aanroepen"; zoals de Glossa van Hieronymus het uitlegt. Augustinus zegt echter in zijn preek over Epiphanie (202° Pr.), dat dit vervuld is bij de aanbidding der wijzen. Want hij zegt: "Voordat Hij in het menselijk vlees menselijke woorden sprak, ontving Hij de kracht van Damascus, nl. de rijkdommen, waar Damascus trots op was en waaronder het goud vooraanstaat. Ook bezat Hij de buit van Damascus. Want Samaria staat hier voor afgodendienst, omdat het volk daar vervallen was tot het vereren van afgoden. Dit was dus de eerste buit, die het Kind op de afgodendienst behaalde". En dan moet men "voordat het Kind weet" verstaan als: "voordat het toont te weten".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Kon Christus’ ziel lijden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 15 a. 6 co.
IIIa q. 15 a. 10 co.[t:iiia q. 15 a. 6 co.][t:iiia q. 15 a. 10 co.]
IIIa q. 15 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel niet kon lijden. Want niemand lijdt tenzij van iemand, die sterker is, omdat "wie werkt, hoger staat dan wie ondergaat", zoals Augustinus bewijst in het 12e boek van de Letterlijke verklaring van het boek der Schepping (16e H.) en de Filosoof in het 3e boek Over de Ziel (5e H., n. 2). Nu staat er geen schepsel hoger in rang als Christus’ ziel. Dus kon zij geen schepsel lijden. En dus kon zij in het geheel niet lijden, omdat het vermogen om te lijden in Hem nutteloos zou zijn geweest, als er toch niets was, waardoor Hij lijden kon.
IIIa q. 15 a. 6 co.
IIIa q. 15 a. 10 co.[t:iiia q. 15 a. 6 co.][t:iiia q. 15 a. 10 co.]
IIIa q. 15 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus’ ziel niet kon lijden. Want niemand lijdt tenzij van iemand, die sterker is, omdat "wie werkt, hoger staat dan wie ondergaat", zoals Augustinus bewijst in het 12e boek van de Letterlijke verklaring van het boek der Schepping (16e H.) en de Filosoof in het 3e boek Over de Ziel (5e H., n. 2). Nu staat er geen schepsel hoger in rang als Christus’ ziel. Dus kon zij geen schepsel lijden. En dus kon zij in het geheel niet lijden, omdat het vermogen om te lijden in Hem nutteloos zou zijn geweest, als er toch niets was, waardoor Hij lijden kon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Tullius zegt in het boek Over de Vraagstukken van Tusculum (3e B., 10e H.), dat het lijden der ziel "een soort ziekte" is. Maar in Christus’ ziel was er geen ziekte, omdat de ziekte der ziel uit de zonde volgt, zoals blijkt uit het Psalmwoord (Ps. 87, 4): "Genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd". Dus was er geen zielelijden in Christus.
B: (Ps 40:5) [b:Ps 40:5]
Vervolgens. Tullius zegt in het boek Over de Vraagstukken van Tusculum (3e B., 10e H.), dat het lijden der ziel "een soort ziekte" is. Maar in Christus’ ziel was er geen ziekte, omdat de ziekte der ziel uit de zonde volgt, zoals blijkt uit het Psalmwoord (Ps. 87, 4): "Genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd". Dus was er geen zielelijden in Christus.
B: (Ps 40:5) [b:Ps 40:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Het zielelijden schijnt hetzelfde te zijn als de zondenhaard, zodat de Apostel in de Romeinenbrief (7, 5) zegt: "een lijden der zonde". Nu was er, zoals boven is gezegd (2e Art.), geen zondenhaard in Christus. Dus schijnt er ook geen zielelijden in Hem te zijn geweest en dus kon Zijn ziel niet lijden.
B: (Rom 7:5) [b:Rom 7:5]
R: q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
Vervolgens. Het zielelijden schijnt hetzelfde te zijn als de zondenhaard, zodat de Apostel in de Romeinenbrief (7, 5) zegt: "een lijden der zonde". Nu was er, zoals boven is gezegd (2e Art.), geen zondenhaard in Christus. Dus schijnt er ook geen zielelijden in Hem te zijn geweest en dus kon Zijn ziel niet lijden.
B: (Rom 7:5) [b:Rom 7:5]
R: q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat, dat in de Psalm (87, 4) in Christus’ naam wordt gezegd: "Mijn ziel is van het kwaad vervuld" en dan niet van zonde, maar van menselijk lijden, nl. "smarten", zoals de Glossa het daar uitlegt. Dus kon Christus’ ziel wel lijden.
B: (Ps 87:4) [b:Ps 87:4]
Maar daartegenover staat, dat in de Psalm (87, 4) in Christus’ naam wordt gezegd: "Mijn ziel is van het kwaad vervuld" en dan niet van zonde, maar van menselijk lijden, nl. "smarten", zoals de Glossa het daar uitlegt. Dus kon Christus’ ziel wel lijden.
B: (Ps 87:4) [b:Ps 87:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 4 co.
Mijn antwoord. Als de ziel in het lichaam is, kan zij op twee manieren iets ondergaan; ten eerste door lichamelijk lijden, ten tweede door zogeheten dierlijk lijden. Door zogeheten lichaamslijden ondergaat zij iets, als het lichaam gekwetst wordt; want omdat de ziel de vorm van het lichaam is, is er maar één bestaan van ziel en lichaam; en wordt dus het lichaam gekwetst door lichamelijk lijden, dan moet ook de ziel op bijkomstige wijze daardoor getroffen worden, namelijk wat haar bestaan, dat zij met het lichaam deelt, betreft. Omdat dus zoals boven gezegd is (14° Kw., 1° en 2° Art.), Christus' lichaam kon lijden en sterven, moest ook Zijn ziel op deze manier kunnen lijden. Men zegt echter, dat de ziel een zogeheten dierlijk lijden ondervindt, als dat geschiedt door een daad, die eigen is aan de ziel ofwel meer voornamelijk van de ziel als van het lichaam. En al zegt men dan ook, dat de ziel op deze manier iets ondergaat bij begrijpen en gevoelen, zoals in het tweede deel is gezegd (Ia-IIae, 22° Kw., 3° Art.; 41° Kw., 1° Art.), toch heten de daden van het zinnelijk streefvermogen in meest eigenlijke zin passies der ziel; en dezen bevonden zich in Christus zoals al het andere, dat tot de menselijke natuur behoort. Daarom zegt Augustinus in De Stad Gods (14° B., 9° H.): "Toen de Heer zich gewaardigde in de gestalte van een slaaf te leven, benutte Hij hen (de passies) op menselijke manier, waar Hij vond, dat zij te pas kwamen. Want in Hem, in Wien een echte menselijke ziel en een echte menselijke ziel waren, bestonden geen onechte menselijke gevoelens". Men moet echter weten, dat deze menselijke hartstochten of passies in Christus op drie punten afweken van de manier, waarop zij in ons bestaan. Ten eerste wat hun voorwerp betreft. Bij ons immers richten zij zich meestal op ongeoorloofde dingen, wat bij Christus het geval niet was. Ten tweede wat hun uitgangspunt betreft. Want bij ons komen zij dikwijls vóór het oordeel van het verstand, maar bij Christus volgde iedere beweging van het zinnelijk streefvermogen op de beslissing van het verstand. Daarom zegt Augustinus in De Stad Gods (t. a. pl.), dat "Christus door de onfeilbaar overheersende genade deze passies in Zijn ziel ontving als Hij wilde, zoals Hij mens werd, toen Hij het wilde". Ten derde wat hun uitwerking betreft. Bij ons immers blijven deze bewegingen niet binnen het zinnelijk streefvermogen beperkt, maar sleepen het verstand met zich mee. Dit nu gebeurde bij Christus niet, want krachtens zijn beslissing bleven deze bij het menselijk vlees passende bewegingen tot het zinnelijk streefvermogen beperkt, zodat het verstand er in het geheel niet door belemmerd werd om te doen wat gebeuren moest. Daarom zegt Hieronymus in zijn Commentaar op Matthaeus (4e B., op 26e H., 37), dat "de Heer, om aan te tonen, dat werkelijk een mens door Hem aangenomen was, werkelijk bedroefd was, maar om die passie niet in Zijn ziel te laten overheerschen, "begon Hij bedroefd te worden", zoals er gezegd wordt om aan te duiden, dat het een wat men propassie noemt is". Wij moeten het ons dus zo denken, dat een passie volmaakt is, als zij de ziel, dwz. de rede beheerst; maar het slechts een propassie, als zij in het zinnelijk streefvermogen begint, maar zich niet verder uitstrekt.
R: q. 14 a. 2[t:iiia q. 14 a. 2] Ia-IIae q. 22 a. 3[t:ia-iiae q. 22 a. 3] Ia-IIae q. 41 a. 1[t:ia-iiae q. 41 a. 1]
Mijn antwoord. Als de ziel in het lichaam is, kan zij op twee manieren iets ondergaan; ten eerste door lichamelijk lijden, ten tweede door zogeheten dierlijk lijden. Door zogeheten lichaamslijden ondergaat zij iets, als het lichaam gekwetst wordt; want omdat de ziel de vorm van het lichaam is, is er maar één bestaan van ziel en lichaam; en wordt dus het lichaam gekwetst door lichamelijk lijden, dan moet ook de ziel op bijkomstige wijze daardoor getroffen worden, namelijk wat haar bestaan, dat zij met het lichaam deelt, betreft. Omdat dus zoals boven gezegd is (14° Kw., 1° en 2° Art.), Christus' lichaam kon lijden en sterven, moest ook Zijn ziel op deze manier kunnen lijden. Men zegt echter, dat de ziel een zogeheten dierlijk lijden ondervindt, als dat geschiedt door een daad, die eigen is aan de ziel ofwel meer voornamelijk van de ziel als van het lichaam. En al zegt men dan ook, dat de ziel op deze manier iets ondergaat bij begrijpen en gevoelen, zoals in het tweede deel is gezegd (Ia-IIae, 22° Kw., 3° Art.; 41° Kw., 1° Art.), toch heten de daden van het zinnelijk streefvermogen in meest eigenlijke zin passies der ziel; en dezen bevonden zich in Christus zoals al het andere, dat tot de menselijke natuur behoort. Daarom zegt Augustinus in De Stad Gods (14° B., 9° H.): "Toen de Heer zich gewaardigde in de gestalte van een slaaf te leven, benutte Hij hen (de passies) op menselijke manier, waar Hij vond, dat zij te pas kwamen. Want in Hem, in Wien een echte menselijke ziel en een echte menselijke ziel waren, bestonden geen onechte menselijke gevoelens". Men moet echter weten, dat deze menselijke hartstochten of passies in Christus op drie punten afweken van de manier, waarop zij in ons bestaan. Ten eerste wat hun voorwerp betreft. Bij ons immers richten zij zich meestal op ongeoorloofde dingen, wat bij Christus het geval niet was. Ten tweede wat hun uitgangspunt betreft. Want bij ons komen zij dikwijls vóór het oordeel van het verstand, maar bij Christus volgde iedere beweging van het zinnelijk streefvermogen op de beslissing van het verstand. Daarom zegt Augustinus in De Stad Gods (t. a. pl.), dat "Christus door de onfeilbaar overheersende genade deze passies in Zijn ziel ontving als Hij wilde, zoals Hij mens werd, toen Hij het wilde". Ten derde wat hun uitwerking betreft. Bij ons immers blijven deze bewegingen niet binnen het zinnelijk streefvermogen beperkt, maar sleepen het verstand met zich mee. Dit nu gebeurde bij Christus niet, want krachtens zijn beslissing bleven deze bij het menselijk vlees passende bewegingen tot het zinnelijk streefvermogen beperkt, zodat het verstand er in het geheel niet door belemmerd werd om te doen wat gebeuren moest. Daarom zegt Hieronymus in zijn Commentaar op Matthaeus (4e B., op 26e H., 37), dat "de Heer, om aan te tonen, dat werkelijk een mens door Hem aangenomen was, werkelijk bedroefd was, maar om die passie niet in Zijn ziel te laten overheerschen, "begon Hij bedroefd te worden", zoals er gezegd wordt om aan te duiden, dat het een wat men propassie noemt is". Wij moeten het ons dus zo denken, dat een passie volmaakt is, als zij de ziel, dwz. de rede beheerst; maar het slechts een propassie, als zij in het zinnelijk streefvermogen begint, maar zich niet verder uitstrekt.
R: q. 14 a. 2[t:iiia q. 14 a. 2] Ia-IIae q. 22 a. 3[t:ia-iiae q. 22 a. 3] Ia-IIae q. 41 a. 1[t:ia-iiae q. 41 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Christus’ ziel had wel aan de passies kunnen weerstaan, zodat zij in het geheel niet over Hem gekomen zouden zijn, en dat vooral door Zijn goddelijke kracht. Maar Hij onderging ze vrijwillig, zowel de lichamelijke als de dierlijke.
B: (Matt 26:37) [b:Matt 26:37]
1e Weerlegging. Christus’ ziel had wel aan de passies kunnen weerstaan, zodat zij in het geheel niet over Hem gekomen zouden zijn, en dat vooral door Zijn goddelijke kracht. Maar Hij onderging ze vrijwillig, zowel de lichamelijke als de dierlijke.
B: (Matt 26:37) [b:Matt 26:37]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Tullius geeft daar de mening der Stoïcijnen weer, die alle bewegingen van het zinnelijk streefvermogen passies noemden.
2e Weerlegging. Tullius geeft daar de mening der Stoïcijnen weer, die alle bewegingen van het zinnelijk streefvermogen passies noemden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De passies der zonde zijn bewegingen van het zinnelijk streefvermogen, als deze op iets ongeoorloofds zijn gericht. En die waren in Christus evenmin als de haard der zonde.
3e Weerlegging. De passies der zonde zijn bewegingen van het zinnelijk streefvermogen, als deze op iets ongeoorloofds zijn gericht. En die waren in Christus evenmin als de haard der zonde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Bestond er in Christus echte zintuiglijk voelbare smart?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 46 a. 6 co.[t:iiia q. 46 a. 6 co.]
IIIa q. 15 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen ware, zintuiglijk voelbare smart bestond. Want Hilarius zegt in het 10e boek Over de Drievuldigheid: "Waarom zouden wij menen, dat Christus, Wien sterven het leven was, bij het sacrament van Zijn dood geleden heeft, als Hij aan hen, die voor Hem sterven, het leven teruggeeft?" En later zegt hij: "De Eeniggeboren God nam een mens aan zonder Zijn godheid te verliezen, en als slagen op Hem vielen of Hem een wonde werd toegebracht of boeien Hem bonden of Hij aan het kruis geslagen verheven werd, dan deed dit wel de storm van het lijden over Hem losbreken, maar berokkende Hem geen smart". Dus was er geen echte smart in Christus.
IIIa q. 46 a. 6 co.[t:iiia q. 46 a. 6 co.]
IIIa q. 15 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen ware, zintuiglijk voelbare smart bestond. Want Hilarius zegt in het 10e boek Over de Drievuldigheid: "Waarom zouden wij menen, dat Christus, Wien sterven het leven was, bij het sacrament van Zijn dood geleden heeft, als Hij aan hen, die voor Hem sterven, het leven teruggeeft?" En later zegt hij: "De Eeniggeboren God nam een mens aan zonder Zijn godheid te verliezen, en als slagen op Hem vielen of Hem een wonde werd toegebracht of boeien Hem bonden of Hij aan het kruis geslagen verheven werd, dan deed dit wel de storm van het lijden over Hem losbreken, maar berokkende Hem geen smart". Dus was er geen echte smart in Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Noodzakelijk smart te moeten ondergaan schijnt juist aan het in zonden ontvangen vlees eigen te zijn. Nu is Christus’ vlees niet in zonden, maar door de Heilige Geest in de schoot der Maagd ontvangen. Dus was Hij niet gedwongen smarten te verduren.
Vervolgens. Noodzakelijk smart te moeten ondergaan schijnt juist aan het in zonden ontvangen vlees eigen te zijn. Nu is Christus’ vlees niet in zonden, maar door de Heilige Geest in de schoot der Maagd ontvangen. Dus was Hij niet gedwongen smarten te verduren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Genieten bij het aanschouwen van de goddelijke dingen vermindert het gevoel voor smart, zodat de martelaren in hun lijden hun smarten gemakkelijker konden verdragen door het beschouwen van de goddelijke liefde. Nu genoot Christus’ ziel het hoogste geluk in het beschouwen van God, Die Hij in Zijn wezen zag, zoals vroeger is gezegd. Dus kon Hij geen smart gevoelen.
R: q. 9 a. 2[t:iiia q. 9 a. 2]
Vervolgens. Genieten bij het aanschouwen van de goddelijke dingen vermindert het gevoel voor smart, zodat de martelaren in hun lijden hun smarten gemakkelijker konden verdragen door het beschouwen van de goddelijke liefde. Nu genoot Christus’ ziel het hoogste geluk in het beschouwen van God, Die Hij in Zijn wezen zag, zoals vroeger is gezegd. Dus kon Hij geen smart gevoelen.
R: q. 9 a. 2[t:iiia q. 9 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 5 s. c.
Maar daartegenover staat, dat bij Isaïas (53, 4) wordt gezegd: "In waarheid, Hij droeg onze smarten en leed onze kwalen".
B: (Isa 53:4) [b:Isa 53:4]
R: q. 9 a. 2[t:iiia q. 9 a. 2]
Maar daartegenover staat, dat bij Isaïas (53, 4) wordt gezegd: "In waarheid, Hij droeg onze smarten en leed onze kwalen".
B: (Isa 53:4) [b:Isa 53:4]
R: q. 9 a. 2[t:iiia q. 9 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zoals blijkt uit wat in het tweede deel (Ia- IIae, 35° Kw., 7° Art.) is gezegd, wordt er voor de echtheid van een zintuiglijk voelbare smart kwetsing van het lichaam en het waarnemen ervan door de zintuigen vereist. Nu kon Christus’ lichaam worden gekwetst, zoals het, naar vroeger is behandeld (14° Kw., 1° Art.), kon lijden en sterven. Evenmin miste Hij het zintuigelijk waarnemen van die kwetsing, omdat Hij alle natuurlijke vermogens in alle volmaaktheid bezat. Dus lijdt het geen twijfel of er smart in Christus was.
R: Ia-IIae q. 35 a. 7[t:ia-iiae q. 35 a. 7] q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1] q. 14 a. 2[t:iiia q. 14 a. 2]
Mijn antwoord. Zoals blijkt uit wat in het tweede deel (Ia- IIae, 35° Kw., 7° Art.) is gezegd, wordt er voor de echtheid van een zintuiglijk voelbare smart kwetsing van het lichaam en het waarnemen ervan door de zintuigen vereist. Nu kon Christus’ lichaam worden gekwetst, zoals het, naar vroeger is behandeld (14° Kw., 1° Art.), kon lijden en sterven. Evenmin miste Hij het zintuigelijk waarnemen van die kwetsing, omdat Hij alle natuurlijke vermogens in alle volmaaktheid bezat. Dus lijdt het geen twijfel of er smart in Christus was.
R: Ia-IIae q. 35 a. 7[t:ia-iiae q. 35 a. 7] q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1] q. 14 a. 2[t:iiia q. 14 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Bij de aangehaalde en dergelijke woorden wil Hilarius niet het bestaan van de ware smart in Christus’ vlees uitsluiten, maar alleen de noodzakelijkheid die te ondergaan. Daarom voegt hij aan het boven aangehaalde toe: "Er wordt immers niet aangetoond, dat de Heer bij honger of dorst of toen Hij weende gegeten heeft of bedroefd was; maar wat de mensen gewoonlijk overkomt, nam Hij op Zich om de echtheid van Zijn lichaam te bewijzen, zodat naar onze natuurlijke gewoonten aan de behoefte van het lichaam werd voldaan. Bij het gebruiken van spijs of drank schikte Hij zich niet naar noodzakelijke behoeften van het lichaam, maar alleen naar de gewoonte". En deze noodzakelijkheid rekent hij af naar de eerste oorzaak van deze gebreken, namelijk de zonde, zoals wij boven zeiden (14° Kw., 1° en 3° Art.); en dus zegt hij, dat Christus’ vlees niet gedwongen was deze zwakheden te ondergaan, omdat er geen zonde in Hem was. Daarom voegt hij eraan toe: "Hij had wel een lichaam, maar het was op heel eigen manier ontstaan, niet te midden der ondeugden, die bij het ontvangen van een mens een rol spelen, maar dat door het vermogen van Zijn kracht in de gestalte van ons lichaam bestond". Wat echter de naaste oorzaak van deze gebreken, het samengesteld zijn uit tegenstrijdige elementen betreft, moest Christus deze gebreken lijden zoals is gezegd (14° Kw., 2° Art.).
R: q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1] q. 14 a. 3[t:iiia q. 14 a. 3] q. 14 a. 2[t:iiia q. 14 a. 2]
1e Weerlegging. Bij de aangehaalde en dergelijke woorden wil Hilarius niet het bestaan van de ware smart in Christus’ vlees uitsluiten, maar alleen de noodzakelijkheid die te ondergaan. Daarom voegt hij aan het boven aangehaalde toe: "Er wordt immers niet aangetoond, dat de Heer bij honger of dorst of toen Hij weende gegeten heeft of bedroefd was; maar wat de mensen gewoonlijk overkomt, nam Hij op Zich om de echtheid van Zijn lichaam te bewijzen, zodat naar onze natuurlijke gewoonten aan de behoefte van het lichaam werd voldaan. Bij het gebruiken van spijs of drank schikte Hij zich niet naar noodzakelijke behoeften van het lichaam, maar alleen naar de gewoonte". En deze noodzakelijkheid rekent hij af naar de eerste oorzaak van deze gebreken, namelijk de zonde, zoals wij boven zeiden (14° Kw., 1° en 3° Art.); en dus zegt hij, dat Christus’ vlees niet gedwongen was deze zwakheden te ondergaan, omdat er geen zonde in Hem was. Daarom voegt hij eraan toe: "Hij had wel een lichaam, maar het was op heel eigen manier ontstaan, niet te midden der ondeugden, die bij het ontvangen van een mens een rol spelen, maar dat door het vermogen van Zijn kracht in de gestalte van ons lichaam bestond". Wat echter de naaste oorzaak van deze gebreken, het samengesteld zijn uit tegenstrijdige elementen betreft, moest Christus deze gebreken lijden zoals is gezegd (14° Kw., 2° Art.).
R: q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1] q. 14 a. 3[t:iiia q. 14 a. 3] q. 14 a. 2[t:iiia q. 14 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Het in zonden ontvangen vlees is niet alleen krachtens een door de beginselen der natuur, maar ook door de dwang der zondenschuld opgelegde noodzakelijkheid gedwongen smart te lijden. En deze dwang vond men in Christus niet, maar alleen de door de natuurbeginselen opgelegde.
2e Weerlegging. Het in zonden ontvangen vlees is niet alleen krachtens een door de beginselen der natuur, maar ook door de dwang der zondenschuld opgelegde noodzakelijkheid gedwongen smart te lijden. En deze dwang vond men in Christus niet, maar alleen de door de natuurbeginselen opgelegde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Zoals tevoren is gezegd (14° Kw., 1° Art., Antw. op de 2° B.), deed de goddelijke kracht in Christus de zaligheid zo tot de ziel beperkt blijven, dat zij niet op het lichaam overvloeide om daaruit het vermogen om te lijden en te sterven weg te nemen. Om dezelfde reden bleef het genot der aanschouwing zóó tot de geest beperkt, dat het niet op de zintuigen overvloeide en daar de zintuigelijke smart onmogelijk zou maken.
R: q. 14 a. 1 ad 2[t:iiia q. 14 a. 1 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 15 a. 6 co.[t:iiia q. 15 a. 6 co.]
3e Weerlegging. Zoals tevoren is gezegd (14° Kw., 1° Art., Antw. op de 2° B.), deed de goddelijke kracht in Christus de zaligheid zo tot de ziel beperkt blijven, dat zij niet op het lichaam overvloeide om daaruit het vermogen om te lijden en te sterven weg te nemen. Om dezelfde reden bleef het genot der aanschouwing zóó tot de geest beperkt, dat het niet op de zintuigen overvloeide en daar de zintuigelijke smart onmogelijk zou maken.
R: q. 14 a. 1 ad 2[t:iiia q. 14 a. 1 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 15 a. 6 co.[t:iiia q. 15 a. 6 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Bestond er in Christus droefheid?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 15 a. 9 co.
IIIa q. 46 a. 6 co.[t:iiia q. 15 a. 9 co.][t:iiia q. 46 a. 6 co.]
IIIa q. 15 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen droefheid bestond. Want bij *Isaias* (42, 4) wordt van hem gezegd: "Hij zal niet bedroefd of neerslachtig zijn".
B: (Isa 42:4) [b:Isa 42:4]
R: q. 14 a. 1 ad 2[t:iiia q. 14 a. 1 ad 2]
IIIa q. 15 a. 9 co.
IIIa q. 46 a. 6 co.[t:iiia q. 15 a. 9 co.][t:iiia q. 46 a. 6 co.]
IIIa q. 15 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen droefheid bestond. Want bij *Isaias* (42, 4) wordt van hem gezegd: "Hij zal niet bedroefd of neerslachtig zijn".
B: (Isa 42:4) [b:Isa 42:4]
R: q. 14 a. 1 ad 2[t:iiia q. 14 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 6 arg. 2
Vervolgens. In het boek der *Spreuken* (12, 21) staat: "Wat de rechtvaardige ook overkomt, het zal hem niet bedroefd maken". Hiervan gaven de Stoïcijnen als reden op, dat niemand bedroefd wordt tenzij hij verliest wat goed voor hem is en de rechtvaardige niets voor zich goed acht als de rechtvaardigheid en de deugd, die hij niet verliezen kan. Want als de rechtvaardige bedroefd zou zijn om het verlies der goederen, die het fortuin geeft, was hij aan het noodlot onderworpen. Volgens *Jeremias* (23, 6) nu was Christus in hoogste mate rechtvaardig: "Dit is de naam, waarmee zij hem zullen noemen: Heer, onze rechtvaardige". Dus was er geen droefheid in Hem.
B: (Prov 12:21) [b:Prov 12:21] (Jer 23:6) [b:Jer 23:6]
Vervolgens. In het boek der *Spreuken* (12, 21) staat: "Wat de rechtvaardige ook overkomt, het zal hem niet bedroefd maken". Hiervan gaven de Stoïcijnen als reden op, dat niemand bedroefd wordt tenzij hij verliest wat goed voor hem is en de rechtvaardige niets voor zich goed acht als de rechtvaardigheid en de deugd, die hij niet verliezen kan. Want als de rechtvaardige bedroefd zou zijn om het verlies der goederen, die het fortuin geeft, was hij aan het noodlot onderworpen. Volgens *Jeremias* (23, 6) nu was Christus in hoogste mate rechtvaardig: "Dit is de naam, waarmee zij hem zullen noemen: Heer, onze rechtvaardige". Dus was er geen droefheid in Hem.
B: (Prov 12:21) [b:Prov 12:21] (Jer 23:6) [b:Jer 23:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 6 arg. 3
Vervolgens. In het 7e boek Over de Zedeleer zegt de Filosoof, dat iedere droefheid "iets kwaads is, dat wij moeten ontvluchten". In Christus nu was er niets kwaads, dat ontvlucht moet worden. Dus ook geen droefheid.
Vervolgens. In het 7e boek Over de Zedeleer zegt de Filosoof, dat iedere droefheid "iets kwaads is, dat wij moeten ontvluchten". In Christus nu was er niets kwaads, dat ontvlucht moet worden. Dus ook geen droefheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 6 arg. 4
Vervolgens. Droefheid gaat, zoals Augustinus in de Stad Gods (14e B., 6e en 15e H.) zegt, "over de dingen, die ons tegen onze wil overkomen". Tegen Zijn wil echter leed Christus niets, want Isaïas (53, 7) zegt: "Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde". Dus bestond er geen droefheid in Hem.
B: (Isa 53:7) [b:Isa 53:7]
Vervolgens. Droefheid gaat, zoals Augustinus in de Stad Gods (14e B., 6e en 15e H.) zegt, "over de dingen, die ons tegen onze wil overkomen". Tegen Zijn wil echter leed Christus niets, want Isaïas (53, 7) zegt: "Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde". Dus bestond er geen droefheid in Hem.
B: (Isa 53:7) [b:Isa 53:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 6 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de Heer bij Matthaeus (26, 38) zegt: "Mijn ziel is tot de dood toe bedroefd". En in het 2e boek Over de Drievuldigheid zegt Ambrosius: "Als mens onderging Hij droefheid, omdat Hij mijn droefheid op zich nam. Met vertrouwen noem ik Zijn droefheid, als ik zelf Zijn Kruis predik".
B: (Matt 26:38) [b:Matt 26:38]
Maar daartegenover staat, dat de Heer bij Matthaeus (26, 38) zegt: "Mijn ziel is tot de dood toe bedroefd". En in het 2e boek Over de Drievuldigheid zegt Ambrosius: "Als mens onderging Hij droefheid, omdat Hij mijn droefheid op zich nam. Met vertrouwen noem ik Zijn droefheid, als ik zelf Zijn Kruis predik".
B: (Matt 26:38) [b:Matt 26:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 6 co.
Mijn antwoord. Zoals werd gezegd (Vorig Art. Antw. op de 3e B.), bleef het genot in het beschouwen der godheid krachtens de beschikking van Gods kracht tot de geest beperkt, zodat het op de zinnelijke krachten niet overvloeide en zo de zintuiglijke smart zou uitsluiten. Gelijk nu de zintuiglijke smart zich bevindt in het zinnelijk streefvermogen, is dit ook de zetel der droefheid, maar tussen beiden is een verschil wat hun oorzaak of voorwerp betreft. Want voorwerp en oorzaak van smart is een door de tastzin waargenomen letsel, als wanneer iemand wordt gewond. Maar oorzaak en voorwerp van droefheid is een inwendig waargenomen kwaad of schade, of nu het verstand of de verbeelding het waarnemen, zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 35e Kw., 2r en 7e Art.) is gezegd, bv. als iemand bedroefd is om het verlies van de genade of van geld. Christus' ziel nu kon iets inwendig als schadelijk kennen, zowel als het Hem zelf betrof zoals Zijn lijden en dood, of als het anderen betrof, bv. de zonden van Zijn leerlingen of van de Joden, die Hem ombrachten. Dus kon er evenals echte smart ook echte droefheid in Hem bestaan, maar anders als bij ons, wat namelijk de drie bij het lijden in het algemeen besproken punten betreft (4e Art.).
R: q. 15 a. 5 ad 3[t:iiia q. 15 a. 5 ad 3] Ia-IIae q. 35 a. 2[t:ia-iiae q. 35 a. 2] Ia-IIae q. 35 a. 7[t:ia-iiae q. 35 a. 7] q. 15 a. 4[t:iiia q. 15 a. 4]
Mijn antwoord. Zoals werd gezegd (Vorig Art. Antw. op de 3e B.), bleef het genot in het beschouwen der godheid krachtens de beschikking van Gods kracht tot de geest beperkt, zodat het op de zinnelijke krachten niet overvloeide en zo de zintuiglijke smart zou uitsluiten. Gelijk nu de zintuiglijke smart zich bevindt in het zinnelijk streefvermogen, is dit ook de zetel der droefheid, maar tussen beiden is een verschil wat hun oorzaak of voorwerp betreft. Want voorwerp en oorzaak van smart is een door de tastzin waargenomen letsel, als wanneer iemand wordt gewond. Maar oorzaak en voorwerp van droefheid is een inwendig waargenomen kwaad of schade, of nu het verstand of de verbeelding het waarnemen, zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 35e Kw., 2r en 7e Art.) is gezegd, bv. als iemand bedroefd is om het verlies van de genade of van geld. Christus' ziel nu kon iets inwendig als schadelijk kennen, zowel als het Hem zelf betrof zoals Zijn lijden en dood, of als het anderen betrof, bv. de zonden van Zijn leerlingen of van de Joden, die Hem ombrachten. Dus kon er evenals echte smart ook echte droefheid in Hem bestaan, maar anders als bij ons, wat namelijk de drie bij het lijden in het algemeen besproken punten betreft (4e Art.).
R: q. 15 a. 5 ad 3[t:iiia q. 15 a. 5 ad 3] Ia-IIae q. 35 a. 2[t:ia-iiae q. 35 a. 2] Ia-IIae q. 35 a. 7[t:ia-iiae q. 35 a. 7] q. 15 a. 4[t:iiia q. 15 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Droefheid bij Christus is uit te sluiten, als zij als hartstocht in vollen omvang wordt opgevat, maar zij bestond bij Hem in het beginstadium van hartstocht als een in oneigenlijke zin, als zogeheten propassie. Daarom ook zegt Mattheüs (16, 37): "Hij begon bedroefd te worden en terneergeslagen te zijn". "Omdat er verschil is tussen bedroefd zijn en beginnen bedroefd te zijn", zoals Hieronymus daarbij zegt.
B: (Matt 26:37) [b:Matt 26:37]
1e Weerlegging. Droefheid bij Christus is uit te sluiten, als zij als hartstocht in vollen omvang wordt opgevat, maar zij bestond bij Hem in het beginstadium van hartstocht als een in oneigenlijke zin, als zogeheten propassie. Daarom ook zegt Mattheüs (16, 37): "Hij begon bedroefd te worden en terneergeslagen te zijn". "Omdat er verschil is tussen bedroefd zijn en beginnen bedroefd te zijn", zoals Hieronymus daarbij zegt.
B: (Matt 26:37) [b:Matt 26:37]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Augustinus in de Stad Gods (14° B., 8° H.) zegt, "namen de Stoïcijnen in plaats van de drie soorten gemoeds-onrust, (nl. begeerte, vreugde en vrees) drie zg. eupathieën (of goede hartstochten) aan in de ziel van een wijs mens, nl. willen in plaats van begeerte, opgewektheid in plaats van vreugde en omzichtigheid in plaats van vrees. Zij ontkenden echter, dat er in de ziel van een wijze iets in plaats van droefheid zou kunnen komen, omdat deze iets kwaads, dat ons al overkomt tot oorzaak heeft, terwijl naar hun mening de wijze niets kwaads kan overkomen". En dat zeiden zij hierom, dat zij niets als goed beschouwden als het eerbare, dat de mensen goed maakt en niets als kwaad als het oneerbare, dat hen slecht maakt. Al is echter het eerbare het voornaamste goed van de mens en het oneerbare het ergste kwaad, omdat beiden tot het verstand behoren, dat het voornaamste is in de mens, zijn er toch goede dingen van minderen rang, die bij het lichaam zelf behoren of tot de uitwendige dingen, die het lichaam benutten kan. En wat deze dingen betreft, kan er in de ziel van een wijze droefheid zijn in het zinnelijk streefvermogen, als tegenslagen op deze punten worden waargenomen; echter niet zo, dat de droefheid het verstand zou verwarren. In dezen zin ook moet men het gezegde verstaan, dat "niets wat de rechtvaardige overkomt hem bedroeft", omdat: zijn verstand nl. door geen enkel ongeluk in de war wordt gebracht. Zo ook was er in Christus droefheid, nl. als een propassie, maar niet in volle hevigheid.
2e Weerlegging. Zoals Augustinus in de Stad Gods (14° B., 8° H.) zegt, "namen de Stoïcijnen in plaats van de drie soorten gemoeds-onrust, (nl. begeerte, vreugde en vrees) drie zg. eupathieën (of goede hartstochten) aan in de ziel van een wijs mens, nl. willen in plaats van begeerte, opgewektheid in plaats van vreugde en omzichtigheid in plaats van vrees. Zij ontkenden echter, dat er in de ziel van een wijze iets in plaats van droefheid zou kunnen komen, omdat deze iets kwaads, dat ons al overkomt tot oorzaak heeft, terwijl naar hun mening de wijze niets kwaads kan overkomen". En dat zeiden zij hierom, dat zij niets als goed beschouwden als het eerbare, dat de mensen goed maakt en niets als kwaad als het oneerbare, dat hen slecht maakt. Al is echter het eerbare het voornaamste goed van de mens en het oneerbare het ergste kwaad, omdat beiden tot het verstand behoren, dat het voornaamste is in de mens, zijn er toch goede dingen van minderen rang, die bij het lichaam zelf behoren of tot de uitwendige dingen, die het lichaam benutten kan. En wat deze dingen betreft, kan er in de ziel van een wijze droefheid zijn in het zinnelijk streefvermogen, als tegenslagen op deze punten worden waargenomen; echter niet zo, dat de droefheid het verstand zou verwarren. In dezen zin ook moet men het gezegde verstaan, dat "niets wat de rechtvaardige overkomt hem bedroeft", omdat: zijn verstand nl. door geen enkel ongeluk in de war wordt gebracht. Zo ook was er in Christus droefheid, nl. als een propassie, maar niet in volle hevigheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Iedere droefheid is als iets kwaads een straf, maar niet altijd is het een schuldig kwaad, doch alleen als zij uit ongeregelde neiging voortkomt. Daarom zegt Augustinus in de Stad Gods (14 B., 9 H.): "Als deze gevoelens door de rechte rede beheerst opkomen waar en wanneer het behoort, wie zou ze dan slechte en schuldige gevoelens durven noemen?"
3e Weerlegging. Iedere droefheid is als iets kwaads een straf, maar niet altijd is het een schuldig kwaad, doch alleen als zij uit ongeregelde neiging voortkomt. Daarom zegt Augustinus in de Stad Gods (14 B., 9 H.): "Als deze gevoelens door de rechte rede beheerst opkomen waar en wanneer het behoort, wie zou ze dan slechte en schuldige gevoelens durven noemen?"
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 6 ad 4
4e Weerlegging. Er is niets op tegen dat iets op zichzelf beschouwd tegen de wil is en toch wordt gewild om het doel, waarop het wordt gericht, zoals een bitter geneesmiddel niet om zichzelf wordt gewild, maar omdat het een middel tot gezondheid is. Zo werden Christus’ lijden en dood op zichzelf beschouwd niet begeerd en veroorzaakten zij droefheid; maar zij werden gewild als gericht op hun doel, nl. de verlossing van het menselijk geslacht.
4e Weerlegging. Er is niets op tegen dat iets op zichzelf beschouwd tegen de wil is en toch wordt gewild om het doel, waarop het wordt gericht, zoals een bitter geneesmiddel niet om zichzelf wordt gewild, maar omdat het een middel tot gezondheid is. Zo werden Christus’ lijden en dood op zichzelf beschouwd niet begeerd en veroorzaakten zij droefheid; maar zij werden gewild als gericht op hun doel, nl. de verlossing van het menselijk geslacht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Bestond er vrees in Christus?
IIIa q. 15 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat er in Christus geen vrees bestond. Want in het boek der Spreuken (28, 1) wordt gezegd: "De rechtvaardige zal als een leeuw vertrouwen en zonder vrees zijn". Christus nu was in hoogste mate rechtvaardig en dus zonder vrees.
B: (Prov 28:1) [b:Prov 28:1]
Over het zevende als volgt. Men beweert dat er in Christus geen vrees bestond. Want in het boek der Spreuken (28, 1) wordt gezegd: "De rechtvaardige zal als een leeuw vertrouwen en zonder vrees zijn". Christus nu was in hoogste mate rechtvaardig en dus zonder vrees.
B: (Prov 28:1) [b:Prov 28:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 7 arg. 2
Vervolgens. In het 10e boek Over de Drievuldigheid zegt Hilarius: "Hun, die dit menen, stel ik de vraag of men zich in kan denken, dat Hij de dood zou vrezen, die alle vrees voor de dood uit de Apostelen uitdreef en hen opwekte de martelaarsglorie te verwerven". Aan te nemen, dat er vrees in Christus zou zijn geweest, is dus onredelijk.
Vervolgens. In het 10e boek Over de Drievuldigheid zegt Hilarius: "Hun, die dit menen, stel ik de vraag of men zich in kan denken, dat Hij de dood zou vrezen, die alle vrees voor de dood uit de Apostelen uitdreef en hen opwekte de martelaarsglorie te verwerven". Aan te nemen, dat er vrees in Christus zou zijn geweest, is dus onredelijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Alleen voor iets kwaads, dat de mens niet kan vermijden, schijnt vrees te bestaan. Nu kon Christus zowel het kwaad der straf, dat Hij onderging, als dat der schuld, dat anderen trof, ontgaan. Dus was er geen vrees in Christus.
Vervolgens. Alleen voor iets kwaads, dat de mens niet kan vermijden, schijnt vrees te bestaan. Nu kon Christus zowel het kwaad der straf, dat Hij onderging, als dat der schuld, dat anderen trof, ontgaan. Dus was er geen vrees in Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 7 s. c.
Maar daartegenover staat, dat bij Marcus (14, 33) wordt gezegd: "Hij begon beangst en benauwd te worden".
B: (Mark 4:33) [b:Mark 4:33]
Maar daartegenover staat, dat bij Marcus (14, 33) wordt gezegd: "Hij begon beangst en benauwd te worden".
B: (Mark 4:33) [b:Mark 4:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 7 co.
Mijn antwoord. Zoals droefheid uit kwaad, dat men reeds ondergaat, komt vrees voort uit het kennen van iets kwaads, dat in de toekomst dreigt. Nu brengt echter het kennen van een toekomstig kwaad, dat in alle opzichten zeker is, geen vrees teweeg. Daarom zegt de Filosoof in het 2e boek Over de welsprekendheid (5e H., n. 13), dat er geen vrees bestaat, tenzij waar nog hoop op ontsnappen is; want is die er niet meer, dan beschouwt men het kwaad als reeds tegenwoordig en brengt het eer droefheid dan vrees teweeg. Vrees kan men dus op twee manieren beschouwen. Ten eerste in zover het zinnelijk streefvermogen van nature voor lichamelijk letsel terugdeinst, in droefheid als het reeds aanwezig, en met vrees, als het nog toekomstig is. En zo was er vrees zowel als droefheid in Christus. Het kan ook anders beschouwd worden wat de onzekerheid der toekomstige gebeurtenissen betreft zoals wij 's nachts bang zijn, als wij iets horen zonder te weten, wat het is. En zo was er in Christus geen vrees, zoals Damascenus in het 3e boek zegt (Over het Ware Geloof, 23e H.).
Mijn antwoord. Zoals droefheid uit kwaad, dat men reeds ondergaat, komt vrees voort uit het kennen van iets kwaads, dat in de toekomst dreigt. Nu brengt echter het kennen van een toekomstig kwaad, dat in alle opzichten zeker is, geen vrees teweeg. Daarom zegt de Filosoof in het 2e boek Over de welsprekendheid (5e H., n. 13), dat er geen vrees bestaat, tenzij waar nog hoop op ontsnappen is; want is die er niet meer, dan beschouwt men het kwaad als reeds tegenwoordig en brengt het eer droefheid dan vrees teweeg. Vrees kan men dus op twee manieren beschouwen. Ten eerste in zover het zinnelijk streefvermogen van nature voor lichamelijk letsel terugdeinst, in droefheid als het reeds aanwezig, en met vrees, als het nog toekomstig is. En zo was er vrees zowel als droefheid in Christus. Het kan ook anders beschouwd worden wat de onzekerheid der toekomstige gebeurtenissen betreft zoals wij 's nachts bang zijn, als wij iets horen zonder te weten, wat het is. En zo was er in Christus geen vrees, zoals Damascenus in het 3e boek zegt (Over het Ware Geloof, 23e H.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Men zegt van de rechtvaardige, dat hij zonder vrees is, als vrees een hartstocht in vollen omvang betekent, die het mens afhoudt van wat volgens de rede goed is. Op die manier was er in Christus geen vrees, maar alleen een zg. passie. Daarom staat er ook, dat Jesus "begon beangst en benauwd te zijn", nl. door een passie, zoals Hieronymus daarbij uitlegt.
B: (Matt 26:37) [b:Matt 26:37] (Mark 14:33) [b:Mark 14:33]
1e Weerlegging. Men zegt van de rechtvaardige, dat hij zonder vrees is, als vrees een hartstocht in vollen omvang betekent, die het mens afhoudt van wat volgens de rede goed is. Op die manier was er in Christus geen vrees, maar alleen een zg. passie. Daarom staat er ook, dat Jesus "begon beangst en benauwd te zijn", nl. door een passie, zoals Hieronymus daarbij uitlegt.
B: (Matt 26:37) [b:Matt 26:37] (Mark 14:33) [b:Mark 14:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Op dezelfde manier als bij de droefheid sluit Hilarius vrees bij Christus uit, namelijk wat de noodzakelijkheid om te vrezen betreft. Maar om te bewijzen dat Hij een echte menselijke natuur heeft, nam Hij vrijwillig beiden op zich.
2e Weerlegging. Op dezelfde manier als bij de droefheid sluit Hilarius vrees bij Christus uit, namelijk wat de noodzakelijkheid om te vrezen betreft. Maar om te bewijzen dat Hij een echte menselijke natuur heeft, nam Hij vrijwillig beiden op zich.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Al kon Christus door goddelijke kracht het komende kwaad vermijden, dan was het toch moeilijk of niet te vermijden gerekend naar de zwakheid van het vlees.
3e Weerlegging. Al kon Christus door goddelijke kracht het komende kwaad vermijden, dan was het toch moeilijk of niet te vermijden gerekend naar de zwakheid van het vlees.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Heeft Christus Zich over iets verwonderd?
IIIa q. 15 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert dat Christus zich over niets heeft verwonderd. De filosoof zegt immers in het 1° boek *Over de Metaphysiek* (2° H., n. 8 en 11), dat verwondering ontstaat doordat iemand een gevolg ziet zonder de oorzaak te kennen, en zo is er zonder enige onwetendheid geen verwondering. Nu was er in Christus zoals wij zeiden (3° Art.) geen onwetendheid. Dus ook geen verwondering.
R: q. 15 a. 3[t:iiia q. 15 a. 3]
Over het achtste als volgt. Men beweert dat Christus zich over niets heeft verwonderd. De filosoof zegt immers in het 1° boek *Over de Metaphysiek* (2° H., n. 8 en 11), dat verwondering ontstaat doordat iemand een gevolg ziet zonder de oorzaak te kennen, en zo is er zonder enige onwetendheid geen verwondering. Nu was er in Christus zoals wij zeiden (3° Art.) geen onwetendheid. Dus ook geen verwondering.
R: q. 15 a. 3[t:iiia q. 15 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Damascenus zegt in het 2e boek (*Over het Ware Geloof*, 15e H.), dat "verwondering een door grote verbeeldingskracht opgewekte vrees is", en daarom zegt de Filosoof in het 4e boek *Over de Zedeleer* (3e H., n. 30), dat "een grootmoedig mens zich niet gauw verwondert". Omdat Christus dit in hoogste mate was, verwonderde Hij zich niet.
Vervolgens. Damascenus zegt in het 2e boek (*Over het Ware Geloof*, 15e H.), dat "verwondering een door grote verbeeldingskracht opgewekte vrees is", en daarom zegt de Filosoof in het 4e boek *Over de Zedeleer* (3e H., n. 30), dat "een grootmoedig mens zich niet gauw verwondert". Omdat Christus dit in hoogste mate was, verwonderde Hij zich niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Niemand verwondert zich over wat hij zelf ook kan doen. Nu kon Christus alle grote dingen zelf doen. Dus schijnt Hij zich over niets verwonderd te hebben.
Vervolgens. Niemand verwondert zich over wat hij zelf ook kan doen. Nu kon Christus alle grote dingen zelf doen. Dus schijnt Hij zich over niets verwonderd te hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 8 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Matthaeus (8, 10) zegt: "Toen Jesus dit (nl. de woorden van de honderdman) hoorde, verwonderde Hij zich".
B: (Matt 8:10) [b:Matt 8:10]
Maar daartegenover staat, dat Matthaeus (8, 10) zegt: "Toen Jesus dit (nl. de woorden van de honderdman) hoorde, verwonderde Hij zich".
B: (Matt 8:10) [b:Matt 8:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 8 co.
Mijn antwoord. Eigenlijk komt verwondering voor naar aanleiding van iets nieuws en ongewoons. Van de kant der goddelijke kennis nu gerekend, kon niets voor Christus nieuw of ongewoon zijn en evenmin van de kant der menselijke kennis, waarmee Hij de dingen in het Woord kende of waarmee Hij de dingen kende door ingestorte kenbeelden. Maar iets kon Hem nieuw en ongewoon toeschijnen naar Zijn door ondervinding verkregen kennis, want volgens deze konden Hem dagelijks nieuwe dingen overkomen. Spreken wij dus van Christus volgens zijn goddelijke of zaligmakende of ingestorte kennis, dan is er in Hem voor verwondering geen plaats, maar wel als wij van Hem spreken wat Zijn door ondervinding verkregen kennis betreft. En deze gemoedstoestand nam Hij aan om ons te onderrichten en te leren, dat wij ons moeten verwonderen over datgene, waarover Hij zich verwonderde. Daarom zegt ook Augustinus in het 1e boek van zijn Commentaar op het boek der Schepping tegen de Manichaeën (8e H.): "Dat de Heer zich verwondert, betekent, dat wij ons moeten verwonderen, daar wij nog behoefte hebben om bewogen te worden. Al die gemoedsbewegingen van Hem zijn geen tekenen, dat zijn ziel verward was, maar zijn lessen van onze Leeraar".
Mijn antwoord. Eigenlijk komt verwondering voor naar aanleiding van iets nieuws en ongewoons. Van de kant der goddelijke kennis nu gerekend, kon niets voor Christus nieuw of ongewoon zijn en evenmin van de kant der menselijke kennis, waarmee Hij de dingen in het Woord kende of waarmee Hij de dingen kende door ingestorte kenbeelden. Maar iets kon Hem nieuw en ongewoon toeschijnen naar Zijn door ondervinding verkregen kennis, want volgens deze konden Hem dagelijks nieuwe dingen overkomen. Spreken wij dus van Christus volgens zijn goddelijke of zaligmakende of ingestorte kennis, dan is er in Hem voor verwondering geen plaats, maar wel als wij van Hem spreken wat Zijn door ondervinding verkregen kennis betreft. En deze gemoedstoestand nam Hij aan om ons te onderrichten en te leren, dat wij ons moeten verwonderen over datgene, waarover Hij zich verwonderde. Daarom zegt ook Augustinus in het 1e boek van zijn Commentaar op het boek der Schepping tegen de Manichaeën (8e H.): "Dat de Heer zich verwondert, betekent, dat wij ons moeten verwonderen, daar wij nog behoefte hebben om bewogen te worden. Al die gemoedsbewegingen van Hem zijn geen tekenen, dat zijn ziel verward was, maar zijn lessen van onze Leeraar".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Al was niets aan Christus onbekend, toch kon zich nog iets nieuws voordoen aan Zijn door ondervinding verkregen kennis, wat oorzaak van verwondering was.
1e Weerlegging. Al was niets aan Christus onbekend, toch kon zich nog iets nieuws voordoen aan Zijn door ondervinding verkregen kennis, wat oorzaak van verwondering was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Christus verwonderde zich niet over het geloof van de honderdman, alsof het voor Hem iets groots, maar omdat het voor anderen iets groot was.
2e Weerlegging. Christus verwonderde zich niet over het geloof van de honderdman, alsof het voor Hem iets groots, maar omdat het voor anderen iets groot was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Hij kon alles door goddelijke kracht en zo was er in Hem geen plaats voor verwondering, maar alleen zoals gezegd is (in de Leerstelling) krachtens menselijke wetenschap door ondervinding.
3e Weerlegging. Hij kon alles door goddelijke kracht en zo was er in Hem geen plaats voor verwondering, maar alleen zoals gezegd is (in de Leerstelling) krachtens menselijke wetenschap door ondervinding.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Kon er toorn in Christus bestaan?
IIIa q. 15 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert, dat er geen toorn in Christus was. Want in den Brief van Jacobus (Jac. 1, 20, Jac. 1, 20) [b:Jac. 1, 20] wordt gezegd: "De toorn van den mens beperkt Gods rechtvaardigheid niet". Nu behoort al wat er in Christus was tot Gods rechtvaardigheid, want zoals in de Eerste Korinthiërsbrief (1 Kor. 1, 30, 1 Kor. 1, 30) [b:1 Kor. 1, 30] staat: "is Hij voor ons van God rechtvaardigheid geworden". Dus schijnt er geen toorn in Hem te zijn geweest.
Over het negende als volgt. Men beweert, dat er geen toorn in Christus was. Want in den Brief van Jacobus (Jac. 1, 20, Jac. 1, 20) [b:Jac. 1, 20] wordt gezegd: "De toorn van den mens beperkt Gods rechtvaardigheid niet". Nu behoort al wat er in Christus was tot Gods rechtvaardigheid, want zoals in de Eerste Korinthiërsbrief (1 Kor. 1, 30, 1 Kor. 1, 30) [b:1 Kor. 1, 30] staat: "is Hij voor ons van God rechtvaardigheid geworden". Dus schijnt er geen toorn in Hem te zijn geweest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 9 arg. 2
Vervolgens. Toorn staat tegenover zachtmoedigheid, zoals in het 4e boek Over de Zedeleer (5e H. n. l, 2 en 3) wordt gezegd. Omdat Christus nu in hoogste mate zachtmoedig was, bestond er in Hem geen toorn.
Vervolgens. Toorn staat tegenover zachtmoedigheid, zoals in het 4e boek Over de Zedeleer (5e H. n. l, 2 en 3) wordt gezegd. Omdat Christus nu in hoogste mate zachtmoedig was, bestond er in Hem geen toorn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 9 arg. 3
Vervolgens. In het 5° boek Over de Zedeleer (45° H.) zegt Gregorius: "Toorn, die uit een gebrek voortkomt, verblindt; die uit ijver voortkomt, vertroebelt het geestesoog". Nu was Christus' geestesoog verblind noch vertroebeld en dus was er in Hem noch uit een gebrek noch uit ijver toorn.
Vervolgens. In het 5° boek Over de Zedeleer (45° H.) zegt Gregorius: "Toorn, die uit een gebrek voortkomt, verblindt; die uit ijver voortkomt, vertroebelt het geestesoog". Nu was Christus' geestesoog verblind noch vertroebeld en dus was er in Hem noch uit een gebrek noch uit ijver toorn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 9 s. c.
Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (Joh. 2, 17, Joh. 2, 17) [b:Joh. 2, 17] wordt gezegd, dat het Psalmvoord (Ps. 69, 10, Ps. 68, 10) [b:Ps. 69, 10]: "De ijver voor U» huis heeft mij verteerd" in Hem is vervuld.
Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (Joh. 2, 17, Joh. 2, 17) [b:Joh. 2, 17] wordt gezegd, dat het Psalmvoord (Ps. 69, 10, Ps. 68, 10) [b:Ps. 69, 10]: "De ijver voor U» huis heeft mij verteerd" in Hem is vervuld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 9 co.
Mijn antwoord. Toorn is, zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 46 Kw., 3° Art., Antw. op de 3eB.; IIa-IIae, 158° Kw., 2 Art, Antw. op de 3° B.) is gezegd, een gevolg van droefheid. Wordt iemand nl. droefheid berokkend, dan ontstaat in zijn zinnelijk deel het verlangen om het hem of anderen aangedane onrecht terug te betalen. Toorn is dus een hartstocht, die uit droefheid en een verlangen naar wraak is samengesteld. Nu hebben wij gezegd (6" Art.), dat er in Christus droefheid kon zijn. Soms is het verlangen naar wraak zondig, bv. als iemand zich wil wreken tegen de rechte rede in, en zo kon er in Christus geen toorn zijn, omdat men dit de toorn noemt, die uit een gebrek voortkomt. Maar soms kan dit verlangen er zonder zonde zijn en zelfs lofwaardig, als iemand bv. wraak verlangt volgens de orde van het recht. En dit noemt men toorn uit ijver, want Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (10e Trakt., bij 2° H., I7): "Iemand wordt door ijver voor Gods huis verteerd, als hij al het slechte, dat hij er ziet wil verbeteren, en kan hij dat niet, het dult en erover zucht". Zo'n toorn nu was er in Christus.
R: Ia-IIae q. 46 a. 3 ad 3[t:ia-iiae q. 46 a. 3 ad 3] IIa-IIae q. 158 a. 2 ad 3[t:iia-iiae q. 158 a. 2 ad 3] q. 15 a. 6[t:iiia q. 15 a. 6]
Mijn antwoord. Toorn is, zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 46 Kw., 3° Art., Antw. op de 3eB.; IIa-IIae, 158° Kw., 2 Art, Antw. op de 3° B.) is gezegd, een gevolg van droefheid. Wordt iemand nl. droefheid berokkend, dan ontstaat in zijn zinnelijk deel het verlangen om het hem of anderen aangedane onrecht terug te betalen. Toorn is dus een hartstocht, die uit droefheid en een verlangen naar wraak is samengesteld. Nu hebben wij gezegd (6" Art.), dat er in Christus droefheid kon zijn. Soms is het verlangen naar wraak zondig, bv. als iemand zich wil wreken tegen de rechte rede in, en zo kon er in Christus geen toorn zijn, omdat men dit de toorn noemt, die uit een gebrek voortkomt. Maar soms kan dit verlangen er zonder zonde zijn en zelfs lofwaardig, als iemand bv. wraak verlangt volgens de orde van het recht. En dit noemt men toorn uit ijver, want Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (10e Trakt., bij 2° H., I7): "Iemand wordt door ijver voor Gods huis verteerd, als hij al het slechte, dat hij er ziet wil verbeteren, en kan hij dat niet, het dult en erover zucht". Zo'n toorn nu was er in Christus.
R: Ia-IIae q. 46 a. 3 ad 3[t:ia-iiae q. 46 a. 3 ad 3] IIa-IIae q. 158 a. 2 ad 3[t:iia-iiae q. 158 a. 2 ad 3] q. 15 a. 6[t:iiia q. 15 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. Zoals Gregorius in het 5° boek Over de Zedeleer zegt, kan toorn op twee manieren in de mens bestaan. Soms gaat zij aan het verstandsoverleg vooraf en sleept dat mee; en dan zegt men in eigenlijke zin, dat de toorn iets bewerkt, omdat men een werk aan de voornaamste oorzaak toeschrijft. Zo ook moeten wij het verstaan, dat "de toorn van de mens Gods rechtvaardigheid niet bewerkt". Maar soms komt de toorn na het verstandswerk en is als het ware het werktuig ervan. Is het werk dan rechtvaardig, dan schrijft men het niet aan de toorn, maar aan het verstand toe.
1e Weerlegging. Zoals Gregorius in het 5° boek Over de Zedeleer zegt, kan toorn op twee manieren in de mens bestaan. Soms gaat zij aan het verstandsoverleg vooraf en sleept dat mee; en dan zegt men in eigenlijke zin, dat de toorn iets bewerkt, omdat men een werk aan de voornaamste oorzaak toeschrijft. Zo ook moeten wij het verstaan, dat "de toorn van de mens Gods rechtvaardigheid niet bewerkt". Maar soms komt de toorn na het verstandswerk en is als het ware het werktuig ervan. Is het werk dan rechtvaardig, dan schrijft men het niet aan de toorn, maar aan het verstand toe.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. Gaat de toorn buiten de verstandsorde, dan staat zij tegenover de zachtmoedigheid, maar niet als zij onder leiding van het, verstand het juiste midden houdt. Want de zachtmoedigheid weet hij toorn het juiste midden te bewaren.
2e Weerlegging. Gaat de toorn buiten de verstandsorde, dan staat zij tegenover de zachtmoedigheid, maar niet als zij onder leiding van het, verstand het juiste midden houdt. Want de zachtmoedigheid weet hij toorn het juiste midden te bewaren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. Bij ons staan volgens de natuurlijke orde verschillende vermogens elkaar in den weg, zodat nl. de heftige werking van het ene de werking van het andere verzwakt. Daarvandaan komt liet, dat zelfs door de rede beheerste toornige gemoedsbewegingen het geestesoog der beschouwende ziel toch vertroebelen. Bij Christus echter liet de goddelijke kracht "ieder vermogen doen wat eraan eigen is", zoodat het ene vermogen door het andere niet werd gehinderd. Zoals dus het genieten van de beschouwende geest de droefheid of smart van het lagere deel niet in den weg stond, belemmerden omgekeerd de hartstochten van het lagere deel de verstandswerking in geen enkel opzicht.
3e Weerlegging. Bij ons staan volgens de natuurlijke orde verschillende vermogens elkaar in den weg, zodat nl. de heftige werking van het ene de werking van het andere verzwakt. Daarvandaan komt liet, dat zelfs door de rede beheerste toornige gemoedsbewegingen het geestesoog der beschouwende ziel toch vertroebelen. Bij Christus echter liet de goddelijke kracht "ieder vermogen doen wat eraan eigen is", zoodat het ene vermogen door het andere niet werd gehinderd. Zoals dus het genieten van de beschouwende geest de droefheid of smart van het lagere deel niet in den weg stond, belemmerden omgekeerd de hartstochten van het lagere deel de verstandswerking in geen enkel opzicht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Was Christus tegelijk pelgrim op weg naar de hemel en bereiker ervan?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 7 a. 5 ad 3
IIIa q. 11 a. 2 co.
IIIa q. 19 a. 3 ad 1[t:iiia q. 7 a. 5 ad 3][t:iiia q. 11 a. 2 co.][t:iiia q. 19 a. 3 ad 1]
IIIa q. 15 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert, dat Christus niet tegelijk pelgrim en bereiker was. Want een pelgrim moet zich voortbewegen naar het doel, de zaligheid, en de bereiker moet erin rusten. Nu kan niemand tegelijk zich naar een doel voortbewegen en erin rusten. Dus kon Christus niet tegelijk pelgrim op weg naar de hemel en bereiker ervan zijn.
IIIa q. 7 a. 5 ad 3
IIIa q. 11 a. 2 co.
IIIa q. 19 a. 3 ad 1[t:iiia q. 7 a. 5 ad 3][t:iiia q. 11 a. 2 co.][t:iiia q. 19 a. 3 ad 1]
IIIa q. 15 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert, dat Christus niet tegelijk pelgrim en bereiker was. Want een pelgrim moet zich voortbewegen naar het doel, de zaligheid, en de bereiker moet erin rusten. Nu kan niemand tegelijk zich naar een doel voortbewegen en erin rusten. Dus kon Christus niet tegelijk pelgrim op weg naar de hemel en bereiker ervan zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 10 arg. 2
Vervolgens. Zich voortbewegen naar de zaligheid en haar bereiken komt de mens vooral toe naar de ziel. Daarom zegt Augustinus in de Brief aan Dioscorus (118° Br., 3° H.), dat "op de lagere natuur, nl. het lichaam de zaligheid, die eigen is aan wie begrijpt en zo geniet, niet overstroomt uit de ziel". Al had Christus nu een lichaam, dat lijden kon, toch genoot Hij naar Zijn ziel ten volle van God. Dus was Christus geen pelgrim, maar ten volle iemand, die de hemel had bereikt.
Vervolgens. Zich voortbewegen naar de zaligheid en haar bereiken komt de mens vooral toe naar de ziel. Daarom zegt Augustinus in de Brief aan Dioscorus (118° Br., 3° H.), dat "op de lagere natuur, nl. het lichaam de zaligheid, die eigen is aan wie begrijpt en zo geniet, niet overstroomt uit de ziel". Al had Christus nu een lichaam, dat lijden kon, toch genoot Hij naar Zijn ziel ten volle van God. Dus was Christus geen pelgrim, maar ten volle iemand, die de hemel had bereikt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 10 arg. 3
Vervolgens. De heiligen, wier zielen in de hemel zijn en wier lichamen in het graf, genieten wat hun ziel betreft wel van de zaligheid, al zijn hun lichamen aan de dood onderworpen; en toch worden zij geen pelgrims genoemd, maar alleen bereikers van de hemel. Om dezelfde reden schijnt het, dat al was Christus’ lichaam dan sterfelijk, Hij toch omdat Zijn ziel van God genoot, alleen een bereiker van de hemel was en geen pelgrim.
Vervolgens. De heiligen, wier zielen in de hemel zijn en wier lichamen in het graf, genieten wat hun ziel betreft wel van de zaligheid, al zijn hun lichamen aan de dood onderworpen; en toch worden zij geen pelgrims genoemd, maar alleen bereikers van de hemel. Om dezelfde reden schijnt het, dat al was Christus’ lichaam dan sterfelijk, Hij toch omdat Zijn ziel van God genoot, alleen een bereiker van de hemel was en geen pelgrim.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 10 s. c.
Maar daartegenover staat het woord van Jeremias (14, 8): "Gij zult als een balling op aarde zijn en als een reiziger, die weigert te blijven".
B: (Jer 14:8) [b:Jer 14:8]
Maar daartegenover staat het woord van Jeremias (14, 8): "Gij zult als een balling op aarde zijn en als een reiziger, die weigert te blijven".
B: (Jer 14:8) [b:Jer 14:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 10 co.
Mijn antwoord. Iemand wordt pelgrim genoemd, omdat Hij de zaligheid zoekt te bereiken, en bereiker, omdat hij de zaligheid reeds heeft verkregen, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (9, 24): "Loopt zo, dat gij moogt winnen", en de Philippensebrief (3, 12): "Ik jaag het na om het te bereiken". Nu ligt de volmaakte zaligheid van de mens zowel in de ziel als in het lichaam, zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 4e Kw., 6e Art.) is gezegd; en wel in de ziel wat het eigenlijke deel betreft, dat namelijk de ziel God ziet en van Hem geniet, en in het lichaam, in zover dit "geestelijk zal verrijzen in kracht en glorie en onbederflijkheid", zoals in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 42 en vlgd) wordt gezegd. Christus nu aanschouwde voor Zijn lijden naar de geest God volledig en bezat dus de zaligheid voor het deel, dat eigen is aan de ziel. Maar Hij miste haar wat de andere delen betreft, omdat zowel Zijn ziel kon lijden als zijn lichaam kon lijden en sterven, als blijkt uit wat vroeger is gezegd (9e Kw., 2e Art.). Dus was Hij tegelijk iemand, die de zaligheid had bereikt, omdat Hij haar bezat voor zover zij eigen is aan de ziel, en toch ook pelgrim, in zover Hij naar de zaligheid streefde voor het deel, dat Hij nog miste.
B: (1Cor 9:24) [b:1Cor 9:24] (1Cor 15:42) [b:1Cor 15:42] (Phil 3:12) [b:Phil 3:12]
R: Ia-IIae q. 4 a. 6[t:ia-iiae q. 4 a. 6] q. 15 a. 4[t:iiia q. 15 a. 4] q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1] q. 14 a. 2[t:iiia q. 14 a. 2]
Mijn antwoord. Iemand wordt pelgrim genoemd, omdat Hij de zaligheid zoekt te bereiken, en bereiker, omdat hij de zaligheid reeds heeft verkregen, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (9, 24): "Loopt zo, dat gij moogt winnen", en de Philippensebrief (3, 12): "Ik jaag het na om het te bereiken". Nu ligt de volmaakte zaligheid van de mens zowel in de ziel als in het lichaam, zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 4e Kw., 6e Art.) is gezegd; en wel in de ziel wat het eigenlijke deel betreft, dat namelijk de ziel God ziet en van Hem geniet, en in het lichaam, in zover dit "geestelijk zal verrijzen in kracht en glorie en onbederflijkheid", zoals in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 42 en vlgd) wordt gezegd. Christus nu aanschouwde voor Zijn lijden naar de geest God volledig en bezat dus de zaligheid voor het deel, dat eigen is aan de ziel. Maar Hij miste haar wat de andere delen betreft, omdat zowel Zijn ziel kon lijden als zijn lichaam kon lijden en sterven, als blijkt uit wat vroeger is gezegd (9e Kw., 2e Art.). Dus was Hij tegelijk iemand, die de zaligheid had bereikt, omdat Hij haar bezat voor zover zij eigen is aan de ziel, en toch ook pelgrim, in zover Hij naar de zaligheid streefde voor het deel, dat Hij nog miste.
B: (1Cor 9:24) [b:1Cor 9:24] (1Cor 15:42) [b:1Cor 15:42] (Phil 3:12) [b:Phil 3:12]
R: Ia-IIae q. 4 a. 6[t:ia-iiae q. 4 a. 6] q. 15 a. 4[t:iiia q. 15 a. 4] q. 14 a. 1[t:iiia q. 14 a. 1] q. 14 a. 2[t:iiia q. 14 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. Het is onmogelijk onder een en hetzelfde opzicht zich naar een doel toe te begeven en in het bereikte doel te rusten. Maar er is niets op tegen, dat dit onder verschillende opzichten geschiedt, zoals een mens tegelijk wetenschap bezit wat de dingen betreft, die hij reeds kent en de dingen, die hij nog niet kent, aanleert.
1e Weerlegging. Het is onmogelijk onder een en hetzelfde opzicht zich naar een doel toe te begeven en in het bereikte doel te rusten. Maar er is niets op tegen, dat dit onder verschillende opzichten geschiedt, zoals een mens tegelijk wetenschap bezit wat de dingen betreft, die hij reeds kent en de dingen, die hij nog niet kent, aanleert.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. Eigenlijk en hoofdzakelijk is de zaligheid in de ziel naar de geest, maar op de tweede plaats en als werktuigen worden de dingen, die goed zijn voor het lichaam, tot de zaligheid vereist; zo zegt ook de Filosoof in het 1e boek Over de Zedeleer (8e H., n. 15 en 16), dat de uitwendige goederen organisch tot de zaligheid meewerken.
2e Weerlegging. Eigenlijk en hoofdzakelijk is de zaligheid in de ziel naar de geest, maar op de tweede plaats en als werktuigen worden de dingen, die goed zijn voor het lichaam, tot de zaligheid vereist; zo zegt ook de Filosoof in het 1e boek Over de Zedeleer (8e H., n. 15 en 16), dat de uitwendige goederen organisch tot de zaligheid meewerken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 15 a. 10 ad 3
3e Weerlegging. Om twee redenen gaat dezelfde redenering voor de zielen der zalige afgestorvenen en voor Christus niet op. Ten eerste omdat de zielen der zaligen niet kunnen lijden, zoals Christus’ ziel. Ten tweede omdat hun lichamen niets doen, waardoor zij naar de zaligheid streven, zoals Christus door het lichaamslijden naar de zaligheid streefde, wat de verheerlijking van het lichaam betreft.
3e Weerlegging. Om twee redenen gaat dezelfde redenering voor de zielen der zalige afgestorvenen en voor Christus niet op. Ten eerste omdat de zielen der zaligen niet kunnen lijden, zoals Christus’ ziel. Ten tweede omdat hun lichamen niets doen, waardoor zij naar de zaligheid streven, zoals Christus door het lichaamslijden naar de zaligheid streefde, wat de verheerlijking van het lichaam betreft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 16: Over wat Christus naar Zijn Bestaan en Worden toekomt
IIIa q. 16 pr.
Vervolgens moeten wij spreken over wat uit die Vereniging volgt. En dan vooreerst over wat Christus op Zichzelf beschouwd toekomt; en dan over wat Hem krachtens Zijn verhouding tot God de Vader, ten derde over wat Hem krachtens Zijn verhouding tot ons eigen is. Wat het eerste punt betreft zijn er twee dingen te behandelen. Ten eerste wat Christus naar worden en bestaan toekomt; en dan wat Christus uiteraard door de eenheid (in persoon) bezit. Over het eerste stellen wij ons twaalf vragen :
1. Is deze stelling waar: God is mens?
2. Is deze stelling waar: een mens is God?
3. Kan men Christus noemen: de mens, die de Heer toebehoort? (1)
4. Kan wat de mensenzoon toekomt, ook van de Zoon Gods worden gezegd en omgekeerd?
5. Kan wat de mensenzoon toekomt, ook van de goddelijke natuur worden gezegd, en wat Gods Zoon toekomt, van de menselijke?
6. Is deze stelling waar: Gods Zoon is mens geworden?
7. Is deze stelling waar: een mens is God geworden?
8. Is deze stelling waar: Christus is een schepsel?
9. Is deze stelling waar: deze mens, als dit op Christus slaat, begon te bestaan of heeft altijd bestaan?
10. Is deze stelling waar: Christus als mens is een schepsel?
11. Is deze stelling waar: Christus als mens is God?
12. Is deze stelling waar: Christus als mens is een hypostase of persoon?
Vervolgens moeten wij spreken over wat uit die Vereniging volgt. En dan vooreerst over wat Christus op Zichzelf beschouwd toekomt; en dan over wat Hem krachtens Zijn verhouding tot God de Vader, ten derde over wat Hem krachtens Zijn verhouding tot ons eigen is. Wat het eerste punt betreft zijn er twee dingen te behandelen. Ten eerste wat Christus naar worden en bestaan toekomt; en dan wat Christus uiteraard door de eenheid (in persoon) bezit. Over het eerste stellen wij ons twaalf vragen :
1. Is deze stelling waar: God is mens?
2. Is deze stelling waar: een mens is God?
3. Kan men Christus noemen: de mens, die de Heer toebehoort? (1)
4. Kan wat de mensenzoon toekomt, ook van de Zoon Gods worden gezegd en omgekeerd?
5. Kan wat de mensenzoon toekomt, ook van de goddelijke natuur worden gezegd, en wat Gods Zoon toekomt, van de menselijke?
6. Is deze stelling waar: Gods Zoon is mens geworden?
7. Is deze stelling waar: een mens is God geworden?
8. Is deze stelling waar: Christus is een schepsel?
9. Is deze stelling waar: deze mens, als dit op Christus slaat, begon te bestaan of heeft altijd bestaan?
10. Is deze stelling waar: Christus als mens is een schepsel?
11. Is deze stelling waar: Christus als mens is God?
12. Is deze stelling waar: Christus als mens is een hypostase of persoon?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is deze stelling waar: God is mens?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 16 a. 6 co.
IIIa q. 16 a. 6 co.
IIIa q. 35 a. 4 co.
IIIa q. 35 a. 4 ad 3[t:iiia q. 16 a. 6 co.][t:iiia q. 16 a. 6 co.][t:iiia q. 35 a. 4 co.][t:iiia q. 35 a. 4 ad 3]
IIIa q. 16 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat deze stelling: God is mens, onwaar is. Want iedere bevestigende bewering over begrippen, die ver van elkaar liggen, is onwaar. Nu gaat de stelling: God is mens, over ver van elkaar af liggende begrippen, omdat de door subject en predicaat aangegeven vormen zo ver mogelijk van elkaar af staan. Omdat deze stelling nu bevestigend is, schijnt zij onwaar te zijn.
IIIa q. 16 a. 6 co.
IIIa q. 16 a. 6 co.
IIIa q. 35 a. 4 co.
IIIa q. 35 a. 4 ad 3[t:iiia q. 16 a. 6 co.][t:iiia q. 16 a. 6 co.][t:iiia q. 35 a. 4 co.][t:iiia q. 35 a. 4 ad 3]
IIIa q. 16 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat deze stelling: God is mens, onwaar is. Want iedere bevestigende bewering over begrippen, die ver van elkaar liggen, is onwaar. Nu gaat de stelling: God is mens, over ver van elkaar af liggende begrippen, omdat de door subject en predicaat aangegeven vormen zo ver mogelijk van elkaar af staan. Omdat deze stelling nu bevestigend is, schijnt zij onwaar te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De drie Personen komen meer met elkaar overeen dan de goddelijke en de menselijke natuur. Toch wordt in het geheim van de Drievuldigheid de ene Persoon niet van de andere gezegd; want wij zeggen niet, dat de Vader de Zoon is of omgekeerd. Dus schijnt de menselijke natuur ook niet van God gezegd te kunnen worden, zodat men zou kunnen beweren, dat God mens is.
Vervolgens. De drie Personen komen meer met elkaar overeen dan de goddelijke en de menselijke natuur. Toch wordt in het geheim van de Drievuldigheid de ene Persoon niet van de andere gezegd; want wij zeggen niet, dat de Vader de Zoon is of omgekeerd. Dus schijnt de menselijke natuur ook niet van God gezegd te kunnen worden, zodat men zou kunnen beweren, dat God mens is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Athanasius zegt (in het Symbolum), dat "zoals ziel en lichaam één mens, zo ook God en mens één Christus zijn". Nu is het niet waar, dat de ziel het lichaam is. Dus is ook de stelling: God is mens, onwaar.
Vervolgens. Athanasius zegt (in het Symbolum), dat "zoals ziel en lichaam één mens, zo ook God en mens één Christus zijn". Nu is het niet waar, dat de ziel het lichaam is. Dus is ook de stelling: God is mens, onwaar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 1 arg. 4
Vervolgens. In het eerste deel (39° Kw., 4° Art.) is gezegd, dat wat van God niet als iets, wat een verhouding, maar wat een absolute grootheid uitdrukt, wordt gezegd, aan de gehele Drievuldigheid en aan iedere Persoon afzonderlijk toekomt. Nu drukt de term mens niet iets relatiefs, maar iets absoluuts uit. Werd het dus in waarheid van God gezegd, dan zou de gehele Drievuldigheid en iedere Persoon mens zijn, maar dat is klaarblijkelijk onwaar.
R: I q. 39 a. 4[t:ia q. 39 a. 4]
Vervolgens. In het eerste deel (39° Kw., 4° Art.) is gezegd, dat wat van God niet als iets, wat een verhouding, maar wat een absolute grootheid uitdrukt, wordt gezegd, aan de gehele Drievuldigheid en aan iedere Persoon afzonderlijk toekomt. Nu drukt de term mens niet iets relatiefs, maar iets absoluuts uit. Werd het dus in waarheid van God gezegd, dan zou de gehele Drievuldigheid en iedere Persoon mens zijn, maar dat is klaarblijkelijk onwaar.
R: I q. 39 a. 4[t:ia q. 39 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat, dat in de Philippensenbrief (2, 6 en 7) wordt gezegd: "Al bezat Hij Gods gestalte, toch heeft Hij er Zich van ontdaan door de gestalte van een slaaf aan te nemen, gelijk te worden aan de mensen en uiterlijk als een mens te worden bevonden". En zo is Hij, die de gestalte van God bezat, toch een mens. Wie nu Gods gestalte bezit, is God. Dus is God mens.
B: (Phil 2:6) [b:Phil 2:6] (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Maar daartegenover staat, dat in de Philippensenbrief (2, 6 en 7) wordt gezegd: "Al bezat Hij Gods gestalte, toch heeft Hij er Zich van ontdaan door de gestalte van een slaaf aan te nemen, gelijk te worden aan de mensen en uiterlijk als een mens te worden bevonden". En zo is Hij, die de gestalte van God bezat, toch een mens. Wie nu Gods gestalte bezit, is God. Dus is God mens.
B: (Phil 2:6) [b:Phil 2:6] (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 1 co.
Mijn antwoord. Deze stelling: God is mens, wordt door alle christenen toegegeven, maar niet door allen in dezelfde opvatting. Want sommigen geven deze stelling niet toe, als de woorden hun eigen betekenis hebben. De Manichaeën immers zeggen, dat Gods Woord mens is, doch niet echt, maar alleen in schijn, omdat zij beweren, dat Gods Zoon een lichaam dat wij ons inbeelden aannam; zodat God mens wordt genoemd in dezelfde zin als een koperen afgietsel een mens wordt genoemd, omdat het een beeld van een mens is. — Evenmin geven zij, die ontkennen, dat in Christus ziel en lichaam verenigd waren, toe, dat God een echte mens is, maar dat Hij in beeldspraak, namelijk om wille van de delen, mens wordt genoemd. — Beide meningen echter zijn boven bestreden (2° Kw., 5° Art.; 5° Kw., 1° Art.). Anderen daarentegen erkennen de echtheid van de kant van de mens maar ontkennen de echtheid van Gods kant. Want zij zeggen, dat Christus de Godmens, niet van nature God is, maar alleen deel heeft aan de godheid, namelijk door de genade, zoals alle heilige mensen goden worden genoemd; Christus echter boven alle anderen om een rijkere genade. En als men in dezen zin zegt: God is mens, slaat de term God niet op een waren God, die het van nature is. Dat is de ketterij van Photinus, die boven is weerlegd (2° Kw., 10° en 11° Art.). Weer anderen geven deze stelling toe, als beide termen in waren zin worden genomen, omdat zij houden, dat Christus waarlijk God en waarlijk mens is; maar zij kunnen de bevestiging zelf niet in volle betekenis handhaven. Want zij zeggen, dat mens van God wordt gezegd om een band in waardigheid of macht ofwel van liefde en inwonen. En in dezen zin beweerde Nestorius, dat God mens was, zodat dit niets anders betekende dan dat God met de mens zo verenigd was, dat God in die mens woonde en deze met Hem in gevoelens en een deel in goddelijke macht en eer was verenigd. — En zij, die twee hypostasen of dragers in Christus aannemen, vallen in dezelfde dwaling. Want het is niet te begrijpen, dat van twee, die in hypostase of drager verschillen, het ene in eigenlijke zin van het andere zou worden gezegd; enkel in beeldspraak in zover zij in een punt verenigd zijn, is dit mogelijk, zoals wij kunnen zeggen, dat Petrus Johannes is, omdat zij een band van eenheid hebben. — Deze meningen zijn boven weerlegd (2° Kw., 3° en 6° Art.). Nemen wij dus volgens het ware katholieke geloof aan, dat de ware goddelijke natuur met de echte menselijke niet alleen in persoon, maar ook in drager of hypostase verenigd is, dan zeggen wij, dat deze stelling: God is mens, in eigenlijke zin waar is; niet alleen omdat de termen in waren zin genomen zijn, omdat Christus namelijk in waren zin God en mens is; maar ook, omdat de bevestiging in echten zin geschiedt. Want een term, die een aan meerderen eigen natuur in het concrete aanduidt, kan op iedereen slaan, die de gemeenschappelijke natuur bezit, zoals de term mens op iedere bijzondere mens kan slaan. En zo kan de term God krachtens de manier, waarop zij iets aanduidt, op de persoon van Gods Zoon slaan, zoals in het eerste deel is gezegd (39° Kw., 4° Art.). Nu kan van iedereen drager van een natuur de term, die deze natuur concreet aangeeft, in waarheid en naar de eigen betekenis worden gezegd, zoals de term mens echt en eigenlijk aan Socrates en Plato wordt toegekend. Daar nu de persoon van Gods Zoon, waarop de term God doelt, de drager is van de menselijke natuur, kan de term mens in waarheid en in zijn eigenlijke zin van de term God worden gezegd, in zover deze slaat op de Persoon van Gods Zoon.
R: q. 2 a. 5[t:iiia q. 2 a. 5] q. 5 a. 1[t:iiia q. 5 a. 1] q. 2 a. 10[t:iiia q. 2 a. 10] q. 2 a. 11[t:iiia q. 2 a. 11] q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6] I q. 39 a. 4[t:ia q. 39 a. 4]
Mijn antwoord. Deze stelling: God is mens, wordt door alle christenen toegegeven, maar niet door allen in dezelfde opvatting. Want sommigen geven deze stelling niet toe, als de woorden hun eigen betekenis hebben. De Manichaeën immers zeggen, dat Gods Woord mens is, doch niet echt, maar alleen in schijn, omdat zij beweren, dat Gods Zoon een lichaam dat wij ons inbeelden aannam; zodat God mens wordt genoemd in dezelfde zin als een koperen afgietsel een mens wordt genoemd, omdat het een beeld van een mens is. — Evenmin geven zij, die ontkennen, dat in Christus ziel en lichaam verenigd waren, toe, dat God een echte mens is, maar dat Hij in beeldspraak, namelijk om wille van de delen, mens wordt genoemd. — Beide meningen echter zijn boven bestreden (2° Kw., 5° Art.; 5° Kw., 1° Art.). Anderen daarentegen erkennen de echtheid van de kant van de mens maar ontkennen de echtheid van Gods kant. Want zij zeggen, dat Christus de Godmens, niet van nature God is, maar alleen deel heeft aan de godheid, namelijk door de genade, zoals alle heilige mensen goden worden genoemd; Christus echter boven alle anderen om een rijkere genade. En als men in dezen zin zegt: God is mens, slaat de term God niet op een waren God, die het van nature is. Dat is de ketterij van Photinus, die boven is weerlegd (2° Kw., 10° en 11° Art.). Weer anderen geven deze stelling toe, als beide termen in waren zin worden genomen, omdat zij houden, dat Christus waarlijk God en waarlijk mens is; maar zij kunnen de bevestiging zelf niet in volle betekenis handhaven. Want zij zeggen, dat mens van God wordt gezegd om een band in waardigheid of macht ofwel van liefde en inwonen. En in dezen zin beweerde Nestorius, dat God mens was, zodat dit niets anders betekende dan dat God met de mens zo verenigd was, dat God in die mens woonde en deze met Hem in gevoelens en een deel in goddelijke macht en eer was verenigd. — En zij, die twee hypostasen of dragers in Christus aannemen, vallen in dezelfde dwaling. Want het is niet te begrijpen, dat van twee, die in hypostase of drager verschillen, het ene in eigenlijke zin van het andere zou worden gezegd; enkel in beeldspraak in zover zij in een punt verenigd zijn, is dit mogelijk, zoals wij kunnen zeggen, dat Petrus Johannes is, omdat zij een band van eenheid hebben. — Deze meningen zijn boven weerlegd (2° Kw., 3° en 6° Art.). Nemen wij dus volgens het ware katholieke geloof aan, dat de ware goddelijke natuur met de echte menselijke niet alleen in persoon, maar ook in drager of hypostase verenigd is, dan zeggen wij, dat deze stelling: God is mens, in eigenlijke zin waar is; niet alleen omdat de termen in waren zin genomen zijn, omdat Christus namelijk in waren zin God en mens is; maar ook, omdat de bevestiging in echten zin geschiedt. Want een term, die een aan meerderen eigen natuur in het concrete aanduidt, kan op iedereen slaan, die de gemeenschappelijke natuur bezit, zoals de term mens op iedere bijzondere mens kan slaan. En zo kan de term God krachtens de manier, waarop zij iets aanduidt, op de persoon van Gods Zoon slaan, zoals in het eerste deel is gezegd (39° Kw., 4° Art.). Nu kan van iedereen drager van een natuur de term, die deze natuur concreet aangeeft, in waarheid en naar de eigen betekenis worden gezegd, zoals de term mens echt en eigenlijk aan Socrates en Plato wordt toegekend. Daar nu de persoon van Gods Zoon, waarop de term God doelt, de drager is van de menselijke natuur, kan de term mens in waarheid en in zijn eigenlijke zin van de term God worden gezegd, in zover deze slaat op de Persoon van Gods Zoon.
R: q. 2 a. 5[t:iiia q. 2 a. 5] q. 5 a. 1[t:iiia q. 5 a. 1] q. 2 a. 10[t:iiia q. 2 a. 10] q. 2 a. 11[t:iiia q. 2 a. 11] q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6] I q. 39 a. 4[t:ia q. 39 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Als verschillende vormen niet in dezelfde drager kunnen gevonden worden, moet een stelling, waarvan het subject de een en het predicaat de ander van deze vormen aangeeft, beschouwd worden als te gaan over begrippen, die ver van elkaar liggen. Kunnen echter twee vormen wel in dezelfde drager bestaan, dan zijn het geen begrippen, die buiten elkaar liggen, maar van nature of toevallig elkaar dekken, zoals wanneer ik zeg: een blanke is een musicus. Al liggen nu ook de goddelijke en de menselijke natuur zover mogelijk van elkaar af, toch komen zij door het geheim der menswording in dezelfde drager, in wie geen der beide naturen op bijkomstige manier, maar om zichzelf bestaat. Daarom gaat deze stelling: God is mens, niet over begrippen, die buiten elkaar liggen of toevallig elkaar dekken, maar over begrippen, die natuurlijk bij elkaar horen. En de term mens wordt van God niet als iets bijkomstigs, maar om zichzelf gezegd, omdat hij gezegd wordt van zijn hypostase; wel niet krachtens de vorm, die door de term God wordt aangeduid, maar krachtens de drager ervan, die ook de hypostase van de menselijke natuur is.
1e Weerlegging. Als verschillende vormen niet in dezelfde drager kunnen gevonden worden, moet een stelling, waarvan het subject de een en het predicaat de ander van deze vormen aangeeft, beschouwd worden als te gaan over begrippen, die ver van elkaar liggen. Kunnen echter twee vormen wel in dezelfde drager bestaan, dan zijn het geen begrippen, die buiten elkaar liggen, maar van nature of toevallig elkaar dekken, zoals wanneer ik zeg: een blanke is een musicus. Al liggen nu ook de goddelijke en de menselijke natuur zover mogelijk van elkaar af, toch komen zij door het geheim der menswording in dezelfde drager, in wie geen der beide naturen op bijkomstige manier, maar om zichzelf bestaat. Daarom gaat deze stelling: God is mens, niet over begrippen, die buiten elkaar liggen of toevallig elkaar dekken, maar over begrippen, die natuurlijk bij elkaar horen. En de term mens wordt van God niet als iets bijkomstigs, maar om zichzelf gezegd, omdat hij gezegd wordt van zijn hypostase; wel niet krachtens de vorm, die door de term God wordt aangeduid, maar krachtens de drager ervan, die ook de hypostase van de menselijke natuur is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De Drie Personen komen in natuur overeen, maar verschillen in drager, en zo worden Zij niet van elkaar gezegd. Maar in het geheim der menswording worden de naturen, die van elkaar verschillen, wel niet van elkaar gezegd, als men hen abstract aanduidt, omdat de goddelijke natuur de menselijke niet is; maar omdat zij dezelfde drager hebben, worden zij wel concreet van elkaar gezegd.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 28 a. 2 ad 3[t:iiia q. 28 a. 2 ad 3]
2e Weerlegging. De Drie Personen komen in natuur overeen, maar verschillen in drager, en zo worden Zij niet van elkaar gezegd. Maar in het geheim der menswording worden de naturen, die van elkaar verschillen, wel niet van elkaar gezegd, als men hen abstract aanduidt, omdat de goddelijke natuur de menselijke niet is; maar omdat zij dezelfde drager hebben, worden zij wel concreet van elkaar gezegd.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 28 a. 2 ad 3[t:iiia q. 28 a. 2 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Ziel en lichaam worden in abstracto aangeduid, zoals godheid en mensheid. Wil men ze concreet aangeven, dan spreekt men van het bezielde en het vleselijke of lichamelijke, zoals in het andere geval van God en mens. In beide gevallen wordt dus het abstracte niet van het abstracte gezegd, maar alleen het concrete van het concrete.
3e Weerlegging. Ziel en lichaam worden in abstracto aangeduid, zoals godheid en mensheid. Wil men ze concreet aangeven, dan spreekt men van het bezielde en het vleselijke of lichamelijke, zoals in het andere geval van God en mens. In beide gevallen wordt dus het abstracte niet van het abstracte gezegd, maar alleen het concrete van het concrete.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. De term mens wordt van God gezegd om de vereniging in persoon, en deze vereniging brengt een verhouding mee. Daarom valt zij niet onder de regel, welke geldt voor de termen, die als iets absoluuts van eeuwigheid van God worden gezegd.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 16 a. 9 co.[t:iiia q. 16 a. 9 co.]
4e Weerlegging. De term mens wordt van God gezegd om de vereniging in persoon, en deze vereniging brengt een verhouding mee. Daarom valt zij niet onder de regel, welke geldt voor de termen, die als iets absoluuts van eeuwigheid van God worden gezegd.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 16 a. 9 co.[t:iiia q. 16 a. 9 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is deze stelling waar: een mens is God?
IIIa q. 16 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat deze stelling: een mens is God, onwaar is. Want "God" is een naam, die niet toegekend kan worden aan anderen. Nu worden de afgodendienaars in het boek der Wijsheid (14, 21) hierom veroordeeld, dat "zij die naam God, die aan niets anders toegekend kan worden, gaven aan hout en stenen". Om dezelfde reden schijnt het dus niet te passen die naam God aan een mens te geven.
B: (Wis 13:10) [b:Wis 13:10]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat deze stelling: een mens is God, onwaar is. Want "God" is een naam, die niet toegekend kan worden aan anderen. Nu worden de afgodendienaars in het boek der Wijsheid (14, 21) hierom veroordeeld, dat "zij die naam God, die aan niets anders toegekend kan worden, gaven aan hout en stenen". Om dezelfde reden schijnt het dus niet te passen die naam God aan een mens te geven.
B: (Wis 13:10) [b:Wis 13:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Wat van het predicaat wordt gezegd, wordt ook van het subject gezegd. Nu is deze stelling waar: God is Vader, of: God is de Drievuldigheid. Is dus de stelling: een mens is God, waar, dan zouden ook de stellingen: een mens is God de Vader of een mens is de Drievuldigheid, waar zijn; en dat zijn klaarblijkelijk onwaarheden. Dus is ook de eerste stelling een onwaarheid.
Vervolgens. Wat van het predicaat wordt gezegd, wordt ook van het subject gezegd. Nu is deze stelling waar: God is Vader, of: God is de Drievuldigheid. Is dus de stelling: een mens is God, waar, dan zouden ook de stellingen: een mens is God de Vader of een mens is de Drievuldigheid, waar zijn; en dat zijn klaarblijkelijk onwaarheden. Dus is ook de eerste stelling een onwaarheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 2 arg. 3
Vervolgens. In de psalmen (Ps. 80, 10) wordt gezegd: "Geen nieuwe God zal er onder u zijn". Nu is deze mens iets nieuws, omdat Christus niet altijd mens was. Dus is de stelling: een mens is God, onwaar.
B: (Ps 80:10) [b:Ps 80:10]
Vervolgens. In de psalmen (Ps. 80, 10) wordt gezegd: "Geen nieuwe God zal er onder u zijn". Nu is deze mens iets nieuws, omdat Christus niet altijd mens was. Dus is de stelling: een mens is God, onwaar.
B: (Ps 80:10) [b:Ps 80:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat in de Romeinenbrief (9, 5) wordt gezegd: "Van hen stamt Christus naar het vlees af, Hij die God is, boven alles gezegend in eeuwigheid". Nu is Christus naar het vlees mens. Dus is de stelling: Een mens is God, waar.
B: (Rom 9:5) [b:Rom 9:5]
Maar daartegenover staat, dat in de Romeinenbrief (9, 5) wordt gezegd: "Van hen stamt Christus naar het vlees af, Hij die God is, boven alles gezegend in eeuwigheid". Nu is Christus naar het vlees mens. Dus is de stelling: Een mens is God, waar.
B: (Rom 9:5) [b:Rom 9:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 2 co.
Mijn antwoord. Nemen wij de echtheid van beide naturen, nl. de goddelijke en de menselijke, en de vereniging in persoon en hypostase aan, dan is de stelling: een mens is God, in eigenlijken zin even waar als die andere: God is mens. Want deze term mens kan slaan op iedere hypostase van de menselijke natuur, en dus ook op de Persoon van de Zoon, die wij hypostase der menselijke natuur noemen. Nu is het duidelijk, dat de naam God in waarheid en in eigenlijken zin van de persoon van Gods Zoon wordt gezegd, zoals in het eerste deel (39° Kw., 4° Art.) bewezen is. Dus volgt, dat de stelling: Een mens is God, in eigenlijken zin waar is.
R: I q. 39 a. 4[t:ia q. 39 a. 4]
Mijn antwoord. Nemen wij de echtheid van beide naturen, nl. de goddelijke en de menselijke, en de vereniging in persoon en hypostase aan, dan is de stelling: een mens is God, in eigenlijken zin even waar als die andere: God is mens. Want deze term mens kan slaan op iedere hypostase van de menselijke natuur, en dus ook op de Persoon van de Zoon, die wij hypostase der menselijke natuur noemen. Nu is het duidelijk, dat de naam God in waarheid en in eigenlijken zin van de persoon van Gods Zoon wordt gezegd, zoals in het eerste deel (39° Kw., 4° Art.) bewezen is. Dus volgt, dat de stelling: Een mens is God, in eigenlijken zin waar is.
R: I q. 39 a. 4[t:ia q. 39 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Afgodendienaars gaven de naam van godheid aan stenen en hout, beschouwd naar hun eigen natuur, omdat zij meenden, dat er iets goddelijks in hen was. Maar wij kennen de naam der godheid niet aan een mens krachtens de menselijke natuur toe, maar krachtens de eeuwige drager, Die om de vereniging ook drager is van de menselijke natuur, zoals wij zeiden (in de Leerstelling).
1e Weerlegging. Afgodendienaars gaven de naam van godheid aan stenen en hout, beschouwd naar hun eigen natuur, omdat zij meenden, dat er iets goddelijks in hen was. Maar wij kennen de naam der godheid niet aan een mens krachtens de menselijke natuur toe, maar krachtens de eeuwige drager, Die om de vereniging ook drager is van de menselijke natuur, zoals wij zeiden (in de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. De naam van Vader wordt van de term God gezegd, in zover die term God slaat op de persoon van de Vader. Maar zij wordt niet op gelijke wijze van de persoon van de Zoon gezegd, omdat de persoon van de Zoon niet die van de Vader is. Daarom is het niet nodig, dat de naam van Vader toegekend wordt aan de term mens, waarvan de term God wordt gezegd, in zover mens nl. slaat op de persoon van de Zoon.
2e Weerlegging. De naam van Vader wordt van de term God gezegd, in zover die term God slaat op de persoon van de Vader. Maar zij wordt niet op gelijke wijze van de persoon van de Zoon gezegd, omdat de persoon van de Zoon niet die van de Vader is. Daarom is het niet nodig, dat de naam van Vader toegekend wordt aan de term mens, waarvan de term God wordt gezegd, in zover mens nl. slaat op de persoon van de Zoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Al is de menselijke natuur in Christus iets, wat een begin heeft gehad, toch heeft de drager van de menselijke natuur nog geen begin gehad, maar is eeuwig. En daar de naam van God niet van die mens om de menselijke natuur wordt gezegd, maar om de drager, volgt er niet uit, dat wij een God aannemen, die een begin heeft gehad. — Dit zou volgen, als wij aannamen, dat mens sloeg op een geschapen drager; en dat moeten zij wel doen, die in Christus twee dragers aannemen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 16 a. 3 co.[t:iiia q. 16 a. 3 co.]
3e Weerlegging. Al is de menselijke natuur in Christus iets, wat een begin heeft gehad, toch heeft de drager van de menselijke natuur nog geen begin gehad, maar is eeuwig. En daar de naam van God niet van die mens om de menselijke natuur wordt gezegd, maar om de drager, volgt er niet uit, dat wij een God aannemen, die een begin heeft gehad. — Dit zou volgen, als wij aannamen, dat mens sloeg op een geschapen drager; en dat moeten zij wel doen, die in Christus twee dragers aannemen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 16 a. 3 co.[t:iiia q. 16 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Kan men Christus noemen: den mens die de Heer toebehoort?
IIIa q. 16 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat men Christus de mens, die de Heer toebehoort kan noemen. Want Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (36e Vr.): "Denkt er aan, dat wij al het goed moeten verwachten, dat er in die de Heer toebehorende mens was". Nu spreekt hij daar over Christus, en zo schijnt Christus dus de de Heer toebehorende mens te zijn.
R: I q. 39 a. 4[t:ia q. 39 a. 4]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat men Christus de mens, die de Heer toebehoort kan noemen. Want Augustinus zegt in het boek Over de 83 Vraagstukken (36e Vr.): "Denkt er aan, dat wij al het goed moeten verwachten, dat er in die de Heer toebehorende mens was". Nu spreekt hij daar over Christus, en zo schijnt Christus dus de de Heer toebehorende mens te zijn.
R: I q. 39 a. 4[t:ia q. 39 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Zoals de heerschappij Christus krachtens de goddelijke natuur toekomt, behoort de menselijkheid tot de menselijke natuur. Nu noemt men God mensgeworden, zoals uit het 3e boek van Damascenus (Over het Ware Geloof, 11e H.) blijkt, waar hij zegt, dat "de zg. humanatio de band met het mens aangeeft". Om dezelfde reden kan men deze aanduiding geven, dat deze mens "dominicus", dwz. de Heer toebehorend is.
Vervolgens. Zoals de heerschappij Christus krachtens de goddelijke natuur toekomt, behoort de menselijkheid tot de menselijke natuur. Nu noemt men God mensgeworden, zoals uit het 3e boek van Damascenus (Over het Ware Geloof, 11e H.) blijkt, waar hij zegt, dat "de zg. humanatio de band met het mens aangeeft". Om dezelfde reden kan men deze aanduiding geven, dat deze mens "dominicus", dwz. de Heer toebehorend is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Zoals Dominicus of de Heer toebehorend van Heer is afgeleid, is de term goddelijk van God afgeleid. Nu noemt Dionysius Christus “ allergoddelijkste Jesus ”. Dus kan men met evenveel recht zeggen, dat Christus Dominicus of de Heer toebehorend is.
Vervolgens. Zoals Dominicus of de Heer toebehorend van Heer is afgeleid, is de term goddelijk van God afgeleid. Nu noemt Dionysius Christus “ allergoddelijkste Jesus ”. Dus kan men met evenveel recht zeggen, dat Christus Dominicus of de Heer toebehorend is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het boek der Retractaties (1e B., 19e H.) zegt: "Het is mij niet duidelijk, dat men Jesus Christus met recht de de Heer toebehorende mens kan noemen, omdat Hij nl. de Heer zelf is".
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het boek der Retractaties (1e B., 19e H.) zegt: "Het is mij niet duidelijk, dat men Jesus Christus met recht de de Heer toebehorende mens kan noemen, omdat Hij nl. de Heer zelf is".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (Vorig Art.), wordt, als men van de mens Jesus Christus spreekt, de eeuwige drager bedoeld, nl. de persoon van Gods Zoon, omdat er van beide naturen maar een drager is. Nu worden de termen God en Heer van de persoon van Gods Zoon naar het wezen gezegd; en moeten dus niet in afgeleide betekenis gezegd worden, omdat men dan aan de echtheid der vereniging te kort doet. En daar nu dominicus of de Heer toebehorend in afgeleide betekenis van Heer wordt gezegd, kan men niet in waren en eigenlijke zin zeggen, dat deze mens dominicus of de Heer toebehorend is, maar eerder, dat Hij de Heer is. Zou men echter bij het noemen van de mens Jesus Christus een geschapen drager aangeven volgens de mening van hen, die in Christus twee dragers aannemen, dan zou men die mens de Heer toebehorend kunnen noemen, in zover hij aangenomen zou zijn om te delen in de God gebrachte eer, zoals de Nestorianen beweren. Op dezelfde manier wordt de menselijke natuur ook niet wezenlijk goddelijk, maar vergoddelijkt genoemd, omdat zij niet in de goddelijke natuur is veranderd, maar daarmee in een hypostase verenigd is, als blijkt uit het 3e boek van Damascenus (Over het Ware Geloof, 11e en 17e H.).
R: q. 16 a. 2 ad 3[t:iiia q. 16 a. 2 ad 3]
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (Vorig Art.), wordt, als men van de mens Jesus Christus spreekt, de eeuwige drager bedoeld, nl. de persoon van Gods Zoon, omdat er van beide naturen maar een drager is. Nu worden de termen God en Heer van de persoon van Gods Zoon naar het wezen gezegd; en moeten dus niet in afgeleide betekenis gezegd worden, omdat men dan aan de echtheid der vereniging te kort doet. En daar nu dominicus of de Heer toebehorend in afgeleide betekenis van Heer wordt gezegd, kan men niet in waren en eigenlijke zin zeggen, dat deze mens dominicus of de Heer toebehorend is, maar eerder, dat Hij de Heer is. Zou men echter bij het noemen van de mens Jesus Christus een geschapen drager aangeven volgens de mening van hen, die in Christus twee dragers aannemen, dan zou men die mens de Heer toebehorend kunnen noemen, in zover hij aangenomen zou zijn om te delen in de God gebrachte eer, zoals de Nestorianen beweren. Op dezelfde manier wordt de menselijke natuur ook niet wezenlijk goddelijk, maar vergoddelijkt genoemd, omdat zij niet in de goddelijke natuur is veranderd, maar daarmee in een hypostase verenigd is, als blijkt uit het 3e boek van Damascenus (Over het Ware Geloof, 11e en 17e H.).
R: q. 16 a. 2 ad 3[t:iiia q. 16 a. 2 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Augustinus neemt deze en dergelijke uitdrukkingen terug in het boek der Retractaties. Daarom gaat hij na de geciteerde woorden verder: "Waar ik dat ook gezegd mag hebben, namelijk dat Jesus Christus de Heer toebehorende mens is, wilde ik, dat ik het niet had gezegd. Want later heb ik ingezien, dat men zo niet moet spreken, al is het enigszins te verdedigen", omdat men zou kunnen zeggen, dat Hij dominicus wordt genoemd om de menselijke natuur, die door de naam mens wordt aangenomen, maar niet om de drager.
1e Weerlegging. Augustinus neemt deze en dergelijke uitdrukkingen terug in het boek der Retractaties. Daarom gaat hij na de geciteerde woorden verder: "Waar ik dat ook gezegd mag hebben, namelijk dat Jesus Christus de Heer toebehorende mens is, wilde ik, dat ik het niet had gezegd. Want later heb ik ingezien, dat men zo niet moet spreken, al is het enigszins te verdedigen", omdat men zou kunnen zeggen, dat Hij dominicus wordt genoemd om de menselijke natuur, die door de naam mens wordt aangenomen, maar niet om de drager.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De ene drager van de goddelijke en menselijke natuur was dit van eeuwigheid eerst alleen van de goddelijke natuur, en daarna werd hij door de menswording in de tijd drager van de menselijke. En om deze reden wordt hij vermenselijkt genoemd, niet omdat hij een mens heeft aangenomen, maar omdat hij een menselijke natuur heeft aangenomen. Maar omgekeerd is het niet waar, dat de drager van de menselijke natuur de goddelijke heeft aangenomen. Daarom kan de mens niet vergoddelijkt of de Heer toebehorend worden genoemd.
2e Weerlegging. De ene drager van de goddelijke en menselijke natuur was dit van eeuwigheid eerst alleen van de goddelijke natuur, en daarna werd hij door de menswording in de tijd drager van de menselijke. En om deze reden wordt hij vermenselijkt genoemd, niet omdat hij een mens heeft aangenomen, maar omdat hij een menselijke natuur heeft aangenomen. Maar omgekeerd is het niet waar, dat de drager van de menselijke natuur de goddelijke heeft aangenomen. Daarom kan de mens niet vergoddelijkt of de Heer toebehorend worden genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De term goddelijk wordt gewoonlijk ook gezegd van datgene, waarvan de naam God naar het wezen wordt gezegd; want wij zeggen, dat het goddelijke wezen God is om de identiteit; en dat het het wezen van God of het goddelijke wezen is, omdat het dan op verschillende manieren wordt aangeduid; en wij spreken van het goddelijke Woord, al is het Woord ook God. En evenzo spreken wij van de goddelijke persoon zoals wij spreken van Plato's persoon om het verschil in de manier van aanduiden. Maar men zegt niet de Heer toebehorend van hen, van wie men zegt, dat zij de heer zijn; want het is geen gewoonte van iemand, die heer is, te zeggen, dat hij de heer toebehoort. Maar wat hoe dan ook een heer toebehoort, noemen wij "dominicus", zoals wij spreken van de wil of de hand of het bezit van de heer. Daarom ook kan de mens Christus, die de Heer is, niet de Heer toebehorend worden genoemd, maar zijn vlees kan het vlees van de Heer en Zijn lijden het lijden van de Heer worden genoemd.
3e Weerlegging. De term goddelijk wordt gewoonlijk ook gezegd van datgene, waarvan de naam God naar het wezen wordt gezegd; want wij zeggen, dat het goddelijke wezen God is om de identiteit; en dat het het wezen van God of het goddelijke wezen is, omdat het dan op verschillende manieren wordt aangeduid; en wij spreken van het goddelijke Woord, al is het Woord ook God. En evenzo spreken wij van de goddelijke persoon zoals wij spreken van Plato's persoon om het verschil in de manier van aanduiden. Maar men zegt niet de Heer toebehorend van hen, van wie men zegt, dat zij de heer zijn; want het is geen gewoonte van iemand, die heer is, te zeggen, dat hij de heer toebehoort. Maar wat hoe dan ook een heer toebehoort, noemen wij "dominicus", zoals wij spreken van de wil of de hand of het bezit van de heer. Daarom ook kan de mens Christus, die de Heer is, niet de Heer toebehorend worden genoemd, maar zijn vlees kan het vlees van de Heer en Zijn lijden het lijden van de Heer worden genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Kan wat aan de menselijke natuur toekomt van God worden gezegd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 46 a. 12 co.
IIIa q. 50 a. 2 s. c.[t:iiia q. 46 a. 12 co.][t:iiia q. 50 a. 2 s. c.]
IIIa q. 16 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat wat aan de menselijke natuur toekomt niet van God kan worden gezegd. Want tegenovergestelde dingen kunnen niet van een en dezelfde worden gezegd. Nu staat wat aan de menselijke natuur toekomt tegenover datgene, wat God eigen is, want God is ongeschapen, onveranderlijk en eeuwig, maar de menselijke natuur geschapen, tijdelijk en veranderlijk. Dus kan wat aan de menselijke natuur eigen is, niet van God worden gezegd.
IIIa q. 46 a. 12 co.
IIIa q. 50 a. 2 s. c.[t:iiia q. 46 a. 12 co.][t:iiia q. 50 a. 2 s. c.]
IIIa q. 16 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat wat aan de menselijke natuur toekomt niet van God kan worden gezegd. Want tegenovergestelde dingen kunnen niet van een en dezelfde worden gezegd. Nu staat wat aan de menselijke natuur toekomt tegenover datgene, wat God eigen is, want God is ongeschapen, onveranderlijk en eeuwig, maar de menselijke natuur geschapen, tijdelijk en veranderlijk. Dus kan wat aan de menselijke natuur eigen is, niet van God worden gezegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Men doet aan de God verschuldigde eer te kort, als men God iets onvolmaakts toeschrijft. Maar wat aan de menselijke natuur toekomt, sluit onvolmaaktheden in als sterven, lijden en dergelijken. Dus schijnt wat aan de menselijke natuur eigen is in geen enkel opzicht aan God toegeschreven te kunnen worden.
Vervolgens. Men doet aan de God verschuldigde eer te kort, als men God iets onvolmaakts toeschrijft. Maar wat aan de menselijke natuur toekomt, sluit onvolmaaktheden in als sterven, lijden en dergelijken. Dus schijnt wat aan de menselijke natuur eigen is in geen enkel opzicht aan God toegeschreven te kunnen worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Het komt aan de menselijke natuur toe aangenomen te worden. Dit echter komt aan God niet toe. Dus kan men van God niet zeggen wat aan de menselijke natuur eigen is.
Vervolgens. Het komt aan de menselijke natuur toe aangenomen te worden. Dit echter komt aan God niet toe. Dus kan men van God niet zeggen wat aan de menselijke natuur eigen is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 4e H.), dat "God de idiomata, dwz. de eigenschappen van het vlees aannam, als men zegt, dat God kan lijden en dat de God van glorie gekruisigd is".
Daartegenover staat echter, wat Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 4e H.), dat "God de idiomata, dwz. de eigenschappen van het vlees aannam, als men zegt, dat God kan lijden en dat de God van glorie gekruisigd is".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 4 co.
Mijn antwoord. Over dit vraagstuk verschilden Nestorianen en Katholieken van mening. De eersten namelijk wilden de uitdrukkingen die over Christus werden gebruikt, zo verdelen, dat wat aan de menselijke natuur toekomt, niet van God wordt gezegd, en wat aan de goddelijke natuur eigen is, niet van de mens. Daarom zei Nestorius: "Wie lijden aan Gods Woord wil toeschrijven, hij zij gebannen". Zijn er echter uitdrukkingen, die van beide naturen kunnen worden gebruikt, dan kenden zij die aan beide naturen toe als de naam Christus of de term Heer. Daarom gaven zij toe, dat Christus uit de Maagd werd geboren en eeuwig was, maar zij gaven niet toe dat God uit de Maagd was geboren of een mens van eeuwigheid bestond. De Katholieken echter houden, dat wat van Christus wordt gezegd, hetzij naar de goddelijke, hetzij naar de menselijke natuur, zowel van God als van de mens kan worden gezegd. Daarom zegt Cyrillus: "Als iemand de in de Evangelie of Apostolische geschriften gebruikte termen over Christus tussen twee personen of substanties, (dwz. hypostasen) wil verdelen, of zij nu door de gewijde schrijvers van Christus of door Christus over Zichzelf worden gezegd, en meent, dat sommigen ervan op de mens, en anderen alleen op het Woord moeten worden toegepast, die zij gebannen". De reden hiervan is, dat daar er van beide naturen maar een en dezelfde hypostase is, dezelfde hypostase wordt bedoeld als men van een van beide naturen spreekt. Zegt men dus God of mens, dan bedoelt men de hypostase van de goddelijke en de menselijke natuur. En daarom kan men van de mens zeggen, wat aan de goddelijke natuur eigen is en van God, wat aan de menselijke natuur toekomt. Men moet echter weten, dat in een bewering, waarin iets van iets anders wordt gezegd, niet alleen gelet wordt op datgene, waarvan het gezegd wordt, maar ook op datgene, waarom het ervan gezegd wordt. Al maken wij dus geen onderscheid in datgene wat van Christus wordt gezegd, toch zijn zij onderscheiden om de reden, waarom beide groepen uitdrukkingen van Hem gebruikt worden. Want wat aan de goddelijke natuur eigen is, wordt van Christus om de goddelijke natuur gezegd, maar wat aan de menselijke natuur toekomt, wordt om de menselijke natuur aan Hem toegekend. Daarom zegt Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (11e H.): "Wij moeten onderscheid maken tussen wat wij in de H. Schrift om de gestalte van God en wat wij om de gestalte van de slaaf lezen», en verderop (13e H.): "Wat om de ene en wat om de andere reden wordt gezegd, zal de voorzichtige en ijverige en vrome lezer zelf begrijpen».
Mijn antwoord. Over dit vraagstuk verschilden Nestorianen en Katholieken van mening. De eersten namelijk wilden de uitdrukkingen die over Christus werden gebruikt, zo verdelen, dat wat aan de menselijke natuur toekomt, niet van God wordt gezegd, en wat aan de goddelijke natuur eigen is, niet van de mens. Daarom zei Nestorius: "Wie lijden aan Gods Woord wil toeschrijven, hij zij gebannen". Zijn er echter uitdrukkingen, die van beide naturen kunnen worden gebruikt, dan kenden zij die aan beide naturen toe als de naam Christus of de term Heer. Daarom gaven zij toe, dat Christus uit de Maagd werd geboren en eeuwig was, maar zij gaven niet toe dat God uit de Maagd was geboren of een mens van eeuwigheid bestond. De Katholieken echter houden, dat wat van Christus wordt gezegd, hetzij naar de goddelijke, hetzij naar de menselijke natuur, zowel van God als van de mens kan worden gezegd. Daarom zegt Cyrillus: "Als iemand de in de Evangelie of Apostolische geschriften gebruikte termen over Christus tussen twee personen of substanties, (dwz. hypostasen) wil verdelen, of zij nu door de gewijde schrijvers van Christus of door Christus over Zichzelf worden gezegd, en meent, dat sommigen ervan op de mens, en anderen alleen op het Woord moeten worden toegepast, die zij gebannen". De reden hiervan is, dat daar er van beide naturen maar een en dezelfde hypostase is, dezelfde hypostase wordt bedoeld als men van een van beide naturen spreekt. Zegt men dus God of mens, dan bedoelt men de hypostase van de goddelijke en de menselijke natuur. En daarom kan men van de mens zeggen, wat aan de goddelijke natuur eigen is en van God, wat aan de menselijke natuur toekomt. Men moet echter weten, dat in een bewering, waarin iets van iets anders wordt gezegd, niet alleen gelet wordt op datgene, waarvan het gezegd wordt, maar ook op datgene, waarom het ervan gezegd wordt. Al maken wij dus geen onderscheid in datgene wat van Christus wordt gezegd, toch zijn zij onderscheiden om de reden, waarom beide groepen uitdrukkingen van Hem gebruikt worden. Want wat aan de goddelijke natuur eigen is, wordt van Christus om de goddelijke natuur gezegd, maar wat aan de menselijke natuur toekomt, wordt om de menselijke natuur aan Hem toegekend. Daarom zegt Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (11e H.): "Wij moeten onderscheid maken tussen wat wij in de H. Schrift om de gestalte van God en wat wij om de gestalte van de slaaf lezen», en verderop (13e H.): "Wat om de ene en wat om de andere reden wordt gezegd, zal de voorzichtige en ijverige en vrome lezer zelf begrijpen».
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Tegengestelde dingen kunnen niet om dezelfde reden van een en hetzelfde ding worden gezegd, maar er is niets tegen dat het om verschillende redenen gebeurt. En zo worden tegengestelde dingen van Christus gezegd, niet om dezelfde reden, maar om de verschillende naturen.
1e Weerlegging. Tegengestelde dingen kunnen niet om dezelfde reden van een en hetzelfde ding worden gezegd, maar er is niets tegen dat het om verschillende redenen gebeurt. En zo worden tegengestelde dingen van Christus gezegd, niet om dezelfde reden, maar om de verschillende naturen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Het zou godslasterlijk zijn aan God om de goddelijke natuur dingen die een gebrek insluiten toe te kennen, omdat dit aan Zijn eer zou te kort doen; maar het is geen beleediging van God, als deze dingen van Hem worden gezegd om de natuur, die Hij aannam. Daarom vinden wij in een redevoering op het Concilie van Ephese: "God acht datgene, wat aanleiding is tot het heil der mensen, geen beleediging; want niets van al dat vernederende, dat Hij om ons uitkoos, beleedigt de natuur, die niet onder beleedigingen kan lijden; maar al dat lagere maakt Hij Zich eigen om onze natuur te redden. Als dus het lage en vernederende Gods natuur niet beleedigt, maar het heil der mensen bewerkt, hoe beweert gij dan, dat wat oorzaak is van ons heil, voor God een reden tot beleediging is?"
2e Weerlegging. Het zou godslasterlijk zijn aan God om de goddelijke natuur dingen die een gebrek insluiten toe te kennen, omdat dit aan Zijn eer zou te kort doen; maar het is geen beleediging van God, als deze dingen van Hem worden gezegd om de natuur, die Hij aannam. Daarom vinden wij in een redevoering op het Concilie van Ephese: "God acht datgene, wat aanleiding is tot het heil der mensen, geen beleediging; want niets van al dat vernederende, dat Hij om ons uitkoos, beleedigt de natuur, die niet onder beleedigingen kan lijden; maar al dat lagere maakt Hij Zich eigen om onze natuur te redden. Als dus het lage en vernederende Gods natuur niet beleedigt, maar het heil der mensen bewerkt, hoe beweert gij dan, dat wat oorzaak is van ons heil, voor God een reden tot beleediging is?"
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Aangenomen te worden komt aan de menselijke natuur niet krachtens haar drager toe, maar om haar zelf. En daarom komt het aan God niet toe.
3e Weerlegging. Aangenomen te worden komt aan de menselijke natuur niet krachtens haar drager toe, maar om haar zelf. En daarom komt het aan God niet toe.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Kan wat aan de menselijke natuur eigen is, van de goddelijke natuur worden gezegd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 16 a. 8 arg. 2
IIIa q. 50 a. 2 s. c.[t:iiia q. 16 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 50 a. 2 s. c.]
IIIa q. 16 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat wat aan de menselijke natuur eigen is, van de goddelijke natuur kan worden gezegd. Want wat aan de menselijke natuur toekomt, wordt van Gods Zoon en van God gezegd. Nu is God Zijn natuur. Dus kan wat aan de menselijke natuur eigen is, van de goddelijke worden gezegd.
IIIa q. 16 a. 8 arg. 2
IIIa q. 50 a. 2 s. c.[t:iiia q. 16 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 50 a. 2 s. c.]
IIIa q. 16 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat wat aan de menselijke natuur eigen is, van de goddelijke natuur kan worden gezegd. Want wat aan de menselijke natuur toekomt, wordt van Gods Zoon en van God gezegd. Nu is God Zijn natuur. Dus kan wat aan de menselijke natuur eigen is, van de goddelijke worden gezegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Het vlees behoort tot de menselijke natuur. Nu zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.): "Wij zeggen, dat de natuur van het Woord volgens de zalige Athanasius en Cyrillus is vlees geworden". Evengoed schijnt men dus wat aan de menselijke natuur toekomt, van de goddelijke te kunnen zeggen.
Vervolgens. Het vlees behoort tot de menselijke natuur. Nu zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 6e H.): "Wij zeggen, dat de natuur van het Woord volgens de zalige Athanasius en Cyrillus is vlees geworden". Evengoed schijnt men dus wat aan de menselijke natuur toekomt, van de goddelijke te kunnen zeggen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Wat aan de goddelijke natuur toekomt, komt in Christus aan de menselijke toe, zoals het kennen van de toekomst en het hebben van de macht om zalig te maken. Dus schijnt dat wat aan de menselijke natuur eigen is om dezelfde reden van de goddelijke te kunnen worden gezegd.
Vervolgens. Wat aan de goddelijke natuur toekomt, komt in Christus aan de menselijke toe, zoals het kennen van de toekomst en het hebben van de macht om zalig te maken. Dus schijnt dat wat aan de menselijke natuur eigen is om dezelfde reden van de goddelijke te kunnen worden gezegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 5 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus zegt in het 3e boek (t. a. pl., 4e H.): "Als wij van de godheid spreken, zeggen wij van haar de idiomata of eigenschappen, die aan de mensheid toekomen niet, want wij zeggen niet, dat de godheid kan lijden of geschapen worden". Nu is de godheid de goddelijke natuur. Wat dus aan de menselijke natuur eigen is, kan niet van de goddelijke worden gezegd.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus zegt in het 3e boek (t. a. pl., 4e H.): "Als wij van de godheid spreken, zeggen wij van haar de idiomata of eigenschappen, die aan de mensheid toekomen niet, want wij zeggen niet, dat de godheid kan lijden of geschapen worden". Nu is de godheid de goddelijke natuur. Wat dus aan de menselijke natuur eigen is, kan niet van de goddelijke worden gezegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 5 co.
Mijn antwoord. Wat aan een ding eigen is, kan in waarheid van niets anders gezegd worden, als van wat hetzelfde als dat ene ding is, zoals kunnen lachen alleen maar aan diegenen toekomt, die mensen zijn. Nu zijn bij het geheim der menswording de goddelijke en de menselijke natuur niet dezelfde, maar wel is de hypostase van beide naturen dezelfde. Daarom ook kan wat aan een natuur toekomt, niet van de andere worden gezegd, in zover zij in het abstracte wordt aangegeven. Maar concrete termen slaan op de hypostase der natuur. En daarom kan men zonder onderscheid wat aan beide naturen toekomt van concrete termen zeggen, of nu de term, waarvan zij gezegd wordt beide naturen aanduidt, zoals de term Christus, waarmee "en de godheid, die gezalfd wordt en de mensheid, die gezalfd is", aangeduid worden, ofwel alleen de goddelijke natuur, zoals de naam God of Gods Zoon, ofwel alleen de menselijke natuur, zoals de naam Jesus of mens. Daarom zegt Paus Leo in de Brief aan de Palestijnen (124° Br., 7° H.): "Het komt er niet op aan, krachtens welke substantie men Christus een naam geeft, omdat waar de persoon onscheidbaar een blijft, hij, die om het vlees geheel en al mensenzoon, en hij, die om dezelfde godheid als die van de Vader geheel en al Zoon Gods is, dezelfde zijn".
Mijn antwoord. Wat aan een ding eigen is, kan in waarheid van niets anders gezegd worden, als van wat hetzelfde als dat ene ding is, zoals kunnen lachen alleen maar aan diegenen toekomt, die mensen zijn. Nu zijn bij het geheim der menswording de goddelijke en de menselijke natuur niet dezelfde, maar wel is de hypostase van beide naturen dezelfde. Daarom ook kan wat aan een natuur toekomt, niet van de andere worden gezegd, in zover zij in het abstracte wordt aangegeven. Maar concrete termen slaan op de hypostase der natuur. En daarom kan men zonder onderscheid wat aan beide naturen toekomt van concrete termen zeggen, of nu de term, waarvan zij gezegd wordt beide naturen aanduidt, zoals de term Christus, waarmee "en de godheid, die gezalfd wordt en de mensheid, die gezalfd is", aangeduid worden, ofwel alleen de goddelijke natuur, zoals de naam God of Gods Zoon, ofwel alleen de menselijke natuur, zoals de naam Jesus of mens. Daarom zegt Paus Leo in de Brief aan de Palestijnen (124° Br., 7° H.): "Het komt er niet op aan, krachtens welke substantie men Christus een naam geeft, omdat waar de persoon onscheidbaar een blijft, hij, die om het vlees geheel en al mensenzoon, en hij, die om dezelfde godheid als die van de Vader geheel en al Zoon Gods is, dezelfde zijn".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Waar het God betreft, zijn persoon en natuur werkelijk hetzelfde en daarom kent men aan Gods Zoon de goddelijke natuur toe. Maar beide begrippen geven niet precies hetzelfde aan. En daarom zegt men sommige dingen van Gods Zoon, die men niet van de goddelijke natuur zegt, zoals wij zeggen, dat Gods Zoon is voortgebracht, terwijl wij dat niet van de goddelijke natuur zeggen, zoals in het eerste deel (39° Kw., 5° Art.) behandeld is. En evenzo zeggen wij bij het geheim der menswording, dat Gods Zoon geleden heeft, terwijl wij niet zeggen, dat de goddelijke natuur geleden heeft.
R: I q. 39 a. 5[t:ia q. 39 a. 5]
1e Weerlegging. Waar het God betreft, zijn persoon en natuur werkelijk hetzelfde en daarom kent men aan Gods Zoon de goddelijke natuur toe. Maar beide begrippen geven niet precies hetzelfde aan. En daarom zegt men sommige dingen van Gods Zoon, die men niet van de goddelijke natuur zegt, zoals wij zeggen, dat Gods Zoon is voortgebracht, terwijl wij dat niet van de goddelijke natuur zeggen, zoals in het eerste deel (39° Kw., 5° Art.) behandeld is. En evenzo zeggen wij bij het geheim der menswording, dat Gods Zoon geleden heeft, terwijl wij niet zeggen, dat de goddelijke natuur geleden heeft.
R: I q. 39 a. 5[t:ia q. 39 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. De menswording drukt eerder een vereniging met het vlees dan een eigenschap van het vlees uit. Nu zijn in Christus beide naturen met de andere in de persoon verenigd, en om die vereniging noemen wij de goddelijke natuur mensgeworden en de menselijke natuur vergoddelijkt, zoals boven is gezegd (2e Kw., 1e Art., Antw. op de 3e B.).
R: q. 2 a. 1 ad 3[t:iiia q. 2 a. 1 ad 3]
2e Weerlegging. De menswording drukt eerder een vereniging met het vlees dan een eigenschap van het vlees uit. Nu zijn in Christus beide naturen met de andere in de persoon verenigd, en om die vereniging noemen wij de goddelijke natuur mensgeworden en de menselijke natuur vergoddelijkt, zoals boven is gezegd (2e Kw., 1e Art., Antw. op de 3e B.).
R: q. 2 a. 1 ad 3[t:iiia q. 2 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Wat aan de goddelijke natuur eigen is, wordt van de menselijke natuur gezegd, niet op de manier, waarop het aan de goddelijke natuur wezenlijk toekomt, maar zoals het door deelhebbing op de menselijke natuur wordt overgebracht. Datgene, waaraan de menselijke natuur dus geen deel kan hebben, zoals ongeschapen en almachtig zijn, wordt helemaal niet van de menselijke natuur gezegd. De goddelijke natuur echter ontvangt niets van de menselijke natuur door eraan deel te hebben, en daarom kan wat aan de menselijke natuur eigen is, in het geheel niet van de goddelijke worden gezegd.
3e Weerlegging. Wat aan de goddelijke natuur eigen is, wordt van de menselijke natuur gezegd, niet op de manier, waarop het aan de goddelijke natuur wezenlijk toekomt, maar zoals het door deelhebbing op de menselijke natuur wordt overgebracht. Datgene, waaraan de menselijke natuur dus geen deel kan hebben, zoals ongeschapen en almachtig zijn, wordt helemaal niet van de menselijke natuur gezegd. De goddelijke natuur echter ontvangt niets van de menselijke natuur door eraan deel te hebben, en daarom kan wat aan de menselijke natuur eigen is, in het geheel niet van de goddelijke worden gezegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Is deze stelling waar: God is mens geworden?
IIIa q. 16 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de stelling: God is mens geworden, onwaar is. Want omdat mens een zelfstandigheid aangeeft, betekent mens worden, worden zonder beperking. Nu is de stelling: God is geworden zonder beperking, onwaar. Dus is de stelling: God is mens geworden, onwaar.
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de stelling: God is mens geworden, onwaar is. Want omdat mens een zelfstandigheid aangeeft, betekent mens worden, worden zonder beperking. Nu is de stelling: God is geworden zonder beperking, onwaar. Dus is de stelling: God is mens geworden, onwaar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 6 arg. 2
Vervolgens. mens worden is veranderd worden. Nu kan God geen onderwerp van verandering zijn volgens het woord van Malachias (3, 6): "Ik ben God en Ik verander niet". Dus is de stelling: God is mens geworden, onwaar.
B: (Mal 3:6) [b:Mal 3:6]
Vervolgens. mens worden is veranderd worden. Nu kan God geen onderwerp van verandering zijn volgens het woord van Malachias (3, 6): "Ik ben God en Ik verander niet". Dus is de stelling: God is mens geworden, onwaar.
B: (Mal 3:6) [b:Mal 3:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Als "mens" van Christus wordt gezegd, slaat het op de persoon van Gods Zoon. Nu is deze stelling: God is de persoon van Gods Zoon geworden, onwaar. Dus is de stelling: God is mens geworden, onwaar.
Vervolgens. Als "mens" van Christus wordt gezegd, slaat het op de persoon van Gods Zoon. Nu is deze stelling: God is de persoon van Gods Zoon geworden, onwaar. Dus is de stelling: God is mens geworden, onwaar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 6 s. c.
Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (1, 14) wordt gezegd: "Het Woord is vlees geworden". En zoals Athanasius in de Brief aan Epictetus (n. 8) zegt, "is wat hij zegt: het Woord is vlees geworden, hetzelfde als wanneer hij zou zeggen: mens geworden".
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (1, 14) wordt gezegd: "Het Woord is vlees geworden". En zoals Athanasius in de Brief aan Epictetus (n. 8) zegt, "is wat hij zegt: het Woord is vlees geworden, hetzelfde als wanneer hij zou zeggen: mens geworden".
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 6 co.
Mijn antwoord. Men zegt, dat iets datgene geworden is, wat men als iets nieuws ervan begint te zeggen. Nu zegt men zoals wij vermeldden (1e Art.) in waarheid van God, dat Hij mens is, maar niet zo, dat het van eeuwigheid aan God toekwam mens te zijn, maar in de tijd door het aannemen van de menselijke natuur. En dus is deze stelling: God is mens geworden, waar. Maar door verschillenden wordt zij verschillend opgevat, gelijk die andere: God is mens, zoals boven is gezegd (t. a. pl.).
R: q. 16 a. 1[t:iiia q. 16 a. 1] q. 16 a. 1[t:iiia q. 16 a. 1]
Mijn antwoord. Men zegt, dat iets datgene geworden is, wat men als iets nieuws ervan begint te zeggen. Nu zegt men zoals wij vermeldden (1e Art.) in waarheid van God, dat Hij mens is, maar niet zo, dat het van eeuwigheid aan God toekwam mens te zijn, maar in de tijd door het aannemen van de menselijke natuur. En dus is deze stelling: God is mens geworden, waar. Maar door verschillenden wordt zij verschillend opgevat, gelijk die andere: God is mens, zoals boven is gezegd (t. a. pl.).
R: q. 16 a. 1[t:iiia q. 16 a. 1] q. 16 a. 1[t:iiia q. 16 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Mens worden is worden zonder beperking bij allen, waarin de menselijke natuur als iets nieuws begint te bestaan in een drager, die als iets nieuws wordt geschapen. Nu zegt men hierom, dat God mens geworden is, dat de menselijke natuur begon te bestaan in de drager van de goddelijke natuur, die te voren van eeuwigheid af bestond. Daarom is het mensworden van God niet hetzelfde als dat God wordt zonder beperking.
1e Weerlegging. Mens worden is worden zonder beperking bij allen, waarin de menselijke natuur als iets nieuws begint te bestaan in een drager, die als iets nieuws wordt geschapen. Nu zegt men hierom, dat God mens geworden is, dat de menselijke natuur begon te bestaan in de drager van de goddelijke natuur, die te voren van eeuwigheid af bestond. Daarom is het mensworden van God niet hetzelfde als dat God wordt zonder beperking.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Worden brengt zoals wij zeiden (in de Leerstelling) mee, dat iets als iets nieuws van iets anders wordt gezegd. Altijd dus, als iets als iets nieuws van iets anders wordt gezegd tegelijk met een verandering in datgene waarvan het gezegd wordt, betekent worden veranderen. En dat komt aan alles toe, wat absoluut wordt gezegd; want witheid of grootheid kunnen in niets als iets nieuws komen, zonder dat dit opnieuw veranderd wordt tot witheid of grootheid. Maar wat als een verhouding wordt gezegd, kan als iets nieuws aan iets anders worden toegekend zonder dat het verandert, zoals iemand zonder te veranderen rechts komt te staan, door een beweging van wie links van hem komt. Bij zulke dingen behoeft dus niet ieder worden een veranderen te zijn, omdat het kan geschieden door de verandering van iets anders. En zo zeggen wij tot God: "Heer, gij zijt onze toevlucht geworden" (Ps. 89, 1). — Nu komt het door de vereniging, die een verhouding is, aan God toe mens te zijn. Dus zegt men als iets nieuws van God, dat Hij mens is, zonder dat Hij verandert, door de verandering namelijk van de menselijke natuur, die Hij in Zijn persoon aanneemt. Zeggen wij nu dat God mens geworden is, dan bedoelen wij geen verandering in God, maar alleen van de kant der menselijke natuur.
B: (Ps 89:1) [b:Ps 89:1]
2e Weerlegging. Worden brengt zoals wij zeiden (in de Leerstelling) mee, dat iets als iets nieuws van iets anders wordt gezegd. Altijd dus, als iets als iets nieuws van iets anders wordt gezegd tegelijk met een verandering in datgene waarvan het gezegd wordt, betekent worden veranderen. En dat komt aan alles toe, wat absoluut wordt gezegd; want witheid of grootheid kunnen in niets als iets nieuws komen, zonder dat dit opnieuw veranderd wordt tot witheid of grootheid. Maar wat als een verhouding wordt gezegd, kan als iets nieuws aan iets anders worden toegekend zonder dat het verandert, zoals iemand zonder te veranderen rechts komt te staan, door een beweging van wie links van hem komt. Bij zulke dingen behoeft dus niet ieder worden een veranderen te zijn, omdat het kan geschieden door de verandering van iets anders. En zo zeggen wij tot God: "Heer, gij zijt onze toevlucht geworden" (Ps. 89, 1). — Nu komt het door de vereniging, die een verhouding is, aan God toe mens te zijn. Dus zegt men als iets nieuws van God, dat Hij mens is, zonder dat Hij verandert, door de verandering namelijk van de menselijke natuur, die Hij in Zijn persoon aanneemt. Zeggen wij nu dat God mens geworden is, dan bedoelen wij geen verandering in God, maar alleen van de kant der menselijke natuur.
B: (Ps 89:1) [b:Ps 89:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. "mens" slaat op de persoon van Gods Zoon, niet onbepaald, maar in zover Deze zelfstandig in de menselijke natuur bestaat. En al is de stelling: God werd de persoon van de Zoon, onwaar, toch is deze: God is mens geworden, waar, omdat Hij verenigd is met de menselijke natuur.
3e Weerlegging. "mens" slaat op de persoon van Gods Zoon, niet onbepaald, maar in zover Deze zelfstandig in de menselijke natuur bestaat. En al is de stelling: God werd de persoon van de Zoon, onwaar, toch is deze: God is mens geworden, waar, omdat Hij verenigd is met de menselijke natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Is deze stelling: een mens is God geworden, waar?
IIIa q. 16 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de stelling: een mens is God geworden, waar is. Want in de Romeinenbrief (1, 2 en 3) wordt gezegd: "wat Hij tevoren door de Profeten in de Heilige Schriften beloofd had over Zijn Zoon, die Hem naar het vlees uit Davids zaad is geworden". Nu is Christus als mens uit Davids zaad naar het vlees geworden. Dus is een mens Gods Zoon geworden.
B: (Rom 1:2) [b:Rom 1:2] (Rom 1:3) [b:Rom 1:3]
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de stelling: een mens is God geworden, waar is. Want in de Romeinenbrief (1, 2 en 3) wordt gezegd: "wat Hij tevoren door de Profeten in de Heilige Schriften beloofd had over Zijn Zoon, die Hem naar het vlees uit Davids zaad is geworden". Nu is Christus als mens uit Davids zaad naar het vlees geworden. Dus is een mens Gods Zoon geworden.
B: (Rom 1:2) [b:Rom 1:2] (Rom 1:3) [b:Rom 1:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (13e H.): "Dit aannemen geschiedde op de manier, dat het God tot een mens en een mens tot God maakte". En nu is juist om dit aannemen de stelling: God is mens geworden, waar. Dus is de andere stelling: een mens is God geworden, even waar.
Vervolgens. Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (13e H.): "Dit aannemen geschiedde op de manier, dat het God tot een mens en een mens tot God maakte". En nu is juist om dit aannemen de stelling: God is mens geworden, waar. Dus is de andere stelling: een mens is God geworden, even waar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Gregorius van Nazianze zegt in de Brief aan Celidonius (101e Br.): "God is vermenselijkt, en de mens vergoddelijkt of hoe men dat anders noemen wil". Nu noemt men God hierom vermenselijkt, dat Hij mens geworden is. Dus noemt men de mens met hetzelfde recht vergoddelijkt, omdat hij God geworden is. En daarom is de stelling: een mens is God geworden, waar.
Vervolgens. Gregorius van Nazianze zegt in de Brief aan Celidonius (101e Br.): "God is vermenselijkt, en de mens vergoddelijkt of hoe men dat anders noemen wil". Nu noemt men God hierom vermenselijkt, dat Hij mens geworden is. Dus noemt men de mens met hetzelfde recht vergoddelijkt, omdat hij God geworden is. En daarom is de stelling: een mens is God geworden, waar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 7 arg. 4
Vervolgens. Als wij zeggen, dat God mens geworden is, dan is niet God, maar de menselijke natuur, die door de term mens aangegeven wordt, onderwerp van dit maken of verenigen. Nu schijnt echter datgene, waaraan het maken toegeschreven wordt, onderwerp van het maken te zijn. Dus is de stelling een mens is God geworden, meer waar dan de andere: God is mens geworden.
Vervolgens. Als wij zeggen, dat God mens geworden is, dan is niet God, maar de menselijke natuur, die door de term mens aangegeven wordt, onderwerp van dit maken of verenigen. Nu schijnt echter datgene, waaraan het maken toegeschreven wordt, onderwerp van het maken te zijn. Dus is de stelling een mens is God geworden, meer waar dan de andere: God is mens geworden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 7 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 3e boek zegt (Over het Ware Geloof, 2e H.): "Wij noemen de mens niet vergoddelijkt, maar wel God vermenselijkt". Nu is God worden hetzelfde als vergoddelijkt worden. Dus is de stelling een mens is God geworden, onwaar.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 3e boek zegt (Over het Ware Geloof, 2e H.): "Wij noemen de mens niet vergoddelijkt, maar wel God vermenselijkt". Nu is God worden hetzelfde als vergoddelijkt worden. Dus is de stelling een mens is God geworden, onwaar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 7 co.
Mijn antwoord. De stelling: een mens is God geworden, kan op drie manieren worden opgevat. Ten eerste zo, dat het deelwoord geworden het onderwerp of het gezegde een absolute bepaling geeft. En in die zin is de stelling onwaar. Want noch de mens, waarvan het gezegd wordt, noch God is geworden, zoals later zal worden gezegd (8° en 9° Art.). En in dezelfde betekenis genomen is de stelling: God is mens geworden, ook onwaar. Maar wij bespreken de stellingen hier niet in die betekenis. Ten tweede kan men haar zo opvatten, dat het worden de samenvoeging nader bepaalt, zoodat de betekenis van: een mens is God geworden, zou zijn: het is geschied, dat een mens God is. En in die zin zijn beide stellingen: een mens is God geworden, en: God is mens geworden, waar. Maar dat is de eigenlijke betekenis van deze stellingen niet; tenzij wij bedoelen, dat de term mens niet een bepaalden persoon, maar mens in het algemeen bedoelt. Want al is deze mens geen God geworden, omdat de drager, nl. de persoon van Gods Zoon, altijd God was, toch is in het algemeen genomen niet altijd een mens God geweest. Ten derde ligt de eigenlijke betekenis hierin, dat het deelwoord geworden een worden van de mens in verhouding tot God aangeeft, waarbij God de term van het gemaakt worden is. En nemen wij zoals boven aangetoond is (2° Kw., 2° en 3° Art.) aan, dat er in Christus dezelfde persoon en drager en hypostase van God en mens is, dan is de stelling in dezen zin onwaar. Want zeggen wij, dat een mens God geworden is, dan slaat mens op een persoon, want van de mens is het niet om zijn menselijke natuur waar, dat hij God is, maar om zijn drager. Nu is de drager van de menselijke natuur, die in waarheid God is, hetzelfde als de hypostase of persoon van Gods Zoon, die altijd God was. Daarom kan men niet zeggen, dat die mens begon God te zijn, of God wordt, of God geworden is. Zou er echter een andere persoon of hypostase van God en mens zijn, zoodat God zijn van de mens en omgekeerd zou worden gezegd om een vereniging der dragers in persoonlijke waardigheid of gevoelens of inwoning, zoals de Nestorianen zeggen, dan zou men met evenveel recht kunnen zeggen: een mens is God geworden, nl. met God verenigd als: God is mens geworden, nl. met een mens verenigd.
R: q. 16 a. 8[t:iiia q. 16 a. 8] q. 16 a. 9[t:iiia q. 16 a. 9] q. 2 a. 2[t:iiia q. 2 a. 2] q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3]
Mijn antwoord. De stelling: een mens is God geworden, kan op drie manieren worden opgevat. Ten eerste zo, dat het deelwoord geworden het onderwerp of het gezegde een absolute bepaling geeft. En in die zin is de stelling onwaar. Want noch de mens, waarvan het gezegd wordt, noch God is geworden, zoals later zal worden gezegd (8° en 9° Art.). En in dezelfde betekenis genomen is de stelling: God is mens geworden, ook onwaar. Maar wij bespreken de stellingen hier niet in die betekenis. Ten tweede kan men haar zo opvatten, dat het worden de samenvoeging nader bepaalt, zoodat de betekenis van: een mens is God geworden, zou zijn: het is geschied, dat een mens God is. En in die zin zijn beide stellingen: een mens is God geworden, en: God is mens geworden, waar. Maar dat is de eigenlijke betekenis van deze stellingen niet; tenzij wij bedoelen, dat de term mens niet een bepaalden persoon, maar mens in het algemeen bedoelt. Want al is deze mens geen God geworden, omdat de drager, nl. de persoon van Gods Zoon, altijd God was, toch is in het algemeen genomen niet altijd een mens God geweest. Ten derde ligt de eigenlijke betekenis hierin, dat het deelwoord geworden een worden van de mens in verhouding tot God aangeeft, waarbij God de term van het gemaakt worden is. En nemen wij zoals boven aangetoond is (2° Kw., 2° en 3° Art.) aan, dat er in Christus dezelfde persoon en drager en hypostase van God en mens is, dan is de stelling in dezen zin onwaar. Want zeggen wij, dat een mens God geworden is, dan slaat mens op een persoon, want van de mens is het niet om zijn menselijke natuur waar, dat hij God is, maar om zijn drager. Nu is de drager van de menselijke natuur, die in waarheid God is, hetzelfde als de hypostase of persoon van Gods Zoon, die altijd God was. Daarom kan men niet zeggen, dat die mens begon God te zijn, of God wordt, of God geworden is. Zou er echter een andere persoon of hypostase van God en mens zijn, zoodat God zijn van de mens en omgekeerd zou worden gezegd om een vereniging der dragers in persoonlijke waardigheid of gevoelens of inwoning, zoals de Nestorianen zeggen, dan zou men met evenveel recht kunnen zeggen: een mens is God geworden, nl. met God verenigd als: God is mens geworden, nl. met een mens verenigd.
R: q. 16 a. 8[t:iiia q. 16 a. 8] q. 16 a. 9[t:iiia q. 16 a. 9] q. 2 a. 2[t:iiia q. 2 a. 2] q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. In die tekst van de Apostel moet men het voegwoord die, dat op de persoon van de persoon van de Zoon slaat, niet met het gezegde in verbinding brengen alsof iemand, die naar het vlees uit Davids zaad het bestaan had, Gods Zoon geworden was; en de gemaakte moeilijkheid komt juist uit het zo begrijpen van deze tekst voort. Maar men moet het laten slaan op het onderwerp, zodat de betekenis wordt: "Gods Zoon is Hem geworden, (nl. tot meerdere eer van de Vader, zoals de Glossa uitlegt) toen Hij naar het vlees uit Davids zaad het bestaan had", alsof er stond: "Gods Zoon, die het vlees uit Davids zaad heeft, tot eer van God".
1e Weerlegging. In die tekst van de Apostel moet men het voegwoord die, dat op de persoon van de persoon van de Zoon slaat, niet met het gezegde in verbinding brengen alsof iemand, die naar het vlees uit Davids zaad het bestaan had, Gods Zoon geworden was; en de gemaakte moeilijkheid komt juist uit het zo begrijpen van deze tekst voort. Maar men moet het laten slaan op het onderwerp, zodat de betekenis wordt: "Gods Zoon is Hem geworden, (nl. tot meerdere eer van de Vader, zoals de Glossa uitlegt) toen Hij naar het vlees uit Davids zaad het bestaan had", alsof er stond: "Gods Zoon, die het vlees uit Davids zaad heeft, tot eer van God".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. De tekst van Augustinus moet men zo opvatten, dat het door de aanneming bij de menswording gebeurde, dat een mens God en God mens was. In deze zin zijn immers beide uitdrukkingen waar, zoals is gezegd.
2e Weerlegging. De tekst van Augustinus moet men zo opvatten, dat het door de aanneming bij de menswording gebeurde, dat een mens God en God mens was. In deze zin zijn immers beide uitdrukkingen waar, zoals is gezegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 7 ad 3
Et similiter Hetzelfde antwoord geldt voor de derde moeilijkheid, want vergoddelijkt worden is hetzelfde als God worden.
Et similiter Hetzelfde antwoord geldt voor de derde moeilijkheid, want vergoddelijkt worden is hetzelfde als God worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 7 ad 4
4e Weerlegging. De als onderwerp gebruikte term verhoudt zich als materie, nl. als slaand op de drager, terwijl de in het gezegde gebruikte zich als vorm verhoudt, omdat zij op de aangegeven natuur slaat. Zeggen wij dus: een mens is God geworden, dan wordt het worden zelf niet aan de menselijke natuur toegekend, maar aan de drager ervan; die nu is de eeuwige God, waaraan het niet toekomt God te worden. Zeggen wij echter: God is mens geworden, dan beschouwt men de menselijke natuur als term van het worden zelf. Daarom is deze stelling: God is mens geworden, in eigenlijken zin genomen waar, maar de stelling: een mens is God geworden, niet. Zou zo Socrates, die eerst mens was, later blank geworden zijn, dan zou het gezegde: deze mens, slaand op Socrates, is vandaag blank geworden, waar zijn, maar deze andere: dit blanke ding is vandaag mens geworden, niet. Zou men echter op de plaats van het onderwerp een term zetten, die de menselijke natuur in het abstracte aangeeft, dan zou zij zo als onderwerp van het worden aangegeven kunnen worden, zoals men bv. zou kunnen zeggen: de menselijke natuur is die van Gods Zoon geworden.
4e Weerlegging. De als onderwerp gebruikte term verhoudt zich als materie, nl. als slaand op de drager, terwijl de in het gezegde gebruikte zich als vorm verhoudt, omdat zij op de aangegeven natuur slaat. Zeggen wij dus: een mens is God geworden, dan wordt het worden zelf niet aan de menselijke natuur toegekend, maar aan de drager ervan; die nu is de eeuwige God, waaraan het niet toekomt God te worden. Zeggen wij echter: God is mens geworden, dan beschouwt men de menselijke natuur als term van het worden zelf. Daarom is deze stelling: God is mens geworden, in eigenlijken zin genomen waar, maar de stelling: een mens is God geworden, niet. Zou zo Socrates, die eerst mens was, later blank geworden zijn, dan zou het gezegde: deze mens, slaand op Socrates, is vandaag blank geworden, waar zijn, maar deze andere: dit blanke ding is vandaag mens geworden, niet. Zou men echter op de plaats van het onderwerp een term zetten, die de menselijke natuur in het abstracte aangeeft, dan zou zij zo als onderwerp van het worden aangegeven kunnen worden, zoals men bv. zou kunnen zeggen: de menselijke natuur is die van Gods Zoon geworden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Is deze stelling: Christus is een schepsel, waar?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 16 a. 7 co.
IIIa q. 16 a. 10 arg. 2
IIIa q. 16 a. 10 co.
IIIa q. 20 a. 1 arg. 1
IIIa q. 20 a. 1 ad 1
IIIa q. 57 a. 1 ad 1[t:iiia q. 16 a. 7 co.][t:iiia q. 16 a. 10 arg. 2][t:iiia q. 16 a. 10 co.][t:iiia q. 20 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 20 a. 1 ad 1][t:iiia q. 57 a. 1 ad 1]
IIIa q. 16 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat de stelling: Christus is een schepsel, waar is. Want Paus Leo zegt: "Iets nieuws en ongehoord geschiedde: God, die is en die was, wordt een schepsel". Nu kan datgene, wat Gods Zoon door de menswording geworden is, van Christus worden gezegd. Dus is ook deze stelling: Christus is een schepsel, waar.
IIIa q. 16 a. 7 co.
IIIa q. 16 a. 10 arg. 2
IIIa q. 16 a. 10 co.
IIIa q. 20 a. 1 arg. 1
IIIa q. 20 a. 1 ad 1
IIIa q. 57 a. 1 ad 1[t:iiia q. 16 a. 7 co.][t:iiia q. 16 a. 10 arg. 2][t:iiia q. 16 a. 10 co.][t:iiia q. 20 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 20 a. 1 ad 1][t:iiia q. 57 a. 1 ad 1]
IIIa q. 16 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat de stelling: Christus is een schepsel, waar is. Want Paus Leo zegt: "Iets nieuws en ongehoord geschiedde: God, die is en die was, wordt een schepsel". Nu kan datgene, wat Gods Zoon door de menswording geworden is, van Christus worden gezegd. Dus is ook deze stelling: Christus is een schepsel, waar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 8 arg. 2
Vervolgens. De eigenschappen van iedere der beide naturen kunnen gezegd worden van de gemeenschappelijke drager ervan, onder welke term deze ook wordt aangegeven, zoals boven is gezegd. Nu is het een eigenschap der menselijke natuur, dat zij een schepsel is, zoals het een eigenschap is der goddelijke, schepper te zijn. Dus kunnen beide dingen van Christus worden gezegd: dat Hij een schepsel is, en dat Hij de ongeschapen schepper is.
R: q. 16 a. 5[t:iiia q. 16 a. 5]
Vervolgens. De eigenschappen van iedere der beide naturen kunnen gezegd worden van de gemeenschappelijke drager ervan, onder welke term deze ook wordt aangegeven, zoals boven is gezegd. Nu is het een eigenschap der menselijke natuur, dat zij een schepsel is, zoals het een eigenschap is der goddelijke, schepper te zijn. Dus kunnen beide dingen van Christus worden gezegd: dat Hij een schepsel is, en dat Hij de ongeschapen schepper is.
R: q. 16 a. 5[t:iiia q. 16 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 8 arg. 3
Vervolgens. De ziel is een voornamer deel van de mens dan het lichaam. Nu wordt Christus om Zijn lichaam, dat Hij van de Maagd kreeg, zonder meer geboren uit de Maagd genoemd. Dus moet men even goed om de ziel, die door God geschapen is, zonder meer zeggen, dat Christus een schepsel is.
Vervolgens. De ziel is een voornamer deel van de mens dan het lichaam. Nu wordt Christus om Zijn lichaam, dat Hij van de Maagd kreeg, zonder meer geboren uit de Maagd genoemd. Dus moet men even goed om de ziel, die door God geschapen is, zonder meer zeggen, dat Christus een schepsel is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 8 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Ambrosius in het boek Over de Drievuldigheid zegt: "Is Christus dan door een woord gemaakt? Is Hij dan door een bevel geschapen?", alsof hij wilde zeggen: nee. Daarom gaat hij ook voort "Hoe kan er echter in God iets geschapens zijn? Want God heeft een eenvoudige, geen samengestelde natuur". Dus moet men de stelling: Christus is een schepsel, niet toegaan.
Maar daartegenover staat, dat Ambrosius in het boek Over de Drievuldigheid zegt: "Is Christus dan door een woord gemaakt? Is Hij dan door een bevel geschapen?", alsof hij wilde zeggen: nee. Daarom gaat hij ook voort "Hoe kan er echter in God iets geschapens zijn? Want God heeft een eenvoudige, geen samengestelde natuur". Dus moet men de stelling: Christus is een schepsel, niet toegaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 8 co.
Mijn antwoord. Zoals Hieronymus zegt, "ontstaat een ketterij door het onnauwkeurig gebruik van termen". Daarom moeten wij met de ketters zelfs niet in het gebruik van termen overeenkomen, opdat wij hun dwalingen niet schijnen te beschermen. Nu noemden de kettersche Arianen Christus een schepsel en minder dan de Vader, niet alleen om de menselijke natuur, maar ook om de goddelijke persoon. Daarom ook moet men niet zonder meer zeggen, dat Christus een schepsel of minder dan de Vader is, maar alleen met een nadere bepaling, namelijk naar Zijn menselijke natuur. De uitdrukkingen echter, waarvan men zelfs niet kan vermoeden, dat zij bij de goddelijke persoon krachtens dezen zelf passen, kan men zonder beperking krachtens de menselijke natuur van Christus zeggen, zoals wij zonder meer van Hem zeggen, dat Hij leed, stierf en begraven werd. Ook bij menselijke en lichamelijke dingen kennen wij de zaken, waarvan het niet zeker is of zij aan het geheel of aan een deel toekomen, als zij zich in een deel bevinden, hen niet zonder meer, dat wil zeggen zonder nadere bepaling aan het geheel toe; want wij zeggen niet, dat een Ethiopiër wit is, maar dat hij wat zijn tanden betreft wit is. Wel zeggen wij zonder nadere bepaling, dat hij gekroesd is, omdat hij dat alleen wat de haren betreft kan zijn.
B: (Hos 2:16) [b:Hos 2:16]
Mijn antwoord. Zoals Hieronymus zegt, "ontstaat een ketterij door het onnauwkeurig gebruik van termen". Daarom moeten wij met de ketters zelfs niet in het gebruik van termen overeenkomen, opdat wij hun dwalingen niet schijnen te beschermen. Nu noemden de kettersche Arianen Christus een schepsel en minder dan de Vader, niet alleen om de menselijke natuur, maar ook om de goddelijke persoon. Daarom ook moet men niet zonder meer zeggen, dat Christus een schepsel of minder dan de Vader is, maar alleen met een nadere bepaling, namelijk naar Zijn menselijke natuur. De uitdrukkingen echter, waarvan men zelfs niet kan vermoeden, dat zij bij de goddelijke persoon krachtens dezen zelf passen, kan men zonder beperking krachtens de menselijke natuur van Christus zeggen, zoals wij zonder meer van Hem zeggen, dat Hij leed, stierf en begraven werd. Ook bij menselijke en lichamelijke dingen kennen wij de zaken, waarvan het niet zeker is of zij aan het geheel of aan een deel toekomen, als zij zich in een deel bevinden, hen niet zonder meer, dat wil zeggen zonder nadere bepaling aan het geheel toe; want wij zeggen niet, dat een Ethiopiër wit is, maar dat hij wat zijn tanden betreft wit is. Wel zeggen wij zonder nadere bepaling, dat hij gekroesd is, omdat hij dat alleen wat de haren betreft kan zijn.
B: (Hos 2:16) [b:Hos 2:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Soms gebruiken de Heilige Leeraars kortheidshalve de term schepsel van Christus en laten de bepaling weg. Maar die moet men in hun geschriften erbij denken.
1e Weerlegging. Soms gebruiken de Heilige Leeraars kortheidshalve de term schepsel van Christus en laten de bepaling weg. Maar die moet men in hun geschriften erbij denken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Alle eigenschappen van de goddelijke zoowel als van de menselijke natuur kan men in zekere zin van Christus zeggen. Daarom zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 4e H.): "Christus, die God en mens wordt genoemd, kan wel en niet geschapen worden, wel en niet verdeeld worden". Maar dingen waarvan het onzeker is, tot welke natuur zij behoren, moet men zonder bepaling niet zeggen. Daarom voegt hijzelf er elders bij (4e B., 5e H.): "Dezelfde ene hypostase, nl. die van Christus, is door de godheid ongeschapen en door de mensheid geschapen". Omgekeerd zou men zonder nadere bepaling niet moeten zeggen, dat Christus geen lichaam heeft of niet kan lijden, om de dwaling der Manichaeën te vermijden, die zeiden, dat Christus geen echt lichaam had en niet echt geleden heeft; maar men moet bepalend zeggen, dat Christus naar Zijn godheid geen lichaam heeft en niet lijden kan.
2e Weerlegging. Alle eigenschappen van de goddelijke zoowel als van de menselijke natuur kan men in zekere zin van Christus zeggen. Daarom zegt Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 4e H.): "Christus, die God en mens wordt genoemd, kan wel en niet geschapen worden, wel en niet verdeeld worden". Maar dingen waarvan het onzeker is, tot welke natuur zij behoren, moet men zonder bepaling niet zeggen. Daarom voegt hijzelf er elders bij (4e B., 5e H.): "Dezelfde ene hypostase, nl. die van Christus, is door de godheid ongeschapen en door de mensheid geschapen". Omgekeerd zou men zonder nadere bepaling niet moeten zeggen, dat Christus geen lichaam heeft of niet kan lijden, om de dwaling der Manichaeën te vermijden, die zeiden, dat Christus geen echt lichaam had en niet echt geleden heeft; maar men moet bepalend zeggen, dat Christus naar Zijn godheid geen lichaam heeft en niet lijden kan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Er kan niet getwijfeld worden of het geboren zijn uit de Maagd misschien aan de persoon van Gods Zoon toekomt, zoals het met het geschapen zijn wel kan. Daarom gaat dezelfde redenering niet in beide gevallen op.
3e Weerlegging. Er kan niet getwijfeld worden of het geboren zijn uit de Maagd misschien aan de persoon van Gods Zoon toekomt, zoals het met het geschapen zijn wel kan. Daarom gaat dezelfde redenering niet in beide gevallen op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Of deze mens (als Christus wordt bedoeld), begon te bestaan?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 16 a. 7 co.
IIIa q. 16 a. 10 arg. 2[t:iiia q. 16 a. 7 co.][t:iiia q. 16 a. 10 arg. 2]
IIIa q. 16 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert, dat het waar is, dat deze mens, als dit op Christus slaat, begon te bestaan. Want Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (105° Trakt. op 17, 5): "Voordat de wereld er was, bestonden noch wij, noch de bemiddelaar zelf tussen God en de mensen, de mens Jesus Christus". Maar wat er niet altijd is geweest, begon te bestaan. Dus begon deze mens, als dat op Christus slaat, te bestaan.
IIIa q. 16 a. 7 co.
IIIa q. 16 a. 10 arg. 2[t:iiia q. 16 a. 7 co.][t:iiia q. 16 a. 10 arg. 2]
IIIa q. 16 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert, dat het waar is, dat deze mens, als dit op Christus slaat, begon te bestaan. Want Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (105° Trakt. op 17, 5): "Voordat de wereld er was, bestonden noch wij, noch de bemiddelaar zelf tussen God en de mensen, de mens Jesus Christus". Maar wat er niet altijd is geweest, begon te bestaan. Dus begon deze mens, als dat op Christus slaat, te bestaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 9 arg. 2
Vervolgens. Christus begon mens te zijn. Nu is mens zijn in eigenlijke zin zijn. Dus begon die mens zonder meer te zijn.
Vervolgens. Christus begon mens te zijn. Nu is mens zijn in eigenlijke zin zijn. Dus begon die mens zonder meer te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 9 arg. 3
Vervolgens. "mens" omvat de drager van de menselijke natuur. Nu was Christus niet altijd drager van de menselijke natuur. Dus begon die mens te zijn.
Vervolgens. "mens" omvat de drager van de menselijke natuur. Nu was Christus niet altijd drager van de menselijke natuur. Dus begon die mens te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 9 s. c.
Maar daartegenover staat, dat in de Hebreeënbrief (13, 8) wordt gezegd: "Jesus Christus is dezelfde gisteren en heden en in eeuwigheid".
B: (Heb 13:8) [b:Heb 13:8]
Maar daartegenover staat, dat in de Hebreeënbrief (13, 8) wordt gezegd: "Jesus Christus is dezelfde gisteren en heden en in eeuwigheid".
B: (Heb 13:8) [b:Heb 13:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 9 co.
Mijn antwoord. Men moet niet zonder nadere bepaling zeggen, dat deze mens, slaand op Christus, begon te bestaan; en dat om twee redenen. Ten eerste, omdat die uitdrukking zonder meer onwaar is volgens de leer van het katholieke geloof, omdat wij volgens haar één drager en één hypostase en één persoon aannemen. Daarom immers moeten wij, als wij doelend op Christus van die mens spreken, de eeuwige drager bedoelen; en met diens eeuwigheid strijdt het beginnen te bestaan. Daarom is het onwaar, dat deze mens begon te bestaan. — Daarmee strijdt niet, dat het aan de menselijke natuur, die door de term mens aangeduid wordt, toekomt te beginnen te bestaan, want de als onderwerp gebruikte term duidt niet als slaand op de vorm de natuur, maar veeleer als slaand op de materie de drager aan, zoals boven is gezegd (7° Art., Antw. op de 4° B.). Ten tweede zou men, ook al was het gezegde waar, het niet zonder nadere bepaling moeten gebruiken om de ketterij van Arius te vermijden, die de persoon van Gods Zoon het beginnen te bestaan toeschreef, evenals het een schepsel, en minder dan de Vader te zijn; zodat hij zei, dat er een tijd is geweest, waarin Hij niet bestond.
R: q. 16 a. 1 ad 4[t:iiia q. 16 a. 1 ad 4]
Mijn antwoord. Men moet niet zonder nadere bepaling zeggen, dat deze mens, slaand op Christus, begon te bestaan; en dat om twee redenen. Ten eerste, omdat die uitdrukking zonder meer onwaar is volgens de leer van het katholieke geloof, omdat wij volgens haar één drager en één hypostase en één persoon aannemen. Daarom immers moeten wij, als wij doelend op Christus van die mens spreken, de eeuwige drager bedoelen; en met diens eeuwigheid strijdt het beginnen te bestaan. Daarom is het onwaar, dat deze mens begon te bestaan. — Daarmee strijdt niet, dat het aan de menselijke natuur, die door de term mens aangeduid wordt, toekomt te beginnen te bestaan, want de als onderwerp gebruikte term duidt niet als slaand op de vorm de natuur, maar veeleer als slaand op de materie de drager aan, zoals boven is gezegd (7° Art., Antw. op de 4° B.). Ten tweede zou men, ook al was het gezegde waar, het niet zonder nadere bepaling moeten gebruiken om de ketterij van Arius te vermijden, die de persoon van Gods Zoon het beginnen te bestaan toeschreef, evenals het een schepsel, en minder dan de Vader te zijn; zodat hij zei, dat er een tijd is geweest, waarin Hij niet bestond.
R: q. 16 a. 1 ad 4[t:iiia q. 16 a. 1 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. Deze gezagvolle tekst moet men met een beperking opvatten, zodat wij zeggen, dat de mens Christus naar Zijn mensheid niet bestond, voordat de wereld er was.
1e Weerlegging. Deze gezagvolle tekst moet men met een beperking opvatten, zodat wij zeggen, dat de mens Christus naar Zijn mensheid niet bestond, voordat de wereld er was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. Uit de term beginnen kan men geen bewijs van het lagere naar het hogere opbouwen, want de redenering: dit ding begon wit te zijn, dus begon het gekleurd te zijn, gaat niet op. En dat is hierom, dat beginnen nu wel en eerst iets niet zijn insluit; maar de redenering: dit was eerst niet wit, dus was het niet gekleurd, gaat niet op. Nu staat zijn zonder meer boven mens zijn; dus de redenering: Christus begon mens te zijn, dus begon Hij zonder meer te zijn, gaat niet op.
2e Weerlegging. Uit de term beginnen kan men geen bewijs van het lagere naar het hogere opbouwen, want de redenering: dit ding begon wit te zijn, dus begon het gekleurd te zijn, gaat niet op. En dat is hierom, dat beginnen nu wel en eerst iets niet zijn insluit; maar de redenering: dit was eerst niet wit, dus was het niet gekleurd, gaat niet op. Nu staat zijn zonder meer boven mens zijn; dus de redenering: Christus begon mens te zijn, dus begon Hij zonder meer te zijn, gaat niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. Al geeft de term mens van Christus gebruikt de menselijke natuur aan, die begon te bestaan, toch slaat zij op de eeuwige drager, die niet begon te bestaan. Want als zij als onderwerp wordt gebruikt, dan slaat zij op de drager, maar is zij gezegde, dan slaat zij op de natuur; en daarom is deze stelling: de mens Christus begon te bestaan, onwaar, maar deze: Christus begon als mens te bestaan, waar.
3e Weerlegging. Al geeft de term mens van Christus gebruikt de menselijke natuur aan, die begon te bestaan, toch slaat zij op de eeuwige drager, die niet begon te bestaan. Want als zij als onderwerp wordt gebruikt, dan slaat zij op de drager, maar is zij gezegde, dan slaat zij op de natuur; en daarom is deze stelling: de mens Christus begon te bestaan, onwaar, maar deze: Christus begon als mens te bestaan, waar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Is deze stelling: Christus als mens is een schepsel of begon te bestaan, waar?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 16 a. 11 co.
IIIa q. 16 a. 12 co.
IIIa q. 57 a. 1 ad 1
IIIa q. 58 a. 3 co.[t:iiia q. 16 a. 11 co.][t:iiia q. 16 a. 12 co.][t:iiia q. 57 a. 1 ad 1][t:iiia q. 58 a. 3 co.]
IIIa q. 16 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert, dat de stelling: Christus als mens is een schepsel of begon te bestaan, onwaar is. Want in Christus is niets geschapen behalve de menselijke natuur. Nu is de stelling: Christus als mens is de menselijke natuur, onwaar. Dus is ook deze stelling: Christus als mens is een schepsel, onwaar.
IIIa q. 16 a. 11 co.
IIIa q. 16 a. 12 co.
IIIa q. 57 a. 1 ad 1
IIIa q. 58 a. 3 co.[t:iiia q. 16 a. 11 co.][t:iiia q. 16 a. 12 co.][t:iiia q. 57 a. 1 ad 1][t:iiia q. 58 a. 3 co.]
IIIa q. 16 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert, dat de stelling: Christus als mens is een schepsel of begon te bestaan, onwaar is. Want in Christus is niets geschapen behalve de menselijke natuur. Nu is de stelling: Christus als mens is de menselijke natuur, onwaar. Dus is ook deze stelling: Christus als mens is een schepsel, onwaar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 10 arg. 2
Vervolgens. Het gezegde wordt meer toegerekend aan de term, waarop door herhaling de nadruk wordt gelegd dan aan het onderwerp zelf; want als wij zeggen: het lichaam in zover het gekleurd is, is zichtbaar, dan volgt daaruit, dat het gekleurde zichtbaar is. Nu mag men zoals gezegd is (8° Art.) de stelling: de mens Christus is een schepsel, niet zonder meer toegeven. Dus evenmin deze: Christus als mens is een schepsel.
R: q. 16 a. 8[t:iiia q. 16 a. 8] q. 16 a. 9[t:iiia q. 16 a. 9]
Vervolgens. Het gezegde wordt meer toegerekend aan de term, waarop door herhaling de nadruk wordt gelegd dan aan het onderwerp zelf; want als wij zeggen: het lichaam in zover het gekleurd is, is zichtbaar, dan volgt daaruit, dat het gekleurde zichtbaar is. Nu mag men zoals gezegd is (8° Art.) de stelling: de mens Christus is een schepsel, niet zonder meer toegeven. Dus evenmin deze: Christus als mens is een schepsel.
R: q. 16 a. 8[t:iiia q. 16 a. 8] q. 16 a. 9[t:iiia q. 16 a. 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 10 arg. 3
Vervolgens. Wat van een mens als mens wordt gezegd, wordt zonder beperking en krachtens zichzelf gezegd; want krachtens zichzelf en krachtens datgene wat iets is, is hetzelfde, zoals in het 5e boek Over de Metaphysiek wordt gezegd. Nu is de stelling: Christus is krachtens zichzelf en zonder beperking een schepsel, onwaar. Dus ook deze: Christus als mens is een schepsel, onwaar.
Vervolgens. Wat van een mens als mens wordt gezegd, wordt zonder beperking en krachtens zichzelf gezegd; want krachtens zichzelf en krachtens datgene wat iets is, is hetzelfde, zoals in het 5e boek Over de Metaphysiek wordt gezegd. Nu is de stelling: Christus is krachtens zichzelf en zonder beperking een schepsel, onwaar. Dus ook deze: Christus als mens is een schepsel, onwaar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 10 s. c.
Maar daartegenover staat, dat alles wat bestaat ofwel schepper ofwel een schepsel is. Nu is de stelling: Christus als mens is schepper, onwaar. Dus is deze stelling: Christus als mens is een schepsel, waar.
Maar daartegenover staat, dat alles wat bestaat ofwel schepper ofwel een schepsel is. Nu is de stelling: Christus als mens is schepper, onwaar. Dus is deze stelling: Christus als mens is een schepsel, waar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 10 co.
Mijn antwoord. Spreken wij van Christus als mens genomen, dan kan de term mens met nadruk herhaald worden ofwel als slaande op de drager, ofwel op de natuur. Wordt zij om de drager herhaald, dan is, omdat de drager van de menselijke natuur in Christus eeuwig en ongeschapen is, de stelling: Christus als mens is een schepsel, onwaar. Maar wordt de term herhaald om de menselijke natuur, dan is de stelling waar, omdat het Hem om of krachtens de menselijke natuur toekomt schepsel te zijn, zoals boven is gezegd (8e Art.). Maar nu moet men weten, dat een zo herhaalde term meer eigenlijk op de natuur slaat als op de drager, want zij wordt als een gezegde herhaald, dat iets formaliter bepaalt; want het is precies hetzelfde te zeggen *Christus als mens*, of *Christus in zover Hij mens* is. En daarom moeten wij de stelling: *Christus als mens* is een schepsel, eerder bevestigen dan ontkennen. Zou er echter iets worden bijgevoegd, waardoor de nadruk meer op de drager viel, dan moest men eerder ontkennen dan bevestigen, bv. als men zegt: *Christus als deze bepaalde mens is een schepsel*.
R: q. 16 a. 8[t:iiia q. 16 a. 8]
Mijn antwoord. Spreken wij van Christus als mens genomen, dan kan de term mens met nadruk herhaald worden ofwel als slaande op de drager, ofwel op de natuur. Wordt zij om de drager herhaald, dan is, omdat de drager van de menselijke natuur in Christus eeuwig en ongeschapen is, de stelling: Christus als mens is een schepsel, onwaar. Maar wordt de term herhaald om de menselijke natuur, dan is de stelling waar, omdat het Hem om of krachtens de menselijke natuur toekomt schepsel te zijn, zoals boven is gezegd (8e Art.). Maar nu moet men weten, dat een zo herhaalde term meer eigenlijk op de natuur slaat als op de drager, want zij wordt als een gezegde herhaald, dat iets formaliter bepaalt; want het is precies hetzelfde te zeggen *Christus als mens*, of *Christus in zover Hij mens* is. En daarom moeten wij de stelling: *Christus als mens* is een schepsel, eerder bevestigen dan ontkennen. Zou er echter iets worden bijgevoegd, waardoor de nadruk meer op de drager viel, dan moest men eerder ontkennen dan bevestigen, bv. als men zegt: *Christus als deze bepaalde mens is een schepsel*.
R: q. 16 a. 8[t:iiia q. 16 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. Al is *Christus* de menselijke natuur niet, toch is *Hij* in het bezit van de menselijke natuur. Nu kan de term schepsel niet alleen gezegd worden van abstracte, maar ook van concrete dingen, want wij zeggen, dat de mensheid een schepsel is, en dat de mens er een is.
1e Weerlegging. Al is *Christus* de menselijke natuur niet, toch is *Hij* in het bezit van de menselijke natuur. Nu kan de term schepsel niet alleen gezegd worden van abstracte, maar ook van concrete dingen, want wij zeggen, dat de mensheid een schepsel is, en dat de mens er een is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. Wordt de term *mens* als onderwerp geplaatst, dan slaat zij meer op de drager, maar wordt zij voor de nadruk herhaald, dan doelt zij, zoals gezegd is (in de Leerstelling), meer op de menselijke natuur. En waar de natuur geschapen, maar de drager ongeschapen is, kan men, al mag de stelling: Deze mens is een schepsel, niet zonder meer worden toegegeven, toch de stelling: Christus als mens is een schepsel, toegeven.
2e Weerlegging. Wordt de term *mens* als onderwerp geplaatst, dan slaat zij meer op de drager, maar wordt zij voor de nadruk herhaald, dan doelt zij, zoals gezegd is (in de Leerstelling), meer op de menselijke natuur. En waar de natuur geschapen, maar de drager ongeschapen is, kan men, al mag de stelling: Deze mens is een schepsel, niet zonder meer worden toegegeven, toch de stelling: Christus als mens is een schepsel, toegeven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 10 ad 3
3e Weerlegging. Aan iedere mens, die alleen van de menselijke natuur de drager is, komt het alleen toe het bestaan te hebben naar de menselijke natuur. En daarom gaat het van al die mensen op, dat, als hij als mens een schepsel is, hij zonder beperking een schepsel is. Maar Christus is niet alleen drager van de menselijke, maar ook van de goddelijke natuur, en naar deze laatste heeft Hij een ongeschapen bestaan. Daarom volgt uit het feit, dat Hij als mens een schepsel is, niet dat Hij zonder beperking een schepsel is.
3e Weerlegging. Aan iedere mens, die alleen van de menselijke natuur de drager is, komt het alleen toe het bestaan te hebben naar de menselijke natuur. En daarom gaat het van al die mensen op, dat, als hij als mens een schepsel is, hij zonder beperking een schepsel is. Maar Christus is niet alleen drager van de menselijke, maar ook van de goddelijke natuur, en naar deze laatste heeft Hij een ongeschapen bestaan. Daarom volgt uit het feit, dat Hij als mens een schepsel is, niet dat Hij zonder beperking een schepsel is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 11: Is Christus als mens genomen God?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 16 a. 12 co.
IIIa q. 58 a. 3 co.[t:iiia q. 16 a. 12 co.][t:iiia q. 58 a. 3 co.]
IIIa q. 16 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert, dat Christus genomen als mens God is. Want Christus is God door de genade der vereniging. Nu heeft Christus de genade der vereniging als mens. Dus is hij als mens genomen God.
IIIa q. 16 a. 12 co.
IIIa q. 58 a. 3 co.[t:iiia q. 16 a. 12 co.][t:iiia q. 58 a. 3 co.]
IIIa q. 16 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert, dat Christus genomen als mens God is. Want Christus is God door de genade der vereniging. Nu heeft Christus de genade der vereniging als mens. Dus is hij als mens genomen God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 11 arg. 2
Vervolgens. Zonden vergeven is eigen aan God; naar Isaias (43, 25): "Ik zelf ben het, die uw zonden om mijnentwil wegneem". Nu heeft Christus als mens de macht om de zonden te vergeven naar Matthaeus (9, 6): "Opdat gij moogt weten, dat de mensenzoon op aarde macht heeft om de zonden te vergeven", enz. Dus is Christus als mens genomen God.
B: (Isa 43:25) [b:Isa 43:25] (Matt 9:6) [b:Matt 9:6]
Vervolgens. Zonden vergeven is eigen aan God; naar Isaias (43, 25): "Ik zelf ben het, die uw zonden om mijnentwil wegneem". Nu heeft Christus als mens de macht om de zonden te vergeven naar Matthaeus (9, 6): "Opdat gij moogt weten, dat de mensenzoon op aarde macht heeft om de zonden te vergeven", enz. Dus is Christus als mens genomen God.
B: (Isa 43:25) [b:Isa 43:25] (Matt 9:6) [b:Matt 9:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 11 arg. 3
Vervolgens. Christus is niet de mens in het algemeen, maar die bepaalde mens. Nu is Christus in zover Hij die bepaalde mens is God, omdat bij de mens de eeuwige drager wordt aangeduid, die van nature God is. Dus is Christus als mens genomen God.
Vervolgens. Christus is niet de mens in het algemeen, maar die bepaalde mens. Nu is Christus in zover Hij die bepaalde mens is God, omdat bij de mens de eeuwige drager wordt aangeduid, die van nature God is. Dus is Christus als mens genomen God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 11 s. c.
Maar daartegenover staat, dat wat Christus als mens toekomt, aan iedere mens toekomt. Is dus Christus als mens God, dan is iedere mens God, en dat is klaarblijkelijk onwaar.
Maar daartegenover staat, dat wat Christus als mens toekomt, aan iedere mens toekomt. Is dus Christus als mens God, dan is iedere mens God, en dat is klaarblijkelijk onwaar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 11 co.
Mijn antwoord. Wordt deze term mens door verdubbeling herhaald, dan kan men haar op twee manieren opvatten. Ten eerste als op de natuur slaand. En dan is het niet waar, dat Hij als mens genomen God is; want om het verschil in natuur is de menselijke van de goddelijke onderscheiden. — Maar de term kan ook anders worden genomen als slaand op de drager. En omdat de drager van de menselijke natuur in Christus de Persoon van Gods Zoon is, waaraan het om zichzelf toekomt God te zijn, is het waar dat Christus als mens God is. Omdat een door verdubbeling herhaalde term echter meer eigenlijk op de natuur als op de drager slaat, zoals boven is gezegd (vorig artikel), moet de stelling: Christus als mens genomen is God, eer ontkend dan bevestigd worden.
R: q. 16 a. 10[t:iiia q. 16 a. 10]
Mijn antwoord. Wordt deze term mens door verdubbeling herhaald, dan kan men haar op twee manieren opvatten. Ten eerste als op de natuur slaand. En dan is het niet waar, dat Hij als mens genomen God is; want om het verschil in natuur is de menselijke van de goddelijke onderscheiden. — Maar de term kan ook anders worden genomen als slaand op de drager. En omdat de drager van de menselijke natuur in Christus de Persoon van Gods Zoon is, waaraan het om zichzelf toekomt God te zijn, is het waar dat Christus als mens God is. Omdat een door verdubbeling herhaalde term echter meer eigenlijk op de natuur als op de drager slaat, zoals boven is gezegd (vorig artikel), moet de stelling: Christus als mens genomen is God, eer ontkend dan bevestigd worden.
R: q. 16 a. 10[t:iiia q. 16 a. 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 11 ad 1
1e Weerlegging. Aan een ding is het niet krachtens hetzelfde eigen naar iets toe bewogen te worden en dat te zijn; want bewogen worden komt eraan toe om de stof of de drager, maar actueel te zijn om de vorm. En daarom komt het aan Christus niet krachtens hetzelfde beginsel toe erop aangelegd te worden, dat Hij door de genade der vereniging God is, en God te zijn; maar het eerste komt Hem toe om de menselijke natuur en het tweede om de goddelijke. Daarom is de stelling: Christus heeft als mens de genade der vereniging, waar; maar die andere: Christus is als mens God, niet.
1e Weerlegging. Aan een ding is het niet krachtens hetzelfde eigen naar iets toe bewogen te worden en dat te zijn; want bewogen worden komt eraan toe om de stof of de drager, maar actueel te zijn om de vorm. En daarom komt het aan Christus niet krachtens hetzelfde beginsel toe erop aangelegd te worden, dat Hij door de genade der vereniging God is, en God te zijn; maar het eerste komt Hem toe om de menselijke natuur en het tweede om de goddelijke. Daarom is de stelling: Christus heeft als mens de genade der vereniging, waar; maar die andere: Christus is als mens God, niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 11 ad 2
2e Weerlegging. "De mensenzoon heeft op aarde macht om zonden te vergeven", maar niet door kracht van de menselijke, maar van de goddelijke natuur. In de goddelijke natuur ligt het vermogen om met gezag de zonden te vergeven, maar in de menselijke natuur alleen om dit als dienaar en werktuig te doen. Daarom zegt Chrysostomus in zijn uitleg op Mattheüs: "Hij zegt met nadruk "heeft macht op aarde" om aan te geven, dat Hij de macht der goddelijke natuur met de menselijke door ondeelbare vereniging heeft verbonden. Want al werd Hij mens, toch bleef Hij Gods Woord".
B: (Mark 2:10) [b:Mark 2:10]
2e Weerlegging. "De mensenzoon heeft op aarde macht om zonden te vergeven", maar niet door kracht van de menselijke, maar van de goddelijke natuur. In de goddelijke natuur ligt het vermogen om met gezag de zonden te vergeven, maar in de menselijke natuur alleen om dit als dienaar en werktuig te doen. Daarom zegt Chrysostomus in zijn uitleg op Mattheüs: "Hij zegt met nadruk "heeft macht op aarde" om aan te geven, dat Hij de macht der goddelijke natuur met de menselijke door ondeelbare vereniging heeft verbonden. Want al werd Hij mens, toch bleef Hij Gods Woord".
B: (Mark 2:10) [b:Mark 2:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 11 ad 3
3e Weerlegging. Spreekt men van dezen mens, dan betrekt het aanwijzend voornaamwoord de term mens op de drager. En daarom is de stelling: Christus is in zover Hij deze mens is God, meer waar dan: Christus als mens is God.
3e Weerlegging. Spreekt men van dezen mens, dan betrekt het aanwijzend voornaamwoord de term mens op de drager. En daarom is de stelling: Christus is in zover Hij deze mens is God, meer waar dan: Christus als mens is God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 12: Is Christus als mens genomen een hypostase of drager?
IIIa q. 16 a. 12 arg. 1
Over het twaalfde als volgt. Men beweert, dat Christus als mens genomen een hypostase of drager is. Want wat aan iedere mens toekomt, heeft ook Christus als mens, want Hij is aan de andere mensen gelijk zoals in de Brief aan de Philippensen (2, 7) wordt gezegd: "aan de mensen gelijk geworden". Nu is iedere mens een persoon. Dus is Christus als mens een persoon.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Over het twaalfde als volgt. Men beweert, dat Christus als mens genomen een hypostase of drager is. Want wat aan iedere mens toekomt, heeft ook Christus als mens, want Hij is aan de andere mensen gelijk zoals in de Brief aan de Philippensen (2, 7) wordt gezegd: "aan de mensen gelijk geworden". Nu is iedere mens een persoon. Dus is Christus als mens een persoon.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 12 arg. 2
Vervolgens. Christus is als mens een zelfstandigheid van redelijke natuur. Maar geen algemene zelfstandigheid, dus een, die een eenling is. Nu is een persoon niets anders als een zelfstandigheid van redelijke natuur, die een eenling is, zoals Boëtius in het boek Over de Twee naturen (4° H.) zegt. Dus is Christus als mens een persoon.
Vervolgens. Christus is als mens een zelfstandigheid van redelijke natuur. Maar geen algemene zelfstandigheid, dus een, die een eenling is. Nu is een persoon niets anders als een zelfstandigheid van redelijke natuur, die een eenling is, zoals Boëtius in het boek Over de Twee naturen (4° H.) zegt. Dus is Christus als mens een persoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 12 arg. 3
Vervolgens. Christus is als mens een ding van menselijke aard en een drager en hypostase van dezelfde aard. Nu is iedere drager en hypostase en ding van menselijke aard een persoon. Dus ook Christus als mens is een persoon.
Vervolgens. Christus is als mens een ding van menselijke aard en een drager en hypostase van dezelfde aard. Nu is iedere drager en hypostase en ding van menselijke aard een persoon. Dus ook Christus als mens is een persoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 12 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Christus als mens geen eeuwige persoon is. Is Hij dus als mens een persoon, dan zou volgen, dat er in Christus twee personen zijn, een eeuwige en een in de tijd. Dat is, zoals boven gezegd is (2e Kw., 6e Art.; 4e Kw., 2e Art.), onjuist.
R: q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6] q. 4 a. 2[t:iiia q. 4 a. 2]
Maar daartegenover staat, dat Christus als mens geen eeuwige persoon is. Is Hij dus als mens een persoon, dan zou volgen, dat er in Christus twee personen zijn, een eeuwige en een in de tijd. Dat is, zoals boven gezegd is (2e Kw., 6e Art.; 4e Kw., 2e Art.), onjuist.
R: q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6] q. 4 a. 2[t:iiia q. 4 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 12 co.
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (10e en 11e Art.) kan de term mens bij verdubbeling slaan op de drager of op de natuur. Als men dus in de stelling: Christus als mens is een persoon, de term op de drager laat slaan, dan is het duidelijk, dat Christus als mens een persoon is; want de drager der menselijke natuur is niets anders als de persoon van Gods Zoon. Maar laat men de term slaan op de natuur, dan kan het op twee manieren worden opgevat. Ten eerste kan men het laten betekenen, dat het aan de menselijke natuur toekomt in een persoon te zijn; en zo is het ook waar, want alles wat in de menselijke natuur zelfstandig bestaat is een persoon. — Maar het zou ook kunnen betekenen, dat aan de menselijke natuur in Christus een eigen persoonlijkheid toekwam, die door de beginselen der menselijke natuur werd voortgebracht. En zo is Christus als mens geen persoon, omdat de menselijke natuur niet op zichzelf los van de goddelijke natuur bestaat, wat voor het wezen van een persoon nodig is.
R: q. 16 a. 10[t:iiia q. 16 a. 10] q. 16 a. 11[t:iiia q. 16 a. 11]
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (10e en 11e Art.) kan de term mens bij verdubbeling slaan op de drager of op de natuur. Als men dus in de stelling: Christus als mens is een persoon, de term op de drager laat slaan, dan is het duidelijk, dat Christus als mens een persoon is; want de drager der menselijke natuur is niets anders als de persoon van Gods Zoon. Maar laat men de term slaan op de natuur, dan kan het op twee manieren worden opgevat. Ten eerste kan men het laten betekenen, dat het aan de menselijke natuur toekomt in een persoon te zijn; en zo is het ook waar, want alles wat in de menselijke natuur zelfstandig bestaat is een persoon. — Maar het zou ook kunnen betekenen, dat aan de menselijke natuur in Christus een eigen persoonlijkheid toekwam, die door de beginselen der menselijke natuur werd voortgebracht. En zo is Christus als mens geen persoon, omdat de menselijke natuur niet op zichzelf los van de goddelijke natuur bestaat, wat voor het wezen van een persoon nodig is.
R: q. 16 a. 10[t:iiia q. 16 a. 10] q. 16 a. 11[t:iiia q. 16 a. 11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 12 ad 1
1e Weerlegging. Aan iedere mens komt het toe persoon te zijn, in zover alles wat in de menselijke natuur zelfstandig bestaat een persoon is. Maar aan de mens Christus is het eigen, dat de persoon die in Zijn natuur zelfstandig bestaat, niet door de beginselen der menselijke natuur voortgebracht maar eeuwig is. En zo is Hij op een manier als mens wel een persoon en op een andere manier niet, zoals wij zeiden (in de Leerstelling).
1e Weerlegging. Aan iedere mens komt het toe persoon te zijn, in zover alles wat in de menselijke natuur zelfstandig bestaat een persoon is. Maar aan de mens Christus is het eigen, dat de persoon die in Zijn natuur zelfstandig bestaat, niet door de beginselen der menselijke natuur voortgebracht maar eeuwig is. En zo is Hij op een manier als mens wel een persoon en op een andere manier niet, zoals wij zeiden (in de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 12 ad 2
2e Weerlegging. De zelfstandigheid, die een eenling is, die in de omschrijving van de persoon is opgenomen, moet een volledige zelfstandigheid zijn, die gescheiden van anderen op zichzelf bestaat. Anders kon de hand van een mens een persoon worden genoemd, omdat zij zelfstandigheid en een eenling is, maar zij is een eenling en zelfstandigheid, die in iets anders bestaat en daarom geen persoon. En de menselijke natuur in Christus om dezelfde reden evenmin, al kan zij een eenling of enkelvoudig iets worden genoemd.
2e Weerlegging. De zelfstandigheid, die een eenling is, die in de omschrijving van de persoon is opgenomen, moet een volledige zelfstandigheid zijn, die gescheiden van anderen op zichzelf bestaat. Anders kon de hand van een mens een persoon worden genoemd, omdat zij zelfstandigheid en een eenling is, maar zij is een eenling en zelfstandigheid, die in iets anders bestaat en daarom geen persoon. En de menselijke natuur in Christus om dezelfde reden evenmin, al kan zij een eenling of enkelvoudig iets worden genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 16 a. 12 ad 3
3e Weerlegging. Zoals persoon iets volledig en zelfstandig in de redelijke natuur bestaande aangeeft, zo betekenen drager, hypostase en natuurding onder de zelfstandigheden iets op zichzelf bestaande. Zoals nu de menselijke natuur niet op zichzelf buiten de persoon van de Zoon bestaat, is zij ook niet door zichzelf hypostase of drager of natuurding. En daarom moet men in dezelfde zin als de stelling: Christus als mens genomen is een persoon, alle andere stellingen evenzeer ontkennen.
3e Weerlegging. Zoals persoon iets volledig en zelfstandig in de redelijke natuur bestaande aangeeft, zo betekenen drager, hypostase en natuurding onder de zelfstandigheden iets op zichzelf bestaande. Zoals nu de menselijke natuur niet op zichzelf buiten de persoon van de Zoon bestaat, is zij ook niet door zichzelf hypostase of drager of natuurding. En daarom moet men in dezelfde zin als de stelling: Christus als mens genomen is een persoon, alle andere stellingen evenzeer ontkennen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 17: Over de éénheid van Christus wat het zijn betreft
IIIa q. 17 pr.
Vervolgens moeten wij over wat tot de eenheid van Christus in het algemeen genomen behoort spreken. Want op de daarvoor aangewezen plaatsen moet gesproken worden over de eenheid of veelvoudigheid van Christus in bijzondere punten, zoals boven reeds is uitgemaakt, dat er niet maar een wetenschap in Hem is; en later zal worden bewezen, dat er in Hem niet maar een geboorte aangewezen kan worden.
Ten eerste moeten wij dus spreken over de eenheid van Christus in het zijn, vervolgens over die in het willen en ten derde over die in het werken.
Over het eerste punt stellen wij ons twee vragen:
1. Is Christus een of twee zijnden? 2. Is er in Christus maar een zijn?
Vervolgens moeten wij over wat tot de eenheid van Christus in het algemeen genomen behoort spreken. Want op de daarvoor aangewezen plaatsen moet gesproken worden over de eenheid of veelvoudigheid van Christus in bijzondere punten, zoals boven reeds is uitgemaakt, dat er niet maar een wetenschap in Hem is; en later zal worden bewezen, dat er in Hem niet maar een geboorte aangewezen kan worden.
Ten eerste moeten wij dus spreken over de eenheid van Christus in het zijn, vervolgens over die in het willen en ten derde over die in het werken.
Over het eerste punt stellen wij ons twee vragen:
1. Is Christus een of twee zijnden? 2. Is er in Christus maar een zijn?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Utrum Christus sit unum, sed duo
IIIa q. 17 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet een, maar twee zijnden is. Want Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (7e H.): "Omdat de gestalte van God de gestalte van een mens aanneemt, zijn beiden God om de God, die aanneemt en beiden mens om de mens, die aangenomen is". Nu kan men niet van "beiden" spreken als er geen twee zijnden zijn. Dus is Christus twee zijnden.
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet een, maar twee zijnden is. Want Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (7e H.): "Omdat de gestalte van God de gestalte van een mens aanneemt, zijn beiden God om de God, die aanneemt en beiden mens om de mens, die aangenomen is". Nu kan men niet van "beiden" spreken als er geen twee zijnden zijn. Dus is Christus twee zijnden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Waar men van het ene en het andere spreekt, zijn er twee zijnden. Nu is Christus een bepaald zijnde en ook iets anders, omdat Augustinus in het Enchiridion (35° H.) zegt: "Toen Hij de gestalte Gods bezat, nam Hij de gestalte van een mens aan; een is beiden, maar het ene om het Woord en het andere om de mens". Dus is Christus twee zijnden.
Vervolgens. Waar men van het ene en het andere spreekt, zijn er twee zijnden. Nu is Christus een bepaald zijnde en ook iets anders, omdat Augustinus in het Enchiridion (35° H.) zegt: "Toen Hij de gestalte Gods bezat, nam Hij de gestalte van een mens aan; een is beiden, maar het ene om het Woord en het andere om de mens". Dus is Christus twee zijnden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Christus is niet enkel en alleen mens, want als Hij een mens zonder meer was, zou Hij geen God zijn. Dus is Hij iets anders als een mens. Dus is er in Christus het ene en het andere. Dus is Hij twee zijnden.
Vervolgens. Christus is niet enkel en alleen mens, want als Hij een mens zonder meer was, zou Hij geen God zijn. Dus is Hij iets anders als een mens. Dus is er in Christus het ene en het andere. Dus is Hij twee zijnden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Christus is iets, wat de Vader ook is en iets, wat de Vader niet is. Dus is Christus het ene en het andere, en dus twee zijnden.
Vervolgens. Christus is iets, wat de Vader ook is en iets, wat de Vader niet is. Dus is Christus het ene en het andere, en dus twee zijnden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 arg. 5
Vervolgens. Zoals er in het geheim der Drievuldigheid drie personen in een natuur zijn, zijn er in het geheim der menswording twee naturen in een persoon. Om de eenheid in natuur zijn de Vader en de Zoon ondanks het verschil in persoon één volgens Johannes (10, 30): "Ik en de Vader zijn één". Dus is Christus ondanks de eenheid in persoon om de tweevoudigheid der naturen twee zijnden.
B: (John 10:30, John 10:30) [b:John 10:30]
Vervolgens. Zoals er in het geheim der Drievuldigheid drie personen in een natuur zijn, zijn er in het geheim der menswording twee naturen in een persoon. Om de eenheid in natuur zijn de Vader en de Zoon ondanks het verschil in persoon één volgens Johannes (10, 30): "Ik en de Vader zijn één". Dus is Christus ondanks de eenheid in persoon om de tweevoudigheid der naturen twee zijnden.
B: (John 10:30, John 10:30) [b:John 10:30]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 arg. 6
Vervolgens. De Filosoof zegt in het 3e boek Over de Physica (3e H., n. 1), dat een en twee ook in oneigenlijke zijn worden gebruikt. Nu heeft Christus een tweevoudigheid in natuur en is dus twee zijnden.
Vervolgens. De Filosoof zegt in het 3e boek Over de Physica (3e H., n. 1), dat een en twee ook in oneigenlijke zijn worden gebruikt. Nu heeft Christus een tweevoudigheid in natuur en is dus twee zijnden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 arg. 7
Vervolgens. Zoals een bijkomstige vorm iets doet anders zijn, zo maakt een zelfstandigheidsvorm het tot een ander ding, zoals Porphyrius zegt. Nu zijn er in Christus twee zelfstandigheidsnaturen, nl. de goddelijke en de menselijke. Dus is Christus het ene en het andere ding en dus twee zijnden.
Vervolgens. Zoals een bijkomstige vorm iets doet anders zijn, zo maakt een zelfstandigheidsvorm het tot een ander ding, zoals Porphyrius zegt. Nu zijn er in Christus twee zelfstandigheidsnaturen, nl. de goddelijke en de menselijke. Dus is Christus het ene en het andere ding en dus twee zijnden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Boëtius in het boek *Over de Twee Naturen* (4e H.) zegt: "Alles wat is, is in zover het is, iets eens". Nu belijden wij, dat Christus is. Dus is Hij iets eens.
Maar daartegenover staat, dat Boëtius in het boek *Over de Twee Naturen* (4e H.) zegt: "Alles wat is, is in zover het is, iets eens". Nu belijden wij, dat Christus is. Dus is Hij iets eens.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 co.
Mijn antwoord. Duidt men de natuur op zichzelf beschouwd in het abstracte aan, dan kan men behalve bij God, in Wien *Datgene wat* is en *Datgene waardoor Het* is niet verschillen, zoals in het eerste deel (29e Kw., 4e Art., Antw. op de 1e B) is gezegd, de natuur niet zeggen van de drager of persoon. Waar er nu in Christus twee naturen zijn, nl. de goddelijke en de menselijke, kan men een ervan, nl. de goddelijke zowel abstract als concreet van Hem zeggen, want wij zeggen, dat de Zoon Gods, die in de naam Christus wordt aangeduid, de goddelijke natuur en God is. De menselijke natuur op zichzelf beschouwd echter kan niet abstract van Christus worden gezegd, maar alleen concreet, wanneer zij nl. in de drager wordt aangeduid. Want men kan niet zeggen, dat Christus de menselijke natuur is, omdat de menselijke natuur niet geschikt is om van haar drager te worden gezegd; maar men kan wel zeggen, dat Christus mens is, zoals men zegt, dat Hij God is. Nu geeft de term God degene, die de goddelijke, en die van mens degene, die de menselijke natuur bezit aan. Maar hij, die de menselijke natuur bezit, wordt door de term mens anders aangeduid als door de term Jesus of Petrus. De naam mens immers geeft de bezitter der menselijke natuur onbepaald aan, zoals de term God Dien der godheid. Maar de termen Jesus en Petrus geven hem, die de menselijke natuur heeft, zeer bepaald aan, nl. met de bepaalde eigenschappen van een eenling, zoals de term Zoon Gods de bezitter der goddelijke natuur met de bepaalde persoonlijke eigenschap aangeeft. Het getal twee nu wordt bij Christus wat de naturen betreft gebruikt. Zouden dus beide naturen in het abstracte van Christus worden gezegd, dan zou daaruit volgen, dat Christus twee zijnden was. Omdat zij echter van Christus niet worden gezegd tenzij wanneer zij worden aangegeven zoals zij in de drager zijn, moet men van Christus zeggen, dat Hij een of twee is al naar gelang de drager. Nu hebben sommigen in Christus twee dragers, maar een persoon aangenomen, omdat dit laatste naar hun mening een drager was, die de hoogste graad van volmaaktheid had. Omdat zij nu twee dragers aannemen, zeiden zij, dat Christus twee onzijdig genomen was; maar omdat zij een persoon aannamen, noemden zij Hem een mannelijk genomen; omdat het onzijdige iets onge- vormds en onvolmaakts aangeeft, maar het mannelijk geslacht iets gevormds en volmaakts. — De Nestorianen daarentegen, die in Christus niet alleen twee dragers, maar ook twee personen aannemen, noemden Hem niet alleen in het onzijdige, maar ook mannelijk genomen twee zijnden. Omdat wij echter, zoals uit het voorafgaande blijkt, in Christus maar een persoon en ook maar een drager aannemen, volgt eruit, dat wij Christus niet alleen mannelijk, maar ook onzijdig genomen, een zijnde noemen.
R: I q. 29 a. 4 ad 1[t:ia q. 29 a. 4 ad 1]
Mijn antwoord. Duidt men de natuur op zichzelf beschouwd in het abstracte aan, dan kan men behalve bij God, in Wien *Datgene wat* is en *Datgene waardoor Het* is niet verschillen, zoals in het eerste deel (29e Kw., 4e Art., Antw. op de 1e B) is gezegd, de natuur niet zeggen van de drager of persoon. Waar er nu in Christus twee naturen zijn, nl. de goddelijke en de menselijke, kan men een ervan, nl. de goddelijke zowel abstract als concreet van Hem zeggen, want wij zeggen, dat de Zoon Gods, die in de naam Christus wordt aangeduid, de goddelijke natuur en God is. De menselijke natuur op zichzelf beschouwd echter kan niet abstract van Christus worden gezegd, maar alleen concreet, wanneer zij nl. in de drager wordt aangeduid. Want men kan niet zeggen, dat Christus de menselijke natuur is, omdat de menselijke natuur niet geschikt is om van haar drager te worden gezegd; maar men kan wel zeggen, dat Christus mens is, zoals men zegt, dat Hij God is. Nu geeft de term God degene, die de goddelijke, en die van mens degene, die de menselijke natuur bezit aan. Maar hij, die de menselijke natuur bezit, wordt door de term mens anders aangeduid als door de term Jesus of Petrus. De naam mens immers geeft de bezitter der menselijke natuur onbepaald aan, zoals de term God Dien der godheid. Maar de termen Jesus en Petrus geven hem, die de menselijke natuur heeft, zeer bepaald aan, nl. met de bepaalde eigenschappen van een eenling, zoals de term Zoon Gods de bezitter der goddelijke natuur met de bepaalde persoonlijke eigenschap aangeeft. Het getal twee nu wordt bij Christus wat de naturen betreft gebruikt. Zouden dus beide naturen in het abstracte van Christus worden gezegd, dan zou daaruit volgen, dat Christus twee zijnden was. Omdat zij echter van Christus niet worden gezegd tenzij wanneer zij worden aangegeven zoals zij in de drager zijn, moet men van Christus zeggen, dat Hij een of twee is al naar gelang de drager. Nu hebben sommigen in Christus twee dragers, maar een persoon aangenomen, omdat dit laatste naar hun mening een drager was, die de hoogste graad van volmaaktheid had. Omdat zij nu twee dragers aannemen, zeiden zij, dat Christus twee onzijdig genomen was; maar omdat zij een persoon aannamen, noemden zij Hem een mannelijk genomen; omdat het onzijdige iets onge- vormds en onvolmaakts aangeeft, maar het mannelijk geslacht iets gevormds en volmaakts. — De Nestorianen daarentegen, die in Christus niet alleen twee dragers, maar ook twee personen aannemen, noemden Hem niet alleen in het onzijdige, maar ook mannelijk genomen twee zijnden. Omdat wij echter, zoals uit het voorafgaande blijkt, in Christus maar een persoon en ook maar een drager aannemen, volgt eruit, dat wij Christus niet alleen mannelijk, maar ook onzijdig genomen, een zijnde noemen.
R: I q. 29 a. 4 ad 1[t:ia q. 29 a. 4 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Dit gezegde van Augustinus moet men niet zo verstaan, dat dit beiden in verband staat met het gezegde, alsof hij zei, dat "Christus beiden was", maar het behoort bij het onderwerp. En dan wordt de term beiden gebruikt niet voor twee dragers, maar voor twee termen, die in het concreet een natuur aanduiden. Want ik kan zeggen, dat beiden, namelijk God en mens, God zijn om de God, die aanneemt, en beiden, namelijk God en mens, mens zijn om de mens, die aangenomen wordt.
1e Weerlegging. Dit gezegde van Augustinus moet men niet zo verstaan, dat dit beiden in verband staat met het gezegde, alsof hij zei, dat "Christus beiden was", maar het behoort bij het onderwerp. En dan wordt de term beiden gebruikt niet voor twee dragers, maar voor twee termen, die in het concreet een natuur aanduiden. Want ik kan zeggen, dat beiden, namelijk God en mens, God zijn om de God, die aanneemt, en beiden, namelijk God en mens, mens zijn om de mens, die aangenomen wordt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Als men zegt, dat Christus het ene en het andere is, dan moet men deze uitdrukking zo uitleggen, dat zij betekent: is iemand, die de ene en de andere natuur bezit. Zo legt Augustinus in het boek Tegen Felicianus (11e H.) het uit, waar hij als hij zegt: "In de bemiddelaar tussen God en de mensen is het Zoon Gods en het andere mensenzoon", daarop laat volgen: "Ik sprak van "het ene" om het verschil in zelfstandigheid, niet van "de ene" om een persoonsverschil". En Gregorius van Nazianze zegt in de Brief aan Chelidonius (101e Br.): "Moeten wij het kort zeggen, dan zijn de elementen, waaruit onze Verlosser bestaat, iets anders, omdat het onzichtbare nl. niet hetzelfde is als het zichtbare, en dat wat buiten de tijd ligt als datgene wat door de tijd wordt bepaald. Maar geen verschillende personen, dat zij verre. Want beiden zijn een".
2e Weerlegging. Als men zegt, dat Christus het ene en het andere is, dan moet men deze uitdrukking zo uitleggen, dat zij betekent: is iemand, die de ene en de andere natuur bezit. Zo legt Augustinus in het boek Tegen Felicianus (11e H.) het uit, waar hij als hij zegt: "In de bemiddelaar tussen God en de mensen is het Zoon Gods en het andere mensenzoon", daarop laat volgen: "Ik sprak van "het ene" om het verschil in zelfstandigheid, niet van "de ene" om een persoonsverschil". En Gregorius van Nazianze zegt in de Brief aan Chelidonius (101e Br.): "Moeten wij het kort zeggen, dan zijn de elementen, waaruit onze Verlosser bestaat, iets anders, omdat het onzichtbare nl. niet hetzelfde is als het zichtbare, en dat wat buiten de tijd ligt als datgene wat door de tijd wordt bepaald. Maar geen verschillende personen, dat zij verre. Want beiden zijn een".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. De bewering: Christus is enkel mens, is onwaar, omdat zij niet een andere drager, maar een andere natuur ontkent, daar als gezegde gebruikte termen formeel genomen moeten worden. Werd er echter iets bijgevoegd, waardoor het op de drager ging slaan, dan zou het een goede uitdrukking zijn, bv.: Christus is alleen datgene, wat een mens is. Daaruit zou niet volgen, dat Hij iets anders als een mens was, omdat de term iets anders, die een andere zelfstandigheid aanduidt, eigenlijk slaat op de drager, evenals alle verhoudingstermen, die een verhouding tussen personen aangeven. Er zou dus uit volgen: "Dus heeft Hij een andere natuur".
3e Weerlegging. De bewering: Christus is enkel mens, is onwaar, omdat zij niet een andere drager, maar een andere natuur ontkent, daar als gezegde gebruikte termen formeel genomen moeten worden. Werd er echter iets bijgevoegd, waardoor het op de drager ging slaan, dan zou het een goede uitdrukking zijn, bv.: Christus is alleen datgene, wat een mens is. Daaruit zou niet volgen, dat Hij iets anders als een mens was, omdat de term iets anders, die een andere zelfstandigheid aanduidt, eigenlijk slaat op de drager, evenals alle verhoudingstermen, die een verhouding tussen personen aangeven. Er zou dus uit volgen: "Dus heeft Hij een andere natuur".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Als gezegd wordt, dat "Christus iets is, dat de Vader is", dan slaat dit iets op de goddelijke natuur, die ook abstract van de Vader en de Zoon wordt gezegd. Zegt men echter: Christus is iets, dat de Vader niet is, dan slaat dit iets op de menselijke natuur, niet abstract, maar concreet aangegeven; en niet naar een bepaalde, maar naar een onbepaalde drager, in zover deze de natuur draagt, maar zonder de eigenschappen, die er een eenling van maken. Daarom volgt er niet uit, dat Christus het ene en het andere is of dat Hij twee zijnden is; omdat de drager van de menselijke natuur in Christus, die de persoon van Gods Zoon is, geen veelvoudigheid geeft te samen met de goddelijke natuur, die van de Vader en de Zoon wordt gezegd.
4e Weerlegging. Als gezegd wordt, dat "Christus iets is, dat de Vader is", dan slaat dit iets op de goddelijke natuur, die ook abstract van de Vader en de Zoon wordt gezegd. Zegt men echter: Christus is iets, dat de Vader niet is, dan slaat dit iets op de menselijke natuur, niet abstract, maar concreet aangegeven; en niet naar een bepaalde, maar naar een onbepaalde drager, in zover deze de natuur draagt, maar zonder de eigenschappen, die er een eenling van maken. Daarom volgt er niet uit, dat Christus het ene en het andere is of dat Hij twee zijnden is; omdat de drager van de menselijke natuur in Christus, die de persoon van Gods Zoon is, geen veelvoudigheid geeft te samen met de goddelijke natuur, die van de Vader en de Zoon wordt gezegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 ad 5
Ad quintum In het geheim der Drievuldigheid wordt de goddelijke natuur abstract van de drie personen gezegd, en daarom kan men zonder voorbehoud zeggen, dat de drie personen een zijn. Maar bij het geheim der menswording worden de twee naturen niet abstract van Christus gezegd, en daarom kan men niet zonder voorbehoud zeggen, dat Christus twee is.
Ad quintum In het geheim der Drievuldigheid wordt de goddelijke natuur abstract van de drie personen gezegd, en daarom kan men zonder voorbehoud zeggen, dat de drie personen een zijn. Maar bij het geheim der menswording worden de twee naturen niet abstract van Christus gezegd, en daarom kan men niet zonder voorbehoud zeggen, dat Christus twee is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 ad 6
Ad sextum Men spreekt van twee als van iemand, die twee dingen heeft, niet in een ander, maar in hem zelf, waarvan twee dingen worden gezegd. Nu wordt iets gezegd van de drager, die in de naam Christus wordt aangeduid. Al heeft Christus dus een dubbele natuur, toch kan men niet zeggen, dat Hij twee is, omdat Hij geen dubbele drager is.
Ad sextum Men spreekt van twee als van iemand, die twee dingen heeft, niet in een ander, maar in hem zelf, waarvan twee dingen worden gezegd. Nu wordt iets gezegd van de drager, die in de naam Christus wordt aangeduid. Al heeft Christus dus een dubbele natuur, toch kan men niet zeggen, dat Hij twee is, omdat Hij geen dubbele drager is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 1 ad 7
Ad septimum Iets dat anders is betekent een verschil in een bijkomstigheid en daarom is een verschil in een bijkomstigheid voldoende om iets zonder voorbehoud anders te laten noemen. Maar iets anders geeft een verschil in zelfstandigheid aan, en zelfstandigheid geeft niet alleen de natuur, maar ook de drager aan, zoals in het 5e boek Over de Metaphysiek wordt gezegd. Daarom is een verschil in natuur niet voldoende om iets zonder voorbehoud iets anders te noemen, als het verschil in drager er niet is. Verschil in natuur maakt iets onder zeker opzicht anders, namelijk in natuur, als er geen verschil in drager is.
Ad septimum Iets dat anders is betekent een verschil in een bijkomstigheid en daarom is een verschil in een bijkomstigheid voldoende om iets zonder voorbehoud anders te laten noemen. Maar iets anders geeft een verschil in zelfstandigheid aan, en zelfstandigheid geeft niet alleen de natuur, maar ook de drager aan, zoals in het 5e boek Over de Metaphysiek wordt gezegd. Daarom is een verschil in natuur niet voldoende om iets zonder voorbehoud iets anders te noemen, als het verschil in drager er niet is. Verschil in natuur maakt iets onder zeker opzicht anders, namelijk in natuur, als er geen verschil in drager is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is er in Christus maar een zijn?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 19 a. 1 arg. 4[t:iiia q. 19 a. 1 arg. 4]
IIIa q. 17 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat er in Christus niet slechts een, maar een dubbel zijn gevonden wordt. Want Damascenus zegt in het 3e boek (*Over het Ware Geloof*, 13e H.), dat wat de natuur volgt, in Christus dubbel is. Nu volgt het zijn de natuur, omdat het zijn van de vorm komt. Dus is er in Christus een dubbel zijn.
IIIa q. 19 a. 1 arg. 4[t:iiia q. 19 a. 1 arg. 4]
IIIa q. 17 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat er in Christus niet slechts een, maar een dubbel zijn gevonden wordt. Want Damascenus zegt in het 3e boek (*Over het Ware Geloof*, 13e H.), dat wat de natuur volgt, in Christus dubbel is. Nu volgt het zijn de natuur, omdat het zijn van de vorm komt. Dus is er in Christus een dubbel zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Het zijn van Gods Zoon is de goddelijke natuur zelf en eeuwig. Het zijn echter van de mens Christus is de goddelijke natuur niet, en is in de tijd. Dus is er in Christus niet maar een zijn.
Vervolgens. Het zijn van Gods Zoon is de goddelijke natuur zelf en eeuwig. Het zijn echter van de mens Christus is de goddelijke natuur niet, en is in de tijd. Dus is er in Christus niet maar een zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Al zijn er drie personen in de Drievuldigheid, toch is er maar één zijn om de eenheid in natuur. Nu zijn er in Christus twee naturen, al is er maar één persoon. Dus is er in Hem niet maar één, doch een dubbel zijn.
Vervolgens. Al zijn er drie personen in de Drievuldigheid, toch is er maar één zijn om de eenheid in natuur. Nu zijn er in Christus twee naturen, al is er maar één persoon. Dus is er in Hem niet maar één, doch een dubbel zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 2 arg. 4
Vervolgens. In Christus geeft de ziel een zijn aan het lichaam, omdat zij zijn vorm is. Het goddelijke zijn geeft zij niet, omdat het ongeschaPen is. Dus is er in Hem behalve het goddelijke nog een ander zijn, en is er niet maar een zijn in Hem.
Vervolgens. In Christus geeft de ziel een zijn aan het lichaam, omdat zij zijn vorm is. Het goddelijke zijn geeft zij niet, omdat het ongeschaPen is. Dus is er in Hem behalve het goddelijke nog een ander zijn, en is er niet maar een zijn in Hem.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat alles, in zover het een zijnde wordt genoemd, ook een wordt genoemd, omdat zijnde en een omkeerbaar zijn. Als er dus in Christus twee zijnden waren, en niet maar een, zouden Christus twee en niet een zijnde zijn.
Maar daartegenover staat, dat alles, in zover het een zijnde wordt genoemd, ook een wordt genoemd, omdat zijnde en een omkeerbaar zijn. Als er dus in Christus twee zijnden waren, en niet maar een, zouden Christus twee en niet een zijnde zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 2 co.
Mijn antwoord. Omdat er in Christus twee naturen en een hypostase zijn, moet wat bij de naturen hoort in Christus dubbel en wat bij de persoon behoort in Hem maar enkel zijn. Nu behoort het zijn tot de natuur en tot de hypostase, namelijk tot de hypostase als tot datgene, wat het zijn heeft en tot de natuur als tot datgene, waardoor iets het zijn heeft; omdat de natuur als een vorm wordt aangeduid, die een zijnde wordt genoemd, omdat er door haar iets is, zoals door de witheid iets wit en door de mensheid iets een mens is. Nu moet men er rekening mee houden, dat als er een vorm of natuur is, die niet tot het persoonlijke zijn van de zelfstandig bestaande hypostase behoort, dit zijn niet zonder voorbehoud het zijn van die persoon wordt genoemd, maar in zeker opzicht, zoals het wit zijn een zijn van Socrates is, niet in zover hij Socrates is, maar in zover hij wit is. En er is niets tegen, dat zulke dingen in het meervoud voorkomen in een hypostase of persoon, want het zijn, waardoor Socrates wit is, is een ander dan dat waardoor hij musicaal is. Maar het zijn, dat om zichzelf tot de hypostase of persoon zelf behoort, kan in een hypostase of persoon niet meervoudig zijn, omdat er van een ding niet meer dan een zijn mogelijk is. Kwam dus de menselijke natuur aan Gods Zoon niet hypostatisch of persoonlijk, maar als een bijkomstigheid toe, gelijk sommigen beweerden, dan zou men een dubbel zijn in Hem moeten aannemen, een in zover Hij God is en een ander in zover Hij mens is. Evenzo neemt men in Socrates een zijn aan, waardoor hij wit en een ander, waardoor hij mens is aan; want wit zijn behoort niet tot het persoonlijke zijn van Socrates. Maar in het bezit van een hoofd of een lichaam of een ziel zijn, dat alles behoort tot de ene persoon van Socrates, en daarom ontstaat uit al die dingen in Socrates maar een zijn. En zou Socrates, nadat zijn persoon gevormd was, handen of voeten of ogen erbij krijgen, zoals bij de blindgeborene is geschied, dan zou hij er daardoor geen ander zijn bijkrijgen, maar alleen een verhouding tot dergelijke dingen, omdat er namelijk niet alleen zou gezegd worden, dat hij er was wat de dingen die hij eerst had, maar ook wat de dingen die er naderhand bijkwamen betreft. Daar dus zoals boven gezegd is (2e Kw., 6e Art.) de menselijke natuur hypostatisch of in persoon met Gods Zoon verenigd is en niet bijkomstig, volgt er uit dat Hij er naar de menselijke natuur geen nieuw persoonlijk zijn bij kreeg, maar alleen een nieuwe verhouding van het reeds bestaande persoonlijke zijn tot de menselijke natuur, zodat men namelijk van die Persoon niet al zegt, dat zij naar de goddelijke, maar ook naar de menselijke natuur is.
R: q. 2 a. 5[t:iiia q. 2 a. 5] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6]
Mijn antwoord. Omdat er in Christus twee naturen en een hypostase zijn, moet wat bij de naturen hoort in Christus dubbel en wat bij de persoon behoort in Hem maar enkel zijn. Nu behoort het zijn tot de natuur en tot de hypostase, namelijk tot de hypostase als tot datgene, wat het zijn heeft en tot de natuur als tot datgene, waardoor iets het zijn heeft; omdat de natuur als een vorm wordt aangeduid, die een zijnde wordt genoemd, omdat er door haar iets is, zoals door de witheid iets wit en door de mensheid iets een mens is. Nu moet men er rekening mee houden, dat als er een vorm of natuur is, die niet tot het persoonlijke zijn van de zelfstandig bestaande hypostase behoort, dit zijn niet zonder voorbehoud het zijn van die persoon wordt genoemd, maar in zeker opzicht, zoals het wit zijn een zijn van Socrates is, niet in zover hij Socrates is, maar in zover hij wit is. En er is niets tegen, dat zulke dingen in het meervoud voorkomen in een hypostase of persoon, want het zijn, waardoor Socrates wit is, is een ander dan dat waardoor hij musicaal is. Maar het zijn, dat om zichzelf tot de hypostase of persoon zelf behoort, kan in een hypostase of persoon niet meervoudig zijn, omdat er van een ding niet meer dan een zijn mogelijk is. Kwam dus de menselijke natuur aan Gods Zoon niet hypostatisch of persoonlijk, maar als een bijkomstigheid toe, gelijk sommigen beweerden, dan zou men een dubbel zijn in Hem moeten aannemen, een in zover Hij God is en een ander in zover Hij mens is. Evenzo neemt men in Socrates een zijn aan, waardoor hij wit en een ander, waardoor hij mens is aan; want wit zijn behoort niet tot het persoonlijke zijn van Socrates. Maar in het bezit van een hoofd of een lichaam of een ziel zijn, dat alles behoort tot de ene persoon van Socrates, en daarom ontstaat uit al die dingen in Socrates maar een zijn. En zou Socrates, nadat zijn persoon gevormd was, handen of voeten of ogen erbij krijgen, zoals bij de blindgeborene is geschied, dan zou hij er daardoor geen ander zijn bijkrijgen, maar alleen een verhouding tot dergelijke dingen, omdat er namelijk niet alleen zou gezegd worden, dat hij er was wat de dingen die hij eerst had, maar ook wat de dingen die er naderhand bijkwamen betreft. Daar dus zoals boven gezegd is (2e Kw., 6e Art.) de menselijke natuur hypostatisch of in persoon met Gods Zoon verenigd is en niet bijkomstig, volgt er uit dat Hij er naar de menselijke natuur geen nieuw persoonlijk zijn bij kreeg, maar alleen een nieuwe verhouding van het reeds bestaande persoonlijke zijn tot de menselijke natuur, zodat men namelijk van die Persoon niet al zegt, dat zij naar de goddelijke, maar ook naar de menselijke natuur is.
R: q. 2 a. 5[t:iiia q. 2 a. 5] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Het zijn volgens de natuur niet als datgene, wat het zijn heeft, maar waardoor iets het zijn heeft; het volgt echter de persoon of hypostase als datgene, wat het zijn heeft. En daarom behoudt het krachtens de eenheid der hypostase meer de eenheid dan een tweevoudigheid krachtens de dubbele natuur.
1e Weerlegging. Het zijn volgens de natuur niet als datgene, wat het zijn heeft, maar waardoor iets het zijn heeft; het volgt echter de persoon of hypostase als datgene, wat het zijn heeft. En daarom behoudt het krachtens de eenheid der hypostase meer de eenheid dan een tweevoudigheid krachtens de dubbele natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Het eeuwige zijn van Gods Zoon, dat de goddelijke natuur is, wordt het zijn van de mens, in zover de menselijke natuur door Gods Zoon in de eenheid van persoon opgenomen wordt.
2e Weerlegging. Het eeuwige zijn van Gods Zoon, dat de goddelijke natuur is, wordt het zijn van de mens, in zover de menselijke natuur door Gods Zoon in de eenheid van persoon opgenomen wordt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Omdat, zoals in het eerste deel (50° Kw., 2° Art., Antw. op de 3° B; 75° Kw., 5° Art., Antw. op de 4° B.) is gezegd, de goddelijke persoon hetzelfde is als de natuur, is het persoonlijke zijn bij de goddelijke personen niets anders als het zijn der natuur; en daarom hebben de drie personen maar één zijn. Was er in hen verschil tussen zijn van persoon en natuur, dan hadden Zij een drievoudig zijn.
R: I q. 50 a. 2 ad 3[t:ia q. 50 a. 2 ad 3] q. 75 a. 5 ad 4[t:iiia q. 75 a. 5 ad 4]
3e Weerlegging. Omdat, zoals in het eerste deel (50° Kw., 2° Art., Antw. op de 3° B; 75° Kw., 5° Art., Antw. op de 4° B.) is gezegd, de goddelijke persoon hetzelfde is als de natuur, is het persoonlijke zijn bij de goddelijke personen niets anders als het zijn der natuur; en daarom hebben de drie personen maar één zijn. Was er in hen verschil tussen zijn van persoon en natuur, dan hadden Zij een drievoudig zijn.
R: I q. 50 a. 2 ad 3[t:ia q. 50 a. 2 ad 3] q. 75 a. 5 ad 4[t:iiia q. 75 a. 5 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 17 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. Christus’ ziel geeft aan het lichaam het zijn in zover zij het actueel bezield maakt; en dat betekent er de vervolmaking van natuur en soort aan geven. Beschouwen wij echter het door de ziel vervolmaakte lichaam zonder de hypostase, die hen beiden bezit, dan duiden wij dit uit lichaam en ziel samengestelde geheel, als wij het de naam mensheid geven, niet aan als datgene wat is, maar als datgene waardoor iets is. Daarom komt het zijn zelf toe aan de zelfstandig bestaande persoon, in zover deze een verhouding tot die natuur heeft; en de oorzaak van deze verhouding is de ziel, in zover zij door het lichaam te informeren de menselijke natuur vervolmaakt.
4e Weerlegging. Christus’ ziel geeft aan het lichaam het zijn in zover zij het actueel bezield maakt; en dat betekent er de vervolmaking van natuur en soort aan geven. Beschouwen wij echter het door de ziel vervolmaakte lichaam zonder de hypostase, die hen beiden bezit, dan duiden wij dit uit lichaam en ziel samengestelde geheel, als wij het de naam mensheid geven, niet aan als datgene wat is, maar als datgene waardoor iets is. Daarom komt het zijn zelf toe aan de zelfstandig bestaande persoon, in zover deze een verhouding tot die natuur heeft; en de oorzaak van deze verhouding is de ziel, in zover zij door het lichaam te informeren de menselijke natuur vervolmaakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 18: Over Christus’ eenheid wat de wil betreft
IIIa q. 18 pr.
Vervolgens moeten wij spreken over de eenheid wat de wil betreft. En hierover stellen wij ons zes vragen:
1. Was er in Christus een goddelijke en een daarvan onderscheiden menselijke wil?
2. Is er in Christus’ menselijke natuur een zinnelijke wil en een daarvan onderscheiden redelijke?
3. Waren er in Christus, gerekend van de kant van het verstand, meerdere willen?
4. Bestond er vrije wilsbeschikking in Christus?
5. Was Christus’ menselijke wil in wat hij wilde geheel en al gelijkvormig aan de goddelijke?
6. Bestond er in Christus tegenstrijdigheid tussen de willen?
Vervolgens moeten wij spreken over de eenheid wat de wil betreft. En hierover stellen wij ons zes vragen:
1. Was er in Christus een goddelijke en een daarvan onderscheiden menselijke wil?
2. Is er in Christus’ menselijke natuur een zinnelijke wil en een daarvan onderscheiden redelijke?
3. Waren er in Christus, gerekend van de kant van het verstand, meerdere willen?
4. Bestond er vrije wilsbeschikking in Christus?
5. Was Christus’ menselijke wil in wat hij wilde geheel en al gelijkvormig aan de goddelijke?
6. Bestond er in Christus tegenstrijdigheid tussen de willen?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Waren er in Christus twee willen, een goddelijke en een menselijke?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 18 a. 2 arg. 3
IIIa q. 19 a. 1 co.[t:iiia q. 18 a. 2 arg. 3][t:iiia q. 19 a. 1 co.]
IIIa q. 18 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen twee willen, een goddelijke en een menselijke, waren. Want in iedereen die iets wil, is de wil het eerste beginsel, dat beweegt en gebiedt. Nu was het eerste wat in Christus bewoog en gebood de goddelijke wil, want al het menselijke in Hem werd volgens de goddelijke wil bewogen. Dus schijnt er in Christus maar een wil te zijn geweest, namelijk de goddelijke.
IIIa q. 18 a. 2 arg. 3
IIIa q. 19 a. 1 co.[t:iiia q. 18 a. 2 arg. 3][t:iiia q. 19 a. 1 co.]
IIIa q. 18 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen twee willen, een goddelijke en een menselijke, waren. Want in iedereen die iets wil, is de wil het eerste beginsel, dat beweegt en gebiedt. Nu was het eerste wat in Christus bewoog en gebood de goddelijke wil, want al het menselijke in Hem werd volgens de goddelijke wil bewogen. Dus schijnt er in Christus maar een wil te zijn geweest, namelijk de goddelijke.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Een werktuig wordt niet door een eigen wil bewogen, maar door die van wat het beweegt. Nu was de menselijke natuur in Christus het werktuig van Zijn godheid. Dus werd die menselijke natuur niet door een eigen, maar door de goddelijke wil bewogen.
Vervolgens. Een werktuig wordt niet door een eigen wil bewogen, maar door die van wat het beweegt. Nu was de menselijke natuur in Christus het werktuig van Zijn godheid. Dus werd die menselijke natuur niet door een eigen, maar door de goddelijke wil bewogen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Alleen wat tot de natuur behoort, was in Christus dubbel aanwezig. De wil schijnt echter niet tot de natuur te behoren, want wat van de natuur komt, gebeurt uit noodzakelijkheid, maar wat uit de wil voortspruit, is niet iets noodzakelijks. Dus was er maar een wil in Christus.
Vervolgens. Alleen wat tot de natuur behoort, was in Christus dubbel aanwezig. De wil schijnt echter niet tot de natuur te behoren, want wat van de natuur komt, gebeurt uit noodzakelijkheid, maar wat uit de wil voortspruit, is niet iets noodzakelijks. Dus was er maar een wil in Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 14e H.), dat "een bepaald soort van wil niet van de natuur is, maar van ons, (nl. ons persoonlijk) verstand". Nu is iedere willen van een bepaald soort, want niets behoort in een klasse thuis, wat niet onder een daartoe behorende soort valt. Dus behoort elk willen tot de persoon. Nu was en is er in Christus maar een persoon. Dus is er in Christus maar een wil.
Vervolgens. Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 14e H.), dat "een bepaald soort van wil niet van de natuur is, maar van ons, (nl. ons persoonlijk) verstand". Nu is iedere willen van een bepaald soort, want niets behoort in een klasse thuis, wat niet onder een daartoe behorende soort valt. Dus behoort elk willen tot de persoon. Nu was en is er in Christus maar een persoon. Dus is er in Christus maar een wil.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de Heer bij Lucas (22, 42) zegt: "Vader, indien het Uw wil is, neem dezen kelk van Mij weg. Neen, niet mijn wil geschiede, maar de uwe". Ambrosius nu haalt dit in het boek Aan Keizer Gratianus (Over het Geloof, aan Gratianus, 2e B., 7e H.) aan en zegt: "Zoals Hij mijn wil aannam, nam Hij mijn droefheid op Zich". En in de Commentaar op Lucas zegt hij: "Wat Hij zijn eigen wil noemde, bracht Hij tot de mensheid terug, maar die van de Vader tot de godheid. Want de wil van de mens is in de tijd, maar die van de godheid is eeuwig".
B: (Luke 22:42) [b:Luke 22:42] (Luke 22:42) [b:Luke 22:42]
Maar daartegenover staat, dat de Heer bij Lucas (22, 42) zegt: "Vader, indien het Uw wil is, neem dezen kelk van Mij weg. Neen, niet mijn wil geschiede, maar de uwe". Ambrosius nu haalt dit in het boek Aan Keizer Gratianus (Over het Geloof, aan Gratianus, 2e B., 7e H.) aan en zegt: "Zoals Hij mijn wil aannam, nam Hij mijn droefheid op Zich". En in de Commentaar op Lucas zegt hij: "Wat Hij zijn eigen wil noemde, bracht Hij tot de mensheid terug, maar die van de Vader tot de godheid. Want de wil van de mens is in de tijd, maar die van de godheid is eeuwig".
B: (Luke 22:42) [b:Luke 22:42] (Luke 22:42) [b:Luke 22:42]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 1 co.
Mijn antwoord. Sommigen namen in Christus maar één wil aan, maar zij schijnen op verschillende manieren tot die stelling gekomen te zijn. Want Apollinaris nam in Christus geen redelijke ziel aan, maar beweerde, dat het Woord de plaats der ziel of wel die van het verstand innam. En daar "de wil in het verstand zit", zoals de Filosoof in het 3e boek Over de Ziel (9e H., n. 3) zegt, volgde hieruit, dat er in Christus geen menselijke wil was; en zo was er in Hem maar één wil. — Evenzo waren Eutyches en al degenen, die een samengestelde natuur in Christus aannamen, gedwongen één wil in Hem aan te nemen. Ook Nestorius, die hield, dat de vereniging tussen God en mens in wil en gevoelens plaats greep, nam een wil in Christus aan. Later echter beweerden Macarius de Patriarch van Antiochië en Cyrus van Alexandrië en Sergius van Constantinopel en sommigen van hun aanhangers, dat er een wil in Christus was, al namen zij twee in hypostase verenigde naturen in Christus aan; zij meenden nl. dat Christus' menselijke natuur nooit door een eigen beweging werd bewogen, maar alleen omdat zij door de godheid bewogen werd, zoals uit de synodale brief van Paus Agatho blijkt. — En in de zesde te Constantinopel gehouden Kerkvergadering is vastgesteld, dat men bij Christus van het bestaan van twee willen moest spreken want daar leest men dit: "Volgens hetgeen vroeger de Profeten en daarna Hij Zelf ons leerden en de Geloofsbelijdenis der Heilige Vaders ons overleverde, leren wij, dat er in Hem van nature twee willen en twee werkzaamheden zijn". En zo moest men spreken. Want, zoals boven werd aangetoond, is het duidelijk, dat Gods Zoon een volmaakte menselijke natuur aannam. Nu behoort de wil tot de volmaaktheid der menselijke natuur zoals boven (4° Kw., 2° Art., 2° B., 5° Kw. en 9° Kw., 1° Art.) werd aangetoond, omdat hij evenals het verstand een natuurlijk vermogen ervan is, zoals blijkt uit wat in het eerste deel (75° Kw., 2° Art., Antw. op 2° B., 80° Kw., 2° Art.) daarover is gezegd. Daarom is het noodzakelijk te zeggen, dat Gods Zoon in de menselijke natuur een menselijke wil aannam. Nu verloor Gods Zoon door het aannemen der menselijke natuur niets van wat tot de goddelijke natuur behoort, waaraan het toekomt een wil te hebben, zoals in het eerste deel (19° Kw., 1° Art.) is behandeld. Daarom moet men zeggen, dat er twee willen in Christus zijn, nl. een goddelijke en een menselijke.
B: (Acts 4) [b:Acts 4]
R: q. 5[t:iiia q. 5] q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1] q. 79[t:iiia q. 79] I q. 19 a. 1[t:ia q. 19 a. 1]
Mijn antwoord. Sommigen namen in Christus maar één wil aan, maar zij schijnen op verschillende manieren tot die stelling gekomen te zijn. Want Apollinaris nam in Christus geen redelijke ziel aan, maar beweerde, dat het Woord de plaats der ziel of wel die van het verstand innam. En daar "de wil in het verstand zit", zoals de Filosoof in het 3e boek Over de Ziel (9e H., n. 3) zegt, volgde hieruit, dat er in Christus geen menselijke wil was; en zo was er in Hem maar één wil. — Evenzo waren Eutyches en al degenen, die een samengestelde natuur in Christus aannamen, gedwongen één wil in Hem aan te nemen. Ook Nestorius, die hield, dat de vereniging tussen God en mens in wil en gevoelens plaats greep, nam een wil in Christus aan. Later echter beweerden Macarius de Patriarch van Antiochië en Cyrus van Alexandrië en Sergius van Constantinopel en sommigen van hun aanhangers, dat er een wil in Christus was, al namen zij twee in hypostase verenigde naturen in Christus aan; zij meenden nl. dat Christus' menselijke natuur nooit door een eigen beweging werd bewogen, maar alleen omdat zij door de godheid bewogen werd, zoals uit de synodale brief van Paus Agatho blijkt. — En in de zesde te Constantinopel gehouden Kerkvergadering is vastgesteld, dat men bij Christus van het bestaan van twee willen moest spreken want daar leest men dit: "Volgens hetgeen vroeger de Profeten en daarna Hij Zelf ons leerden en de Geloofsbelijdenis der Heilige Vaders ons overleverde, leren wij, dat er in Hem van nature twee willen en twee werkzaamheden zijn". En zo moest men spreken. Want, zoals boven werd aangetoond, is het duidelijk, dat Gods Zoon een volmaakte menselijke natuur aannam. Nu behoort de wil tot de volmaaktheid der menselijke natuur zoals boven (4° Kw., 2° Art., 2° B., 5° Kw. en 9° Kw., 1° Art.) werd aangetoond, omdat hij evenals het verstand een natuurlijk vermogen ervan is, zoals blijkt uit wat in het eerste deel (75° Kw., 2° Art., Antw. op 2° B., 80° Kw., 2° Art.) daarover is gezegd. Daarom is het noodzakelijk te zeggen, dat Gods Zoon in de menselijke natuur een menselijke wil aannam. Nu verloor Gods Zoon door het aannemen der menselijke natuur niets van wat tot de goddelijke natuur behoort, waaraan het toekomt een wil te hebben, zoals in het eerste deel (19° Kw., 1° Art.) is behandeld. Daarom moet men zeggen, dat er twee willen in Christus zijn, nl. een goddelijke en een menselijke.
B: (Acts 4) [b:Acts 4]
R: q. 5[t:iiia q. 5] q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1] q. 79[t:iiia q. 79] I q. 19 a. 1[t:ia q. 19 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Alles wat er in Christus' menselijke natuur was, werd door de beslissing van de goddelijke wil bewogen; maar hieruit volgt niet, dat de eigen wilsbeweging der menselijke natuur niet in Christus aanwezig was. Want de godvruchtige wil van andere heiligen beweegt zich ook volgens de goddelijke wil, "die in hen zowel het willen als het uitvoeren bewerkt", zoals in de Brief aan de Philippensen (2, 13) wordt gezegd. Want al kan de wil door geen schepsel van binnen uit bewogen worden, toch wordt hij innerlijk door God bewogen, zoals in het eerste deel (105° Kw., 4° Art., 106° Kw., 2° Art., 111° Kw., 2° Art.) is uiteengezet. En zo volgde ook Christus naar Zijn menselijke wil de goddelijke, naar het Psalmwoord (Ps. 39, 9): "Dat ik Uw wil, mijn God zou volbrengen, wilde ik". Daarom zegt Augustinus in het boek Tegen Maximinus (2° B., 20° H.): "Als de Zoon tot de Vader zegt: "Niet wat ik wil, maar wat Gij wilt", wat heeft het dan voor nut uw woorden eraan toe te voegen en te zeggen: "Waarlijk toonde Hij dat Zijn wil aan Zijn Vader onderworpen was", alsof wij ontkenden, dat de wil van een mens aan Gods wil onderworpen moest zijn?"
R: I q. 105 a. 4[t:ia q. 105 a. 4]
1e Weerlegging. Alles wat er in Christus' menselijke natuur was, werd door de beslissing van de goddelijke wil bewogen; maar hieruit volgt niet, dat de eigen wilsbeweging der menselijke natuur niet in Christus aanwezig was. Want de godvruchtige wil van andere heiligen beweegt zich ook volgens de goddelijke wil, "die in hen zowel het willen als het uitvoeren bewerkt", zoals in de Brief aan de Philippensen (2, 13) wordt gezegd. Want al kan de wil door geen schepsel van binnen uit bewogen worden, toch wordt hij innerlijk door God bewogen, zoals in het eerste deel (105° Kw., 4° Art., 106° Kw., 2° Art., 111° Kw., 2° Art.) is uiteengezet. En zo volgde ook Christus naar Zijn menselijke wil de goddelijke, naar het Psalmwoord (Ps. 39, 9): "Dat ik Uw wil, mijn God zou volbrengen, wilde ik". Daarom zegt Augustinus in het boek Tegen Maximinus (2° B., 20° H.): "Als de Zoon tot de Vader zegt: "Niet wat ik wil, maar wat Gij wilt", wat heeft het dan voor nut uw woorden eraan toe te voegen en te zeggen: "Waarlijk toonde Hij dat Zijn wil aan Zijn Vader onderworpen was", alsof wij ontkenden, dat de wil van een mens aan Gods wil onderworpen moest zijn?"
R: I q. 105 a. 4[t:ia q. 105 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Aan een werktuig is het eigen door de voornaamste werk-oorzaak bewogen te worden, maar op verschillende wijzen naar de eigenaardigheden van zijn natuur. Want een onbezield werktuig als een zaag of een bijl wordt door de werkman enkel door een lichamelijke beweging bewogen, maar een bezield werktuig met een zintuigelijke ziel wordt door het zintuigelijke streefvermogen bewogen zoals een paard door zijn berijder. Is echter een werktuig door een redelijke ziel bezield, dan wordt het door zijn wil bewogen als een slaaf door het bevel van zijn heer om iets te doen; want die slaaf is als een "bezield werktuig", zoals de Filosoof in het 1° boek Over de Politiek (2° H., n. 4) zegt. De menselijke natuur in Christus was dus zo het werktuig der godheid, dat zij door haar eigen wil bewogen werd.
B: (Ps 39:9) [b:Ps 39:9] (Phil 2:13) [b:Phil 2:13]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 19 a. 1 arg. 2[t:iiia q. 19 a. 1 arg. 2]
2e Weerlegging. Aan een werktuig is het eigen door de voornaamste werk-oorzaak bewogen te worden, maar op verschillende wijzen naar de eigenaardigheden van zijn natuur. Want een onbezield werktuig als een zaag of een bijl wordt door de werkman enkel door een lichamelijke beweging bewogen, maar een bezield werktuig met een zintuigelijke ziel wordt door het zintuigelijke streefvermogen bewogen zoals een paard door zijn berijder. Is echter een werktuig door een redelijke ziel bezield, dan wordt het door zijn wil bewogen als een slaaf door het bevel van zijn heer om iets te doen; want die slaaf is als een "bezield werktuig", zoals de Filosoof in het 1° boek Over de Politiek (2° H., n. 4) zegt. De menselijke natuur in Christus was dus zo het werktuig der godheid, dat zij door haar eigen wil bewogen werd.
B: (Ps 39:9) [b:Ps 39:9] (Phil 2:13) [b:Phil 2:13]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 19 a. 1 arg. 2[t:iiia q. 19 a. 1 arg. 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het wilsvermogen zelf is iets natuurlijks en volgt noodzakelijk uit de natuur. Maar de daad of werking van het vermogen, die ook wil wordt genoemd, komt soms van nature en noodzakelijk, bijvoorbeeld met betrekking tot het volledige geluk, maar soms komt zij uit de vrije wilsbeslissing voort, en is dan noodzakelijk noch natuurlijk, zoals blijkt uit wat in het tweede deel (Ia-IIae, 10° Kw., 1° en 2° Art.) is gezegd. En toch is het verstand zelf, waaruit die beweging voortkomt, natuurlijk. Daarom ook moet men behalve de goddelijke wil in Christus een menselijke aannemen, niet alleen in zover deze een natuurlijk vermogen of een natuurlijke beweging is, maar ook in zover hij een beweging is van het verstand.
R: Ia-IIae q. 10 a. 1[t:ia-iiae q. 10 a. 1] Ia-IIae q. 10 a. 2[t:ia-iiae q. 10 a. 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 18 a. 3 co.[t:iiia q. 18 a. 3 co.]
3e Weerlegging. Het wilsvermogen zelf is iets natuurlijks en volgt noodzakelijk uit de natuur. Maar de daad of werking van het vermogen, die ook wil wordt genoemd, komt soms van nature en noodzakelijk, bijvoorbeeld met betrekking tot het volledige geluk, maar soms komt zij uit de vrije wilsbeslissing voort, en is dan noodzakelijk noch natuurlijk, zoals blijkt uit wat in het tweede deel (Ia-IIae, 10° Kw., 1° en 2° Art.) is gezegd. En toch is het verstand zelf, waaruit die beweging voortkomt, natuurlijk. Daarom ook moet men behalve de goddelijke wil in Christus een menselijke aannemen, niet alleen in zover deze een natuurlijk vermogen of een natuurlijke beweging is, maar ook in zover hij een beweging is van het verstand.
R: Ia-IIae q. 10 a. 1[t:ia-iiae q. 10 a. 1] Ia-IIae q. 10 a. 2[t:ia-iiae q. 10 a. 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 18 a. 3 co.[t:iiia q. 18 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Spreekt men van een zeker soort willen, dan geeft men een bepaalde manier van willen aan. Die bepaalde manier betrekt zich op het ding zelf, waarvan zij een manier is. Omdat de wil nu tot de natuur behoort, behoort ook dat zekere soort willen tot de natuur, niet in zover deze in het algemeen wordt genomen, maar in zover zij in deze hypostase is. Dus bezat ook Christus’ menselijke wil een bepaalde manier van werken, omdat zij in de goddelijke hypostase was, zodat zij zich nl. altijd bewoog naar de beslissing van de goddelijke wil.
4e Weerlegging. Spreekt men van een zeker soort willen, dan geeft men een bepaalde manier van willen aan. Die bepaalde manier betrekt zich op het ding zelf, waarvan zij een manier is. Omdat de wil nu tot de natuur behoort, behoort ook dat zekere soort willen tot de natuur, niet in zover deze in het algemeen wordt genomen, maar in zover zij in deze hypostase is. Dus bezat ook Christus’ menselijke wil een bepaalde manier van werken, omdat zij in de goddelijke hypostase was, zodat zij zich nl. altijd bewoog naar de beslissing van de goddelijke wil.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was er in Christus behalve de redelijke wil ook een zinnelijke?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 18 a. 5 co.[t:iiia q. 18 a. 5 co.]
IIIa q. 18 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat er in Christus behalve de redelijke wil geen zinnelijke was. Want de Filosoof zegt in het 3e boek *Over de Ziel* (9e H., n. 3), dat "de wil in het verstand is; maar in het zinnelijke streefvermogen is het begerende en het tegenstrevende vermogen". Nu betekent de zinnelijkheid het zinnelijke streefvermogen. Dus was er in Christus geen wil der zinnelijkheid.
IIIa q. 18 a. 5 co.[t:iiia q. 18 a. 5 co.]
IIIa q. 18 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat er in Christus behalve de redelijke wil geen zinnelijke was. Want de Filosoof zegt in het 3e boek *Over de Ziel* (9e H., n. 3), dat "de wil in het verstand is; maar in het zinnelijke streefvermogen is het begerende en het tegenstrevende vermogen". Nu betekent de zinnelijkheid het zinnelijke streefvermogen. Dus was er in Christus geen wil der zinnelijkheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Volgens Augustinus in het 12e boek Over de Drievuldigheid (12e en 13e H), wordt de zinnelijkheid door de slang verbeeld. Nu was er in Christus niets, dat met de slang verband houdt; want zonder vergif geleek Hij op het vergiftige dier, zoals Augustinus zegt bij de tekst van Joannes (3, 14): "Zoals Moses in de woestijn de slang omhoog hief". Dus was er in Christus geen zinnelijke wil.
Vervolgens. Volgens Augustinus in het 12e boek Over de Drievuldigheid (12e en 13e H), wordt de zinnelijkheid door de slang verbeeld. Nu was er in Christus niets, dat met de slang verband houdt; want zonder vergif geleek Hij op het vergiftige dier, zoals Augustinus zegt bij de tekst van Joannes (3, 14): "Zoals Moses in de woestijn de slang omhoog hief". Dus was er in Christus geen zinnelijke wil.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De wil volgt uit de natuur, zoals is gezegd (vorig Art., Antw. op 3e B.). Nu was er in Christus buiten de goddelijke maar een natuur. Dus was er in Hem maar één menselijke wil.
R: q. 18 a. 1[t:iiia q. 18 a. 1]
Vervolgens. De wil volgt uit de natuur, zoals is gezegd (vorig Art., Antw. op 3e B.). Nu was er in Christus buiten de goddelijke maar een natuur. Dus was er in Hem maar één menselijke wil.
R: q. 18 a. 1[t:iiia q. 18 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het 2e boek Aan Keizer Gratianus (7e H.) zegt: "Mijn wil is het, die Hij de zijne noemde, want als mens nam Hij mijn droefheid op Zich", en hieruit moeten wij begrijpen, dat de droefheid tot de menselijke natuur in Christus behoort. Nu behoort de droefheid tot de zinnelijkheid, zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 23e Kw., 1e Art., 25e Kw., 1° Art.) is uiteengezet. Dus schijnt er in Christus behalve de redelijke wil nog een zinnelijke te zijn geweest.
R: Ia-IIae q. 23 a. 1[t:ia-iiae q. 23 a. 1] q. 25 a. 1[t:iiia q. 25 a. 1]
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het 2e boek Aan Keizer Gratianus (7e H.) zegt: "Mijn wil is het, die Hij de zijne noemde, want als mens nam Hij mijn droefheid op Zich", en hieruit moeten wij begrijpen, dat de droefheid tot de menselijke natuur in Christus behoort. Nu behoort de droefheid tot de zinnelijkheid, zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 23e Kw., 1e Art., 25e Kw., 1° Art.) is uiteengezet. Dus schijnt er in Christus behalve de redelijke wil nog een zinnelijke te zijn geweest.
R: Ia-IIae q. 23 a. 1[t:ia-iiae q. 23 a. 1] q. 25 a. 1[t:iiia q. 25 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (4° Kw., 2° Art., 2° B., 5° Kw., 9° Art., 9° Kw., 1° Art.) nam Gods Zoon de menselijke natuur aan met alles wat tot haar volmaaktheid behoort. Nu ligt in de menselijke natuur ook de dierlijke opgesloten, zoals het geslacht in de soort. Daarom moest Gods Zoon met de menselijke natuur ook datgene aannemen, wat tot de volmaaktheid van de dierlijke natuur behoort. Daaronder valt ook het zinnelijk streefvermogen, dat de zinnelijkheid wordt genoemd. En dus moet men zeggen, dat het zinnelijke streefvermogen of de zinnelijkheid in Christus was. Men moet echter weten, dat de zinnelijkheid of het zinnelijk streefvermogen, in zover het erop aangelegd is om aan het verstand te gehoorzamen, "door deelhebbing redelijk" wordt genoemd, zoals de Filosoof in het 1° boek Over de Zedeleer (13° H., n. 15 en vlgd.) bewijst. En omdat de wil in het verstand ligt, zoals werd gezegd (Antw. op de 1° B.), kan men om dezelfde reden zeggen, dat de zinnelijkheid, door deelhebbing een wil is.
R: q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (4° Kw., 2° Art., 2° B., 5° Kw., 9° Art., 9° Kw., 1° Art.) nam Gods Zoon de menselijke natuur aan met alles wat tot haar volmaaktheid behoort. Nu ligt in de menselijke natuur ook de dierlijke opgesloten, zoals het geslacht in de soort. Daarom moest Gods Zoon met de menselijke natuur ook datgene aannemen, wat tot de volmaaktheid van de dierlijke natuur behoort. Daaronder valt ook het zinnelijk streefvermogen, dat de zinnelijkheid wordt genoemd. En dus moet men zeggen, dat het zinnelijke streefvermogen of de zinnelijkheid in Christus was. Men moet echter weten, dat de zinnelijkheid of het zinnelijk streefvermogen, in zover het erop aangelegd is om aan het verstand te gehoorzamen, "door deelhebbing redelijk" wordt genoemd, zoals de Filosoof in het 1° boek Over de Zedeleer (13° H., n. 15 en vlgd.) bewijst. En omdat de wil in het verstand ligt, zoals werd gezegd (Antw. op de 1° B.), kan men om dezelfde reden zeggen, dat de zinnelijkheid, door deelhebbing een wil is.
R: q. 9 a. 1[t:iiia q. 9 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Deze redenering gaat uit van de wil, die naar zijn wezen zo wordt genoemd, en die is in het verstandelijke deel alleen. Maar wat door deelhebbing redelijk wordt genoemd, kan in het zinnelijke gedeelte zijn, in zover dit aan het verstand gehoorzaamt.
1e Weerlegging. Deze redenering gaat uit van de wil, die naar zijn wezen zo wordt genoemd, en die is in het verstandelijke deel alleen. Maar wat door deelhebbing redelijk wordt genoemd, kan in het zinnelijke gedeelte zijn, in zover dit aan het verstand gehoorzaamt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. De zinnelijkheid wordt niet wat de door Christus aangenomen natuur der zinnelijkheid betreft door de slang verbeeld, maar wat het bederf van de zondehaard, die in Christus niet was, betreft.
2e Weerlegging. De zinnelijkheid wordt niet wat de door Christus aangenomen natuur der zinnelijkheid betreft door de slang verbeeld, maar wat het bederf van de zondehaard, die in Christus niet was, betreft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Waar een ding is om het andere, schijnt er maar één ding te zijn, zoals het oppervlak, dat door de kleur zichtbaar is, samen met de kleur een zichtbaar ding uitmaakt. Evenzo neemt men, waar de zinnelijkheid alleen een wil wordt genoemd, omdat zij deel heeft in de redelijke wil, maar één menselijke wil in Christus aan, zoals er maar één menselijke natuur in Hem is.
3e Weerlegging. Waar een ding is om het andere, schijnt er maar één ding te zijn, zoals het oppervlak, dat door de kleur zichtbaar is, samen met de kleur een zichtbaar ding uitmaakt. Evenzo neemt men, waar de zinnelijkheid alleen een wil wordt genoemd, omdat zij deel heeft in de redelijke wil, maar één menselijke wil in Christus aan, zoals er maar één menselijke natuur in Hem is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Waren er in Christus van de kant van het verstand twee willen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 18 a. 4 co.
IIIa q. 18 a. 5 co.[t:iiia q. 18 a. 4 co.][t:iiia q. 18 a. 5 co.]
IIIa q. 18 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat er van de kant van het AD PRIMUM ergo dicendum, quod ratio illa procedit de voluntate essentialiter dicta, quae non est nisi in parte intellectiva. Sed voluntas participative dicta potest esse in parte sensitiva, inquantum obedit rationi. verstand in Christus twee willen waren. Want Damascenus zegt in het 2e boek (Over het Ware Geloof, 22e H.), dat de mens een dubbele wil heeft, een van nature, die thelesis, en een door het verstand, die boulesis wordt genoemd. Nu had Christus alles in de menselijke natuur, wat tot de volmaaktheid daarvan behoorde. Dus waren beide genoemde willen in Christus.
IIIa q. 18 a. 4 co.
IIIa q. 18 a. 5 co.[t:iiia q. 18 a. 4 co.][t:iiia q. 18 a. 5 co.]
IIIa q. 18 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat er van de kant van het AD PRIMUM ergo dicendum, quod ratio illa procedit de voluntate essentialiter dicta, quae non est nisi in parte intellectiva. Sed voluntas participative dicta potest esse in parte sensitiva, inquantum obedit rationi. verstand in Christus twee willen waren. Want Damascenus zegt in het 2e boek (Over het Ware Geloof, 22e H.), dat de mens een dubbele wil heeft, een van nature, die thelesis, en een door het verstand, die boulesis wordt genoemd. Nu had Christus alles in de menselijke natuur, wat tot de volmaaktheid daarvan behoorde. Dus waren beide genoemde willen in Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Het begeervermogen wordt in de mens onderscheiden naar het verschil in kennend vermogen, en daarom is er in de mens krachtens het onderscheid tussen zintuigen en verstand een verschillend zintuiglijk en redelijk begeervermogen. Maar evenzo neemt men wat het menselijk verstand betreft een verschil tussen rede en inzicht aan; en beide waren in Christus. Dus was er in Hem ook een dubbele wil, een bij de rede en een bij het inzicht passend.
Vervolgens. Het begeervermogen wordt in de mens onderscheiden naar het verschil in kennend vermogen, en daarom is er in de mens krachtens het onderscheid tussen zintuigen en verstand een verschillend zintuiglijk en redelijk begeervermogen. Maar evenzo neemt men wat het menselijk verstand betreft een verschil tussen rede en inzicht aan; en beide waren in Christus. Dus was er in Hem ook een dubbele wil, een bij de rede en een bij het inzicht passend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Sommigen nemen in Christus een wil van naastenliefde aan. Die nu kan er alleen zijn krachtens de rede. Dus zijn er in Christus van de kant van het verstand meerdere willen.
Vervolgens. Sommigen nemen in Christus een wil van naastenliefde aan. Die nu kan er alleen zijn krachtens de rede. Dus zijn er in Christus van de kant van het verstand meerdere willen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, dat er in iedere orde een eerste beweger is. Nu is de wil in de orde der menselijke daden de eerste beweger. Dus is er in iedere mens maar een wil in eigenlijke zin, en dat is de redelijke wil. Nu is Christus één mens en dus is er in Hem maar één menselijke wil.
Maar daartegenover staat, dat er in iedere orde een eerste beweger is. Nu is de wil in de orde der menselijke daden de eerste beweger. Dus is er in iedere mens maar een wil in eigenlijke zin, en dat is de redelijke wil. Nu is Christus één mens en dus is er in Hem maar één menselijke wil.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals werd gezegd (1° Art., Antw. op de 3e B.), verstaat men onder wil soms het vermogen en soms de daad. Neemt men de wil nu als de daad, dan moet men in Christus van de kant van het verstand twee willen, dwz. twee soorten van wilsdaden aannemen. Want zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 8e Kw., 2e en 3e Art.) is gezegd, richt de wil zich zowel op het doel als op datgene, wat tot het doel leidt; en op die twee dingen richt hij zich op een verschillende wijze. Op het doel immers richt hij zich zonder beperking of voorwaarde als op iets, dat in zichzelf goed is; maar op datgene, wat tot een doel leidt, richt hij zich als het ware al vergelijkend, in zover het een goedheid bezit krachtens een verhouding tot iets anders. En daarom is de wilsdaad, in zover deze zich richt op iets, dat om zichzelf wordt gewild als de gezondheid, en die door Damascenus de thelesis, dwz. de eenvoudige wilsdaad en door de Magisters de daad van de wil als natuurding wordt genoemd, van een ander soort dan de wilsdaad, in zover deze zich richt op iets, dat alleen om zijn verhouding tot iets anders wordt gewild als het innemen van een geneesmiddel; deze wilsdaad noemt Damascenus de boulesis of overlegde wilsdaad, maar de Magisters de daad van de wil als een verstandelijk ding. Dit verschil tussen de daden geeft echter geen verschil in het vermogen, omdat ieder der twee daden zich onder hetzelfde opzicht op het voorwerp richt, nl. het goede. Men moet dus zeggen, dat er in Christus, als wij over het vermogen van de wil spreken, maar een menselijke wil is, die krachtens zijn wezen en niet om deelhebbing zo wordt genoemd; maar spreken wij over de wil als over een daad, dan onderscheidt men in Christus de wil als natuurding, die thelesis, en de wil als redelijk ding, die boulesis wordt genoemd.
R: q. 18 a. 1 ad 3[t:iiia q. 18 a. 1 ad 3]
Mijn antwoord. Zoals werd gezegd (1° Art., Antw. op de 3e B.), verstaat men onder wil soms het vermogen en soms de daad. Neemt men de wil nu als de daad, dan moet men in Christus van de kant van het verstand twee willen, dwz. twee soorten van wilsdaden aannemen. Want zoals in het tweede deel (Ia-IIae, 8e Kw., 2e en 3e Art.) is gezegd, richt de wil zich zowel op het doel als op datgene, wat tot het doel leidt; en op die twee dingen richt hij zich op een verschillende wijze. Op het doel immers richt hij zich zonder beperking of voorwaarde als op iets, dat in zichzelf goed is; maar op datgene, wat tot een doel leidt, richt hij zich als het ware al vergelijkend, in zover het een goedheid bezit krachtens een verhouding tot iets anders. En daarom is de wilsdaad, in zover deze zich richt op iets, dat om zichzelf wordt gewild als de gezondheid, en die door Damascenus de thelesis, dwz. de eenvoudige wilsdaad en door de Magisters de daad van de wil als natuurding wordt genoemd, van een ander soort dan de wilsdaad, in zover deze zich richt op iets, dat alleen om zijn verhouding tot iets anders wordt gewild als het innemen van een geneesmiddel; deze wilsdaad noemt Damascenus de boulesis of overlegde wilsdaad, maar de Magisters de daad van de wil als een verstandelijk ding. Dit verschil tussen de daden geeft echter geen verschil in het vermogen, omdat ieder der twee daden zich onder hetzelfde opzicht op het voorwerp richt, nl. het goede. Men moet dus zeggen, dat er in Christus, als wij over het vermogen van de wil spreken, maar een menselijke wil is, die krachtens zijn wezen en niet om deelhebbing zo wordt genoemd; maar spreken wij over de wil als over een daad, dan onderscheidt men in Christus de wil als natuurding, die thelesis, en de wil als redelijk ding, die boulesis wordt genoemd.
R: q. 18 a. 1 ad 3[t:iiia q. 18 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Bij deze willen maakt men het onderscheid niet in het vermogen, maar legt het zoals gezegd is (in de Leerstelling), alleen in de soort van daden.
1e Weerlegging. Bij deze willen maakt men het onderscheid niet in het vermogen, maar legt het zoals gezegd is (in de Leerstelling), alleen in de soort van daden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Rede en inzicht zijn, zoals in het eerste deel (79° Kw., 8° Art.) is gezegd, evenmin verschillende vermogens.
R: I q. 79 a. 8[t:ia q. 79 a. 8]
2e Weerlegging. Rede en inzicht zijn, zoals in het eerste deel (79° Kw., 8° Art.) is gezegd, evenmin verschillende vermogens.
R: I q. 79 a. 8[t:ia q. 79 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De wil der naastenliefde schijnt niets anders te zijn dan de wil, die als een natuurding wordt beschouwd, in zover deze namelijk het ongeluk van een ander onvoorwaardelijk beschouwt en afwijst.
3e Weerlegging. De wil der naastenliefde schijnt niets anders te zijn dan de wil, die als een natuurding wordt beschouwd, in zover deze namelijk het ongeluk van een ander onvoorwaardelijk beschouwt en afwijst.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Was er in Christus een vrije wilsbeschikking?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 90 a. 4 co.[t:iiia q. 90 a. 4 co.]
IIIa q. 18 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen vrije wilsbeschikking was. Want Damascenus zegt in het 3° boek (Over het Ware Geloof, 14° H.): "Als wij in eigenlijke zin willen spreken, kunnen wij bij de Heer niet van gnome, (dwz. een besluit of mening of overleg) en van proairesis, (dwz. keuze) spreken". Maar bij geloofszaken moet men zoveel mogelijk in eigenlijke zin spreken. Dus was er geen keuze in Christus en dientengevolge ook geen vrije wilsbeschikking, waarvan de keuze de daad is.
IIIa q. 90 a. 4 co.[t:iiia q. 90 a. 4 co.]
IIIa q. 18 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat er in Christus geen vrije wilsbeschikking was. Want Damascenus zegt in het 3° boek (Over het Ware Geloof, 14° H.): "Als wij in eigenlijke zin willen spreken, kunnen wij bij de Heer niet van gnome, (dwz. een besluit of mening of overleg) en van proairesis, (dwz. keuze) spreken". Maar bij geloofszaken moet men zoveel mogelijk in eigenlijke zin spreken. Dus was er geen keuze in Christus en dientengevolge ook geen vrije wilsbeschikking, waarvan de keuze de daad is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De Filosoof zegt in het 3° boek Over de Zedeleer (2° H., n. 17), dat de keuze komt van het door beraad geleide begeervermogen. Nu schijnt er echter in Christus geen beraad of overleg te zijn geweest, omdat wij niet beraadslagen over dingen waar wij zeker van zijn. Nu was Christus echter van alles zeker. Dus was er geen keuze in Christus en dus ook geen vrije wilsbeschikking.
Vervolgens. De Filosoof zegt in het 3° boek Over de Zedeleer (2° H., n. 17), dat de keuze komt van het door beraad geleide begeervermogen. Nu schijnt er echter in Christus geen beraad of overleg te zijn geweest, omdat wij niet beraadslagen over dingen waar wij zeker van zijn. Nu was Christus echter van alles zeker. Dus was er geen keuze in Christus en dus ook geen vrije wilsbeschikking.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 4 arg. 3
Vervolgens. De vrije wilsbeschikking kan zich op twee verschillende dingen richten. Maar nu was Christus’ wil vast gericht op het goede, omdat Hij zoals boven is gezegd (15° Kw., 1° en 2° Art.) niet kon zondigen. Dus was er in Christus geen vrije wilsbeschikking.
R: q. 15 a. 1[t:iiia q. 15 a. 1] q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
Vervolgens. De vrije wilsbeschikking kan zich op twee verschillende dingen richten. Maar nu was Christus’ wil vast gericht op het goede, omdat Hij zoals boven is gezegd (15° Kw., 1° en 2° Art.) niet kon zondigen. Dus was er in Christus geen vrije wilsbeschikking.
R: q. 15 a. 1[t:iiia q. 15 a. 1] q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat, dat bij Isaïas (7, 15) wordt gezegd: "Boter en honing zal Hij eten, totdat Hij het kwaad leert verwerpen en het goede kiezen", en dat is een daad van vrije wilbeschikking.
B: (Isa 7:15) [b:Isa 7:15]
R: q. 15 a. 1[t:iiia q. 15 a. 1] q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
Maar daartegenover staat, dat bij Isaïas (7, 15) wordt gezegd: "Boter en honing zal Hij eten, totdat Hij het kwaad leert verwerpen en het goede kiezen", en dat is een daad van vrije wilbeschikking.
B: (Isa 7:15) [b:Isa 7:15]
R: q. 15 a. 1[t:iiia q. 15 a. 1] q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (Vorig Art.), was er in Christus een dubbele wilsdaad; een waardoor Zijn wil zich richtte op iets dat om zichzelf werd gewild, wat aan een doel eigen is; en een andere, waardoor Zijn wil zich op iets richtte, dat krachtens zijn orde tot iets anders werd gewild; en dat is eigen aan datgene, wat tot een doel leidt. Nu verschilt, zoals de Filosoof in het 3° boek *Over de Zedeleer* (2° H., n. 9) zegt, de keuze hierin van het willen, dat de wil in eigenlijke zin gesproken zich richt op het doel, maar de keuze zich betrekt op de dingen, die tot een doel leiden. En zo is het eenvoudige willen hetzelfde als de wil genomen als een natuurding; maar de keuze is de wil als een redelijk ding genomen en is de eigen daad van de vrije wilsbeschikking, zoals in het eerste deel (83° Kw., 3° Art.) is gezegd. Nemen wij dus in Christus het bestaan van de wil als redelijk iets aan, dan moeten wij daar ook de keuze aannemen, en dus ook de vrije wilsbeschikking, waarvan de keuze de daad is, zoals in het eerste deel werd aangetoond (t. a. pl.).
R: q. 18 a. 3[t:iiia q. 18 a. 3] I q. 83 a. 3[t:ia q. 83 a. 3] I q. 83 a. 3[t:ia q. 83 a. 3] Ia-IIae q. 13 a. 1[t:ia-iiae q. 13 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (Vorig Art.), was er in Christus een dubbele wilsdaad; een waardoor Zijn wil zich richtte op iets dat om zichzelf werd gewild, wat aan een doel eigen is; en een andere, waardoor Zijn wil zich op iets richtte, dat krachtens zijn orde tot iets anders werd gewild; en dat is eigen aan datgene, wat tot een doel leidt. Nu verschilt, zoals de Filosoof in het 3° boek *Over de Zedeleer* (2° H., n. 9) zegt, de keuze hierin van het willen, dat de wil in eigenlijke zin gesproken zich richt op het doel, maar de keuze zich betrekt op de dingen, die tot een doel leiden. En zo is het eenvoudige willen hetzelfde als de wil genomen als een natuurding; maar de keuze is de wil als een redelijk ding genomen en is de eigen daad van de vrije wilsbeschikking, zoals in het eerste deel (83° Kw., 3° Art.) is gezegd. Nemen wij dus in Christus het bestaan van de wil als redelijk iets aan, dan moeten wij daar ook de keuze aannemen, en dus ook de vrije wilsbeschikking, waarvan de keuze de daad is, zoals in het eerste deel werd aangetoond (t. a. pl.).
R: q. 18 a. 3[t:iiia q. 18 a. 3] I q. 83 a. 3[t:ia q. 83 a. 3] I q. 83 a. 3[t:ia q. 83 a. 3] Ia-IIae q. 13 a. 1[t:ia-iiae q. 13 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Damascenus sluit het bestaan van de keuze in Christus uit, omdat hij meent, dat in het begrip keuze twijfel opgesloten ligt. Nu behoort echter bij de keuze niet noodzakelijk een twijfel, omdat het ook aan God toekomt te kiezen volgens de Ephesiërsbrief (1, 4). "In Hem koos Hij ons uit voor de grondvesting der wereld", en toch is er in God geen twijfel. Toevallig komt er bij de keuze een twijfel, als deze in een onwetende natuur plaats grijpt. En hetzelfde moet men van de andere dingen zeggen, die in de aangehaalde tekst vermeld worden.
B: (Eph 1:4) [b:Eph 1:4]
1e Weerlegging. Damascenus sluit het bestaan van de keuze in Christus uit, omdat hij meent, dat in het begrip keuze twijfel opgesloten ligt. Nu behoort echter bij de keuze niet noodzakelijk een twijfel, omdat het ook aan God toekomt te kiezen volgens de Ephesiërsbrief (1, 4). "In Hem koos Hij ons uit voor de grondvesting der wereld", en toch is er in God geen twijfel. Toevallig komt er bij de keuze een twijfel, als deze in een onwetende natuur plaats grijpt. En hetzelfde moet men van de andere dingen zeggen, die in de aangehaalde tekst vermeld worden.
B: (Eph 1:4) [b:Eph 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Keuze veronderstelt overleg, maar volgt alleen uit een door het oordeel reeds afgesloten overleg; want wij kiezen wat wij na beraad menen te moeten doen, zoals in het 3e boek Over de Zedenleer (3e H., n. 19) wordt gezegd. Oordeelt men dus, dat iets gedaan moet worden zonder voorafgaande twijfel of onderzoek, dan is dat voldoende voor een keuze. En zo blijkt het, dat twijfel of onderzoek niet uiteraard tot de keuze behoren, maar alleen in zover deze plaats heeft in een onwetende natuur.
2e Weerlegging. Keuze veronderstelt overleg, maar volgt alleen uit een door het oordeel reeds afgesloten overleg; want wij kiezen wat wij na beraad menen te moeten doen, zoals in het 3e boek Over de Zedenleer (3e H., n. 19) wordt gezegd. Oordeelt men dus, dat iets gedaan moet worden zonder voorafgaande twijfel of onderzoek, dan is dat voldoende voor een keuze. En zo blijkt het, dat twijfel of onderzoek niet uiteraard tot de keuze behoren, maar alleen in zover deze plaats heeft in een onwetende natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Al is Christus’ wil vast op het goede gericht, dan is hij er toch niet aan gebonden om dit of dat goede te kiezen. Daarom komt het Christus toe met een vast op het goed gerichte vrije wilsbeschikking te kiezen zoals de zaligen.
3e Weerlegging. Al is Christus’ wil vast op het goede gericht, dan is hij er toch niet aan gebonden om dit of dat goede te kiezen. Daarom komt het Christus toe met een vast op het goed gerichte vrije wilsbeschikking te kiezen zoals de zaligen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Wilde de menselijke wil in Christus iets anders dan wat God wil?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 19 a. 2 co.[t:iiia q. 19 a. 2 co.]
IIIa q. 18 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de menselijke wil in Christus niets anders wil dan wat God wil. Want in Christus' naam wordt in de Psalmen gezegd (Ps. 39, 9): "Dat Ik Uw wil, o mijn God zou doen, wilde Ik". Nu wil wie de wil van een ander wil doen datgene wat die ander wil. Dus schijnt Christus' menselijke wil niets anders te willen dan Zijn goddelijke wil.
B: (Ps 39:9) [b:Ps 39:9]
IIIa q. 19 a. 2 co.[t:iiia q. 19 a. 2 co.]
IIIa q. 18 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de menselijke wil in Christus niets anders wil dan wat God wil. Want in Christus' naam wordt in de Psalmen gezegd (Ps. 39, 9): "Dat Ik Uw wil, o mijn God zou doen, wilde Ik". Nu wil wie de wil van een ander wil doen datgene wat die ander wil. Dus schijnt Christus' menselijke wil niets anders te willen dan Zijn goddelijke wil.
B: (Ps 39:9) [b:Ps 39:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Christus' ziel had de meest volmaakte liefde, die zelfs het begrip van onze wetenschap te boven gaat, naar het woord uit de Ephesiërsbrief (3, 19): "de liefde van Christus, die alle begrip te boven gaat". Nu is het aan de liefde eigen, dat zij de mens hetzelfde doet willen als God; daarom ook zegt de Philosoof in het 9e boek Over de Zedeleer (4e H., n. 1), dat een van de tot de vriendschap behorende dingen is "hetzelfde te willen en te kiezen". Dus wilde de menselijke wil in Christus niets anders dan de goddelijke.
B: (Eph 3:19) [b:Eph 3:19]
Vervolgens. Christus' ziel had de meest volmaakte liefde, die zelfs het begrip van onze wetenschap te boven gaat, naar het woord uit de Ephesiërsbrief (3, 19): "de liefde van Christus, die alle begrip te boven gaat". Nu is het aan de liefde eigen, dat zij de mens hetzelfde doet willen als God; daarom ook zegt de Philosoof in het 9e boek Over de Zedeleer (4e H., n. 1), dat een van de tot de vriendschap behorende dingen is "hetzelfde te willen en te kiezen". Dus wilde de menselijke wil in Christus niets anders dan de goddelijke.
B: (Eph 3:19) [b:Eph 3:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Christus was waarlijk iemand, die de hemel had bereikt. Maar de heiligen, die het hemels vaderland hebben bereikt willen niets anders dan wat God wil. Anders zouden zij geen zaligen zijn, omdat zij niet alles zouden hebben wat zij wilden; want een zalige is zoals Augustinus in het boek Over de Drievuldigheid (13e B., 5e H.) zegt, "iemand, die alles heeft wat hij wil en niets kwaads wil". Dus wilde Christus met Zijn menselijke wil niets anders dan met Zijn goddelijke.
Vervolgens. Christus was waarlijk iemand, die de hemel had bereikt. Maar de heiligen, die het hemels vaderland hebben bereikt willen niets anders dan wat God wil. Anders zouden zij geen zaligen zijn, omdat zij niet alles zouden hebben wat zij wilden; want een zalige is zoals Augustinus in het boek Over de Drievuldigheid (13e B., 5e H.) zegt, "iemand, die alles heeft wat hij wil en niets kwaads wil". Dus wilde Christus met Zijn menselijke wil niets anders dan met Zijn goddelijke.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 5 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het boek *Tegen Maximinus* (2° B., 20° H.) zegt: "In Zijn woorden: "Niet wat Ik wil, maar wat Gij", toont Christus, dat Hij iets anders wilde dan de Vader. Dat kon Hij alleen met Zijn menselijk hart, omdat Hij onze zwakheid niet in Zijn goddelijke, maar in Zijn menselijke gevoelens veranderde".
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het boek *Tegen Maximinus* (2° B., 20° H.) zegt: "In Zijn woorden: "Niet wat Ik wil, maar wat Gij", toont Christus, dat Hij iets anders wilde dan de Vader. Dat kon Hij alleen met Zijn menselijk hart, omdat Hij onze zwakheid niet in Zijn goddelijke, maar in Zijn menselijke gevoelens veranderde".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zoals wij zeiden (2° en 3° Art.), wordt in Christus naar Zijn menselijke natuur een veelvoudigheid van wil aangenomen, nl. de wil der zinnelijkheid, die door deelhebbing wil worden genoemd, en de redelijke wil, hetzij deze als natuurding of als redelijk ding wordt beschouwd. Nu is vroeger gezegd (13° Kw., 3° Art., Antw. op 1° B.; 14° Kw., 1° Art., Antw. op 2° B.), dat Gods Zoon voor Zijn lijden krachtens een bijzondere beslissing "aan Zijn vlees toestond te doen en te ondergaan wat eraan eigen was". En evenzo liet Hij alle zielsvermogens doen wat hun eigen was. Nu is het duidelijk, dat de wil der zinnelijkheid van nature de zintuiglijke smart en het lichamelijke letsel afwijst. Evenzo verwerpt de wil als natuurding beschouwd alles, wat met de natuur strijdt en op zichzelf beschouwd iets kwaads is, als dood en dergelijke. Maar de wil als redelijk ding kan deze dingen soms aanvaarden om hun verhouding tot een doel, zoals ook in iemand, die alleen mens is, zijn zinnelijkheid en ook de wil zonder beperking genomen het branden afwijst, dat de wil door de rede geleid toch om de gezondheid verkiest. Nu was het Gods wil, dat Christus smarten en pijnen en de dood onderging; niet alsof God die dingen op zichzelf beschouwd wilde, maar als gericht op het doel, het heil der mensen. Zo blijkt het, dat Christus naar Zijn wil der zinnelijkheid en naar Zijn redelijke maar als natuurding beschouwde wil iets anders kon willen dan God. Maar met Zijn als redelijk ding beschouwde wil wilde Hij altijd hetzelfde als God. Dat blijkt uit wat Hij sprak: "Niet zoals Ik het wil, maar zoals Gij" (Matthaeus, 26, 39). Want naar Zijn redelijke wil wilde Hij de goddelijke wil volbrengen, al zei Hij dat Hij iets anders wilde met een andere wil.
B: (Matt 26:39) [b:Matt 26:39]
R: q. 18 a. 2[t:iiia q. 18 a. 2] q. 18 a. 3[t:iiia q. 18 a. 3] q. 13 a. 3 ad 1[t:iiia q. 13 a. 3 ad 1] q. 14 a. 1 ad 2[t:iiia q. 14 a. 1 ad 2]
Mijn antwoord. Zoals wij zeiden (2° en 3° Art.), wordt in Christus naar Zijn menselijke natuur een veelvoudigheid van wil aangenomen, nl. de wil der zinnelijkheid, die door deelhebbing wil worden genoemd, en de redelijke wil, hetzij deze als natuurding of als redelijk ding wordt beschouwd. Nu is vroeger gezegd (13° Kw., 3° Art., Antw. op 1° B.; 14° Kw., 1° Art., Antw. op 2° B.), dat Gods Zoon voor Zijn lijden krachtens een bijzondere beslissing "aan Zijn vlees toestond te doen en te ondergaan wat eraan eigen was". En evenzo liet Hij alle zielsvermogens doen wat hun eigen was. Nu is het duidelijk, dat de wil der zinnelijkheid van nature de zintuiglijke smart en het lichamelijke letsel afwijst. Evenzo verwerpt de wil als natuurding beschouwd alles, wat met de natuur strijdt en op zichzelf beschouwd iets kwaads is, als dood en dergelijke. Maar de wil als redelijk ding kan deze dingen soms aanvaarden om hun verhouding tot een doel, zoals ook in iemand, die alleen mens is, zijn zinnelijkheid en ook de wil zonder beperking genomen het branden afwijst, dat de wil door de rede geleid toch om de gezondheid verkiest. Nu was het Gods wil, dat Christus smarten en pijnen en de dood onderging; niet alsof God die dingen op zichzelf beschouwd wilde, maar als gericht op het doel, het heil der mensen. Zo blijkt het, dat Christus naar Zijn wil der zinnelijkheid en naar Zijn redelijke maar als natuurding beschouwde wil iets anders kon willen dan God. Maar met Zijn als redelijk ding beschouwde wil wilde Hij altijd hetzelfde als God. Dat blijkt uit wat Hij sprak: "Niet zoals Ik het wil, maar zoals Gij" (Matthaeus, 26, 39). Want naar Zijn redelijke wil wilde Hij de goddelijke wil volbrengen, al zei Hij dat Hij iets anders wilde met een andere wil.
B: (Matt 26:39) [b:Matt 26:39]
R: q. 18 a. 2[t:iiia q. 18 a. 2] q. 18 a. 3[t:iiia q. 18 a. 3] q. 13 a. 3 ad 1[t:iiia q. 13 a. 3 ad 1] q. 14 a. 1 ad 2[t:iiia q. 14 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Christus wilde, dat de wil van de Vader werd volbracht, maar niet met de wil der zinnelijkheid, wiens daden niet zover gaan als de wil van God, en ook niet met de als natuurding beschouwde wil, die zich op sommige voorwerpen richt, in zover deze volstrekt en niet in verhouding tot de goddelijke wil beschouwd worden.
1e Weerlegging. Christus wilde, dat de wil van de Vader werd volbracht, maar niet met de wil der zinnelijkheid, wiens daden niet zover gaan als de wil van God, en ook niet met de als natuurding beschouwde wil, die zich op sommige voorwerpen richt, in zover deze volstrekt en niet in verhouding tot de goddelijke wil beschouwd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. De overeenkomst van de menselijke wil met de goddelijke rekent men af naar de redelijke wil; en hierin komt ook de wil van vrienden overeen in zover de rede het gewilde voorwerp beschouwt in verhouding tot de wil van de vriend.
2e Weerlegging. De overeenkomst van de menselijke wil met de goddelijke rekent men af naar de redelijke wil; en hierin komt ook de wil van vrienden overeen in zover de rede het gewilde voorwerp beschouwt in verhouding tot de wil van de vriend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Christus was tegelijk iemand die de hemel had bereikt, en die op weg was er heen, in zover Hij naar de geest van God genoot, en naar Zijn vlees kon lijden. En dus kon Hem van de kant van het aan lijden onderworpen vlees iets overkomen, dat met Zijn natuurlijke wil en het zinnelijk streefvermogen in strijd was.
3e Weerlegging. Christus was tegelijk iemand die de hemel had bereikt, en die op weg was er heen, in zover Hij naar de geest van God genoot, en naar Zijn vlees kon lijden. En dus kon Hem van de kant van het aan lijden onderworpen vlees iets overkomen, dat met Zijn natuurlijke wil en het zinnelijk streefvermogen in strijd was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Bestond er in Christus tegenstrijdigheid tussen de willen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 90 a. 4 co.[t:iiia q. 90 a. 4 co.]
IIIa q. 18 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat er in Christus tegenstrijdigheid tussen de willen bestond. Want tegenstrijdigheid van willen wordt afgemeten naar de tegenstrijdigheid van hun voorwerpen zoals een tegenstrijdigheid van bewegingen naar de tegenstrijdigheid van hun eindtermen, wat de Filosoof in het 5e boek Over de Physica (5e H., n. 3) uiteenzet. Nu wilde Christus met verschillende willen tegenstrijdige dingen, want met Zijn goddelijke wil aanvaardde Hij de dood, die Hij met Zijn menselijke wil afwees. Daarom zegt Athanasius in het boek Tegen Apollinaris: "Als Christus zegt: "Vader, als het mogelijk is, laat deze kelk van mij voorbijgaan, en toch geschiede niet Mijn, maar Uwe wil", en "De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak", toonde Hij twee willen te bezitten: een menselijke, die om de zwakheid van het vlees het lijden vluchtte, en Zijn goddelijke, die bereid was te lijden". Dus was er in Christus een tegenstrijdigheid tussen de willen.
IIIa q. 90 a. 4 co.[t:iiia q. 90 a. 4 co.]
IIIa q. 18 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat er in Christus tegenstrijdigheid tussen de willen bestond. Want tegenstrijdigheid van willen wordt afgemeten naar de tegenstrijdigheid van hun voorwerpen zoals een tegenstrijdigheid van bewegingen naar de tegenstrijdigheid van hun eindtermen, wat de Filosoof in het 5e boek Over de Physica (5e H., n. 3) uiteenzet. Nu wilde Christus met verschillende willen tegenstrijdige dingen, want met Zijn goddelijke wil aanvaardde Hij de dood, die Hij met Zijn menselijke wil afwees. Daarom zegt Athanasius in het boek Tegen Apollinaris: "Als Christus zegt: "Vader, als het mogelijk is, laat deze kelk van mij voorbijgaan, en toch geschiede niet Mijn, maar Uwe wil", en "De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak", toonde Hij twee willen te bezitten: een menselijke, die om de zwakheid van het vlees het lijden vluchtte, en Zijn goddelijke, die bereid was te lijden". Dus was er in Christus een tegenstrijdigheid tussen de willen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 6 arg. 2
Vervolgens. In de Galatenbrief (5, 17) wordt gezegd, dat "het vlees tegen de geest in begeert en de geest tegen het vlees in". Er is dus een tegenstrijdigheid van willen, als de geest het ene begeert en het vlees het andere. Dat nu geschiedde in Christus, want met de wil der liefde, die de H. Geest in Zijn geest bracht, wilde Hij het lijden naar Isaïas (53, 7): "Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde", maar naar het vlees vluchtte Hij het lijden. Dus was er in Hem een tegenstrijdigheid van willen.
B: (Isa 53:7) [b:Isa 53:7] (Gal 5:17) [b:Gal 5:17]
Vervolgens. In de Galatenbrief (5, 17) wordt gezegd, dat "het vlees tegen de geest in begeert en de geest tegen het vlees in". Er is dus een tegenstrijdigheid van willen, als de geest het ene begeert en het vlees het andere. Dat nu geschiedde in Christus, want met de wil der liefde, die de H. Geest in Zijn geest bracht, wilde Hij het lijden naar Isaïas (53, 7): "Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde", maar naar het vlees vluchtte Hij het lijden. Dus was er in Hem een tegenstrijdigheid van willen.
B: (Isa 53:7) [b:Isa 53:7] (Gal 5:17) [b:Gal 5:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Bij Lucas (22, 43) wordt gezegd, dat Hij "in doodsangst geraakt langduriger bad". Nu schijnt doodsangst een strijd in de ziel, die verschillende kanten uitgetrokken wordt, mee te brengen. Dus schijnt er in Christus tegenstrijdigheid van willen te zijn geweest.
B: (Luke 22:43) [b:Luke 22:43]
Vervolgens. Bij Lucas (22, 43) wordt gezegd, dat Hij "in doodsangst geraakt langduriger bad". Nu schijnt doodsangst een strijd in de ziel, die verschillende kanten uitgetrokken wordt, mee te brengen. Dus schijnt er in Christus tegenstrijdigheid van willen te zijn geweest.
B: (Luke 22:43) [b:Luke 22:43]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 6 s. c.
Maar daartegenover staat, dat in de beslissing van de Zesde Kerkvergadering wordt gezegd: "Wij leren twee natuurlijke willen; geen tegenstrijdige, zoals de goddeloze ketters beweren, maar Zijn volgzame menselijke wil, die niet weerstaat of zich verzet, maar eerder onderworpen is aan Zijn almachtige goddelijke wil".
B: (Acts 18) [b:Acts 18]
Maar daartegenover staat, dat in de beslissing van de Zesde Kerkvergadering wordt gezegd: "Wij leren twee natuurlijke willen; geen tegenstrijdige, zoals de goddeloze ketters beweren, maar Zijn volgzame menselijke wil, die niet weerstaat of zich verzet, maar eerder onderworpen is aan Zijn almachtige goddelijke wil".
B: (Acts 18) [b:Acts 18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 6 co.
Mijn antwoord. Er kan geen tegenstrijdigheid bestaan als men de tegenstelling niet in hetzelfde ding en onder hetzelfde opzicht beschouwt. Is er echter een verschil tussen verschillende dingen en onder verschillend opzicht, dan is dat niet voldoende voor een tegenstelling of tegenstrijdigheid, bv. als een mens schoon en gezond is wat zijn hand en niet wat zijn voet betreft. Er is dus om in iemand een tegenstrijdigheid van willen te hebben ten eerste noodzakelijk, dat het verschil in wil onder hetzelfde opzicht bestaat. Als namelijk de wil van de een erover gaat, dat iets moet gebeuren om een algemene reden en die van de ander over het niet moeten gebeuren van hetzelfde ding om een bijzondere reden, is er helemaal geen tegenstrijdigheid van willen. Bv. als een koning een rover wil laten ophangen om het algemene belang en een bloedverwant hem niet wil laten ophangen om een persoonlijke liefde, is er geen tegenstrijdigheid van wil, tenzij het willen van het bijzondere goed zover gaat, dat het aan het algemeen welzijn in de weg wil staan om het bijzondere goed te behouden; want dan zou de strijd tussen de willen onder hetzelfde opzicht worden beschouwd. Ten tweede is er voor tegenstrijdigheid van wil noodzakelijk, dat zij zich op dezelfde wil betrekt. Want als een mens met het redelijke streefvermogen een ding wil en met het zinnelijke iets anders, is er geen tegenstrijdigheid van wil, tenzij het zinnelijk streefvermogen zozeer overheerst, dat het het redelijke streefvermogen omkeert of minstens belemmert, want zo komt er iets van de tegengestelde beweging van het zinnelijk streefvermogen in de verstandelijke wil zelf. Wij moeten dus zeggen, dat al wilde in Christus de wil als natuurding en de wil der zinnelijkheid iets anders dan Zijn goddelijke en zijn als redelijk ding beschouwde menselijke wil, er toch in Hem geen tegenstrijdigheid van wil was. Ten eerste omdat noch zijn wil als natuurding noch Zijn zinnelijke wil de reden, waarom Zijn goddelijke en Zijn door menselijk verstand geleide wil het lijden aanvaardden, verwierpen. Want de zonder beperking beschouwde wil in Christus wilde het heil van het menselijk geslacht, maar had niet iets te willen in orde tot iets anders. De bewegingen der zinnelijkheid reikten zo ver niet. Ten tweede werden in Christus noch de goddelijke, noch de door de rede geleide wil tegengehouden of belemmerd door de natuurlijke of zinnelijke wil. Maar de goddelijke of redelijke wil in Christus weerhielden of belemmerden evenmin de bewegingen van de natuurlijke menselijke wil of der zinnelijkheid. Want Christus vond met Zijn goddelijke en redelijke wil goed, dat in Hem de natuurlijke wil en de wil der zinnelijkheid volgens de orde van Zijn natuur zich bewogen. Zo blijkt, dat er in Christus geen enkele strijd of tegenstelling tussen de willen was.
Mijn antwoord. Er kan geen tegenstrijdigheid bestaan als men de tegenstelling niet in hetzelfde ding en onder hetzelfde opzicht beschouwt. Is er echter een verschil tussen verschillende dingen en onder verschillend opzicht, dan is dat niet voldoende voor een tegenstelling of tegenstrijdigheid, bv. als een mens schoon en gezond is wat zijn hand en niet wat zijn voet betreft. Er is dus om in iemand een tegenstrijdigheid van willen te hebben ten eerste noodzakelijk, dat het verschil in wil onder hetzelfde opzicht bestaat. Als namelijk de wil van de een erover gaat, dat iets moet gebeuren om een algemene reden en die van de ander over het niet moeten gebeuren van hetzelfde ding om een bijzondere reden, is er helemaal geen tegenstrijdigheid van willen. Bv. als een koning een rover wil laten ophangen om het algemene belang en een bloedverwant hem niet wil laten ophangen om een persoonlijke liefde, is er geen tegenstrijdigheid van wil, tenzij het willen van het bijzondere goed zover gaat, dat het aan het algemeen welzijn in de weg wil staan om het bijzondere goed te behouden; want dan zou de strijd tussen de willen onder hetzelfde opzicht worden beschouwd. Ten tweede is er voor tegenstrijdigheid van wil noodzakelijk, dat zij zich op dezelfde wil betrekt. Want als een mens met het redelijke streefvermogen een ding wil en met het zinnelijke iets anders, is er geen tegenstrijdigheid van wil, tenzij het zinnelijk streefvermogen zozeer overheerst, dat het het redelijke streefvermogen omkeert of minstens belemmert, want zo komt er iets van de tegengestelde beweging van het zinnelijk streefvermogen in de verstandelijke wil zelf. Wij moeten dus zeggen, dat al wilde in Christus de wil als natuurding en de wil der zinnelijkheid iets anders dan Zijn goddelijke en zijn als redelijk ding beschouwde menselijke wil, er toch in Hem geen tegenstrijdigheid van wil was. Ten eerste omdat noch zijn wil als natuurding noch Zijn zinnelijke wil de reden, waarom Zijn goddelijke en Zijn door menselijk verstand geleide wil het lijden aanvaardden, verwierpen. Want de zonder beperking beschouwde wil in Christus wilde het heil van het menselijk geslacht, maar had niet iets te willen in orde tot iets anders. De bewegingen der zinnelijkheid reikten zo ver niet. Ten tweede werden in Christus noch de goddelijke, noch de door de rede geleide wil tegengehouden of belemmerd door de natuurlijke of zinnelijke wil. Maar de goddelijke of redelijke wil in Christus weerhielden of belemmerden evenmin de bewegingen van de natuurlijke menselijke wil of der zinnelijkheid. Want Christus vond met Zijn goddelijke en redelijke wil goed, dat in Hem de natuurlijke wil en de wil der zinnelijkheid volgens de orde van Zijn natuur zich bewogen. Zo blijkt, dat er in Christus geen enkele strijd of tegenstelling tussen de willen was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Dat een menselijke wil in Christus iets anders wilde dan Zijn goddelijke, kwam van de goddelijke wil zelf, door wiens goedvinden de menselijke natuur in Christus met haar eigen bewegingen bewogen werd, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 15e, 18e en 19e H.).
1e Weerlegging. Dat een menselijke wil in Christus iets anders wilde dan Zijn goddelijke, kwam van de goddelijke wil zelf, door wiens goedvinden de menselijke natuur in Christus met haar eigen bewegingen bewogen werd, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 15e, 18e en 19e H.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. In ons wordt door de begeerte van het vlees die van de geest belemmerd of weerhouden, maar zo was het in Christus niet. Daarom was er in Christus geen strijd van het vlees tegen de geest zoals in ons.
2e Weerlegging. In ons wordt door de begeerte van het vlees die van de geest belemmerd of weerhouden, maar zo was het in Christus niet. Daarom was er in Christus geen strijd van het vlees tegen de geest zoals in ons.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 18 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. In Christus was er geen doodsangst wat het redelijke deel der ziel betreft, in zover dit een strijd van willen om verschillende redenen meebrengt; zoals bijvoorbeeld wanneer iemand een ding wil, als de rede een overweging in aanmerking neemt, en iets anders bij een andere overweging. Want dat gebeurt om de zwakheid van het verstand, dat niet beoordelen kan wat zonder meer het beste is. Dat greep bij Christus niet plaats, omdat Hij met zijn verstand het zonder meer beter oordeelde, dat door Zijn lijden de goddelijke wil over de redding der mensen werd vervuld. Maar in Christus was er doodsangst wat het zinnelijke deel betreft in zover zij vrees voor het dreigende ongeluk insluit, zoals Damascenus zegt in het 3e boek (t. a. pl. 2e B., 15e H., 3e B., 18e en 23e H.).
3e Weerlegging. In Christus was er geen doodsangst wat het redelijke deel der ziel betreft, in zover dit een strijd van willen om verschillende redenen meebrengt; zoals bijvoorbeeld wanneer iemand een ding wil, als de rede een overweging in aanmerking neemt, en iets anders bij een andere overweging. Want dat gebeurt om de zwakheid van het verstand, dat niet beoordelen kan wat zonder meer het beste is. Dat greep bij Christus niet plaats, omdat Hij met zijn verstand het zonder meer beter oordeelde, dat door Zijn lijden de goddelijke wil over de redding der mensen werd vervuld. Maar in Christus was er doodsangst wat het zinnelijke deel betreft in zover zij vrees voor het dreigende ongeluk insluit, zoals Damascenus zegt in het 3e boek (t. a. pl. 2e B., 15e H., 3e B., 18e en 23e H.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 19: Over de eenheid van handelen bij Christus
IIIa q. 19 pr.
Vervolgens moeten wij over de eenheid van handelen bij Christus spreken. En hierover stellen wij ons vier vragen:
1. Bestond er in Christus één werkzaamheid van Zijn godheid en Zijn mensheid, of meerdere?
2. Bestond er in Christus naar de menselijke natuur een meer-voudig handelen?
3. Verdiende Christus iets voor zich door Zijn werkzaamheid als mens?
4. Verdiende Hij daardoor iets voor ons?
Vervolgens moeten wij over de eenheid van handelen bij Christus spreken. En hierover stellen wij ons vier vragen:
1. Bestond er in Christus één werkzaamheid van Zijn godheid en Zijn mensheid, of meerdere?
2. Bestond er in Christus naar de menselijke natuur een meer-voudig handelen?
3. Verdiende Christus iets voor zich door Zijn werkzaamheid als mens?
4. Verdiende Hij daardoor iets voor ons?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was er in Christus maar één werkzaamheid van Zijn godheid en Zijn mensheid?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 7 a. 1 ad 2
IIIa q. 19 a. 2 co.
IIIa q. 25 a. 1 arg. 2
IIIa q. 43 a. 2 co.
IIIa q. 64 a. 3 co.[t:iiia q. 7 a. 1 ad 2][t:iiia q. 19 a. 2 co.][t:iiia q. 25 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 43 a. 2 co.][t:iiia q. 64 a. 3 co.]
IIIa q. 19 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat er in Christus maar één werkzaamheid was van Zijn godheid en Zijn mensheid. Want Dionysius zegt in het 2e hoofdstuk Over de Namen van God: "Gods zeer goedhartige werkzaamheid ten opzichte van ons is hierom zo fijngevoelig, dat het Woord naar onze manier van bestaan en uit ons waarlijk en volledig mens is geworden, dat boven alle zelfstandigheid is; en Het doet en ondergaat, wat bij Zijn goddelijke en menselijke werkzaamheid past". Daar noemt hij dus een werkzaamheid de goddelijke en menselijke, die in het Griekse theandrica, dwz. godmenselijk wordt genoemd. Dus schijnt er maar een samengestelde werkzaamheid in Christus te zijn.
IIIa q. 7 a. 1 ad 2
IIIa q. 19 a. 2 co.
IIIa q. 25 a. 1 arg. 2
IIIa q. 43 a. 2 co.
IIIa q. 64 a. 3 co.[t:iiia q. 7 a. 1 ad 2][t:iiia q. 19 a. 2 co.][t:iiia q. 25 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 43 a. 2 co.][t:iiia q. 64 a. 3 co.]
IIIa q. 19 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat er in Christus maar één werkzaamheid was van Zijn godheid en Zijn mensheid. Want Dionysius zegt in het 2e hoofdstuk Over de Namen van God: "Gods zeer goedhartige werkzaamheid ten opzichte van ons is hierom zo fijngevoelig, dat het Woord naar onze manier van bestaan en uit ons waarlijk en volledig mens is geworden, dat boven alle zelfstandigheid is; en Het doet en ondergaat, wat bij Zijn goddelijke en menselijke werkzaamheid past". Daar noemt hij dus een werkzaamheid de goddelijke en menselijke, die in het Griekse theandrica, dwz. godmenselijk wordt genoemd. Dus schijnt er maar een samengestelde werkzaamheid in Christus te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De voornaamste werkoorzaak en het werktuig oefenen samen een enkele werkzaamheid uit. Nu was zoals boven is gezegd (2e Kw., 6e Art., 4e B.) de menselijke natuur in Christus het werktuig van Zijn goddelijke. Dus is er in Christus een werkzaamheid van de goddelijke en de menselijke natuur.
R: q. 7 a. 1 ad 3[t:iiia q. 7 a. 1 ad 3] q. 8 a. 1 ad 1[t:iiia q. 8 a. 1 ad 1] q. 18 a. 1 ad 2[t:iiia q. 18 a. 1 ad 2]
Vervolgens. De voornaamste werkoorzaak en het werktuig oefenen samen een enkele werkzaamheid uit. Nu was zoals boven is gezegd (2e Kw., 6e Art., 4e B.) de menselijke natuur in Christus het werktuig van Zijn goddelijke. Dus is er in Christus een werkzaamheid van de goddelijke en de menselijke natuur.
R: q. 7 a. 1 ad 3[t:iiia q. 7 a. 1 ad 3] q. 8 a. 1 ad 1[t:iiia q. 8 a. 1 ad 1] q. 18 a. 1 ad 2[t:iiia q. 18 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Omdat er in Christus twee naturen in een hypostase of persoon zijn, moet wat tot persoon of hypostase behoort een en hetzelfde zijn. Nu behoort het handelen tot de hypostase, want niets werkt tenzij een zelfstandig bestaande drager; daarom komen de handelingen zoals de Filosoof zegt aan de enkelingen toe. Dus is in Christus de werkzaamheid van de goddelijke en de menselijke natuur een en dezelfde.
Vervolgens. Omdat er in Christus twee naturen in een hypostase of persoon zijn, moet wat tot persoon of hypostase behoort een en hetzelfde zijn. Nu behoort het handelen tot de hypostase, want niets werkt tenzij een zelfstandig bestaande drager; daarom komen de handelingen zoals de Filosoof zegt aan de enkelingen toe. Dus is in Christus de werkzaamheid van de goddelijke en de menselijke natuur een en dezelfde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Evenals het zijn komt ook het handelen aan de zelfstandig bestaande hypostase toe. Nu is er in Christus om de eenheid van hypostase maar één zijn zoals boven is gezegd (17° Kw., 2° Art.). Dus om dezelfde eenheid ook één werkzaamheid.
R: q. 17 a. 2[t:iiia q. 17 a. 2]
Vervolgens. Evenals het zijn komt ook het handelen aan de zelfstandig bestaande hypostase toe. Nu is er in Christus om de eenheid van hypostase maar één zijn zoals boven is gezegd (17° Kw., 2° Art.). Dus om dezelfde eenheid ook één werkzaamheid.
R: q. 17 a. 2[t:iiia q. 17 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 1 arg. 5
Vervolgens. Waar er één door de handeling voortgebracht ding is, is er maar een werkzaamheid. Nu is wat door godheid en mensheid wordt voorgebracht, maar één ding als de genezing van de melaatse en het opwekken van de dode. Dus schijnt er in Christus maar één werkzaamheid van Godheid en mensheid te zijn.
Vervolgens. Waar er één door de handeling voortgebracht ding is, is er maar een werkzaamheid. Nu is wat door godheid en mensheid wordt voorgebracht, maar één ding als de genezing van de melaatse en het opwekken van de dode. Dus schijnt er in Christus maar één werkzaamheid van Godheid en mensheid te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Ambrosius in het 2e boek Aan Keizer Gratianus (8e H.) zegt: "Hoe zou dezelfde werkzaamheid uit verschillende macht voortkomen? Kan de mindere dan zo handelen als de meerdere? Of kan er één werkzaamheid zijn, waar er een verschillende zelfstandigheid is?"
Maar daartegenover staat, dat Ambrosius in het 2e boek Aan Keizer Gratianus (8e H.) zegt: "Hoe zou dezelfde werkzaamheid uit verschillende macht voortkomen? Kan de mindere dan zo handelen als de meerdere? Of kan er één werkzaamheid zijn, waar er een verschillende zelfstandigheid is?"
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (Vorige Kw., 1e Art.), namen de ketters, die één wil in Christus aannamen, ook maar een werkzaamheid in Hem aan. En om deze valse mening beter te begrijpen, moet men bedenken, dat waar er meerdere onderling geordende werkers zijn, de lagere door de hogere wordt bewogen, zoals het lichaam bij de mens door de ziel wordt bewogen en de lagere krachten door het verstand. Zo zijn de daden en bewegingen van het lagere beginsel eerder iets wat bewerkt wordt dan handelingen, maar wat tot het hoogste beginsel behoort is in eigenlijke zin een handeling. Zo kunnen wij bijvoorbeeld zeggen, dat wandelen wat van de voeten, en tasten wat van de handen komt, dingen zijn die de mens bewerkt, waarvan de ziel het ene door de voeten en het andere door de handen bewerkt; en omdat de ziel, die door beiden werkt dezelfde is, is er van de kant van wat handelt zelf, dat het eerste bewegende beginsel is, maar één niet onderscheiden handeling; maar het verschil vindt men van de kant van wat bewerkt wordt. Zoals nu in een mens zonder meer het lichaam door de ziel wordt bewogen en de lagere krachten door de redelijke, werd in de Heer Jesus Christus de menselijke natuur bewogen en bestuurd door de goddelijke. En daarom zeiden de ketters, dat van de kant der werkende godheid maar een niet verschillende werkzaamheid was, doch verschillende bewerkte dingen; in zover namelijk Christus’ godheid door zichzelf iets anders deed, zoals Zij "alles draagt door het woord van Haar kracht" (Brief aan de Hebreeën, 1, 3), dan zij deed door de menselijke natuur zoals zij in het lichaam wandelde. Daarom worden in de Zesde Kerkvergadering deze woorden van de ketter Severus aangehaald: "Wat door de ene Christus werd gedaan en bewerkt, verschilt in vele opzichten. Want sommige dingen moet men aan God toeschrijven en sommige zijn menselijk. Zo is lichamelijk over de aarde wandelen ongetwijfeld menselijk, maar aan verlamde benen, die in het geheel niet op de grond konden wandelen, het gezonde gaan te geven moet men aan God toeschrijven. Maar één zijnde, namelijk het mensgeworden Woord, bewerkte zowel het ene als het ander; en beide dingen mag men in het geheel niet aan verschillende naturen toeschrijven. En omdat er nu verschillende dingen zijn bewerkt, hebben wij toch geen recht om twee handelende naturen en vormen te leren". Maar hierin vergisten zij zich. Want er is een dubbele handeling van wat door een ander wordt bewogen: een die het heeft door de eigen vorm, en een die het heeft in zover het door een ander wordt bewogen. Zo is het werken van een zaag krachtens de eigen vorm het insnijden, maar in zover deze door de werkman wordt bewogen, is zijn handeling het maken van een bank. De handeling dus, die aan een ding krachtens de eigen vorm toekomt, is eraan eigen en behoort niet aan de beweger, tenzij in zover deze er gebruik van maakt voor zijn eigen handeling. Zo is het verwarmen de eigen handeling van het vuur en niet van de smid, tenzij in zover hij het gebruikt om het ijzer te verwarmen. De handeling echter die een ding alleen in zover het door iets anders bewogen wordt heeft, verschilt niet van de handeling van wat het beweegt, zoals het maken van de bank geen handeling van de zaag is buiten de handeling van de werkman om. Overal waar dus de beweger en wat bewogen wordt verschillende vormen en krachten hebben, moet er een eigen werking van de beweger zijn verschillend van die van wat bewogen wordt; en zo handelen beiden in vereniging met de ander. Nu heeft de menselijke natuur in Christus dus een eigen vorm en kracht, waardoor zij werkt en de goddelijke eveneens. De menselijke natuur heeft dus een eigen werkzaamheid, die van die der godheid onderscheiden is en omgekeerd. Maar toch gebruikt de goddelijke natuur de werkzaamheid der menselijke als die van haar werktuig, en evenzo deelt de menselijke natuur in die der goddelijke, zoals een werktuig deel heeft aan de werkzaamheid van de voornaamste werkoorzaak. En dat is het, wat Paus Leo in de Brief aan Flavianus (28° Br., 4° H.) zegt: "ieder van beide vormen, (namelijk zoowel de goddelijke als de menselijke natuur in Christus) doet in vereniging met de andere, wat haar eigen is, doordat het Woord doet wat eigen is aan het Woord en het vlees uitvoert, wat aan het vlees past". Was er dus in Christus maar een werkzaamheid van Godheid en mensheid, dan zou men ofwel moeten zeggen, dat de menselijke natuur geen eigen vorm en kracht heeft (want het is onmogelijk dit van de goddelijke te zeggen), waaruit zou volgen, dat alleen de goddelijke werkzaamheid in Christus bestond; of dat er in Christus een kracht was uit de goddelijke en menselijke samengesteld. Elk hiervan is onmogelijk, want het eerste houdt in, dat de menselijke natuur in Christus onvolmaakt was en het tweede stelt een vermenging der naturen voor. Daarom is deze mening terecht in de Zesde Kerkvergadering veroordeeld want in de bepalingen ervan lezen wij: "In dezelfde Heer Jesus Christus, onze ware God, verheerlijken wij onverdeeld, onveranderlijk, onvermengd en onscheidbaar twee natuurlijke werkzaamheden", namelijk een goddelijke en een menselijke.
B: (Acts 10) [b:Acts 10]
R: q. 18 a. 1[t:iiia q. 18 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (Vorige Kw., 1e Art.), namen de ketters, die één wil in Christus aannamen, ook maar een werkzaamheid in Hem aan. En om deze valse mening beter te begrijpen, moet men bedenken, dat waar er meerdere onderling geordende werkers zijn, de lagere door de hogere wordt bewogen, zoals het lichaam bij de mens door de ziel wordt bewogen en de lagere krachten door het verstand. Zo zijn de daden en bewegingen van het lagere beginsel eerder iets wat bewerkt wordt dan handelingen, maar wat tot het hoogste beginsel behoort is in eigenlijke zin een handeling. Zo kunnen wij bijvoorbeeld zeggen, dat wandelen wat van de voeten, en tasten wat van de handen komt, dingen zijn die de mens bewerkt, waarvan de ziel het ene door de voeten en het andere door de handen bewerkt; en omdat de ziel, die door beiden werkt dezelfde is, is er van de kant van wat handelt zelf, dat het eerste bewegende beginsel is, maar één niet onderscheiden handeling; maar het verschil vindt men van de kant van wat bewerkt wordt. Zoals nu in een mens zonder meer het lichaam door de ziel wordt bewogen en de lagere krachten door de redelijke, werd in de Heer Jesus Christus de menselijke natuur bewogen en bestuurd door de goddelijke. En daarom zeiden de ketters, dat van de kant der werkende godheid maar een niet verschillende werkzaamheid was, doch verschillende bewerkte dingen; in zover namelijk Christus’ godheid door zichzelf iets anders deed, zoals Zij "alles draagt door het woord van Haar kracht" (Brief aan de Hebreeën, 1, 3), dan zij deed door de menselijke natuur zoals zij in het lichaam wandelde. Daarom worden in de Zesde Kerkvergadering deze woorden van de ketter Severus aangehaald: "Wat door de ene Christus werd gedaan en bewerkt, verschilt in vele opzichten. Want sommige dingen moet men aan God toeschrijven en sommige zijn menselijk. Zo is lichamelijk over de aarde wandelen ongetwijfeld menselijk, maar aan verlamde benen, die in het geheel niet op de grond konden wandelen, het gezonde gaan te geven moet men aan God toeschrijven. Maar één zijnde, namelijk het mensgeworden Woord, bewerkte zowel het ene als het ander; en beide dingen mag men in het geheel niet aan verschillende naturen toeschrijven. En omdat er nu verschillende dingen zijn bewerkt, hebben wij toch geen recht om twee handelende naturen en vormen te leren". Maar hierin vergisten zij zich. Want er is een dubbele handeling van wat door een ander wordt bewogen: een die het heeft door de eigen vorm, en een die het heeft in zover het door een ander wordt bewogen. Zo is het werken van een zaag krachtens de eigen vorm het insnijden, maar in zover deze door de werkman wordt bewogen, is zijn handeling het maken van een bank. De handeling dus, die aan een ding krachtens de eigen vorm toekomt, is eraan eigen en behoort niet aan de beweger, tenzij in zover deze er gebruik van maakt voor zijn eigen handeling. Zo is het verwarmen de eigen handeling van het vuur en niet van de smid, tenzij in zover hij het gebruikt om het ijzer te verwarmen. De handeling echter die een ding alleen in zover het door iets anders bewogen wordt heeft, verschilt niet van de handeling van wat het beweegt, zoals het maken van de bank geen handeling van de zaag is buiten de handeling van de werkman om. Overal waar dus de beweger en wat bewogen wordt verschillende vormen en krachten hebben, moet er een eigen werking van de beweger zijn verschillend van die van wat bewogen wordt; en zo handelen beiden in vereniging met de ander. Nu heeft de menselijke natuur in Christus dus een eigen vorm en kracht, waardoor zij werkt en de goddelijke eveneens. De menselijke natuur heeft dus een eigen werkzaamheid, die van die der godheid onderscheiden is en omgekeerd. Maar toch gebruikt de goddelijke natuur de werkzaamheid der menselijke als die van haar werktuig, en evenzo deelt de menselijke natuur in die der goddelijke, zoals een werktuig deel heeft aan de werkzaamheid van de voornaamste werkoorzaak. En dat is het, wat Paus Leo in de Brief aan Flavianus (28° Br., 4° H.) zegt: "ieder van beide vormen, (namelijk zoowel de goddelijke als de menselijke natuur in Christus) doet in vereniging met de andere, wat haar eigen is, doordat het Woord doet wat eigen is aan het Woord en het vlees uitvoert, wat aan het vlees past". Was er dus in Christus maar een werkzaamheid van Godheid en mensheid, dan zou men ofwel moeten zeggen, dat de menselijke natuur geen eigen vorm en kracht heeft (want het is onmogelijk dit van de goddelijke te zeggen), waaruit zou volgen, dat alleen de goddelijke werkzaamheid in Christus bestond; of dat er in Christus een kracht was uit de goddelijke en menselijke samengesteld. Elk hiervan is onmogelijk, want het eerste houdt in, dat de menselijke natuur in Christus onvolmaakt was en het tweede stelt een vermenging der naturen voor. Daarom is deze mening terecht in de Zesde Kerkvergadering veroordeeld want in de bepalingen ervan lezen wij: "In dezelfde Heer Jesus Christus, onze ware God, verheerlijken wij onverdeeld, onveranderlijk, onvermengd en onscheidbaar twee natuurlijke werkzaamheden", namelijk een goddelijke en een menselijke.
B: (Acts 10) [b:Acts 10]
R: q. 18 a. 1[t:iiia q. 18 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Dionysius neemt in Christus een theandrische of godmannelijke of godmenselijke werkzaamheid aan, niet door een vermenging van de werkzaamheid of de krachten van beide naturen, maar hierdoor dat Zijn goddelijke werkzaamheid Zijn menselijke gebruikt en de menselijke deelt in de kracht van de goddelijke. Zoals hijzelf daarom in een Brief zegt (4e Brief aan Caius), "deed Hij bovenmenselijk datgene wat de mens eigen is, wat de Maagd, die bovennatuurlijk baart, en het water dat de zwaarte van aardse voeten draagt, aantonen". Want het is duidelijk, dat het aan de menselijke natuur eigen is ontvangen te worden en ook te wandelen, maar beiden gebeurden in Christus op bovennatuurlijke wijze. Goddelijke dingen deed Hij evenzo op menselijke manier, want Hij genas een melaatse door hem aan te raken. Daarom voegt hij er in dezelfde Brief aan toe: "Maar toen God mens was geworden, (deed Hij dat) met een nieuwe werkzaamheid van God en mens". Dat hij echter begreep, dat er twee werkzaamheden in Christus zijn, een van de goddelijke en een van de menselijke natuur, blijkt uit wat staat in het 2e hoofdstuk Over de Namen van God, waar hij zegt, dat de Vader en de H. Geest "in geen enkel opzicht delen in wat tot Zijn menselijke werkzaamheid behoort, tenzij iemand dat zo zou noemen naar Hun wil vol goedheid en barmhartigheid", in zover namelijk de Vader en de H. Geest uit barmhartigheid wilden, dat Christus deed en onderging wat de mens past. Maar hij voegt er achter: "en de gehele hoog verheven en onuitsprekelijke werkzaamheid Gods, die Hij nog uitoefende, toen Hij aan ons gelijk was geworden, omdat Hij als God en Gods Woord onveranderlijk was". Zo blijkt het, dat er verschil is tussen Zijn menselijke werkzaamheid, waarin de Vader en de H. Geest alleen delen door haar om Hun barmhartigheid te aanvaarden en Zijn werkzaamheid in zover Hij Gods Woord is, waarin de Vader en de H. Geest wel delen.
1e Weerlegging. Dionysius neemt in Christus een theandrische of godmannelijke of godmenselijke werkzaamheid aan, niet door een vermenging van de werkzaamheid of de krachten van beide naturen, maar hierdoor dat Zijn goddelijke werkzaamheid Zijn menselijke gebruikt en de menselijke deelt in de kracht van de goddelijke. Zoals hijzelf daarom in een Brief zegt (4e Brief aan Caius), "deed Hij bovenmenselijk datgene wat de mens eigen is, wat de Maagd, die bovennatuurlijk baart, en het water dat de zwaarte van aardse voeten draagt, aantonen". Want het is duidelijk, dat het aan de menselijke natuur eigen is ontvangen te worden en ook te wandelen, maar beiden gebeurden in Christus op bovennatuurlijke wijze. Goddelijke dingen deed Hij evenzo op menselijke manier, want Hij genas een melaatse door hem aan te raken. Daarom voegt hij er in dezelfde Brief aan toe: "Maar toen God mens was geworden, (deed Hij dat) met een nieuwe werkzaamheid van God en mens". Dat hij echter begreep, dat er twee werkzaamheden in Christus zijn, een van de goddelijke en een van de menselijke natuur, blijkt uit wat staat in het 2e hoofdstuk Over de Namen van God, waar hij zegt, dat de Vader en de H. Geest "in geen enkel opzicht delen in wat tot Zijn menselijke werkzaamheid behoort, tenzij iemand dat zo zou noemen naar Hun wil vol goedheid en barmhartigheid", in zover namelijk de Vader en de H. Geest uit barmhartigheid wilden, dat Christus deed en onderging wat de mens past. Maar hij voegt er achter: "en de gehele hoog verheven en onuitsprekelijke werkzaamheid Gods, die Hij nog uitoefende, toen Hij aan ons gelijk was geworden, omdat Hij als God en Gods Woord onveranderlijk was". Zo blijkt het, dat er verschil is tussen Zijn menselijke werkzaamheid, waarin de Vader en de H. Geest alleen delen door haar om Hun barmhartigheid te aanvaarden en Zijn werkzaamheid in zover Hij Gods Woord is, waarin de Vader en de H. Geest wel delen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Iets wordt werktuig genoemd, omdat het door de voornaamste werkoorzaak wordt bewogen, maar behalve dat kan het toch naar de eigen vorm een eigen werkzaamheid bezitten, zoals van het vuur is gezegd (in de Leerstelling). Zo is de werkzaamheid van een werktuig precies als werktuig geen andere dan die van de voornaamste werkoorzaak, maar het kan als een bepaald ding een eigen werkzaamheid bezitten. Zo is de werkzaamheid van de menselijke natuur in Christus, in zover zij een werktuig der godheid is, geen andere dan de werkzaamheid der godheid, want de redding waardoor Christus’ mensheid ons redt en die der godheid zijn geen anderen. Maar de menselijke natuur in Christus heeft als een bepaalde natuur een eigen werkzaamheid buiten de goddelijke zoals is gezegd.
2e Weerlegging. Iets wordt werktuig genoemd, omdat het door de voornaamste werkoorzaak wordt bewogen, maar behalve dat kan het toch naar de eigen vorm een eigen werkzaamheid bezitten, zoals van het vuur is gezegd (in de Leerstelling). Zo is de werkzaamheid van een werktuig precies als werktuig geen andere dan die van de voornaamste werkoorzaak, maar het kan als een bepaald ding een eigen werkzaamheid bezitten. Zo is de werkzaamheid van de menselijke natuur in Christus, in zover zij een werktuig der godheid is, geen andere dan de werkzaamheid der godheid, want de redding waardoor Christus’ mensheid ons redt en die der godheid zijn geen anderen. Maar de menselijke natuur in Christus heeft als een bepaalde natuur een eigen werkzaamheid buiten de goddelijke zoals is gezegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het handelen komt wel aan de zelfstandig bestaande hypostase toe, maar door de vorm en de natuur, waardoor de handeling haar bepaalde aard krijgt. Daarom is er door het verschil van vormen of naturen een soortelijk verschil in het handelen, maar van de eenheid der hypostase komt de eenheid van getal in de soortelijke werkzaamheid. Zo heeft het vuur een dubbel en in soort verschillend handelen, namelijk verlichten en verwarmen om het verschil tussen warmte en licht, maar als het vuur eenmaal verlicht is er in getal maar een verlichting. Evenzo moeten er in Christus een dubbel en in soort verschillend handelen zijn naar Zijn twee naturen, maar elk handelen is in Christus een in getal als het eenmaal geschiedt als een genezing en een wandeling.
B: (Acts 18) [b:Acts 18]
3e Weerlegging. Het handelen komt wel aan de zelfstandig bestaande hypostase toe, maar door de vorm en de natuur, waardoor de handeling haar bepaalde aard krijgt. Daarom is er door het verschil van vormen of naturen een soortelijk verschil in het handelen, maar van de eenheid der hypostase komt de eenheid van getal in de soortelijke werkzaamheid. Zo heeft het vuur een dubbel en in soort verschillend handelen, namelijk verlichten en verwarmen om het verschil tussen warmte en licht, maar als het vuur eenmaal verlicht is er in getal maar een verlichting. Evenzo moeten er in Christus een dubbel en in soort verschillend handelen zijn naar Zijn twee naturen, maar elk handelen is in Christus een in getal als het eenmaal geschiedt als een genezing en een wandeling.
B: (Acts 18) [b:Acts 18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Zijn en werken krijgt de persoon van de natuur, maar verschillend. Want het zijn behoort tot de vorming zelf van de persoon, en gedraagt zich dus in dit opzicht als een eindterm. Dus eist de eenheid van persoon de eenheid van het volledige en persoonlijke zijn zelf. Maar het handelen is een uitwerking van de persoon volgens een natuur of vorm. Daarom doet de veelvoudigheid van het handelen niets af aan de eenheid van de persoon.
4e Weerlegging. Zijn en werken krijgt de persoon van de natuur, maar verschillend. Want het zijn behoort tot de vorming zelf van de persoon, en gedraagt zich dus in dit opzicht als een eindterm. Dus eist de eenheid van persoon de eenheid van het volledige en persoonlijke zijn zelf. Maar het handelen is een uitwerking van de persoon volgens een natuur of vorm. Daarom doet de veelvoudigheid van het handelen niets af aan de eenheid van de persoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 1 ad 5
Ad quintum Wat de goddelijke en de menselijke werkzaamheid in Christus eigenlijk uitwerken verschilt, zoals wat de goddelijke werkzaamheid eigenlijk uitwerkt het genezen van de melaatse, en dat wat de menselijke werkzaamheid doet, het aanraken is. Maar dit dubbele handelen werkt samen om een ding te bewerken, in zover de ene natuur handelt in vereniging met de andere, zoals is gezegd (in de Leerstelling).
Ad quintum Wat de goddelijke en de menselijke werkzaamheid in Christus eigenlijk uitwerken verschilt, zoals wat de goddelijke werkzaamheid eigenlijk uitwerkt het genezen van de melaatse, en dat wat de menselijke werkzaamheid doet, het aanraken is. Maar dit dubbele handelen werkt samen om een ding te bewerken, in zover de ene natuur handelt in vereniging met de andere, zoals is gezegd (in de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is er in Christus een meervoudig menselijk handelen?
IIIa q. 19 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat er in Christus een meervoudig menselijk handelen is. Want Christus deelt als mens met de planten in de natuur die zich voedt, met de dieren in de zintuiglijke natuur, en met de engelen in de verstandelijke natuur, zoals ook de andere mensen. Nu heeft de plant als plant een andere werkzaamheid dan het dier als dier. Dus had Christus als mens een meervoudig handelen.
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat er in Christus een meervoudig menselijk handelen is. Want Christus deelt als mens met de planten in de natuur die zich voedt, met de dieren in de zintuiglijke natuur, en met de engelen in de verstandelijke natuur, zoals ook de andere mensen. Nu heeft de plant als plant een andere werkzaamheid dan het dier als dier. Dus had Christus als mens een meervoudig handelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De vermogens en gewoonten worden naar de daden onderscheiden. Nu waren er in Christus’ ziel meerdere vermogens en verschillende gewoonten. Dus ook verschillend handelen.
Vervolgens. De vermogens en gewoonten worden naar de daden onderscheiden. Nu waren er in Christus’ ziel meerdere vermogens en verschillende gewoonten. Dus ook verschillend handelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Werktuigen moeten aan de werkzaamheden beantwoorden. Nu heeft het menselijk lichaam verschillende ledematen, die in vorm verschillen. Dus zijn die aan verschillende werkzaamheden secundum quod una natura agit cum communione alterius, ut dictum est (in corp. art.). aangepast. Dus is er in Christus naar de menselijke natuur meervoudig handelen.
Vervolgens. Werktuigen moeten aan de werkzaamheden beantwoorden. Nu heeft het menselijk lichaam verschillende ledematen, die in vorm verschillen. Dus zijn die aan verschillende werkzaamheden secundum quod una natura agit cum communione alterius, ut dictum est (in corp. art.). aangepast. Dus is er in Christus naar de menselijke natuur meervoudig handelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 15e en 16e H.) zegt: "Het werken volgt uit de natuur". Nu is er in Christus maar een menselijke natuur en dus ook maar een werkzaamheid als mens.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 15e en 16e H.) zegt: "Het werken volgt uit de natuur". Nu is er in Christus maar een menselijke natuur en dus ook maar een werkzaamheid als mens.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 2 co.
Mijn antwoord. Omdat de mens een door de rede beheerst iets is, noemen wij die werkzaamheid zonder beperking menselijk, die door de wil, die het redelijk streefvermogen is, uit het verstand voortkomt. Is er echter in de mens een werkzaamheid, die niet uit verstand en wil voortkomt, dan noemen wij die niet zonder meer menselijk, maar dan komt zij de mens toe krachtens een deel der menselijke natuur; en dans soms krachtens de natuur zelf der stoffelijke elementen zoals het omlaag getrokken worden, soms naar de krachten van de plantaardige ziel zoals het zich voeden en groeien, en soms naar het zintuiglijke gedeelte, zoals zien en horen, zich verbeelden en zich herinneren, begeren en vertoornd worden. Nu bestaat er een verschil tussen deze werkzaamheden. Want die der zintuiglijke ziel gehoorzamen enigszins aan de rede, en zijn dus tot op zekere hoogte redelijk en menselijk in zover zij zich naar het verstand voegen, zoals de Filosoof in het 1e boek Over de Zedeleer (13e H., n. 15 en vlgd.) bewijst. Maar de werkzaamheden, die uit de plantaardige ziel of uit de natuur der stoffelijke elementen voortkomen, gehoorzamen niet aan de rede, en zijn dus in geen enkel opzicht redelijk, en niet zonder meer van de mens, maar alleen naar een deel der menselijke natuur. Nu is boven gezegd (Vorig Art.), dat als een lager staande werker krachtens zijn eigen vorm werkt er verschil is tussen de werkzaamheid van de lager en van de hoger staande werker; maar als de lager staande alleen werkt voor zover hij door de hoger staande bewogen wordt, is de werkzaamheid van de lager en de hoger staande dezelfde. Zo is er dus in iedereen, die niets meer is dan een mens, een verschil tussen de werkzaamheid van de stoffelijke elementen en de plantaardige ziel en die van de wil, die in eigenlijken zin menselijk is. Evenzo is het gesteld met die van de zintuiglijke ziel, in zover zij door de rede niet bewogen wordt, maar voor zover zij wel door de rede wordt geleid, is de werkzaamheid van het zintuiglijke en redelijke gedeelte dezelfde. De redelijke ziel zelf heeft maar een werkzaamheid, als wij dat naar het beginsel zelf der werkzaamheid, de rede of de wil, afmeten; maar er komt een verschil door de verhouding tot de voorwerpen, waarop de werkzaamheid zich richt. Dit verschil noemden sommigen liever het verschil in wat bewerkt wordt dan het verschil in werkzaamheid, omdat zij over de eenheid van de werkzaamheid alleen oordelen gerekend van de kant van het beginsel der werkzaamheid; en zo vragen wij nu naar eenheid of meervoudigheid van de werkzaamheid in Christus. Zo is er dus in ieder mens-zonder-meer maar een werkzaamheid, die in eigenlijken zin menselijk wordt genoemd; maar behalve die zijn er in zo’n mens andere soorten van handelen, die zoals gezegd werd niet in eigenlijken zin menselijk zijn. Maar in de mens Jesus Christus was er geen beweging in het zinnelijke gedeelte, die niet door het verstand geregeld was; en ook het natuurlijke en lichamelijke handelen was tot op zekere hoogte van Zijn wil afhankelijk, in zover het krachtens Zijn wil gebeurde, dat "Zijn vlees deed en onderging, wat eraan eigen was", zoals boven is gezegd (18° Kw., 5° Art.). En daarom is er in Christus veel meer dan ieder ander mens maar een werkzaamheid.
R: q. 19 a. 1[t:iiia q. 19 a. 1] q. 18 a. 5[t:iiia q. 18 a. 5]
Mijn antwoord. Omdat de mens een door de rede beheerst iets is, noemen wij die werkzaamheid zonder beperking menselijk, die door de wil, die het redelijk streefvermogen is, uit het verstand voortkomt. Is er echter in de mens een werkzaamheid, die niet uit verstand en wil voortkomt, dan noemen wij die niet zonder meer menselijk, maar dan komt zij de mens toe krachtens een deel der menselijke natuur; en dans soms krachtens de natuur zelf der stoffelijke elementen zoals het omlaag getrokken worden, soms naar de krachten van de plantaardige ziel zoals het zich voeden en groeien, en soms naar het zintuiglijke gedeelte, zoals zien en horen, zich verbeelden en zich herinneren, begeren en vertoornd worden. Nu bestaat er een verschil tussen deze werkzaamheden. Want die der zintuiglijke ziel gehoorzamen enigszins aan de rede, en zijn dus tot op zekere hoogte redelijk en menselijk in zover zij zich naar het verstand voegen, zoals de Filosoof in het 1e boek Over de Zedeleer (13e H., n. 15 en vlgd.) bewijst. Maar de werkzaamheden, die uit de plantaardige ziel of uit de natuur der stoffelijke elementen voortkomen, gehoorzamen niet aan de rede, en zijn dus in geen enkel opzicht redelijk, en niet zonder meer van de mens, maar alleen naar een deel der menselijke natuur. Nu is boven gezegd (Vorig Art.), dat als een lager staande werker krachtens zijn eigen vorm werkt er verschil is tussen de werkzaamheid van de lager en van de hoger staande werker; maar als de lager staande alleen werkt voor zover hij door de hoger staande bewogen wordt, is de werkzaamheid van de lager en de hoger staande dezelfde. Zo is er dus in iedereen, die niets meer is dan een mens, een verschil tussen de werkzaamheid van de stoffelijke elementen en de plantaardige ziel en die van de wil, die in eigenlijken zin menselijk is. Evenzo is het gesteld met die van de zintuiglijke ziel, in zover zij door de rede niet bewogen wordt, maar voor zover zij wel door de rede wordt geleid, is de werkzaamheid van het zintuiglijke en redelijke gedeelte dezelfde. De redelijke ziel zelf heeft maar een werkzaamheid, als wij dat naar het beginsel zelf der werkzaamheid, de rede of de wil, afmeten; maar er komt een verschil door de verhouding tot de voorwerpen, waarop de werkzaamheid zich richt. Dit verschil noemden sommigen liever het verschil in wat bewerkt wordt dan het verschil in werkzaamheid, omdat zij over de eenheid van de werkzaamheid alleen oordelen gerekend van de kant van het beginsel der werkzaamheid; en zo vragen wij nu naar eenheid of meervoudigheid van de werkzaamheid in Christus. Zo is er dus in ieder mens-zonder-meer maar een werkzaamheid, die in eigenlijken zin menselijk wordt genoemd; maar behalve die zijn er in zo’n mens andere soorten van handelen, die zoals gezegd werd niet in eigenlijken zin menselijk zijn. Maar in de mens Jesus Christus was er geen beweging in het zinnelijke gedeelte, die niet door het verstand geregeld was; en ook het natuurlijke en lichamelijke handelen was tot op zekere hoogte van Zijn wil afhankelijk, in zover het krachtens Zijn wil gebeurde, dat "Zijn vlees deed en onderging, wat eraan eigen was", zoals boven is gezegd (18° Kw., 5° Art.). En daarom is er in Christus veel meer dan ieder ander mens maar een werkzaamheid.
R: q. 19 a. 1[t:iiia q. 19 a. 1] q. 18 a. 5[t:iiia q. 18 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Zoals werd gezegd (in de Leerstelling), is de werkzaamheid van het zinnelijke en zich voedende gedeelte niet in eigenlijke zin menselijk. Toch waren deze werkzaamheden in Christus meer menselijk dan in anderen.
1e Weerlegging. Zoals werd gezegd (in de Leerstelling), is de werkzaamheid van het zinnelijke en zich voedende gedeelte niet in eigenlijke zin menselijk. Toch waren deze werkzaamheden in Christus meer menselijk dan in anderen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Vermogens en gewoonten worden in verhouding tot hun daden onderscheiden en daarom beantwoordt het verschil in werkzaamheid op deze manier aan een verschil in de vermogens en gewoonten als aan een verschil in de voorwerpen van het handelen. Maar zulk een verschil in werkzaamheid bedoelen wij bij Christus ook niet uit te sluiten, evenmin als het verschil door een ander tijdstip, maar zoals werd gezegd (t. a. pl.), alleen het verschil om een ander werkend beginsel. En hiermee is ook het antwoord op de derde bedenking gegeven.
2e Weerlegging. Vermogens en gewoonten worden in verhouding tot hun daden onderscheiden en daarom beantwoordt het verschil in werkzaamheid op deze manier aan een verschil in de vermogens en gewoonten als aan een verschil in de voorwerpen van het handelen. Maar zulk een verschil in werkzaamheid bedoelen wij bij Christus ook niet uit te sluiten, evenmin als het verschil door een ander tijdstip, maar zoals werd gezegd (t. a. pl.), alleen het verschil om een ander werkend beginsel. En hiermee is ook het antwoord op de derde bedenking gegeven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Konden Christus’ menselijke daden voor Hem verdienstelijk zijn?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 22 a. 4 arg. 2
IIIa q. 34 a. 4 ad 1[t:iiia q. 22 a. 4 arg. 2][t:iiia q. 34 a. 4 ad 1]
IIIa q. 19 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus’ menselijke daden voor Hem niet verdienstelijk konden zijn. Want reeds voor Zijn dood was Christus zoals Hij nu is, iemand die de hemel had bereikt. Nu kan zo iemand niet verdienen, want diens liefde behoort tot het loon der zaligheid, omdat het genieten daarin wortelt; en daarom schijnt zij geen beginsel van verdienste meer te zijn, omdat een en hetzelfde ding geen verdienste en loon kan zijn. Dus verdiende Christus door Zijn lijden niet, zoals ook nu niet.
IIIa q. 22 a. 4 arg. 2
IIIa q. 34 a. 4 ad 1[t:iiia q. 22 a. 4 arg. 2][t:iiia q. 34 a. 4 ad 1]
IIIa q. 19 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus’ menselijke daden voor Hem niet verdienstelijk konden zijn. Want reeds voor Zijn dood was Christus zoals Hij nu is, iemand die de hemel had bereikt. Nu kan zo iemand niet verdienen, want diens liefde behoort tot het loon der zaligheid, omdat het genieten daarin wortelt; en daarom schijnt zij geen beginsel van verdienste meer te zijn, omdat een en hetzelfde ding geen verdienste en loon kan zijn. Dus verdiende Christus door Zijn lijden niet, zoals ook nu niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Niemand verdient datgene waarop hij reeds recht heeft. Omdat Christus nu van nature Gods Zoon is, heeft Hij recht op de eeuwige erfenis, die andere mensen zich door goede werken verdienen. Dus kon Christus, die van het begin af Gods Zoon was, niets voor zich verdienen.
Vervolgens. Niemand verdient datgene waarop hij reeds recht heeft. Omdat Christus nu van nature Gods Zoon is, heeft Hij recht op de eeuwige erfenis, die andere mensen zich door goede werken verdienen. Dus kon Christus, die van het begin af Gods Zoon was, niets voor zich verdienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Iedereen die het belangrijkste van iets heeft, verdient niet in eigenlijke zin wat uit het bezit ervan volgt. Nu had Christus de heerlijkheid der ziel, waaruit naar de gewone orde de verheerlijking van het lichaam volgt, zoals Augustinus in de Brief aan Dioscorus (118e Br., 3e H.) zegt; alleen gebeurde het bij Christus krachtens een bijzondere bepaling, dat de verheerlijking der ziel niet op het lichaam overvloeide. Dus verdiende Christus de verheerlijking van het lichaam niet.
Vervolgens. Iedereen die het belangrijkste van iets heeft, verdient niet in eigenlijke zin wat uit het bezit ervan volgt. Nu had Christus de heerlijkheid der ziel, waaruit naar de gewone orde de verheerlijking van het lichaam volgt, zoals Augustinus in de Brief aan Dioscorus (118e Br., 3e H.) zegt; alleen gebeurde het bij Christus krachtens een bijzondere bepaling, dat de verheerlijking der ziel niet op het lichaam overvloeide. Dus verdiende Christus de verheerlijking van het lichaam niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 3 arg. 4
Vervolgens. De openbaring van Christus' boven alles uitstekende volmaaktheid is niet voor Christus zelf iets goeds, maar voor hen die Hem kennen; en daarom wordt aan hen die Christus beminnen als loon beloofd, dat Hij hun zal geopenbaard worden volgens Joannes (14, 21): "Als iemand Mij bemint, zal hij door de Vader bemind worden, en Ik zal hem beminnen en mij aan hem openbaren". Daarom verdiende Christus de openbaring van Zijn verhevenheid niet.
B: (John 14:21, John 14:21) [b:John 14:21]
Vervolgens. De openbaring van Christus' boven alles uitstekende volmaaktheid is niet voor Christus zelf iets goeds, maar voor hen die Hem kennen; en daarom wordt aan hen die Christus beminnen als loon beloofd, dat Hij hun zal geopenbaard worden volgens Joannes (14, 21): "Als iemand Mij bemint, zal hij door de Vader bemind worden, en Ik zal hem beminnen en mij aan hem openbaren". Daarom verdiende Christus de openbaring van Zijn verhevenheid niet.
B: (John 14:21, John 14:21) [b:John 14:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Philippensebrief (2, 8 en 9) zegt: "Hij is gehoorzaam geworden tot aan de dood; daarom heeft God Hem verheven". Dus verdiende Hij Zijn verheffing door te gehoorzamen, en zo verdiende Hij iets voor zichzelf.
B: (Phil 2:8) [b:Phil 2:8] (Phil 2:9) [b:Phil 2:9]
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Philippensebrief (2, 8 en 9) zegt: "Hij is gehoorzaam geworden tot aan de dood; daarom heeft God Hem verheven". Dus verdiende Hij Zijn verheffing door te gehoorzamen, en zo verdiende Hij iets voor zichzelf.
B: (Phil 2:8) [b:Phil 2:8] (Phil 2:9) [b:Phil 2:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 3 co.
Mijn antwoord. Door zichzelf iets goeds te bezitten is edeler dan het door een ander te hebben, want "de oorzaak die door zichzelf iets is, staat altijd hoger dan wat door iets anders datzelfde is", zoals in het 8e boek Over de Physica (5e H., n. 7) wordt gezegd. Wanneer nu iemand voor zichzelf oorzaak van iets is, zegt men dat hij door zichzelf iets bezit. Nu is God door Zijn macht de eerste oorzaak van al ons goed, en zo heeft geen enkel schepsel iets goeds door zichzelf, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (4, 7): "Wat hebt u, dat u niet ontvangen hebt?" Maar op een bijkomstige manier kan iemand voor zichzelf oorzaak zijn van het bezitten van iets goeds, in zover hij namelijk daarin met God meewerkt. En zo heeft wie iets door eigen verdienste bezit, dat in zekere zin door zichzelf. Daarom staat het hoger iets door verdiensten te bezitten dan zonder. Omdat wij nu iedere volmaaktheid en al wat edel is aan Christus moeten toeschrijven, volgt daaruit, dat Hij alles door eigen verdiensten heeft, wat anderen zo bezitten, behalve als het gaat over iets, dat bij ontbreken Zijn waardigheid en volmaaktheid meer afbreuk zou doen dan de verdienste eraan zou bijbrengen. Daarom verdiende Hij noch de genade, noch de zaligheid der ziel, noch de wetenschap noch de godheid; want daar verdiensten alleen bestaan voor dingen die nog niet bezeten worden, had Christus deze dingen een tijd moeten missen; en dat gemis vermindert Zijn waardigheid meer dan de verdienste eraan toevoegt. Maar de verheerlijking van het lichaam en dergelijke dingen staan lager dan de waardigheid, die het verdienen geeft en die onder de deugd van liefde valt. En daarom moeten wij zeggen, dat Christus de verheerlijking van Zijn lichaam en wat tot Zijn uiterlijke verheffing behoort als de hemelvaart, de verering en dergelijke, door verdiensten verkreeg. En zo blijkt het, dat Hij iets voor Zich kon verdienen.
B: (1Cor 4:7) [b:1Cor 4:7]
Mijn antwoord. Door zichzelf iets goeds te bezitten is edeler dan het door een ander te hebben, want "de oorzaak die door zichzelf iets is, staat altijd hoger dan wat door iets anders datzelfde is", zoals in het 8e boek Over de Physica (5e H., n. 7) wordt gezegd. Wanneer nu iemand voor zichzelf oorzaak van iets is, zegt men dat hij door zichzelf iets bezit. Nu is God door Zijn macht de eerste oorzaak van al ons goed, en zo heeft geen enkel schepsel iets goeds door zichzelf, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (4, 7): "Wat hebt u, dat u niet ontvangen hebt?" Maar op een bijkomstige manier kan iemand voor zichzelf oorzaak zijn van het bezitten van iets goeds, in zover hij namelijk daarin met God meewerkt. En zo heeft wie iets door eigen verdienste bezit, dat in zekere zin door zichzelf. Daarom staat het hoger iets door verdiensten te bezitten dan zonder. Omdat wij nu iedere volmaaktheid en al wat edel is aan Christus moeten toeschrijven, volgt daaruit, dat Hij alles door eigen verdiensten heeft, wat anderen zo bezitten, behalve als het gaat over iets, dat bij ontbreken Zijn waardigheid en volmaaktheid meer afbreuk zou doen dan de verdienste eraan zou bijbrengen. Daarom verdiende Hij noch de genade, noch de zaligheid der ziel, noch de wetenschap noch de godheid; want daar verdiensten alleen bestaan voor dingen die nog niet bezeten worden, had Christus deze dingen een tijd moeten missen; en dat gemis vermindert Zijn waardigheid meer dan de verdienste eraan toevoegt. Maar de verheerlijking van het lichaam en dergelijke dingen staan lager dan de waardigheid, die het verdienen geeft en die onder de deugd van liefde valt. En daarom moeten wij zeggen, dat Christus de verheerlijking van Zijn lichaam en wat tot Zijn uiterlijke verheffing behoort als de hemelvaart, de verering en dergelijke, door verdiensten verkreeg. En zo blijkt het, dat Hij iets voor Zich kon verdienen.
B: (1Cor 4:7) [b:1Cor 4:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het genieten, wat een daad der liefde is, valt onder de verheerlijking der ziel, die Christus niet verdiende. En als Hij daarom door de liefde iets verdiende, volgt daaruit nog niet, dat verdienste en loon hetzelfde zijn. Ook verdiende Hij niet door de liefde, in zover deze de liefde van iemand die de hemel bereikt heeft is, maar in zover zij de liefde is van een pelgrim; want zoals boven is uiteengezet (15° Kw., 10° Art.) was Hij dat tegelijk. En omdat Hij nu geen pelgrim meer is, is Hij dus niet meer in staat om te verdienen.
R: q. 15 a. 10[t:iiia q. 15 a. 10]
1e Weerlegging. Het genieten, wat een daad der liefde is, valt onder de verheerlijking der ziel, die Christus niet verdiende. En als Hij daarom door de liefde iets verdiende, volgt daaruit nog niet, dat verdienste en loon hetzelfde zijn. Ook verdiende Hij niet door de liefde, in zover deze de liefde van iemand die de hemel bereikt heeft is, maar in zover zij de liefde is van een pelgrim; want zoals boven is uiteengezet (15° Kw., 10° Art.) was Hij dat tegelijk. En omdat Hij nu geen pelgrim meer is, is Hij dus niet meer in staat om te verdienen.
R: q. 15 a. 10[t:iiia q. 15 a. 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Christus heeft als God en als Gods Zoon van nature recht op Gods heerlijkheid en het heersen over alles als de eerste en hoogste Heer. Maar desalniettemin heeft Hij als zalige mens recht op verheerlijking; en deels moest Hij die zonden en deels door verdiensten krijgen, zoals uit het bovengezegde blijkt (in de Leerstelling).
2e Weerlegging. Christus heeft als God en als Gods Zoon van nature recht op Gods heerlijkheid en het heersen over alles als de eerste en hoogste Heer. Maar desalniettemin heeft Hij als zalige mens recht op verheerlijking; en deels moest Hij die zonden en deels door verdiensten krijgen, zoals uit het bovengezegde blijkt (in de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Het overvloeien der heerlijkheid uit de ziel op het lichaam geschiedt naar Gods verordening in overeenkomst met de verdiensten van de mensen, zodat de mens, evenals hij door een daad der ziel, die in het lichaam werd uitgeoefend, verdient, zo ook beloond wordt door de heerlijkheid der ziel, die op het lichaam overvloeit. En daarom valt niet alleen de verheerlijking der ziel, maar ook die van het lichaam onder het bereik der verdienste volgens de Romeinenbrief (8, 11): "Hij zal onze sterfelijke lichamen levend maken om Zijn Geest, die in ons woont". En zo kon dat onder het bereik van Christus’ verdiensten vallen.
3e Weerlegging. Het overvloeien der heerlijkheid uit de ziel op het lichaam geschiedt naar Gods verordening in overeenkomst met de verdiensten van de mensen, zodat de mens, evenals hij door een daad der ziel, die in het lichaam werd uitgeoefend, verdient, zo ook beloond wordt door de heerlijkheid der ziel, die op het lichaam overvloeit. En daarom valt niet alleen de verheerlijking der ziel, maar ook die van het lichaam onder het bereik der verdienste volgens de Romeinenbrief (8, 11): "Hij zal onze sterfelijke lichamen levend maken om Zijn Geest, die in ons woont". En zo kon dat onder het bereik van Christus’ verdiensten vallen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. De openbaring van Christus’ verhevenheid is voor Hem iets goeds, in zover Hij bestaat in de kennis van anderen, al is dit dan ook voornamelijk goed voor hem, die Hem kennen naar het bestaan, dat zij in zichzelf hebben. Maar dat wordt weer tot Christus teruggebracht, in zover zij Zijn ledematen zijn.
B: (Rom 8:11) [b:Rom 8:11]
4e Weerlegging. De openbaring van Christus’ verhevenheid is voor Hem iets goeds, in zover Hij bestaat in de kennis van anderen, al is dit dan ook voornamelijk goed voor hem, die Hem kennen naar het bestaan, dat zij in zichzelf hebben. Maar dat wordt weer tot Christus teruggebracht, in zover zij Zijn ledematen zijn.
B: (Rom 8:11) [b:Rom 8:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Kon Christus voor anderen verdienen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 22 a. 4 arg. 2[t:iiia q. 22 a. 4 arg. 2]
IIIa q. 19 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet voor anderen kon verdienen. Want bij Ezechiël (18, 20) wordt gezegd: "De ziel die zondigt zal zelf sterven". Dus zal om dezelfde reden de ziel die verdient zelf beloond worden. Dus was het niet mogelijk, dat Christus voor anderen verdiende.
B: (Ezek 18:4) [b:Ezek 18:4]
IIIa q. 22 a. 4 arg. 2[t:iiia q. 22 a. 4 arg. 2]
IIIa q. 19 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet voor anderen kon verdienen. Want bij Ezechiël (18, 20) wordt gezegd: "De ziel die zondigt zal zelf sterven". Dus zal om dezelfde reden de ziel die verdient zelf beloond worden. Dus was het niet mogelijk, dat Christus voor anderen verdiende.
B: (Ezek 18:4) [b:Ezek 18:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 4 arg. 2
Vervolgens. "Van de volheid van Christus’ genade hebben allen ontvangen", zoals bij Joannes (1, 16) staat. Nu kunnen andere mensen, die Christus’ genade ontvangen hebben, niet voor anderen verdienen, want bij Ezechiël (14, 20) wordt gezegd: "Als Noë, Daniël en Job in die stad waren, zouden zij hun zoon en dochter niet bevrijden, maar door hun rechtvaardigheid zullen zij hun eigen zielen bevrijden". Dus kon ook Christus niets voor ons verdienen.
B: (Ezek 14:20) [b:Ezek 14:20] (John 1:16) [b:John 1:16]
Vervolgens. "Van de volheid van Christus’ genade hebben allen ontvangen", zoals bij Joannes (1, 16) staat. Nu kunnen andere mensen, die Christus’ genade ontvangen hebben, niet voor anderen verdienen, want bij Ezechiël (14, 20) wordt gezegd: "Als Noë, Daniël en Job in die stad waren, zouden zij hun zoon en dochter niet bevrijden, maar door hun rechtvaardigheid zullen zij hun eigen zielen bevrijden". Dus kon ook Christus niets voor ons verdienen.
B: (Ezek 14:20) [b:Ezek 14:20] (John 1:16) [b:John 1:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 4 arg. 3
Vervolgens. "De beloning, die iemand verdient, moet hij krachtens de rechtvaardigheid en niet door goedgunstigheid krijgen", zoals uit de Romeinenbrief (4, 4) blijkt. Verdiende Christus dus onze redding, dan zou daaruit volgen, dat wij deze niet meer krachtens Gods genade, maar krachtens de rechtvaardigheid ontvingen, en dat God onrechtvaardig zou handelen tegenover hen die Hij niet zalig maakt, omdat Christus’ verdienste zich over allen uitstrekt.
B: (Rom 4:4) [b:Rom 4:4]
Vervolgens. "De beloning, die iemand verdient, moet hij krachtens de rechtvaardigheid en niet door goedgunstigheid krijgen", zoals uit de Romeinenbrief (4, 4) blijkt. Verdiende Christus dus onze redding, dan zou daaruit volgen, dat wij deze niet meer krachtens Gods genade, maar krachtens de rechtvaardigheid ontvingen, en dat God onrechtvaardig zou handelen tegenover hen die Hij niet zalig maakt, omdat Christus’ verdienste zich over allen uitstrekt.
B: (Rom 4:4) [b:Rom 4:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat, dat in de Romeinenbrief (5, 18) wordt gezegd: "Zoals de misdaad van een mens alle mensen tot veroordeling strekt, zo strekt ook de rechtvaardigheid van één alle mensen tot rechtvaardiging". Nu ging Adams schuld op alle mensen over om hen te doen veroordelen. Dus strekt de verdienste van Christus zich veel meer nog over anderen uit.
B: (Rom 5:18) [b:Rom 5:18]
Maar daartegenover staat, dat in de Romeinenbrief (5, 18) wordt gezegd: "Zoals de misdaad van een mens alle mensen tot veroordeling strekt, zo strekt ook de rechtvaardigheid van één alle mensen tot rechtvaardiging". Nu ging Adams schuld op alle mensen over om hen te doen veroordelen. Dus strekt de verdienste van Christus zich veel meer nog over anderen uit.
B: (Rom 5:18) [b:Rom 5:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals vroeger is gezegd (8° Kw., 1° en 5° Art.), was de genade in Christus niet alleen als in een op zichzelf staande mens, maar als in het hoofd der Kerk, waarmee alle mensen als ledematen met het hoofd verenigd zijn, waaruit op mystieke wijze een persoon wordt gevormd. Daarvan komt het, dat de verdienste van Christus zich over anderen uitstrekt in zover zij Zijn ledematen zijn, zoals in een mens de werkzaamheid van het hoofd zich enigszins over alle ledematen uitstrekt, omdat dit niet alleen voor zichzelf waarneemt, maar voor alle ledematen.
R: q. 8 a. 1[t:iiia q. 8 a. 1] q. 8 a. 5[t:iiia q. 8 a. 5]
Mijn antwoord. Zoals vroeger is gezegd (8° Kw., 1° en 5° Art.), was de genade in Christus niet alleen als in een op zichzelf staande mens, maar als in het hoofd der Kerk, waarmee alle mensen als ledematen met het hoofd verenigd zijn, waaruit op mystieke wijze een persoon wordt gevormd. Daarvan komt het, dat de verdienste van Christus zich over anderen uitstrekt in zover zij Zijn ledematen zijn, zoals in een mens de werkzaamheid van het hoofd zich enigszins over alle ledematen uitstrekt, omdat dit niet alleen voor zichzelf waarneemt, maar voor alle ledematen.
R: q. 8 a. 1[t:iiia q. 8 a. 1] q. 8 a. 5[t:iiia q. 8 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De zonde van een bepaald mens schaadt alleen hemzelf. Maar die van Adam, die door God tot beginsel der gehele natuur was gemaakt, vloeit door de voortplanting door het vlees op anderen over. Evenzo ook strekt de verdienste van Christus, die door God Hoofd van alle mensen in de genade is gemaakt, zich tot al Zijn ledematen uit.
1e Weerlegging. De zonde van een bepaald mens schaadt alleen hemzelf. Maar die van Adam, die door God tot beginsel der gehele natuur was gemaakt, vloeit door de voortplanting door het vlees op anderen over. Evenzo ook strekt de verdienste van Christus, die door God Hoofd van alle mensen in de genade is gemaakt, zich tot al Zijn ledematen uit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Anderen ontvangen van Christus’ volheid geen genadebron, maar een bepaalde genade. Daarom moeten zij niet als Christus voor anderen kunnen verdienen.
2e Weerlegging. Anderen ontvangen van Christus’ volheid geen genadebron, maar een bepaalde genade. Daarom moeten zij niet als Christus voor anderen kunnen verdienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 19 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Adams zonde alleen door vleesgelijke geboorte op anderen overgaat, komt Christus' verdienste alleen over anderen door de geestelijke wedergeboorte in het doopsel, waardoor wij Christus worden ingelijfd naar de Galatenbrief (3, 27): "Gij allen, die in Christus zijt gedoopt, hebt met Christus gemeenschap". En van de genade komt het, dat het de mensen wordt gegeven in Christus herboren te worden. En zo komt de redding der mensen van de genade.
B: (Gal 3:27) [b:Gal 3:27]
3e Weerlegging. Zoals Adams zonde alleen door vleesgelijke geboorte op anderen overgaat, komt Christus' verdienste alleen over anderen door de geestelijke wedergeboorte in het doopsel, waardoor wij Christus worden ingelijfd naar de Galatenbrief (3, 27): "Gij allen, die in Christus zijt gedoopt, hebt met Christus gemeenschap". En van de genade komt het, dat het de mensen wordt gegeven in Christus herboren te worden. En zo komt de redding der mensen van de genade.
B: (Gal 3:27) [b:Gal 3:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 20: Over Christus’ onderworpenheid aan de Vader
IIIa q. 20 pr.
Vervolgens moeten wij datgene bespreken, wat aan Christus toekomt krachtens de verhouding tussen Hem en de Vader. Sommige van deze dingen worden van Hem gezegd om een verhouding van Hem tot de Vader, bijvoorbeeld dat Hij aan Hem onderworpen is, dat Hij tot Hem bad en dat Hij Hem in het priesterschap diende. Maar andere dingen worden of kunnen van Hem worden gezegd krachtens een verhouding van de Vader tot Hem, bijvoorbeeld als de Vader Hem had aangenomen als kind of omdat Hij Hem voorbestemd heeft.
Ten eerste moeten wij dus spreken over Christus’ onderworpenheid aan de Vader,
ten tweede over Zijn gebed,
ten derde over Zijn priesterschap,
ten vierde over de aanneming als kind, of Hem dat toekomt,
ten vijfde over Zijn voorbestemming.
Over het eerste punt stellen wij ons twee vragen:
1. Was Christus aan de Vader onderworpen?
2. Was Hij onderworpen aan Zichzelf?
Vervolgens moeten wij datgene bespreken, wat aan Christus toekomt krachtens de verhouding tussen Hem en de Vader. Sommige van deze dingen worden van Hem gezegd om een verhouding van Hem tot de Vader, bijvoorbeeld dat Hij aan Hem onderworpen is, dat Hij tot Hem bad en dat Hij Hem in het priesterschap diende. Maar andere dingen worden of kunnen van Hem worden gezegd krachtens een verhouding van de Vader tot Hem, bijvoorbeeld als de Vader Hem had aangenomen als kind of omdat Hij Hem voorbestemd heeft.
Ten eerste moeten wij dus spreken over Christus’ onderworpenheid aan de Vader,
ten tweede over Zijn gebed,
ten derde over Zijn priesterschap,
ten vierde over de aanneming als kind, of Hem dat toekomt,
ten vijfde over Zijn voorbestemming.
Over het eerste punt stellen wij ons twee vragen:
1. Was Christus aan de Vader onderworpen?
2. Was Hij onderworpen aan Zichzelf?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Moet men zeggen, dat Christus aan de Vader onderworpen is?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 26 a. 1 ad 3
IIIa q. 57 a. 1 ad 1[t:iiia q. 26 a. 1 ad 3][t:iiia q. 57 a. 1 ad 1]
IIIa q. 20 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat er niet gesproken moet worden over Christus’ onderworpenheid aan de Vader. Want alles wat aan God de Vader onderworpen wordt genoemd is een schepsel, want zoals in het boek *Over de Leerstukken der Kerk* wordt gezegd, "is er in de Drievuldigheid niets, dat dient of onderworpen is". Nu mag men niet zonder meer zeggen, dat Christus een schepsel is, zoals boven werd aangetoond (16e Kw., 8e Art.). Dus moet men ook niet zonder meer zeggen, dat Hij aan God de Vader onderworpen is.
R: q. 16 a. 8[t:iiia q. 16 a. 8]
IIIa q. 26 a. 1 ad 3
IIIa q. 57 a. 1 ad 1[t:iiia q. 26 a. 1 ad 3][t:iiia q. 57 a. 1 ad 1]
IIIa q. 20 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat er niet gesproken moet worden over Christus’ onderworpenheid aan de Vader. Want alles wat aan God de Vader onderworpen wordt genoemd is een schepsel, want zoals in het boek *Over de Leerstukken der Kerk* wordt gezegd, "is er in de Drievuldigheid niets, dat dient of onderworpen is". Nu mag men niet zonder meer zeggen, dat Christus een schepsel is, zoals boven werd aangetoond (16e Kw., 8e Art.). Dus moet men ook niet zonder meer zeggen, dat Hij aan God de Vader onderworpen is.
R: q. 16 a. 8[t:iiia q. 16 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Men noemt iets hierom aan God onderworpen, dat het Zijn heerschappij dient. Nu kan men het dienen niet aan Christus’ menselijke natuur toeschrijven, want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 21e H.): "Men moet weten, dat wij haar, namelijk de menselijke natuur van Christus geen slavin kunnen noemen. Want de namen slavernij en heerschappij doen ons geen naturen kennen, maar verhoudingen als vaderschap en zoonschap". Dus is Christus naar de menselijke natuur niet aan God de Vader onderworpen.
Vervolgens. Men noemt iets hierom aan God onderworpen, dat het Zijn heerschappij dient. Nu kan men het dienen niet aan Christus’ menselijke natuur toeschrijven, want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 21e H.): "Men moet weten, dat wij haar, namelijk de menselijke natuur van Christus geen slavin kunnen noemen. Want de namen slavernij en heerschappij doen ons geen naturen kennen, maar verhoudingen als vaderschap en zoonschap". Dus is Christus naar de menselijke natuur niet aan God de Vader onderworpen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 1 arg. 3
Vervolgens. In de Eerste Korinthiërsbrief (15, 28) wordt gezegd: "Zodra dus alles aan Hem onderworpen zal zijn, zal ook de Zoon zichzelf onderwerpen aan Hem die alles aan Hem onderwierp". Maar zoals in de Hebreeënbrief (2, 8) staat, "zien wij nog niet, dat alles aan Hem onderworpen is". Dus is Hij nog niet aan de Vader, die alles Hem onderworpen heeft gemaakt, onderworpen.
B: (1Cor 15:28) [b:1Cor 15:28] (Heb 2:8) [b:Heb 2:8]
Vervolgens. In de Eerste Korinthiërsbrief (15, 28) wordt gezegd: "Zodra dus alles aan Hem onderworpen zal zijn, zal ook de Zoon zichzelf onderwerpen aan Hem die alles aan Hem onderwierp". Maar zoals in de Hebreeënbrief (2, 8) staat, "zien wij nog niet, dat alles aan Hem onderworpen is". Dus is Hij nog niet aan de Vader, die alles Hem onderworpen heeft gemaakt, onderworpen.
B: (1Cor 15:28) [b:1Cor 15:28] (Heb 2:8) [b:Heb 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat, dat bij Joannes (14, 28) wordt gezegd: "De Vader is groter dan Ik". En Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (7e H.): "Terecht zegt de Schrift beide dingen: dat de Zoon aan de Vader gelijk en dat de Vader groter dan de Zoon is. Want het eerste kan men krachtens de gestalte van God, het tweede krachtens die van een slaaf zonder beiden te verwarren begrijpen". Nu is de mindere aan de meerdere onderworpen. Dus is Christus krachtens de gestalte van een slaaf aan de Vader onderworpen.
B: (John 14:28, John 14:28) [b:John 14:28]
Maar daartegenover staat, dat bij Joannes (14, 28) wordt gezegd: "De Vader is groter dan Ik". En Augustinus zegt in het 1e boek Over de Drievuldigheid (7e H.): "Terecht zegt de Schrift beide dingen: dat de Zoon aan de Vader gelijk en dat de Vader groter dan de Zoon is. Want het eerste kan men krachtens de gestalte van God, het tweede krachtens die van een slaaf zonder beiden te verwarren begrijpen". Nu is de mindere aan de meerdere onderworpen. Dus is Christus krachtens de gestalte van een slaaf aan de Vader onderworpen.
B: (John 14:28, John 14:28) [b:John 14:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 1 co.
Mijn antwoord. Aan iedere die een bepaalde natuur bezit, komt datgene toe, wat aan die natuur eigen is. Nu heeft de menselijke natuur krachtens haar aard een drievoudige onderworpenheid aan God. En wel een krachtens haar graad van goedheid, want de goddelijke natuur is het wezen zelf der goedheid, gelijk Dionysius in het 1° hoofdstuk Over de Namen van God bewijst, maar de menselijke natuur deelt enigszins in de goddelijke goedheid als onderging zij de uitstraling ervan. — Ten tweede wordt de menselijke natuur wat Gods macht betreft aan Hem onderworpen genoemd, in zover zij als ieder schepsel zich moet schikken in de uitwerking van Gods bepalingen. Ten derde is zij nog bijzonder aan God onderworpen door haar eigenlijke daden, in zover zij met haar eigen wil gehoorzaamt aan Zijn geboden. Nu beleed Christus van Zichzelf, dat Hij op die drie manieren aan de Vader onderworpen was. De eerste bij Mattheus (19, 17): "Wat vraagt gij Mij naar het goede? Een is er goed, God". Hierbij zegt Hieronymus, "dat Hij, omdat (de jongeling) Hem goede meester en niet God of Gods Zoon had genoemd, zeide, dat toch met God vergeleken een heilig mens niet goed was". Hiermee gaf Hij te begrijpen, dat Hij naar de menselijke natuur niet tot de graad der goddelijke goedheid reikte. En omdat "bij dingen, die niet door hun massa groot zijn, grooter hetzelfde als beter is", zoals Augustinus in het 6e boek Over de Drievuldigheid (8e H.) zegt, volgt hieruit dat de Vader groter dan Christus naar de menselijke natuur wordt genoemd. De tweede soort onderwerping wordt aan Christus toegeschreven, in zover wij geloven, dat alles wat met Christus' mensheid gebeurde, door goddelijke beschikking zo geschiedde. Daarom zegt Dionysius in het 4e hoofdstuk Over de Hemelreien, dat Christus "aan de bepalingen van de Vader onderworpen was". En dat is de onderworpenheid van het dienen, krachtens welke men zegt, dat "ieder schepsel God dient", in zover het aan Zijn bevelen onderworpen is volgens het boek der Wijsheid (16, 22): "Het schepsel dient U, zijn maker". En zo ook wordt in de Philippensebrief (2, 8) van Gods Zoon gezegd, "dat Hij de gestalte van een slaaf aannam". Ook de derde soort onderworpenheid schrijft Hij aan Zichzelf toe, als Hij bij Johannes (8, 29) zegt: "Wat Hem behaagt, doe Ik altijd". Dat is de onderworpenheid van het gehoorzamen, en daarom wordt in de Philippensebrief (2, 8) gezegd, dat "Hij tot de dood toe aan de Vader gehoorzaam is geworden".
B: (Matt 19:17) [b:Matt 19:17] (John 8:29, John 8:29) [b:John 8:29] (Phil 2:7) [b:Phil 2:7] (Phil 2:8) [b:Phil 2:8] (Jdt 16:17) [b:Jdt 16:17] (Wis 16:24) [b:Wis 16:24]
Mijn antwoord. Aan iedere die een bepaalde natuur bezit, komt datgene toe, wat aan die natuur eigen is. Nu heeft de menselijke natuur krachtens haar aard een drievoudige onderworpenheid aan God. En wel een krachtens haar graad van goedheid, want de goddelijke natuur is het wezen zelf der goedheid, gelijk Dionysius in het 1° hoofdstuk Over de Namen van God bewijst, maar de menselijke natuur deelt enigszins in de goddelijke goedheid als onderging zij de uitstraling ervan. — Ten tweede wordt de menselijke natuur wat Gods macht betreft aan Hem onderworpen genoemd, in zover zij als ieder schepsel zich moet schikken in de uitwerking van Gods bepalingen. Ten derde is zij nog bijzonder aan God onderworpen door haar eigenlijke daden, in zover zij met haar eigen wil gehoorzaamt aan Zijn geboden. Nu beleed Christus van Zichzelf, dat Hij op die drie manieren aan de Vader onderworpen was. De eerste bij Mattheus (19, 17): "Wat vraagt gij Mij naar het goede? Een is er goed, God". Hierbij zegt Hieronymus, "dat Hij, omdat (de jongeling) Hem goede meester en niet God of Gods Zoon had genoemd, zeide, dat toch met God vergeleken een heilig mens niet goed was". Hiermee gaf Hij te begrijpen, dat Hij naar de menselijke natuur niet tot de graad der goddelijke goedheid reikte. En omdat "bij dingen, die niet door hun massa groot zijn, grooter hetzelfde als beter is", zoals Augustinus in het 6e boek Over de Drievuldigheid (8e H.) zegt, volgt hieruit dat de Vader groter dan Christus naar de menselijke natuur wordt genoemd. De tweede soort onderwerping wordt aan Christus toegeschreven, in zover wij geloven, dat alles wat met Christus' mensheid gebeurde, door goddelijke beschikking zo geschiedde. Daarom zegt Dionysius in het 4e hoofdstuk Over de Hemelreien, dat Christus "aan de bepalingen van de Vader onderworpen was". En dat is de onderworpenheid van het dienen, krachtens welke men zegt, dat "ieder schepsel God dient", in zover het aan Zijn bevelen onderworpen is volgens het boek der Wijsheid (16, 22): "Het schepsel dient U, zijn maker". En zo ook wordt in de Philippensebrief (2, 8) van Gods Zoon gezegd, "dat Hij de gestalte van een slaaf aannam". Ook de derde soort onderworpenheid schrijft Hij aan Zichzelf toe, als Hij bij Johannes (8, 29) zegt: "Wat Hem behaagt, doe Ik altijd". Dat is de onderworpenheid van het gehoorzamen, en daarom wordt in de Philippensebrief (2, 8) gezegd, dat "Hij tot de dood toe aan de Vader gehoorzaam is geworden".
B: (Matt 19:17) [b:Matt 19:17] (John 8:29, John 8:29) [b:John 8:29] (Phil 2:7) [b:Phil 2:7] (Phil 2:8) [b:Phil 2:8] (Jdt 16:17) [b:Jdt 16:17] (Wis 16:24) [b:Wis 16:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Men mag niet zonder meer, maar alleen naar de menselijke natuur zeggen, dat Christus een schepsel is, of men er nu al dan niet een nadere bepaling bijvoegt, zoals boven is gezegd (16° Kw., 8° Art.). En zo mag men ook niet menen dat Christus zonder meer aan de Vader onderworpen is, maar alleen naar de menselijke natuur, ook als men er deze beperking niet aan toevoegt. En het is beter deze erbij te voegen om de dwaling van Arius, die de Zoon lager stelde dan de Vader, te vermijden.
R: q. 16 a. 8[t:iiia q. 16 a. 8]
1e Weerlegging. Men mag niet zonder meer, maar alleen naar de menselijke natuur zeggen, dat Christus een schepsel is, of men er nu al dan niet een nadere bepaling bijvoegt, zoals boven is gezegd (16° Kw., 8° Art.). En zo mag men ook niet menen dat Christus zonder meer aan de Vader onderworpen is, maar alleen naar de menselijke natuur, ook als men er deze beperking niet aan toevoegt. En het is beter deze erbij te voegen om de dwaling van Arius, die de Zoon lager stelde dan de Vader, te vermijden.
R: q. 16 a. 8[t:iiia q. 16 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De verhouding van heersen en dienen berust op handelen en iets ondergaan, in zover het namelijk een slaaf toekomt door het gebod van de heer bewogen te worden. Maar nu wordt handelen niet aan de natuur, maar aan de persoon toegeschreven als aan wie werkt, want de handelingen zijn volgens de Filosoof (Metaphysica, 1° B., 1° H., n. 6) "van de dragers en de eenlingen". Maar een handeling wordt aan de natuur toegeschreven als aan datgene, waardoor de hypostase of persoon handelt. Al zegt men daarom niet in eigenlijke zin, dat de natuur heer of slaaf is, dan kan men toch in eigenlijke zin wel zeggen, dat een hypostase of persoon volgens deze of die natuur heer is of slaaf. En zo is er niets tegen Christus naar de menselijke natuur de Vader onderworpen of slaaf te noemen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 20 a. 2 co.[t:iiia q. 20 a. 2 co.]
2e Weerlegging. De verhouding van heersen en dienen berust op handelen en iets ondergaan, in zover het namelijk een slaaf toekomt door het gebod van de heer bewogen te worden. Maar nu wordt handelen niet aan de natuur, maar aan de persoon toegeschreven als aan wie werkt, want de handelingen zijn volgens de Filosoof (Metaphysica, 1° B., 1° H., n. 6) "van de dragers en de eenlingen". Maar een handeling wordt aan de natuur toegeschreven als aan datgene, waardoor de hypostase of persoon handelt. Al zegt men daarom niet in eigenlijke zin, dat de natuur heer of slaaf is, dan kan men toch in eigenlijke zin wel zeggen, dat een hypostase of persoon volgens deze of die natuur heer is of slaaf. En zo is er niets tegen Christus naar de menselijke natuur de Vader onderworpen of slaaf te noemen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 20 a. 2 co.[t:iiia q. 20 a. 2 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (8e H.) zegt, "zal Christus dan de heerschappij aan God de Vader overgeven, als Hij de rechtvaardigen waarin Hij nu door het geloof heerst tot het aanschouwen zal brengen", dat zij namelijk het gemeenschappelijke wezen van de Vader en de Zoon zullen zien. En dan zal Hij niet alleen in Zichzelf, maar ook in Zijn ledematen door het delen in de goddelijke goedheid volledig aan de Vader onderworpen zijn. Dan zal ook alles volledig aan Hem onderworpen zijn door het eindelijk vervullen van Zijn wil omtrent hen. Nu is echter alles aan Hem onderworpen wat de macht erover betreft, volgens Matthaeus (Laatste H., 18): "Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde".
B: (Matt 28:18) [b:Matt 28:18]
3e Weerlegging. Zoals Augustinus in het 1e boek Over de Drievuldigheid (8e H.) zegt, "zal Christus dan de heerschappij aan God de Vader overgeven, als Hij de rechtvaardigen waarin Hij nu door het geloof heerst tot het aanschouwen zal brengen", dat zij namelijk het gemeenschappelijke wezen van de Vader en de Zoon zullen zien. En dan zal Hij niet alleen in Zichzelf, maar ook in Zijn ledematen door het delen in de goddelijke goedheid volledig aan de Vader onderworpen zijn. Dan zal ook alles volledig aan Hem onderworpen zijn door het eindelijk vervullen van Zijn wil omtrent hen. Nu is echter alles aan Hem onderworpen wat de macht erover betreft, volgens Matthaeus (Laatste H., 18): "Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde".
B: (Matt 28:18) [b:Matt 28:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is Christus aan Zichzelf onderworpen?
IIIa q. 20 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus niet aan Zichzelf onderworpen is. Want Cyrillus zegt in de Synodale Brief, nl. die door de Kerkvergadering van Ephese is aanvaard: "Ook is Christus Zichzelf geen slaaf of heer. Het is redeloos en zelfs goddeloos dat te zeggen of te denken". Dat beweert ook Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 21e H.): "Christus, die één zijnde is, kan Zichzelf geen slaaf of heer zijn". Maar Christus wordt dienaar van de Vader genoemd in zover Hij Hem onderworpen is. Dus is Hij niet aan Zichzelf onderworpen.
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus niet aan Zichzelf onderworpen is. Want Cyrillus zegt in de Synodale Brief, nl. die door de Kerkvergadering van Ephese is aanvaard: "Ook is Christus Zichzelf geen slaaf of heer. Het is redeloos en zelfs goddeloos dat te zeggen of te denken". Dat beweert ook Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 21e H.): "Christus, die één zijnde is, kan Zichzelf geen slaaf of heer zijn". Maar Christus wordt dienaar van de Vader genoemd in zover Hij Hem onderworpen is. Dus is Hij niet aan Zichzelf onderworpen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Een dienaar staat in een verhouding tot de heer. Nu bestaat er geen verhouding van iets tot zichzelf, zodat Hilarius in het boek Over de Drievuldigheid (7e B., n. 15) zegt, dat "niets even groot is als zichzelf of zich gelijk". Dus kan Christus geen dienaar van zichzelf worden genoemd. En is dus niet aan zichzelf onderworpen.
Vervolgens. Een dienaar staat in een verhouding tot de heer. Nu bestaat er geen verhouding van iets tot zichzelf, zodat Hilarius in het boek Over de Drievuldigheid (7e B., n. 15) zegt, dat "niets even groot is als zichzelf of zich gelijk". Dus kan Christus geen dienaar van zichzelf worden genoemd. En is dus niet aan zichzelf onderworpen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 2 arg. 3
Vervolgens. "Zoals de redelijke ziel en het vlees een lichaam zijn, zo zijn God en mens samen een Christus", zoals Athanasius zegt (in het Symbolum). Nu wordt een mens niet aan zichzelf onderworpen of dienaar van zichzelf genoemd of groter dan zichzelf, omdat zijn lichaam aan de ziel onderworpen is. Dus moet Christus ook niet aan Zichzelf onderworpen worden genoemd, omdat Zijn mensheid aan Zijn godheid onderworpen is.
Vervolgens. "Zoals de redelijke ziel en het vlees een lichaam zijn, zo zijn God en mens samen een Christus", zoals Athanasius zegt (in het Symbolum). Nu wordt een mens niet aan zichzelf onderworpen of dienaar van zichzelf genoemd of groter dan zichzelf, omdat zijn lichaam aan de ziel onderworpen is. Dus moet Christus ook niet aan Zichzelf onderworpen worden genoemd, omdat Zijn mensheid aan Zijn godheid onderworpen is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 2 s. c. 1
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 2 s. c. 2
Vervolgens., sicut ipse argumentatur ibidem, sic accepta est a filio Dei forma servi ut non amitteretur forma Dei. Sed secundum formam Dei quae est communis patri et filio, pater est filio maior secundum humanam naturam. Ergo etiam filius maior est seipso secundum humanam naturam.
Vervolgens., sicut ipse argumentatur ibidem, sic accepta est a filio Dei forma servi ut non amitteretur forma Dei. Sed secundum formam Dei quae est communis patri et filio, pater est filio maior secundum humanam naturam. Ergo etiam filius maior est seipso secundum humanam naturam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 2 s. c. 3
Vervolgens., Christus, secundum humanam naturam, est servus Dei patris secundum illud Ioan. XX, ascendo ad patrem meum et patrem vestrum, Deum meum et Deum vestrum. Sed quicumque est servus patris, est servus filii, alioquin non omnia quae sunt patris essent filii. Ergo Christus est servus sui ipsius, et sibi subditus.
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
Vervolgens., Christus, secundum humanam naturam, est servus Dei patris secundum illud Ioan. XX, ascendo ad patrem meum et patrem vestrum, Deum meum et Deum vestrum. Sed quicumque est servus patris, est servus filii, alioquin non omnia quae sunt patris essent filii. Ergo Christus est servus sui ipsius, et sibi subditus.
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals werd gezegd (Vorig Art. Antw. op de 2e B.) wordt aan een persoon of hypostase naar een bepaalde natuur toegeschreven heer of slaaf te zijn. Wordt dus van Christus gezegd, dat Hij heer of dienaar van Zichzelf is, of dat Gods Woord de Heer is van de mens Christus, dan kan men dat op twee manieren opvatten. Ten eerste zo, dat het gezegd zou worden om een verschil in hypostase of persoon, alsof de persoon van Gods Woord dat heer is en die van de mens die dient een andere zou zijn; en dat behoort tot de ketterij van Nestorius. Daarom lezen wij in zijn veroordeling op de Kerkvergadering van Ephese: "Als iemand zegt, dat de God of Heer van Christus het uit God de Vader voortgekomen Woord is, en niet liever belijdt, dat Hij tegelijk God en mens is omdat Het Woord mens werd naar de Schriften, die zij gebannen". Dat nu ontkenden Cyrillus en Damascenus en in deze zin moet men ontkennen, dat Christus minder dan Zichzelf of Zichzelf onderworpen is. Maar men kan het ook anders opvatten naar het verschil tusschen de naturen in een hypostase of persoon. En zo kunnen wij zeggen, dat Hij naar een ervan, die Hij samen met de Vader heeft, samen met de Vader heerst en boven alles staat, en dat Hij naar de andere, die Hij met ons deelt, dient en onderworpen is. En zo zegt Augustinus, dat de Zoon lager dan Zichzelf is. Men moet echter weten, dat wij omdat de naam Christus zowel als die van Zoon de naam van een persoon is, alles wat Christus om Zijn persoon, die eeuwig is toekomt, krachtens hen zelf en onvoorwaardelijk van Hem kunnen zeggen; en vooral deze verhoudingen, die meer eigenlijk tot de persoon schijnen te behoren. Maar wat Hem krachtens de menselijke natuur toekomt, moeten wij Hem meer met een nadere bepaling toeschrijven. Zo zeggen wij dus zonder meer, dat Christus de Hoogste en de Heerscher en de Bestuurder is; maar dat Hij onderworpen of dienaar of lager staand is, moeten wij Hem met een nadere bepaling toeschrijven, nl. volgens de menselijke natuur.
R: q. 20 a. 1 ad 2[t:iiia q. 20 a. 1 ad 2]
Mijn antwoord. Zoals werd gezegd (Vorig Art. Antw. op de 2e B.) wordt aan een persoon of hypostase naar een bepaalde natuur toegeschreven heer of slaaf te zijn. Wordt dus van Christus gezegd, dat Hij heer of dienaar van Zichzelf is, of dat Gods Woord de Heer is van de mens Christus, dan kan men dat op twee manieren opvatten. Ten eerste zo, dat het gezegd zou worden om een verschil in hypostase of persoon, alsof de persoon van Gods Woord dat heer is en die van de mens die dient een andere zou zijn; en dat behoort tot de ketterij van Nestorius. Daarom lezen wij in zijn veroordeling op de Kerkvergadering van Ephese: "Als iemand zegt, dat de God of Heer van Christus het uit God de Vader voortgekomen Woord is, en niet liever belijdt, dat Hij tegelijk God en mens is omdat Het Woord mens werd naar de Schriften, die zij gebannen". Dat nu ontkenden Cyrillus en Damascenus en in deze zin moet men ontkennen, dat Christus minder dan Zichzelf of Zichzelf onderworpen is. Maar men kan het ook anders opvatten naar het verschil tusschen de naturen in een hypostase of persoon. En zo kunnen wij zeggen, dat Hij naar een ervan, die Hij samen met de Vader heeft, samen met de Vader heerst en boven alles staat, en dat Hij naar de andere, die Hij met ons deelt, dient en onderworpen is. En zo zegt Augustinus, dat de Zoon lager dan Zichzelf is. Men moet echter weten, dat wij omdat de naam Christus zowel als die van Zoon de naam van een persoon is, alles wat Christus om Zijn persoon, die eeuwig is toekomt, krachtens hen zelf en onvoorwaardelijk van Hem kunnen zeggen; en vooral deze verhoudingen, die meer eigenlijk tot de persoon schijnen te behoren. Maar wat Hem krachtens de menselijke natuur toekomt, moeten wij Hem meer met een nadere bepaling toeschrijven. Zo zeggen wij dus zonder meer, dat Christus de Hoogste en de Heerscher en de Bestuurder is; maar dat Hij onderworpen of dienaar of lager staand is, moeten wij Hem met een nadere bepaling toeschrijven, nl. volgens de menselijke natuur.
R: q. 20 a. 1 ad 2[t:iiia q. 20 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. I. Cyrillus en Damascenus ontkennen dat Christus Heer is van zichzelf, in zover dat een meervoudigheid van dragers zou insluiten, wat nodig is om iemand zonder beperking Heer van een ander te noemen.
1e Weerlegging. I. Cyrillus en Damascenus ontkennen dat Christus Heer is van zichzelf, in zover dat een meervoudigheid van dragers zou insluiten, wat nodig is om iemand zonder beperking Heer van een ander te noemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Zonder meer genomen moet er verschil zijn tussen de persoon van heer en dienaar, maar het begrip van dienen en heerschen kan enigszins bewaard blijven als dezelfde persoon om verschillende redenen heer van zichzelf is.
2e Weerlegging. Zonder meer genomen moet er verschil zijn tussen de persoon van heer en dienaar, maar het begrip van dienen en heerschen kan enigszins bewaard blijven als dezelfde persoon om verschillende redenen heer van zichzelf is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Om verschillende delen van de mens, waarvan het ene hoger en het andere lager is, zegt de Filosoof zelfs in het 5e boek Over de Zedeleer (11e H., n. 9), dat "er rechtvaardigheid bestaat van de mens tegenover zichzelf", in zover het begerend en tegenstrevend vermogen aan het verstand gehoorzamen. Op deze manier kan een mens ook om verschil tussen zijn delen aan zichzelf onderworpen zijn als heer en dienaar. Uit het gezegde blijkt wat men op de andere bewijzen moet antwoorden. Want Augustinus zegt dat de Zoon naar de menselijke natuur en niet om een verschil in drager aan Zichzelf onderworpen en minder dan Zichzelf is.
3e Weerlegging. Om verschillende delen van de mens, waarvan het ene hoger en het andere lager is, zegt de Filosoof zelfs in het 5e boek Over de Zedeleer (11e H., n. 9), dat "er rechtvaardigheid bestaat van de mens tegenover zichzelf", in zover het begerend en tegenstrevend vermogen aan het verstand gehoorzamen. Op deze manier kan een mens ook om verschil tussen zijn delen aan zichzelf onderworpen zijn als heer en dienaar. Uit het gezegde blijkt wat men op de andere bewijzen moet antwoorden. Want Augustinus zegt dat de Zoon naar de menselijke natuur en niet om een verschil in drager aan Zichzelf onderworpen en minder dan Zichzelf is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 20 a. 2 ad 4
Uit het gezegde blijkt wat men op de andere bewijzen moet antwoorden. Want Augustinus zegt dat de Zoon naar de menselijke natuur en niet om een verschil in drager aan Zichzelf onderworpen en minder dan Zichzelf is.
Uit het gezegde blijkt wat men op de andere bewijzen moet antwoorden. Want Augustinus zegt dat de Zoon naar de menselijke natuur en niet om een verschil in drager aan Zichzelf onderworpen en minder dan Zichzelf is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 21: Over het gebed van Christus
IIIa q. 21 pr.
Vervolgens moeten wij het gebed van Christus beschouwen. En hierover stellen wij ons vier vragen:
1. Kwam het Christus toe om te bidden?
2. Kwam Hem dit naar het zinnelijke gedeelte in Hem toe?
3. Kwam het Hem toe om voor Zichzelf te bidden of alleen voor anderen?
4. Werd elk gebed van Hem verhoord?
Vervolgens moeten wij het gebed van Christus beschouwen. En hierover stellen wij ons vier vragen:
1. Kwam het Christus toe om te bidden?
2. Kwam Hem dit naar het zinnelijke gedeelte in Hem toe?
3. Kwam het Hem toe om voor Zichzelf te bidden of alleen voor anderen?
4. Werd elk gebed van Hem verhoord?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Kwam het Christus toe te bidden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 21 a. 3 arg. 2
IIIa q. 21 a. 4 co.[t:iiia q. 21 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 21 a. 4 co.]
IIIa q. 21 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat het Christus niet toekwam te bidden. Want het gebed is, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3° B., 24° H.), "het vragen aan God van gepaste dingen". Omdat nu Christus alles kon doen, schijnt het Hem niet toe te komen iets van een ander te vragen. Dus schijnt het bidden Christus niet toe te komen.
IIIa q. 21 a. 3 arg. 2
IIIa q. 21 a. 4 co.[t:iiia q. 21 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 21 a. 4 co.]
IIIa q. 21 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat het Christus niet toekwam te bidden. Want het gebed is, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3° B., 24° H.), "het vragen aan God van gepaste dingen". Omdat nu Christus alles kon doen, schijnt het Hem niet toe te komen iets van een ander te vragen. Dus schijnt het bidden Christus niet toe te komen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Men moet in het gebed niet vragen, waarvan men zeker weet dat het geschieden zal, zoals wij niet bidden dat morgen de zon op zal gaan. Evenmin past het datgene te vragen in het gebed, waarvan men zeker weet dat het nooit zal geschieden. Nu wist Christus van alles of het gebeuren zou. Dus paste het Hem niet in het gebed iets te vragen.
Vervolgens. Men moet in het gebed niet vragen, waarvan men zeker weet dat het geschieden zal, zoals wij niet bidden dat morgen de zon op zal gaan. Evenmin past het datgene te vragen in het gebed, waarvan men zeker weet dat het nooit zal geschieden. Nu wist Christus van alles of het gebeuren zou. Dus paste het Hem niet in het gebed iets te vragen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Damascenus zegt in het 3e boek (t. a. pl.), dat "het gebed een opstijgen van het verstand is naar God". Nu had Christus’ verstand geen behoefte tot God op te stijgen, omdat het altijd met God verbonden was niet alleen door de vereniging in persoon, maar ook door het zalige genieten. Dus paste het Christus niet te bidden.
Vervolgens. Damascenus zegt in het 3e boek (t. a. pl.), dat "het gebed een opstijgen van het verstand is naar God". Nu had Christus’ verstand geen behoefte tot God op te stijgen, omdat het altijd met God verbonden was niet alleen door de vereniging in persoon, maar ook door het zalige genieten. Dus paste het Christus niet te bidden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat, dat bij Lucas (6, 2) wordt gezegd: "Het gebeurde in die dagen, dat Hij de berg besteeg om te bidden en de nacht doorbracht in het gebed tot God".
B: (Luke 6:12) [b:Luke 6:12]
Maar daartegenover staat, dat bij Lucas (6, 2) wordt gezegd: "Het gebeurde in die dagen, dat Hij de berg besteeg om te bidden en de nacht doorbracht in het gebed tot God".
B: (Luke 6:12) [b:Luke 6:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 1 co.
Mijn antwoord. Het gebed is een uitspreken van de eigen wil tegenover God opdat Hij hem mag vervullen, zoals in het tweede deel (IIa-IIae, 83° Kw., 1° en 2° Art.) is gezegd. Had Christus dus maar een wil, namelijk de goddelijke gehad, dan was het Hem in het geheel niet toegekomen te bidden, omdat de goddelijke wil altijd zelf volbrengt wat hij wil naar het Psalmwoord (Ps. 134, 6): "Alles wat Hij wilde, heeft de Heer volbracht". Omdat er echter in Christus verschil is tussen de goddelijke en de menselijke wil, en de menselijke niet in staat is door zichzelf uit te voeren wat hij wil, maar alleen door goddelijke kracht, komt het aan Christus in zover Hij mens is en een menselijke wil heeft toe te bidden.
B: (Ps 134, Ps 134:6) [b:Ps 134]
R: q. 83 a. 1[t:iiia q. 83 a. 1] q. 83 a. 2[t:iiia q. 83 a. 2]
Mijn antwoord. Het gebed is een uitspreken van de eigen wil tegenover God opdat Hij hem mag vervullen, zoals in het tweede deel (IIa-IIae, 83° Kw., 1° en 2° Art.) is gezegd. Had Christus dus maar een wil, namelijk de goddelijke gehad, dan was het Hem in het geheel niet toegekomen te bidden, omdat de goddelijke wil altijd zelf volbrengt wat hij wil naar het Psalmwoord (Ps. 134, 6): "Alles wat Hij wilde, heeft de Heer volbracht". Omdat er echter in Christus verschil is tussen de goddelijke en de menselijke wil, en de menselijke niet in staat is door zichzelf uit te voeren wat hij wil, maar alleen door goddelijke kracht, komt het aan Christus in zover Hij mens is en een menselijke wil heeft toe te bidden.
B: (Ps 134, Ps 134:6) [b:Ps 134]
R: q. 83 a. 1[t:iiia q. 83 a. 1] q. 83 a. 2[t:iiia q. 83 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. In zover Hij God was kon Christus alles volbrengen wat Hij wilde, maar niet als mens; want als mens bezat Hij zoals boven gezegd is (13° Kw., 1° Art.) geen almacht. Desalniettemin wilde Hij, die God en mens tegelijk was, Zijn gebeden tot de Vader richten, niet alsof Hijzelf onmachtig was, maar om ons te onderrichten. Ten eerste om te tonen, dat Hij van de Vader kwam, en daarom zei Hij bij Johannes (11, 42): "Om het volk, dat om Mij heen staat, heb Ik gesproken, (nl. de woorden van Mijn gebed) opdat zij zouden geloven, dat U Mij gezonden hebt". Daarom zegt ook Hilarius in het 10e boek Over de Drievuldigheid (n. 71): "Hij had geen behoefte aan het gebed, maar Hij bad voor ons, dat Hij als Zoon bekend mocht worden". Ten tweede om ons een voorbeeld te geven. Daarom zegt Ambrosius bij Lucas (6, 12): "Laat de geopende oren U niet bedriegen, om te menen, dat Gods Zoon als een zwakke bidt om te verkrijgen wat Hij zelf niet volbrengen kan. Want de oorsprong van alle macht en de leermeester der gehoorzaamheid brengt ons door Zijn voorbeeld tot het onderhouden van de geboden der deugd". Daarom zegt Augustinus ook in het Commentaar op Johannes (104e Tr.): "Als het nodig was geweest, had de Heer in de gestalte van een slaaf ook in stilte kunnen bidden. Maar Hij wilde zo als smeekeling bij de Vader verschijnen, dat Hij zich tegelijk bewust was onze leermeester te zijn".
B: (Luke 6:12) [b:Luke 6:12] (John 11:42, John 11:42) [b:John 11:42]
R: q. 13 a. 1[t:iiia q. 13 a. 1]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 21 a. 3 co.[t:iiia q. 21 a. 3 co.]
1e Weerlegging. In zover Hij God was kon Christus alles volbrengen wat Hij wilde, maar niet als mens; want als mens bezat Hij zoals boven gezegd is (13° Kw., 1° Art.) geen almacht. Desalniettemin wilde Hij, die God en mens tegelijk was, Zijn gebeden tot de Vader richten, niet alsof Hijzelf onmachtig was, maar om ons te onderrichten. Ten eerste om te tonen, dat Hij van de Vader kwam, en daarom zei Hij bij Johannes (11, 42): "Om het volk, dat om Mij heen staat, heb Ik gesproken, (nl. de woorden van Mijn gebed) opdat zij zouden geloven, dat U Mij gezonden hebt". Daarom zegt ook Hilarius in het 10e boek Over de Drievuldigheid (n. 71): "Hij had geen behoefte aan het gebed, maar Hij bad voor ons, dat Hij als Zoon bekend mocht worden". Ten tweede om ons een voorbeeld te geven. Daarom zegt Ambrosius bij Lucas (6, 12): "Laat de geopende oren U niet bedriegen, om te menen, dat Gods Zoon als een zwakke bidt om te verkrijgen wat Hij zelf niet volbrengen kan. Want de oorsprong van alle macht en de leermeester der gehoorzaamheid brengt ons door Zijn voorbeeld tot het onderhouden van de geboden der deugd". Daarom zegt Augustinus ook in het Commentaar op Johannes (104e Tr.): "Als het nodig was geweest, had de Heer in de gestalte van een slaaf ook in stilte kunnen bidden. Maar Hij wilde zo als smeekeling bij de Vader verschijnen, dat Hij zich tegelijk bewust was onze leermeester te zijn".
B: (Luke 6:12) [b:Luke 6:12] (John 11:42, John 11:42) [b:John 11:42]
R: q. 13 a. 1[t:iiia q. 13 a. 1]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 21 a. 3 co.[t:iiia q. 21 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Onder de toekomstige dingen, die Christus kende, wist Hij van sommigen, dat zij op Zijn gebed moesten geschieden. En het was niet ongepast, dat Hij daarom tot God bad.
2e Weerlegging. Onder de toekomstige dingen, die Christus kende, wist Hij van sommigen, dat zij op Zijn gebed moesten geschieden. En het was niet ongepast, dat Hij daarom tot God bad.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het opstijgen is niets anders dan het zich bewegen naar iets dat hoger is. Nu spreekt men volgens het 3e boek Over de Ziel (7e H., n. 1.) in dubbele zin over beweging. Ten eerste in eigenlijke zin als men een overgang van het kunnen naar de act bedoelt, in zover beweging de act is van iets onvolmaakts. En zo komt beweging toe aan iets dat hoger kan zijn, maar niet daadwerkelijk is. En zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, t. a. pl.) zegt, "had Christus’ menselijk verstand er geen behoefte aan naar God op te stijgen, omdat het altijd met God verenigd is zowel in het persoonlijke zijn als naar de zalige aanschouwing". In andere zin wordt de beweging de act van iets volmaakts genoemd, dit wil zeggen van iets dat reeds daadwerkelijk iets is, zoals men begrijpen en gevoelen een beweging noemt. En zo stijgt het verstand van Christus altijd omhoog naar God, omdat het Hem altijd beschouwt als boven zichzelf verheven bestaand.
3e Weerlegging. Het opstijgen is niets anders dan het zich bewegen naar iets dat hoger is. Nu spreekt men volgens het 3e boek Over de Ziel (7e H., n. 1.) in dubbele zin over beweging. Ten eerste in eigenlijke zin als men een overgang van het kunnen naar de act bedoelt, in zover beweging de act is van iets onvolmaakts. En zo komt beweging toe aan iets dat hoger kan zijn, maar niet daadwerkelijk is. En zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, t. a. pl.) zegt, "had Christus’ menselijk verstand er geen behoefte aan naar God op te stijgen, omdat het altijd met God verenigd is zowel in het persoonlijke zijn als naar de zalige aanschouwing". In andere zin wordt de beweging de act van iets volmaakts genoemd, dit wil zeggen van iets dat reeds daadwerkelijk iets is, zoals men begrijpen en gevoelen een beweging noemt. En zo stijgt het verstand van Christus altijd omhoog naar God, omdat het Hem altijd beschouwt als boven zichzelf verheven bestaand.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Kwam het Christus naar Zijn zinnelijk gedeelte toe te bidden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 21 a. 3 co.[t:iiia q. 21 a. 3 co.]
IIIa q. 21 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het Christus naar Zijn zinnelijk gedeelte toekwam te bidden. Want in een Psalm (Ps. 83, 3) wordt in Christus’ naam gezegd: "Mijn hart en mijn vlees hebben zich verheugd in de levenden God". Nu noemt men het verlangen van het vlees de zinnelijkheid. Dus kon Christus’ zinnelijkheid in blijdschap opstijgen naar de levenden God, en evenzeer in het gebed.
B: (Ps 83:3) [b:Ps 83:3]
IIIa q. 21 a. 3 co.[t:iiia q. 21 a. 3 co.]
IIIa q. 21 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het Christus naar Zijn zinnelijk gedeelte toekwam te bidden. Want in een Psalm (Ps. 83, 3) wordt in Christus’ naam gezegd: "Mijn hart en mijn vlees hebben zich verheugd in de levenden God". Nu noemt men het verlangen van het vlees de zinnelijkheid. Dus kon Christus’ zinnelijkheid in blijdschap opstijgen naar de levenden God, en evenzeer in het gebed.
B: (Ps 83:3) [b:Ps 83:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Aan datgene schijnt het bidden toe te komen, waaraan ook het verlangen naar het voorwerp van het gebed toekomt. Nu bad Christus om iets dat Zijn zinnelijkheid verlangde, toen Hij zei: "Neem deze kelk van Mij weg" (Matthaeus, 26, 39). Dus bad Christus’ zinnelijkheid.
B: (Matt 26:39) [b:Matt 26:39]
Vervolgens. Aan datgene schijnt het bidden toe te komen, waaraan ook het verlangen naar het voorwerp van het gebed toekomt. Nu bad Christus om iets dat Zijn zinnelijkheid verlangde, toen Hij zei: "Neem deze kelk van Mij weg" (Matthaeus, 26, 39). Dus bad Christus’ zinnelijkheid.
B: (Matt 26:39) [b:Matt 26:39]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Het is iets hogers met God in persoon verenigd te zijn dan door het gebed tot Hem op te stijgen. Nu werd de zinnelijkheid als iedere ander deel van de menselijke natuur door God in de eenheid van persoon aangenomen. Dus kon zij zoveel te meer in het gebed tot God opstijgen.
Vervolgens. Het is iets hogers met God in persoon verenigd te zijn dan door het gebed tot Hem op te stijgen. Nu werd de zinnelijkheid als iedere ander deel van de menselijke natuur door God in de eenheid van persoon aangenomen. Dus kon zij zoveel te meer in het gebed tot God opstijgen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat in de Philippensenbrief (2, 7) wordt gezegd, dat Gods Zoon naar de aangenomen natuur, “aan de mensen gelijk is geworden”. Maar de andere mensen bidden niet naar het zinnelijke gedeelte. Dus bad ook Christus niet krachtens Zijn zinnelijk deel.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Maar daartegenover staat, dat in de Philippensenbrief (2, 7) wordt gezegd, dat Gods Zoon naar de aangenomen natuur, “aan de mensen gelijk is geworden”. Maar de andere mensen bidden niet naar het zinnelijke gedeelte. Dus bad ook Christus niet krachtens Zijn zinnelijk deel.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 2 co.
Mijn antwoord. Bidden krachtens de zinnelijkheid kan men op twee manieren opvatten. Ten eerste zo, dat het bidden een daad van het zinnelijke gedeelte zou zijn. En zo bad Christus niet krachtens de zinnelijkheid, omdat die bij Hem van dezelfde natuur en soort is als bij ons. Nu kan zij in ons om een dubbele reden niet bidden. Ten eerste omdat haar werkzaamheid de zinnelijke dingen niet te boven kan gaan; en daarom kan zij niet tot God opstijgen, zoals voor een gebed noodzakelijk is. Ten tweede brengt het bidden het scheppen van een verhouding mee, in zover iemand om iets bid in zover het door God moet worden volbracht, en dat kan alleen het verstand. Daarom is bidden een daad van het verstand, zoals in het tweede deel behandeld is (IIa-IIae, 83° Kw., 1° Art.). In andere zin kan men zeggen, dat iemand krachtens de zinnelijkheid bid, in zover zijn verstand aan God in het gebed datgene voorstelt, wat in de verlangens der zinnelijkheid opgesloten lag. En in dezen zin bad Christus krachtens Zijn zinnelijkheid, omdat nl. Zijn gebed als voorspreker der zinnelijkheid haar gevoelens uitdrukte. Dat was om ons over drie dingen te onderrichten. Ten eerste om ons te tonen, dat Hij een echte menselijke natuur had aangenomen met alle natuurlijke gevoelens. Ten tweede om te laten zien, dat de mens met zijn natuurlijke gevoelens iets mag willen, dat God niet wil. Ten derde om erop te wijzen, dat de mens zijn natuurlijke gevoelens aan de goddelijke wil moet onderwerpen. Daarom zegt Augustinus in het Enchiridion: "Christus, die Zich als mens gedroeg, toonde zo een eigen menselijke wil te hebben toen Hij bad: Laat deze kelk aan Mij voorbijgaan". Dit immers was een menselijke wil, die iets eigens en als het ware iets persoonlijks verlangde. Maar omdat Hij een goed mens wilde zijn en Zich tot God richten, voegde Hij eraan toe: "Maar niet zoals Ik het wil, maar gelijk Gij", alsof Hij wilde zeggen: "Ziet u zelf in Mij; dat gij nl. iets eigens kunt willen, ook al wil God iets anders".
R: IIa-IIae q. 83 a. 1[t:iia-iiae q. 83 a. 1]
Mijn antwoord. Bidden krachtens de zinnelijkheid kan men op twee manieren opvatten. Ten eerste zo, dat het bidden een daad van het zinnelijke gedeelte zou zijn. En zo bad Christus niet krachtens de zinnelijkheid, omdat die bij Hem van dezelfde natuur en soort is als bij ons. Nu kan zij in ons om een dubbele reden niet bidden. Ten eerste omdat haar werkzaamheid de zinnelijke dingen niet te boven kan gaan; en daarom kan zij niet tot God opstijgen, zoals voor een gebed noodzakelijk is. Ten tweede brengt het bidden het scheppen van een verhouding mee, in zover iemand om iets bid in zover het door God moet worden volbracht, en dat kan alleen het verstand. Daarom is bidden een daad van het verstand, zoals in het tweede deel behandeld is (IIa-IIae, 83° Kw., 1° Art.). In andere zin kan men zeggen, dat iemand krachtens de zinnelijkheid bid, in zover zijn verstand aan God in het gebed datgene voorstelt, wat in de verlangens der zinnelijkheid opgesloten lag. En in dezen zin bad Christus krachtens Zijn zinnelijkheid, omdat nl. Zijn gebed als voorspreker der zinnelijkheid haar gevoelens uitdrukte. Dat was om ons over drie dingen te onderrichten. Ten eerste om ons te tonen, dat Hij een echte menselijke natuur had aangenomen met alle natuurlijke gevoelens. Ten tweede om te laten zien, dat de mens met zijn natuurlijke gevoelens iets mag willen, dat God niet wil. Ten derde om erop te wijzen, dat de mens zijn natuurlijke gevoelens aan de goddelijke wil moet onderwerpen. Daarom zegt Augustinus in het Enchiridion: "Christus, die Zich als mens gedroeg, toonde zo een eigen menselijke wil te hebben toen Hij bad: Laat deze kelk aan Mij voorbijgaan". Dit immers was een menselijke wil, die iets eigens en als het ware iets persoonlijks verlangde. Maar omdat Hij een goed mens wilde zijn en Zich tot God richten, voegde Hij eraan toe: "Maar niet zoals Ik het wil, maar gelijk Gij", alsof Hij wilde zeggen: "Ziet u zelf in Mij; dat gij nl. iets eigens kunt willen, ook al wil God iets anders".
R: IIa-IIae q. 83 a. 1[t:iia-iiae q. 83 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Het vlees verheugt zich in God niet door een daad van het vlees, die omhoog stijgt naar God, maar doordat er iets uit het hart op het vlees overvloeit, in zover het zinnelijk streefvermogen de beweging van het redelijke volgt.
B: (Ps 32) [b:Ps 32]
1e Weerlegging. Het vlees verheugt zich in God niet door een daad van het vlees, die omhoog stijgt naar God, maar doordat er iets uit het hart op het vlees overvloeit, in zover het zinnelijk streefvermogen de beweging van het redelijke volgt.
B: (Ps 32) [b:Ps 32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Al wilde de zinnelijkheid datgene wat de rede vroeg, is toch dat vragen in het gebed niet iets van de zinnelijkheid, maar van de rede, zoals werd gezegd (in de Leerstelling).
2e Weerlegging. Al wilde de zinnelijkheid datgene wat de rede vroeg, is toch dat vragen in het gebed niet iets van de zinnelijkheid, maar van de rede, zoals werd gezegd (in de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De vereniging in persoon geschiedde naar het persoonlijke zijn, dat aan iedere deel der menselijke natuur toekomt. Het opstijgen echter in het gebed gebeurt door een daad, die zoals werd gezegd (t. a. pl.), alleen aan het verstand toekomt. Daarom gaat dezelfde reden hier niet op.
3e Weerlegging. De vereniging in persoon geschiedde naar het persoonlijke zijn, dat aan iedere deel der menselijke natuur toekomt. Het opstijgen echter in het gebed gebeurt door een daad, die zoals werd gezegd (t. a. pl.), alleen aan het verstand toekomt. Daarom gaat dezelfde reden hier niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Paste het Christus voor Zichzelf te bidden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 22 a. 4 arg. 1[t:iiia q. 22 a. 4 arg. 1]
IIIa q. 21 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat het Christus niet paste voor zichzelf te bidden. Want Hilarius zegt in het tiende boek *Over de Drievuldigheid* (n. 71): "Al baatte Zijn smeekgebed Hemzelf niet, Hij sprak toch om ons geloof te doen groeien". Zo schijnt het dat Christus niet voor zichzelf maar voor ons bad.
IIIa q. 22 a. 4 arg. 1[t:iiia q. 22 a. 4 arg. 1]
IIIa q. 21 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat het Christus niet paste voor zichzelf te bidden. Want Hilarius zegt in het tiende boek *Over de Drievuldigheid* (n. 71): "Al baatte Zijn smeekgebed Hemzelf niet, Hij sprak toch om ons geloof te doen groeien". Zo schijnt het dat Christus niet voor zichzelf maar voor ons bad.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Niemand bid tenzij voor wat hij verlangt, omdat het gebed zoals werd gezegd (1° Art.) een uiteenzetting is van wat men door God volvoerd wil zien. Nu wilde Christus datgene wat Hij leed ondergaan, want Augustinus zegt in het boek *Tegen Faustus* (26° B., 8° H.): "Meestal wordt de mens bedroefd ook al wil hij het niet, slaapt ook al wil hij het niet; heeft honger en dorst ook al wil hij het niet. Maar Hij (nl. Christus) had dat alles, omdat Hij het wilde". Dus kwam het Hem niet toe voor zichzelf te bidden.
R: q. 21 a. 1[t:iiia q. 21 a. 1]
Vervolgens. Niemand bid tenzij voor wat hij verlangt, omdat het gebed zoals werd gezegd (1° Art.) een uiteenzetting is van wat men door God volvoerd wil zien. Nu wilde Christus datgene wat Hij leed ondergaan, want Augustinus zegt in het boek *Tegen Faustus* (26° B., 8° H.): "Meestal wordt de mens bedroefd ook al wil hij het niet, slaapt ook al wil hij het niet; heeft honger en dorst ook al wil hij het niet. Maar Hij (nl. Christus) had dat alles, omdat Hij het wilde". Dus kwam het Hem niet toe voor zichzelf te bidden.
R: q. 21 a. 1[t:iiia q. 21 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Cyprianus zegt in het boek *Over het gebed des Heren*: "De Leeraar van vrede en eenheid wilde niet dat er afzonderlijk en alleen gebeden werd, opdat niemand in het gebed alleen voor zichzelf zou bidden". Nu vervulde Christus wat Hij voorschreef volgens de Handelingen (1, 1): "Jesus begon te doen en te onderrichten". Dus bad Jesus nooit voor Zichzelf alleen.
B: (Acts 1:1) [b:Acts 1:1]
Vervolgens. Cyprianus zegt in het boek *Over het gebed des Heren*: "De Leeraar van vrede en eenheid wilde niet dat er afzonderlijk en alleen gebeden werd, opdat niemand in het gebed alleen voor zichzelf zou bidden". Nu vervulde Christus wat Hij voorschreef volgens de Handelingen (1, 1): "Jesus begon te doen en te onderrichten". Dus bad Jesus nooit voor Zichzelf alleen.
B: (Acts 1:1) [b:Acts 1:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de Heer zelf biddend zei, (Joannes 27, 1): “Verheerlijk Uw Zoon”.
B: (John 17:1) [b:John 17:1]
Maar daartegenover staat, dat de Heer zelf biddend zei, (Joannes 27, 1): “Verheerlijk Uw Zoon”.
B: (John 17:1) [b:John 17:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 3 co.
Mijn antwoord. Op de twee manieren bad Christus voor zichzelf. Ten eerste door zoals boven is gezegd (Vorig Art.) de gevoelens van Zijn zinnelijk gedeelte uit te drukken of ook die van de eenvoudig als een natuurding beschouwden wil, zoals toen Hij bad, dat de kelk van het lijden van Hem mocht worden weggenomen. Daarnaast door de verlangens van zijn door overleg geleide als een redelijk ding beschouwden wil uit te drukken, zoals toen Hij om de verheerlijking der Verrijzenis bad. En dat was redelijk. Want zoals werd gezegd (1° Art., Antw. op de 1° B.) wilde Christus Zijn gebed tot de Vader als een voorbeeld van gebed gebruiken, en ook om te tonen, dat de Vader het beginsel was, uit wie Hij naar de goddelijke natuur van eeuwigheid was voortgekomen en van wie Hij naar de menselijke al het goed had dat Hij bezat. Zoals Hij nu in de menselijke natuur sommige goede dingen reeds van de Vader ontvangen had, verwachtte Hij van Hem het goede, dat Hij nog niet had ontvangen, maar krijgen moest. En zoals Hij dus voor het in de menselijke natuur ontvangen goed de Vader dankte en als gever erkende, zoals uit Mattheus (26, 27) en Johannes (11, 41) blijkt, zo vroeg Hij ook om de Vader als gever te erkennen in het gebed datgene van Hem, dat Hij naar de menselijke natuur nog miste als de heerlijkheid van het lichaam en dergelijke dingen. En hierin gaf Hij ons ook een voorbeeld om voor te ontvangen gaven te danken en wat wij nog niet hebben in het gebed te vragen.
B: (Matt 26:27) [b:Matt 26:27] (Matt 26:39) [b:Matt 26:39] (John 11:41, John 11:41) [b:John 11:41] (John 17:1) [b:John 17:1]
R: q. 21 a. 2[t:iiia q. 21 a. 2] q. 21 a. 1 ad 1[t:iiia q. 21 a. 1 ad 1]
Mijn antwoord. Op de twee manieren bad Christus voor zichzelf. Ten eerste door zoals boven is gezegd (Vorig Art.) de gevoelens van Zijn zinnelijk gedeelte uit te drukken of ook die van de eenvoudig als een natuurding beschouwden wil, zoals toen Hij bad, dat de kelk van het lijden van Hem mocht worden weggenomen. Daarnaast door de verlangens van zijn door overleg geleide als een redelijk ding beschouwden wil uit te drukken, zoals toen Hij om de verheerlijking der Verrijzenis bad. En dat was redelijk. Want zoals werd gezegd (1° Art., Antw. op de 1° B.) wilde Christus Zijn gebed tot de Vader als een voorbeeld van gebed gebruiken, en ook om te tonen, dat de Vader het beginsel was, uit wie Hij naar de goddelijke natuur van eeuwigheid was voortgekomen en van wie Hij naar de menselijke al het goed had dat Hij bezat. Zoals Hij nu in de menselijke natuur sommige goede dingen reeds van de Vader ontvangen had, verwachtte Hij van Hem het goede, dat Hij nog niet had ontvangen, maar krijgen moest. En zoals Hij dus voor het in de menselijke natuur ontvangen goed de Vader dankte en als gever erkende, zoals uit Mattheus (26, 27) en Johannes (11, 41) blijkt, zo vroeg Hij ook om de Vader als gever te erkennen in het gebed datgene van Hem, dat Hij naar de menselijke natuur nog miste als de heerlijkheid van het lichaam en dergelijke dingen. En hierin gaf Hij ons ook een voorbeeld om voor te ontvangen gaven te danken en wat wij nog niet hebben in het gebed te vragen.
B: (Matt 26:27) [b:Matt 26:27] (Matt 26:39) [b:Matt 26:39] (John 11:41, John 11:41) [b:John 11:41] (John 17:1) [b:John 17:1]
R: q. 21 a. 2[t:iiia q. 21 a. 2] q. 21 a. 1 ad 1[t:iiia q. 21 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Hilarius spreekt hier over het mondgebed, waaraan Hij voor Zichzelf geen behoefte had, maar voor ons. Daarom zegt hij uitdrukkelijk, dat de woorden van het gebed Hem niet baatten. Want als God "de gebeden der armen verhoort", zoals in de Psalmen (Ps. 9, 17) staat, dan had de wil van Christus alleen zoveel te meer nog bij God de kracht van een gebed. Daarom zei Hij zelf bij Joannes (11, 42): "Ik wist dat Gij Mij altijd hoort, maar Ik heb gesproken om het volk dat om Mij heen staat, opdat zij geloven zouden dat Gij Mij gezonden hebt".
B: (Ps 9, Ps 9:38) [b:Ps 9] (John 11:42, John 11:42) [b:John 11:42]
1e Weerlegging. Hilarius spreekt hier over het mondgebed, waaraan Hij voor Zichzelf geen behoefte had, maar voor ons. Daarom zegt hij uitdrukkelijk, dat de woorden van het gebed Hem niet baatten. Want als God "de gebeden der armen verhoort", zoals in de Psalmen (Ps. 9, 17) staat, dan had de wil van Christus alleen zoveel te meer nog bij God de kracht van een gebed. Daarom zei Hij zelf bij Joannes (11, 42): "Ik wist dat Gij Mij altijd hoort, maar Ik heb gesproken om het volk dat om Mij heen staat, opdat zij geloven zouden dat Gij Mij gezonden hebt".
B: (Ps 9, Ps 9:38) [b:Ps 9] (John 11:42, John 11:42) [b:John 11:42]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Christus wilde wat Hij onderging wat die tijd betreft wel lijden, maar toch wilde Hij na het lijden de verheerlijking van het lichaam krijgen, die Hij nog niet had. Die verwachtte Hij van de Vader als van de gever. En daarom past het, dat Hij dat voor Zichzelf vroeg.
2e Weerlegging. Christus wilde wat Hij onderging wat die tijd betreft wel lijden, maar toch wilde Hij na het lijden de verheerlijking van het lichaam krijgen, die Hij nog niet had. Die verwachtte Hij van de Vader als van de gever. En daarom past het, dat Hij dat voor Zichzelf vroeg.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De glorie, die Hij in het gebed voor Zich vroeg, maakte deel uit van de redding der mensen volgens de Romeinenbrief (4, 25): "Hij verrees om onze rechtvaardiging". Zo was dat gebed voor Hemzelf ook enigszins voor anderen. Evenzo bidt iedere mens, die van God iets goeds vraagt om dat voor het nut van anderen te gebruiken, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen.
B: (Rom 4:25) [b:Rom 4:25]
3e Weerlegging. De glorie, die Hij in het gebed voor Zich vroeg, maakte deel uit van de redding der mensen volgens de Romeinenbrief (4, 25): "Hij verrees om onze rechtvaardiging". Zo was dat gebed voor Hemzelf ook enigszins voor anderen. Evenzo bidt iedere mens, die van God iets goeds vraagt om dat voor het nut van anderen te gebruiken, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen.
B: (Rom 4:25) [b:Rom 4:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Werd Christus’ gebed altijd verhoord?
IIIa q. 21 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat Christus’ gebed niet altijd werd verhoord. Want Hij vroeg dat de kelk van het lijden van Hem werd weggenomen, zoals blijkt uit *Matthaeus* (26, 39); en toch ging deze Hem niet voorbij. Dus schijnt niet ieder gebed van Hem verhoord te zijn.
B: (Matt 26:39) [b:Matt 26:39]
Over het vierde als volgt. Men beweert dat Christus’ gebed niet altijd werd verhoord. Want Hij vroeg dat de kelk van het lijden van Hem werd weggenomen, zoals blijkt uit *Matthaeus* (26, 39); en toch ging deze Hem niet voorbij. Dus schijnt niet ieder gebed van Hem verhoord te zijn.
B: (Matt 26:39) [b:Matt 26:39]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Hij bad, dat de zonde van hen, die Hem kruisigden vergeven mocht worden, zoals uit *Lucas* (23, 34) blijkt. Maar niet aan allen werd die zonde vergeven, omdat de Joden ervoor zijn gestraft. Dus schijnt niet iedere gebed van Hem verhoord te zijn.
B: (Luke 23:34) [b:Luke 23:34]
Vervolgens. Hij bad, dat de zonde van hen, die Hem kruisigden vergeven mocht worden, zoals uit *Lucas* (23, 34) blijkt. Maar niet aan allen werd die zonde vergeven, omdat de Joden ervoor zijn gestraft. Dus schijnt niet iedere gebed van Hem verhoord te zijn.
B: (Luke 23:34) [b:Luke 23:34]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 4 arg. 3
Vervolgens. De Heer bad voor hen, die door het woord der apostelen in Hem zouden geloven, dat allen in Hem één zouden zijn, en dat zij ertoe mochten komen om met Hem te zijn. Maar niet allen kwamen daartoe. Dus werd niet iedere gebed van Hem verhoord.
B: (John 17:20, John 17:20) [b:John 17:20] (John 17:21, John 17:21) [b:John 17:21] (John 17:24, John 17:24) [b:John 17:24]
Vervolgens. De Heer bad voor hen, die door het woord der apostelen in Hem zouden geloven, dat allen in Hem één zouden zijn, en dat zij ertoe mochten komen om met Hem te zijn. Maar niet allen kwamen daartoe. Dus werd niet iedere gebed van Hem verhoord.
B: (John 17:20, John 17:20) [b:John 17:20] (John 17:21, John 17:21) [b:John 17:21] (John 17:24, John 17:24) [b:John 17:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 4 arg. 4
Vervolgens. In een Psalm (Ps. 21, 3) wordt namens Christus gezegd: "Ik roep de hele dag en Gij luistert niet". Dus zijn niet al Zijn gebeden verhoord.
B: (Ps 21:3) [b:Ps 21:3]
Vervolgens. In een Psalm (Ps. 21, 3) wordt namens Christus gezegd: "Ik roep de hele dag en Gij luistert niet". Dus zijn niet al Zijn gebeden verhoord.
B: (Ps 21:3) [b:Ps 21:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat dat de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 7) zegt: "Toen Hij onder luid geroep en tranen gebeden opzond, is Hij om Zijn godvrees verhoord".
B: (Heb 5:7) [b:Heb 5:7]
Maar daartegenover staat dat de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 7) zegt: "Toen Hij onder luid geroep en tranen gebeden opzond, is Hij om Zijn godvrees verhoord".
B: (Heb 5:7) [b:Heb 5:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals werd gezegd (1e Art.), is het gebed in zekere zin de uitdrukking van de menselijke wil. Iemands gebed wordt dus verhoord als zijn wil wordt vervuld. Maar de wil van een mens zonder meer is zijn door de rede geleide wil; want wij willen onvoorwaardelijk datgene, wat wij met de door overleg geleide wil willen. Maar wat wij met de bewegingen der zinnelijkheid of van het eenvoudig als natuurding beschouwden willen, willen wij niet zonder meer maar alleen in zeker opzicht, namelijk als er niets tegen is, dat wij bij verstandsoverleg vinden. Een dergelijk willen moeten wij daarom eerder een zou-willen (Lat. velleitas) noemen dan een onvoorwaardelijk willen, omdat de mens het namelijk zou willen, als er niets tegen was. Maar met Zijn redelijke wil wilde Christus niets anders dan dat, waarvan Hij wist dat God het wilde. En dus werd elk onvoorwaardelijk, ook het menselijke willen van Christus altijd vervuld, omdat het met God overeenkwam en daarom is elk gebed van Hem verhoord. Hierom immers worden ook de gebeden van anderen verhoord, dat hun wil met God overeenkomt naar de Romeinenbrief (8, 27): "Hij die de harten doorgrondt, weet, (dwz. keurt goed) wat de Geest verlangt, (dwz. de heiligen doet verlangen), omdat Hij volgens God (dwz. overeenkomstig Gods wil) voor de heiligen bidt".
R: q. 21 a. 1[t:iiia q. 21 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals werd gezegd (1e Art.), is het gebed in zekere zin de uitdrukking van de menselijke wil. Iemands gebed wordt dus verhoord als zijn wil wordt vervuld. Maar de wil van een mens zonder meer is zijn door de rede geleide wil; want wij willen onvoorwaardelijk datgene, wat wij met de door overleg geleide wil willen. Maar wat wij met de bewegingen der zinnelijkheid of van het eenvoudig als natuurding beschouwden willen, willen wij niet zonder meer maar alleen in zeker opzicht, namelijk als er niets tegen is, dat wij bij verstandsoverleg vinden. Een dergelijk willen moeten wij daarom eerder een zou-willen (Lat. velleitas) noemen dan een onvoorwaardelijk willen, omdat de mens het namelijk zou willen, als er niets tegen was. Maar met Zijn redelijke wil wilde Christus niets anders dan dat, waarvan Hij wist dat God het wilde. En dus werd elk onvoorwaardelijk, ook het menselijke willen van Christus altijd vervuld, omdat het met God overeenkwam en daarom is elk gebed van Hem verhoord. Hierom immers worden ook de gebeden van anderen verhoord, dat hun wil met God overeenkomt naar de Romeinenbrief (8, 27): "Hij die de harten doorgrondt, weet, (dwz. keurt goed) wat de Geest verlangt, (dwz. de heiligen doet verlangen), omdat Hij volgens God (dwz. overeenkomstig Gods wil) voor de heiligen bidt".
R: q. 21 a. 1[t:iiia q. 21 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De heiligen leggen dit gebed om het wegnemen der kelk verschillend uit. Want Hilarius zegt (op Matthaeus, 31e H., n. 7): "Als Hij vraagt, dat zij van Hem weggaat, bidt Hij niet om zelf voorbij te worden gegaan, maar dat wat van Hem weggaat anderen ten goede mag komen. En daarom bidt Hij voor hen die na Hem zouden lijden, zodat de betekenis wordt: mag de kelk van het lijden zo door anderen worden gedronken als door Mij, zonder dat de hoop ver- saagt, zonder gevoel van smart, zonder vrees voor de dood". Of volgens Hieronymus (Commentaar op Matthaeus (26, 39), 4e B.): "Hij zegt uitdrukkelijk: deze kelk, namelijk van het joodsche volk, die zich niet met onwetendheid kunnen verontschuldigen als zij mij doden, omdat zij wet en Profeten hebben, die Mij aan- kondigen". Of volgens Dionysius van Alexandrië (Over het Martelaarschap, aan Origenes, 7e H.): "Dat Hij zegt: Neem deze kelk van mij weg, betekent niet, laat zij Mij niet bereiken; want als zij Hem niet bereikte, zou zij niet weggenomen kunnen worden. Maar zoals wat voorbij gaat noch onaangeraakt noch blijvend is, vroeg onze Verlosser, dat de bekoring die Hem enigszins aangreep verdreven mocht worden". Ambrosius echter en Origenes en Chrysostomus zeggen, dat Hij dit bad als een mens, die met zijn natuurlijke wil voor de dood terugschrikt. Vat men het dus zo op, dat Hij bad, dat hierdoor de andere martelaars navolgers mochten worden, of dat de vrees voor het drinken van de kelk Hem niet zou verwarren of dat de dood Hem niet blijvend zou overwinnen, dan is datgene, waarom Hij vroeg geheel en al vervuld. Houdt men, dat Hij bad dat Hij de kelk van lijden en dood niet zou drinken of niet door het joodsche volk, dan is Zijn gebed wel niet verhoord, omdat de rede, die dit gebed aan God overbracht, niet wilde dat het vervuld werd; maar Hij wilde om ons te onderrichten ons Zijn natuurlijke wil en de bewegingen van Zijn zinnelijk deel, die Hij als mens had, toonen.
B: (Rom 8:27) [b:Rom 8:27]
1e Weerlegging. De heiligen leggen dit gebed om het wegnemen der kelk verschillend uit. Want Hilarius zegt (op Matthaeus, 31e H., n. 7): "Als Hij vraagt, dat zij van Hem weggaat, bidt Hij niet om zelf voorbij te worden gegaan, maar dat wat van Hem weggaat anderen ten goede mag komen. En daarom bidt Hij voor hen die na Hem zouden lijden, zodat de betekenis wordt: mag de kelk van het lijden zo door anderen worden gedronken als door Mij, zonder dat de hoop ver- saagt, zonder gevoel van smart, zonder vrees voor de dood". Of volgens Hieronymus (Commentaar op Matthaeus (26, 39), 4e B.): "Hij zegt uitdrukkelijk: deze kelk, namelijk van het joodsche volk, die zich niet met onwetendheid kunnen verontschuldigen als zij mij doden, omdat zij wet en Profeten hebben, die Mij aan- kondigen". Of volgens Dionysius van Alexandrië (Over het Martelaarschap, aan Origenes, 7e H.): "Dat Hij zegt: Neem deze kelk van mij weg, betekent niet, laat zij Mij niet bereiken; want als zij Hem niet bereikte, zou zij niet weggenomen kunnen worden. Maar zoals wat voorbij gaat noch onaangeraakt noch blijvend is, vroeg onze Verlosser, dat de bekoring die Hem enigszins aangreep verdreven mocht worden". Ambrosius echter en Origenes en Chrysostomus zeggen, dat Hij dit bad als een mens, die met zijn natuurlijke wil voor de dood terugschrikt. Vat men het dus zo op, dat Hij bad, dat hierdoor de andere martelaars navolgers mochten worden, of dat de vrees voor het drinken van de kelk Hem niet zou verwarren of dat de dood Hem niet blijvend zou overwinnen, dan is datgene, waarom Hij vroeg geheel en al vervuld. Houdt men, dat Hij bad dat Hij de kelk van lijden en dood niet zou drinken of niet door het joodsche volk, dan is Zijn gebed wel niet verhoord, omdat de rede, die dit gebed aan God overbracht, niet wilde dat het vervuld werd; maar Hij wilde om ons te onderrichten ons Zijn natuurlijke wil en de bewegingen van Zijn zinnelijk deel, die Hij als mens had, toonen.
B: (Rom 8:27) [b:Rom 8:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. De Heer bad niet voor allen, die Hem kruisigden en niet voor allen, die in Hem zouden geloven, maar alleen voor hen die voorbestemd waren om door Hem het eeuwige leven te krijgen. Hieruit blijkt ook het antwoord op de derde bedenking.
2e Weerlegging. De Heer bad niet voor allen, die Hem kruisigden en niet voor allen, die in Hem zouden geloven, maar alleen voor hen die voorbestemd waren om door Hem het eeuwige leven te krijgen. Hieruit blijkt ook het antwoord op de derde bedenking.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 4 ad 3
Unde patet Als er staat: "Ik zal roepen en Gij zult Mij niet verhoren, moet men dit laten slaan op de gevoelens der zinnelijkheid, die voor de dood terugschrikken. Maar zoals werd gezegd (in de Leerstelling), is Hij wel verhoord in de gevoelens van Zijn redelijke wil.
B: (Matt 26:39) [b:Matt 26:39]
Unde patet Als er staat: "Ik zal roepen en Gij zult Mij niet verhoren, moet men dit laten slaan op de gevoelens der zinnelijkheid, die voor de dood terugschrikken. Maar zoals werd gezegd (in de Leerstelling), is Hij wel verhoord in de gevoelens van Zijn redelijke wil.
B: (Matt 26:39) [b:Matt 26:39]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 21 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 22: Over het Priesterschap van Christus
IIIa q. 22 pr.
Vervolgens moeten wij over het priesterschap van Christus spreken. En daarover stellen wij ons zes vragen:
1. Kwam het Christus toe priester te zijn?
2. Over het offer van dezen priester.
3. Over de vruchten van dit priesterschap.
4. Betreffen de vruchten van Zijn priesterschap Hemzelf of alleen anderen?
5. Over de eeuwigheid van Zijn priesterschap.
6. Moet Hij “priester naar de orde van Melchisedech” worden genoemd?
Vervolgens moeten wij over het priesterschap van Christus spreken. En daarover stellen wij ons zes vragen:
1. Kwam het Christus toe priester te zijn?
2. Over het offer van dezen priester.
3. Over de vruchten van dit priesterschap.
4. Betreffen de vruchten van Zijn priesterschap Hemzelf of alleen anderen?
5. Over de eeuwigheid van Zijn priesterschap.
6. Moet Hij “priester naar de orde van Melchisedech” worden genoemd?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Kwam het Christus toe priester te zijn?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 22 a. 4 co.[t:iiia q. 22 a. 4 co.]
IIIa q. 22 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat het Christus niet toekomt priester te zijn. Want een priester staat lager dan een engel, zodat bij Zacharias (3, 1) wordt gezegd: "God toonde mij de hoogepriester staande voor Gods engel". Nu is Christus boven de engelen volgens de Hebreeënbrief (1, 4): "Even hoog staat Hij boven de engelen, als de naam die Hij ontving voortreffelijker is dan de hunne". Dus komt het Christus niet toe priester te zijn.
B: (Zech 3:1) [b:Zech 3:1] (Heb 1:4) [b:Heb 1:4]
IIIa q. 22 a. 4 co.[t:iiia q. 22 a. 4 co.]
IIIa q. 22 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat het Christus niet toekomt priester te zijn. Want een priester staat lager dan een engel, zodat bij Zacharias (3, 1) wordt gezegd: "God toonde mij de hoogepriester staande voor Gods engel". Nu is Christus boven de engelen volgens de Hebreeënbrief (1, 4): "Even hoog staat Hij boven de engelen, als de naam die Hij ontving voortreffelijker is dan de hunne". Dus komt het Christus niet toe priester te zijn.
B: (Zech 3:1) [b:Zech 3:1] (Heb 1:4) [b:Heb 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Wat onder het oude Verbond bestond was een voorafbeelding van Christus volgens de Brief aan de Colossensen (2, 17): "Zij zijn een schaduwbeeld van de toekomstige dingen, maar de werkelijkheid is van Christus". Nu werd Christus naar het vlees niet uit de priesters van het Oude verbond geboren, want de Apostel zegt in de Hebreeënbrief (7, 14): "Het is duidelijk, dat de Heer uit de stam van Juda geboren is, terwijl Moses niets over priesters uit deze stam gezegd heeft". Dus komt het Christus niet toe priester te zijn.
B: (Col 2:17) [b:Col 2:17] (Heb 7:14) [b:Heb 7:14]
Vervolgens. Wat onder het oude Verbond bestond was een voorafbeelding van Christus volgens de Brief aan de Colossensen (2, 17): "Zij zijn een schaduwbeeld van de toekomstige dingen, maar de werkelijkheid is van Christus". Nu werd Christus naar het vlees niet uit de priesters van het Oude verbond geboren, want de Apostel zegt in de Hebreeënbrief (7, 14): "Het is duidelijk, dat de Heer uit de stam van Juda geboren is, terwijl Moses niets over priesters uit deze stam gezegd heeft". Dus komt het Christus niet toe priester te zijn.
B: (Col 2:17) [b:Col 2:17] (Heb 7:14) [b:Heb 7:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Onder het Oude Verbond, dat een voorafbeelding van Christus is, waren priester en wetgever niet dezelfde; en daarom zegt de Heer tot de wetgever Moses in Exodus (28, 1): "Breng Uw broeder Aaron naar voren, dat hij Mij als priester diene". Nu is Christus de gever van de nieuwe wet naar het woord van Jeremias (31, 33): "Ik zal Mijn wet in hun harten geven". Dus komt het Christus niet toe priester te zijn.
B: (Exod 28:1) [b:Exod 28:1] (Jer 31:33) [b:Jer 31:33]
Vervolgens. Onder het Oude Verbond, dat een voorafbeelding van Christus is, waren priester en wetgever niet dezelfde; en daarom zegt de Heer tot de wetgever Moses in Exodus (28, 1): "Breng Uw broeder Aaron naar voren, dat hij Mij als priester diene". Nu is Christus de gever van de nieuwe wet naar het woord van Jeremias (31, 33): "Ik zal Mijn wet in hun harten geven". Dus komt het Christus niet toe priester te zijn.
B: (Exod 28:1) [b:Exod 28:1] (Jer 31:33) [b:Jer 31:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat dat in de Hebreeënbrief (4, 14) wordt gezegd: "Wij hebben een hogepriester, die de hemel is binnengegaan, Jezus de Zoon van God".
B: (Heb 4:14) [b:Heb 4:14]
Maar daartegenover staat dat in de Hebreeënbrief (4, 14) wordt gezegd: "Wij hebben een hogepriester, die de hemel is binnengegaan, Jezus de Zoon van God".
B: (Heb 4:14) [b:Heb 4:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 1 co.
Mijn antwoord. De eigenlijke taak van een priester is bemiddelaar te zijn tussen God en de mensen, in zover hij namelijk goddelijke dingen aan de mensen geeft; en daarom wordt hij sacerdos genoemd als sacra dans, (het heilige gevend) volgens Malachias (2, 7): "Zij zullen de Wet verwachten (te horen) uit de mond van de priester"; en ook in zover hij de gebeden sacerdotibus Moyses locutus est". Ergo Christo non convenit esse sacerdotem. van het volk aan God opdraagt en enigszins tegenover God voor hun zonden voldoet; en daarom zegt de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 1): "Iedere hogepriester wordt uit het midden der mensen gekozen en ten bate der mensen aangesteld voor hun betrekkingen tot God om gaven en offers te brengen voor hun zonden". Dit nu komt in de hoogste mate aan Christus toe. Want door Hem zijn er gaven aan de mensen geschonken volgens de Tweede Brief van Petrus (1, 4): "door Hem, namelijk Christus, heeft Hij ons de meest kostelijke en heerlijke beloften gedaan, dat gij hierdoor deelachtig zou worden aan Gods natuur". Hij heeft ook het mensengeslacht met God verzoend volgens de Colossensenbrief (1, 19 en 20): "In Hem (namelijk Christus) heeft de gehele volheid van God willen wonen en door Hem alles met Zich verzoenen". Daarom komt het in hoogste mate aan Christus toe priester te zijn.
B: (Mal 2:7) [b:Mal 2:7] (Col 1:19) [b:Col 1:19] (Col 1:20) [b:Col 1:20] (Heb 5:1) [b:Heb 5:1] (2Pet 1:4) [b:2Pet 1:4]
Mijn antwoord. De eigenlijke taak van een priester is bemiddelaar te zijn tussen God en de mensen, in zover hij namelijk goddelijke dingen aan de mensen geeft; en daarom wordt hij sacerdos genoemd als sacra dans, (het heilige gevend) volgens Malachias (2, 7): "Zij zullen de Wet verwachten (te horen) uit de mond van de priester"; en ook in zover hij de gebeden sacerdotibus Moyses locutus est". Ergo Christo non convenit esse sacerdotem. van het volk aan God opdraagt en enigszins tegenover God voor hun zonden voldoet; en daarom zegt de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 1): "Iedere hogepriester wordt uit het midden der mensen gekozen en ten bate der mensen aangesteld voor hun betrekkingen tot God om gaven en offers te brengen voor hun zonden". Dit nu komt in de hoogste mate aan Christus toe. Want door Hem zijn er gaven aan de mensen geschonken volgens de Tweede Brief van Petrus (1, 4): "door Hem, namelijk Christus, heeft Hij ons de meest kostelijke en heerlijke beloften gedaan, dat gij hierdoor deelachtig zou worden aan Gods natuur". Hij heeft ook het mensengeslacht met God verzoend volgens de Colossensenbrief (1, 19 en 20): "In Hem (namelijk Christus) heeft de gehele volheid van God willen wonen en door Hem alles met Zich verzoenen". Daarom komt het in hoogste mate aan Christus toe priester te zijn.
B: (Mal 2:7) [b:Mal 2:7] (Col 1:19) [b:Col 1:19] (Col 1:20) [b:Col 1:20] (Heb 5:1) [b:Heb 5:1] (2Pet 1:4) [b:2Pet 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Hierarchische macht hebben de engelen in zover zij tussen God en de mensen in staan, zoals Dionysius in het boek Over de Hemelse Hiërarchieën (9e H.) bewijst; zodat de priester als staand tussen God en mens de naam Engel draagt naar Malachias (2, 7): "Hij is de Engel van de Heer der heerscharen". Maar Christus stond boven de Engelen, niet alleen naar Zijn goddelijke, maar ook naar Zijn menselijke natuur, in zover Hij de volheid van glorie en genade bezat. Dus had Hij op een boven de Engelen verheven manier hiërarchische of priesterlijke macht, zodat de Engelen zelfs dienaars waren van Zijn priesterschap naar Matthaeus (4, 11): "Engelen kwamen Hem dienen". Maar door Zijn vermogen om te lijden "is Hij een korte tijd beneden hen gesteld", zoals de Apostel zegt, Hebreeënbrief (2, 9). En hierin was Hij aan de andere pelgrims naar de hemel die priester zijn gelijk.
B: (Mal 2:7) [b:Mal 2:7] (Matt 4:11) [b:Matt 4:11] (Heb 2:9) [b:Heb 2:9]
1e Weerlegging. Hierarchische macht hebben de engelen in zover zij tussen God en de mensen in staan, zoals Dionysius in het boek Over de Hemelse Hiërarchieën (9e H.) bewijst; zodat de priester als staand tussen God en mens de naam Engel draagt naar Malachias (2, 7): "Hij is de Engel van de Heer der heerscharen". Maar Christus stond boven de Engelen, niet alleen naar Zijn goddelijke, maar ook naar Zijn menselijke natuur, in zover Hij de volheid van glorie en genade bezat. Dus had Hij op een boven de Engelen verheven manier hiërarchische of priesterlijke macht, zodat de Engelen zelfs dienaars waren van Zijn priesterschap naar Matthaeus (4, 11): "Engelen kwamen Hem dienen". Maar door Zijn vermogen om te lijden "is Hij een korte tijd beneden hen gesteld", zoals de Apostel zegt, Hebreeënbrief (2, 9). En hierin was Hij aan de andere pelgrims naar de hemel die priester zijn gelijk.
B: (Mal 2:7) [b:Mal 2:7] (Matt 4:11) [b:Matt 4:11] (Heb 2:9) [b:Heb 2:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 26e H.) zegt, "is wat in alles gelijkt, precies hetzelfde en geen voorbeeld". Omdat nu het priesterschap der Oude Wet een beeld van dat van Christus was, wilde Christus niet uit het geslacht van die voorafbeeldende priesters geboren worden, om te tonen, dat het niet hetzelfde priesterschap was maar verschilde, als de werkelijkheid van het beeld.
2e Weerlegging. Zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 26e H.) zegt, "is wat in alles gelijkt, precies hetzelfde en geen voorbeeld". Omdat nu het priesterschap der Oude Wet een beeld van dat van Christus was, wilde Christus niet uit het geslacht van die voorafbeeldende priesters geboren worden, om te tonen, dat het niet hetzelfde priesterschap was maar verschilde, als de werkelijkheid van het beeld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Alle mensen hebben zoals boven gezegd is (7e Kw., 7° Art., Antw. op de 1° B.; 10° Art.) afzonderlijk genaden, maar Christus als het hoofd van allen de volheid van alle genade. Wat anderen daarom betreft is de een wetgever en de ander priester en een derde koning, maar in Christus is dat alles tegelijk als in de bron van alle genaden. Daarom zegt Isaias (33, 22) "God onze rechter, God onze wetgever, God onze koning, Hij komt ons redden".
B: (Isa 33:22) [b:Isa 33:22]
R: q. 7 a. 7 ad 1[t:iiia q. 7 a. 7 ad 1] q. 7 a. 7 ad 1[t:iiia q. 7 a. 7 ad 1]
3e Weerlegging. Alle mensen hebben zoals boven gezegd is (7e Kw., 7° Art., Antw. op de 1° B.; 10° Art.) afzonderlijk genaden, maar Christus als het hoofd van allen de volheid van alle genade. Wat anderen daarom betreft is de een wetgever en de ander priester en een derde koning, maar in Christus is dat alles tegelijk als in de bron van alle genaden. Daarom zegt Isaias (33, 22) "God onze rechter, God onze wetgever, God onze koning, Hij komt ons redden".
B: (Isa 33:22) [b:Isa 33:22]
R: q. 7 a. 7 ad 1[t:iiia q. 7 a. 7 ad 1] q. 7 a. 7 ad 1[t:iiia q. 7 a. 7 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was Christus zelf tegelijk priester en offer?
IIIa q. 22 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus zelf niet tegelijk priester en offer was. Want aan de priester komt het toe het offer te doden, maar Christus heeft zichzelf niet gedood. Dus was Hij geen priester en offer tegelijk.
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus zelf niet tegelijk priester en offer was. Want aan de priester komt het toe het offer te doden, maar Christus heeft zichzelf niet gedood. Dus was Hij geen priester en offer tegelijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Christus’ priesterschap geleek meer op dat der Joden dat door God was ingesteld dan op dat der heidenen waardoor de duivelen werden vereerd. Nu werd echter onder de Oude Wet nooit een mens als offer opgedragen; maar dat juist wordt vooral in de offers der heidenen veroordeeld naar het Psalmwoord (Ps. 105, 38): "Het onschuldige bloed hebben zij vergoten van hun zonen en dochters, die zij aan Kanaäns afgoden offerden". Dus moest bij Christus’ offer de mens Christus niet zelf het offer zijn.
B: (Ps 105:38) [b:Ps 105:38]
Vervolgens. Christus’ priesterschap geleek meer op dat der Joden dat door God was ingesteld dan op dat der heidenen waardoor de duivelen werden vereerd. Nu werd echter onder de Oude Wet nooit een mens als offer opgedragen; maar dat juist wordt vooral in de offers der heidenen veroordeeld naar het Psalmwoord (Ps. 105, 38): "Het onschuldige bloed hebben zij vergoten van hun zonen en dochters, die zij aan Kanaäns afgoden offerden". Dus moest bij Christus’ offer de mens Christus niet zelf het offer zijn.
B: (Ps 105:38) [b:Ps 105:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Iedere offer wordt omdat het aan God wordt opgedragen aan Hem toegeheiligd. Nu was echter Christus’ mensheid van het begin af geheiligd en met God verenigd. Dus is het niet mogelijk op gepaste manier te zeggen, dat Christus als mens het offer was.
Vervolgens. Iedere offer wordt omdat het aan God wordt opgedragen aan Hem toegeheiligd. Nu was echter Christus’ mensheid van het begin af geheiligd en met God verenigd. Dus is het niet mogelijk op gepaste manier te zeggen, dat Christus als mens het offer was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Ephesiërsbrief (5, 2) zegt: "Hij heeft ons liefgehad en Zich voor ons gegeven als gave en offer, tot een lieflijke geur voor God".
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Ephesiërsbrief (5, 2) zegt: "Hij heeft ons liefgehad en Zich voor ons gegeven als gave en offer, tot een lieflijke geur voor God".
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals Augustinus in De Stad Gods (10° B., 5° H.) zegt, "is iedere zichtbare offer het sacrament of heilig teken van een onzichtbare offer". Het onzichtbare offer nu is dit, dat de mens zijn ziel aan God opdraagt naar het Psalmwoord (Ps. 50, 19): "Een offer voor God is een boetvaardige ziel". En daarom kan alles wat hiertoe aan God wordt opgedragen, dat de geest van de mens naar Hem omhoog stijgt, een offer worden genoemd. Om drie redenen heeft nu de mens een offer nodig. Ten eerste tot vergeving van de zonde, waardoor hij zich van God afwendt. En daarom zegt de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 1), dat het de taak van de priester is "offers en gaven voor de zonden op te dragen". Ten tweede om in de staat van genade te blijven en altijd met God verbonden te zijn, in Wien zijn vrede en heil gelegen is. Daarom werden onder de Oude Wet vredeoffers opgedragen voor het heil van hen die offerden, zoals in Leviticus (3) staat. Ten derde, opdat de mensenziel volmaakt met God wordt verenigd, wat vooral in de hemel plaats zal grijpen. Daarom werden onder de Oude Wet zg. holocausta of offers die geheel verteerd werden opgedragen, zoals wij in Leviticus (1) lezen. Door Christus' mensheid nu krijgen wij deze dingen. Want vooreerst zijn onze zonden weggenomen naar de Romeinenbrief (4, 25): "Hij is overgeleverd om onze zonden". Dan krijgen wij door Hem de genade, die ons redt volgens de Hebreeënbrief (5, 9): "Allen die Hem gehoorzamen is Hij oorzaak der redding geworden". Ten derde krijgen wij door Hem de hemelse volmaaktheid naar de Hebreeënbrief (10, 19): "Wij hebben de zekerheid, dat door Zijn bloed de weg naar het Heiligdom, dwz. naar de hemelse heerlijkheid, open staat". En daarom was Christus als mens niet alleen priester, maar ook offer en tegelijk een offer voor de zonden en een vredeoffer en een holocaustum.
B: (Ps 50:19) [b:Ps 50:19]
Mijn antwoord. Zoals Augustinus in De Stad Gods (10° B., 5° H.) zegt, "is iedere zichtbare offer het sacrament of heilig teken van een onzichtbare offer". Het onzichtbare offer nu is dit, dat de mens zijn ziel aan God opdraagt naar het Psalmwoord (Ps. 50, 19): "Een offer voor God is een boetvaardige ziel". En daarom kan alles wat hiertoe aan God wordt opgedragen, dat de geest van de mens naar Hem omhoog stijgt, een offer worden genoemd. Om drie redenen heeft nu de mens een offer nodig. Ten eerste tot vergeving van de zonde, waardoor hij zich van God afwendt. En daarom zegt de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 1), dat het de taak van de priester is "offers en gaven voor de zonden op te dragen". Ten tweede om in de staat van genade te blijven en altijd met God verbonden te zijn, in Wien zijn vrede en heil gelegen is. Daarom werden onder de Oude Wet vredeoffers opgedragen voor het heil van hen die offerden, zoals in Leviticus (3) staat. Ten derde, opdat de mensenziel volmaakt met God wordt verenigd, wat vooral in de hemel plaats zal grijpen. Daarom werden onder de Oude Wet zg. holocausta of offers die geheel verteerd werden opgedragen, zoals wij in Leviticus (1) lezen. Door Christus' mensheid nu krijgen wij deze dingen. Want vooreerst zijn onze zonden weggenomen naar de Romeinenbrief (4, 25): "Hij is overgeleverd om onze zonden". Dan krijgen wij door Hem de genade, die ons redt volgens de Hebreeënbrief (5, 9): "Allen die Hem gehoorzamen is Hij oorzaak der redding geworden". Ten derde krijgen wij door Hem de hemelse volmaaktheid naar de Hebreeënbrief (10, 19): "Wij hebben de zekerheid, dat door Zijn bloed de weg naar het Heiligdom, dwz. naar de hemelse heerlijkheid, open staat". En daarom was Christus als mens niet alleen priester, maar ook offer en tegelijk een offer voor de zonden en een vredeoffer en een holocaustum.
B: (Ps 50:19) [b:Ps 50:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Christus doodde zichzelf wel niet, maar gaf Zich vrijwillig prijs aan de dood volgens Isaïas (53, 7): "Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde". En daarom zegt men, dat Hij Zichzelf heeft opgedragen.
B: (Heb 5:1) [b:Heb 5:1]
1e Weerlegging. Christus doodde zichzelf wel niet, maar gaf Zich vrijwillig prijs aan de dood volgens Isaïas (53, 7): "Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde". En daarom zegt men, dat Hij Zichzelf heeft opgedragen.
B: (Heb 5:1) [b:Heb 5:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Het doden van de mens Christus kan men met een tweevoudige wil in verband brengen. Ten eerste met die van hen die Hem doodden. En zo heeft dit het karakter van een offer niet, want men kan niet zeggen dat zij God een offer opdroegen, maar zij begingen een zware misdaad. En de goddeloze offers der heidenen leken op deze zonde, omdat zij mensen aan de afgoden offerden. Men kan het doden van Christus ook met een andere wil in verband brengen, nl. die van de Lijder, die zich vrijwillig aan het lijden overgaf. En zo had het het karakter van een offer en komt het niet met de offers der heidenen overeen.
B: (Rom 4:25) [b:Rom 4:25] (Heb 5:9) [b:Heb 5:9] (Heb 10:19) [b:Heb 10:19]
2e Weerlegging. Het doden van de mens Christus kan men met een tweevoudige wil in verband brengen. Ten eerste met die van hen die Hem doodden. En zo heeft dit het karakter van een offer niet, want men kan niet zeggen dat zij God een offer opdroegen, maar zij begingen een zware misdaad. En de goddeloze offers der heidenen leken op deze zonde, omdat zij mensen aan de afgoden offerden. Men kan het doden van Christus ook met een andere wil in verband brengen, nl. die van de Lijder, die zich vrijwillig aan het lijden overgaf. En zo had het het karakter van een offer en komt het niet met de offers der heidenen overeen.
B: (Rom 4:25) [b:Rom 4:25] (Heb 5:9) [b:Heb 5:9] (Heb 10:19) [b:Heb 10:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is het uitboeten der zonden de vrucht van Christus’ priesterschap?
IIIa q. 22 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de vrucht van Christus’ priesterschap het uitboeten der zonden niet is. Want alleen God kan de zonden wegnemen volgens *Isaias* (43, 25): "Ik ben het, die om Mijzelf uw zonden verdelg". Nu is Christus niet als God, maar als mens priester. Dus boet Zijn priesterschap geen zonden uit.
B: (Isa 43:25) [b:Isa 43:25]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de vrucht van Christus’ priesterschap het uitboeten der zonden niet is. Want alleen God kan de zonden wegnemen volgens *Isaias* (43, 25): "Ik ben het, die om Mijzelf uw zonden verdelg". Nu is Christus niet als God, maar als mens priester. Dus boet Zijn priesterschap geen zonden uit.
B: (Isa 43:25) [b:Isa 43:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De Apostel zegt in de Hebreeënbrief (10, 1, 2, 3), dat de offers van het Oude Verbond "niemand volmaakt konden maken; anders had het offeren opgehouden, omdat de offeraars eens en voor al gereinigd zich van geen zonden meer waren bewust geweest; maar ieder jaar wordt de gedachte aan zonde opnieuw erdoor opgewekt". Nu worden wij echter ook onder Christus’ priesterschap opnieuw aan de zonden herinnerd als wij zeggen: "Vergeef ons onze schulden". (Matthaeus, 6, 12). Ook wordt er voortdurend in de Kerk een offer opgedragen zodat wij zeggen: (t. a pl. v. 11) "Geef ons heden ons dagelijks brood". Dus worden door Christus’ priesterschap de zonden niet uitgebuit.
B: (Matt 6:12) [b:Matt 6:12] (Heb 10:1-3) [b:Heb 10:1-3]
Vervolgens. De Apostel zegt in de Hebreeënbrief (10, 1, 2, 3), dat de offers van het Oude Verbond "niemand volmaakt konden maken; anders had het offeren opgehouden, omdat de offeraars eens en voor al gereinigd zich van geen zonden meer waren bewust geweest; maar ieder jaar wordt de gedachte aan zonde opnieuw erdoor opgewekt". Nu worden wij echter ook onder Christus’ priesterschap opnieuw aan de zonden herinnerd als wij zeggen: "Vergeef ons onze schulden". (Matthaeus, 6, 12). Ook wordt er voortdurend in de Kerk een offer opgedragen zodat wij zeggen: (t. a pl. v. 11) "Geef ons heden ons dagelijks brood". Dus worden door Christus’ priesterschap de zonden niet uitgebuit.
B: (Matt 6:12) [b:Matt 6:12] (Heb 10:1-3) [b:Heb 10:1-3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Voor de zonden werden onder de Oude Wet vooral een bok geofferd voor de zonden van een vorst of een geit voor die van een uit het volk of een kalf voor die van een priester, naar Leviticus (4, 3, 23, 28). Nu wordt Christus met geen van deze dieren vergeleken, maar met een lam naar Jeremias (11, 19): "Ik ben als een zachtmoedig lam, dat ten offer wordt gedragen". Dus schijnt Zijn priesterschap geen zonden uit te boeten.
B: (Lev 4:3) [b:Lev 4:3] (Lev 4:23) [b:Lev 4:23] (Lev 4:28) [b:Lev 4:28] (Jer 11:19) [b:Jer 11:19]
Vervolgens. Voor de zonden werden onder de Oude Wet vooral een bok geofferd voor de zonden van een vorst of een geit voor die van een uit het volk of een kalf voor die van een priester, naar Leviticus (4, 3, 23, 28). Nu wordt Christus met geen van deze dieren vergeleken, maar met een lam naar Jeremias (11, 19): "Ik ben als een zachtmoedig lam, dat ten offer wordt gedragen". Dus schijnt Zijn priesterschap geen zonden uit te boeten.
B: (Lev 4:3) [b:Lev 4:3] (Lev 4:23) [b:Lev 4:23] (Lev 4:28) [b:Lev 4:28] (Jer 11:19) [b:Jer 11:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Hebreeënbrief (9, 14) zegt: "Het Bloed van Christus, die door de Heilige Geest zich als een smetteloos offer opdroeg aan God, zal ons geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen". Nu worden de zonden dode werken genoemd. Dus heeft Christus’ priesterschap de kracht om van zonden te reinigen.
B: (Heb 9:14) [b:Heb 9:14]
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Hebreeënbrief (9, 14) zegt: "Het Bloed van Christus, die door de Heilige Geest zich als een smetteloos offer opdroeg aan God, zal ons geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen". Nu worden de zonden dode werken genoemd. Dus heeft Christus’ priesterschap de kracht om van zonden te reinigen.
B: (Heb 9:14) [b:Heb 9:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 3 co.
Mijn antwoord. Twee dingen zijn nodig voor het volmaakte uitboeten der zonden in zover er twee dingen in de zonde zijn, de smet der schuld en de plicht een straf te ondergaan. Nu wordt de schuldsmets weggenomen door de genade, waardoor het hart van de zondaar tot God wordt bekeerd; maar het moeten ondergaan van een straf wordt hierdoor weggenomen, dat de mens aan God voldoening geeft. Nu heeft Christus’ priesterschap beiden bewerkt. Want door de kracht daarvan wordt ons de genade gegeven, waardoor onze harten tot God worden bekeerd naar de Romeinenbrief (3, 24, 25): "Om niet gerechtvaardigd door Zijn genade uit de kracht der verlossing door Christus Jesus, Dien God heeft aangewezen als zoenoffer door het geloof in Zijn bloed". Ook heeft Hij ten volle voor ons voldaan in zover Hij onze zwakten torste en onze smarten droeg. Dus blijkt Zijn priesterschap volledig kracht te hebben om van zonden te reinigen.
B: (Isa 53:4) [b:Isa 53:4] (Rom 3:24) [b:Rom 3:24] (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
Mijn antwoord. Twee dingen zijn nodig voor het volmaakte uitboeten der zonden in zover er twee dingen in de zonde zijn, de smet der schuld en de plicht een straf te ondergaan. Nu wordt de schuldsmets weggenomen door de genade, waardoor het hart van de zondaar tot God wordt bekeerd; maar het moeten ondergaan van een straf wordt hierdoor weggenomen, dat de mens aan God voldoening geeft. Nu heeft Christus’ priesterschap beiden bewerkt. Want door de kracht daarvan wordt ons de genade gegeven, waardoor onze harten tot God worden bekeerd naar de Romeinenbrief (3, 24, 25): "Om niet gerechtvaardigd door Zijn genade uit de kracht der verlossing door Christus Jesus, Dien God heeft aangewezen als zoenoffer door het geloof in Zijn bloed". Ook heeft Hij ten volle voor ons voldaan in zover Hij onze zwakten torste en onze smarten droeg. Dus blijkt Zijn priesterschap volledig kracht te hebben om van zonden te reinigen.
B: (Isa 53:4) [b:Isa 53:4] (Rom 3:24) [b:Rom 3:24] (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Al was Christus niet als God, maar als mens priester, toch was een en dezelfde persoon priester en God. Daarom lezen wij bij de Kerkvergadering van Ephese: "Als iemand zegt, dat niet Gods Woord zelf onze Priester en Apostel is geworden, maar naast Hem een uit de vrouw geboren mens, hij zij gebannen". In zoverre daarom Zijn mensheid met de kracht der godheid werkte, was het offer in hoogste mate in staat de zonden weg te nemen. Daarom zegt Augustinus in het 4e boek Over de Drievuldigheid (14e H.): "Omdat er vier dingen bij een offer van belang zijn, aan wie, door wie, wat en voor wie het opgedragen wordt, moest de ene ware Middelaar, die ons door het offer van vrede met God verzoende, een blijven met Hem, aan wie en een worden met hen, voor wie Hij het opdroeg; en zelf de ene zijn, die opdroeg en opgedragen werd".
1e Weerlegging. Al was Christus niet als God, maar als mens priester, toch was een en dezelfde persoon priester en God. Daarom lezen wij bij de Kerkvergadering van Ephese: "Als iemand zegt, dat niet Gods Woord zelf onze Priester en Apostel is geworden, maar naast Hem een uit de vrouw geboren mens, hij zij gebannen". In zoverre daarom Zijn mensheid met de kracht der godheid werkte, was het offer in hoogste mate in staat de zonden weg te nemen. Daarom zegt Augustinus in het 4e boek Over de Drievuldigheid (14e H.): "Omdat er vier dingen bij een offer van belang zijn, aan wie, door wie, wat en voor wie het opgedragen wordt, moest de ene ware Middelaar, die ons door het offer van vrede met God verzoende, een blijven met Hem, aan wie en een worden met hen, voor wie Hij het opdroeg; en zelf de ene zijn, die opdroeg en opgedragen werd".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Wij worden onder de Nieuwe Wet niet aan de zonden herinnerd, omdat Christus’ priesterschap onvoldoende zou zijn en de zonden er niet voldoende door zouden worden uitboet; maar er wordt aan herinnerd ter wille van hen, die ofwel geen deel aan het offer willen hebben als de ongelovigen, voor wier bekering wij bidden ofwel die na aan het offer deel te hebben gehad zich ervan losmaken door welke zonde ook. Het offer echter, dat dagelijks in de Kerk wordt opgedragen, is geen ander offer dan wat Christus zelf opdroeg, maar de herinnering eraan. Daarom zegt Augustinus in de Stad Gods (10e B., 20e H.): "De offerende priester en de offerande is Christus zelf; en Hij wilde dat de dagelijkse herinnering eraan het offer der Kerk zou zijn".
2e Weerlegging. Wij worden onder de Nieuwe Wet niet aan de zonden herinnerd, omdat Christus’ priesterschap onvoldoende zou zijn en de zonden er niet voldoende door zouden worden uitboet; maar er wordt aan herinnerd ter wille van hen, die ofwel geen deel aan het offer willen hebben als de ongelovigen, voor wier bekering wij bidden ofwel die na aan het offer deel te hebben gehad zich ervan losmaken door welke zonde ook. Het offer echter, dat dagelijks in de Kerk wordt opgedragen, is geen ander offer dan wat Christus zelf opdroeg, maar de herinnering eraan. Daarom zegt Augustinus in de Stad Gods (10e B., 20e H.): "De offerende priester en de offerande is Christus zelf; en Hij wilde dat de dagelijkse herinnering eraan het offer der Kerk zou zijn".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Origenes in het Commentaar op Joannes zegt, was het dagelijks 's morgens en 's avonds opgedragen offer, al werden er verschillende dieren onder de Oude Wet geofferd, altijd een lam, zoals blijkt uit Numeri (28, 3, 4). Hierdoor werd aangeduid, dat het opdragen van een lam, namelijk Christus, het offer zou zijn, dat alle anderen vervolmaken zou. En daarom wordt bij Joannes (1, 29) gezegd: "Ziet het Lam Gods, ziet Hem, die de zonden der wereld wegneemt".
B: (Num 36:3, Num 38:3) [b:Num 36:3] (Num 36:4, Num 38:4) [b:Num 36:4] (John 1:29, John 1:29) [b:John 1:29]
3e Weerlegging. Zoals Origenes in het Commentaar op Joannes zegt, was het dagelijks 's morgens en 's avonds opgedragen offer, al werden er verschillende dieren onder de Oude Wet geofferd, altijd een lam, zoals blijkt uit Numeri (28, 3, 4). Hierdoor werd aangeduid, dat het opdragen van een lam, namelijk Christus, het offer zou zijn, dat alle anderen vervolmaken zou. En daarom wordt bij Joannes (1, 29) gezegd: "Ziet het Lam Gods, ziet Hem, die de zonden der wereld wegneemt".
B: (Num 36:3, Num 38:3) [b:Num 36:3] (Num 36:4, Num 38:4) [b:Num 36:4] (John 1:29, John 1:29) [b:John 1:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Betrokken de vruchten van Christus’ priesterschap zich niet alleen op anderen, maar ook op Hemzelf?
IIIa q. 22 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de vruchten van Christus’ priesterschap zich niet alleen op anderen betrok, maar ook op Hem zelf. Want het behoort tot de taak van een priester voor het volk te bidden volgens het 2° boek der Machabeeën (1, 23): "De priesters baden terwijl het offer werd voltrokken". Nu bad Christus zoals boven is gezegd (21° Kw., 3° Art.), niet alleen voor anderen, maar ook voor Zichzelf, en dat wordt ook uitdrukkelijk in de Hebreeënbrief (5, 7) gezegd: "in de dagen van Zijn Vlees stierde Hij onder luid geroep en tranen gebeden en verzuchtingen op tot Hem, die Hem van de dood kon redden". Dus droeg Christus’ priesterschap niet alleen in anderen, maar ook in Hemzelf vruchten.
B: (Heb 5:7) [b:Heb 5:7] (2Macc 1:23) [b:2Macc 1:23]
R: q. 21 a. 3[t:iiia q. 21 a. 3]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de vruchten van Christus’ priesterschap zich niet alleen op anderen betrok, maar ook op Hem zelf. Want het behoort tot de taak van een priester voor het volk te bidden volgens het 2° boek der Machabeeën (1, 23): "De priesters baden terwijl het offer werd voltrokken". Nu bad Christus zoals boven is gezegd (21° Kw., 3° Art.), niet alleen voor anderen, maar ook voor Zichzelf, en dat wordt ook uitdrukkelijk in de Hebreeënbrief (5, 7) gezegd: "in de dagen van Zijn Vlees stierde Hij onder luid geroep en tranen gebeden en verzuchtingen op tot Hem, die Hem van de dood kon redden". Dus droeg Christus’ priesterschap niet alleen in anderen, maar ook in Hemzelf vruchten.
B: (Heb 5:7) [b:Heb 5:7] (2Macc 1:23) [b:2Macc 1:23]
R: q. 21 a. 3[t:iiia q. 21 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Christus droeg Zichzelf in Zijn lijden als offer op. Nu verdiende Hij door Zijn lijden niet alleen voor anderen, maar ook voor Zichzelf zoals boven is gezegd (19° Kw., 3° en 4° Art.). Dus droeg Zijn priesterschap niet alleen voor anderen, maar ook voor Hemzelf vruchten.
R: q. 19 a. 3[t:iiia q. 19 a. 3] q. 19 a. 4[t:iiia q. 19 a. 4]
Vervolgens. Christus droeg Zichzelf in Zijn lijden als offer op. Nu verdiende Hij door Zijn lijden niet alleen voor anderen, maar ook voor Zichzelf zoals boven is gezegd (19° Kw., 3° en 4° Art.). Dus droeg Zijn priesterschap niet alleen voor anderen, maar ook voor Hemzelf vruchten.
R: q. 19 a. 3[t:iiia q. 19 a. 3] q. 19 a. 4[t:iiia q. 19 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Het priesterschap der Oude Wet was een voorafbeelding van dat van Christus. Nu offerde een priester van de Oude Wet niet alleen voor anderen maar ook voor zichzelf, want in Leviticus (16, 17) wordt gezegd, dat "de priester het heiligdom binnengaat om te bidden voor zichzelf en zijn huis en de gehele vergadering van de kinderen van Israël". Dus droeg Zijn priesterschap niet alleen vruchten in anderen, maar ook in Hemzelf.
B: (Lev 16:17) [b:Lev 16:17]
Vervolgens. Het priesterschap der Oude Wet was een voorafbeelding van dat van Christus. Nu offerde een priester van de Oude Wet niet alleen voor anderen maar ook voor zichzelf, want in Leviticus (16, 17) wordt gezegd, dat "de priester het heiligdom binnengaat om te bidden voor zichzelf en zijn huis en de gehele vergadering van de kinderen van Israël". Dus droeg Zijn priesterschap niet alleen vruchten in anderen, maar ook in Hemzelf.
B: (Lev 16:17) [b:Lev 16:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat de tekst van de Kerkvergadering van Ephese: "Als iemand zegt, dat Christus voor Zichzelf offerde en niet alleen voor ons, (want Hij, die geen zonde kende, had geen offer nodig) die zij gebannen". Nu ligt het ambt van een priester vooral in het opdragen van offers. Dus waren er geen vruchten van Christus’ priesterschap in Hem zelf.
Maar daartegenover staat de tekst van de Kerkvergadering van Ephese: "Als iemand zegt, dat Christus voor Zichzelf offerde en niet alleen voor ons, (want Hij, die geen zonde kende, had geen offer nodig) die zij gebannen". Nu ligt het ambt van een priester vooral in het opdragen van offers. Dus waren er geen vruchten van Christus’ priesterschap in Hem zelf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals werd gezegd (1e Art.), is een priester midden tussen God en de mensen in geplaatst. Nu heeft wie zelf niet tot God kan naderen een middelaar nodig; en zo iemand valt onder het bereik van het priesterschap door zijn vruchten te ontvangen. Maar dat kwam Christus niet toe, want de apostel zegt in de Hebreeënbrief (7, 25): "Door Zichzelf nadert Hij tot God, altijd levend om voor ons te bidden". Dus ontving Christus de vruchten van Zijn priesterschap niet in Zichzelf, maar deelt ze aan anderen mee. Want de eerste, die in een bepaalde orde werkt, is zo machtig, dat hij in die orde zelf niets ontvangt, zoals de zon verlicht maar geen licht ontvangt en het vuur verwarmt maar geen warmte krijgt. Nu is Christus de bron van elk priesterschap, want het priesterschap der wet was een voorafbeelding van Hem en de priester van het nieuwe Verbond werkt in Zijn plaats volgens de Tweede Brief aan de Korinthiërs (2, 10): "Ik eveneens, als ik iets vergeef, indien ik om uwentwil iets vergeef, doe ik dat in Christus' naam". En daarom kwam het Christus niet toe de vruchten van Zijn priesterschap zelf te ontvangen.
B: (2Cor 2:10) [b:2Cor 2:10] (Heb 7:25) [b:Heb 7:25]
R: q. 22 a. 1[t:iiia q. 22 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals werd gezegd (1e Art.), is een priester midden tussen God en de mensen in geplaatst. Nu heeft wie zelf niet tot God kan naderen een middelaar nodig; en zo iemand valt onder het bereik van het priesterschap door zijn vruchten te ontvangen. Maar dat kwam Christus niet toe, want de apostel zegt in de Hebreeënbrief (7, 25): "Door Zichzelf nadert Hij tot God, altijd levend om voor ons te bidden". Dus ontving Christus de vruchten van Zijn priesterschap niet in Zichzelf, maar deelt ze aan anderen mee. Want de eerste, die in een bepaalde orde werkt, is zo machtig, dat hij in die orde zelf niets ontvangt, zoals de zon verlicht maar geen licht ontvangt en het vuur verwarmt maar geen warmte krijgt. Nu is Christus de bron van elk priesterschap, want het priesterschap der wet was een voorafbeelding van Hem en de priester van het nieuwe Verbond werkt in Zijn plaats volgens de Tweede Brief aan de Korinthiërs (2, 10): "Ik eveneens, als ik iets vergeef, indien ik om uwentwil iets vergeef, doe ik dat in Christus' naam". En daarom kwam het Christus niet toe de vruchten van Zijn priesterschap zelf te ontvangen.
B: (2Cor 2:10) [b:2Cor 2:10] (Heb 7:25) [b:Heb 7:25]
R: q. 22 a. 1[t:iiia q. 22 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Al komt het bidden de priesters toe, toch is het niet hun eigenlijke taak, want aan iedere komt het toe voor zichzelf en anderen te bidden naar Jacobus (5, 16): "Bidt voor elkaar, dat gij gered moogt worden". En zo kan men zeggen, dat Christus gebed voor Zichzelf geen daad was van Zijn priesterschap. Maar dit antwoord schijnt uitgesloten te zijn, omdat de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 6) aan de woorden: "Gij zijt priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech", toevoegt: "die in de dagen van Zijn vlees gebeden", enz.; en zo schijnt Christus’ gebed tot Zijn priesterschap te behoren. Daarom moeten wij zeggen, dat andere priesters niet als priesters, maar als zondaars de vruchten van hun ambt in zich ontvangen, zoals beneden zal worden gezegd (Antw. op de 3e B.). Maar zonder meer gezegd had Christus geen zonden, maar had Hij "in Zijn vlees de gelijkenis der zonde", zoals in de Romeinenbrief (8, 3) wordt gezegd. Daarom wordt er uitdrukkelijk gezegd: die Hem van de dood kon redden.
B: (Rom 8:3) [b:Rom 8:3] (Heb 5:6) [b:Heb 5:6] (Jas 5:16) [b:Jas 5:16]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 22 a. 5 arg. 1[t:iiia q. 22 a. 5 arg. 1]
1e Weerlegging. Al komt het bidden de priesters toe, toch is het niet hun eigenlijke taak, want aan iedere komt het toe voor zichzelf en anderen te bidden naar Jacobus (5, 16): "Bidt voor elkaar, dat gij gered moogt worden". En zo kan men zeggen, dat Christus gebed voor Zichzelf geen daad was van Zijn priesterschap. Maar dit antwoord schijnt uitgesloten te zijn, omdat de Apostel in de Hebreeënbrief (5, 6) aan de woorden: "Gij zijt priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech", toevoegt: "die in de dagen van Zijn vlees gebeden", enz.; en zo schijnt Christus’ gebed tot Zijn priesterschap te behoren. Daarom moeten wij zeggen, dat andere priesters niet als priesters, maar als zondaars de vruchten van hun ambt in zich ontvangen, zoals beneden zal worden gezegd (Antw. op de 3e B.). Maar zonder meer gezegd had Christus geen zonden, maar had Hij "in Zijn vlees de gelijkenis der zonde", zoals in de Romeinenbrief (8, 3) wordt gezegd. Daarom wordt er uitdrukkelijk gezegd: die Hem van de dood kon redden.
B: (Rom 8:3) [b:Rom 8:3] (Heb 5:6) [b:Heb 5:6] (Jas 5:16) [b:Jas 5:16]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 22 a. 5 arg. 1[t:iiia q. 22 a. 5 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Bij iedere offer van een priester kan men twee dingen beschouwen: nl. het offer zelf en de godsvrucht van de offeraar. De eigenlijke vrucht nu van het priesterschap is, wat volgt uit het offer zelf. Nu verkreeg Christus iets door Zijn lijden, maar niet door de kracht van het als voldoening opgedragen offer, doch door de godsvrucht, waarmee Hij door de liefde het lijden nederig verdroeg.
2e Weerlegging. Bij iedere offer van een priester kan men twee dingen beschouwen: nl. het offer zelf en de godsvrucht van de offeraar. De eigenlijke vrucht nu van het priesterschap is, wat volgt uit het offer zelf. Nu verkreeg Christus iets door Zijn lijden, maar niet door de kracht van het als voldoening opgedragen offer, doch door de godsvrucht, waarmee Hij door de liefde het lijden nederig verdroeg.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Het beeld kan niet aan de waarheid gelijk zijn. Daarom kon de afbeeldende priester van de Oude Wet niet die volmaaktheid bereiken, waarop hij geen zoenoffer nodig had. Maar Christus had er geen behoefte aan, en dus gaat dezelfde redenering niet in beide gevallen op. Daarom zegt de Apostel (Hebreeënbrief, 7, 28): "De Wet stelde mensen met zwakheid behept tot hogepriesters aan, maar de eeduitspraak, die na de Wet kwam, de in eeuwigheid volmaakte Zoon".
B: (Heb 7:28) [b:Heb 7:28]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 22 a. 5 arg. 1
IIIa q. 22 a. 6 co.[t:iiia q. 22 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 22 a. 6 co.]
3e Weerlegging. Het beeld kan niet aan de waarheid gelijk zijn. Daarom kon de afbeeldende priester van de Oude Wet niet die volmaaktheid bereiken, waarop hij geen zoenoffer nodig had. Maar Christus had er geen behoefte aan, en dus gaat dezelfde redenering niet in beide gevallen op. Daarom zegt de Apostel (Hebreeënbrief, 7, 28): "De Wet stelde mensen met zwakheid behept tot hogepriesters aan, maar de eeduitspraak, die na de Wet kwam, de in eeuwigheid volmaakte Zoon".
B: (Heb 7:28) [b:Heb 7:28]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 22 a. 5 arg. 1
IIIa q. 22 a. 6 co.[t:iiia q. 22 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 22 a. 6 co.]
Referenties naar deze alinea: 2
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Blijft Christus’ priesterschap in eeuwigheid?
IIIa q. 22 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Christus’ priesterschap niet in eeuwigheid blijft. Want zoals werd gezegd (Vorig Art., Antw. op 1° en 3° B.), hebben alleen zij de vruchten ervan nodig, die de zwakte der zonde hebben, die door het offer van de priester kan worden uitgewischt. Maar dat zal niet eeuwig duren. Want in de heiligen is geen zwakheid volgens Isaias (60, 21): "Geheel Uw volk is rechtvaardig", en de zwakheid der zondaars zal ongeneeslijk zijn, omdat er in de hel geen verlossing is. Dus blijft Christus’ priesterschap niet in eeuwigheid.
B: (Isa 60:21) [b:Isa 60:21]
R: q. 22 a. 4 ad 1[t:iiia q. 22 a. 4 ad 1] q. 22 a. 4 ad 3[t:iiia q. 22 a. 4 ad 3]
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Christus’ priesterschap niet in eeuwigheid blijft. Want zoals werd gezegd (Vorig Art., Antw. op 1° en 3° B.), hebben alleen zij de vruchten ervan nodig, die de zwakte der zonde hebben, die door het offer van de priester kan worden uitgewischt. Maar dat zal niet eeuwig duren. Want in de heiligen is geen zwakheid volgens Isaias (60, 21): "Geheel Uw volk is rechtvaardig", en de zwakheid der zondaars zal ongeneeslijk zijn, omdat er in de hel geen verlossing is. Dus blijft Christus’ priesterschap niet in eeuwigheid.
B: (Isa 60:21) [b:Isa 60:21]
R: q. 22 a. 4 ad 1[t:iiia q. 22 a. 4 ad 1] q. 22 a. 4 ad 3[t:iiia q. 22 a. 4 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Christus’ priesterschap werd vooral in Zijn lijden en dood geopenbaard, toen Hij "door Zijn eigen bloed het heiligdom binnenging", zoals in de Hebreeënbrief (9, 12) wordt gezegd. Maar Zijn lijden en dood blijven niet in eeuwigheid zoals in de Romeinenbrief (6, 9) wordt gezegd: "De verrezen Christus sterft niet meer". Dus blijft Zijn priesterschap niet in eeuwigheid.
B: (Rom 6:9) [b:Rom 6:9] (Heb 9:12) [b:Heb 9:12]
Vervolgens. Christus’ priesterschap werd vooral in Zijn lijden en dood geopenbaard, toen Hij "door Zijn eigen bloed het heiligdom binnenging", zoals in de Hebreeënbrief (9, 12) wordt gezegd. Maar Zijn lijden en dood blijven niet in eeuwigheid zoals in de Romeinenbrief (6, 9) wordt gezegd: "De verrezen Christus sterft niet meer". Dus blijft Zijn priesterschap niet in eeuwigheid.
B: (Rom 6:9) [b:Rom 6:9] (Heb 9:12) [b:Heb 9:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Niet als God, maar als mens is Christus priester. Nu was Christus eens geen mens, namelijk in de drie dagen, dat Hij dood was. Dus is Zijn priesterschap niet eeuwig.
Vervolgens. Niet als God, maar als mens is Christus priester. Nu was Christus eens geen mens, namelijk in de drie dagen, dat Hij dood was. Dus is Zijn priesterschap niet eeuwig.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 5 s. c.
Maar daartegenover staat het Psalmwoord (Ps. 109, 4): "Gij zijt priester in eeuwigheid".
B: (Ps 109:4) [b:Ps 109:4]
Maar daartegenover staat het Psalmwoord (Ps. 109, 4): "Gij zijt priester in eeuwigheid".
B: (Ps 109:4) [b:Ps 109:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 5 co.
Mijn antwoord. Twee dingen kan men in het priesterambt beschouwen: en wel ten eerste het opdragen zelf van het offer, en ten tweede de voleinding van het offer, die hierin bestaat dat zij voor wie het offer wordt opgedragen aan het doel ervan deelachtig worden. Nu was het doel van het offer, dat Christus opdroeg geen tijdelijk maar een eeuwig goed wat wij door Zijn dood verkrijgen, zodat in de Hebreeënbrief (9, 11) wordt gezegd, dat "Christus optreedt als hoogepriester der toekomstige goederen". En hierom wordt Zijn priesterschap eeuwig genoemd. Deze vervulling van Christus' offer werd hierdoor voorbeld, dat de hoogepriester der Wet eenmaal in het jaar met het bloed van een bok en een kalf het allerheiligste binnenging, zoals in Leviticus (16, 11) staat, ofschoon hij kalf en bok niet in het allerheiligste offerde, maar buiten. Evenzo ging Christus het allerheiligste, dwz., de hemel binnen en opende ons de weg om binnen te gaan door de kracht van Zijn bloed, dat Hij voor ons op aarde vergoot.
B: (Lev 16:11) [b:Lev 16:11] (Heb 9:11) [b:Heb 9:11]
Mijn antwoord. Twee dingen kan men in het priesterambt beschouwen: en wel ten eerste het opdragen zelf van het offer, en ten tweede de voleinding van het offer, die hierin bestaat dat zij voor wie het offer wordt opgedragen aan het doel ervan deelachtig worden. Nu was het doel van het offer, dat Christus opdroeg geen tijdelijk maar een eeuwig goed wat wij door Zijn dood verkrijgen, zodat in de Hebreeënbrief (9, 11) wordt gezegd, dat "Christus optreedt als hoogepriester der toekomstige goederen". En hierom wordt Zijn priesterschap eeuwig genoemd. Deze vervulling van Christus' offer werd hierdoor voorbeld, dat de hoogepriester der Wet eenmaal in het jaar met het bloed van een bok en een kalf het allerheiligste binnenging, zoals in Leviticus (16, 11) staat, ofschoon hij kalf en bok niet in het allerheiligste offerde, maar buiten. Evenzo ging Christus het allerheiligste, dwz., de hemel binnen en opende ons de weg om binnen te gaan door de kracht van Zijn bloed, dat Hij voor ons op aarde vergoot.
B: (Lev 16:11) [b:Lev 16:11] (Heb 9:11) [b:Heb 9:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De heiligen in de hemel zullen geen behoefte meer hebben aan reiniging door Christus’ priesterschap, maar na die reiniging moeten zij nog door Christus zelf, van wie hun verheerlijking afhangt, de voleinding krijgen; en daarom wordt in de Apocalyps (21, 23) gezegd, dat "Gods heerlijkheid haar verlicht, nl. de stad der heiligen, en haar licht is het Lam".
B: (Rev 21:23) [b:Rev 21:23]
1e Weerlegging. De heiligen in de hemel zullen geen behoefte meer hebben aan reiniging door Christus’ priesterschap, maar na die reiniging moeten zij nog door Christus zelf, van wie hun verheerlijking afhangt, de voleinding krijgen; en daarom wordt in de Apocalyps (21, 23) gezegd, dat "Gods heerlijkheid haar verlicht, nl. de stad der heiligen, en haar licht is het Lam".
B: (Rev 21:23) [b:Rev 21:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Al moeten Christus’ lijden en dood niet meer herhaald worden, toch blijft de kracht van dit offer in eeuwigheid, omdat Hij zoals in de Hebreeënbrief (10, 14) wordt gezegd, "door een enkel offer de geheiligden voor eeuwigheid tot volmaaktheid heeft gebracht". — Hieruit blijkt ook, wat het derde antwoord is. De eenheid van dit offer echter werd onder de Wet hierdoor afgebeeld, dat de hogepriester der Wet eenmaal in het jaar met een plechtig bloedoffer het allerheiligste binnenging, zoals in Leviticus (16) wordt gezegd. Maar het beeld stond hierin bij de werkelijkheid achter, dat dit offer geen eeuwige kracht bezat en die offers dus jaarlijks werden herhaald.
B: (Heb 10:14) [b:Heb 10:14]
2e Weerlegging. Al moeten Christus’ lijden en dood niet meer herhaald worden, toch blijft de kracht van dit offer in eeuwigheid, omdat Hij zoals in de Hebreeënbrief (10, 14) wordt gezegd, "door een enkel offer de geheiligden voor eeuwigheid tot volmaaktheid heeft gebracht". — Hieruit blijkt ook, wat het derde antwoord is. De eenheid van dit offer echter werd onder de Wet hierdoor afgebeeld, dat de hogepriester der Wet eenmaal in het jaar met een plechtig bloedoffer het allerheiligste binnenging, zoals in Leviticus (16) wordt gezegd. Maar het beeld stond hierin bij de werkelijkheid achter, dat dit offer geen eeuwige kracht bezat en die offers dus jaarlijks werden herhaald.
B: (Heb 10:14) [b:Heb 10:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 5 ad 3
IIIa q. 22 a. 5 ad 3 N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 22 a. 5 ad 3 N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Was Christus’ priesterschap volgens de orde van Melchisedech?
IIIa q. 22 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert dat het priesterschap van Christus niet was volgens de orde van Melchisedech. Want Christus is als de voornaamste priester de bron van elk priesterschap. Wat nu het voornaamste is, is niet volgens de orde van anderen, maar anderen zijn naar zijn orde. Dus moet men Christus geen priester noemen naar de orde van Melchisedech.
Over het zesde als volgt. Men beweert dat het priesterschap van Christus niet was volgens de orde van Melchisedech. Want Christus is als de voornaamste priester de bron van elk priesterschap. Wat nu het voornaamste is, is niet volgens de orde van anderen, maar anderen zijn naar zijn orde. Dus moet men Christus geen priester noemen naar de orde van Melchisedech.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Het priesterschap der oude Wet stond dichter bij Christus dan het priesterschap van voor de Wet. Nu duidden de sacramenten Christus zoveel te nauwkeuriger aan, naarmate zij dichter bij Hem stonden, zoals volgt uit het gezegde in het tweede deel (IIa-IIae, 2° Kw., 7° Art.). Dus moet men Christus’ priesterschap eerder naar het wettelijke noemen dan naar dat van Melchisedech, dat voor de Wet was.
R: IIa-IIae q. 2 a. 7[t:iia-iiae q. 2 a. 7]
Vervolgens. Het priesterschap der oude Wet stond dichter bij Christus dan het priesterschap van voor de Wet. Nu duidden de sacramenten Christus zoveel te nauwkeuriger aan, naarmate zij dichter bij Hem stonden, zoals volgt uit het gezegde in het tweede deel (IIa-IIae, 2° Kw., 7° Art.). Dus moet men Christus’ priesterschap eerder naar het wettelijke noemen dan naar dat van Melchisedech, dat voor de Wet was.
R: IIa-IIae q. 2 a. 7[t:iia-iiae q. 2 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 6 arg. 3
Vervolgens. In de Hebreeënbrief (7, 23) staat: "Dit betekent: koning van vrede, zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom, en heeft begin noch einde van zijn dagen". Dat komt alleen toe aan Gods Zoon. Dus moet men Christus geen priester naar de orde van Melchisedech als van een ander noemen, maar naar Zijn eigen orde.
B: (Heb 7:2) [b:Heb 7:2] (Heb 7:3) [b:Heb 7:3]
Vervolgens. In de Hebreeënbrief (7, 23) staat: "Dit betekent: koning van vrede, zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom, en heeft begin noch einde van zijn dagen". Dat komt alleen toe aan Gods Zoon. Dus moet men Christus geen priester naar de orde van Melchisedech als van een ander noemen, maar naar Zijn eigen orde.
B: (Heb 7:2) [b:Heb 7:2] (Heb 7:3) [b:Heb 7:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 6 s. c.
Maar hiertegenover staat het Psalmwoord (Ps. 109, 4): "Gij zijt priester in eeuwigheid naar de orde van Melchisedech".
B: (Ps 109:4) [b:Ps 109:4]
Maar hiertegenover staat het Psalmwoord (Ps. 109, 4): "Gij zijt priester in eeuwigheid naar de orde van Melchisedech".
B: (Ps 109:4) [b:Ps 109:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 6 co.
Mijn antwoord. Zoals vroeger werd gezegd (4e Art. Antw. op de 3e B.), was het priesterschap der Wet een voorafbeelding van dat van Christus, maar niet een die aan de waarheid gelijk kwam, doch op vele punten daarbij achterbleef, zowel omdat het de zonden niet wegnam als omdat het niet zoals Christus’ priesterschap eeuwig was. Maar juist dit uitsteken van Christus’ priesterschap boven het Levitische werd door dat van Melchisedech voorafgebeeld, omdat deze van Abraham, in wiens lendenen in zekere zin van het priesterschap der wet schatting werd geheven, de tienden ontving. En daarom noemt men Christus’ priesterschap naar de orde van Melchisedech, omdat het ware priesterschap boven het voorafbeeldende wettelijke uitsteekt.
R: q. 22 a. 4 ad 3[t:iiia q. 22 a. 4 ad 3]
Mijn antwoord. Zoals vroeger werd gezegd (4e Art. Antw. op de 3e B.), was het priesterschap der Wet een voorafbeelding van dat van Christus, maar niet een die aan de waarheid gelijk kwam, doch op vele punten daarbij achterbleef, zowel omdat het de zonden niet wegnam als omdat het niet zoals Christus’ priesterschap eeuwig was. Maar juist dit uitsteken van Christus’ priesterschap boven het Levitische werd door dat van Melchisedech voorafgebeeld, omdat deze van Abraham, in wiens lendenen in zekere zin van het priesterschap der wet schatting werd geheven, de tienden ontving. En daarom noemt men Christus’ priesterschap naar de orde van Melchisedech, omdat het ware priesterschap boven het voorafbeeldende wettelijke uitsteekt.
R: q. 22 a. 4 ad 3[t:iiia q. 22 a. 4 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Men noemt Christus niet "naar de orde van Melchisedech", alsof deze een voornamere priester was, maar omdat hij de voorrang van Christus’ priesterschap boven het Levitische voorafbeeldde.
1e Weerlegging. Men noemt Christus niet "naar de orde van Melchisedech", alsof deze een voornamere priester was, maar omdat hij de voorrang van Christus’ priesterschap boven het Levitische voorafbeeldde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Twee dingen kan men in Christus’ priesterschap beschouwen: ten eerste het offer zelf van Christus en het deel hebben daaraan. Wat het offer zelf betreft, beeldde het wettelijke priesterschap door het uitstorten van bloed meer uitdrukkelijk dat van Christus af dan dat van Melchisedech waarbij geen bloed vloeide het deed. Maar wat het delen in het offer en de vruchten ervan, waarin de voorrang van Christus’ priesterschap boven het wettelijke vooral bestaat, werd het uitdrukkelijker door dat van Melchisedech afgebeeld, omdat deze brood en wijn offerde, die zoals Augustinus zegt de eenheid der Kerk verzinnebeelden, die door het deel hebben in Christus’ offer wordt gevormd. Daarom ook wordt onder de nieuwe Wet het offer van Christus aan de geloovigen meegedeeld onder de gedaante van brood en wijn.
2e Weerlegging. Twee dingen kan men in Christus’ priesterschap beschouwen: ten eerste het offer zelf van Christus en het deel hebben daaraan. Wat het offer zelf betreft, beeldde het wettelijke priesterschap door het uitstorten van bloed meer uitdrukkelijk dat van Christus af dan dat van Melchisedech waarbij geen bloed vloeide het deed. Maar wat het delen in het offer en de vruchten ervan, waarin de voorrang van Christus’ priesterschap boven het wettelijke vooral bestaat, werd het uitdrukkelijker door dat van Melchisedech afgebeeld, omdat deze brood en wijn offerde, die zoals Augustinus zegt de eenheid der Kerk verzinnebeelden, die door het deel hebben in Christus’ offer wordt gevormd. Daarom ook wordt onder de nieuwe Wet het offer van Christus aan de geloovigen meegedeeld onder de gedaante van brood en wijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 22 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Melchisedech wordt "zonder vader en zonder moeder en zonder stamboom" genoemd, en van hem wordt gezegd, dat "hij begin noch einde van dagen heeft", niet alsof hij dat niet had, maar omdat daarover niets in de H. Schrift te lezen staat. En hierdoor is hij, zoals de Apostel op dezelfde plaats zegt, "aan Gods Zoon gelijk geworden", die op aarde zonder Vader en in de hemel zonder moeder is; en die geen stamboom heeft naar Isaias (53, 8) : "Wie zal Zijn afkomst vermelden?"; en die naar Zijn godheid begin noch einde van dagen heeft.
B: (Isa 53:8) [b:Isa 53:8]
3e Weerlegging. Melchisedech wordt "zonder vader en zonder moeder en zonder stamboom" genoemd, en van hem wordt gezegd, dat "hij begin noch einde van dagen heeft", niet alsof hij dat niet had, maar omdat daarover niets in de H. Schrift te lezen staat. En hierdoor is hij, zoals de Apostel op dezelfde plaats zegt, "aan Gods Zoon gelijk geworden", die op aarde zonder Vader en in de hemel zonder moeder is; en die geen stamboom heeft naar Isaias (53, 8) : "Wie zal Zijn afkomst vermelden?"; en die naar Zijn godheid begin noch einde van dagen heeft.
B: (Isa 53:8) [b:Isa 53:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 23: Of het Christus toekomt als kind aangenomen te worden
IIIa q. 23 pr.
IIIa q. 23 pr. Vervolgens moeten wij bespreken of het aangenomen wordt als kind Christus toekomt. En daarover stellen wij ons vier vragen: 1. Komt het God toe zonen aan te nemen? 2. Komt dit alleen aan God de Vader toe? 3. Is het de mensen eigen door God als kind aangenomen te worden? 4. Kan men Christus een aangenomen zoon noemen?
IIIa q. 23 pr. Vervolgens moeten wij bespreken of het aangenomen wordt als kind Christus toekomt. En daarover stellen wij ons vier vragen: 1. Komt het God toe zonen aan te nemen? 2. Komt dit alleen aan God de Vader toe? 3. Is het de mensen eigen door God als kind aangenomen te worden? 4. Kan men Christus een aangenomen zoon noemen?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Komt het God toe zonen aan te nemen?
IIIa q. 23 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het God niet toekomt zonen aan te nemen. Want, zoals de rechtsgeleerden zeggen, neemt men alleen een vreemde persoon als zoon aan. Nu is geen enkel persoon vreemd voor God, die de Schepper van allen is. Dus schijnt het aannemen van kinderen God niet toe te komen.
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het God niet toekomt zonen aan te nemen. Want, zoals de rechtsgeleerden zeggen, neemt men alleen een vreemde persoon als zoon aan. Nu is geen enkel persoon vreemd voor God, die de Schepper van allen is. Dus schijnt het aannemen van kinderen God niet toe te komen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Het aannemen schijnt ingevoerd te zijn bij gebrek aan een zoonschap van nature. Nu vindt men in God een natuurlijk zoonschap zoals in het eerste deel behandeld is (27° Kw., 2° Art.). Dus komt het God niet toe zonen aan te nemen.
R: I q. 27 a. 2[t:ia q. 27 a. 2]
Vervolgens. Het aannemen schijnt ingevoerd te zijn bij gebrek aan een zoonschap van nature. Nu vindt men in God een natuurlijk zoonschap zoals in het eerste deel behandeld is (27° Kw., 2° Art.). Dus komt het God niet toe zonen aan te nemen.
R: I q. 27 a. 2[t:ia q. 27 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Iemand wordt hierom aangenomen, dat hij hem die aanneemt in de erfenis op kan volgen. Nu schijnt niemand God in de erfenis te kunnen opvolgen, omdat Hij nooit sterft. Dus komt het God niet toe kinderen aan te nemen.
Vervolgens. Iemand wordt hierom aangenomen, dat hij hem die aanneemt in de erfenis op kan volgen. Nu schijnt niemand God in de erfenis te kunnen opvolgen, omdat Hij nooit sterft. Dus komt het God niet toe kinderen aan te nemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat, dat in de Ephesiërsbrief (1, 5) staat: "Hij heeft ons voorbestemd om als kinderen Gods aangenomen te worden". Nu blijft Gods voorbestemming niet zonder gevolg. Dus neemt God sommigen als kinderen aan.
B: (Eph 1:5) [b:Eph 1:5]
Maar daartegenover staat, dat in de Ephesiërsbrief (1, 5) staat: "Hij heeft ons voorbestemd om als kinderen Gods aangenomen te worden". Nu blijft Gods voorbestemming niet zonder gevolg. Dus neemt God sommigen als kinderen aan.
B: (Eph 1:5) [b:Eph 1:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 1 co.
Mijn antwoord. Een mens neemt een ander als kind aan, in zover hij hem uit goedheid in de erfenis laat delen. Nu heeft God een oneindige goedheid en daardoor komt het, dat Hij zijn schepselen in Zijn goederen laat delen; en vooral de redelijke schepsels, die als geschapen naar Gods beeld in staat zijn aan het goddelijk geluk deelachtig te worden. Dat bestaat in het genieten van God, waardoor God zelf gelukkig is en rijk door Zichzelf, in zover Hij van Zichzelf geniet. Nu wordt datgene waardoor iemand rijk is zijn erfenis genoemd; en daarom zegt men van God, dat Hij in zover Hij uit goedheid de mensen deel geeft aan de erfenis der zaligheid hen als kinderen aanneemt. Hierin staat de aanneming door God echter boven die der mensen, dat Hij de mens die Hij aanneemt door het geschenk der genade geschikt maakt om de hemelse erfenis te ontvangen; een mens evenwel maakt degene die hij aanneemt niet geschikt, maar kiest eerder iemand die reeds geschikt is voor de aanneming uit.
Mijn antwoord. Een mens neemt een ander als kind aan, in zover hij hem uit goedheid in de erfenis laat delen. Nu heeft God een oneindige goedheid en daardoor komt het, dat Hij zijn schepselen in Zijn goederen laat delen; en vooral de redelijke schepsels, die als geschapen naar Gods beeld in staat zijn aan het goddelijk geluk deelachtig te worden. Dat bestaat in het genieten van God, waardoor God zelf gelukkig is en rijk door Zichzelf, in zover Hij van Zichzelf geniet. Nu wordt datgene waardoor iemand rijk is zijn erfenis genoemd; en daarom zegt men van God, dat Hij in zover Hij uit goedheid de mensen deel geeft aan de erfenis der zaligheid hen als kinderen aanneemt. Hierin staat de aanneming door God echter boven die der mensen, dat Hij de mens die Hij aanneemt door het geschenk der genade geschikt maakt om de hemelse erfenis te ontvangen; een mens evenwel maakt degene die hij aanneemt niet geschikt, maar kiest eerder iemand die reeds geschikt is voor de aanneming uit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. I. Beschouwt men de mens naar zijn natuur, dan is hij God geen vreemde wat de natuurlijke goederen die hij krijgt betreft, maar wel in de goederen der genade en der heerlijkheid. En hij wordt juist wat deze betreft aangenomen.
1e Weerlegging. I. Beschouwt men de mens naar zijn natuur, dan is hij God geen vreemde wat de natuurlijke goederen die hij krijgt betreft, maar wel in de goederen der genade en der heerlijkheid. En hij wordt juist wat deze betreft aangenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De mens moet werken om in zijn behoeften te voorzien, maar aan God komt het toe te werken om de overvloed van Zijn volmaaktheid mee te delen. Zoals dus Gods goedheid door de scheppingsdaad aan alle schepselen naar een zekere gelijkenis wordt meegedeeld, wordt door de aanneming aan de mensen een gelijkenis met het natuurlijke zoonschap gegeven naar de Romeinenbrief (8, 29): "Die Hij vooruit heeft gekend om gelijk te worden aan het beeld van Zijn Zoon".
B: (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 23 a. 2 ad 3
IIIa q. 23 a. 4 co.[t:iiia q. 23 a. 2 ad 3][t:iiia q. 23 a. 4 co.]
2e Weerlegging. De mens moet werken om in zijn behoeften te voorzien, maar aan God komt het toe te werken om de overvloed van Zijn volmaaktheid mee te delen. Zoals dus Gods goedheid door de scheppingsdaad aan alle schepselen naar een zekere gelijkenis wordt meegedeeld, wordt door de aanneming aan de mensen een gelijkenis met het natuurlijke zoonschap gegeven naar de Romeinenbrief (8, 29): "Die Hij vooruit heeft gekend om gelijk te worden aan het beeld van Zijn Zoon".
B: (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 23 a. 2 ad 3
IIIa q. 23 a. 4 co.[t:iiia q. 23 a. 2 ad 3][t:iiia q. 23 a. 4 co.]
Referenties naar deze alinea: 2
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Geestelijke goederen kunnen tegelijkertijd door meerderen bezeten worden, maar lichamelijke niet. Daarom kan niemand een stoffelijke erfenis ontvangen tenzij hij iemand die sterft opvolgt; maar de geestelijke erfenis ontvangen allen volledig zonder dat de Vader, die eeuwig leeft, iets verliest. Men zou echter kunnen zeggen, dat God sterft in zover Hij in ons leeft door het geloof om dan in ons te beginnen te zijn door het aanschouwen, zoals de Glossa bij de tekst, "Indien zonen, dan ook erfgenamen", Romeinenbrief (8, 17) zegt.
3e Weerlegging. Geestelijke goederen kunnen tegelijkertijd door meerderen bezeten worden, maar lichamelijke niet. Daarom kan niemand een stoffelijke erfenis ontvangen tenzij hij iemand die sterft opvolgt; maar de geestelijke erfenis ontvangen allen volledig zonder dat de Vader, die eeuwig leeft, iets verliest. Men zou echter kunnen zeggen, dat God sterft in zover Hij in ons leeft door het geloof om dan in ons te beginnen te zijn door het aanschouwen, zoals de Glossa bij de tekst, "Indien zonen, dan ook erfgenamen", Romeinenbrief (8, 17) zegt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Komt het aannemen aan de gehele Drievuldigheid toe?
IIIa q. 23 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het aannemen niet aan de gehele Drievuldigheid toekomt. Want bij goddelijke dingen spreekt men daarvan volgens een gelijkenis met menselijke dingen. Nu komt bij de mensen het aannemen alleen aan hem toe, die zonen kan voortbrengen, wat in het goddelijke alleen aan de Vader toekomt. Dus kan in het goddelijke alleen de Vader kinderen aannemen.
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het aannemen niet aan de gehele Drievuldigheid toekomt. Want bij goddelijke dingen spreekt men daarvan volgens een gelijkenis met menselijke dingen. Nu komt bij de mensen het aannemen alleen aan hem toe, die zonen kan voortbrengen, wat in het goddelijke alleen aan de Vader toekomt. Dus kan in het goddelijke alleen de Vader kinderen aannemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Door het aannemen worden de mensen broeders van Christus naar de Romeinenbrief (8, 29): "Opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broeders". Nu noemt men hen, die zonen van een Vader zijn, broeders; daarom ook zegt de Heer bij Johannes (20, 17): "Ik stijg op naar Mijn Vader en uw Vader". Dus had alleen Christus’ Vader aangenomen zonen.
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Vervolgens. Door het aannemen worden de mensen broeders van Christus naar de Romeinenbrief (8, 29): "Opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broeders". Nu noemt men hen, die zonen van een Vader zijn, broeders; daarom ook zegt de Heer bij Johannes (20, 17): "Ik stijg op naar Mijn Vader en uw Vader". Dus had alleen Christus’ Vader aangenomen zonen.
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 2 arg. 3
Vervolgens. In de Galatenbrief (4, 4) wordt gezegd: "God zond Zijn Zoon, opdat wij de aanneming tot zonen zouden ontvangen". Omdat gij echter zonen van God zijt, zond God de Geest van Zijn Zoon in uw harten, die roept: Abba, Vader. Dus neemt Hij aan, die een Zoon en een Heilige Geest heeft. Dat nu komt alleen aan de Vader toe, en dus evenzo het aannemen.
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4] (Gal 4:5) [b:Gal 4:5] (Gal 4:6) [b:Gal 4:6]
Vervolgens. In de Galatenbrief (4, 4) wordt gezegd: "God zond Zijn Zoon, opdat wij de aanneming tot zonen zouden ontvangen". Omdat gij echter zonen van God zijt, zond God de Geest van Zijn Zoon in uw harten, die roept: Abba, Vader. Dus neemt Hij aan, die een Zoon en een Heilige Geest heeft. Dat nu komt alleen aan de Vader toe, en dus evenzo het aannemen.
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4] (Gal 4:5) [b:Gal 4:5] (Gal 4:6) [b:Gal 4:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Hij, Die Wij Vader kunnen noemen, ons als zonen aanneemt; en daarom staat in de Romeinenbrief (8, 15): "Gij hebt de geest van kindschap ontvangen, waardoor wij roepen: Abba, Vader!" Maar als wij tot God zeggen: Onze Vader, dan richt zich dat tot de gehele Drievuldigheid als alle namen die wij van God in verhouding tot de schepsels gebruiken, zoals in het eerste deel is gezegd (33° Kw., 3° Art., 1° B.). Daarom komt de aanneming de gehele Drievuldigheid toe.
B: (Rom 8:15) [b:Rom 8:15]
R: I q. 33 a. 3 Arg. 1[t:ia q. 33 a. 3 arg. 1] I q. 45 a. 6[t:ia q. 45 a. 6]
Maar daartegenover staat, dat Hij, Die Wij Vader kunnen noemen, ons als zonen aanneemt; en daarom staat in de Romeinenbrief (8, 15): "Gij hebt de geest van kindschap ontvangen, waardoor wij roepen: Abba, Vader!" Maar als wij tot God zeggen: Onze Vader, dan richt zich dat tot de gehele Drievuldigheid als alle namen die wij van God in verhouding tot de schepsels gebruiken, zoals in het eerste deel is gezegd (33° Kw., 3° Art., 1° B.). Daarom komt de aanneming de gehele Drievuldigheid toe.
B: (Rom 8:15) [b:Rom 8:15]
R: I q. 33 a. 3 Arg. 1[t:ia q. 33 a. 3 arg. 1] I q. 45 a. 6[t:ia q. 45 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 2 co.
Mijn antwoord. Dit verschil bestaat er tussen Gods aangenomen en Gods natuurlijke Zoon, dat Gods Zoon van nature geboren maar niet gemaakt, doch de aangenomen zoon gemaakt is volgens Joannes (1, 12): "Hij gaf hun de macht om zonen Gods gemaakt te worden". Soms zegt men echter, dat de aangenomen zoon geboren is om de geestelijke wedergeboorte, die door genade, niet van nature geschiedt, zodat bij Jacobus (1, 18) wordt gezegd: "Vrijwillig bracht Hij ons voort door het woord der waarheid". Al is nu in het goddelijke het voortbrengen eigen aan de Vader, toch is het bewerken van ieder gevolg in de schepselen aan de gehele Drievuldigheid gemeen om de eenheid in natuur; want waar er één natuur is, moet er ook één kracht en één werking zijn; zodat de Heer bij Joannes (5, 19) zegt: "Alles wat de Vader doet, doet de Zoon eveneens". En zo komt het de gehele Drievuldigheid toe mensen als kinderen aan te nemen.
B: (John 1:12) [b:John 1:12] (John 5:19, John 5:19) [b:John 5:19] (Jas 1:18) [b:Jas 1:18]
Mijn antwoord. Dit verschil bestaat er tussen Gods aangenomen en Gods natuurlijke Zoon, dat Gods Zoon van nature geboren maar niet gemaakt, doch de aangenomen zoon gemaakt is volgens Joannes (1, 12): "Hij gaf hun de macht om zonen Gods gemaakt te worden". Soms zegt men echter, dat de aangenomen zoon geboren is om de geestelijke wedergeboorte, die door genade, niet van nature geschiedt, zodat bij Jacobus (1, 18) wordt gezegd: "Vrijwillig bracht Hij ons voort door het woord der waarheid". Al is nu in het goddelijke het voortbrengen eigen aan de Vader, toch is het bewerken van ieder gevolg in de schepselen aan de gehele Drievuldigheid gemeen om de eenheid in natuur; want waar er één natuur is, moet er ook één kracht en één werking zijn; zodat de Heer bij Joannes (5, 19) zegt: "Alles wat de Vader doet, doet de Zoon eveneens". En zo komt het de gehele Drievuldigheid toe mensen als kinderen aan te nemen.
B: (John 1:12) [b:John 1:12] (John 5:19, John 5:19) [b:John 5:19] (Jas 1:18) [b:Jas 1:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Alle menselijke personen hebben niet in getal één natuur, zodat er niet als in het goddelijke bij hen ook maar één werking en één gevolg van allen behoeft te zijn. Daarom kan men hierin in beide gevallen geen gelijkheid vinden.
1e Weerlegging. Alle menselijke personen hebben niet in getal één natuur, zodat er niet als in het goddelijke bij hen ook maar één werking en één gevolg van allen behoeft te zijn. Daarom kan men hierin in beide gevallen geen gelijkheid vinden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Door de aanneming worden wij Christus’ broeders in zover wij dezelfde Vader hebben als Hij, die echter op een andere manier de Vader van Christus is dan van ons. Daarom spreekt de Heer bij Johannes (20) met nadruk afzonderlijk van "Mijn Vader" en "Uw Vader". Want Christus’ Vader is Hij door Hem van nature voort te brengen, wat Hem eigen is; maar van ons is Hij het door iets vrijwillig te doen, wat Hij met de Zoon en de Heilige Geest gemeen heeft. Daarom is Christus niet als wij de Zoon der gehele Drievuldigheid.
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
2e Weerlegging. Door de aanneming worden wij Christus’ broeders in zover wij dezelfde Vader hebben als Hij, die echter op een andere manier de Vader van Christus is dan van ons. Daarom spreekt de Heer bij Johannes (20) met nadruk afzonderlijk van "Mijn Vader" en "Uw Vader". Want Christus’ Vader is Hij door Hem van nature voort te brengen, wat Hem eigen is; maar van ons is Hij het door iets vrijwillig te doen, wat Hij met de Zoon en de Heilige Geest gemeen heeft. Daarom is Christus niet als wij de Zoon der gehele Drievuldigheid.
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals werd gezegd (Vorig Art., Antw. op de 2° B.), is het kindschap door aanneming een gelijkenis op het eeuwige zoonschap, zoals al het in de tijd gemaakte gelijkenis is van wat van eeuwigheid is. Nu wordt de mens aan de heerlijkheid van de eeuwige Zoon gelijk gemaakt door de heerlijkheid der genade, die aan de H. Geest wordt toegeschreven. Al is daarom de aanneming iets gemeenschappelijks van de gehele Drievuldigheid, toch wordt zij de Vader als oorsprong toegewezen, de Zoon als voorbeeld en de H. Geest als aan Hem, die de gelijkheid met het voorbeeld in ons drukt.
R: q. 23 a. 1 ad 2[t:iiia q. 23 a. 1 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 23 a. 3 co.[t:iiia q. 23 a. 3 co.]
3e Weerlegging. Zoals werd gezegd (Vorig Art., Antw. op de 2° B.), is het kindschap door aanneming een gelijkenis op het eeuwige zoonschap, zoals al het in de tijd gemaakte gelijkenis is van wat van eeuwigheid is. Nu wordt de mens aan de heerlijkheid van de eeuwige Zoon gelijk gemaakt door de heerlijkheid der genade, die aan de H. Geest wordt toegeschreven. Al is daarom de aanneming iets gemeenschappelijks van de gehele Drievuldigheid, toch wordt zij de Vader als oorsprong toegewezen, de Zoon als voorbeeld en de H. Geest als aan Hem, die de gelijkheid met het voorbeeld in ons drukt.
R: q. 23 a. 1 ad 2[t:iiia q. 23 a. 1 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 23 a. 3 co.[t:iiia q. 23 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is het aangenomen worden eigen aan het redelijk schepsel?
IIIa q. 23 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het aangenomen worden aan het redelijke schepsel niet eigen is. Want alleen door de aanneming wordt God de Vader van het redelijke schepsel genoemd. Maar Hij wordt ook de Vader van redeloze schepsels genoemd volgens Job (38, 28): "Wie is de Vader van de regen? of wie heeft de dauwdroppels voortgebracht?" Dus is aangenomen worden niet eigen aan het redelijke schepsel.
B: (Job 38:28) [b:Job 38:28]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het aangenomen worden aan het redelijke schepsel niet eigen is. Want alleen door de aanneming wordt God de Vader van het redelijke schepsel genoemd. Maar Hij wordt ook de Vader van redeloze schepsels genoemd volgens Job (38, 28): "Wie is de Vader van de regen? of wie heeft de dauwdroppels voortgebracht?" Dus is aangenomen worden niet eigen aan het redelijke schepsel.
B: (Job 38:28) [b:Job 38:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Sommige mensen worden krachtens de aanneming zonen Gods genoemd. Nu schijnt het zonen Gods te zijn in de Schriftuur in eigenlijke zin aan de Engelen toegeschreven te worden volgens Job (1, 6): "Op zekere dag, toen de zonen Gods voor de Heer stonden". Dus is het aangenomen worden niet eigen aan het redelijke schepsel.
B: (Job 1:6) [b:Job 1:6]
Vervolgens. Sommige mensen worden krachtens de aanneming zonen Gods genoemd. Nu schijnt het zonen Gods te zijn in de Schriftuur in eigenlijke zin aan de Engelen toegeschreven te worden volgens Job (1, 6): "Op zekere dag, toen de zonen Gods voor de Heer stonden". Dus is het aangenomen worden niet eigen aan het redelijke schepsel.
B: (Job 1:6) [b:Job 1:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Wat een natuur eigen is, komt toe aan allen die deze natuur bezitten, zoals het kunnen lachen aan alle mensen. Het aangenomen worden echter komt niet aan alle redelijke schepsels toe. Dus is het niet eigen aan de redelijke natuur.
Vervolgens. Wat een natuur eigen is, komt toe aan allen die deze natuur bezitten, zoals het kunnen lachen aan alle mensen. Het aangenomen worden echter komt niet aan alle redelijke schepsels toe. Dus is het niet eigen aan de redelijke natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de aangenomen kinderen volgens de Romeinenbrief (8, 17) "Gods erfgenamen" zijn. Nu komt deze erfenis alleen aan het redelijke schepsel toe. Dus is het aangenomen worden daaraan eigen.
B: (Rom 8:17) [b:Rom 8:17]
Maar daartegenover staat, dat de aangenomen kinderen volgens de Romeinenbrief (8, 17) "Gods erfgenamen" zijn. Nu komt deze erfenis alleen aan het redelijke schepsel toe. Dus is het aangenomen worden daaraan eigen.
B: (Rom 8:17) [b:Rom 8:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals werd gezegd (1° Art., Antw. op de 2° B.), bestaat het zoonschap door aanneming in een gelijkenis met het zoonschap van nature. Nu komt Gods Zoon van nature uit de Vader voort als Verstandswoord, dat een is met de Vader en iets kan op drie manieren aan dat Woord gelijk worden gemaakt. Ten eerste namelijk naar het vorm-zijn, maar niet naar Zijn verstandelijkheid, zoals de vorm van het buiten de mens gebouwde huis gelijk is aan het verstandswoord van de ontwerper naar de soort van de vorm, maar niet naar de verstandelijkheid, omdat de vorm van het huis in de stof niet redelijk is zoals zij was in het verstand van de maker. En zo is ieder schepsel aan het eeuwige Woord gelijk, omdat het door het Woord is gemaakt. Ten tweede wordt een schepsel aan het Woord gelijk gemaakt niet alleen naar het vorm-zijn, maar ook in de verstandelijkheid, zoals de wetenschap, die in de geest van de leerling ontstaat, gelijk is op het woord in het verstand van de leeraar. En zo is het met het redelijke schepsel ook naar zijn natuur gelijk aan Gods woord. Ten derde wordt een schepsel aan het eeuwige Woord gelijk gemaakt naar de eenheid die het met de Vader heeft; en dat geschiedt door de genade en de liefde, zodat de Heer bij Joannes (17, 21, 22) bidt: "Opdat zij een zijn, zoals ook Wij een zijn». En deze gelijkheid geeft aan de aanneming haar eigen aard, want zij die zo op het Woord lijken, hebben recht op de eeuwige erfenis. Het is daarom duidelijk, dat aangenomen worden alleen aan het redelijke schepsel toekomt; maar niet aan elk, doch alleen aan dat wat de liefde heeft. Die is "in onze harten door de Heilige Geest uitgestort», zoals in de Romeinenbrief (5, 5) wordt gezegd. En daarom wordt de H. Geest daar "de Geest van aanneming tot kinderen» genoemd.
B: (John 17:21, John 17:21) [b:John 17:21] (John 17:22, John 17:22) [b:John 17:22] (Rom 5:5) [b:Rom 5:5] (Rom 8:15) [b:Rom 8:15]
R: q. 23 a. 2 ad 3[t:iiia q. 23 a. 2 ad 3]
Mijn antwoord. Zoals werd gezegd (1° Art., Antw. op de 2° B.), bestaat het zoonschap door aanneming in een gelijkenis met het zoonschap van nature. Nu komt Gods Zoon van nature uit de Vader voort als Verstandswoord, dat een is met de Vader en iets kan op drie manieren aan dat Woord gelijk worden gemaakt. Ten eerste namelijk naar het vorm-zijn, maar niet naar Zijn verstandelijkheid, zoals de vorm van het buiten de mens gebouwde huis gelijk is aan het verstandswoord van de ontwerper naar de soort van de vorm, maar niet naar de verstandelijkheid, omdat de vorm van het huis in de stof niet redelijk is zoals zij was in het verstand van de maker. En zo is ieder schepsel aan het eeuwige Woord gelijk, omdat het door het Woord is gemaakt. Ten tweede wordt een schepsel aan het Woord gelijk gemaakt niet alleen naar het vorm-zijn, maar ook in de verstandelijkheid, zoals de wetenschap, die in de geest van de leerling ontstaat, gelijk is op het woord in het verstand van de leeraar. En zo is het met het redelijke schepsel ook naar zijn natuur gelijk aan Gods woord. Ten derde wordt een schepsel aan het eeuwige Woord gelijk gemaakt naar de eenheid die het met de Vader heeft; en dat geschiedt door de genade en de liefde, zodat de Heer bij Joannes (17, 21, 22) bidt: "Opdat zij een zijn, zoals ook Wij een zijn». En deze gelijkheid geeft aan de aanneming haar eigen aard, want zij die zo op het Woord lijken, hebben recht op de eeuwige erfenis. Het is daarom duidelijk, dat aangenomen worden alleen aan het redelijke schepsel toekomt; maar niet aan elk, doch alleen aan dat wat de liefde heeft. Die is "in onze harten door de Heilige Geest uitgestort», zoals in de Romeinenbrief (5, 5) wordt gezegd. En daarom wordt de H. Geest daar "de Geest van aanneming tot kinderen» genoemd.
B: (John 17:21, John 17:21) [b:John 17:21] (John 17:22, John 17:22) [b:John 17:22] (Rom 5:5) [b:Rom 5:5] (Rom 8:15) [b:Rom 8:15]
R: q. 23 a. 2 ad 3[t:iiia q. 23 a. 2 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Men noemt God niet in eigenlijke zin door aanneming Vader van de redeloze schepsels, maar door de schepping naar het eerste delen in gelijkenis.
1e Weerlegging. Men noemt God niet in eigenlijke zin door aanneming Vader van de redeloze schepsels, maar door de schepping naar het eerste delen in gelijkenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De Engelen worden om het zoonschap van aanneming zonen Gods genoemd, niet omdat het hun op de eerste plaats toekomt, maar omdat zij het eerst de aanneming tot zonen ontvangen hebben.
2e Weerlegging. De Engelen worden om het zoonschap van aanneming zonen Gods genoemd, niet omdat het hun op de eerste plaats toekomt, maar omdat zij het eerst de aanneming tot zonen ontvangen hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De aanneming is niet iets eigens, wat uit de natuur, maar uit de genade voortkomt die de redelijke natuur kan ontvangen. En daarom behoeft zij niet ieder redelijk schepsel toe te komen, maar moet alleen iedere redelijke schepsel in staat zijn haar te krijgen.
3e Weerlegging. De aanneming is niet iets eigens, wat uit de natuur, maar uit de genade voortkomt die de redelijke natuur kan ontvangen. En daarom behoeft zij niet ieder redelijk schepsel toe te komen, maar moet alleen iedere redelijke schepsel in staat zijn haar te krijgen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Is Christus als mens Gods aangenomen Zoon?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 24 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 24 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 23 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus als mens Gods aangenomen Zoon is. Want over Hem sprekend zegt Hilarius (Over de Drievuldigheid, 2° B., n. 27): "De waardigheid door macht gegeven wordt niet verloren als de vleeselijke mensheid wordt aangenomen". Dus is Christus als mens een aangenomen zoon.
IIIa q. 24 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 24 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 23 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus als mens Gods aangenomen Zoon is. Want over Hem sprekend zegt Hilarius (Over de Drievuldigheid, 2° B., n. 27): "De waardigheid door macht gegeven wordt niet verloren als de vleeselijke mensheid wordt aangenomen". Dus is Christus als mens een aangenomen zoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Augustinus zegt in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15e H.) : "Door dezelfde genade was die mens Christus, waardoor iedere mens vanaf het begin van zijn geloof Christen is". Nu zijn de andere mensen Christenen door de genade der aanneming tot zonen. Dus is ook die mens door aanneming Christus; en zo schijnt Hij aangenomen zoon te zijn.
Vervolgens. Augustinus zegt in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15e H.) : "Door dezelfde genade was die mens Christus, waardoor iedere mens vanaf het begin van zijn geloof Christen is". Nu zijn de andere mensen Christenen door de genade der aanneming tot zonen. Dus is ook die mens door aanneming Christus; en zo schijnt Hij aangenomen zoon te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Christus is als mens een slaaf. Nu staat het hoger in waarde aangenomen zoon te zijn dan slaaf. Dus is Christus als mens nog eerder aangenomen zoon.
Vervolgens. Christus is als mens een slaaf. Nu staat het hoger in waarde aangenomen zoon te zijn dan slaaf. Dus is Christus als mens nog eerder aangenomen zoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Ambrosius in het boek Over de menswording (8e H.) zegt: "Wij zeggen niet dat de aangenomen zoon van nature zoon is, maar Hem, die de ware zoon is, noemen wij zoon van nature". Nu is Christus de echte en natuurlijke Zoon Gods naar de Eerste Brief van Johannes (5, 20) : "Dat wij mogen zijn in Zijn ware Zoon Jesus Christus". Dus is Christus als mens geen aangenomen zoon.
B: (1John 5:20) [b:1John 5:20]
Maar daartegenover staat, dat Ambrosius in het boek Over de menswording (8e H.) zegt: "Wij zeggen niet dat de aangenomen zoon van nature zoon is, maar Hem, die de ware zoon is, noemen wij zoon van nature". Nu is Christus de echte en natuurlijke Zoon Gods naar de Eerste Brief van Johannes (5, 20) : "Dat wij mogen zijn in Zijn ware Zoon Jesus Christus". Dus is Christus als mens geen aangenomen zoon.
B: (1John 5:20) [b:1John 5:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 4 co.
Mijn antwoord. Het zoonschap komt eigenlijk aan de hypostase of persoon en niet aan de natuur toe; en daarom hebben wij in het eerste deel gezegd (32e Kw., 3e Art.), dat het zoon schap een persoonlijke eigenschap is. Nu is er in Christus geen andere persoon of hypostase dan de eeuwige, waaraan het toekomst van nature zoon te zijn. Nu is boven gezegd (1e Art., Antw. op de 2e B.), dat het zoonschap door aanneming een door deelhebbing verkregen gelijkheid is met het natuurlijke zoonschap. Men noemt echter iets niet door deelhebbing datgene, wat het door zichzelf is. En dus kan men Christus, die Gods Zoon van nature is, in het geheel niet aangenomen zoon noemen. Voor hen echter, die in Christus twee personen of dragers of hypostasen aannemen, zijn er geen redelijke bezwaren om de mens Christus aangenomen zoon te noemen.
R: I q. 32 a. 3[t:ia q. 32 a. 3] q. 23 a. 1 ad 2[t:iiia q. 23 a. 1 ad 2]
Mijn antwoord. Het zoonschap komt eigenlijk aan de hypostase of persoon en niet aan de natuur toe; en daarom hebben wij in het eerste deel gezegd (32e Kw., 3e Art.), dat het zoon schap een persoonlijke eigenschap is. Nu is er in Christus geen andere persoon of hypostase dan de eeuwige, waaraan het toekomst van nature zoon te zijn. Nu is boven gezegd (1e Art., Antw. op de 2e B.), dat het zoonschap door aanneming een door deelhebbing verkregen gelijkheid is met het natuurlijke zoonschap. Men noemt echter iets niet door deelhebbing datgene, wat het door zichzelf is. En dus kan men Christus, die Gods Zoon van nature is, in het geheel niet aangenomen zoon noemen. Voor hen echter, die in Christus twee personen of dragers of hypostasen aannemen, zijn er geen redelijke bezwaren om de mens Christus aangenomen zoon te noemen.
R: I q. 32 a. 3[t:ia q. 32 a. 3] q. 23 a. 1 ad 2[t:iiia q. 23 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Evenmin als het zoonschap komt de aanneming in eigenlijke zin aan de natuur toe. En als daarom wordt gesproken van de aangenomen mens-scheid van het vlees, dan is dit een oneigenlijke zegswijze; en men moet dan de aanneming verstaan van de vereniging der menselijke natuur met de persoon van de Zoon.
1e Weerlegging. Evenmin als het zoonschap komt de aanneming in eigenlijke zin aan de natuur toe. En als daarom wordt gesproken van de aangenomen mens-scheid van het vlees, dan is dit een oneigenlijke zegswijze; en men moet dan de aanneming verstaan van de vereniging der menselijke natuur met de persoon van de Zoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. De door Augustinus opgestelde gelijkenis moet men op het beginsel laten slaan, want zoals nl. iedere mens het zonder verdiensten heeft dat hij Christen is, zo had ook die mens het Christus zijn zonder verdiensten. Maar er is verschil wat de eindterm betreft: want door de genade der vereniging is Christus de natuurlijke Zoon, maar een ander is door de blijvende genade aangenomen zoon. Deze blijvende genade in Christus maakt niet van een niet-zoon een aangenomen zoon, maar is een gevolg van het zoonschap in Christus’ ziel volgens het woord van Johannes (1, 14): "Wij hebben zijn heerlijkheid gezien als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid».
2e Weerlegging. De door Augustinus opgestelde gelijkenis moet men op het beginsel laten slaan, want zoals nl. iedere mens het zonder verdiensten heeft dat hij Christen is, zo had ook die mens het Christus zijn zonder verdiensten. Maar er is verschil wat de eindterm betreft: want door de genade der vereniging is Christus de natuurlijke Zoon, maar een ander is door de blijvende genade aangenomen zoon. Deze blijvende genade in Christus maakt niet van een niet-zoon een aangenomen zoon, maar is een gevolg van het zoonschap in Christus’ ziel volgens het woord van Johannes (1, 14): "Wij hebben zijn heerlijkheid gezien als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid».
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 23 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Schepsel zijn en ook het dienen en onderworpen zijn aan God slaat niet alleen op de persoon, maar ook op de natuur; en dat kan men van het zoonschap niet zeggen. En daarom gaat dezelfde reden niet op.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
3e Weerlegging. Schepsel zijn en ook het dienen en onderworpen zijn aan God slaat niet alleen op de persoon, maar ook op de natuur; en dat kan men van het zoonschap niet zeggen. En daarom gaat dezelfde reden niet op.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 24: Over de voorbestemming van Christus
IIIa q. 24 pr.
Vervolgens moeten wij over Christus’ voorbestemming spreken, waarover wij ons vier vragen stellen:
1. Was Hij voorbestemd?
2. Was Hij als mens voorbestemd?
3. Was Zijn voorbestemming het toonbeeld van de onze?
4. Was dit de oorzaak van onze voorbestemming?
Vervolgens moeten wij over Christus’ voorbestemming spreken, waarover wij ons vier vragen stellen:
1. Was Hij voorbestemd?
2. Was Hij als mens voorbestemd?
3. Was Zijn voorbestemming het toonbeeld van de onze?
4. Was dit de oorzaak van onze voorbestemming?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Kwam het Christus toe voorbestemd te zijn?
IIIa q. 24 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het Christus niet toekwam voorbestemd te zijn. Want de eindterm van iedere voorbestemming schijnt de aanneming tot kind te zijn naar de Ephesiërs-brief (1, 5): "Hij heeft ons voorbestemd om Zijn kinderen te worden". Nu kwam het Christus niet toe om aangenomen zoon en dus ook niet om voorbestemd te zijn.
B: (Eph 1:5) [b:Eph 1:5]
R: q. 23 a. 4[t:iiia q. 23 a. 4]
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het Christus niet toekwam voorbestemd te zijn. Want de eindterm van iedere voorbestemming schijnt de aanneming tot kind te zijn naar de Ephesiërs-brief (1, 5): "Hij heeft ons voorbestemd om Zijn kinderen te worden". Nu kwam het Christus niet toe om aangenomen zoon en dus ook niet om voorbestemd te zijn.
B: (Eph 1:5) [b:Eph 1:5]
R: q. 23 a. 4[t:iiia q. 23 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Twee dingen kan men in Christus beschouwen, nl. de menselijke natuur en de persoon. Nu kan men niet zeggen, dat Hij om de menselijke natuur was voorbestemd, omdat de stelling: de menselijke natuur is Gods Zoon, onwaar is. Maar evenmin om de persoon, want die persoon heeft het Gods Zoon niet door genade maar door de natuur, terwijl de voorbestemming zich op de dingen betrekt die van de genade komen, zoals in het eerste deel is gezegd (23° Kw., 2° Art., Antw. op de 4° B.; 5° Art.). Dus is Christus niet voorbestemd om Zoon Gods te zijn.
R: I q. 23 a. 2[t:ia q. 23 a. 2] I q. 23 a. 5[t:ia q. 23 a. 5]
Vervolgens. Twee dingen kan men in Christus beschouwen, nl. de menselijke natuur en de persoon. Nu kan men niet zeggen, dat Hij om de menselijke natuur was voorbestemd, omdat de stelling: de menselijke natuur is Gods Zoon, onwaar is. Maar evenmin om de persoon, want die persoon heeft het Gods Zoon niet door genade maar door de natuur, terwijl de voorbestemming zich op de dingen betrekt die van de genade komen, zoals in het eerste deel is gezegd (23° Kw., 2° Art., Antw. op de 4° B.; 5° Art.). Dus is Christus niet voorbestemd om Zoon Gods te zijn.
R: I q. 23 a. 2[t:ia q. 23 a. 2] I q. 23 a. 5[t:ia q. 23 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Zoals datgene wat gemaakt wordt, is ook datgene wat voorbestemd wordt er niet altijd geweest, omdat voorbestemming een voorafgaan insluit. Daar Christus nu altijd God en Gods Zoon is geweest, wordt in eigenlijke zin niet gezegd, dat de mens Gods Zoon geworden is. Dus moet men om dezelfde reden niet zeggen, dat Christus voorbestemd is tot Zoon Gods.
Vervolgens. Zoals datgene wat gemaakt wordt, is ook datgene wat voorbestemd wordt er niet altijd geweest, omdat voorbestemming een voorafgaan insluit. Daar Christus nu altijd God en Gods Zoon is geweest, wordt in eigenlijke zin niet gezegd, dat de mens Gods Zoon geworden is. Dus moet men om dezelfde reden niet zeggen, dat Christus voorbestemd is tot Zoon Gods.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Romeinenbrief (1, 4) van Christus spreken zegt: "Die voorbestemd is om Gods Zoon te zijn in kracht".
B: (Rom 1:4) [b:Rom 1:4]
Maar daartegenover staat, dat de Apostel in de Romeinenbrief (1, 4) van Christus spreken zegt: "Die voorbestemd is om Gods Zoon te zijn in kracht".
B: (Rom 1:4) [b:Rom 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals uit het eerste deel (23e Kw., 2e Art.) blijkt, is de voorbestemming eigenlijk genomen een goddelijke van eeuwigheid voorafgaande verordening over wat door Gods genade in de tijd moet geschieden. Nu gebeurde het door de genade der vereniging in de tijd door God, dat een mens God en God mens was. Men kan ook niet zeggen, dat God niet van eeuwigheid vooraf vaststelde dat Hij dat in de tijd zou doen, omdat dan zou volgen, dat er iets nieuws kwam in Gods geest. Zo moet men dus zeggen, dat de vereniging zelf der naturen in Christus’ persoon onder Gods eeuwige voorbeschikking valt. En hierom wordt Christus voorbestemd genoemd.
R: I q. 23 a. 1[t:ia q. 23 a. 1] I q. 23 a. 2[t:ia q. 23 a. 2]
Mijn antwoord. Zoals uit het eerste deel (23e Kw., 2e Art.) blijkt, is de voorbestemming eigenlijk genomen een goddelijke van eeuwigheid voorafgaande verordening over wat door Gods genade in de tijd moet geschieden. Nu gebeurde het door de genade der vereniging in de tijd door God, dat een mens God en God mens was. Men kan ook niet zeggen, dat God niet van eeuwigheid vooraf vaststelde dat Hij dat in de tijd zou doen, omdat dan zou volgen, dat er iets nieuws kwam in Gods geest. Zo moet men dus zeggen, dat de vereniging zelf der naturen in Christus’ persoon onder Gods eeuwige voorbeschikking valt. En hierom wordt Christus voorbestemd genoemd.
R: I q. 23 a. 1[t:ia q. 23 a. 1] I q. 23 a. 2[t:ia q. 23 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De Apostel spreekt daar over de voorbestemming, waardoor wij worden voorbestemd om aangenomen zonen te zijn. Zoals echter Christus op bijzondere wijze boven anderen Gods natuurlijke Zoon is, is Hij ook bijzonder voorbestemd.
1e Weerlegging. De Apostel spreekt daar over de voorbestemming, waardoor wij worden voorbestemd om aangenomen zonen te zijn. Zoals echter Christus op bijzondere wijze boven anderen Gods natuurlijke Zoon is, is Hij ook bijzonder voorbestemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zoals de Glossa bij de Romeinenbrief (1, 4) zegt, beweerden sommigen, dat men deze voorbestemming niet als van de persoon, maar als van de natuur moest begrijpen, omdat namelijk aan de menselijke natuur deze genade gegeven was, dat zij met Gods Zoon in de eenheid van persoon verenigd was. Maar in deze opvatting zou de Apostel in oneigenlijke zin gesproken hebben. Om twee redenen. Ten eerste om een algemene, wij zeggen immers niet, dat iemands natuur, maar iemands persoon voorbestemd wordt, omdat voorbestemd worden betekent op de verlossing worden gericht, wat toekomt aan de drager, die werkt met de zaligheid als doel. Ten tweede om een bijzondere reden, want Gods Zoon te zijn komt niet toe aan de menselijke natuur; immers deze stelling zou onwaar zijn: de menselijke natuur is Gods Zoon. Tenzij iemand zeer gewrongen zou willen uitleggen: "die voorbestemd is om Gods Zoon te zijn in kracht", dwz. "het is voorbestemd, dat de menselijke natuur met Gods Zoon in persoon verenigd zou worden". Er blijft dus over, dat men de voorbestemming aan Christus’ persoon toeschrijft, maar niet krachtens Hemzelf of zover Hij bestaat in de goddelijke, maar in de menselijke natuur. Daarom voegde de Apostel na gezegd te hebben: "die Hem naar het vlees uit Davids zaad geproten is" eraan toe: "die voorbestemd is om Gods Zoon te zijn in kracht", om te doen begrijpen, dat Hij, in zover Hij naar het vlees uit Davids zaad gesproten is, voorbestemd is om Gods Zoon te zijn in kracht. Want al is het die Persoon op zichzelf beschouwd natuurlijk Gods Zoon in kracht te zijn, naar de menselijke natuur is het Hem dat niet en komt het Hem door de genade der vereniging toe.
B: (Rom 1:4) [b:Rom 1:4]
2e Weerlegging. Zoals de Glossa bij de Romeinenbrief (1, 4) zegt, beweerden sommigen, dat men deze voorbestemming niet als van de persoon, maar als van de natuur moest begrijpen, omdat namelijk aan de menselijke natuur deze genade gegeven was, dat zij met Gods Zoon in de eenheid van persoon verenigd was. Maar in deze opvatting zou de Apostel in oneigenlijke zin gesproken hebben. Om twee redenen. Ten eerste om een algemene, wij zeggen immers niet, dat iemands natuur, maar iemands persoon voorbestemd wordt, omdat voorbestemd worden betekent op de verlossing worden gericht, wat toekomt aan de drager, die werkt met de zaligheid als doel. Ten tweede om een bijzondere reden, want Gods Zoon te zijn komt niet toe aan de menselijke natuur; immers deze stelling zou onwaar zijn: de menselijke natuur is Gods Zoon. Tenzij iemand zeer gewrongen zou willen uitleggen: "die voorbestemd is om Gods Zoon te zijn in kracht", dwz. "het is voorbestemd, dat de menselijke natuur met Gods Zoon in persoon verenigd zou worden". Er blijft dus over, dat men de voorbestemming aan Christus’ persoon toeschrijft, maar niet krachtens Hemzelf of zover Hij bestaat in de goddelijke, maar in de menselijke natuur. Daarom voegde de Apostel na gezegd te hebben: "die Hem naar het vlees uit Davids zaad geproten is" eraan toe: "die voorbestemd is om Gods Zoon te zijn in kracht", om te doen begrijpen, dat Hij, in zover Hij naar het vlees uit Davids zaad gesproten is, voorbestemd is om Gods Zoon te zijn in kracht. Want al is het die Persoon op zichzelf beschouwd natuurlijk Gods Zoon in kracht te zijn, naar de menselijke natuur is het Hem dat niet en komt het Hem door de genade der vereniging toe.
B: (Rom 1:4) [b:Rom 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Origenes zegt in zijn uitleg op de Brief aan de Romeinen, 1, 4 (1° B.) dat de tekst luidt: "die bestemd is om in kracht Gods Zoon te zijn", zodat er geen voorafgaan wordt aangeduid; en zo heeft het niets geen moeilijkheid. Anderen echter laten het in het deelwoord voorbestemd aangegeven voorafgaan niet slaan op het Gods Zoon zijn, maar op de openbaring ervan, volgens de gewone spreekwijze der Schriften, waardoor men zegt dat dingen gebeuren, als zij bekend worden. De betekenis is dan, dat Christus voorbestemd is om als Gods Zoon geopenbaard te worden. Maar dan neemt men de voorbestemming niet in eigenlijke zin, want dat wordt van iemand gezegd in zover hij gericht wordt op de zaligheid als doel; en Christus' zaligheid hangt van onze kennis niet af. Beter is het dus te zeggen, dat het in het deelwoord voorbestemd aangegeven voorafgaan niet op de persoon om zichzelf slaat, maar om de menselijke natuur, want al was Hij van eeuwigheid Gods Zoon, het was niet van eeuwigheid zo, dat hij in de menselijke natuur bestaande Gods Zoon was. Daarom zegt Augustinus in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15e H.): "Jesus is voorbestemd om als Hij naar het vlees Davids Zoon zou zijn toch Gods Zoon te zijn in kracht". Men moet in aanmerking nemen, dat, al houdt het deelwoord voorbestemd evenals het andere geworden een voorafgaan in, het toch op verschillende manieren is. Want worden behoort tot het ding in zover het in zichzelf is, maar voorbestemd worden tot iemand, voorzover hij bestaat in de kennis van de voorbestemmende. Wat echter in werkelijkheid onder een vorm of natuur bestaat, kan onder die vorm bestaand worden gekend of absoluut. En omdat het Christus' persoon absoluut genomen niet toekomt te beginnen Gods Zoon te zijn, maar wel in zover Hij begrepen of gekend wordt als bestaand in de menselijke natuur, omdat het eenmaal begon waar te zijn, dat iemand in de menselijke natuur bestaand Gods Zoon was, is het meer waar, dat Christus voorbestemd is tot Zoon Gods, dan dat Christus Gods Zoon is geworden.
3e Weerlegging. Origenes zegt in zijn uitleg op de Brief aan de Romeinen, 1, 4 (1° B.) dat de tekst luidt: "die bestemd is om in kracht Gods Zoon te zijn", zodat er geen voorafgaan wordt aangeduid; en zo heeft het niets geen moeilijkheid. Anderen echter laten het in het deelwoord voorbestemd aangegeven voorafgaan niet slaan op het Gods Zoon zijn, maar op de openbaring ervan, volgens de gewone spreekwijze der Schriften, waardoor men zegt dat dingen gebeuren, als zij bekend worden. De betekenis is dan, dat Christus voorbestemd is om als Gods Zoon geopenbaard te worden. Maar dan neemt men de voorbestemming niet in eigenlijke zin, want dat wordt van iemand gezegd in zover hij gericht wordt op de zaligheid als doel; en Christus' zaligheid hangt van onze kennis niet af. Beter is het dus te zeggen, dat het in het deelwoord voorbestemd aangegeven voorafgaan niet op de persoon om zichzelf slaat, maar om de menselijke natuur, want al was Hij van eeuwigheid Gods Zoon, het was niet van eeuwigheid zo, dat hij in de menselijke natuur bestaande Gods Zoon was. Daarom zegt Augustinus in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15e H.): "Jesus is voorbestemd om als Hij naar het vlees Davids Zoon zou zijn toch Gods Zoon te zijn in kracht". Men moet in aanmerking nemen, dat, al houdt het deelwoord voorbestemd evenals het andere geworden een voorafgaan in, het toch op verschillende manieren is. Want worden behoort tot het ding in zover het in zichzelf is, maar voorbestemd worden tot iemand, voorzover hij bestaat in de kennis van de voorbestemmende. Wat echter in werkelijkheid onder een vorm of natuur bestaat, kan onder die vorm bestaand worden gekend of absoluut. En omdat het Christus' persoon absoluut genomen niet toekomt te beginnen Gods Zoon te zijn, maar wel in zover Hij begrepen of gekend wordt als bestaand in de menselijke natuur, omdat het eenmaal begon waar te zijn, dat iemand in de menselijke natuur bestaand Gods Zoon was, is het meer waar, dat Christus voorbestemd is tot Zoon Gods, dan dat Christus Gods Zoon is geworden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is de stelling: Christus als mens is voorbestemd om Gods Zoon te zijn, onwaar?
IIIa q. 24 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Want alles is gedurende enigen tijd datgene, waartoe het is voorbestemd, omdat Gods voorbeschikking niet faalt. Is Christus dus als mens voorbestemd om Gods Zoon te zijn, dan schijnt daaruit te volgen, dat Hij als mens Gods Zoon is. En dat is onwaar. Dus ook de eerste stelling.
Over het tweede als volgt. Want alles is gedurende enigen tijd datgene, waartoe het is voorbestemd, omdat Gods voorbeschikking niet faalt. Is Christus dus als mens voorbestemd om Gods Zoon te zijn, dan schijnt daaruit te volgen, dat Hij als mens Gods Zoon is. En dat is onwaar. Dus ook de eerste stelling.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Wat Christus als mens toekomt, komt iedere mens toe, omdat Hij van hetzelfde soort is als de andere mensen. Is dus Christus als mens voorbestemd om Gods Zoon te zijn, dan zou volgen, dat dit iedere mens toekwam. Maar dat is onwaar. Dus ook het eerste.
Vervolgens. Wat Christus als mens toekomt, komt iedere mens toe, omdat Hij van hetzelfde soort is als de andere mensen. Is dus Christus als mens voorbestemd om Gods Zoon te zijn, dan zou volgen, dat dit iedere mens toekwam. Maar dat is onwaar. Dus ook het eerste.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Datgene wordt van eeuwigheid voorbeschikt, wat eens in de tijd moet geschieden. Nu is deze stelling: Gods Zoon is mens geworden, meer waar dan deze: een mens is God geworden. Dus deze stelling: Christus als Gods Zoon is voorbestemd om mens te worden, meer dan deze: Christus als mens is voorbestemd om Zoon Gods te zijn.
Vervolgens. Datgene wordt van eeuwigheid voorbeschikt, wat eens in de tijd moet geschieden. Nu is deze stelling: Gods Zoon is mens geworden, meer waar dan deze: een mens is God geworden. Dus deze stelling: Christus als Gods Zoon is voorbestemd om mens te worden, meer dan deze: Christus als mens is voorbestemd om Zoon Gods te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15e H.) zegt: "De Heer der heerlijkheid zelf noemen wij voorbestemd, in zover Hij als mens Zoon Gods begon te zijn".
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15e H.) zegt: "De Heer der heerlijkheid zelf noemen wij voorbestemd, in zover Hij als mens Zoon Gods begon te zijn".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 2 co.
Mijn antwoord. Twee dingen kan men bij de voorbestemming in aanmerking nemen. Een van de kant der eeuwige voorbestemming zelf; en in zover brengt zij een voorafgaan mee ten opzichte van wat onder de voorbestemming valt. Zij kan ook op een andere manier beschouwd worden naar het in de tijd bestaande gevolg, dat een onverdiende gave Gods is. Nu moet men zeggen, dat in beide gevallen de voorbestemming alleen naar de menselijke natuur aan Christus toegeschreven wordt, want zij was niet altijd met het Woord verenigd en door genade is het haar gegeven om met Gods Zoon in persoon verenigd te worden. En daarom komt de voorbestemming alleen naar de menselijke natuur aan Christus toe. Daarom zegt Augustinus in het boek Over de voorbestemming der Heiligen (t. a. pl.): "Aan de menselijke natuur was die zo grote en zo verheven en zo grootse verheffing voorbestemd, dat er niets was boven datgene, waartoe zij verheven werd". Nu zeggen wij, dat iets iemand als mens toekomt, als het hem toekomt om de menselijke natuur. Daarom moet men zeggen, dat "Christus als mens voorbestemd is om Gods Zoon te zijn".
Mijn antwoord. Twee dingen kan men bij de voorbestemming in aanmerking nemen. Een van de kant der eeuwige voorbestemming zelf; en in zover brengt zij een voorafgaan mee ten opzichte van wat onder de voorbestemming valt. Zij kan ook op een andere manier beschouwd worden naar het in de tijd bestaande gevolg, dat een onverdiende gave Gods is. Nu moet men zeggen, dat in beide gevallen de voorbestemming alleen naar de menselijke natuur aan Christus toegeschreven wordt, want zij was niet altijd met het Woord verenigd en door genade is het haar gegeven om met Gods Zoon in persoon verenigd te worden. En daarom komt de voorbestemming alleen naar de menselijke natuur aan Christus toe. Daarom zegt Augustinus in het boek Over de voorbestemming der Heiligen (t. a. pl.): "Aan de menselijke natuur was die zo grote en zo verheven en zo grootse verheffing voorbestemd, dat er niets was boven datgene, waartoe zij verheven werd". Nu zeggen wij, dat iets iemand als mens toekomt, als het hem toekomt om de menselijke natuur. Daarom moet men zeggen, dat "Christus als mens voorbestemd is om Gods Zoon te zijn".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Zegt men, dat Christus als mens is voorbestemd om Gods Zoon te zijn, dan kan men het als mens op twee manieren met de door het deelwoord aangegeven daad in verband brengen. Ten eerste van de kant van het ding dat onder de voorbestemming valt; en dan is het onwaar. Want dan zou de betekenis zijn, dat er voorbestemd is, dat Christus als mens Gods Zoon zou zijn. En van deze betekenis gaat de moeilijkheid uit. In een ander verband kan men het brengen met de eigen aard zelf van de daad, in zover voorbestemming uiteraard een voorafgaan en een onverdiend geschenk insluit. En zo komt de voorbestemming aan Christus toe om de menselijke natuur, zoals is gezegd (in de Leerstelling). En zo heet Hij als mens voorbestemd.
1e Weerlegging. Zegt men, dat Christus als mens is voorbestemd om Gods Zoon te zijn, dan kan men het als mens op twee manieren met de door het deelwoord aangegeven daad in verband brengen. Ten eerste van de kant van het ding dat onder de voorbestemming valt; en dan is het onwaar. Want dan zou de betekenis zijn, dat er voorbestemd is, dat Christus als mens Gods Zoon zou zijn. En van deze betekenis gaat de moeilijkheid uit. In een ander verband kan men het brengen met de eigen aard zelf van de daad, in zover voorbestemming uiteraard een voorafgaan en een onverdiend geschenk insluit. En zo komt de voorbestemming aan Christus toe om de menselijke natuur, zoals is gezegd (in de Leerstelling). En zo heet Hij als mens voorbestemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Op twee manieren kan iets iemand toekomen om de menselijke natuur. Ten eerste zo, dat de menselijke natuur er oorzaak van is, zoals kunnen lachen aan Socrates toekomt om de menselijke natuur, wier beginselen dat veroorzaken. En zo komt de voorbestemming noch Christus noch een ander mens om de menselijke natuur toe; en hiervan gaat de moeilijkheid uit. Ten tweede zegt men, dat iemand iets om de menselijke natuur toekomt, omdat zijn menselijke natuur het ontvangt. En zo noemen wij Christus voorbestemd om de menselijke natuur, omdat dit zich betrekt op de verheffing der menselijke natuur in Hem, zoals werd gezegd.
2e Weerlegging. Op twee manieren kan iets iemand toekomen om de menselijke natuur. Ten eerste zo, dat de menselijke natuur er oorzaak van is, zoals kunnen lachen aan Socrates toekomt om de menselijke natuur, wier beginselen dat veroorzaken. En zo komt de voorbestemming noch Christus noch een ander mens om de menselijke natuur toe; en hiervan gaat de moeilijkheid uit. Ten tweede zegt men, dat iemand iets om de menselijke natuur toekomt, omdat zijn menselijke natuur het ontvangt. En zo noemen wij Christus voorbestemd om de menselijke natuur, omdat dit zich betrekt op de verheffing der menselijke natuur in Hem, zoals werd gezegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Augustinus in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (t. a. pl.) zegt, "bestaat de bijzondere op onuitsprekelijke manier geschiede aanneming van de mens door Gods Woord hierin, dat Hij tegelijk in waren en eigenlijke zin om de aangenomen mensenzoon en om de eniggeboren God die aanneemt Zoon Gods werd genoemd". Daarom kan men, waar dit aannemen als iets onverdiends onder de voorbestemming valt, beide dingen zeggen: en dat Gods Zoon voorbestemd is om mensen te zijn, en dat de mensenzoon voorbestemd is om Gods Zoon te zijn. Omdat er echter aan Gods Zoon geen genade is gegeven om mensen te zijn, maar eerder aan de menselijke natuur om met Hem verenigd te worden, kan men in meer eigenlijke zin zeggen, dat Christus als mens is voorbestemd om Gods Zoon te zijn, dan dat Christus als Zoon Gods is voorbestemd om mensen te zijn.
3e Weerlegging. Zoals Augustinus in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (t. a. pl.) zegt, "bestaat de bijzondere op onuitsprekelijke manier geschiede aanneming van de mens door Gods Woord hierin, dat Hij tegelijk in waren en eigenlijke zin om de aangenomen mensenzoon en om de eniggeboren God die aanneemt Zoon Gods werd genoemd". Daarom kan men, waar dit aannemen als iets onverdiends onder de voorbestemming valt, beide dingen zeggen: en dat Gods Zoon voorbestemd is om mensen te zijn, en dat de mensenzoon voorbestemd is om Gods Zoon te zijn. Omdat er echter aan Gods Zoon geen genade is gegeven om mensen te zijn, maar eerder aan de menselijke natuur om met Hem verenigd te worden, kan men in meer eigenlijke zin zeggen, dat Christus als mens is voorbestemd om Gods Zoon te zijn, dan dat Christus als Zoon Gods is voorbestemd om mensen te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is Christus’ voorbestemming het toonbeeld van de onze?
IIIa q. 24 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat Christus’ voorbestemming geen voorbeeld van de onze is. Want het voorbeeld bestaat voor wat ernaar gemaakt is. Nu bestaat er niets voor iets eeuwigs. Omdat onze voorbestemming echter eeuwig is, schijnt die van Christus geen voorbeeld van de onze te zijn.
Over het derde als volgt. Men beweert dat Christus’ voorbestemming geen voorbeeld van de onze is. Want het voorbeeld bestaat voor wat ernaar gemaakt is. Nu bestaat er niets voor iets eeuwigs. Omdat onze voorbestemming echter eeuwig is, schijnt die van Christus geen voorbeeld van de onze te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Het voorbeeld doet datgene wat ernaar gemaakt is kennen. Maar God moest niet door iets anders tot het kennen van onze voorbestemming worden gebracht, omdat in de Romeinenbrief (8, 29) wordt gezegd: "Die Hij van tevoren kende, heeft Hij ook voorbestemd". Dus is Christus’ voorbestemming geen voorbeeld van de onze.
B: (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Vervolgens. Het voorbeeld doet datgene wat ernaar gemaakt is kennen. Maar God moest niet door iets anders tot het kennen van onze voorbestemming worden gebracht, omdat in de Romeinenbrief (8, 29) wordt gezegd: "Die Hij van tevoren kende, heeft Hij ook voorbestemd". Dus is Christus’ voorbestemming geen voorbeeld van de onze.
B: (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Het voorbeeld komt met datgene, wat ernaar gemaakt wordt, overeen. Nu schijnt echter Christus’ voorbestemming van anderen aard dan de onze te zijn, want wij worden voorbestemd om aangenomen zonen te zijn, maar Christus om "in kracht Gods Zoon te zijn", zoals in de Romeinenbrief (1, 4) wordt gezegd. Dus is Zijn voorbestemming geen voorbeeld van de onze.
B: (Rom 1:4) [b:Rom 1:4]
Vervolgens. Het voorbeeld komt met datgene, wat ernaar gemaakt wordt, overeen. Nu schijnt echter Christus’ voorbestemming van anderen aard dan de onze te zijn, want wij worden voorbestemd om aangenomen zonen te zijn, maar Christus om "in kracht Gods Zoon te zijn", zoals in de Romeinenbrief (1, 4) wordt gezegd. Dus is Zijn voorbestemming geen voorbeeld van de onze.
B: (Rom 1:4) [b:Rom 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15e H.) zegt: "Het glanzende licht van onze voorbestemming en genade is de Verlosser zelf, de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jesus". Nu wordt Hij licht van onze voorbestemming en genade genoemd, in zover door Zijn voorbestemming en genade onze voorbestemming bekend wordt gemaakt; en dat schijnt onder het begrip voorbeeld te vallen. Dus is Christus’ voorbestemming het voorbeeld van de onze.
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in het boek Over de Voorbestemming der Heiligen (15e H.) zegt: "Het glanzende licht van onze voorbestemming en genade is de Verlosser zelf, de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jesus". Nu wordt Hij licht van onze voorbestemming en genade genoemd, in zover door Zijn voorbestemming en genade onze voorbestemming bekend wordt gemaakt; en dat schijnt onder het begrip voorbeeld te vallen. Dus is Christus’ voorbestemming het voorbeeld van de onze.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 3 co.
Mijn antwoord. De voorbestemming kan op twee manieren worden beschouwd. Ten eerste naar de daad zelf van Hem die voorbestemt. En zo kan men de voorbestemming van Christus geen toonbeeld van de onze noemen, want op dezelfde manier en door één daad gaf God ons en Christus de voorbestemming. Op een andere manier kan de voorbestemming beschouwd worden naar datgene, waartoe iemand wordt voorbestemd en wat de eindterm en het doel ervan is. En in dit opzicht is Christus’ voorbestemming het toonbeeld van de onze, en wel in twee opzichten. Ten eerste wat het goed betreft, waartoe wij worden voorbestemd. Want Hij is hiertoe voorbestemd, dat Hij Gods natuurlijke, maar wij om Gods aangenomen te zijn, wat een door deelhebbing verkregen gelijkenis is met het natuurlijke zoonschap. Daarom lezen wij in de Romeinenbrief (8, 29): "Die Hij te voren heeft gekend, heeft Hij voorbestemd om gelijk te worden aan het beeld van Zijn Zoon". Daarnaast wat de wijze waarop wij dat goed verkrijgen betreft, namelijk door de genade. En dat is in Christus allerduidelijkst: want in Hem is de menselijke natuur geheel zonder voorafgaande verdiensten, met Gods Zoon verenigd. "En van de volheid van Zijn genade hebben wij allen ontvangen", zoals bij Johannes (1, 16) staat.
Mijn antwoord. De voorbestemming kan op twee manieren worden beschouwd. Ten eerste naar de daad zelf van Hem die voorbestemt. En zo kan men de voorbestemming van Christus geen toonbeeld van de onze noemen, want op dezelfde manier en door één daad gaf God ons en Christus de voorbestemming. Op een andere manier kan de voorbestemming beschouwd worden naar datgene, waartoe iemand wordt voorbestemd en wat de eindterm en het doel ervan is. En in dit opzicht is Christus’ voorbestemming het toonbeeld van de onze, en wel in twee opzichten. Ten eerste wat het goed betreft, waartoe wij worden voorbestemd. Want Hij is hiertoe voorbestemd, dat Hij Gods natuurlijke, maar wij om Gods aangenomen te zijn, wat een door deelhebbing verkregen gelijkenis is met het natuurlijke zoonschap. Daarom lezen wij in de Romeinenbrief (8, 29): "Die Hij te voren heeft gekend, heeft Hij voorbestemd om gelijk te worden aan het beeld van Zijn Zoon". Daarnaast wat de wijze waarop wij dat goed verkrijgen betreft, namelijk door de genade. En dat is in Christus allerduidelijkst: want in Hem is de menselijke natuur geheel zonder voorafgaande verdiensten, met Gods Zoon verenigd. "En van de volheid van Zijn genade hebben wij allen ontvangen", zoals bij Johannes (1, 16) staat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Deze moeilijkheid gaat uit van de daad zelf van Hem, die voorbeschikt.
B: (John 1:16) [b:John 1:16] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
1e Weerlegging. Deze moeilijkheid gaat uit van de daad zelf van Hem, die voorbeschikt.
B: (John 1:16) [b:John 1:16] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 3 ad 2
Et similiter Hier is hetzelfde antwoord te geven.
Et similiter Hier is hetzelfde antwoord te geven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Het is niet nodig, dat het voorbeeld in alles aan wat ernaar gemaakt wordt gelijk is; maar het is voldoende dat het gemaakte enigszins op zijn voorbeeld gelijkt.
3e Weerlegging. Het is niet nodig, dat het voorbeeld in alles aan wat ernaar gemaakt wordt gelijk is; maar het is voldoende dat het gemaakte enigszins op zijn voorbeeld gelijkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Is Christus’ voorbestemming de oorzaak van de onze?
IIIa q. 24 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus’ voorbestemming niet de oorzaak van de onze is. Want het eeuwige heeft geen oorzaak. Nu is onze voorbestemming eeuwig en dus is die van Christus er de oorzaak niet van.
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus’ voorbestemming niet de oorzaak van de onze is. Want het eeuwige heeft geen oorzaak. Nu is onze voorbestemming eeuwig en dus is die van Christus er de oorzaak niet van.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Wat onvoorwaardelijk van Gods Wil afhangt, heeft geen andere oorzaak buiten Gods Wil. Nu hangt onze voorbestemming onvoorwaardelijk van Gods Wil af, omdat in de Ephesiërsbrief (1, 11) wordt gezegd: "Voorbestemd volgens de plannen van Hem, die alles uitwerkt naar Zijn wilsbesluit". Dus is Christus’ voorbestemming geen oorzaak van de onze.
B: (Eph 1:11) [b:Eph 1:11]
Vervolgens. Wat onvoorwaardelijk van Gods Wil afhangt, heeft geen andere oorzaak buiten Gods Wil. Nu hangt onze voorbestemming onvoorwaardelijk van Gods Wil af, omdat in de Ephesiërsbrief (1, 11) wordt gezegd: "Voorbestemd volgens de plannen van Hem, die alles uitwerkt naar Zijn wilsbesluit". Dus is Christus’ voorbestemming geen oorzaak van de onze.
B: (Eph 1:11) [b:Eph 1:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Neemt men de oorzaak weg, dan neemt men het gevolg ook weg. Wordt nu Christus’ voorbestemming weggenomen, dan verdwijnt daarmee de onze niet; want al was Gods Zoon geen mens geworden, dan konden wij nog op een andere manier worden gered, zoals Augustinus in het boek Over de Drievuldigheid (13e B., 10e H.) zegt. Dus is Christus’ voorbestemming geen oorzaak van de onze.
Vervolgens. Neemt men de oorzaak weg, dan neemt men het gevolg ook weg. Wordt nu Christus’ voorbestemming weggenomen, dan verdwijnt daarmee de onze niet; want al was Gods Zoon geen mens geworden, dan konden wij nog op een andere manier worden gered, zoals Augustinus in het boek Over de Drievuldigheid (13e B., 10e H.) zegt. Dus is Christus’ voorbestemming geen oorzaak van de onze.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat, wat in de Ephesiërsbrief (1, 5) wordt gezegd: "Hij heeft ons voorbestemd om door Jezus Christus als zonen aangenomen te worden".
B: (Eph 1:5) [b:Eph 1:5]
Maar daartegenover staat, wat in de Ephesiërsbrief (1, 5) wordt gezegd: "Hij heeft ons voorbestemd om door Jezus Christus als zonen aangenomen te worden".
B: (Eph 1:5) [b:Eph 1:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 4 co.
Mijn antwoord. Beschouwen wij de voorbestemming naar de daad zelf ervan, dan is die van Christus geen oorzaak van de onze, omdat God met dezelfde daad Christus en ons heeft voorbestemd. Wordt zij echter naar haar eindterm beschouwd, dan is Christus’ voorbestemming zo oorzaak van de onze; want God heeft zo ons heil te voren vastgesteld, dat Hij van eeuwigheid de bewerking ervan door Jezus Christus voorbestemde. Want onder de eeuwige voorbestemming valt niet alleen datgene wat in de tijd moet geschieden, maar ook de manier en orde waarop het in de tijd gebeuren moet.
Mijn antwoord. Beschouwen wij de voorbestemming naar de daad zelf ervan, dan is die van Christus geen oorzaak van de onze, omdat God met dezelfde daad Christus en ons heeft voorbestemd. Wordt zij echter naar haar eindterm beschouwd, dan is Christus’ voorbestemming zo oorzaak van de onze; want God heeft zo ons heil te voren vastgesteld, dat Hij van eeuwigheid de bewerking ervan door Jezus Christus voorbestemde. Want onder de eeuwige voorbestemming valt niet alleen datgene wat in de tijd moet geschieden, maar ook de manier en orde waarop het in de tijd gebeuren moet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Deze redeneringen gaan uit van de voorbestemming als daad genomen.
1e Weerlegging. Deze redeneringen gaan uit van de voorbestemming als daad genomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 24 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Was Christus niet mens geworden, dan had God te voren vastgesteld dat de mens door een andere oorzaak moest worden gered. Omdat Hij echter de menswording van Christus vaststelde, heeft Hij tegelijk voorbestemd dat dit de oorzaak van ons heil moest zijn.
3e Weerlegging. Was Christus niet mens geworden, dan had God te voren vastgesteld dat de mens door een andere oorzaak moest worden gered. Omdat Hij echter de menswording van Christus vaststelde, heeft Hij tegelijk voorbestemd dat dit de oorzaak van ons heil moest zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 25: Over het aanbidden van Christus
IIIa q. 25 pr.
Vervolgens moeten wij over de dingen spreken, die Christus toekomen om Zijn verhouding tot ons. En wel vooreerst over de aanbidding van Christus, die namelijk waarmee wij Hem aanbidden; ten tweede over het feit, dat Hij middelaar is van ons bij God. Over het eerste punt stellen wij ons zes vragen:
1. Moeten Christus’ godheid en mensheid met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden?
2. Moet Zijn vlees aanbeden worden met godsverering?
3. Moet men die aanbidding brengen aan Zijn afbeeldingen?
4. Moet men haar brengen aan Zijn kruis?
5. Moet men haar brengen aan Zijn Moeder?
6. Over de verering van de overblijfselen der Heiligen.
Vervolgens moeten wij over de dingen spreken, die Christus toekomen om Zijn verhouding tot ons. En wel vooreerst over de aanbidding van Christus, die namelijk waarmee wij Hem aanbidden; ten tweede over het feit, dat Hij middelaar is van ons bij God. Over het eerste punt stellen wij ons zes vragen:
1. Moeten Christus’ godheid en mensheid met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden?
2. Moet Zijn vlees aanbeden worden met godsverering?
3. Moet men die aanbidding brengen aan Zijn afbeeldingen?
4. Moet men haar brengen aan Zijn kruis?
5. Moet men haar brengen aan Zijn Moeder?
6. Over de verering van de overblijfselen der Heiligen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Moeten Christus’ godheid en mensheid met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 18 a. 2 s. c.
IIIa q. 25 a. 2 co.
IIIa q. 58 a. 3 co.[t:iiia q. 18 a. 2 s. c.][t:iiia q. 25 a. 2 co.][t:iiia q. 58 a. 3 co.]
IIIa q. 25 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus’ godheid en mensheid niet met dezelfde soort aanbidding aanbeden moeten worden. Want Christus’ godheid moet aanbeden worden in zover Hij haar gemeenschappelijk met de Vader bezit, zodat bij Joannes (5, 23) wordt gezegd: "Allen eren de Zoon zoals zij de Vader vereren". Maar Christus heeft Zijn mensheid niet met de Vader gemeen. Dus moeten Zijn godheid en mensheid niet met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden.
B: (John 5:23, John 5:23) [b:John 5:23]
IIIa q. 18 a. 2 s. c.
IIIa q. 25 a. 2 co.
IIIa q. 58 a. 3 co.[t:iiia q. 18 a. 2 s. c.][t:iiia q. 25 a. 2 co.][t:iiia q. 58 a. 3 co.]
IIIa q. 25 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus’ godheid en mensheid niet met dezelfde soort aanbidding aanbeden moeten worden. Want Christus’ godheid moet aanbeden worden in zover Hij haar gemeenschappelijk met de Vader bezit, zodat bij Joannes (5, 23) wordt gezegd: "Allen eren de Zoon zoals zij de Vader vereren". Maar Christus heeft Zijn mensheid niet met de Vader gemeen. Dus moeten Zijn godheid en mensheid niet met dezelfde soort aanbidding aanbeden worden.
B: (John 5:23, John 5:23) [b:John 5:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De eer is in eigenlijke zin "het loon der deugd", zoals de Filosoof in het 4e boek Over de Zedeleer (3e H., n. 15) zegt. Nu verdient de deugd door daden haar loon. Omdat er nu zoals boven is gezegd (19e Kw., 1e Art.) in Christus verschil is tussen de werkzaamheid van de goddelijke en menselijke natuur, schijnt Christus’ godheid met andere eerbewijzen aanbeden te moeten worden dan Zijn mensheid.
R: q. 19 a. 1[t:iiia q. 19 a. 1]
Vervolgens. De eer is in eigenlijke zin "het loon der deugd", zoals de Filosoof in het 4e boek Over de Zedeleer (3e H., n. 15) zegt. Nu verdient de deugd door daden haar loon. Omdat er nu zoals boven is gezegd (19e Kw., 1e Art.) in Christus verschil is tussen de werkzaamheid van de goddelijke en menselijke natuur, schijnt Christus’ godheid met andere eerbewijzen aanbeden te moeten worden dan Zijn mensheid.
R: q. 19 a. 1[t:iiia q. 19 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Als Christus’ ziel niet met het Woord verenigd was, zou zij vereerd moeten worden om de uitstekende wijsheid en genade, die zij bezit. Nu is haar door de vereniging met het Woord niets ontrokken, wat tot haar waardigheid bijdraagt. Dus is de menselijke natuur met een eigen soort eer te vereren buiten de verering om, die aan Zijn goddelijke natuur wordt gebracht.
Vervolgens. Als Christus’ ziel niet met het Woord verenigd was, zou zij vereerd moeten worden om de uitstekende wijsheid en genade, die zij bezit. Nu is haar door de vereniging met het Woord niets ontrokken, wat tot haar waardigheid bijdraagt. Dus is de menselijke natuur met een eigen soort eer te vereren buiten de verering om, die aan Zijn goddelijke natuur wordt gebracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat, dat wij in de kapittels van de Vijfde Kerkvergadering dit lezen: "Als iemand beweert, dat Christus in twee naturen vereerd moet worden en zo over twee aanbiddingen begint te spreken, maar niet zoals het vanaf het begin in Gods Kerk overgeleverd is met een enkele aanbidding God, het mensgeworden Woord, met Zijn eigen Vlees aanbidt, die zij gebannen".
Maar daartegenover staat, dat wij in de kapittels van de Vijfde Kerkvergadering dit lezen: "Als iemand beweert, dat Christus in twee naturen vereerd moet worden en zo over twee aanbiddingen begint te spreken, maar niet zoals het vanaf het begin in Gods Kerk overgeleverd is met een enkele aanbidding God, het mensgeworden Woord, met Zijn eigen Vlees aanbidt, die zij gebannen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 1 co.
Mijn antwoord. In hem, die geëerd wordt, kunnen wij twee dingen beschouwen, namelijk wie geëerd wordt en de reden waarom. In eigenlijke zin nu wordt eer bewezen aan het gehele zelfstandig bestaande ding, want wij zeggen niet, dat de hand van de mens geëerd wordt, maar de mens. En zegt men toevallig, dat iemands hand of voet wordt geëerd, dan is dat niet met deze bedoeling, dat deze delen op zichzelf worden geëerd, maar dat in deze delen het geheel wordt geëerd. Op deze manier kan een mens ook in een buiten hem staand ding worden geëerd, bijvoorbeeld in zijn kleeding of beeld of een afgezant. De reden van de eer nu is datgene, waardoor hij die geëerd wordt, boven anderen uitsteekt, omdat eer de iemand om zijn uitstekendheid bewezen hulde is, zoals in het tweede deel (IIa-IIae, 103e Kw., 1e Art.) is gezegd. En zijn er dus in een mens meerdere redenen om hem te eren, bij waardigheid, wetenschap en deugd, dan zal er één verering zijn van die mens, gezien van de kant van hem die geëerd wordt, maar meerdere wat de redenen van verering betreft, want het is de mens, die en om de wetenschap en om de deugd wordt geëerd. Omdat er dus in Christus maar een persoon is in de goddelijke en de menselijke natuur en maar een hypostase en een drager, is er maar een aanbidding en verering van Hem, bezien van de kant van wie aanbeden wordt, maar van de kant van de reden om te eren kan men van meerdere aanbiddingen spreken, in zover Hij met een andere eer wordt vereerd om de ongeschapen en om de geschapen wijsheid. Zou men echter in Christus meerdere personen of hypostases aannemen, dan waren er zonder beperking meerdere aanbiddingen. En dat wordt op de kerkvergaderingen verworpen. Want in de kapittels van Cyrillus wordt gezegd: "Als iemand het waagt te zeggen, dat de aangenomen mens te samen met Gods Woord moet aanbeden worden als de ene persoon met de andere, en niet liever met een enkele aanbidding de Emmanuel vereert, in zover het Woord is Vlees geworden, die zij gebannen".
R: IIa-IIae q. 103 a. 1[t:iia-iiae q. 103 a. 1]
Mijn antwoord. In hem, die geëerd wordt, kunnen wij twee dingen beschouwen, namelijk wie geëerd wordt en de reden waarom. In eigenlijke zin nu wordt eer bewezen aan het gehele zelfstandig bestaande ding, want wij zeggen niet, dat de hand van de mens geëerd wordt, maar de mens. En zegt men toevallig, dat iemands hand of voet wordt geëerd, dan is dat niet met deze bedoeling, dat deze delen op zichzelf worden geëerd, maar dat in deze delen het geheel wordt geëerd. Op deze manier kan een mens ook in een buiten hem staand ding worden geëerd, bijvoorbeeld in zijn kleeding of beeld of een afgezant. De reden van de eer nu is datgene, waardoor hij die geëerd wordt, boven anderen uitsteekt, omdat eer de iemand om zijn uitstekendheid bewezen hulde is, zoals in het tweede deel (IIa-IIae, 103e Kw., 1e Art.) is gezegd. En zijn er dus in een mens meerdere redenen om hem te eren, bij waardigheid, wetenschap en deugd, dan zal er één verering zijn van die mens, gezien van de kant van hem die geëerd wordt, maar meerdere wat de redenen van verering betreft, want het is de mens, die en om de wetenschap en om de deugd wordt geëerd. Omdat er dus in Christus maar een persoon is in de goddelijke en de menselijke natuur en maar een hypostase en een drager, is er maar een aanbidding en verering van Hem, bezien van de kant van wie aanbeden wordt, maar van de kant van de reden om te eren kan men van meerdere aanbiddingen spreken, in zover Hij met een andere eer wordt vereerd om de ongeschapen en om de geschapen wijsheid. Zou men echter in Christus meerdere personen of hypostases aannemen, dan waren er zonder beperking meerdere aanbiddingen. En dat wordt op de kerkvergaderingen verworpen. Want in de kapittels van Cyrillus wordt gezegd: "Als iemand het waagt te zeggen, dat de aangenomen mens te samen met Gods Woord moet aanbeden worden als de ene persoon met de andere, en niet liever met een enkele aanbidding de Emmanuel vereert, in zover het Woord is Vlees geworden, die zij gebannen".
R: IIa-IIae q. 103 a. 1[t:iia-iiae q. 103 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. In de Drievuldigheid zijn er Drie die vereerd worden, maar een reden om hen te vereren, doch bij het geheim der menswording is het omgekeerd. En dus is de verering der Drievuldigheid op een andere manier één dan die van Christus.
1e Weerlegging. In de Drievuldigheid zijn er Drie die vereerd worden, maar een reden om hen te vereren, doch bij het geheim der menswording is het omgekeerd. En dus is de verering der Drievuldigheid op een andere manier één dan die van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De werkzaamheid is niet datgene wat geëerd wordt, maar de reden om te eren. En daarom volgt uit het feit dat er in Christus twee werkzaamheden zijn niet, dat er twee aanbiddingen zijn, maar wel twee redenen ervan.
2e Weerlegging. De werkzaamheid is niet datgene wat geëerd wordt, maar de reden om te eren. En daarom volgt uit het feit dat er in Christus twee werkzaamheden zijn niet, dat er twee aanbiddingen zijn, maar wel twee redenen ervan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Was Christus’ ziel niet met het Woord verenigd, dan was zij het voornaamste in die mens. Daarom zou de eer voornamelijk aan haar moeten worden gebracht, omdat de mens datgene is wat het voornaamste in hem is. Omdat zij echter met een in waardigheid hogere persoon is verenigd, moet aan de persoon, waarmee Christus’ ziel verbonden is, voornamelijk eer worden gebracht. Hierdoor wordt echter aan de waardigheid van Christus’ ziel niet te kort gedaan, maar zij wordt zoals boven is gezegd (2° Kw., 2° Art., Antw. op de 2° B.), nog vermeerderd.
R: q. 2 a. 2 ad 2[t:iiia q. 2 a. 2 ad 2]
3e Weerlegging. Was Christus’ ziel niet met het Woord verenigd, dan was zij het voornaamste in die mens. Daarom zou de eer voornamelijk aan haar moeten worden gebracht, omdat de mens datgene is wat het voornaamste in hem is. Omdat zij echter met een in waardigheid hogere persoon is verenigd, moet aan de persoon, waarmee Christus’ ziel verbonden is, voornamelijk eer worden gebracht. Hierdoor wordt echter aan de waardigheid van Christus’ ziel niet te kort gedaan, maar zij wordt zoals boven is gezegd (2° Kw., 2° Art., Antw. op de 2° B.), nog vermeerderd.
R: q. 2 a. 2 ad 2[t:iiia q. 2 a. 2 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Moet Christus’ mensheid met godsverering aanbeden worden?
IIIa q. 25 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus’ mensheid niet met godsverering aanbeden moet worden. Want bij de Psalmtekst (Ps. 98, 5): "Aanbidt de voetbank van Zijn voeten, omdat deze heilig is", zegt de Glossa: "Wij zijn niet goddeloos, als wij het door Gods Woord aangenomen vlees aanbidden, omdat niemand geestelijk Zijn vlees eet, die het niet eerst aanbidt; maar ik spreek niet van de aanbidding met godsverering, die alleen aan de Schepper moet worden gebracht". Dus moet men Christus’ mensheid niet met godsverering aanbidden.
B: (Ps 98:5) [b:Ps 98:5]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus’ mensheid niet met godsverering aanbeden moet worden. Want bij de Psalmtekst (Ps. 98, 5): "Aanbidt de voetbank van Zijn voeten, omdat deze heilig is", zegt de Glossa: "Wij zijn niet goddeloos, als wij het door Gods Woord aangenomen vlees aanbidden, omdat niemand geestelijk Zijn vlees eet, die het niet eerst aanbidt; maar ik spreek niet van de aanbidding met godsverering, die alleen aan de Schepper moet worden gebracht". Dus moet men Christus’ mensheid niet met godsverering aanbidden.
B: (Ps 98:5) [b:Ps 98:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Geen schepsel heeft recht op de godsverering, want aan de heidenen wordt juist verweten, dat zij "schepselen dienden en vereerden", zoals in de Romeinenbrief (1, 25) wordt gezegd. Nu is Christus’ mensheid een schepsel. Dus moet men haar niet met godsverering aanbidden.
B: (Rom 1:25) [b:Rom 1:25]
Vervolgens. Geen schepsel heeft recht op de godsverering, want aan de heidenen wordt juist verweten, dat zij "schepselen dienden en vereerden", zoals in de Romeinenbrief (1, 25) wordt gezegd. Nu is Christus’ mensheid een schepsel. Dus moet men haar niet met godsverering aanbidden.
B: (Rom 1:25) [b:Rom 1:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 2 arg. 3
Vervolgens. God heeft op de godsverering recht als erkenning van Zijn hoogste heerschappij volgens Deuteronomium (6, 13): "De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen". Nu staat Christus als mens lager dan de Vader. Dus moet men Zijn mensheid niet met godsverering aanbidden.
B: (Deut 6:13) [b:Deut 6:13] (Matt 4:10) [b:Matt 4:10]
Vervolgens. God heeft op de godsverering recht als erkenning van Zijn hoogste heerschappij volgens Deuteronomium (6, 13): "De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen". Nu staat Christus als mens lager dan de Vader. Dus moet men Zijn mensheid niet met godsverering aanbidden.
B: (Deut 6:13) [b:Deut 6:13] (Matt 4:10) [b:Matt 4:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.) zegt: "Nu Gods Woord is mens geworden, wordt Christus’ vlees aanbeden, niet om zichzelf maar om het in hypostase ermee verenigde Woord Gods". En bij het Psalmwoord: "Aanbidt de voetbank van Zijn voeten", zegt de Glossa: "Wie Christus’ lichaam aanbidt beziet de aarde niet, maar eerder Hem wiens voetbank zij is, en ter ere van Hem aanbidt hij de voetbank". Nu moet men het mensgeworden Woord met godsverering aanbidden. Dus ook Zijn lichaam of mensheid.
B: (Ps 98:5) [b:Ps 98:5]
Maar daartegenover staat, dat Damascenus in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 3e H.) zegt: "Nu Gods Woord is mens geworden, wordt Christus’ vlees aanbeden, niet om zichzelf maar om het in hypostase ermee verenigde Woord Gods". En bij het Psalmwoord: "Aanbidt de voetbank van Zijn voeten", zegt de Glossa: "Wie Christus’ lichaam aanbidt beziet de aarde niet, maar eerder Hem wiens voetbank zij is, en ter ere van Hem aanbidt hij de voetbank". Nu moet men het mensgeworden Woord met godsverering aanbidden. Dus ook Zijn lichaam of mensheid.
B: (Ps 98:5) [b:Ps 98:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (Vorig Artikel), moet men de eer der aanbidding aan de zelfstandig bestaande hypostase brengen; maar de reden om te eren kan iets niet zelfstandig bestaands zijn, waarom de persoon in wie het is geëerd wordt. Dus kan men de aanbidding van Christus’ mensheid dubbel opvatten. Ten eerste alsof zij Haar als het aanbeden ding toekwam. En zo is het aanbidden van Christus’ vlees niets anders als het aanbidden van het mensgeworden Woord Gods, zoals het eren van het kleed van de koning niets anders is dan het eren van de geklede koning. En zo is het aanbidden van Christus’ mensheid het aanbidden met godsverering. Het aanbidden van Christus’ mensheid kan ook zo begrepen worden als wat gebeurt om Christus’ mensheid, die met alle genadegaven volmaakt is. En zo is de verering van Christus’ mensheid geen aanbidding met godsverering, maar de hulde van godsdienstige vereering. Maar dat moet zó zijn, dat een en dezelfde persoon van Christus om Zijn godheid met godsverering wordt aanbeden en om de volmaaktheid der mensheid met godsdienstige verering vereerd. Dat is niet ongepast. Want God de Vader zelf heeft recht op godsverering om de godheid en op godsdienstige verering om Zijn heerschappij, waarmee Hij de schepselen bestuurt. Daarom zegt de Glossa op het Psalmwoord (Ps. 7, 1): "Heer, mijn God, op U heb ik gehoopt", "Heer van allen door macht, die recht hebt op godsdienstige verering, Heer van allen door de schepping, die recht hebt op godsverering".
R: q. 25 a. 1[t:iiia q. 25 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (Vorig Artikel), moet men de eer der aanbidding aan de zelfstandig bestaande hypostase brengen; maar de reden om te eren kan iets niet zelfstandig bestaands zijn, waarom de persoon in wie het is geëerd wordt. Dus kan men de aanbidding van Christus’ mensheid dubbel opvatten. Ten eerste alsof zij Haar als het aanbeden ding toekwam. En zo is het aanbidden van Christus’ vlees niets anders als het aanbidden van het mensgeworden Woord Gods, zoals het eren van het kleed van de koning niets anders is dan het eren van de geklede koning. En zo is het aanbidden van Christus’ mensheid het aanbidden met godsverering. Het aanbidden van Christus’ mensheid kan ook zo begrepen worden als wat gebeurt om Christus’ mensheid, die met alle genadegaven volmaakt is. En zo is de verering van Christus’ mensheid geen aanbidding met godsverering, maar de hulde van godsdienstige vereering. Maar dat moet zó zijn, dat een en dezelfde persoon van Christus om Zijn godheid met godsverering wordt aanbeden en om de volmaaktheid der mensheid met godsdienstige verering vereerd. Dat is niet ongepast. Want God de Vader zelf heeft recht op godsverering om de godheid en op godsdienstige verering om Zijn heerschappij, waarmee Hij de schepselen bestuurt. Daarom zegt de Glossa op het Psalmwoord (Ps. 7, 1): "Heer, mijn God, op U heb ik gehoopt", "Heer van allen door macht, die recht hebt op godsdienstige verering, Heer van allen door de schepping, die recht hebt op godsverering".
R: q. 25 a. 1[t:iiia q. 25 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Deze glossa moet men niet zo opvatten, dat Christus’ vlees buiten verband met Zijn godheid zou aanbeden worden, want dat zou alleen kunnen geschieden, als er verschil was tussen de hypostase van God en mens. Maar het is hierom, zoals Damascenus zegt (t. a. pl.), "dat als gij een scherpzinnig onderscheid maakt tussen wat gij ziet en wat gij begrijpt, Hij als schepsel niet kan aanbeden worden", namelijk met godsverering. En beschouwt men de mensheid dus als gescheiden van Gods Woord, dan heeft zij recht op godsdienstige verering, maar niet een gewone die in het algemeen aan alle schepselen wordt gebracht, maar een bijzondere die hyperdulia wordt genoemd.
B: (Ps 7:1) [b:Ps 7:1]
1e Weerlegging. Deze glossa moet men niet zo opvatten, dat Christus’ vlees buiten verband met Zijn godheid zou aanbeden worden, want dat zou alleen kunnen geschieden, als er verschil was tussen de hypostase van God en mens. Maar het is hierom, zoals Damascenus zegt (t. a. pl.), "dat als gij een scherpzinnig onderscheid maakt tussen wat gij ziet en wat gij begrijpt, Hij als schepsel niet kan aanbeden worden", namelijk met godsverering. En beschouwt men de mensheid dus als gescheiden van Gods Woord, dan heeft zij recht op godsdienstige verering, maar niet een gewone die in het algemeen aan alle schepselen wordt gebracht, maar een bijzondere die hyperdulia wordt genoemd.
B: (Ps 7:1) [b:Ps 7:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 2 ad 2
Hieruit blijkt ook, wat op de tweede en derde bedenking te antwoorden is. Want godsverering wordt aan Christus’ mensheid niet om haarzelf gebracht, maar om de godheid, waarmee zij verenigd is, en krachtens deze is Christus niet minder dan de Vader.
Hieruit blijkt ook, wat op de tweede en derde bedenking te antwoorden is. Want godsverering wordt aan Christus’ mensheid niet om haarzelf gebracht, maar om de godheid, waarmee zij verenigd is, en krachtens deze is Christus niet minder dan de Vader.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Moet een beeld van Christus met godsverering aanbeden worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 25 a. 4 co.
IIIa q. 25 a. 4 co.[t:iiia q. 25 a. 4 co.][t:iiia q. 25 a. 4 co.]
IIIa q. 25 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat een beeld van Christus niet met godsverering aanbeden moet worden. Want in Exodus (20, 4) wordt gezegd: "Gij zult U geen beeld of afbeelding maken". Nu moet men niets aanbidden tegen Gods gebod in. Dus moet men een beeld van Christus niet met godsverering aanbidden.
B: (Exod 20:4) [b:Exod 20:4]
IIIa q. 25 a. 4 co.
IIIa q. 25 a. 4 co.[t:iiia q. 25 a. 4 co.][t:iiia q. 25 a. 4 co.]
IIIa q. 25 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat een beeld van Christus niet met godsverering aanbeden moet worden. Want in Exodus (20, 4) wordt gezegd: "Gij zult U geen beeld of afbeelding maken". Nu moet men niets aanbidden tegen Gods gebod in. Dus moet men een beeld van Christus niet met godsverering aanbidden.
B: (Exod 20:4) [b:Exod 20:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Wij moeten geen deel hebben aan de werken der heidenen, zoals de Apostel in de Ephesiërsbrief (5, 11) zegt. Nu wordt dit vooral aan de heidenen verweten, dat zij "de glorie van de onsterfelijke God hebben verruild voor een beeld, dat op een mens gelijkt", zoals we lezen in de Brief aan de Romeinen (1, 23). Dus moet men een beeld van Christus niet met godsverering aanbidden.
B: (Rom 1:23) [b:Rom 1:23] (Eph 5:11) [b:Eph 5:11]
Vervolgens. Wij moeten geen deel hebben aan de werken der heidenen, zoals de Apostel in de Ephesiërsbrief (5, 11) zegt. Nu wordt dit vooral aan de heidenen verweten, dat zij "de glorie van de onsterfelijke God hebben verruild voor een beeld, dat op een mens gelijkt", zoals we lezen in de Brief aan de Romeinen (1, 23). Dus moet men een beeld van Christus niet met godsverering aanbidden.
B: (Rom 1:23) [b:Rom 1:23] (Eph 5:11) [b:Eph 5:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Christus heeft om Zijn godheid en niet om Zijn mensheid recht op godsverering. Nu heeft het beeld van Zijn godheid, dat in de redelijke ziel is ingedrukt, geen recht op godsverering. Dus het lichamelijke beeld, dat Zijn mensheid afbeeldt, nog veel minder.
Vervolgens. Christus heeft om Zijn godheid en niet om Zijn mensheid recht op godsverering. Nu heeft het beeld van Zijn godheid, dat in de redelijke ziel is ingedrukt, geen recht op godsverering. Dus het lichamelijke beeld, dat Zijn mensheid afbeeldt, nog veel minder.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 3 arg. 4
Vervolgens. Men schijnt in de godsverering niets anders te moeten doen dan wat door God is ingesteld, en daarom zegt de Apostel, als hij in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (11, 23) de leer over het offer der Kerk meedeelt: "Ik lever u over, wat ik van God ontvangen heb". Nu wordt er in de Schrift niets van het vereren van beelden vermeld. Dus moet men een beeld van Christus niet met godsverering aanbidden.
B: (1Cor 11:23) [b:1Cor 11:23]
Vervolgens. Men schijnt in de godsverering niets anders te moeten doen dan wat door God is ingesteld, en daarom zegt de Apostel, als hij in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (11, 23) de leer over het offer der Kerk meedeelt: "Ik lever u over, wat ik van God ontvangen heb". Nu wordt er in de Schrift niets van het vereren van beelden vermeld. Dus moet men een beeld van Christus niet met godsverering aanbidden.
B: (1Cor 11:23) [b:1Cor 11:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 3 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus (Over het Ware Geloof, 4e B., 16e H.) de tekst van Basilius aanhaalt: "De verering van een beeld gaat op het afgebeelde of het voorbeeld ervan over". Nu moet men het voorbeeld nl. Christus met godsverering aanbidden. Dus ook de afbeeldingen van Hem.
Maar daartegenover staat, dat Damascenus (Over het Ware Geloof, 4e B., 16e H.) de tekst van Basilius aanhaalt: "De verering van een beeld gaat op het afgebeelde of het voorbeeld ervan over". Nu moet men het voorbeeld nl. Christus met godsverering aanbidden. Dus ook de afbeeldingen van Hem.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals de filosoof in het boek Over het Geheugen en de Herinnering (1e H.) zegt, bestaat er een dubbele zielshouding ten opzichte van een beeld; ten eerste van het beeld in zover het zelf een ding, en daarnaast in zover het beeld is van een ander ding. En daartussen bestaat dit verschil, dat de eerste houding, die het beeld als een ding beschouwt, anders is dan die ten opzichte van het afgebeelde ding, maar de tweede ten opzichte van het beeld als beeld is een en dezelfde als die ten opzichte van het ding zelf. Men moet dus zeggen, dat aan een beeld van Christus, in zover dit een ding is, bijvoorbeeld gesneden of beschilderd hout, geen enkele eer wordt gebracht, omdat eer alleen aan een redelijk schepsel wordt gebracht. Er blijft dus over, dat er eer aan wordt gebracht alleen in zover het een beeld is. En zo volgt, dat dezelfde eer aan Christus’ beeld wordt gebracht als aan Christus zelf. Waar nu Christus met godsverering aanbeden wordt, moet daarom ook zijn beeld daarmee aanbeden worden.
Mijn antwoord. Zoals de filosoof in het boek Over het Geheugen en de Herinnering (1e H.) zegt, bestaat er een dubbele zielshouding ten opzichte van een beeld; ten eerste van het beeld in zover het zelf een ding, en daarnaast in zover het beeld is van een ander ding. En daartussen bestaat dit verschil, dat de eerste houding, die het beeld als een ding beschouwt, anders is dan die ten opzichte van het afgebeelde ding, maar de tweede ten opzichte van het beeld als beeld is een en dezelfde als die ten opzichte van het ding zelf. Men moet dus zeggen, dat aan een beeld van Christus, in zover dit een ding is, bijvoorbeeld gesneden of beschilderd hout, geen enkele eer wordt gebracht, omdat eer alleen aan een redelijk schepsel wordt gebracht. Er blijft dus over, dat er eer aan wordt gebracht alleen in zover het een beeld is. En zo volgt, dat dezelfde eer aan Christus’ beeld wordt gebracht als aan Christus zelf. Waar nu Christus met godsverering aanbeden wordt, moet daarom ook zijn beeld daarmee aanbeden worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Door dit verbod wordt niet iedere maken van een beeld of afbeelding verboden, maar alleen om het te aanbidden, en daarom wordt eraan toegevoegd: "Gij zult hen aanbidden noch vereren". En omdat, zoals werd gezegd (in de Leerstelling), de houding ten opzichte van beeld en ding hetzelfde is, wordt de verering precies zo verboden als die van het ding, waarvan het een beeld is. Men moet dus begrijpen, dat daar het vereren verboden werd van de beelden, die de heidenen maakten om hun goden te vereren, namelijk de duivels; en daarom gaat eraan vooraf: "Gij zult geen vreemde goden voor Mijn ogen hebben". Maar omdat Godzelf zonder lichaam is, kon er geen lichamelijk beeld van Hem worden gemaakt; want zoals Damascenus zegt (t. a. pl.), "is het een teken van grootste dwaasheid en goddeloosheid het goddelijke af te beelden". Omdat God echter in het Nieuwe Verbond mens geworden is, kan Hij in een stoffelijk beeld aanbeden worden.
1e Weerlegging. Door dit verbod wordt niet iedere maken van een beeld of afbeelding verboden, maar alleen om het te aanbidden, en daarom wordt eraan toegevoegd: "Gij zult hen aanbidden noch vereren". En omdat, zoals werd gezegd (in de Leerstelling), de houding ten opzichte van beeld en ding hetzelfde is, wordt de verering precies zo verboden als die van het ding, waarvan het een beeld is. Men moet dus begrijpen, dat daar het vereren verboden werd van de beelden, die de heidenen maakten om hun goden te vereren, namelijk de duivels; en daarom gaat eraan vooraf: "Gij zult geen vreemde goden voor Mijn ogen hebben". Maar omdat Godzelf zonder lichaam is, kon er geen lichamelijk beeld van Hem worden gemaakt; want zoals Damascenus zegt (t. a. pl.), "is het een teken van grootste dwaasheid en goddeloosheid het goddelijke af te beelden". Omdat God echter in het Nieuwe Verbond mens geworden is, kan Hij in een stoffelijk beeld aanbeden worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De Apostel verbiedt te delen in de nutteloze werken der heidenen, maar niet in hun nuttige. Nu kan men het vereren van beelden in twee punten onder de nutteloze werken rekenen. Ten eerste in dit opzicht, dat sommigen de beelden als dingen vereerden, in de mening dat er iets goddelijks in hen zat om de antwoorden, die de duivels door hen gaven en andere wonderlijke feiten meer. Ten tweede om de dingen, waarvan het afbeeldingen waren: want zij maakten beelden ter ere van sommige schepsels, die zij daarin met godsverering aanbaden. Maar wij aanbidden met godsverering een beeld van Christus, die de ware God is, niet om het beeld zelf, maar om datgene waarvan het een beeld is, zoals gezegd is (in de Leerstelling).
2e Weerlegging. De Apostel verbiedt te delen in de nutteloze werken der heidenen, maar niet in hun nuttige. Nu kan men het vereren van beelden in twee punten onder de nutteloze werken rekenen. Ten eerste in dit opzicht, dat sommigen de beelden als dingen vereerden, in de mening dat er iets goddelijks in hen zat om de antwoorden, die de duivels door hen gaven en andere wonderlijke feiten meer. Ten tweede om de dingen, waarvan het afbeeldingen waren: want zij maakten beelden ter ere van sommige schepsels, die zij daarin met godsverering aanbaden. Maar wij aanbidden met godsverering een beeld van Christus, die de ware God is, niet om het beeld zelf, maar om datgene waarvan het een beeld is, zoals gezegd is (in de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Een redelijk schepsel heeft om zichzelf recht op eer. En wordt dus aan dat redelijke schepsel, waarin Gods beeld ligt, de godsverering gebracht, dan is er gelegenheid om te dwalen, omdat namelijk de gevoelens van de aanbidder konden blijven staan bij de mens als een ding en niet tot God, waarvan hij een beeld is, zouden gaan. Dat kan echter niet gebeuren bij een in dode stof gesneden of geverfd beeld.
3e Weerlegging. Een redelijk schepsel heeft om zichzelf recht op eer. En wordt dus aan dat redelijke schepsel, waarin Gods beeld ligt, de godsverering gebracht, dan is er gelegenheid om te dwalen, omdat namelijk de gevoelens van de aanbidder konden blijven staan bij de mens als een ding en niet tot God, waarvan hij een beeld is, zouden gaan. Dat kan echter niet gebeuren bij een in dode stof gesneden of geverfd beeld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Door de hun eigen inwerking van de H. Geest lieten de Apostelen enige geboden aan de kerken na om te onderhouden, die zij niet in schrift optekenden, maar die in de kerkelijke gewoonten door de geslachten der gelovigen heen geregeld zijn. Daarom zegt Paulus zelf in de Tweede Brief aan de Thessalonicensen (2, 14): "Staat pal en houdt u aan de overleveringen, die gij het zij door ons woord (dus mondeling) of ons schrijven (dus schriftelijk) geleerd hebt". Onder deze overleveringen valt de verering der beelden van Christus. Daarom zegt men ook, dat de H. Lucas het te Rome bewaarde beeld van Christus heeft geschilderd.
B: (2Thess 2:14) [b:2Thess 2:14]
4e Weerlegging. Door de hun eigen inwerking van de H. Geest lieten de Apostelen enige geboden aan de kerken na om te onderhouden, die zij niet in schrift optekenden, maar die in de kerkelijke gewoonten door de geslachten der gelovigen heen geregeld zijn. Daarom zegt Paulus zelf in de Tweede Brief aan de Thessalonicensen (2, 14): "Staat pal en houdt u aan de overleveringen, die gij het zij door ons woord (dus mondeling) of ons schrijven (dus schriftelijk) geleerd hebt". Onder deze overleveringen valt de verering der beelden van Christus. Daarom zegt men ook, dat de H. Lucas het te Rome bewaarde beeld van Christus heeft geschilderd.
B: (2Thess 2:14) [b:2Thess 2:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Moet men Christus’ kruis met godsverering aanbidden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 25 a. 5 ad 3[t:iiia q. 25 a. 5 ad 3]
IIIa q. 25 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat men Christus’ kruis niet met godsverering moet aanbidden. Want geen liefdevolle zoon vereert de schande van zijn vader, bijvoorbeeld de gesel, waarmee hij gegeseld of het hout, waaraan hij opgehangen is, maar heeft daar eerder een afschuw van. Nu heeft Christus aan het kruishout de schandelijkste dood ondergaan volgens het boek der Wijsheid (2, 20): "Laten wij hem tot de schandelijkste dood veroordelen". Dus moeten wij het kruis niet vereren, maar verafschuwen.
B: (Wis 2:20) [b:Wis 2:20]
IIIa q. 25 a. 5 ad 3[t:iiia q. 25 a. 5 ad 3]
IIIa q. 25 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat men Christus’ kruis niet met godsverering moet aanbidden. Want geen liefdevolle zoon vereert de schande van zijn vader, bijvoorbeeld de gesel, waarmee hij gegeseld of het hout, waaraan hij opgehangen is, maar heeft daar eerder een afschuw van. Nu heeft Christus aan het kruishout de schandelijkste dood ondergaan volgens het boek der Wijsheid (2, 20): "Laten wij hem tot de schandelijkste dood veroordelen". Dus moeten wij het kruis niet vereren, maar verafschuwen.
B: (Wis 2:20) [b:Wis 2:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Christus' mensheid wordt met Godsvreugde vereerd in zover zij met Gods Zoon in persoon verenigd is. Dit kan men van het kruis niet zeggen. Dus moet het niet met Godsvreugde worden vereerd.
Vervolgens. Christus' mensheid wordt met Godsvreugde vereerd in zover zij met Gods Zoon in persoon verenigd is. Dit kan men van het kruis niet zeggen. Dus moet het niet met Godsvreugde worden vereerd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Zoals Christus’ kruis een werktuig is van Zijn lijden en dood, zijn dat ook veel andere dingen als de spijkers, de kroon en de lans; en daaraan brengen wij geen godsvoering. Dus moet men schijnbaar ook Christus’ kruis niet met godsvoering aanbidden.
Vervolgens. Zoals Christus’ kruis een werktuig is van Zijn lijden en dood, zijn dat ook veel andere dingen als de spijkers, de kroon en de lans; en daaraan brengen wij geen godsvoering. Dus moet men schijnbaar ook Christus’ kruis niet met godsvoering aanbidden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 4 s. c.
Maar daartegenover staat, dat wij de aanbidding der godsverering aan Hem brengen, op Wien wij hopen voor ons heil. Nu stellen wij onze hoop in Christus’ kruis, want de Kerk zingt: "Wees gegroet, o kruis, onze enige hoop in deze passietijd; geef meer rechtvaardigheid aan de godvruchtigen en aan de schuldigen vergiffenis". Dus moet men Christus’ kruis met godsverering aanbidden.
Maar daartegenover staat, dat wij de aanbidding der godsverering aan Hem brengen, op Wien wij hopen voor ons heil. Nu stellen wij onze hoop in Christus’ kruis, want de Kerk zingt: "Wees gegroet, o kruis, onze enige hoop in deze passietijd; geef meer rechtvaardigheid aan de godvruchtigen en aan de schuldigen vergiffenis". Dus moet men Christus’ kruis met godsverering aanbidden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals boven werd gezegd (3e Art.), heeft alleen het redelijke schepsel recht op hulde en eer, maar een onredelijk schepsel alleen om een redelijke. En dat op twee wijzen; ten eerste in zover het de redelijke natuur vertegenwoordigt; en ten tweede in zover het daarmee hoe dan ook verenigd is. Op de eerste manier zijn de mensen gewend het beeld van de koning te vereren en op de tweede zijn kleed. Maar beide dingen eren de mensen met dezelfde hulde als de koning. Spreken wij dus van het kruis zelf waarop Christus gekruisigd is, dan moeten wij het op beide manieren vereren, omdat het namelijk ten eerste de gedaante van Christus, die erop uitgestrekt was afbeeldt; en ten tweede, omdat het door Christus’ ledematen aangeraakt en met Zijn bloed besproeid is. Op beide wijzen wordt het dus vereerd met dezelfde verering als Christus, dus met godsverering. En daarom spreken en smeken wij ook tot het kruis als tot de Gekruisigde zelf. Spreken wij echter van een afbeelding van Zijn kruis in welke andere stof ook, bv. steen of hout, zilver of goud, dan vereren wij het kruis als beeld van Christus en wel met de aanbidding van godsverering, zoals boven is gezegd.
R: q. 25 a. 3[t:iiia q. 25 a. 3] q. 25 a. 3[t:iiia q. 25 a. 3]
Mijn antwoord. Zoals boven werd gezegd (3e Art.), heeft alleen het redelijke schepsel recht op hulde en eer, maar een onredelijk schepsel alleen om een redelijke. En dat op twee wijzen; ten eerste in zover het de redelijke natuur vertegenwoordigt; en ten tweede in zover het daarmee hoe dan ook verenigd is. Op de eerste manier zijn de mensen gewend het beeld van de koning te vereren en op de tweede zijn kleed. Maar beide dingen eren de mensen met dezelfde hulde als de koning. Spreken wij dus van het kruis zelf waarop Christus gekruisigd is, dan moeten wij het op beide manieren vereren, omdat het namelijk ten eerste de gedaante van Christus, die erop uitgestrekt was afbeeldt; en ten tweede, omdat het door Christus’ ledematen aangeraakt en met Zijn bloed besproeid is. Op beide wijzen wordt het dus vereerd met dezelfde verering als Christus, dus met godsverering. En daarom spreken en smeken wij ook tot het kruis als tot de Gekruisigde zelf. Spreken wij echter van een afbeelding van Zijn kruis in welke andere stof ook, bv. steen of hout, zilver of goud, dan vereren wij het kruis als beeld van Christus en wel met de aanbidding van godsverering, zoals boven is gezegd.
R: q. 25 a. 3[t:iiia q. 25 a. 3] q. 25 a. 3[t:iiia q. 25 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Volgens de mening of bedoeling der ongelovigen moet men in Christus’ Kruis een smaad zien, maar in zover het ons heil bewerkte zien wij er Zijn goddelijke kracht in, waardoor Hij over de vijanden zegevierde naar de Colossensenbrief (2, 14 en 15): "Hij heeft het vernietigd door het aan het kruis te hechten; de heerschappijen en machten ontmaskerd en tentoongesteld hen door het Kruis overwinnend". En daarom zegt de Apostel in de Eerste Korinthiërsbrief (1, 18): "De prediking van het kruis is wel een dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor ons die behouden worden is zij een kracht Gods".
1e Weerlegging. Volgens de mening of bedoeling der ongelovigen moet men in Christus’ Kruis een smaad zien, maar in zover het ons heil bewerkte zien wij er Zijn goddelijke kracht in, waardoor Hij over de vijanden zegevierde naar de Colossensenbrief (2, 14 en 15): "Hij heeft het vernietigd door het aan het kruis te hechten; de heerschappijen en machten ontmaskerd en tentoongesteld hen door het Kruis overwinnend". En daarom zegt de Apostel in de Eerste Korinthiërsbrief (1, 18): "De prediking van het kruis is wel een dwaasheid voor hen die verloren gaan, maar voor ons die behouden worden is zij een kracht Gods".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Al was Christus’ kruis niet in persoon met Gods Woord verenigd, het was daarmee toch wel enigszins verenigd, namelijk door af te beelden en door aanraking. En alleen daarom wordt er eer aan bewezen.
2e Weerlegging. Al was Christus’ kruis niet in persoon met Gods Woord verenigd, het was daarmee toch wel enigszins verenigd, namelijk door af te beelden en door aanraking. En alleen daarom wordt er eer aan bewezen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Om de aanraking van Christus’ ledematen vereren wij niet alleen Christus’ kruis, maar alles wat van Hem is. Daarom zegt Damascenus in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 11e H.): "Het kostbare hout, geheiligd door de aanraking van het heilige lichaam en bloed, moet passend aanbeden worden, ook de spijkers, de klederen, de lans en Zijn heilige woonplaats". Deze dingen echter beelden niet als het kruis Christus af; want dat wordt "het beeld van de mensenzoon, dat op de wolken zal verschijnen" genoemd bij Matthaeus (24, 30). Daarom ook zei de Engel tot de vrouwen (Marcus, 16, 6): "Gij zoekt Jesus van Nazareth de gekruiste", en niet de doorboorde, maar de gekruiste. Daarom vereren wij het beeld van Christus’ Kruis in iedere stof, maar niet het beeld der spijkers en dergelijke.
3e Weerlegging. Om de aanraking van Christus’ ledematen vereren wij niet alleen Christus’ kruis, maar alles wat van Hem is. Daarom zegt Damascenus in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 11e H.): "Het kostbare hout, geheiligd door de aanraking van het heilige lichaam en bloed, moet passend aanbeden worden, ook de spijkers, de klederen, de lans en Zijn heilige woonplaats". Deze dingen echter beelden niet als het kruis Christus af; want dat wordt "het beeld van de mensenzoon, dat op de wolken zal verschijnen" genoemd bij Matthaeus (24, 30). Daarom ook zei de Engel tot de vrouwen (Marcus, 16, 6): "Gij zoekt Jesus van Nazareth de gekruiste", en niet de doorboorde, maar de gekruiste. Daarom vereren wij het beeld van Christus’ Kruis in iedere stof, maar niet het beeld der spijkers en dergelijke.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Moeten wij Gods Moeder met godsverering aanbidden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 25 a. 5 ad 3[t:iiia q. 25 a. 5 ad 3]
IIIa q. 25 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat wij Gods Moeder met godsverering moeten aanbidden. Want dezelfde eer schijnt aan de moeder van de koning te worden bewezen als aan de koning, zodat in het 3° boek der Koningen (2, 19) staat, dat "er een troon werd geplaatst voor de moeder van de koning, die aan zijn rechterhand kwam te zitten". En Augustinus zegt in een preek Over de Tenhemelopneming : "Het behoort, dat Gods troon, de woontent van Christus en de bruidskamer van de Heer des hemels daar is, waar Hij zelf is". Nu wordt Christus met godsverering aanbeden en dus Zijn Moeder ook.
IIIa q. 25 a. 5 ad 3[t:iiia q. 25 a. 5 ad 3]
IIIa q. 25 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat wij Gods Moeder met godsverering moeten aanbidden. Want dezelfde eer schijnt aan de moeder van de koning te worden bewezen als aan de koning, zodat in het 3° boek der Koningen (2, 19) staat, dat "er een troon werd geplaatst voor de moeder van de koning, die aan zijn rechterhand kwam te zitten". En Augustinus zegt in een preek Over de Tenhemelopneming : "Het behoort, dat Gods troon, de woontent van Christus en de bruidskamer van de Heer des hemels daar is, waar Hij zelf is". Nu wordt Christus met godsverering aanbeden en dus Zijn Moeder ook.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Damascenus zegt in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 16e H.), dat "de eer aan de moeder gebracht op de zoon terugkomt". Nu wordt de Zoon met godsverering aanbeden en dus de moeder ook.
Vervolgens. Damascenus zegt in het 4e boek (Over het Ware Geloof, 16e H.), dat "de eer aan de moeder gebracht op de zoon terugkomt". Nu wordt de Zoon met godsverering aanbeden en dus de moeder ook.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Christus’ moeder is meer met Hem verenigd dan het kruis. Nu wordt het kruis met godsverering aanbeden en de Moeder dus evenzeer.
Vervolgens. Christus’ moeder is meer met Hem verenigd dan het kruis. Nu wordt het kruis met godsverering aanbeden en de Moeder dus evenzeer.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 5 s. c.
Maar daartegenover staat dat de Moeder Gods niets meer dan een schepsel is. Dus heeft Ze geen recht op godsverering.
Maar daartegenover staat dat de Moeder Gods niets meer dan een schepsel is. Dus heeft Ze geen recht op godsverering.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 5 co.
Mijn antwoord. Alleen God heeft recht op godsverering, geen schepsel in zover wij dat op zichzelf eren. Al kunnen de redeloze schepsels echter niet krachtens zichzelf worden vereerd, dan kan dat toch met de redelijke geschieden. En daarom heeft geen redelijk schepsel, dat niets meer dan dat is, recht op godsverering, maar alleen op godsdienstige vereering. Daar de Heilige Maagd dit nu is, heeft zij geen recht op godsverering, maar alleen op godsdienstige vereering, doch op een boven de anderen uitstekende manier, omdat Zij Moeder Gods is. Daarom zegt men, dat zij niet recht heeft op een gewone maar op een buitengewone godsdienstige verering of hyperdulia.
Mijn antwoord. Alleen God heeft recht op godsverering, geen schepsel in zover wij dat op zichzelf eren. Al kunnen de redeloze schepsels echter niet krachtens zichzelf worden vereerd, dan kan dat toch met de redelijke geschieden. En daarom heeft geen redelijk schepsel, dat niets meer dan dat is, recht op godsverering, maar alleen op godsdienstige vereering. Daar de Heilige Maagd dit nu is, heeft zij geen recht op godsverering, maar alleen op godsdienstige vereering, doch op een boven de anderen uitstekende manier, omdat Zij Moeder Gods is. Daarom zegt men, dat zij niet recht heeft op een gewone maar op een buitengewone godsdienstige verering of hyperdulia.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De eer waarop de moeder van een koning recht heeft is niet gelijk aan die van de koning. Maar omdat zij boven anderen uitsteekt, heeft zij recht op een eer die erop gelijkt. En dat geven de aangehaalde teksten te kennen.
1e Weerlegging. De eer waarop de moeder van een koning recht heeft is niet gelijk aan die van de koning. Maar omdat zij boven anderen uitsteekt, heeft zij recht op een eer die erop gelijkt. En dat geven de aangehaalde teksten te kennen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. De aan de moeder gebrachte eer valt op de zoon terug, omdat de moeder om de zoon geëerd moet worden. Maar dat is niet op dezelfde manier als de aan een beeld gebrachte eer op het voorbeeld terugslaat; want het beeld als een ding beschouwd heeft in het geheel geen recht op eer.
2e Weerlegging. De aan de moeder gebrachte eer valt op de zoon terug, omdat de moeder om de zoon geëerd moet worden. Maar dat is niet op dezelfde manier als de aan een beeld gebrachte eer op het voorbeeld terugslaat; want het beeld als een ding beschouwd heeft in het geheel geen recht op eer.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Zoals werd gezegd (in de Leerstelling, en 4e Artikel), kan het kruis in zichzelf beschouwd geen eer ontvangen. Maar de Heilige Maagd op zichzelf wel; en daarom is het niet hetzelfde.
R: q. 25 a. 4[t:iiia q. 25 a. 4] q. 25 a. 5[t:iiia q. 25 a. 5]
3e Weerlegging. Zoals werd gezegd (in de Leerstelling, en 4e Artikel), kan het kruis in zichzelf beschouwd geen eer ontvangen. Maar de Heilige Maagd op zichzelf wel; en daarom is het niet hetzelfde.
R: q. 25 a. 4[t:iiia q. 25 a. 4] q. 25 a. 5[t:iiia q. 25 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Moeten de overblijfselen der Heiligen enigszins vereerd worden?
IIIa q. 25 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de overblijfselen van heiligen in het geheel niet vereerd moeten worden. Want men moet niets doen wat aanleiding kan geven tot dwaling. Nu schijnt het vereren van de overblijfselen van doden onder de dwalingen der heidenen te vallen, die eer brachten aan dode mensen. Dus moet men de overblijfselen van heiligen niet vereren.
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de overblijfselen van heiligen in het geheel niet vereerd moeten worden. Want men moet niets doen wat aanleiding kan geven tot dwaling. Nu schijnt het vereren van de overblijfselen van doden onder de dwalingen der heidenen te vallen, die eer brachten aan dode mensen. Dus moet men de overblijfselen van heiligen niet vereren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Het is dwaas een ding te vereren dat niet kan waarnemen. Nu nemen de overblijfselen van heiligen niets waar. Dus is het dwaas hen te vereren.
Vervolgens. Het is dwaas een ding te vereren dat niet kan waarnemen. Nu nemen de overblijfselen van heiligen niets waar. Dus is het dwaas hen te vereren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Het lichaam van een dode is niet van dezelfde soort als dat van een levende, en dus is het niet hetzelfde individu. Daarom schijnt men na de dood van een Heilige zijn lichaam niet te moeten vereren.
Vervolgens. Het lichaam van een dode is niet van dezelfde soort als dat van een levende, en dus is het niet hetzelfde individu. Daarom schijnt men na de dood van een Heilige zijn lichaam niet te moeten vereren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 6 s. c.
Maar daartegenover staat, dat wij in het boek Over de Leerstukken der Kerk lezen: "Dat de lichamen der Heiligen en vooral van de zalige martelaren alsof zij van Christus waren vereerd moeten worden, (geloven wij)". En daarna volgt: "Als iemand zich tegen deze stelling wil verklaren, geloof dan niet dat hij een Christen, maar dat hij een aanhanger van Eunomius en Vigilantius is".
Maar daartegenover staat, dat wij in het boek Over de Leerstukken der Kerk lezen: "Dat de lichamen der Heiligen en vooral van de zalige martelaren alsof zij van Christus waren vereerd moeten worden, (geloven wij)". En daarna volgt: "Als iemand zich tegen deze stelling wil verklaren, geloof dan niet dat hij een Christen, maar dat hij een aanhanger van Eunomius en Vigilantius is".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 6 co.
Mijn antwoord. Zoals Augustinus in De Stad Gods (1° B., 13° H.) zegt, "mogen wij, als de kleren of de ring van een vader en dergelijke de nakomelingen zoveel te dierbaarder zijn naarmate zij meer liefde voor hun ouders hadden, de lichamen zelf geenszins verachten, die meer nabestaand en verenigd met ons zijn dan de kleren die wij dragen, omdat zij tot de natuur zelf van de mensen behoren". Daaruit blijkt, dat wie iemand bemint, vereert wat na de dood van hem overblijft; en niet alleen zijn lichaam en de delen ervan, maar ook buiten hem staande dingen als kleren en dergelijke. Nu is het duidelijk, dat wij Gods Heiligen moeten vereren als ledematen van Christus, zonen en vrienden van God en onze voorsprekers. En daarom moeten wij al hun overblijfselen met passende eer om hun nagedachtenis vereren en vooral hun lichamen, die tempels waren van de H. Geest en organen van de H. Geest, die in hen woonde en werkte; ook moeten zij aan Christus’ lichaam gelijk worden gemaakt door de heerlijkheid der verrijzenis. Daarom eert God zelf ook deze overblijfselen op passende manier door er wonderen bij te doen.
Mijn antwoord. Zoals Augustinus in De Stad Gods (1° B., 13° H.) zegt, "mogen wij, als de kleren of de ring van een vader en dergelijke de nakomelingen zoveel te dierbaarder zijn naarmate zij meer liefde voor hun ouders hadden, de lichamen zelf geenszins verachten, die meer nabestaand en verenigd met ons zijn dan de kleren die wij dragen, omdat zij tot de natuur zelf van de mensen behoren". Daaruit blijkt, dat wie iemand bemint, vereert wat na de dood van hem overblijft; en niet alleen zijn lichaam en de delen ervan, maar ook buiten hem staande dingen als kleren en dergelijke. Nu is het duidelijk, dat wij Gods Heiligen moeten vereren als ledematen van Christus, zonen en vrienden van God en onze voorsprekers. En daarom moeten wij al hun overblijfselen met passende eer om hun nagedachtenis vereren en vooral hun lichamen, die tempels waren van de H. Geest en organen van de H. Geest, die in hen woonde en werkte; ook moeten zij aan Christus’ lichaam gelijk worden gemaakt door de heerlijkheid der verrijzenis. Daarom eert God zelf ook deze overblijfselen op passende manier door er wonderen bij te doen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Dit was het argument van Vigilantius, wiens woorden Hieronymus aanhaalt in het boek, dat hij tegen hem schreef (Tegen Vigilantius, n. 4): "Wij zien onder het mom van godsdienst bijna de gewoonte der heidenen ingevoerd; een beetje stof in een stuk vaatwerk met kostbaar lijnwaad omwonden vereren zij met kussen". Daartegen zegt Hieronymus in de Brief aan Riparius (109e Br.): "Wij vereren, ik noem de lichamen der martelaren niet eens, maar zelfs zon en maan en engelen niet", namelijk met godsverering. "Maar wij eren de overblijfselen der martelaren om Hem te aanbidden, Wiens martelaren zij zijn; wij eren de dienaren opdat het eren der dienaren op God mag neerkomen". Zo vallen wij bij het eren der martelaren niet in de dwalingen der heidenen, die de eer der godsverering aan dode mensen brachten.
1e Weerlegging. Dit was het argument van Vigilantius, wiens woorden Hieronymus aanhaalt in het boek, dat hij tegen hem schreef (Tegen Vigilantius, n. 4): "Wij zien onder het mom van godsdienst bijna de gewoonte der heidenen ingevoerd; een beetje stof in een stuk vaatwerk met kostbaar lijnwaad omwonden vereren zij met kussen". Daartegen zegt Hieronymus in de Brief aan Riparius (109e Br.): "Wij vereren, ik noem de lichamen der martelaren niet eens, maar zelfs zon en maan en engelen niet", namelijk met godsverering. "Maar wij eren de overblijfselen der martelaren om Hem te aanbidden, Wiens martelaren zij zijn; wij eren de dienaren opdat het eren der dienaren op God mag neerkomen". Zo vallen wij bij het eren der martelaren niet in de dwalingen der heidenen, die de eer der godsverering aan dode mensen brachten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Het lichaam dat niets waarneemt eren wij niet om zichzelf, maar om de ziel die ermee verenigd was en nu van God geniet; en om God, Wiens dienaren zij waren.
2e Weerlegging. Het lichaam dat niets waarneemt eren wij niet om zichzelf, maar om de ziel die ermee verenigd was en nu van God geniet; en om God, Wiens dienaren zij waren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 25 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Het dode lichaam van een Heilige is niet hetzelfde individu dat het in het leven was om het verschil in vorm, die de ziel is; maar het is hetzelfde omdat de materie, die weer met haar vorm verenigd moet worden, dezelfde is.
3e Weerlegging. Het dode lichaam van een Heilige is niet hetzelfde individu dat het in het leven was om het verschil in vorm, die de ziel is; maar het is hetzelfde omdat de materie, die weer met haar vorm verenigd moet worden, dezelfde is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 26: Over het feit, dat Christus Middelaar tussen God en de mensen wordt genoemd
IIIa q. 26 pr.
Vervolgens moet wij het feit bespreken, dat Christus bemiddelaar tussen God en de mensen wordt genoemd. En hierover stellen wij ons twee vragen:
1. Is het uitsluitend aan Christus eigen bemiddelaar tussen God en de mensen te zijn?
2. Komt Hem dat toe naar de menselijke natuur?
Vervolgens moet wij het feit bespreken, dat Christus bemiddelaar tussen God en de mensen wordt genoemd. En hierover stellen wij ons twee vragen:
1. Is het uitsluitend aan Christus eigen bemiddelaar tussen God en de mensen te zijn?
2. Komt Hem dat toe naar de menselijke natuur?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is het eigen aan Christus Middelaar tussen God en de mensen te zijn?
IIIa q. 26 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet aan Christus eigen is bemiddelaar tussen God en de mensen te zijn. Want een priester en een profeet schijnen bemiddelaars tussen God en de mensen te zijn, omdat in *Deuteronomium* (5, 5) wordt gezegd: "In die tijd was ik tussenpersoon en bemiddelaar tussen U en God". Nu is het priester en profeet zijn niet uitsluitend aan Christus eigen. Dus het bemiddelaar zijn evenmin.
B: (Deut 5:5) [b:Deut 5:5]
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet aan Christus eigen is bemiddelaar tussen God en de mensen te zijn. Want een priester en een profeet schijnen bemiddelaars tussen God en de mensen te zijn, omdat in *Deuteronomium* (5, 5) wordt gezegd: "In die tijd was ik tussenpersoon en bemiddelaar tussen U en God". Nu is het priester en profeet zijn niet uitsluitend aan Christus eigen. Dus het bemiddelaar zijn evenmin.
B: (Deut 5:5) [b:Deut 5:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Wat goede en kwade Engelen toekomt, kan men niet eigen aan Christus noemen. Nu komt het aan de goede Engelen toe tussen God en de mensen in te staan, zoals Dionysius zegt in *Over de Namen van God* (4° H.). Het komt ook aan de kwade Engelen of duivels toe, omdat zij iets met God gemeen hebben, namelijk de onsterfelijkheid, en met de mensen delen zij iets, dat zij namelijk naar de ziel kunnen lijden en dus ellendig zijn, zoals Augustinus in De Stad Gods (9° B., 13° en 15° H.) bewijst. Dus is het middelbaar zijn tussen God en de mensen niet eigen aan Christus.
Vervolgens. Wat goede en kwade Engelen toekomt, kan men niet eigen aan Christus noemen. Nu komt het aan de goede Engelen toe tussen God en de mensen in te staan, zoals Dionysius zegt in *Over de Namen van God* (4° H.). Het komt ook aan de kwade Engelen of duivels toe, omdat zij iets met God gemeen hebben, namelijk de onsterfelijkheid, en met de mensen delen zij iets, dat zij namelijk naar de ziel kunnen lijden en dus ellendig zijn, zoals Augustinus in De Stad Gods (9° B., 13° en 15° H.) bewijst. Dus is het middelbaar zijn tussen God en de mensen niet eigen aan Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Tot de taak van de middelaar behoort het bij een van hen, tussen wie hij middelaar is, de belangen van de ander te bepleiten. Nu "smeekt de Heilige Geest", zoals in de Romeinenbrief (8, 26) wordt gezegd, "voor ons bij God met onuitsprekelijke verzuchtingen". Dus is ook de Heilige Geest middelaar tussen God en de mensen en is dit niet eigen aan Christus.
B: (Rom 8:26) [b:Rom 8:26]
Vervolgens. Tot de taak van de middelaar behoort het bij een van hen, tussen wie hij middelaar is, de belangen van de ander te bepleiten. Nu "smeekt de Heilige Geest", zoals in de Romeinenbrief (8, 26) wordt gezegd, "voor ons bij God met onuitsprekelijke verzuchtingen". Dus is ook de Heilige Geest middelaar tussen God en de mensen en is dit niet eigen aan Christus.
B: (Rom 8:26) [b:Rom 8:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 1 s. c.
Maar daartegenover staat, dat in de Eerste Brief aan Timotheus (2, 5) wordt gezegd: "Er is een middelaar tussen God en de mensen, de mens Jezus Christus".
B: (1Tim 2:5) [b:1Tim 2:5]
Maar daartegenover staat, dat in de Eerste Brief aan Timotheus (2, 5) wordt gezegd: "Er is een middelaar tussen God en de mensen, de mens Jezus Christus".
B: (1Tim 2:5) [b:1Tim 2:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 1 co.
Mijn antwoord. De eigenlijke taak van een middelaar is hen tussen wie hij middelaar is te verenigen, omdat de uitersten verenigd worden in wat tussen hen in staat. Nu komt het aan Christus toe de mensen volmaakt met God te verenigen, omdat zij door Hem met God worden verzoend volgens de Tweede Brief aan de Korinthiërs (5, 19): "Het was God, die de wereld in Christus met Zich verzoende". Daarom is Christus alleen de volmaakte middelaar tussen God en de mensen, in zover Hij door Zijn dood het menselijk geslacht met God verzoende. Als daarom de Apostel zegt: "de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jesus", voegt hij eraan toe: "Die Zichzelf als verlossing voor allen gegeven heeft". Maar er is niets tegen, dat anderen onder zeker opzicht middelaars tussen God en mens worden genoemd, in zover zij door voor te bereiden of als werktuig meewerken om de mensen met God te verenigen.
B: (2Cor 5:19) [b:2Cor 5:19]
Mijn antwoord. De eigenlijke taak van een middelaar is hen tussen wie hij middelaar is te verenigen, omdat de uitersten verenigd worden in wat tussen hen in staat. Nu komt het aan Christus toe de mensen volmaakt met God te verenigen, omdat zij door Hem met God worden verzoend volgens de Tweede Brief aan de Korinthiërs (5, 19): "Het was God, die de wereld in Christus met Zich verzoende". Daarom is Christus alleen de volmaakte middelaar tussen God en de mensen, in zover Hij door Zijn dood het menselijk geslacht met God verzoende. Als daarom de Apostel zegt: "de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jesus", voegt hij eraan toe: "Die Zichzelf als verlossing voor allen gegeven heeft". Maar er is niets tegen, dat anderen onder zeker opzicht middelaars tussen God en mens worden genoemd, in zover zij door voor te bereiden of als werktuig meewerken om de mensen met God te verenigen.
B: (2Cor 5:19) [b:2Cor 5:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De profeten en priesters van het oude verbond worden als voorbereidende werktuigen middelaars tussen God en de mensen genoemd, omdat zij namelijk de waren en volmaakte middelaar tussen God en de mensen aankondigden en voorafbeelden. Men kan echter de priesters van het nieuwe verbond middelaars tussen God en mens noemen, in zover zij dienaars zijn van de waren middelaar, die in Zijn plaats de heilbrengende sacramenten aan de mensen toedienen.
1e Weerlegging. De profeten en priesters van het oude verbond worden als voorbereidende werktuigen middelaars tussen God en de mensen genoemd, omdat zij namelijk de waren en volmaakte middelaar tussen God en de mensen aankondigden en voorafbeelden. Men kan echter de priesters van het nieuwe verbond middelaars tussen God en mens noemen, in zover zij dienaars zijn van de waren middelaar, die in Zijn plaats de heilbrengende sacramenten aan de mensen toedienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Augustinus in De Stad Gods (9e B., 13e H.) zegt, kunnen de goede Engelen eigenlijk geen middelaars tussen God en mens worden genoemd. "Omdat zij nl. beide dingen met God gemeen hebben, de zaligheid en de onsterfelijkheid, en niets met de ongelukkige en sterfelijke mensen, hoe zouden zij dan niet veel meer ver van de mensen en verenigd met God dan midden tussen beiden in zijn?" Dionysius noemt hen echter het midden tussen beiden, omdat zij naar de rang in natuur beneden God en boven de mensen staan. En zij vervullen het ambt van middelaar niet op de voornaamste en volmaakte manier, maar als voorbereidende dienaars; en daarom wordt bij Matthaeus (4, 11) gezegd, dat "Engelen kwamen en Hem, nl. Christus, dienden". De duivels hebben wel de onsterfelijkheid met God en de ellende met de mensen gemeen. "Daarom stelt de onsterfelijke en ongelukkige duivel zich in de weg om ons te beletten de gelukkige onsterfelijkheid te bereiken", maar ons te brengen tot de onsterfelijke ellende. Daarom is hij "een valse middelaar, die de vrienden scheidt" (H. Augustinus, t. a. pl., 15° H.). Christus echter had met God de zaligheid en met de mensen het kunnen sterven gemeen. "Daarom plaatste Hij zich tussen beiden in om als de dood overwonnen was de doden onsterfelijk te maken, wat Hij in Zijn eigen Verrijzenis aanduidde; en de ongelukkigen tot de zaligheid, die Hij nooit verloren had, te brengen». Daarom is Hij "de goede middelaar, die de vijanden verzoent" (t. a. pl.).
2e Weerlegging. Zoals Augustinus in De Stad Gods (9e B., 13e H.) zegt, kunnen de goede Engelen eigenlijk geen middelaars tussen God en mens worden genoemd. "Omdat zij nl. beide dingen met God gemeen hebben, de zaligheid en de onsterfelijkheid, en niets met de ongelukkige en sterfelijke mensen, hoe zouden zij dan niet veel meer ver van de mensen en verenigd met God dan midden tussen beiden in zijn?" Dionysius noemt hen echter het midden tussen beiden, omdat zij naar de rang in natuur beneden God en boven de mensen staan. En zij vervullen het ambt van middelaar niet op de voornaamste en volmaakte manier, maar als voorbereidende dienaars; en daarom wordt bij Matthaeus (4, 11) gezegd, dat "Engelen kwamen en Hem, nl. Christus, dienden". De duivels hebben wel de onsterfelijkheid met God en de ellende met de mensen gemeen. "Daarom stelt de onsterfelijke en ongelukkige duivel zich in de weg om ons te beletten de gelukkige onsterfelijkheid te bereiken", maar ons te brengen tot de onsterfelijke ellende. Daarom is hij "een valse middelaar, die de vrienden scheidt" (H. Augustinus, t. a. pl., 15° H.). Christus echter had met God de zaligheid en met de mensen het kunnen sterven gemeen. "Daarom plaatste Hij zich tussen beiden in om als de dood overwonnen was de doden onsterfelijk te maken, wat Hij in Zijn eigen Verrijzenis aanduidde; en de ongelukkigen tot de zaligheid, die Hij nooit verloren had, te brengen». Daarom is Hij "de goede middelaar, die de vijanden verzoent" (t. a. pl.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Omdat de Heilige Geest in alles aan God gelijk is, kan Hij niet het midden of de bemiddelaar tussen God en de mensen worden genoemd, maar alleen Christus, die "al is Hij naar de godheid aan de Vader gelijk, toch naar Zijn mensheid minder dan de Vader is", zoals wij zeiden (20° Kw., 1° Art.). Daarom ook zegt de Glossa bij de tekst uit de Galatenbrief (3, 20): "Christus is de middelaar", "Niet de Vader of de Heilige Geest". Men zegt echter van de H. Geest, dat "Hij voor ons bidt", omdat Hij ons doet bidden.
R: q. 20 a. 1[t:iiia q. 20 a. 1]
3e Weerlegging. Omdat de Heilige Geest in alles aan God gelijk is, kan Hij niet het midden of de bemiddelaar tussen God en de mensen worden genoemd, maar alleen Christus, die "al is Hij naar de godheid aan de Vader gelijk, toch naar Zijn mensheid minder dan de Vader is", zoals wij zeiden (20° Kw., 1° Art.). Daarom ook zegt de Glossa bij de tekst uit de Galatenbrief (3, 20): "Christus is de middelaar", "Niet de Vader of de Heilige Geest". Men zegt echter van de H. Geest, dat "Hij voor ons bidt", omdat Hij ons doet bidden.
R: q. 20 a. 1[t:iiia q. 20 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was Christus als mens Middelaar tussen God en de mensen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 75 a. 4 co.[t:iiia q. 75 a. 4 co.]
IIIa q. 26 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus niet als mens middelaar tussen God en de mensen is. Want Augustinus zegt in het boek Tegen Felicianus (10e H.): "Er is maar een persoon van Christus, opdat er een Christus en een zelfstandigheid zou zijn, en opdat Hij niet met opheffing van Zijn werk als middelaar of alleen van God of alleen van een mens de Zoon zou worden genoemd". Nu is Hij niet als mens Zoon van God en mens, maar in zover Hij tegelijk God en mens is. Maar dan moet men evenmin zeggen, dat Hij alleen in zover Hij mens is, middelaar is tussen God en de mensen.
IIIa q. 75 a. 4 co.[t:iiia q. 75 a. 4 co.]
IIIa q. 26 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus niet als mens middelaar tussen God en de mensen is. Want Augustinus zegt in het boek Tegen Felicianus (10e H.): "Er is maar een persoon van Christus, opdat er een Christus en een zelfstandigheid zou zijn, en opdat Hij niet met opheffing van Zijn werk als middelaar of alleen van God of alleen van een mens de Zoon zou worden genoemd". Nu is Hij niet als mens Zoon van God en mens, maar in zover Hij tegelijk God en mens is. Maar dan moet men evenmin zeggen, dat Hij alleen in zover Hij mens is, middelaar is tussen God en de mensen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Zoals Christus als God gelijk is aan de Vader en de Heilige Geest, is Hij als mens gelijk aan de mensen. Nu kan Hij niet, omdat Hij als God aan de Vader en de Heilige Geest gelijk is, middelaar worden genoemd precies als God, want bij het aangehaalde woord uit de Eerste Brief aan Timotheus, (2, 5): "Middelaar tussen God en de mensen", zegt de Glossa: "Niet als het Woord staat Hij middenin, want dan is Hij gelijk aan God en God bij God en tegelijk een God". Dus kan Hij evenmin als mens middelaar worden genoemd, omdat Hij met de mensen overeenkomt.
B: (1Tim 2:5) [b:1Tim 2:5]
Vervolgens. Zoals Christus als God gelijk is aan de Vader en de Heilige Geest, is Hij als mens gelijk aan de mensen. Nu kan Hij niet, omdat Hij als God aan de Vader en de Heilige Geest gelijk is, middelaar worden genoemd precies als God, want bij het aangehaalde woord uit de Eerste Brief aan Timotheus, (2, 5): "Middelaar tussen God en de mensen", zegt de Glossa: "Niet als het Woord staat Hij middenin, want dan is Hij gelijk aan God en God bij God en tegelijk een God". Dus kan Hij evenmin als mens middelaar worden genoemd, omdat Hij met de mensen overeenkomt.
B: (1Tim 2:5) [b:1Tim 2:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Christus wordt Middelaar genoemd, omdat Hij ons met God heeft verzoend; en dat deed Hij door de zonde, die ons van God scheidde, weg te nemen. Nu komt het wegnemen van zonde niet aan Christus als mens, maar als God toe. Dus is Christus niet als mens middelaar, maar als God.
Vervolgens. Christus wordt Middelaar genoemd, omdat Hij ons met God heeft verzoend; en dat deed Hij door de zonde, die ons van God scheidde, weg te nemen. Nu komt het wegnemen van zonde niet aan Christus als mens, maar als God toe. Dus is Christus niet als mens middelaar, maar als God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 2 s. c.
Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt in De Stad Gods (9° B., 15° H.): "Christus is niet middelaar, omdat Hij het Woord is. Want het in hoogste mate onsterfelijke en gelukkige woord is ver van de mensen. Maar Hij is middelaar als mens".
Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt in De Stad Gods (9° B., 15° H.): "Christus is niet middelaar, omdat Hij het Woord is. Want het in hoogste mate onsterfelijke en gelukkige woord is ver van de mensen. Maar Hij is middelaar als mens".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 2 co.
Mijn antwoord. Twee dingen kunnen wij in een middelaar beschouwen: het staan tussen beiden in en ten tweede de taak om hen te verenigen. Tot het tussen beiden instaan nu behoort het op een afstand van beiden staan; en de middelaar verenigt door dat hij wat van de een is naar de ander brengt. Geen van deze beide dingen echter kan Christus in zover Hij God is toekomen, maar alleen in zover Hij mens is. Want als God verschilt Hij in natuur en heersersmacht niet van de Vader en de H. Geest, en dezen hebben niets wat ook niet van de Zoon is en dat Hij als andere toebehorend van de Vader en de H. Geest naar anderen zou kunnen brengen. Maar beide dingen komen Hem wel als mens toe. Als mens immers, staat Hij in natuur op een afstand van God en in waardigheid van genade en heerlijkheid van de mensen. In zover Hij mens is, komt het Hem ook toe de mensen met God te verenigen door hun de geboden en gaven te brengen en tegenover God voor hen te voldoen en hun voorspraak te zijn. En zo wordt Hij in meest ware zin als mens middelaar genoemd.
Mijn antwoord. Twee dingen kunnen wij in een middelaar beschouwen: het staan tussen beiden in en ten tweede de taak om hen te verenigen. Tot het tussen beiden instaan nu behoort het op een afstand van beiden staan; en de middelaar verenigt door dat hij wat van de een is naar de ander brengt. Geen van deze beide dingen echter kan Christus in zover Hij God is toekomen, maar alleen in zover Hij mens is. Want als God verschilt Hij in natuur en heersersmacht niet van de Vader en de H. Geest, en dezen hebben niets wat ook niet van de Zoon is en dat Hij als andere toebehorend van de Vader en de H. Geest naar anderen zou kunnen brengen. Maar beide dingen komen Hem wel als mens toe. Als mens immers, staat Hij in natuur op een afstand van God en in waardigheid van genade en heerlijkheid van de mensen. In zover Hij mens is, komt het Hem ook toe de mensen met God te verenigen door hun de geboden en gaven te brengen en tegenover God voor hen te voldoen en hun voorspraak te zijn. En zo wordt Hij in meest ware zin als mens middelaar genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Neemt men de goddelijke natuur van Christus weg, dan wordt Hem dientengevolge de bijzondere volheid van genade, die Hem als Eeniggeboren des Vaders, zoals Johannes (1, 14) Hem noemt, toekomt ook ontnomen. En juist door deze volheid van genade heeft Hij het boven de mensen staan en dichter tot God naderen.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
1e Weerlegging. Neemt men de goddelijke natuur van Christus weg, dan wordt Hem dientengevolge de bijzondere volheid van genade, die Hem als Eeniggeboren des Vaders, zoals Johannes (1, 14) Hem noemt, toekomt ook ontnomen. En juist door deze volheid van genade heeft Hij het boven de mensen staan en dichter tot God naderen.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Als God is Christus in alles aan de Vader gelijk. Maar de andere mensen overtreft Hij zelfs in de menselijke natuur. Daarom kan Hij als mens middelaar zijn, maar niet als God.
2e Weerlegging. Als God is Christus in alles aan de Vader gelijk. Maar de andere mensen overtreft Hij zelfs in de menselijke natuur. Daarom kan Hij als mens middelaar zijn, maar niet als God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 26 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Al komt het aan Christus in zover Hij God is toe met macht de zonden weg te nemen, toch komt het Hem als mens toe voor de zonden van het menselijk geslacht te voldoen. En juist krachtens dit laatste wordt Hij middelaar tussen God en de mensen genoemd.
3e Weerlegging. Al komt het aan Christus in zover Hij God is toe met macht de zonden weg te nemen, toch komt het Hem als mens toe voor de zonden van het menselijk geslacht te voldoen. En juist krachtens dit laatste wordt Hij middelaar tussen God en de mensen genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Over de Moeder van God (27-30)
- Q 27: Over de heiliging der H. Maagd
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 37 a. 4 arg. 1[t:iiia q. 37 a. 4 arg. 1]
IIIa q. 27 pr.
Na gehandeld te hebben zowel over de vereniging van God en mens in Christus, als over datgene wat uit deze vereniging volgt, moeten we nu gaan spreken over hetgeen de mensgeworden Zoon van God gedaan en geleden heeft in de menselijke natuur, die Hij met zich verenigde. Deze beschouwing nu zal bestaan uit vier delen. Want eerstens zullen we nagaan datgene wat betrekking heeft op zijn komst in deze wereld; vervolgens datgene wat bij zijn levensloop behoort; ten derde, zijn heengaan uit deze wereld; ten vierde, datgene wat behoort bij zijn verheerlijking na dit leven.
Aangaande het eerstgenoemde vragen vier punten onze aandacht:
1° nl. Christus’ ontvangenis;
vervolgens zijn geboorte;
3° zijn besnijdenis;
4° zijn doop.
Wat nu zijn ontvangenis betreft, moeten we spreken:
1° over de moeder, die Hem ontving;
2° over de wijze der ontvangenis;
3° over de volmaaktheid van het ontvangen kind.
Betreffende de moeder nu staan ons deze vier punten te behandelen:
1° haar heiliging;
2° haar maagdelijkheid;
3° haar verloving;
4° de boodschap des engels, d. w. z. haar voorbereid worden op het ontvangen.
Omtrent de eerste kwestie worden zes vragen gesteld:
1. Is de H. Maagd, de Moeder Gods geheiligd voordat zij uit de moederschoot geboren werd?
2. Werd zij geheiligd voordat zij de menselijke ziel ontvangen had?
3. Werd door deze heiliging de haard der zonde geheel bij haar weggenomen?
4. Verkreeg zij door deze heiliging, dat zij nooit zou zondigen?
5. Verkreeg zij door deze heiliging de volheid van genaden?
6. Was een dergelijke heiliging iets eigens voor haar alleen?
IIIa q. 37 a. 4 arg. 1[t:iiia q. 37 a. 4 arg. 1]
IIIa q. 27 pr.
Na gehandeld te hebben zowel over de vereniging van God en mens in Christus, als over datgene wat uit deze vereniging volgt, moeten we nu gaan spreken over hetgeen de mensgeworden Zoon van God gedaan en geleden heeft in de menselijke natuur, die Hij met zich verenigde. Deze beschouwing nu zal bestaan uit vier delen. Want eerstens zullen we nagaan datgene wat betrekking heeft op zijn komst in deze wereld; vervolgens datgene wat bij zijn levensloop behoort; ten derde, zijn heengaan uit deze wereld; ten vierde, datgene wat behoort bij zijn verheerlijking na dit leven.
Aangaande het eerstgenoemde vragen vier punten onze aandacht:
1° nl. Christus’ ontvangenis;
vervolgens zijn geboorte;
3° zijn besnijdenis;
4° zijn doop.
Wat nu zijn ontvangenis betreft, moeten we spreken:
1° over de moeder, die Hem ontving;
2° over de wijze der ontvangenis;
3° over de volmaaktheid van het ontvangen kind.
Betreffende de moeder nu staan ons deze vier punten te behandelen:
1° haar heiliging;
2° haar maagdelijkheid;
3° haar verloving;
4° de boodschap des engels, d. w. z. haar voorbereid worden op het ontvangen.
Omtrent de eerste kwestie worden zes vragen gesteld:
1. Is de H. Maagd, de Moeder Gods geheiligd voordat zij uit de moederschoot geboren werd?
2. Werd zij geheiligd voordat zij de menselijke ziel ontvangen had?
3. Werd door deze heiliging de haard der zonde geheel bij haar weggenomen?
4. Verkreeg zij door deze heiliging, dat zij nooit zou zondigen?
5. Verkreeg zij door deze heiliging de volheid van genaden?
6. Was een dergelijke heiliging iets eigens voor haar alleen?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is de H. Maagd geheiligd, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 27 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 27 a. 2 arg. 1]
IIIa q. 27 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de H. Maagd niet geheiligd is, voordat zij uit de moederschoot geboren werd. Want de Apostel schrijft in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 46): "Niet het geestelijke gaat vooraf, maar wel het bezielde; daarna komt het geestelijke". Maar door de heiligmakende genade wordt de mens geestelijkerwijs geboren tot kind Gods, blijkens Joannes (1, 13): "Uit God zijn zij geboren". De geboorte echter uit de moederschoot is de geboorte van het bezielde. Derhalve is de H. Maagd niet geheiligd, voordat zij uit de moederschoot geboren werd.
B: (John 1:13) [b:John 1:13] (1Cor 15:46) [b:1Cor 15:46]
IIIa q. 27 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 27 a. 2 arg. 1]
IIIa q. 27 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de H. Maagd niet geheiligd is, voordat zij uit de moederschoot geboren werd. Want de Apostel schrijft in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 46): "Niet het geestelijke gaat vooraf, maar wel het bezielde; daarna komt het geestelijke". Maar door de heiligmakende genade wordt de mens geestelijkerwijs geboren tot kind Gods, blijkens Joannes (1, 13): "Uit God zijn zij geboren". De geboorte echter uit de moederschoot is de geboorte van het bezielde. Derhalve is de H. Maagd niet geheiligd, voordat zij uit de moederschoot geboren werd.
B: (John 1:13) [b:John 1:13] (1Cor 15:46) [b:1Cor 15:46]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Augustinus schrijft in zijn Brief aan Dardanus: "De heiliging, waardoor we Gods tempel worden, vindt je uitsluitend bij de herborenen". Niemand echter wordt herboren, tenzij hij eerst geboren is. Derhalve is de H. Maagd niet geheiligd, voordat zij uit de moederschoot geboren werd.
Vervolgens. Augustinus schrijft in zijn Brief aan Dardanus: "De heiliging, waardoor we Gods tempel worden, vindt je uitsluitend bij de herborenen". Niemand echter wordt herboren, tenzij hij eerst geboren is. Derhalve is de H. Maagd niet geheiligd, voordat zij uit de moederschoot geboren werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Al wie door de genade geheiligd is, is gezuiverd van erfzonde en persoonlijke zonde. Indien derhalve de H. Maagd geheiligd is, voordat zij uit de moederschoot geboren werd, dan was zij toen bijgevolg gezuiverd van de erfzonde. Maar alleen de erfzonde kon voor haar een beletsel zijn, het hemelrijk binnen te treden. Zo zij dus toen gestorven was, zou zij de poort van het hemelrijk zijn binnengegaan. Dit echter was onmogelijk vóór het lijden van Christus, blijkens de woorden van de Apostel (Hebreeënbrief, 10, 19): "Wij toch hebben de vaste zekerheid, dat door het Bloed van Jezus de weg tot het heiligdom openstaat". Derhalve, zo beweert men, is de H. Maagd niet geheiligd, voordat zij uit de moederschoot geboren werd.
B: (Heb 10:19) [b:Heb 10:19]
Vervolgens. Al wie door de genade geheiligd is, is gezuiverd van erfzonde en persoonlijke zonde. Indien derhalve de H. Maagd geheiligd is, voordat zij uit de moederschoot geboren werd, dan was zij toen bijgevolg gezuiverd van de erfzonde. Maar alleen de erfzonde kon voor haar een beletsel zijn, het hemelrijk binnen te treden. Zo zij dus toen gestorven was, zou zij de poort van het hemelrijk zijn binnengegaan. Dit echter was onmogelijk vóór het lijden van Christus, blijkens de woorden van de Apostel (Hebreeënbrief, 10, 19): "Wij toch hebben de vaste zekerheid, dat door het Bloed van Jezus de weg tot het heiligdom openstaat". Derhalve, zo beweert men, is de H. Maagd niet geheiligd, voordat zij uit de moederschoot geboren werd.
B: (Heb 10:19) [b:Heb 10:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 1 arg. 4
Vervolgens. De erfzonde wordt gecontraheerd (1) door de voortkomst, evenals de persoonlijke zonde door onze persoonlijke daad. Welnu, iemand kan niet van zijn persoonlijke zonde gezuiverd worden, zolang hij nog metterdaad aan het zondigen is. Derhalve kon ook de H. Maagd niet van de erfzonde gezuiverd worden, zolang zij nog metterdaad aan het voortkomen was, d. w. z. zolang zij nog aanwezig was in de moederschoot.
Vervolgens. De erfzonde wordt gecontraheerd (1) door de voortkomst, evenals de persoonlijke zonde door onze persoonlijke daad. Welnu, iemand kan niet van zijn persoonlijke zonde gezuiverd worden, zolang hij nog metterdaad aan het zondigen is. Derhalve kon ook de H. Maagd niet van de erfzonde gezuiverd worden, zolang zij nog metterdaad aan het voortkomen was, d. w. z. zolang zij nog aanwezig was in de moederschoot.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Kerk het Geboortefeest der H. Maagd viert. In de Kerk echter wordt geen enkel feest gevierd dan voor een of andere Heilige. Derhalve was de H. Maagd bij haar geboorte zelf reeds heilig. Dus is zij in de moederschoot geheiligd.
Daartegenover staat echter, dat de Kerk het Geboortefeest der H. Maagd viert. In de Kerk echter wordt geen enkel feest gevierd dan voor een of andere Heilige. Derhalve was de H. Maagd bij haar geboorte zelf reeds heilig. Dus is zij in de moederschoot geheiligd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 1 co.
Mijn antwoord. In de H. Schrift staat niets opgetekend over de heiliging der H. Maagd, dat zij namelijk in de moederschoot geheiligd is; maar de H. Schrift maakt evenmin melding van haar geboorte. Doch zoals Augustinus in zijn *Verhandeling over de ten-Hemel-opneming der H. Maagd*, op redelijke gronden beredeneert, dat zij met haar lichaam ten hemel is opgenomen, waarover de H. Schrift echter niets mededeelt, zo ook kunnen we op redelijke gronden aannemelijk maken, dat zij in de moederschoot geheiligd is. Want redelijk is het, aan te nemen, dat de moeder van de *Eengeborene uit de Vader*, die vol van genade en waarheid is (Joannes, 1, 14) grotere genade-voorrechten ontving dan alle anderen; vandaar lezen we bij *Lucas* (1, 28), dat de engel tot haar zei: "Wees gegroet, jij, vol van genade". Nu weten we echter, dat wel aan sommige anderen als een voorrecht gegeven is, dat zij in de moederschoot geheiligd werden: zoals Jeremias, tot wien gezegd werd (Jeremias, 1, 5): "Eer jij voortkwam uit het lichaam uwer moeder, heiligde ik u"; eveneens Joannes de Doper, over wie gezegd is (Lucas, 1, 15): "Reeds van de schoot zijner moeder af zal hij vervuld worden van de Heilige Geest". Op redelijke grond derhalve gelooft men, dat de H. Maagd geheiligd is, voordat zij uit de moederschoot geboren werd.
B: (Luke 1:28) [b:Luke 1:28]
Mijn antwoord. In de H. Schrift staat niets opgetekend over de heiliging der H. Maagd, dat zij namelijk in de moederschoot geheiligd is; maar de H. Schrift maakt evenmin melding van haar geboorte. Doch zoals Augustinus in zijn *Verhandeling over de ten-Hemel-opneming der H. Maagd*, op redelijke gronden beredeneert, dat zij met haar lichaam ten hemel is opgenomen, waarover de H. Schrift echter niets mededeelt, zo ook kunnen we op redelijke gronden aannemelijk maken, dat zij in de moederschoot geheiligd is. Want redelijk is het, aan te nemen, dat de moeder van de *Eengeborene uit de Vader*, die vol van genade en waarheid is (Joannes, 1, 14) grotere genade-voorrechten ontving dan alle anderen; vandaar lezen we bij *Lucas* (1, 28), dat de engel tot haar zei: "Wees gegroet, jij, vol van genade". Nu weten we echter, dat wel aan sommige anderen als een voorrecht gegeven is, dat zij in de moederschoot geheiligd werden: zoals Jeremias, tot wien gezegd werd (Jeremias, 1, 5): "Eer jij voortkwam uit het lichaam uwer moeder, heiligde ik u"; eveneens Joannes de Doper, over wie gezegd is (Lucas, 1, 15): "Reeds van de schoot zijner moeder af zal hij vervuld worden van de Heilige Geest". Op redelijke grond derhalve gelooft men, dat de H. Maagd geheiligd is, voordat zij uit de moederschoot geboren werd.
B: (Luke 1:28) [b:Luke 1:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Ook in de H. Maagd ging het bezielde vooraf en kwam daarna het geestelijke, doordat zij eerst naar het vlees ontvangen werd en vervolgens naar de geest werd geheiligd.
B: (Jer 1:5) [b:Jer 1:5] (Luke 1:15) [b:Luke 1:15]
1e Weerlegging. Ook in de H. Maagd ging het bezielde vooraf en kwam daarna het geestelijke, doordat zij eerst naar het vlees ontvangen werd en vervolgens naar de geest werd geheiligd.
B: (Jer 1:5) [b:Jer 1:5] (Luke 1:15) [b:Luke 1:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Augustinus spreekt daar overeenkomstig de algemene wet, volgens welke niemand door de sacramenten herboren wordt, tenzij men eerst geboren is. Maar God heeft zijn macht niet zodanig gebonden aan deze sacramentenwet, dat Hij aan sommige personen, krachtens een bijzonder voorrecht, zijn genade niet zou kunnen mededelen, voordat zij uit de moederschoot geboren zijn.
2e Weerlegging. Augustinus spreekt daar overeenkomstig de algemene wet, volgens welke niemand door de sacramenten herboren wordt, tenzij men eerst geboren is. Maar God heeft zijn macht niet zodanig gebonden aan deze sacramentenwet, dat Hij aan sommige personen, krachtens een bijzonder voorrecht, zijn genade niet zou kunnen mededelen, voordat zij uit de moederschoot geboren zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. De H. Maagd werd in de moederschoot gezuiverd van de erfzonde voor zover deze een persoonlijke zondesmet is, doch zij werd niet bevrijd van de strafschuldigheid, waardoor de gehele menselijke natuur strafschuldig bleef, zodat zij het hemels Paradijs niet zou binnengaan tenzij door de offerande van Christus; zoals dit ook wordt geleerd over de Heilige Vaders, die vóór Christus leefden.
3e Weerlegging. De H. Maagd werd in de moederschoot gezuiverd van de erfzonde voor zover deze een persoonlijke zondesmet is, doch zij werd niet bevrijd van de strafschuldigheid, waardoor de gehele menselijke natuur strafschuldig bleef, zodat zij het hemels Paradijs niet zou binnengaan tenzij door de offerande van Christus; zoals dit ook wordt geleerd over de Heilige Vaders, die vóór Christus leefden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. De erfzonde wordt door de voortkomst verkregen in zover er de menselijke natuur door wordt medegedeeld, waartoe nu juist de erfzonde betrekking heeft. De menselijke natuur nu wordt ons medegedeeld, wanneer aan het ontvangen kind de ziel wordt ingebracht. Derhalve is er niets op tegen, dat het ontvangen kind, na bezield te zijn, geheiligd wordt; nadien toch blijft het niet in de moederschoot, om de menselijke natuur te ontvangen, maar opdat datgene, wat het reeds ontving, tot een zekere volmaaktheid zou worden gebracht.
4e Weerlegging. De erfzonde wordt door de voortkomst verkregen in zover er de menselijke natuur door wordt medegedeeld, waartoe nu juist de erfzonde betrekking heeft. De menselijke natuur nu wordt ons medegedeeld, wanneer aan het ontvangen kind de ziel wordt ingebracht. Derhalve is er niets op tegen, dat het ontvangen kind, na bezield te zijn, geheiligd wordt; nadien toch blijft het niet in de moederschoot, om de menselijke natuur te ontvangen, maar opdat datgene, wat het reeds ontving, tot een zekere volmaaktheid zou worden gebracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Werd de H. Maagd geheiligd, vóórdat zij de menselijke ziel ontvangen had?
IIIa q. 27 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Werd de H. Maagd geheiligd, vóórdat zij de menselijke ziel ontvangen had? Want, zoals (in het vorige Artikel) gezegd is, werden aan de H. Maagd, de Moeder Gods, méér genaden geschonken, dan aan één der andere heiligen. Maar aan sommige heiligen nu is, naar men beweert, verleend, dat zij geheiligd werden, vóórdat zij de menselijke ziel ontvingen. Tot Jeremias toch werd gezegd (Jeremias, 1, 5): "Eer Ik u vormde in de moederschoot, kende Ik u"; de ziel wordt echter niet ingestort, vóórdat het lichaam gevormd is. Eveneens schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (1e B.; verklaring op 1, 15) aangaande Joannes de Doper: "de geest des levens was nog niet in hem, en reeds woonde in hem de Geest der genade". Derhalve kon toch veel meer de H. Maagd geheiligd worden, voordat zij de menselijke ziel ontvangen had.
B: (Jer 1:5) [b:Jer 1:5]
R: q. 27 a. 1[t:iiia q. 27 a. 1]
Over het tweede als volgt. Werd de H. Maagd geheiligd, vóórdat zij de menselijke ziel ontvangen had? Want, zoals (in het vorige Artikel) gezegd is, werden aan de H. Maagd, de Moeder Gods, méér genaden geschonken, dan aan één der andere heiligen. Maar aan sommige heiligen nu is, naar men beweert, verleend, dat zij geheiligd werden, vóórdat zij de menselijke ziel ontvingen. Tot Jeremias toch werd gezegd (Jeremias, 1, 5): "Eer Ik u vormde in de moederschoot, kende Ik u"; de ziel wordt echter niet ingestort, vóórdat het lichaam gevormd is. Eveneens schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (1e B.; verklaring op 1, 15) aangaande Joannes de Doper: "de geest des levens was nog niet in hem, en reeds woonde in hem de Geest der genade". Derhalve kon toch veel meer de H. Maagd geheiligd worden, voordat zij de menselijke ziel ontvangen had.
B: (Jer 1:5) [b:Jer 1:5]
R: q. 27 a. 1[t:iiia q. 27 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Zoals Anselmus in zijn werk Over het Maagdelijk Ontvangen (18e H.) leert, was het passend, dat "deze Maagd met zulk een reinheid zou schitteren, als er buiten God geen grotere denkbaar is"; vandaar dan ook heet het in het Hooglied (4, 7): "Geheel schoon zijt gij, Mijne vriendin, en geen smet is in u". De reinheid nu der H. Maagd zou groter zijn geweest, zo zij nooit bevlekt was geworden door de smet der erfzonde. Derhalve werd haar verleend, geheiligd te worden, voordat haar lichaam de menselijke ziel ontving.
B: (Song 4:7) [b:Song 4:7]
Vervolgens. Zoals Anselmus in zijn werk Over het Maagdelijk Ontvangen (18e H.) leert, was het passend, dat "deze Maagd met zulk een reinheid zou schitteren, als er buiten God geen grotere denkbaar is"; vandaar dan ook heet het in het Hooglied (4, 7): "Geheel schoon zijt gij, Mijne vriendin, en geen smet is in u". De reinheid nu der H. Maagd zou groter zijn geweest, zo zij nooit bevlekt was geworden door de smet der erfzonde. Derhalve werd haar verleend, geheiligd te worden, voordat haar lichaam de menselijke ziel ontving.
B: (Song 4:7) [b:Song 4:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Zoals (in het tegen-bewijs van het vorige Artikel) gezegd is, wordt er geen feest gevierd dan voor een of andere heilige. Sommigen nu vieren het feest der Ontvangenis der H. Maagd. Derhalve, zo beweert men, was zij bij haar ontvangenis zelf reeds heilig. Bijgevolg, zo beweert men, werd zij geheiligd, eer zij de menselijke ziel ontving.
Vervolgens. Zoals (in het tegen-bewijs van het vorige Artikel) gezegd is, wordt er geen feest gevierd dan voor een of andere heilige. Sommigen nu vieren het feest der Ontvangenis der H. Maagd. Derhalve, zo beweert men, was zij bij haar ontvangenis zelf reeds heilig. Bijgevolg, zo beweert men, werd zij geheiligd, eer zij de menselijke ziel ontving.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 2 arg. 4
Vervolgens. De Apostel schrijft in de Romeinenbrief (11, 16): "Is de wortel heilig, dan ook de takken". De wortel nu der kinderen zijn hun ouders. Derhalve kon de H. Maagd ook in haar ouders geheiligd worden, nog voordat zij de menselijke ziel ontvangen had.
B: (Rom 11:16) [b:Rom 11:16]
Vervolgens. De Apostel schrijft in de Romeinenbrief (11, 16): "Is de wortel heilig, dan ook de takken". De wortel nu der kinderen zijn hun ouders. Derhalve kon de H. Maagd ook in haar ouders geheiligd worden, nog voordat zij de menselijke ziel ontvangen had.
B: (Rom 11:16) [b:Rom 11:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat, hetgeen in het Oude Verbond geschiedde, een voorafbeelding is van het Nieuwe Verbond, blijkens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 11): "Dit alles nu overkwam hun als een voorafbeelding" (voor ons). Welnu, door de heiliging van de tabernakel — waarover in het Boek der Psalmen (Ps. 45, 5) geschreven staat: "De Allerhoogste heiligde zijn woontent" — werd, naar men beweert, de heiliging voorafgebeeld der Moeder Gods, die Gods woontent wordt genoemd overeenkomstig het Psalmwoord (Ps. 18, 6): "In de zon plaatste Hij zijn woontent". Aangaande de tabernakel echter lezen we in het Boek van de Uittocht (40, 31-32): "Nadat alles voltooid was, bedekte de wolk de tabernakel der getuigenis, en de heerlijkheid des Heren vervulde hem". Derhalve werd ook de H. Maagd slechts geheiligd, nadat alles af was, d. w. z.: toen haar ziel en lichaam voltooid waren.
B: (Exod 40:31) [b:Exod 40:31] (Exod 40:32) [b:Exod 40:32] (Ps 18:6) [b:Ps 18:6] (Ps 45:5) [b:Ps 45:5] (1Cor 10:11) [b:1Cor 10:11]
Daartegenover staat echter, dat, hetgeen in het Oude Verbond geschiedde, een voorafbeelding is van het Nieuwe Verbond, blijkens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 11): "Dit alles nu overkwam hun als een voorafbeelding" (voor ons). Welnu, door de heiliging van de tabernakel — waarover in het Boek der Psalmen (Ps. 45, 5) geschreven staat: "De Allerhoogste heiligde zijn woontent" — werd, naar men beweert, de heiliging voorafgebeeld der Moeder Gods, die Gods woontent wordt genoemd overeenkomstig het Psalmwoord (Ps. 18, 6): "In de zon plaatste Hij zijn woontent". Aangaande de tabernakel echter lezen we in het Boek van de Uittocht (40, 31-32): "Nadat alles voltooid was, bedekte de wolk de tabernakel der getuigenis, en de heerlijkheid des Heren vervulde hem". Derhalve werd ook de H. Maagd slechts geheiligd, nadat alles af was, d. w. z.: toen haar ziel en lichaam voltooid waren.
B: (Exod 40:31) [b:Exod 40:31] (Exod 40:32) [b:Exod 40:32] (Ps 18:6) [b:Ps 18:6] (Ps 45:5) [b:Ps 45:5] (1Cor 10:11) [b:1Cor 10:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 2 co.
Mijn antwoord. Om een tweevoudige reden is het ondenkbaar, dat de H. Maagd geheiligd werd, vóórdat zij de menselijke ziel ontving. Ten eerste nl. omdat de heiliging, waarover we hier spreken, niets anders is dan het gezuiverd worden van de erfzonde: heiligheid toch is volledige zuiverheid, zoals Dionysius leert in zijn werk Over de Goddelijke Namen (12° H). Van zonde-schuld echter kan men slechts gezuiverd worden door de genade; nu kan uitsluitend een redelijk schepsel drager der genade zijn. En derhalve werd de H. Maagd niet geheiligd, vóórdat haar de redelijke ziel was ingestort. Ten tweede, daar uitsluitend een redelijk schepsel zonde-schuld kan hebben, is in een ontvangen kind geen zonde-schuld, vóórdat de redelijke ziel wordt ingestort. Bijgevolg, indien de H. Maagd hoe dan ook geheiligd zou zijn geworden vóór de instorting der menselijke ziel, zou zij nooit de vlek der erfzonde zijn opgelopen; en dus zou zij de verlossing en de heiligmaking, die ons gewordt door Christus, niet nodig hebben gehad. Van Hem nu wordt getuigd: "Hij zal zijn volk verlossen van hunne zonden" (Mattheus, 1, 21). Het is echter onjuist, dat Christus niet de Zaligmaker aller mensen zou zijn, zoals Hij in de Eerste Brief aan Timotheus (4, 10) genoemd wordt. Daaruit volgt, dat de heiliging der H. Maagd heeft plaats gehad na de instorting der menselijke ziel.
Mijn antwoord. Om een tweevoudige reden is het ondenkbaar, dat de H. Maagd geheiligd werd, vóórdat zij de menselijke ziel ontving. Ten eerste nl. omdat de heiliging, waarover we hier spreken, niets anders is dan het gezuiverd worden van de erfzonde: heiligheid toch is volledige zuiverheid, zoals Dionysius leert in zijn werk Over de Goddelijke Namen (12° H). Van zonde-schuld echter kan men slechts gezuiverd worden door de genade; nu kan uitsluitend een redelijk schepsel drager der genade zijn. En derhalve werd de H. Maagd niet geheiligd, vóórdat haar de redelijke ziel was ingestort. Ten tweede, daar uitsluitend een redelijk schepsel zonde-schuld kan hebben, is in een ontvangen kind geen zonde-schuld, vóórdat de redelijke ziel wordt ingestort. Bijgevolg, indien de H. Maagd hoe dan ook geheiligd zou zijn geworden vóór de instorting der menselijke ziel, zou zij nooit de vlek der erfzonde zijn opgelopen; en dus zou zij de verlossing en de heiligmaking, die ons gewordt door Christus, niet nodig hebben gehad. Van Hem nu wordt getuigd: "Hij zal zijn volk verlossen van hunne zonden" (Mattheus, 1, 21). Het is echter onjuist, dat Christus niet de Zaligmaker aller mensen zou zijn, zoals Hij in de Eerste Brief aan Timotheus (4, 10) genoemd wordt. Daaruit volgt, dat de heiliging der H. Maagd heeft plaats gehad na de instorting der menselijke ziel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De Heer zegt, dat Hij Jeremias vóór diens vorming in de moederschoot gekend heeft, nl. in zijn wetenschap der voorbestemming; maar Hij getuigt, dat Hij hem geheiligd heeft, niet vóór zijn vorming in de moederschoot, maar vóórdat hij uit de moederschoot uitging. Wat echter Ambrosius schrijft, dat de geest des levens nog niet in Joannes de Doper was, terwijl de Geest der genade reeds in hem woonde, moet men niet zo verstaan, alsof de geest des levens de levendmakende ziel betekent, maar in die zin, dat "geest" de van buiten ingeademde lucht betekent. — Men kan ook zeggen, dat de geest des levens nog niet in hem was, d. i. de ziel, was nog niet in hem naar haar klaarblijkelijke en volledige werkingen.
B: (Matt 1:21) [b:Matt 1:21] (1Tim 4:10) [b:1Tim 4:10]
1e Weerlegging. De Heer zegt, dat Hij Jeremias vóór diens vorming in de moederschoot gekend heeft, nl. in zijn wetenschap der voorbestemming; maar Hij getuigt, dat Hij hem geheiligd heeft, niet vóór zijn vorming in de moederschoot, maar vóórdat hij uit de moederschoot uitging. Wat echter Ambrosius schrijft, dat de geest des levens nog niet in Joannes de Doper was, terwijl de Geest der genade reeds in hem woonde, moet men niet zo verstaan, alsof de geest des levens de levendmakende ziel betekent, maar in die zin, dat "geest" de van buiten ingeademde lucht betekent. — Men kan ook zeggen, dat de geest des levens nog niet in hem was, d. i. de ziel, was nog niet in hem naar haar klaarblijkelijke en volledige werkingen.
B: (Matt 1:21) [b:Matt 1:21] (1Tim 4:10) [b:1Tim 4:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Indien de ziel der Maagd nooit besmet was geweest met de vlek der erfzonde, zou dit afbreuk doen aan de waardigheid van Christus, in zover Hij de algemene Zaligmaker is van alle mensen. En derhalve was buiten Christus, die als de algemene Verlosser niet verlost behoefde te worden, de reinheid der H. Maagd het grootst. Want Christus heeft op geenlei wijze de erfzonde gecontraheerd, maar zelfs reeds bij zijn ontvangenis was Hij heilig, volgens Lucas (1, 35): "het heilige, dat uit u zal geboren worden, zal de Zoon van God worden genoemd". Doch de H. Maagd contraheerde wel de erfzonde, maar werd daarvan gezuiverd, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd. En dit wordt aangeduid door Job (3,9), waar aangaande de nacht der erfzonde gezegd wordt: "dat hij wachte op het licht (d. w. z. op Christus) en hij zie het niet (want niets wat besmet was, kwam in Hem, die Wijsheid is, zoals we lezen in het Boek der Wijsheid (7, 25), noch ook zie hij de opgang van de rijzenden dageraad", d. w. z. der H. Maagd, die bij haar opgang bevrijd was van de erfzonde.
2e Weerlegging. Indien de ziel der Maagd nooit besmet was geweest met de vlek der erfzonde, zou dit afbreuk doen aan de waardigheid van Christus, in zover Hij de algemene Zaligmaker is van alle mensen. En derhalve was buiten Christus, die als de algemene Verlosser niet verlost behoefde te worden, de reinheid der H. Maagd het grootst. Want Christus heeft op geenlei wijze de erfzonde gecontraheerd, maar zelfs reeds bij zijn ontvangenis was Hij heilig, volgens Lucas (1, 35): "het heilige, dat uit u zal geboren worden, zal de Zoon van God worden genoemd". Doch de H. Maagd contraheerde wel de erfzonde, maar werd daarvan gezuiverd, vóórdat zij uit de moederschoot geboren werd. En dit wordt aangeduid door Job (3,9), waar aangaande de nacht der erfzonde gezegd wordt: "dat hij wachte op het licht (d. w. z. op Christus) en hij zie het niet (want niets wat besmet was, kwam in Hem, die Wijsheid is, zoals we lezen in het Boek der Wijsheid (7, 25), noch ook zie hij de opgang van de rijzenden dageraad", d. w. z. der H. Maagd, die bij haar opgang bevrijd was van de erfzonde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Hoewel de Romeinsche Kerk de Ontvangenis der H. Maagd niet viert, toch tolereert zij het gebruik van sommige andere Kerkprovincies, die dit feest wel vieren. Die viering mag dan ook niet heelemaal worden afgekeurd. Doch evenmin wordt door het vieren van het feest der Ontvangenis te verstaan gegeven, dat zij bij haar ontvangenis reeds heilig was. Maar, omdat we niet precies weten, op welk tijdstip zij geheiligd werd, viert men op de dag harer ontvangenis het feest harer heiliging, eerder dan het feest harer ontvangenis.
3e Weerlegging. Hoewel de Romeinsche Kerk de Ontvangenis der H. Maagd niet viert, toch tolereert zij het gebruik van sommige andere Kerkprovincies, die dit feest wel vieren. Die viering mag dan ook niet heelemaal worden afgekeurd. Doch evenmin wordt door het vieren van het feest der Ontvangenis te verstaan gegeven, dat zij bij haar ontvangenis reeds heilig was. Maar, omdat we niet precies weten, op welk tijdstip zij geheiligd werd, viert men op de dag harer ontvangenis het feest harer heiliging, eerder dan het feest harer ontvangenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. Er bestaat een tweevoudige heiliging. De ene van de gehele natuur, in zover nl. geheel de menselijke natuur bevrijd wordt van alle verderf, dat door zonde-schuld of straf veroorzaakt werd. Deze heiliging zal plaats hebben bij de verrijzenis des vleses. — De andere heiliging echter is een persoonlijke heiliging. Maar deze gaat niet over op het kind, dat lichamelijk wordt voortgebracht, daar deze heiliging geen betrekking heeft op het lichaam, maar op de geest. En derhalve, ook al waren de ouders der H. Maagd van de erfzonde gezuiverd, toch heeft de H. Maagd de erfzonde gecontraheerd, omdat zij ontvangen was onder de begeerlijkheid des vleses krachtens de huwelijkgemeenschap tussen man en vrouw; want Augustinus schrijft in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 12° H.), dat "elk kind, dat uit de huwelijkgemeenschap geboren wordt, een kind der zonde is".
B: (Job 3:9) [b:Job 3:9] (Luke 1:35) [b:Luke 1:35] (Wis 7:25) [b:Wis 7:25]
4e Weerlegging. Er bestaat een tweevoudige heiliging. De ene van de gehele natuur, in zover nl. geheel de menselijke natuur bevrijd wordt van alle verderf, dat door zonde-schuld of straf veroorzaakt werd. Deze heiliging zal plaats hebben bij de verrijzenis des vleses. — De andere heiliging echter is een persoonlijke heiliging. Maar deze gaat niet over op het kind, dat lichamelijk wordt voortgebracht, daar deze heiliging geen betrekking heeft op het lichaam, maar op de geest. En derhalve, ook al waren de ouders der H. Maagd van de erfzonde gezuiverd, toch heeft de H. Maagd de erfzonde gecontraheerd, omdat zij ontvangen was onder de begeerlijkheid des vleses krachtens de huwelijkgemeenschap tussen man en vrouw; want Augustinus schrijft in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 12° H.), dat "elk kind, dat uit de huwelijkgemeenschap geboren wordt, een kind der zonde is".
B: (Job 3:9) [b:Job 3:9] (Luke 1:35) [b:Luke 1:35] (Wis 7:25) [b:Wis 7:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: erd de H. Maagd gezuiverd van de besmetting van de zondehaard?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 27 a. 4 arg. 1
IIIa q. 27 a. 4 ad 1[t:iiia q. 27 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 27 a. 4 ad 1]
IIIa q. 27 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de H. Maagd niet gezuiverd werd van de besmetting van de haard der zonde. Want, zoals deze zonde-haard, die bestaat in de opstandigheid onzer lagere vermogens tegen de rede, een straf voor de erfzonde is, zo ook is de dood en het overige lichamelijke lijden een straf voor de erfzonde. De H. Maagd nu bleef wel onderworpen aan deze laatstgenoemde straffen. Derhalve was ook die zonde-haard niet geheel van haar weggenomen.
IIIa q. 27 a. 4 arg. 1
IIIa q. 27 a. 4 ad 1[t:iiia q. 27 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 27 a. 4 ad 1]
IIIa q. 27 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de H. Maagd niet gezuiverd werd van de besmetting van de haard der zonde. Want, zoals deze zonde-haard, die bestaat in de opstandigheid onzer lagere vermogens tegen de rede, een straf voor de erfzonde is, zo ook is de dood en het overige lichamelijke lijden een straf voor de erfzonde. De H. Maagd nu bleef wel onderworpen aan deze laatstgenoemde straffen. Derhalve was ook die zonde-haard niet geheel van haar weggenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 3 arg. 2
Vervolgens. In zijn *Tweede Brief aan de Korinthiërs* (12, 9) schrijft de Apostel: "Juist bij de zwakheid komt de deugd tot volmaaktheid"; hij spreekt daar over de zwakheid, die het gevolg is van onze zondehaard, want hij gewaagt (12, 7) van de prikkel des vleses die hij voelde. Welnu aan de H. Maagd moest niets ontnomen worden van datgene, wat betrekking heeft op de vervolmaking van haar deugd. Derhalve moest aan de H. Maagd de haard van zonde niet geheel ontnomen worden.
B: (2Cor 12:9) [b:2Cor 12:9]
Vervolgens. In zijn *Tweede Brief aan de Korinthiërs* (12, 9) schrijft de Apostel: "Juist bij de zwakheid komt de deugd tot volmaaktheid"; hij spreekt daar over de zwakheid, die het gevolg is van onze zondehaard, want hij gewaagt (12, 7) van de prikkel des vleses die hij voelde. Welnu aan de H. Maagd moest niets ontnomen worden van datgene, wat betrekking heeft op de vervolmaking van haar deugd. Derhalve moest aan de H. Maagd de haard van zonde niet geheel ontnomen worden.
B: (2Cor 12:9) [b:2Cor 12:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Damascenus zegt, dat de H. Geest, vóór de ontvangenis van de Zoon Gods, over de H. Maagd nederdaalde en haar reinigde. Dit nu kan slechts verstaan worden van de reiniging van de zondehaard; want zonde bedreef zij niet, gelijk Augustinus schrijft in zijn werk Over de Natuur en de Genade (36° H.). Derhalve werd zij door haar heiliging in de moederschoot niet onbeperkt gereinigd van de haard van zonde.
Vervolgens. Damascenus zegt, dat de H. Geest, vóór de ontvangenis van de Zoon Gods, over de H. Maagd nederdaalde en haar reinigde. Dit nu kan slechts verstaan worden van de reiniging van de zondehaard; want zonde bedreef zij niet, gelijk Augustinus schrijft in zijn werk Over de Natuur en de Genade (36° H.). Derhalve werd zij door haar heiliging in de moederschoot niet onbeperkt gereinigd van de haard van zonde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in het Hooglied (4, 7): "Geheel schoon zijt gij, mijn vriendin, en er is geen smet in u". De zondehaard nu behoort tot de smetten, minstens tot de smetten des vleses. Derhalve was er in de H. Maagd geen haard van zonde.
B: (Song 4:7) [b:Song 4:7]
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in het Hooglied (4, 7): "Geheel schoon zijt gij, mijn vriendin, en er is geen smet in u". De zondehaard nu behoort tot de smetten, minstens tot de smetten des vleses. Derhalve was er in de H. Maagd geen haard van zonde.
B: (Song 4:7) [b:Song 4:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 3 co.
Mijn antwoord. Hierover bestaan verschillende meningen. Sommigen zeiden toch, dat bij de heiliging zelf der H. Maagd, waardoor zij in de moederschoot geheiligd werd, de zondehaard geheel bij haar werd weggenomen. — Anderen echter houden, dat hij bleef voortbestaan, in zover hij het goede te doen bemoeilijkt, doch dat hij werd weggenomen, in zover hij doet heenneigen naar het kwaad. — Weer anderen echter leren, dat de haard van zonde werd weggenomen, voor zover hij haar persoon besmette, d.w.z. in zover hij doet heenneigen naar het kwaad en het doen van het goede moeilijk maakt, maar dat hij bleef, in zover hij de menselijke natuur in haar besmette, d.w.z. in zover hij de erfzonde op de kinderen doet overgaan. — Weer anderen echter houden, dat bij de eerste heiliging (in de moederschoot) de zondehaard naar zijn wezen bleef, doch als het ware krachteloos werd gemaakt; maar dat hij bij de ontvangenis van Gods Zoon geheel werd weggenomen. Tot een goed begrip hiervan, moet men bedenken, dat de zondehaard niets anders is dan de ongeregelde neiging van het zintuigelijk begeervermogen, maar dan als een blijvende toestand, als een vaardigheid, want de daadwerkelijke ongeregelde neiging is de zondedaad. Het zintuigelijk begeervermogen nu heet ongeregeld, in zover het in strijd is met het verstand; en het is daarmede in strijd, in zover het de mens doet heenneigen naar het kwaad, of het goeddoen bemoeilijkt. Zo men derhalve houdt, dat de zondehaard wèl in de H. Maagd bleef voortbestaan, doch dat deze haar niet naar het kwaad deed heenneigen, dan houdt men twee dingen, die aan elkaar zijn tegengesteld. Eveneens ligt er een zekere tegenspraak in, naar het schijnt, zo men houdt, dat de zondehaard bleef voortbestaan, in zover hij onder de besmetheid der natuur valt, doch dat hij werd weggenomen, in zover hij betrekking heeft op de besmetheid der persoon. Want volgens Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B, 24° H.), doet juist de vleselijke neiging de erfzonde op het kind overgaan. Deze vleselijke neiging echter sluit een ongeregelde begeerte in, welke niet geheel aan het verstand onderworpen is. Indien dus de zondehaard geheel werd weggenomen voor wat de besmetheid van de persoon betreft, dan zou hij niet kunnen blijven voortbestaan voor wat de besmetheid van de natuur betreft. Er blijft dus niets anders over dan te houden ófwel, dat de zondehaard door de eerste heiliging geheel van haar werd weggenomen, ófwel, dat hij bedwongen werd. Het algehele wegnemen van de zondehaard, in de H. Maagd, zou men zich kunnen denken, als kwam haar, krachtens de genade-overvloed, een dusdanige gesteltenis der zielsvermogens toe, dat de lagere vermogens nooit in werking zouden treden zonder de uitspraak van het verstand af te wachten; hetzelfde werd gezegd van Christus (15° Kw., 2° Art.), die klaarblijkelijk geen zondehaard in zich droeg, en tevens van Adam, voor de zondeval, uit kracht van de erfrechtvaardigheid, zoodat in de H. Maagd, betreffende dit punt, de heiligingsgenade kracht van erfrechtvaardigheid bezat. Maar, hoewel deze opvatting schijnt te passen bij de waardigheid der Moedermaagd, toch doet zij in zeker opzicht afbreuk aan de waardigheid van Christus, zonder wiens kracht niemand van de eerte veroordeling bevrijd wordt. En ook al werden er sommigen door hun geloof in Christus reeds vóór zijn menswording van die veroordeling bevrijd naar hun geest, toch moest het, naar het schijnt, niet voorkomen, dat iemand ook naar het lichaam van die veroordeling werd bevrijd, tenzij na zijn menswording; in die menswording toch moest het volstrekt vrijzijn van iedere veroordeling zich het eerst openbaren. En derhalve, gelijk niemand de onsterfelijkheid des vleses verkreeg, vóórdat het lichaam van de verrijzende Christus de onsterfelijkheid ontvangen had, zo ook lijkt het niet passend te beweren, dat vóór Christus' vlees, waarin geen enkele zonde was, toch reeds het vlees der H. Maagd, zijner Moeder, of van wie dan ook, zou geweest zijn zonder zondehaard, die dan toch ook de "wet des vleses" of "der ledematen" heet (Romeinenbrief, 7, 23, 25). Daarom lijkt het ons beter, te zeggen, dat de zondehaard door de heiliging in de moederschoot, bij de H. Maagd niet werd weggenomen naar zijn wezen, maar dat hij bleef voortbestaan, hoewel bedwongen. "Bedwongen", niet door de daad van haar verstand, zoals dit bij de Heiligen geschiedt, want, nog verblijvend in de schoot harer moeder, had zij maar niet aanstonds het gebruik van haar vrije wil. Dit toch was een bijzonder voorrecht van Christus. Maar gebonden door de overvloedige genade, die zij bij haar heiliging ontving, en vollediger nog tevens door Gods Voorzienigheid, die haar zintuigelijk begeervermogen van iedere ongeregelde opwelling weerhield. Maar men moet aannemen, dat later bij de ontvangenis zelf van Christus' vlees, waarin het volstrekt vrijzijn van alle zonde het allereerst moest uitschijnen, het algeheel vrijzijn van de zondehaard van het kind op de moeder overging. Dit nu wordt aangeduid door Ezechiël (43, 2): "Zie, de heerlijkheid van de God van Israël trad binnen langs de oostelijke weg, d.w.z. door de H. Maagd, en de aarde, d.i. haar vlees, glansde van zijn, d.i. Christus', heerlijkheid".
R: q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
Mijn antwoord. Hierover bestaan verschillende meningen. Sommigen zeiden toch, dat bij de heiliging zelf der H. Maagd, waardoor zij in de moederschoot geheiligd werd, de zondehaard geheel bij haar werd weggenomen. — Anderen echter houden, dat hij bleef voortbestaan, in zover hij het goede te doen bemoeilijkt, doch dat hij werd weggenomen, in zover hij doet heenneigen naar het kwaad. — Weer anderen echter leren, dat de haard van zonde werd weggenomen, voor zover hij haar persoon besmette, d.w.z. in zover hij doet heenneigen naar het kwaad en het doen van het goede moeilijk maakt, maar dat hij bleef, in zover hij de menselijke natuur in haar besmette, d.w.z. in zover hij de erfzonde op de kinderen doet overgaan. — Weer anderen echter houden, dat bij de eerste heiliging (in de moederschoot) de zondehaard naar zijn wezen bleef, doch als het ware krachteloos werd gemaakt; maar dat hij bij de ontvangenis van Gods Zoon geheel werd weggenomen. Tot een goed begrip hiervan, moet men bedenken, dat de zondehaard niets anders is dan de ongeregelde neiging van het zintuigelijk begeervermogen, maar dan als een blijvende toestand, als een vaardigheid, want de daadwerkelijke ongeregelde neiging is de zondedaad. Het zintuigelijk begeervermogen nu heet ongeregeld, in zover het in strijd is met het verstand; en het is daarmede in strijd, in zover het de mens doet heenneigen naar het kwaad, of het goeddoen bemoeilijkt. Zo men derhalve houdt, dat de zondehaard wèl in de H. Maagd bleef voortbestaan, doch dat deze haar niet naar het kwaad deed heenneigen, dan houdt men twee dingen, die aan elkaar zijn tegengesteld. Eveneens ligt er een zekere tegenspraak in, naar het schijnt, zo men houdt, dat de zondehaard bleef voortbestaan, in zover hij onder de besmetheid der natuur valt, doch dat hij werd weggenomen, in zover hij betrekking heeft op de besmetheid der persoon. Want volgens Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B, 24° H.), doet juist de vleselijke neiging de erfzonde op het kind overgaan. Deze vleselijke neiging echter sluit een ongeregelde begeerte in, welke niet geheel aan het verstand onderworpen is. Indien dus de zondehaard geheel werd weggenomen voor wat de besmetheid van de persoon betreft, dan zou hij niet kunnen blijven voortbestaan voor wat de besmetheid van de natuur betreft. Er blijft dus niets anders over dan te houden ófwel, dat de zondehaard door de eerste heiliging geheel van haar werd weggenomen, ófwel, dat hij bedwongen werd. Het algehele wegnemen van de zondehaard, in de H. Maagd, zou men zich kunnen denken, als kwam haar, krachtens de genade-overvloed, een dusdanige gesteltenis der zielsvermogens toe, dat de lagere vermogens nooit in werking zouden treden zonder de uitspraak van het verstand af te wachten; hetzelfde werd gezegd van Christus (15° Kw., 2° Art.), die klaarblijkelijk geen zondehaard in zich droeg, en tevens van Adam, voor de zondeval, uit kracht van de erfrechtvaardigheid, zoodat in de H. Maagd, betreffende dit punt, de heiligingsgenade kracht van erfrechtvaardigheid bezat. Maar, hoewel deze opvatting schijnt te passen bij de waardigheid der Moedermaagd, toch doet zij in zeker opzicht afbreuk aan de waardigheid van Christus, zonder wiens kracht niemand van de eerte veroordeling bevrijd wordt. En ook al werden er sommigen door hun geloof in Christus reeds vóór zijn menswording van die veroordeling bevrijd naar hun geest, toch moest het, naar het schijnt, niet voorkomen, dat iemand ook naar het lichaam van die veroordeling werd bevrijd, tenzij na zijn menswording; in die menswording toch moest het volstrekt vrijzijn van iedere veroordeling zich het eerst openbaren. En derhalve, gelijk niemand de onsterfelijkheid des vleses verkreeg, vóórdat het lichaam van de verrijzende Christus de onsterfelijkheid ontvangen had, zo ook lijkt het niet passend te beweren, dat vóór Christus' vlees, waarin geen enkele zonde was, toch reeds het vlees der H. Maagd, zijner Moeder, of van wie dan ook, zou geweest zijn zonder zondehaard, die dan toch ook de "wet des vleses" of "der ledematen" heet (Romeinenbrief, 7, 23, 25). Daarom lijkt het ons beter, te zeggen, dat de zondehaard door de heiliging in de moederschoot, bij de H. Maagd niet werd weggenomen naar zijn wezen, maar dat hij bleef voortbestaan, hoewel bedwongen. "Bedwongen", niet door de daad van haar verstand, zoals dit bij de Heiligen geschiedt, want, nog verblijvend in de schoot harer moeder, had zij maar niet aanstonds het gebruik van haar vrije wil. Dit toch was een bijzonder voorrecht van Christus. Maar gebonden door de overvloedige genade, die zij bij haar heiliging ontving, en vollediger nog tevens door Gods Voorzienigheid, die haar zintuigelijk begeervermogen van iedere ongeregelde opwelling weerhield. Maar men moet aannemen, dat later bij de ontvangenis zelf van Christus' vlees, waarin het volstrekt vrijzijn van alle zonde het allereerst moest uitschijnen, het algeheel vrijzijn van de zondehaard van het kind op de moeder overging. Dit nu wordt aangeduid door Ezechiël (43, 2): "Zie, de heerlijkheid van de God van Israël trad binnen langs de oostelijke weg, d.w.z. door de H. Maagd, en de aarde, d.i. haar vlees, glansde van zijn, d.i. Christus', heerlijkheid".
R: q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het zijn niet de dood en meer van dergelijke straffen die de geneigdheid tot de zonde geven. Vandaar dan ook, dat Christus, alhoewel Hij dergelijke straffen op zich nam, toch niet de haard van zonde heeft aangenomen. Vandaar tevens, dat, om gelijkvormig gemaakt te worden aan de Zoon, van wiens volheid zij de genade ontving (Joannes, 1, 16), in de H. Maagd eerst de zondehaard bedwongen werd en later is weggenomen. Zij werd echter niet vrijgesteld van de dood en van andere dergelijke straffen.
1e Weerlegging. Het zijn niet de dood en meer van dergelijke straffen die de geneigdheid tot de zonde geven. Vandaar dan ook, dat Christus, alhoewel Hij dergelijke straffen op zich nam, toch niet de haard van zonde heeft aangenomen. Vandaar tevens, dat, om gelijkvormig gemaakt te worden aan de Zoon, van wiens volheid zij de genade ontving (Joannes, 1, 16), in de H. Maagd eerst de zondehaard bedwongen werd en later is weggenomen. Zij werd echter niet vrijgesteld van de dood en van andere dergelijke straffen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De zwakheid des vleses, die met de zondehaard samenhangt, is in de Heiligen wel een aanleiding tot volmaakte deugdbeoefening, maar geen oorzaak, zonder welke men de volmaaktheid niet kan bezitten. Men kan er echter mee volstaan, met in de H. Maagd volmaakte deugd en overvloed van genade te aanvaarden, en het is niet nodig, in haar iedere mogelijke aanleiding tot volmaaktheid aan te nemen.
B: (Rom 7:23) [b:Rom 7:23] (Rom 7:25) [b:Rom 7:25]
2e Weerlegging. De zwakheid des vleses, die met de zondehaard samenhangt, is in de Heiligen wel een aanleiding tot volmaakte deugdbeoefening, maar geen oorzaak, zonder welke men de volmaaktheid niet kan bezitten. Men kan er echter mee volstaan, met in de H. Maagd volmaakte deugd en overvloed van genade te aanvaarden, en het is niet nodig, in haar iedere mogelijke aanleiding tot volmaaktheid aan te nemen.
B: (Rom 7:23) [b:Rom 7:23] (Rom 7:25) [b:Rom 7:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De H. Geest bewerkte in de H. Maagd een tweevoudige zuivering. De ene nl. was als het ware voorbereidend op de ontvangenis van Christus; dit nu was geen zuivering van enige onreinheid van zonde-schuld of van de zonde-haard, doch zij richtte haar geest meer op één punt en onttrok die aan het veelvormige (Vgl. Dionysius in zijn werk Over de Goddelijke Namen, 4e H.). Want ook van de Engelen zegt men, dat zij gezuiverd worden; en toch is in hen geen onreinheid te vinden, gelijk Dionysius schrijft in zijn werk Over de Hemelhoren (6e H.). — De andere heiliging voltrok de H. Geest in haar door middel van Christus' ontvangenis, die toch het werk is van de H. Geest. En op grond deze zuivering kan men zeggen, dat de H. Geest haar geheel van de zonde-haard heeft gereinigd.
B: (Ezek 43:2) [b:Ezek 43:2]
3e Weerlegging. De H. Geest bewerkte in de H. Maagd een tweevoudige zuivering. De ene nl. was als het ware voorbereidend op de ontvangenis van Christus; dit nu was geen zuivering van enige onreinheid van zonde-schuld of van de zonde-haard, doch zij richtte haar geest meer op één punt en onttrok die aan het veelvormige (Vgl. Dionysius in zijn werk Over de Goddelijke Namen, 4e H.). Want ook van de Engelen zegt men, dat zij gezuiverd worden; en toch is in hen geen onreinheid te vinden, gelijk Dionysius schrijft in zijn werk Over de Hemelhoren (6e H.). — De andere heiliging voltrok de H. Geest in haar door middel van Christus' ontvangenis, die toch het werk is van de H. Geest. En op grond deze zuivering kan men zeggen, dat de H. Geest haar geheel van de zonde-haard heeft gereinigd.
B: (Ezek 43:2) [b:Ezek 43:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Werd de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot gevrijwaard voor iedere persoonlijke zonde?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 27 a. 6 arg. 1
IIIa q. 28 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 27 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 28 a. 4 arg. 3]
IIIa q. 27 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot niet gevrijwaard werd voor iedere persoonlijke zonde. Want, zoals we gezien hebben (Vorige Art.), bleef na die eerste heiliging de zondehaard in de H. Maagd voortbestaan. Het in werking treden nu van de zondehaard, ook al geschiedt dit voordat het verstand uitspraak heeft gedaan, is een dagelijkse zonde, hoewel een zeer lichte, gelijk Augustinus schrijft in zijn werk, *Over de Drievuldigheid*. Derhalve was er in de H. Maagd een dagelijkse zonde.
R: q. 27 a. 3[t:iiia q. 27 a. 3]
IIIa q. 27 a. 6 arg. 1
IIIa q. 28 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 27 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 28 a. 4 arg. 3]
IIIa q. 27 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot niet gevrijwaard werd voor iedere persoonlijke zonde. Want, zoals we gezien hebben (Vorige Art.), bleef na die eerste heiliging de zondehaard in de H. Maagd voortbestaan. Het in werking treden nu van de zondehaard, ook al geschiedt dit voordat het verstand uitspraak heeft gedaan, is een dagelijkse zonde, hoewel een zeer lichte, gelijk Augustinus schrijft in zijn werk, *Over de Drievuldigheid*. Derhalve was er in de H. Maagd een dagelijkse zonde.
R: q. 27 a. 3[t:iiia q. 27 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Naar aanleiding van de woorden bij *Lucas* (2, 35): "Een zwaard zal uw eigen ziel doorboren", schrijft Augustinus in zijn werk "Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond", dat de H. Maagd bij de dood des Heren met een zekere verbazing twijfelde. Welnu, twijfelen aangaande het geloof is zonde. Derhalve was de H. Maagd niet voor alle zonde gevrijwaard.
B: (Luke 2:35) [b:Luke 2:35]
Vervolgens. Naar aanleiding van de woorden bij *Lucas* (2, 35): "Een zwaard zal uw eigen ziel doorboren", schrijft Augustinus in zijn werk "Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond", dat de H. Maagd bij de dood des Heren met een zekere verbazing twijfelde. Welnu, twijfelen aangaande het geloof is zonde. Derhalve was de H. Maagd niet voor alle zonde gevrijwaard.
B: (Luke 2:35) [b:Luke 2:35]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Waar Chrysostomus in zijn Homelie op Mattheus (44e) de woorden uitlegt: "Zie, Uw moeder en Uw broeders staan buiten en willen U spreken", schrijft hij: "Het is duidelijk, dat zij dit alleen uit ijdele roemzucht deden". En, waar hij de woorden van Joannes (2, 3) verklaart: "Ze hebben geen wijn meer", schrijft dezelfde Chrysostomus: "Hun wilde zij een gunst bewijzen en zichzelf wilde zij door haar Zoon beroemder maken; en misschien kwam er wel iets kleinmenselijks bij, zoals bij zijn broeders, toen zij zeiden: "Openbaar U zelf aan de wereld". En iets verder voegt hij er aan toe: "De mening, die zij over Hem moest hebben, bezat zij nog niet". Klaarblijkelijk is dit alles zondig. Derhalve werd de H. Maagd niet voor alle zonde gevrijwaard.
B: (John 2:3) [b:John 2:3]
Vervolgens. Waar Chrysostomus in zijn Homelie op Mattheus (44e) de woorden uitlegt: "Zie, Uw moeder en Uw broeders staan buiten en willen U spreken", schrijft hij: "Het is duidelijk, dat zij dit alleen uit ijdele roemzucht deden". En, waar hij de woorden van Joannes (2, 3) verklaart: "Ze hebben geen wijn meer", schrijft dezelfde Chrysostomus: "Hun wilde zij een gunst bewijzen en zichzelf wilde zij door haar Zoon beroemder maken; en misschien kwam er wel iets kleinmenselijks bij, zoals bij zijn broeders, toen zij zeiden: "Openbaar U zelf aan de wereld". En iets verder voegt hij er aan toe: "De mening, die zij over Hem moest hebben, bezat zij nog niet". Klaarblijkelijk is dit alles zondig. Derhalve werd de H. Maagd niet voor alle zonde gevrijwaard.
B: (John 2:3) [b:John 2:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn werk Over de Natuur en de Genade zegt: "Wanneer het over zonden gaat, wil ik, dat er om wille van de eer van Christus, volstrekt geen sprake zij van de H. Maagd Maria. Want wij weten, dat haar om wille dier eer van Christus, een overvloed van genade werd verleend, om van alle kanten de zonde te kunnen vermijden, omdat zij degene verdiende te ontvangen en te baren, die vanzelfsprekend geen enkele zonde had".
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn werk Over de Natuur en de Genade zegt: "Wanneer het over zonden gaat, wil ik, dat er om wille van de eer van Christus, volstrekt geen sprake zij van de H. Maagd Maria. Want wij weten, dat haar om wille dier eer van Christus, een overvloed van genade werd verleend, om van alle kanten de zonde te kunnen vermijden, omdat zij degene verdiende te ontvangen en te baren, die vanzelfsprekend geen enkele zonde had".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 4 co.
Mijn antwoord. Hen, die God tot enig ambt uitkiest, bekwaamt en ordent Hij innerlijk zó, dat zij geschikt bevonden worden voor het ambt, waartoe zij werden uitverkoren, blijkens de Tweede brief aan de Korinthiërs (3, 6): "Hij heeft ons bekwaam gemaakt, om bedienaars te worden van een nieuw Verbond". De H. Maagd nu werd door God uitverkoren, om moeder Gods te zijn. We mogen er derhalve niet aan twijfelen, dat God haar door zijn genade hiertoe geschikt maakte, zoals ook blijkt uit hetgeen de Engel tot haar zeide (Lucas, 1, 30 v.v.): "Gij hebt genade gevonden bij God: zie, gij zult in uw schoot ontvangen", enz. Zij zou echter geen passende moeder Gods zijn geweest, indien zij ooit gezondigd had. Niet alleen, omdat de eer der ouders overgaat op de kinderen, volgens het Boek der Spreuken (17, 6): "De roem der kinderen zijn hunne vaderen". Zo ook zou, omgekeerd, de oneer der moeder hebben teruggeslagen op de Zoon. — Maar ook, omdat zij in een bijzondere verwantschap stond met Christus, die uit haar het vlees aannam. In de Tweede Brief aan de Korinthiërs (6, 15) nu, heet het: "Wat voor overeenkomst bestaat er tusschen Christus en Belial?" — Tenslotte, omdat Gods Zoon, die de Wijsheid Gods is, op geheel bijzondere wijze in haar zijn intrek nam, niet slechts in haar ziel, maar tevens in haar lichaam. Welnu in het Boek der Wijsheid (1, 4) staat geschreven: "In een kwaadwillende ziel zal de Wijsheid niet ingaan, noch wonen in een lichaam, dat de zonden dienstbaar is". Bijgevolg moet men zonder meer erkennen, dat de H. Maagd geen enkele persoonlijke zonde, noch doodszonde, noch dagelijkse zonde heeft bedreven, opdat zodoende in haar in vervulling zou gaan hetgeen we lezen in het Hooglied (4, 7): "Geheel schoon zijt gij, mijn vriendin, en geen smet is in u", enz.
B: (Prov 17:6) [b:Prov 17:6] (Luke 1:30) [b:Luke 1:30] (Luke 1:31) [b:Luke 1:31] (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24] (2Cor 3:6) [b:2Cor 3:6] (2Cor 6:15) [b:2Cor 6:15] (Wis 1:4) [b:Wis 1:4]
Mijn antwoord. Hen, die God tot enig ambt uitkiest, bekwaamt en ordent Hij innerlijk zó, dat zij geschikt bevonden worden voor het ambt, waartoe zij werden uitverkoren, blijkens de Tweede brief aan de Korinthiërs (3, 6): "Hij heeft ons bekwaam gemaakt, om bedienaars te worden van een nieuw Verbond". De H. Maagd nu werd door God uitverkoren, om moeder Gods te zijn. We mogen er derhalve niet aan twijfelen, dat God haar door zijn genade hiertoe geschikt maakte, zoals ook blijkt uit hetgeen de Engel tot haar zeide (Lucas, 1, 30 v.v.): "Gij hebt genade gevonden bij God: zie, gij zult in uw schoot ontvangen", enz. Zij zou echter geen passende moeder Gods zijn geweest, indien zij ooit gezondigd had. Niet alleen, omdat de eer der ouders overgaat op de kinderen, volgens het Boek der Spreuken (17, 6): "De roem der kinderen zijn hunne vaderen". Zo ook zou, omgekeerd, de oneer der moeder hebben teruggeslagen op de Zoon. — Maar ook, omdat zij in een bijzondere verwantschap stond met Christus, die uit haar het vlees aannam. In de Tweede Brief aan de Korinthiërs (6, 15) nu, heet het: "Wat voor overeenkomst bestaat er tusschen Christus en Belial?" — Tenslotte, omdat Gods Zoon, die de Wijsheid Gods is, op geheel bijzondere wijze in haar zijn intrek nam, niet slechts in haar ziel, maar tevens in haar lichaam. Welnu in het Boek der Wijsheid (1, 4) staat geschreven: "In een kwaadwillende ziel zal de Wijsheid niet ingaan, noch wonen in een lichaam, dat de zonden dienstbaar is". Bijgevolg moet men zonder meer erkennen, dat de H. Maagd geen enkele persoonlijke zonde, noch doodszonde, noch dagelijkse zonde heeft bedreven, opdat zodoende in haar in vervulling zou gaan hetgeen we lezen in het Hooglied (4, 7): "Geheel schoon zijt gij, mijn vriendin, en geen smet is in u", enz.
B: (Prov 17:6) [b:Prov 17:6] (Luke 1:30) [b:Luke 1:30] (Luke 1:31) [b:Luke 1:31] (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24] (2Cor 3:6) [b:2Cor 3:6] (2Cor 6:15) [b:2Cor 6:15] (Wis 1:4) [b:Wis 1:4]
Referenties naar deze alinea: 1
Summi Dei Verbum ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Na de heiliging in de moederschoot bleef de zonde-haard wel voortbestaan in de H. Maagd, doch bedwongen, opdat hij namelijk niet zou uitslaan in een ongeregelde opvlamming, welke in werking zou treden nog eer het verstand uitspraak had gedaan. En hoewel de genade der heiliging tot dit in-bedwang-houden medewerkte, toch volstond zij daartoe niet; anders toch zou aan de H. Maagd krachtens die genade verleend zijn, dat er geen enkele opwelling in haar zintuigelijk begeervermogen kon plaats hebben, die niet door het verstand voorkomen was, en zodoende zou zij eigenlijk geen zonde-haard gehad hebben, hetgeen in strijd is met het boven behandelde (Vorige Art.). Derhalve moet men zeggen, dat Gods Voorzienigheid dit in-bedwang-houden aanvulde; zij liet niet toe, dat er enige ongeregelde opvlamming uit de zonde-haard uitsloeg.
B: (Song 4:7) [b:Song 4:7]
R: q. 27 a. 3[t:iiia q. 27 a. 3]
1e Weerlegging. Na de heiliging in de moederschoot bleef de zonde-haard wel voortbestaan in de H. Maagd, doch bedwongen, opdat hij namelijk niet zou uitslaan in een ongeregelde opvlamming, welke in werking zou treden nog eer het verstand uitspraak had gedaan. En hoewel de genade der heiliging tot dit in-bedwang-houden medewerkte, toch volstond zij daartoe niet; anders toch zou aan de H. Maagd krachtens die genade verleend zijn, dat er geen enkele opwelling in haar zintuigelijk begeervermogen kon plaats hebben, die niet door het verstand voorkomen was, en zodoende zou zij eigenlijk geen zonde-haard gehad hebben, hetgeen in strijd is met het boven behandelde (Vorige Art.). Derhalve moet men zeggen, dat Gods Voorzienigheid dit in-bedwang-houden aanvulde; zij liet niet toe, dat er enige ongeregelde opvlamming uit de zonde-haard uitsloeg.
B: (Song 4:7) [b:Song 4:7]
R: q. 27 a. 3[t:iiia q. 27 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Origenes en sommige andere Leeraars verstaan onder dit woord van Simeon de smart, die zij leed bij Christus’ Lijden. Ambrosius echter houdt, dat met dit zwaard Maria’s omzichtigheid bedoeld wordt, die niet onbekend was met het geheim des hemels. Want Gods woord is levend en krachtig, scherper dan elk tweesnijdend zwaard". (Vgl. Hebreeënbrief, 4, 12). Sommigen echter zien in het zwaard de twijfel. Hieronder moet men echter niet de twijfel der ongelovigheid verstaan, maar van verwondering en van het zoeken naar een oplossing. Basilius toch schrijft in zijn Brief aan Optimus: "Terwijl de H. Maagd onder het Kruis stond en het een na het ander overwoog, werd zij, na het getuigenis van Gabriël vernomen te hebben, na haar onuitsprekelijk weten, dat God ontvangen was, na de grootse wonderen, die Hij verricht had, in haar ziel als heen en weer geslingerd", daar zij Hem van de ene kant zag lijden als een verworpeling en van de andere kant al zijn wonderdadigheden overdacht.
2e Weerlegging. Origenes en sommige andere Leeraars verstaan onder dit woord van Simeon de smart, die zij leed bij Christus’ Lijden. Ambrosius echter houdt, dat met dit zwaard Maria’s omzichtigheid bedoeld wordt, die niet onbekend was met het geheim des hemels. Want Gods woord is levend en krachtig, scherper dan elk tweesnijdend zwaard". (Vgl. Hebreeënbrief, 4, 12). Sommigen echter zien in het zwaard de twijfel. Hieronder moet men echter niet de twijfel der ongelovigheid verstaan, maar van verwondering en van het zoeken naar een oplossing. Basilius toch schrijft in zijn Brief aan Optimus: "Terwijl de H. Maagd onder het Kruis stond en het een na het ander overwoog, werd zij, na het getuigenis van Gabriël vernomen te hebben, na haar onuitsprekelijk weten, dat God ontvangen was, na de grootse wonderen, die Hij verricht had, in haar ziel als heen en weer geslingerd", daar zij Hem van de ene kant zag lijden als een verworpeling en van de andere kant al zijn wonderdadigheden overdacht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Met deze uitdrukkingen heeft Chrysostomus overdreven. Toch kunnen zij goed worden uitgelegd, indien men daaronder verstaat, dat de Heer in haar heeft tegengehouden niet een ongeregelde streving naar ijdele glorie ten opzichte van zichzelf, maar datgene, wat anderen daarvoor konden aanzien.
B: (Luke 2:35) [b:Luke 2:35] (Heb 4:12) [b:Heb 4:12]
3e Weerlegging. Met deze uitdrukkingen heeft Chrysostomus overdreven. Toch kunnen zij goed worden uitgelegd, indien men daaronder verstaat, dat de Heer in haar heeft tegengehouden niet een ongeregelde streving naar ijdele glorie ten opzichte van zichzelf, maar datgene, wat anderen daarvoor konden aanzien.
B: (Luke 2:35) [b:Luke 2:35] (Heb 4:12) [b:Heb 4:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Verkreeg de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot de volheid der genaden?
IIIa q. 27 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot niet de volheid of de voltooidheid der genade ontving. Want, naar het schijnt, is dit een voorrecht van Christus, overeenkomstig het woord van Joannes (1, 14): "Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd: een heerlijkheid als van de Eengeborene uit de Vader, vol van genade en waarheid". Welnu, datgene wat iets geheel eigens van Christus is, moet men aan geen ander toeschrijven. Derhalve ontving de H. Maagd bij haar heiliging de volheid der genaden niet.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de H. Maagd door de heiliging in de moederschoot niet de volheid of de voltooidheid der genade ontving. Want, naar het schijnt, is dit een voorrecht van Christus, overeenkomstig het woord van Joannes (1, 14): "Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd: een heerlijkheid als van de Eengeborene uit de Vader, vol van genade en waarheid". Welnu, datgene wat iets geheel eigens van Christus is, moet men aan geen ander toeschrijven. Derhalve ontving de H. Maagd bij haar heiliging de volheid der genaden niet.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Aan datgene, wat vol en af is, kan niets meer worden toegevoegd, want voltooid is datgene, waaraan niets meer ontbreekt, gelijk in het 3e boek der Natuurleer staat. Maar de H. Maagd kreeg later, toen zij Christus ontving, vermeerdering van genade; tot haar toch werd gezegd (Lucas, 1, 35): "De H. Geest zal op u neerdalen". Zo ook, toen zij ten hemel werd opgenomen. Derhalve, zo beweert men, bezat zij bij haar eerste heiliging de volheid der genaden nog niet.
B: (Luke 1:35) [b:Luke 1:35]
Vervolgens. Aan datgene, wat vol en af is, kan niets meer worden toegevoegd, want voltooid is datgene, waaraan niets meer ontbreekt, gelijk in het 3e boek der Natuurleer staat. Maar de H. Maagd kreeg later, toen zij Christus ontving, vermeerdering van genade; tot haar toch werd gezegd (Lucas, 1, 35): "De H. Geest zal op u neerdalen". Zo ook, toen zij ten hemel werd opgenomen. Derhalve, zo beweert men, bezat zij bij haar eerste heiliging de volheid der genaden nog niet.
B: (Luke 1:35) [b:Luke 1:35]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 5 arg. 3
Vervolgens. God doet niets doelloos, gelijk we lezen in het 1e boek van het werk Over de Hemel en de Aarde (4e H.). In de H. Maagd nu zouden sommige genade-gaven zonder doel zijn geweest, daar zij er nooit gebruik van heeft gemaakt; want we lezen nergens, dat zij ooit geleerd heeft, hetgeen de uiting is van de genade-gave der wijsheid, of dat zij ooit wonderen verrichtte, hetgeen de werking der om niet gegeven genade-gave is. Derhalve bezat zij de volheid der genade-gaven niet.
Vervolgens. God doet niets doelloos, gelijk we lezen in het 1e boek van het werk Over de Hemel en de Aarde (4e H.). In de H. Maagd nu zouden sommige genade-gaven zonder doel zijn geweest, daar zij er nooit gebruik van heeft gemaakt; want we lezen nergens, dat zij ooit geleerd heeft, hetgeen de uiting is van de genade-gave der wijsheid, of dat zij ooit wonderen verrichtte, hetgeen de werking der om niet gegeven genade-gave is. Derhalve bezat zij de volheid der genade-gaven niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen de Engel tot haar sprak: "Wees gegroet gij, vol van genade". Waar Hieronymus in zijn preek Over Maria-ten-Hemel-Opneming deze woorden uitlegt, zegt hij: "Terecht, vol van genade, want aan de overigen wordt de genade deelsgewijs geschonken, maar aan Maria deelde de volheid van genade zich in eens helemaal mee".
B: (Luke 1:28) [b:Luke 1:28]
Daartegenover staat echter hetgeen de Engel tot haar sprak: "Wees gegroet gij, vol van genade". Waar Hieronymus in zijn preek Over Maria-ten-Hemel-Opneming deze woorden uitlegt, zegt hij: "Terecht, vol van genade, want aan de overigen wordt de genade deelsgewijs geschonken, maar aan Maria deelde de volheid van genade zich in eens helemaal mee".
B: (Luke 1:28) [b:Luke 1:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 5 co.
Mijn antwoord. Hoe dichter iets staat bij het beginsel op welk gebied dan ook, des te meer deelt het in de uitwerking van dat beginsel; vandaar zegt Dionysius in zijn werk Over de Hemelse Koren (4e H.), dat de Engelen, die dichter bij God staan, meer delen in Gods volmaaktheden dan de mensen. Christus nu is het beginsel der genade, en wel naar zijn Godheid als eigenlijke Verwekker der genade, en naar zijn mensheid als instrumenteel beginsel; daarom ook heet het bij Joannes (1, 17): "De genade en waarheid zijn door Jezus Christus gekomen". Welnu, de H. Maagd stond het dichtste bij Christus voor wat zijn mensheid betreft; omdat Hij uit haar zijn menselijke natuur ontving. Derhalve moest zij van Christus een grotere volheid van genade verkrijgen dan alle anderen.
B: (John 1:17) [b:John 1:17]
Mijn antwoord. Hoe dichter iets staat bij het beginsel op welk gebied dan ook, des te meer deelt het in de uitwerking van dat beginsel; vandaar zegt Dionysius in zijn werk Over de Hemelse Koren (4e H.), dat de Engelen, die dichter bij God staan, meer delen in Gods volmaaktheden dan de mensen. Christus nu is het beginsel der genade, en wel naar zijn Godheid als eigenlijke Verwekker der genade, en naar zijn mensheid als instrumenteel beginsel; daarom ook heet het bij Joannes (1, 17): "De genade en waarheid zijn door Jezus Christus gekomen". Welnu, de H. Maagd stond het dichtste bij Christus voor wat zijn mensheid betreft; omdat Hij uit haar zijn menselijke natuur ontving. Derhalve moest zij van Christus een grotere volheid van genade verkrijgen dan alle anderen.
B: (John 1:17) [b:John 1:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. God verleent aan iedere de genade overeenkomstig de taak, waartoe hij werd uitgekozen. En omdat nu Christus als mens daartoe werd voorbestemd en uitverkoren, om te zijn de voorafbestemde Zoon van God in kracht van heiligmaking, was het Hem geheel eigen, zulk een volheid van genade te bezitten, dat zij op allen zou overvloeien, overeenkomstig het woord van Joannes (1, 16): "Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen". Maar de H. Maagd verkreeg een zo grote volheid van genade, dat zij de Bron van genade het meest zou benaderen; zóó, dat zij degene, die vol is van alle genade, in zich ontving en zóó, dat zij door Hem te baren, in zekere zin de genade liet komen tot allen.
B: (John 1:16) [b:John 1:16] (Rom 1:4) [b:Rom 1:4]
1e Weerlegging. God verleent aan iedere de genade overeenkomstig de taak, waartoe hij werd uitgekozen. En omdat nu Christus als mens daartoe werd voorbestemd en uitverkoren, om te zijn de voorafbestemde Zoon van God in kracht van heiligmaking, was het Hem geheel eigen, zulk een volheid van genade te bezitten, dat zij op allen zou overvloeien, overeenkomstig het woord van Joannes (1, 16): "Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen". Maar de H. Maagd verkreeg een zo grote volheid van genade, dat zij de Bron van genade het meest zou benaderen; zóó, dat zij degene, die vol is van alle genade, in zich ontving en zóó, dat zij door Hem te baren, in zekere zin de genade liet komen tot allen.
B: (John 1:16) [b:John 1:16] (Rom 1:4) [b:Rom 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Op natuurlijk gebied heeft men op de eerste plaats de volmaaktheid van op iets aangelegd te zijn; zo b. v. wanneer de materiaal-oorzaak volkomen geschikt gemaakt is voor de wezensvorm. Op de tweede plaats heeft men de volmaaktheid van het innerlijke formerend beginsel; en deze volmaaktheid staat hoger, want ook de warmte, die uit de wezensvorm van het vuur voortkomt, is volmaakter dan de warmte, die geschikt maakte tot de wezensvorm van vuur. Op de derde plaats heeft men de volmaaktheid van het doel, gelijk het vuur juist dan zijn eigenschappen het volmaaktst bezit, wanneer het in zijn eigen natuurlijke plaats is. En zo bestond er ook in de H. Maagd een drievoudige volmaaktheid der genade. De eerste nl. was als het ware voorbereidend, waardoor zij geschikt gemaakt werd, om moeder van Christus te zijn; en dit was de volmaaktheid, die door de heiliging werd medegedeeld. De tweede volmaaktheid echter der genade verkreeg de H. Maagd krachtens de tegenwoordigheid van de, in haar schoot mens geworden, Zoon van God. De derde volmaaktheid is die van het bereikte doel; deze bezit zij in de hemelse heerlijkheid. Dat echter de tweede volmaaktheid hoger staat dan de eerste, en de derde hoger dan de tweede, blijkt eenerzijds uit het bevrijdzijn van het kwaad. Want eerst, bij haar heiliging werd zij bevrijd van de erfzonde; vervolgens bij de ontvangenis van Gods Zoon werd zij gezuiverd van de zonde-haard; tenslotte bij haar verheerlijking in de hemel werd zij tevens van alle ellende bevrijd. — Anderzijds blijkt dit uit haar verhouding tot het goede. Want eerst, bij haar heiliging, verkreeg zij de genade, die haar naar het goede heenneigde; bij de ontvangenis echter van Gods Zoon werd in haar de genade voltooid, die haar in het goede bevestigde; bij haar verheerlijking echter werd in haar voltooid de genade, die haar vervolmaakt in het genieten van alle goed.
2e Weerlegging. Op natuurlijk gebied heeft men op de eerste plaats de volmaaktheid van op iets aangelegd te zijn; zo b. v. wanneer de materiaal-oorzaak volkomen geschikt gemaakt is voor de wezensvorm. Op de tweede plaats heeft men de volmaaktheid van het innerlijke formerend beginsel; en deze volmaaktheid staat hoger, want ook de warmte, die uit de wezensvorm van het vuur voortkomt, is volmaakter dan de warmte, die geschikt maakte tot de wezensvorm van vuur. Op de derde plaats heeft men de volmaaktheid van het doel, gelijk het vuur juist dan zijn eigenschappen het volmaaktst bezit, wanneer het in zijn eigen natuurlijke plaats is. En zo bestond er ook in de H. Maagd een drievoudige volmaaktheid der genade. De eerste nl. was als het ware voorbereidend, waardoor zij geschikt gemaakt werd, om moeder van Christus te zijn; en dit was de volmaaktheid, die door de heiliging werd medegedeeld. De tweede volmaaktheid echter der genade verkreeg de H. Maagd krachtens de tegenwoordigheid van de, in haar schoot mens geworden, Zoon van God. De derde volmaaktheid is die van het bereikte doel; deze bezit zij in de hemelse heerlijkheid. Dat echter de tweede volmaaktheid hoger staat dan de eerste, en de derde hoger dan de tweede, blijkt eenerzijds uit het bevrijdzijn van het kwaad. Want eerst, bij haar heiliging werd zij bevrijd van de erfzonde; vervolgens bij de ontvangenis van Gods Zoon werd zij gezuiverd van de zonde-haard; tenslotte bij haar verheerlijking in de hemel werd zij tevens van alle ellende bevrijd. — Anderzijds blijkt dit uit haar verhouding tot het goede. Want eerst, bij haar heiliging, verkreeg zij de genade, die haar naar het goede heenneigde; bij de ontvangenis echter van Gods Zoon werd in haar de genade voltooid, die haar in het goede bevestigde; bij haar verheerlijking echter werd in haar voltooid de genade, die haar vervolmaakt in het genieten van alle goed.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Men betwijfele niet, of de H. Maagd zowel de gave der wijsheid als de genade der wonderdaden in verheven mate ontvangen heeft en tevens de genade der profetie, gelijk ook Christus deze bezat. Doch zij kreeg ze niet zo, dat ze over alle uitingen van deze en dergelijke genade-gaven kon beschikken, zoals Christus het wel kon, maar slechts voor zover dit paste bij haar waardigheid. Van de gave der wijsheid toch maakte zij gebruik bij de beschouwing, volgens Lucas (2, 19): "Maria echter bewaarde al deze woorden in haar hart, en overwoog ze bij zichzelf". Zij beschikte echter niet over de gave der wijsheid, om als lerares op te treden, daar dit niet paste aan het vrouwelijk geslacht, blijkens de Eerste Brief aan Timotheüs (2, 12): "Ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft". — Maar, zolang zij leefde, paste het niet, dat zij wonderen deed; omdat toen ter tijd Christus' leer door wonderen bevestigd moest worden; en daarom kwam het uitsluitend aan Christus toe en aan zijn leerlingen, die de onmiddellijke bedienaren van Christus' leer waren, om wonderen te doen. Vandaar staat ook van Johannes de Doper geschreven (Johannes, 10, 41), "dat hij geen enkel wonderteken gedaan heeft", opdat namelijk allen gespannen zouden wezen op Christus. — Doch het gebruik der profetie bezat zij wel, zoals blijkt uit het lied, dat zij samenstelde (Lucas, 1, 46 en vlgd.): "Mijne ziel maakt groot de Heer".
3e Weerlegging. Men betwijfele niet, of de H. Maagd zowel de gave der wijsheid als de genade der wonderdaden in verheven mate ontvangen heeft en tevens de genade der profetie, gelijk ook Christus deze bezat. Doch zij kreeg ze niet zo, dat ze over alle uitingen van deze en dergelijke genade-gaven kon beschikken, zoals Christus het wel kon, maar slechts voor zover dit paste bij haar waardigheid. Van de gave der wijsheid toch maakte zij gebruik bij de beschouwing, volgens Lucas (2, 19): "Maria echter bewaarde al deze woorden in haar hart, en overwoog ze bij zichzelf". Zij beschikte echter niet over de gave der wijsheid, om als lerares op te treden, daar dit niet paste aan het vrouwelijk geslacht, blijkens de Eerste Brief aan Timotheüs (2, 12): "Ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft". — Maar, zolang zij leefde, paste het niet, dat zij wonderen deed; omdat toen ter tijd Christus' leer door wonderen bevestigd moest worden; en daarom kwam het uitsluitend aan Christus toe en aan zijn leerlingen, die de onmiddellijke bedienaren van Christus' leer waren, om wonderen te doen. Vandaar staat ook van Johannes de Doper geschreven (Johannes, 10, 41), "dat hij geen enkel wonderteken gedaan heeft", opdat namelijk allen gespannen zouden wezen op Christus. — Doch het gebruik der profetie bezat zij wel, zoals blijkt uit het lied, dat zij samenstelde (Lucas, 1, 46 en vlgd.): "Mijne ziel maakt groot de Heer".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Was het, behalve aan Christus, iets geheel eigens aan de H. Maagd in de moederschoot geheiligd te worden?
IIIa q. 27 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het, behalve aan Christus, uitsluitend toekwam aan de H. Maagd in de moederschoot geheiligd te worden. Want, gelijk boven (5e Art., Antw. op de 2e Bed.) werd aangegeven, is de H. Maagd juist daarom in de moederschoot geheiligd, opdat zij geschikt zou worden gemaakt, om Gods Moeder te zijn. Doch dit komt uitsluitend aan haar alleen toe. Derhalve werd zij alleen in de moederschoot geheiligd.
R: q. 27 a. 4[t:iiia q. 27 a. 4]
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het, behalve aan Christus, uitsluitend toekwam aan de H. Maagd in de moederschoot geheiligd te worden. Want, gelijk boven (5e Art., Antw. op de 2e Bed.) werd aangegeven, is de H. Maagd juist daarom in de moederschoot geheiligd, opdat zij geschikt zou worden gemaakt, om Gods Moeder te zijn. Doch dit komt uitsluitend aan haar alleen toe. Derhalve werd zij alleen in de moederschoot geheiligd.
R: q. 27 a. 4[t:iiia q. 27 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Naar men beweert, stonden sommige personen dichter bij Christus dan Jeremias en Joannes de Doper, van wie geschreven staat (Vgl. het tegenbewijs), dat zij in de moederschoot geheiligd werden. Want Christus heet in heel bijzonderen zin de zoon van David en de zoon van Abraham, om de belofte, welke bijzonder aan hen aangaande de Christus gedaan werd. Verder Isaias, die de uitdrukkelijkste voorspellingen over Christus deed. Tenslotte de Apostelen, die met Christus zelf omgingen. Toch lezen we niet, dat dezen in de moederschoot geheiligd werden. Bijgevolg kwam het ook niet aan Jeremias noch aan Joannes de Doper toe, in de moederschoot geheiligd te worden.
Vervolgens. Naar men beweert, stonden sommige personen dichter bij Christus dan Jeremias en Joannes de Doper, van wie geschreven staat (Vgl. het tegenbewijs), dat zij in de moederschoot geheiligd werden. Want Christus heet in heel bijzonderen zin de zoon van David en de zoon van Abraham, om de belofte, welke bijzonder aan hen aangaande de Christus gedaan werd. Verder Isaias, die de uitdrukkelijkste voorspellingen over Christus deed. Tenslotte de Apostelen, die met Christus zelf omgingen. Toch lezen we niet, dat dezen in de moederschoot geheiligd werden. Bijgevolg kwam het ook niet aan Jeremias noch aan Joannes de Doper toe, in de moederschoot geheiligd te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Job (31, 18) getuigt van zichzelf: "Vanaf mijn kindsheid groeide het medelijden met mij op, en uit de schoot mijner moeder is het mij te voorschijn getreden". Toch zeggen we hierom niet, dat hij in de moederschoot geheiligd is. Derhalve zijn we evenmin verplicht te houden, dat Joannes de Doper en Jeremias in de moederschoot geheiligd zijn.
B: (Job 31:18) [b:Job 31:18]
Vervolgens. Job (31, 18) getuigt van zichzelf: "Vanaf mijn kindsheid groeide het medelijden met mij op, en uit de schoot mijner moeder is het mij te voorschijn getreden". Toch zeggen we hierom niet, dat hij in de moederschoot geheiligd is. Derhalve zijn we evenmin verplicht te houden, dat Joannes de Doper en Jeremias in de moederschoot geheiligd zijn.
B: (Job 31:18) [b:Job 31:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat we over Jeremias lezen (Jeremias, 1, 5): "Vóórdat gij uit de moederschoot uitgingt, heb Ik u geheiligd". En betreffende Joannes de Doper lezen we (Lucas, 1, 15): "Reeds van de schoot zijner moeder af zal hij worden vervuld van de H. Geest".
B: (Jer 1:5) [b:Jer 1:5] (Luke 1:15) [b:Luke 1:15]
Daartegenover staat echter, dat we over Jeremias lezen (Jeremias, 1, 5): "Vóórdat gij uit de moederschoot uitgingt, heb Ik u geheiligd". En betreffende Joannes de Doper lezen we (Lucas, 1, 15): "Reeds van de schoot zijner moeder af zal hij worden vervuld van de H. Geest".
B: (Jer 1:5) [b:Jer 1:5] (Luke 1:15) [b:Luke 1:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 6 co.
Mijn antwoord. Augustinus schijnt in zijn Brief aan Dardanus weifelend te spreken over de heiliging deze beide personen in de schoot hunner moeder. "Want schrijft hij, dit opspringen van Joannes in de moederschoot kon de aanduiding zijn van een zo gewichtig voorval (dat namelijk deze vrouw de moeder was van Christus), hetwelk de groteren moesten weten, doch door het kind zelf niet geweten werd. Daarom dan ook staat er in het Evangelie niet: "Het kind geloofde in haar schoot", maar "sprong op". Het opspringen echter treffen we niet alleen bij kleine kinderen aan, maar ook bij dieren. Doch in dit geval was het iets ongewoons, wijl het in de moederschoot geschiedde. En zo is derhalve ook, gelijk de wonderen gewoonlijk verricht worden, dit opspringen door God in het kind verwekt, en niet menselijkerwijze door het kind zelf. Evenwel, ook indien het gebruiken van verstand en wil in dit kind zo zeer is vervroegd, dat het reeds in de moederschoot kon kennen, geloven en toestemmen, terwijl in andere kinderen een zekere leeftijd moet worden afgewacht, eer zij dit kunnen, meen ik ook dit voor een wonder te moeten houden van Gods Macht". Maar, omdat in het Evangelie uitdrukkelijk over Joannes gezegd wordt, dat hij "reeds van de schoot zijner moeder af vervuld zal worden van de H. Geest", en omdat van Jeremias uitdrukkelijk geschreven staat: "Vóórdat gij uit de moederschoot uitgingt, heb Ik u geheiligd", menen wij te moeten houden, dat zij in de moederschoot geheiligd zijn, hoewel zij in de moederschoot nog niet het gebruik van de vrije wil hadden (hierover gaat de moeilijkheid van Augustinus), evenmin als de kinderen, die door het Doopsel geheiligd worden, terstond hun vrije wil kunnen gebruiken. Toch moet men niet geloven, dat sommige anderen, van wie de H. Schrift geen melding maakt, in de moederschoot geheiligd zijn. Want dergelijke genade-voorrechten, die aan sommigen, buiten de gewone regel om, verleend worden, zijn gericht op het welzijn van anderen, volgens de woorden van de Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 7): "Aan ieder wordt de uiting des Geestes geschonken, om er nut mee te stichten"; en geen enkel nut zou uit hun heiliging in de moederschoot voortvloeien, zo de Kerk er niets van af wist. En hoewel men geen reden kan aangeven van Gods raadsbesluiten, waarom Hij namelijk wel aan dezen dit genade-geschenk geeft en niet aan een ander, toch lijkt het wel passend, dat zij beiden, zowel Jeremias als Joannes, in de moederschoot geheiligd werden ter voorafbeelding van de heiliging, die door Christus zou worden voltrokken. Op de eerste plaats namelijk door zijn lijden, volgens de Brief aan de Hebreeën (13, 12): "Daarom heeft ook Jezus buiten de poort geleden, om door Zijn Bloed het volk te heiligen". Dit lijden nu heeft Jeremias zowel door zijn woorden als door zijn geheimzinnige handelingen het openlijkst voorspeld en door zijn eigen lijden het uitdrukkelijkst voorafgebeeld. — Op de tweede plaats door het Doopsel, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (6, 11): "Gij zijt rein gewas schen, gij zijt geheiligd". Op dit Doopsel nu heeft Joannes de mensen door zijn doopsel voorbereid.
Mijn antwoord. Augustinus schijnt in zijn Brief aan Dardanus weifelend te spreken over de heiliging deze beide personen in de schoot hunner moeder. "Want schrijft hij, dit opspringen van Joannes in de moederschoot kon de aanduiding zijn van een zo gewichtig voorval (dat namelijk deze vrouw de moeder was van Christus), hetwelk de groteren moesten weten, doch door het kind zelf niet geweten werd. Daarom dan ook staat er in het Evangelie niet: "Het kind geloofde in haar schoot", maar "sprong op". Het opspringen echter treffen we niet alleen bij kleine kinderen aan, maar ook bij dieren. Doch in dit geval was het iets ongewoons, wijl het in de moederschoot geschiedde. En zo is derhalve ook, gelijk de wonderen gewoonlijk verricht worden, dit opspringen door God in het kind verwekt, en niet menselijkerwijze door het kind zelf. Evenwel, ook indien het gebruiken van verstand en wil in dit kind zo zeer is vervroegd, dat het reeds in de moederschoot kon kennen, geloven en toestemmen, terwijl in andere kinderen een zekere leeftijd moet worden afgewacht, eer zij dit kunnen, meen ik ook dit voor een wonder te moeten houden van Gods Macht". Maar, omdat in het Evangelie uitdrukkelijk over Joannes gezegd wordt, dat hij "reeds van de schoot zijner moeder af vervuld zal worden van de H. Geest", en omdat van Jeremias uitdrukkelijk geschreven staat: "Vóórdat gij uit de moederschoot uitgingt, heb Ik u geheiligd", menen wij te moeten houden, dat zij in de moederschoot geheiligd zijn, hoewel zij in de moederschoot nog niet het gebruik van de vrije wil hadden (hierover gaat de moeilijkheid van Augustinus), evenmin als de kinderen, die door het Doopsel geheiligd worden, terstond hun vrije wil kunnen gebruiken. Toch moet men niet geloven, dat sommige anderen, van wie de H. Schrift geen melding maakt, in de moederschoot geheiligd zijn. Want dergelijke genade-voorrechten, die aan sommigen, buiten de gewone regel om, verleend worden, zijn gericht op het welzijn van anderen, volgens de woorden van de Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 7): "Aan ieder wordt de uiting des Geestes geschonken, om er nut mee te stichten"; en geen enkel nut zou uit hun heiliging in de moederschoot voortvloeien, zo de Kerk er niets van af wist. En hoewel men geen reden kan aangeven van Gods raadsbesluiten, waarom Hij namelijk wel aan dezen dit genade-geschenk geeft en niet aan een ander, toch lijkt het wel passend, dat zij beiden, zowel Jeremias als Joannes, in de moederschoot geheiligd werden ter voorafbeelding van de heiliging, die door Christus zou worden voltrokken. Op de eerste plaats namelijk door zijn lijden, volgens de Brief aan de Hebreeën (13, 12): "Daarom heeft ook Jezus buiten de poort geleden, om door Zijn Bloed het volk te heiligen". Dit lijden nu heeft Jeremias zowel door zijn woorden als door zijn geheimzinnige handelingen het openlijkst voorspeld en door zijn eigen lijden het uitdrukkelijkst voorafgebeeld. — Op de tweede plaats door het Doopsel, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (6, 11): "Gij zijt rein gewas schen, gij zijt geheiligd". Op dit Doopsel nu heeft Joannes de mensen door zijn doopsel voorbereid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. De H. Maagd, die door God tot moeder was uitverkoren, verkreeg een grotere heiligingsgenade dan Joannes de Doper en Jeremias, die waren uitverkoren tot bijzondere voorafbeelders van de heiligmaking door Christus. En het teken hiervan is, dat aan de H. Maagd verleend werd, dat zij later niet zondigde, m.a.w. geen doodszonde noch dagelijkse zonde bedreef; wat de overige geheiligden betreft, gelooft men, dat hun verleend werd, dat zij later geen doodszonde bedreven, daar de Goddelijke genade hen beschermde.
1e Weerlegging. De H. Maagd, die door God tot moeder was uitverkoren, verkreeg een grotere heiligingsgenade dan Joannes de Doper en Jeremias, die waren uitverkoren tot bijzondere voorafbeelders van de heiligmaking door Christus. En het teken hiervan is, dat aan de H. Maagd verleend werd, dat zij later niet zondigde, m.a.w. geen doodszonde noch dagelijkse zonde bedreef; wat de overige geheiligden betreft, gelooft men, dat hun verleend werd, dat zij later geen doodszonde bedreven, daar de Goddelijke genade hen beschermde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. In andere punten konden de heiligen meer met Christus verbonden zijn dan Jeremias en Johannes de Doper. Maar dezen stonden het dichtst bij Hem als de uitdrukkelijke voorafbeelders der door Hem voltrokken heiligmaking, gelijk boven werd uiteengezet (Vgl. de Leerstelling en het Antw. op de eerste Bedenking).
B: (1Cor 12:7) [b:1Cor 12:7]
2e Weerlegging. In andere punten konden de heiligen meer met Christus verbonden zijn dan Jeremias en Johannes de Doper. Maar dezen stonden het dichtst bij Hem als de uitdrukkelijke voorafbeelders der door Hem voltrokken heiligmaking, gelijk boven werd uiteengezet (Vgl. de Leerstelling en het Antw. op de eerste Bedenking).
B: (1Cor 12:7) [b:1Cor 12:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 27 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Het medelijden, waarover Job spreekt, betekent geen ingestorte deugd, maar een zekere natuurlijke neiging tot de daad van deze deugd.
B: (1Cor 6:11) [b:1Cor 6:11] (Heb 13:12) [b:Heb 13:12]
3e Weerlegging. Het medelijden, waarover Job spreekt, betekent geen ingestorte deugd, maar een zekere natuurlijke neiging tot de daad van deze deugd.
B: (1Cor 6:11) [b:1Cor 6:11] (Heb 13:12) [b:Heb 13:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 28: Over de maagdelijkheid der Moeder Gods
IIIa q. 28 pr.
Vervolgens moeten we handelen over de maagdelijkheid der Moeder Gods. Hieromtrent worden vier vragen gesteld:
1. Was zij maagd bij het ontvangen?
2. Was zij maagd bij Christus’ geboorte?
3. Is zij na Christus’ geboorte maagd gebleven?
4. Heeft zij de gelofte van maagdelijkheid afgelegd?
Vervolgens moeten we handelen over de maagdelijkheid der Moeder Gods. Hieromtrent worden vier vragen gesteld:
1. Was zij maagd bij het ontvangen?
2. Was zij maagd bij Christus’ geboorte?
3. Is zij na Christus’ geboorte maagd gebleven?
4. Heeft zij de gelofte van maagdelijkheid afgelegd?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was de Moeder Gods Maagd, toen zij Christus ontving?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 28 a. 4 co.
IIIa q. 31 a. 4 ad 3[t:iiia q. 28 a. 4 co.][t:iiia q. 31 a. 4 ad 3]
IIIa q. 28 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de Moeder Gods geen maagd was, toen zij Christus ontving. Geen enkel kind toch, dat vader en moeder heeft, wordt uit een maagdelijke moeder ontvangen. Welnu aangaande Christus wordt geleerd, dat Hij niet slechts een moeder maar ook een vader had; want bij Lucas (2, 33) lezen we: "Zijn vader en moeder stonden verbaasd over hetgeen van Hem werd gezegd". En kort daarop (Lucas, 2, 48): "Zie, ik en uw vader zochten U met smart". Derhalve is Christus niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.
B: (Luke 2:33) [b:Luke 2:33] (Luke 2:48) [b:Luke 2:48]
IIIa q. 28 a. 4 co.
IIIa q. 31 a. 4 ad 3[t:iiia q. 28 a. 4 co.][t:iiia q. 31 a. 4 ad 3]
IIIa q. 28 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de Moeder Gods geen maagd was, toen zij Christus ontving. Geen enkel kind toch, dat vader en moeder heeft, wordt uit een maagdelijke moeder ontvangen. Welnu aangaande Christus wordt geleerd, dat Hij niet slechts een moeder maar ook een vader had; want bij Lucas (2, 33) lezen we: "Zijn vader en moeder stonden verbaasd over hetgeen van Hem werd gezegd". En kort daarop (Lucas, 2, 48): "Zie, ik en uw vader zochten U met smart". Derhalve is Christus niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.
B: (Luke 2:33) [b:Luke 2:33] (Luke 2:48) [b:Luke 2:48]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 1 arg. 2
Vervolgens. In Mattheus (1, 1 en volgend) wordt bewezen, dat Christus de zoon was van Abraham en van David door het feit, dat Joseph afstamt van David. Deze redenering nu bewijst niets, naar men beweert, indien Joseph niet de vader van Christus is geweest. Derhalve schijnt het dat de Moeder van Christus Hem uit Josephs zaad heeft ontvangen, en zo schijnt zij geen maagd geweest te zijn, toen zij Christus ontving.
B: (Matt 1) [b:Matt 1]
Vervolgens. In Mattheus (1, 1 en volgend) wordt bewezen, dat Christus de zoon was van Abraham en van David door het feit, dat Joseph afstamt van David. Deze redenering nu bewijst niets, naar men beweert, indien Joseph niet de vader van Christus is geweest. Derhalve schijnt het dat de Moeder van Christus Hem uit Josephs zaad heeft ontvangen, en zo schijnt zij geen maagd geweest te zijn, toen zij Christus ontving.
B: (Matt 1) [b:Matt 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 1 arg. 3
Vervolgens. In de Brief aan de Galaten (4, 4) wordt gezegd: "God heeft Zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw". Naar de gewone wijze van spreken nu wordt iemand "vrouw" genoemd, die door een man bekend werd. Derhalve werd Christus niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
Vervolgens. In de Brief aan de Galaten (4, 4) wordt gezegd: "God heeft Zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw". Naar de gewone wijze van spreken nu wordt iemand "vrouw" genoemd, die door een man bekend werd. Derhalve werd Christus niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Gelijksoortigen worden allen op een zelfde wijze voortgebracht, want de voortbrenging wordt, gelijk dat bij de overige veranderingen eveneens het geval is, in haar eigen aard bepaald door het eindpunt der voortbrenging. Welnu, Christus behoorde tot dezelfde soort als de overige mensen, volgens de Brief aan de Philippenzen (2, 7): "Hij is gelijk geworden aan de mensen en uiterlijk bevonden als mens". Daar dus de overige mensen worden voortgebracht krachtens de vereniging van man en vrouw, werd ook Christus, naar men beweert, op gelijke wijze voortgebracht. En derhalve werd Hij niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Vervolgens. Gelijksoortigen worden allen op een zelfde wijze voortgebracht, want de voortbrenging wordt, gelijk dat bij de overige veranderingen eveneens het geval is, in haar eigen aard bepaald door het eindpunt der voortbrenging. Welnu, Christus behoorde tot dezelfde soort als de overige mensen, volgens de Brief aan de Philippenzen (2, 7): "Hij is gelijk geworden aan de mensen en uiterlijk bevonden als mens". Daar dus de overige mensen worden voortgebracht krachtens de vereniging van man en vrouw, werd ook Christus, naar men beweert, op gelijke wijze voortgebracht. En derhalve werd Hij niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 1 arg. 5
Vervolgens. Iedere natuurlijke wezensvorm heeft een aan hem aangepaste materie. De materie nu van de mensen wezensvorm is, naar men beweert, het zaad van man en vrouw. Indien dus Christus’ lichaam niet ontvangen werd uit het zaad van man en vrouw, zou het geen waarachtig menselijk lichaam geweest zijn; dit echter is onjuist. Derhalve werd Hij niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.
Vervolgens. Iedere natuurlijke wezensvorm heeft een aan hem aangepaste materie. De materie nu van de mensen wezensvorm is, naar men beweert, het zaad van man en vrouw. Indien dus Christus’ lichaam niet ontvangen werd uit het zaad van man en vrouw, zou het geen waarachtig menselijk lichaam geweest zijn; dit echter is onjuist. Derhalve werd Hij niet ontvangen uit een maagdelijke moeder.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 1 s. c.
Daartegenover echter staat hetgeen we lezen bij Isaïas (7, 14): "Zie, de maagd zal ontvangen".
B: (Isa 7:14) [b:Isa 7:14]
Daartegenover echter staat hetgeen we lezen bij Isaïas (7, 14): "Zie, de maagd zal ontvangen".
B: (Isa 7:14) [b:Isa 7:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 1 co.
Mijn antwoord. Onvoorwaardelijk moet men erkennen, dat Christus’ moeder als maagd ontvangen heeft; de tegenovergestelde mening toch behoort tot de dwaling der Ebionieten en van Cerinthus; dezen hielden, dat Christus mens was zonder meer, en dachten, dat Hij uit man en vrouw geboren was. Dat Christus uit een maagd ontvangen werd, is passend om de vier volgende redenen, — 1°, om geen afbreuk te doen aan de waardigheid des Vaders, Die Hem zond. Want, daar Christus de ware en de natuurlijke Zoon Gods is, was het niet passend, dat Hij een andere vader zou hebben dan God, opdat de waardigheid van God niet op een ander zou overgaan. 2°, was dit passend juist om het persoonseigene van de Zoon, Die gezonden wordt. Hij toch is het Woord Gods. Het woord nu wordt zonder enige schending des geestes ontvangen; ja zelfs is de geschondenheid des geestes een beletsel voor de ontvangenis van een volmaakt woord. Daar nu het lichaam zóó door het Woord Gods werd aangenomen, dat het het lichaam van het Woord Gods zou zijn, was het passend, dat ook dit lichaam zonder enige schending der moeder ontvangen werd. 3°, was dit passend aan Christus’ mensheid, waarin geen plaats mocht wezen voor de zonde, doch waardoor de zonde der wereld werd weggenomen, overeenkomstig het woord van Joannes (1, 29): "Zie het Lam Gods, nl. het onschuldige, dat de zonde der wereld wegneemt". Nu was het onmogelijk, dat in de reeds geschonden natuur, krachtens de gemeenschap tussen man en vrouw een lichaam zou worden geboren, hetwelk niet door de erfzonde besmet was. Vandaar schrijft Augustinus in zijn werk Over het Hu- welijk en de Begeerlijkheid (1e Boek, 12e H.): "Daar, d. w. z. in het huwelijk van Maria en Joseph, bestond alleen de echtelijke gemeenschap niet, omdat deze in het vlees der zonde niet kon plaats hebben zonder enige verfoeilijke begeerlijkheid des vleses, en deze komt er bij krachtens de zonde; maar Hij, die zonder zonde zou zijn, wilde zonder die begeerlijkheid ontvangen worden". 4e, juist omwille van het doel van Christus’ menswording. Hij toch is mens geworden, opdat de mensen zouden herboren worden tot kinderen Gods "niet uit de wil van het vlees of uit de wil van de man, maar uit God" (Joannes, 13), d. w. z. uit de kracht Gods. Het oerbeeld dezer wedergeboorte nu moest ons tegenstralen in Christus’ eigen ontvangenis. Vandaar, dat Augustinus in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid (6e H.) zegt: "Door een verheven wonder moest ons Hoofd, naar het lichaam geboren worden uit een maagd, om daarmede te kennen te geven, dat zijn ledematen naar de geest zouden geboren worden uit de maagd, de Kerk".
Mijn antwoord. Onvoorwaardelijk moet men erkennen, dat Christus’ moeder als maagd ontvangen heeft; de tegenovergestelde mening toch behoort tot de dwaling der Ebionieten en van Cerinthus; dezen hielden, dat Christus mens was zonder meer, en dachten, dat Hij uit man en vrouw geboren was. Dat Christus uit een maagd ontvangen werd, is passend om de vier volgende redenen, — 1°, om geen afbreuk te doen aan de waardigheid des Vaders, Die Hem zond. Want, daar Christus de ware en de natuurlijke Zoon Gods is, was het niet passend, dat Hij een andere vader zou hebben dan God, opdat de waardigheid van God niet op een ander zou overgaan. 2°, was dit passend juist om het persoonseigene van de Zoon, Die gezonden wordt. Hij toch is het Woord Gods. Het woord nu wordt zonder enige schending des geestes ontvangen; ja zelfs is de geschondenheid des geestes een beletsel voor de ontvangenis van een volmaakt woord. Daar nu het lichaam zóó door het Woord Gods werd aangenomen, dat het het lichaam van het Woord Gods zou zijn, was het passend, dat ook dit lichaam zonder enige schending der moeder ontvangen werd. 3°, was dit passend aan Christus’ mensheid, waarin geen plaats mocht wezen voor de zonde, doch waardoor de zonde der wereld werd weggenomen, overeenkomstig het woord van Joannes (1, 29): "Zie het Lam Gods, nl. het onschuldige, dat de zonde der wereld wegneemt". Nu was het onmogelijk, dat in de reeds geschonden natuur, krachtens de gemeenschap tussen man en vrouw een lichaam zou worden geboren, hetwelk niet door de erfzonde besmet was. Vandaar schrijft Augustinus in zijn werk Over het Hu- welijk en de Begeerlijkheid (1e Boek, 12e H.): "Daar, d. w. z. in het huwelijk van Maria en Joseph, bestond alleen de echtelijke gemeenschap niet, omdat deze in het vlees der zonde niet kon plaats hebben zonder enige verfoeilijke begeerlijkheid des vleses, en deze komt er bij krachtens de zonde; maar Hij, die zonder zonde zou zijn, wilde zonder die begeerlijkheid ontvangen worden". 4e, juist omwille van het doel van Christus’ menswording. Hij toch is mens geworden, opdat de mensen zouden herboren worden tot kinderen Gods "niet uit de wil van het vlees of uit de wil van de man, maar uit God" (Joannes, 13), d. w. z. uit de kracht Gods. Het oerbeeld dezer wedergeboorte nu moest ons tegenstralen in Christus’ eigen ontvangenis. Vandaar, dat Augustinus in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid (6e H.) zegt: "Door een verheven wonder moest ons Hoofd, naar het lichaam geboren worden uit een maagd, om daarmede te kennen te geven, dat zijn ledematen naar de geest zouden geboren worden uit de maagd, de Kerk".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Gelijk Beda in zijn Uitleg op Lucas (op 2e H., 33e vers) zegt, "heette Joseph de vader des Zaligmakers, niet, omdat hij werkelijk diens vader was, zoals de volgelingen van Photinus beweren, maar omdat hij, ter bestendiging van Maria's goeden naam, door de mensen voor zijn vader werd gehouden". Daarom ook lezen we bij Lucas (3, 23): "Naar men meende, de zoon van Joseph". Of, zoals Augustinus schrijft in zijn werk Over het Huwelijksgoed (2e Boek, 1e H.), wordt Joseph in dezelfde zin de vader van Christus genoemd, als "hij de man van Maria heet, zonder gemeenschap des vleses, maar krachtens de huwelijksband zelf, meer met Hem verenigd, dan zo Hij een van elders aangenomen zoon was. Men moet ook niet beweren, dat Joseph daarom niet de vader van Christus moet worden genoemd, omdat hij Hem niet krachtens de huwelijksgemeenschap heeft voortgebracht, want hij zou toch ook zijn vader zijn geweest, indien Hij niet uit zijn echtgenoot geboren was geweest, maar zo hij Hem van elders als zijn zoon had aangenomen".
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 31 a. 2 arg. 1]
1e Weerlegging. Gelijk Beda in zijn Uitleg op Lucas (op 2e H., 33e vers) zegt, "heette Joseph de vader des Zaligmakers, niet, omdat hij werkelijk diens vader was, zoals de volgelingen van Photinus beweren, maar omdat hij, ter bestendiging van Maria's goeden naam, door de mensen voor zijn vader werd gehouden". Daarom ook lezen we bij Lucas (3, 23): "Naar men meende, de zoon van Joseph". Of, zoals Augustinus schrijft in zijn werk Over het Huwelijksgoed (2e Boek, 1e H.), wordt Joseph in dezelfde zin de vader van Christus genoemd, als "hij de man van Maria heet, zonder gemeenschap des vleses, maar krachtens de huwelijksband zelf, meer met Hem verenigd, dan zo Hij een van elders aangenomen zoon was. Men moet ook niet beweren, dat Joseph daarom niet de vader van Christus moet worden genoemd, omdat hij Hem niet krachtens de huwelijksgemeenschap heeft voortgebracht, want hij zou toch ook zijn vader zijn geweest, indien Hij niet uit zijn echtgenoot geboren was geweest, maar zo hij Hem van elders als zijn zoon had aangenomen".
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 31 a. 2 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Gelijk Hieronymus in zijn Uitleg op Mattheus (1e Boek, op 1e H., 18e vers) schrijft, "hoewel Joseph niet de vader is des Heren, onze Zaligmaker, wordt toch zijn stamboom tot op Joseph doorgetrokken, ten eerste nl., omdat het de gewoonte der H. Schrift niet is, de geslachtslijst der vrouwen in een stamboom op te nemen. — Bovendien, Maria en Joseph waren van een en dezelfde stam. Daarom ook was hij volgens de wet verplicht, haar als zijn verwante tot vrouw te nemen". En zoals Augustinus zegt in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 11° H) "moest de stamboom tot op Joseph worden doorgetrokken, om in dat huwelijk aan de mannelijke partij, die toch het voornaamste is, geen onrecht aan te doen; toch deed men volstrekt geen afbreuk aan de waarheid, daar zowel Joseph als Maria uit Davids geslacht waren".
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 31 a. 2 arg. 1]
2e Weerlegging. Gelijk Hieronymus in zijn Uitleg op Mattheus (1e Boek, op 1e H., 18e vers) schrijft, "hoewel Joseph niet de vader is des Heren, onze Zaligmaker, wordt toch zijn stamboom tot op Joseph doorgetrokken, ten eerste nl., omdat het de gewoonte der H. Schrift niet is, de geslachtslijst der vrouwen in een stamboom op te nemen. — Bovendien, Maria en Joseph waren van een en dezelfde stam. Daarom ook was hij volgens de wet verplicht, haar als zijn verwante tot vrouw te nemen". En zoals Augustinus zegt in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 11° H) "moest de stamboom tot op Joseph worden doorgetrokken, om in dat huwelijk aan de mannelijke partij, die toch het voornaamste is, geen onrecht aan te doen; toch deed men volstrekt geen afbreuk aan de waarheid, daar zowel Joseph als Maria uit Davids geslacht waren".
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 31 a. 2 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Zoals de Glosse bij de tekst opmerkt, schreef de Apostel overeenkomstig de Hebreeuwse wijze van spreken ‘vrouw’ en niet ‘een persoon van het vrouwelijk geslacht’; volgens de Hebreeuwse spraakgewoonte toch betekent ‘vrouw’ niet slechts degene wier maagdelijkheid geschonden is, maar in het algemeen een persoon van het vrouwelijk geslacht.
B: (John 1:29, John 1:29) [b:John 1:29]
3e Weerlegging. Zoals de Glosse bij de tekst opmerkt, schreef de Apostel overeenkomstig de Hebreeuwse wijze van spreken ‘vrouw’ en niet ‘een persoon van het vrouwelijk geslacht’; volgens de Hebreeuwse spraakgewoonte toch betekent ‘vrouw’ niet slechts degene wier maagdelijkheid geschonden is, maar in het algemeen een persoon van het vrouwelijk geslacht.
B: (John 1:29, John 1:29) [b:John 1:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Deze redenering gaat op voor datgene wat langs natuurlijke weg wordt voortgebracht, omdat gelijk de natuur beperkt is tot slechts één voortbrengsel, zo ook is zij beperkt tot slechts één wijze van dit voort te brengen. Maar, wil Gods bovennatuurlijke kracht zich tot in het oneindige uitstrekken, daarom, evenmin als zij beperkt is tot het voortbrengen van slechts één maaksel, evenmin is zij beperkt in de wijze waarop zij welk maaksel ook wil voortbrengen. Bijgevolg, zoals het door Gods kracht mogelijk was dat de eerste mens uit het slijk der aarde gevormd werd, zo was het door Gods kracht ook mogelijk dat het lichaam van Christus zonder mannelijk zaad gevormd werd uit een maagd.
B: (John 1:13) [b:John 1:13]
4e Weerlegging. Deze redenering gaat op voor datgene wat langs natuurlijke weg wordt voortgebracht, omdat gelijk de natuur beperkt is tot slechts één voortbrengsel, zo ook is zij beperkt tot slechts één wijze van dit voort te brengen. Maar, wil Gods bovennatuurlijke kracht zich tot in het oneindige uitstrekken, daarom, evenmin als zij beperkt is tot het voortbrengen van slechts één maaksel, evenmin is zij beperkt in de wijze waarop zij welk maaksel ook wil voortbrengen. Bijgevolg, zoals het door Gods kracht mogelijk was dat de eerste mens uit het slijk der aarde gevormd werd, zo was het door Gods kracht ook mogelijk dat het lichaam van Christus zonder mannelijk zaad gevormd werd uit een maagd.
B: (John 1:13) [b:John 1:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 1 ad 5
Ad quintum Volgens de Wijsgeer in zijn werk Over het voortbrengen der Dieren (1e B., 2e H. en 20e H.; 2e B., 4e H.; 4e B., 1e H.) verhoudt het mannelijk zaad zich bij de ontvangenis van het dier niet als materiaal-oorzaak, doch uitsluitend als tot stand-brenger; alleen de vrouw verschaft de materie bij het ontvangen. Uit het feit, dat er bij de ontvangenis van Christus’ lichaam geen mannelijk zaad aanwezig was, volgt dus geenszins, dat de daarvoor vereiste materie ontbrak. Maar ook al zou bij de dieren het mannelijk zaad als materie dienen voor de ontvangen vrucht, toch is dit van zelf sprekend geen materie, die onder dezelfde wezenvorm blijft, maar veranderde materie. En hoewel de natuurlijke kracht alleen maar bepaalde materie kan wijzigen naar een bepaalde wezensvorm, toch kan Gods kracht, die oneindig is, iedere materie wijzigen naar welke wezensvorm dan ook. Derhalve, even goed als Hij het slijk der aarde omvormde tot lichaam van Adam, evengoed kon Hij de door de moeder verschafte materie omvormen tot lichaam van Christus, ook al zou deze materie niet hebben volstaan voor een ontvangen op de natuurlijke wijze.
B: (Luke 1:33) [b:Luke 1:33] (Luke 3:23) [b:Luke 3:23]
Ad quintum Volgens de Wijsgeer in zijn werk Over het voortbrengen der Dieren (1e B., 2e H. en 20e H.; 2e B., 4e H.; 4e B., 1e H.) verhoudt het mannelijk zaad zich bij de ontvangenis van het dier niet als materiaal-oorzaak, doch uitsluitend als tot stand-brenger; alleen de vrouw verschaft de materie bij het ontvangen. Uit het feit, dat er bij de ontvangenis van Christus’ lichaam geen mannelijk zaad aanwezig was, volgt dus geenszins, dat de daarvoor vereiste materie ontbrak. Maar ook al zou bij de dieren het mannelijk zaad als materie dienen voor de ontvangen vrucht, toch is dit van zelf sprekend geen materie, die onder dezelfde wezenvorm blijft, maar veranderde materie. En hoewel de natuurlijke kracht alleen maar bepaalde materie kan wijzigen naar een bepaalde wezensvorm, toch kan Gods kracht, die oneindig is, iedere materie wijzigen naar welke wezensvorm dan ook. Derhalve, even goed als Hij het slijk der aarde omvormde tot lichaam van Adam, evengoed kon Hij de door de moeder verschafte materie omvormen tot lichaam van Christus, ook al zou deze materie niet hebben volstaan voor een ontvangen op de natuurlijke wijze.
B: (Luke 1:33) [b:Luke 1:33] (Luke 3:23) [b:Luke 3:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was de Moeder van Christus maagd bij zijn geboorte?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 28 a. 4 co.
IIIa q. 35 a. 6 co.[t:iiia q. 28 a. 4 co.][t:iiia q. 35 a. 6 co.]
IIIa q. 28 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de moeder van Christus geen maagd was bij zijn geboorte. In zijn *Uitleg* toch op Lucas (2° B., op 2° H., 23° vers) schrijft Ambrosius: "Hij, die eens anders moederschoot heiligde, opdat een profeet zou worden geboren, Hij opende de schoot zijner eigen moeder, om onbevlekt te voorschijn te treden". Welnu, het openen van de moederschoot sluit de maagdelijkheid uit. Derhalve was de moeder van Christus geen maagd bij zijn geboorte.
B: (Luke 2:23) [b:Luke 2:23]
IIIa q. 28 a. 4 co.
IIIa q. 35 a. 6 co.[t:iiia q. 28 a. 4 co.][t:iiia q. 35 a. 6 co.]
IIIa q. 28 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de moeder van Christus geen maagd was bij zijn geboorte. In zijn *Uitleg* toch op Lucas (2° B., op 2° H., 23° vers) schrijft Ambrosius: "Hij, die eens anders moederschoot heiligde, opdat een profeet zou worden geboren, Hij opende de schoot zijner eigen moeder, om onbevlekt te voorschijn te treden". Welnu, het openen van de moederschoot sluit de maagdelijkheid uit. Derhalve was de moeder van Christus geen maagd bij zijn geboorte.
B: (Luke 2:23) [b:Luke 2:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Er moest niets voorkomen in het geheim van Christus’ menswording, waardoor zijn lichaam een schijnlichaam kon lijken. Welnu, zo beweert men, niet aan een werkelijk lichaam komt het toe, door iets geslotens heen te gaan, doch wel aan een schijnlichaam. Derhalve moest Hij niet uit de moeder tevoorschijn treden, terwijl de baarmoeder gesloten bleef. Bijgevolg paste het niet, dat zij bij zijn geboorte maagd was.
Vervolgens. Er moest niets voorkomen in het geheim van Christus’ menswording, waardoor zijn lichaam een schijnlichaam kon lijken. Welnu, zo beweert men, niet aan een werkelijk lichaam komt het toe, door iets geslotens heen te gaan, doch wel aan een schijnlichaam. Derhalve moest Hij niet uit de moeder tevoorschijn treden, terwijl de baarmoeder gesloten bleef. Bijgevolg paste het niet, dat zij bij zijn geboorte maagd was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Zoals Gregorius in zijn *Homelie de Octaven van Paschen* zegt, "door na zijn verrijzenis bij zijn leerlingen binnen te treden, terwijl de deuren van het vertrek gesloten bleven, toonde de Heer, dat zijn lichaam gelijksoortig was met het hunne, maar in een andere toestand van verheerlijking". Bij zijn ontvangenis echter was Christus’ lichaam nog niet verheerlijkt, doch lijdelijk, en had het "gelijkheid met het vlees der zonde", volgens de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 3). Derhalve trad het niet uit de H. Maagd te voorschijn, terwijl de baarmoeder toch gesloten bleef.
B: (Rom 8:3) [b:Rom 8:3]
Vervolgens. Zoals Gregorius in zijn *Homelie de Octaven van Paschen* zegt, "door na zijn verrijzenis bij zijn leerlingen binnen te treden, terwijl de deuren van het vertrek gesloten bleven, toonde de Heer, dat zijn lichaam gelijksoortig was met het hunne, maar in een andere toestand van verheerlijking". Bij zijn ontvangenis echter was Christus’ lichaam nog niet verheerlijkt, doch lijdelijk, en had het "gelijkheid met het vlees der zonde", volgens de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 3). Derhalve trad het niet uit de H. Maagd te voorschijn, terwijl de baarmoeder toch gesloten bleef.
B: (Rom 8:3) [b:Rom 8:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 2 s. c.
Daartegenover staat hetgeen we lezen in een toespraak, die op het Concilie van Ephese (3e Deel, 9e H.) gehouden werd: "Na het baren kent de natuur geen maagdelijkheid meer. De genade echter toont ons een barende, en maakte haar moeder en schond haar maagdelijkheid niet". Derhalve was de moeder van Christus maagd bij zijn geboorte.
Daartegenover staat hetgeen we lezen in een toespraak, die op het Concilie van Ephese (3e Deel, 9e H.) gehouden werd: "Na het baren kent de natuur geen maagdelijkheid meer. De genade echter toont ons een barende, en maakte haar moeder en schond haar maagdelijkheid niet". Derhalve was de moeder van Christus maagd bij zijn geboorte.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zonder enigen twijfel moet men houden, dat de moeder van Christus ook bij diens geboorte maagd was; want de Profeet zegt niet slechts: "Zie, de maagd zal ontvangen", doch voegt er tevens aan toe: "en zij zal een zoon baren". Dit nu behoorde ook zo, en wel om drie redenen. 1° nl. om het persoons-eigene van dengene, die geboren werd, d. w. z. het Woord Gods. Want het woord wordt niet slechts zonder enige schending in het hart ontvangen, maar ook komt het zonder enige schending uit het hart voort. Om derhalve aan te tonen, dat dit lichaam juist het lichaam van het Woord Gods was, was het passend, dat het geboren werd zonder de baarmoeder der maagd te schenden. Daarom lezen we dan ook in een toespraak van het Concilie van Ephese (t. a. p.): "Zij, die baart, wat louter mens is, houdt op maagd te zijn. Maar wijl in dit vlees het Woord geboren werd, beschermt God haar maagdelijkheid, daardoor toonend, dat Hij het Woord is. Want ook ons woord schendt onze geest niet, wanneer het geboren wordt; evenmin ontnam God, het zelfstandig Woord, toen het verkoos geboren te worden, de maagdelijkheid". 2°, was dit passend met betrekking tot de uitwerking van van Christus' menswording. Want daartoe is Hij in de wereld gekomen, om onze geschondenheid weg te nemen. Derhalve was het niet passend, dat Hij door zijn geboorte de maagdelijkheid zijner moeder zou schenden. Daarom dan ook zegt Augustinus in een toespraak op de Geboorte des Heren: "Het was niet behoorlijk, dat door de komst van Hem, die gekomen was, om het geschondene te herstellen, aan de ongereptheid geweld zou worden aangedaan". 3°, was het behoorlijk, dat Hij, die bevolen had de ouders te eren, door zijn geboorte de eer van zijn eigen moeder niet zou verkleinen.
Mijn antwoord. Zonder enigen twijfel moet men houden, dat de moeder van Christus ook bij diens geboorte maagd was; want de Profeet zegt niet slechts: "Zie, de maagd zal ontvangen", doch voegt er tevens aan toe: "en zij zal een zoon baren". Dit nu behoorde ook zo, en wel om drie redenen. 1° nl. om het persoons-eigene van dengene, die geboren werd, d. w. z. het Woord Gods. Want het woord wordt niet slechts zonder enige schending in het hart ontvangen, maar ook komt het zonder enige schending uit het hart voort. Om derhalve aan te tonen, dat dit lichaam juist het lichaam van het Woord Gods was, was het passend, dat het geboren werd zonder de baarmoeder der maagd te schenden. Daarom lezen we dan ook in een toespraak van het Concilie van Ephese (t. a. p.): "Zij, die baart, wat louter mens is, houdt op maagd te zijn. Maar wijl in dit vlees het Woord geboren werd, beschermt God haar maagdelijkheid, daardoor toonend, dat Hij het Woord is. Want ook ons woord schendt onze geest niet, wanneer het geboren wordt; evenmin ontnam God, het zelfstandig Woord, toen het verkoos geboren te worden, de maagdelijkheid". 2°, was dit passend met betrekking tot de uitwerking van van Christus' menswording. Want daartoe is Hij in de wereld gekomen, om onze geschondenheid weg te nemen. Derhalve was het niet passend, dat Hij door zijn geboorte de maagdelijkheid zijner moeder zou schenden. Daarom dan ook zegt Augustinus in een toespraak op de Geboorte des Heren: "Het was niet behoorlijk, dat door de komst van Hem, die gekomen was, om het geschondene te herstellen, aan de ongereptheid geweld zou worden aangedaan". 3°, was het behoorlijk, dat Hij, die bevolen had de ouders te eren, door zijn geboorte de eer van zijn eigen moeder niet zou verkleinen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Ambrosius schrijft dit, waar hij de door de Evangelist aangehaalde woorden uit de Wet verklaart: "Ieder kind van het mannelijk geslacht, dat de moederschoot opent, moet de Heer worden toegewijd". Dit nu, zegt hij — gelijk Beda opmerkt (in zijn Uitleg op Lucas, 1° Boek op het 2° H., 23° vers) — "sprekend over de gewone wijze van geboren te worden; maar hij bedoelt niet dat men geloven moet, dat de Heer de verblijfplaats der gewijde baarmoeder, die Hij bij zijn intreden geheiligd had, bij zijn uittreden ontmaagd zou hebben". Dit "openen" betekent dus niet, dat Hij het maagdelijk schaamtevlies ontsloten heeft, maar betekent alleen het uittreden van het kind uit de schoot zijner moeder.
1e Weerlegging. Ambrosius schrijft dit, waar hij de door de Evangelist aangehaalde woorden uit de Wet verklaart: "Ieder kind van het mannelijk geslacht, dat de moederschoot opent, moet de Heer worden toegewijd". Dit nu, zegt hij — gelijk Beda opmerkt (in zijn Uitleg op Lucas, 1° Boek op het 2° H., 23° vers) — "sprekend over de gewone wijze van geboren te worden; maar hij bedoelt niet dat men geloven moet, dat de Heer de verblijfplaats der gewijde baarmoeder, die Hij bij zijn intreden geheiligd had, bij zijn uittreden ontmaagd zou hebben". Dit "openen" betekent dus niet, dat Hij het maagdelijk schaamtevlies ontsloten heeft, maar betekent alleen het uittreden van het kind uit de schoot zijner moeder.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Christus wilde de waarachtigheid van zijn lichaam op een zodanige wijze aantoonen, dat toch tegelijkertijd ook zijn Godheid zou blijken. Daarom liet Hij dan ook het wonderbare met het gewone samengaan. Om zijn lichaam dus een werkelijk lichaam te doen blijken, werd Hij geboren uit een vrouw. Maar om zijn Godheid te tonen, werd Hij geboren uit een maagd; zulk een geboorte toch past God, gelijk Ambrosius in de lofzang van het Kerstfeest (in de Vespers) zingt.
2e Weerlegging. Christus wilde de waarachtigheid van zijn lichaam op een zodanige wijze aantoonen, dat toch tegelijkertijd ook zijn Godheid zou blijken. Daarom liet Hij dan ook het wonderbare met het gewone samengaan. Om zijn lichaam dus een werkelijk lichaam te doen blijken, werd Hij geboren uit een vrouw. Maar om zijn Godheid te tonen, werd Hij geboren uit een maagd; zulk een geboorte toch past God, gelijk Ambrosius in de lofzang van het Kerstfeest (in de Vespers) zingt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Sommigen hielden, dat Christus bij zijn geboorte de verheerlijkingsgave der vergeestelijking aannam, toen Hij uit de gesloten schoot zijner moeder uitging, en dat Hij de gave der gezwindheid heeft aangenomen, toen Hij droogvoets over het meer wandelde. — Maar dit komt niet overeen met het vroeger (14° Kw.) behandelde. Deze gaven toch van het verheerlikte lichaam komen voort uit de heerlijkheid der ziel, die zich in het lichaam weerkaatst, gelijk we later zullen zien bij het bespreken der verheerlikte lichamen (Vgl. het Supplement of Aanvullende Deel; 82° Kw. en volgend). Nu werd boven (13° Kw., Art. 3, Antw. op de 1° B., 16° Kw., Art. 1, Antw. op de 2° B.) aangetoond, dat Christus toeliet, dat zijn lichaam vóór zijn lijden datgene deed en onderging, wat aan het lichaam uiteraard eigen is; een dergelijke weerkaatsing van de heerlijkheid der ziel in het lichaam had toen dan ook niet plaats. Derhalve moet men zeggen, dat al deze voorvallen door Gods kracht wonderdadig zijn geschied. Daarom dan ook schrijft Augustinus in zijn Verhandeling op Joannes (121° Verh.): "Waar de Godheid was, waren gesloten deuren geen beletsel voor zijn stoffelijk lichaam. Zonder dat zij geopend werden toch kon Hij binnentreden, bij wiens geboorte de maagdelijkheid der moeder ongerept behouden bleef". En Dionysius schrijft in een brief (4e Brief, Aan Caius): "Christus bewerkte boven-menselijk datgene wat des mensen is. Dit toont zowel de maagd, die op een bovennatuurlijke wijze ontvangt, als het onvaste water, dat het gewicht zijner aardse voeten draagt".
R: q. 14[t:iiia q. 14] q. 13 a. 3 ad 1[t:iiia q. 13 a. 3 ad 1] q. 16 a. 1 ad 2[t:iiia q. 16 a. 1 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 81 a. 3 co.[t:iiia q. 81 a. 3 co.]
3e Weerlegging. Sommigen hielden, dat Christus bij zijn geboorte de verheerlijkingsgave der vergeestelijking aannam, toen Hij uit de gesloten schoot zijner moeder uitging, en dat Hij de gave der gezwindheid heeft aangenomen, toen Hij droogvoets over het meer wandelde. — Maar dit komt niet overeen met het vroeger (14° Kw.) behandelde. Deze gaven toch van het verheerlikte lichaam komen voort uit de heerlijkheid der ziel, die zich in het lichaam weerkaatst, gelijk we later zullen zien bij het bespreken der verheerlikte lichamen (Vgl. het Supplement of Aanvullende Deel; 82° Kw. en volgend). Nu werd boven (13° Kw., Art. 3, Antw. op de 1° B., 16° Kw., Art. 1, Antw. op de 2° B.) aangetoond, dat Christus toeliet, dat zijn lichaam vóór zijn lijden datgene deed en onderging, wat aan het lichaam uiteraard eigen is; een dergelijke weerkaatsing van de heerlijkheid der ziel in het lichaam had toen dan ook niet plaats. Derhalve moet men zeggen, dat al deze voorvallen door Gods kracht wonderdadig zijn geschied. Daarom dan ook schrijft Augustinus in zijn Verhandeling op Joannes (121° Verh.): "Waar de Godheid was, waren gesloten deuren geen beletsel voor zijn stoffelijk lichaam. Zonder dat zij geopend werden toch kon Hij binnentreden, bij wiens geboorte de maagdelijkheid der moeder ongerept behouden bleef". En Dionysius schrijft in een brief (4e Brief, Aan Caius): "Christus bewerkte boven-menselijk datgene wat des mensen is. Dit toont zowel de maagd, die op een bovennatuurlijke wijze ontvangt, als het onvaste water, dat het gewicht zijner aardse voeten draagt".
R: q. 14[t:iiia q. 14] q. 13 a. 3 ad 1[t:iiia q. 13 a. 3 ad 1] q. 16 a. 1 ad 2[t:iiia q. 16 a. 1 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 81 a. 3 co.[t:iiia q. 81 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is de moeder van Christus na diens geboorte maagd gebleven?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 28 a. 4 co.[t:iiia q. 28 a. 4 co.]
IIIa q. 28 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de moeder van Christus na diens geboorte geen maagd is gebleven. Want in *Mattheus* (1, 18) wordt verhaald: "Voordat Joseph en Maria bij elkaar kwamen, werd zij zwanger bevonden van de H. Geest". Dit: "voordat zij bij elkaar kwamen" nu, schrijft Hieronymus in zijn werk *Tegen Helvidius* (N. 3), zou de Evangelist niet hebben gezegd, indien hij er niet zeker van was, dat zij bij elkaar zouden komen; want niemand zegt van een persoon, die niet zal eten: "voordat hij ging eten". Derhalve, zo beweert men, is de H. Maagd ooit met Joseph in vleselijke gemeenschap samengekomen. Bijgevolg is zij na Christus’ geboorte geen maagd gebleven.
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18]
IIIa q. 28 a. 4 co.[t:iiia q. 28 a. 4 co.]
IIIa q. 28 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de moeder van Christus na diens geboorte geen maagd is gebleven. Want in *Mattheus* (1, 18) wordt verhaald: "Voordat Joseph en Maria bij elkaar kwamen, werd zij zwanger bevonden van de H. Geest". Dit: "voordat zij bij elkaar kwamen" nu, schrijft Hieronymus in zijn werk *Tegen Helvidius* (N. 3), zou de Evangelist niet hebben gezegd, indien hij er niet zeker van was, dat zij bij elkaar zouden komen; want niemand zegt van een persoon, die niet zal eten: "voordat hij ging eten". Derhalve, zo beweert men, is de H. Maagd ooit met Joseph in vleselijke gemeenschap samengekomen. Bijgevolg is zij na Christus’ geboorte geen maagd gebleven.
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 arg. 2
Vervolgens. T. a. p. (Mattheus, 1, 20) wordt er nog aan toegevoegd, dat de engel tot Joseph sprak: "Vrees niet, Maria uw echtgenote tot u te nemen". Het echtgenootschap nu wordt voltrokken door de vleesgelijke gemeenschap. Derhalve, zo beweert men, heeft er toch ooit een vleesgelijke gemeenschap tussen Maria en Joseph plaats gehad. Bijgevolg is zij na Christus' geboorte geen maagd gebleven.
B: (Matt 1:20) [b:Matt 1:20]
Vervolgens. T. a. p. (Mattheus, 1, 20) wordt er nog aan toegevoegd, dat de engel tot Joseph sprak: "Vrees niet, Maria uw echtgenote tot u te nemen". Het echtgenootschap nu wordt voltrokken door de vleesgelijke gemeenschap. Derhalve, zo beweert men, heeft er toch ooit een vleesgelijke gemeenschap tussen Maria en Joseph plaats gehad. Bijgevolg is zij na Christus' geboorte geen maagd gebleven.
B: (Matt 1:20) [b:Matt 1:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Kort na het voorgaande (Mattheus, 1, 24, 25) lezen we: "En hij nam zijn echtgenoote tot zich. Maar hij bekende haar niet, totdat zij een zoon had gebaard: de eerstgeborene". Dit bijwoord nu "totdat", lezen we bij Hieronymus (t. a. p. N° 5), geeft gewoonlijk niet alleen een bepaalden tijd aan, maar ook, dat na het verstrijken van die tijd datgene gebeurt, wat tot aan die tijd niet gebeurde. Het werkwoord "bekennen" heeft echter hier betrekking op de huwelijksgemeenschap", zoals ook in het Boek der Schepping (4, 1) staat: "Adam bekende zijn echtgenoote". Derhalve, zo beweert men, werd de H. Maagd na Christus' geboorte wél door Joseph bekend. Bijgevolg is zij na diens geboorte geen maagd gebleven.
B: (Gen 4:1) [b:Gen 4:1] (Matt 1:24) [b:Matt 1:24] (Matt 1:25) [b:Matt 1:25]
Vervolgens. Kort na het voorgaande (Mattheus, 1, 24, 25) lezen we: "En hij nam zijn echtgenoote tot zich. Maar hij bekende haar niet, totdat zij een zoon had gebaard: de eerstgeborene". Dit bijwoord nu "totdat", lezen we bij Hieronymus (t. a. p. N° 5), geeft gewoonlijk niet alleen een bepaalden tijd aan, maar ook, dat na het verstrijken van die tijd datgene gebeurt, wat tot aan die tijd niet gebeurde. Het werkwoord "bekennen" heeft echter hier betrekking op de huwelijksgemeenschap", zoals ook in het Boek der Schepping (4, 1) staat: "Adam bekende zijn echtgenoote". Derhalve, zo beweert men, werd de H. Maagd na Christus' geboorte wél door Joseph bekend. Bijgevolg is zij na diens geboorte geen maagd gebleven.
B: (Gen 4:1) [b:Gen 4:1] (Matt 1:24) [b:Matt 1:24] (Matt 1:25) [b:Matt 1:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 arg. 4
Vervolgens. "Eerstgeborene" kan slechts hij worden genoemd op wie een of meer broeders volgen; daarvan lezen we dan ook in de Brief aan de Romeinen (8, 29): "Die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd, om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon, opdat deze de Eerstgeborene onder vele broeders zou zijn". De Evangelist (Mattheus, 1, 25; Lucas, 2, 7) nu noemt Christus de eerstgeborene zijner moeder. Derhalve had zij na Christus nog andere kinderen. Bijgevolg, zo beweert men, is Christus’ moeder na diens geboorte geen maagd gebleven.
B: (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Vervolgens. "Eerstgeborene" kan slechts hij worden genoemd op wie een of meer broeders volgen; daarvan lezen we dan ook in de Brief aan de Romeinen (8, 29): "Die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd, om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon, opdat deze de Eerstgeborene onder vele broeders zou zijn". De Evangelist (Mattheus, 1, 25; Lucas, 2, 7) nu noemt Christus de eerstgeborene zijner moeder. Derhalve had zij na Christus nog andere kinderen. Bijgevolg, zo beweert men, is Christus’ moeder na diens geboorte geen maagd gebleven.
B: (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 arg. 5
Vervolgens. In Joannes (2, 12) lezen we: "Daarna vertrok Hij naar Capharnaüm: Hijzelf, d. w. z. Christus met zijn moeder en broeders". "Broeders" nu heten zij, die uit dezelfde ouders zijn voortgekomen. Bijgevolg, zo beweert men, had de H. Maagd behalve Christus nog andere kinderen.
B: (John 2:12) [b:John 2:12]
Vervolgens. In Joannes (2, 12) lezen we: "Daarna vertrok Hij naar Capharnaüm: Hijzelf, d. w. z. Christus met zijn moeder en broeders". "Broeders" nu heten zij, die uit dezelfde ouders zijn voortgekomen. Bijgevolg, zo beweert men, had de H. Maagd behalve Christus nog andere kinderen.
B: (John 2:12) [b:John 2:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 arg. 6
Vervolgens. In Mattheus (27, 55, 56) lezen we: "En vele vrouwen, die Jezus van Galilea af gevolgd waren, om Hem te dienen, stonden daar nl. bij het kruis van Christus van verre toe te zien; onder anderen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jacobus en Joseph, en de moeder van de zonen van Zebedeüs". Nu beweert men, dat deze Maria, die hier de moeder van Jacobus en Joseph wordt genoemd, tevens ook de moeder van Christus zou wezen. Want in Joannes (19, 25) staat: "Bij het kruis van Jezus stond Maria, Zijn moeder". Derhalve, zo beweert men, is de moeder van Christus na diens geboorte geen maagd gebleven.
B: (Matt 27:55) [b:Matt 27:55] (Matt 27:56) [b:Matt 27:56] (John 19:25, John 19:25) [b:John 19:25]
Vervolgens. In Mattheus (27, 55, 56) lezen we: "En vele vrouwen, die Jezus van Galilea af gevolgd waren, om Hem te dienen, stonden daar nl. bij het kruis van Christus van verre toe te zien; onder anderen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jacobus en Joseph, en de moeder van de zonen van Zebedeüs". Nu beweert men, dat deze Maria, die hier de moeder van Jacobus en Joseph wordt genoemd, tevens ook de moeder van Christus zou wezen. Want in Joannes (19, 25) staat: "Bij het kruis van Jezus stond Maria, Zijn moeder". Derhalve, zo beweert men, is de moeder van Christus na diens geboorte geen maagd gebleven.
B: (Matt 27:55) [b:Matt 27:55] (Matt 27:56) [b:Matt 27:56] (John 19:25, John 19:25) [b:John 19:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Ezechiël (44, 2, 3): "Deze poort zal gesloten blijven, zij zal niet geopend worden, en geen man zal daardoor ingaan, omdat de Heer, de God van Israël, daardoor is ingetreden". Waar Augustinus deze woorden in een toespraak verklaart, zegt hij: "Wat betekenen deze woorden "de poort in het huis des Heren zal gesloten blijven", anders dan dat Maria steeds ongerept zal blijven? En wat betekent "geen man zal daardoor ingaan", anders dan dat Joseph haar niet zal kennen? En wat betekent "Alleen de Heer gaat daardoor in en treedt daardoor uit", anders dan dat de H. Geest haar zwanger zal doen worden en dat de Heer der engelen door haar zal worden geboren? En wat betekent "tot in eeuwigheid zal zij gesloten blijven", anders dan dat Maria maagd was vóór Christus' geboorte, en maagd bij zijn geboorte, en maagd na zijn geboorte?"
B: (Ezek 44:2) [b:Ezek 44:2]
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Ezechiël (44, 2, 3): "Deze poort zal gesloten blijven, zij zal niet geopend worden, en geen man zal daardoor ingaan, omdat de Heer, de God van Israël, daardoor is ingetreden". Waar Augustinus deze woorden in een toespraak verklaart, zegt hij: "Wat betekenen deze woorden "de poort in het huis des Heren zal gesloten blijven", anders dan dat Maria steeds ongerept zal blijven? En wat betekent "geen man zal daardoor ingaan", anders dan dat Joseph haar niet zal kennen? En wat betekent "Alleen de Heer gaat daardoor in en treedt daardoor uit", anders dan dat de H. Geest haar zwanger zal doen worden en dat de Heer der engelen door haar zal worden geboren? En wat betekent "tot in eeuwigheid zal zij gesloten blijven", anders dan dat Maria maagd was vóór Christus' geboorte, en maagd bij zijn geboorte, en maagd na zijn geboorte?"
B: (Ezek 44:2) [b:Ezek 44:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zonder enigen twijfel moet de dwaling verworpen worden van Helvidius, die durfde te beweren, dat de moeder van Christus na diens Geboorte door Joseph bekend werd en nog andere kinderen ter wereld bracht. Want 1° doet deze dwaling afbreuk aan Christus’ volmaaktheid, die, gelijk Hij naar zijn goddelijke natuur de Eéngeborene des Vaders is (Joannes, 1, 14) als zijnde diens in alles volmaakte Zoon (Hebreeënbrief, 28), zo ook paste het, dat Hij de ééngeborene zijner moeder was, als zijnde haar allervolmaakste kind. 2°, doet deze dwaling de Heilige Geest onrecht aan; de maagdelijke schoot was zijn heiligdom, daarin toch had Hij het lichaam van Christus gevormd; het paste dan ook niet, dat dit heiligdom naderhand door de gemeenschap met een man zou worden geschonden. 3°, doet zij afbreuk aan de waardigheid en heiligheid der moeder Gods; zij toch zou allerondankbaarst schijnen, indien zij niet tevreden zou zijn met zulk een Zoon, en indien zij haar maagdelijkheid, die in haar op wonderdadige wijze voor schending was gevrijwaard, vrijwillig had willen te niet doen door gemeenschap des vleses. 4°, ook aan Joseph zelf zou het als een zeer grote aanmatiging moeten worden toegerekend, wanneer hij het gewaagd zou hebben, haar te bevlekken, van wie hij door de openbaring eens engel wist, dat zij God zelf ontvangen had van de Heilige Geest. Bijgevolg moet men onvoorwaardelijk erkennen, dat de Moeder Gods na Christus’ geboorte eeuwig maagd is gebleven, gelijk zij ook als maagd ontvangen en als maagd gebaard heeft.
Mijn antwoord. Zonder enigen twijfel moet de dwaling verworpen worden van Helvidius, die durfde te beweren, dat de moeder van Christus na diens Geboorte door Joseph bekend werd en nog andere kinderen ter wereld bracht. Want 1° doet deze dwaling afbreuk aan Christus’ volmaaktheid, die, gelijk Hij naar zijn goddelijke natuur de Eéngeborene des Vaders is (Joannes, 1, 14) als zijnde diens in alles volmaakte Zoon (Hebreeënbrief, 28), zo ook paste het, dat Hij de ééngeborene zijner moeder was, als zijnde haar allervolmaakste kind. 2°, doet deze dwaling de Heilige Geest onrecht aan; de maagdelijke schoot was zijn heiligdom, daarin toch had Hij het lichaam van Christus gevormd; het paste dan ook niet, dat dit heiligdom naderhand door de gemeenschap met een man zou worden geschonden. 3°, doet zij afbreuk aan de waardigheid en heiligheid der moeder Gods; zij toch zou allerondankbaarst schijnen, indien zij niet tevreden zou zijn met zulk een Zoon, en indien zij haar maagdelijkheid, die in haar op wonderdadige wijze voor schending was gevrijwaard, vrijwillig had willen te niet doen door gemeenschap des vleses. 4°, ook aan Joseph zelf zou het als een zeer grote aanmatiging moeten worden toegerekend, wanneer hij het gewaagd zou hebben, haar te bevlekken, van wie hij door de openbaring eens engel wist, dat zij God zelf ontvangen had van de Heilige Geest. Bijgevolg moet men onvoorwaardelijk erkennen, dat de Moeder Gods na Christus’ geboorte eeuwig maagd is gebleven, gelijk zij ook als maagd ontvangen en als maagd gebaard heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Zoals Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius antwoordt (No. 4): "moet men bedenken, dat het voorzetsel "vóór", hoewel dit dikwijls wijst op datgene, wat daarna gebeurt, soms toch uitsluitend datgene aangeeft, waarvan men vooraf dacht, dat het zou gebeuren. Maar het is niet noodzakelijk, dat nu ook feitelijk datgene gebeurt, wat men gedacht heeft; want juist daarom iets anders tussen beide kan komen, opdat hetgeen men dacht, niet zou gebeuren. Zo b. v. wanneer iemand zegt "vóórdat ik in de haven ontbeet, heb ik gevaren", dan betekent dit niet, dat hij na gevaren te hebben in de haven ontbijt, maar, dat hij dacht in de haven te zullen ontbijten. Eveneens zegt de Evangelist "Vóórdat zij bij elkaar kwamen, werd Maria zwanger bevonden van de H. Geest", daarmede niet bewerend, dat zij later wèl bij elkaar kwamen, maar dat, terwijl het scheen, dat zij bij elkaar zouden komen, het ontvangen uit de H. Geest tussen beide kwam, hetgeen maakte, dat zij later niet bij elkaar kwamen.
1e Weerlegging. Zoals Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius antwoordt (No. 4): "moet men bedenken, dat het voorzetsel "vóór", hoewel dit dikwijls wijst op datgene, wat daarna gebeurt, soms toch uitsluitend datgene aangeeft, waarvan men vooraf dacht, dat het zou gebeuren. Maar het is niet noodzakelijk, dat nu ook feitelijk datgene gebeurt, wat men gedacht heeft; want juist daarom iets anders tussen beide kan komen, opdat hetgeen men dacht, niet zou gebeuren. Zo b. v. wanneer iemand zegt "vóórdat ik in de haven ontbeet, heb ik gevaren", dan betekent dit niet, dat hij na gevaren te hebben in de haven ontbijt, maar, dat hij dacht in de haven te zullen ontbijten. Eveneens zegt de Evangelist "Vóórdat zij bij elkaar kwamen, werd Maria zwanger bevonden van de H. Geest", daarmede niet bewerend, dat zij later wèl bij elkaar kwamen, maar dat, terwijl het scheen, dat zij bij elkaar zouden komen, het ontvangen uit de H. Geest tussen beide kwam, hetgeen maakte, dat zij later niet bij elkaar kwamen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 11° H.) zegt, "heet de Moeder Gods zijn echtgenoote, krachtens de eerste verlovingstrouw; toch heeft hij haar niet bekend en zou hij haar ook niet bekennen. Want gelijk Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas schrijft (2° B., op Lucas, 1, 27) "niet het verlies der maagdelijkheid wordt hier aangegeven, maar de betuiging van hun gehuwdzijn, het vieren der verloving".
B: (Luke 1:27) [b:Luke 1:27]
2e Weerlegging. Zoals Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 11° H.) zegt, "heet de Moeder Gods zijn echtgenoote, krachtens de eerste verlovingstrouw; toch heeft hij haar niet bekend en zou hij haar ook niet bekennen. Want gelijk Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas schrijft (2° B., op Lucas, 1, 27) "niet het verlies der maagdelijkheid wordt hier aangegeven, maar de betuiging van hun gehuwdzijn, het vieren der verloving".
B: (Luke 1:27) [b:Luke 1:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Sommigen hielden, dat men dit niet moet verstaan in de zin van een vleselijk bekennen, doch van een verstandelijk kennen. Zo schrijft Chrysostomus (in zijn 1e Homelie op Mattheus): "Joseph kende haar niet, voordat zij baarde, hij wist haar waardigheid niet; maar nadat zij gebaard had, toen kende hij haar.. Want door haar kind was zij schooner en waardiger geworden dan geheel de wereld, omdat alléén zij Degene, die de gehele wereld niet kan omvatten, in de beperktheid van haar schoot heeft gedragen". Anderen laten dit slaan op het kennen door het gezichtsvermogen. Want gelijk het aangezicht van de met God sprekende Mozes verheerlijkt werd, zoodat de kinderen Israëls hem niet konden aankijken (2e Korinthierbrief, 3, 7), zo ook kon Maria, die door de schittering van de kracht des Allerhoogsten overschaduwd was, niet worden aangestaard door Joseph, totdat zij zou baren. Na het baren echter blijkt zij wel door Joseph gekend te zijn, door het zien van haar gelaat, maar niet door de aanraking, waar het zingenot naar streeft. Hieronymus echter geeft toe, dat men deze woorden moet verstaan in de zin van het bekennen door de vleselijke gemeenschap. Maar, zegt hij, "tot" of "totdat" kan in de H. Schrift tweevoudig worden opgevat. Soms toch geeft het een bepaalde tijd aan, blijkens de Brief aan de Galaten (3, 19): "Om wille der overtredingen is de Wet gesteld, totdat het Zaad zou zijn, gekomen, aan wien de Belofte gericht was". Soms echter betekent het een onbepaalde tijd blijkens het Psalmwoord (Ps. 122, 2): "Onze ogen zijn gericht op de Heer, onze God, totdat Hij zich onzer ontferme", waaruit men niet moet besluiten, dat na het verkrijgen van zijn ontferming de ogen werden afgewend van God. Deze eerste wijze van spreken wordt gebruikt, om datgene uit te drukken, waarover men nog zou kunnen twijfelen indien het niet uitdrukkelijk beschreven was; in het andere geval echter wordt de gevolgtrekking aan ons eigen denken overgelaten. En aldus zegt de Evangelist, dat de Moeder Gods door geen man bekend werd, totdat zij baarde, opdat wij des te beter zouden begrijpen, dat zij na die geboorte niet bekend werd.
B: (Gal. 3:19) [b:Gal. 3:19] (Ps. 122:2) [b:Ps. 122:2]
3e Weerlegging. Sommigen hielden, dat men dit niet moet verstaan in de zin van een vleselijk bekennen, doch van een verstandelijk kennen. Zo schrijft Chrysostomus (in zijn 1e Homelie op Mattheus): "Joseph kende haar niet, voordat zij baarde, hij wist haar waardigheid niet; maar nadat zij gebaard had, toen kende hij haar.. Want door haar kind was zij schooner en waardiger geworden dan geheel de wereld, omdat alléén zij Degene, die de gehele wereld niet kan omvatten, in de beperktheid van haar schoot heeft gedragen". Anderen laten dit slaan op het kennen door het gezichtsvermogen. Want gelijk het aangezicht van de met God sprekende Mozes verheerlijkt werd, zoodat de kinderen Israëls hem niet konden aankijken (2e Korinthierbrief, 3, 7), zo ook kon Maria, die door de schittering van de kracht des Allerhoogsten overschaduwd was, niet worden aangestaard door Joseph, totdat zij zou baren. Na het baren echter blijkt zij wel door Joseph gekend te zijn, door het zien van haar gelaat, maar niet door de aanraking, waar het zingenot naar streeft. Hieronymus echter geeft toe, dat men deze woorden moet verstaan in de zin van het bekennen door de vleselijke gemeenschap. Maar, zegt hij, "tot" of "totdat" kan in de H. Schrift tweevoudig worden opgevat. Soms toch geeft het een bepaalde tijd aan, blijkens de Brief aan de Galaten (3, 19): "Om wille der overtredingen is de Wet gesteld, totdat het Zaad zou zijn, gekomen, aan wien de Belofte gericht was". Soms echter betekent het een onbepaalde tijd blijkens het Psalmwoord (Ps. 122, 2): "Onze ogen zijn gericht op de Heer, onze God, totdat Hij zich onzer ontferme", waaruit men niet moet besluiten, dat na het verkrijgen van zijn ontferming de ogen werden afgewend van God. Deze eerste wijze van spreken wordt gebruikt, om datgene uit te drukken, waarover men nog zou kunnen twijfelen indien het niet uitdrukkelijk beschreven was; in het andere geval echter wordt de gevolgtrekking aan ons eigen denken overgelaten. En aldus zegt de Evangelist, dat de Moeder Gods door geen man bekend werd, totdat zij baarde, opdat wij des te beter zouden begrijpen, dat zij na die geboorte niet bekend werd.
B: (Gal. 3:19) [b:Gal. 3:19] (Ps. 122:2) [b:Ps. 122:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Het is de gewoonte der H. Schrift, om niet alleen degene, op wie een of meer broeders volgen, eerstgeborene te noemen, maar in het algemeen de eerste, die geboren is. "Want anders, zo slechts hij eerstgeborene is, op wie een of meer broeders volgen, dan zou hetgeen volgens de Wet aangaande de eerstgeborenen is voorgeschreven, niet verplichten", zolang er nog geen andere kinderen waren bijgekomen. (Hieronymus, t. a. p., N° 10). Dit nu is klaarblijkelijk onwaar, wijl de eerstgeborene volgens de Wet binnen één maand moet worden vrijgekocht.
B: (Num 18:16) [b:Num 18:16]
4e Weerlegging. Het is de gewoonte der H. Schrift, om niet alleen degene, op wie een of meer broeders volgen, eerstgeborene te noemen, maar in het algemeen de eerste, die geboren is. "Want anders, zo slechts hij eerstgeborene is, op wie een of meer broeders volgen, dan zou hetgeen volgens de Wet aangaande de eerstgeborenen is voorgeschreven, niet verplichten", zolang er nog geen andere kinderen waren bijgekomen. (Hieronymus, t. a. p., N° 10). Dit nu is klaarblijkelijk onwaar, wijl de eerstgeborene volgens de Wet binnen één maand moet worden vrijgekocht.
B: (Num 18:16) [b:Num 18:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 ad 5
Ad quintum Zoals Hieronymus in zijn Uitleg op Mattheus (2° B., op Matth. 12, 49, 50) verklaart, "verstaan sommigen onder de broeders des Heren kinderen uit een andere echtgenoote van Joseph. Wij echter verstaan onder de broeders des Heren geen zonen van Joseph, maar kinderen van de zuster van zijn moeder Maria. Op vier verschillende manieren toch spreekt de H. Schrift van broeders, namelijk op grond van geboorte, van het volk, van verwantschap en van toegenegenheid" (Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius; N° 14). Zij heten dus geen broeders des Heren krachtens hun geboorte, alsof zij uit dezelfde moeder geboren waren, maar krachtens verwantschap, als zijnde zijn bloedverwanten. Van Joseph echter moet men eerder aannemen, zoals Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius (N° 19) opmerkt, dat hij maagd is gebleven, omdat "nergens geschreven staat, dat hij nog een andere vrouw gehuwd heeft, en overspel gebeurt niet in het leven van een heilige".
B: (Matt 12:49.50) [b:Matt 12:49.50]
Ad quintum Zoals Hieronymus in zijn Uitleg op Mattheus (2° B., op Matth. 12, 49, 50) verklaart, "verstaan sommigen onder de broeders des Heren kinderen uit een andere echtgenoote van Joseph. Wij echter verstaan onder de broeders des Heren geen zonen van Joseph, maar kinderen van de zuster van zijn moeder Maria. Op vier verschillende manieren toch spreekt de H. Schrift van broeders, namelijk op grond van geboorte, van het volk, van verwantschap en van toegenegenheid" (Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius; N° 14). Zij heten dus geen broeders des Heren krachtens hun geboorte, alsof zij uit dezelfde moeder geboren waren, maar krachtens verwantschap, als zijnde zijn bloedverwanten. Van Joseph echter moet men eerder aannemen, zoals Hieronymus in zijn werk Tegen Helvidius (N° 19) opmerkt, dat hij maagd is gebleven, omdat "nergens geschreven staat, dat hij nog een andere vrouw gehuwd heeft, en overspel gebeurt niet in het leven van een heilige".
B: (Matt 12:49.50) [b:Matt 12:49.50]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 3 ad 6
Ad sextum Onder Maria, die hier de moeder van Jacobus en Joseph genoemd wordt, moet men niet de Moeder des Heren verstaan, daar zij in het Evangelie niet anders vernoemd wordt dan met de bijvermelding harer waardigheid, dat zij de moeder van Jezus is. Met deze Maria wordt de vrouw van Alphaeus bedoeld, wier zoon Jacobus de Mindere is, die dan ook broeder des Heren heet (Brief aan de Galaten, 1, 19).
B: (Luke 1:27) [b:Luke 1:27] (Gal. 1, 19) [b:Gal. 1, 19]
Ad sextum Onder Maria, die hier de moeder van Jacobus en Joseph genoemd wordt, moet men niet de Moeder des Heren verstaan, daar zij in het Evangelie niet anders vernoemd wordt dan met de bijvermelding harer waardigheid, dat zij de moeder van Jezus is. Met deze Maria wordt de vrouw van Alphaeus bedoeld, wier zoon Jacobus de Mindere is, die dan ook broeder des Heren heet (Brief aan de Galaten, 1, 19).
B: (Luke 1:27) [b:Luke 1:27] (Gal. 1, 19) [b:Gal. 1, 19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Heeft de Moeder Gods de gelofte van zuiverheid af gelegd?
IIIa q. 28 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de Moeder Gods geen gelofte van zuiverheid heeft afgelegd. In het boek Deuteronomium (7, 14) toch lezen we: "In geen van beide geslachten zal er een onvruchtbare bij u zijn". Op de maagdelijkheid echter volgt de onvruchtbaarheid. Behoud der maagdelijkheid was dus tegen het voorschrift der Oude Wet. Welnu, vóór Christus’ geboorte bleef de Oude Wet nog van kracht. Derhalve kon de H. Maagd voor wat die tijd betreft niet geoorloofd de gelofte van zuiverheid afleggen.
B: (Deut 7:14) [b:Deut 7:14]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de Moeder Gods geen gelofte van zuiverheid heeft afgelegd. In het boek Deuteronomium (7, 14) toch lezen we: "In geen van beide geslachten zal er een onvruchtbare bij u zijn". Op de maagdelijkheid echter volgt de onvruchtbaarheid. Behoud der maagdelijkheid was dus tegen het voorschrift der Oude Wet. Welnu, vóór Christus’ geboorte bleef de Oude Wet nog van kracht. Derhalve kon de H. Maagd voor wat die tijd betreft niet geoorloofd de gelofte van zuiverheid afleggen.
B: (Deut 7:14) [b:Deut 7:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De Apostel schrijft in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (7, 25): "Wat de maagden betreft, heb ik geen gebod des Heren, maar ik geef een raad". Welnu, de volmaaktheid der raden moest bij Christus beginnen, omdat Hij het eind der Wet is, zoals de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (10, 4) schrijft. Het was dus niet passend, dat de H. Maagd de gelofte van zuiverheid aflegde.
B: (Rom 10:4) [b:Rom 10:4] (1Cor 7:25) [b:1Cor 7:25]
Vervolgens. De Apostel schrijft in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (7, 25): "Wat de maagden betreft, heb ik geen gebod des Heren, maar ik geef een raad". Welnu, de volmaaktheid der raden moest bij Christus beginnen, omdat Hij het eind der Wet is, zoals de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (10, 4) schrijft. Het was dus niet passend, dat de H. Maagd de gelofte van zuiverheid aflegde.
B: (Rom 10:4) [b:Rom 10:4] (1Cor 7:25) [b:1Cor 7:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Een glosse van Hieronymus op de Eerste Brief aan Timotheus (5, 12) leert: "in degenen, die de gelofte van zuiverheid hebben afgelegd, is niet alleen het trouwen veroordelend, maar ook het willen trouwen". Christus’ moeder echter heeft geen enkel veroordelend vergrijp bedreven, zoals boven (27° Kw., 4° Art.) werd aangetoond. Daar zij dus verloofd was, gelijk we lezen bij Lucas (1, 27), heeft zij, naar men beweert, geen gelofte van zuiverheid afgelegd.
B: (Luke 1:27) [b:Luke 1:27] (1Tim 5:12) [b:1Tim 5:12]
R: q. 27 a. 4[t:iiia q. 27 a. 4]
Vervolgens. Een glosse van Hieronymus op de Eerste Brief aan Timotheus (5, 12) leert: "in degenen, die de gelofte van zuiverheid hebben afgelegd, is niet alleen het trouwen veroordelend, maar ook het willen trouwen". Christus’ moeder echter heeft geen enkel veroordelend vergrijp bedreven, zoals boven (27° Kw., 4° Art.) werd aangetoond. Daar zij dus verloofd was, gelijk we lezen bij Lucas (1, 27), heeft zij, naar men beweert, geen gelofte van zuiverheid afgelegd.
B: (Luke 1:27) [b:Luke 1:27] (1Tim 5:12) [b:1Tim 5:12]
R: q. 27 a. 4[t:iiia q. 27 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 4 s. c.
Daartegenover echter staat hetgeen Augustinus zegt in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid (4° H.): "Aan de engel, die haar Gods boodschap overbracht, antwoordde zij: "Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken?" Dit zou zij zeker niet gezegd hebben, zo zij zich tevoren niet als maagd aan God had toegewijd".
Daartegenover echter staat hetgeen Augustinus zegt in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid (4° H.): "Aan de engel, die haar Gods boodschap overbracht, antwoordde zij: "Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken?" Dit zou zij zeker niet gezegd hebben, zo zij zich tevoren niet als maagd aan God had toegewijd".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals we in het Tweede Deel (IIa-IIae, 88° Kw., 6° Art.) gezien hebben, zijn de werken der volmaaktheid lofwaardiger, zo zij krachtens een gelofte geschieden. In de Moeder Gods nu moest de maagdelijkheid heel bijzonder uitschitteren, gelijk uit de boven aangegeven (vgl. Art. 1, 2, 3) redenen blijkt. Derhalve was het passend, dat haar maagdelijkheid krachtens een gelofte aan God was toegewijd. Daar echter ten tijde der Wet zowel vrouwen als mannen verplicht waren nakomelingen te verwekken (omdat de dienst van God, voordat Christus uit dit volk geboren werd, krachtens de lichamelijke afstamming moest worden voortgeplant), gelooft men niet, dat de Moeder Gods vóór haar verloving met Joseph een gelofte van zuiverheid onvoorwaardelijk heeft afgelegd; maar ofschoon zij er wel naar verlangde dit te doen, heeft zij toch haar eigen wil die aangaande aan Gods vrije beschikking overgelaten. Later echter toen zij, zoals de gebruiken dier tijden dit eisten, een bruidegom gekregen had, heeft zij tegelijk met hem de gelofte van zuiverheid afgelegd.
R: IIa-IIae q. 88 a. 6[t:iia-iiae q. 88 a. 6] q. 28 a. 1[t:iiia q. 28 a. 1] q. 28 a. 2[t:iiia q. 28 a. 2] q. 28 a. 3[t:iiia q. 28 a. 3]
Mijn antwoord. Zoals we in het Tweede Deel (IIa-IIae, 88° Kw., 6° Art.) gezien hebben, zijn de werken der volmaaktheid lofwaardiger, zo zij krachtens een gelofte geschieden. In de Moeder Gods nu moest de maagdelijkheid heel bijzonder uitschitteren, gelijk uit de boven aangegeven (vgl. Art. 1, 2, 3) redenen blijkt. Derhalve was het passend, dat haar maagdelijkheid krachtens een gelofte aan God was toegewijd. Daar echter ten tijde der Wet zowel vrouwen als mannen verplicht waren nakomelingen te verwekken (omdat de dienst van God, voordat Christus uit dit volk geboren werd, krachtens de lichamelijke afstamming moest worden voortgeplant), gelooft men niet, dat de Moeder Gods vóór haar verloving met Joseph een gelofte van zuiverheid onvoorwaardelijk heeft afgelegd; maar ofschoon zij er wel naar verlangde dit te doen, heeft zij toch haar eigen wil die aangaande aan Gods vrije beschikking overgelaten. Later echter toen zij, zoals de gebruiken dier tijden dit eisten, een bruidegom gekregen had, heeft zij tegelijk met hem de gelofte van zuiverheid afgelegd.
R: IIa-IIae q. 88 a. 6[t:iia-iiae q. 88 a. 6] q. 28 a. 1[t:iiia q. 28 a. 1] q. 28 a. 2[t:iiia q. 28 a. 2] q. 28 a. 3[t:iiia q. 28 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Daar het door de Wet verboden scheen, zich geen moeite te troosten, om een nakomelingschap op aarde achter te laten, daarom juist heeft de Moeder Gods haar maagdelijkheid niet zonder meer aan God toegewijd, maar voorwaardelijk: indien het God behaagt. Nadat haar echter gebleken was, dat dit God aangenaam was, heeft zij zich volstrekt aan Hem toegewijd nog vóór de Boodschap des engels.
1e Weerlegging. Daar het door de Wet verboden scheen, zich geen moeite te troosten, om een nakomelingschap op aarde achter te laten, daarom juist heeft de Moeder Gods haar maagdelijkheid niet zonder meer aan God toegewijd, maar voorwaardelijk: indien het God behaagt. Nadat haar echter gebleken was, dat dit God aangenaam was, heeft zij zich volstrekt aan Hem toegewijd nog vóór de Boodschap des engels.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Gelijk de volheid van genade op volmaakte wijze in Christus was en toch reeds een begin daarvan Hem voorafging in zijn moeder, zo ook begon het onderhouden der raden (hetgeen door Gods genade geschiedt) wel op volmaakte wijze in Christus, maar werd toch reeds enigszins ingezet in de H. Maagd, zijn moeder.
2e Weerlegging. Gelijk de volheid van genade op volmaakte wijze in Christus was en toch reeds een begin daarvan Hem voorafging in zijn moeder, zo ook begon het onderhouden der raden (hetgeen door Gods genade geschiedt) wel op volmaakte wijze in Christus, maar werd toch reeds enigszins ingezet in de H. Maagd, zijn moeder.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 28 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Dit woord van de Apostel moet men laten slaan op hen, die onvoorwaardelijk zuiverheid beloven. Dit echter deed de Moeder Gods niet, voordat zij met Joseph verloofd was. Doch na haar verloving heeft zij tegelijk met haar bruidegom, met elkaars goedvinden, de gelofte van zuiverheid afgelegd.
3e Weerlegging. Dit woord van de Apostel moet men laten slaan op hen, die onvoorwaardelijk zuiverheid beloven. Dit echter deed de Moeder Gods niet, voordat zij met Joseph verloofd was. Doch na haar verloving heeft zij tegelijk met haar bruidegom, met elkaars goedvinden, de gelofte van zuiverheid afgelegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 29: Over de verloving der Moeder Gods
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 42 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 42 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 29 pr.
IIIa q. 29 pr. Vervolgens moeten we spreken over de verloving van de Moeder Gods. Hierover worden twee vragen gesteld: 1. Moest Christus geboren worden uit een maagd, die verloofd was? 2. Was het huwelijk tussen de Moeder des Heren en Joseph een waarachtig huwelijk?
IIIa q. 42 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 42 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 29 pr.
IIIa q. 29 pr. Vervolgens moeten we spreken over de verloving van de Moeder Gods. Hierover worden twee vragen gesteld: 1. Moest Christus geboren worden uit een maagd, die verloofd was? 2. Was het huwelijk tussen de Moeder des Heren en Joseph een waarachtig huwelijk?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Moest Christus geboren worden uit een maagd, die verloofd was?
IIIa q. 29 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet moest geboren worden uit een maagd, die verloofd was. De verloving toch heeft tot doel de gemeenschap des vleses. Maar de Moeder des Heren wilde nooit gebruik maken van vleselijke gemeenschap met een man; want dit wil afbreuk doen aan de maagdelijkheid van haar geest. Bijgevolg moest zij niet verloofd zijn.
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet moest geboren worden uit een maagd, die verloofd was. De verloving toch heeft tot doel de gemeenschap des vleses. Maar de Moeder des Heren wilde nooit gebruik maken van vleselijke gemeenschap met een man; want dit wil afbreuk doen aan de maagdelijkheid van haar geest. Bijgevolg moest zij niet verloofd zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Dat Christus uit een maagd geboren werd, was een wonder; vandaar dan ook schrijft Augustinus in een Brief aan Volusianus (137e Brief): "Gods eigen kracht bracht, door de ongeschonden maagdelijke schoot der moeder heen, het lichaam van het kind te voorschijn, dezelfde kracht, die het lichaam van de jonge man door gesloten deuren heen, binnen deed treden. Vraagt men naar de reden hiervan, dan zal het geen verwondering wekken; vraagt men naar een voorbeeld, dan staat dit niet alleen". De wonderen nu, die tot bevestiging des geloofs geschieden, moeten duidelijk kenbaar zijn. Daar echter dit wonder door de verloving minder kenbaar werd gemaakt, was het dus, naar men beweert, niet passend, dat Christus geboren werd uit een maagd, die verloofd was.
Vervolgens. Dat Christus uit een maagd geboren werd, was een wonder; vandaar dan ook schrijft Augustinus in een Brief aan Volusianus (137e Brief): "Gods eigen kracht bracht, door de ongeschonden maagdelijke schoot der moeder heen, het lichaam van het kind te voorschijn, dezelfde kracht, die het lichaam van de jonge man door gesloten deuren heen, binnen deed treden. Vraagt men naar de reden hiervan, dan zal het geen verwondering wekken; vraagt men naar een voorbeeld, dan staat dit niet alleen". De wonderen nu, die tot bevestiging des geloofs geschieden, moeten duidelijk kenbaar zijn. Daar echter dit wonder door de verloving minder kenbaar werd gemaakt, was het dus, naar men beweert, niet passend, dat Christus geboren werd uit een maagd, die verloofd was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Zoals Hieronymus schrijft in zijn Uitleg op Mattheus (1e B., op Mattheus, 1, 18), geeft de Martelaar Ignatius als reden van Maria's verloving aan, "opdat Christus' geboorte aan de duivel onbekend zou blijven, terwijl hij meent, dat deze mens niet uit een maagd, doch uit een getrouwde vrouw geboren werd". Doch, zo beweert men, dit is geen reden. Niet slechts, wijl de duivel krachtens zijn scherpzinnigheid toch alles weet, wat er op stoffelijk gebied gebeurt. Maar ook wijl de duivelen de Christus door de vele klaarblijkelijke tekenen later toch erkenden, zoals blijkt uit Marcus (1, 23, 24): "dat een man met een onreine geest uitriep: "Wat hebt Gij met ons te maken, Jezus van Nazareth? Zijt Gij gekomen, om ons te verderven? Ik weet, wie Gij zijt: de Heilige Gods". Bijgevolg, zo beweert men, is het niet passend, dat de Moeder Gods zich verloofde.
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18] (Mark 1:23) [b:Mark 1:23] (Mark 1:24) [b:Mark 1:24]
Vervolgens. Zoals Hieronymus schrijft in zijn Uitleg op Mattheus (1e B., op Mattheus, 1, 18), geeft de Martelaar Ignatius als reden van Maria's verloving aan, "opdat Christus' geboorte aan de duivel onbekend zou blijven, terwijl hij meent, dat deze mens niet uit een maagd, doch uit een getrouwde vrouw geboren werd". Doch, zo beweert men, dit is geen reden. Niet slechts, wijl de duivel krachtens zijn scherpzinnigheid toch alles weet, wat er op stoffelijk gebied gebeurt. Maar ook wijl de duivelen de Christus door de vele klaarblijkelijke tekenen later toch erkenden, zoals blijkt uit Marcus (1, 23, 24): "dat een man met een onreine geest uitriep: "Wat hebt Gij met ons te maken, Jezus van Nazareth? Zijt Gij gekomen, om ons te verderven? Ik weet, wie Gij zijt: de Heilige Gods". Bijgevolg, zo beweert men, is het niet passend, dat de Moeder Gods zich verloofde.
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18] (Mark 1:23) [b:Mark 1:23] (Mark 1:24) [b:Mark 1:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Een andere reden geeft Hieronymus aan (t. a. p.), nl. "opdat de Moeder van God door de Joden niet als een overspelige vrouw zou worden gestenigd". Maar ook deze reden bewijst niets; want, zo zij niet verloofd was, kon zij ook niet om overspel veroordeeld worden. Bijgevolg, zo beweert men, was het niet redelijk, dat Christus geboren werd uit een maagd, die verloofd was.
Vervolgens. Een andere reden geeft Hieronymus aan (t. a. p.), nl. "opdat de Moeder van God door de Joden niet als een overspelige vrouw zou worden gestenigd". Maar ook deze reden bewijst niets; want, zo zij niet verloofd was, kon zij ook niet om overspel veroordeeld worden. Bijgevolg, zo beweert men, was het niet redelijk, dat Christus geboren werd uit een maagd, die verloofd was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Mattheus (1, 18): "Toen Maria, zijn moeder, verloofd was met Joseph", en bij Lucas (1, 26, 27): "De engel Gabriël werd door God gezonden tot een maagd, die verloofd was aan een man, die Joseph heette".
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18] (Luke 1:26) [b:Luke 1:26] (Luke 1:27) [b:Luke 1:27]
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Mattheus (1, 18): "Toen Maria, zijn moeder, verloofd was met Joseph", en bij Lucas (1, 26, 27): "De engel Gabriël werd door God gezonden tot een maagd, die verloofd was aan een man, die Joseph heette".
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18] (Luke 1:26) [b:Luke 1:26] (Luke 1:27) [b:Luke 1:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 1 co.
Mijn antwoord. Dat Christus geboren werd uit een maagd, die verloofd was, was passend, zowel om Hemzelf, als om zijn moeder en tevens om ons. Om Christus zelf, krachtens een viervoudige reden. 1° namelijk, opdat Hij door de ongelovigen niet als een onwettig geborene zou worden afgewezen. Daarom dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (2° B., op Lucas, 1, 26, 27): "Wat zou men de Joden, of wat zou men Herodes kunnen verwijten, indien zij iemand schenen te achtervolgen, die uit overspel geboren was?" — 2°, opdat zijn stamboom, overeenkomstig de gebruikelijke wijze, naar de mannelijke tak kon worden beschreven. Vandaar dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (3° B., op Lucas, 3, 23): "Hij, die in de wereld kwam, moest ook worden ingeschreven op de wijze, die in de wereld gebruikelijk is. Daar nu vraagt men naar de persoon van de man, want hij vertegenwoordigt, zowel in de senaat als in de overige vergaderplaatsen der gemeenten, de waardigheid van het menselijk geslacht. Ook de gewoonte der H. Schrift leert ons dit; steeds vraagt zij naar de afkomst van de man". — 3°, ter bescherming van het geboren kind, opdat de duivel niet nog heftiger zou trachten het kind moeilijkheden te bezorgen. En daarom schrijft Ignatius, dat zij verloofd was, opdat zijn geboorte aan de duivel onbekend zou blijven. — 4°, opdat Hij door Joseph zou worden opgevoed. Daarom dan ook wordt hij zijn vader genoemd (Lucas, 2, 33, 48), als het ware zijn voedster-vader. Tevens was dit passend van de kant der H. Maagd. En wel 1°, wijl zij daardoor aan straf ontkwam, namelijk "opdat zij door de joden niet als een overspelige vrouw zou worden gestenigd", gelijk Hieronymus opmerkt (Vgl. de 4° Bedenking). — 2°, opdat zij geen slechte naam zou krijgen. Daarom dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (2° .B, op Lucas, 1, 26, 27), "dat zij verloofd was, opdat zij, wier zwangere schoot het opvallende, teken van geschondenheid scheen te verkondigen, niet zou worden gebrandmerkt met de slechte naam van ontwijde maagd. — 3°, opdat Joseph haar behulpzaam zou kunnen wezen, gelijk Hieronymus zegt (t. a. p.). Ook om onzentwil was dit passend. — 1°, namelijk omdat het getuigenis van Joseph nog eens afzonderlijk bewijst, dat Christus geboren werd uit een maagd. Vandaar, dat Ambrosius schrijft in zijn Uitleg op Lucas (t. a. p.): "Als een sterker sprekend getuige voor haar zuiverheid treedt de echtgenoot op, die zowel het hem aangedane onrecht kon betreuren als zijn schande kon wreken, zo zij de huwelijkstrouw verbroken had". — 2°, omdat de woorden der H. Maagd, waar zijzelf haar maagdelijkheid betuigt, geloofwaardiger worden. Zo dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (t. a. p.): "Maria's trouw wordt door die woorden des te meer bevestigd en de gedachte aan leugen uitgesloten. Want een zwangere, ongetrouwde vrouw zou, naar het schijnt, haar schuldigheid door een leugen hebben willen verbloemen; maar een getrouwde vrouw heeft geen reden, er om te liegen, daar de bevalling der vrouw de bekroning is van het huwelijksleven en het gunstbetoon der bruiloft". Deze beide redenen nu strekken tot versterking van ons geloof. — 3°, om de maagden, die door haar onvoorzichtigheid niet voorkomen, dat zij een slechte naam krijgen, geen verontschuldiging in de hand te geven. Ambrosius zegt dan ook (t. a. p.): "Het paste niet, dat aan maagden, wier leven ongunstige vermoedens doen ontstaan, nog een schijn van verontschuldiging overbleef, daar toch ook de Moeder des Heren met een slechte naam gebrandmerkt werd". — 4°, omdat hierdoor de gehele Kerk betekend werd, die, "hoewel zij maagd is, toch verloofd is aan één man : Christus", zoals Augustinus schrijft in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid (12° H.). — Als vijfde reden kan gelden, dat, daar de H. Maagd, de Moeder des Heren niet alleen maagd maar tevens verloofd was, in haar persoon zowel de maagdelijkheid als het huwelijk geëerbiedigd wordt; dit tegen de ketters, die een van beide trachten neer te halen.
B: (Luke 1:26) [b:Luke 1:26] (Luke 1:27) [b:Luke 1:27]
Mijn antwoord. Dat Christus geboren werd uit een maagd, die verloofd was, was passend, zowel om Hemzelf, als om zijn moeder en tevens om ons. Om Christus zelf, krachtens een viervoudige reden. 1° namelijk, opdat Hij door de ongelovigen niet als een onwettig geborene zou worden afgewezen. Daarom dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (2° B., op Lucas, 1, 26, 27): "Wat zou men de Joden, of wat zou men Herodes kunnen verwijten, indien zij iemand schenen te achtervolgen, die uit overspel geboren was?" — 2°, opdat zijn stamboom, overeenkomstig de gebruikelijke wijze, naar de mannelijke tak kon worden beschreven. Vandaar dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (3° B., op Lucas, 3, 23): "Hij, die in de wereld kwam, moest ook worden ingeschreven op de wijze, die in de wereld gebruikelijk is. Daar nu vraagt men naar de persoon van de man, want hij vertegenwoordigt, zowel in de senaat als in de overige vergaderplaatsen der gemeenten, de waardigheid van het menselijk geslacht. Ook de gewoonte der H. Schrift leert ons dit; steeds vraagt zij naar de afkomst van de man". — 3°, ter bescherming van het geboren kind, opdat de duivel niet nog heftiger zou trachten het kind moeilijkheden te bezorgen. En daarom schrijft Ignatius, dat zij verloofd was, opdat zijn geboorte aan de duivel onbekend zou blijven. — 4°, opdat Hij door Joseph zou worden opgevoed. Daarom dan ook wordt hij zijn vader genoemd (Lucas, 2, 33, 48), als het ware zijn voedster-vader. Tevens was dit passend van de kant der H. Maagd. En wel 1°, wijl zij daardoor aan straf ontkwam, namelijk "opdat zij door de joden niet als een overspelige vrouw zou worden gestenigd", gelijk Hieronymus opmerkt (Vgl. de 4° Bedenking). — 2°, opdat zij geen slechte naam zou krijgen. Daarom dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (2° .B, op Lucas, 1, 26, 27), "dat zij verloofd was, opdat zij, wier zwangere schoot het opvallende, teken van geschondenheid scheen te verkondigen, niet zou worden gebrandmerkt met de slechte naam van ontwijde maagd. — 3°, opdat Joseph haar behulpzaam zou kunnen wezen, gelijk Hieronymus zegt (t. a. p.). Ook om onzentwil was dit passend. — 1°, namelijk omdat het getuigenis van Joseph nog eens afzonderlijk bewijst, dat Christus geboren werd uit een maagd. Vandaar, dat Ambrosius schrijft in zijn Uitleg op Lucas (t. a. p.): "Als een sterker sprekend getuige voor haar zuiverheid treedt de echtgenoot op, die zowel het hem aangedane onrecht kon betreuren als zijn schande kon wreken, zo zij de huwelijkstrouw verbroken had". — 2°, omdat de woorden der H. Maagd, waar zijzelf haar maagdelijkheid betuigt, geloofwaardiger worden. Zo dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (t. a. p.): "Maria's trouw wordt door die woorden des te meer bevestigd en de gedachte aan leugen uitgesloten. Want een zwangere, ongetrouwde vrouw zou, naar het schijnt, haar schuldigheid door een leugen hebben willen verbloemen; maar een getrouwde vrouw heeft geen reden, er om te liegen, daar de bevalling der vrouw de bekroning is van het huwelijksleven en het gunstbetoon der bruiloft". Deze beide redenen nu strekken tot versterking van ons geloof. — 3°, om de maagden, die door haar onvoorzichtigheid niet voorkomen, dat zij een slechte naam krijgen, geen verontschuldiging in de hand te geven. Ambrosius zegt dan ook (t. a. p.): "Het paste niet, dat aan maagden, wier leven ongunstige vermoedens doen ontstaan, nog een schijn van verontschuldiging overbleef, daar toch ook de Moeder des Heren met een slechte naam gebrandmerkt werd". — 4°, omdat hierdoor de gehele Kerk betekend werd, die, "hoewel zij maagd is, toch verloofd is aan één man : Christus", zoals Augustinus schrijft in zijn werk Over de Heilige Maagdelijkheid (12° H.). — Als vijfde reden kan gelden, dat, daar de H. Maagd, de Moeder des Heren niet alleen maagd maar tevens verloofd was, in haar persoon zowel de maagdelijkheid als het huwelijk geëerbiedigd wordt; dit tegen de ketters, die een van beide trachten neer te halen.
B: (Luke 1:26) [b:Luke 1:26] (Luke 1:27) [b:Luke 1:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Men moet aannemen, dat de H. Maagd en Moeder Gods zich, krachtens een bijzondere ingeving des H. Geestes, heeft willen verloven, vertrouwend op Gods hulp, dat het nooit tot lichamelijke gemeenschap zou komen; dit echter liet zij aan Gods Raadsbesluit over. Aan haar maagdelijkheid werd dus niet de minste afbreuk gedaan.
B: (Luke 3:23) [b:Luke 3:23]
1e Weerlegging. Men moet aannemen, dat de H. Maagd en Moeder Gods zich, krachtens een bijzondere ingeving des H. Geestes, heeft willen verloven, vertrouwend op Gods hulp, dat het nooit tot lichamelijke gemeenschap zou komen; dit echter liet zij aan Gods Raadsbesluit over. Aan haar maagdelijkheid werd dus niet de minste afbreuk gedaan.
B: (Luke 3:23) [b:Luke 3:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Gelijk Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (2° B., op Lucas, 1, 26, 27) schrijft, "had de Heer liever, dat sommigen aan Zijn voorthomst zouden twijfelen dan aan de zuiverheid Zijner moeder. Want Hij wist, dat de achting voor een maagd iets teeders is, en dat de goede naam harer zuiverheid snel kan verdwijnen; Hij meende het geloof aan Zijn voorthomst dan ook niet te moeten laten steunen op onrecht jegens Zijn moeder". Toch moet men bedenken, dat sommige van Gods wonderen juist een geloofspunt zijn: zoals het wonder der maagdelijke geboorte, of het wonder van 's Heren Verrijzenis en ook het wonder van het H. Sacrament des Altaars. En juist daarom wilde de Heer, dat deze wonderen minder zichtbaar zouden zijn, opdat het geloof daaraan verdienstelijker zou zijn. — Andere wonderen echter dienen tot bevestiging des geloofs. En deze moeten duidelijk kenbaar zijn.
B: (Luke 1:26) [b:Luke 1:26]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 1 ad 2[t:iiia q. 31 a. 1 ad 2]
2e Weerlegging. Gelijk Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (2° B., op Lucas, 1, 26, 27) schrijft, "had de Heer liever, dat sommigen aan Zijn voorthomst zouden twijfelen dan aan de zuiverheid Zijner moeder. Want Hij wist, dat de achting voor een maagd iets teeders is, en dat de goede naam harer zuiverheid snel kan verdwijnen; Hij meende het geloof aan Zijn voorthomst dan ook niet te moeten laten steunen op onrecht jegens Zijn moeder". Toch moet men bedenken, dat sommige van Gods wonderen juist een geloofspunt zijn: zoals het wonder der maagdelijke geboorte, of het wonder van 's Heren Verrijzenis en ook het wonder van het H. Sacrament des Altaars. En juist daarom wilde de Heer, dat deze wonderen minder zichtbaar zouden zijn, opdat het geloof daaraan verdienstelijker zou zijn. — Andere wonderen echter dienen tot bevestiging des geloofs. En deze moeten duidelijk kenbaar zijn.
B: (Luke 1:26) [b:Luke 1:26]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 1 ad 2[t:iiia q. 31 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (3° B., 9° H.) leert, vermag de duivel vele dingen, waarin hij echter door Gods kracht wordt belet. En aldus kan men zeggen, dat de duivel door zijn natuurlijke kracht kon weten, dat de Moeder Gods niet geschonden was, doch een maagd; God verhinderde echter dat hij de wijze der Goddelijke geboorte kende. Dat echter de duivel later wel enigszins wist, dat Hij de Zoon Gods was, is geen bezwaar; omdat toen de tijd reeds was aangebroken, dat Christus zijn kracht tegen de duivel zou tonen, en waarop Hij de door Hem uitgelokte vervolging zou ondergaan. Maar in zijn kindsheid moest de kwaadwilligheid des duivels worden belet, opdat hij het Kind niet nog heftiger zou vervolgen, daar Christus beschikte toen nog niet te lijden, noch zijn macht te tonen, maar in alles toonde Hij zich gelijk aan de overige kinderen. Daarom dan ook zegt Paus Leo in zijn toespraak op het feest van 's Heren Verschijning: "de Wijzen vonden het Kind Jezus: klein van gestalte, de hulp behoevend van een vrouw, niet kunnende spreken, en in niets onderscheiden van alle andere mensenkinderen". Ambrosius echter laat in zijn Uitleg op Lucas (t. a. p.) deze woorden, naar het schijnt, meer slaan op de ledematen des duivels. Want na deze reden, (nl. over het bedriegen van de vorst der wereld) te hebben laten voorafgaan, laat hij volgen: "Méér echter bedroog hij de vorsten dezer wereld. De sluwheid toch der duivels ontdekt gemakkelijk hetgeen verborgen is; maar zij, die zich bezig houden met wereldsche ijdelheden, kunnen het Goddelijke niet weten".
B: (Lc. 1, 26) [b:Lc. 1, 26]
3e Weerlegging. Zoals Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (3° B., 9° H.) leert, vermag de duivel vele dingen, waarin hij echter door Gods kracht wordt belet. En aldus kan men zeggen, dat de duivel door zijn natuurlijke kracht kon weten, dat de Moeder Gods niet geschonden was, doch een maagd; God verhinderde echter dat hij de wijze der Goddelijke geboorte kende. Dat echter de duivel later wel enigszins wist, dat Hij de Zoon Gods was, is geen bezwaar; omdat toen de tijd reeds was aangebroken, dat Christus zijn kracht tegen de duivel zou tonen, en waarop Hij de door Hem uitgelokte vervolging zou ondergaan. Maar in zijn kindsheid moest de kwaadwilligheid des duivels worden belet, opdat hij het Kind niet nog heftiger zou vervolgen, daar Christus beschikte toen nog niet te lijden, noch zijn macht te tonen, maar in alles toonde Hij zich gelijk aan de overige kinderen. Daarom dan ook zegt Paus Leo in zijn toespraak op het feest van 's Heren Verschijning: "de Wijzen vonden het Kind Jezus: klein van gestalte, de hulp behoevend van een vrouw, niet kunnende spreken, en in niets onderscheiden van alle andere mensenkinderen". Ambrosius echter laat in zijn Uitleg op Lucas (t. a. p.) deze woorden, naar het schijnt, meer slaan op de ledematen des duivels. Want na deze reden, (nl. over het bedriegen van de vorst der wereld) te hebben laten voorafgaan, laat hij volgen: "Méér echter bedroog hij de vorsten dezer wereld. De sluwheid toch der duivels ontdekt gemakkelijk hetgeen verborgen is; maar zij, die zich bezig houden met wereldsche ijdelheden, kunnen het Goddelijke niet weten".
B: (Lc. 1, 26) [b:Lc. 1, 26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Krachtens het vonnis tegen de overspeligen werd volgens de Wet niet alleen zij gestenigd, die reeds verloofd of gehuwd was, maar ook zij, die in het huis haar vaders verbleef als een maagd, die ooit zou trouwen. Vandaar het voorschrift in het Boek Deuteronomium (22, 20, 21): "wanneer bij een meisje de maagdelijkheid niet wordt bevonden, dan zullen de mannen dier stad haar stenigen, en zij zal sterven, omdat zij een schanddaad heeft begaan in Israël door ontucht te plegen in het huis haar vaders". Ofwel, volgens anderen kan men antwoorden, dat de H. Maagd van het geslacht of van de verwantschap van Aaron was; vandaar, dat zij een bloedverwante van Elisabeth was, blijkens Lucas (1, 36). Een maagd nu van de priesterlijke stam werd om gepleegde ontucht gedood; wij lezen immers in het Boek Leviticus (21, 9): "Indien de dochter eens priesters op ontucht wordt betrapt en de naam haar vaders onteerd heeft, zal zij in de vlammen worden verbrand". Sommigen vatten Hieronymus' woorden op, alsof de slechte naam, die zij gekregen zou hebben, een steniging zou zijn geweest.
B: (Deut. 22, 20.21) [b:Deut. 22, 20.21] (Lev. 21, 9) [b:Lev. 21, 9] (Lc. 1, 36) [b:Lc. 1, 36]
4e Weerlegging. Krachtens het vonnis tegen de overspeligen werd volgens de Wet niet alleen zij gestenigd, die reeds verloofd of gehuwd was, maar ook zij, die in het huis haar vaders verbleef als een maagd, die ooit zou trouwen. Vandaar het voorschrift in het Boek Deuteronomium (22, 20, 21): "wanneer bij een meisje de maagdelijkheid niet wordt bevonden, dan zullen de mannen dier stad haar stenigen, en zij zal sterven, omdat zij een schanddaad heeft begaan in Israël door ontucht te plegen in het huis haar vaders". Ofwel, volgens anderen kan men antwoorden, dat de H. Maagd van het geslacht of van de verwantschap van Aaron was; vandaar, dat zij een bloedverwante van Elisabeth was, blijkens Lucas (1, 36). Een maagd nu van de priesterlijke stam werd om gepleegde ontucht gedood; wij lezen immers in het Boek Leviticus (21, 9): "Indien de dochter eens priesters op ontucht wordt betrapt en de naam haar vaders onteerd heeft, zal zij in de vlammen worden verbrand". Sommigen vatten Hieronymus' woorden op, alsof de slechte naam, die zij gekregen zou hebben, een steniging zou zijn geweest.
B: (Deut. 22, 20.21) [b:Deut. 22, 20.21] (Lev. 21, 9) [b:Lev. 21, 9] (Lc. 1, 36) [b:Lc. 1, 36]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was het huwelijk tussen Maria en Joseph een waarachtig huwelijk?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
Suppl q. 42 a. 4 co.[t:suppl q. 42 a. 4 co.]
IIIa q. 29 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het huwelijk tussen Maria en Joseph geen echt huwelijk was. Want Hieronymus schrijft in zijn werk *Tegen Helvidius* (N° 4), "dat Joseph méér de beschermer van Maria dan haar echtgenoot was". Maar, zo het een waar huwelijk was geweest, dan was Joseph ook werkelijk haar echtgenoot. Derhalve, zo beweert men, was het huwelijk tussen Joseph en Maria geen waar huwelijk.
Suppl q. 42 a. 4 co.[t:suppl q. 42 a. 4 co.]
IIIa q. 29 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het huwelijk tussen Maria en Joseph geen echt huwelijk was. Want Hieronymus schrijft in zijn werk *Tegen Helvidius* (N° 4), "dat Joseph méér de beschermer van Maria dan haar echtgenoot was". Maar, zo het een waar huwelijk was geweest, dan was Joseph ook werkelijk haar echtgenoot. Derhalve, zo beweert men, was het huwelijk tussen Joseph en Maria geen waar huwelijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 2 arg. 2
Vervolgens. In zijn Uitleg op de woorden van *Mattheus* (1, 16): "Jacob won Joseph, de man van Maria", schrijft Hieronymus: "Wanneer gij hier van "man" hoort spreken, denk dan niet aan een bruiloftsviering; maar herinner u de gewoonte der H. Schrift, die de bruidegom "haar man" en de bruid diens "vrouw" noemt". Een waar huwelijk nu ontstaat niet krachtens de ondertrouw of trouwbeloften, maar krachtens de bruiloftsviering. Bijgevolg was het huwelijk tussen Maria en Joseph geen echt huwelijk.
B: (Matt 1:16) [b:Matt 1:16]
Vervolgens. In zijn Uitleg op de woorden van *Mattheus* (1, 16): "Jacob won Joseph, de man van Maria", schrijft Hieronymus: "Wanneer gij hier van "man" hoort spreken, denk dan niet aan een bruiloftsviering; maar herinner u de gewoonte der H. Schrift, die de bruidegom "haar man" en de bruid diens "vrouw" noemt". Een waar huwelijk nu ontstaat niet krachtens de ondertrouw of trouwbeloften, maar krachtens de bruiloftsviering. Bijgevolg was het huwelijk tussen Maria en Joseph geen echt huwelijk.
B: (Matt 1:16) [b:Matt 1:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 2 arg. 3
Vervolgens. In Mattheus (1, 19) staat: "Daar Joseph, haar man, een rechtvaardige was, en haar niet wilde overbrengen" d. w. z. "naar zijn eigen huis ter blijvende samenwoning, wilde hij haar in stilte wegzenden", d. w. z. de datum der huwelijksviering verzetten, gelijk Remigius uitlegt. Bijgevolg, zo beweert men, daar de bruiloft nog niet gevierd was, bestond er nog geen waar huwelijk; temeer, wijl niemand de bruid mag wegzenden nadat het huwelijk gesloten is.
B: (Matt 1:19) [b:Matt 1:19]
Vervolgens. In Mattheus (1, 19) staat: "Daar Joseph, haar man, een rechtvaardige was, en haar niet wilde overbrengen" d. w. z. "naar zijn eigen huis ter blijvende samenwoning, wilde hij haar in stilte wegzenden", d. w. z. de datum der huwelijksviering verzetten, gelijk Remigius uitlegt. Bijgevolg, zo beweert men, daar de bruiloft nog niet gevierd was, bestond er nog geen waar huwelijk; temeer, wijl niemand de bruid mag wegzenden nadat het huwelijk gesloten is.
B: (Matt 1:19) [b:Matt 1:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus schrijft in zijn werk Over de Overeenstemming der Evangelisten (2° B., 1° H.): "Het kwam niet te pas, dat de Evangelist in de mening zou verkeren, dat Joseph hierom van Maria had moeten scheiden (hij noemde immers Joseph de man van Maria; vgl. Matth., 1, 16), omdat zij als maagd de Christus had gebaard en niet krachtens gemeenschap met hem. Door dit voorbeeld toch wordt aan de gelovigen, die getrouwd zijn, duidelijk te verstaan gegeven, dat, ook al leven zij met wederzijdse toestemming in onthouding, dit toch een huwelijk kan blijven en een huwelijk kan worden genoemd, zonder dat er huwelijksgemeenschap plaats heeft".
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus schrijft in zijn werk Over de Overeenstemming der Evangelisten (2° B., 1° H.): "Het kwam niet te pas, dat de Evangelist in de mening zou verkeren, dat Joseph hierom van Maria had moeten scheiden (hij noemde immers Joseph de man van Maria; vgl. Matth., 1, 16), omdat zij als maagd de Christus had gebaard en niet krachtens gemeenschap met hem. Door dit voorbeeld toch wordt aan de gelovigen, die getrouwd zijn, duidelijk te verstaan gegeven, dat, ook al leven zij met wederzijdse toestemming in onthouding, dit toch een huwelijk kan blijven en een huwelijk kan worden genoemd, zonder dat er huwelijksgemeenschap plaats heeft".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 2 co.
Mijn antwoord. Een huwelijk of echtgenootschap wordt een waar huwelijk genoemd krachtens het bereiken van zijn volmaaktheid. De volmaaktheid nu van iets is tweevoudig: de eerste en de tweede volmaaktheid. De eerste volmaaktheid, namelijk, bestaat in het eigen formeel beginsel, krachtens hetwelk iets tot dit of dat soort behoort; de tweede volmaaktheid echter bestaat in de werking van dit ding waardoor het op een bepaalde manier zijn doel bereikt. Het formeel beginsel nu van het huwelijk bestaat in het aan elkaar verbinden der zielen, waardoor de ene der echtgenoten gehouden is, onverdeeld trouw te blijven aan de andere. Het doel echter van het huwelijk is: het voortbrengen en opvoeden van kinderen; het eerste doel (het voortbrengen) wordt bereikt door de geslachtelijke gemeenschap; het tweede (de opvoeding) door andere daden van man en vrouw, waardoor zij elkaar bijstaan ter opvoeding van het kind. Daaruit volgt dus, dat het huwelijk van de H. Maagd, de Moeder Gods, en Joseph, voor wat de eerste volmaaktheid betreft, ten volle een waar huwelijk was, daar beiden toestemden in de echtelijke gemeenschap, niet uitdrukkelijk echter in de vleselijke gemeenschap, tenzij dan voorwaardelijk: zo het God behaagt. Daarom dan ook wordt Maria door de engel "vrouw van Joseph" genoemd, toen hij tot Joseph zeide (Mattheus, 1, 20): "Vrees niet, Maria uw vrouw tot u te nemen". Hetgeen Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 11° H.) aldus uitlegt : "Zij wordt zijn vrouw genoemd op grond van de trouw, die zij het eerst bij de verloving had beloofd; toch had hij haar niet bekend, en evenmin zou hij haar bekennen". Wat echter de tweede volmaaktheid betreft, die door de huwelijksdaad tot stand wordt gebracht (indien men hieronder de vleselijke gemeenschap verstaat, waardoor het kind wordt voortgebracht) dan was dit huwelijk onder dit opzicht niet voltooid. Vandaar dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (2° B., op Lucas, 1, 27) : "Het ontstelle u niet, dat de H. Schrift Maria zijn vrouw noemt. Want niet het verlies der maagdelijkheid wordt hiermede aangegeven, maar de betuiging van hun gehuwd-zijn, de bruiloftsviering". — Toch bezat dit huwelijk de tweede volmaaktheid wel, voor zover het de opvoeding van het kind betreft. Daarom dan ook schrijft Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 11° en 12° H.) : "Al wat het huwelijk goed (mooi) maakt, vindt men in deze Ouders van Christus: nakomelingschap, trouw en het teken-zijn. De nakomelingschap kennen we : de Heer Jezus zelf; trouw, want geen sprake van overspel; het teken-zijn, want geen sprake van echtscheiding. De vleselijke gemeenschap alleen was er niet".
B: (Mt. 1, 20) [b:Mt. 1, 20]
Mijn antwoord. Een huwelijk of echtgenootschap wordt een waar huwelijk genoemd krachtens het bereiken van zijn volmaaktheid. De volmaaktheid nu van iets is tweevoudig: de eerste en de tweede volmaaktheid. De eerste volmaaktheid, namelijk, bestaat in het eigen formeel beginsel, krachtens hetwelk iets tot dit of dat soort behoort; de tweede volmaaktheid echter bestaat in de werking van dit ding waardoor het op een bepaalde manier zijn doel bereikt. Het formeel beginsel nu van het huwelijk bestaat in het aan elkaar verbinden der zielen, waardoor de ene der echtgenoten gehouden is, onverdeeld trouw te blijven aan de andere. Het doel echter van het huwelijk is: het voortbrengen en opvoeden van kinderen; het eerste doel (het voortbrengen) wordt bereikt door de geslachtelijke gemeenschap; het tweede (de opvoeding) door andere daden van man en vrouw, waardoor zij elkaar bijstaan ter opvoeding van het kind. Daaruit volgt dus, dat het huwelijk van de H. Maagd, de Moeder Gods, en Joseph, voor wat de eerste volmaaktheid betreft, ten volle een waar huwelijk was, daar beiden toestemden in de echtelijke gemeenschap, niet uitdrukkelijk echter in de vleselijke gemeenschap, tenzij dan voorwaardelijk: zo het God behaagt. Daarom dan ook wordt Maria door de engel "vrouw van Joseph" genoemd, toen hij tot Joseph zeide (Mattheus, 1, 20): "Vrees niet, Maria uw vrouw tot u te nemen". Hetgeen Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 11° H.) aldus uitlegt : "Zij wordt zijn vrouw genoemd op grond van de trouw, die zij het eerst bij de verloving had beloofd; toch had hij haar niet bekend, en evenmin zou hij haar bekennen". Wat echter de tweede volmaaktheid betreft, die door de huwelijksdaad tot stand wordt gebracht (indien men hieronder de vleselijke gemeenschap verstaat, waardoor het kind wordt voortgebracht) dan was dit huwelijk onder dit opzicht niet voltooid. Vandaar dan ook schrijft Ambrosius in zijn Uitleg op Lucas (2° B., op Lucas, 1, 27) : "Het ontstelle u niet, dat de H. Schrift Maria zijn vrouw noemt. Want niet het verlies der maagdelijkheid wordt hiermede aangegeven, maar de betuiging van hun gehuwd-zijn, de bruiloftsviering". — Toch bezat dit huwelijk de tweede volmaaktheid wel, voor zover het de opvoeding van het kind betreft. Daarom dan ook schrijft Augustinus in zijn werk Over het Huwelijk en de Begeerlijkheid (1° B., 11° en 12° H.) : "Al wat het huwelijk goed (mooi) maakt, vindt men in deze Ouders van Christus: nakomelingschap, trouw en het teken-zijn. De nakomelingschap kennen we : de Heer Jezus zelf; trouw, want geen sprake van overspel; het teken-zijn, want geen sprake van echtscheiding. De vleselijke gemeenschap alleen was er niet".
B: (Mt. 1, 20) [b:Mt. 1, 20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Hieronymus verstaat daar onder echtgenoot dengene, die de huwelijksdaad stelde, waardoor het huwelijk voltooid wordt.
B: (Matt 1:20) [b:Matt 1:20]
1e Weerlegging. Hieronymus verstaat daar onder echtgenoot dengene, die de huwelijksdaad stelde, waardoor het huwelijk voltooid wordt.
B: (Matt 1:20) [b:Matt 1:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Onder bruilofsviering verstaat Hieronymus hier de geslachtelijke gemeenschap.
B: (Luke 1:26) [b:Luke 1:26] (Luke 1:27) [b:Luke 1:27]
2e Weerlegging. Onder bruilofsviering verstaat Hieronymus hier de geslachtelijke gemeenschap.
B: (Luke 1:26) [b:Luke 1:26] (Luke 1:27) [b:Luke 1:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 29 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Chrysostomus in zijn 1e Homelie op Mattheus schrijft, was de H. Maagd op zulk een wijze met Joseph verloofd, dat zij tevens bij hem inwoonde. "Want, zoals men bij een vrouw, die in het huis van haar man ontvangen heeft, aan een echtelijke ontvangenis denkt, zo is omgekeerd bij een vrouw, die buiten het huis van haar man verblijvend, ontvangen heeft, die zwangerschap verdacht". Daaruit volgt, dat er niet voldoende gezorgd zou zijn geweest voor de goede naam der H. Maagd, indien zij wel verloofd was, doch niet tevens bij hem inwoonde. Men doet derhalve beter het woord "traducere", hetwelk zoowel overbrengen als overleveren kan betekenen, te verstaan als: hij wilde haar niet aan de openbare schande overleveren, dan dat men deze woorden opvat als een overbrengen naar zijn eigen huis. Vandaar ook, dat de Evangelist er aan toevoegt, dat hij haar in stilte wilde wegzenden. Hoewel zij echter bij hem inwoonde, omreden van de bij de verloving beloofde trouw, toch had de plechtige huwelijksviering nog niet plaats gehad; daarom ook hadden zij nog geen vleselijke gemeenschap gehad. Vandaar, dat, gelijk Chrysostomus in zijn 4e Homelie op Mattheus opmerkt, "de Evangelist niet zegt: "voordat zij in het huis van de bruidegom werd binnengeleid", want zij was reeds in huis. Bij de Ouden toch heerste de gewoonte, de verloofde bruiden vaak in huis te hebben. En daarom zegt de engel tot Joseph: Vrees niet, Maria uw vrouw tot u te nemen, m. a. w. Vrees niet, het huwelijk met haar plechtig te gaan vieren. — Toch houden sommigen, dat zij nog niet in zijn huis was binnengeleid, maar dat zij uitsluitend verloofd was. De eerste uitleg echter stemt meer overeen met het Evangelie.
3e Weerlegging. Zoals Chrysostomus in zijn 1e Homelie op Mattheus schrijft, was de H. Maagd op zulk een wijze met Joseph verloofd, dat zij tevens bij hem inwoonde. "Want, zoals men bij een vrouw, die in het huis van haar man ontvangen heeft, aan een echtelijke ontvangenis denkt, zo is omgekeerd bij een vrouw, die buiten het huis van haar man verblijvend, ontvangen heeft, die zwangerschap verdacht". Daaruit volgt, dat er niet voldoende gezorgd zou zijn geweest voor de goede naam der H. Maagd, indien zij wel verloofd was, doch niet tevens bij hem inwoonde. Men doet derhalve beter het woord "traducere", hetwelk zoowel overbrengen als overleveren kan betekenen, te verstaan als: hij wilde haar niet aan de openbare schande overleveren, dan dat men deze woorden opvat als een overbrengen naar zijn eigen huis. Vandaar ook, dat de Evangelist er aan toevoegt, dat hij haar in stilte wilde wegzenden. Hoewel zij echter bij hem inwoonde, omreden van de bij de verloving beloofde trouw, toch had de plechtige huwelijksviering nog niet plaats gehad; daarom ook hadden zij nog geen vleselijke gemeenschap gehad. Vandaar, dat, gelijk Chrysostomus in zijn 4e Homelie op Mattheus opmerkt, "de Evangelist niet zegt: "voordat zij in het huis van de bruidegom werd binnengeleid", want zij was reeds in huis. Bij de Ouden toch heerste de gewoonte, de verloofde bruiden vaak in huis te hebben. En daarom zegt de engel tot Joseph: Vrees niet, Maria uw vrouw tot u te nemen, m. a. w. Vrees niet, het huwelijk met haar plechtig te gaan vieren. — Toch houden sommigen, dat zij nog niet in zijn huis was binnengeleid, maar dat zij uitsluitend verloofd was. De eerste uitleg echter stemt meer overeen met het Evangelie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 30: Over de boodschap des engels aan de H. Maagd
IIIa q. 30 pr.
Vervolgens moeten we de boodschap des engels aan de H. Maagd behandelen. Hierover stellen wij vier vragen:
1. Betaamde het, dat aan haar werd geboodschapt, dat in haar moest worden voortgebracht?
2. Door wie moest dit haar worden geboodschapt?
3. Hoe moest het haar worden geboodschapt?
4. Over de volgorde dezer boodschap.
Vervolgens moeten we de boodschap des engels aan de H. Maagd behandelen. Hierover stellen wij vier vragen:
1. Betaamde het, dat aan haar werd geboodschapt, dat in haar moest worden voortgebracht?
2. Door wie moest dit haar worden geboodschapt?
3. Hoe moest het haar worden geboodschapt?
4. Over de volgorde dezer boodschap.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was het noodzakelijk, dat aan de H. Maagd werd geboodschapt hetgeen in haar voltrokken moest worden?
IIIa q. 30 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Naar men beweert, was het onnodig, dat aan de H. Maagd geboodschapt werd, hetgeen in haar voltrokken moest worden. Want de boodschap zou uitsluitend nodig zijn geweest, om de instemming der H. Maagd te verkrijgen. Maar haar instemming was, naar het schijnt, niet noodzakelijk, omdat het ontvangen der H. Maagd voorspeld was door de profetie der voorbestemming, en deze wordt onafhankelijk van onze vrije wil vervuld, zoals een Glosse (op Mattheus, 1, 22) zegt. Derhalve was het onnodig, dat een dergelijke boodschap geschiedde.
B: (Matt 1:22) [b:Matt 1:22]
Over het eerste als volgt. Naar men beweert, was het onnodig, dat aan de H. Maagd geboodschapt werd, hetgeen in haar voltrokken moest worden. Want de boodschap zou uitsluitend nodig zijn geweest, om de instemming der H. Maagd te verkrijgen. Maar haar instemming was, naar het schijnt, niet noodzakelijk, omdat het ontvangen der H. Maagd voorspeld was door de profetie der voorbestemming, en deze wordt onafhankelijk van onze vrije wil vervuld, zoals een Glosse (op Mattheus, 1, 22) zegt. Derhalve was het onnodig, dat een dergelijke boodschap geschiedde.
B: (Matt 1:22) [b:Matt 1:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De H. Maagd geloofde in de menswording, want zonder dit geloof kon niemand in staat van genade zijn, omdat "de gerechtigheid Gods is door het geloof in Jezus Christus", zoals in de Romeinenbrief (3, 22) geleerd wordt. Maar betreffende datgene, wat iemand reeds met zekerheid gelooft, behoeft hij niet nader onderricht te worden. Derhalve was het onnodig, dat haar de menswording van de Zoon werd medegedeeld.
B: (Rom 3:22) [b:Rom 3:22]
Vervolgens. De H. Maagd geloofde in de menswording, want zonder dit geloof kon niemand in staat van genade zijn, omdat "de gerechtigheid Gods is door het geloof in Jezus Christus", zoals in de Romeinenbrief (3, 22) geleerd wordt. Maar betreffende datgene, wat iemand reeds met zekerheid gelooft, behoeft hij niet nader onderricht te worden. Derhalve was het onnodig, dat haar de menswording van de Zoon werd medegedeeld.
B: (Rom 3:22) [b:Rom 3:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Gelijk de H. Maagd de Christus lichamelijk ontving, zo ontvangt elke ziel, die in staat van genade is, Hem geestelijk; daarvandaan zegt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (4, 19): "Mijn kinderkens, voor wie ik opnieuw barensweeën moet lijden, eer Christus in u is gevormd". Welnu, aan hen, die Hem geestelijk moeten ontvangen, wordt een dergelijke ontvangenis niet aangekondigd. Derhalve moest ook aan de H. Maagd niet worden aangekondigd, dat zij Gods Zoon in haar schoot zou ontvangen.
B: (Gal 4:19) [b:Gal 4:19]
Vervolgens. Gelijk de H. Maagd de Christus lichamelijk ontving, zo ontvangt elke ziel, die in staat van genade is, Hem geestelijk; daarvandaan zegt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (4, 19): "Mijn kinderkens, voor wie ik opnieuw barensweeën moet lijden, eer Christus in u is gevormd". Welnu, aan hen, die Hem geestelijk moeten ontvangen, wordt een dergelijke ontvangenis niet aangekondigd. Derhalve moest ook aan de H. Maagd niet worden aangekondigd, dat zij Gods Zoon in haar schoot zou ontvangen.
B: (Gal 4:19) [b:Gal 4:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Lucas (1, 31), dat de engel tot haar zeide: "Zie, gij zult in uw schoot ontvangen en een zoon baren".
B: (Luke 1:31) [b:Luke 1:31]
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Lucas (1, 31), dat de engel tot haar zeide: "Zie, gij zult in uw schoot ontvangen en een zoon baren".
B: (Luke 1:31) [b:Luke 1:31]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 1 co.
Mijn antwoord. Het was passend, dat aan de H. Maagd geboodschapt werd, dat zij de Christus zou ontvangen. En wel: 1°, om de juiste orde in de verbinding van de Zoon Gods met de H. Maagd te bewaren, opdat nl. eerst haar geest over Hem zou worden ingelicht, alvorens zij Hem in haar vlees zou ontvangen. Vandaar, dat Augustinus in zijn werk Over de Maagdelijkheid (3° H.) zegt: "Maria is gelukkiger door het verkrijgen van het geloof in Christus dan door het ontvangen van Christus' vlees". En daarop laat hij volgen: "Dat Maria als moeder de Christus zo na stond, zou haar niets hebben gebaat, indien zij Hem niet met méér vrucht in haar hart had gedragen dan in haar vlees". — 2°, opdat zij een des te zekerder getuige zou kunnen zijn van dit geheim, nadat zij van Godswege daarover was onderricht. — 3°, opdat zij vrijwillig de cijns harer onderworpenheid, aan God zou brengen, waartoe zij zich dan ook terstond bereidwillig aanbood, zeggende: "Ziehier, de dienstmaagd des Heren". — 4°, om te doen zien, dat er een zeker geestelijk huwelijk bestaat tussen Gods Zoon en de menselijke natuur. En daarom werd door middel van de boodschap des engels de instemming gevraagd der H. Maagd, als vertegenwoordigende de gehele mensheid.
Mijn antwoord. Het was passend, dat aan de H. Maagd geboodschapt werd, dat zij de Christus zou ontvangen. En wel: 1°, om de juiste orde in de verbinding van de Zoon Gods met de H. Maagd te bewaren, opdat nl. eerst haar geest over Hem zou worden ingelicht, alvorens zij Hem in haar vlees zou ontvangen. Vandaar, dat Augustinus in zijn werk Over de Maagdelijkheid (3° H.) zegt: "Maria is gelukkiger door het verkrijgen van het geloof in Christus dan door het ontvangen van Christus' vlees". En daarop laat hij volgen: "Dat Maria als moeder de Christus zo na stond, zou haar niets hebben gebaat, indien zij Hem niet met méér vrucht in haar hart had gedragen dan in haar vlees". — 2°, opdat zij een des te zekerder getuige zou kunnen zijn van dit geheim, nadat zij van Godswege daarover was onderricht. — 3°, opdat zij vrijwillig de cijns harer onderworpenheid, aan God zou brengen, waartoe zij zich dan ook terstond bereidwillig aanbood, zeggende: "Ziehier, de dienstmaagd des Heren". — 4°, om te doen zien, dat er een zeker geestelijk huwelijk bestaat tussen Gods Zoon en de menselijke natuur. En daarom werd door middel van de boodschap des engels de instemming gevraagd der H. Maagd, als vertegenwoordigende de gehele mensheid.
Referenties naar deze alinea: 2
Mystici Corporis Christi ->=geentekst=Mystici Corporis Christi ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De profetie der voorbestemming wordt wel vervuld onafhankelijk van onze vrije wil in die zin, dat onze vrije wil die voorbestemming niet veroorzaakt, doch zij gaat niet in vervulling zonder instemming van de wil.
1e Weerlegging. De profetie der voorbestemming wordt wel vervuld onafhankelijk van onze vrije wil in die zin, dat onze vrije wil die voorbestemming niet veroorzaakt, doch zij gaat niet in vervulling zonder instemming van de wil.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De H. Maagd bezat een uitgesproken geloof in de toekomstige menswording. Doch, daar zij nederig was, had zij niet zulke hoge gedachten van zichzelf. Hierover moest zij dus worden ingelicht.
2e Weerlegging. De H. Maagd bezat een uitgesproken geloof in de toekomstige menswording. Doch, daar zij nederig was, had zij niet zulke hoge gedachten van zichzelf. Hierover moest zij dus worden ingelicht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. De geestelijke ontvangenis, welke door het geloof plaats heeft, wordt wel door een boodschap voorafgegaan, hetgeen geschiedt door de prediking des geloofs, overeenkomstig het woord: "het geloof is uit het gehoor", zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (10, 17). Maar toch weet iemand hierom niet als zeker, dat hij de genade bezit; doch hij weet, dat het geloof, hetwelk hij ontvangt, het ware is.
B: (Rom. 10, 17) [b:Rom. 10, 17]
3e Weerlegging. De geestelijke ontvangenis, welke door het geloof plaats heeft, wordt wel door een boodschap voorafgegaan, hetgeen geschiedt door de prediking des geloofs, overeenkomstig het woord: "het geloof is uit het gehoor", zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (10, 17). Maar toch weet iemand hierom niet als zeker, dat hij de genade bezit; doch hij weet, dat het geloof, hetwelk hij ontvangt, het ware is.
B: (Rom. 10, 17) [b:Rom. 10, 17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Moest deze boodschap aan de H. Maagd worden overgebracht door een engel?
IIIa q. 30 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de boodschap aan de H. Maagd niet door een engel moest worden overgebracht. Want aan de hoogst-verheven engelen wordt de openbaring onmiddellijk door God zelf medegedeeld, zoals Dionysius leert in zijn werk *Over de Hemelreien* (7e H.). Maar de Moeder Gods is boven alle engelen verheven. Derhalve moest het geheim der menswording onmiddellijk door God zelf aan haar worden medegedeeld, en niet door een engel.
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de boodschap aan de H. Maagd niet door een engel moest worden overgebracht. Want aan de hoogst-verheven engelen wordt de openbaring onmiddellijk door God zelf medegedeeld, zoals Dionysius leert in zijn werk *Over de Hemelreien* (7e H.). Maar de Moeder Gods is boven alle engelen verheven. Derhalve moest het geheim der menswording onmiddellijk door God zelf aan haar worden medegedeeld, en niet door een engel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Indien ook hier de gewone regel moest gehandhaafd blijven, volgens welke het goddelijke door de engelen aan de mensen wordt geopenbaard, dan moest eveneens het goddelijke door de man aan de vrouw worden medegedeeld; daarom dan ook zegt de Apostel in zijn *Eersten Brief aan de Korinthiërs* (14, 34, 35): "De vrouwen moeten in de bijeenkomsten zwijgen... En wanneer zij inlichtingen verlangen, dan moeten zij thuis haar eigen man er naar vragen». Derhalve moest het geheim der menswording door een man aan de H. Maagd worden medegedeeld, temeer, daar Joseph, haar man, aangaande dit geheim door een engel was ingelicht, zoals we lezen in Mattheus (1, 20, 21).
B: (Matt 1:20) [b:Matt 1:20] (Matt 1:21) [b:Matt 1:21] (1Cor 14:34) [b:1Cor 14:34] (1Cor 14:35) [b:1Cor 14:35]
Vervolgens. Indien ook hier de gewone regel moest gehandhaafd blijven, volgens welke het goddelijke door de engelen aan de mensen wordt geopenbaard, dan moest eveneens het goddelijke door de man aan de vrouw worden medegedeeld; daarom dan ook zegt de Apostel in zijn *Eersten Brief aan de Korinthiërs* (14, 34, 35): "De vrouwen moeten in de bijeenkomsten zwijgen... En wanneer zij inlichtingen verlangen, dan moeten zij thuis haar eigen man er naar vragen». Derhalve moest het geheim der menswording door een man aan de H. Maagd worden medegedeeld, temeer, daar Joseph, haar man, aangaande dit geheim door een engel was ingelicht, zoals we lezen in Mattheus (1, 20, 21).
B: (Matt 1:20) [b:Matt 1:20] (Matt 1:21) [b:Matt 1:21] (1Cor 14:34) [b:1Cor 14:34] (1Cor 14:35) [b:1Cor 14:35]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Niemand kan behoorlijk mededelen, wat hij zelf niet weet. Welnu, zelfs de meest verheven engelen kenden het geheim der menswording niet ten volle. Vandaar, dat men volgens Dionysius (in zijn werk Over de Hemelreien, 7e H.) de vraag van Isaias (63, 1): "Wie is deze, die van Edom komt?" moet opvatten, als was zij namens hen gesteld. Derhalve kon de boodschap der mensvordering niet behoorlijk door een engel worden medegedeeld.
B: (Isa 63:1) [b:Isa 63:1]
Vervolgens. Niemand kan behoorlijk mededelen, wat hij zelf niet weet. Welnu, zelfs de meest verheven engelen kenden het geheim der menswording niet ten volle. Vandaar, dat men volgens Dionysius (in zijn werk Over de Hemelreien, 7e H.) de vraag van Isaias (63, 1): "Wie is deze, die van Edom komt?" moet opvatten, als was zij namens hen gesteld. Derhalve kon de boodschap der mensvordering niet behoorlijk door een engel worden medegedeeld.
B: (Isa 63:1) [b:Isa 63:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 2 arg. 4
Vervolgens. Het voornaamste moet door de voornaamste gezanten worden geboodschapt. Welnu, het geheim der menswording is het voornaamste onder al hetgeen door de engelen aan de mensen geboodschapt werd. Gesteld dus, dat dit geheim door een engel geboodschapt moest worden, dan moest dit geschieden door een engel van het hoogste koor. Maar Gabriël is geen engel van het hoogste koor, doch van het koor der aartsengelen, hetwelk op een na de laagste plaats inneemt; daarom zingt de Kerk dan ook: "Wij weten, dat de aartsengel Gabriël van Godswege tot u gesproken heeft". Derhalve was het niet passend, dat deze boodschap door de aartsengel Gabriël werd overgebracht.
Vervolgens. Het voornaamste moet door de voornaamste gezanten worden geboodschapt. Welnu, het geheim der menswording is het voornaamste onder al hetgeen door de engelen aan de mensen geboodschapt werd. Gesteld dus, dat dit geheim door een engel geboodschapt moest worden, dan moest dit geschieden door een engel van het hoogste koor. Maar Gabriël is geen engel van het hoogste koor, doch van het koor der aartsengelen, hetwelk op een na de laagste plaats inneemt; daarom zingt de Kerk dan ook: "Wij weten, dat de aartsengel Gabriël van Godswege tot u gesproken heeft". Derhalve was het niet passend, dat deze boodschap door de aartsengel Gabriël werd overgebracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Lucas (1, 26): "De engel Gabriël werd door God gezonden".
B: (Luke 1:26) [b:Luke 1:26]
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Lucas (1, 26): "De engel Gabriël werd door God gezonden".
B: (Luke 1:26) [b:Luke 1:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 2 co.
Mijn antwoord. LEERSTELLING. — Om drie redenen was het passend, dat Gods menswording aan de Moeder Gods geboodschap werd door een engel. En wel: 1°, opdat ook hier het goddelijk bestel zou gehandhaafd blijven, volgens hetwelk datgene, wat van God komt, door middel van engelen tot de mensen zou komen. Daarom dan ook zegt Dionysius in zijn werk Over de Hemelreien (4° H.), dat eerst de engelen werden ingelicht betreffende het goddelijk geheim van Jezus' welwillendheid, en daarna kwam de genade dezer kennis door hen tot ons. Zo derhalve boodschapte de van God gezondene Gabriël aan Zacharias, dat er uit hem een profeet zou opstaan, aan Maria echter, hoe in haar het geheim zou worden vervuld der vorming van de onuitsprekelijke God, welk geheim in God zelf zijn oorsprong had. — 2° Dit paste bij het a. s. herstel van het mensdom door Christus. Vandaar, dat Beda in zijn Homelie op de boodschap des engels zegt: "Het was een passende inzet bij het herstel van het mensdom, dat een engel door God gezonden werd, tot de Maagd, die geheiligd zou worden door het goddelijk Moederschap, daar de eerste aanleiding tot de val van het mensdom hierin lag, dat de duivel een slang zond, om de vrouw te misleiden met de geest van hoovaardij". — 3° Dit betaamde aan de maagdelijkheid der Moeder Gods. Zo zegt dan ook Hieronymus in zijn preek Over Maria-ten-hemel-opneming (brief aan Paulus en Eustochius): "Terecht werd een engel tot de Maagd gezonden, want steeds is de maagdelijkheid de engelen verwant. Waarlijk, in het vlees, buiten het vlees om, te leven, is geen aards doch een hemels leven".
Mijn antwoord. LEERSTELLING. — Om drie redenen was het passend, dat Gods menswording aan de Moeder Gods geboodschap werd door een engel. En wel: 1°, opdat ook hier het goddelijk bestel zou gehandhaafd blijven, volgens hetwelk datgene, wat van God komt, door middel van engelen tot de mensen zou komen. Daarom dan ook zegt Dionysius in zijn werk Over de Hemelreien (4° H.), dat eerst de engelen werden ingelicht betreffende het goddelijk geheim van Jezus' welwillendheid, en daarna kwam de genade dezer kennis door hen tot ons. Zo derhalve boodschapte de van God gezondene Gabriël aan Zacharias, dat er uit hem een profeet zou opstaan, aan Maria echter, hoe in haar het geheim zou worden vervuld der vorming van de onuitsprekelijke God, welk geheim in God zelf zijn oorsprong had. — 2° Dit paste bij het a. s. herstel van het mensdom door Christus. Vandaar, dat Beda in zijn Homelie op de boodschap des engels zegt: "Het was een passende inzet bij het herstel van het mensdom, dat een engel door God gezonden werd, tot de Maagd, die geheiligd zou worden door het goddelijk Moederschap, daar de eerste aanleiding tot de val van het mensdom hierin lag, dat de duivel een slang zond, om de vrouw te misleiden met de geest van hoovaardij". — 3° Dit betaamde aan de maagdelijkheid der Moeder Gods. Zo zegt dan ook Hieronymus in zijn preek Over Maria-ten-hemel-opneming (brief aan Paulus en Eustochius): "Terecht werd een engel tot de Maagd gezonden, want steeds is de maagdelijkheid de engelen verwant. Waarlijk, in het vlees, buiten het vlees om, te leven, is geen aards doch een hemels leven".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De Moeder Gods was wel boven alle engelen verheven wat betreft de waardigheid, waartoe zij door God werd uitverkoren. Doch wat betreft de staat van haar toenmalig leven, was zij minder verheven dan de engelen, daar ook Christus zelf, krachtens zijn voor lijden ontvankelijk leven voor korte tijd beneden de engelen was gesteld, zoals de Hebreeënbrief leert (2, 9). Maar omdat Christus niet alleen een pelgrim was op weg naar de hemelse zaligheid, doch tevens reeds deel had aan de eeuwige aanschouwing, behoefde Hij door geen engelen te worden onderricht in de kennis betreffende het goddelijke. Maar de Moeder Gods was nog niet in de staat van hen, die aanschouwen. En daarom moest zij wel door engelen worden ingelicht over haar ontvangen van God.
B: (Heb. 2, 9) [b:Heb. 2, 9]
1e Weerlegging. De Moeder Gods was wel boven alle engelen verheven wat betreft de waardigheid, waartoe zij door God werd uitverkoren. Doch wat betreft de staat van haar toenmalig leven, was zij minder verheven dan de engelen, daar ook Christus zelf, krachtens zijn voor lijden ontvankelijk leven voor korte tijd beneden de engelen was gesteld, zoals de Hebreeënbrief leert (2, 9). Maar omdat Christus niet alleen een pelgrim was op weg naar de hemelse zaligheid, doch tevens reeds deel had aan de eeuwige aanschouwing, behoefde Hij door geen engelen te worden onderricht in de kennis betreffende het goddelijke. Maar de Moeder Gods was nog niet in de staat van hen, die aanschouwen. En daarom moest zij wel door engelen worden ingelicht over haar ontvangen van God.
B: (Heb. 2, 9) [b:Heb. 2, 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Augustinus in zijn preek Over Maria-ten-hemel-opneming leert, acht men terecht, dat de H. Maagd Maria van sommige algemene wetten uitgezonderd is, omdat "zij, die in haar volstrekt ongeschonden schoot de Christus heeft ontvangen van de H. Geest, slechts één zwangerschap kende en niet onder de macht van een man stond", d. i. van een echtgenoot (Boek der Schepping, 3, 16). Daarom dan ook behoefde zij niet door een man te worden ingelicht over het geheim der menswording, maar door een engel. Om dezelfde reden werd dit dan ook eerder aan haar geboodschap dan aan Joseph; want aan haar werd het medegedeeld vóórdat zij ontvangen had, aan Joseph echter, nadat zij ontvangen had.
B: (Gen. 3, 16) [b:Gen. 3, 16]
2e Weerlegging. Zoals Augustinus in zijn preek Over Maria-ten-hemel-opneming leert, acht men terecht, dat de H. Maagd Maria van sommige algemene wetten uitgezonderd is, omdat "zij, die in haar volstrekt ongeschonden schoot de Christus heeft ontvangen van de H. Geest, slechts één zwangerschap kende en niet onder de macht van een man stond", d. i. van een echtgenoot (Boek der Schepping, 3, 16). Daarom dan ook behoefde zij niet door een man te worden ingelicht over het geheim der menswording, maar door een engel. Om dezelfde reden werd dit dan ook eerder aan haar geboodschap dan aan Joseph; want aan haar werd het medegedeeld vóórdat zij ontvangen had, aan Joseph echter, nadat zij ontvangen had.
B: (Gen. 3, 16) [b:Gen. 3, 16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals uit de aangehaalde woorden van Dionysius (zie de Leerstelling) blijkt, kenden de engelen het geheim der menswording wel; doch zij stellen die vraag, omdat zij de gronden van dit geheim, welke geen enkel geschapen verstand volledig kan inzien, volmaakter verlangen te vernemen van Christus. Daarvandaan schrijft Maximus: "Men moet er niet aan twijfelen, of de engelen de toekomstige menswording kenden. Maar de ontvangenis van de onnaspeurlijke Heer wisten zij niet, noch de wijze, waarop Hij geheel in de Vader bleef en toch geheel in alle dingen en tevens geheel in de schoot der Maagd".
3e Weerlegging. Zoals uit de aangehaalde woorden van Dionysius (zie de Leerstelling) blijkt, kenden de engelen het geheim der menswording wel; doch zij stellen die vraag, omdat zij de gronden van dit geheim, welke geen enkel geschapen verstand volledig kan inzien, volmaakter verlangen te vernemen van Christus. Daarvandaan schrijft Maximus: "Men moet er niet aan twijfelen, of de engelen de toekomstige menswording kenden. Maar de ontvangenis van de onnaspeurlijke Heer wisten zij niet, noch de wijze, waarop Hij geheel in de Vader bleef en toch geheel in alle dingen en tevens geheel in de schoot der Maagd".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. Sommigen houden dat Gabriël tot het hoogste engelenkoor behoorde, omdat Gregorius in zijn Homelie Over de Honderd Schapen zegt: "Het betaamde, dat de hoogste engel kwam, om het allerhoogste aan te kondigen". Uit deze woorden volgt echter niet, dat hij de hoogste was onder alle koren, doch de hoogste met betrekking tot de koren der engelen; hij was dan ook van het koor der aartsengelen. Daarom noemt ook de Kerk hem aartsengel en schrijft Gregorius zelf (t. a. p.), dat diegenen aartsengelen heeten, welke het voornaamste boodschappen. Het is dus geloofwaardig genoeg, dat hij de verhevenste is in het koor der aartsengelen. En gelijk Gregorius (t. a. p.) opmerkt, past deze naam bij zijn taak: Gabriel toch betekent sterkte Gods. Door "Gods Sterkte" derhalve moest worden aangekondigd, dat de Heer der Heerscharen, dat Hij, die machtig is in de strijd, in aantocht was om de machten der lucht te verslaan.
4e Weerlegging. Sommigen houden dat Gabriël tot het hoogste engelenkoor behoorde, omdat Gregorius in zijn Homelie Over de Honderd Schapen zegt: "Het betaamde, dat de hoogste engel kwam, om het allerhoogste aan te kondigen". Uit deze woorden volgt echter niet, dat hij de hoogste was onder alle koren, doch de hoogste met betrekking tot de koren der engelen; hij was dan ook van het koor der aartsengelen. Daarom noemt ook de Kerk hem aartsengel en schrijft Gregorius zelf (t. a. p.), dat diegenen aartsengelen heeten, welke het voornaamste boodschappen. Het is dus geloofwaardig genoeg, dat hij de verhevenste is in het koor der aartsengelen. En gelijk Gregorius (t. a. p.) opmerkt, past deze naam bij zijn taak: Gabriel toch betekent sterkte Gods. Door "Gods Sterkte" derhalve moest worden aangekondigd, dat de Heer der Heerscharen, dat Hij, die machtig is in de strijd, in aantocht was om de machten der lucht te verslaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Moest de boodschappende engel zo aan de H. Maagd verschijnen, dat zij hem met de ogen van haar lichaam kon zien?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 6 a. 1 co.[t:iiia q. 6 a. 1 co.]
IIIa q. 30 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de boodschappende engel niet zo aan de H. Maagd had moeten verschijnen, dat zij hem met de ogen haars lichaam kon zien. Want zoals Augustinus zegt in het 12e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het boek der Schepping (24e H.) staat het zien met ons verstand hoger dan het zien met de ogen van ons lichaam; en vooral, dit past meer ten opzichte van de engel zelf; want het verstand ziet hem in zijn eigen wezen, doch de ogen des lichaams aanschouwen hem slechts in een aangenomen lichamelijke gedaante. Welnu, evenzeer als het betaamde, dat de verhevenste gezant Gods menswording kwam boodschappen (zie: het vorige artikel, antwoord op de 4e bedenking), evenzeer betaamde de hoogste wijze van hem te zien. Derhalve verscheen de engel zo, dat de H. Maagd hem zag met haar verstand.
IIIa q. 6 a. 1 co.[t:iiia q. 6 a. 1 co.]
IIIa q. 30 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de boodschappende engel niet zo aan de H. Maagd had moeten verschijnen, dat zij hem met de ogen haars lichaam kon zien. Want zoals Augustinus zegt in het 12e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het boek der Schepping (24e H.) staat het zien met ons verstand hoger dan het zien met de ogen van ons lichaam; en vooral, dit past meer ten opzichte van de engel zelf; want het verstand ziet hem in zijn eigen wezen, doch de ogen des lichaams aanschouwen hem slechts in een aangenomen lichamelijke gedaante. Welnu, evenzeer als het betaamde, dat de verhevenste gezant Gods menswording kwam boodschappen (zie: het vorige artikel, antwoord op de 4e bedenking), evenzeer betaamde de hoogste wijze van hem te zien. Derhalve verscheen de engel zo, dat de H. Maagd hem zag met haar verstand.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Eveneens staat het zien met de verbeelding hoger dan het zien met lichamelijke ogen, gelijk toch ook de verbeeldingskracht zelf een edeler vermogen is dan het uitwendige zintuig. Welnu aan Joseph verscheen de engel in de slaap, zodat hij hem in zijn verbeelding kon zien, gelijk blijkt uit Mattheus (1, 20; 2, 13, 19). Derhalve had hij ook aan de H. Maagd zo moeten verschijnen, niet dat zij hem met haar ogen zag, maar met haar verbeelding.
B: (Matt 1:20) [b:Matt 1:20]
Vervolgens. Eveneens staat het zien met de verbeelding hoger dan het zien met lichamelijke ogen, gelijk toch ook de verbeeldingskracht zelf een edeler vermogen is dan het uitwendige zintuig. Welnu aan Joseph verscheen de engel in de slaap, zodat hij hem in zijn verbeelding kon zien, gelijk blijkt uit Mattheus (1, 20; 2, 13, 19). Derhalve had hij ook aan de H. Maagd zo moeten verschijnen, niet dat zij hem met haar ogen zag, maar met haar verbeelding.
B: (Matt 1:20) [b:Matt 1:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Een geestelijk wezen met onze lichamelijke ogen zien, doet ons versteld staan; daarom dan ook zingt de Kerk van de H. Maagd (2e Respons. in de Metten op het feest van Maria Boodschap): "En de Maagd schrok van het licht". Doch het ware beter geweest, dat haar geest voor een dergelijke ontsteltenis gespaard was gebleven. Derhalve betaamde het niet, dat deze boodschap door middel van een lichamelijk waarneembaar visioen werd medegedeeld.
Vervolgens. Een geestelijk wezen met onze lichamelijke ogen zien, doet ons versteld staan; daarom dan ook zingt de Kerk van de H. Maagd (2e Respons. in de Metten op het feest van Maria Boodschap): "En de Maagd schrok van het licht". Doch het ware beter geweest, dat haar geest voor een dergelijke ontsteltenis gespaard was gebleven. Derhalve betaamde het niet, dat deze boodschap door middel van een lichamelijk waarneembaar visioen werd medegedeeld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus (in zijn 3e preek over de Boodschap des Engels) de H. Maagd de woorden in de mond legt: "Tot mij kwam de aartsengel Gabriël; glanzend was zijn aangezicht, vonkelend zijn gewaad, en zijn gang wonderbaar". Doch dit kan slechts met de ogen van het lichaam worden waargenomen. Derhalve verscheen de engel aan de H. Maagd zo, dat zij hem met haar lichamelijke ogen zag.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus (in zijn 3e preek over de Boodschap des Engels) de H. Maagd de woorden in de mond legt: "Tot mij kwam de aartsengel Gabriël; glanzend was zijn aangezicht, vonkelend zijn gewaad, en zijn gang wonderbaar". Doch dit kan slechts met de ogen van het lichaam worden waargenomen. Derhalve verscheen de engel aan de H. Maagd zo, dat zij hem met haar lichamelijke ogen zag.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 3 co.
Mijn antwoord. De engel, die de boodschap aankondigde, verscheen zo aan de Moeder Gods, dat zij hem met haar lichamelijke ogen zag. En dit betaamde: 1e omdat het overeenkomt met datgene wat geboodschap werd. De engel toch kwam de menswording aankondigen van de onzichtbare God. Om dit geheim nu klaar voor ogen te stellen, was het aangepast, dat een onzichtbaar schepsel een gedaante aannam, waarin hij zichtbaar zou verschijnen; daar toch ook alle verschijningen van het Oude Verbond gericht waren op deze verschijning van Gods Zoon in het vlees. — 2° dit kwam ook overeen met de waardigheid der Moeder Gods. Zij toch zou Gods Zoon niet slechts in haar geest ontvangen, doch tevens in de schoot haars lichaams. En derhalve mocht niet alleen haar geest, maar mochten ook de zintuigen van haar lichaam zich verheugen in het zien van de engel. — 3° Dit betaamde aan de zekerheid betreffende datgene wat geboodschapt werd. Datgene toch wat we kunnen zien met onze ogen nemen we met meer zekerheid waar dan hetgeen we ons voorstellen. Vandaar, dat Chrysostomus (in zijn 4° Homelie op Mattheus) zegt, dat de engel niet in haar slaap verscheen, doch zelfs zichtbaar voor haar stond. "Want daar zij een zeer gewichtige boodschap van de engel ontving, was een plechtig visioen vóór de verwezenlijking ener zo belangrijke gebeurtenis voor haar wel noodig".
Mijn antwoord. De engel, die de boodschap aankondigde, verscheen zo aan de Moeder Gods, dat zij hem met haar lichamelijke ogen zag. En dit betaamde: 1e omdat het overeenkomt met datgene wat geboodschap werd. De engel toch kwam de menswording aankondigen van de onzichtbare God. Om dit geheim nu klaar voor ogen te stellen, was het aangepast, dat een onzichtbaar schepsel een gedaante aannam, waarin hij zichtbaar zou verschijnen; daar toch ook alle verschijningen van het Oude Verbond gericht waren op deze verschijning van Gods Zoon in het vlees. — 2° dit kwam ook overeen met de waardigheid der Moeder Gods. Zij toch zou Gods Zoon niet slechts in haar geest ontvangen, doch tevens in de schoot haars lichaams. En derhalve mocht niet alleen haar geest, maar mochten ook de zintuigen van haar lichaam zich verheugen in het zien van de engel. — 3° Dit betaamde aan de zekerheid betreffende datgene wat geboodschapt werd. Datgene toch wat we kunnen zien met onze ogen nemen we met meer zekerheid waar dan hetgeen we ons voorstellen. Vandaar, dat Chrysostomus (in zijn 4° Homelie op Mattheus) zegt, dat de engel niet in haar slaap verscheen, doch zelfs zichtbaar voor haar stond. "Want daar zij een zeer gewichtige boodschap van de engel ontving, was een plechtig visioen vóór de verwezenlijking ener zo belangrijke gebeurtenis voor haar wel noodig".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het zien met ons verstand staat hoger dan het zien met de verbeelding, of dan het zien met de ogen van ons lichaam, zo het alleen voorkomt, zonder een van beide laatstgenoemde. Maar Augustinus zelf leert in het 12e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (9e H.), dat een profetie, welke tegelijkertijd zowel door het verstand als door de verbeelding wordt gezien, hoger staat dan een profetie, welke slechts door een van beide wordt waargenomen. De H. Maagd nu zag niet uitsluitend dat lichamelijk waarneembaar visioen, doch kreeg tevens een verlichting van haar verstand. Zulk een verschijning stond dus hoger. Toch zou deze verschijning nog verhevener zijn geweest, indien de H. Maagd door haar verstandelijk schouwen de engel zelf in zijn eigen wezen had gezien. Maar de staat van een mens, die nog pelgrim is op weg naar de eeuwigheid, laat niet toe, dat hij een engel naar zijn wezen ziet.
1e Weerlegging. Het zien met ons verstand staat hoger dan het zien met de verbeelding, of dan het zien met de ogen van ons lichaam, zo het alleen voorkomt, zonder een van beide laatstgenoemde. Maar Augustinus zelf leert in het 12e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (9e H.), dat een profetie, welke tegelijkertijd zowel door het verstand als door de verbeelding wordt gezien, hoger staat dan een profetie, welke slechts door een van beide wordt waargenomen. De H. Maagd nu zag niet uitsluitend dat lichamelijk waarneembaar visioen, doch kreeg tevens een verlichting van haar verstand. Zulk een verschijning stond dus hoger. Toch zou deze verschijning nog verhevener zijn geweest, indien de H. Maagd door haar verstandelijk schouwen de engel zelf in zijn eigen wezen had gezien. Maar de staat van een mens, die nog pelgrim is op weg naar de eeuwigheid, laat niet toe, dat hij een engel naar zijn wezen ziet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Weliswaar is de verbeeldingskracht een edeler vermogen dan het uitwendige zintuig;wijl echter het zintuig het uitgangspunt is der menselijke kennis, vindt men in hem de grootste zekerheid, omdat steeds de uitgangspunten onzer kennis het zekerst moeten wezen. En derhalve had Joseph, wien de engel in zijn slaap verscheen, niet zulk een hoogstaande verschijning als de H. Maagd.
2e Weerlegging. Weliswaar is de verbeeldingskracht een edeler vermogen dan het uitwendige zintuig;wijl echter het zintuig het uitgangspunt is der menselijke kennis, vindt men in hem de grootste zekerheid, omdat steeds de uitgangspunten onzer kennis het zekerst moeten wezen. En derhalve had Joseph, wien de engel in zijn slaap verscheen, niet zulk een hoogstaande verschijning als de H. Maagd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Ambrosius zegt in zijn Uiteenzetting op Lucas (1, 11). "worden wij ontsteld en van onze gemoedstoestand vervreemd, wanneer het ontmoeten van een hogere macht ons beklemt". En dit komt niet alleen voor bij het lichamelijk zien maar ook bij het zien met onze verbeelding. Vandaar zegt het Boek der Schepping (15, 12): "toen de zon was ondergegaan, werd Abraham overvallen door een diepe slaap, en een grote en duistervolle verschrikking overviel hem". Zulk een ontsteltenis echter benadeelt de mens toch niet zozeer, dat daarom van een verschijning des engels moest worden afgezien. Ten eerste namelijk omdat juist door het feit, dat een mens boven zichzelf verheven wordt, hetgeen betrekking heeft op zijn waardigheid, het minder edele in hem verzwakt wordt; en hieruit komt voornoemde ontsteltenis voort, zoals ook de uitwendige ledematen beginnen te rillen, zodra de lichaamswarmte zich naar het inwendige heeft teruggetrokken. — Ten tweede, omdat, gelijk Origenes in zijn 4e Homelie op Lucas leert, "de engel, die verschijnt, wetend, dat de menselijke natuur zo is, het allereerst deze ontsteltenis geneest". Vandaar, dat hij zowel tot Zacharias als tot Maria bij hun ontsteltenis sprak: "Vrees niet" (Lucas, 1, 13, 30). Daarom "is het niet moeilijk — zoals we in het leven van Antonius (door de H. Athanasius) lezen — de goede geesten te onderscheiden van de kwade. Wanneer namelijk de vrees wordt gevolgd door vreugde, dan wete men, dat de hulp kwam van de Heer, daar zielekalmte een teken is van het aanwezig zijn der majesteit. Doch blijft de ingeboezemde vrees, dan is het de vijand, die men ziet". Die ontsteltenis der H. Maagd lag trouwens in de lijn der maagdelijke schuchterheid. Want zoals Ambrosius zegt in het 2e boek van zijn Uiteenzetting op Lucas (1, 28): "is het de maagden eigen, bang te worden, en bij elk binnenkomen van een man 'te beven, en er voor te huiveren door een man te worden aangesproken". Sommigen houden echter, dat de H. Maagd niet verschrok om het zien van de engel, daar zij engelenvisioenen gewoon was, maar in haar verwondering om hetgeen door de engel gezegd werd, wijl zij iets zo verhevens niet dacht van zichzelf. Daarom dan ook zegt de Evangelist niet, dat zij verschrok van het zien van de engel, maar "van zijn woord" (Luc. 1, 29).
B: (Lc. 1, 11) [b:Lc. 1, 11] (Lc. 1, 20) [b:Lc. 1, 20]
3e Weerlegging. Zoals Ambrosius zegt in zijn Uiteenzetting op Lucas (1, 11). "worden wij ontsteld en van onze gemoedstoestand vervreemd, wanneer het ontmoeten van een hogere macht ons beklemt". En dit komt niet alleen voor bij het lichamelijk zien maar ook bij het zien met onze verbeelding. Vandaar zegt het Boek der Schepping (15, 12): "toen de zon was ondergegaan, werd Abraham overvallen door een diepe slaap, en een grote en duistervolle verschrikking overviel hem". Zulk een ontsteltenis echter benadeelt de mens toch niet zozeer, dat daarom van een verschijning des engels moest worden afgezien. Ten eerste namelijk omdat juist door het feit, dat een mens boven zichzelf verheven wordt, hetgeen betrekking heeft op zijn waardigheid, het minder edele in hem verzwakt wordt; en hieruit komt voornoemde ontsteltenis voort, zoals ook de uitwendige ledematen beginnen te rillen, zodra de lichaamswarmte zich naar het inwendige heeft teruggetrokken. — Ten tweede, omdat, gelijk Origenes in zijn 4e Homelie op Lucas leert, "de engel, die verschijnt, wetend, dat de menselijke natuur zo is, het allereerst deze ontsteltenis geneest". Vandaar, dat hij zowel tot Zacharias als tot Maria bij hun ontsteltenis sprak: "Vrees niet" (Lucas, 1, 13, 30). Daarom "is het niet moeilijk — zoals we in het leven van Antonius (door de H. Athanasius) lezen — de goede geesten te onderscheiden van de kwade. Wanneer namelijk de vrees wordt gevolgd door vreugde, dan wete men, dat de hulp kwam van de Heer, daar zielekalmte een teken is van het aanwezig zijn der majesteit. Doch blijft de ingeboezemde vrees, dan is het de vijand, die men ziet". Die ontsteltenis der H. Maagd lag trouwens in de lijn der maagdelijke schuchterheid. Want zoals Ambrosius zegt in het 2e boek van zijn Uiteenzetting op Lucas (1, 28): "is het de maagden eigen, bang te worden, en bij elk binnenkomen van een man 'te beven, en er voor te huiveren door een man te worden aangesproken". Sommigen houden echter, dat de H. Maagd niet verschrok om het zien van de engel, daar zij engelenvisioenen gewoon was, maar in haar verwondering om hetgeen door de engel gezegd werd, wijl zij iets zo verhevens niet dacht van zichzelf. Daarom dan ook zegt de Evangelist niet, dat zij verschrok van het zien van de engel, maar "van zijn woord" (Luc. 1, 29).
B: (Lc. 1, 11) [b:Lc. 1, 11] (Lc. 1, 20) [b:Lc. 1, 20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Geschiedde de boodschap des engels in de passende volgorde?
IIIa q. 30 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de boodschap des engels niet in passende volgorde is geschied. Want de waardigheid der Moeder Gods hangt af van het door haar ontvangen kind. Welnu, de oorzaak moet eerder worden aangegeven dan het voortbrengsel. Derhalve had de engel haar eerst de ontvangenis moeten boodschappen, alvorens haar in zijn groet haar waardigheid mee te delen.
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de boodschap des engels niet in passende volgorde is geschied. Want de waardigheid der Moeder Gods hangt af van het door haar ontvangen kind. Welnu, de oorzaak moet eerder worden aangegeven dan het voortbrengsel. Derhalve had de engel haar eerst de ontvangenis moeten boodschappen, alvorens haar in zijn groet haar waardigheid mee te delen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Ofwel men moet het bewijs achterwege laten (bij datgene, wat niet twijfelachtig is), ofwel voorop plaatsen (bij datgene, wat wel twijfelachtig kan zijn). Maar de engel schijnt eerst datgene te hebben aangekondigd, wat de H. Maagd zou betwijfelen, en waarover zij in haar twijfel zou vragen: "hoe zal dit geschieden?", en eerst daarna het bewijs, zowel uit het voorbeeld van Elisabeth als uit Gods almacht, eraan te hebben toegevoegd. Derhalve is de boodschap niet in de passende volgorde door de engel volbracht.
Vervolgens. Ofwel men moet het bewijs achterwege laten (bij datgene, wat niet twijfelachtig is), ofwel voorop plaatsen (bij datgene, wat wel twijfelachtig kan zijn). Maar de engel schijnt eerst datgene te hebben aangekondigd, wat de H. Maagd zou betwijfelen, en waarover zij in haar twijfel zou vragen: "hoe zal dit geschieden?", en eerst daarna het bewijs, zowel uit het voorbeeld van Elisabeth als uit Gods almacht, eraan te hebben toegevoegd. Derhalve is de boodschap niet in de passende volgorde door de engel volbracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Het meerdere kan men niet voldoende bewijzen door het mindere. Welnu, dat een maagd zal baren, is meer dan dat een oude vrouw zal baren. Derhalve was het geen voldoende bewijs van de engel, dat hij het ontvangen der H. Maagd aantoonde uit het ontvangen van een bejaarde vrouw.
Vervolgens. Het meerdere kan men niet voldoende bewijzen door het mindere. Welnu, dat een maagd zal baren, is meer dan dat een oude vrouw zal baren. Derhalve was het geen voldoende bewijs van de engel, dat hij het ontvangen der H. Maagd aantoonde uit het ontvangen van een bejaarde vrouw.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen in de Romeinenbrief (13, 1) gezegd wordt: "Wat van God is, is geordend". Welnu, de engel is van God gezonden, om aan de Maagd te boodschappen, gelijk we lezen bij Lucas (1, 26). Derhalve is de boodschap zo ordelijk mogelijk door de engel verricht.
B: (Luke 1:26) [b:Luke 1:26] (Rom 13:1) [b:Rom 13:1]
Daartegenover staat echter hetgeen in de Romeinenbrief (13, 1) gezegd wordt: "Wat van God is, is geordend". Welnu, de engel is van God gezonden, om aan de Maagd te boodschappen, gelijk we lezen bij Lucas (1, 26). Derhalve is de boodschap zo ordelijk mogelijk door de engel verricht.
B: (Luke 1:26) [b:Luke 1:26] (Rom 13:1) [b:Rom 13:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 4 co.
Mijn antwoord. De boodschap werd door de engel in de juiste volgorde verricht. De engel toch bedoelde drie dingen ten opzichte van de H. Maagd. 1°, De aandacht van haar geest te spannen op het beschouwen van een zo grootse gebeurtenis. Dit nu deed hij door haar aan te spreken met een nieuwe en ongewone groet. Daarom dan ook zegt Origenes in zijn 6° Homelie op Lucas: "Indien zij geweten had, dat een dergelijk woord ooit tot iemand anders was gesproken (zij toch kende de Oude Wet), dan zou zulk een begroeting haar nooit als iets vreemds hebben doen verschrikken". In deze begroeting nu gewaagde hij eerst van haar geschiktheid tot het ontvangen, met de woorden: vol van genade, vervolgens boodschapte hij het ontvangen zelf, door te zeggen: de Heer is met u, en tenslotte voorzegde hij de daaruit volgende eer, toen hij sprak: Gezegend zijt gij onder de vrouwen. — 2° bedoelde hij haar te onderrichten over het geheim der menswording, hetwelk in haar zou worden voltrokken. Dit nu deed hij zowel door haar de ontvangenis en geboorte te voorspellen, met de woorden: "Zie, gij zult in uw schoot ontvangen..." enz., als door haar te wijzen op de waardigheid van het ontvangen kind, zeggende: "Deze zal groot zijn", en tevens door haar de wijze der ontvangenis te laten zien, toen hij zei: "De H. Geest zal op u neerdalen". — 3° bedoelde hij haar geest in te leiden tot het betuigen van instemming. Dit nu deed hij door het voorbeeld van Elisabeth en door een beweegreden, ontleend aan Gods almacht.
Mijn antwoord. De boodschap werd door de engel in de juiste volgorde verricht. De engel toch bedoelde drie dingen ten opzichte van de H. Maagd. 1°, De aandacht van haar geest te spannen op het beschouwen van een zo grootse gebeurtenis. Dit nu deed hij door haar aan te spreken met een nieuwe en ongewone groet. Daarom dan ook zegt Origenes in zijn 6° Homelie op Lucas: "Indien zij geweten had, dat een dergelijk woord ooit tot iemand anders was gesproken (zij toch kende de Oude Wet), dan zou zulk een begroeting haar nooit als iets vreemds hebben doen verschrikken". In deze begroeting nu gewaagde hij eerst van haar geschiktheid tot het ontvangen, met de woorden: vol van genade, vervolgens boodschapte hij het ontvangen zelf, door te zeggen: de Heer is met u, en tenslotte voorzegde hij de daaruit volgende eer, toen hij sprak: Gezegend zijt gij onder de vrouwen. — 2° bedoelde hij haar te onderrichten over het geheim der menswording, hetwelk in haar zou worden voltrokken. Dit nu deed hij zowel door haar de ontvangenis en geboorte te voorspellen, met de woorden: "Zie, gij zult in uw schoot ontvangen..." enz., als door haar te wijzen op de waardigheid van het ontvangen kind, zeggende: "Deze zal groot zijn", en tevens door haar de wijze der ontvangenis te laten zien, toen hij zei: "De H. Geest zal op u neerdalen". — 3° bedoelde hij haar geest in te leiden tot het betuigen van instemming. Dit nu deed hij door het voorbeeld van Elisabeth en door een beweegreden, ontleend aan Gods almacht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Voor een nederige ziel is er niets méér verwonderlijks dan het vernemen haar eigen voortreffelijkheid. Verwondering echter maakt het sterkst de aandacht van onze geest gaande. En juist, wil de engel de aandacht van haar geest vestigen op het aanhooren van een zo verheven geheim, daarom begon hij met haar lof.
1e Weerlegging. Voor een nederige ziel is er niets méér verwonderlijks dan het vernemen haar eigen voortreffelijkheid. Verwondering echter maakt het sterkst de aandacht van onze geest gaande. En juist, wil de engel de aandacht van haar geest vestigen op het aanhooren van een zo verheven geheim, daarom begon hij met haar lof.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Ambrosius zegt uitdrukkelijk in het 2e boek van zijn Uiteenzetting op Lucas (1, 34), dat de H. Maagd niet twijfelde over de woorden van de engel. Want hij zegt: "Het antwoord van Maria was meer gematigd dan de woorden van de priester. Zij zei: "Hoe zal dit geschieden?" Maar hij gaf ten antwoord: "Waaraan zal ik dat weten?" Hij nu die zegt niet te weten, zegt ook niet te geloven. Maar wie vraagt, hoe dit kan geschieden, betwijfelt niet, dat het moet geschieden". Augustinus echter schijnt te houden, dat zij wel getwijfeld heeft. In zijn werk toch Vragen van het Oude en Nieuwe Testament (51e Vraag) schrijft hij: "Aan Maria, die haar ontvangen in twijfel trekt, verkondigt de engel de mogelijkheid". Maar zulk een twijfel is meer een uiting van verwondering dan van ongeloof. En derhalve voegt de engel het bewijs er aan toe, niet om enig ongeloof weg te nemen, doch om haar verwondering te doen ophouden.
B: (Lc. 1, 34) [b:Lc. 1, 34]
2e Weerlegging. Ambrosius zegt uitdrukkelijk in het 2e boek van zijn Uiteenzetting op Lucas (1, 34), dat de H. Maagd niet twijfelde over de woorden van de engel. Want hij zegt: "Het antwoord van Maria was meer gematigd dan de woorden van de priester. Zij zei: "Hoe zal dit geschieden?" Maar hij gaf ten antwoord: "Waaraan zal ik dat weten?" Hij nu die zegt niet te weten, zegt ook niet te geloven. Maar wie vraagt, hoe dit kan geschieden, betwijfelt niet, dat het moet geschieden". Augustinus echter schijnt te houden, dat zij wel getwijfeld heeft. In zijn werk toch Vragen van het Oude en Nieuwe Testament (51e Vraag) schrijft hij: "Aan Maria, die haar ontvangen in twijfel trekt, verkondigt de engel de mogelijkheid". Maar zulk een twijfel is meer een uiting van verwondering dan van ongeloof. En derhalve voegt de engel het bewijs er aan toe, niet om enig ongeloof weg te nemen, doch om haar verwondering te doen ophouden.
B: (Lc. 1, 34) [b:Lc. 1, 34]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 30 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Ambrosius in zijn werk Over de zes Scheppingsdagen zegt, "gingen juist daarom vele onvruchtbare vrouwen vooraf, opdat men zou geloven in het baren door de Maagd". Het ontvangen der onvruchtbare Elisabeth wordt dus niet aangehaald als een afdoend bewijs, maar als een voorafbeeldend teken. Ter bevestiging dus van dit voorafbeeldend teken wordt het geschraagd met een doorslaand bewijs uit Gods almacht.
3e Weerlegging. Zoals Ambrosius in zijn werk Over de zes Scheppingsdagen zegt, "gingen juist daarom vele onvruchtbare vrouwen vooraf, opdat men zou geloven in het baren door de Maagd". Het ontvangen der onvruchtbare Elisabeth wordt dus niet aangehaald als een afdoend bewijs, maar als een voorafbeeldend teken. Ter bevestiging dus van dit voorafbeeldend teken wordt het geschraagd met een doorslaand bewijs uit Gods almacht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Over de mensgeworden Zoon van God (31-59)
- Q 31: Over de stof, waaruit Christus’ Lichaam ontvangen werd
IIIa q. 31 pr.
Vervolgens moeten we spreken over de ontvangenis zelf des Zaligmakers.
En eerstens over de materie, waaruit zijn Lichaam ontvangen werd.
Ten tweede over de bewerker der ontvangenis.
Ten derde over de wijze en volgorde der ontvangenis.
Aangaande het eerste punt worden acht vragen gesteld:
1. Is Christus’ Lichaam ontleend aan Adam?
2. Is Christus’ Lichaam ontleend aan David?
3. Over de stamboom van Christus, die in de Evangelien wordt opgegeven.
4. Paste het, dat Christus geboren werd uit een vrouw?
5. Werd Christus’ Lichaam gevormd uit het zuiverste bloed der Maagd?
6. Was Christus’ Lichaam in de Voorvaderen aanwezig naar iets bepaald aanwijsbaars?
7. Was Christus’ Lichaam in de Voorvaderen besmet door de zonde?
8. Heeft Christus’ Lichaam in de lenden van Abraham de tienden betaald?
Vervolgens moeten we spreken over de ontvangenis zelf des Zaligmakers.
En eerstens over de materie, waaruit zijn Lichaam ontvangen werd.
Ten tweede over de bewerker der ontvangenis.
Ten derde over de wijze en volgorde der ontvangenis.
Aangaande het eerste punt worden acht vragen gesteld:
1. Is Christus’ Lichaam ontleend aan Adam?
2. Is Christus’ Lichaam ontleend aan David?
3. Over de stamboom van Christus, die in de Evangelien wordt opgegeven.
4. Paste het, dat Christus geboren werd uit een vrouw?
5. Werd Christus’ Lichaam gevormd uit het zuiverste bloed der Maagd?
6. Was Christus’ Lichaam in de Voorvaderen aanwezig naar iets bepaald aanwijsbaars?
7. Was Christus’ Lichaam in de Voorvaderen besmet door de zonde?
8. Heeft Christus’ Lichaam in de lenden van Abraham de tienden betaald?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is Christus’ Lichaam ontleend aan Adam?
IIIa q. 31 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus’ Lichaam niet aan Adam ontleend is. De Apostel toch schrijft in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 47): "De eerste mens was uit de aarde, aards; de tweede mens is uit de hemel, hemels". De eerste mens echter is Adam; de tweede mens is Christus. Derhalve is Christus niet uit Adam voortgesproten, maar heeft Hij een van hem onderscheiden oorsprong.
B: (1Cor 15:47) [b:1Cor 15:47]
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus’ Lichaam niet aan Adam ontleend is. De Apostel toch schrijft in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 47): "De eerste mens was uit de aarde, aards; de tweede mens is uit de hemel, hemels". De eerste mens echter is Adam; de tweede mens is Christus. Derhalve is Christus niet uit Adam voortgesproten, maar heeft Hij een van hem onderscheiden oorsprong.
B: (1Cor 15:47) [b:1Cor 15:47]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Christus' ontvangst moest zeer wondervol wezen. Welnu, het lichaam van de mens uit het slijk der aarde te vormen, is een groter wonder dan het te vormen uit menselijke materie, die uit Adam wordt afgeleid. Derhalve was het niet passend, naar het schijnt, dat Christus zijn lichaam heeft ontleend aan Adam. Bijgevolg moest Christus' Lichaam, zo beweert men, niet gevormd worden uit het deeg van het menselijk geslacht, hetwelk van Adam afstamt, maar uit enige andere stof.
Vervolgens. Christus' ontvangst moest zeer wondervol wezen. Welnu, het lichaam van de mens uit het slijk der aarde te vormen, is een groter wonder dan het te vormen uit menselijke materie, die uit Adam wordt afgeleid. Derhalve was het niet passend, naar het schijnt, dat Christus zijn lichaam heeft ontleend aan Adam. Bijgevolg moest Christus' Lichaam, zo beweert men, niet gevormd worden uit het deeg van het menselijk geslacht, hetwelk van Adam afstamt, maar uit enige andere stof.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 1 arg. 3
Vervolgens. "De zonde is door één mens in de wereld gekomen", nl. door Adam, omdat allen, die naar hun oorsprong in hem waren, zondigden, zoals blijkt uit de Brief aan de Romeinen (5, 12). Welnu, indien Christus’ Lichaam ontleend zou zijn aan Adam, dan zou ook Hij oorspronkelijk in Adam geweest zijn, toen deze zondigde. Bijgevolg zou Hij de erfzonde hebben opgelopen. Dit echter past geenszins aan Christus’ vlekkeloosheid. Derhalve is Christus’ Lichaam niet gevormd uit een aan Adam ontleende materie.
B: (Rom 5:12) [b:Rom 5:12]
Vervolgens. "De zonde is door één mens in de wereld gekomen", nl. door Adam, omdat allen, die naar hun oorsprong in hem waren, zondigden, zoals blijkt uit de Brief aan de Romeinen (5, 12). Welnu, indien Christus’ Lichaam ontleend zou zijn aan Adam, dan zou ook Hij oorspronkelijk in Adam geweest zijn, toen deze zondigde. Bijgevolg zou Hij de erfzonde hebben opgelopen. Dit echter past geenszins aan Christus’ vlekkeloosheid. Derhalve is Christus’ Lichaam niet gevormd uit een aan Adam ontleende materie.
B: (Rom 5:12) [b:Rom 5:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen de Apostel zegt in de Brief aan de Hebreeën (2, 16): "Niet engelen trok Hij (nl. de Zoon Gods) zich aan, maar Abrahams zaad trok Hij zich aan". Abrahams zaad is echter ontleend aan Adam. Bijgevolg is Christus’ Lichaam gevormd uit aan Adam ontleende materie.
B: (Heb 2:16) [b:Heb 2:16]
Daartegenover staat echter hetgeen de Apostel zegt in de Brief aan de Hebreeën (2, 16): "Niet engelen trok Hij (nl. de Zoon Gods) zich aan, maar Abrahams zaad trok Hij zich aan". Abrahams zaad is echter ontleend aan Adam. Bijgevolg is Christus’ Lichaam gevormd uit aan Adam ontleende materie.
B: (Heb 2:16) [b:Heb 2:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 1 co.
Mijn antwoord. Christus heeft de menselijke natuur aangenomen, om haar te zuiveren van haar bedorvenheid. De menselijke natuur echter behoefde niet gezuiverd te worden, dan voor zover zij besmet was door haar onterende oorsprong, waardoor zij van Adam afstamde. Derhalve was het betamelijk, dat Hij het vlees aannam uit een materie, die van Adam afstamde, om door deze aanneming de natuur zelf te genezen.
Mijn antwoord. Christus heeft de menselijke natuur aangenomen, om haar te zuiveren van haar bedorvenheid. De menselijke natuur echter behoefde niet gezuiverd te worden, dan voor zover zij besmet was door haar onterende oorsprong, waardoor zij van Adam afstamde. Derhalve was het betamelijk, dat Hij het vlees aannam uit een materie, die van Adam afstamde, om door deze aanneming de natuur zelf te genezen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Van de tweeden mens, d. i. Christus, heet het, dat Hij uit de hemel is, niet voor wat de materie aangaat, waaruit zijn Lichaam gevormd werd, maar ofwel voor wat de kracht betreft, die zijn Lichaam vormde, ofwel om reden van zijn Godheid. Naar de materie echter was Christus’ Lichaam aards, zoals ook het lichaam van Adam.
1e Weerlegging. Van de tweeden mens, d. i. Christus, heet het, dat Hij uit de hemel is, niet voor wat de materie aangaat, waaruit zijn Lichaam gevormd werd, maar ofwel voor wat de kracht betreft, die zijn Lichaam vormde, ofwel om reden van zijn Godheid. Naar de materie echter was Christus’ Lichaam aards, zoals ook het lichaam van Adam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zoals we boven (29° Kw., 1° Art., Antw. op de 2° B.) reeds zeiden, is het geheim van Christus’ menswording iets wondervols, niet in die zin, dat het moet dienen ter bevestiging der geloofsleer, maar als een geloofspunt. En derhalve wordt bij het geheim der menswording niet gevraagd, wat het grootste wonder is, zoals bij de wonderen, die dienen om het geloof te bevestigen; maar wat het meest overeenkomt met Gods wijsheid en wat het meest bevorderlijk is voor het heil der mensen; dit toch wordt gevraagd bij al wat geloofd wordt. Ofwel, men kan zeggen, dat bij het geheim der menswording het wonder niet alleen wordt afgemeten naar de materie, waaruit (het Lichaam) ontvangen werd, maar meer nog naar de wijze der ontvangenis en der geboorte dat, namelijk een maagd ontving en baarde.
R: q. 29 a. 1 ad 2[t:iiia q. 29 a. 1 ad 2]
2e Weerlegging. Zoals we boven (29° Kw., 1° Art., Antw. op de 2° B.) reeds zeiden, is het geheim van Christus’ menswording iets wondervols, niet in die zin, dat het moet dienen ter bevestiging der geloofsleer, maar als een geloofspunt. En derhalve wordt bij het geheim der menswording niet gevraagd, wat het grootste wonder is, zoals bij de wonderen, die dienen om het geloof te bevestigen; maar wat het meest overeenkomt met Gods wijsheid en wat het meest bevorderlijk is voor het heil der mensen; dit toch wordt gevraagd bij al wat geloofd wordt. Ofwel, men kan zeggen, dat bij het geheim der menswording het wonder niet alleen wordt afgemeten naar de materie, waaruit (het Lichaam) ontvangen werd, maar meer nog naar de wijze der ontvangenis en der geboorte dat, namelijk een maagd ontving en baarde.
R: q. 29 a. 1 ad 2[t:iiia q. 29 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Zoals we boven (15° Kw., 1° Art., Antw. op de 2° B.) reeds zeiden, was Christus’ Lichaam wel in Adam naar het lichamelijke dier zelfstandigheid, omdat namelijk juist deze lichamelijke materie van Christus’ Lichaam uit Adam is voortgekomen, maar deze materie was niet in Adam op grond van enig zaad, omdat het niet uit het zaad van de man ontvangen werd. Daarom ook liep Christus de erfzonde niet op, gelijk de anderen, die wel langs de weg van het mannelijk zaad van Adam afstammen.
R: q. 15 a. 1 ad 2[t:iiia q. 15 a. 1 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 7 co.[t:iiia q. 31 a. 7 co.]
3e Weerlegging. Zoals we boven (15° Kw., 1° Art., Antw. op de 2° B.) reeds zeiden, was Christus’ Lichaam wel in Adam naar het lichamelijke dier zelfstandigheid, omdat namelijk juist deze lichamelijke materie van Christus’ Lichaam uit Adam is voortgekomen, maar deze materie was niet in Adam op grond van enig zaad, omdat het niet uit het zaad van de man ontvangen werd. Daarom ook liep Christus de erfzonde niet op, gelijk de anderen, die wel langs de weg van het mannelijk zaad van Adam afstammen.
R: q. 15 a. 1 ad 2[t:iiia q. 15 a. 1 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 7 co.[t:iiia q. 31 a. 7 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Heeft Christus zijn Vlees ontleend aan het zaad van David?
IIIa q. 31 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus zijn Lichaam niet heeft ontleend aan het zaad van David. Want, waar Mattheus de geslachtsboom van Christus opstelt (1° H.), daar voert hij deze door tot op Joseph. Joseph echter was niet de vader van Christus, gelijk reeds werd aangetoond (28° Kw., 1° Art., Antw. op de 1° en 2° B.). Bijgevolg stamde Christus niet af van David.
R: q. 28 a. 1 ad 1[t:iiia q. 28 a. 1 ad 1] q. 28 a. 1 ad 2[t:iiia q. 28 a. 1 ad 2]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus zijn Lichaam niet heeft ontleend aan het zaad van David. Want, waar Mattheus de geslachtsboom van Christus opstelt (1° H.), daar voert hij deze door tot op Joseph. Joseph echter was niet de vader van Christus, gelijk reeds werd aangetoond (28° Kw., 1° Art., Antw. op de 1° en 2° B.). Bijgevolg stamde Christus niet af van David.
R: q. 28 a. 1 ad 1[t:iiia q. 28 a. 1 ad 1] q. 28 a. 1 ad 2[t:iiia q. 28 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Aaron was van de stam van Levi, zoals blijkt uit het Boek van de Uittocht (6, 16 v. v.). Maria echter, de Moeder van Christus, wordt een bloedverwante genoemd van Elisabeth, die een dochter van Aaron was, zoals blijkt uit Lucas (1, 5, 36). Bijgevolg, daar David uit de stam van Juda was, blijkens Matteus (1, 3 v. v.), is Christus, naar het schijnt, niet voortgesproten uit het zaad van David.
B: (Exod 6) [b:Exod 6] (Matt 1) [b:Matt 1] (Luke 1:5) [b:Luke 1:5] (Luke 1:36) [b:Luke 1:36]
Vervolgens. Aaron was van de stam van Levi, zoals blijkt uit het Boek van de Uittocht (6, 16 v. v.). Maria echter, de Moeder van Christus, wordt een bloedverwante genoemd van Elisabeth, die een dochter van Aaron was, zoals blijkt uit Lucas (1, 5, 36). Bijgevolg, daar David uit de stam van Juda was, blijkens Matteus (1, 3 v. v.), is Christus, naar het schijnt, niet voortgesproten uit het zaad van David.
B: (Exod 6) [b:Exod 6] (Matt 1) [b:Matt 1] (Luke 1:5) [b:Luke 1:5] (Luke 1:36) [b:Luke 1:36]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 2 arg. 3
Vervolgens. In Jeremias (22, 30) wordt aangaande Jechonias gezegd: "Schrijf die man op voor kinderloos... want uit zijn zaad zal geen man zijn, die zetelt op de troon van David". Maar van Christus wordt in Isaias (9, 7) gezegd: "Op Davids troon zal Hij zetelen". Derhalve was Christus niet uit het zaad van Jechonias. En bijgevolg ook niet uit het geslacht van David, daar Mattheus de stamboom vanaf David over Jechonias laat gaan.
B: (Isa 9:7) [b:Isa 9:7] (Jer 22:30) [b:Jer 22:30]
Vervolgens. In Jeremias (22, 30) wordt aangaande Jechonias gezegd: "Schrijf die man op voor kinderloos... want uit zijn zaad zal geen man zijn, die zetelt op de troon van David". Maar van Christus wordt in Isaias (9, 7) gezegd: "Op Davids troon zal Hij zetelen". Derhalve was Christus niet uit het zaad van Jechonias. En bijgevolg ook niet uit het geslacht van David, daar Mattheus de stamboom vanaf David over Jechonias laat gaan.
B: (Isa 9:7) [b:Isa 9:7] (Jer 22:30) [b:Jer 22:30]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in de Brief aan de Romeinen (1, 3): "Die naar het vlees uit Davids zaad gesproten is".
B: (Rom 1:3) [b:Rom 1:3]
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in de Brief aan de Romeinen (1, 3): "Die naar het vlees uit Davids zaad gesproten is".
B: (Rom 1:3) [b:Rom 1:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 2 co.
Mijn antwoord. Van Christus heet het, dat Hij de zoon van twee voorvaderen in het bijzonder was, nl. van Abraham en van David. De reden hiervan is veelvoudig. 1° nl., daar bijzonderlijk aan hen de belofte betreffende de Christus werd gedaan. Aan Abraham toch werd gezegd (Boek der Schepping, 22, 18): "Gezegend zullen worden in uw zaad alle volkeren der aarde", hetgeen de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 16) op Christus laat slaan met de woorden: "De beloften zijn gedaan aan Abraham en zijn zaad; er wordt niet gezegd: "aan zijn zaden", alsof er spraak was van meerderen, maar: "aan uw zaad", als van één, en dit is Christus". Tot David echter werd gezegd (Psalm, 131, 11): "Van de vrucht uws lichaams zal ik plaatsen op uw troon". Vandaar ook, dat de Joodse volkeren, die Hem luisterrijk als koning inhaalden, zeiden: "Hosanna de zoon van David" (Mattheus, 21, 9). Een tweede reden is, dat Christus koning, priester en profeet zou zijn. Abraham nu was priester, zoals hieruit blijkt, dat de Heer volgens het Boek der Schepping (15, 9) tot hem sprak: "Neem u een driejarige koe...", enz. Tevens was hij profeet, naar hetgeen gezegd wordt in het Boek der Schepping (20, 7): "Hij is een profeet en zal voor u bidden". David echter was koning en profeet. Een derde reden is, dat volgens het Boek der Schepping (17, 10 v. v.) in Abraham het eerst met de besnijdenis werd begonnen, terwijl in David zich het meest Gods uitverkiezing openbaarde blijkens de woorden in het 1e Boek der Koningen (13, 14): "De Heer zocht zich een man naar zijn hart". Daarom heet Christus in heel bijzonderen zin hun beider zoon, om aan te tonen, dat Hij kwam tot heil der besnedenen en tot uitverkiezing der heidenen.
B: (Gen 22:18) [b:Gen 22:18] (1 Kon. 13, 14) [b:1 Kon. 13, 14] (Ps 131, Ps 131:11) [b:Ps 131] (Matt 1:1) [b:Matt 1:1] (Matt 21:9) [b:Matt 21:9] (Gal 3:16) [b:Gal 3:16]
Mijn antwoord. Van Christus heet het, dat Hij de zoon van twee voorvaderen in het bijzonder was, nl. van Abraham en van David. De reden hiervan is veelvoudig. 1° nl., daar bijzonderlijk aan hen de belofte betreffende de Christus werd gedaan. Aan Abraham toch werd gezegd (Boek der Schepping, 22, 18): "Gezegend zullen worden in uw zaad alle volkeren der aarde", hetgeen de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 16) op Christus laat slaan met de woorden: "De beloften zijn gedaan aan Abraham en zijn zaad; er wordt niet gezegd: "aan zijn zaden", alsof er spraak was van meerderen, maar: "aan uw zaad", als van één, en dit is Christus". Tot David echter werd gezegd (Psalm, 131, 11): "Van de vrucht uws lichaams zal ik plaatsen op uw troon". Vandaar ook, dat de Joodse volkeren, die Hem luisterrijk als koning inhaalden, zeiden: "Hosanna de zoon van David" (Mattheus, 21, 9). Een tweede reden is, dat Christus koning, priester en profeet zou zijn. Abraham nu was priester, zoals hieruit blijkt, dat de Heer volgens het Boek der Schepping (15, 9) tot hem sprak: "Neem u een driejarige koe...", enz. Tevens was hij profeet, naar hetgeen gezegd wordt in het Boek der Schepping (20, 7): "Hij is een profeet en zal voor u bidden". David echter was koning en profeet. Een derde reden is, dat volgens het Boek der Schepping (17, 10 v. v.) in Abraham het eerst met de besnijdenis werd begonnen, terwijl in David zich het meest Gods uitverkiezing openbaarde blijkens de woorden in het 1e Boek der Koningen (13, 14): "De Heer zocht zich een man naar zijn hart". Daarom heet Christus in heel bijzonderen zin hun beider zoon, om aan te tonen, dat Hij kwam tot heil der besnedenen en tot uitverkiezing der heidenen.
B: (Gen 22:18) [b:Gen 22:18] (1 Kon. 13, 14) [b:1 Kon. 13, 14] (Ps 131, Ps 131:11) [b:Ps 131] (Matt 1:1) [b:Matt 1:1] (Matt 21:9) [b:Matt 21:9] (Gal 3:16) [b:Gal 3:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Deze moeilijkheid is afkomstig van de manichaeër Faustus, die wilde bewijzen, dat Christus niet de zoon van David was, daar Hij niet ontvangen is uit Joseph, tot op wie Mattheus de stamboom doorvoert. Hierop antwoord Augustinus in het 23e boek van zijn werk Tegen Faustus: "Daar eenzelfde Evangelist verhaalt, dat Joseph de man was van Maria, en dat de Moeder van Christus een maagd was, en dat Christus is gesproten uit Davids zaad, wat blijft er dan over, tenzij aan te nemen, dat Maria niet buiten de afstamming van David stond, en dat zij niet zonder reden de echtgenoote van Joseph genoemd werd, namelijk om de verbintenis hunner zielen, hoewel hij geen vleselijke omgang met haar had, en dat de geslachtslijst vooral om diens mannelijke waardigheid, tot op Joseph wordt doorgetrokken? Zo derhalve geloven we, dat ook Maria in bloedverwantschap met David stond: omdat wij geloven aan de H. Schrift, die beide leert, én dat Christus naar het vlees is gesproten uit het zaad van David, én dat Maria zijn moeder werd, niet door omgang te hebben met een man, doch als maagd". Want gelijk Hieronymus in het 1e boek van zijn Verklaring op Mattheus (op 1, 18) zegt, "waren Joseph en Maria uit één stam: vandaar ook, dat hij volgens de wet verplicht was haar, als zijnde zijn bloedverwante, tot vrouw te nemen. Daarom ook moeten beiden, als uit één stam voortgekomen, naar Bethlehem voor de volkstelling".
B: (Mt. 1, 18) [b:Mt. 1, 18]
1e Weerlegging. Deze moeilijkheid is afkomstig van de manichaeër Faustus, die wilde bewijzen, dat Christus niet de zoon van David was, daar Hij niet ontvangen is uit Joseph, tot op wie Mattheus de stamboom doorvoert. Hierop antwoord Augustinus in het 23e boek van zijn werk Tegen Faustus: "Daar eenzelfde Evangelist verhaalt, dat Joseph de man was van Maria, en dat de Moeder van Christus een maagd was, en dat Christus is gesproten uit Davids zaad, wat blijft er dan over, tenzij aan te nemen, dat Maria niet buiten de afstamming van David stond, en dat zij niet zonder reden de echtgenoote van Joseph genoemd werd, namelijk om de verbintenis hunner zielen, hoewel hij geen vleselijke omgang met haar had, en dat de geslachtslijst vooral om diens mannelijke waardigheid, tot op Joseph wordt doorgetrokken? Zo derhalve geloven we, dat ook Maria in bloedverwantschap met David stond: omdat wij geloven aan de H. Schrift, die beide leert, én dat Christus naar het vlees is gesproten uit het zaad van David, én dat Maria zijn moeder werd, niet door omgang te hebben met een man, doch als maagd". Want gelijk Hieronymus in het 1e boek van zijn Verklaring op Mattheus (op 1, 18) zegt, "waren Joseph en Maria uit één stam: vandaar ook, dat hij volgens de wet verplicht was haar, als zijnde zijn bloedverwante, tot vrouw te nemen. Daarom ook moeten beiden, als uit één stam voortgekomen, naar Bethlehem voor de volkstelling".
B: (Mt. 1, 18) [b:Mt. 1, 18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Op deze moeilijkheid antwoordt Gregorius van Nazianze met te zeggen, dat het op hoger bestel gebeurde, dat het koninklijk geslacht zich met de priesterstam verbond, opdat Christus, die koning en priester tevens was, door beiden zou geboren worden naar het vlees. Vandaar, dat Aaron, die de eerste priester was volgens de wet, een echtgenoote nam uit de stam van Juda, Elisabeth, de dochter van Aminadab (vgl. het Boek van de Uittocht, 6, 23; het Boek der Getallen, 1, 7). Evenzo kon het dus gebeuren, dat de vader van Elisabeth een vrouw gehuwd heeft van het geslacht van David, waardoor de H. Maagd, die van Davids stam was, een bloedverwante was van Elisabeth. Of beter nog, omgekeerd, dat de vader der H. Maagd, die van Davids geslacht was, een echtgenoote genomen had uit de stam van Aaron. Of, zoals Augustinus zegt in het 23° boek van zijn werk Tegen Faustus (9° H.), indien Joachim, de vader van Maria, van de stam van Aaron was, (gelijk de ketter Faustus op grond van sommige apocryphe geschriften beweerde), dan moeten we aannemen, dat de moeder van Joachim, of anders zijn vrouw van Davids geslacht was, zodat we op enige manier kunnen zeggen, dat Maria onder Davids nakomelingschap behoorde.
2e Weerlegging. Op deze moeilijkheid antwoordt Gregorius van Nazianze met te zeggen, dat het op hoger bestel gebeurde, dat het koninklijk geslacht zich met de priesterstam verbond, opdat Christus, die koning en priester tevens was, door beiden zou geboren worden naar het vlees. Vandaar, dat Aaron, die de eerste priester was volgens de wet, een echtgenoote nam uit de stam van Juda, Elisabeth, de dochter van Aminadab (vgl. het Boek van de Uittocht, 6, 23; het Boek der Getallen, 1, 7). Evenzo kon het dus gebeuren, dat de vader van Elisabeth een vrouw gehuwd heeft van het geslacht van David, waardoor de H. Maagd, die van Davids stam was, een bloedverwante was van Elisabeth. Of beter nog, omgekeerd, dat de vader der H. Maagd, die van Davids geslacht was, een echtgenoote genomen had uit de stam van Aaron. Of, zoals Augustinus zegt in het 23° boek van zijn werk Tegen Faustus (9° H.), indien Joachim, de vader van Maria, van de stam van Aaron was, (gelijk de ketter Faustus op grond van sommige apocryphe geschriften beweerde), dan moeten we aannemen, dat de moeder van Joachim, of anders zijn vrouw van Davids geslacht was, zodat we op enige manier kunnen zeggen, dat Maria onder Davids nakomelingschap behoorde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Ambrosius in het 3e boek van zijn Uiteenzetting op Lucas (op 3, 25 v.v.) leert, wordt met deze profetische uitspraak niet ontkend, dat er uit Jechonias’ zaad nakomelingen geboren zullen worden. En zo is Christus uit diens zaad voortgekomen. En dat Christus koning was, is evenmin in strijd met deze voorspelling: want Hij heerste niet krachtens werelds waardigheid; zelf toch sprak Hij: "Mijn Rijk is niet van deze wereld".
B: (Lc. 3, 25) [b:Lc. 3, 25]
3e Weerlegging. Zoals Ambrosius in het 3e boek van zijn Uiteenzetting op Lucas (op 3, 25 v.v.) leert, wordt met deze profetische uitspraak niet ontkend, dat er uit Jechonias’ zaad nakomelingen geboren zullen worden. En zo is Christus uit diens zaad voortgekomen. En dat Christus koning was, is evenmin in strijd met deze voorspelling: want Hij heerste niet krachtens werelds waardigheid; zelf toch sprak Hij: "Mijn Rijk is niet van deze wereld".
B: (Lc. 3, 25) [b:Lc. 3, 25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is Christus’ stamboom wel behoorlijk door de Evangelisten opgesteld?
IIIa q. 31 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus’ stamboom niet behoorlijk door de Evangelisten (Mattheus, 1; Lucas, 3, 23 v. v.) is opgesteld. In Isaïas (53, 8) toch wordt aangaande Christus gezegd: "Zijn afkomst, wie zal ze verhalen?" Derhalve moest Christus’ afkomst niet worden verhaald.
B: (Isa 53:8) [b:Isa 53:8]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus’ stamboom niet behoorlijk door de Evangelisten (Mattheus, 1; Lucas, 3, 23 v. v.) is opgesteld. In Isaïas (53, 8) toch wordt aangaande Christus gezegd: "Zijn afkomst, wie zal ze verhalen?" Derhalve moest Christus’ afkomst niet worden verhaald.
B: (Isa 53:8) [b:Isa 53:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Een mens kan onmogelijk twee vaders hebben. Welnu, Mattheus (1, 16) zegt: "Jacob won Joseph, de man van Maria". Lucas (3, 23) echter leert, dat Joseph de zoon van Heli was. Bijgevolg leren zij iets, dat met elkaar in strijd is.
Vervolgens. Een mens kan onmogelijk twee vaders hebben. Welnu, Mattheus (1, 16) zegt: "Jacob won Joseph, de man van Maria". Lucas (3, 23) echter leert, dat Joseph de zoon van Heli was. Bijgevolg leren zij iets, dat met elkaar in strijd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Naar men beweert, verschillen de Evangelisten van elkaar. Want Mattheus noemt in de aanvang van zijn Evangelie twee en veertig geslachten op, terwijl hij begint met Abraham en tot op Joseph afdaalt. Lucas echter plaatst Christus’ stamboom na de Doop van Christus, en beginnend bij Christus, en het aantal geslachten tot op God terugvoerend, geeft hij zeven en zeventig geslachten op, begin- en eindterm medegerekend. Bijgevolg, beschrijven zij Christus’ afkomst, naar men beweert, niet zoals het behoort.
Vervolgens. Naar men beweert, verschillen de Evangelisten van elkaar. Want Mattheus noemt in de aanvang van zijn Evangelie twee en veertig geslachten op, terwijl hij begint met Abraham en tot op Joseph afdaalt. Lucas echter plaatst Christus’ stamboom na de Doop van Christus, en beginnend bij Christus, en het aantal geslachten tot op God terugvoerend, geeft hij zeven en zeventig geslachten op, begin- en eindterm medegerekend. Bijgevolg, beschrijven zij Christus’ afkomst, naar men beweert, niet zoals het behoort.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 3 arg. 4
Vervolgens. In het 4e Boek der Koningen (8, 24) lezen we, dat Joram Ochozias won; deze werd opgevolgd door zijn zoon Joas; op hem volgde zijn zoon Amasias en daarna regeerde diens zoon Azarias, die genoemd wordt Ozias; op deze volgde zijn zoon Joathan. Mattheus (1, 8) echter zegt: "Joram won Ozias". Bijgevolg schijnt hij Christus’ afkomst niet te hebben beschreven zoals het behoort, daar hij middenin drie koningen overslaat.
B: (2 Kon. 8, 24) [b:2 Kon. 8, 24]
Vervolgens. In het 4e Boek der Koningen (8, 24) lezen we, dat Joram Ochozias won; deze werd opgevolgd door zijn zoon Joas; op hem volgde zijn zoon Amasias en daarna regeerde diens zoon Azarias, die genoemd wordt Ozias; op deze volgde zijn zoon Joathan. Mattheus (1, 8) echter zegt: "Joram won Ozias". Bijgevolg schijnt hij Christus’ afkomst niet te hebben beschreven zoals het behoort, daar hij middenin drie koningen overslaat.
B: (2 Kon. 8, 24) [b:2 Kon. 8, 24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 3 arg. 5
Vervolgens. Allen, die in Christus’ geslachtslijst staan opgetekend, hadden vaders en moeders; en de meesten hunner hadden ook broers. Mattheus echter noemt in Christus’ geslachtslijst slechts drie moeders op, namelijk Thamar, Ruth en de vrouw van Urias; broeders echter geeft hij aan van Juda en Jechonias, alsmede Phares en Zara. Lucas echter maakt van dezen geen melding. Derhalve hebben de evangelisten, naar men beweert, Christus’ geslachtslijst niet opgetekend, zoals het behoort.
Vervolgens. Allen, die in Christus’ geslachtslijst staan opgetekend, hadden vaders en moeders; en de meesten hunner hadden ook broers. Mattheus echter noemt in Christus’ geslachtslijst slechts drie moeders op, namelijk Thamar, Ruth en de vrouw van Urias; broeders echter geeft hij aan van Juda en Jechonias, alsmede Phares en Zara. Lucas echter maakt van dezen geen melding. Derhalve hebben de evangelisten, naar men beweert, Christus’ geslachtslijst niet opgetekend, zoals het behoort.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter het gezag der H. Schrift.
Daartegenover staat echter het gezag der H. Schrift.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals in de Tweede Brief aan Timotheüs (3, 16) geschreven staat, "is de gehele H. Schrift door God ingegeven". Wat echter door God gedaan wordt, wordt ten ordelijkste gedaan, blijkens de Brief aan de Romeinen (13, 1): "Wat van God komt, is geordend". Derhalve is Christus’ stamboom in passende volgorde door de Evangelisten beschreven.
B: (Rom 13:1) [b:Rom 13:1] (2Tim 3:16) [b:2Tim 3:16]
Mijn antwoord. Zoals in de Tweede Brief aan Timotheüs (3, 16) geschreven staat, "is de gehele H. Schrift door God ingegeven". Wat echter door God gedaan wordt, wordt ten ordelijkste gedaan, blijkens de Brief aan de Romeinen (13, 1): "Wat van God komt, is geordend". Derhalve is Christus’ stamboom in passende volgorde door de Evangelisten beschreven.
B: (Rom 13:1) [b:Rom 13:1] (2Tim 3:16) [b:2Tim 3:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Zoals Hieronymus in het 1e Boek van zijn Verklaring op Mattheus zegt, spreekt Isaias daar over de afkomst van Christus’ Godheid. Mattheus echter verhaalt Christus’ afkomst naar zijn mensheid, wel niet in die zin, dat hij de wijze zijner menswording uiteenzet, want daar vermag bovendien niemand iets over te zeggen; doch hij noemt de voorvaderen op, uit wie Christus naar het vlees is voortgekomen.
B: (Matt 1) [b:Matt 1]
1e Weerlegging. Zoals Hieronymus in het 1e Boek van zijn Verklaring op Mattheus zegt, spreekt Isaias daar over de afkomst van Christus’ Godheid. Mattheus echter verhaalt Christus’ afkomst naar zijn mensheid, wel niet in die zin, dat hij de wijze zijner menswording uiteenzet, want daar vermag bovendien niemand iets over te zeggen; doch hij noemt de voorvaderen op, uit wie Christus naar het vlees is voortgekomen.
B: (Matt 1) [b:Matt 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Deze moeilijkheid, die door Juliaan de Afvallige werd opgeworpen, wordt door verschillenden verschillend beantwoord. Sommigen toch, gelijk Gregorius van Nazianze mededeelt, zeggen, dat beide Evangelisten over dezelfde persoon spreken, maar onder andere namen, alsof die persoon twee namen had. — Doch deze oplossing houdt geen stand, want Mattheus noemt een der zonen van David, namelijk Salomon; Lucas echter noemt een andere zoon, namelijk Nathan, terwijl het volgens de geschiedenis in het 2e Boek der Koningen (2, 5) duidelijk is, dat zij broeders waren.
Daarom leerden anderen, dat Mattheus de ware geslachtslijst opgeeft, Lucas echter de vermeende, vandaar, dat hij begint met: "naar men meende, de zoon van Joseph". Onder de Joden toch waren er die meenden, dat Christus wegens de zonden der koningen van Juda, niet door de koningen uit David zou worden geboren, maar langs die andere tak, namelijk van privaat-burgers.
Weer anderen echter zeiden, dat Mattheus de voorvaders naar het vlees opnoemt, Lucas daarentegen de voorvaders naar de geest, namelijk de rechtvaardige mannen, die om wille van hun overeenkomstig hoogstaand zedelijk leven, voorvaderen heten.
In het boek Over de Vragen van het Oude en Nieuwe Verbond echter wordt geantwoord, dat men het niet moet verstaan, alsof Lucas zegt, dat Joseph de zoon van Heli was, maar dat Heli en Joseph ten tijde van Christus nakomelingen van David waren, die langs verschillende lijnen van hem afstamden. Daarom dan wordt van Christus getuigd, dat Hij, naar men meende de zoon van Joseph was, en dat ook Christus zelf de zoon was van Heli; als wilde hij zeggen, dat Christus om dezelfde reden als Hij zoon van Joseph heet, ook de zoon van Heli kan genoemd worden en zelfs zoon van al diegenen, die uit Davids stam waren voortgesproten. gelijk ook de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (9, 5) zegt: "van hen — namelijk van de Joden — stamt Christus af naar het vlees".
Augustinus echter geeft in zijn werk Over de Vraagstukken van het Evangelie een drievoudige oplossing, waar hij zegt: "Er staan drie mogelijkheden open; slechts een dezer heeft de Evangelist gevolgd. Want ófwel de ene Evangelist heeft de vader van Joseph genoemd, door wien hij werd voortgebracht, terwijl de andere de grootvader van moederszijde aangeeft of iemand van de meer oudere verwanten. — Ofwel de een was Joseph's natuurlijke vader terwijl de ander hem als zoon had aangenomen. — Ofwel, zoals bij de Joden gebruikelijk was, wanneer iemand kinderloos stierf, dan nam een bloedverwant diens echtgenoot tot vrouw, en de zoon, die hij won, benoemde hij naar de overleden bloedverwant"; hetgeen tevens een soort wettelijke aanneming is, zoals Augustinus zelf zegt in het 2e boek van zijn Overeenstemming der Evangelien.
Deze laatste oplossing is de meest juiste; zij wordt ook gegeven door Hieronymus in het eerste boek van zijn Verklaring op het Mattheus-Evangelie, en Eusebius van Caesarea beweert in het eerste Boek van zijn Kerkelijke Geschiedenis, dat zij door een Afrikaanse geschiedschrijver is overgeleverd. Zij toch houden, dat Mathan en Melchi achtereenvolgens zonen wonnen uit een en dezelfde echtgenote, met name Estha. Mathan namelijk, die door Salomon van David afstamt, had haar het eerst tot echtgenote genomen, en was toen gestorven met achterlating van één zoon, Jacob genaamd. Na diens dood — de wet verbiedt toch niet dat een weduwe met een andere man trouwt — nam Melchi (die tot Nathans geslacht behoort), daar hij wel van dezelfde stam was, maar niet van hetzelfde geslacht, de achtergebleven weduwe van Mathan tot zijn echtgenote, en ook hij ontving een zoon uit haar, met name Heli. En zodoende, hoewel hun vaders van verschillend geslacht waren, waren Jacob en Heli toch halve broers van elkaar. Een hunner nu, namelijk Jacob, nam overeenkomstig het voorschrift der wet, de echtgenote van zijn broeder Heli, die kinderloos gestorven was, tot vrouw en won uit haar Joseph, die wel van nature en van geslacht zijn eigen zoon was, maar volgens het voorschrift der wet: de zoon van Heli. En daarom zegt Mattheus: "Jacob won Joseph", maar, wijl Lucas de wettelijke afstamming geeft, zegt hij van geen enkele, dat hij iemand won.
En hoewel Damascenus zegt, dat de H. Maagd Maria aan Joseph toekwam krachtens die oorsprong, waarom Heli zijn vader wordt genoemd, (daar hij zegt, dat zij uit Melchi is voortgesproten), toch moet men aannemen, dat zij tevens op een of andere wijze van Salomon afstamde door die voorvaders, welke Mattheus opnoemt — van Mattheus toch zegt men, dat hij de geboorte van Christus naar het vlees verhaalt, — vooral, omdat Ambrosius leert, dat Christus uit het zaad van Jechonias is voortgekomen.
B: (2Kgs 5:14) [b:2Kgs 5:14] (Mt. 1, 16) [b:Mt. 1, 16] (Rom. 9, 5) [b:Rom. 9, 5]
2e Weerlegging. Deze moeilijkheid, die door Juliaan de Afvallige werd opgeworpen, wordt door verschillenden verschillend beantwoord. Sommigen toch, gelijk Gregorius van Nazianze mededeelt, zeggen, dat beide Evangelisten over dezelfde persoon spreken, maar onder andere namen, alsof die persoon twee namen had. — Doch deze oplossing houdt geen stand, want Mattheus noemt een der zonen van David, namelijk Salomon; Lucas echter noemt een andere zoon, namelijk Nathan, terwijl het volgens de geschiedenis in het 2e Boek der Koningen (2, 5) duidelijk is, dat zij broeders waren.
Daarom leerden anderen, dat Mattheus de ware geslachtslijst opgeeft, Lucas echter de vermeende, vandaar, dat hij begint met: "naar men meende, de zoon van Joseph". Onder de Joden toch waren er die meenden, dat Christus wegens de zonden der koningen van Juda, niet door de koningen uit David zou worden geboren, maar langs die andere tak, namelijk van privaat-burgers.
Weer anderen echter zeiden, dat Mattheus de voorvaders naar het vlees opnoemt, Lucas daarentegen de voorvaders naar de geest, namelijk de rechtvaardige mannen, die om wille van hun overeenkomstig hoogstaand zedelijk leven, voorvaderen heten.
In het boek Over de Vragen van het Oude en Nieuwe Verbond echter wordt geantwoord, dat men het niet moet verstaan, alsof Lucas zegt, dat Joseph de zoon van Heli was, maar dat Heli en Joseph ten tijde van Christus nakomelingen van David waren, die langs verschillende lijnen van hem afstamden. Daarom dan wordt van Christus getuigd, dat Hij, naar men meende de zoon van Joseph was, en dat ook Christus zelf de zoon was van Heli; als wilde hij zeggen, dat Christus om dezelfde reden als Hij zoon van Joseph heet, ook de zoon van Heli kan genoemd worden en zelfs zoon van al diegenen, die uit Davids stam waren voortgesproten. gelijk ook de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (9, 5) zegt: "van hen — namelijk van de Joden — stamt Christus af naar het vlees".
Augustinus echter geeft in zijn werk Over de Vraagstukken van het Evangelie een drievoudige oplossing, waar hij zegt: "Er staan drie mogelijkheden open; slechts een dezer heeft de Evangelist gevolgd. Want ófwel de ene Evangelist heeft de vader van Joseph genoemd, door wien hij werd voortgebracht, terwijl de andere de grootvader van moederszijde aangeeft of iemand van de meer oudere verwanten. — Ofwel de een was Joseph's natuurlijke vader terwijl de ander hem als zoon had aangenomen. — Ofwel, zoals bij de Joden gebruikelijk was, wanneer iemand kinderloos stierf, dan nam een bloedverwant diens echtgenoot tot vrouw, en de zoon, die hij won, benoemde hij naar de overleden bloedverwant"; hetgeen tevens een soort wettelijke aanneming is, zoals Augustinus zelf zegt in het 2e boek van zijn Overeenstemming der Evangelien.
Deze laatste oplossing is de meest juiste; zij wordt ook gegeven door Hieronymus in het eerste boek van zijn Verklaring op het Mattheus-Evangelie, en Eusebius van Caesarea beweert in het eerste Boek van zijn Kerkelijke Geschiedenis, dat zij door een Afrikaanse geschiedschrijver is overgeleverd. Zij toch houden, dat Mathan en Melchi achtereenvolgens zonen wonnen uit een en dezelfde echtgenote, met name Estha. Mathan namelijk, die door Salomon van David afstamt, had haar het eerst tot echtgenote genomen, en was toen gestorven met achterlating van één zoon, Jacob genaamd. Na diens dood — de wet verbiedt toch niet dat een weduwe met een andere man trouwt — nam Melchi (die tot Nathans geslacht behoort), daar hij wel van dezelfde stam was, maar niet van hetzelfde geslacht, de achtergebleven weduwe van Mathan tot zijn echtgenote, en ook hij ontving een zoon uit haar, met name Heli. En zodoende, hoewel hun vaders van verschillend geslacht waren, waren Jacob en Heli toch halve broers van elkaar. Een hunner nu, namelijk Jacob, nam overeenkomstig het voorschrift der wet, de echtgenote van zijn broeder Heli, die kinderloos gestorven was, tot vrouw en won uit haar Joseph, die wel van nature en van geslacht zijn eigen zoon was, maar volgens het voorschrift der wet: de zoon van Heli. En daarom zegt Mattheus: "Jacob won Joseph", maar, wijl Lucas de wettelijke afstamming geeft, zegt hij van geen enkele, dat hij iemand won.
En hoewel Damascenus zegt, dat de H. Maagd Maria aan Joseph toekwam krachtens die oorsprong, waarom Heli zijn vader wordt genoemd, (daar hij zegt, dat zij uit Melchi is voortgesproten), toch moet men aannemen, dat zij tevens op een of andere wijze van Salomon afstamde door die voorvaders, welke Mattheus opnoemt — van Mattheus toch zegt men, dat hij de geboorte van Christus naar het vlees verhaalt, — vooral, omdat Ambrosius leert, dat Christus uit het zaad van Jechonias is voortgekomen.
B: (2Kgs 5:14) [b:2Kgs 5:14] (Mt. 1, 16) [b:Mt. 1, 16] (Rom. 9, 5) [b:Rom. 9, 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Augustinus in het 2e boek van zijn Overeenstemming der Evangelien leert, "had Mattheus zich voorgesteld de koninklijke rang in Christus te doen uitkomen, Lucas echter de priesterlijke waardigheid. Zoodoende wordt in Mattheus' geslachtslijst het op zich nemen onzer zonden door onze Heer Jezus Christus te kennen gegeven", in zover Hij nl. door Zijn oorsprong naar het lichaam "de gelijkheid van het vlees der zonde" (Rom. 8, 3) heeft aangenomen. "In de geslachtslijst van Lucas echter wordt het wegnemen onzer zonden aangeduid"; dit nu geschiedt door het Offer van Christus. "Daarom geeft Mattheus de stamboom in afdalende, Lucas echter in opgaande lijn". — Vandaar ook, dat "Mattheus van David afdaalt over Salomon, in wiens moeder David zondigde, terwijl Lucas daarentegen naar David opstijgt over Nathan, omdat God door de profeet van dienzelfden naam hem zijn zonde vergaf". — Vandaar tevens, dat "Mattheus, wijl hij Christus wilde doen uitkomen als afdalend tot onze sterfelijkheid, de geslachten vanaf Abraham tot op Joseph en tot op de geboorte van Christus zelf in afdalende lijn geeft, en reeds in het begin van zijn Evangelie. Lucas echter verhaalt Christus' stamboom niet in het begin, maar eerst bij diens Doop; en ook niet in afdalende, maar in opklimmende lijn, daar hij Hem wil doen uitkomen als de priester in het vergeven der zonden bij welke Doop Joannes het getuigenis aflegde, zeggend: "Ziehier Degene, die de zonde der wereld wegneemt". Opstijgend echter gaat hij tot voorbij Abraham en klimt op tot God, met Wien wij, na gezuiverd en gereinigd te zijn, worden verzoend. — Terecht ook behandelde Lucas de oorsprong der aanneming, omdat wij door aanneming kinderen Gods worden, terwijl Gods Zoon door zijn geboorte naar het vlees de zoon werd des mensen. En hij gaf voldoende aan, dat hij niet daarom gezegd heeft, dat Joseph de zoon was van Heli, omdat hij door hem is geteeld, maar omdat hij door hem werd aangenomen, daar hij ook Adam zelf zoon van God noemde: omdat hij door God is gemaakt".
Wat vervolgens het verschil in de getallen betreft, ook het getal veertig heeft betrekking op de tijd van ons tegenwoordig leven, en wel om de vier windstreken, waarin wij onder het bestuur van Christus ons sterfelijk leven leiden. Veertig nu is viermaal tien: en deze tientallen worden tot volmaaktheid gebracht door het van één tot vier voortschrijdende getal. Eveneens kan het getal tien betrekking hebben op de tien geboden Gods, en het getal vier op het tegenwoordig leven, of ook wel op de vier Evangelien, voor zover Christus in ons heerst. En daarom dus geeft "Mattheus, die de nadruk legt op Christus' koninklijken rang, veertig personen aan, behalve dan Hem zelf". — Deze opvatting is juist, indien, zoals Augustinus aanneemt, Jechonias, die op het einde van het tweede veertien-tal genoemd wordt, dezelfde is als die in het begin van het derde veertien-tal staat. En dit, zegt hij, zou geschied zijn, om aan te duiden, "dat er onder Jechonias een uitwijking naar de vreemde volkeren plaats vond, toen men naar Babylon werd overgevoerd, hetgeen tevens de Christus voorafbeeldde, die zich van de besnijdenis tot de onbesnedenen zou begeven".
Hieronymus echter schrijft in het 1e boek van zijn Verklaring op Mattheus, dat er twee Joachims waren, d. w. z. dat er twee personen waren, die Jechonias heetten, nl. vader en zoon. En beiden worden zij in Christus' stamboom opgenoemd, om het onderscheid te doen uitkomen tusschen de verschillende geslachten, welke door de Evangelist in drie veertien-tallen worden ingedeeld. Zodoende komt men tot twee en veertig personen. En ook dit getal komt overeen met de H. Kerk. Want dit getal ontstaat uit zes (hetgeen de wederwaardigheden van het tegenwoordig leven aanduidt) en uit zeven (hetgeen de rust betekent van het toekomstig leven); zes maal zeven toch is twee en veertig. En het getal veertien, dat men verkrijgt door tien en vier bij elkaar op te tellen, kan een zelfde betekenis hebben als die, welke (zo juist) werd toegeschreven aan het getal veertig, hetwelk uit de vermenigvuldiging derzelfde getallen (tien en vier) ontstaat.
Het getal echter, dat Lucas in Christus' stamboom gebruikt, betekent de algemeenheid der zonden. "Want het getal tien wordt ons in de tien geboden der wet als het getal der gerechtigheid voorgehouden. De zonde echter is een overtreding der wet. De overtreding nu van het getal tien is elf". Van de andere kant wijst het getal zeven een algemeenheid aan, daar "het geheel van de tijd wordt rondgewenteld in een zevental van dagen". Zeven maal elf echter is zeven en zeventig. Hiermede wordt dus aangeduid de algemeenheid der zonden, die door Christus worden weggenomen.
3e Weerlegging. Zoals Augustinus in het 2e boek van zijn Overeenstemming der Evangelien leert, "had Mattheus zich voorgesteld de koninklijke rang in Christus te doen uitkomen, Lucas echter de priesterlijke waardigheid. Zoodoende wordt in Mattheus' geslachtslijst het op zich nemen onzer zonden door onze Heer Jezus Christus te kennen gegeven", in zover Hij nl. door Zijn oorsprong naar het lichaam "de gelijkheid van het vlees der zonde" (Rom. 8, 3) heeft aangenomen. "In de geslachtslijst van Lucas echter wordt het wegnemen onzer zonden aangeduid"; dit nu geschiedt door het Offer van Christus. "Daarom geeft Mattheus de stamboom in afdalende, Lucas echter in opgaande lijn". — Vandaar ook, dat "Mattheus van David afdaalt over Salomon, in wiens moeder David zondigde, terwijl Lucas daarentegen naar David opstijgt over Nathan, omdat God door de profeet van dienzelfden naam hem zijn zonde vergaf". — Vandaar tevens, dat "Mattheus, wijl hij Christus wilde doen uitkomen als afdalend tot onze sterfelijkheid, de geslachten vanaf Abraham tot op Joseph en tot op de geboorte van Christus zelf in afdalende lijn geeft, en reeds in het begin van zijn Evangelie. Lucas echter verhaalt Christus' stamboom niet in het begin, maar eerst bij diens Doop; en ook niet in afdalende, maar in opklimmende lijn, daar hij Hem wil doen uitkomen als de priester in het vergeven der zonden bij welke Doop Joannes het getuigenis aflegde, zeggend: "Ziehier Degene, die de zonde der wereld wegneemt". Opstijgend echter gaat hij tot voorbij Abraham en klimt op tot God, met Wien wij, na gezuiverd en gereinigd te zijn, worden verzoend. — Terecht ook behandelde Lucas de oorsprong der aanneming, omdat wij door aanneming kinderen Gods worden, terwijl Gods Zoon door zijn geboorte naar het vlees de zoon werd des mensen. En hij gaf voldoende aan, dat hij niet daarom gezegd heeft, dat Joseph de zoon was van Heli, omdat hij door hem is geteeld, maar omdat hij door hem werd aangenomen, daar hij ook Adam zelf zoon van God noemde: omdat hij door God is gemaakt".
Wat vervolgens het verschil in de getallen betreft, ook het getal veertig heeft betrekking op de tijd van ons tegenwoordig leven, en wel om de vier windstreken, waarin wij onder het bestuur van Christus ons sterfelijk leven leiden. Veertig nu is viermaal tien: en deze tientallen worden tot volmaaktheid gebracht door het van één tot vier voortschrijdende getal. Eveneens kan het getal tien betrekking hebben op de tien geboden Gods, en het getal vier op het tegenwoordig leven, of ook wel op de vier Evangelien, voor zover Christus in ons heerst. En daarom dus geeft "Mattheus, die de nadruk legt op Christus' koninklijken rang, veertig personen aan, behalve dan Hem zelf". — Deze opvatting is juist, indien, zoals Augustinus aanneemt, Jechonias, die op het einde van het tweede veertien-tal genoemd wordt, dezelfde is als die in het begin van het derde veertien-tal staat. En dit, zegt hij, zou geschied zijn, om aan te duiden, "dat er onder Jechonias een uitwijking naar de vreemde volkeren plaats vond, toen men naar Babylon werd overgevoerd, hetgeen tevens de Christus voorafbeeldde, die zich van de besnijdenis tot de onbesnedenen zou begeven".
Hieronymus echter schrijft in het 1e boek van zijn Verklaring op Mattheus, dat er twee Joachims waren, d. w. z. dat er twee personen waren, die Jechonias heetten, nl. vader en zoon. En beiden worden zij in Christus' stamboom opgenoemd, om het onderscheid te doen uitkomen tusschen de verschillende geslachten, welke door de Evangelist in drie veertien-tallen worden ingedeeld. Zodoende komt men tot twee en veertig personen. En ook dit getal komt overeen met de H. Kerk. Want dit getal ontstaat uit zes (hetgeen de wederwaardigheden van het tegenwoordig leven aanduidt) en uit zeven (hetgeen de rust betekent van het toekomstig leven); zes maal zeven toch is twee en veertig. En het getal veertien, dat men verkrijgt door tien en vier bij elkaar op te tellen, kan een zelfde betekenis hebben als die, welke (zo juist) werd toegeschreven aan het getal veertig, hetwelk uit de vermenigvuldiging derzelfde getallen (tien en vier) ontstaat.
Het getal echter, dat Lucas in Christus' stamboom gebruikt, betekent de algemeenheid der zonden. "Want het getal tien wordt ons in de tien geboden der wet als het getal der gerechtigheid voorgehouden. De zonde echter is een overtreding der wet. De overtreding nu van het getal tien is elf". Van de andere kant wijst het getal zeven een algemeenheid aan, daar "het geheel van de tijd wordt rondgewenteld in een zevental van dagen". Zeven maal elf echter is zeven en zeventig. Hiermede wordt dus aangeduid de algemeenheid der zonden, die door Christus worden weggenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Zoals Hieronymus in het 1e boek van zijn Verklaring op Mattheus zegt: "daar koning Joram zich met het geslacht der goddeloze Jezabel vermaakt had, wordt zijn nagedachtenis tot in het derde geslacht verzwegen, en niet opgenomen in de heilige rij der Geboorte". En derhalve, gelijk Chrysostomus leert: "even groot als de zegen was over Jehu, omdat hij de straf had voltrokken over het huis van Achab en Jezabel, even groot was de vloek over het huis van Joram, om de dochter van de zondige Achab en Jezabel, zoodat diens zonen tot in het vierde geslacht worden weggelaten uit de rij der koningen, zoals geschreven staat in het Boek van de Uittocht (20, 5): "De zonde der ouders zal ik vergelden tot in het derde en vierde geslacht".
Toch moet men bedenken, dat ook de andere koningen, die in Christus' stamboom worden opgenoemd, zondaars waren; maar hun zondigheid was niet doorlopend. Want gelijk gezegd wordt in het boek Over de Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond, "werd Salomon om de verdienste zijns vaders in het koningschap gehandhaafd, Roboam om de verdienste van Asa, de zoon van Abias, de zoon van Roboam. Maar de zondigheid dezer drie werd niet onderbroken".
4e Weerlegging. Zoals Hieronymus in het 1e boek van zijn Verklaring op Mattheus zegt: "daar koning Joram zich met het geslacht der goddeloze Jezabel vermaakt had, wordt zijn nagedachtenis tot in het derde geslacht verzwegen, en niet opgenomen in de heilige rij der Geboorte". En derhalve, gelijk Chrysostomus leert: "even groot als de zegen was over Jehu, omdat hij de straf had voltrokken over het huis van Achab en Jezabel, even groot was de vloek over het huis van Joram, om de dochter van de zondige Achab en Jezabel, zoodat diens zonen tot in het vierde geslacht worden weggelaten uit de rij der koningen, zoals geschreven staat in het Boek van de Uittocht (20, 5): "De zonde der ouders zal ik vergelden tot in het derde en vierde geslacht".
Toch moet men bedenken, dat ook de andere koningen, die in Christus' stamboom worden opgenoemd, zondaars waren; maar hun zondigheid was niet doorlopend. Want gelijk gezegd wordt in het boek Over de Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond, "werd Salomon om de verdienste zijns vaders in het koningschap gehandhaafd, Roboam om de verdienste van Asa, de zoon van Abias, de zoon van Roboam. Maar de zondigheid dezer drie werd niet onderbroken".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 3 ad 5
Ad quintum Zoals Hieronymus in het 1e boek van zijn Verklaring op Mattheus opmerkt, "wordt in de geslachtslijst des Zaligmakers geen enkele der heilige vrouwen opgenomen, doch slechts zij, die de H. Schrift misprijst, opdat Hij, die omwille der zondaars gekomen was, uit zondaars geboren, aller zonden zou verdelgen": Daarom staat Thamar er genoemd, zij, die berispt wordt om haar samenleving met haar schoonvader; en Rahab, die een lichtekooi was; en Bethsabee, Urias’ vrouw, die overspel bedreef. Deze laatste echter wordt (in Mattheus’ geslachtslijst) niet met haar eigen naam genoemd, doch slechts aangegeven met de naam van haar man, niet alleen omwille harer zonde daar zij zich haar overspel en doodslag bewust was, maar ook, opdat bij het noemen van haar man, ons Davids zonde voor de geest zou komen. — En wil Lucas Christus juist als de Uitboeter der zonden aangeven, maakt hij van dergelijke vrouwen geen melding.
Mattheus noemt de broeders van Juda wel, om te doen zien, dat zij tot het volk Gods behoorden. (Daar echter Ismaël, de broeder van Isaac, en Esau, de broeder van Jacob, waren afgescheiden van Gods volk, wordt over hen in Christus’ geslachtslijst niet gesproken.) En tevens, om de hoogmoed over de voorrang uit te sluiten; velen van Juda’s broeders toch waren geboren uit dienstmaagden, maar allen waren zij evenzeer Aartsvaders en stamhoofden. — Wat Phares en Zara betreft, dezen worden tezamen genoemd, omdat, gelijk Ambrosius in het 3e boek van zijn Uiteenzetting op Lucas zegt, "door hen het dubbele leven der volkeren wordt beschreven: het eene nl. volgens de wet, en dit wordt betekend door Zara; het andere volgens het geloof", en dit wordt betekend door Phares. — Tenslotte, Mattheus vermeldt de broeders van Jechonias, omdat zij allen op verschillende tijden aan het bestuur kwamen, hetgeen bij de andere koningen niet het geval was. Ofwel, omdat zowel hun zondigheid als hun rampspoed even groot waren.
B: (Rom 9:5) [b:Rom 9:5]
Ad quintum Zoals Hieronymus in het 1e boek van zijn Verklaring op Mattheus opmerkt, "wordt in de geslachtslijst des Zaligmakers geen enkele der heilige vrouwen opgenomen, doch slechts zij, die de H. Schrift misprijst, opdat Hij, die omwille der zondaars gekomen was, uit zondaars geboren, aller zonden zou verdelgen": Daarom staat Thamar er genoemd, zij, die berispt wordt om haar samenleving met haar schoonvader; en Rahab, die een lichtekooi was; en Bethsabee, Urias’ vrouw, die overspel bedreef. Deze laatste echter wordt (in Mattheus’ geslachtslijst) niet met haar eigen naam genoemd, doch slechts aangegeven met de naam van haar man, niet alleen omwille harer zonde daar zij zich haar overspel en doodslag bewust was, maar ook, opdat bij het noemen van haar man, ons Davids zonde voor de geest zou komen. — En wil Lucas Christus juist als de Uitboeter der zonden aangeven, maakt hij van dergelijke vrouwen geen melding.
Mattheus noemt de broeders van Juda wel, om te doen zien, dat zij tot het volk Gods behoorden. (Daar echter Ismaël, de broeder van Isaac, en Esau, de broeder van Jacob, waren afgescheiden van Gods volk, wordt over hen in Christus’ geslachtslijst niet gesproken.) En tevens, om de hoogmoed over de voorrang uit te sluiten; velen van Juda’s broeders toch waren geboren uit dienstmaagden, maar allen waren zij evenzeer Aartsvaders en stamhoofden. — Wat Phares en Zara betreft, dezen worden tezamen genoemd, omdat, gelijk Ambrosius in het 3e boek van zijn Uiteenzetting op Lucas zegt, "door hen het dubbele leven der volkeren wordt beschreven: het eene nl. volgens de wet, en dit wordt betekend door Zara; het andere volgens het geloof", en dit wordt betekend door Phares. — Tenslotte, Mattheus vermeldt de broeders van Jechonias, omdat zij allen op verschillende tijden aan het bestuur kwamen, hetgeen bij de andere koningen niet het geval was. Ofwel, omdat zowel hun zondigheid als hun rampspoed even groot waren.
B: (Rom 9:5) [b:Rom 9:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Moest de materie voor Christus’ Lichaam genomen worden uit een vrouw?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 31 a. 5 co.[t:iiia q. 31 a. 5 co.]
IIIa q. 31 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de materie voor Christus’ Lichaam niet genomen moest worden uit een vrouw. Want het mannelijk geslacht is volmaakter dan het vrouwelijk geslacht. Maar het is ten hoogste passend, dat Christus datgene aannam, wat in de menselijke natuur volmaakt is. Bijgevolg moest Christus het Lichaam aannemen niet van een vrouw, maar eerder van een man, zoals ook Eva gevormd werd uit de rib van een man.
IIIa q. 31 a. 5 co.[t:iiia q. 31 a. 5 co.]
IIIa q. 31 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de materie voor Christus’ Lichaam niet genomen moest worden uit een vrouw. Want het mannelijk geslacht is volmaakter dan het vrouwelijk geslacht. Maar het is ten hoogste passend, dat Christus datgene aannam, wat in de menselijke natuur volmaakt is. Bijgevolg moest Christus het Lichaam aannemen niet van een vrouw, maar eerder van een man, zoals ook Eva gevormd werd uit de rib van een man.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Al wie van een vrouw ontvangen wordt, wordt door de moederschoot der vrouw omsloten. Maar aan God, "Die hemel en aarde vervult", zoals we in Jeremias (23, 24) lezen, past het niet, door de kleine schoot ener vrouw omsloten te worden. Derhalve moest Hij niet ontvangen worden van een vrouw.
B: (Jer 23:24) [b:Jer 23:24]
Vervolgens. Al wie van een vrouw ontvangen wordt, wordt door de moederschoot der vrouw omsloten. Maar aan God, "Die hemel en aarde vervult", zoals we in Jeremias (23, 24) lezen, past het niet, door de kleine schoot ener vrouw omsloten te worden. Derhalve moest Hij niet ontvangen worden van een vrouw.
B: (Jer 23:24) [b:Jer 23:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Zij, die uit een vrouw ontvangen worden, ondergaan een verontreiniging, zoals blijkt uit Job (25, 4): "Kan wel de mens rechtvaardig zijn in vergelijking met God, of rein verschijnen hij, die uit een vrouw geboren werd?" Maar in Christus moest geen enkele verontreiniging wezen: Hij toch is de Wijsheid Gods (1 Korinthiërsbrief, 1, 24), van wie in het Boek der Wijsheid (7, 25) gezegd wordt: "niets onreins geraakt in haar". Bijgevolg had Hij het Lichaam niet moeten aannemen uit een vrouw.
B: (Job 25:4) [b:Job 25:4] (Wis 7:25) [b:Wis 7:25]
Vervolgens. Zij, die uit een vrouw ontvangen worden, ondergaan een verontreiniging, zoals blijkt uit Job (25, 4): "Kan wel de mens rechtvaardig zijn in vergelijking met God, of rein verschijnen hij, die uit een vrouw geboren werd?" Maar in Christus moest geen enkele verontreiniging wezen: Hij toch is de Wijsheid Gods (1 Korinthiërsbrief, 1, 24), van wie in het Boek der Wijsheid (7, 25) gezegd wordt: "niets onreins geraakt in haar". Bijgevolg had Hij het Lichaam niet moeten aannemen uit een vrouw.
B: (Job 25:4) [b:Job 25:4] (Wis 7:25) [b:Wis 7:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen gezegd wordt in de Brief aan de Galaten (4, 4): "God heeft Zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw".
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
Daartegenover staat echter hetgeen gezegd wordt in de Brief aan de Galaten (4, 4): "God heeft Zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw".
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 4 co.
Mijn antwoord. Hoewel Gods Zoon het menselijk lichaam had kunnen aannemen uit welke materie Hij ook maar gewild had, toch was het het meest passende, dat Hij dit lichaam aannam uit een vrouw. 1°, nl., wijl zodoende geheel de menselijke natuur geadeld werd. Daarom ook zegt Augustinus in zijn boek der Drie en tachtig Vraagstukken: "'s Mens verlossing moest in beiderlei geslacht tot uiting komen. Derhalve, daar Hij de mannelijke natuur moest aannemen, wijl dit het eervolste geslacht is, was het passend, dat de verlossing van het vrouwelijk geslacht daarin zou blijken, dat deze man uit een vrouw geboren werd". 2°, wijl zodoende de waarheid der menswording duidelijker voor ogen werd gesteld. Vandaar, dat Ambrosius in zijn werk Over de menswording (6° H.) zegt: "Daarin zult gij veel dingen vinden, die volgens de natuur waren, maar ook, die boven de natuur uitgingen. Overeenkomstig de aard der natuur toch was Hij in de schoot, nl. van het vrouwelijk lichaam; maar boven die aard was het dat een maagd ontving, en dat een maagd baarde: opdat gij zou geloven, dat Hij, die dit nieuwe in de natuur bracht, God was; en dat Hij, die overeenkomstig de natuur uit een mens geboren werd, mens was". En Augustinus schrijft in zijn brief aan Volusianus: "Indien de almachtige God dezen mens, waar Hij dan ook gevormd mocht zijn, niet uit de moederschoot had doen worden, doch Hem plotseling onder de ogen der mensen had gebracht, zou Hij dan de dwaling niet bevestigd hebben? Zou men dan nog enigszins geloofd hebben, dat Hij waarlijk de menselijke natuur had aangenomen? En zou Hij, terwijl Hij in dit alles zo wonderbaar te werk gaat, verloochenen wat Hij zo barmhartig heeft ingesteld? Nu echter is Hij zozeer de Middelaar tussen God en mens gebleken, dat Hij, beider natuur in de eenheid van Zijn Persoon verenigd, én het gewone verheven maakte door het ongewone, én het ongewone matigde door het gewone". 3°, omdat zodoende alle verscheidenheid in de voortbrenging eens mensen in vervulling gaat. Want de eerste mens werd zonder man en vrouw gevormd uit het slijk der aarde; Eva echter werd zonder vrouw gevormd uit de man; de overige mensen echter worden voortgebracht uit man én vrouw. Zo werd deze vierde mogelijkheid als iets eigens aan Christus gelaten: uit een vrouw te worden gevormd zonder man.
Mijn antwoord. Hoewel Gods Zoon het menselijk lichaam had kunnen aannemen uit welke materie Hij ook maar gewild had, toch was het het meest passende, dat Hij dit lichaam aannam uit een vrouw. 1°, nl., wijl zodoende geheel de menselijke natuur geadeld werd. Daarom ook zegt Augustinus in zijn boek der Drie en tachtig Vraagstukken: "'s Mens verlossing moest in beiderlei geslacht tot uiting komen. Derhalve, daar Hij de mannelijke natuur moest aannemen, wijl dit het eervolste geslacht is, was het passend, dat de verlossing van het vrouwelijk geslacht daarin zou blijken, dat deze man uit een vrouw geboren werd". 2°, wijl zodoende de waarheid der menswording duidelijker voor ogen werd gesteld. Vandaar, dat Ambrosius in zijn werk Over de menswording (6° H.) zegt: "Daarin zult gij veel dingen vinden, die volgens de natuur waren, maar ook, die boven de natuur uitgingen. Overeenkomstig de aard der natuur toch was Hij in de schoot, nl. van het vrouwelijk lichaam; maar boven die aard was het dat een maagd ontving, en dat een maagd baarde: opdat gij zou geloven, dat Hij, die dit nieuwe in de natuur bracht, God was; en dat Hij, die overeenkomstig de natuur uit een mens geboren werd, mens was". En Augustinus schrijft in zijn brief aan Volusianus: "Indien de almachtige God dezen mens, waar Hij dan ook gevormd mocht zijn, niet uit de moederschoot had doen worden, doch Hem plotseling onder de ogen der mensen had gebracht, zou Hij dan de dwaling niet bevestigd hebben? Zou men dan nog enigszins geloofd hebben, dat Hij waarlijk de menselijke natuur had aangenomen? En zou Hij, terwijl Hij in dit alles zo wonderbaar te werk gaat, verloochenen wat Hij zo barmhartig heeft ingesteld? Nu echter is Hij zozeer de Middelaar tussen God en mens gebleken, dat Hij, beider natuur in de eenheid van Zijn Persoon verenigd, én het gewone verheven maakte door het ongewone, én het ongewone matigde door het gewone". 3°, omdat zodoende alle verscheidenheid in de voortbrenging eens mensen in vervulling gaat. Want de eerste mens werd zonder man en vrouw gevormd uit het slijk der aarde; Eva echter werd zonder vrouw gevormd uit de man; de overige mensen echter worden voortgebracht uit man én vrouw. Zo werd deze vierde mogelijkheid als iets eigens aan Christus gelaten: uit een vrouw te worden gevormd zonder man.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Het mannelijk geslacht is volmaakter dan het vrouwelijke: daarom nam Hij dan ook de menselijke natuur aan in het mannelijk geslacht. Maar, opdat het vrouwelijk geslacht niet zou worden geminacht, was het passend, dat Hij dit lichaam aannam uit een vrouw. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Over de Christelijke Kamp: "Minacht u zelf niet, gij mannen, Gods Zoon heeft het man zijn aangenomen. Minacht uzelf niet, gij vrouwen: Gods Zoon is geboren uit een vrouw".
1e Weerlegging. Het mannelijk geslacht is volmaakter dan het vrouwelijke: daarom nam Hij dan ook de menselijke natuur aan in het mannelijk geslacht. Maar, opdat het vrouwelijk geslacht niet zou worden geminacht, was het passend, dat Hij dit lichaam aannam uit een vrouw. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Over de Christelijke Kamp: "Minacht u zelf niet, gij mannen, Gods Zoon heeft het man zijn aangenomen. Minacht uzelf niet, gij vrouwen: Gods Zoon is geboren uit een vrouw".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Augustinus opmerkt in het 23e boek van zijn werk Tegen Faustus die zich van deze opmerking bediende "sluit de Katholieke geloofsleer, die houdt, dat Christus, de Zoon van God, naar het vlees geboren is uit een Maagd, dezelfde Zoon van God op volstrekt geen enkele wijze zóó in de schoot der vrouw op, alsof Hij niet daarbuiten was, alsof Hij zou hebben opgehouden met het besturen van hemel en aarde, alsof Hij van de Vader zou zijn heengegaan. Maar gij, Manichaeën, door die gezindheid, waardoor gij u niets anders dan lichamelijke voorstellingen kunt denken, gij begrijpt dit in het geheel niet". Want zoals hij in zijn Brief aan Volusianus schrijft: "Dit is de gesteldheid van mensen, die zich niets anders dan lichamen kunnen voorstellen; en geen dezer lichamen kan overal helemaal aanwezig zijn, want het om zijn ontelbare delen een andere plaats moet hebben. Maar de natuur der ziel is geheel anders dan die des lichaams. Hoeveel te meer (de natuur) van God, die de Schepper is van ziel en lichaam. Hij kan overal geheel tegenwoordig zijn en door geen enkele plaats worden omsloten; Hij kan komen zonder weg te gaan waar Hij was; Hij kan weggaan zonder de plaats te verlaten, waarheen Hij kwam".
2e Weerlegging. Zoals Augustinus opmerkt in het 23e boek van zijn werk Tegen Faustus die zich van deze opmerking bediende "sluit de Katholieke geloofsleer, die houdt, dat Christus, de Zoon van God, naar het vlees geboren is uit een Maagd, dezelfde Zoon van God op volstrekt geen enkele wijze zóó in de schoot der vrouw op, alsof Hij niet daarbuiten was, alsof Hij zou hebben opgehouden met het besturen van hemel en aarde, alsof Hij van de Vader zou zijn heengegaan. Maar gij, Manichaeën, door die gezindheid, waardoor gij u niets anders dan lichamelijke voorstellingen kunt denken, gij begrijpt dit in het geheel niet". Want zoals hij in zijn Brief aan Volusianus schrijft: "Dit is de gesteldheid van mensen, die zich niets anders dan lichamen kunnen voorstellen; en geen dezer lichamen kan overal helemaal aanwezig zijn, want het om zijn ontelbare delen een andere plaats moet hebben. Maar de natuur der ziel is geheel anders dan die des lichaams. Hoeveel te meer (de natuur) van God, die de Schepper is van ziel en lichaam. Hij kan overal geheel tegenwoordig zijn en door geen enkele plaats worden omsloten; Hij kan komen zonder weg te gaan waar Hij was; Hij kan weggaan zonder de plaats te verlaten, waarheen Hij kwam".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. In het feit, dat een man van een vrouw ontvangen wordt, ligt niets onreins, in zover dit een instelling is van God; daarom dan ook wordt in de Handelingen der Apostelen (10, 15) gezegd: "Wat God geschapen heeft, noem gij dat niet gemeen" d. i. onrein. Toch is daar een zekere onreinheid bij, die voortkomt uit de zonde, in zover namelijk iemand ontvangen wordt met zingenot uit de omgang van man en vrouw. Dit echter was bij Christus niet het geval, zoals boven (28° Kw., 1° Art.) werd aangetoond. En zelfs al was daar enige onreinheid bij geweest, dan zou het Woord Gods daardoor toch nog niet bezoedeld zijn geworden; dit toch kan op geen enkele manier worden aangetast. Daarvandaan zegt Augustinus in zijn boek "Tegen de vijf Dwalingen" (5° H.) : "God, de Schepper van de mens, zegt : Wat is het, dat u in Mijn geboorte ontstelt? Ik werd niet ontvangen krachtens een begeerte naar zingenot. Ik maakte de moeder uit wie Ik zou geboren worden. Zo een zonnestraal al het vuil der riolen kan doen uitdrogen, zonder er zelf door verontreinigd te worden, hoeveel te meer zal dan niet de Glans van het eeuwig Licht kunnen zuiveren, zonder zelf bezoedeld te worden?"
R: q. 28 a. 1[t:iiia q. 28 a. 1]
3e Weerlegging. In het feit, dat een man van een vrouw ontvangen wordt, ligt niets onreins, in zover dit een instelling is van God; daarom dan ook wordt in de Handelingen der Apostelen (10, 15) gezegd: "Wat God geschapen heeft, noem gij dat niet gemeen" d. i. onrein. Toch is daar een zekere onreinheid bij, die voortkomt uit de zonde, in zover namelijk iemand ontvangen wordt met zingenot uit de omgang van man en vrouw. Dit echter was bij Christus niet het geval, zoals boven (28° Kw., 1° Art.) werd aangetoond. En zelfs al was daar enige onreinheid bij geweest, dan zou het Woord Gods daardoor toch nog niet bezoedeld zijn geworden; dit toch kan op geen enkele manier worden aangetast. Daarvandaan zegt Augustinus in zijn boek "Tegen de vijf Dwalingen" (5° H.) : "God, de Schepper van de mens, zegt : Wat is het, dat u in Mijn geboorte ontstelt? Ik werd niet ontvangen krachtens een begeerte naar zingenot. Ik maakte de moeder uit wie Ik zou geboren worden. Zo een zonnestraal al het vuil der riolen kan doen uitdrogen, zonder er zelf door verontreinigd te worden, hoeveel te meer zal dan niet de Glans van het eeuwig Licht kunnen zuiveren, zonder zelf bezoedeld te worden?"
R: q. 28 a. 1[t:iiia q. 28 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Werd Christus’ Lichaam gevormd uit het zuiverste bloed der Maagd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 33 a. 1 arg. 3
IIIa q. 35 a. 3 co.
IIIa q. 35 a. 3 co.[t:iiia q. 33 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 35 a. 3 co.][t:iiia q. 35 a. 3 co.]
IIIa q. 31 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Christus’ Lichaam niet gevormd werd uit het zuiverste bloed der Maagd. Want in het Collectagebed op het feest van Maria-Boodschap wordt gezegd, dat God gewild heeft, dat zijn Woord het lichaam zou aannemen uit de Maagd. Maar het vlees verschilt van het bloed. Derhalve is het Lichaam van Christus niet genomen uit het bloed der Maagd.
IIIa q. 33 a. 1 arg. 3
IIIa q. 35 a. 3 co.
IIIa q. 35 a. 3 co.[t:iiia q. 33 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 35 a. 3 co.][t:iiia q. 35 a. 3 co.]
IIIa q. 31 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Christus’ Lichaam niet gevormd werd uit het zuiverste bloed der Maagd. Want in het Collectagebed op het feest van Maria-Boodschap wordt gezegd, dat God gewild heeft, dat zijn Woord het lichaam zou aannemen uit de Maagd. Maar het vlees verschilt van het bloed. Derhalve is het Lichaam van Christus niet genomen uit het bloed der Maagd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Zoals de vrouw wonderdadig is gevormd uit de man, zo werd Christus’ Lichaam door een wonder gevormd uit de Maagd. Maar men houdt niet, dat de vrouw gevormd werd uit het bloed van de man, doch eerder uit diens vlees en gebeente, overeenkomstig hetgeen gezegd wordt in het Boek der Schepping (2, 23): "Dit nu is gebeente van mijn gebeente, en vlees van mijn vlees". Derhalve, zo beweert men, moest ook Christus’ Lichaam niet gevormd worden uit het bloed der Maagd, doch uit haar vlees en haar gebeente.
B: (Gen 2:23) [b:Gen 2:23]
Vervolgens. Zoals de vrouw wonderdadig is gevormd uit de man, zo werd Christus’ Lichaam door een wonder gevormd uit de Maagd. Maar men houdt niet, dat de vrouw gevormd werd uit het bloed van de man, doch eerder uit diens vlees en gebeente, overeenkomstig hetgeen gezegd wordt in het Boek der Schepping (2, 23): "Dit nu is gebeente van mijn gebeente, en vlees van mijn vlees". Derhalve, zo beweert men, moest ook Christus’ Lichaam niet gevormd worden uit het bloed der Maagd, doch uit haar vlees en haar gebeente.
B: (Gen 2:23) [b:Gen 2:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Het lichaam van Christus was gelijksoortig met de lichamen van de overige mensen. Welnu, de lichamen van de overige mensen worden niet uit het zuiverste bloed gevormd, maar uit het zaad en het maandstondenbloed. Derhalve werd ook Christus’ Lichaam niet gevormd uit het zuiverste bloed van de Maagd.
Vervolgens. Het lichaam van Christus was gelijksoortig met de lichamen van de overige mensen. Welnu, de lichamen van de overige mensen worden niet uit het zuiverste bloed gevormd, maar uit het zaad en het maandstondenbloed. Derhalve werd ook Christus’ Lichaam niet gevormd uit het zuiverste bloed van de Maagd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus zegt in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof (2e H.): "Gods Zoon bouwde zich uit het zuivere en reinste bloed der Maagd een lichaam, dat met een redelijke ziel bezield was".
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus zegt in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof (2e H.): "Gods Zoon bouwde zich uit het zuivere en reinste bloed der Maagd een lichaam, dat met een redelijke ziel bezield was".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zoals boven (vorige artikel) gezegd is, was bij de menswording van Christus overeenkomstig de aard der natuur, dat Hij geboren werd uit een vrouw, doch het was boven de aard der natuur, dat hij geboren werd uit een maagd. De natuurlijke gang nu houdt in, dat de vrouw bij de voortbrenging van een dierlijk wezen de materie levert, terwijl van de kant van de man het werkzame beginsel in deze voortbrenging komt, zoals de Wijsgeer aantoont in het 1e boek van zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren. Een vrouw echter, die uit een man ontvangt, is geen maagd. En bijgevolg behoort het tot de bovennatuurlijke wijze van Christus' voortkomst, dat het werkzame beginsel bij deze voortbrenging de bovennatuurlijke kracht Gods was; maar tot de natuurlijke wijze zijner voortkomst behoort het, dat de materie, waaruit zijn Lichaam gevormd werd, gelijkvormig is aan de materie, welke ook de andere vrouwen verschaffen ter ontvangenis van het kind. Deze materie nu is, volgens de Wijsgeer in het 1e boek van zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren (19e H.), het bloed der vrouw, niet elk willekeurig bloed, doch slechts dat bloed, hetwelk door het op de voortplanting gerichte vermogen der moeder tot een hogere gezuiverdheid is opgevoerd, om het een voor de ontvangenis geschikte materie te doen zijn. En derhalve werd Christus' Lichaam uit een dergelijke materie gevormd.
R: q. 31 a. 4[t:iiia q. 31 a. 4]
Mijn antwoord. Zoals boven (vorige artikel) gezegd is, was bij de menswording van Christus overeenkomstig de aard der natuur, dat Hij geboren werd uit een vrouw, doch het was boven de aard der natuur, dat hij geboren werd uit een maagd. De natuurlijke gang nu houdt in, dat de vrouw bij de voortbrenging van een dierlijk wezen de materie levert, terwijl van de kant van de man het werkzame beginsel in deze voortbrenging komt, zoals de Wijsgeer aantoont in het 1e boek van zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren. Een vrouw echter, die uit een man ontvangt, is geen maagd. En bijgevolg behoort het tot de bovennatuurlijke wijze van Christus' voortkomst, dat het werkzame beginsel bij deze voortbrenging de bovennatuurlijke kracht Gods was; maar tot de natuurlijke wijze zijner voortkomst behoort het, dat de materie, waaruit zijn Lichaam gevormd werd, gelijkvormig is aan de materie, welke ook de andere vrouwen verschaffen ter ontvangenis van het kind. Deze materie nu is, volgens de Wijsgeer in het 1e boek van zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren (19e H.), het bloed der vrouw, niet elk willekeurig bloed, doch slechts dat bloed, hetwelk door het op de voortplanting gerichte vermogen der moeder tot een hogere gezuiverdheid is opgevoerd, om het een voor de ontvangenis geschikte materie te doen zijn. En derhalve werd Christus' Lichaam uit een dergelijke materie gevormd.
R: q. 31 a. 4[t:iiia q. 31 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Daar de H. Maagd dezelfde natuur had als de overige vrouwen, had zij bijgevolg ook het vlees en het gebeente dier zelfde natuur. Dit vlees en dit gebeente nu zijn in de overige vrouwen daadwerkelijke lichaamsdelen, waaruit de volledigheid van het lichaam is opgebouwd; en daarom kan men ze er niet aan onttrekken zonder het lichaam zelf te niet te doen of te verminken. Daar Christus nu juist gekomen was om het te niet gedane te herstellen, moest Hij in niets de gaafheid zijner Moeder te niet doen of verminken. En daarom moest Christus' Lichaam niet gevormd worden uit het vlees of het gebeente der Maagd, maar uit het bloed; dit toch is daadwerkelijk geen lichaamsdeel, maar in aanleg het gehele lichaam, gelijk in het 1e boek van het werk Over de Voortbrenging der Dieren gezegd wordt. En zo dus zegt men, dat Hij het vlees heeft aangenomen van de Maagd, niet in die zin, dat de materie van zijn Lichaam daadwerkelijk vlees was, maar daadwerkelijk was het bloed, en dit is vlees in aanleg.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 6 co.[t:iiia q. 31 a. 6 co.]
1e Weerlegging. Daar de H. Maagd dezelfde natuur had als de overige vrouwen, had zij bijgevolg ook het vlees en het gebeente dier zelfde natuur. Dit vlees en dit gebeente nu zijn in de overige vrouwen daadwerkelijke lichaamsdelen, waaruit de volledigheid van het lichaam is opgebouwd; en daarom kan men ze er niet aan onttrekken zonder het lichaam zelf te niet te doen of te verminken. Daar Christus nu juist gekomen was om het te niet gedane te herstellen, moest Hij in niets de gaafheid zijner Moeder te niet doen of verminken. En daarom moest Christus' Lichaam niet gevormd worden uit het vlees of het gebeente der Maagd, maar uit het bloed; dit toch is daadwerkelijk geen lichaamsdeel, maar in aanleg het gehele lichaam, gelijk in het 1e boek van het werk Over de Voortbrenging der Dieren gezegd wordt. En zo dus zegt men, dat Hij het vlees heeft aangenomen van de Maagd, niet in die zin, dat de materie van zijn Lichaam daadwerkelijk vlees was, maar daadwerkelijk was het bloed, en dit is vlees in aanleg.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 6 co.[t:iiia q. 31 a. 6 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Zoals in het eerste Deel (92° Kw., 3° Art., Antw. op de 2° B.) gezegd is, bezat Adam, daar hij gesteld was als hoofd van het menselijk geslacht, in zijn lichaam vlees en gebeente, dat niet tot zijn eigen, persoonlijke gaafheid behoorde, maar dat hij slechts bezat in zover hij het hoofd was van het menselijk geslacht. En hieruit is de vrouw gevormd, zonder aan de man afbreuk te doen. Doch in het lichaam der Maagd was niet iets dergelijks, waaruit Christus’ Lichaam zou kunnen gevormd worden, zonder dat het lichaam der Moeder misvormd werd.
R: I q. 92 a. 3 ad 2[t:ia q. 92 a. 3 ad 2]
2e Weerlegging. Zoals in het eerste Deel (92° Kw., 3° Art., Antw. op de 2° B.) gezegd is, bezat Adam, daar hij gesteld was als hoofd van het menselijk geslacht, in zijn lichaam vlees en gebeente, dat niet tot zijn eigen, persoonlijke gaafheid behoorde, maar dat hij slechts bezat in zover hij het hoofd was van het menselijk geslacht. En hieruit is de vrouw gevormd, zonder aan de man afbreuk te doen. Doch in het lichaam der Maagd was niet iets dergelijks, waaruit Christus’ Lichaam zou kunnen gevormd worden, zonder dat het lichaam der Moeder misvormd werd.
R: I q. 92 a. 3 ad 2[t:ia q. 92 a. 3 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Het zaad der vrouw is niet geschikt voor de voortbrengst, maar het is als zaad iets onvolmaakts, dat wegens de onvolmaaktheid van het vrouwelijk voortplantingsvermogen niet in de volledige voltooiing van zaad kon worden voortgebracht. En zodoende is dergelijk zaad geen materie, die voor de ontvangenis onontbeerlijk zou wezen, zoals de Wijsgeer in het 1° boek van zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren leert. En daarom was het bij Christus’ ontvangenis niet aanwezig; te minder, daar het, hoewel het als zaad iets on-afs is, toch met een zekere wellust loskomt, evenals het zaad van de man; in dit maagdelijk ontvangen echter kon er voor begeerlijkheid geen plaats zijn. En aldus zegt Damas- cenus in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof, dat Christus’ Lichaam zonder zaad ontvangen werd. Het maanstanden-bloed echter, dat de vrouwen maandelijks uitstorten, heeft een zekere, natuurlijke afvals-onreinheid, gelijk dit ook het geval is bij de andere overtolligheden, die de natuur niet nodig heeft, maar uitdrijft. Uit dergelijk maanstanden-bloed nu, dat bedorven stoffen in zich heeft en door de natuur wordt uitgestoten, wordt geen ontvangenis gevormd; maar het is afval van dat zuivere bloed, hetwelk door een zekere schifting geschikt gemaakt wordt om te kunnen ontvangen, daar het zuiverder is dan het andere bloed. Toch heeft het bij de ontvangenis der overige mensen een zekere onreinheid krachtens het zingenot, in zover dit bloed, wegens de vleselijke omgang van man en vrouw, naar de voor het voortbrengen bestemde plaats trekt. Maar dit was niet het geval bij de ontvangenis van Christus, daar dit bloed door de inwerking des H. Geestes in de schoot der Maagd was samengetrokken en gevormd tot het kind. En aldus heet het, dat Christus’ Lichaam uit het zuiverste en reinste bloed der Maagd was gevormd.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 33 a. 1 ad 4
IIIa q. 35 a. 3 ad 3[t:iiia q. 33 a. 1 ad 4][t:iiia q. 35 a. 3 ad 3]
3e Weerlegging. Het zaad der vrouw is niet geschikt voor de voortbrengst, maar het is als zaad iets onvolmaakts, dat wegens de onvolmaaktheid van het vrouwelijk voortplantingsvermogen niet in de volledige voltooiing van zaad kon worden voortgebracht. En zodoende is dergelijk zaad geen materie, die voor de ontvangenis onontbeerlijk zou wezen, zoals de Wijsgeer in het 1° boek van zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren leert. En daarom was het bij Christus’ ontvangenis niet aanwezig; te minder, daar het, hoewel het als zaad iets on-afs is, toch met een zekere wellust loskomt, evenals het zaad van de man; in dit maagdelijk ontvangen echter kon er voor begeerlijkheid geen plaats zijn. En aldus zegt Damas- cenus in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof, dat Christus’ Lichaam zonder zaad ontvangen werd. Het maanstanden-bloed echter, dat de vrouwen maandelijks uitstorten, heeft een zekere, natuurlijke afvals-onreinheid, gelijk dit ook het geval is bij de andere overtolligheden, die de natuur niet nodig heeft, maar uitdrijft. Uit dergelijk maanstanden-bloed nu, dat bedorven stoffen in zich heeft en door de natuur wordt uitgestoten, wordt geen ontvangenis gevormd; maar het is afval van dat zuivere bloed, hetwelk door een zekere schifting geschikt gemaakt wordt om te kunnen ontvangen, daar het zuiverder is dan het andere bloed. Toch heeft het bij de ontvangenis der overige mensen een zekere onreinheid krachtens het zingenot, in zover dit bloed, wegens de vleselijke omgang van man en vrouw, naar de voor het voortbrengen bestemde plaats trekt. Maar dit was niet het geval bij de ontvangenis van Christus, daar dit bloed door de inwerking des H. Geestes in de schoot der Maagd was samengetrokken en gevormd tot het kind. En aldus heet het, dat Christus’ Lichaam uit het zuiverste en reinste bloed der Maagd was gevormd.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 33 a. 1 ad 4
IIIa q. 35 a. 3 ad 3[t:iiia q. 33 a. 1 ad 4][t:iiia q. 35 a. 3 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Was Christus’ Lichaam naar iets bepaald aanwijsbaar in Adam en in de overige voorvaderen aanwezig?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 31 a. 7 co.[t:iiia q. 31 a. 7 co.]
IIIa q. 31 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat Christus’ Lichaam naar iets bepaald aanwijsbaar in Adam en de overige voorvaderen was. Want Augustinus zegt in het 10e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (20e H.), dat Christus’ vlees in Adam en Abraham was naar het lichamelijke dier zelfstandigheid. Maar het lichamelijke van een zelfstandigheid is iets bepaalds. Derhalve was Christus’ vlees in Adam en Abraham en de overige voorvaderen naar iets bepaalds aanwezig.
IIIa q. 31 a. 7 co.[t:iiia q. 31 a. 7 co.]
IIIa q. 31 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat Christus’ Lichaam naar iets bepaald aanwijsbaar in Adam en de overige voorvaderen was. Want Augustinus zegt in het 10e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (20e H.), dat Christus’ vlees in Adam en Abraham was naar het lichamelijke dier zelfstandigheid. Maar het lichamelijke van een zelfstandigheid is iets bepaalds. Derhalve was Christus’ vlees in Adam en Abraham en de overige voorvaderen naar iets bepaalds aanwezig.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 6 arg. 2
Vervolgens. In de Brief aan de Romeinen (1, 3) lezen we, dat Christus "naar het vlees uit Davids zaad is gesproten". Maar Davids zaad was iets bepaalds in hem. Derhalve was Christus naar iets bepaalds in David aanwezig, en om dezelfde reden ook in de andere voorvaderen.
B: (Rom 1:3) [b:Rom 1:3]
Vervolgens. In de Brief aan de Romeinen (1, 3) lezen we, dat Christus "naar het vlees uit Davids zaad is gesproten". Maar Davids zaad was iets bepaalds in hem. Derhalve was Christus naar iets bepaalds in David aanwezig, en om dezelfde reden ook in de andere voorvaderen.
B: (Rom 1:3) [b:Rom 1:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Christus heeft een zekere verwantschap met het menselijk geslacht, in zover Hij uit het menselijk geslacht het vlees heeft aangenomen. Maar indien dit vlees niet naar iets bepaalds in Adam was, zou Hij, naar men beweert, géén verwantschap hebben met het menselijk geslacht, hetwelk uit Adam is voortgesproten, maar eerder met datgene waaraan de materie van zijn vlees werd ontleend. Bijgevolg, zo beweert men, was Christus’ vlees naar iets bepaalds in Adam en de andere voorvaderen aanwezig.
Vervolgens. Christus heeft een zekere verwantschap met het menselijk geslacht, in zover Hij uit het menselijk geslacht het vlees heeft aangenomen. Maar indien dit vlees niet naar iets bepaalds in Adam was, zou Hij, naar men beweert, géén verwantschap hebben met het menselijk geslacht, hetwelk uit Adam is voortgesproten, maar eerder met datgene waaraan de materie van zijn vlees werd ontleend. Bijgevolg, zo beweert men, was Christus’ vlees naar iets bepaalds in Adam en de andere voorvaderen aanwezig.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt in het 10e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het boek der Schepping (19e en 20e H.): "Op elke wijze, waarop Christus in Adam en Abraham was, waren er ook de overige mensen; maar dit is niet omkeerbaar". De overige mensen nu waren niet naar een bepaalde materie in Adam en Abraham, doch alleen naar hun oorsprong, gelijk in het eerste Deel (119e Kw., art. 1) behandeld werd. Derhalve was ook Christus niet naar iets bepaalds in Adam en Abraham aanwezig, en om dezelfde reden ook niet in de andere voorvaderen.
R: I q. 119 a. 1[t:ia q. 119 a. 1] I q. 119 a. 2 ad 4[t:ia q. 119 a. 2 ad 4]
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt in het 10e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het boek der Schepping (19e en 20e H.): "Op elke wijze, waarop Christus in Adam en Abraham was, waren er ook de overige mensen; maar dit is niet omkeerbaar". De overige mensen nu waren niet naar een bepaalde materie in Adam en Abraham, doch alleen naar hun oorsprong, gelijk in het eerste Deel (119e Kw., art. 1) behandeld werd. Derhalve was ook Christus niet naar iets bepaalds in Adam en Abraham aanwezig, en om dezelfde reden ook niet in de andere voorvaderen.
R: I q. 119 a. 1[t:ia q. 119 a. 1] I q. 119 a. 2 ad 4[t:ia q. 119 a. 2 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 6 co.
Mijn antwoord. De materie van Christus' Lichaam waren niet het vlees en het gebeente der H. Maagd, noch iets dat daadwerkelijk een deel van haar lichaam was, maar het bloed, dat in aanleg vlees is, gelijk we boven gezien hebben (Art. 5, Antw. op de 1° B.). Al datgene echter, wat in de H. Maagd van de ouders afkomstig was, was een daadwerkelijk deel van het lichaam der H. Maagd. Derhalve was datgene, wat in de H. Maagd van de ouders afkomstig was, niet de materie voor Christus' Lichaam. En bijgevolg moeten we zeggen, dat Christus' Lichaam niet naar iets bepaalds in Adam en de overige voorvaders aanwezig was, zo namelijk dat enig lichaamsdeel van Adam of van iemand anders bepaaldelijk kon worden aangewezen, zo dat men zou kunnen zeggen: "uit deze materie zal Christus' Lichaam worden gevormd". Maar Christus' Lichaam was er naar zijn oorsprong, zoals ook dat der andere mensen. Christus' Lichaam toch staat in verband met Adam en de overige voorvaders door het lichaam zijner moeder. Derhalve was Christus' Lichaam op geen enkele andere wijze in de voorvaders aanwezig dan het lichaam zijner moeder, hetwelk niet naar een bepaalde materie in de voorvaders was, evenmin als de lichamen der andere mensen, zoals we in het eerste Deel (t. a. p.) gezien hebben.
R: q. 31 a. 5 ad 1[t:iiia q. 31 a. 5 ad 1] I q. 119 a. 1[t:ia q. 119 a. 1] I q. 119 a. 2 ad 4[t:ia q. 119 a. 2 ad 4]
Mijn antwoord. De materie van Christus' Lichaam waren niet het vlees en het gebeente der H. Maagd, noch iets dat daadwerkelijk een deel van haar lichaam was, maar het bloed, dat in aanleg vlees is, gelijk we boven gezien hebben (Art. 5, Antw. op de 1° B.). Al datgene echter, wat in de H. Maagd van de ouders afkomstig was, was een daadwerkelijk deel van het lichaam der H. Maagd. Derhalve was datgene, wat in de H. Maagd van de ouders afkomstig was, niet de materie voor Christus' Lichaam. En bijgevolg moeten we zeggen, dat Christus' Lichaam niet naar iets bepaalds in Adam en de overige voorvaders aanwezig was, zo namelijk dat enig lichaamsdeel van Adam of van iemand anders bepaaldelijk kon worden aangewezen, zo dat men zou kunnen zeggen: "uit deze materie zal Christus' Lichaam worden gevormd". Maar Christus' Lichaam was er naar zijn oorsprong, zoals ook dat der andere mensen. Christus' Lichaam toch staat in verband met Adam en de overige voorvaders door het lichaam zijner moeder. Derhalve was Christus' Lichaam op geen enkele andere wijze in de voorvaders aanwezig dan het lichaam zijner moeder, hetwelk niet naar een bepaalde materie in de voorvaders was, evenmin als de lichamen der andere mensen, zoals we in het eerste Deel (t. a. p.) gezien hebben.
R: q. 31 a. 5 ad 1[t:iiia q. 31 a. 5 ad 1] I q. 119 a. 1[t:ia q. 119 a. 1] I q. 119 a. 2 ad 4[t:ia q. 119 a. 2 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Wanneer gezegd wordt, dat Christus naar de lichamelijke zelfstandigheid in Adam was, moet men dit niet zo verstaan, alsof Christus’ Lichaam in Adam een zekere lichamelijke zelfstandigheid was, maar dat de lichamelijke zelfstandigheid van Christus’ Lichaam, d. w. z. de materie, die het aan de Maagd ontleende, in Adam was als in het eerste beginsel dat voortbrengt, en niet in hem als een eerste materieel beginsel waaruit het wordt voortgebracht. Door het op de voortplanting gerichte vermogen van Adam toch en van de overigen, die van Adam afstammen tot en met de H. Maagd toe, werd verwezenlijkt, dat deze materie geschikt werd gemaakt tot het ontvangen van Christus’ Lichaam. Deze materie echter werd niet gevormd tot Lichaam van Christus door een van Adam afkomstige kracht van het zaad. Daarom dan ook heet het, dat Christus naar zijn oorsprong in Adam was naar zijn lichamelijke zelfstandigheid, maar niet op grond van enig zaad.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 7 co.[t:iiia q. 31 a. 7 co.]
1e Weerlegging. Wanneer gezegd wordt, dat Christus naar de lichamelijke zelfstandigheid in Adam was, moet men dit niet zo verstaan, alsof Christus’ Lichaam in Adam een zekere lichamelijke zelfstandigheid was, maar dat de lichamelijke zelfstandigheid van Christus’ Lichaam, d. w. z. de materie, die het aan de Maagd ontleende, in Adam was als in het eerste beginsel dat voortbrengt, en niet in hem als een eerste materieel beginsel waaruit het wordt voortgebracht. Door het op de voortplanting gerichte vermogen van Adam toch en van de overigen, die van Adam afstammen tot en met de H. Maagd toe, werd verwezenlijkt, dat deze materie geschikt werd gemaakt tot het ontvangen van Christus’ Lichaam. Deze materie echter werd niet gevormd tot Lichaam van Christus door een van Adam afkomstige kracht van het zaad. Daarom dan ook heet het, dat Christus naar zijn oorsprong in Adam was naar zijn lichamelijke zelfstandigheid, maar niet op grond van enig zaad.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 31 a. 7 co.[t:iiia q. 31 a. 7 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Hoewel Christus’ Lichaam in Adam en de overige voorvaders niet op grond van enig zaad aanwezig was, toch was wel het lichaam der H. Maagd, dat uit het zaad van de man ontvangen is, op grond van (dit) zaad in Adam en in de andere voorvaders aanwezig. En daarom zegt men dan ook dat Christus naar het vlees middellijk, d.w.z. door de H. Maagd, uit het zaad van David is voortgekomen.
2e Weerlegging. Hoewel Christus’ Lichaam in Adam en de overige voorvaders niet op grond van enig zaad aanwezig was, toch was wel het lichaam der H. Maagd, dat uit het zaad van de man ontvangen is, op grond van (dit) zaad in Adam en in de andere voorvaders aanwezig. En daarom zegt men dan ook dat Christus naar het vlees middellijk, d.w.z. door de H. Maagd, uit het zaad van David is voortgekomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Christus is verwant met het menselijk geslacht naar de soortgelijkheid. Deze soortgelijkheid nu moet men nemen niet naar de verwijderde materie, doch én naar datgene waaruit iets onmiddellijk wordt voortgebracht én naar het bewerkend beginsel, dat iets voortbrengt, aan zich gelijk. Zo derhalve wordt Christus’ verwantschap met het menselijk geslacht voldoende gewaarborgd, doordat Christus’ Lichaam is gevormd uit het bloed der Maagd, hetwelk naar zijn oorsprong van Adam en de overige voorvaders afstamt. En voor deze verwantschap doet het er ook niets aan af, waar de materie tot dit bloed aan ontleend werd; evenmin als dit iets af doet bij de voortbrenging der andere mensen, zoals we in het eerste Deel (119° Kw., 2° Art., Antw. op de 3° B.) gezien hebben.
R: I q. 119 a. 2 ad 3[t:ia q. 119 a. 2 ad 3]
3e Weerlegging. Christus is verwant met het menselijk geslacht naar de soortgelijkheid. Deze soortgelijkheid nu moet men nemen niet naar de verwijderde materie, doch én naar datgene waaruit iets onmiddellijk wordt voortgebracht én naar het bewerkend beginsel, dat iets voortbrengt, aan zich gelijk. Zo derhalve wordt Christus’ verwantschap met het menselijk geslacht voldoende gewaarborgd, doordat Christus’ Lichaam is gevormd uit het bloed der Maagd, hetwelk naar zijn oorsprong van Adam en de overige voorvaders afstamt. En voor deze verwantschap doet het er ook niets aan af, waar de materie tot dit bloed aan ontleend werd; evenmin als dit iets af doet bij de voortbrenging der andere mensen, zoals we in het eerste Deel (119° Kw., 2° Art., Antw. op de 3° B.) gezien hebben.
R: I q. 119 a. 2 ad 3[t:ia q. 119 a. 2 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Was Christus’ Lichaam in de voorvaderen besmet door de zonde?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 31 a. 8 arg. 3[t:iiia q. 31 a. 8 arg. 3]
IIIa q. 31 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat Christus’ Lichaam in de voorvaderen niet door de zonde besmet was. Want in het *Boek der Wijsheid* (7, 25) wordt gezegd, dat niets onreins geraakt in de *Goddelijke Wijsheid*. Christus nu is Gods Wijsheid, zoals blijkt uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 24). Derhalve was Christus’ Lichaam nooit door een zonde besmet.
B: (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24] (Wis 7:25) [b:Wis 7:25]
IIIa q. 31 a. 8 arg. 3[t:iiia q. 31 a. 8 arg. 3]
IIIa q. 31 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat Christus’ Lichaam in de voorvaderen niet door de zonde besmet was. Want in het *Boek der Wijsheid* (7, 25) wordt gezegd, dat niets onreins geraakt in de *Goddelijke Wijsheid*. Christus nu is Gods Wijsheid, zoals blijkt uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 24). Derhalve was Christus’ Lichaam nooit door een zonde besmet.
B: (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24] (Wis 7:25) [b:Wis 7:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Damascenus leert in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof (2e en 11e H.), dat Christus de eerstelingen onzer natuur heeft aangenomen. Maar in de eerste staat was 's mensen vlees door geen zonde besmet. Derhalve was Christus’ vlees niet besmet noch in Adam noch in de andere voorvaderen.
Vervolgens. Damascenus leert in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof (2e en 11e H.), dat Christus de eerstelingen onzer natuur heeft aangenomen. Maar in de eerste staat was 's mensen vlees door geen zonde besmet. Derhalve was Christus’ vlees niet besmet noch in Adam noch in de andere voorvaderen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Augustinus schrijft in het 10e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping: "steeds had de menselijke natuur met de wond tegelijk ook het geneesmiddel dier wond". Maar wat besmet is kan geen geneesmiddel zijn voor een wond, doch heeft eerder zelf een geneesmiddel nodig. Derhalve was er aldoor in de menselijke natuur iets onbesmet; en hieruit werd later het Lichaam van Christus gevormd.
Vervolgens. Augustinus schrijft in het 10e boek van zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping: "steeds had de menselijke natuur met de wond tegelijk ook het geneesmiddel dier wond". Maar wat besmet is kan geen geneesmiddel zijn voor een wond, doch heeft eerder zelf een geneesmiddel nodig. Derhalve was er aldoor in de menselijke natuur iets onbesmet; en hieruit werd later het Lichaam van Christus gevormd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Christus’ Lichaam geen verband houdt met Adam en de overige voorvaders dan door het lichaam der H. Maagd. Welnu het gehele lichaam der H. Maagd was in de erfzonde ontvangen, gelijk boven (14e Kw., Art. 3, Antw. op de 1e B.) gezegd werd; en zodoende was het, ook in zover het in de voorvaders was, besmet door de zonde. Bijgevolg was Christus’ Lichaam in zover het in de voorvaders was, door de zonde besmet.
R: q. 14 a. 3 ad 1[t:iiia q. 14 a. 3 ad 1]
Daartegenover staat echter, dat Christus’ Lichaam geen verband houdt met Adam en de overige voorvaders dan door het lichaam der H. Maagd. Welnu het gehele lichaam der H. Maagd was in de erfzonde ontvangen, gelijk boven (14e Kw., Art. 3, Antw. op de 1e B.) gezegd werd; en zodoende was het, ook in zover het in de voorvaders was, besmet door de zonde. Bijgevolg was Christus’ Lichaam in zover het in de voorvaders was, door de zonde besmet.
R: q. 14 a. 3 ad 1[t:iiia q. 14 a. 3 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 7 co.
Mijn antwoord. Wanneer wij zeggen, dat Christus of zijn vlees in Adam en in de overige voorvaders was, dan vergelijken we Hem of zijn vlees met Adam en met de overige voorvaders. Nu is het echter duidelijk, dat de gesteldheid dier voorvaders een andere was dan die van Christus. Want de voorvaders stonden onder zonde, Christus daarentegen was geheel van zonde vrij. Op grond dus van deze vergelijking kan men op tweevoudige manier dwalen. Op de eerste plaats, doordat we aan Christus of zijn vlees de gesteldheid toeschrijven, welke in de vaders werd aangetroffen: b.v. zo we zouden zeggen, dat Christus in Adam gezondigd heeft, omdat Hij op een of andere wijze in hem was. Maar dit is onjuist, omdat Christus niet op zulk een wijze in hem was, dat Adams zonde iets van Christus zou zijn, daar Hij niet uit hem is voortgekomen naar de wet der begeerlijkheid en evenmin naar het zaad, gelijk boven (Art. 1, Antw. op de 3e B.; Art. 6, Antw. op de 1e B.; 15e Kw., Art. 1, Antw. op de 2e B.) gezegd is. Op de tweede plaats kan men dwalen, zo we aan datgene, wat van Christus daadwerkelijk in de voorvaders was, de gesteldheid van Christus of van zijn vlees toekennen. Zodat we nl. zouden beweren: daar Christus' vlees, voor zover het in Christus was, niet door de zonde besmet was, zo ook was er in Adam en de overige voorvaders een deel van zijn Lichaam, welk deel door geen zonde besmet was en waaruit dan later Christus' Lichaam zou gevormd worden gelijk sommigen hielden. Dit nu kan niet juist zijn. Eerstens, omdat, gelijk boven (vorig Art.) gezegd is, Christus' vlees niet naar iets bepaalds in Adam en de overige vaders aanwezig was, hetwelk men van hun overig vlees zou kunnen onderscheiden als het reine tegenover het onreine. Ten tweede, omdat (daar 's mensen vlees door de zonde wordt besmeurd, wijl het in begeerlijkheid ontvangen wordt), gelijk het gehele vlees van de mens in begeerlijkheid wordt ontvangen, zo ook helemaal door de zonde wordt besmet. En derhalve moet men zeggen, dat het gehele vlees der voorvaders door de zonde bezoedeld was; en in hen was ook niets, dat niet door de zonde was aangetast, waaruit dan later Christus' Lichaam zou gevormd worden.
R: q. 31 a. 1 ad 3[t:iiia q. 31 a. 1 ad 3] q. 31 a. 6 ad 1[t:iiia q. 31 a. 6 ad 1] q. 15 a. 1 ad 2[t:iiia q. 15 a. 1 ad 2] q. 31 a. 6[t:iiia q. 31 a. 6]
Mijn antwoord. Wanneer wij zeggen, dat Christus of zijn vlees in Adam en in de overige voorvaders was, dan vergelijken we Hem of zijn vlees met Adam en met de overige voorvaders. Nu is het echter duidelijk, dat de gesteldheid dier voorvaders een andere was dan die van Christus. Want de voorvaders stonden onder zonde, Christus daarentegen was geheel van zonde vrij. Op grond dus van deze vergelijking kan men op tweevoudige manier dwalen. Op de eerste plaats, doordat we aan Christus of zijn vlees de gesteldheid toeschrijven, welke in de vaders werd aangetroffen: b.v. zo we zouden zeggen, dat Christus in Adam gezondigd heeft, omdat Hij op een of andere wijze in hem was. Maar dit is onjuist, omdat Christus niet op zulk een wijze in hem was, dat Adams zonde iets van Christus zou zijn, daar Hij niet uit hem is voortgekomen naar de wet der begeerlijkheid en evenmin naar het zaad, gelijk boven (Art. 1, Antw. op de 3e B.; Art. 6, Antw. op de 1e B.; 15e Kw., Art. 1, Antw. op de 2e B.) gezegd is. Op de tweede plaats kan men dwalen, zo we aan datgene, wat van Christus daadwerkelijk in de voorvaders was, de gesteldheid van Christus of van zijn vlees toekennen. Zodat we nl. zouden beweren: daar Christus' vlees, voor zover het in Christus was, niet door de zonde besmet was, zo ook was er in Adam en de overige voorvaders een deel van zijn Lichaam, welk deel door geen zonde besmet was en waaruit dan later Christus' Lichaam zou gevormd worden gelijk sommigen hielden. Dit nu kan niet juist zijn. Eerstens, omdat, gelijk boven (vorig Art.) gezegd is, Christus' vlees niet naar iets bepaalds in Adam en de overige vaders aanwezig was, hetwelk men van hun overig vlees zou kunnen onderscheiden als het reine tegenover het onreine. Ten tweede, omdat (daar 's mensen vlees door de zonde wordt besmeurd, wijl het in begeerlijkheid ontvangen wordt), gelijk het gehele vlees van de mens in begeerlijkheid wordt ontvangen, zo ook helemaal door de zonde wordt besmet. En derhalve moet men zeggen, dat het gehele vlees der voorvaders door de zonde bezoedeld was; en in hen was ook niets, dat niet door de zonde was aangetast, waaruit dan later Christus' Lichaam zou gevormd worden.
R: q. 31 a. 1 ad 3[t:iiia q. 31 a. 1 ad 3] q. 31 a. 6 ad 1[t:iiia q. 31 a. 6 ad 1] q. 15 a. 1 ad 2[t:iiia q. 15 a. 1 ad 2] q. 31 a. 6[t:iiia q. 31 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. I. Christus nam van het menselijk geslacht geen vlees aan, dat onder zonde stond, maar vlees, dat van alle zondesmet gezuiverd was. En zodoende geraakte er niets onreins in de Wijsheid Gods.
1e Weerlegging. I. Christus nam van het menselijk geslacht geen vlees aan, dat onder zonde stond, maar vlees, dat van alle zondesmet gezuiverd was. En zodoende geraakte er niets onreins in de Wijsheid Gods.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Naar het heet heeft Christus de eerstelingen onzer natuur aangenomen, voor wat betreft de gelijkheid in gesteltenis; omdat Hij namelijk het niet door zonde bezoedeld vlees heeft aangenomen, gelijk ook 's mensen vlees was vóór de zondeval. Doch dit moet men niet verstaan, alsof die zondeloosheid was voortgezet, namelijk zó dat dit vlees van die zondeloze mens voor zonde zou gevrijwaard blijven tot aan de vorming van Christus’ Lichaam.
2e Weerlegging. Naar het heet heeft Christus de eerstelingen onzer natuur aangenomen, voor wat betreft de gelijkheid in gesteltenis; omdat Hij namelijk het niet door zonde bezoedeld vlees heeft aangenomen, gelijk ook 's mensen vlees was vóór de zondeval. Doch dit moet men niet verstaan, alsof die zondeloosheid was voortgezet, namelijk zó dat dit vlees van die zondeloze mens voor zonde zou gevrijwaard blijven tot aan de vorming van Christus’ Lichaam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Vóór Christus was er in de menselijke natuur daadwerkelijk een wond, d. i. de smet der erfzonde. Het geneesmiddel dier wond echter was daar (in de menselijke natuur) niet daadwerkelijk, maar uitsluitend in zover die natuur de kracht bezat de oorsprong van dat geneesmiddel te zijn, daar toch Christus’ vlees door die vaders moest worden voortgeplant.
3e Weerlegging. Vóór Christus was er in de menselijke natuur daadwerkelijk een wond, d. i. de smet der erfzonde. Het geneesmiddel dier wond echter was daar (in de menselijke natuur) niet daadwerkelijk, maar uitsluitend in zover die natuur de kracht bezat de oorsprong van dat geneesmiddel te zijn, daar toch Christus’ vlees door die vaders moest worden voortgeplant.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Heeft Christus in de lendenen van Abraham tienden betaald?
IIIa q. 31 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat Christus in de lendenen van Abraham tienden heeft betaald. De Apostel toch zegt in zijn Brief aan de Hebreeën (7, 6, vlg.), dat Levi, de achterkleinzoon van Abraham, in Abraham tienden heeft betaald, omdat Levi nog in diens lendenen was, toen Abraham tienden betaalde aan Melchisedech. Christus echter was evenzeer in de lendenen van Abraham, toen deze de tienden gaf. Derhalve heeft ook Christus in Abraham tienden betaald.
B: (Heb 7:6-9) [b:Heb 7:6-9]
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat Christus in de lendenen van Abraham tienden heeft betaald. De Apostel toch zegt in zijn Brief aan de Hebreeën (7, 6, vlg.), dat Levi, de achterkleinzoon van Abraham, in Abraham tienden heeft betaald, omdat Levi nog in diens lendenen was, toen Abraham tienden betaalde aan Melchisedech. Christus echter was evenzeer in de lendenen van Abraham, toen deze de tienden gaf. Derhalve heeft ook Christus in Abraham tienden betaald.
B: (Heb 7:6-9) [b:Heb 7:6-9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Christus is uit het zaad van Abraham naar het vlees, dat Hij van zijn moeder ontving. Welnu, zijn moeder heeft in Abraham tienden betaald. Derhalve om dezelfde reden ook Christus.
Vervolgens. Christus is uit het zaad van Abraham naar het vlees, dat Hij van zijn moeder ontving. Welnu, zijn moeder heeft in Abraham tienden betaald. Derhalve om dezelfde reden ook Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 8 arg. 3
Vervolgens. "Datgene heeft in Abraham tienden betaald, wat genezing behoefde", zoals Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (10° B., 20° H.). Genezing nu behoefde alle vlees, dat zonde-schuldig was. Wilt derhalve Christus’ vlees zonde-schuldig was, zoals in het vorige Artikel werd aangetoond, heeft ook Christus’ vlees, naar men beweert, in Abraham tienden betaald.
R: q. 31 a. 7[t:iiia q. 31 a. 7]
Vervolgens. "Datgene heeft in Abraham tienden betaald, wat genezing behoefde", zoals Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (10° B., 20° H.). Genezing nu behoefde alle vlees, dat zonde-schuldig was. Wilt derhalve Christus’ vlees zonde-schuldig was, zoals in het vorige Artikel werd aangetoond, heeft ook Christus’ vlees, naar men beweert, in Abraham tienden betaald.
R: q. 31 a. 7[t:iiia q. 31 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 8 arg. 4
Vervolgens. Naar men beweert, doet dit op geen enkele manier afbreuk aan Christus’ waardigheid. Niets toch belet, dat, terwijl de vader van een hoogpriester aan een gewoon priester tienden geeft, zijn zoon hoger in priesterlijke waardigheid staat dan een gewoon priester. Ook al zegt men dus, dat Christus tienden betaalde, toen Abraham tienden gaf aan Melchisedech, toch wordt daarniet uitgesloten, dat Christus hoger is dan Melchisedech.
Vervolgens. Naar men beweert, doet dit op geen enkele manier afbreuk aan Christus’ waardigheid. Niets toch belet, dat, terwijl de vader van een hoogpriester aan een gewoon priester tienden geeft, zijn zoon hoger in priesterlijke waardigheid staat dan een gewoon priester. Ook al zegt men dus, dat Christus tienden betaalde, toen Abraham tienden gaf aan Melchisedech, toch wordt daarniet uitgesloten, dat Christus hoger is dan Melchisedech.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (10° B., 20° H.), dat "Christus daar, namelijk in Abraham, geen tienden betaald heeft; zijn vlees ontleende daaraan niet het schijnen van de wonde, maar de materie voor het geneesmiddel".
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (10° B., 20° H.), dat "Christus daar, namelijk in Abraham, geen tienden betaald heeft; zijn vlees ontleende daaraan niet het schijnen van de wonde, maar de materie voor het geneesmiddel".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 8 co.
Mijn antwoord. Volgens de bedoeling van de Apostel moet men zeggen, dat Christus in de lendenen van Abraham geen tienden heeft betaald. De Apostel toch bewijst de stelling, dat het priesterschap, hetwelk volgens de orde van Melchisedech is, hoger staat dan het Levitisch priesterschap, door het feit, dat Abraham tienden gaf aan Melchisedech, toen Levi, aan wie het priesterschap der Wet toekwam, nog in Abrahams lendenen was. Indien nu ook Christus in Abraham tienden had betaald, zou zijn priesterschap niet volgens de orde van Melchisedech zijn, doch lager staan dan het priesterschap van Melchisedech. En bijgevolg moet men zeggen, dat Christus, in de lendenen van Abraham geen tienden heeft betaald, gelijk Levi. Daar toch degene, die tienden geeft, negen tienden voor zich behoudt en aan de ander een tiende afstaat (tien nu is het teken van volmaaktheid, voor zover het in zekeren zin een eindpunt aller getallen is; de getallen toch, lopen door tot op tien), daar- vandaan betuigt hij, die tienden geeft, dat hij onvolmaakt is en dat hij aan de ander de volmaaktheid toekent. De onvolmaaktheid nu van het menselijk geslacht is krachtens de zonde; en deze behoeft de volmaaktheid van degene, die van zonde geneest. Het genezen echter van zonde komt uitsluitend aan Christus toe: Hij toch is het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt, zoals gezegd wordt bij Joannes (1, 29). Hij nu werd voorafgebeeld door Melchisedech, gelijk de Apostel in zijn Brief aan de Hebreën (7e H.) aantoont. Door dus tienden te geven aan Melchisedech, beeldde Abraham vooraf, dat hij, als in zonde ontvangen, en al degenen, die van hem zouden afstammen, zo dat zij de erfzonde op zich zouden trekken, de genezing behoeven, welke geschiedt door Christus. Uitsluitend Christus echter was op zulk een wijze in Abraham, dat Hij niet van hem afstamde krachtens het zaad, doch alleen naar de lichamelijke zelfstandigheid. En bijgevolg was Hij niet in Abraham als een die genezing behoeft, maar eer als het geneesmiddel der wonde. En derhalve heeft Hij in de lendenen van Abraham geen tienden betaald.
Mijn antwoord. Volgens de bedoeling van de Apostel moet men zeggen, dat Christus in de lendenen van Abraham geen tienden heeft betaald. De Apostel toch bewijst de stelling, dat het priesterschap, hetwelk volgens de orde van Melchisedech is, hoger staat dan het Levitisch priesterschap, door het feit, dat Abraham tienden gaf aan Melchisedech, toen Levi, aan wie het priesterschap der Wet toekwam, nog in Abrahams lendenen was. Indien nu ook Christus in Abraham tienden had betaald, zou zijn priesterschap niet volgens de orde van Melchisedech zijn, doch lager staan dan het priesterschap van Melchisedech. En bijgevolg moet men zeggen, dat Christus, in de lendenen van Abraham geen tienden heeft betaald, gelijk Levi. Daar toch degene, die tienden geeft, negen tienden voor zich behoudt en aan de ander een tiende afstaat (tien nu is het teken van volmaaktheid, voor zover het in zekeren zin een eindpunt aller getallen is; de getallen toch, lopen door tot op tien), daar- vandaan betuigt hij, die tienden geeft, dat hij onvolmaakt is en dat hij aan de ander de volmaaktheid toekent. De onvolmaaktheid nu van het menselijk geslacht is krachtens de zonde; en deze behoeft de volmaaktheid van degene, die van zonde geneest. Het genezen echter van zonde komt uitsluitend aan Christus toe: Hij toch is het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt, zoals gezegd wordt bij Joannes (1, 29). Hij nu werd voorafgebeeld door Melchisedech, gelijk de Apostel in zijn Brief aan de Hebreën (7e H.) aantoont. Door dus tienden te geven aan Melchisedech, beeldde Abraham vooraf, dat hij, als in zonde ontvangen, en al degenen, die van hem zouden afstammen, zo dat zij de erfzonde op zich zouden trekken, de genezing behoeven, welke geschiedt door Christus. Uitsluitend Christus echter was op zulk een wijze in Abraham, dat Hij niet van hem afstamde krachtens het zaad, doch alleen naar de lichamelijke zelfstandigheid. En bijgevolg was Hij niet in Abraham als een die genezing behoeft, maar eer als het geneesmiddel der wonde. En derhalve heeft Hij in de lendenen van Abraham geen tienden betaald.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 8 ad 1
Et per hoc Uit het bovenstaande blijkt het antwoord op de eerste bedenking.
B: (John 1:29, John 1:29) [b:John 1:29] (Heb 7) [b:Heb 7]
Et per hoc Uit het bovenstaande blijkt het antwoord op de eerste bedenking.
B: (John 1:29, John 1:29) [b:John 1:29] (Heb 7) [b:Heb 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Daar de H. Maagd in erfzonde ontvangen werd, was zij in Abraham als een die genezing behoeft. En bijgevolg heeft zij daar tienden betaald, als van hem afstammend door het zaad. Bij het Lichaam van Christus echter was dit niet het geval, zoals blijkt uit hetgeen in de leerstelling werd aangetoond.
2e Weerlegging. Daar de H. Maagd in erfzonde ontvangen werd, was zij in Abraham als een die genezing behoeft. En bijgevolg heeft zij daar tienden betaald, als van hem afstammend door het zaad. Bij het Lichaam van Christus echter was dit niet het geval, zoals blijkt uit hetgeen in de leerstelling werd aangetoond.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Van Christus’ vlees zegt men, dat het in zijn voorvaders zonde-schuldig was naar de hoedanigheid, die het had in de voorouders zelf, die tienden hebben betaald. Maar niet naar de hoedanigheid, die het heeft voor zover het daadwerkelijk is in Christus, die geen tienden betaalde.
3e Weerlegging. Van Christus’ vlees zegt men, dat het in zijn voorvaders zonde-schuldig was naar de hoedanigheid, die het had in de voorouders zelf, die tienden hebben betaald. Maar niet naar de hoedanigheid, die het heeft voor zover het daadwerkelijk is in Christus, die geen tienden betaalde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 31 a. 8 ad 4
4e Weerlegging. Het Levitisch priesterschap zette zich voort naar de afstamming des vleses. Derhalve was het niet minder in Abraham dan in Levi. Doordat Abraham tienden gaf aan Melchisedech als aan zijn meerdere, wordt dus aangetoond, dat het priesterschap van Melchisedech, in zover hij Christus voorafbeeldt, hoger staat dan het Levitisch priesterschap. Christus’ priesterschap echter volgt niet de lijn van vleselijke afstamming, maar de geestelijke genade. En zo is het dus mogelijk, dat een vader tienden gaf aan een priester als de mindere aan zijn meerdere, terwijl toch zijn zoon, indien deze hoogepriester is, hoger is dan die priester, niet om de vleselijke afstamming, maar om de geestelijke genade, die hij van Christus ontvangt.
4e Weerlegging. Het Levitisch priesterschap zette zich voort naar de afstamming des vleses. Derhalve was het niet minder in Abraham dan in Levi. Doordat Abraham tienden gaf aan Melchisedech als aan zijn meerdere, wordt dus aangetoond, dat het priesterschap van Melchisedech, in zover hij Christus voorafbeeldt, hoger staat dan het Levitisch priesterschap. Christus’ priesterschap echter volgt niet de lijn van vleselijke afstamming, maar de geestelijke genade. En zo is het dus mogelijk, dat een vader tienden gaf aan een priester als de mindere aan zijn meerdere, terwijl toch zijn zoon, indien deze hoogepriester is, hoger is dan die priester, niet om de vleselijke afstamming, maar om de geestelijke genade, die hij van Christus ontvangt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 32: Over het actieve beginsel, dat Christus ontvangenis bewerkte
IIIa q. 32 pr.
Vervolgens moeten we spreken over het actieve beginsel, dat Christus’ ontvangenis tot stand deed komen. (Vgl. de Inleiding op de een en dertigste Kwestie.) Hieromtrent worden vier vragen gesteld:
1. Was de H. Geest het bewerkend beginsel van Christus’ ontvangenis?
2. Kan men zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest?
3. Kan men zeggen, dat de H. Geest de Vader is van Christus naar het vlees?
4. Heeft de H. Maagd zelf actief iets bewerkt bij de ontvangenis van Christus?
Vervolgens moeten we spreken over het actieve beginsel, dat Christus’ ontvangenis tot stand deed komen. (Vgl. de Inleiding op de een en dertigste Kwestie.) Hieromtrent worden vier vragen gesteld:
1. Was de H. Geest het bewerkend beginsel van Christus’ ontvangenis?
2. Kan men zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest?
3. Kan men zeggen, dat de H. Geest de Vader is van Christus naar het vlees?
4. Heeft de H. Maagd zelf actief iets bewerkt bij de ontvangenis van Christus?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Moet het tot stand doen komen van Christus’ ontvangenis worden toegeschreven aan de H. Geest?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 6 a. 6 ad 3
IIIa q. 32 a. 3 arg. 3
IIIa q. 33 a. 1 co.[t:iiia q. 6 a. 6 ad 3][t:iiia q. 32 a. 3 arg. 3][t:iiia q. 33 a. 1 co.]
IIIa q. 32 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het tot stand komen van Christus’ ontvangenis niet aan de H. Geest moet worden toegeschreven. Want, zoals Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid (1° B., 4° H.; 4° B., 21° H.) zijn de werken der Drievuldigheid onverdeeld, gelijk ook het wezen der Drievuldigheid onverdeeld is. Welnu, het tot stand komen van Christus’ ontvangenis is het werk van God. Derhalve moet het niet méér worden toegeschreven aan de H. Geest dan aan de Vader of aan de Zoon.
IIIa q. 6 a. 6 ad 3
IIIa q. 32 a. 3 arg. 3
IIIa q. 33 a. 1 co.[t:iiia q. 6 a. 6 ad 3][t:iiia q. 32 a. 3 arg. 3][t:iiia q. 33 a. 1 co.]
IIIa q. 32 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het tot stand komen van Christus’ ontvangenis niet aan de H. Geest moet worden toegeschreven. Want, zoals Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid (1° B., 4° H.; 4° B., 21° H.) zijn de werken der Drievuldigheid onverdeeld, gelijk ook het wezen der Drievuldigheid onverdeeld is. Welnu, het tot stand komen van Christus’ ontvangenis is het werk van God. Derhalve moet het niet méér worden toegeschreven aan de H. Geest dan aan de Vader of aan de Zoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De Apostel zegt in zijn Brief aan de Galaten (4, 4): "Toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw"; in zijn verklaring van deze woorden schrijft Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (4° B., 19° H.): "Vanzelfsprekend door dengene gezonden, door wie Hij uit de vrouw geboren werd". De zending nu van de Zoon wordt in het bijzonder toegeschreven aan de Vader, zoals in het eerste deel (43° Kw., 8° Art.) werd aangetoond. Bijgevolg moet ook de ontvangenis, krachtens welke Hij uit de vrouw geboren werd, in het bijzonder aan de Vader worden toegeschreven.
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
R: I q. 43 a. 8[t:ia q. 43 a. 8]
Vervolgens. De Apostel zegt in zijn Brief aan de Galaten (4, 4): "Toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd uit een vrouw"; in zijn verklaring van deze woorden schrijft Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (4° B., 19° H.): "Vanzelfsprekend door dengene gezonden, door wie Hij uit de vrouw geboren werd". De zending nu van de Zoon wordt in het bijzonder toegeschreven aan de Vader, zoals in het eerste deel (43° Kw., 8° Art.) werd aangetoond. Bijgevolg moet ook de ontvangenis, krachtens welke Hij uit de vrouw geboren werd, in het bijzonder aan de Vader worden toegeschreven.
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
R: I q. 43 a. 8[t:ia q. 43 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 1 arg. 3
Vervolgens. In het Boek der Spreuken (9, 1) wordt gezegd: "De wijsheid heeft zich een huis gebouwd". Gods Wijsheid nu is Christus, volgens het woord van de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 24): "Christus, Gods kracht en Gods wijsheid". Het huis echter dezer Wijsheid is het lichaam van Christus, dat blijkens Joannes (2, 21) ook zijn tempel wordt genoemd: "Dit nu zeide Hij over de tempel van zijn lichaam". Derhalve moet het tot stand doen komen van de ontvangenis van Christus’ lichaam bijzonderlijk aan de Zoon worden toegeschreven. En dus niet aan de H. Geest.
B: (Prov 9:1) [b:Prov 9:1] (John 2:21) [b:John 2:21] (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24]
Vervolgens. In het Boek der Spreuken (9, 1) wordt gezegd: "De wijsheid heeft zich een huis gebouwd". Gods Wijsheid nu is Christus, volgens het woord van de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 24): "Christus, Gods kracht en Gods wijsheid". Het huis echter dezer Wijsheid is het lichaam van Christus, dat blijkens Joannes (2, 21) ook zijn tempel wordt genoemd: "Dit nu zeide Hij over de tempel van zijn lichaam". Derhalve moet het tot stand doen komen van de ontvangenis van Christus’ lichaam bijzonderlijk aan de Zoon worden toegeschreven. En dus niet aan de H. Geest.
B: (Prov 9:1) [b:Prov 9:1] (John 2:21) [b:John 2:21] (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Lucas (1, 35): "De H. Geest zal op u nederdalen, enz.".
B: (Luke 1:35) [b:Luke 1:35]
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Lucas (1, 35): "De H. Geest zal op u nederdalen, enz.".
B: (Luke 1:35) [b:Luke 1:35]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 1 co.
Mijn antwoord. Geheel de H. Drievuldigheid heeft de ontvangenis van Christus’ lichaam bewerkt; maar om een drievoudige reden wordt zij in het bijzonder aan de H. Geest toegeschreven. 1e, wijl dit overeenstemt met de oorzaak der menswording, wanneer men die oorzaak beziet van de kant van God. De H. Geest toch is de Liefde van de Vader en de Zoon, gelijk in het eerste deel (37° Kw., 1° Art.) werd aangetoond. Dat nu Gods Zoon zich het vlees aannam in de maagdelijke schoot, kwam juist uit Gods grootste Liefde voort; daarom dan ook heet het in Joannes (3, 16): "Zozeer heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven". 2e, wijl dit overeenstemt met de oorzaak die de menswording heeft van de kant der aangenomen natuur. Want hierdoor wordt te verstaan gegeven, dat de menselijke natuur door Gods Zoon is aangenomen tot de eenheid van zijn persoon, niet krachtens enige verdiensten, maar uitsluitend krachtens de genade: en deze genade wordt aan de H. Geest toegeschreven, overeenkomstig de Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 4): "Er is verscheidenheid van genadegaven, de Geest echter is dezelfde". Vandaar zegt Augustinus in zijn Enchiridion (40° H.): "Deze wijze, waarop Christus van de H. Geest geboren werd, is voor ons een zinspeling op Gods genade, waardoor de mens, zonder dat enige verdiensten er aan voorafgingen, vanaf het allereerste ogenblik, waarop zijn (menselijke) natuur begon te bestaan, met het Woord Gods werd verenigd in een dusdanige eenheid van persoon, dat diezelfde mens Gods Zoon zelf was". 3e, wijl dit overeenstemt met het eindpunt der menswording. Het eindpunt der menswording toch lag hierin, dat deze mens, die ontvangen werd, heilig zou wezen en de Zoon van God zou zijn. Welnu, (het tot stand brengen van) elk dezer beide punten wordt aan de H. Geest toegeschreven. Want door Hem worden de mensen gemaakt tot kinderen Gods, zoals blijkt uit de Brief aan de Galaten (4, 6): "En (het bewijs), dat ge kinderen Gods zijt: "God heeft de Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden, en deze roept: Abba, Vader!" Hij is dan ook "de Geest van heiligmaking", zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (1, 4). Gelijk dus de anderen geestelijk worden geheiligd door de H. Geest, om aangenomen kinderen Gods te wezen, zo ook werd Christus door de inwerking des H. Geestes in heiligheid ontvangen, om de natuurlijke Zoon van God te zijn. Vandaar ook, dat in de Brief aan de Romeinen (1, 4) de woorden die voorafgaan: "Die te voren bestemd is als Zoon Gods in kracht", volgens een der glossen, worden verduidelijkt door datgene wat er onmiddellijk op volgt: "naar de Geest der Heiligmaking", d. w. z. doordat Hij van de H. Geest ontvangen werd. Zo ook de engel, die de boodschap overbracht: nadat hij eerst had aangekondigd: "De H. Geest zal op u nederdalen", besluit hij: "Daarom ook zal het heilige, dat uit u wordt geboren, de Zoon van God worden genoemd".
B: (John 3:16) [b:John 3:16]
R: I q. 37 a. 1[t:ia q. 37 a. 1]
Mijn antwoord. Geheel de H. Drievuldigheid heeft de ontvangenis van Christus’ lichaam bewerkt; maar om een drievoudige reden wordt zij in het bijzonder aan de H. Geest toegeschreven. 1e, wijl dit overeenstemt met de oorzaak der menswording, wanneer men die oorzaak beziet van de kant van God. De H. Geest toch is de Liefde van de Vader en de Zoon, gelijk in het eerste deel (37° Kw., 1° Art.) werd aangetoond. Dat nu Gods Zoon zich het vlees aannam in de maagdelijke schoot, kwam juist uit Gods grootste Liefde voort; daarom dan ook heet het in Joannes (3, 16): "Zozeer heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven". 2e, wijl dit overeenstemt met de oorzaak die de menswording heeft van de kant der aangenomen natuur. Want hierdoor wordt te verstaan gegeven, dat de menselijke natuur door Gods Zoon is aangenomen tot de eenheid van zijn persoon, niet krachtens enige verdiensten, maar uitsluitend krachtens de genade: en deze genade wordt aan de H. Geest toegeschreven, overeenkomstig de Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 4): "Er is verscheidenheid van genadegaven, de Geest echter is dezelfde". Vandaar zegt Augustinus in zijn Enchiridion (40° H.): "Deze wijze, waarop Christus van de H. Geest geboren werd, is voor ons een zinspeling op Gods genade, waardoor de mens, zonder dat enige verdiensten er aan voorafgingen, vanaf het allereerste ogenblik, waarop zijn (menselijke) natuur begon te bestaan, met het Woord Gods werd verenigd in een dusdanige eenheid van persoon, dat diezelfde mens Gods Zoon zelf was". 3e, wijl dit overeenstemt met het eindpunt der menswording. Het eindpunt der menswording toch lag hierin, dat deze mens, die ontvangen werd, heilig zou wezen en de Zoon van God zou zijn. Welnu, (het tot stand brengen van) elk dezer beide punten wordt aan de H. Geest toegeschreven. Want door Hem worden de mensen gemaakt tot kinderen Gods, zoals blijkt uit de Brief aan de Galaten (4, 6): "En (het bewijs), dat ge kinderen Gods zijt: "God heeft de Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden, en deze roept: Abba, Vader!" Hij is dan ook "de Geest van heiligmaking", zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (1, 4). Gelijk dus de anderen geestelijk worden geheiligd door de H. Geest, om aangenomen kinderen Gods te wezen, zo ook werd Christus door de inwerking des H. Geestes in heiligheid ontvangen, om de natuurlijke Zoon van God te zijn. Vandaar ook, dat in de Brief aan de Romeinen (1, 4) de woorden die voorafgaan: "Die te voren bestemd is als Zoon Gods in kracht", volgens een der glossen, worden verduidelijkt door datgene wat er onmiddellijk op volgt: "naar de Geest der Heiligmaking", d. w. z. doordat Hij van de H. Geest ontvangen werd. Zo ook de engel, die de boodschap overbracht: nadat hij eerst had aangekondigd: "De H. Geest zal op u nederdalen", besluit hij: "Daarom ook zal het heilige, dat uit u wordt geboren, de Zoon van God worden genoemd".
B: (John 3:16) [b:John 3:16]
R: I q. 37 a. 1[t:ia q. 37 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Het tot stand doen komen van de ontvangenis is inderdaad een gemeenschappelijk werk van de gehele Drievuldigheid; maar in een bepaalde zin wordt het aan de afzonderlijke Personen toegeschreven. Want de Vader schrijft men gezag toe aangaande de Persoon des Zoons, die door deze ontvangenis zich (de menselijke natuur) heeft aangenomen; de Zoon schrijft men de aanneming zelf van het vlees toe; maar aan de H. Geest schrijft men toe de vorming van het lichaam, dat door de Zoon wordt aangenomen. Want de H. Geest is de Geest van de Zoon, naar het woord van de Brief aan de Galaten (4, 6): "God heeft de Geest van zijn Zoon gezonden". Zoals nu de kracht der ziel, die in het zaad aanwezig is bij de voortbrenging van andere mensen, door middel van de geest, welke in het zaad bevat is, het lichaam vormt, zo ook vormde de Kracht-Gods — deze nu is de Zoon zelf, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 24): "Christus, de Kracht Gods" — door middel van de H. Geest het lichaam, dat Hij heeft aangenomen. Dit wordt eveneens aangetoond door de woorden van de engel, waar deze zegt: "De H. Geest zal over u nederdalen", als het ware om de materie voor Christus' lichaam klaar te maken en te vormen; "en de Kracht des Allerhoogsten (d. w. z. Christus) zal u overschaduwen"; "d. w. z. — gelijk Gregorius in zijn Zedenleer schrijft (18e B., 20e H.) — het onlichamelijke licht der Godheid zal in u het menselijk lichaam doen ontvangen; de schaduw toch wordt èn door het licht èn door het lichaam gevormd". Onder de "Allerhoogste" heeft men de Vader te verstaan, wiens Kracht de Zoon is.
B: (1Cor 12:4) [b:1Cor 12:4]
1e Weerlegging. Het tot stand doen komen van de ontvangenis is inderdaad een gemeenschappelijk werk van de gehele Drievuldigheid; maar in een bepaalde zin wordt het aan de afzonderlijke Personen toegeschreven. Want de Vader schrijft men gezag toe aangaande de Persoon des Zoons, die door deze ontvangenis zich (de menselijke natuur) heeft aangenomen; de Zoon schrijft men de aanneming zelf van het vlees toe; maar aan de H. Geest schrijft men toe de vorming van het lichaam, dat door de Zoon wordt aangenomen. Want de H. Geest is de Geest van de Zoon, naar het woord van de Brief aan de Galaten (4, 6): "God heeft de Geest van zijn Zoon gezonden". Zoals nu de kracht der ziel, die in het zaad aanwezig is bij de voortbrenging van andere mensen, door middel van de geest, welke in het zaad bevat is, het lichaam vormt, zo ook vormde de Kracht-Gods — deze nu is de Zoon zelf, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 24): "Christus, de Kracht Gods" — door middel van de H. Geest het lichaam, dat Hij heeft aangenomen. Dit wordt eveneens aangetoond door de woorden van de engel, waar deze zegt: "De H. Geest zal over u nederdalen", als het ware om de materie voor Christus' lichaam klaar te maken en te vormen; "en de Kracht des Allerhoogsten (d. w. z. Christus) zal u overschaduwen"; "d. w. z. — gelijk Gregorius in zijn Zedenleer schrijft (18e B., 20e H.) — het onlichamelijke licht der Godheid zal in u het menselijk lichaam doen ontvangen; de schaduw toch wordt èn door het licht èn door het lichaam gevormd". Onder de "Allerhoogste" heeft men de Vader te verstaan, wiens Kracht de Zoon is.
B: (1Cor 12:4) [b:1Cor 12:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Het gezonden worden heeft betrekking op de Persoon, die het lichaam aannam; en deze Persoon wordt gezonden door de Vader. Maar de ontvangenis heeft betrekking op het lichaam, dat aangenomen werd, en dit lichaam werd gevormd door de inwerking des H. Geestes. En derhalve, hoewel het gezonden worden en het ontvangen worden één zijn in de Persoon, die gezonden en ontvangen werd, toch wordt het zenden toegeschreven aan de Vader, het tot stand doen komen der ontvangenis echter aan de H. Geest, omdat voor het verstand het zenden iets anders is dan het tot stand brengen der ontvangenis. Doch het aannemen van het vlees wordt de Zoon toegeschreven.
B: (Rom 1:4) [b:Rom 1:4] (Rom 1:4) [b:Rom 1:4] (Gal 4:6) [b:Gal 4:6]
2e Weerlegging. Het gezonden worden heeft betrekking op de Persoon, die het lichaam aannam; en deze Persoon wordt gezonden door de Vader. Maar de ontvangenis heeft betrekking op het lichaam, dat aangenomen werd, en dit lichaam werd gevormd door de inwerking des H. Geestes. En derhalve, hoewel het gezonden worden en het ontvangen worden één zijn in de Persoon, die gezonden en ontvangen werd, toch wordt het zenden toegeschreven aan de Vader, het tot stand doen komen der ontvangenis echter aan de H. Geest, omdat voor het verstand het zenden iets anders is dan het tot stand brengen der ontvangenis. Doch het aannemen van het vlees wordt de Zoon toegeschreven.
B: (Rom 1:4) [b:Rom 1:4] (Rom 1:4) [b:Rom 1:4] (Gal 4:6) [b:Gal 4:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. In zijn werk Over de Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond (52° Vr.) schrijft Augustinus: "Dit kan in dubbelen zin worden verstaan. Op de eerste plaats toch is het huis van Christus de Kerk, die Hij zich gebouwd heeft door zijn bloed. Vervolgens kan ook zijn lichaam zijn huis worden genoemd, gelijk het ook zijn tempel heet. Dit nu, gemaakt door de H. Geest, is een werk van de Zoon Gods krachtens de eenheid van hun natuur en wil".
B: (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24] (Gal 4:6) [b:Gal 4:6]
3e Weerlegging. In zijn werk Over de Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond (52° Vr.) schrijft Augustinus: "Dit kan in dubbelen zin worden verstaan. Op de eerste plaats toch is het huis van Christus de Kerk, die Hij zich gebouwd heeft door zijn bloed. Vervolgens kan ook zijn lichaam zijn huis worden genoemd, gelijk het ook zijn tempel heet. Dit nu, gemaakt door de H. Geest, is een werk van de Zoon Gods krachtens de eenheid van hun natuur en wil".
B: (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24] (Gal 4:6) [b:Gal 4:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Moet men zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 32 a. 3 arg. 3[t:iiia q. 32 a. 3 arg. 3]
IIIa q. 32 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat men niet moet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest. Want aangaande de woorden van de Brief aan de Romeinen (11, 36): "Uit Hem en door Hem en in Hem is alles", schrijft een Glosse van Augustinus: "Men moet er wel op letten, dat de Apostel niet zegt: "van Hem", maar "uit Hem". Uit Hem toch zijn hemel en aarde, omdat Hij ze gemaakt heeft. Maar zij zijn niet van Hem, omdat zij niet van zijn eigen zelfstandigheid zijn". Welnu, ook de H. Geest vormde Christus’ lichaam niet van zijn eigen zelfstandigheid. Derhalve moet men niet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest.
B: (Rom 11:36) [b:Rom 11:36]
IIIa q. 32 a. 3 arg. 3[t:iiia q. 32 a. 3 arg. 3]
IIIa q. 32 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat men niet moet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest. Want aangaande de woorden van de Brief aan de Romeinen (11, 36): "Uit Hem en door Hem en in Hem is alles", schrijft een Glosse van Augustinus: "Men moet er wel op letten, dat de Apostel niet zegt: "van Hem", maar "uit Hem". Uit Hem toch zijn hemel en aarde, omdat Hij ze gemaakt heeft. Maar zij zijn niet van Hem, omdat zij niet van zijn eigen zelfstandigheid zijn". Welnu, ook de H. Geest vormde Christus’ lichaam niet van zijn eigen zelfstandigheid. Derhalve moet men niet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest.
B: (Rom 11:36) [b:Rom 11:36]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Het tot stand brengend beginsel, van hetwelk iets wordt ontvangen, verhoudt zich gelijk het zaad bij de voortbrenging. Maar de H. Geest verhield zich niet als zaad bij Christus’ ontvangenis. Hieronymus toch zegt in zijn werk *Uiteenzetting van het Katholiek Geloof*: "Wij houden niet, gelijk sommigen zeer dwaas menen, dat de H. Geest als zaad gediend heeft, maar dat Hij in de kracht en macht van Schepper Christus’ lichaam heeft doen ontstaan", d. w. z. heeft gevormd. Men moet dus niet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest.
Vervolgens. Het tot stand brengend beginsel, van hetwelk iets wordt ontvangen, verhoudt zich gelijk het zaad bij de voortbrenging. Maar de H. Geest verhield zich niet als zaad bij Christus’ ontvangenis. Hieronymus toch zegt in zijn werk *Uiteenzetting van het Katholiek Geloof*: "Wij houden niet, gelijk sommigen zeer dwaas menen, dat de H. Geest als zaad gediend heeft, maar dat Hij in de kracht en macht van Schepper Christus’ lichaam heeft doen ontstaan", d. w. z. heeft gevormd. Men moet dus niet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Van twee zijden wordt niet iets eens gemaakt, tenzij ze op enigerlei wijze verbonden worden. Maar Christus’ lichaam is gevormd uit de Maagd Maria. Indien men derhalve zegt, dat Christus ontvangen is van de H. Geest, dan, zo beweert men, zou er een verbinding hebben plaats gehad van de H. Geest met de materie, die door de H. Maagd geleverd werd. Dit is echter blijkbaar onwaar. Derhalve moet men niet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest.
Vervolgens. Van twee zijden wordt niet iets eens gemaakt, tenzij ze op enigerlei wijze verbonden worden. Maar Christus’ lichaam is gevormd uit de Maagd Maria. Indien men derhalve zegt, dat Christus ontvangen is van de H. Geest, dan, zo beweert men, zou er een verbinding hebben plaats gehad van de H. Geest met de materie, die door de H. Maagd geleverd werd. Dit is echter blijkbaar onwaar. Derhalve moet men niet zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 2 s. c.
Daartegenover echter staat hetgeen we lezen in Mattheus (1, 18): "Voordat zij gingen samenwonen, werd zij zwanger bevonden van de H. Geest".
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18]
Daartegenover echter staat hetgeen we lezen in Mattheus (1, 18): "Voordat zij gingen samenwonen, werd zij zwanger bevonden van de H. Geest".
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 2 co.
Mijn antwoord. De ontvangenis wordt niet alleen toegeschreven aan Christus’ lichaam, maar ook aan Christus zelf, juist om reden van dit lichaam. In de H. Geest echter heeft men een tweevoudige verhouding te bezien ten opzichte van Christus. Want ten opzichte van de Zoon Gods, van wie gezegd wordt, dat Hij ontvangen is, staat Hij in de verhouding van mede-zelfstandigheid; ten opzichte echter van diens lichaam verhoudt Hij zich als de tot stand brengende oorzaak. Dit voorzetsel "van" nu geeft beide verhoudingen aan, gelijk wanneer we zeggen, dat iemand van zijn vader is. En bijgevolg kunnen we passend zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest in die zin, namelijk dat de werkdadigheid van de H. Geest betrekking heeft op het aangenomen lichaam, en de mede-zelfstandigheid betrekking heeft op de Persoon, die heeft aangenomen.
Mijn antwoord. De ontvangenis wordt niet alleen toegeschreven aan Christus’ lichaam, maar ook aan Christus zelf, juist om reden van dit lichaam. In de H. Geest echter heeft men een tweevoudige verhouding te bezien ten opzichte van Christus. Want ten opzichte van de Zoon Gods, van wie gezegd wordt, dat Hij ontvangen is, staat Hij in de verhouding van mede-zelfstandigheid; ten opzichte echter van diens lichaam verhoudt Hij zich als de tot stand brengende oorzaak. Dit voorzetsel "van" nu geeft beide verhoudingen aan, gelijk wanneer we zeggen, dat iemand van zijn vader is. En bijgevolg kunnen we passend zeggen, dat Christus ontvangen is van de H. Geest in die zin, namelijk dat de werkdadigheid van de H. Geest betrekking heeft op het aangenomen lichaam, en de mede-zelfstandigheid betrekking heeft op de Persoon, die heeft aangenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Omdat Christus’ lichaam niet mede-zelfstandig is met de H. Geest, kan men niet in eigenlijke zin zeggen, dat het van de H. Geest ontvangen is maar beter: uit de H. Geest, gelijk Ambrosius leert in zijn werk Over de H. Geest (2e B., 5e H.): "Wat uit iemand is, is ófwel uit zijn zelfstandigheid ófwel uit zijn macht: uit de zelfstandigheid, zoals de Zoon, die uit de Vader is; uit de macht, zoals alles uit God is, zoals ook Maria zwanger was uit de H. Geest".
1e Weerlegging. Omdat Christus’ lichaam niet mede-zelfstandig is met de H. Geest, kan men niet in eigenlijke zin zeggen, dat het van de H. Geest ontvangen is maar beter: uit de H. Geest, gelijk Ambrosius leert in zijn werk Over de H. Geest (2e B., 5e H.): "Wat uit iemand is, is ófwel uit zijn zelfstandigheid ófwel uit zijn macht: uit de zelfstandigheid, zoals de Zoon, die uit de Vader is; uit de macht, zoals alles uit God is, zoals ook Maria zwanger was uit de H. Geest".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Naar het schijnt, bestaat hieromtrent enig verschil tussen Hieronymus en sommige andere Leeraars, die houden, dat de H. Geest bij de onvangenis de plaats heeft ingenomen van het zaad. Chrysostomus toch zegt in zijn Uitleg op Mattheus: "Aan de ééngeboren Zoon van God, die zou intreden in de Maagd, ging de H. Geest vooraf; opdat, door dit vóórgaan des H. Geestes, Christus naar het lichaam zou worden geboren tot heiliging, daar de Godheid tot haar inging in plaats van het zaad". En Damascenus schrijft in zijn werk Over het Waarachtig Geloof (3e B., 2e H.) : "Haar overschaduwden Gods Wijsheid en Gods Kracht als een Goddelijk zaad". Maar dit verschil wordt gemakkelijk overbrugd. Want Chrysostomus en Damascenus vergelijken de H. Geest of ook wel de Zoon die "de Kracht des Allerhoogsten" is bij het zaad, in zover men zich in het zaad een tot stand brengende kracht denkt. Voor zover men echter onder het zaad een lichamelijke zelfstandigheid verstaat, die bij de ontvangenis wezenlijk veranderd wordt, ontkent Hieronymus, dat de H. Geest de plaats van het zaad heeft ingenomen.
2e Weerlegging. Naar het schijnt, bestaat hieromtrent enig verschil tussen Hieronymus en sommige andere Leeraars, die houden, dat de H. Geest bij de onvangenis de plaats heeft ingenomen van het zaad. Chrysostomus toch zegt in zijn Uitleg op Mattheus: "Aan de ééngeboren Zoon van God, die zou intreden in de Maagd, ging de H. Geest vooraf; opdat, door dit vóórgaan des H. Geestes, Christus naar het lichaam zou worden geboren tot heiliging, daar de Godheid tot haar inging in plaats van het zaad". En Damascenus schrijft in zijn werk Over het Waarachtig Geloof (3e B., 2e H.) : "Haar overschaduwden Gods Wijsheid en Gods Kracht als een Goddelijk zaad". Maar dit verschil wordt gemakkelijk overbrugd. Want Chrysostomus en Damascenus vergelijken de H. Geest of ook wel de Zoon die "de Kracht des Allerhoogsten" is bij het zaad, in zover men zich in het zaad een tot stand brengende kracht denkt. Voor zover men echter onder het zaad een lichamelijke zelfstandigheid verstaat, die bij de ontvangenis wezenlijk veranderd wordt, ontkent Hieronymus, dat de H. Geest de plaats van het zaad heeft ingenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.) schrijft, zegt men niet in dezelfde zin, dat Christus ontvangen of geboren is van de H. Geest, en dat Hij ontvangen of geboren is van de Maagd Maria. Want van Maria werd Hij ontvangen of geboren als van de materiaal-oorzaak, van de H. Geest echter als van degene, die tot stand deed komen. En bijgevolg was er hier geen plaats voor een verbinding.
3e Weerlegging. Zoals Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.) schrijft, zegt men niet in dezelfde zin, dat Christus ontvangen of geboren is van de H. Geest, en dat Hij ontvangen of geboren is van de Maagd Maria. Want van Maria werd Hij ontvangen of geboren als van de materiaal-oorzaak, van de H. Geest echter als van degene, die tot stand deed komen. En bijgevolg was er hier geen plaats voor een verbinding.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Moet men zeggen, dat de H. Geest de Vader was van Christus naar zijn mensheid?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 35 a. 3 ad 1[t:iiia q. 35 a. 3 ad 1]
IIIa q. 32 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat men moet zeggen, dat de H. Geest de vader was van Christus naar zijn mensheid. Want volgens de Wijsgeer in zijn werk *Over de Voortbrenging der Dieren* (1° B., 20° en 21° H.; 2° B., 4° H.) geeft de vader het tot stand brengend beginsel bij de voortbrenging, en verschaft de moeder de materie. Welnu de H. Maagd wordt moeder van Christus genoemd om de materie, die zij bij zijn ontvangenis verschaft. Derhalve kan men ook zeggen, dat de H. Geest zijn vader was, omdat Hij het tot stand brengend beginsel was bij zijn ontvangenis.
IIIa q. 35 a. 3 ad 1[t:iiia q. 35 a. 3 ad 1]
IIIa q. 32 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat men moet zeggen, dat de H. Geest de vader was van Christus naar zijn mensheid. Want volgens de Wijsgeer in zijn werk *Over de Voortbrenging der Dieren* (1° B., 20° en 21° H.; 2° B., 4° H.) geeft de vader het tot stand brengend beginsel bij de voortbrenging, en verschaft de moeder de materie. Welnu de H. Maagd wordt moeder van Christus genoemd om de materie, die zij bij zijn ontvangenis verschaft. Derhalve kan men ook zeggen, dat de H. Geest zijn vader was, omdat Hij het tot stand brengend beginsel was bij zijn ontvangenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Zoals de geest van andere heiligen door de H. Geest wordt gevormd, zo is ook Christus’ lichaam door de H. Geest gevormd. Om voornoemde vorming nu worden de andere heiligen kinderen der gehele Drievuldigheid genoemd, en bijgevolg (kinderen) van de H. Geest. Derhalve moet Christus zoon des H. Geestes worden genoemd, juist in zover zijn lichaam door de H. Geest gevormd is.
Vervolgens. Zoals de geest van andere heiligen door de H. Geest wordt gevormd, zo is ook Christus’ lichaam door de H. Geest gevormd. Om voornoemde vorming nu worden de andere heiligen kinderen der gehele Drievuldigheid genoemd, en bijgevolg (kinderen) van de H. Geest. Derhalve moet Christus zoon des H. Geestes worden genoemd, juist in zover zijn lichaam door de H. Geest gevormd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 3 arg. 3
Vervolgens. God heet onze Vader om reden, dat Hij ons heeft gemaakt, blijkens Deuteronomium (32, 6): "Is Hij uw vader niet, die u ten bezit genomen en u gemaakt en geschapen heeft?" Welnu, de Heilige Geest heeft Christus’ lichaam gemaakt, gelijk (in het 1e en 2e Artikel) werd aangetoond. Derhalve moet de Heilige Geest de vader worden genoemd van Christus op grond van het door Hem gemaakte lichaam.
B: (Deut 32:6) [b:Deut 32:6]
R: q. 32 a. 1[t:iiia q. 32 a. 1] q. 32 a. 2[t:iiia q. 32 a. 2]
Vervolgens. God heet onze Vader om reden, dat Hij ons heeft gemaakt, blijkens Deuteronomium (32, 6): "Is Hij uw vader niet, die u ten bezit genomen en u gemaakt en geschapen heeft?" Welnu, de Heilige Geest heeft Christus’ lichaam gemaakt, gelijk (in het 1e en 2e Artikel) werd aangetoond. Derhalve moet de Heilige Geest de vader worden genoemd van Christus op grond van het door Hem gemaakte lichaam.
B: (Deut 32:6) [b:Deut 32:6]
R: q. 32 a. 1[t:iiia q. 32 a. 1] q. 32 a. 2[t:iiia q. 32 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.) schrijft: "Christus werd geboren van de H. Geest niet als zijn Zoon en van de Maagd Maria wel als haar Zoon".
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.) schrijft: "Christus werd geboren van de H. Geest niet als zijn Zoon en van de Maagd Maria wel als haar Zoon".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 3 co.
Mijn antwoord. De benamingen vaderschap en moederschap en kindschap hangen samen met de voortbrenging, echter niet met iedere voortbrenging, doch eigenlijk met de voortbrenging van levende wezens, en voornamelijk van dieren. Het voortgebrachte vuur toch noemen we niet de zoon van het voortbrengende vuur, tenzij misschien in overdrachtelijke zin; doch deze benaming gebruiken we alleen bij die dieren, wier voortbrenging meer volmaakt is. Toch krijgt niet alles, wat bij de dieren wordt voortgebracht de naam van kindschap, maar uitsluitend datgene wat in gelijkheid met de voortbrenger wordt voortgebracht. Vandaar, zoals Augustinus in zijn *Enchiridion* (39° H.) opmerkt, noemen wij het haar, dat uit de mens geboren wordt, geen zoon des mensen; evenmin noemen wij de mens, die geboren wordt, de zoon van het zaad, omdat noch het haar gelijkheid heeft met de mens, noch de mens, die geboren wordt, gelijkheid heeft met het zaad, maar met de mens, die hem voortbrengt. En wanneer het nu een volledige gelijkheid is, dan zal het ook een volmaakt kindschap zijn, zowel in God als bij de mensen. Indien die gelijkheid echter onvolledig is, is ook het kindschap onvolmaakt. Zoals er in de mens een onvolledige gelijkheid met God is, en in zover hij naar Gods beeld is geschapen, en in zover hij werd herschapen naar de gelijkheid der genade. En derhalve kan de mens op beide manieren kind Gods worden genoemd: namelijk en omdat hij naar zijn beeld is geschapen, en omdat hij door de genade aan Hem werd gelijk gemaakt. Men dient echter te bedenken, dat hetgeen van iemand gezegd wordt in volmaakte zin, van hem niet in onvolmaakte zin gezegd moet worden; zoals men, omdat Socrates natuurlijk mens wordt genoemd in de eigenlijke zin van mens, hem nooit mens noemt in die betekenis, waarin men 's mensen afbeelding mens noemt, ook al gelijkt hij misschien op een andere mens. Christus nu is Zoon van God in de volmaakte zin van zoonschap. Vandaar moet men Hem, hoewel Hij naar zijn menselijke natuur geschapen en gerechtvaardigd werd, toch niet Zoon van God noemen noch om reden, dat Hij geschapen, noch om reden dat Hij gerechtvaardigd werd: maar alleen om reden van zijn eeuwige voortkomst, waarnaar Hij de Zoon is alleen van de Vader. En derhalve moet men op geen enkele wijze zeggen, dat Christus de Zoon des H. Geestes is, noch ook de Zoon van de gehele Drievuldigheid.
Mijn antwoord. De benamingen vaderschap en moederschap en kindschap hangen samen met de voortbrenging, echter niet met iedere voortbrenging, doch eigenlijk met de voortbrenging van levende wezens, en voornamelijk van dieren. Het voortgebrachte vuur toch noemen we niet de zoon van het voortbrengende vuur, tenzij misschien in overdrachtelijke zin; doch deze benaming gebruiken we alleen bij die dieren, wier voortbrenging meer volmaakt is. Toch krijgt niet alles, wat bij de dieren wordt voortgebracht de naam van kindschap, maar uitsluitend datgene wat in gelijkheid met de voortbrenger wordt voortgebracht. Vandaar, zoals Augustinus in zijn *Enchiridion* (39° H.) opmerkt, noemen wij het haar, dat uit de mens geboren wordt, geen zoon des mensen; evenmin noemen wij de mens, die geboren wordt, de zoon van het zaad, omdat noch het haar gelijkheid heeft met de mens, noch de mens, die geboren wordt, gelijkheid heeft met het zaad, maar met de mens, die hem voortbrengt. En wanneer het nu een volledige gelijkheid is, dan zal het ook een volmaakt kindschap zijn, zowel in God als bij de mensen. Indien die gelijkheid echter onvolledig is, is ook het kindschap onvolmaakt. Zoals er in de mens een onvolledige gelijkheid met God is, en in zover hij naar Gods beeld is geschapen, en in zover hij werd herschapen naar de gelijkheid der genade. En derhalve kan de mens op beide manieren kind Gods worden genoemd: namelijk en omdat hij naar zijn beeld is geschapen, en omdat hij door de genade aan Hem werd gelijk gemaakt. Men dient echter te bedenken, dat hetgeen van iemand gezegd wordt in volmaakte zin, van hem niet in onvolmaakte zin gezegd moet worden; zoals men, omdat Socrates natuurlijk mens wordt genoemd in de eigenlijke zin van mens, hem nooit mens noemt in die betekenis, waarin men 's mensen afbeelding mens noemt, ook al gelijkt hij misschien op een andere mens. Christus nu is Zoon van God in de volmaakte zin van zoonschap. Vandaar moet men Hem, hoewel Hij naar zijn menselijke natuur geschapen en gerechtvaardigd werd, toch niet Zoon van God noemen noch om reden, dat Hij geschapen, noch om reden dat Hij gerechtvaardigd werd: maar alleen om reden van zijn eeuwige voortkomst, waarnaar Hij de Zoon is alleen van de Vader. En derhalve moet men op geen enkele wijze zeggen, dat Christus de Zoon des H. Geestes is, noch ook de Zoon van de gehele Drievuldigheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Christus is ontvangen van de Maagd Maria, die de materie verschafte voor de soortgelijkheid. En daarom heet Hij haar zoon. Van de H. Geest echter is Christus, voor zover Hij mens werd, ontvangen als van het tot stand brengend beginsel, echter niet naar de soortgelijkheid, zoals een mens geboren wordt van zijn vader. En daarom heet Christus niet de zoon des H. Geestes.
1e Weerlegging. Christus is ontvangen van de Maagd Maria, die de materie verschafte voor de soortgelijkheid. En daarom heet Hij haar zoon. Van de H. Geest echter is Christus, voor zover Hij mens werd, ontvangen als van het tot stand brengend beginsel, echter niet naar de soortgelijkheid, zoals een mens geboren wordt van zijn vader. En daarom heet Christus niet de zoon des H. Geestes.
Referenties naar deze alinea: 1
Het Goddelijke Moederschap van Maria ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De mensen, die geestelijk door de H. Geest gevormd worden, kunnen niet in de volmaakte zin van zoonschap, zonen Gods worden genoemd. En daarom heten zij zonen Gods op grond van het onvolmaakte kindschap, hetwelk is naar de gelijkenis der genade, en deze is van de gehele Drievuldigheid. Maar bij Christus is dit een ander geval, zoals werd aangetoond (in de leerstelling).
2e Weerlegging. De mensen, die geestelijk door de H. Geest gevormd worden, kunnen niet in de volmaakte zin van zoonschap, zonen Gods worden genoemd. En daarom heten zij zonen Gods op grond van het onvolmaakte kindschap, hetwelk is naar de gelijkenis der genade, en deze is van de gehele Drievuldigheid. Maar bij Christus is dit een ander geval, zoals werd aangetoond (in de leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 3 ad 3
Zo blijkt eveneens het antwoord op de derde bedenking.
Zo blijkt eveneens het antwoord op de derde bedenking.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Heeft de H. Maagd actief iets verricht bij de ontvangenis van Christus’ lichaam?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 33 a. 4 arg. 3
IIIa q. 33 a. 4 arg. 3
IIIa q. 35 a. 3 arg. 1
IIIa q. 35 a. 3 co.
IIIa q. 35 a. 3 ad 3[t:iiia q. 33 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 33 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 35 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 35 a. 3 co.][t:iiia q. 35 a. 3 ad 3]
IIIa q. 32 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de H. Maagd actief iets heeft verricht bij de ontvangenis van Christus’ lichaam. Damascenus toch schrijft in zijn werk *Over het Waarachtig Geloof* (3° B., 2° H.) : "De Geest kwam over de Maagd, haar zuiverend, en het vermogen schenkend, om het Woord Gods te ontvangen en tevens om het voort te brengen". Welnu het passief vermogen, om voort te brengen, bezat zij, gelijk ook iedere vrouw, van nature. Derhalve schonk Hij haar een actief voortbrengingsvermogen. En zo heeft zij bij Christus’ ontvangenis actief iets verricht.
IIIa q. 33 a. 4 arg. 3
IIIa q. 33 a. 4 arg. 3
IIIa q. 35 a. 3 arg. 1
IIIa q. 35 a. 3 co.
IIIa q. 35 a. 3 ad 3[t:iiia q. 33 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 33 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 35 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 35 a. 3 co.][t:iiia q. 35 a. 3 ad 3]
IIIa q. 32 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de H. Maagd actief iets heeft verricht bij de ontvangenis van Christus’ lichaam. Damascenus toch schrijft in zijn werk *Over het Waarachtig Geloof* (3° B., 2° H.) : "De Geest kwam over de Maagd, haar zuiverend, en het vermogen schenkend, om het Woord Gods te ontvangen en tevens om het voort te brengen". Welnu het passief vermogen, om voort te brengen, bezat zij, gelijk ook iedere vrouw, van nature. Derhalve schonk Hij haar een actief voortbrengingsvermogen. En zo heeft zij bij Christus’ ontvangenis actief iets verricht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Alle vermogens der plantaardige ziel zijn actieve vermogens, zoals de Commentator leert in zijn werk Over de Ziel (2e B.). Welnu, het voortbrengingsvermogen behoort, zowel in de man als in de vrouw, tot de plantaardige ziel. Derhalve werkt het zowel in de man als in de vrouw actief bij de ontvangst van het kind.
Vervolgens. Alle vermogens der plantaardige ziel zijn actieve vermogens, zoals de Commentator leert in zijn werk Over de Ziel (2e B.). Welnu, het voortbrengingsvermogen behoort, zowel in de man als in de vrouw, tot de plantaardige ziel. Derhalve werkt het zowel in de man als in de vrouw actief bij de ontvangst van het kind.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 4 arg. 3
Vervolgens. De vrouw verschaft voor de ontvangst van het kind de materie, waaruit het lichaam van het kind natuurlijkerwijs wordt gevormd. De natuur nu is het innerlijk beginsel van werking. Derhalve, zo beweert men, was er in de materie, die de H. Maagd verschaft tot ontvangst van Christus, een actief beginsel aanwezig.
Vervolgens. De vrouw verschaft voor de ontvangst van het kind de materie, waaruit het lichaam van het kind natuurlijkerwijs wordt gevormd. De natuur nu is het innerlijk beginsel van werking. Derhalve, zo beweert men, was er in de materie, die de H. Maagd verschaft tot ontvangst van Christus, een actief beginsel aanwezig.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat men bij de voortbrenging datgene het actief beginsel noemt, wat de betekenis van zaad heeft. Welnu, zoals Augustinus in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (10e B., 20e H.) leert, is Christus’ lichaam aangenomen van de Maagd uitsluitend in lichamelijke materie, doordat God ontvangenis en vorming bewerkte, maar niet krachtens de oorzakelijkheid van enig menselijk zaad. Derhalve heeft de H. Maagd actief niets verricht bij de ontvangenis van Christus.
Daartegenover staat echter, dat men bij de voortbrenging datgene het actief beginsel noemt, wat de betekenis van zaad heeft. Welnu, zoals Augustinus in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping (10e B., 20e H.) leert, is Christus’ lichaam aangenomen van de Maagd uitsluitend in lichamelijke materie, doordat God ontvangenis en vorming bewerkte, maar niet krachtens de oorzakelijkheid van enig menselijk zaad. Derhalve heeft de H. Maagd actief niets verricht bij de ontvangenis van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 4 co.
Mijn antwoord. Sommigen houden dat de H. Maagd bij de ontvangenis van Christus actief iets heeft bewerkt, zowel door natuurlijke als door bovennatuurlijke kracht. Door natuurlijke kracht, omdat er volgens hen in iedere natuurlijke materie een actief beginsel aanwezig is. Anders toch, zo menen zij, zou er geen natuurlijke zelfstandigheidsverandering bestaan. — Doch hierin vergissen zij zich. Want een zelfstandigheidsverandering heet natuurlijk, niet slechts wegens het innerlijk beginsel, dat die verandering bewerkt, maar ook wegens het innerlijk beginsel, dat die verandering ondergaat. Uitdrukkelijk toch zegt de Wijsgeer in zijn *Natuurleer* (8e B.) dat in de zware en lichte stoffen een passief beginsel is harer natuurlijke beweging en geen actief beginsel. Het is trouwens niet mogelijk, dat de materie iets doet tot haar eigen vorming, omdat zij niet daadwerkelijk is. Evenmin is het mogelijk, dat iets zichzelf beweegt, tenzij het verdeeld wordt in twee bestanddelen, waarvan het ene bewegend en het andere het bewogene is; maar dit komt uitsluitend bij de bezielde wezens voor, gelijk in de *Natuurleer* (8e B.) bewezen wordt. Door een bovennatuurlijke kracht (zou de H. Maagd actief hebben meegewerkt), omdat volgens hen voor een moeder vereist wordt, dat zij niet alleen de materie verschaft, d. i. het maandstondenbloed, maar ook een zaad, hetwelk, na vermengd te zijn met het mannelijk zaad, de actieve kracht heeft bij de voortbrenging. En daar er bij de H. Maagd, om reden harer geheel ongerepte maagdelijkheid, geen enkel zaad is vrijgekomen, houden zij, dat de H. Geest haar bij de ontvangenis van Christus' lichaam op bovennatuurlijke wijze die actieve kracht heeft geschonken, welke de andere moeders bezitten door het vrijgekomen zaad. — Doch deze opvatting kan geen stand houden. Want, daar elk ding omwille van zijn werking is, gelijk in het werk Over de Hemel (2° B.) gezegd wordt, zou de natuur voor het werk der voortbrenging geen onderscheid maken tussen mannelijk en vrouwelijk geslacht, indien de werking van de man niet onderscheiden was van de werking der vrouw. Bij de voortbrenging nu is de werking van de tot stand brenger onderscheiden van hetgeen het passieve beginsel doet. Daaruit volgt dus, dat geheel de actieve kracht komt van de kant van de man, het ondergaan echter van de kant der vrouw. Wijl dus aan de H. Maagd niet verleend werd de vader van Christus te zijn, maar wel zijn moeder, ontving zij bijgevolg ook geen actief vermogen bij Christus' ontvangenis: noch in die zin, dat dit werkvermogen wel iets verrichtte, want daaruit volgt, dat zij de vader van Christus zou geweest zijn, noch in die zin, dat het niets verrichtte, zoals sommigen houden, want daaruit volgt, dat zulk een actief vermogen haar doelloos verleend was. Derhalve moet men zeggen, dat de H. Maagd actief niets bewerkt heeft bij Christus' ontvangenis, maar dat zij uitsluitend de materie verschafte. Wel heeft zij vóór de ontvangenis actief iets bewerkt nl. door de materie klaar te maken, opdat deze geschikt zou wezen voor de ontvangenis.
Mijn antwoord. Sommigen houden dat de H. Maagd bij de ontvangenis van Christus actief iets heeft bewerkt, zowel door natuurlijke als door bovennatuurlijke kracht. Door natuurlijke kracht, omdat er volgens hen in iedere natuurlijke materie een actief beginsel aanwezig is. Anders toch, zo menen zij, zou er geen natuurlijke zelfstandigheidsverandering bestaan. — Doch hierin vergissen zij zich. Want een zelfstandigheidsverandering heet natuurlijk, niet slechts wegens het innerlijk beginsel, dat die verandering bewerkt, maar ook wegens het innerlijk beginsel, dat die verandering ondergaat. Uitdrukkelijk toch zegt de Wijsgeer in zijn *Natuurleer* (8e B.) dat in de zware en lichte stoffen een passief beginsel is harer natuurlijke beweging en geen actief beginsel. Het is trouwens niet mogelijk, dat de materie iets doet tot haar eigen vorming, omdat zij niet daadwerkelijk is. Evenmin is het mogelijk, dat iets zichzelf beweegt, tenzij het verdeeld wordt in twee bestanddelen, waarvan het ene bewegend en het andere het bewogene is; maar dit komt uitsluitend bij de bezielde wezens voor, gelijk in de *Natuurleer* (8e B.) bewezen wordt. Door een bovennatuurlijke kracht (zou de H. Maagd actief hebben meegewerkt), omdat volgens hen voor een moeder vereist wordt, dat zij niet alleen de materie verschaft, d. i. het maandstondenbloed, maar ook een zaad, hetwelk, na vermengd te zijn met het mannelijk zaad, de actieve kracht heeft bij de voortbrenging. En daar er bij de H. Maagd, om reden harer geheel ongerepte maagdelijkheid, geen enkel zaad is vrijgekomen, houden zij, dat de H. Geest haar bij de ontvangenis van Christus' lichaam op bovennatuurlijke wijze die actieve kracht heeft geschonken, welke de andere moeders bezitten door het vrijgekomen zaad. — Doch deze opvatting kan geen stand houden. Want, daar elk ding omwille van zijn werking is, gelijk in het werk Over de Hemel (2° B.) gezegd wordt, zou de natuur voor het werk der voortbrenging geen onderscheid maken tussen mannelijk en vrouwelijk geslacht, indien de werking van de man niet onderscheiden was van de werking der vrouw. Bij de voortbrenging nu is de werking van de tot stand brenger onderscheiden van hetgeen het passieve beginsel doet. Daaruit volgt dus, dat geheel de actieve kracht komt van de kant van de man, het ondergaan echter van de kant der vrouw. Wijl dus aan de H. Maagd niet verleend werd de vader van Christus te zijn, maar wel zijn moeder, ontving zij bijgevolg ook geen actief vermogen bij Christus' ontvangenis: noch in die zin, dat dit werkvermogen wel iets verrichtte, want daaruit volgt, dat zij de vader van Christus zou geweest zijn, noch in die zin, dat het niets verrichtte, zoals sommigen houden, want daaruit volgt, dat zulk een actief vermogen haar doelloos verleend was. Derhalve moet men zeggen, dat de H. Maagd actief niets bewerkt heeft bij Christus' ontvangenis, maar dat zij uitsluitend de materie verschafte. Wel heeft zij vóór de ontvangenis actief iets bewerkt nl. door de materie klaar te maken, opdat deze geschikt zou wezen voor de ontvangenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Deze ontvangenis telde drie voorrechten: nl. dat zij zonder erfzonde was; dat zij niet een louter mens gold, maar de God-mens; tenslotte, dat een maagd ontving. Deze drie voorrechten nu dankte zij aan de H. Geest. En daarom zegt Damascenus betreffende het eerste, dat de H. Geest zuiverend over de Maagd kwam, d.w.z. voorkomend, dat zij in de erfzonde zou ontvangen. Aangaande het tweede zegt hij: het vermogen schenkend, om het Woord Gods op te nemen, d.w.z. om het Woord Gods te ontvangen. Aangaande het derde zegt hij: en Hem tevens voort te brengen, opdat zij nl. maagd blijvend, Hem zou kunnen voortbrengen, en wel: niet actief, maar passief, zoals de andere moeders dit bereiken krachtens het zaad van de man.
1e Weerlegging. Deze ontvangenis telde drie voorrechten: nl. dat zij zonder erfzonde was; dat zij niet een louter mens gold, maar de God-mens; tenslotte, dat een maagd ontving. Deze drie voorrechten nu dankte zij aan de H. Geest. En daarom zegt Damascenus betreffende het eerste, dat de H. Geest zuiverend over de Maagd kwam, d.w.z. voorkomend, dat zij in de erfzonde zou ontvangen. Aangaande het tweede zegt hij: het vermogen schenkend, om het Woord Gods op te nemen, d.w.z. om het Woord Gods te ontvangen. Aangaande het derde zegt hij: en Hem tevens voort te brengen, opdat zij nl. maagd blijvend, Hem zou kunnen voortbrengen, en wel: niet actief, maar passief, zoals de andere moeders dit bereiken krachtens het zaad van de man.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Het voortbrengingsvermogen in de vrouw is onvolmaakt vergeleken bij het voortbrengingsvermogen, dat in de man aanwezig is. En derhalve, zoals bij de ambachten een lager ambacht de materie alleen geschikt maakt, maar een hoger ambacht de vorm in de materie brengt (gelijk in de Natuurleer (2e B.) geleerd wordt) zo ook maakt het op de voortbrenging gerichte vermogen der vrouw de materie klaar, doch het actieve vermogen van de man formeert die klaar gemaakte materie.
2e Weerlegging. Het voortbrengingsvermogen in de vrouw is onvolmaakt vergeleken bij het voortbrengingsvermogen, dat in de man aanwezig is. En derhalve, zoals bij de ambachten een lager ambacht de materie alleen geschikt maakt, maar een hoger ambacht de vorm in de materie brengt (gelijk in de Natuurleer (2e B.) geleerd wordt) zo ook maakt het op de voortbrenging gerichte vermogen der vrouw de materie klaar, doch het actieve vermogen van de man formeert die klaar gemaakte materie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 32 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Opdat een zelfstandigheidsverandering natuurlijk is, wordt niet vereist dat er in de materie een werkzaam beginsel aanwezig is, maar alleen dat er een passief beginsel is, zoals in de leerstelling werd aangetoond.
3e Weerlegging. Opdat een zelfstandigheidsverandering natuurlijk is, wordt niet vereist dat er in de materie een werkzaam beginsel aanwezig is, maar alleen dat er een passief beginsel is, zoals in de leerstelling werd aangetoond.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 33: Over de wijze en volgorde van Christus’ ontvangenis
IIIa q. 33 pr.
Vervolgens moeten we de wijze en volgorde van Christus’ ontvangenis beschouwen. Hieromtrent worden vier vragen gesteld:
1. Is Christus’ lichaam op het eerste ogenblik der ontvangenis gevormd?
2. Werd het op het eerste ogenblik der ontvangenis bezield?
3. Werd het op het eerste ogenblik der ontvangenis door het Woord aangenomen?
4. Was deze ontvangenis natuurlijk of wonderbaar?
Vervolgens moeten we de wijze en volgorde van Christus’ ontvangenis beschouwen. Hieromtrent worden vier vragen gesteld:
1. Is Christus’ lichaam op het eerste ogenblik der ontvangenis gevormd?
2. Werd het op het eerste ogenblik der ontvangenis bezield?
3. Werd het op het eerste ogenblik der ontvangenis door het Woord aangenomen?
4. Was deze ontvangenis natuurlijk of wonderbaar?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is Christus’ lichaam op het eerste ogenblik der ontvangenis gevormd?
IIIa q. 33 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus’ lichaam niet gevormd is op het eerste ogenblik der ontvangenis. In Joannes (2, 20) toch wordt gezegd: "Zes en veertig jaren heeft men aan dezen tempel gebouwd", hetgeen Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (4° B., 5° H.) aldus uitlegt: "Deze tijd past klaarblijkelijk bij de opbouw van ’s Heren lichaam". En in zijn werk Drie en tachtig Vraagstukken (Vr. 56) schrijft hij: "Niet zonder reden wordt verhaald, dat men zes en veertig jaren gewerkt heeft aan de tempel, die zijn lichaam voorafbeeldde; dat er nl. evenveel dagen nodig zouden zijn voor de voltooiing van ’s Heren lichaam als er verlopen waren voor de opbouw van de tempel". Derhalve was Christus’ lichaam niet volledig gevormd in het eerste ogenblik der ontvangenis.
B: (John 2:20) [b:John 2:20]
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus’ lichaam niet gevormd is op het eerste ogenblik der ontvangenis. In Joannes (2, 20) toch wordt gezegd: "Zes en veertig jaren heeft men aan dezen tempel gebouwd", hetgeen Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (4° B., 5° H.) aldus uitlegt: "Deze tijd past klaarblijkelijk bij de opbouw van ’s Heren lichaam". En in zijn werk Drie en tachtig Vraagstukken (Vr. 56) schrijft hij: "Niet zonder reden wordt verhaald, dat men zes en veertig jaren gewerkt heeft aan de tempel, die zijn lichaam voorafbeeldde; dat er nl. evenveel dagen nodig zouden zijn voor de voltooiing van ’s Heren lichaam als er verlopen waren voor de opbouw van de tempel". Derhalve was Christus’ lichaam niet volledig gevormd in het eerste ogenblik der ontvangenis.
B: (John 2:20) [b:John 2:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Voor de vorming van Christus’ lichaam werd vereist een plaatselijke beweging, waardoor het zuiverste bloed vanuit het lichaam der Maagd de voor de voortbrenging bestemde plaats zou bereiken. Geen enkel lichaam nu kan in een ondeelbaar ogenblik van plaats veranderen, omdat, zoals in de Natuurleer (6° B., 4° H.) bewezen wordt, de tijd ener beweging wordt verdeeld naar de verdeling van datgene wat bewogen wordt. Derhalve is Christus’ lichaam niet in een ondeelbaar ogenblik gevormd.
Vervolgens. Voor de vorming van Christus’ lichaam werd vereist een plaatselijke beweging, waardoor het zuiverste bloed vanuit het lichaam der Maagd de voor de voortbrenging bestemde plaats zou bereiken. Geen enkel lichaam nu kan in een ondeelbaar ogenblik van plaats veranderen, omdat, zoals in de Natuurleer (6° B., 4° H.) bewezen wordt, de tijd ener beweging wordt verdeeld naar de verdeling van datgene wat bewogen wordt. Derhalve is Christus’ lichaam niet in een ondeelbaar ogenblik gevormd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Gelijk boven (31° Kw., 5° Art.) werd aangetoond, is Christus’ lichaam gevormd uit het zuiverste bloed der Maagd. Welnu, deze materie kon niet op hetzelfde ogenblik bloed en vlees tegelijk zijn, wijl die materie dan tegelijk onder twee wezensvormen zou zijn geweest. Derhalve was het ogenblik, waarop die materie nog voor het laatst bloed was, een ander ogenblik dan waarop zij het eerst tot vlees werd gevormd. Derhalve is Christus’ lichaam niet in een ondeelbaar ogenblik gevormd, maar geschiedde dit in de tijd.
R: q. 31 a. 5[t:iiia q. 31 a. 5]
Vervolgens. Gelijk boven (31° Kw., 5° Art.) werd aangetoond, is Christus’ lichaam gevormd uit het zuiverste bloed der Maagd. Welnu, deze materie kon niet op hetzelfde ogenblik bloed en vlees tegelijk zijn, wijl die materie dan tegelijk onder twee wezensvormen zou zijn geweest. Derhalve was het ogenblik, waarop die materie nog voor het laatst bloed was, een ander ogenblik dan waarop zij het eerst tot vlees werd gevormd. Derhalve is Christus’ lichaam niet in een ondeelbaar ogenblik gevormd, maar geschiedde dit in de tijd.
R: q. 31 a. 5[t:iiia q. 31 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Gelijk de groeikracht een bepaalde tijd vereist tot het stellen van zijn werking, zo ook het op de voortbrenging gerichte vermogen; beide toch zijn natuurlijke, tot de plantaardige ziel behorende vermogens. Welnu, Christus’ lichaam is in een bepaalde tijd gegroeid, evengoed als de lichamen van andere mensen; in Lucas (2, 52) toch wordt verhaald: "Jezus nam toe in wijsheid en jaren". Derhalve, zo beweert men, geschiedde de vorming van zijn lichaam, waarop het voortbrengingsvermogen gericht is, eveneens in de bepaalde tijd, waarin ook de lichamen van andere mensen gevormd worden.
B: (Luke 2:52) [b:Luke 2:52]
Vervolgens. Gelijk de groeikracht een bepaalde tijd vereist tot het stellen van zijn werking, zo ook het op de voortbrenging gerichte vermogen; beide toch zijn natuurlijke, tot de plantaardige ziel behorende vermogens. Welnu, Christus’ lichaam is in een bepaalde tijd gegroeid, evengoed als de lichamen van andere mensen; in Lucas (2, 52) toch wordt verhaald: "Jezus nam toe in wijsheid en jaren". Derhalve, zo beweert men, geschiedde de vorming van zijn lichaam, waarop het voortbrengingsvermogen gericht is, eveneens in de bepaalde tijd, waarin ook de lichamen van andere mensen gevormd worden.
B: (Luke 2:52) [b:Luke 2:52]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Gregorius in zijn Zedenleer (18e B., 52e H.) zegt: "Terwijl de engel de boodschap aankondigde en de Geest over haar kwam, was het Woord terstond in de schoot, en was het Woord in de schoot terstond vlees geworden".
Daartegenover staat echter hetgeen Gregorius in zijn Zedenleer (18e B., 52e H.) zegt: "Terwijl de engel de boodschap aankondigde en de Geest over haar kwam, was het Woord terstond in de schoot, en was het Woord in de schoot terstond vlees geworden".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 1 co.
Mijn antwoord. Bij de ontvangenis van Christus’ lichaam heeft men drie dingen te onderscheiden: 1e nl. de plaatselijke beweging van het bloed naar de voor de voortbrenging bestemde plaats; 2e, de vorming van het lichaam uit deze materie; 3e, de groei, waardoor het tot zijn volledige grootte wordt gebracht. In het tweede dezer drie punten ligt het eigenlijke der ontvangenis; want het eerste gaat aan de ontvangenis vooraf; het derde echter volgt op de ontvangenis. Het eerste nu kon niet in een ondeelbaar ogenblik gebeuren, want dit is tegen het begrip zelf der plaatselijke beweging van ieder lichaam, welke delen achtereenvolgens een plaats binnentreden. — Eveneens moet ook het derde geleidelijk gebeuren. Zowel, omdat de groei niet zonder plaatselijke beweging verloopt, alsook omdat hij voortkomt uit het vermogen der ziel, die in het reeds gevormde lichaam werkt, en deze werkt niet tenzij in de tijd. Maar de vorming zelf van het lichaam, waarin het eigenlijke der ontvangenis hoofdzakelijk bestaat, geschiedde in een ondeelbaar ogenblik; en wel om een tweevoudige reden. Ten eerste nl. om de oneindige kracht van de tot stand brenger, d. w. z. van de H. Geest, door wien Christus’ lichaam is gevormd, zoals boven (32e Kw., 1e Art.) werd aangetoond. Want hoe groter de kracht van de tot stand brenger is, des te gauwer kan hij de materie geschikt maken. Bijgevolg kan een tot stand brenger van oneindige kracht de materie in een ondeelbaar ogenblik geschikt maken voor de vereiste wezensvorm. Ten tweede, van de kant van de Zoon, wiens lichaam gevormd werd. Want het was niet passend, dat Hij een menselijk lichaam aannam, tenzij het gevormd was. Indien er nu enige tijd verstreken zou zijn vóór de volledige vorming van het lichaam, dan kon de gehele ontvangenis niet worden toegeschreven aan Gods Zoon, daar zij Hem slechts op grond van de aanneming wordt toegeschreven. En bijgevolg: op het eerste ogenblik, waarop de materie in haar geheel de voor de voortbrenging bestemde plaats had bereikt, was Christus’ lichaam volledig gevormd en aangenomen. En aldus zegt men, dat Gods Zoon zelf ontvangen is, hetgeen men anders niet zou kunnen zeggen.
R: q. 32 a. 1[t:iiia q. 32 a. 1]
Mijn antwoord. Bij de ontvangenis van Christus’ lichaam heeft men drie dingen te onderscheiden: 1e nl. de plaatselijke beweging van het bloed naar de voor de voortbrenging bestemde plaats; 2e, de vorming van het lichaam uit deze materie; 3e, de groei, waardoor het tot zijn volledige grootte wordt gebracht. In het tweede dezer drie punten ligt het eigenlijke der ontvangenis; want het eerste gaat aan de ontvangenis vooraf; het derde echter volgt op de ontvangenis. Het eerste nu kon niet in een ondeelbaar ogenblik gebeuren, want dit is tegen het begrip zelf der plaatselijke beweging van ieder lichaam, welke delen achtereenvolgens een plaats binnentreden. — Eveneens moet ook het derde geleidelijk gebeuren. Zowel, omdat de groei niet zonder plaatselijke beweging verloopt, alsook omdat hij voortkomt uit het vermogen der ziel, die in het reeds gevormde lichaam werkt, en deze werkt niet tenzij in de tijd. Maar de vorming zelf van het lichaam, waarin het eigenlijke der ontvangenis hoofdzakelijk bestaat, geschiedde in een ondeelbaar ogenblik; en wel om een tweevoudige reden. Ten eerste nl. om de oneindige kracht van de tot stand brenger, d. w. z. van de H. Geest, door wien Christus’ lichaam is gevormd, zoals boven (32e Kw., 1e Art.) werd aangetoond. Want hoe groter de kracht van de tot stand brenger is, des te gauwer kan hij de materie geschikt maken. Bijgevolg kan een tot stand brenger van oneindige kracht de materie in een ondeelbaar ogenblik geschikt maken voor de vereiste wezensvorm. Ten tweede, van de kant van de Zoon, wiens lichaam gevormd werd. Want het was niet passend, dat Hij een menselijk lichaam aannam, tenzij het gevormd was. Indien er nu enige tijd verstreken zou zijn vóór de volledige vorming van het lichaam, dan kon de gehele ontvangenis niet worden toegeschreven aan Gods Zoon, daar zij Hem slechts op grond van de aanneming wordt toegeschreven. En bijgevolg: op het eerste ogenblik, waarop de materie in haar geheel de voor de voortbrenging bestemde plaats had bereikt, was Christus’ lichaam volledig gevormd en aangenomen. En aldus zegt men, dat Gods Zoon zelf ontvangen is, hetgeen men anders niet zou kunnen zeggen.
R: q. 32 a. 1[t:iiia q. 32 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De uitspraak van Augustinus op die beide plaatsen heeft niet alleen betrekking op de vorming van Christus’ lichaam, maar én op de vorming én tevens op de bepaalde groei tot aan de tijd der geboorte. Daarom zegt hij, dat naar de betekenis van dat getal, de tijd van negen maanden voltooid werd, gedurende welke Christus in de schoot der Maagd is geweest.
1e Weerlegging. De uitspraak van Augustinus op die beide plaatsen heeft niet alleen betrekking op de vorming van Christus’ lichaam, maar én op de vorming én tevens op de bepaalde groei tot aan de tijd der geboorte. Daarom zegt hij, dat naar de betekenis van dat getal, de tijd van negen maanden voltooid werd, gedurende welke Christus in de schoot der Maagd is geweest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Deze plaatselijke beweging van het bloed valt niet onder de ontvangenis zelf, maar gaat daaraan vooraf.
2e Weerlegging. Deze plaatselijke beweging van het bloed valt niet onder de ontvangenis zelf, maar gaat daaraan vooraf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Er is geen laatste ondeelbaar ogenblik aan te geven, waarop deze materie nog bloed was; maar er is een laatsten tijd aan te geven, die zonder enige onderbreking doorloopt tot op het eerste ondeelbaar ogenblik, waarop Christus’ vlees gevormd was. En dit ogenblik was het eindpunt van de tijd, wiens de plaatselijke beweging der materie nodig had, om de voor de voortbrenging bestemde plaats te bereiken.
3e Weerlegging. Er is geen laatste ondeelbaar ogenblik aan te geven, waarop deze materie nog bloed was; maar er is een laatsten tijd aan te geven, die zonder enige onderbreking doorloopt tot op het eerste ondeelbaar ogenblik, waarop Christus’ vlees gevormd was. En dit ogenblik was het eindpunt van de tijd, wiens de plaatselijke beweging der materie nodig had, om de voor de voortbrenging bestemde plaats te bereiken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. De groei komt tot stand door de groeikracht van datgene wat groeit; maar de vorming van het lichaam geschiedt door het voortbrengingsvermogen niet van degene, die voortgebracht wordt, maar van de vader, die voortbrengt krachtens het zaad; en in dit zaad werkt een vormende kracht, die uit de ziel des vaders stamt. Christus’ lichaam echter werd niet gevormd krachtens het zaad van een man, gelijk boven (31° Kw., Art. 5, Antw. op de 3° Bedenking) werd aangetoond, maar krachtens de inwerking van de H. Geest. En derhalve moest die vorming zo zijn, dat zij de H. Geest waardig was. Maar de groei van Christus’ lichaam geschiedde overeenkomstig de groeikracht van Christus’ ziel. En daar deze soortelijk gelijk is aan onze ziel, moest dat lichaam opgroeien, zoals ook de lichamen der overige mensen tot volwassenheid komen, opdat daaruit de waarachtigheid zijner menselijke natuur zou blijken.
R: q. 31 a. 5 ad 3[t:iiia q. 31 a. 5 ad 3]
4e Weerlegging. De groei komt tot stand door de groeikracht van datgene wat groeit; maar de vorming van het lichaam geschiedt door het voortbrengingsvermogen niet van degene, die voortgebracht wordt, maar van de vader, die voortbrengt krachtens het zaad; en in dit zaad werkt een vormende kracht, die uit de ziel des vaders stamt. Christus’ lichaam echter werd niet gevormd krachtens het zaad van een man, gelijk boven (31° Kw., Art. 5, Antw. op de 3° Bedenking) werd aangetoond, maar krachtens de inwerking van de H. Geest. En derhalve moest die vorming zo zijn, dat zij de H. Geest waardig was. Maar de groei van Christus’ lichaam geschiedde overeenkomstig de groeikracht van Christus’ ziel. En daar deze soortelijk gelijk is aan onze ziel, moest dat lichaam opgroeien, zoals ook de lichamen der overige mensen tot volwassenheid komen, opdat daaruit de waarachtigheid zijner menselijke natuur zou blijken.
R: q. 31 a. 5 ad 3[t:iiia q. 31 a. 5 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Werd Christus’ lichaam in het eerste ogenblik der ontvangenis bezield?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 34 a. 1 co.
IIIa q. 34 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 34 a. 1 co.][t:iiia q. 34 a. 2 arg. 1]
IIIa q. 33 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus’ lichaam niet in het eerste ogenblik der ontvangenis bezield werd. Paus Leo toch schrijft in zijn Brief aan Julianus (3e H.): "Christus’ vlees is van geen andere natuur dan van onze natuur; evenmin werd Hem door een ander beginsel de ziel ingestort dan de overige mensen". Welnu, de overige mensen wordt de ziel niet ingestort in het eerste ogenblik hunner ontvangenis. Derhalve moest ook aan Christus’ lichaam de ziel niet in het eerste ogenblik zijner ontvangenis worden ingestort.
IIIa q. 34 a. 1 co.
IIIa q. 34 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 34 a. 1 co.][t:iiia q. 34 a. 2 arg. 1]
IIIa q. 33 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus’ lichaam niet in het eerste ogenblik der ontvangenis bezield werd. Paus Leo toch schrijft in zijn Brief aan Julianus (3e H.): "Christus’ vlees is van geen andere natuur dan van onze natuur; evenmin werd Hem door een ander beginsel de ziel ingestort dan de overige mensen". Welnu, de overige mensen wordt de ziel niet ingestort in het eerste ogenblik hunner ontvangenis. Derhalve moest ook aan Christus’ lichaam de ziel niet in het eerste ogenblik zijner ontvangenis worden ingestort.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Gelijk iedere andere wezensvorm eist ook de ziel een bepaalde uitgebreidheid in haar materie. Maar Christus’ lichaam bezat in het eerste ogenblik der ontvangenis niet zulk een uitgebreidheid als de lichamen der overige mensen hebben, wanneer zij bezield worden; want anders moest Hij, zo Hij daarna geregeld was blijven doorgroeien, ofwel spoediger geboren, ofwel bij zijn geboorte veel groter zijn geweest dan de andere kinderen. Het eerste nu is tegen Augustinus, waar hij in zijn werk Over de Drievuldigheid (4e B., 5e H.) bewijst, dat Hij gedurende een tijd van negen maanden in de schoot der Maagd is geweest; het tweede echter is in strijd met wat Paus Leo in zijn 4e preek op Driekoningen (3e H.) zegt: "Zij vonden het kind Jesus, dat in geen enkel opzicht van alle andere mensen-kinderen was onderscheiden". Christus’ lichaam werd derhalve niet in het eerste ogenblik zijner ontvangenis bezield.
Vervolgens. Gelijk iedere andere wezensvorm eist ook de ziel een bepaalde uitgebreidheid in haar materie. Maar Christus’ lichaam bezat in het eerste ogenblik der ontvangenis niet zulk een uitgebreidheid als de lichamen der overige mensen hebben, wanneer zij bezield worden; want anders moest Hij, zo Hij daarna geregeld was blijven doorgroeien, ofwel spoediger geboren, ofwel bij zijn geboorte veel groter zijn geweest dan de andere kinderen. Het eerste nu is tegen Augustinus, waar hij in zijn werk Over de Drievuldigheid (4e B., 5e H.) bewijst, dat Hij gedurende een tijd van negen maanden in de schoot der Maagd is geweest; het tweede echter is in strijd met wat Paus Leo in zijn 4e preek op Driekoningen (3e H.) zegt: "Zij vonden het kind Jesus, dat in geen enkel opzicht van alle andere mensen-kinderen was onderscheiden". Christus’ lichaam werd derhalve niet in het eerste ogenblik zijner ontvangenis bezield.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Waar een eerder en een later is, moeten ook meerdere ogenblikken zijn. Welnu, volgens de Wijsgeer in zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren (2e B., 3e H.), wordt er bij de voortbrenging van de mens een eerder en een later vereist; want eerst is hij iets levends, vervolgens dier en daarna mens. Derhalve kon het bezield-zijn van Christus niet worden voltrokken in het eerste ogenblik zijner ontvangenis.
Vervolgens. Waar een eerder en een later is, moeten ook meerdere ogenblikken zijn. Welnu, volgens de Wijsgeer in zijn werk Over de Voortbrenging der Dieren (2e B., 3e H.), wordt er bij de voortbrenging van de mens een eerder en een later vereist; want eerst is hij iets levends, vervolgens dier en daarna mens. Derhalve kon het bezield-zijn van Christus niet worden voltrokken in het eerste ogenblik zijner ontvangenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus zegt in zijn werk Over het Waarachtig Geloof (3e B., 2e H.): "Tegelijk was het vlees en tegelijk was dit het vlees van Gods Woord en tegelijk was het vlees bezield met een redelijke en verstandelijke ziel".
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus zegt in zijn werk Over het Waarachtig Geloof (3e B., 2e H.): "Tegelijk was het vlees en tegelijk was dit het vlees van Gods Woord en tegelijk was het vlees bezield met een redelijke en verstandelijke ziel".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 2 co.
Mijn antwoord. Wil de ontvangenis aan Gods Zoon zelf worden toegeschreven, zoals wij belijden in het Symbolum der Apostelen, waar wij zeggen: "Die ontvangen is van de H. Geest", dan moeten wij houden, dat dit lichaam door het Woord Gods werd aangenomen, terwijl het ontvangen werd. Boven (6e Kw., 1e en 2e Art.) nu werd aangetoond, dat het Woord Gods het lichaam aannam door middel van de ziel, en de ziel door middel van de geest, d. w. z. van het verstand. Derhalve was het noodzakelijk, dat Christus’ lichaam in het eerste ogenblik der ontvangenis werd bezield met een redelijke ziel.
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1] q. 6 a. 2[t:iiia q. 6 a. 2]
Mijn antwoord. Wil de ontvangenis aan Gods Zoon zelf worden toegeschreven, zoals wij belijden in het Symbolum der Apostelen, waar wij zeggen: "Die ontvangen is van de H. Geest", dan moeten wij houden, dat dit lichaam door het Woord Gods werd aangenomen, terwijl het ontvangen werd. Boven (6e Kw., 1e en 2e Art.) nu werd aangetoond, dat het Woord Gods het lichaam aannam door middel van de ziel, en de ziel door middel van de geest, d. w. z. van het verstand. Derhalve was het noodzakelijk, dat Christus’ lichaam in het eerste ogenblik der ontvangenis werd bezield met een redelijke ziel.
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1] q. 6 a. 2[t:iiia q. 6 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Het beginsel, waarvan de instorting der ziel afhangt, kan men tweevoudig beschouwen. Op de eerste plaats naar de geschiktheid van het lichaam. En in deze zin werd in Christus’ lichaam de ziel door geen ander beginsel ingestort dan in de lichamen der overige mensen. Want gelijk, zodra het lichaam van een ander mens gevormd is, de ziel terstond wordt ingestort, zo ook bij Christus. — Op de tweede plaats kan men voornoemd beginsel alleen naar de tijd beschouwen. En dan was Christus’ lichaam in de tijd eerder bezield, omdat het eerder in de tijd volledig gevormd was.
1e Weerlegging. Het beginsel, waarvan de instorting der ziel afhangt, kan men tweevoudig beschouwen. Op de eerste plaats naar de geschiktheid van het lichaam. En in deze zin werd in Christus’ lichaam de ziel door geen ander beginsel ingestort dan in de lichamen der overige mensen. Want gelijk, zodra het lichaam van een ander mens gevormd is, de ziel terstond wordt ingestort, zo ook bij Christus. — Op de tweede plaats kan men voornoemd beginsel alleen naar de tijd beschouwen. En dan was Christus’ lichaam in de tijd eerder bezield, omdat het eerder in de tijd volledig gevormd was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. De ziel eist de nodige uitgebreidheid in de materie, waarin zij wordt ingestort; maar deze uitgebreidheid laat een zekere speling toe, omdat zij zowel in een grotere als in een kleinere uitgebreidheid behouden blijft. De uitgebreidheid nu van het lichaam, die dit lichaam heeft zodra haar de ziel wordt ingestort, is evenredig aan de volledige uitgebreidheid, die dit lichaam door de groei zal bereiken; nl. zo dat de lichamen van grotere mensen een grotere uitgestrektheid hebben bij hun allereerste bezield-zijn. Christus nu had in zijn volwassen leeftijd een passende en middelmatige grootte; daaraan evenredig was de grootte, die zijn lichaam bezat op het ogenblik, waarop de lichamen der andere mensen bezield worden; maar in de eerste aanvang zijner ontvangenis had het een kleinere uitgebreidheid. Maar toch was deze kleine uitgebreidheid niet zo klein, dat daarin het eigenlijke van een bezield lichaam niet zou kunnen behouden blijven, daar toch ook de lichamen van sommige kleine mensen bij zulk een uitgebreidheid bezield worden.
2e Weerlegging. De ziel eist de nodige uitgebreidheid in de materie, waarin zij wordt ingestort; maar deze uitgebreidheid laat een zekere speling toe, omdat zij zowel in een grotere als in een kleinere uitgebreidheid behouden blijft. De uitgebreidheid nu van het lichaam, die dit lichaam heeft zodra haar de ziel wordt ingestort, is evenredig aan de volledige uitgebreidheid, die dit lichaam door de groei zal bereiken; nl. zo dat de lichamen van grotere mensen een grotere uitgestrektheid hebben bij hun allereerste bezield-zijn. Christus nu had in zijn volwassen leeftijd een passende en middelmatige grootte; daaraan evenredig was de grootte, die zijn lichaam bezat op het ogenblik, waarop de lichamen der andere mensen bezield worden; maar in de eerste aanvang zijner ontvangenis had het een kleinere uitgebreidheid. Maar toch was deze kleine uitgebreidheid niet zo klein, dat daarin het eigenlijke van een bezield lichaam niet zou kunnen behouden blijven, daar toch ook de lichamen van sommige kleine mensen bij zulk een uitgebreidheid bezield worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Hetgeen de Wijsgeer zegt, heeft plaats bij de voortbrenging van andere mensen, omdat het lichaam geleidelijk wordt gevormd en geschikt gemaakt voor de ziel; vandaar dat het eerst, terwijl het als het ware nog niet volledig geschikt is, een onvolmaakte ziel ontvangt; en later, wanneer het volledig geschikt gemaakt is, krijgt het een volmaakte ziel. Maar om de oneindige macht van de tot stand brenger was Christus’ lichaam in een ondeelbaar ogenblik volledig geschikt gemaakt. Daarom ontving het terstond in het eerste ondeelbaar ogenblik de volmaakte wezensvorm, d. i. de redelijke ziel.
3e Weerlegging. Hetgeen de Wijsgeer zegt, heeft plaats bij de voortbrenging van andere mensen, omdat het lichaam geleidelijk wordt gevormd en geschikt gemaakt voor de ziel; vandaar dat het eerst, terwijl het als het ware nog niet volledig geschikt is, een onvolmaakte ziel ontvangt; en later, wanneer het volledig geschikt gemaakt is, krijgt het een volmaakte ziel. Maar om de oneindige macht van de tot stand brenger was Christus’ lichaam in een ondeelbaar ogenblik volledig geschikt gemaakt. Daarom ontving het terstond in het eerste ondeelbaar ogenblik de volmaakte wezensvorm, d. i. de redelijke ziel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Werd Christus’ lichaam reeds in het eerste ogenblik zijner ontvangenis door het Woord aangenomen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 34 a. 1 co.
IIIa q. 35 a. 4 co.[t:iiia q. 34 a. 1 co.][t:iiia q. 35 a. 4 co.]
IIIa q. 33 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus’ lichaam eerst werd ontvangen, en daarna aangenomen. Want wat nog niet is, kan niet worden aangenomen. Welnu Christus’ vlees begon pas te bestaan door de ontvangenis. Derhalve werd het door het Woord Gods aangenomen, nadat het ontvangen was.
IIIa q. 34 a. 1 co.
IIIa q. 35 a. 4 co.[t:iiia q. 34 a. 1 co.][t:iiia q. 35 a. 4 co.]
IIIa q. 33 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus’ lichaam eerst werd ontvangen, en daarna aangenomen. Want wat nog niet is, kan niet worden aangenomen. Welnu Christus’ vlees begon pas te bestaan door de ontvangenis. Derhalve werd het door het Woord Gods aangenomen, nadat het ontvangen was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Christus’ lichaam werd door het Woord Gods aangenomen door middel van de redelijke ziel. Maar het ontving de redelijke ziel eerst op het eind van de ontvangenis. Derhalve werd het op het eind van de ontvangenis eerst aangenomen. Maar op het eind van de ontvangenis is het reeds ontvangen, zoals men zegt. Derhalve was het eerst ontvangen en daarna aangenomen.
Vervolgens. Christus’ lichaam werd door het Woord Gods aangenomen door middel van de redelijke ziel. Maar het ontving de redelijke ziel eerst op het eind van de ontvangenis. Derhalve werd het op het eind van de ontvangenis eerst aangenomen. Maar op het eind van de ontvangenis is het reeds ontvangen, zoals men zegt. Derhalve was het eerst ontvangen en daarna aangenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 3 arg. 3
Vervolgens. In al wat wordt voortgebracht gaat het onvolmaakte tijdelijk vooraf aan het volmaakte, zoals blijkt uit de Wijsgeer in zijn Metaphysica (8° B., 8° H.). Welnu, Christus’ lichaam is iets, wat wordt voortgebracht. Derhalve bereikte het zijn hoogste volmaaktheid, welke in de vereniging met het Woord van God bestaat, niet onmiddellijk bij het eerste ogenblik der ontvangenis, maar werd het lichaam eerst ontvangen, en daarna aangenomen.
Vervolgens. In al wat wordt voortgebracht gaat het onvolmaakte tijdelijk vooraf aan het volmaakte, zoals blijkt uit de Wijsgeer in zijn Metaphysica (8° B., 8° H.). Welnu, Christus’ lichaam is iets, wat wordt voortgebracht. Derhalve bereikte het zijn hoogste volmaaktheid, welke in de vereniging met het Woord van God bestaat, niet onmiddellijk bij het eerste ogenblik der ontvangenis, maar werd het lichaam eerst ontvangen, en daarna aangenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus schrijft in zijn werk Aan Petrus, Over het Geloof (18e H.): "Houd er ten sterkste aan vast, en betwijfel in geen enkel opzicht, dat Christus’ vlees in de schoot der Maagd niet was ontvangen, voordat het door het Woord werd aangenomen".
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus schrijft in zijn werk Aan Petrus, Over het Geloof (18e H.): "Houd er ten sterkste aan vast, en betwijfel in geen enkel opzicht, dat Christus’ vlees in de schoot der Maagd niet was ontvangen, voordat het door het Woord werd aangenomen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals boven (16e Kw., 6e en 7e Art.) werd aangetoond, zeggen we in eigenlijke zin, dat God mens geworden is; maar we zeggen niet in eigenlijke zin, dat de mens God is geworden, omdat namelijk God zich datgene aannam wat des mensen is. Datgene nu wat des mensen is, bestond, voordat het door het Woord werd aangenomen, niet vooraf als iets op zich zelf staande. Indien Christus’ lichaam echter ontvangen geweest zou zijn, voordat het door het Woord werd aangenomen, dan zou het ooit behalve de Persoon van het Woord Gods, ook nog een andere persoon hebben gehad. Maar dit is tegen het begrip der menswording. Overeenkomstig dit begrip toch houden wij, dat het Woord Gods in de eenheid van Persoon is verenigd met de menselijke natuur en met al haar delen; en het is ook niet passend, dat het Woord van God door zijn aanneming die vooraf bestaande persoon der menselijke natuur of van een deel dier natuur deed omkomen. En derhalve is het tegen het geloof te zeggen, dat Christus’ vlees eerst werd ontvangen, en later werd aangenomen door het Woord van God.
Mijn antwoord. Zoals boven (16e Kw., 6e en 7e Art.) werd aangetoond, zeggen we in eigenlijke zin, dat God mens geworden is; maar we zeggen niet in eigenlijke zin, dat de mens God is geworden, omdat namelijk God zich datgene aannam wat des mensen is. Datgene nu wat des mensen is, bestond, voordat het door het Woord werd aangenomen, niet vooraf als iets op zich zelf staande. Indien Christus’ lichaam echter ontvangen geweest zou zijn, voordat het door het Woord werd aangenomen, dan zou het ooit behalve de Persoon van het Woord Gods, ook nog een andere persoon hebben gehad. Maar dit is tegen het begrip der menswording. Overeenkomstig dit begrip toch houden wij, dat het Woord Gods in de eenheid van Persoon is verenigd met de menselijke natuur en met al haar delen; en het is ook niet passend, dat het Woord van God door zijn aanneming die vooraf bestaande persoon der menselijke natuur of van een deel dier natuur deed omkomen. En derhalve is het tegen het geloof te zeggen, dat Christus’ vlees eerst werd ontvangen, en later werd aangenomen door het Woord van God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Indien Christus’ lichaam niet in een ondeelbaar ogenblik zou zijn gevormd of ontvangen, maar geleidelijk in de loop van de tijd, dan moest een van deze twee volgen: ofwel, dat hetgeen aangenomen werd, nog geen lichaam was, ofwel, dat het lichaam eerder ontvangen dan aangenomen werd. Maar, omdat we houden, dat de ontvangenis in een ondeelbaar ogenblik is voltooid, volgt daaruit, dat het ontvangen-worden gelijktijdig was met het ontvangen-zijn. En zo zeggen wij, gelijk Augustinus schrijft in zijn werk Aan Petrus, Over het Geloof (t. a. p.): "dat het Woord van God zelf door de aanneming van het lichaam ontvangen is, en dat het lichaam zelf ontvangen werd door de menswording des Woords".
1e Weerlegging. Indien Christus’ lichaam niet in een ondeelbaar ogenblik zou zijn gevormd of ontvangen, maar geleidelijk in de loop van de tijd, dan moest een van deze twee volgen: ofwel, dat hetgeen aangenomen werd, nog geen lichaam was, ofwel, dat het lichaam eerder ontvangen dan aangenomen werd. Maar, omdat we houden, dat de ontvangenis in een ondeelbaar ogenblik is voltooid, volgt daaruit, dat het ontvangen-worden gelijktijdig was met het ontvangen-zijn. En zo zeggen wij, gelijk Augustinus schrijft in zijn werk Aan Petrus, Over het Geloof (t. a. p.): "dat het Woord van God zelf door de aanneming van het lichaam ontvangen is, en dat het lichaam zelf ontvangen werd door de menswording des Woords".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 3 ad 2
Et per hoc En hierdoor is tevens duidelijk wat op de tweede bedenking moet geantwoord worden; want tegelijk dat dit vlees ontvangen wordt, is het ontvangen, en wordt het bezield.
Et per hoc En hierdoor is tevens duidelijk wat op de tweede bedenking moet geantwoord worden; want tegelijk dat dit vlees ontvangen wordt, is het ontvangen, en wordt het bezield.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. In het geheim der menswording moet men geen opgang zien als van iemand, die reeds bestond en opklimt tot de waardigheid der vereniging, zoals de ketter Photinus hield. Maar eerder moet men er een afdaling in zien, in zover het volmaakte Woord van God zich de onvolmaaktheid onzer natuur aannam: overeenkomstig het woord van Joannes (6, 38, 51): "Ik ben uit de hemel neergedaald".
B: (John 6:38, John 6:38) [b:John 6:38]
3e Weerlegging. In het geheim der menswording moet men geen opgang zien als van iemand, die reeds bestond en opklimt tot de waardigheid der vereniging, zoals de ketter Photinus hield. Maar eerder moet men er een afdaling in zien, in zover het volmaakte Woord van God zich de onvolmaaktheid onzer natuur aannam: overeenkomstig het woord van Joannes (6, 38, 51): "Ik ben uit de hemel neergedaald".
B: (John 6:38, John 6:38) [b:John 6:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Was Christus’ ontvangenis natuurlijk?
IIIa q. 33 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat Christus’ ontvangenis natuurlijk is geweest. Naar de ontvangenis des vleses toch heet Christus de Zoon des mensen. Welnu, Hij is een ware en natuurlijke zoon des mensen, zoals Hij ook de ware en natuurlijke Zoon van God is. Derhalve was zijn ontvangenis natuurlijk.
Over het vierde als volgt. Men beweert dat Christus’ ontvangenis natuurlijk is geweest. Naar de ontvangenis des vleses toch heet Christus de Zoon des mensen. Welnu, Hij is een ware en natuurlijke zoon des mensen, zoals Hij ook de ware en natuurlijke Zoon van God is. Derhalve was zijn ontvangenis natuurlijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Geen enkel schepsel verricht een wonderbare werking. Welnu, Christus’ ontvangenis wordt toegeschreven aan de H. Maagd, die louter een schepsel is; want men zegt, dat de H. Maagd Christus heeft ontvangen. Derhalve, zo beweert men, is die ontvangenis niet wonderbaar, doch natuurlijk.
Vervolgens. Geen enkel schepsel verricht een wonderbare werking. Welnu, Christus’ ontvangenis wordt toegeschreven aan de H. Maagd, die louter een schepsel is; want men zegt, dat de H. Maagd Christus heeft ontvangen. Derhalve, zo beweert men, is die ontvangenis niet wonderbaar, doch natuurlijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Wil een wezensverandering natuurlijk zijn, dan is het voldoende, dat het passieve beginsel iets natuurlijks is, gelijk boven (32° Kw., 4° Art.) werd aangetoond. Welnu, bij de ontvangenis van Christus was het passieve beginsel van de kant der moeder iets natuurlijks, zoals uit het behandelde (t. a. p.) blijkt. Bijgevolg was Christus’ ontvangenis natuurlijk.
R: q. 32 a. 4[t:iiia q. 32 a. 4] q. 32 a. 4[t:iiia q. 32 a. 4]
Vervolgens. Wil een wezensverandering natuurlijk zijn, dan is het voldoende, dat het passieve beginsel iets natuurlijks is, gelijk boven (32° Kw., 4° Art.) werd aangetoond. Welnu, bij de ontvangenis van Christus was het passieve beginsel van de kant der moeder iets natuurlijks, zoals uit het behandelde (t. a. p.) blijkt. Bijgevolg was Christus’ ontvangenis natuurlijk.
R: q. 32 a. 4[t:iiia q. 32 a. 4] q. 32 a. 4[t:iiia q. 32 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Dionysius in zijn Brief aan de Monnik Caius schrijft: "Op bovenmenselijke wijze bewerkt Christus datgene, wat des mensen is; en dit blijkt uit de H. Maagd, die op een bovennatuurlijke wijze ontvangt".
Daartegenover staat echter hetgeen Dionysius in zijn Brief aan de Monnik Caius schrijft: "Op bovenmenselijke wijze bewerkt Christus datgene, wat des mensen is; en dit blijkt uit de H. Maagd, die op een bovennatuurlijke wijze ontvangt".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals Ambrosius zegt in zijn werk Over de menswording (6° H.): "Zult gij in dit geheim veel aantreffen, dat zowel overeenkomstig de natuur is als er boven uitgaat". Want zo we in dit geheim beschouwen datgene wat zich als materie ter ontvangenis verhoudt, dan is alles natuurlijk. Indien we echter datgene beschouwen wat van de kant der tot stand brengende kracht is, dan is alles wonderbaar. En wijl alles meer beoordeeld wordt naar zijn vorm dan naar de materie, en eveneens meer beoordeeld wordt naar de bewerker dan naar hetgeen de bewerking ondergaat, daarom moet Christus’ ontvangenis zonder meer wonderbaar en bovennatuurlijk worden genoemd, maar onder een bepaald opzicht natuurlijk.
Mijn antwoord. Zoals Ambrosius zegt in zijn werk Over de menswording (6° H.): "Zult gij in dit geheim veel aantreffen, dat zowel overeenkomstig de natuur is als er boven uitgaat". Want zo we in dit geheim beschouwen datgene wat zich als materie ter ontvangenis verhoudt, dan is alles natuurlijk. Indien we echter datgene beschouwen wat van de kant der tot stand brengende kracht is, dan is alles wonderbaar. En wijl alles meer beoordeeld wordt naar zijn vorm dan naar de materie, en eveneens meer beoordeeld wordt naar de bewerker dan naar hetgeen de bewerking ondergaat, daarom moet Christus’ ontvangenis zonder meer wonderbaar en bovennatuurlijk worden genoemd, maar onder een bepaald opzicht natuurlijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Christus heet de natuurlijke zoon des mensen, in zover Hij in waarheid de menselijke natuur heeft; daardoor is Hij zoon des mensen, hoewel Hij die natuur op wonderbare wijze ontvangen heeft; gelijk een genezen blinde natuurlijker wijze ziet door zijn gezichtsvermogen, hetwelk hij door een wonder heeft herkregen.
1e Weerlegging. Christus heet de natuurlijke zoon des mensen, in zover Hij in waarheid de menselijke natuur heeft; daardoor is Hij zoon des mensen, hoewel Hij die natuur op wonderbare wijze ontvangen heeft; gelijk een genezen blinde natuurlijker wijze ziet door zijn gezichtsvermogen, hetwelk hij door een wonder heeft herkregen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Het ontvangen wordt aan de H. Maagd toegeschreven, niet als aan het bewerkend beginsel, maar omdat zij de materie verschafte voor de ontvangst, en omdat de ontvangst in haar schoot werd voltrokken.
2e Weerlegging. Het ontvangen wordt aan de H. Maagd toegeschreven, niet als aan het bewerkend beginsel, maar omdat zij de materie verschafte voor de ontvangst, en omdat de ontvangst in haar schoot werd voltrokken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 33 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Een natuurlijk, passief beginsel volstaat voor een wezensverandering, wanneer er door het hem eigen, werkzame beginsel op de gewone en natuurlijke wijze op in wordt gewerkt. Doch dit laatste was hier niet het geval. En daarom kan deze ontvangenis niet zonder meer natuurlijk worden genoemd.
3e Weerlegging. Een natuurlijk, passief beginsel volstaat voor een wezensverandering, wanneer er door het hem eigen, werkzame beginsel op de gewone en natuurlijke wijze op in wordt gewerkt. Doch dit laatste was hier niet het geval. En daarom kan deze ontvangenis niet zonder meer natuurlijk worden genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 34: Over de volmaaktheid van het ontvangen kind
IIIa q. 34 pr.
IIIa q. 34 pr. Vervolgens moeten we handelen over de volmaaktheid van het ontvangen kind. Hieromtrent worden vier vragen gesteld. 1. Werd Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis geheiligd door de genade? 2. Bezat Hij op dat zelfde ogenblik het gebruik van de vrije wil? 3. Kon Hij op dat zelfde ogenblik verdienen? 4. Bezat Hij op dat zelfde ogenblik ten volle de aanschouwing?
IIIa q. 34 pr. Vervolgens moeten we handelen over de volmaaktheid van het ontvangen kind. Hieromtrent worden vier vragen gesteld. 1. Werd Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis geheiligd door de genade? 2. Bezat Hij op dat zelfde ogenblik het gebruik van de vrije wil? 3. Kon Hij op dat zelfde ogenblik verdienen? 4. Bezat Hij op dat zelfde ogenblik ten volle de aanschouwing?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Werd Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis geheiligd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 7 a. 3 co.
IIIa q. 34 a. 2 co.
IIIa q. 34 a. 3 co.
IIIa q. 39 a. 2 co.
IIIa q. 39 a. 6 arg. 1[t:iiia q. 7 a. 3 co.][t:iiia q. 34 a. 2 co.][t:iiia q. 34 a. 3 co.][t:iiia q. 39 a. 2 co.][t:iiia q. 39 a. 6 arg. 1]
IIIa q. 34 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet op het eerste ogenblik zijner ontvangenis werd geheiligd. Want in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 46) wordt gezegd: "Niet het geestelijke gaat vooraf, maar wel het bezielde; daarna komt het geestelijke". Welnu, de heiliging door de genade behoort tot het geestelijke. Derhalve ontving Christus niet terstond vanaf het eerste begin zijner ontvangenis de genade der heiligmaking, maar na verloop van enigen tijd.
B: (1Cor 15:46) [b:1Cor 15:46]
IIIa q. 7 a. 3 co.
IIIa q. 34 a. 2 co.
IIIa q. 34 a. 3 co.
IIIa q. 39 a. 2 co.
IIIa q. 39 a. 6 arg. 1[t:iiia q. 7 a. 3 co.][t:iiia q. 34 a. 2 co.][t:iiia q. 34 a. 3 co.][t:iiia q. 39 a. 2 co.][t:iiia q. 39 a. 6 arg. 1]
IIIa q. 34 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet op het eerste ogenblik zijner ontvangenis werd geheiligd. Want in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 46) wordt gezegd: "Niet het geestelijke gaat vooraf, maar wel het bezielde; daarna komt het geestelijke". Welnu, de heiliging door de genade behoort tot het geestelijke. Derhalve ontving Christus niet terstond vanaf het eerste begin zijner ontvangenis de genade der heiligmaking, maar na verloop van enigen tijd.
B: (1Cor 15:46) [b:1Cor 15:46]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Men wordt geheiligd van de zonde, blijkens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (6, 11): "En dit waren sommigen van u, namelijk zondaars, maar gij zijt rein gewassen en gij zijt geheiligd". Maar in Christus was de zonde nooit. Derhalve kwam het Hem niet toe, door de genade geheiligd te worden.
B: (1Cor 6:1) [b:1Cor 6:1]
Vervolgens. Men wordt geheiligd van de zonde, blijkens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (6, 11): "En dit waren sommigen van u, namelijk zondaars, maar gij zijt rein gewassen en gij zijt geheiligd". Maar in Christus was de zonde nooit. Derhalve kwam het Hem niet toe, door de genade geheiligd te worden.
B: (1Cor 6:1) [b:1Cor 6:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Zoals door het Woord Gods alles gemaakt is (Joannes, 1, 3), zo zijn door het mensgeworden Woord geheiligd alle mensen, die geheiligd worden, volgens de Brief aan de Hebreeën (2, 11): "Hij die heiligt, en zij die geheiligd worden, zijn allen uit Eén". Maar het Woord Gods, door hetwelk alles gemaakt is, is zelf niet gemaakt, gelijk Augustinus zegt in het eerste Boek van zijn werk Over de Drievuldigheid (6e H.; en IVe B., 1e H.). Bijgevolg is ook Christus, door wie allen geheiligd worden, zelf niet geheiligd.
B: (Heb 2:11) [b:Heb 2:11]
Vervolgens. Zoals door het Woord Gods alles gemaakt is (Joannes, 1, 3), zo zijn door het mensgeworden Woord geheiligd alle mensen, die geheiligd worden, volgens de Brief aan de Hebreeën (2, 11): "Hij die heiligt, en zij die geheiligd worden, zijn allen uit Eén". Maar het Woord Gods, door hetwelk alles gemaakt is, is zelf niet gemaakt, gelijk Augustinus zegt in het eerste Boek van zijn werk Over de Drievuldigheid (6e H.; en IVe B., 1e H.). Bijgevolg is ook Christus, door wie allen geheiligd worden, zelf niet geheiligd.
B: (Heb 2:11) [b:Heb 2:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen gezegd wordt bij Lucas (1, 35): "Het heilige dat uit u zal geboren worden, zal de Zoon van God genoemd worden". En bij Joannes (10, 36): "Hem, die de Vader heeft geheiligd en in de wereld gezonden".
B: (Luke 1:35) [b:Luke 1:35] (John 10:36, John 10:36) [b:John 10:36]
Daartegenover staat echter hetgeen gezegd wordt bij Lucas (1, 35): "Het heilige dat uit u zal geboren worden, zal de Zoon van God genoemd worden". En bij Joannes (10, 36): "Hem, die de Vader heeft geheiligd en in de wereld gezonden".
B: (Luke 1:35) [b:Luke 1:35] (John 10:36, John 10:36) [b:John 10:36]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 1 co.
Mijn antwoord. Gelijk boven (7e Kw., art. 9, 10, 12) werd aangetoond, kwam de overvloed van genade, welke de ziel van Christus heiligde juist voort uit de vereniging met het Woord, volgens Joannes (1, 14): "Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd; een heerlijkheid als van de Eengeborene uit de Vader, vol van genade en waarheid". Nu is boven (33e Kw., art. 2, 3) aangetoond, dat Christus’ lichaam in het eerste ogenblik der ontvangenis bezield en door het Woord Gods werd aangenomen. Daaruit volgt, dat Christus in het eerste ogenblik van zijn ontvangenis de volheid bezat van genade, welke zijn ziel en lichaam heiligde.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
R: q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9] q. 7 a. 10[t:iiia q. 7 a. 10] q. 7 a. 12[t:iiia q. 7 a. 12] q. 33 a. 2[t:iiia q. 33 a. 2] q. 33 a. 3[t:iiia q. 33 a. 3]
Mijn antwoord. Gelijk boven (7e Kw., art. 9, 10, 12) werd aangetoond, kwam de overvloed van genade, welke de ziel van Christus heiligde juist voort uit de vereniging met het Woord, volgens Joannes (1, 14): "Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd; een heerlijkheid als van de Eengeborene uit de Vader, vol van genade en waarheid". Nu is boven (33e Kw., art. 2, 3) aangetoond, dat Christus’ lichaam in het eerste ogenblik der ontvangenis bezield en door het Woord Gods werd aangenomen. Daaruit volgt, dat Christus in het eerste ogenblik van zijn ontvangenis de volheid bezat van genade, welke zijn ziel en lichaam heiligde.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
R: q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9] q. 7 a. 10[t:iiia q. 7 a. 10] q. 7 a. 12[t:iiia q. 7 a. 12] q. 33 a. 2[t:iiia q. 33 a. 2] q. 33 a. 3[t:iiia q. 33 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De volgorde, die de Apostel daar aangeeft, geldt voor diegenen die door een opgang de staat des geestes bereiken. In het geheim der menswording heeft men echter meer een neerdalen van de Goddelijke volheid tot de menselijke natuur te zien dan het naar God opstijgen van een menselijke natuur, die als het ware reeds bestond.
1e Weerlegging. De volgorde, die de Apostel daar aangeeft, geldt voor diegenen die door een opgang de staat des geestes bereiken. In het geheim der menswording heeft men echter meer een neerdalen van de Goddelijke volheid tot de menselijke natuur te zien dan het naar God opstijgen van een menselijke natuur, die als het ware reeds bestond.
Referenties naar deze alinea: 1
Het Goddelijke Moederschap van Maria ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Geheiligd worden betekent, dat iets heilig gemaakt wordt. Nu wordt iets gemaakt niet alleen uit het tegengestelde, maar ook uit het negatief of privatief tegenovergestelde, zoals iets van zwart of ook van niet-wit wit gemaakt wordt. Wij nu zijn van zondaars tot heiligen gemaakt; en zo is onze heiligmaking vanuit de zonde. Ook Christus als mens is heilig gemaakt, omdat Hij als mens deze heiligheid der genade niet altijd heeft gehad; Hij echter is niet van zondaar heilig gemaakt, omdat Hij nooit zonde heeft gehad. Maar van niet-heilige is Hij als mens heilig gemaakt, wel niet in privatieven zin, alsof er ooit een tijd was, waarin Hij wel mens was, maar toch niet heilig, doch in negatieven zin, omdat Hij namelijk, toen Hij nog geen mens was, de menselijke heiligheid niet bezat. En derhalve werd Hij tegelijk mens en heilig mens. Daarom ook zegt de engel (Lucas, 1, 35): "Het heilige, dat uit u zal worden geboren", hetgeen Gregorius in het 18e boek van zijn Zedeleer (52e H.) aldus uitlegt: "Om zijn heiligheid te onderscheiden van onze heiligheid, wordt van Jesus getuigd, dat Hij als heilige zal worden geboren. Wij toch, ook al worden we heilig gemaakt, we worden toch niet heilig geboren, omdat we gebonden zijn door de toestand onzer gevallen natuur. Alleen Hij echter is waarlijk heilig geboren, die niet ontvangen werd krachtens de geslachtelijke omgang des vleses".
B: (Luke 1:35) [b:Luke 1:35]
2e Weerlegging. Geheiligd worden betekent, dat iets heilig gemaakt wordt. Nu wordt iets gemaakt niet alleen uit het tegengestelde, maar ook uit het negatief of privatief tegenovergestelde, zoals iets van zwart of ook van niet-wit wit gemaakt wordt. Wij nu zijn van zondaars tot heiligen gemaakt; en zo is onze heiligmaking vanuit de zonde. Ook Christus als mens is heilig gemaakt, omdat Hij als mens deze heiligheid der genade niet altijd heeft gehad; Hij echter is niet van zondaar heilig gemaakt, omdat Hij nooit zonde heeft gehad. Maar van niet-heilige is Hij als mens heilig gemaakt, wel niet in privatieven zin, alsof er ooit een tijd was, waarin Hij wel mens was, maar toch niet heilig, doch in negatieven zin, omdat Hij namelijk, toen Hij nog geen mens was, de menselijke heiligheid niet bezat. En derhalve werd Hij tegelijk mens en heilig mens. Daarom ook zegt de engel (Lucas, 1, 35): "Het heilige, dat uit u zal worden geboren", hetgeen Gregorius in het 18e boek van zijn Zedeleer (52e H.) aldus uitlegt: "Om zijn heiligheid te onderscheiden van onze heiligheid, wordt van Jesus getuigd, dat Hij als heilige zal worden geboren. Wij toch, ook al worden we heilig gemaakt, we worden toch niet heilig geboren, omdat we gebonden zijn door de toestand onzer gevallen natuur. Alleen Hij echter is waarlijk heilig geboren, die niet ontvangen werd krachtens de geslachtelijke omgang des vleses".
B: (Luke 1:35) [b:Luke 1:35]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. De Vader brengt de schepping der dingen door de Zoon op geheel andere wijze tot stand, dan de gehele H. Drievuldigheid de heiliging der mensen door de mens Christus bewerkt. Want het Woord van God heeft een zelfde kracht en werking als God de Vader; de Vader werkt dan ook niet door de Zoon als door een instrument, hetwelk alleen maar werkt in zover er op ingewerkt wordt. Christus’ mensheid echter verhoudt zich wel als instrument der Godheid, gelijk boven werd aangetoond. Derhalve was Christus’ mensheid heiligend en zelf geheiligd.
R: q. 7 a. 1 ad 3[t:iiia q. 7 a. 1 ad 3] q. 8 a. 1 ad 1[t:iiia q. 8 a. 1 ad 1]
3e Weerlegging. De Vader brengt de schepping der dingen door de Zoon op geheel andere wijze tot stand, dan de gehele H. Drievuldigheid de heiliging der mensen door de mens Christus bewerkt. Want het Woord van God heeft een zelfde kracht en werking als God de Vader; de Vader werkt dan ook niet door de Zoon als door een instrument, hetwelk alleen maar werkt in zover er op ingewerkt wordt. Christus’ mensheid echter verhoudt zich wel als instrument der Godheid, gelijk boven werd aangetoond. Derhalve was Christus’ mensheid heiligend en zelf geheiligd.
R: q. 7 a. 1 ad 3[t:iiia q. 7 a. 1 ad 3] q. 8 a. 1 ad 1[t:iiia q. 8 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Bezat Christus als mens op het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van zijn vrijen wil?
IIIa q. 34 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus als mens op het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van zijn vrije wil niet bezat. Het zijn toch van iets is eerder dan het handelen of werken. Het gebruik van de vrije wil echter is een werking. Daar dus Christus' ziel, zoals uit het bovenstaande (33° Kw., Art. 2) blijkt, begon te zijn op het eerste ogenblik zijner ontvangenis, lijkt het onmogelijk, dat Hij op dat eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van de vrije wil bezat.
R: q. 33 a. 2[t:iiia q. 33 a. 2]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus als mens op het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van zijn vrije wil niet bezat. Het zijn toch van iets is eerder dan het handelen of werken. Het gebruik van de vrije wil echter is een werking. Daar dus Christus' ziel, zoals uit het bovenstaande (33° Kw., Art. 2) blijkt, begon te zijn op het eerste ogenblik zijner ontvangenis, lijkt het onmogelijk, dat Hij op dat eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van de vrije wil bezat.
R: q. 33 a. 2[t:iiia q. 33 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Het gebruik van de vrije wil uit zich in de keuze. Het kiezen echter veronderstelt het wikken en wegen van het beraadslagende verstand; want de wijsgeer zegt in het 3° boek van zijn Zedeleer (2° H.) dat de keuze een heending is naar het vooraf beraadslaagde. Derhalve, zo beweert men, is het onmogelijk, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van de vrije wil bezat.
Vervolgens. Het gebruik van de vrije wil uit zich in de keuze. Het kiezen echter veronderstelt het wikken en wegen van het beraadslagende verstand; want de wijsgeer zegt in het 3° boek van zijn Zedeleer (2° H.) dat de keuze een heending is naar het vooraf beraadslaagde. Derhalve, zo beweert men, is het onmogelijk, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van de vrije wil bezat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De vrije wil is een vermogen van de wil en van de rede; en derhalve is het gebruik maken van de vrije wil een daad van de wil en van de rede of van het verstand. Maar de verstandsdaad vooronderstelt de werking van het zintuig; het zintuig kan echter niet werken zonder geschikte organen; deze geschiktheid nu was nog niet aanwezig op het eerste ogenblik van Christus' ontvangenis. Derhalve, zo beweert men, kon Christus het gebruik van zijn vrije wil nog niet bezitten op het eerste ogenblik van zijn ontvangenis.
R: I q. 83 a. 2 Arg. 2[t:ia q. 83 a. 2 arg. 2]
Vervolgens. De vrije wil is een vermogen van de wil en van de rede; en derhalve is het gebruik maken van de vrije wil een daad van de wil en van de rede of van het verstand. Maar de verstandsdaad vooronderstelt de werking van het zintuig; het zintuig kan echter niet werken zonder geschikte organen; deze geschiktheid nu was nog niet aanwezig op het eerste ogenblik van Christus' ontvangenis. Derhalve, zo beweert men, kon Christus het gebruik van zijn vrije wil nog niet bezitten op het eerste ogenblik van zijn ontvangenis.
R: I q. 83 a. 2 Arg. 2[t:ia q. 83 a. 2 arg. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid: "Zodra het Woord in de moederschoot kwam, werd het vlees en volledig mens, met behoud van al wat aan zijn eigen natuur toekwam". Welnu, een volledig mens heeft het gebruik van zijn vrije wil. Derhalve had Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van zijn vrije wil.
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid: "Zodra het Woord in de moederschoot kwam, werd het vlees en volledig mens, met behoud van al wat aan zijn eigen natuur toekwam". Welnu, een volledig mens heeft het gebruik van zijn vrije wil. Derhalve had Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van zijn vrije wil.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals boven (1° Art., Antw. op de 1° Bedenk.) gezegd is, kwam aan de menselijke natuur, die Christus aannam, een geestelijke volmaaktheid toe, waartoe Hij niet behoefde op te klimmen, maar die Hij terstond vanaf het eerste begin bezat. De hoogste volmaaktheid nu bestaat niet in de aanleg of in de vaardigheid, maar in het feitelijk doen, in de werking; vandaar dan ook wordt in het 2e boek van het werk Over de Ziel geleerd, dat de werking de tweede akt is. En derhalve moet men zeggen, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis die werking des geestes bezat, die in instantie kan geschieden. Een zodanige werking nu is de daad van de wil en van het verstand, en daarin bestaat juist het gebruik van de vrije wil. Plotseling toch en in eens voltrekt zich de werking van het verstand en de wil, veel meer dan het lichamelijke zien. Want het begrijpen, het willen en het zintuigelijk waarnemen zijn geen bewegingen, die akte zijn van het onvolmaakte (dat geleidelijk vervolmaakt wordt), maar die akte zijn van wat reeds volmaakt is, zoals in het 3e boek van het werk Over de Ziel geleerd wordt. En derhalve moet men zeggen, dat Christus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van de vrije wil bezat.
R: q. 34 a. 1[t:iiia q. 34 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven (1° Art., Antw. op de 1° Bedenk.) gezegd is, kwam aan de menselijke natuur, die Christus aannam, een geestelijke volmaaktheid toe, waartoe Hij niet behoefde op te klimmen, maar die Hij terstond vanaf het eerste begin bezat. De hoogste volmaaktheid nu bestaat niet in de aanleg of in de vaardigheid, maar in het feitelijk doen, in de werking; vandaar dan ook wordt in het 2e boek van het werk Over de Ziel geleerd, dat de werking de tweede akt is. En derhalve moet men zeggen, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis die werking des geestes bezat, die in instantie kan geschieden. Een zodanige werking nu is de daad van de wil en van het verstand, en daarin bestaat juist het gebruik van de vrije wil. Plotseling toch en in eens voltrekt zich de werking van het verstand en de wil, veel meer dan het lichamelijke zien. Want het begrijpen, het willen en het zintuigelijk waarnemen zijn geen bewegingen, die akte zijn van het onvolmaakte (dat geleidelijk vervolmaakt wordt), maar die akte zijn van wat reeds volmaakt is, zoals in het 3e boek van het werk Over de Ziel geleerd wordt. En derhalve moet men zeggen, dat Christus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis het gebruik van de vrije wil bezat.
R: q. 34 a. 1[t:iiia q. 34 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Het zijn is wel van nature eerder dan het werken, doch niet tijdelijk; maar zo gauw als een werker het volle zijn heeft, begint hij te werken, indien er ten minste niet iets is, dat hem hierin verhindert. Zoals het vuur tegelijk dat het wordt voortgebracht, begint te verwarmen en te verlichten. Maar het verwarmen wordt niet in eens voltrokken, doch geschiedt geleidelijk in de tijd; het verlichten echter geschiedt in eens. En een zodanige werking is ook het gebruik van de vrije wil, zoals we zeiden (Vgl. de Leerstelling).
1e Weerlegging. Het zijn is wel van nature eerder dan het werken, doch niet tijdelijk; maar zo gauw als een werker het volle zijn heeft, begint hij te werken, indien er ten minste niet iets is, dat hem hierin verhindert. Zoals het vuur tegelijk dat het wordt voortgebracht, begint te verwarmen en te verlichten. Maar het verwarmen wordt niet in eens voltrokken, doch geschiedt geleidelijk in de tijd; het verlichten echter geschiedt in eens. En een zodanige werking is ook het gebruik van de vrije wil, zoals we zeiden (Vgl. de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Tegelijk, dat de beraadslaging of het wikken en wegen is afgelopen, kan de keuze plaats hebben. Zij nu, die overweging van het beraadslagend verstand nodig hebben, bezitten bij de beëindiging van dit beraad op de eerste plaats zekerheid betreffende datgene, wat gekozen moet worden, en kiezen dan ook onmiddellijk. Hieruit blijkt, dat het overwegen van het beraad om niets anders aan de keuze vooraf moet gaan dan om het onderzoeken van het onzekere. Zoals Christus echter in het eerste ogenblik van zijn ontvangenis de volheid der heiligmakende genade bezat, zo ook had Hij de volheid der gekende waarheid, blijkens Joannes (1, 14): "vol van genade en waarheid". Vandaar kon Hij, als het ware in alles zekerheid hebbende, onmiddellijk kiezen.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
2e Weerlegging. Tegelijk, dat de beraadslaging of het wikken en wegen is afgelopen, kan de keuze plaats hebben. Zij nu, die overweging van het beraadslagend verstand nodig hebben, bezitten bij de beëindiging van dit beraad op de eerste plaats zekerheid betreffende datgene, wat gekozen moet worden, en kiezen dan ook onmiddellijk. Hieruit blijkt, dat het overwegen van het beraad om niets anders aan de keuze vooraf moet gaan dan om het onderzoeken van het onzekere. Zoals Christus echter in het eerste ogenblik van zijn ontvangenis de volheid der heiligmakende genade bezat, zo ook had Hij de volheid der gekende waarheid, blijkens Joannes (1, 14): "vol van genade en waarheid". Vandaar kon Hij, als het ware in alles zekerheid hebbende, onmiddellijk kiezen.
B: (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 1
De priester, bedienaar en middelaar tussen God en de mensen ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Christus’ verstand kon, voor wat de ingestorte wetenschap betreft, begrijpen zonder zich van zijn fantasiebeelden te bedienen, gelijk boven (11° Kw., Art. 2) werd uiteengezet. Zodoende kon er in Hem werking van wil en van verstand zijn zonder werking der zintuigen. Maar toch kon er in Hem ook een werking van enig zintuig zijn op het eerste ogenblik van zijn ontvangenis, vooral aangaande de tastzin, waardoor het ontvangen kind in de moeder voelt, ook voordat het de verstandelijke ziel bezit, zoals gezegd wordt in het 2° boek van het werk Over de voortbrenging der Dieren. Derhalve, daar Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis een verstandelijke ziel bezat,wijl zijn lichaam toen reeds gevormd en van ledematen voorzien was, kon zeker Hij op datzelfde ogenblik de werking van de tastzin hebben.
R: q. 11 a. 2[t:iiia q. 11 a. 2]
3e Weerlegging. Christus’ verstand kon, voor wat de ingestorte wetenschap betreft, begrijpen zonder zich van zijn fantasiebeelden te bedienen, gelijk boven (11° Kw., Art. 2) werd uiteengezet. Zodoende kon er in Hem werking van wil en van verstand zijn zonder werking der zintuigen. Maar toch kon er in Hem ook een werking van enig zintuig zijn op het eerste ogenblik van zijn ontvangenis, vooral aangaande de tastzin, waardoor het ontvangen kind in de moeder voelt, ook voordat het de verstandelijke ziel bezit, zoals gezegd wordt in het 2° boek van het werk Over de voortbrenging der Dieren. Derhalve, daar Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis een verstandelijke ziel bezat,wijl zijn lichaam toen reeds gevormd en van ledematen voorzien was, kon zeker Hij op datzelfde ogenblik de werking van de tastzin hebben.
R: q. 11 a. 2[t:iiia q. 11 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Het Goddelijke Moederschap van Maria ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Kon Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdienen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 34 a. 4 arg. 1
IIIa q. 34 a. 4 co.
IIIa q. 48 a. 1 arg. 2
IIIa q. 49 a. 6 arg. 2[t:iiia q. 34 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 34 a. 4 co.][t:iiia q. 48 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 49 a. 6 arg. 2]
IIIa q. 34 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis niet kon verdienen. Want zoals de vrije wil zich verhoudt tot het verdienen van een beloning, zo verhoudt hij zich ook tot het verdienen van straf. Maar de duivel kon niet zondigen in het eerste ogenblik, dat hij geschapen was, gelijk in het I° Deel (63° Kw., Art. 5) werd aangetoond. Derhalve kon ook de ziel van Christus niet verdienen in het eerste ogenblik, dat zij geschapen was, d. i. het eerste ogenblik van Christus’ ontvangenis.
R: I q. 63 a. 5[t:ia q. 63 a. 5]
IIIa q. 34 a. 4 arg. 1
IIIa q. 34 a. 4 co.
IIIa q. 48 a. 1 arg. 2
IIIa q. 49 a. 6 arg. 2[t:iiia q. 34 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 34 a. 4 co.][t:iiia q. 48 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 49 a. 6 arg. 2]
IIIa q. 34 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis niet kon verdienen. Want zoals de vrije wil zich verhoudt tot het verdienen van een beloning, zo verhoudt hij zich ook tot het verdienen van straf. Maar de duivel kon niet zondigen in het eerste ogenblik, dat hij geschapen was, gelijk in het I° Deel (63° Kw., Art. 5) werd aangetoond. Derhalve kon ook de ziel van Christus niet verdienen in het eerste ogenblik, dat zij geschapen was, d. i. het eerste ogenblik van Christus’ ontvangenis.
R: I q. 63 a. 5[t:ia q. 63 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Datgene, wat een mens heeft op het eerste ogenblik van zijn ontvangst, komt hem van nature toe, daar dit het eindresultaat is van zijn natuurlijke wording. Maar met natuurlijke middelen kunnen wij niet verdienen, zoals blijkt uit hetgeen in het IIe Deel (Ia-IIae, 109° Kw., Art. 5; 114° Kw., Art. 2) behandeld werd. Derhalve, zo beweert men, was het gebruik van zijn vrije wil, hetwelk Christus op het eerste ogenblik van zijn ontvangst bezat, niet verdienstelijk.
R: Ia-IIae q. 109 a. 5[t:ia-iiae q. 109 a. 5] Ia-IIae q. 114 a. 2[t:ia-iiae q. 114 a. 2]
Vervolgens. Datgene, wat een mens heeft op het eerste ogenblik van zijn ontvangst, komt hem van nature toe, daar dit het eindresultaat is van zijn natuurlijke wording. Maar met natuurlijke middelen kunnen wij niet verdienen, zoals blijkt uit hetgeen in het IIe Deel (Ia-IIae, 109° Kw., Art. 5; 114° Kw., Art. 2) behandeld werd. Derhalve, zo beweert men, was het gebruik van zijn vrije wil, hetwelk Christus op het eerste ogenblik van zijn ontvangst bezat, niet verdienstelijk.
R: Ia-IIae q. 109 a. 5[t:ia-iiae q. 109 a. 5] Ia-IIae q. 114 a. 2[t:ia-iiae q. 114 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Datgene, wat iemand eenmaal verdiend heeft, maakt hij in zekere zin reeds tot het zijne, en zo schijnt hij datzelfde niet nog eens te kunnen verdienen, daar niemand verdient hetgeen reeds het zijne is. Indien Christus dus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiend heeft, heeft Hij bijgevolg naderhand niets meer verdiend. Dit echter is klaarblijkelijk onjuist. Derhalve heeft Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis niets verdiend.
Vervolgens. Datgene, wat iemand eenmaal verdiend heeft, maakt hij in zekere zin reeds tot het zijne, en zo schijnt hij datzelfde niet nog eens te kunnen verdienen, daar niemand verdient hetgeen reeds het zijne is. Indien Christus dus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiend heeft, heeft Hij bijgevolg naderhand niets meer verdiend. Dit echter is klaarblijkelijk onjuist. Derhalve heeft Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis niets verdiend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt in zijn Uitleg op het Oude en Nieuwe Testament: "Voor wat de verdienste van zijn ziel betreft, bezat Christus in het geheel niet, waarin Hij nog zou hebben kunnen toenemen». Hij zou echter wel in verdienste hebben kunnen toenemen, indien Hij in het eerste ogenblik van zijn ontvangenis niet verdiend had. Derhalve heeft Christus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiend.
B: (Exod 40) [b:Exod 40]
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt in zijn Uitleg op het Oude en Nieuwe Testament: "Voor wat de verdienste van zijn ziel betreft, bezat Christus in het geheel niet, waarin Hij nog zou hebben kunnen toenemen». Hij zou echter wel in verdienste hebben kunnen toenemen, indien Hij in het eerste ogenblik van zijn ontvangenis niet verdiend had. Derhalve heeft Christus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiend.
B: (Exod 40) [b:Exod 40]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 3 co.
Mijn antwoord. Gelijk boven (1e Art.) is aangetoond, werd Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis door de genade geheiligd. Er bestaat echter een tweevoudige heiliging die der volwassenen, namelijk, die in hun eigen daad geheiligd worden, en een andere, die der kinderen, die niet geheiligd worden in hun eigen geloofsdaad, doch in het geloof der ouders of dat der Kerk. De eerstgenoemde heiliging is echter volmaakter dan de tweede; gelijk (in het algemeen) de daad volmaakter is dan de vaardigheid, en door zichzelf zo te zijn is volmaakter dan dit door een ander te zijn. Daar dus Christus’ heiliging het volmaaktste was (omdat Hij zóó geheiligd is, dat Hij de heiligmaker van anderen zijn zou), werd Hij bijgevolg geheiligd in de eigen heenneiging van zijn vrije wil naar God. Deze heenneiging nu van de vrije wil is verdienstelijk. Bijgevolg heeft Christus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiend.
R: q. 34 a. 1[t:iiia q. 34 a. 1]
Mijn antwoord. Gelijk boven (1e Art.) is aangetoond, werd Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis door de genade geheiligd. Er bestaat echter een tweevoudige heiliging die der volwassenen, namelijk, die in hun eigen daad geheiligd worden, en een andere, die der kinderen, die niet geheiligd worden in hun eigen geloofsdaad, doch in het geloof der ouders of dat der Kerk. De eerstgenoemde heiliging is echter volmaakter dan de tweede; gelijk (in het algemeen) de daad volmaakter is dan de vaardigheid, en door zichzelf zo te zijn is volmaakter dan dit door een ander te zijn. Daar dus Christus’ heiliging het volmaaktste was (omdat Hij zóó geheiligd is, dat Hij de heiligmaker van anderen zijn zou), werd Hij bijgevolg geheiligd in de eigen heenneiging van zijn vrije wil naar God. Deze heenneiging nu van de vrije wil is verdienstelijk. Bijgevolg heeft Christus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiend.
R: q. 34 a. 1[t:iiia q. 34 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. De vrije wil verhoudt zich niet op dezelfde wijze tegenover het goed als tegenover het kwaad, want naar het goede gaat hij uiteraard en van nature uit, tot het kwaad echter verhoudt hij zich, doordat er iets aan hapert en buiten de natuur om. Maar zoals de Wijsgeer zegt in het 2e boek van zijn werk Over de Hemel is datgene, wat buiten de natuur om is, later dan datgene wat overeenkomstig de natuur is, omdat hetgeen buiten de natuur om is, een zich verwijderen is van hetgeen overeenkomstig de natuur is. En derhalve kan de vrije wil van het schepsel in het eerste ogenblik, dat het geschapen is, ten goede worden geneigd door te verdienen, maar niet ten kwade door te zondigen; indien de natuur tenminste ongerept is.
1e Weerlegging. De vrije wil verhoudt zich niet op dezelfde wijze tegenover het goed als tegenover het kwaad, want naar het goede gaat hij uiteraard en van nature uit, tot het kwaad echter verhoudt hij zich, doordat er iets aan hapert en buiten de natuur om. Maar zoals de Wijsgeer zegt in het 2e boek van zijn werk Over de Hemel is datgene, wat buiten de natuur om is, later dan datgene wat overeenkomstig de natuur is, omdat hetgeen buiten de natuur om is, een zich verwijderen is van hetgeen overeenkomstig de natuur is. En derhalve kan de vrije wil van het schepsel in het eerste ogenblik, dat het geschapen is, ten goede worden geneigd door te verdienen, maar niet ten kwade door te zondigen; indien de natuur tenminste ongerept is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Datgene, wat de mens, volgens de gewone loop der natuur, in het eerste begin, dat hij geschapen is, heeft, komt hem van nature toe; er is echter niets op tegen, dat een of ander schepsel in het eerste begin, dat het geschapen is, een genade-geschenk van God ontvangt. En aldus ontving Christus’ ziel in het eerste begin, dat zij geschapen was, de genade, waardoor zij kon verdienen. Om deze reden zegt men, dat die genade, naar een zekere gelijkheid, die mens natuurlijk was, zoals blijkt bij Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.).
2e Weerlegging. Datgene, wat de mens, volgens de gewone loop der natuur, in het eerste begin, dat hij geschapen is, heeft, komt hem van nature toe; er is echter niets op tegen, dat een of ander schepsel in het eerste begin, dat het geschapen is, een genade-geschenk van God ontvangt. En aldus ontving Christus’ ziel in het eerste begin, dat zij geschapen was, de genade, waardoor zij kon verdienen. Om deze reden zegt men, dat die genade, naar een zekere gelijkheid, die mens natuurlijk was, zoals blijkt bij Augustinus in zijn Enchiridion (40e H.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Er is niets op tegen dat hetzelfde ding om verschillende redenen van iemand is. En zo ook kon Christus de glorie der onsterfelijkheid, die Hij in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiende, ook nog verdienen door wat Hij later deed en leed; wel niet zóó, dat deze glorie Hem daardoor nog méér toekwam, maar dat zij Hem op meerdere gronden toekwam.
3e Weerlegging. Er is niets op tegen dat hetzelfde ding om verschillende redenen van iemand is. En zo ook kon Christus de glorie der onsterfelijkheid, die Hij in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiende, ook nog verdienen door wat Hij later deed en leed; wel niet zóó, dat deze glorie Hem daardoor nog méér toekwam, maar dat zij Hem op meerdere gronden toekwam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Bezat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis op volmaakte wijze de aanschouwing?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 7 a. 4 co.
IIIa q. 54 a. 2 co.[t:iiia q. 7 a. 4 co.][t:iiia q. 54 a. 2 co.]
IIIa q. 34 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis niet op volmaakte wijze de aanschouwing bezat. De verdienste toch gaat vooraf aan de beloning, gelijk de schuld aan de straf. Welnu, zoals werd aangetoond (vorig artikel) heeft Christus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiend. Daar dus de staat van aanschouwing de voornaamste beloning is, was Christus naar men beweert, in het eerste ogenblik zijner ontvangenis geen aanschouwer.
R: q. 34 a. 3[t:iiia q. 34 a. 3]
IIIa q. 7 a. 4 co.
IIIa q. 54 a. 2 co.[t:iiia q. 7 a. 4 co.][t:iiia q. 54 a. 2 co.]
IIIa q. 34 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis niet op volmaakte wijze de aanschouwing bezat. De verdienste toch gaat vooraf aan de beloning, gelijk de schuld aan de straf. Welnu, zoals werd aangetoond (vorig artikel) heeft Christus in het eerste ogenblik zijner ontvangenis verdiend. Daar dus de staat van aanschouwing de voornaamste beloning is, was Christus naar men beweert, in het eerste ogenblik zijner ontvangenis geen aanschouwer.
R: q. 34 a. 3[t:iiia q. 34 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De Heer zegt (Lucas, 24, 26): "Moest de Christus dit alles niet lijden, en zo zijn glorie binnengaan?" Welnu, de glorie behoort tot de staat van de aanschouwer. Derhalve was Christus niet in de staat van de aanschouwer op het eerste ogenblik van zijn ontvangenis, toen Hij nog geen enkel lijden had ondergaan.
B: (Luke 24:26) [b:Luke 24:26]
Vervolgens. De Heer zegt (Lucas, 24, 26): "Moest de Christus dit alles niet lijden, en zo zijn glorie binnengaan?" Welnu, de glorie behoort tot de staat van de aanschouwer. Derhalve was Christus niet in de staat van de aanschouwer op het eerste ogenblik van zijn ontvangenis, toen Hij nog geen enkel lijden had ondergaan.
B: (Luke 24:26) [b:Luke 24:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Datgene wat noch aan een mens, noch aan een engel toekomt, is, zo beweert men, eigen aan God. Welnu, altoos gelukzalig te zijn komt noch aan de mens, noch aan de engelen toe; want zo zij in staat van gelukzaligheid geschapen waren, zouden zij naderhand niet gezondigd hebben. Derhalve was Christus als mens niet gelukzalig op het eerste ogenblik van zijn ontvangenis.
Vervolgens. Datgene wat noch aan een mens, noch aan een engel toekomt, is, zo beweert men, eigen aan God. Welnu, altoos gelukzalig te zijn komt noch aan de mens, noch aan de engelen toe; want zo zij in staat van gelukzaligheid geschapen waren, zouden zij naderhand niet gezondigd hebben. Derhalve was Christus als mens niet gelukzalig op het eerste ogenblik van zijn ontvangenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in het Boek der Psalmen (Ps. 64, 5): "Gelukzalig hij, die Gij uitverkoren en aangenomen hebt", hetgeen volgens de Glosse slaat op de menselijke natuur van Christus, die door het Woord van God tot eenheid van persoon is aangenomen. Maar de menselijke natuur is door het Woord van God aangenomen op het eerste ogenblik der ontvangenis. Derhalve was Christus als mens gelukzalig op het eerste ogenblik zijner ontvangenis. En dit betekent aanschouwer te zijn.
B: (Ps 64:5) [b:Ps 64:5]
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in het Boek der Psalmen (Ps. 64, 5): "Gelukzalig hij, die Gij uitverkoren en aangenomen hebt", hetgeen volgens de Glosse slaat op de menselijke natuur van Christus, die door het Woord van God tot eenheid van persoon is aangenomen. Maar de menselijke natuur is door het Woord van God aangenomen op het eerste ogenblik der ontvangenis. Derhalve was Christus als mens gelukzalig op het eerste ogenblik zijner ontvangenis. En dit betekent aanschouwer te zijn.
B: (Ps 64:5) [b:Ps 64:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals uit het bovenstaande (vorig Art.) blijkt, paste het niet, dat Christus de heiligmakende genade ontving zonder de werking. De genade ontving Hij echter zonder maat (Joannes, 3, 34), gelijk boven (7° Kw., 9° Art.) werd aangetoond. Daar nu de genade van degene, die nog op weg is naar de eeuwigheid, lager staat dan de genade eens aanschouwers, heeft zij een maat, die vergeleken met die van de aanschouwer, geringer is. Het is dan ook duidelijk, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis niet slechts een even grote genade ontving als de aanschouwers bezitten, maar zelfs een grotere dan alle aanschouwers. En daar deze genade niet zonder werking was, aanschouwde Hij bijgevolg daadwerkelijk, door klaarder dan alle andere schepselen God te zien naar zijn Wezen.
B: (John 3:34, John 3:34) [b:John 3:34]
R: q. 34 a. 3[t:iiia q. 34 a. 3] q. 7 a. 11[t:iiia q. 7 a. 11]
Mijn antwoord. Zoals uit het bovenstaande (vorig Art.) blijkt, paste het niet, dat Christus de heiligmakende genade ontving zonder de werking. De genade ontving Hij echter zonder maat (Joannes, 3, 34), gelijk boven (7° Kw., 9° Art.) werd aangetoond. Daar nu de genade van degene, die nog op weg is naar de eeuwigheid, lager staat dan de genade eens aanschouwers, heeft zij een maat, die vergeleken met die van de aanschouwer, geringer is. Het is dan ook duidelijk, dat Christus op het eerste ogenblik zijner ontvangenis niet slechts een even grote genade ontving als de aanschouwers bezitten, maar zelfs een grotere dan alle aanschouwers. En daar deze genade niet zonder werking was, aanschouwde Hij bijgevolg daadwerkelijk, door klaarder dan alle andere schepselen God te zien naar zijn Wezen.
B: (John 3:34, John 3:34) [b:John 3:34]
R: q. 34 a. 3[t:iiia q. 34 a. 3] q. 7 a. 11[t:iiia q. 7 a. 11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Gelijk boven (19° Kw., 3° Art.) werd aangetoond, verdiende Christus niet de glorie der ziel (en op grond dezer glorie was Hij aanschouwer naar men zegt) maar de heerlijkheid van zijn lichaam, die Hij door zijn lijden bereikte.
R: q. 19 a. 3[t:iiia q. 19 a. 3]
1e Weerlegging. Gelijk boven (19° Kw., 3° Art.) werd aangetoond, verdiende Christus niet de glorie der ziel (en op grond dezer glorie was Hij aanschouwer naar men zegt) maar de heerlijkheid van zijn lichaam, die Hij door zijn lijden bereikte.
R: q. 19 a. 3[t:iiia q. 19 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 4 ad 2
Unde patet Hiermee blijkt ook het antwoord op de 2e bedenking.
Unde patet Hiermee blijkt ook het antwoord op de 2e bedenking.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 34 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Omdat Christus God en mens was, bezat Hij ook in zijn mensheid iets, dat boven alle schepselen uitgaat, namelijk dat Hij terstond vanaf het eerste begin gelukzalig was.
3e Weerlegging. Omdat Christus God en mens was, bezat Hij ook in zijn mensheid iets, dat boven alle schepselen uitgaat, namelijk dat Hij terstond vanaf het eerste begin gelukzalig was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 35: Over Christus’ geboorte
IIIa q. 35 pr.
Consequent moeten we na Christus’ ontvangenis handelen over zijn geboorte. Eerstens over de geboorte zelf; vervolgens over de bekendmaking van de geborene. Aangaande het eerste worden acht vragen gesteld.
1. Komt het geboren worden aan de natuur toe of aan het persoon?
2. Moet aan Christus behalve zijn eeuwige geboorte nog een andere geboorte worden toegekend?
3. Is de H. Maagd zijn Moeder krachtens zijn geboorte in de tijd?
4. Moet zij Moeder Gods worden genoemd?
5. Is Christus krachtens twee zoonschappen Zoon van God de Vader en Zoon der Moedermaagd?
6. Over de wijze der geboorte.
7. Over de plaats.
8. Over de tijd der geboorte.
Consequent moeten we na Christus’ ontvangenis handelen over zijn geboorte. Eerstens over de geboorte zelf; vervolgens over de bekendmaking van de geborene. Aangaande het eerste worden acht vragen gesteld.
1. Komt het geboren worden aan de natuur toe of aan het persoon?
2. Moet aan Christus behalve zijn eeuwige geboorte nog een andere geboorte worden toegekend?
3. Is de H. Maagd zijn Moeder krachtens zijn geboorte in de tijd?
4. Moet zij Moeder Gods worden genoemd?
5. Is Christus krachtens twee zoonschappen Zoon van God de Vader en Zoon der Moedermaagd?
6. Over de wijze der geboorte.
7. Over de plaats.
8. Over de tijd der geboorte.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Komt het geboren worden meer aan de natuur toe dan aan de persoon?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 35 a. 2 co.[t:iiia q. 35 a. 2 co.]
IIIa q. 35 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het geboren worden meer aan de natuur dan aan de persoon toekomt. Augustinus toch zegt in zijn werk *Over het Geloof, aan Petrus*: "De eeuwige en Goddelijke natuur zou niet ontvangen en geboren kunnen worden in de menselijke natuur tenzij volgens de ware menselijke natuur". Zo dus komt het krachtens de menselijke natuur aan de Goddelijke natuur toe ontvangen en geboren te worden. Nog veel meer komt het dus aan de menselijke natuur toe ontvangen en geboren te worden.
IIIa q. 35 a. 2 co.[t:iiia q. 35 a. 2 co.]
IIIa q. 35 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het geboren worden meer aan de natuur dan aan de persoon toekomt. Augustinus toch zegt in zijn werk *Over het Geloof, aan Petrus*: "De eeuwige en Goddelijke natuur zou niet ontvangen en geboren kunnen worden in de menselijke natuur tenzij volgens de ware menselijke natuur". Zo dus komt het krachtens de menselijke natuur aan de Goddelijke natuur toe ontvangen en geboren te worden. Nog veel meer komt het dus aan de menselijke natuur toe ontvangen en geboren te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Volgens de Wijsgeer in het 5e boek van zijn *Metaphysica is het woord* "natuur" afgeleid van "nasci", (d. i. geboren worden). Maar het namen geven steunt op een overeenkomst van gelijkenis. Derhalve, zo beweert men, behoort de geboorte meer bij de natuur dan bij de persoon.
Vervolgens. Volgens de Wijsgeer in het 5e boek van zijn *Metaphysica is het woord* "natuur" afgeleid van "nasci", (d. i. geboren worden). Maar het namen geven steunt op een overeenkomst van gelijkenis. Derhalve, zo beweert men, behoort de geboorte meer bij de natuur dan bij de persoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 1 arg. 3
Vervolgens. In eigenlijke zin wordt datgene geboren, wat door de geboorte begint te bestaan. Maar door de geboorte van Christus begon niet Christus’ Persoon te bestaan, doch zijn menselijke natuur. Bijgevolg, zo beweert men, behoort eigenlijk de geboorte tot de natuur, en niet tot de persoon.
Vervolgens. In eigenlijke zin wordt datgene geboren, wat door de geboorte begint te bestaan. Maar door de geboorte van Christus begon niet Christus’ Persoon te bestaan, doch zijn menselijke natuur. Bijgevolg, zo beweert men, behoort eigenlijk de geboorte tot de natuur, en niet tot de persoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: "De geboorte geldt de persoon, niet de natuur".
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: "De geboorte geldt de persoon, niet de natuur".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 1 co.
Mijn antwoord. De geboorte kan aan iets op tweevoudige wijze worden toegeschreven: eerstens als zijnde het subject, (dat het geboren worden ondergaat); op de tweede plaats als zijnde het doel der geboorte. Als zijnde het subject wordt de geboorte toegeschreven aan datgene, wat geboren wordt. Dit nu is eigenlijk de persoon, niet de natuur. Want, daar geboren worden een voortgebracht worden is, daarom, gelijk iets wordt voortgebracht, om te zijn, zo ook wordt iets geboren, om te zijn. Het zijn nu is eigenlijk iets van het op zichzelf staande ding; want van een niet op zichzelf staanden vorm zegt men alleen, dat hij is, omdat door hem iets is. Persoon nu of hypostase wordt aangeduid als iets, dat op zichzelf staat; de natuur echter wordt aangeduid bij wijze van een vorm, waardoor iets op zichzelf bestaat. En derhalve, wanneer het gaat over het subject van het geboren worden, wordt de geboorte eigenlijk aan de persoon toegeschreven, niet aan de natuur. Maar gaat het over het doel, dan wordt de geboorte aan de natuur toegeschreven. Het doel immers der voortbrenging of van welke geboorte ook, is de vorm. De natuur echter van een ding wordt bij wijze van een vorm aangeduid. Vandaar heet de geboorte de weg naar de natuur van het ding, zoals blijkt bij de Wijsgeer in het 2e boek van zijn Natuurleer; de streving toch der natuur beperkt zich tot de vorm, m. a. w. tot de natuur of het wezen der soort.
Mijn antwoord. De geboorte kan aan iets op tweevoudige wijze worden toegeschreven: eerstens als zijnde het subject, (dat het geboren worden ondergaat); op de tweede plaats als zijnde het doel der geboorte. Als zijnde het subject wordt de geboorte toegeschreven aan datgene, wat geboren wordt. Dit nu is eigenlijk de persoon, niet de natuur. Want, daar geboren worden een voortgebracht worden is, daarom, gelijk iets wordt voortgebracht, om te zijn, zo ook wordt iets geboren, om te zijn. Het zijn nu is eigenlijk iets van het op zichzelf staande ding; want van een niet op zichzelf staanden vorm zegt men alleen, dat hij is, omdat door hem iets is. Persoon nu of hypostase wordt aangeduid als iets, dat op zichzelf staat; de natuur echter wordt aangeduid bij wijze van een vorm, waardoor iets op zichzelf bestaat. En derhalve, wanneer het gaat over het subject van het geboren worden, wordt de geboorte eigenlijk aan de persoon toegeschreven, niet aan de natuur. Maar gaat het over het doel, dan wordt de geboorte aan de natuur toegeschreven. Het doel immers der voortbrenging of van welke geboorte ook, is de vorm. De natuur echter van een ding wordt bij wijze van een vorm aangeduid. Vandaar heet de geboorte de weg naar de natuur van het ding, zoals blijkt bij de Wijsgeer in het 2e boek van zijn Natuurleer; de streving toch der natuur beperkt zich tot de vorm, m. a. w. tot de natuur of het wezen der soort.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Omdat in God Persoon en Natuur een en hetzelfde zijn, spreekt men soms van natuur in plaats van persoon. En in die zin zegt Augustinus, dat de Goddelijke natuur ontvangen en geboren werd, omdat namelijk de Persoon des Zoons ontvangen en geboren werd naar de menselijke natuur.
1e Weerlegging. Omdat in God Persoon en Natuur een en hetzelfde zijn, spreekt men soms van natuur in plaats van persoon. En in die zin zegt Augustinus, dat de Goddelijke natuur ontvangen en geboren werd, omdat namelijk de Persoon des Zoons ontvangen en geboren werd naar de menselijke natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Geen enkele beweging of verandering wordt benoemd naar het subject, dat die beweging of verandering ondergaat, maar naar het doel of eindpunt der beweging, waaraan zij ook haar eigen aard ontleent. Daarom juist wordt de geboorte niet genoemd naar de persoon (die geboren wordt), doch naar de natuur (die het doel of eindpunt der geboorte is).
2e Weerlegging. Geen enkele beweging of verandering wordt benoemd naar het subject, dat die beweging of verandering ondergaat, maar naar het doel of eindpunt der beweging, waaraan zij ook haar eigen aard ontleent. Daarom juist wordt de geboorte niet genoemd naar de persoon (die geboren wordt), doch naar de natuur (die het doel of eindpunt der geboorte is).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. In eigenlijke zin begint de natuur niet te bestaan, maar veel eerder begint een persoon te bestaan in deze of gene natuur, omdat, gelijk boven (zie Leerstelling) gezegd is, de natuur wordt aangeduid als een "waardoor" iets is; de persoon echter wordt aangeduid als datgene, wat een op zichzelf staand zijn heeft.
3e Weerlegging. In eigenlijke zin begint de natuur niet te bestaan, maar veel eerder begint een persoon te bestaan in deze of gene natuur, omdat, gelijk boven (zie Leerstelling) gezegd is, de natuur wordt aangeduid als een "waardoor" iets is; de persoon echter wordt aangeduid als datgene, wat een op zichzelf staand zijn heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Moet aan Christus een geboorte in de tijd worden toegeschreven?
IIIa q. 35 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat aan Christus geen geboorte in de tijd moet worden toegeschreven. Geboren worden toch is als het ware het veranderd worden van een ding, dat voor zijn geboorte niet bestaat, maar door de weldaad der geboorte bereikt, dat het bestaat. Maar Christus bestond van eeuwigheid. Derhalve kon Hij niet in de tijd geboren worden.
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat aan Christus geen geboorte in de tijd moet worden toegeschreven. Geboren worden toch is als het ware het veranderd worden van een ding, dat voor zijn geboorte niet bestaat, maar door de weldaad der geboorte bereikt, dat het bestaat. Maar Christus bestond van eeuwigheid. Derhalve kon Hij niet in de tijd geboren worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Wat in zichzelf volmaakt is, heeft geen geboorte nodig. Welnu, de Persoon van de Zoon Gods is van eeuwigheid af volmaakt. Derhalve heeft Hij geen geboorte in de tijd nodig. En dus, beweert men, is Hij niet in de tijd geboren.
Vervolgens. Wat in zichzelf volmaakt is, heeft geen geboorte nodig. Welnu, de Persoon van de Zoon Gods is van eeuwigheid af volmaakt. Derhalve heeft Hij geen geboorte in de tijd nodig. En dus, beweert men, is Hij niet in de tijd geboren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De geboorte komt eigenlijk aan de persoon toe. Welnu in Christus is slechts één Persoon. Derhalve is in Christus ook slechts één geboorte.
Vervolgens. De geboorte komt eigenlijk aan de persoon toe. Welnu in Christus is slechts één Persoon. Derhalve is in Christus ook slechts één geboorte.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 2 arg. 4
Vervolgens. Wat door twee geboorten geboren wordt, wordt tweemaal geboren. Nu lijkt het echter onjuist te beweren: Christus is tweemaal geboren. Want zijn geboorte, waardoor Hij van de Vader geboren wordt, duldt geen onderbreking, omdat zij eeuwig is. Toch wordt dit vereist, anders kan men niet spreken van tweemaal; van degene toch, die zijn loop onderbreekt, zegt men, dat hij tweemaal loopt. Derhalve, zo beweert men, moet men in Christus geen dubbele geboorte aannemen.
Vervolgens. Wat door twee geboorten geboren wordt, wordt tweemaal geboren. Nu lijkt het echter onjuist te beweren: Christus is tweemaal geboren. Want zijn geboorte, waardoor Hij van de Vader geboren wordt, duldt geen onderbreking, omdat zij eeuwig is. Toch wordt dit vereist, anders kan men niet spreken van tweemaal; van degene toch, die zijn loop onderbreekt, zegt men, dat hij tweemaal loopt. Derhalve, zo beweert men, moet men in Christus geen dubbele geboorte aannemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: "Wij belijden twee geboorten van Christus: een eeuwige, en deze is de geboorte uit de Vader, en een, die in de laatste tijden om ons geschiedde".
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: "Wij belijden twee geboorten van Christus: een eeuwige, en deze is de geboorte uit de Vader, en een, die in de laatste tijden om ons geschiedde".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 2 co.
Mijn antwoord. Gelijk boven gezegd is (vorig Art.) verhoudt de natuur zich tot de geboorte, gelijk het doel of eindpunt zich verhoudt tot de beweging of verandering. De beweging nu is verschillend naar het verschil der eindpunten; zoals blijkt bij de Wijsgeer in het 5e boek van zijn Natuurleer. In Christus nu is een tweevoudige natuur; de ene dezer ontving Hij van eeuwigheid af van de Vader, de andere ontving Hij in de tijd van de moeder. En derhalve is het noodzakelijk, aan Christus twee geboorten toe te kennen; ene, waardoor Hij eeuwig geboren is van de Vader, de andere, waardoor Hij in de tijd geboren is van de moeder.
R: q. 35 a. 1[t:iiia q. 35 a. 1]
Mijn antwoord. Gelijk boven gezegd is (vorig Art.) verhoudt de natuur zich tot de geboorte, gelijk het doel of eindpunt zich verhoudt tot de beweging of verandering. De beweging nu is verschillend naar het verschil der eindpunten; zoals blijkt bij de Wijsgeer in het 5e boek van zijn Natuurleer. In Christus nu is een tweevoudige natuur; de ene dezer ontving Hij van eeuwigheid af van de Vader, de andere ontving Hij in de tijd van de moeder. En derhalve is het noodzakelijk, aan Christus twee geboorten toe te kennen; ene, waardoor Hij eeuwig geboren is van de Vader, de andere, waardoor Hij in de tijd geboren is van de moeder.
R: q. 35 a. 1[t:iiia q. 35 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Dit is een moeilijkheid van een zekere Feliciaan, een ketter; Augustinus lost haar aldus op in zijn werk Tegen Feliciaan: "Laten we eens veronderstellen, gelijk de meesten willen, dat er in de wereld een allesomvattende ziel is, die door een onuitsprekelijke werking alle zaden zo levend maakt, dat zij toch niet is samengegroeid met al wat is voortgebracht, maar dat zij zelf het leven geeft aan al wat voortgebracht moet worden. Want wanneer zij in de moederschoot is ingetreden, om de ontvankelijke materie om te vormen tot datgene, waartoe zij haar wil gebruiken, dan maakt zij, dat de persoon van dit ding met haar één is; toch is het duidelijk, dat deze persoon niet hetzelfde wezen heeft; en door de inwerking der ziel en door het ondergaan der materie wordt uit beide wezens (ziel en materie) de ene mens. En zo erkennen we, dat de ziel wordt geboren uit de moederschoot: niet in die zin alsof zij, voor wat haar zelf betreft, in het geheel niet bestond, eer zij geboren werd. Zo derhalve, en zelfs in nog veel verhevener zin, is de Zoon Gods als mens geboren op die wijze, waarop men ook aangaande de menselijke ziel leert, dat zij met het menselijk lichaam geboren wordt, niet dat beiden één wezen vormen, maar dat uit beiden één persoon wordt. Wij leren echter niet, dat Gods Zoon hiermede in de beginne begonnen is, opdat toch maar niemand zou denken, dat zijn Godheid in de tijd ontstond. We weten wel, dat het vlees (het mens-zijn) van de Zoon Gods niet van eeuwigheid is, opdat we niet zouden denken, dat Hij geen waarachtig menselijk lichaam, doch slechts een schijnlichaam heeft aangenomen".
1e Weerlegging. Dit is een moeilijkheid van een zekere Feliciaan, een ketter; Augustinus lost haar aldus op in zijn werk Tegen Feliciaan: "Laten we eens veronderstellen, gelijk de meesten willen, dat er in de wereld een allesomvattende ziel is, die door een onuitsprekelijke werking alle zaden zo levend maakt, dat zij toch niet is samengegroeid met al wat is voortgebracht, maar dat zij zelf het leven geeft aan al wat voortgebracht moet worden. Want wanneer zij in de moederschoot is ingetreden, om de ontvankelijke materie om te vormen tot datgene, waartoe zij haar wil gebruiken, dan maakt zij, dat de persoon van dit ding met haar één is; toch is het duidelijk, dat deze persoon niet hetzelfde wezen heeft; en door de inwerking der ziel en door het ondergaan der materie wordt uit beide wezens (ziel en materie) de ene mens. En zo erkennen we, dat de ziel wordt geboren uit de moederschoot: niet in die zin alsof zij, voor wat haar zelf betreft, in het geheel niet bestond, eer zij geboren werd. Zo derhalve, en zelfs in nog veel verhevener zin, is de Zoon Gods als mens geboren op die wijze, waarop men ook aangaande de menselijke ziel leert, dat zij met het menselijk lichaam geboren wordt, niet dat beiden één wezen vormen, maar dat uit beiden één persoon wordt. Wij leren echter niet, dat Gods Zoon hiermede in de beginne begonnen is, opdat toch maar niemand zou denken, dat zijn Godheid in de tijd ontstond. We weten wel, dat het vlees (het mens-zijn) van de Zoon Gods niet van eeuwigheid is, opdat we niet zouden denken, dat Hij geen waarachtig menselijk lichaam, doch slechts een schijnlichaam heeft aangenomen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Dit was de moeilijkheid van Nestorius, die Cyrillus in een brief aldus oplost: "Wij zeggen niet, dat Gods Zoon omwille van zichzelf een tweede geboorte noodzakelijk nodig had, na de geboorte uit de Vader. Want het is dwaas en dom, te beweren dat Hij, die vóór alle eeuwen bestaat en mede-eeuwig is met de Vader, nog een begin nodig had, om ten tweeden male te zijn. Daar Hij echter om onzentwil en om ons heil is voortgekomen uit de vrouw, naar zijn Persoon met zich verenigend wat des mensen is, daarom zeggen we, dat Hij geboren is naar het vlees".
2e Weerlegging. Dit was de moeilijkheid van Nestorius, die Cyrillus in een brief aldus oplost: "Wij zeggen niet, dat Gods Zoon omwille van zichzelf een tweede geboorte noodzakelijk nodig had, na de geboorte uit de Vader. Want het is dwaas en dom, te beweren dat Hij, die vóór alle eeuwen bestaat en mede-eeuwig is met de Vader, nog een begin nodig had, om ten tweeden male te zijn. Daar Hij echter om onzentwil en om ons heil is voortgekomen uit de vrouw, naar zijn Persoon met zich verenigend wat des mensen is, daarom zeggen we, dat Hij geboren is naar het vlees".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De geboorte is van de persoon als van het subject, doch van de natuur als van het eindpunt. Nu is het mogelijk, dat in één subject meerdere veranderingen zijn; doch deze moeten dan noodzakelijk naar haar eindpunten verschillen. Dit echter bedoelen we niet in die zin, alsof de eeuwige geboorte een verandering of beweging zou zijn, maar omdat zij wordt aangeduid (voorgesteld) bij wijze van een verandering of beweging.
3e Weerlegging. De geboorte is van de persoon als van het subject, doch van de natuur als van het eindpunt. Nu is het mogelijk, dat in één subject meerdere veranderingen zijn; doch deze moeten dan noodzakelijk naar haar eindpunten verschillen. Dit echter bedoelen we niet in die zin, alsof de eeuwige geboorte een verandering of beweging zou zijn, maar omdat zij wordt aangeduid (voorgesteld) bij wijze van een verandering of beweging.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. Men kan zeggen, dat Christus krachtens de twee geboorten tweemaal geboren is. Want zoals men zegt, dat iemand, die op twee verschillende tijdstippen loopt, tweemaal loopt, zo kan men ook zeggen, dat hij, die eenmaal in de eeuwigheid en eenmaal in de tijd geboren is, tweemaal is geboren, daar eeuwigheid en tijd veel meer van elkaar verschillen dan twee tijdstippen, hoewel toch elk van beide een maat van duur aangeeft.
4e Weerlegging. Men kan zeggen, dat Christus krachtens de twee geboorten tweemaal geboren is. Want zoals men zegt, dat iemand, die op twee verschillende tijdstippen loopt, tweemaal loopt, zo kan men ook zeggen, dat hij, die eenmaal in de eeuwigheid en eenmaal in de tijd geboren is, tweemaal is geboren, daar eeuwigheid en tijd veel meer van elkaar verschillen dan twee tijdstippen, hoewel toch elk van beide een maat van duur aangeeft.
Referenties naar deze alinea: 1
Het Goddelijke Moederschap van Maria ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Kan de H. Maagd op grond van Christus’ geboorte in de tijd Moeder Gods genoemd worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 35 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 35 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 35 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de H. Maagd op grond van Christus' geboorte in de tijd geen Moeder Gods kan worden genoemd. Want gelijk boven (32° Kw., 4° Art.) werd uiteengezet, heeft de H. Maagd bij de geboorte van Christus niet actief medegewerkt, maar alleen de materie geleverd. Maar dit lijkt niet voldoende om moeder te heten; anders toch zou men het hout ook wel de moeder van het bed of van een bank noemen. Derhalve, zo beweert men, kan de H. Maagd niet de moeder van Christus heten.
R: q. 32 a. 4[t:iiia q. 32 a. 4]
IIIa q. 35 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 35 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 35 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de H. Maagd op grond van Christus' geboorte in de tijd geen Moeder Gods kan worden genoemd. Want gelijk boven (32° Kw., 4° Art.) werd uiteengezet, heeft de H. Maagd bij de geboorte van Christus niet actief medegewerkt, maar alleen de materie geleverd. Maar dit lijkt niet voldoende om moeder te heten; anders toch zou men het hout ook wel de moeder van het bed of van een bank noemen. Derhalve, zo beweert men, kan de H. Maagd niet de moeder van Christus heten.
R: q. 32 a. 4[t:iiia q. 32 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Christus is op wonderdadige wijze uit de H. Maagd geboren. Maar een wonderdadige voortkomst volstaat niet, om moeder of zoon te heten; Eva toch noemen we niet de dochter van Adam. Derhalve moet ook Christus niet de zoon van de H. Maagd genoemd worden.
Vervolgens. Christus is op wonderdadige wijze uit de H. Maagd geboren. Maar een wonderdadige voortkomst volstaat niet, om moeder of zoon te heten; Eva toch noemen we niet de dochter van Adam. Derhalve moet ook Christus niet de zoon van de H. Maagd genoemd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Naar men beweert, wordt voor het moeder worden een zaadafscheiding vereist. Maar, zoals Damascenus in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof schrijft, werd Christus’ lichaam niet door middel van zaad maar door de inwerking des H. Geestes gevormd. Bijgevolg, zo beweert men, moet de H. Maagd niet de moeder van Christus genoemd worden.
Vervolgens. Naar men beweert, wordt voor het moeder worden een zaadafscheiding vereist. Maar, zoals Damascenus in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof schrijft, werd Christus’ lichaam niet door middel van zaad maar door de inwerking des H. Geestes gevormd. Bijgevolg, zo beweert men, moet de H. Maagd niet de moeder van Christus genoemd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Mattheus (1, 18): "De geboorte van Christus geschiedde aldus. Toen Maria, Jezus’ moeder, verloofd was met Joseph enz.".
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18]
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Mattheus (1, 18): "De geboorte van Christus geschiedde aldus. Toen Maria, Jezus’ moeder, verloofd was met Joseph enz.".
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 3 co.
Mijn antwoord. De H. Maagd Maria is de waarachtige en natuurlijke moeder van Christus. Want zoals we boven (5° Kw., 2° Art.; 31° Kw., 5° Art.) hebben aangetoond, is Christus’ lichaam niet van uit de hemel op aarde gebracht, gelijk de ketter Valentinus beweerde, doch werd genomen uit de Moedermaagd en werd uit haar zuiverste bloed gevormd. En dit alleen wordt vereist om moeder te zijn, zoals uit het boven behandelde (31° Kw., 5° Art.; 32° Kw., 4° Art.) blijkt. Derhalve is de H. Maagd waarlijk de moeder van Christus.
R: q. 5 a. 2[t:iiia q. 5 a. 2] q. 31 a. 5[t:iiia q. 31 a. 5] q. 31 a. 5[t:iiia q. 31 a. 5] q. 32 a. 4[t:iiia q. 32 a. 4]
Mijn antwoord. De H. Maagd Maria is de waarachtige en natuurlijke moeder van Christus. Want zoals we boven (5° Kw., 2° Art.; 31° Kw., 5° Art.) hebben aangetoond, is Christus’ lichaam niet van uit de hemel op aarde gebracht, gelijk de ketter Valentinus beweerde, doch werd genomen uit de Moedermaagd en werd uit haar zuiverste bloed gevormd. En dit alleen wordt vereist om moeder te zijn, zoals uit het boven behandelde (31° Kw., 5° Art.; 32° Kw., 4° Art.) blijkt. Derhalve is de H. Maagd waarlijk de moeder van Christus.
R: q. 5 a. 2[t:iiia q. 5 a. 2] q. 31 a. 5[t:iiia q. 31 a. 5] q. 31 a. 5[t:iiia q. 31 a. 5] q. 32 a. 4[t:iiia q. 32 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Gelijk boven (32° Kw., 3° Art.) werd aangetoond, komen vaderschap of moederschap en zoonschap niet aan elke voortbrenging toe, maar alleen aan de voortbrenging van levende wezens. En derhalve, ook al worden sommige levenloze dingen uit een of andere materie voortgebracht, toch volgt daaruit nog niet de verhouding van moeder en zoon; maar dit geschiedt uitsluitend bij het voortbrengen van levende wezens; hetgeen dan ook in eigenlijke zin een geboorte wordt genoemd.
R: q. 32 a. 3[t:iiia q. 32 a. 3]
1e Weerlegging. Gelijk boven (32° Kw., 3° Art.) werd aangetoond, komen vaderschap of moederschap en zoonschap niet aan elke voortbrenging toe, maar alleen aan de voortbrenging van levende wezens. En derhalve, ook al worden sommige levenloze dingen uit een of andere materie voortgebracht, toch volgt daaruit nog niet de verhouding van moeder en zoon; maar dit geschiedt uitsluitend bij het voortbrengen van levende wezens; hetgeen dan ook in eigenlijke zin een geboorte wordt genoemd.
R: q. 32 a. 3[t:iiia q. 32 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof is de geboorte in de tijd, waardoor Christus omwille van ons heil geboren werd, in zekere zin overeenkomstig onze geboorte, omdat Hij als mens geboren is uit een vrouw en wel op de gewone tijd der ontvangenis; de zijne echter overtreft de onze, omdat Hij, boven de algemene wet der ontvangenis uit, geboren werd uit de H. Geest en de H. Maagd. Zo derhalve was zijn geboorte van de kant der moeder natuurlijk; maar van de kant der inwerking des H. Geestes was zij wonderbaar. En de H. Maagd is dan ook de werkelijke en natuurlijke moeder van Christus.
2e Weerlegging. Zoals Damascenus schrijft in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof is de geboorte in de tijd, waardoor Christus omwille van ons heil geboren werd, in zekere zin overeenkomstig onze geboorte, omdat Hij als mens geboren is uit een vrouw en wel op de gewone tijd der ontvangenis; de zijne echter overtreft de onze, omdat Hij, boven de algemene wet der ontvangenis uit, geboren werd uit de H. Geest en de H. Maagd. Zo derhalve was zijn geboorte van de kant der moeder natuurlijk; maar van de kant der inwerking des H. Geestes was zij wonderbaar. En de H. Maagd is dan ook de werkelijke en natuurlijke moeder van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Zoals boven (31° Kw., 5° Art., Antw. op de 3° Bedenk.; 32° Kw., 4° Art.) gezegd is, behoort de afscheiding van het zaad der vrouw niet noodzakelijk tot de ontvangenis. En derhalve wordt de zaadafscheiding niet noodzakelijk vereist tot het moeder-zijn.
R: q. 31 a. 5 ad 3[t:iiia q. 31 a. 5 ad 3] q. 32 a. 4[t:iiia q. 32 a. 4]
3e Weerlegging. Zoals boven (31° Kw., 5° Art., Antw. op de 3° Bedenk.; 32° Kw., 4° Art.) gezegd is, behoort de afscheiding van het zaad der vrouw niet noodzakelijk tot de ontvangenis. En derhalve wordt de zaadafscheiding niet noodzakelijk vereist tot het moeder-zijn.
R: q. 31 a. 5 ad 3[t:iiia q. 31 a. 5 ad 3] q. 32 a. 4[t:iiia q. 32 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Moet de H. Maagd Moeder Gods worden genoemd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 35 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 35 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 35 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat men de H. Maagd niet moet noemen: Moeder Gods. Want aangaande de goddelijke mysteries moet men niets beweren, tenzij datgene, wat er in de H. Schrift staat. Maar we lezen nergens in de H. Schrift, dat zij de moeder of voortbrengster is van God; doch alleen, dat zij "moeder is van Christus", of "moeder van het kind", zoals blijkt uit Mattheus (1, 18; 2, 13, 20, 21). Bijgevolg moet men niet zeggen, dat de H. Maagd moeder Gods is.
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18]
IIIa q. 35 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 35 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 35 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat men de H. Maagd niet moet noemen: Moeder Gods. Want aangaande de goddelijke mysteries moet men niets beweren, tenzij datgene, wat er in de H. Schrift staat. Maar we lezen nergens in de H. Schrift, dat zij de moeder of voortbrengster is van God; doch alleen, dat zij "moeder is van Christus", of "moeder van het kind", zoals blijkt uit Mattheus (1, 18; 2, 13, 20, 21). Bijgevolg moet men niet zeggen, dat de H. Maagd moeder Gods is.
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Christus heet God naar zijn goddelijke natuur. Maar de goddelijke Natuur dankt het begin van haar zijn niet aan de H. Maagd. Derhalve moet men de H. Maagd geen moeder Gods noemen.
Vervolgens. Christus heet God naar zijn goddelijke natuur. Maar de goddelijke Natuur dankt het begin van haar zijn niet aan de H. Maagd. Derhalve moet men de H. Maagd geen moeder Gods noemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 4 arg. 3
Vervolgens. De naam God wordt algemeen gezegd zowel van de Vader als van de Zoon, als van de H. Geest. Indien men de H. Maagd dus moeder Gods noemt, dan schijnt daaruit te volgen, dat zij moeder is zowel van de Vader als van de Zoon als van de H. Geest; maar dit is onjuist. Derhalve moet men de H. Maagd geen moeder Gods noemen.
Vervolgens. De naam God wordt algemeen gezegd zowel van de Vader als van de Zoon, als van de H. Geest. Indien men de H. Maagd dus moeder Gods noemt, dan schijnt daaruit te volgen, dat zij moeder is zowel van de Vader als van de Zoon als van de H. Geest; maar dit is onjuist. Derhalve moet men de H. Maagd geen moeder Gods noemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in de hoofdstukken van Cyrillus (Athanasius), die op de kerkvergadering van Ephese zijn goedgekeurd: "Indien iemand niet erkent, dat God in waarheid de Emmanuel is (d. w. z. de God met ons), en daarom (niet erkent) dat de H. Maagd moeder Gods is (zij toch baarde naar het vlees het vlees geworden Woord Gods) : hij zij vervloekt".
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in de hoofdstukken van Cyrillus (Athanasius), die op de kerkvergadering van Ephese zijn goedgekeurd: "Indien iemand niet erkent, dat God in waarheid de Emmanuel is (d. w. z. de God met ons), en daarom (niet erkent) dat de H. Maagd moeder Gods is (zij toch baarde naar het vlees het vlees geworden Woord Gods) : hij zij vervloekt".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals we boven (16e Kw., 1e Art.) hebben uiteengezet, kan iedere naam, die een of andere natuur in concreto aangeeft, staan voor elke persoon dier natuur. Daar nu de vereniging der menswording geschied is in de persoon, gelijk boven (2e Kw., 3e Art.) werd aangetoond, kan deze benaming "God" staan voor de persoon, die de menselijke en goddelijke natuur heeft. En daarom kan al wat aan de goddelijke en menselijke natuur toekomt, aan die persoon worden toegeschreven: hetzij dat in plaats van die persoon een naam staat die op zijn goddelijke natuur wijst; hetzij dat er in plaats van die persoon een benaming staat, die op zijn menselijke natuur wijst. Nu wordt het ontvangen en geboren worden toegeschreven aan de persoon naar die natuur, waarin Hij ontvangen en geboren wordt. Daar dus, zoals we boven gezien hebben (33e Kw., 3e Art.), de menselijke natuur reeds in het allereerste begin der ontvangenis werd aangenomen door de Goddelijke Persoon, kan men bijgevolg zeggen, dat God ontvangen en geboren is van de H. Maagd. Nu wordt juist hierom een vrouw moeder van iemand genoemd, omdat zij hem ontving en baarde. Bijgevolg wordt de H. Maagd naar waarheid moeder Gods genoemd. Want alleen dan zou men kunnen ontkennen, dat de H. Maagd moeder Gods is, indien ofwel de mensheid was ontvangen en geboren, eer deze mens Zoon van God was, gelijk Photinus hield, ofwel indien de mensheid niet in de eenheid van de persoon van het Woord Gods was aangenomen, zoals Nestorius hield. Elk dezer beide meningen echter is een dwaalleer. Het is dan ook ketters te ontkennen, dat de H. Maagd moeder Gods is.
R: q. 16 a. 1[t:iiia q. 16 a. 1] q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3] q. 33 a. 3[t:iiia q. 33 a. 3]
Mijn antwoord. Zoals we boven (16e Kw., 1e Art.) hebben uiteengezet, kan iedere naam, die een of andere natuur in concreto aangeeft, staan voor elke persoon dier natuur. Daar nu de vereniging der menswording geschied is in de persoon, gelijk boven (2e Kw., 3e Art.) werd aangetoond, kan deze benaming "God" staan voor de persoon, die de menselijke en goddelijke natuur heeft. En daarom kan al wat aan de goddelijke en menselijke natuur toekomt, aan die persoon worden toegeschreven: hetzij dat in plaats van die persoon een naam staat die op zijn goddelijke natuur wijst; hetzij dat er in plaats van die persoon een benaming staat, die op zijn menselijke natuur wijst. Nu wordt het ontvangen en geboren worden toegeschreven aan de persoon naar die natuur, waarin Hij ontvangen en geboren wordt. Daar dus, zoals we boven gezien hebben (33e Kw., 3e Art.), de menselijke natuur reeds in het allereerste begin der ontvangenis werd aangenomen door de Goddelijke Persoon, kan men bijgevolg zeggen, dat God ontvangen en geboren is van de H. Maagd. Nu wordt juist hierom een vrouw moeder van iemand genoemd, omdat zij hem ontving en baarde. Bijgevolg wordt de H. Maagd naar waarheid moeder Gods genoemd. Want alleen dan zou men kunnen ontkennen, dat de H. Maagd moeder Gods is, indien ofwel de mensheid was ontvangen en geboren, eer deze mens Zoon van God was, gelijk Photinus hield, ofwel indien de mensheid niet in de eenheid van de persoon van het Woord Gods was aangenomen, zoals Nestorius hield. Elk dezer beide meningen echter is een dwaalleer. Het is dan ook ketters te ontkennen, dat de H. Maagd moeder Gods is.
R: q. 16 a. 1[t:iiia q. 16 a. 1] q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3] q. 33 a. 3[t:iiia q. 33 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Dit was de opwerping van Nestorius. Deze wordt daardoor opgelost, dat, hoewel in de H. Schrift niet uitdrukkelijk geschreven staat, dat de H. Maagd moeder Gods is er toch wel uitdrukkelijk in de H. Schrift staat, dat Jesus Christus waarlijk God is, zoals blijkt uit de Eerste Brief van Joannes (5, 20), en dat de H. Maagd de moeder is van Jesus Christus, blijkens Mattheus (1, 18). Uit de woorden der H. Schrift volgt dan ook noodzakelijk, dat zij moeder Gods is. Ook in de Brief aan de Romeinen (9, 5) wordt gezegd, dat Christus, Hij die God is, boven alles gezegend in eeuwigheid, naar het vlees afstamt van de Joden. Maar Hij komt niet uit de Joden voort tenzij door de H. Maagd. Bijgevolg werd Hij, die de boven alles in eeuwigheid gezegende God is, waarlijk uit de H. Maagd als uit zijn moeder geboren.
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18] (1John 5:20) [b:1John 5:20]
1e Weerlegging. Dit was de opwerping van Nestorius. Deze wordt daardoor opgelost, dat, hoewel in de H. Schrift niet uitdrukkelijk geschreven staat, dat de H. Maagd moeder Gods is er toch wel uitdrukkelijk in de H. Schrift staat, dat Jesus Christus waarlijk God is, zoals blijkt uit de Eerste Brief van Joannes (5, 20), en dat de H. Maagd de moeder is van Jesus Christus, blijkens Mattheus (1, 18). Uit de woorden der H. Schrift volgt dan ook noodzakelijk, dat zij moeder Gods is. Ook in de Brief aan de Romeinen (9, 5) wordt gezegd, dat Christus, Hij die God is, boven alles gezegend in eeuwigheid, naar het vlees afstamt van de Joden. Maar Hij komt niet uit de Joden voort tenzij door de H. Maagd. Bijgevolg werd Hij, die de boven alles in eeuwigheid gezegende God is, waarlijk uit de H. Maagd als uit zijn moeder geboren.
B: (Matt 1:18) [b:Matt 1:18] (1John 5:20) [b:1John 5:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Dit is de opwerking van Nestorius. Maar Cyrillus lost haar in een Brief tegen Nestorius aldus op: "Zoals 's mensen ziel tegelijk met zijn eigen lichaam wordt geboren, en als één geheel wordt geacht (en zo iemand zou willen zeggen, dat zij de moeder is naar het vlees en niet naar de ziel, dan zegt hij te veel) zo is naar wij weten, iets dergelijks gebeurd bij de geboorte van Christus. Want het Woord Gods is geboren uit de zelfstandigheid van God de Vader, doch wil dit Woord het vlees hebben aangenomen, moeten we belijden, dat het naar het vlees geboren is uit de vrouw". We moeten dus zeggen, dat de H. Maagd moeder Gods wordt genoemd, niet omdat zij moeder der Godheid is, maar omdat zij naar diens menselijke natuur moeder is van een persoon, die de goddelijke en menselijke natuur heeft.
B: (Rom 9:5) [b:Rom 9:5]
2e Weerlegging. Dit is de opwerking van Nestorius. Maar Cyrillus lost haar in een Brief tegen Nestorius aldus op: "Zoals 's mensen ziel tegelijk met zijn eigen lichaam wordt geboren, en als één geheel wordt geacht (en zo iemand zou willen zeggen, dat zij de moeder is naar het vlees en niet naar de ziel, dan zegt hij te veel) zo is naar wij weten, iets dergelijks gebeurd bij de geboorte van Christus. Want het Woord Gods is geboren uit de zelfstandigheid van God de Vader, doch wil dit Woord het vlees hebben aangenomen, moeten we belijden, dat het naar het vlees geboren is uit de vrouw". We moeten dus zeggen, dat de H. Maagd moeder Gods wordt genoemd, niet omdat zij moeder der Godheid is, maar omdat zij naar diens menselijke natuur moeder is van een persoon, die de goddelijke en menselijke natuur heeft.
B: (Rom 9:5) [b:Rom 9:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Hoewel deze naam "God" gemeenschappelijk is aan de drie personen, toch staat die naam soms alleen voor de Persoon des Vaders, soms alleen voor de Persoon van de Zoon of van de H. Geest, zoals boven (16° Kw., 1° Art.; I° Deel, 39° Kw., 4° Art.) werd uiteengezet. En zo staat de naam "God", wanneer we zeggen: de H. Maagd is moeder Gods uitsluitend voor de mens geworden Persoon des Zoons.
R: q. 16 a. 1[t:iiia q. 16 a. 1] I q. 39 a. 4[t:ia q. 39 a. 4]
3e Weerlegging. Hoewel deze naam "God" gemeenschappelijk is aan de drie personen, toch staat die naam soms alleen voor de Persoon des Vaders, soms alleen voor de Persoon van de Zoon of van de H. Geest, zoals boven (16° Kw., 1° Art.; I° Deel, 39° Kw., 4° Art.) werd uiteengezet. En zo staat de naam "God", wanneer we zeggen: de H. Maagd is moeder Gods uitsluitend voor de mens geworden Persoon des Zoons.
R: q. 16 a. 1[t:iiia q. 16 a. 1] I q. 39 a. 4[t:ia q. 39 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Zijn er in Christus twee zoonschappen?
IIIa q. 35 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat er in Christus twee zoonschappen zijn. De geboorte is de oorzaak van het zoonschap. Welnu, in Christus zijn er twee geboorten. Bijgevolg zijn er in Christus ook twee zoonschappen.
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat er in Christus twee zoonschappen zijn. De geboorte is de oorzaak van het zoonschap. Welnu, in Christus zijn er twee geboorten. Bijgevolg zijn er in Christus ook twee zoonschappen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Het zoonschap, waardoor iemand de zoon wordt genoemd van een ander, hetzij van een vader of moeder, hangt enigszins af van deze andere, daar het wezen van een verhouding inhoudt: enigszins tot een ander in betrekking te staan; vandaar dan ook, dat, zo een der beide termen van een verhouding wordt weggenomen, tevens de andere term vervalt. Maar het eeuwige zoonschap, waardoor Christus de Zoon is van God de Vader, hangt niet af van de moeder; daar niets eeuwigs afhangt van datgene wat in de tijd is. Derhalve is Christus niet door zijn eeuwig zoonschap de zoon der moeder. Derhalve is Hij ofwel op geen enkele manier haar zoon, wat in strijd is met het boven (Art. 3, 4) behandelde, ofwel, Hij moet haar zoon zijn door een tweede zoonschap, in de tijd. Bijgevolg zijn er in Christus twee zoonschappen.
R: q. 35 a. 3[t:iiia q. 35 a. 3] q. 35 a. 4[t:iiia q. 35 a. 4]
Vervolgens. Het zoonschap, waardoor iemand de zoon wordt genoemd van een ander, hetzij van een vader of moeder, hangt enigszins af van deze andere, daar het wezen van een verhouding inhoudt: enigszins tot een ander in betrekking te staan; vandaar dan ook, dat, zo een der beide termen van een verhouding wordt weggenomen, tevens de andere term vervalt. Maar het eeuwige zoonschap, waardoor Christus de Zoon is van God de Vader, hangt niet af van de moeder; daar niets eeuwigs afhangt van datgene wat in de tijd is. Derhalve is Christus niet door zijn eeuwig zoonschap de zoon der moeder. Derhalve is Hij ofwel op geen enkele manier haar zoon, wat in strijd is met het boven (Art. 3, 4) behandelde, ofwel, Hij moet haar zoon zijn door een tweede zoonschap, in de tijd. Bijgevolg zijn er in Christus twee zoonschappen.
R: q. 35 a. 3[t:iiia q. 35 a. 3] q. 35 a. 4[t:iiia q. 35 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Wil men de ene term van een wederzijdse verhouding definiëren, dan moet men in deze begripsbepaling de andere term opnemen; daaruit blijkt, dat de ene term soortelijk wordt bepaald door de anderen term. Maar een en hetzelfde ding kan niet tot verschillende soorten tegelijk behoren. Het is dus onmogelijk, beweert men, dat een en dezelfde verhouding haar eindpunten zou hebben in geheel verschillende termen. Welnu Christus is de Zoon van de eeuwige Vader en van een moeder in de tijd. Derhalve, zo beweert men, kan Christus niet door één en dezelfde verhouding de Zoon des Vaders en de Zoon der moeder worden genoemd. Bijgevolge zijn er in Christus twee zoonschappen.
Vervolgens. Wil men de ene term van een wederzijdse verhouding definiëren, dan moet men in deze begripsbepaling de andere term opnemen; daaruit blijkt, dat de ene term soortelijk wordt bepaald door de anderen term. Maar een en hetzelfde ding kan niet tot verschillende soorten tegelijk behoren. Het is dus onmogelijk, beweert men, dat een en dezelfde verhouding haar eindpunten zou hebben in geheel verschillende termen. Welnu Christus is de Zoon van de eeuwige Vader en van een moeder in de tijd. Derhalve, zo beweert men, kan Christus niet door één en dezelfde verhouding de Zoon des Vaders en de Zoon der moeder worden genoemd. Bijgevolge zijn er in Christus twee zoonschappen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus zegt in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: "Datgene wat van de natuur is, vormt in Christus wel een veelheid, datgene echter wat aan de persoon toekomt, vormt geen veelheid". Welnu, heel in het bijzonder komt het zoon-zijn aan de persoon toe, want dit is een persoonlijke eigenschap, zoals blijkt uit hetgeen in het Ier Deel (32e Kw., 3e Art.; 40e Kw., 2e Art.) werd aangetoond. Derhalve is er in Christus slechts één zoonschap.
R: I q. 32 a. 3[t:ia q. 32 a. 3] q. 40 a. 2[t:iiia q. 40 a. 2]
Daartegenover staat echter hetgeen Damascenus zegt in het 3e boek van zijn werk Over het Waarachtig Geloof: "Datgene wat van de natuur is, vormt in Christus wel een veelheid, datgene echter wat aan de persoon toekomt, vormt geen veelheid". Welnu, heel in het bijzonder komt het zoon-zijn aan de persoon toe, want dit is een persoonlijke eigenschap, zoals blijkt uit hetgeen in het Ier Deel (32e Kw., 3e Art.; 40e Kw., 2e Art.) werd aangetoond. Derhalve is er in Christus slechts één zoonschap.
R: I q. 32 a. 3[t:ia q. 32 a. 3] q. 40 a. 2[t:iiia q. 40 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 5 co.
Mijn antwoord. Hieromtrent bestaan verschillende meningen. Sommigen leggen toch de nadruk op de oorzaak van het zoonschap, d. i. op de geboorte, en stellen dan twee zoonschappen in Christus, zoals zij ook twee geboorten in Hem aannemen. — Anderen letten echter op het subject van het zoonschap, d. i. op de persoon of de drager, en nemen in Christus slechts één zoonschap aan, zoals ook maar één drager of één persoon. De eenheid toch of veelheid der verhoudingen moet men niet zoeken in de termen; maar ofwel in haar oorzaak ofwel in haar subject. Want zo men het in de termen der verhouding zoekt, dan moest ieder mens in zich twee zoonschappen hebben: een, waardoor hij een verhouding zegt tot zijn vader, en een, waardoor hij een verhouding zegt tot zijn moeder. Doch bij nader toezien blijkt, dat iedereen door één en dezelfde verhouding een betrekking zowel tot zijn vader als tot zijn moeder zegt krachtens de eenheid van oorzaak dier verhouding. Door de éne geboorte toch wordt de mens uit vader en moeder geboren; daarom zegt hij door éénzelfde verhouding een betrekking tot beiden. Ditzelfde geldt ook voor de leeraar die eenzelfde leer aan vele leerlingen onderwijst, of voor een heer, die verscheidene onderdanen met eenzelfde macht bestuurt. — Indien er nu echter verscheidene, soortelijk verschillende oorzaken zijn, dan schijnen ook de daarop steunende verhoudingen soortelijk te verschillen. Vandaar schijnt er dan ook niets op tegen te zijn, dat er meerdere dergelijke verhoudingen in eenzelfde persoon zijn. Zo b. v. wanneer iemand leeraar is van sommigen in de taalkunde en van anderen in de redeneerkunst, dan is het eigene in beide leeraarschappen iets anders; en zo kan een en dezelfde persoon door onderscheidene verhoudingen leeraar zijn van verschillende personen of van dezelfde personen betreffende verschillende vakken. — Soms komt het echter voor, dat iemand een verhouding zegt tot meerderen op grond van onderscheidene oorzaken, welke echter gelijksoortig zijn; zoals wanneer iemand vader is van verschillende kinderen, maar op grond van onderscheidene voortbrengingsdaden. En derhalve kan het vaderschap niet soortelijk verschillen, daar de voortbrengingsdaden gelijksoortig zijn. En wijl meerdere gelijksoortige vormen niet tegelijk in éénzelfde subject kunnen zijn, is het onmogelijk, dat er meerdere vaderschappen zouden wezen in iemand, die door natuurlijke voortbrenging vader is van meerdere kinderen. Iets anders zou het echter wezen, indien hij vader was van het ene kind door natuurlijke voortbrenging, en van het andere door aanneming. Het spreekt echter vanzelf, dat Christus niet door een en dezelfde geboorte van eeuwigheid uit de Vader geboren is en uit de moeder in de tijd. Evenmin is het een gelijksoortige geboorte. Van die kant zou men dan ook moeten zeggen, dat er in Christus verschillende zoonschappen zijn: de ene in de tijd, de andere eeuwig. Maar, omdat het subject, de drager van het zoonschap niet de natuur is noch een deel van de natuur, doch alleen de persoon, en omdat er in Christus geen drager of persoon is tenzij de eeuwige persoon, daarom kan er in Christus geen zoonschap zijn behalve dat, hetwelk gedragen wordt in de eeuwige persoon. Geen enkele verhouding echter, die in de tijd van God wordt gezegd, stelt in de eeuwige God zelf iets werkelijks maar uitsluitend iets volgens onze wijze van begrijpen, gelijk in het Ie Deel (13e Kw., 7e Art.) is uiteengezet. En derhalve kan de verhouding, waardoor Christus een betrekking tot zijn moeder zegt, geen werkelijke verhouding zijn, doch slechts een begripmatige. En zodoende hebben beide voornoemde meningen onder bepaald opzicht gelijk. Want, leggen we de nadruk op het volledige begrip van zoon-zijn, dan moet men in Christus twee zoonschappen aannemen op grond van zijn tweevoudige geboorte. Beschouwen we echter het subject van het zoonschap, hetwelk niets anders wezen kan dan de eeuwige persoon, dan kan er in Christus geen werkelijk zoonschap zijn behalve zijn eeuwig zoon-zijn. Toch wordt Hij ook met betrekking tot de moeder zoon genoemd krachtens de verhouding, die in de verhouding van haar moederschap tot Christus mede wordt inbegrepen. Zoals ook God de Heer wordt genoemd door de verhouding, welke mede wordt inbegrepen in de werkelijke verhouding, waardoor het schepsel aan God onderdanig is. En hoewel de betrekking, welke zijn heerschappij zegt, niet werkelijk in God is, toch is Hij werkelijk de Heer krachtens de werkelijke onderworpenheid van al het geschapene aan Hem. Eveneens wordt Christus werkelijk de Zoon der Moedermaagd genoemd op grond van de werkelijke verhouding, die haar moederschap tot Hem zegt.
R: I q. 13 a. 7[t:ia q. 13 a. 7]
Mijn antwoord. Hieromtrent bestaan verschillende meningen. Sommigen leggen toch de nadruk op de oorzaak van het zoonschap, d. i. op de geboorte, en stellen dan twee zoonschappen in Christus, zoals zij ook twee geboorten in Hem aannemen. — Anderen letten echter op het subject van het zoonschap, d. i. op de persoon of de drager, en nemen in Christus slechts één zoonschap aan, zoals ook maar één drager of één persoon. De eenheid toch of veelheid der verhoudingen moet men niet zoeken in de termen; maar ofwel in haar oorzaak ofwel in haar subject. Want zo men het in de termen der verhouding zoekt, dan moest ieder mens in zich twee zoonschappen hebben: een, waardoor hij een verhouding zegt tot zijn vader, en een, waardoor hij een verhouding zegt tot zijn moeder. Doch bij nader toezien blijkt, dat iedereen door één en dezelfde verhouding een betrekking zowel tot zijn vader als tot zijn moeder zegt krachtens de eenheid van oorzaak dier verhouding. Door de éne geboorte toch wordt de mens uit vader en moeder geboren; daarom zegt hij door éénzelfde verhouding een betrekking tot beiden. Ditzelfde geldt ook voor de leeraar die eenzelfde leer aan vele leerlingen onderwijst, of voor een heer, die verscheidene onderdanen met eenzelfde macht bestuurt. — Indien er nu echter verscheidene, soortelijk verschillende oorzaken zijn, dan schijnen ook de daarop steunende verhoudingen soortelijk te verschillen. Vandaar schijnt er dan ook niets op tegen te zijn, dat er meerdere dergelijke verhoudingen in eenzelfde persoon zijn. Zo b. v. wanneer iemand leeraar is van sommigen in de taalkunde en van anderen in de redeneerkunst, dan is het eigene in beide leeraarschappen iets anders; en zo kan een en dezelfde persoon door onderscheidene verhoudingen leeraar zijn van verschillende personen of van dezelfde personen betreffende verschillende vakken. — Soms komt het echter voor, dat iemand een verhouding zegt tot meerderen op grond van onderscheidene oorzaken, welke echter gelijksoortig zijn; zoals wanneer iemand vader is van verschillende kinderen, maar op grond van onderscheidene voortbrengingsdaden. En derhalve kan het vaderschap niet soortelijk verschillen, daar de voortbrengingsdaden gelijksoortig zijn. En wijl meerdere gelijksoortige vormen niet tegelijk in éénzelfde subject kunnen zijn, is het onmogelijk, dat er meerdere vaderschappen zouden wezen in iemand, die door natuurlijke voortbrenging vader is van meerdere kinderen. Iets anders zou het echter wezen, indien hij vader was van het ene kind door natuurlijke voortbrenging, en van het andere door aanneming. Het spreekt echter vanzelf, dat Christus niet door een en dezelfde geboorte van eeuwigheid uit de Vader geboren is en uit de moeder in de tijd. Evenmin is het een gelijksoortige geboorte. Van die kant zou men dan ook moeten zeggen, dat er in Christus verschillende zoonschappen zijn: de ene in de tijd, de andere eeuwig. Maar, omdat het subject, de drager van het zoonschap niet de natuur is noch een deel van de natuur, doch alleen de persoon, en omdat er in Christus geen drager of persoon is tenzij de eeuwige persoon, daarom kan er in Christus geen zoonschap zijn behalve dat, hetwelk gedragen wordt in de eeuwige persoon. Geen enkele verhouding echter, die in de tijd van God wordt gezegd, stelt in de eeuwige God zelf iets werkelijks maar uitsluitend iets volgens onze wijze van begrijpen, gelijk in het Ie Deel (13e Kw., 7e Art.) is uiteengezet. En derhalve kan de verhouding, waardoor Christus een betrekking tot zijn moeder zegt, geen werkelijke verhouding zijn, doch slechts een begripmatige. En zodoende hebben beide voornoemde meningen onder bepaald opzicht gelijk. Want, leggen we de nadruk op het volledige begrip van zoon-zijn, dan moet men in Christus twee zoonschappen aannemen op grond van zijn tweevoudige geboorte. Beschouwen we echter het subject van het zoonschap, hetwelk niets anders wezen kan dan de eeuwige persoon, dan kan er in Christus geen werkelijk zoonschap zijn behalve zijn eeuwig zoon-zijn. Toch wordt Hij ook met betrekking tot de moeder zoon genoemd krachtens de verhouding, die in de verhouding van haar moederschap tot Christus mede wordt inbegrepen. Zoals ook God de Heer wordt genoemd door de verhouding, welke mede wordt inbegrepen in de werkelijke verhouding, waardoor het schepsel aan God onderdanig is. En hoewel de betrekking, welke zijn heerschappij zegt, niet werkelijk in God is, toch is Hij werkelijk de Heer krachtens de werkelijke onderworpenheid van al het geschapene aan Hem. Eveneens wordt Christus werkelijk de Zoon der Moedermaagd genoemd op grond van de werkelijke verhouding, die haar moederschap tot Hem zegt.
R: I q. 13 a. 7[t:ia q. 13 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De geboorte in de tijd zou in Christus een werkelijk zoonschap in de tijd hebben veroorzaakt, indien daar een subject was, dat voor een dergelijk zoonschap ontvankelijk is. Dit nu is onmogelijk; de goddelijke Persoon toch is niet ontvankelijk voor een verhouding, die in de tijd ontstaat, gelijk werd aangegeven (zie Leerstelling). — Evenmin kan men zeggen, dat Hij op grond van zijn menselijke natuur ontvankelijk was voor een zoonschap in de tijd, evenzo als voor een geboorte in de tijd; want dan moest de menselijke natuur op een of andere manier subject zijn van het zoonschap, zoals zij dat ook in bepaald opzicht is van de geboorte; want wanneer men een Ethiopiër wit noemt om zijn tanden, dan moeten de tanden van een Ethiopiër de drager wezen van het wit-zijn. De menselijke natuur echter kan op geen enkele manier subject of draagster zijn van het zoonschap, daar deze verhouding onmiddellijk betrekking heeft op de persoon.
1e Weerlegging. De geboorte in de tijd zou in Christus een werkelijk zoonschap in de tijd hebben veroorzaakt, indien daar een subject was, dat voor een dergelijk zoonschap ontvankelijk is. Dit nu is onmogelijk; de goddelijke Persoon toch is niet ontvankelijk voor een verhouding, die in de tijd ontstaat, gelijk werd aangegeven (zie Leerstelling). — Evenmin kan men zeggen, dat Hij op grond van zijn menselijke natuur ontvankelijk was voor een zoonschap in de tijd, evenzo als voor een geboorte in de tijd; want dan moest de menselijke natuur op een of andere manier subject zijn van het zoonschap, zoals zij dat ook in bepaald opzicht is van de geboorte; want wanneer men een Ethiopiër wit noemt om zijn tanden, dan moeten de tanden van een Ethiopiër de drager wezen van het wit-zijn. De menselijke natuur echter kan op geen enkele manier subject of draagster zijn van het zoonschap, daar deze verhouding onmiddellijk betrekking heeft op de persoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Christus’ eeuwig zoonschap is niet afhankelijk van zijn moeder in de tijd; maar in dit eeuwig zoonschap wordt een tijdelijke verhouding mede inbegrepen, en deze is wèl afhankelijk van de moeder. En om deze verhouding wordt Christus zoon der moeder genoemd.
2e Weerlegging. Christus’ eeuwig zoonschap is niet afhankelijk van zijn moeder in de tijd; maar in dit eeuwig zoonschap wordt een tijdelijke verhouding mede inbegrepen, en deze is wèl afhankelijk van de moeder. En om deze verhouding wordt Christus zoon der moeder genoemd.
Referenties naar deze alinea: 1
Het Goddelijke Moederschap van Maria ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Eén en zijnde zijn omkeerbaar, gelijk in het 4e boek der Metaphysica geleerd wordt. Bijgevolg, zoals het voorkomt, dat in een der termen de verhouding een werkelijk iets is, in de andere term echter geen werkelijk iets, doch alleen maar iets gedachts, zoals de Wijsgeer in het 5e boek van zijn Metaphysica zegt aangaande het weetbare en de wetenschap, zo komt het ook voor, dat er van de kant van de ene term slechts één verhouding is, van de kant van de andere term echter meer verhoudingen. Zo b. v. vindt men bij de mensen van de kant der ouders een tweevoudige verhouding, de ene van het vaderschap, de andere van het moederschap, die soortelijk verschillen, omdat de vader onder een ander opzicht voortbrengend beginsel is dan de moeder; (wanneer echter meerderen tegelijk onder hetzelfde opzicht principe zijn van één en dezelfde werking, b. v. wanneer meerderen tegelijk een schip voorttrekken, dan is in hen allen één en dezelfde verhouding); van de kant van het kind echter is er slechts één werkelijk kindschap, doch een tweevoudig gedacht kindschap, in zover dit nl. met twee verhoudingen aan de dubbele verhouding der ouders zal gedacht worden te beantwoorden. Zo ook is er in bepaald opzicht slechts een werkelijk zoonschap in Christus en dit zoonschap zegt een betrekking tot de eeuwige Vader; toch is er in Hem nog een andere en wel een tijdelijke betrekking, die een verhouding zegt tot de moeder in de tijd.
3e Weerlegging. Eén en zijnde zijn omkeerbaar, gelijk in het 4e boek der Metaphysica geleerd wordt. Bijgevolg, zoals het voorkomt, dat in een der termen de verhouding een werkelijk iets is, in de andere term echter geen werkelijk iets, doch alleen maar iets gedachts, zoals de Wijsgeer in het 5e boek van zijn Metaphysica zegt aangaande het weetbare en de wetenschap, zo komt het ook voor, dat er van de kant van de ene term slechts één verhouding is, van de kant van de andere term echter meer verhoudingen. Zo b. v. vindt men bij de mensen van de kant der ouders een tweevoudige verhouding, de ene van het vaderschap, de andere van het moederschap, die soortelijk verschillen, omdat de vader onder een ander opzicht voortbrengend beginsel is dan de moeder; (wanneer echter meerderen tegelijk onder hetzelfde opzicht principe zijn van één en dezelfde werking, b. v. wanneer meerderen tegelijk een schip voorttrekken, dan is in hen allen één en dezelfde verhouding); van de kant van het kind echter is er slechts één werkelijk kindschap, doch een tweevoudig gedacht kindschap, in zover dit nl. met twee verhoudingen aan de dubbele verhouding der ouders zal gedacht worden te beantwoorden. Zo ook is er in bepaald opzicht slechts een werkelijk zoonschap in Christus en dit zoonschap zegt een betrekking tot de eeuwige Vader; toch is er in Hem nog een andere en wel een tijdelijke betrekking, die een verhouding zegt tot de moeder in de tijd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Werd Christus zonder barensweeën geboren?
IIIa q. 35 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat Christus niet zonder barensweeën geboren werd. Want, gelijk de dood een gevolg is van de zonde der eerste ouders, blijkens het Boek der Schepping (2, 17): "Op de dag, dat gij daarvan zult eten, zult gij de dood sterven", zo ook de barensweeën blijkens het Boek der Schepping (3, 16): "In smart zult gij kinderen baren". Maar Christus heeft de dood willen ondergaan. Derhalve moest, naar men beweert, om dezelfde reden ook zijn geboorte in smart geschieden.
B: (Gen 2:17) [b:Gen 2:17] (Gen 3:16) [b:Gen 3:16]
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat Christus niet zonder barensweeën geboren werd. Want, gelijk de dood een gevolg is van de zonde der eerste ouders, blijkens het Boek der Schepping (2, 17): "Op de dag, dat gij daarvan zult eten, zult gij de dood sterven", zo ook de barensweeën blijkens het Boek der Schepping (3, 16): "In smart zult gij kinderen baren". Maar Christus heeft de dood willen ondergaan. Derhalve moest, naar men beweert, om dezelfde reden ook zijn geboorte in smart geschieden.
B: (Gen 2:17) [b:Gen 2:17] (Gen 3:16) [b:Gen 3:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Het einde is evenredig aan het begin. Welnu het einde van Christus’ leven verliep in smart blijkens Isaïas (53, 4): "In waarheid heeft Hij onze smarten gedragen". Derhalve ging ook zijn geboorte vergezeld van de weeën der baring.
B: (Isa 53:4) [b:Isa 53:4]
Vervolgens. Het einde is evenredig aan het begin. Welnu het einde van Christus’ leven verliep in smart blijkens Isaïas (53, 4): "In waarheid heeft Hij onze smarten gedragen". Derhalve ging ook zijn geboorte vergezeld van de weeën der baring.
B: (Isa 53:4) [b:Isa 53:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 6 arg. 3
Vervolgens. In het werk Over de Geboorte des Zaligmakers wordt verhaald, dat er bij Christus' geboorte vroedvrouwen behulpzaam waren; dezen nu heeft de barende nodig, naar het schijnt, om wille van haar pijnen. Derhalve, zo beweert men, heeft de H. Maagd in smarten gebaard.
Vervolgens. In het werk Over de Geboorte des Zaligmakers wordt verhaald, dat er bij Christus' geboorte vroedvrouwen behulpzaam waren; dezen nu heeft de barende nodig, naar het schijnt, om wille van haar pijnen. Derhalve, zo beweert men, heeft de H. Maagd in smarten gebaard.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn Kerstpreek zegt, waar hij de Moedermaagd aldus aanspreekt: "Bij zijn ontvangenis werd gij niet zonder schroomvalligheid bevonden, noch bij zijn geboorte bevonden met smart".
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus in zijn Kerstpreek zegt, waar hij de Moedermaagd aldus aanspreekt: "Bij zijn ontvangenis werd gij niet zonder schroomvalligheid bevonden, noch bij zijn geboorte bevonden met smart".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 6 co.
Mijn antwoord. De barensweeën worden veroorzaakt door het zich openen van de baarmoedermond, waardoor het kind naar buiten treedt. Boven echter (28° Kw., 2° Art.) hebben we behandeld, dat Christus geboren werd, terwijl de baarmoeder zijner moeder gesloten bleef : en zodoende werd de moedermond daar niet geopend. Daarom ging deze baring niet vergezeld van pijn noch van enige ontbinding, doch van de grootste aangenaamheid, omdat de Godmens in de wereld geboren was (vgl. Joannes, 16, 21) volgens het woord van Isaïas (35, 1, 2) : "Heerlijk zal zij openbloeien als een lelie, en juichen in blijheid en lofzang".
B: (Isa 35:1) [b:Isa 35:1] (Isa 35:2) [b:Isa 35:2]
R: q. 28 a. 2[t:iiia q. 28 a. 2]
Mijn antwoord. De barensweeën worden veroorzaakt door het zich openen van de baarmoedermond, waardoor het kind naar buiten treedt. Boven echter (28° Kw., 2° Art.) hebben we behandeld, dat Christus geboren werd, terwijl de baarmoeder zijner moeder gesloten bleef : en zodoende werd de moedermond daar niet geopend. Daarom ging deze baring niet vergezeld van pijn noch van enige ontbinding, doch van de grootste aangenaamheid, omdat de Godmens in de wereld geboren was (vgl. Joannes, 16, 21) volgens het woord van Isaïas (35, 1, 2) : "Heerlijk zal zij openbloeien als een lelie, en juichen in blijheid en lofzang".
B: (Isa 35:1) [b:Isa 35:1] (Isa 35:2) [b:Isa 35:2]
R: q. 28 a. 2[t:iiia q. 28 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. De barensweeën der vrouw volgen op haar lichamelijke vereniging met de man. Vandaar dan ook, dat het Boek der Schepping (3, 16), na gezegd te hebben : "In pijn zult gij baren", er onmiddellijk aan toevoegt : "en gij zult staan onder de macht van de man". Maar, zoals Augustinus schrijft in zijn preek op de ten Hemel-Opneming der H. Maagd, werd de maagdelijke moeder Gods van dit vonnis uitgezonderd: "omdat zij zonder besmetting der zonde en zonder enig nadeel wegens vereniging met een man, de Christus ontving, baarde zij zonder pijn, zonder schending van haar ongereptheid, en bleef zij ongedeerd in de eerwaardigheid van haar maagdschap". De dood echter nam Christus geheel vrijwillig op zich, om voor ons te voldoen, maar niet krachtens de algemeenheid van dat vonnis, daar Hij geen schuldenaar des doods was.
B: (Gen 3:16) [b:Gen 3:16]
1e Weerlegging. De barensweeën der vrouw volgen op haar lichamelijke vereniging met de man. Vandaar dan ook, dat het Boek der Schepping (3, 16), na gezegd te hebben : "In pijn zult gij baren", er onmiddellijk aan toevoegt : "en gij zult staan onder de macht van de man". Maar, zoals Augustinus schrijft in zijn preek op de ten Hemel-Opneming der H. Maagd, werd de maagdelijke moeder Gods van dit vonnis uitgezonderd: "omdat zij zonder besmetting der zonde en zonder enig nadeel wegens vereniging met een man, de Christus ontving, baarde zij zonder pijn, zonder schending van haar ongereptheid, en bleef zij ongedeerd in de eerwaardigheid van haar maagdschap". De dood echter nam Christus geheel vrijwillig op zich, om voor ons te voldoen, maar niet krachtens de algemeenheid van dat vonnis, daar Hij geen schuldenaar des doods was.
B: (Gen 3:16) [b:Gen 3:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Christus door zijn sterven onze dood vernietigde, zo ook bevrijdde Hij door zijn smart ons van smarten, en daarom wilde Hij sterven met smart. Maar de smart der barende moeder paste niet bij Christus, die kwam voldoen voor onze zonden. En daarom was het niet nodig, dat zijn moeder in smart zou baren.
2e Weerlegging. Zoals Christus door zijn sterven onze dood vernietigde, zo ook bevrijdde Hij door zijn smart ons van smarten, en daarom wilde Hij sterven met smart. Maar de smart der barende moeder paste niet bij Christus, die kwam voldoen voor onze zonden. En daarom was het niet nodig, dat zijn moeder in smart zou baren.
Referenties naar deze alinea: 1
Het Goddelijke Moederschap van Maria ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Door Lucas (2, 7) wordt verhaald, dat de H. Maagd het kind, dat zij gebaard had, zelf in doeken wikkelde en neerlegde in een kribbe. Hieruit bewijst men, dat het verhaal van dit apocrief werk vals is. Daarom ook zegt Hieronymus in zijn geschrift Tegen Helvidius: "Daar was geen enkele vroedvrouw, noch dienstwaardige vrouwspersonen bij behulpzaam. Zij was zowel moeder als vroedvrouw tevens. "Zij wikkelde" zegt de Evangelist "het kind in doeken en legde het neder in een kribbe". Deze woorden weerleggen overtuigend de dwaze verzinsels der apocriefen".
B: (Luke 2:7) [b:Luke 2:7]
3e Weerlegging. Door Lucas (2, 7) wordt verhaald, dat de H. Maagd het kind, dat zij gebaard had, zelf in doeken wikkelde en neerlegde in een kribbe. Hieruit bewijst men, dat het verhaal van dit apocrief werk vals is. Daarom ook zegt Hieronymus in zijn geschrift Tegen Helvidius: "Daar was geen enkele vroedvrouw, noch dienstwaardige vrouwspersonen bij behulpzaam. Zij was zowel moeder als vroedvrouw tevens. "Zij wikkelde" zegt de Evangelist "het kind in doeken en legde het neder in een kribbe". Deze woorden weerleggen overtuigend de dwaze verzinsels der apocriefen".
B: (Luke 2:7) [b:Luke 2:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Had Christus in Bethlehem moeten geboren worden?
IIIa q. 35 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat Christus niet had moeten geboren worden in Bethlehem. Want in Isaïas (2, 3) staat geschreven: "Van Sion zal de wet uitgaan en Gods woord van Jeruzalem". Welnu, Christus is waarlijk Gods Woord. Derhalve had Hij vanuit Jeruzalem in de wereld te voorschijn moeten treden.
B: (Isa 2:3) [b:Isa 2:3]
Over het zevende als volgt. Men beweert dat Christus niet had moeten geboren worden in Bethlehem. Want in Isaïas (2, 3) staat geschreven: "Van Sion zal de wet uitgaan en Gods woord van Jeruzalem". Welnu, Christus is waarlijk Gods Woord. Derhalve had Hij vanuit Jeruzalem in de wereld te voorschijn moeten treden.
B: (Isa 2:3) [b:Isa 2:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 7 arg. 2
Vervolgens. In Mattheus (2, 23) wordt verhaald, dat over Christus geschreven was: "Een Nazareër zal Hij genoemd worden"; dit nu is hiervan afgeleid, dat bij Isaïas over Hem geschreven staat (11, 1): "een bloem zal opschieten uit zijn wortel"; "Nazareth" toch betekent "bloem". Bij voorkeur nu wordt iemand genoemd naar zijn geboorteplaats. Derhalve had Christus geboren moeten worden te Nazareth, waar Hij trouwens ook ontvangen en opgevoed werd.
B: (Isa 11:1) [b:Isa 11:1] (Matt 2:23) [b:Matt 2:23]
Vervolgens. In Mattheus (2, 23) wordt verhaald, dat over Christus geschreven was: "Een Nazareër zal Hij genoemd worden"; dit nu is hiervan afgeleid, dat bij Isaïas over Hem geschreven staat (11, 1): "een bloem zal opschieten uit zijn wortel"; "Nazareth" toch betekent "bloem". Bij voorkeur nu wordt iemand genoemd naar zijn geboorteplaats. Derhalve had Christus geboren moeten worden te Nazareth, waar Hij trouwens ook ontvangen en opgevoed werd.
B: (Isa 11:1) [b:Isa 11:1] (Matt 2:23) [b:Matt 2:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Daartoe is de Heer in de wereld geboren, om het geloof der waarheid te verkondigen, blijkens Joannes (18, 37): "Ik ben geboren en in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen voor de waarheid". Maar dit had gemakkelijker bereikt kunnen worden, zo Hij in Rome geboren was, dat toentertijd de heerschappij voerde over de wereld; daarom ook zegt Paulus, wanneer hij aan de Romeinen schrijft (Brief aan de Romeinen, 1, 8): "In heel de wereld wordt uw geloof geroemd". Bijgevolg had Christus niet in Bethlehem geboren moeten worden.
B: (John 18:37, John 18:37) [b:John 18:37]
Vervolgens. Daartoe is de Heer in de wereld geboren, om het geloof der waarheid te verkondigen, blijkens Joannes (18, 37): "Ik ben geboren en in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen voor de waarheid". Maar dit had gemakkelijker bereikt kunnen worden, zo Hij in Rome geboren was, dat toentertijd de heerschappij voerde over de wereld; daarom ook zegt Paulus, wanneer hij aan de Romeinen schrijft (Brief aan de Romeinen, 1, 8): "In heel de wereld wordt uw geloof geroemd". Bijgevolg had Christus niet in Bethlehem geboren moeten worden.
B: (John 18:37, John 18:37) [b:John 18:37]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Micheas (5, 2): "En gij, Bethlehem Ephrata, uit u zal Mij voortkomen, die heerscher zal zijn in Israël".
B: (Mic 5:2) [b:Mic 5:2]
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen bij Micheas (5, 2): "En gij, Bethlehem Ephrata, uit u zal Mij voortkomen, die heerscher zal zijn in Israël".
B: (Mic 5:2) [b:Mic 5:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 7 co.
Mijn antwoord. Om een tweevoudige reden wilde Christus te Bethlehem geboren worden. — 1e, omdat Hij, zoals in de Brief aan de Romeinen (1, 3) gezegd wordt, naar het vlees gesproten is uit het zaad van David, aan wie ook een bijzondere belofte aangaande de Christus was gedaan, blijkens het 2e Boek der Koningen (23, 1): "Zo sprak de man, wien openbaring werd over de gezalfde (de Christus) van de God van Jacob". Daarom wilde Hij te Bethlehem geboren worden, van waar ook David geboortig was, opdat ook krachtens de geboorteplaats zelf de aan David gedane belofte vervuld zou blijken. Dit geeft de Evangelist (Lucas, 2, 4) aan, waar hij schrijft: "Daar Hij uit het huis en het geslacht van David was". 2e, omdat, gelijk Gregorius in zijn Homelie zegt: "Bethlehem "huis des broods" betekent. Christus zelf sprak: "Ik ben het levend brood, dat uit de hemel is nedergedaald".
B: (2Kgs 23:1) [b:2Kgs 23:1] (Rom 1:3) [b:Rom 1:3]
Mijn antwoord. Om een tweevoudige reden wilde Christus te Bethlehem geboren worden. — 1e, omdat Hij, zoals in de Brief aan de Romeinen (1, 3) gezegd wordt, naar het vlees gesproten is uit het zaad van David, aan wie ook een bijzondere belofte aangaande de Christus was gedaan, blijkens het 2e Boek der Koningen (23, 1): "Zo sprak de man, wien openbaring werd over de gezalfde (de Christus) van de God van Jacob". Daarom wilde Hij te Bethlehem geboren worden, van waar ook David geboortig was, opdat ook krachtens de geboorteplaats zelf de aan David gedane belofte vervuld zou blijken. Dit geeft de Evangelist (Lucas, 2, 4) aan, waar hij schrijft: "Daar Hij uit het huis en het geslacht van David was". 2e, omdat, gelijk Gregorius in zijn Homelie zegt: "Bethlehem "huis des broods" betekent. Christus zelf sprak: "Ik ben het levend brood, dat uit de hemel is nedergedaald".
B: (2Kgs 23:1) [b:2Kgs 23:1] (Rom 1:3) [b:Rom 1:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Zoals David te Bethlehem geboren werd, zo ook koos hij Jeruzalem uit, om daar de zetel van zijn rijk te vestigen en daar de tempel Gods te bouwen, opdat Jeruzalem zodoende de koninklijke en priesterlijke stad zou zijn. Christus’ koningschap nu en zijn priesterschap werden vooral voltooid door zijn lijden. Terecht koos Hij dan ook Bethlehem voor geboorteplaats, en Jeruzalem, om er te lijden. Daarmee beschaamde Hij tegelijkertijd de eerzucht van mensen, die er groot op gaan, uit voorname steden afkomstig te zijn, en vooral ook om die reden willen geëerd worden. Christus daarentegen wil in een onaanzienlijk plaatsje geboren worden, en in een voorname stad zijn versmading ondergaan.
1e Weerlegging. Zoals David te Bethlehem geboren werd, zo ook koos hij Jeruzalem uit, om daar de zetel van zijn rijk te vestigen en daar de tempel Gods te bouwen, opdat Jeruzalem zodoende de koninklijke en priesterlijke stad zou zijn. Christus’ koningschap nu en zijn priesterschap werden vooral voltooid door zijn lijden. Terecht koos Hij dan ook Bethlehem voor geboorteplaats, en Jeruzalem, om er te lijden. Daarmee beschaamde Hij tegelijkertijd de eerzucht van mensen, die er groot op gaan, uit voorname steden afkomstig te zijn, en vooral ook om die reden willen geëerd worden. Christus daarentegen wil in een onaanzienlijk plaatsje geboren worden, en in een voorname stad zijn versmading ondergaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Christus wilde bloeien naar zijn deugdzaam leven en niet naar zijn lichamelijke oorsprong. Daarom wilde Hij in Nazareth opgevoed en gevoed worden. In Bethlehem echter wilde Hij als vreemdeling geboren worden, omdat Hij, zoals Gregorius zegt, "naar zijn mensheid, die Hij had aangenomen, als het ware in de vreemde geboren werd, wel niet voor wat zijn macht betreft, maar betreffende zijn natuur". En gelijk Beda schrijft, "doordat Hij een plaats nodig heeft in een herberg, bereidt Hij voor ons vele woningen in het huis zijns Vaders".
2e Weerlegging. Christus wilde bloeien naar zijn deugdzaam leven en niet naar zijn lichamelijke oorsprong. Daarom wilde Hij in Nazareth opgevoed en gevoed worden. In Bethlehem echter wilde Hij als vreemdeling geboren worden, omdat Hij, zoals Gregorius zegt, "naar zijn mensheid, die Hij had aangenomen, als het ware in de vreemde geboren werd, wel niet voor wat zijn macht betreft, maar betreffende zijn natuur". En gelijk Beda schrijft, "doordat Hij een plaats nodig heeft in een herberg, bereidt Hij voor ons vele woningen in het huis zijns Vaders".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Op deze bedenking kunnen we antwoorden met wat in een toespraak op de Kerkvergadering van Ephese gezegd werd: "Indien Hij Rome, de grootste stad, had uitgekozen, zou men hebben gemeend, dat de macht harer burgers de wereld heeft omgevormd. Was Hij de zoon van de keizer geweest, dan zou men enig gewicht aan de macht hebben toegekend. Maar, opdat men zou erkennen, dat zijn Godheid het aanschijn der wereld deed veranderen, koos Hij zich een arme moeder en een nog armer vaderland". "Het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen", gelijk in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 27) geschreven staat. En om zijn macht nog meer te doen blijken, plaatste Hij juist daarom het opperhoofd zijner Kerk in Rome zelf, dat de hoofdstad der wereld was, ten teken zijner volledige overwinning, opdat vandaar het geloof over de gehele aarde zou uitgaan, overeenkomstig de voorspelling van Isaïas (26, 5-6): "Vernederen zal Hij de verheven stad, vertrappen zal haar de voet van de arme", d. i. van Christus, "de tred der behoeftigen", d. i. van de Apostelen Petrus en Paulus.
B: (Luke 2:7) [b:Luke 2:7]
3e Weerlegging. Op deze bedenking kunnen we antwoorden met wat in een toespraak op de Kerkvergadering van Ephese gezegd werd: "Indien Hij Rome, de grootste stad, had uitgekozen, zou men hebben gemeend, dat de macht harer burgers de wereld heeft omgevormd. Was Hij de zoon van de keizer geweest, dan zou men enig gewicht aan de macht hebben toegekend. Maar, opdat men zou erkennen, dat zijn Godheid het aanschijn der wereld deed veranderen, koos Hij zich een arme moeder en een nog armer vaderland". "Het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen", gelijk in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 27) geschreven staat. En om zijn macht nog meer te doen blijken, plaatste Hij juist daarom het opperhoofd zijner Kerk in Rome zelf, dat de hoofdstad der wereld was, ten teken zijner volledige overwinning, opdat vandaar het geloof over de gehele aarde zou uitgaan, overeenkomstig de voorspelling van Isaïas (26, 5-6): "Vernederen zal Hij de verheven stad, vertrappen zal haar de voet van de arme", d. i. van Christus, "de tred der behoeftigen", d. i. van de Apostelen Petrus en Paulus.
B: (Luke 2:7) [b:Luke 2:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Werd Christus op de gepaste tijd geboren?
IIIa q. 35 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat Christus niet op de gepaste tijd geboren werd. Christus was juist gekomen, om ons tot de vrijheid terug te roepen. Hij werd echter geboren in een tijd van onderworpenheid, waarin namelijk op bevel van Augustus over geheel de wereld een volkstelling moest gehouden worden, alsof geheel de wereld hem schatplichtig was, zoals geschreven staat in *Lucas* (2, 1 v. v.). Derhalve, zo beweert men, is Christus niet op de gepaste tijd geboren.
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat Christus niet op de gepaste tijd geboren werd. Christus was juist gekomen, om ons tot de vrijheid terug te roepen. Hij werd echter geboren in een tijd van onderworpenheid, waarin namelijk op bevel van Augustus over geheel de wereld een volkstelling moest gehouden worden, alsof geheel de wereld hem schatplichtig was, zoals geschreven staat in *Lucas* (2, 1 v. v.). Derhalve, zo beweert men, is Christus niet op de gepaste tijd geboren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Blijkens de Brief aan de Romeinen (9, 4): "Aan hen behoren de beloften", waren de beloften over de toekomstige Christus niet gedaan aan de heidenen. Welnu, Christus is geboren in een tijd, waarin een vreemdeling als koning regeerde, zoals blijkt uit *Mattheus* (2, 1): "Toen Jesus nu geboren was in de dagen van koning Herodes». Derhalve, zo beweert men, is Christus niet op de Hem passende tijd geboren.
B: (Matt 2:1) [b:Matt 2:1] (Rom 9:4) [b:Rom 9:4]
Vervolgens. Blijkens de Brief aan de Romeinen (9, 4): "Aan hen behoren de beloften", waren de beloften over de toekomstige Christus niet gedaan aan de heidenen. Welnu, Christus is geboren in een tijd, waarin een vreemdeling als koning regeerde, zoals blijkt uit *Mattheus* (2, 1): "Toen Jesus nu geboren was in de dagen van koning Herodes». Derhalve, zo beweert men, is Christus niet op de Hem passende tijd geboren.
B: (Matt 2:1) [b:Matt 2:1] (Rom 9:4) [b:Rom 9:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 8 arg. 3
Vervolgens. De tijd van Christus’ aanwezigheid op aarde wordt bij een dag vergeleken, juist omdat Hij zelf het licht der wereld is (Joannes, 8, 12; 9, 5); daarom ook zegt Hij zelf (Joannes, 9, 4): "Zolang het dag is, moet Ik de werken verrichten van Hem, die Mij gezonden heeft». Maar ’s zomers zijn de dagen langer dan ’s winters. Bijgevolg, daar Hij in het hart van de winter geboren werd, acht dagen vóór de eerste januari, is Hij, naar men beweert, niet op de juiste tijd geboren.
B: (John 9:4) [b:John 9:4]
Vervolgens. De tijd van Christus’ aanwezigheid op aarde wordt bij een dag vergeleken, juist omdat Hij zelf het licht der wereld is (Joannes, 8, 12; 9, 5); daarom ook zegt Hij zelf (Joannes, 9, 4): "Zolang het dag is, moet Ik de werken verrichten van Hem, die Mij gezonden heeft». Maar ’s zomers zijn de dagen langer dan ’s winters. Bijgevolg, daar Hij in het hart van de winter geboren werd, acht dagen vóór de eerste januari, is Hij, naar men beweert, niet op de juiste tijd geboren.
B: (John 9:4) [b:John 9:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in de Brief aan de Galaten (4, 4): "Toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die uit een vrouw werd geboren en geboren onder de Wet».
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
Daartegenover staat echter hetgeen we lezen in de Brief aan de Galaten (4, 4): "Toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn eigen Zoon gezonden, die uit een vrouw werd geboren en geboren onder de Wet».
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 8 co.
Mijn antwoord. Dit is het verschil tussen Christus en de andere mensen, dat de andere mensen geboren worden in een noodzakelijke afhankelijkheid van hun tijd. Christus echter, de Heer en Grondvester aller tijden, koos zichzelf de tijd, waarop Hij zou geboren worden, zoals Hij zich ook een moeder en een geboorteplaats koos. En omdat al datgene, wat van God komt, geordend, en op behoorlijke wijze geregeld is, werd Christus bijgevolg op de meest-passende tijd geboren.
Mijn antwoord. Dit is het verschil tussen Christus en de andere mensen, dat de andere mensen geboren worden in een noodzakelijke afhankelijkheid van hun tijd. Christus echter, de Heer en Grondvester aller tijden, koos zichzelf de tijd, waarop Hij zou geboren worden, zoals Hij zich ook een moeder en een geboorteplaats koos. En omdat al datgene, wat van God komt, geordend, en op behoorlijke wijze geregeld is, werd Christus bijgevolg op de meest-passende tijd geboren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Christus was gekomen, om ons van de staat van slavernij terug te voeren tot de staat der vrijheid. En juist daarom, zoals Hij onze sterfelijkheid op zich had genomen, om ons tot het leven terug te brengen, zo ook, gelijk Beda zegt, gewaardeerd Hij zich mens te worden in die tijd, waarop Hij, zodra Hij geboren was, door de volkstelling van de Caesar zou worden opgeschreven, en waarop Hij zich omwille onzer bevrijding aan de dienstbaarheid zou onderwerpen. Juist vooral in de tijd, toen de gehele wereld onder één vorst leefde, heerste er vooral vrede op aarde. Daarom paste het, dat Christus in die tijd geboren werd, Hij, die onze vrede is, die beide groepen één heeft gemaakt, zoals in de Brief aan de Ephesiërs (2, 14) geschreven staat. Daarom ook zegt Hieronymus in zijn Uitleg op Isaïas (2, 4): "Slaan we de oude geschiedenis na, dan zullen we vinden, dat er tot in het acht en twintigste jaar van Caesar Augustus over de gehele wereld tweedracht heerste; zodra echter de Heer geboren was, eindigden alle oorlogen". overeenkomstig het woord van Isaïas (2, 4): "Het ene volk zal het zwaard niet opheffen tegen het andere volk". Tevens paste het, dat in de tijd, waarin één vorst over de wereld regeerde, de Christus geboren werd, Hij, die gekomen was, om de zijnen tot een eenheid samen te brengen (Joannes, 9, 52), opdat het één schaapstal zou zijn en één herder, zoals geschreven staat in Joannes (10, 16).
1e Weerlegging. Christus was gekomen, om ons van de staat van slavernij terug te voeren tot de staat der vrijheid. En juist daarom, zoals Hij onze sterfelijkheid op zich had genomen, om ons tot het leven terug te brengen, zo ook, gelijk Beda zegt, gewaardeerd Hij zich mens te worden in die tijd, waarop Hij, zodra Hij geboren was, door de volkstelling van de Caesar zou worden opgeschreven, en waarop Hij zich omwille onzer bevrijding aan de dienstbaarheid zou onderwerpen. Juist vooral in de tijd, toen de gehele wereld onder één vorst leefde, heerste er vooral vrede op aarde. Daarom paste het, dat Christus in die tijd geboren werd, Hij, die onze vrede is, die beide groepen één heeft gemaakt, zoals in de Brief aan de Ephesiërs (2, 14) geschreven staat. Daarom ook zegt Hieronymus in zijn Uitleg op Isaïas (2, 4): "Slaan we de oude geschiedenis na, dan zullen we vinden, dat er tot in het acht en twintigste jaar van Caesar Augustus over de gehele wereld tweedracht heerste; zodra echter de Heer geboren was, eindigden alle oorlogen". overeenkomstig het woord van Isaïas (2, 4): "Het ene volk zal het zwaard niet opheffen tegen het andere volk". Tevens paste het, dat in de tijd, waarin één vorst over de wereld regeerde, de Christus geboren werd, Hij, die gekomen was, om de zijnen tot een eenheid samen te brengen (Joannes, 9, 52), opdat het één schaapstal zou zijn en één herder, zoals geschreven staat in Joannes (10, 16).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Christus wilde geboren worden onder het koningschap van een buitenlandse vorst, opdat de voorspelling van Jacob vervuld zou worden, die zei (Boek der Schepping, 49, 10): "De schepter zal niet worden ontnomen aan Juda, noch de vorst uit zijn lendenen, totdat Hij komt, die gezonden zal worden." Daarom ook schrijft Chrysostomus in zijn Uitleg op Mattheus: "Zoolang het Joodse volk onder Joodse koningen stond, ook al waren zij zondaars, werden er te zijner genezing profeten gezonden. Nu echter, nu de Wet Gods onder de macht van een onrechtvaardige koning stond, wordt de Christus geboren, omdat de zware en haast wanhopige ziekte een kundiger geneesheer nodig had".
B: (Isa 2:4) [b:Isa 2:4] (Isa 2:4) [b:Isa 2:4] (Eph 2:14) [b:Eph 2:14]
2e Weerlegging. Christus wilde geboren worden onder het koningschap van een buitenlandse vorst, opdat de voorspelling van Jacob vervuld zou worden, die zei (Boek der Schepping, 49, 10): "De schepter zal niet worden ontnomen aan Juda, noch de vorst uit zijn lendenen, totdat Hij komt, die gezonden zal worden." Daarom ook schrijft Chrysostomus in zijn Uitleg op Mattheus: "Zoolang het Joodse volk onder Joodse koningen stond, ook al waren zij zondaars, werden er te zijner genezing profeten gezonden. Nu echter, nu de Wet Gods onder de macht van een onrechtvaardige koning stond, wordt de Christus geboren, omdat de zware en haast wanhopige ziekte een kundiger geneesheer nodig had".
B: (Isa 2:4) [b:Isa 2:4] (Isa 2:4) [b:Isa 2:4] (Eph 2:14) [b:Eph 2:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 35 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Zoals we lezen in het boek Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond (53e Vr.) wilde Christus geboren worden, juist toen de dagen begonnen te lengen, om aan te tonen, dat Hij gekomen was, om de mensen te doen groeien in het Goddelijk licht, volgens het woord van Lucas (1, 79): "Om hen te verlichten, die in duisternis en in de schaduw des doods gezeten zijn". Eveneens koos Hij voor zijn geboorte de strengheid van de winter, om van dan af voor ons verdrukking te lijden.
B: (John 10:16, John 10:16) [b:John 10:16] (John 11:52, John 11:52) [b:John 11:52]
3e Weerlegging. Zoals we lezen in het boek Vraagstukken van het Oude en Nieuwe Verbond (53e Vr.) wilde Christus geboren worden, juist toen de dagen begonnen te lengen, om aan te tonen, dat Hij gekomen was, om de mensen te doen groeien in het Goddelijk licht, volgens het woord van Lucas (1, 79): "Om hen te verlichten, die in duisternis en in de schaduw des doods gezeten zijn". Eveneens koos Hij voor zijn geboorte de strengheid van de winter, om van dan af voor ons verdrukking te lijden.
B: (John 10:16, John 10:16) [b:John 10:16] (John 11:52, John 11:52) [b:John 11:52]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 36: Over de bekendmaking van Christus’ geboorte
IIIa q. 36 pr.
IIIa q. 36 pr. Nu moeten we behandelen de bekendmaking van de geboren Christus. En hierover stellen we ons acht vragen: 1. Moest de geboorte van Christus aan allen bekend zijn? 2. Moest ze aan enkelen bekend gemaakt worden? 3. Aan wien moest ze bekend gemaakt worden? 4. Heeft Christus zich zelf moeten openbaren of was het beter, dat Hij door anderen geopenbaard werd? 5. Kunnen er nog andere dingen aangegeven worden, waardoor ze bekend gemaakt moest worden? 6. Over de volgorde der openbaringen. 7. Over de ster, waardoor zijn geboorte bekend gemaakt werd. 8. Over de hulde der wijzen, die door een ster de geboorte van Christus vernamen.
IIIa q. 36 pr. Nu moeten we behandelen de bekendmaking van de geboren Christus. En hierover stellen we ons acht vragen: 1. Moest de geboorte van Christus aan allen bekend zijn? 2. Moest ze aan enkelen bekend gemaakt worden? 3. Aan wien moest ze bekend gemaakt worden? 4. Heeft Christus zich zelf moeten openbaren of was het beter, dat Hij door anderen geopenbaard werd? 5. Kunnen er nog andere dingen aangegeven worden, waardoor ze bekend gemaakt moest worden? 6. Over de volgorde der openbaringen. 7. Over de ster, waardoor zijn geboorte bekend gemaakt werd. 8. Over de hulde der wijzen, die door een ster de geboorte van Christus vernamen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Moest Christus’ geboorte aan allen bekend zijn?
IIIa q. 36 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat Christus’ geboorte aan allen moest bekend zijn. Aan een belofte immers moet de vervulling beantwoorden. Over de belofte nu van Christus’ komst, wordt in het Boek der Psalmen (49, 3) gezegd: "God zal in het openbaar komen". Hij komt echter door de geboorte in het vlees. Zijn geboorte moet dus voor de gehele wereld bekend zijn.
B: (Ps 49:3) [b:Ps 49:3]
Over het eerste als volgt. Men beweert dat Christus’ geboorte aan allen moest bekend zijn. Aan een belofte immers moet de vervulling beantwoorden. Over de belofte nu van Christus’ komst, wordt in het Boek der Psalmen (49, 3) gezegd: "God zal in het openbaar komen". Hij komt echter door de geboorte in het vlees. Zijn geboorte moet dus voor de gehele wereld bekend zijn.
B: (Ps 49:3) [b:Ps 49:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 1 arg. 2
Vervolgens. In de Eerste Brief aan Timotheus (1, 15) wordt gezegd: "Christus is in de wereld gekomen, om zondaars te redden". Nu gebeurt dit alleen, doordat de genade van Christus kenbaar gemaakt wordt, volgens de Brief aan Titus (2, 11): "De genade Gods en van onze Zaligmaker is verschenen aan alle mensen. Zij onderricht ons om aan de goddeloosheid te verzaken en aan de wereldsche begeerlijkheid, om zodoende ingetogen en rechtschapen en godvruchtig in de wereld te kunnen leven". Het schijnt dus wel, dat de geboorte van Christus aan allen bekend moest zijn.
B: (1Tim 1:15) [b:1Tim 1:15] (Titus 2:11) [b:Titus 2:11] (Titus 2:12) [b:Titus 2:12]
Vervolgens. In de Eerste Brief aan Timotheus (1, 15) wordt gezegd: "Christus is in de wereld gekomen, om zondaars te redden". Nu gebeurt dit alleen, doordat de genade van Christus kenbaar gemaakt wordt, volgens de Brief aan Titus (2, 11): "De genade Gods en van onze Zaligmaker is verschenen aan alle mensen. Zij onderricht ons om aan de goddeloosheid te verzaken en aan de wereldsche begeerlijkheid, om zodoende ingetogen en rechtschapen en godvruchtig in de wereld te kunnen leven". Het schijnt dus wel, dat de geboorte van Christus aan allen bekend moest zijn.
B: (1Tim 1:15) [b:1Tim 1:15] (Titus 2:11) [b:Titus 2:11] (Titus 2:12) [b:Titus 2:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Volgens het Psalmwoord (Ps. 144, 9): "Zijn erbarmingen zijn over al zijn werken", is God voor alles geneigd tot erbarming. Bij zijn tweede komst nu, als Hij gerechtigheid zal komen uitoefenen (vgl. Ps. 74, 3), zal Hij aan allen bekend zijn, volgens Mattheus (24, 27): "Zoals de bliksem uitschiet van het Oosten en flitst tot het Westen: zo zal ook de komst van de mensenzoon zijn". Met meer recht dus, moest zijn eerste komst, toen Hij in de wereld naar het vlees geboren werd, aan allen bekend zijn.
B: (Ps 70:3) [b:Ps 70:3] (Ps 144:9) [b:Ps 144:9] (Matt 24:27) [b:Matt 24:27]
Vervolgens. Volgens het Psalmwoord (Ps. 144, 9): "Zijn erbarmingen zijn over al zijn werken", is God voor alles geneigd tot erbarming. Bij zijn tweede komst nu, als Hij gerechtigheid zal komen uitoefenen (vgl. Ps. 74, 3), zal Hij aan allen bekend zijn, volgens Mattheus (24, 27): "Zoals de bliksem uitschiet van het Oosten en flitst tot het Westen: zo zal ook de komst van de mensenzoon zijn". Met meer recht dus, moest zijn eerste komst, toen Hij in de wereld naar het vlees geboren werd, aan allen bekend zijn.
B: (Ps 70:3) [b:Ps 70:3] (Ps 144:9) [b:Ps 144:9] (Matt 24:27) [b:Matt 24:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 1 s. c.
Isaïas (45, 15) daarentegen zegt: "Waarlijk, Gij zijt een verborgen God, Gij de Heilige Israëls, de Verlosser", en verder nog (53, 3): "Zijn aanschijn was als bedekt en veracht".
B: (Isa 43:3) [b:Isa 43:3] (Isa 45:15) [b:Isa 45:15]
Isaïas (45, 15) daarentegen zegt: "Waarlijk, Gij zijt een verborgen God, Gij de Heilige Israëls, de Verlosser", en verder nog (53, 3): "Zijn aanschijn was als bedekt en veracht".
B: (Isa 43:3) [b:Isa 43:3] (Isa 45:15) [b:Isa 45:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 1 co.
Mijn antwoord. Christus’ geboorte behoefde niet in het algemeen aan allen bekend te zijn. En wel ten eerste, omdat hierdoor de verlossing van het mensdom, welke door zijn kruis is bewerkt, verhinderd zou zijn geworden, omdat, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (2, 8): "als ze het geweten hadden, dan zouden ze nooit de Heer der glorie hebben gebruikt". — Ten tweede, omdat dit de verdienste van het geloof, waardoor Hij, volgens de Brief aan de Romeinen (3, 22): "de gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus" de mensen was komen rechtvaardig maken, zou verminderd hebben. Zo immers bij Christus’ geboorte, door duidelijke kentekenen zijn geboorte aan allen zou blijken, dan zou aan het geloof zijn karakter ontnomen worden, omdat, volgens de Brief aan de Hebreën (11, 1) "het geloof het bewijs is voor zaken die we niet zien". — Ten derde, omdat daardoor de waarachtigheid van zijn mensheid twijfelachtig zou geworden zijn. Vandaar zegt Augustinus, in zijn Brief aan Volusianus (137° Br., 3° H.): "Indien (Christus) niet van kind tot jongeling veranderde, indien Hij niet at, noch sliep, zou Hij dan niet de dwaling bekrachtigd hebben? Zou dan nog geloofd worden, dat Hij een waarachtige menselijke natuur had aangenomen? En als men zou weten, dat Hij alles op een wonderdadige manier verrichtte, zou dat niet wegnemen, wat Hij uit erbarming deed?"
B: (1Cor 2:8) [b:1Cor 2:8]
Mijn antwoord. Christus’ geboorte behoefde niet in het algemeen aan allen bekend te zijn. En wel ten eerste, omdat hierdoor de verlossing van het mensdom, welke door zijn kruis is bewerkt, verhinderd zou zijn geworden, omdat, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (2, 8): "als ze het geweten hadden, dan zouden ze nooit de Heer der glorie hebben gebruikt". — Ten tweede, omdat dit de verdienste van het geloof, waardoor Hij, volgens de Brief aan de Romeinen (3, 22): "de gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus" de mensen was komen rechtvaardig maken, zou verminderd hebben. Zo immers bij Christus’ geboorte, door duidelijke kentekenen zijn geboorte aan allen zou blijken, dan zou aan het geloof zijn karakter ontnomen worden, omdat, volgens de Brief aan de Hebreën (11, 1) "het geloof het bewijs is voor zaken die we niet zien". — Ten derde, omdat daardoor de waarachtigheid van zijn mensheid twijfelachtig zou geworden zijn. Vandaar zegt Augustinus, in zijn Brief aan Volusianus (137° Br., 3° H.): "Indien (Christus) niet van kind tot jongeling veranderde, indien Hij niet at, noch sliep, zou Hij dan niet de dwaling bekrachtigd hebben? Zou dan nog geloofd worden, dat Hij een waarachtige menselijke natuur had aangenomen? En als men zou weten, dat Hij alles op een wonderdadige manier verrichtte, zou dat niet wegnemen, wat Hij uit erbarming deed?"
B: (1Cor 2:8) [b:1Cor 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Deze tekst moet volgens de uitleg van de Glossa verstaan worden van Christus’ komst ten oordeel.
B: (Rom 3:22) [b:Rom 3:22] (Heb 11:1) [b:Heb 11:1]
1e Weerlegging. Deze tekst moet volgens de uitleg van de Glossa verstaan worden van Christus’ komst ten oordeel.
B: (Rom 3:22) [b:Rom 3:22] (Heb 11:1) [b:Heb 11:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Alle mensen moeten, om tot hun heil te kunnen komen, onderricht worden over de genade van de Goddelijke Heiland, niet in de aanvang van zijn geboorte, maar eerst later, na verloop van tijd, nadat "Hij verlossing bewerkt had in het midden der aarde". (Ps. 73, 12) Vandaar zegt Hij eerst ná zijn lijden en verrijzenis aan zijn leerlingen: "Gaat en onderricht alle volkeren". (Mattheus, 28, 19).
2e Weerlegging. Alle mensen moeten, om tot hun heil te kunnen komen, onderricht worden over de genade van de Goddelijke Heiland, niet in de aanvang van zijn geboorte, maar eerst later, na verloop van tijd, nadat "Hij verlossing bewerkt had in het midden der aarde". (Ps. 73, 12) Vandaar zegt Hij eerst ná zijn lijden en verrijzenis aan zijn leerlingen: "Gaat en onderricht alle volkeren". (Mattheus, 28, 19).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Bij een rechtspraak wordt vereist, dat de rechtsmacht van de rechter bekend is: en om die reden moet Christus’ komst ten oordeel bekend zijn. Maar zijn eerste komst beoogde aller zaligheid, welke is door het geloof, dat dingen betreft die niet klaarblijkelijk zijn. En dus moet de eerste komst van Christus in het verborgen plaats hebben.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 36 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 36 a. 2 arg. 1]
3e Weerlegging. Bij een rechtspraak wordt vereist, dat de rechtsmacht van de rechter bekend is: en om die reden moet Christus’ komst ten oordeel bekend zijn. Maar zijn eerste komst beoogde aller zaligheid, welke is door het geloof, dat dingen betreft die niet klaarblijkelijk zijn. En dus moet de eerste komst van Christus in het verborgen plaats hebben.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 36 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 36 a. 2 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Moest Christus’ geboorte aan sommigen bekend gemaakt worden?
IIIa q. 36 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus’ geboorte aan niemand moest bekend gemaakt worden. In het vorige artikel immers is gezegd, dat het aangepast was aan het heil der mensen, dat de eerste komst van Christus in het verborgen plaats had. Nu is Christus gekomen om alle mensen zalig te maken, blijkens de Eerste Brief aan Timotheus (4, 10): "...die de Zaligmaker is van alle mensen, van de gelovigen vooral". Dus moest de geboorte van Christus aan niemand bekend gemaakt worden.
B: (1Tim 4:10) [b:1Tim 4:10]
R: q. 36 a. 1 ad 3[t:iiia q. 36 a. 1 ad 3]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus’ geboorte aan niemand moest bekend gemaakt worden. In het vorige artikel immers is gezegd, dat het aangepast was aan het heil der mensen, dat de eerste komst van Christus in het verborgen plaats had. Nu is Christus gekomen om alle mensen zalig te maken, blijkens de Eerste Brief aan Timotheus (4, 10): "...die de Zaligmaker is van alle mensen, van de gelovigen vooral". Dus moest de geboorte van Christus aan niemand bekend gemaakt worden.
B: (1Tim 4:10) [b:1Tim 4:10]
R: q. 36 a. 1 ad 3[t:iiia q. 36 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Voor de geboorte van Christus was de toekomstige geboorte van Christus bekend aan de H. Maagd en Josef. Dus was het niet noodzakelijk dat ze na de geboorte van Christus aan anderen bekend gemaakt werd.
Vervolgens. Voor de geboorte van Christus was de toekomstige geboorte van Christus bekend aan de H. Maagd en Josef. Dus was het niet noodzakelijk dat ze na de geboorte van Christus aan anderen bekend gemaakt werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Geen verstandig mens zal iets bekend maken, waaruit opschudding en nadeel voor anderen kunnen voortkomen. Toen nu Christus’ geboorte bekend gemaakt was, volgde er eerst opschudding. We lezen immers bij Mattheus (2, 3) dat Herodes, toen hij Christus’ geboorte vernam "ontstelde, en heel Jeruzalem met hem". En ook werd ze tot nadeel van anderen, want naar aanleiding hiervan "doodde Herodes in Bethlehem en heel de omtrek alle knapen van twee jaar en daaronder". (Mattheus, 2, 16). Het schijnt dus niet passend geweest te zijn, dat Christus’ geboorte aan sommigen bekend gemaakt werd.
B: (Matt 2:3) [b:Matt 2:3]
Vervolgens. Geen verstandig mens zal iets bekend maken, waaruit opschudding en nadeel voor anderen kunnen voortkomen. Toen nu Christus’ geboorte bekend gemaakt was, volgde er eerst opschudding. We lezen immers bij Mattheus (2, 3) dat Herodes, toen hij Christus’ geboorte vernam "ontstelde, en heel Jeruzalem met hem". En ook werd ze tot nadeel van anderen, want naar aanleiding hiervan "doodde Herodes in Bethlehem en heel de omtrek alle knapen van twee jaar en daaronder". (Mattheus, 2, 16). Het schijnt dus niet passend geweest te zijn, dat Christus’ geboorte aan sommigen bekend gemaakt werd.
B: (Matt 2:3) [b:Matt 2:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter dat niemand baat had gevonden bij Christus’ geboorte, als ze voor allen verborgen was geweest. Christus’ geboorte behoorde echter voordelig te zijn, anders zou Hij ons niet geboren zijn geweest. Dus moest zijn geboorte wel aan sommigen bekendgemaakt worden.
Daartegenover staat echter dat niemand baat had gevonden bij Christus’ geboorte, als ze voor allen verborgen was geweest. Christus’ geboorte behoorde echter voordelig te zijn, anders zou Hij ons niet geboren zijn geweest. Dus moest zijn geboorte wel aan sommigen bekendgemaakt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 2 co.
Mijn antwoord. De Apostel zegt in zijn *Brief aan de Romeinen* (13, 1): "Wat van God komt, is geordend". Het is nu een eigenschap van de orde der Goddelijke wijsheid dat Gods gaven en de geheimen van zijn wijsheid, niet op dezelfde wijze tot allen komen, maar onmiddellijk aan enkelen, die ze dan weer op hun beurt aan anderen doorgeven. Vandaar wordt ook met betrekking tot het geheim van zijn verrijzenis in de Handelingen der Apostelen (10, 41) gezegd, dat "God het feit van Christus’ verrijzenis niet openbaarde aan het hele volk, maar aan getuigen, door God voorbeschikt". Dit moest dus ook in acht genomen worden met betrekking tot zijn geboorte. En daarom werd Christus niet aan allen bekend gemaakt, maar aan enkelen, door wie het tot anderen zou kunnen komen.
B: (Acts 10:40) [b:Acts 10:40] (Acts 10:41) [b:Acts 10:41] (Rom 13:1) [b:Rom 13:1]
Mijn antwoord. De Apostel zegt in zijn *Brief aan de Romeinen* (13, 1): "Wat van God komt, is geordend". Het is nu een eigenschap van de orde der Goddelijke wijsheid dat Gods gaven en de geheimen van zijn wijsheid, niet op dezelfde wijze tot allen komen, maar onmiddellijk aan enkelen, die ze dan weer op hun beurt aan anderen doorgeven. Vandaar wordt ook met betrekking tot het geheim van zijn verrijzenis in de Handelingen der Apostelen (10, 41) gezegd, dat "God het feit van Christus’ verrijzenis niet openbaarde aan het hele volk, maar aan getuigen, door God voorbeschikt". Dit moest dus ook in acht genomen worden met betrekking tot zijn geboorte. En daarom werd Christus niet aan allen bekend gemaakt, maar aan enkelen, door wie het tot anderen zou kunnen komen.
B: (Acts 10:40) [b:Acts 10:40] (Acts 10:41) [b:Acts 10:41] (Rom 13:1) [b:Rom 13:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Het zou evengoed tot nadeel zijn geweest van de zaligmaking der mensen, als Gods geboorte aan alle mensen zou bekendgemaakt zijn, dan wanneer ze aan niemand bekend geweest was. Want op twee manieren wordt geloven onmogelijk gemaakt: zowel daardoor, dat iets geheel en al duidelijk is, als ook daardoor, dat iets door niemand gekend wordt die er getuigenis van zou kunnen afleggen. Want "geloven komt door het horen". (Romeinen, 10, 17).
B: (Rom 10:17) [b:Rom 10:17]
1e Weerlegging. Het zou evengoed tot nadeel zijn geweest van de zaligmaking der mensen, als Gods geboorte aan alle mensen zou bekendgemaakt zijn, dan wanneer ze aan niemand bekend geweest was. Want op twee manieren wordt geloven onmogelijk gemaakt: zowel daardoor, dat iets geheel en al duidelijk is, als ook daardoor, dat iets door niemand gekend wordt die er getuigenis van zou kunnen afleggen. Want "geloven komt door het horen". (Romeinen, 10, 17).
B: (Rom 10:17) [b:Rom 10:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Maria en Josef behoorden over Christus' geboorte, nog vóór Hij geboren werd, op de hoogte gesteld te worden, omdat zij het kind, in de schoot ontvangen, moesten eren en het na zijn geboorte moesten dienen. Hun getuigenis echter over Christus' verhevenheid zou verdacht geweest zijn, daar het een getuigenis zou geweest zijn over een huisgenoot. En dus behoorde Christus' geboorte wel ook nog aan anderen, buitenstaanders, bekend gemaakt te worden, wier getuigenis niet in verdenking zou kunnen komen.
2e Weerlegging. Maria en Josef behoorden over Christus' geboorte, nog vóór Hij geboren werd, op de hoogte gesteld te worden, omdat zij het kind, in de schoot ontvangen, moesten eren en het na zijn geboorte moesten dienen. Hun getuigenis echter over Christus' verhevenheid zou verdacht geweest zijn, daar het een getuigenis zou geweest zijn over een huisgenoot. En dus behoorde Christus' geboorte wel ook nog aan anderen, buitenstaanders, bekend gemaakt te worden, wier getuigenis niet in verdenking zou kunnen komen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De opschudding, die op de openbaarmaking van Christus' geboorte volgde, paste bij Christus' geboorte. — En wel eerstens, omdat hierdoor de hemelse waardigheid van Christus geopenbaard wordt; vandaar zegt Gregorius in zijn 10e Homelie op het Evangelie: "Toen de Koning des hemels geboren was, ontstelde de koning der aarde, omdat aardse grootheid van zelf beschaamd wordt, als hemelse hoogheid ontsluierd wordt". — Ten tweede, omdat daardoor Christus' rechtsmacht verzinnebeeld werd; vandaar zegt Augustinus in een Preek op Driekoningen (200° Pr., 1° H.): "Wat zal wel niet het tribunaal van de rechter zijn, als de wieg van het kind hoogmoedige vorsten al schrik aanjoeg?" — Ten derde, omdat daardoor de ondergang van het rijk van de duivel verzinnebeeld werd, omdat, zoals Paus Leo zegt in een Preek op Driekoningen: "Niet zozeer Herodes ontstelde, als wel de duivel in Herodes. Herodes immers dacht aan een aardse mens, maar de duivel herkende God; en beiden waren bang voor een opvolger in hun rijk: de duivel voor een hemelse, Herodes daarentegen voor een aardse". Maar geheel onnodig, daar Christus niet gekomen was, om op aarde een rijk te bezitten. Vandaar zegt Paus Leo (in de 4° Preek op Driekoningen) terwijl hij het woord tot Herodes richt: "Uw rijk kan Christus niet omvatten; noch is de Heer der wereld tevreden met de enge grenzen van uw heerschappij". Dat de Joden, die veeleer verheugd hadden moeten zijn, ontstelden, was, ofwel omdat, zoals Chrysostomus (een ander schrijver) zegt: "boosdoeners zich niet konden verheugen over de komst van een rechtvaardige" — ofwel, omdat ze aan Herodes, die ze vreesden, wilden behagen: maar al te zeer vleit het volk zijn tyrannen. Dat nu de knapen door Herodes omgebracht zijn, dat was hun niet tot nadeel maar voordeel. Want Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen (373° Pr., 3° H.) : "Het is niet aan te nemen, dat Christus, gekomen om de mensen te redden, niets gedaan zou hebben om hen, die in zijn plaats gedood werden, te belonen. Hij, die hangend aan het kruis nog wel voor zijn moordenaars gebeden heeft".
3e Weerlegging. De opschudding, die op de openbaarmaking van Christus' geboorte volgde, paste bij Christus' geboorte. — En wel eerstens, omdat hierdoor de hemelse waardigheid van Christus geopenbaard wordt; vandaar zegt Gregorius in zijn 10e Homelie op het Evangelie: "Toen de Koning des hemels geboren was, ontstelde de koning der aarde, omdat aardse grootheid van zelf beschaamd wordt, als hemelse hoogheid ontsluierd wordt". — Ten tweede, omdat daardoor Christus' rechtsmacht verzinnebeeld werd; vandaar zegt Augustinus in een Preek op Driekoningen (200° Pr., 1° H.): "Wat zal wel niet het tribunaal van de rechter zijn, als de wieg van het kind hoogmoedige vorsten al schrik aanjoeg?" — Ten derde, omdat daardoor de ondergang van het rijk van de duivel verzinnebeeld werd, omdat, zoals Paus Leo zegt in een Preek op Driekoningen: "Niet zozeer Herodes ontstelde, als wel de duivel in Herodes. Herodes immers dacht aan een aardse mens, maar de duivel herkende God; en beiden waren bang voor een opvolger in hun rijk: de duivel voor een hemelse, Herodes daarentegen voor een aardse". Maar geheel onnodig, daar Christus niet gekomen was, om op aarde een rijk te bezitten. Vandaar zegt Paus Leo (in de 4° Preek op Driekoningen) terwijl hij het woord tot Herodes richt: "Uw rijk kan Christus niet omvatten; noch is de Heer der wereld tevreden met de enge grenzen van uw heerschappij". Dat de Joden, die veeleer verheugd hadden moeten zijn, ontstelden, was, ofwel omdat, zoals Chrysostomus (een ander schrijver) zegt: "boosdoeners zich niet konden verheugen over de komst van een rechtvaardige" — ofwel, omdat ze aan Herodes, die ze vreesden, wilden behagen: maar al te zeer vleit het volk zijn tyrannen. Dat nu de knapen door Herodes omgebracht zijn, dat was hun niet tot nadeel maar voordeel. Want Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen (373° Pr., 3° H.) : "Het is niet aan te nemen, dat Christus, gekomen om de mensen te redden, niets gedaan zou hebben om hen, die in zijn plaats gedood werden, te belonen. Hij, die hangend aan het kruis nog wel voor zijn moordenaars gebeden heeft".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Zijn voor degenen, waaraan Christus’ geboorte bekend gemaakt is, de geschikte personen uitgekozen?
IIIa q. 36 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat niet de juiste personen gekozen zijn, waaraan Christus’ geboorte bekend gemaakt is. De Heer immers, heeft aan zijn leerlingen het bevel gegeven: "Slaat de weg naar de heidenen niet in". (Mattheus, 10, 5) met de bedoeling, dat Hij eerder aan de Joden dan aan de heidenen bekend zou gemaakt worden. Christus’ geboorte had dus zeker niet in het begin al aan de heidenen, die van het Oosten kwamen, zoals te lezen staat bij Mattheus (2, 1) geopenbaard moeten worden.
B: (Matt 2:1) [b:Matt 2:1] (Matt 10:5) [b:Matt 10:5]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat niet de juiste personen gekozen zijn, waaraan Christus’ geboorte bekend gemaakt is. De Heer immers, heeft aan zijn leerlingen het bevel gegeven: "Slaat de weg naar de heidenen niet in". (Mattheus, 10, 5) met de bedoeling, dat Hij eerder aan de Joden dan aan de heidenen bekend zou gemaakt worden. Christus’ geboorte had dus zeker niet in het begin al aan de heidenen, die van het Oosten kwamen, zoals te lezen staat bij Mattheus (2, 1) geopenbaard moeten worden.
B: (Matt 2:1) [b:Matt 2:1] (Matt 10:5) [b:Matt 10:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Volgens Job (36, 33): "Hij maakt er zijn vriend bekend mee", behoort de bekendmaking der goddelijke waarheid vooral te geschieden aan Gods vrienden. Nu schijnen echter de wijzen vijanden van God te zijn. In het Boek Leviticus (19, 31) wordt immers gezegd: "Wend u niet tot de tovenaars, noch vraagt iets aan waarzeggers". Christus’ geboorte behoorde dus niet aan tovenaars bekend gemaakt te worden.
B: (Lev 19:31) [b:Lev 19:31] (Job 36:33) [b:Job 36:33] (Job 37) [b:Job 37]
Vervolgens. Volgens Job (36, 33): "Hij maakt er zijn vriend bekend mee", behoort de bekendmaking der goddelijke waarheid vooral te geschieden aan Gods vrienden. Nu schijnen echter de wijzen vijanden van God te zijn. In het Boek Leviticus (19, 31) wordt immers gezegd: "Wend u niet tot de tovenaars, noch vraagt iets aan waarzeggers". Christus’ geboorte behoorde dus niet aan tovenaars bekend gemaakt te worden.
B: (Lev 19:31) [b:Lev 19:31] (Job 36:33) [b:Job 36:33] (Job 37) [b:Job 37]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Christus was gekomen om de gehele wereld uit de macht des duivels te bevrijden. Vandaar lezen we bij Malachias (1, 11): "Van de opgang der zon tot aan de ondergang, is mijn naam groot onder de volkeren". Bijgevolg moest Christus’ geboorte niet alleen aan Oosterlingen, maar overal aan enkelen geopenbaard worden.
B: (Mal 1:11) [b:Mal 1:11]
Vervolgens. Christus was gekomen om de gehele wereld uit de macht des duivels te bevrijden. Vandaar lezen we bij Malachias (1, 11): "Van de opgang der zon tot aan de ondergang, is mijn naam groot onder de volkeren". Bijgevolg moest Christus’ geboorte niet alleen aan Oosterlingen, maar overal aan enkelen geopenbaard worden.
B: (Mal 1:11) [b:Mal 1:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 3 arg. 4
Vervolgens. Alle sacramenten der oude wet waren een voorafbeelding van Christus. Nu werden echter de sacramenten der oude wet toegediend door de bediening van wettelijke priesters. Christus’ geboorte had dus veeleer aan de priesters in de tempel bekend gemaakt moeten worden, dan aan de herders op het veld.
Vervolgens. Alle sacramenten der oude wet waren een voorafbeelding van Christus. Nu werden echter de sacramenten der oude wet toegediend door de bediening van wettelijke priesters. Christus’ geboorte had dus veeleer aan de priesters in de tempel bekend gemaakt moeten worden, dan aan de herders op het veld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 3 arg. 5
Vervolgens. Christus is geboren uit een moedermaagd en was, wat zijn leeftijd aangaat een kind. Het zou derhalve passender geweest zijn, indien Christus bekend gemaakt was geworden aan jonge lingen en maagden en niet aan grijsaards en getrouwde mensen of weduwen, zoals Simeon en Anna.
Vervolgens. Christus is geboren uit een moedermaagd en was, wat zijn leeftijd aangaat een kind. Het zou derhalve passender geweest zijn, indien Christus bekend gemaakt was geworden aan jonge lingen en maagden en niet aan grijsaards en getrouwde mensen of weduwen, zoals Simeon en Anna.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter wat gezegd wordt bij Joannes (13, 18): "Ik weet wie Ik heb uitverkoren". Wat nu volgens Gods wijsheid geschiedt, behoort zo te geschieden. De geschikte personen zijn dus uitgekozen, om daaraan Christus’ geboorte bekend te maken.
B: (John 13:18) [b:John 13:18]
Daartegenover staat echter wat gezegd wordt bij Joannes (13, 18): "Ik weet wie Ik heb uitverkoren". Wat nu volgens Gods wijsheid geschiedt, behoort zo te geschieden. De geschikte personen zijn dus uitgekozen, om daaraan Christus’ geboorte bekend te maken.
B: (John 13:18) [b:John 13:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 3 co.
Mijn antwoord. Het heil, dat komen moest door Christus, was bestemd voor alle soorten van mensen, naar het woord van de Apostel, in zijn Brief aan de Colossensen (3, 11): "In Christus Jesus, is er geen onderscheid meer van man en vrouw, heiden en Jood, slaaf en vrije", en dergelijke. En om dit nu bij Christus’ geboorte al te verzinnebeelden, werd Hij aan alle mensen, van wat voor staat of stand ook, bekend gemaakt, wat blijkt uit Augustinus, in een Preek op Driekoningen (202° Pr., 1ʳᵈ H.): "de herders waren Israëlieten, de Wijzen heidenen : de eersten waren Hem nabij, de laatsten ver van Hem af; beiden echter ijlden tot de hoeksteen". Er bestond ook nog een ander onderscheid tussen hen, want de Wijzen waren wijs en machtig; de herders daarentegen eenvoudige en geringe lieden. Hij werd bekend gemaakt aan rechtvaardigen, namelijk Simeon en Anna, en aan zondaars, namelijk de Wijzen. Hij werd ook bekend gemaakt aan mannen en vrouwen, namelijk Simeon en Anna, om te doen uitkomen, dat van Christus' heil niemand wordt uitgesloten.
B: (Gal 3:28) [b:Gal 3:28] (Col 3:11) [b:Col 3:11]
Mijn antwoord. Het heil, dat komen moest door Christus, was bestemd voor alle soorten van mensen, naar het woord van de Apostel, in zijn Brief aan de Colossensen (3, 11): "In Christus Jesus, is er geen onderscheid meer van man en vrouw, heiden en Jood, slaaf en vrije", en dergelijke. En om dit nu bij Christus’ geboorte al te verzinnebeelden, werd Hij aan alle mensen, van wat voor staat of stand ook, bekend gemaakt, wat blijkt uit Augustinus, in een Preek op Driekoningen (202° Pr., 1ʳᵈ H.): "de herders waren Israëlieten, de Wijzen heidenen : de eersten waren Hem nabij, de laatsten ver van Hem af; beiden echter ijlden tot de hoeksteen". Er bestond ook nog een ander onderscheid tussen hen, want de Wijzen waren wijs en machtig; de herders daarentegen eenvoudige en geringe lieden. Hij werd bekend gemaakt aan rechtvaardigen, namelijk Simeon en Anna, en aan zondaars, namelijk de Wijzen. Hij werd ook bekend gemaakt aan mannen en vrouwen, namelijk Simeon en Anna, om te doen uitkomen, dat van Christus' heil niemand wordt uitgesloten.
B: (Gal 3:28) [b:Gal 3:28] (Col 3:11) [b:Col 3:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Deze bekendmaking van Christus’ geboorte was een soort vooruitlopen op de volledige bekendmaking, die nog komen zou. En evenals bij de tweede openbaarmaking Christus’ genade door Hem en zijn Apostelen het eerst bekend gemaakt werd aan de Joden en daarna aan de heidenen; zo kwamen ook eerst de herders tot Christus, zij, de eerstelingen der nabije Joden, en daarna kwamen van verre de Wijzen. "Die", volgens Augustinus (200° Pr., 1° H.) "de eerstelingen der heidenen waren".
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 36 a. 8 co.[t:iiia q. 36 a. 8 co.]
1e Weerlegging. Deze bekendmaking van Christus’ geboorte was een soort vooruitlopen op de volledige bekendmaking, die nog komen zou. En evenals bij de tweede openbaarmaking Christus’ genade door Hem en zijn Apostelen het eerst bekend gemaakt werd aan de Joden en daarna aan de heidenen; zo kwamen ook eerst de herders tot Christus, zij, de eerstelingen der nabije Joden, en daarna kwamen van verre de Wijzen. "Die", volgens Augustinus (200° Pr., 1° H.) "de eerstelingen der heidenen waren".
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 36 a. 8 co.[t:iiia q. 36 a. 8 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Augustinus zegt in een preek op Driekoningen (200° Pr., 3° H.) : "Is bij de onbeschaafdheid der herders de onervarenheid overheersend, zo overheerst bij de heiligschennissen der tovenaars de goddeloosheid; beiden echter heeft de hoeksteen tot zich gericht, omdat Hij gekomen was om wat dwaas is uit te kiezen, ten einde de wijzen te beschamen, en om de rechtvaardigen te roepen naar de zondaars: opdat geen grote zich zou verhoeven en geen zwakke zou wanhopen". Anderen daarentegen zeggen, dat die wijzen geen slechte mensen waren, maar wijze sterrenwichelaars, die bij de Perzen of de Chaldeeën wijzen heten.
2e Weerlegging. Augustinus zegt in een preek op Driekoningen (200° Pr., 3° H.) : "Is bij de onbeschaafdheid der herders de onervarenheid overheersend, zo overheerst bij de heiligschennissen der tovenaars de goddeloosheid; beiden echter heeft de hoeksteen tot zich gericht, omdat Hij gekomen was om wat dwaas is uit te kiezen, ten einde de wijzen te beschamen, en om de rechtvaardigen te roepen naar de zondaars: opdat geen grote zich zou verhoeven en geen zwakke zou wanhopen". Anderen daarentegen zeggen, dat die wijzen geen slechte mensen waren, maar wijze sterrenwichelaars, die bij de Perzen of de Chaldeeën wijzen heten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Volgens Chrysostomus (2e Homelie op Mattheus) "kwamen de Wijzen uit het Oosten, omdat daar de dag geboren wordt. En omdat het geloof het licht der zielen is, moest dus ook het begin van het geloof daarvandaan komen". — Een andere oplossing is deze: allen die tot Christus komen, komen van en door Hem. Vandaar dat we bij Zacharias (6, 12) lezen: "Zie een man, de Oprijzende is zijn naam". Dat ze van het Oosten naar het Westen gekomen zijn kan zo verstaan worden, dat ze ofwel, zoals sommigen zeggen, uit het verre Oosten kwamen; ofwel, dat ze uit een streek kwamen, die dicht bij en ten Oosten van Judea lag. Het is ook wel geloofwaardig, dat er ook in andere landen enkele aanduidingen voor de geboorte van Christus te zien zijn geweest; zo vloeide er te Rome olie, en verschenen er in Spanje drie zonnen aan de hemel, die langzamerhand in elkaar overgingen. (Eusebius, Chronieken, 2e B.).
B: (Zech 6:12) [b:Zech 6:12]
3e Weerlegging. Volgens Chrysostomus (2e Homelie op Mattheus) "kwamen de Wijzen uit het Oosten, omdat daar de dag geboren wordt. En omdat het geloof het licht der zielen is, moest dus ook het begin van het geloof daarvandaan komen". — Een andere oplossing is deze: allen die tot Christus komen, komen van en door Hem. Vandaar dat we bij Zacharias (6, 12) lezen: "Zie een man, de Oprijzende is zijn naam". Dat ze van het Oosten naar het Westen gekomen zijn kan zo verstaan worden, dat ze ofwel, zoals sommigen zeggen, uit het verre Oosten kwamen; ofwel, dat ze uit een streek kwamen, die dicht bij en ten Oosten van Judea lag. Het is ook wel geloofwaardig, dat er ook in andere landen enkele aanduidingen voor de geboorte van Christus te zien zijn geweest; zo vloeide er te Rome olie, en verschenen er in Spanje drie zonnen aan de hemel, die langzamerhand in elkaar overgingen. (Eusebius, Chronieken, 2e B.).
B: (Zech 6:12) [b:Zech 6:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Bij Chrysostomus lezen we: "De Engel, die Christus’ geboorte kwam bekend maken, ging niet naar Jeruzalem, tot de schriftgeleerden en Farizeeën: want die waren slecht en werden door afgunst verteerd; de herders daarentegen waren oprechte lieden, levend volgens de gewoonten der Patriarchen en Moses". Door die herders werden ook de leeraars der Kerk betekend, aan wie de geheimen aangaande Christus worden geopenbaard, welke voor de Joden verborgen waren.
4e Weerlegging. Bij Chrysostomus lezen we: "De Engel, die Christus’ geboorte kwam bekend maken, ging niet naar Jeruzalem, tot de schriftgeleerden en Farizeeën: want die waren slecht en werden door afgunst verteerd; de herders daarentegen waren oprechte lieden, levend volgens de gewoonten der Patriarchen en Moses". Door die herders werden ook de leeraars der Kerk betekend, aan wie de geheimen aangaande Christus worden geopenbaard, welke voor de Joden verborgen waren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 3 ad 5
Ad quintum Ambrosius zegt in zijn Verklaring op de tekst van Lucas (2, 25): "Niet alleen jongelingen, maar ook ouderen en rechtvaardigen behoorden getuigenis af te leggen van de geboorte des Heren". Om hun gerechtigheid werd ook aan hun getuigenis eerder geloof geslagen.
Ad quintum Ambrosius zegt in zijn Verklaring op de tekst van Lucas (2, 25): "Niet alleen jongelingen, maar ook ouderen en rechtvaardigen behoorden getuigenis af te leggen van de geboorte des Heren". Om hun gerechtigheid werd ook aan hun getuigenis eerder geloof geslagen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Had Christus zijn eigen geboorte moeten bekend maken?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 53 a. 2 co.[t:iiia q. 53 a. 2 co.]
IIIa q. 36 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus zelf zijn eigen geboorte had bekend moeten maken. — I. Zoals blijkt uit het 8e boek der Natuurleer (5e H., n. 7) is een oorzaak die zelf veroorzaakt, krachtiger, dan een die door een ander haar werking verricht. Christus nu maakte zijn geboorte door anderen bekend, door engelen namelijk aan de herders en door een ster aan de Wijzen. Hij moest dus veeleer nog door zichzelf zijn geboorte bekend maken.
IIIa q. 53 a. 2 co.[t:iiia q. 53 a. 2 co.]
IIIa q. 36 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus zelf zijn eigen geboorte had bekend moeten maken. — I. Zoals blijkt uit het 8e boek der Natuurleer (5e H., n. 7) is een oorzaak die zelf veroorzaakt, krachtiger, dan een die door een ander haar werking verricht. Christus nu maakte zijn geboorte door anderen bekend, door engelen namelijk aan de herders en door een ster aan de Wijzen. Hij moest dus veeleer nog door zichzelf zijn geboorte bekend maken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Uit Ecclesiasticus (20, 32) blijkt: "Wijsheid die zich verbergt en een schat die verholen is... wat nut hebben beide?" Nu had Christus echter van het eerste ogenblik van zijn ontvangenis af, alle schatten van wijsheid en genade. Zo Hij bijgevolg deze volheid niet had kenbaar gemaakt door werken en woorden, dan zou het geen zin gehad hebben, Hem wijsheid en genade te geven. En dit is niet aan te nemen, daar noch God noch de natuur iets zinloos doen, zoals blijkt uit het 1e Boek Over de Hemel (4e H., n. 8).
B: (Sir 20:32) [b:Sir 20:32]
Vervolgens. Uit Ecclesiasticus (20, 32) blijkt: "Wijsheid die zich verbergt en een schat die verholen is... wat nut hebben beide?" Nu had Christus echter van het eerste ogenblik van zijn ontvangenis af, alle schatten van wijsheid en genade. Zo Hij bijgevolg deze volheid niet had kenbaar gemaakt door werken en woorden, dan zou het geen zin gehad hebben, Hem wijsheid en genade te geven. En dit is niet aan te nemen, daar noch God noch de natuur iets zinloos doen, zoals blijkt uit het 1e Boek Over de Hemel (4e H., n. 8).
B: (Sir 20:32) [b:Sir 20:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 4 arg. 3
Vervolgens. In het boek Over de Kindsheid van de Zaligmaker, lezen we, dat Christus in zijn kindsheid vele wonderen heeft verricht. En zo schijnt het dus wel, dat Hij zijn geboorte zelf heeft bekend gemaakt.
Vervolgens. In het boek Over de Kindsheid van de Zaligmaker, lezen we, dat Christus in zijn kindsheid vele wonderen heeft verricht. En zo schijnt het dus wel, dat Hij zijn geboorte zelf heeft bekend gemaakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter wat Paus Leo zegt in zijn 4e Preek voor Driekoningen (H. 3): "De Wijzen vonden en aanbaden het kind Jesus, in niets verschillend van alle andere kinderen der mensen". Maar ook andere kinderen maken zich zelf niet bekend. Dus paste het ook niet, dat Christus zelf zijn eigen geboorte bekend zou maken.
Daartegenover staat echter wat Paus Leo zegt in zijn 4e Preek voor Driekoningen (H. 3): "De Wijzen vonden en aanbaden het kind Jesus, in niets verschillend van alle andere kinderen der mensen". Maar ook andere kinderen maken zich zelf niet bekend. Dus paste het ook niet, dat Christus zelf zijn eigen geboorte bekend zou maken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 4 co.
Mijn antwoord. Christus werd geboren voor de zaligheid der mensen, welke zaligheid bereikt wordt door te geloven. Een zaligmakend geloof zal echter de godheid en de mensheid van Christus belijden. Christus’ geboorte moest dus zo bekend gemaakt worden, dat het bewijs voor zijn godheid geen afbreuk zou kunnen doen aan het geloof in zijn mensheid. Dit nu gebeurde doordat Christus in zich zelf een geboorte te zien gaf, gelijkend op de menselijke zwakheid, maar door Gods schepselen zijn goddelijke macht aantoonde. En dus heeft Christus niet zelf zijn geboorte bekend gemaakt, maar door enkele andere schepselen.
Mijn antwoord. Christus werd geboren voor de zaligheid der mensen, welke zaligheid bereikt wordt door te geloven. Een zaligmakend geloof zal echter de godheid en de mensheid van Christus belijden. Christus’ geboorte moest dus zo bekend gemaakt worden, dat het bewijs voor zijn godheid geen afbreuk zou kunnen doen aan het geloof in zijn mensheid. Dit nu gebeurde doordat Christus in zich zelf een geboorte te zien gaf, gelijkend op de menselijke zwakheid, maar door Gods schepselen zijn goddelijke macht aantoonde. En dus heeft Christus niet zelf zijn geboorte bekend gemaakt, maar door enkele andere schepselen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Ontstaan en bewegen gaan van het onvolmaakte naar het volmaakte. En dus werd Christus eerst door andere schepsels bekend gemaakt, en maakte Hij daarna eerst zichzelf op goddelijke wijze bekend.
1e Weerlegging. Ontstaan en bewegen gaan van het onvolmaakte naar het volmaakte. En dus werd Christus eerst door andere schepsels bekend gemaakt, en maakte Hij daarna eerst zichzelf op goddelijke wijze bekend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Al is het dan ook waar, dat verborgen wijsheid tot niets dient, toch moet wijsheid zich niet ten alle tijde bekend maken, maar te gelegener tijd. In het Boek Ecclesiasticus (20, 6) staat immers: "Daar zijn er die zwijgen, omdat ze geen verstand hebben om te spreken: en daar zijn er die zwijgen, omdat zij de bekwame tijd kennen". Zo was dus de wijsheid, aan Christus geschonken, niet nutteloos, omdat Hij zich te bekwamer tijd bekend gemaakt heeft; het is juist een teken van wijsheid dat Hij op het passende ogenblik verborgen was.
B: (Sir 20:6) [b:Sir 20:6]
2e Weerlegging. Al is het dan ook waar, dat verborgen wijsheid tot niets dient, toch moet wijsheid zich niet ten alle tijde bekend maken, maar te gelegener tijd. In het Boek Ecclesiasticus (20, 6) staat immers: "Daar zijn er die zwijgen, omdat ze geen verstand hebben om te spreken: en daar zijn er die zwijgen, omdat zij de bekwame tijd kennen". Zo was dus de wijsheid, aan Christus geschonken, niet nutteloos, omdat Hij zich te bekwamer tijd bekend gemaakt heeft; het is juist een teken van wijsheid dat Hij op het passende ogenblik verborgen was.
B: (Sir 20:6) [b:Sir 20:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Dat boek Over de Kindsheid des Zaligmakers, is een apocrief boek. En in zijn 20e Homelie op Joannes zegt Chrysostomus, dat Christus voordat Hij water in wijn veranderde, geen wonderen gedaan heeft, volgens de tekst bij Joannes (2, 11): "Zo deed Jesus zijn eerste wonder". Want: "Indien Hij in zijn eerste levensjaren wonderen gedaan had, dan zouden de Israëlieten niet iemand anders nodig gehad hebben, om Hem bekend te maken", ofschoon toch Joannes de Doper zegt (Joannes, 1, 31): "maar juist daarom kwam ik dopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken". "Het behoorde ook zo, dat Hij in zijn eerste jaren niet begonnen was, met tekenen te verrichten; want ze zouden in de mening verkeerd hebben, dat de menswording slechts een waanbeeld was: en door nijd verteerd, zouden ze Hem vóór de geschikte tijd aan de kruisdood hebben overgeleverd".
B: (John 1:31, John 1:31) [b:John 1:31] (John 2:11) [b:John 2:11]
3e Weerlegging. Dat boek Over de Kindsheid des Zaligmakers, is een apocrief boek. En in zijn 20e Homelie op Joannes zegt Chrysostomus, dat Christus voordat Hij water in wijn veranderde, geen wonderen gedaan heeft, volgens de tekst bij Joannes (2, 11): "Zo deed Jesus zijn eerste wonder". Want: "Indien Hij in zijn eerste levensjaren wonderen gedaan had, dan zouden de Israëlieten niet iemand anders nodig gehad hebben, om Hem bekend te maken", ofschoon toch Joannes de Doper zegt (Joannes, 1, 31): "maar juist daarom kwam ik dopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken". "Het behoorde ook zo, dat Hij in zijn eerste jaren niet begonnen was, met tekenen te verrichten; want ze zouden in de mening verkeerd hebben, dat de menswording slechts een waanbeeld was: en door nijd verteerd, zouden ze Hem vóór de geschikte tijd aan de kruisdood hebben overgeleverd".
B: (John 1:31, John 1:31) [b:John 1:31] (John 2:11) [b:John 2:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Moest Christus’ geboorte door de engelen en een ster bekend gemaakt worden?
IIIa q. 36 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Christus’ geboorte niet door de engelen bekend gemaakt moest worden. Volgens het Boek der Psalmen (103, 4): "Gij maakt uw engelen tot geesten" (1), zijn de engelen geestelijke zelfstandigheden. Maar Christus werd geboren naar het vlees en niet naar zijn geestelijke zelfstandigheid. Dus behoorde Hij niet door engelen bekendgemaakt te worden.
B: (Ps 103:4) [b:Ps 103:4]
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Christus’ geboorte niet door de engelen bekend gemaakt moest worden. Volgens het Boek der Psalmen (103, 4): "Gij maakt uw engelen tot geesten" (1), zijn de engelen geestelijke zelfstandigheden. Maar Christus werd geboren naar het vlees en niet naar zijn geestelijke zelfstandigheid. Dus behoorde Hij niet door engelen bekendgemaakt te worden.
B: (Ps 103:4) [b:Ps 103:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Rechtvaardigen staan dichter bij de engelen, dan bij wat voor andere wezens ook, naar het woord van de Psalmist (Ps. 33, 8): "Des Heren engel slaat zijn leger neer rondom hen, die Hem vrezen, en verlost hen". Nu werd aan rechtvaardigen, Simeon en Anna bijvoorbeeld, Christus’ geboorte niet bekend gemaakt door engelen. Dus had ze evenmin aan de herders door engelen bekend gemaakt moeten worden.
B: (Ps 33:8) [b:Ps 33:8]
Vervolgens. Rechtvaardigen staan dichter bij de engelen, dan bij wat voor andere wezens ook, naar het woord van de Psalmist (Ps. 33, 8): "Des Heren engel slaat zijn leger neer rondom hen, die Hem vrezen, en verlost hen". Nu werd aan rechtvaardigen, Simeon en Anna bijvoorbeeld, Christus’ geboorte niet bekend gemaakt door engelen. Dus had ze evenmin aan de herders door engelen bekend gemaakt moeten worden.
B: (Ps 33:8) [b:Ps 33:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 5 arg. 3
Item Ook aan de Wijzen had ze niet door een ster bekend gemaakt moeten worden. Dit feit moet immers wel een aanleiding tot dwalen zijn voor hen, die van mening zijn, dat de sterren invloed hebben op de geboorte der mensen. Gelegenheden tot zondigen moeten echter de mensen ontnomen worden. Dus was het niet passend dat Christus’ geboorte door een ster werd bekend gemaakt.
Item Ook aan de Wijzen had ze niet door een ster bekend gemaakt moeten worden. Dit feit moet immers wel een aanleiding tot dwalen zijn voor hen, die van mening zijn, dat de sterren invloed hebben op de geboorte der mensen. Gelegenheden tot zondigen moeten echter de mensen ontnomen worden. Dus was het niet passend dat Christus’ geboorte door een ster werd bekend gemaakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 5 arg. 4
Vervolgens. Wil een teken iets kunnen aanduiden, dan moet het zeker zijn. Een ster schijnt echter geen zeker teken te zijn voor de geboorte van Christus. Het was derhalve niet passend dat Christus’ geboorte door een ster werd bekendgemaakt.
Vervolgens. Wil een teken iets kunnen aanduiden, dan moet het zeker zijn. Een ster schijnt echter geen zeker teken te zijn voor de geboorte van Christus. Het was derhalve niet passend dat Christus’ geboorte door een ster werd bekendgemaakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter wat geschreven staat in het Boek Deuteronomium (32, 4): "Gods werken zijn volmaakt". De betreffende openbaring was echter een werk Gods. Dus werd ze door passende tekenen uitgevoerd.
B: (Deut 32:4) [b:Deut 32:4]
Daartegenover staat echter wat geschreven staat in het Boek Deuteronomium (32, 4): "Gods werken zijn volmaakt". De betreffende openbaring was echter een werk Gods. Dus werd ze door passende tekenen uitgevoerd.
B: (Deut 32:4) [b:Deut 32:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 5 co.
Mijn antwoord. Als men iets door een syllogisme wil kenbaar maken, dan moet men gebruik maken van dingen, die meer bekend zijn aan hen, wie men iets wil kenbaar maken. En zo moet men ook, als men iets door een teken kenbaar wil maken gebruik maken van dingen, waarmee zij, aan wie men iets kenbaar wil maken, vertrouwd zijn. Nu is het wel duidelijk, dat rechtvaardige mensen er mee vertrouwd en eraan gewend zijn, om zonder vertoon van uiterlijke tekenen, door inwendige inspraken van de H. Geest onderricht te worden, en wel door de geest der voorzegging. Anderen, daarentegen die meer opgaan in stoffelijke dingen, worden door het zintuigelijke tot kennis van het onstoffelijke gebracht. De Joden nu, waren er aan gewoon, om Gods antwoorden door engelen te ontvangen, door wier tussenkomst zij ook de wet hadden ontvangen, volgens de Handelingen der Apostelen (7, 53): "Gij hebt de wet door beschikking der engelen ontvangen». De heidenen daarentegen, en vooral de sterrenwichelaars, zijn gewoon de sterrenloop na te gaan. — Bijgevolg werd Christus' geboorte aan de rechtvaardigen bekend gemaakt door inwendige ingeving van de H. Geest, volgens het woord van Lucas (2, 26): "De H. Geest had hem geopenbaard, dat hij de dood niet zou zien, voordat hij de Gezalfde des Heren had aanschouwd». — De herders en Wijzen echter, mannen meer aan het stoffelijke gehecht, werd Christus' geboorte bekend gemaakt door zichtbare verschijningen. — En omdat die geboorte geen zuivere aardse maar in zekeren zin een hemelse geboorte was, daarom werd aan beiden Christus' geboorte door tekenen van de hemel geopenbaard. Want zoals Augustinus, zegt in een Preek op Driekoningen (104e Pr.): "De engelen bewonen de hemel en versieren de sterren; aan beiden verkondigen dus de hemelen Gods glorie". — Het was nu ook heel redelijk, dat aan de herders, als zijnde Joden, die wel meer verschijningen van engelen kregen, Christus' geboorte door engelen bekend gemaakt werd; de Wijzen echter, gewoon de sterren te bestuderen, werd ze door een sterrenteken bekend gemaakt, omdat, zoals Chrysostomus zegt in de 6e Homelie op Mattheus: "De Heer wilde hen roepen door middel van iets waarmee ze vertrouwd waren, aldus tot hen afdalende". Er kan echter nog een andere grond voor aangegeven worden, zoals Gregorius doet in zijn 10e Homelie op het Evangelie: "Een redelijk wezen, d. i. een engel, moest voor de Joden prediken, daar zij hun verstand gebruikten; maar de heidenen worden tot de kennis van de Heer gebracht, niet door een stem, maar door tekens, omdat zij hun verstand niet wisten te gebruiken: en evenals sprekende predikers de Heer aan de heidenen verkondigd hebben, toen Hij wel kon spreken, zo hebben stomme elementen Hem verkondigd, toen Hij nog niet kon spreken". Er is ook nog een andere grond voor aan te geven, omdat zoals Augustinus (Paus Leo) zegt (33e Pr., 2e H.): "Aan Abraham een ontelbaar nageslacht was beloofd, dat moest geboren worden, niet uit zaad van vlees, maar uit de vruchtbaarheid van het geloof"; en daarom werd zijn nageslacht vergeleken met de sterrenmenigte, opdat hij zijn hoop zou vestigen op een hemels nageslacht. En dus werden de heidenen, aangeduid in de sterren, door de opkomst van een nieuwe ster aangezet, om naar Christus te gaan, door wie ze Abrahams geslacht werden.
B: (Luke 2:26) [b:Luke 2:26] (Acts 7:53) [b:Acts 7:53]
Mijn antwoord. Als men iets door een syllogisme wil kenbaar maken, dan moet men gebruik maken van dingen, die meer bekend zijn aan hen, wie men iets wil kenbaar maken. En zo moet men ook, als men iets door een teken kenbaar wil maken gebruik maken van dingen, waarmee zij, aan wie men iets kenbaar wil maken, vertrouwd zijn. Nu is het wel duidelijk, dat rechtvaardige mensen er mee vertrouwd en eraan gewend zijn, om zonder vertoon van uiterlijke tekenen, door inwendige inspraken van de H. Geest onderricht te worden, en wel door de geest der voorzegging. Anderen, daarentegen die meer opgaan in stoffelijke dingen, worden door het zintuigelijke tot kennis van het onstoffelijke gebracht. De Joden nu, waren er aan gewoon, om Gods antwoorden door engelen te ontvangen, door wier tussenkomst zij ook de wet hadden ontvangen, volgens de Handelingen der Apostelen (7, 53): "Gij hebt de wet door beschikking der engelen ontvangen». De heidenen daarentegen, en vooral de sterrenwichelaars, zijn gewoon de sterrenloop na te gaan. — Bijgevolg werd Christus' geboorte aan de rechtvaardigen bekend gemaakt door inwendige ingeving van de H. Geest, volgens het woord van Lucas (2, 26): "De H. Geest had hem geopenbaard, dat hij de dood niet zou zien, voordat hij de Gezalfde des Heren had aanschouwd». — De herders en Wijzen echter, mannen meer aan het stoffelijke gehecht, werd Christus' geboorte bekend gemaakt door zichtbare verschijningen. — En omdat die geboorte geen zuivere aardse maar in zekeren zin een hemelse geboorte was, daarom werd aan beiden Christus' geboorte door tekenen van de hemel geopenbaard. Want zoals Augustinus, zegt in een Preek op Driekoningen (104e Pr.): "De engelen bewonen de hemel en versieren de sterren; aan beiden verkondigen dus de hemelen Gods glorie". — Het was nu ook heel redelijk, dat aan de herders, als zijnde Joden, die wel meer verschijningen van engelen kregen, Christus' geboorte door engelen bekend gemaakt werd; de Wijzen echter, gewoon de sterren te bestuderen, werd ze door een sterrenteken bekend gemaakt, omdat, zoals Chrysostomus zegt in de 6e Homelie op Mattheus: "De Heer wilde hen roepen door middel van iets waarmee ze vertrouwd waren, aldus tot hen afdalende". Er kan echter nog een andere grond voor aangegeven worden, zoals Gregorius doet in zijn 10e Homelie op het Evangelie: "Een redelijk wezen, d. i. een engel, moest voor de Joden prediken, daar zij hun verstand gebruikten; maar de heidenen worden tot de kennis van de Heer gebracht, niet door een stem, maar door tekens, omdat zij hun verstand niet wisten te gebruiken: en evenals sprekende predikers de Heer aan de heidenen verkondigd hebben, toen Hij wel kon spreken, zo hebben stomme elementen Hem verkondigd, toen Hij nog niet kon spreken". Er is ook nog een andere grond voor aan te geven, omdat zoals Augustinus (Paus Leo) zegt (33e Pr., 2e H.): "Aan Abraham een ontelbaar nageslacht was beloofd, dat moest geboren worden, niet uit zaad van vlees, maar uit de vruchtbaarheid van het geloof"; en daarom werd zijn nageslacht vergeleken met de sterrenmenigte, opdat hij zijn hoop zou vestigen op een hemels nageslacht. En dus werden de heidenen, aangeduid in de sterren, door de opkomst van een nieuwe ster aangezet, om naar Christus te gaan, door wie ze Abrahams geslacht werden.
B: (Luke 2:26) [b:Luke 2:26] (Acts 7:53) [b:Acts 7:53]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Datgene heeft nodig bekend gemaakt te worden, wat uit eigen aard verborgen is, niet echter datgene, wat uiteraard al bekend is. Nu was Hij die daar geboren werd, naar het lichaam openbaar, maar zijn Godheid was verborgen. En dus diende ook die geboorte geopenbaard te worden door engelen, die Gods dienaren zijn: en zo verscheen er dan ook een engel in glorie (vgl. Lucas, 2, 9) om aan te tonen, dat degene die geboren werd de afglans was, van de glorie des Vaders.
B: (Luke 2:9) [b:Luke 2:9]
1e Weerlegging. Datgene heeft nodig bekend gemaakt te worden, wat uit eigen aard verborgen is, niet echter datgene, wat uiteraard al bekend is. Nu was Hij die daar geboren werd, naar het lichaam openbaar, maar zijn Godheid was verborgen. En dus diende ook die geboorte geopenbaard te worden door engelen, die Gods dienaren zijn: en zo verscheen er dan ook een engel in glorie (vgl. Lucas, 2, 9) om aan te tonen, dat degene die geboren werd de afglans was, van de glorie des Vaders.
B: (Luke 2:9) [b:Luke 2:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Rechtvaardigen hadden geen zichtbare verschijning van engelen nodig; een inwendige inspraak van de H. Geest was hun al voldoende, om hun volmaaktheid.
2e Weerlegging. Rechtvaardigen hadden geen zichtbare verschijning van engelen nodig; een inwendige inspraak van de H. Geest was hun al voldoende, om hun volmaaktheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. De ster, welke Christus' geboorte bekend maakte, nam iedere aanleiding tot dwalen weg. Want zoals Augustinus zegt in zijn boek Tegen Faustus (2e B., 5e H.): "Geen sterrenwichelaar zal het lot der mensen zó afhankelijk maken van de sterren, dat hij aan zal nemen, dat een ster, bij iemands geboorte haar gewone loop zal opgeven en zich zal heen bewegen tot hem, die geboren is", wat toch geschiedde met de ster, die de geboorte van Christus aantoonde. Bijgevolg wordt hierdoor de dwaling van hen niet versterkt, "die van mening zijn, dat het lot der mensen bij hun geboorte gebonden wordt aan de loop der sterren; zij geloven echter niet, dat de sterrenloop zich zal kunnen richten naar de geboorte van een mens". — Eveneens zegt ook Chrysostomus (in zijn 6e Homelie op Mattheus): "Het is niet de taak der sterrenwichelarij, van de sterren te vernemen, wie er geboren worden, maar afgaande op het uur der geboorte, de toekomst te voorspellen". De Wijzen nu, kenden niet het uur der geboorte, konden dus ook niet hiervan uitgaan en dan, uit de loop der sterren, de toekomst kennen. Het gebeurde veeleer andersom.
3e Weerlegging. De ster, welke Christus' geboorte bekend maakte, nam iedere aanleiding tot dwalen weg. Want zoals Augustinus zegt in zijn boek Tegen Faustus (2e B., 5e H.): "Geen sterrenwichelaar zal het lot der mensen zó afhankelijk maken van de sterren, dat hij aan zal nemen, dat een ster, bij iemands geboorte haar gewone loop zal opgeven en zich zal heen bewegen tot hem, die geboren is", wat toch geschiedde met de ster, die de geboorte van Christus aantoonde. Bijgevolg wordt hierdoor de dwaling van hen niet versterkt, "die van mening zijn, dat het lot der mensen bij hun geboorte gebonden wordt aan de loop der sterren; zij geloven echter niet, dat de sterrenloop zich zal kunnen richten naar de geboorte van een mens". — Eveneens zegt ook Chrysostomus (in zijn 6e Homelie op Mattheus): "Het is niet de taak der sterrenwichelarij, van de sterren te vernemen, wie er geboren worden, maar afgaande op het uur der geboorte, de toekomst te voorspellen". De Wijzen nu, kenden niet het uur der geboorte, konden dus ook niet hiervan uitgaan en dan, uit de loop der sterren, de toekomst kennen. Het gebeurde veeleer andersom.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 5 ad 4
4e Weerlegging. Volgens Chrysostomus (2e Homelie op Mattheus) staat er in verschillende apocriefe geschriften, het volgende te lezen: "Een zeker volk in het uiterste Oosten aan de Oceaan wonend, bezat een geschrift, op naam van Seth, dat handelde over het verschijnen van deze ster en over de plicht, om dergelijke geschenken te offeren: dat volk nu, lette nauwkeurig op de opkomst dezer ster, en stelde daartoe twaalf onderzoekers aan, die op zekere tijden des nachts een berg bestegen, waar ze haar dan ook later zagen als in de gedaante van een klein kind, en er boven een soort van kruis". Een ander antwoord op deze bedenking vinden we in het Boek Kwesties uit het Nieuw en Oud Testament (63e Kw.): "Die Wijzen volgden de overlevering van Balaam, die gezegd had: Er zal een ster uit Jacob opgaan. Toen ze dan ook een buitengewone ster zagen, begrepen ze dat dit het teken van de Koning der Joden was, hetwelk Balaam voorspeld had". Of nog anders: Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen (374e Pr.), dat de wijzen van engelen in een openbaring door een wenk gehoord hebben, dat een ster Christus geboorte zou aanduiden. En het is wel aannemelijk dat ze het van goede engelen gehoord hebben, omdat ze in de aanbidding van Christus hun heil al zochten. — Of ten slotte met Paus Leo, in een Preek op Driekoningen (Pr. 34, 3e H.): "Behalve dat uiterlijk teken, dat hun lichamelijke blikken tot zich trok, was er nog een zeer schitterende straal der waarheid, die hun harten onderrichtte: en dit was de verlichting des geloofs".
4e Weerlegging. Volgens Chrysostomus (2e Homelie op Mattheus) staat er in verschillende apocriefe geschriften, het volgende te lezen: "Een zeker volk in het uiterste Oosten aan de Oceaan wonend, bezat een geschrift, op naam van Seth, dat handelde over het verschijnen van deze ster en over de plicht, om dergelijke geschenken te offeren: dat volk nu, lette nauwkeurig op de opkomst dezer ster, en stelde daartoe twaalf onderzoekers aan, die op zekere tijden des nachts een berg bestegen, waar ze haar dan ook later zagen als in de gedaante van een klein kind, en er boven een soort van kruis". Een ander antwoord op deze bedenking vinden we in het Boek Kwesties uit het Nieuw en Oud Testament (63e Kw.): "Die Wijzen volgden de overlevering van Balaam, die gezegd had: Er zal een ster uit Jacob opgaan. Toen ze dan ook een buitengewone ster zagen, begrepen ze dat dit het teken van de Koning der Joden was, hetwelk Balaam voorspeld had". Of nog anders: Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen (374e Pr.), dat de wijzen van engelen in een openbaring door een wenk gehoord hebben, dat een ster Christus geboorte zou aanduiden. En het is wel aannemelijk dat ze het van goede engelen gehoord hebben, omdat ze in de aanbidding van Christus hun heil al zochten. — Of ten slotte met Paus Leo, in een Preek op Driekoningen (Pr. 34, 3e H.): "Behalve dat uiterlijk teken, dat hun lichamelijke blikken tot zich trok, was er nog een zeer schitterende straal der waarheid, die hun harten onderrichtte: en dit was de verlichting des geloofs".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Hebben de openbaringen van Christus’ geboorte in passende volgorde plaats gehad?
IIIa q. 36 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de openbaringen van Christus’ geboorte niet in passende volgorde hebben plaats gehad. Christus’ geboorte immers, moest het eerst bekend gemaakt worden aan hen, die Christus het meest nabij stonden en die het meest naar Christus verlangden, naar het woord uit het Boek der Wijsheid (6, 14): "Zij voorkomt hen, die naar haar verlangen, zoodat zij zich het eerst aan hen vertoont". Maar de rechtvaardigen stonden, om hun geloof, Christus het meest nabij en verlangden ook het meest naar zijn komst. Vandaar dat er bij Lucas (2, 25) over Simeon geschreven staat: "Hij was een rechtvaardig en godvrezend man, die verlangend uitzag naar de redding van Israël". Dus had Christus’ geboorte eerder aan Simeon dan aan de herders en Wijzen bekend gemaakt moeten worden.
B: (Luke 2:25) [b:Luke 2:25] (Wis 6:14) [b:Wis 6:14]
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de openbaringen van Christus’ geboorte niet in passende volgorde hebben plaats gehad. Christus’ geboorte immers, moest het eerst bekend gemaakt worden aan hen, die Christus het meest nabij stonden en die het meest naar Christus verlangden, naar het woord uit het Boek der Wijsheid (6, 14): "Zij voorkomt hen, die naar haar verlangen, zoodat zij zich het eerst aan hen vertoont". Maar de rechtvaardigen stonden, om hun geloof, Christus het meest nabij en verlangden ook het meest naar zijn komst. Vandaar dat er bij Lucas (2, 25) over Simeon geschreven staat: "Hij was een rechtvaardig en godvrezend man, die verlangend uitzag naar de redding van Israël". Dus had Christus’ geboorte eerder aan Simeon dan aan de herders en Wijzen bekend gemaakt moeten worden.
B: (Luke 2:25) [b:Luke 2:25] (Wis 6:14) [b:Wis 6:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Van de heidenen, die in Christus zouden geloven, waren de Wijzen de eerstelingen. Nu zegt Paulus in zijn Brief aan de Romeinen (11, 25 en 26), dat eerst de volheid der heidenen het geloof zal binnengaan, en dat daarna geheel Israël gered zal worden. Christus’ geboorte behoorde dus eerder aan de heidenen dan aan de herders bekendgemaakt te worden.
B: (Rom 11:25) [b:Rom 11:25]
Vervolgens. Van de heidenen, die in Christus zouden geloven, waren de Wijzen de eerstelingen. Nu zegt Paulus in zijn Brief aan de Romeinen (11, 25 en 26), dat eerst de volheid der heidenen het geloof zal binnengaan, en dat daarna geheel Israël gered zal worden. Christus’ geboorte behoorde dus eerder aan de heidenen dan aan de herders bekendgemaakt te worden.
B: (Rom 11:25) [b:Rom 11:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Bij Mattheus (2, 16) lezen we: "Herodes doodde al de knapen in Bethlehem en heel de omtrek van twee jaar en daar- onder, overeenkomstig de tijd die hij van de Wijzen had uitgevorst". En dus moeten de Wijzen wel twee jaar na Christus’ geboorte tot Christus gekomen zijn. Christus’ geboorte had dus niet na zoveel tijd eerst aan de heidenen bekend gemaakt worden.
B: (Matt 2:16) [b:Matt 2:16]
Vervolgens. Bij Mattheus (2, 16) lezen we: "Herodes doodde al de knapen in Bethlehem en heel de omtrek van twee jaar en daar- onder, overeenkomstig de tijd die hij van de Wijzen had uitgevorst". En dus moeten de Wijzen wel twee jaar na Christus’ geboorte tot Christus gekomen zijn. Christus’ geboorte had dus niet na zoveel tijd eerst aan de heidenen bekend gemaakt worden.
B: (Matt 2:16) [b:Matt 2:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in Daniël (2, 21) geschreven staat: "Hij is het die de tijden en standen verandert". En zo schijnt het tijdstip van de bekendmaking van Christus' geboorte geschikt geordend te zijn geweest.
B: (Dan 2:21) [b:Dan 2:21]
Daartegenover staat echter, dat in Daniël (2, 21) geschreven staat: "Hij is het die de tijden en standen verandert". En zo schijnt het tijdstip van de bekendmaking van Christus' geboorte geschikt geordend te zijn geweest.
B: (Dan 2:21) [b:Dan 2:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 6 co.
Mijn antwoord. Christus' geboorte werd het eerst bekend gemaakt aan de herders op de dag zelf van Christus' geboorte. Want zo lezen we bij Lucas (2, 8, 15, 16): "Nu waren er herders in die streek, die in het open veld overnachtten en hun kudde bewaakten;— en toen de engelen weer naar de hemel waren gevaren, spraken ze tot elkaar: laten we naar Bethlehem gaan... en ze snelden erheen». — Daarna kwamen de Wijzen, en wel de dertiende dag na zijn geboorte, de dag, waarop het Driekoningenfeest gevierd wordt. Want als ze na een jaar en ook na twee jaar gekomen waren, dan zouden ze Hem niet in Bethlehem gevonden hebben, daar bij Lucas (2, 39) geschreven staat: "En toen ze alles volgens de wet des Heren hadden volbracht — de opdracht namelijk van Christus in de Tempel — keerden ze naar Calilea terug en naar Nazareth hun woonplaats". — Op de derde plaats werd de geboorte bekend gemaakt aan de rechtvaardigen in de tempel, op de veertigste dag na de geboorte, zoals geschreven staat bij Lucas (2, 22). En de grond voor deze volgorde is de volgende: door de herders worden de Apostelen en de andere gelovige Joden betekend, aan wie het geloof in Christus het eerst werd bekend gemaakt: onder hen waren, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 26) niet veel machtigen en aanzienlijken. Op de tweede plaats kwam het geloof in Christus tot de volheid der heidenen, en deze werd voorafgebeeld door de Wijzen. Op de derde plaats bereikte het de volheid der Joden, en die wordt voorafgebeeld door de rechtvaardigen. Vandaar dat aan hen Christus in de tempel der Joden werd bekend gemaakt.
B: (Luke 2:8) [b:Luke 2:8] (Luke 2:15) [b:Luke 2:15] (Luke 2:16) [b:Luke 2:16] (Luke 2:39) [b:Luke 2:39]
Mijn antwoord. Christus' geboorte werd het eerst bekend gemaakt aan de herders op de dag zelf van Christus' geboorte. Want zo lezen we bij Lucas (2, 8, 15, 16): "Nu waren er herders in die streek, die in het open veld overnachtten en hun kudde bewaakten;— en toen de engelen weer naar de hemel waren gevaren, spraken ze tot elkaar: laten we naar Bethlehem gaan... en ze snelden erheen». — Daarna kwamen de Wijzen, en wel de dertiende dag na zijn geboorte, de dag, waarop het Driekoningenfeest gevierd wordt. Want als ze na een jaar en ook na twee jaar gekomen waren, dan zouden ze Hem niet in Bethlehem gevonden hebben, daar bij Lucas (2, 39) geschreven staat: "En toen ze alles volgens de wet des Heren hadden volbracht — de opdracht namelijk van Christus in de Tempel — keerden ze naar Calilea terug en naar Nazareth hun woonplaats". — Op de derde plaats werd de geboorte bekend gemaakt aan de rechtvaardigen in de tempel, op de veertigste dag na de geboorte, zoals geschreven staat bij Lucas (2, 22). En de grond voor deze volgorde is de volgende: door de herders worden de Apostelen en de andere gelovige Joden betekend, aan wie het geloof in Christus het eerst werd bekend gemaakt: onder hen waren, volgens de Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 26) niet veel machtigen en aanzienlijken. Op de tweede plaats kwam het geloof in Christus tot de volheid der heidenen, en deze werd voorafgebeeld door de Wijzen. Op de derde plaats bereikte het de volheid der Joden, en die wordt voorafgebeeld door de rechtvaardigen. Vandaar dat aan hen Christus in de tempel der Joden werd bekend gemaakt.
B: (Luke 2:8) [b:Luke 2:8] (Luke 2:15) [b:Luke 2:15] (Luke 2:16) [b:Luke 2:16] (Luke 2:39) [b:Luke 2:39]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Volgens de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (9, 30, 31) "heeft Israël naar een wet der gerechtigheid gestreefd, doch die wet der gerechtigheid niet bereikt": de heidenen daarentegen, die de gerechtigheid niet gezocht hebben, zijn over het algemeen genomen de Joden in de gerechtigheid door het geloof voorafgegaan. En om dit te verzinnebeelden, was Simeon, die verlangend uitzag naar de redding van Israël, de laatste, die de geboorte van Christus kende: en hem gingen de Wijzen en de herders vooraf, die de geboorte van Christus niet met zoveel zorg verwachtten.
B: (1Cor 1:26) [b:1Cor 1:26]
1e Weerlegging. Volgens de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (9, 30, 31) "heeft Israël naar een wet der gerechtigheid gestreefd, doch die wet der gerechtigheid niet bereikt": de heidenen daarentegen, die de gerechtigheid niet gezocht hebben, zijn over het algemeen genomen de Joden in de gerechtigheid door het geloof voorafgegaan. En om dit te verzinnebeelden, was Simeon, die verlangend uitzag naar de redding van Israël, de laatste, die de geboorte van Christus kende: en hem gingen de Wijzen en de herders vooraf, die de geboorte van Christus niet met zoveel zorg verwachtten.
B: (1Cor 1:26) [b:1Cor 1:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Alhoewel de volheid der heidenen eerder tot het geloof is gekomen dan de volheid der Joden, zijn toch de eerstelingen der Joden aan de eerstelingen der heidenen voorafgegaan. En daarom werd Christus’ geboorte eerder bekend gemaakt aan de herders dan aan de Wijzen.
B: (Rom 9:30) [b:Rom 9:30] (Rom 9:31) [b:Rom 9:31]
2e Weerlegging. Alhoewel de volheid der heidenen eerder tot het geloof is gekomen dan de volheid der Joden, zijn toch de eerstelingen der Joden aan de eerstelingen der heidenen voorafgegaan. En daarom werd Christus’ geboorte eerder bekend gemaakt aan de herders dan aan de Wijzen.
B: (Rom 9:30) [b:Rom 9:30] (Rom 9:31) [b:Rom 9:31]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Over de verschijning der ster, die aan de Wijzen verscheen is, bestaat een tweevoudige opvatting. Chrysostomus in zijn Commentaar op Mattheus, en Augustinus in een preek op Driekoningen zeggen zo: de ster verscheen twee jaar voor de geboorte van Christus aan de Wijzen; en na eerst de zaak overwogen en zich op de tocht voorbereid te hebben, kwamen ze uit die zeer ver gelegen oostelijke gewesten, de dertiende dag na zijn geboorte bij Christus aan. Vandaar dat Herodes, onmiddellijk na het vertrek der Wijzen, toen hij zag dat hij door hen bedrogen was, het bevel uitvaardigde, de knapen van twee jaar en daaronder om te brengen, omdat hij, naar wat hij van de Wijzen gehoord had, in twijfel verkeerde, of Christus geboren was, toen de ster verscheen. Anderen daarentegen houden het er voor, dat de ster bij Christus' geboorte eerst verschenen is; en toen de Wijzen de ster gezien hadden, zijn ze ogenblikkelijk op weg gegaan, en hebben die uiterst lange weg in dertien dagen afgelegd, deels dank zij de goddelijke bijstand, deels echter dank zij de snelheid der dromedarissen. En dit geldt voor het geval ze uit het verre Oosten gekomen zijn. Sommigen echter zijn van mening, dat ze van een dichtbijgelegen landstreek afkomstig waren, waar ook Balaam, wiens leer zij volgden, uit afkomstig was. Men kan dan toch nog zeggen dat ze uit het Oosten kwamen, omdat dat land ten Oosten van het gebied der Joden ligt. — En als dit waar is, dan heeft Herodes niet onmiddellijk na het vertrek der Wijzen, maar eerst na twee jaar de knapen omgebracht. Ofwel, zoals men beweert, omdat hij ondertusschen, daar hij aangeklaagd was, naar Rome was gegaan: ofwel omdat hij, opgeschrikt door ontstellende geruchten van sommige gevaren, voor een tijd lang van het doden der knapen heeft afgezien. Ofwel omdat ze, zoals Augustinus zegt in zijn boek Over de Overeenstemming tusschen de Evangelisten (2e B., 11e H.) hij in de meening kon verkeren dat de Wijzen "misleid door het zien van een valsche ster, toen ze het kind niet gevonden hadden, zich er voor geschaamd hadden naar hem terug te keren". De reden echter, waarom hij niet alleen de kinderen van twee jaar, maar ook daaronder, omgebracht heeft, geeft Augustinus aan in een preek op de Onnozele kinderen: "Hij was bang, dat het kind, waaraan de sterren onderdanig waren, zijn uiterlijk in een hogere of mindere leeftijd zou veranderen".
3e Weerlegging. Over de verschijning der ster, die aan de Wijzen verscheen is, bestaat een tweevoudige opvatting. Chrysostomus in zijn Commentaar op Mattheus, en Augustinus in een preek op Driekoningen zeggen zo: de ster verscheen twee jaar voor de geboorte van Christus aan de Wijzen; en na eerst de zaak overwogen en zich op de tocht voorbereid te hebben, kwamen ze uit die zeer ver gelegen oostelijke gewesten, de dertiende dag na zijn geboorte bij Christus aan. Vandaar dat Herodes, onmiddellijk na het vertrek der Wijzen, toen hij zag dat hij door hen bedrogen was, het bevel uitvaardigde, de knapen van twee jaar en daaronder om te brengen, omdat hij, naar wat hij van de Wijzen gehoord had, in twijfel verkeerde, of Christus geboren was, toen de ster verscheen. Anderen daarentegen houden het er voor, dat de ster bij Christus' geboorte eerst verschenen is; en toen de Wijzen de ster gezien hadden, zijn ze ogenblikkelijk op weg gegaan, en hebben die uiterst lange weg in dertien dagen afgelegd, deels dank zij de goddelijke bijstand, deels echter dank zij de snelheid der dromedarissen. En dit geldt voor het geval ze uit het verre Oosten gekomen zijn. Sommigen echter zijn van mening, dat ze van een dichtbijgelegen landstreek afkomstig waren, waar ook Balaam, wiens leer zij volgden, uit afkomstig was. Men kan dan toch nog zeggen dat ze uit het Oosten kwamen, omdat dat land ten Oosten van het gebied der Joden ligt. — En als dit waar is, dan heeft Herodes niet onmiddellijk na het vertrek der Wijzen, maar eerst na twee jaar de knapen omgebracht. Ofwel, zoals men beweert, omdat hij ondertusschen, daar hij aangeklaagd was, naar Rome was gegaan: ofwel omdat hij, opgeschrikt door ontstellende geruchten van sommige gevaren, voor een tijd lang van het doden der knapen heeft afgezien. Ofwel omdat ze, zoals Augustinus zegt in zijn boek Over de Overeenstemming tusschen de Evangelisten (2e B., 11e H.) hij in de meening kon verkeren dat de Wijzen "misleid door het zien van een valsche ster, toen ze het kind niet gevonden hadden, zich er voor geschaamd hadden naar hem terug te keren". De reden echter, waarom hij niet alleen de kinderen van twee jaar, maar ook daaronder, omgebracht heeft, geeft Augustinus aan in een preek op de Onnozele kinderen: "Hij was bang, dat het kind, waaraan de sterren onderdanig waren, zijn uiterlijk in een hogere of mindere leeftijd zou veranderen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Was de ster, die aan de Wijzen verschenen is, een der hemelstenen?
IIIa q. 36 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de ster, die aan de Wijzen verscheen, een der hemelsterren was. Augustinus immers zegt in een Preek op Driekoningen: "Toen een God aan de borst lag en de windselen verdroeg van gewone doeken, toen schitterde er eensklaps een nieuwe ster aan de hemel». Het was dus een hemelster, welke aan de Wijzen verscheen.
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de ster, die aan de Wijzen verscheen, een der hemelsterren was. Augustinus immers zegt in een Preek op Driekoningen: "Toen een God aan de borst lag en de windselen verdroeg van gewone doeken, toen schitterde er eensklaps een nieuwe ster aan de hemel». Het was dus een hemelster, welke aan de Wijzen verscheen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Augustinus zegt, in een Preek op Driekoningen: "De herders hebben engelen, de Wijzen heeft een ster Christus aangetoond. En omdat de tong der profeten opgehouden had te spreken, daarom sprak tot hen beiden de taal der hemelen". Nu waren de engelen, die aan de herders verschenen zijn, werkelijk engelen uit de hemel. Dus was ook de ster, die aan de Wijzen verscheen, een werkelijke hemelster.
Vervolgens. Augustinus zegt, in een Preek op Driekoningen: "De herders hebben engelen, de Wijzen heeft een ster Christus aangetoond. En omdat de tong der profeten opgehouden had te spreken, daarom sprak tot hen beiden de taal der hemelen". Nu waren de engelen, die aan de herders verschenen zijn, werkelijk engelen uit de hemel. Dus was ook de ster, die aan de Wijzen verscheen, een werkelijke hemelster.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Sterren, welke niet aan de hemel staan, maar in de lucht zijn, worden kometen genoemd: en deze verschijnen niet bij de geboorte van koningen, maar zijn veeleer een teken van hun dood. Maar deze ster, duidde de geboorte van een koning aan: vandaar zeggen ook de Wijzen (Mattheus, 2, 2): "Waar is de nieuwgeboren Koning der Joden? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien". Dus moet het wel een der hemelsterren zijn geweest.
B: (Matt 2:2) [b:Matt 2:2]
Vervolgens. Sterren, welke niet aan de hemel staan, maar in de lucht zijn, worden kometen genoemd: en deze verschijnen niet bij de geboorte van koningen, maar zijn veeleer een teken van hun dood. Maar deze ster, duidde de geboorte van een koning aan: vandaar zeggen ook de Wijzen (Mattheus, 2, 2): "Waar is de nieuwgeboren Koning der Joden? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien". Dus moet het wel een der hemelsterren zijn geweest.
B: (Matt 2:2) [b:Matt 2:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus in zijn werk Tegen Faustus (2° B., 5° H.) zegt: "Het was niet een dier sterren, die van het begin der schepping af hun gewone loop blijven volgen onder het bestuur van de Schepper : maar, toen voor het eerst een Maagd baarde, verscheen er ook een nieuwe ster".
Daartegenover staat echter, dat Augustinus in zijn werk Tegen Faustus (2° B., 5° H.) zegt: "Het was niet een dier sterren, die van het begin der schepping af hun gewone loop blijven volgen onder het bestuur van de Schepper : maar, toen voor het eerst een Maagd baarde, verscheen er ook een nieuwe ster".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 7 co.
Mijn antwoord. Zoals Chrysostomus zegt in zijn 6e Homelie op Mattheus, is het om verschillende redenen duidelijk, dat de ster, die aan de Wijzen verscheen, geen hemelster was. En wel ten eerste, omdat geen enkele andere ster zo loopt. Want deze ster liep van het noorden naar het zuiden: want zo ligt Judea ten opzichte van Perzië, waar de Wijzen vandaan kwamen. Ten tweede, blijkt het uit de tijd. Want ze verscheen niet alleen des nachts, maar ook midden op de dag. En dit kan geen ster, zelfs niet de maan. Ten derde, omdat ze soms verscheen, dan weer verborgen was. Want toen ze Jerusalem binnengingen, verborg ze zich: en toen ze vervolgens Herodes verlieten, vertoonde zij zich weer. Ten vierde, omdat ze geen vaste loop had: maar zij ging als de Wijzen moesten gaan, stond, als ook zij stil moesten houden; zoals ook het geval was met de wolkkolom in de woestijn. Ten vijfde, omdat ze niet in de hoogte bleef staan toen ze het kind der Maagd aanwees, maar daarvoor naar beneden kwam. Want bij Mattheus wordt gezegd (2, 9): "De ster die de Wijzen in het Oosten gezien hadden, ging voor hen uit totdat ze kwam en bleef staan boven de plaats, waar het kind was". En hieruit blijkt, dat het woord der Wijzen "wij hebben zijn ster in het oosten gezien", niet zo moet verstaan worden, alsof de ster, toen ze hun verscheen, boven Judea stond terwijl ze zelf in het oosten waren: maar ze zagen haar in het oosten staan, en zij ging hun naar Judea vooruit (ofschoon dit door sommigen weer in twijfel getrokken wordt). Ze zou echter nooit een huis precies hebben kunnen aanwijzen als ze niet dicht bij die plaats was geweest. En zoals hij (Chrysostomus) zelf zegt, dat is niet iets voor een ster, maar komt alleen aan een redelijke kracht toe. Zo schijnt het dan ook wel, dat deze ster een onzichtbare kracht is geweest, in deze gedaante veranderd. Vandaar zeggen dan ook sommigen, dat, evenals de H. Geest, onder de gedaante van een duif, op de Heer bij zijn doopsel nederdaalde, dat Hij zo ook aan de Wijzen onder de gedaante van een ster verschenen is. — Anderen weer zeggen, dat de engel, die in de gedaante van een mens aan de herders verscheen, onder de gedaante van een ster zich vertoonde aan de Wijzen. — Waarschijnlijker is het echter, dat het een pas geschapen ster was, niet aan de hemel, maar in het luchtruim, dat dichter bij de aarde is en dat ze door Gods wil werd voortbewogen. Vandaar zegt Paus Leo in een *Preek op Driekoningen* (N° 31 of 30; de 1° op Driekoningen, 1° H.): "In een landstreek in het Oosten verscheen er aan drie Wijzen een ster van ongewonen glans, die, daar ze de overige sterren in luister en schoonheid overtrof, de ogen en harten van allen die er naar keken tot zich richtte: men merkte dan ook aanstonds op dat zo iets ongewoons, niet voor niets te zien was".
B: (Matt 2:9) [b:Matt 2:9]
Mijn antwoord. Zoals Chrysostomus zegt in zijn 6e Homelie op Mattheus, is het om verschillende redenen duidelijk, dat de ster, die aan de Wijzen verscheen, geen hemelster was. En wel ten eerste, omdat geen enkele andere ster zo loopt. Want deze ster liep van het noorden naar het zuiden: want zo ligt Judea ten opzichte van Perzië, waar de Wijzen vandaan kwamen. Ten tweede, blijkt het uit de tijd. Want ze verscheen niet alleen des nachts, maar ook midden op de dag. En dit kan geen ster, zelfs niet de maan. Ten derde, omdat ze soms verscheen, dan weer verborgen was. Want toen ze Jerusalem binnengingen, verborg ze zich: en toen ze vervolgens Herodes verlieten, vertoonde zij zich weer. Ten vierde, omdat ze geen vaste loop had: maar zij ging als de Wijzen moesten gaan, stond, als ook zij stil moesten houden; zoals ook het geval was met de wolkkolom in de woestijn. Ten vijfde, omdat ze niet in de hoogte bleef staan toen ze het kind der Maagd aanwees, maar daarvoor naar beneden kwam. Want bij Mattheus wordt gezegd (2, 9): "De ster die de Wijzen in het Oosten gezien hadden, ging voor hen uit totdat ze kwam en bleef staan boven de plaats, waar het kind was". En hieruit blijkt, dat het woord der Wijzen "wij hebben zijn ster in het oosten gezien", niet zo moet verstaan worden, alsof de ster, toen ze hun verscheen, boven Judea stond terwijl ze zelf in het oosten waren: maar ze zagen haar in het oosten staan, en zij ging hun naar Judea vooruit (ofschoon dit door sommigen weer in twijfel getrokken wordt). Ze zou echter nooit een huis precies hebben kunnen aanwijzen als ze niet dicht bij die plaats was geweest. En zoals hij (Chrysostomus) zelf zegt, dat is niet iets voor een ster, maar komt alleen aan een redelijke kracht toe. Zo schijnt het dan ook wel, dat deze ster een onzichtbare kracht is geweest, in deze gedaante veranderd. Vandaar zeggen dan ook sommigen, dat, evenals de H. Geest, onder de gedaante van een duif, op de Heer bij zijn doopsel nederdaalde, dat Hij zo ook aan de Wijzen onder de gedaante van een ster verschenen is. — Anderen weer zeggen, dat de engel, die in de gedaante van een mens aan de herders verscheen, onder de gedaante van een ster zich vertoonde aan de Wijzen. — Waarschijnlijker is het echter, dat het een pas geschapen ster was, niet aan de hemel, maar in het luchtruim, dat dichter bij de aarde is en dat ze door Gods wil werd voortbewogen. Vandaar zegt Paus Leo in een *Preek op Driekoningen* (N° 31 of 30; de 1° op Driekoningen, 1° H.): "In een landstreek in het Oosten verscheen er aan drie Wijzen een ster van ongewonen glans, die, daar ze de overige sterren in luister en schoonheid overtrof, de ogen en harten van allen die er naar keken tot zich richtte: men merkte dan ook aanstonds op dat zo iets ongewoons, niet voor niets te zien was".
B: (Matt 2:9) [b:Matt 2:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. In de H. Schrift wordt de lucht soms hemel genoemd. Zo b. v. in het Boek der Psalmen (8, 9) : "De vogelen des hemels en de visschen der zee".
1e Weerlegging. In de H. Schrift wordt de lucht soms hemel genoemd. Zo b. v. in het Boek der Psalmen (8, 9) : "De vogelen des hemels en de visschen der zee".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. De engelen des hemels hebben tot taak om tot ons af te dalen, uitgezonden om te helpen (vgl. de Brief aan de Hebreeën, 1, 14). De sterren des hemels veranderen echter niet van plaats. Vandaar gaat de vergelijking niet op.
2e Weerlegging. De engelen des hemels hebben tot taak om tot ons af te dalen, uitgezonden om te helpen (vgl. de Brief aan de Hebreeën, 1, 14). De sterren des hemels veranderen echter niet van plaats. Vandaar gaat de vergelijking niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Evenals de ster de loop der hemelsterren niet gevolgd is, zo volgde ze evenmin de baan der kometen, die overdag niet te zien zijn, en ook niet hun gewone loop veranderen. — We kunnen er toch nog wel iets in terug vinden van de betekenis, welke de kometen hebben. Want het hemelse rijk van Christus zal "al de koninkrijken verbrijzelen en te niet doen, en zelf zal het bestaan tot in eeuwigheid", zoals Daniël (2, 44) zegt.
3e Weerlegging. Evenals de ster de loop der hemelsterren niet gevolgd is, zo volgde ze evenmin de baan der kometen, die overdag niet te zien zijn, en ook niet hun gewone loop veranderen. — We kunnen er toch nog wel iets in terug vinden van de betekenis, welke de kometen hebben. Want het hemelse rijk van Christus zal "al de koninkrijken verbrijzelen en te niet doen, en zelf zal het bestaan tot in eeuwigheid", zoals Daniël (2, 44) zegt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Is het wel passend geweest, dat de Wijzen Christus zijn komen aanbidden en vereren?
IIIa q. 36 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Een koning immers, behoort hulde gebracht te worden door zijn onderdanen. Nu behoorden de Wijzen niet tot het rijk der Joden. Toen ze dus ten gevolge van het zien van een ster, tot de kennis gekomen waren, dat de Koning der Joden geboren was, hadden ze niet op behoeven te gaan om Hem te aanbidden.
Over het achtste als volgt. Een koning immers, behoort hulde gebracht te worden door zijn onderdanen. Nu behoorden de Wijzen niet tot het rijk der Joden. Toen ze dus ten gevolge van het zien van een ster, tot de kennis gekomen waren, dat de Koning der Joden geboren was, hadden ze niet op behoeven te gaan om Hem te aanbidden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Het is dwaas om als een koning nog leeft een vreemde vorst aan te kondigen. Nu regeerde in het rijk der Joden Herodes. De Wijzen hebben dus dwaas gehandeld met de geboorte van een andere koning aan te kondigen.
Vervolgens. Het is dwaas om als een koning nog leeft een vreemde vorst aan te kondigen. Nu regeerde in het rijk der Joden Herodes. De Wijzen hebben dus dwaas gehandeld met de geboorte van een andere koning aan te kondigen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Een teken van de hemel is zekerder dan een teken van mensen. Maar de Wijzen waren onder leiding van een hemels teken van het Oosten naar Judea gekomen. Ze deden dus dwaas, met buiten die hemelse aanwijzing nog een aanwijzing aan mensen te vragen. Ze zeiden immers: "Waar is de Koning der Joden geboren?"
Vervolgens. Een teken van de hemel is zekerder dan een teken van mensen. Maar de Wijzen waren onder leiding van een hemels teken van het Oosten naar Judea gekomen. Ze deden dus dwaas, met buiten die hemelse aanwijzing nog een aanwijzing aan mensen te vragen. Ze zeiden immers: "Waar is de Koning der Joden geboren?"
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 8 arg. 4
Vervolgens. Alleen aan nu heersende vorsten behoort men geschenken aan te bieden en hulde te bewijzen. Nu vonden de Wijzen geen Christus stralend van koninklijke waardigheid. Ze hadden Hem dus ook geen geschenken aan moeten bieden of koninklijke eer moeten betuigen.
Vervolgens. Alleen aan nu heersende vorsten behoort men geschenken aan te bieden en hulde te bewijzen. Nu vonden de Wijzen geen Christus stralend van koninklijke waardigheid. Ze hadden Hem dus ook geen geschenken aan moeten bieden of koninklijke eer moeten betuigen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Isaïas (60, 3) zegt: "Heidenen zullen wandelen in uw licht, en koningen in de glans die voor u opging". Al wie door goddelijk licht geleid wordt, dwaalt echter niet. Dus dwaalden de Wijzen niet toen ze Christus eer betuigden.
B: (Isa 60:3) [b:Isa 60:3]
Daartegenover staat echter, dat Isaïas (60, 3) zegt: "Heidenen zullen wandelen in uw licht, en koningen in de glans die voor u opging". Al wie door goddelijk licht geleid wordt, dwaalt echter niet. Dus dwaalden de Wijzen niet toen ze Christus eer betuigden.
B: (Isa 60:3) [b:Isa 60:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 8 co.
Mijn antwoord. De Wijzen zijn, zoals gezegd is (3e Art., Antw. op de 1e Bed.; 6e Art., 2e bewijs.), de eerstelingen der heidenen, die in Christus geloven. Bij hen was dus al, als in een zekere voorspelling, het geloof en de toewijding te zien der heidenen, van verre tot Christus komend. En evenals de toewijding en het geloof der heidenen zonder twijfel komt van de inspraak van de H. Geest, zo moet dus ook geloofd worden, dat de Wijzen, daar het hun door de H. Geest ingegeven was, wijs hebben gedaan met aan Christus hun hulde te betuigen.
R: q. 36 a. 3 ad 1[t:iiia q. 36 a. 3 ad 1]
Mijn antwoord. De Wijzen zijn, zoals gezegd is (3e Art., Antw. op de 1e Bed.; 6e Art., 2e bewijs.), de eerstelingen der heidenen, die in Christus geloven. Bij hen was dus al, als in een zekere voorspelling, het geloof en de toewijding te zien der heidenen, van verre tot Christus komend. En evenals de toewijding en het geloof der heidenen zonder twijfel komt van de inspraak van de H. Geest, zo moet dus ook geloofd worden, dat de Wijzen, daar het hun door de H. Geest ingegeven was, wijs hebben gedaan met aan Christus hun hulde te betuigen.
R: q. 36 a. 3 ad 1[t:iiia q. 36 a. 3 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Augustinus in een Preek op Driekoningen (200° Pr.): "Ofschoon er vele koningen der Joden geboren en gestorven waren, waren toch de Wijzen geen van hen komen aanbidden. Aan een koning der Joden, zoals er gewoonlijk daar waren, meenden mensen die toch van verre kwamen, vreemdelingen waren, en geheel en al buiten dat rijk stonden, zo een grote eer niet verschuldigd te zijn. Maar zij hebben vernomen, dat er zo een koning geboren was, met wie te aanbidden, ze niet twijfelden het heil in God te bereiken".
1e Weerlegging. Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Augustinus in een Preek op Driekoningen (200° Pr.): "Ofschoon er vele koningen der Joden geboren en gestorven waren, waren toch de Wijzen geen van hen komen aanbidden. Aan een koning der Joden, zoals er gewoonlijk daar waren, meenden mensen die toch van verre kwamen, vreemdelingen waren, en geheel en al buiten dat rijk stonden, zo een grote eer niet verschuldigd te zijn. Maar zij hebben vernomen, dat er zo een koning geboren was, met wie te aanbidden, ze niet twijfelden het heil in God te bereiken".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Door die aankondiging aan de Wijzen werd voorafbeeld de volharding waarmee de heidenen Christus tot de dood toe zullen belijden. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn Verklaring van Mattheus (2e Homelie): "Terwijl ze op de toekomstige Koning bedacht waren, vreesden zij de tegenwoordige koning niet. Ze hadden Christus nog niet gezien en reeds waren ze bereid voor Hem te sterven".
2e Weerlegging. Door die aankondiging aan de Wijzen werd voorafbeeld de volharding waarmee de heidenen Christus tot de dood toe zullen belijden. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn Verklaring van Mattheus (2e Homelie): "Terwijl ze op de toekomstige Koning bedacht waren, vreesden zij de tegenwoordige koning niet. Ze hadden Christus nog niet gezien en reeds waren ze bereid voor Hem te sterven".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met wat Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen (200° Pr.): "De ster die de Wijzen geleid heeft tot de plaats, waar het goddelijk kind was, met de moedermaagd, had hen ook kunnen leiden naar de stad Bethlehem, waar Christus geboren is. Maar toch trok ze zich terug, totdat ook de Joden getuigenis zouden afgelegd hebben over de stad, waarin Christus zou geboren worden", opdat ze zo, "door een dubbel getuigenis bevestigd, zoals Paus Leo zegt (34° Pr.) met nog vuriger geloof zouden gaan zoeken, wie en een heldere ster, en een gezaghebbende voorzegging hadden geopenbaard". — En zo "verkondigen ze zelf Christus' geboorte, en vragen naar de plaats, zij geloven en zoeken, en daardoor verzinnebeelden zij hen, die in het geloof wandelen en verlangen naar de aanschouwing" zoals Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen (199° Pr.). De Joden daarentegen, hun de plaats wijzend, "zijn daardoor gelijk aan de bouwlieden van Noë's ark, die, na aan anderen het redmiddel gegeven te hebben, zelf in de zondvloed ten onder gingen. Die waren komen vragen, hoorden en gingen weer: die hen beleerd hadden, hadden het gezegd en bleven achter, gelijk de mijlpalen, die de weg aantoonen zonder zelf die weg te gaan". Door goddelijke beschikking ook is het geschied, dat de Wijzen, toen de ster uit hun ogen verdwenen was, uit menselijke overwegingen naar Jerusalem gingen, om in de koningsstad de geboren Vorst te gaan zoeken, opdat zo in Jerusalem het allereerst Christus' geboorte openlijk zou bekend gemaakt worden, volgens het woord van Isaïas (2, 3): "van Sion zal een wet uitgaan en een woord des Heren van Jerusalem", en "opdat door de ijver der Wijzen de traagheid der Joden zou veroordeeld worden, die, toch zo nabij waren".
B: (Isa 2:3) [b:Isa 2:3]
3e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met wat Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen (200° Pr.): "De ster die de Wijzen geleid heeft tot de plaats, waar het goddelijk kind was, met de moedermaagd, had hen ook kunnen leiden naar de stad Bethlehem, waar Christus geboren is. Maar toch trok ze zich terug, totdat ook de Joden getuigenis zouden afgelegd hebben over de stad, waarin Christus zou geboren worden", opdat ze zo, "door een dubbel getuigenis bevestigd, zoals Paus Leo zegt (34° Pr.) met nog vuriger geloof zouden gaan zoeken, wie en een heldere ster, en een gezaghebbende voorzegging hadden geopenbaard". — En zo "verkondigen ze zelf Christus' geboorte, en vragen naar de plaats, zij geloven en zoeken, en daardoor verzinnebeelden zij hen, die in het geloof wandelen en verlangen naar de aanschouwing" zoals Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen (199° Pr.). De Joden daarentegen, hun de plaats wijzend, "zijn daardoor gelijk aan de bouwlieden van Noë's ark, die, na aan anderen het redmiddel gegeven te hebben, zelf in de zondvloed ten onder gingen. Die waren komen vragen, hoorden en gingen weer: die hen beleerd hadden, hadden het gezegd en bleven achter, gelijk de mijlpalen, die de weg aantoonen zonder zelf die weg te gaan". Door goddelijke beschikking ook is het geschied, dat de Wijzen, toen de ster uit hun ogen verdwenen was, uit menselijke overwegingen naar Jerusalem gingen, om in de koningsstad de geboren Vorst te gaan zoeken, opdat zo in Jerusalem het allereerst Christus' geboorte openlijk zou bekend gemaakt worden, volgens het woord van Isaïas (2, 3): "van Sion zal een wet uitgaan en een woord des Heren van Jerusalem", en "opdat door de ijver der Wijzen de traagheid der Joden zou veroordeeld worden, die, toch zo nabij waren".
B: (Isa 2:3) [b:Isa 2:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 36 a. 8 ad 4
4e Weerlegging. Chrysostomus zegt in zijn 2e Homelie op Mattheus: "Waren de Wijzen een aardse koning komen zoeken, dan zouden ze teleurgesteld zijn geweest, omdat ze dan de vermoeienis van zo'n reis redeloos op zich genomen zouden hebben". In dat geval zouden ze ook niet aanbeden hebben en ook geen geschenken geofferd hebben. "Nu ze echter een hemelse Koning zochten, hebben ze Hem aanbeden ofschoon ze geen koninklijke verhevenheid in Hem zagen, alleen al tevreden met de getuigenis van een ster": want ze zien een mens, en erkennen een God. En ze offeren geschenken geheel en al in overeenstemming met Christus' waardigheid: "en wel goud, als aan een grote koning; wierook, wat bij de offers aan God gebruikt wordt, offeren ze als aan God; myrrhe, waarmee de lichamen der afgestorvenen gebalsemd worden, dragen ze aan Hem op, als aan iemand die voor het heil der wereld zal gaan sterven". (Gregorius 10e Homelie op het Evangelie). En, zoals Gregorius zegt (t. a. p.): wij worden onderricht om "aan de pasgeboren koning goud te offeren, waardoor de wijsheid betekend wordt, wat we doen, als we voor zijn aanschijn stralen van het licht der wijsheid; wierook, waardoor het vrome gebed uitgedrukt wordt, offeren wij aan God als wij door ijverig te bidden voor God een aangenamen geur verspreiden; myrrhe, die de lichamelijke versterving verzinnebeeldt, offeren wij op, als we de ondeugden des vleses door de onthouding versterven".
4e Weerlegging. Chrysostomus zegt in zijn 2e Homelie op Mattheus: "Waren de Wijzen een aardse koning komen zoeken, dan zouden ze teleurgesteld zijn geweest, omdat ze dan de vermoeienis van zo'n reis redeloos op zich genomen zouden hebben". In dat geval zouden ze ook niet aanbeden hebben en ook geen geschenken geofferd hebben. "Nu ze echter een hemelse Koning zochten, hebben ze Hem aanbeden ofschoon ze geen koninklijke verhevenheid in Hem zagen, alleen al tevreden met de getuigenis van een ster": want ze zien een mens, en erkennen een God. En ze offeren geschenken geheel en al in overeenstemming met Christus' waardigheid: "en wel goud, als aan een grote koning; wierook, wat bij de offers aan God gebruikt wordt, offeren ze als aan God; myrrhe, waarmee de lichamen der afgestorvenen gebalsemd worden, dragen ze aan Hem op, als aan iemand die voor het heil der wereld zal gaan sterven". (Gregorius 10e Homelie op het Evangelie). En, zoals Gregorius zegt (t. a. p.): wij worden onderricht om "aan de pasgeboren koning goud te offeren, waardoor de wijsheid betekend wordt, wat we doen, als we voor zijn aanschijn stralen van het licht der wijsheid; wierook, waardoor het vrome gebed uitgedrukt wordt, offeren wij aan God als wij door ijverig te bidden voor God een aangenamen geur verspreiden; myrrhe, die de lichamelijke versterving verzinnebeeldt, offeren wij op, als we de ondeugden des vleses door de onthouding versterven".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 37: Over de besnijdenis van Christus en over de andere wettelijke voorschriften, die men het kind Christus liet nakomen
IIIa q. 37 pr.
Daarna moeten we handelen over de besnijdenis van Christus. En daar de besnijdenis een soort belofte is voor het onderhouden der wet, volgens het woord van de Apostel Aan de Galaten (5, 3): "Ik verklaar aan iedereen, die zich besnijden laat, dat hij dan verplicht is de gehele wet te onderhouden", daarom moeten we tegelijkertijd handelen over de andere wettelijke voorschriften, die men het kind Christus heeft na gelaten komen. En daarom stellen we vier vragen.
1. Over zijn besnijdenis.
2. Over de naam, die men aan Christus gegeven heeft.
3. Over zijn opdracht.
4. Over de zuivering der moeder.
Daarna moeten we handelen over de besnijdenis van Christus. En daar de besnijdenis een soort belofte is voor het onderhouden der wet, volgens het woord van de Apostel Aan de Galaten (5, 3): "Ik verklaar aan iedereen, die zich besnijden laat, dat hij dan verplicht is de gehele wet te onderhouden", daarom moeten we tegelijkertijd handelen over de andere wettelijke voorschriften, die men het kind Christus heeft na gelaten komen. En daarom stellen we vier vragen.
1. Over zijn besnijdenis.
2. Over de naam, die men aan Christus gegeven heeft.
3. Over zijn opdracht.
4. Over de zuivering der moeder.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Had Christus besneden moeten worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 37 a. 3 co.[t:iiia q. 37 a. 3 co.]
IIIa q. 37 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet besneden had moeten worden. Bij de komst der waarheid immers, houdt de voorafbeelding op. Nu was de besnijdenis aan Abraham voorgeschreven ten teken van het verbond over een toekomstig nageslacht, zoals blijkt uit het Boek Genesis (17e h.). Dat verbond echter is vervuld geworden bij de geboorte van Christus. Dus had de besnijdenis onmiddellijk moeten ophouden.
B: (Gen 17) [b:Gen 17]
IIIa q. 37 a. 3 co.[t:iiia q. 37 a. 3 co.]
IIIa q. 37 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet besneden had moeten worden. Bij de komst der waarheid immers, houdt de voorafbeelding op. Nu was de besnijdenis aan Abraham voorgeschreven ten teken van het verbond over een toekomstig nageslacht, zoals blijkt uit het Boek Genesis (17e h.). Dat verbond echter is vervuld geworden bij de geboorte van Christus. Dus had de besnijdenis onmiddellijk moeten ophouden.
B: (Gen 17) [b:Gen 17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Iedere daad van Christus dient ons tot onderrichting. Vandaar lezen we ook bij Joannes (13, 15): "Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij zou doen, zoals Ik u heb gedaan". Maar wij behoeven niet besneden te worden naar het woord van de Apostel Aan de Galaten (5, 2): "Als ge u besnijden laat, zal Christus u niets baten". Dus had ook Christus niet besneden moeten worden.
B: (John 3:15) [b:John 3:15] (Gal 5:2) [b:Gal 5:2]
Vervolgens. Iedere daad van Christus dient ons tot onderrichting. Vandaar lezen we ook bij Joannes (13, 15): "Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij zou doen, zoals Ik u heb gedaan". Maar wij behoeven niet besneden te worden naar het woord van de Apostel Aan de Galaten (5, 2): "Als ge u besnijden laat, zal Christus u niets baten". Dus had ook Christus niet besneden moeten worden.
B: (John 3:15) [b:John 3:15] (Gal 5:2) [b:Gal 5:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 1 arg. 3
Vervolgens. De besnijdenis bedoelt een redmiddel te zijn van de erfzonde. Nu heeft Christus de erfzonde niet gecontraheerd (1), zoo als blijkt uit wat boven gezegd is (4° Kw., 6° Art., Antw. op de 1° Bed.; 14° Kw., 3° Art.; 15° Kw., 1° Art.). Dus moest Christus ook niet besneden worden.
R: q. 14 a. 3[t:iiia q. 14 a. 3] q. 15 a. 1[t:iiia q. 15 a. 1]
Vervolgens. De besnijdenis bedoelt een redmiddel te zijn van de erfzonde. Nu heeft Christus de erfzonde niet gecontraheerd (1), zoo als blijkt uit wat boven gezegd is (4° Kw., 6° Art., Antw. op de 1° Bed.; 14° Kw., 3° Art.; 15° Kw., 1° Art.). Dus moest Christus ook niet besneden worden.
R: q. 14 a. 3[t:iiia q. 14 a. 3] q. 15 a. 1[t:iiia q. 15 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter wat Lucas zegt (2, 21): "En toen de acht dagen voorbij waren, die zijn besnijdenis vooraf moesten gaan..."
B: (Luke 2:21) [b:Luke 2:21]
Daartegenover staat echter wat Lucas zegt (2, 21): "En toen de acht dagen voorbij waren, die zijn besnijdenis vooraf moesten gaan..."
B: (Luke 2:21) [b:Luke 2:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 1 co.
Mijn antwoord. Om velerlei redenen moest Christus besneden worden. En wel ten eerste, om de waarachtigheid van zijn menselijk vlees aan te tonen: tegen Manichaeus, die zei dat Hij een schijnlichaam gehad heeft; en tegen Apollinarius, die beweerde, dat Christus’ lichaam medezelfstandig was met de god- heid; en tegen Valentinus, die zei, dat Christus een lichaam van de hemel had meegebracht. Ten tweede, om de besnijdenis goed te keuren, welke God eertijds had ingevoerd. Ten derde, om te bevestigen, dat Hij van Abrahams geslacht was, die het bevel der besnijdenis ontvangen had, ten teken van het geloof, dat hij in Hem bezat. Ten vierde, om aan de Joden een goede reden te ontnemen, om Hem, als onbesnedene, af te wijzen. Ten vijfde "om ons door zijn voorbeeld de kracht der gehoorzaamheid in te prenten" (vgl. Beda, 10e Homelie op het feest van de Besnijdenis). Vandaar werd Hij ook, zoals in de wet voorgeschreven was, op de achtste dag besneden. Ten zesde, opdat Hij die in de gedaante van het zondige vlees hier gekomen was, zelf het geneesmiddel niet zou versmaden, waardoor Hij het zondige vlees gewoon was te zuiveren. Ten zevende, opdat Hij, na zelf de last der wet gedragen te hebben, anderen er van zou bevrijden, naar het woord van de Apostel Aan de Galaten (4, 4, 5): "God heeft zijn eigen Zoon gezonden, opdat Hij hen loskopen zou, die onder de wet stonden".
B: (Lev 12:3) [b:Lev 12:3] (Gal 4:4) [b:Gal 4:4] (Gal 4:5) [b:Gal 4:5]
Mijn antwoord. Om velerlei redenen moest Christus besneden worden. En wel ten eerste, om de waarachtigheid van zijn menselijk vlees aan te tonen: tegen Manichaeus, die zei dat Hij een schijnlichaam gehad heeft; en tegen Apollinarius, die beweerde, dat Christus’ lichaam medezelfstandig was met de god- heid; en tegen Valentinus, die zei, dat Christus een lichaam van de hemel had meegebracht. Ten tweede, om de besnijdenis goed te keuren, welke God eertijds had ingevoerd. Ten derde, om te bevestigen, dat Hij van Abrahams geslacht was, die het bevel der besnijdenis ontvangen had, ten teken van het geloof, dat hij in Hem bezat. Ten vierde, om aan de Joden een goede reden te ontnemen, om Hem, als onbesnedene, af te wijzen. Ten vijfde "om ons door zijn voorbeeld de kracht der gehoorzaamheid in te prenten" (vgl. Beda, 10e Homelie op het feest van de Besnijdenis). Vandaar werd Hij ook, zoals in de wet voorgeschreven was, op de achtste dag besneden. Ten zesde, opdat Hij die in de gedaante van het zondige vlees hier gekomen was, zelf het geneesmiddel niet zou versmaden, waardoor Hij het zondige vlees gewoon was te zuiveren. Ten zevende, opdat Hij, na zelf de last der wet gedragen te hebben, anderen er van zou bevrijden, naar het woord van de Apostel Aan de Galaten (4, 4, 5): "God heeft zijn eigen Zoon gezonden, opdat Hij hen loskopen zou, die onder de wet stonden".
B: (Lev 12:3) [b:Lev 12:3] (Gal 4:4) [b:Gal 4:4] (Gal 4:5) [b:Gal 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De besnijdenis, die uitgevoerd werd door de voorhuid van het geslachtslid weg te nemen, verzinnebeeldde de beroving van de verouderde leefwijze. Nu worden we van dat oude verlost door Christus’ lijden. En dus was de waarheid van dit zinnebeeld niet volledig in vervulling gegaan bij Christus’ geboorte, maar pas bij zijn lijden: daarvoor behield de besnijdenis haar kracht en plaats. En dus behoorde Christus vóór zijn lijden, als zijnde een zoon van Abraham, besneden te worden.
1e Weerlegging. De besnijdenis, die uitgevoerd werd door de voorhuid van het geslachtslid weg te nemen, verzinnebeeldde de beroving van de verouderde leefwijze. Nu worden we van dat oude verlost door Christus’ lijden. En dus was de waarheid van dit zinnebeeld niet volledig in vervulling gegaan bij Christus’ geboorte, maar pas bij zijn lijden: daarvoor behield de besnijdenis haar kracht en plaats. En dus behoorde Christus vóór zijn lijden, als zijnde een zoon van Abraham, besneden te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Christus ontving de besnijdenis in de tijd, dat Hij nog onder het gebod viel. Zijn handeling moet dus door ons in zoverre nagevolgd worden, dat ook wij datgene doen, waartoe wij nu verplicht zijn. Want de Prediker zegt (8, 6): "Alles heeft zijn tijd en gelegenheid". Origenes (14e Homelie op Lucas) zegt daarenboven nog: "Evenals wij met Hem gestorven zijn, toen Hij stierf, en wij met de verrezen Christus medeverrezen zijn, zo zijn we ook door Christus besneden met een geestelijke besnijdenis. En dus hebben wij de vleselijke besnijdenis niet nodig". En dat is ook wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Colossenzen (2, 11): "In Hem (d. i. Christus) zijt ge besneden met een besnijdenis, die niet met de handen verricht wordt door de verwijdering van het vleselijk lichaam, maar door de besnijdenis van onze Heer Jesus Christus".
B: (Eccl 8:6) [b:Eccl 8:6]
2e Weerlegging. Christus ontving de besnijdenis in de tijd, dat Hij nog onder het gebod viel. Zijn handeling moet dus door ons in zoverre nagevolgd worden, dat ook wij datgene doen, waartoe wij nu verplicht zijn. Want de Prediker zegt (8, 6): "Alles heeft zijn tijd en gelegenheid". Origenes (14e Homelie op Lucas) zegt daarenboven nog: "Evenals wij met Hem gestorven zijn, toen Hij stierf, en wij met de verrezen Christus medeverrezen zijn, zo zijn we ook door Christus besneden met een geestelijke besnijdenis. En dus hebben wij de vleselijke besnijdenis niet nodig". En dat is ook wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Colossenzen (2, 11): "In Hem (d. i. Christus) zijt ge besneden met een besnijdenis, die niet met de handen verricht wordt door de verwijdering van het vleselijk lichaam, maar door de besnijdenis van onze Heer Jesus Christus".
B: (Eccl 8:6) [b:Eccl 8:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Gelijk Christus uit eigen beweging onze dood op zich nam, die een gevolg is der zonde, ofschoon Hij in zichzelf geen zonde had, om ons van de dood te verlossen en ons op een geestelijke wijze aan de zonde te doen sterven; zo ontving Hij ook de besnijdenis, het geneesmiddel voor de erfzonde, zonder dat Hij zelf de erfzonde bezat, om ons van het juk der wet te bevrijden en in ons een geestelijke besnijdenis uit te werken; en dit alles, om door de aanname van het zinnebeeld de waarheid in vervulling te doen gaan.
B: (Col 2:11) [b:Col 2:11]
3e Weerlegging. Gelijk Christus uit eigen beweging onze dood op zich nam, die een gevolg is der zonde, ofschoon Hij in zichzelf geen zonde had, om ons van de dood te verlossen en ons op een geestelijke wijze aan de zonde te doen sterven; zo ontving Hij ook de besnijdenis, het geneesmiddel voor de erfzonde, zonder dat Hij zelf de erfzonde bezat, om ons van het juk der wet te bevrijden en in ons een geestelijke besnijdenis uit te werken; en dit alles, om door de aanname van het zinnebeeld de waarheid in vervulling te doen gaan.
B: (Col 2:11) [b:Col 2:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was het wel passend, dat men Christus een naam gegeven heeft?
IIIa q. 37 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat men Christus een naam gegeven heeft. De waarheid immers van het Evangelie, moet aan de voorzeggingen der Profeten beantwoorden. Nu hebben de Profeten een andere naam van Christus voorzegd: want bij Isaïas lezen we (7, 14): "Zie, de Maagd zal ontvangen en een Zoon baren, en zijn naam zal genoemd worden Emmanuel"; en verder (8, 3): "Noem zijn naam: Ras neem buit, ijl naar roof"; en dan nog (9, 6): "Zijn naam zal genoemd worden Wonderbare, Raadgever, God, Machtige, Vader der toekomst, Vredevorst"; en bij Zacharias (6, 12): "Zie een man, de Oprijzende is zijn naam". Dus behoorde Hij niet Jezus genoemd te worden.
B: (Isa 7:14) [b:Isa 7:14] (Isa 8:3) [b:Isa 8:3] (Isa 9:6) [b:Isa 9:6] (Zech 6:12) [b:Zech 6:12]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat men Christus een naam gegeven heeft. De waarheid immers van het Evangelie, moet aan de voorzeggingen der Profeten beantwoorden. Nu hebben de Profeten een andere naam van Christus voorzegd: want bij Isaïas lezen we (7, 14): "Zie, de Maagd zal ontvangen en een Zoon baren, en zijn naam zal genoemd worden Emmanuel"; en verder (8, 3): "Noem zijn naam: Ras neem buit, ijl naar roof"; en dan nog (9, 6): "Zijn naam zal genoemd worden Wonderbare, Raadgever, God, Machtige, Vader der toekomst, Vredevorst"; en bij Zacharias (6, 12): "Zie een man, de Oprijzende is zijn naam". Dus behoorde Hij niet Jezus genoemd te worden.
B: (Isa 7:14) [b:Isa 7:14] (Isa 8:3) [b:Isa 8:3] (Isa 9:6) [b:Isa 9:6] (Zech 6:12) [b:Zech 6:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Bij Isaïas lezen we (62, 2): "U zal een nieuwe naam toekomen, die 's Heren mond noemen zal". Maar deze naam Jesus is geen nieuwe naam; velen in het oude Testament heetten zo, zoals zelfs blijkt uit de geslachtsboom van Christus bij Lucas (3, 29). Dus behoorde zijn naam niet Jezus genoemd te worden.
B: (Isa 62:2) [b:Isa 62:2] (Luke 3:29) [b:Luke 3:29]
Vervolgens. Bij Isaïas lezen we (62, 2): "U zal een nieuwe naam toekomen, die 's Heren mond noemen zal". Maar deze naam Jesus is geen nieuwe naam; velen in het oude Testament heetten zo, zoals zelfs blijkt uit de geslachtsboom van Christus bij Lucas (3, 29). Dus behoorde zijn naam niet Jezus genoemd te worden.
B: (Isa 62:2) [b:Isa 62:2] (Luke 3:29) [b:Luke 3:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Deze naam Jesus betekent heil, zoals blijkt uit wat Matthaeus zegt (1, 21): "Ze zal een zoon baren, en ge zult zijn naam Jesus noemen; want Hij zal zijn volk verlossen van hun zonden". Het heil door Christus was echter niet alleen bestemd voor de besnedenen, maar ook voor de onbesnedenen, zoals blijkt uit de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4, 11, 12). Het was dus niet passend, dat Christus bij zijn besnijdenis zo genoemd werd.
B: (Matt 1:21) [b:Matt 1:21] (Rom 4:11) [b:Rom 4:11] (Rom 4:12) [b:Rom 4:12]
Vervolgens. Deze naam Jesus betekent heil, zoals blijkt uit wat Matthaeus zegt (1, 21): "Ze zal een zoon baren, en ge zult zijn naam Jesus noemen; want Hij zal zijn volk verlossen van hun zonden". Het heil door Christus was echter niet alleen bestemd voor de besnedenen, maar ook voor de onbesnedenen, zoals blijkt uit de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4, 11, 12). Het was dus niet passend, dat Christus bij zijn besnijdenis zo genoemd werd.
B: (Matt 1:21) [b:Matt 1:21] (Rom 4:11) [b:Rom 4:11] (Rom 4:12) [b:Rom 4:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter het gezag der H. Schrift, waarin bij Lucas gezegd wordt (2, 21): "En toen de acht dagen voorbij waren, die zijn besnijdenis vooraf moesten gaan, gaven ze Hem de naam Jesus".
B: (Luke 2:21) [b:Luke 2:21]
Daartegenover staat echter het gezag der H. Schrift, waarin bij Lucas gezegd wordt (2, 21): "En toen de acht dagen voorbij waren, die zijn besnijdenis vooraf moesten gaan, gaven ze Hem de naam Jesus".
B: (Luke 2:21) [b:Luke 2:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 2 co.
Mijn antwoord. De namen moeten aan de eigenschappen der dingen beantwoorden. En dit blijkt uit de namen der geslachten en soorten, zoals gezegd wordt in het 4e Boek der Metaphysica (3e B., 7e H.): "Het begrip, waarvan de naam het teken is, is de definitie", die het eigen wezen ener zaak aanduidt. De namen nu der afzonderlijke mensen worden altijd gegeven om een eigenschap van hem, wie men een naam geeft. En die eigenschap kan zijn, ofwel de tijd: zo worden de namen van Heiligen gegeven aan hen, die op hun feest geboren worden. Ofwel de familie: zo wanneer men aan de zoon de naam van de vader geeft, of van iemand uit zijn familie; zo wilden de bloedverwanten van Joannes de Doper hem noemen naar de naam van zijn vader Zacharias en niet Joannes, daar er niemand in zijn familie was, die dezen naam had, zoals we lezen bij Lucas (1, 59). Of ook wel naar een gebeurtenis: zo noemde Joseph zijn eerstgeborene Manasses, zeggende: God heeft mij al mijn arbeid doen vergeten. (Boek der Schepping, 41, 51). Of ook naar een hoedanigheid van hem, wie men een naam geeft; zo wordt in het Boek der Schepping (25, 25) gezegd: "Die het eerst uit de schoot der moeder kwam, was rood, en geheel rouw gelijk een vel, en daarom werd zijn naam genoemd Esau", wat betekent rossig. De namen echter, die God geeft, duiden altijd op een of andere door God om niet geschonken gave : zo wordt in het Boek der Schepping (17, 5) tot Abraham gezegd: "Gij zult genoemd worden Abraham : want Ik heb u tot vader van vele volkeren gesteld"; en bij Mattheus wordt tot Petrus gezegd (16, 18) : "Gij zijt Petrus: en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen".
Mijn antwoord. De namen moeten aan de eigenschappen der dingen beantwoorden. En dit blijkt uit de namen der geslachten en soorten, zoals gezegd wordt in het 4e Boek der Metaphysica (3e B., 7e H.): "Het begrip, waarvan de naam het teken is, is de definitie", die het eigen wezen ener zaak aanduidt. De namen nu der afzonderlijke mensen worden altijd gegeven om een eigenschap van hem, wie men een naam geeft. En die eigenschap kan zijn, ofwel de tijd: zo worden de namen van Heiligen gegeven aan hen, die op hun feest geboren worden. Ofwel de familie: zo wanneer men aan de zoon de naam van de vader geeft, of van iemand uit zijn familie; zo wilden de bloedverwanten van Joannes de Doper hem noemen naar de naam van zijn vader Zacharias en niet Joannes, daar er niemand in zijn familie was, die dezen naam had, zoals we lezen bij Lucas (1, 59). Of ook wel naar een gebeurtenis: zo noemde Joseph zijn eerstgeborene Manasses, zeggende: God heeft mij al mijn arbeid doen vergeten. (Boek der Schepping, 41, 51). Of ook naar een hoedanigheid van hem, wie men een naam geeft; zo wordt in het Boek der Schepping (25, 25) gezegd: "Die het eerst uit de schoot der moeder kwam, was rood, en geheel rouw gelijk een vel, en daarom werd zijn naam genoemd Esau", wat betekent rossig. De namen echter, die God geeft, duiden altijd op een of andere door God om niet geschonken gave : zo wordt in het Boek der Schepping (17, 5) tot Abraham gezegd: "Gij zult genoemd worden Abraham : want Ik heb u tot vader van vele volkeren gesteld"; en bij Mattheus wordt tot Petrus gezegd (16, 18) : "Gij zijt Petrus: en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. In al die namen wordt op de een of andere manier de naam Jesus aangeduid, welke heil betekent. Want met de naam Emmanuel, dat is vertaald: God met ons (Mattheus, 1, 23), wordt de oorzaak van het heil aangegeven, namelijk de vereniging der goddelijke en menselijke natuur in de persoon van de Zoon van God, door welke vereniging geschieden kon, dat God met ons was. Als echter gezegd wordt: "Noem zijn naam, Ras neem buit, enz." wordt aangegeven, waarvan Hij ons zal redden: namelijk de duivel, wien Hij zijn buit heeft afgenomen, volgens de Brief aan de Colossenzen (2, 15): "Hij heeft de heerschappijen en machten van hun buit beroofd, en openlijk ten toon gesteld". Wanneer daarentegen gezegd wordt: "Zijn naam zal genoemd worden Wonderbare" enz., wordt de weg en het eindpunt van ons heil aangeduid, in zoverre wij namelijk door een wonderbare raad en kracht der godheid, tot het erfdeel der toekomstige tijden gebracht worden, waar een volmaakte vrede zal zijn tussen de zonen Gods, onder de Heerschappij van God zelf. De tekst: "Zie een man, Oprijzende is zijn naam", heeft op hetzelfde als de eerste betrekking, namelijk op het geheim der vleeswording: in zoverre er in de duisternis voor de vromen een licht is opgegaan (Psalm 111, 4).
B: (Gen 25:25) [b:Gen 25:25] (Gen 41:51) [b:Gen 41:51] (Luke 1:59-61) [b:Luke 1:59-61]
1e Weerlegging. In al die namen wordt op de een of andere manier de naam Jesus aangeduid, welke heil betekent. Want met de naam Emmanuel, dat is vertaald: God met ons (Mattheus, 1, 23), wordt de oorzaak van het heil aangegeven, namelijk de vereniging der goddelijke en menselijke natuur in de persoon van de Zoon van God, door welke vereniging geschieden kon, dat God met ons was. Als echter gezegd wordt: "Noem zijn naam, Ras neem buit, enz." wordt aangegeven, waarvan Hij ons zal redden: namelijk de duivel, wien Hij zijn buit heeft afgenomen, volgens de Brief aan de Colossenzen (2, 15): "Hij heeft de heerschappijen en machten van hun buit beroofd, en openlijk ten toon gesteld". Wanneer daarentegen gezegd wordt: "Zijn naam zal genoemd worden Wonderbare" enz., wordt de weg en het eindpunt van ons heil aangeduid, in zoverre wij namelijk door een wonderbare raad en kracht der godheid, tot het erfdeel der toekomstige tijden gebracht worden, waar een volmaakte vrede zal zijn tussen de zonen Gods, onder de Heerschappij van God zelf. De tekst: "Zie een man, Oprijzende is zijn naam", heeft op hetzelfde als de eerste betrekking, namelijk op het geheim der vleeswording: in zoverre er in de duisternis voor de vromen een licht is opgegaan (Psalm 111, 4).
B: (Gen 25:25) [b:Gen 25:25] (Gen 41:51) [b:Gen 41:51] (Luke 1:59-61) [b:Luke 1:59-61]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Aan hen die vóór Christus leefden, kon deze naam Jezus om een andere reden toekomen: zo b. v. omdat ze in een bijzonder geval slechts een tijdelijke uitkomst brachten. Maar in de betekenis van een geestelijk en algemeen heil, is het een eigennaam voor Christus. En in zoverre kan gezegd worden, dat het een nieuwe naam is.
B: (Gen 17:5) [b:Gen 17:5] (Matt 16:18) [b:Matt 16:18]
2e Weerlegging. Aan hen die vóór Christus leefden, kon deze naam Jezus om een andere reden toekomen: zo b. v. omdat ze in een bijzonder geval slechts een tijdelijke uitkomst brachten. Maar in de betekenis van een geestelijk en algemeen heil, is het een eigennaam voor Christus. En in zoverre kan gezegd worden, dat het een nieuwe naam is.
B: (Gen 17:5) [b:Gen 17:5] (Matt 16:18) [b:Matt 16:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals in het Boek der Schepping te lezen staat (17° H.), ontving Abraham toen hem door God een naam gegeven werd, tegelijkertijd ook het gebod der besnijdenis. En daarom ook bestond bij de Joden de gewoonte om op de dag zelf der besnijdenis aan de kinderen een naam te geven, alsof ze hielden, dat ze vóór de besnijdenis nog niet volmaakt waren. Zo krijgen ook nu de kinderen bij het doopsel hun naam. Vandaar zegt de Glossa op de woorden uit het Boek der Spreuken (4, 3): "Ik was mijns vaders teergeliefde zoon, en het enigste kind mijner moeder": "Waarom anders noemt Salomon zich het enigste kind zijner moeder, ofschoon de Schrift toch getuigt, dat hem al een broeder was voorafgegaan, dan omdat deze, nauwelijks geboren, zonder naam uit het leven gegaan is, alsof hij nooit bestaan had?" En daarom ontving Christus dus bij zijn besnijdenis zijn naam.
3e Weerlegging. Zoals in het Boek der Schepping te lezen staat (17° H.), ontving Abraham toen hem door God een naam gegeven werd, tegelijkertijd ook het gebod der besnijdenis. En daarom ook bestond bij de Joden de gewoonte om op de dag zelf der besnijdenis aan de kinderen een naam te geven, alsof ze hielden, dat ze vóór de besnijdenis nog niet volmaakt waren. Zo krijgen ook nu de kinderen bij het doopsel hun naam. Vandaar zegt de Glossa op de woorden uit het Boek der Spreuken (4, 3): "Ik was mijns vaders teergeliefde zoon, en het enigste kind mijner moeder": "Waarom anders noemt Salomon zich het enigste kind zijner moeder, ofschoon de Schrift toch getuigt, dat hem al een broeder was voorafgegaan, dan omdat deze, nauwelijks geboren, zonder naam uit het leven gegaan is, alsof hij nooit bestaan had?" En daarom ontving Christus dus bij zijn besnijdenis zijn naam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Paste het wel, dat Christus in den tempel werd opgedragen?
IIIa q. 37 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het niet passend is geweest dat Christus in de tempel werd opgedragen. In het Boek van de Uittocht wordt immers gezegd (13, 2): "Heilig mij al het eerstgeborene dat de baarmoeder opent onder de kinderen van Israël". Maar Christus kwam ter wereld, zonder dat de schoot der Maagd zich opende: en zo opende Hij de baarmoeder der moeder niet. Dus Christus moest om die wet niet in de tempel opgedragen worden.
B: (Exod 13:2) [b:Exod 13:2]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het niet passend is geweest dat Christus in de tempel werd opgedragen. In het Boek van de Uittocht wordt immers gezegd (13, 2): "Heilig mij al het eerstgeborene dat de baarmoeder opent onder de kinderen van Israël". Maar Christus kwam ter wereld, zonder dat de schoot der Maagd zich opende: en zo opende Hij de baarmoeder der moeder niet. Dus Christus moest om die wet niet in de tempel opgedragen worden.
B: (Exod 13:2) [b:Exod 13:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Wat iemand altijd nabij is, behoeft hem niet tegenwoordig gesteld te worden. Nu was de mensheid van Christus altijd zo dicht mogelijk bij God, daar ze in de eenheid van de persoon steeds met Hem verbonden was. Dus was het niet nodig dat Hij aan God werd opgedragen.
Vervolgens. Wat iemand altijd nabij is, behoeft hem niet tegenwoordig gesteld te worden. Nu was de mensheid van Christus altijd zo dicht mogelijk bij God, daar ze in de eenheid van de persoon steeds met Hem verbonden was. Dus was het niet nodig dat Hij aan God werd opgedragen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Christus is de voornaamste offerande, waartoe al de offeranden van het oude testament in verhouding staan, als voorafbeelding tot werkelijkheid. Maar voor een offerande behoeft geen andere offerande opgedragen te worden. Het was bijgevolg niet passend, dat er voor Christus een andere offerande werd opgedragen.
Vervolgens. Christus is de voornaamste offerande, waartoe al de offeranden van het oude testament in verhouding staan, als voorafbeelding tot werkelijkheid. Maar voor een offerande behoeft geen andere offerande opgedragen te worden. Het was bijgevolg niet passend, dat er voor Christus een andere offerande werd opgedragen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 3 arg. 4
Vervolgens. Onder de offers der wet was het lam het voornaamste, dat, zoals blijkt uit het Boek der Getallen (28, 3, 6) een gedurige offerande was. Vandaar wordt Christus ook het Lam genoemd bij Johannes (1, 29): "Zie het Lam Gods". Het zou dus betamelijker geweest zijn, als voor Christus een lam geofferd was, in plaats van een paar tortels of twee jonge duiven.
B: (Num 28:6) [b:Num 28:6] (John 1:29, John 1:29) [b:John 1:29]
Vervolgens. Onder de offers der wet was het lam het voornaamste, dat, zoals blijkt uit het Boek der Getallen (28, 3, 6) een gedurige offerande was. Vandaar wordt Christus ook het Lam genoemd bij Johannes (1, 29): "Zie het Lam Gods". Het zou dus betamelijker geweest zijn, als voor Christus een lam geofferd was, in plaats van een paar tortels of twee jonge duiven.
B: (Num 28:6) [b:Num 28:6] (John 1:29, John 1:29) [b:John 1:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter het gezag der Schrift, die getuigt, dat het zoo geschied is (Lucas, 2, 22).
B: (Luke 2:22) [b:Luke 2:22]
Daartegenover staat echter het gezag der Schrift, die getuigt, dat het zoo geschied is (Lucas, 2, 22).
B: (Luke 2:22) [b:Luke 2:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (1° Art.) wilde Christus onder de wet geboren worden, opdat Hij hen, die onder de wet stonden zou loskopen, en opdat de gerechtigheid der wet in zijn ledematen op een geestelijke wijze zou vervuld worden. Nu wordt er aangaande een geboren kind een tweevoudig voorschrift in de wet gegeven. Het eerste is van algemene aard en heeft op allen betrekking, en het luidt, dat, als de dagen van de zuivering der moeder voleind zijn, een offerande opgedragen worde voor een zoon of voor een dochter, zoals blijkt uit Leviticus (12, 6 vlg.). Deze offerande nu, had tot doel, zowel de verzoening voor de zonde, waarin het kind ontvangen en geboren was, als ook een zekere heiliging, daar het toen voor het eerst in de tempel werd opgedragen. En daarom werd er iets ten brandoffer opgedragen en iets voor de zonde. Het andere voorschrift der wet, was van bijzondere aard en had zowel op de mensen als op de dieren betrekking: want God had zich al de eerstgeborenen in Israël toegeëigend, daar Hij, om het volk van Israël te redden, met behoud van de eerstgeborenen der zonen Israëls, de eerstgeborenen van Egypte, van de mensen tot de dieren toe, geslagen had. (Uittocht, 12, 12, 13, 29) En dit bevel staat in het Boek van de Uittocht (13, 2, 12). Ook hierin werd Christus voorafgebeeld, die de eerstgeborene is onder vele broeders, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8, 19). Omdat dus Christus, geboren uit een vrouw, een eerstgeborene was, en onder de wet wilde geboren worden (vgl. Galaten, 4, 4), daarom laat de Evangelist Lucas zien, dat die twee voorschriften, ook met betrekking tot Hem, in acht genomen zijn. En ten eerste, datgene wat de eerstgeborenen betreft, als hij zegt (2, 22, 23): "Ze brachten Hem naar Jeruzalem, om Hem op te dragen aan de Heer, omdat ieder kind van het mannelijk geslacht, dat de moederschoot opent, de Heer moet worden toegewijd". En het tweede, dat op allen in het algemeen betrekking heeft, daar, waar hij zegt: "En om een offer te brengen, naar het bevel van ’s Heren wet, een paar tortels of twee jonge duiven". (v. 24).
B: (Lev 12:6) [b:Lev 12:6] (Gal 4:4) [b:Gal 4:4] (Gal 4:5) [b:Gal 4:5]
R: q. 37 a. 1[t:iiia q. 37 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (1° Art.) wilde Christus onder de wet geboren worden, opdat Hij hen, die onder de wet stonden zou loskopen, en opdat de gerechtigheid der wet in zijn ledematen op een geestelijke wijze zou vervuld worden. Nu wordt er aangaande een geboren kind een tweevoudig voorschrift in de wet gegeven. Het eerste is van algemene aard en heeft op allen betrekking, en het luidt, dat, als de dagen van de zuivering der moeder voleind zijn, een offerande opgedragen worde voor een zoon of voor een dochter, zoals blijkt uit Leviticus (12, 6 vlg.). Deze offerande nu, had tot doel, zowel de verzoening voor de zonde, waarin het kind ontvangen en geboren was, als ook een zekere heiliging, daar het toen voor het eerst in de tempel werd opgedragen. En daarom werd er iets ten brandoffer opgedragen en iets voor de zonde. Het andere voorschrift der wet, was van bijzondere aard en had zowel op de mensen als op de dieren betrekking: want God had zich al de eerstgeborenen in Israël toegeëigend, daar Hij, om het volk van Israël te redden, met behoud van de eerstgeborenen der zonen Israëls, de eerstgeborenen van Egypte, van de mensen tot de dieren toe, geslagen had. (Uittocht, 12, 12, 13, 29) En dit bevel staat in het Boek van de Uittocht (13, 2, 12). Ook hierin werd Christus voorafgebeeld, die de eerstgeborene is onder vele broeders, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8, 19). Omdat dus Christus, geboren uit een vrouw, een eerstgeborene was, en onder de wet wilde geboren worden (vgl. Galaten, 4, 4), daarom laat de Evangelist Lucas zien, dat die twee voorschriften, ook met betrekking tot Hem, in acht genomen zijn. En ten eerste, datgene wat de eerstgeborenen betreft, als hij zegt (2, 22, 23): "Ze brachten Hem naar Jeruzalem, om Hem op te dragen aan de Heer, omdat ieder kind van het mannelijk geslacht, dat de moederschoot opent, de Heer moet worden toegewijd". En het tweede, dat op allen in het algemeen betrekking heeft, daar, waar hij zegt: "En om een offer te brengen, naar het bevel van ’s Heren wet, een paar tortels of twee jonge duiven". (v. 24).
B: (Lev 12:6) [b:Lev 12:6] (Gal 4:4) [b:Gal 4:4] (Gal 4:5) [b:Gal 4:5]
R: q. 37 a. 1[t:iiia q. 37 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Gregorius van Nyssa zegt in zijn werk Over de komst des Heren: "Dit voorschrift der wet schijnt in de vleesgeworden God alleen, op een bijzondere en van alle andere verschillende wijze, nagekomen te worden. Want Hij alleen, op een onuitsprekelijke manier ontvangen en op onbegrijpelijke wijze gebaard, opende een maagdelijke schoot, die niet van tevoren door echtelijke omgang al geopend was en die ook na de baring het zegel der kuisheid ongeschonden wist te bewaren". Met derhalve te zeggen: de moederschoot openend, duidt hij aan dat van tevoren er niets in- of uitgegaan was. En daarom ook wordt Hij in het bijzonder "van het mannelijk geslacht" genoemd: omdat Hij niets van de schuld der vrouw droeg. (Gregorius van Nyssa t. a. p.) Bij uitstek ook "heilig": "Hij die, dank zij iets geheel nieuws: een onbevlekte baring, de besmetting van het aardsch bederf niet gevoeld heeft". (Ambrosius, Uitleg van Lucas, 2° B., op 2, 23).
B: (Exod 12:12) [b:Exod 12:12] (Exod 12:13) [b:Exod 12:13] (Exod 12:29) [b:Exod 12:29] (Exod 13) [b:Exod 13] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
1e Weerlegging. Gregorius van Nyssa zegt in zijn werk Over de komst des Heren: "Dit voorschrift der wet schijnt in de vleesgeworden God alleen, op een bijzondere en van alle andere verschillende wijze, nagekomen te worden. Want Hij alleen, op een onuitsprekelijke manier ontvangen en op onbegrijpelijke wijze gebaard, opende een maagdelijke schoot, die niet van tevoren door echtelijke omgang al geopend was en die ook na de baring het zegel der kuisheid ongeschonden wist te bewaren". Met derhalve te zeggen: de moederschoot openend, duidt hij aan dat van tevoren er niets in- of uitgegaan was. En daarom ook wordt Hij in het bijzonder "van het mannelijk geslacht" genoemd: omdat Hij niets van de schuld der vrouw droeg. (Gregorius van Nyssa t. a. p.) Bij uitstek ook "heilig": "Hij die, dank zij iets geheel nieuws: een onbevlekte baring, de besmetting van het aardsch bederf niet gevoeld heeft". (Ambrosius, Uitleg van Lucas, 2° B., op 2, 23).
B: (Exod 12:12) [b:Exod 12:12] (Exod 12:13) [b:Exod 12:13] (Exod 12:29) [b:Exod 12:29] (Exod 13) [b:Exod 13] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Gelijk de Zoon Gods niet om zichzelf mens geworden is en in het vlees besneden werd, maar om ons door de genade tot Goden te maken en opdat wij op een geestelijke wijze zouden besneden worden; zo wordt Hij ook om ons aan de Heer opge-dragen, opdat wij zouden leren onszelf aan God aan te bieden. (Athanasius in Lucas, 2, 23). En dit had plaats ná zijn besnijdenis, om aan te tonen dat alleen hij die van zijn ondeugden is besneden, de goddelijke blikken waardig is. (Beda, Uitleg van Lucas op 2, 23).
B: (Luke 2:22) [b:Luke 2:22] (Luke 2:23) [b:Luke 2:23] (Luke 2:24) [b:Luke 2:24]
2e Weerlegging. Gelijk de Zoon Gods niet om zichzelf mens geworden is en in het vlees besneden werd, maar om ons door de genade tot Goden te maken en opdat wij op een geestelijke wijze zouden besneden worden; zo wordt Hij ook om ons aan de Heer opge-dragen, opdat wij zouden leren onszelf aan God aan te bieden. (Athanasius in Lucas, 2, 23). En dit had plaats ná zijn besnijdenis, om aan te tonen dat alleen hij die van zijn ondeugden is besneden, de goddelijke blikken waardig is. (Beda, Uitleg van Lucas op 2, 23).
B: (Luke 2:22) [b:Luke 2:22] (Luke 2:23) [b:Luke 2:23] (Luke 2:24) [b:Luke 2:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De eigenlijke reden, waarom Hij, die het waarachtige offer is, voor zichzelf de wettelijke offeranden liet opdragen, was om de voorafbeelding met de werkelijkheid te verbinden en door de werkelijkheid de voorafbeelding te bevestigen: waardoor Hij een bewijs leverde tegen hen, die zeggen, dat de God der wet door Christus in het Evangelie niet is gepredikt. "Want het is niet aan te nemen zoals Origenes zegt (14° Homilie op Lucas), dat de goede God zijn Zoon onder de wet van een vijand, welke Hij dus zelf niet gegeven had, zou hebben laten geboren worden".
B: (Luke 2:23) [b:Luke 2:23]
3e Weerlegging. De eigenlijke reden, waarom Hij, die het waarachtige offer is, voor zichzelf de wettelijke offeranden liet opdragen, was om de voorafbeelding met de werkelijkheid te verbinden en door de werkelijkheid de voorafbeelding te bevestigen: waardoor Hij een bewijs leverde tegen hen, die zeggen, dat de God der wet door Christus in het Evangelie niet is gepredikt. "Want het is niet aan te nemen zoals Origenes zegt (14° Homilie op Lucas), dat de goede God zijn Zoon onder de wet van een vijand, welke Hij dus zelf niet gegeven had, zou hebben laten geboren worden".
B: (Luke 2:23) [b:Luke 2:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. In het Boek der Levieten (12, 6, 8) wordt voorgeschreven dat zij, die het kunnen doen voor een zoon of een dochter een lam met een tortelduif of een duif offeren: die echter niet voldoende bezitten om een lam te offeren, moeten een offer brengen van twee tortelduiven of twee jonge duiven. (Beda, 15e Homelie op het feest van Maria Lichtmis). De Heer echter, die naar het woord van de Tweede Korinthierbrief (8, 9) "om onzentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede", wilde dat voor Hem het offer der armen gebracht zou worden (Beda, Verklaring van Lucas, 1e B.): evenals Hij bij zijn geboorte in doeken gewikkeld wordt en in een kribbe wordt neergelegd. (Lucas, 2, 7). Maar toch kunnen deze vogels wel als voorafbeelding dienst doen. De tortelduif betekent immers, omdat zij een vogel is die nog al graag praat, de prediking en de belijdenis van het geloof; en omdat ze een kuisch dier is, betekent ze de kuisheid; en wil ze een dier zijn, dat op zich zelf leeft, betekent ze de beschouwing. De duif daarentegen is een zachtmoedig en eenvoudig dier en duidt daarom de zachtmoedigheid en de eenvoud aan. Zij is echter een dier, dat in zwermen leeft en vandaar betekent zij het actieve leven. En dus betekende dit soort offerande de volmaaktheid van Christus en van zijn ledematen. — Om hun gewoonte van te kirren, duiden beide dieren echter de tegenwoordige weeklachten der heiligen aan: maar de tortelduif betekent, omdat zij op zich zelf leeft, de tranen die onder het bidden gestort worden; de duif daarentegen betekent, omdat zij in zwermen leeft, de openbare gebeden der Kerk. (Beda, 15° Homelie, op het feest van Maria Lichtmis). — Beide dieren worden echter in paren geofferd als om aan te duiden, dat niet alleen de ziel, maar ook het lichaam heilig moet zijn.
B: (Luke 2:23) [b:Luke 2:23] (Luke 2:23) [b:Luke 2:23]
4e Weerlegging. In het Boek der Levieten (12, 6, 8) wordt voorgeschreven dat zij, die het kunnen doen voor een zoon of een dochter een lam met een tortelduif of een duif offeren: die echter niet voldoende bezitten om een lam te offeren, moeten een offer brengen van twee tortelduiven of twee jonge duiven. (Beda, 15e Homelie op het feest van Maria Lichtmis). De Heer echter, die naar het woord van de Tweede Korinthierbrief (8, 9) "om onzentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede", wilde dat voor Hem het offer der armen gebracht zou worden (Beda, Verklaring van Lucas, 1e B.): evenals Hij bij zijn geboorte in doeken gewikkeld wordt en in een kribbe wordt neergelegd. (Lucas, 2, 7). Maar toch kunnen deze vogels wel als voorafbeelding dienst doen. De tortelduif betekent immers, omdat zij een vogel is die nog al graag praat, de prediking en de belijdenis van het geloof; en omdat ze een kuisch dier is, betekent ze de kuisheid; en wil ze een dier zijn, dat op zich zelf leeft, betekent ze de beschouwing. De duif daarentegen is een zachtmoedig en eenvoudig dier en duidt daarom de zachtmoedigheid en de eenvoud aan. Zij is echter een dier, dat in zwermen leeft en vandaar betekent zij het actieve leven. En dus betekende dit soort offerande de volmaaktheid van Christus en van zijn ledematen. — Om hun gewoonte van te kirren, duiden beide dieren echter de tegenwoordige weeklachten der heiligen aan: maar de tortelduif betekent, omdat zij op zich zelf leeft, de tranen die onder het bidden gestort worden; de duif daarentegen betekent, omdat zij in zwermen leeft, de openbare gebeden der Kerk. (Beda, 15° Homelie, op het feest van Maria Lichtmis). — Beide dieren worden echter in paren geofferd als om aan te duiden, dat niet alleen de ziel, maar ook het lichaam heilig moet zijn.
B: (Luke 2:23) [b:Luke 2:23] (Luke 2:23) [b:Luke 2:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Behoorde de Moeder Gods wel op te gaan naar den tempel om gezuiverd te worden?
IIIa q. 37 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Gods Moeder op is gegaan naar de tempel om gezuiverd te worden. Men laat zich immers alleen maar van onreinheid zuiveren. Maar, zoals uit het voorafgaande blijkt (het vorige Artikel, Antwoord op de 1° Vraag; 27° Kw., 3° en 4° Artikel), was in de Heilige Maagd geen enkele onreinheid. Zij behoefde dus niet op te gaan naar de tempel om gezuiverd te worden.
R: q. 27[t:iiia q. 27]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Gods Moeder op is gegaan naar de tempel om gezuiverd te worden. Men laat zich immers alleen maar van onreinheid zuiveren. Maar, zoals uit het voorafgaande blijkt (het vorige Artikel, Antwoord op de 1° Vraag; 27° Kw., 3° en 4° Artikel), was in de Heilige Maagd geen enkele onreinheid. Zij behoefde dus niet op te gaan naar de tempel om gezuiverd te worden.
R: q. 27[t:iiia q. 27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 4 arg. 2
Vervolgens. In het Boek der Levieten wordt gezegd (12, 2): "Een bevruchte vrouw, die een kind baart van het mannelijk geslacht, zal zeven dagen onrein zijn"; en daarom wordt haar voorgeschreven dat zij het heiligdom niet mag binnengaan, totdat de dagen harer zuivering volbracht zijn. (t. a. p. 4). De Heilige Maagd nu, baarde een kind van het mannelijk geslacht zonder door een man bevrucht te zijn. Zij moest dus niet tot de tempel komen om gezuiverd te worden.
B: (Lev 12:2-4) [b:Lev 12:2-4]
Vervolgens. In het Boek der Levieten wordt gezegd (12, 2): "Een bevruchte vrouw, die een kind baart van het mannelijk geslacht, zal zeven dagen onrein zijn"; en daarom wordt haar voorgeschreven dat zij het heiligdom niet mag binnengaan, totdat de dagen harer zuivering volbracht zijn. (t. a. p. 4). De Heilige Maagd nu, baarde een kind van het mannelijk geslacht zonder door een man bevrucht te zijn. Zij moest dus niet tot de tempel komen om gezuiverd te worden.
B: (Lev 12:2-4) [b:Lev 12:2-4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Alleen door de genade kan men van zijn onreinheid gezuiverd worden. Maar de sacramenten der oude wet schonken geen genade, terwijl zij zelf de Bewerker der genade droeg. De Heilige Maagd behoorde derhalve niet naar de tempel te gaan om gezuiverd te worden.
Vervolgens. Alleen door de genade kan men van zijn onreinheid gezuiverd worden. Maar de sacramenten der oude wet schonken geen genade, terwijl zij zelf de Bewerker der genade droeg. De Heilige Maagd behoorde derhalve niet naar de tempel te gaan om gezuiverd te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter het gezag der Schrift, waarin gezegd wordt (Lucas, 2, 22) dat de dagen vervuld waren van de reiniging van Maria volgens de wet van Mozes.
B: (Luke 2:22) [b:Luke 2:22]
Daartegenover staat echter het gezag der Schrift, waarin gezegd wordt (Lucas, 2, 22) dat de dagen vervuld waren van de reiniging van Maria volgens de wet van Mozes.
B: (Luke 2:22) [b:Luke 2:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 4 co.
Mijn antwoord. Evenals de volheid der genade van Christus overgevloeid is op de moeder, zo diende ook de moeder zich aan te passen aan de nederigheid van de zoon: want zoals Jacobus zegt (4, 6): "aan de nederigen geeft God genade". En evenals Christus, ofschoon Hij niet aan de wet gebonden was, de besnijdenis en de andere lasten der wet op zich wilde nemen, ten einde een voorbeeld te geven van nederigheid en gehoorzaamheid, de wet te bekrachtigen en de Joden een aanleiding tot laster te ontnemen, zo wilde Hij om dezelfde redenen, dat ook zijn moeder de voorschriften der wet zou nakomen, ofschoon ze er niet aan gebonden was.
B: (Jas 4:6) [b:Jas 4:6]
Mijn antwoord. Evenals de volheid der genade van Christus overgevloeid is op de moeder, zo diende ook de moeder zich aan te passen aan de nederigheid van de zoon: want zoals Jacobus zegt (4, 6): "aan de nederigen geeft God genade". En evenals Christus, ofschoon Hij niet aan de wet gebonden was, de besnijdenis en de andere lasten der wet op zich wilde nemen, ten einde een voorbeeld te geven van nederigheid en gehoorzaamheid, de wet te bekrachtigen en de Joden een aanleiding tot laster te ontnemen, zo wilde Hij om dezelfde redenen, dat ook zijn moeder de voorschriften der wet zou nakomen, ofschoon ze er niet aan gebonden was.
B: (Jas 4:6) [b:Jas 4:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Ofschoon de Heilige Maagd geheel rein was, wilde ze toch het voorschrift der zuivering nakomen, niet alsof ze er behoefte aan had, maar omdat de wet het voorschreef. En daarom zegt de Evangelist uitdrukkelijk dat de dagen vervuld waren van haar reiniging volgens de wet: want zij zelf had als zodanig geen reiniging nodig.
1e Weerlegging. Ofschoon de Heilige Maagd geheel rein was, wilde ze toch het voorschrift der zuivering nakomen, niet alsof ze er behoefte aan had, maar omdat de wet het voorschreef. En daarom zegt de Evangelist uitdrukkelijk dat de dagen vervuld waren van haar reiniging volgens de wet: want zij zelf had als zodanig geen reiniging nodig.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Mozes schijnt zich met opzet zo uitgedrukt te hebben, als om de Moeder Gods van de onreinheid uit te zonderen, die niet baarde na bevrucht te zijn. Derhalve blijkt wel, dat zij niet verplicht was dat voorschrift na te komen, maar dat zij, zoals gezegd (Antw. op de 1° Bed.), vrijwillig het voorschrift der zuivering nagekomen is.
2e Weerlegging. Mozes schijnt zich met opzet zo uitgedrukt te hebben, als om de Moeder Gods van de onreinheid uit te zonderen, die niet baarde na bevrucht te zijn. Derhalve blijkt wel, dat zij niet verplicht was dat voorschrift na te komen, maar dat zij, zoals gezegd (Antw. op de 1° Bed.), vrijwillig het voorschrift der zuivering nagekomen is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 37 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De sacramenten der wet reinigden niet van de onreinheid der schuld — wat de genade wèl doet — maar zij waren van deze reiniging een voorafbeelding: ze zuiverden immers, door een soort lichamelijke reiniging, van een zekere wettelijke onreinheid (irregularitas), zoals gezegd is in het 2e Deel (la-IIae, 102e Kw., 5e Art.; 103e Kw., 2e Art.). De Heilige Maagd had echter geen van beide soorten van onreinheid gecontraheerd (1). En dus behoefde zij niet gezuiverd te worden.
R: Ia-IIae q. 102 a. 5[t:ia-iiae q. 102 a. 5] Ia-IIae q. 103 a. 2[t:ia-iiae q. 103 a. 2]
3e Weerlegging. De sacramenten der wet reinigden niet van de onreinheid der schuld — wat de genade wèl doet — maar zij waren van deze reiniging een voorafbeelding: ze zuiverden immers, door een soort lichamelijke reiniging, van een zekere wettelijke onreinheid (irregularitas), zoals gezegd is in het 2e Deel (la-IIae, 102e Kw., 5e Art.; 103e Kw., 2e Art.). De Heilige Maagd had echter geen van beide soorten van onreinheid gecontraheerd (1). En dus behoefde zij niet gezuiverd te worden.
R: Ia-IIae q. 102 a. 5[t:ia-iiae q. 102 a. 5] Ia-IIae q. 103 a. 2[t:ia-iiae q. 103 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 38: Over het doopsel van Joannes
IIIa q. 38 pr.
Vervolgens moeten we het doopsel beschouwen waarmee Christus gedoopt is. En omdat Christus gedoopt is geworden met het doopsel van Joannes, moeten we eerst in het algemeen spreken over het doopsel van Joannes, en vervolgens over de doop van Christus. Aangaande het eerste stellen we zes vragen:
1. Was het wel passend, dat Joannes een doopsel toediende?
2. Kwam dat doopsel van God?
3. Deelde het genade mede?
4. Hadden er, behalve Christus, nog anderen met dat doopsel gedoopt moeten worden?
5. Had dat doopsel op moeten houden na de doop van Christus?
6. Moesten degenen, die met het doopsel van Joannes gedoopt waren, later gedoopt worden met het doopsel van Christus?
Vervolgens moeten we het doopsel beschouwen waarmee Christus gedoopt is. En omdat Christus gedoopt is geworden met het doopsel van Joannes, moeten we eerst in het algemeen spreken over het doopsel van Joannes, en vervolgens over de doop van Christus. Aangaande het eerste stellen we zes vragen:
1. Was het wel passend, dat Joannes een doopsel toediende?
2. Kwam dat doopsel van God?
3. Deelde het genade mede?
4. Hadden er, behalve Christus, nog anderen met dat doopsel gedoopt moeten worden?
5. Had dat doopsel op moeten houden na de doop van Christus?
6. Moesten degenen, die met het doopsel van Joannes gedoopt waren, later gedoopt worden met het doopsel van Christus?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was het wel passend, dat Joannes doopte?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 38 a. 2 ad 3
IIIa q. 38 a. 4 arg. 1
IIIa q. 38 a. 4 ad 1
IIIa q. 39 a. 5 co.
IIIa q. 70 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 38 a. 2 ad 3][t:iiia q. 38 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 38 a. 4 ad 1][t:iiia q. 39 a. 5 co.][t:iiia q. 70 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 38 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Joannes doopte. De sacramentale eredienst behoort bij de een of andere wet. Nu voerde Joannes geen nieuwe wet in. Dus was het niet passend, dat hij een nieuwe doop invoerde.
IIIa q. 38 a. 2 ad 3
IIIa q. 38 a. 4 arg. 1
IIIa q. 38 a. 4 ad 1
IIIa q. 39 a. 5 co.
IIIa q. 70 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 38 a. 2 ad 3][t:iiia q. 38 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 38 a. 4 ad 1][t:iiia q. 39 a. 5 co.][t:iiia q. 70 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 38 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Joannes doopte. De sacramentale eredienst behoort bij de een of andere wet. Nu voerde Joannes geen nieuwe wet in. Dus was het niet passend, dat hij een nieuwe doop invoerde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Joannes was, gelijk een profeet, gezonden om getuigenis af te leggen, volgens Lucas (1, 76): "En gij zelf nu, kleine knaap, Profeet van de Allerhoogste zult ge genoemd worden". Maar de profeten vóór Christus hebben geen nieuwe eredienst ingevoerd, maar spoorden aan om de wettelijke eredienst te onderhouden zoals blijkt uit Malachias (4, 4): "Zijt de wet van Moses, mijn dienaar, indachtig". Dus moest ook Joannes geen nieuwe doopriten invoeren.
Vervolgens. Joannes was, gelijk een profeet, gezonden om getuigenis af te leggen, volgens Lucas (1, 76): "En gij zelf nu, kleine knaap, Profeet van de Allerhoogste zult ge genoemd worden". Maar de profeten vóór Christus hebben geen nieuwe eredienst ingevoerd, maar spoorden aan om de wettelijke eredienst te onderhouden zoals blijkt uit Malachias (4, 4): "Zijt de wet van Moses, mijn dienaar, indachtig". Dus moest ook Joannes geen nieuwe doopriten invoeren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Als er van iets al te veel is, moet men er niets meer bij doen. Maar de Joden hadden al meer dan genoeg wassingen: we lezen immers bij Marcus (7, 3, 4): "De Farizeën en alle Joden, eten niet, zonder zich de vingertoppen te hebben gewassen; en ze eten niets van de markt, zonder het eerst te besprenkelen; en vele andere dingen zijn er, die ze krachtens overlevering te onderhouden hebben, zoals het wassen van drinkbekers en kannen en koperen vaten en aanligbedden". Het was dus niet zoals het behoorde, dat Johannes doopte.
B: (Mark 7:3) [b:Mark 7:3] (Mark 7:4) [b:Mark 7:4]
Vervolgens. Als er van iets al te veel is, moet men er niets meer bij doen. Maar de Joden hadden al meer dan genoeg wassingen: we lezen immers bij Marcus (7, 3, 4): "De Farizeën en alle Joden, eten niet, zonder zich de vingertoppen te hebben gewassen; en ze eten niets van de markt, zonder het eerst te besprenkelen; en vele andere dingen zijn er, die ze krachtens overlevering te onderhouden hebben, zoals het wassen van drinkbekers en kannen en koperen vaten en aanligbedden". Het was dus niet zoals het behoorde, dat Johannes doopte.
B: (Mark 7:3) [b:Mark 7:3] (Mark 7:4) [b:Mark 7:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter het gezag der Schrift (Mattheus, 3, 5, 6) waar, nadat melding is gemaakt van Joannes’ heiligheid, volgt dat velen tot hem uitliepen en zich door hem lieten dopen in de Jordaan.
B: (Matt 3:5) [b:Matt 3:5] (Matt 3:6) [b:Matt 3:6]
Daartegenover staat echter het gezag der Schrift (Mattheus, 3, 5, 6) waar, nadat melding is gemaakt van Joannes’ heiligheid, volgt dat velen tot hem uitliepen en zich door hem lieten dopen in de Jordaan.
B: (Matt 3:5) [b:Matt 3:5] (Matt 3:6) [b:Matt 3:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 1 co.
Mijn antwoord. Om vier redenen was het passend dat Joannes een doopsel toediende. En wel ten eerste, omdat Christus door Joannes moest gedoopt worden, ten einde het doopsel te heiligen, zoals Augustinus zegt in zijn 13e Verhandeling over Joannes. Ten tweede, opdat Christus geopenbaard zou worden. Vandaar zegt Joannes de Doper zelf (Joannes, 1, 31): "Om Hem nl. Christus, aan Israël bekend te maken, daarom ben ik komen dopen met water". Want toen de menigte samenstroomde, verkondigde hij Christus: dit kon zo gemakkelijker gebeuren, dan wanneer hij de mensen één voor één was afgelopen, zoals Chrysostomus zegt in zijn 10e Homelie op Mattheus. Ten derde, om door zijn doopsel de mensen met het doopsel van Christus vertrouwd te maken. Vandaar zegt Gregorius in zijn 7e Homelie op het Evangelie, dat Joannes doopte "om, gelijk hij de geboorte des Heren in geboorte was voorafgegaan, geheel in de lijn van zijn voorloperschap ook diens toekomstig doopsel met te dopen voor te gaan". Ten vierde om, door de mensen tot boetvaardigheid aan te sporen, ze voor te bereiden op een waardig ontvangen van het doopsel van Christus. Vandaar zegt Beda (Scotus Erigena, Verklaring van het Evangelie van Joannes, 3, 24) dat "zo voordelig als de geloofsleer was voor de nog niet gedoopte catechumenen even zo voordelig was het doopsel van Joannes, dat toegediend werd vóór het doopsel van Christus. Want evenals hij boetvaardigheid predikte, Christus’ doopsel aankondigde en de mensen trok tot de kennis der waarheid, die aan de wereld verschenen was, zo doen ook de bedienaren der Kerk. Want eerst onderrichten ze; daarna zorgen ze er voor, dat ze hun zonden niet meer goedachten en ten slotte beloven ze de vergiffenis in het doopsel van Christus".
Mijn antwoord. Om vier redenen was het passend dat Joannes een doopsel toediende. En wel ten eerste, omdat Christus door Joannes moest gedoopt worden, ten einde het doopsel te heiligen, zoals Augustinus zegt in zijn 13e Verhandeling over Joannes. Ten tweede, opdat Christus geopenbaard zou worden. Vandaar zegt Joannes de Doper zelf (Joannes, 1, 31): "Om Hem nl. Christus, aan Israël bekend te maken, daarom ben ik komen dopen met water". Want toen de menigte samenstroomde, verkondigde hij Christus: dit kon zo gemakkelijker gebeuren, dan wanneer hij de mensen één voor één was afgelopen, zoals Chrysostomus zegt in zijn 10e Homelie op Mattheus. Ten derde, om door zijn doopsel de mensen met het doopsel van Christus vertrouwd te maken. Vandaar zegt Gregorius in zijn 7e Homelie op het Evangelie, dat Joannes doopte "om, gelijk hij de geboorte des Heren in geboorte was voorafgegaan, geheel in de lijn van zijn voorloperschap ook diens toekomstig doopsel met te dopen voor te gaan". Ten vierde om, door de mensen tot boetvaardigheid aan te sporen, ze voor te bereiden op een waardig ontvangen van het doopsel van Christus. Vandaar zegt Beda (Scotus Erigena, Verklaring van het Evangelie van Joannes, 3, 24) dat "zo voordelig als de geloofsleer was voor de nog niet gedoopte catechumenen even zo voordelig was het doopsel van Joannes, dat toegediend werd vóór het doopsel van Christus. Want evenals hij boetvaardigheid predikte, Christus’ doopsel aankondigde en de mensen trok tot de kennis der waarheid, die aan de wereld verschenen was, zo doen ook de bedienaren der Kerk. Want eerst onderrichten ze; daarna zorgen ze er voor, dat ze hun zonden niet meer goedachten en ten slotte beloven ze de vergiffenis in het doopsel van Christus".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Het doopsel van Joannes was, op zich genomen, geen sacrament, maar het werkte als een sacramentale, door op het doopsel van Christus voor te bereiden. En dus behoorde het in zeker opzicht tot de wet van Christus: maar niet tot de wet van Mozes.
B: (John 1:31, John 1:31) [b:John 1:31]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 70 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 70 a. 1 arg. 3]
1e Weerlegging. Het doopsel van Joannes was, op zich genomen, geen sacrament, maar het werkte als een sacramentale, door op het doopsel van Christus voor te bereiden. En dus behoorde het in zeker opzicht tot de wet van Christus: maar niet tot de wet van Mozes.
B: (John 1:31, John 1:31) [b:John 1:31]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 70 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 70 a. 1 arg. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Joannes was niet alleen een profeet, maar, zoals bij *Matthes* gezegd wordt (11, 9), meer dan een profeet: hij was immers het einde der wet en het begin des Evangelies. En dus kwam het hem meer toe de mensen door woord en daad aan te sporen tot de wet van Christus, dan tot het onderhouden der oude wet.
2e Weerlegging. Joannes was niet alleen een profeet, maar, zoals bij *Matthes* gezegd wordt (11, 9), meer dan een profeet: hij was immers het einde der wet en het begin des Evangelies. En dus kwam het hem meer toe de mensen door woord en daad aan te sporen tot de wet van Christus, dan tot het onderhouden der oude wet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Die wassingen der Farizeeën waren ijdel, omdat ze alleen maar de reinheid des vleses bedoelden. Maar het doopsel van Joannes beoogde geestelijke reinheid: want hij spoorde de mensen aan tot boetvaardigheid, zoals in de leerstelling gezegd is.
3e Weerlegging. Die wassingen der Farizeeën waren ijdel, omdat ze alleen maar de reinheid des vleses bedoelden. Maar het doopsel van Joannes beoogde geestelijke reinheid: want hij spoorde de mensen aan tot boetvaardigheid, zoals in de leerstelling gezegd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Kwam Joannes’ doopsel van God?
IIIa q. 38 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het doopsel van Joannes niet van God was. Geen enkel sacramentale immers, dat van God komt, wordt genoemd naar iemand die louter mens is; zo wordt het doopsel der nieuwe wet niet genoemd naar Petrus of Paulus, maar naar Christus. Maar dit doopsel wordt genoemd naar Joannes volgens Mattheus (21, 25): "Het doopsel van Joannes, was dat van de hemel of van de mensen?" Dus was het doopsel van Joannes niet van God.
B: (Matt 21:25) [b:Matt 21:25]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het doopsel van Joannes niet van God was. Geen enkel sacramentale immers, dat van God komt, wordt genoemd naar iemand die louter mens is; zo wordt het doopsel der nieuwe wet niet genoemd naar Petrus of Paulus, maar naar Christus. Maar dit doopsel wordt genoemd naar Joannes volgens Mattheus (21, 25): "Het doopsel van Joannes, was dat van de hemel of van de mensen?" Dus was het doopsel van Joannes niet van God.
B: (Matt 21:25) [b:Matt 21:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Iedere leer die nieuw van God komt, wordt door enkele tekenen bevestigd: daarom gaf ook de Heer aan Moses de macht om tekenen te verrichten (Exodus, 4) en lezen we in de Brief aan de Hebreën, (2, 3, 4): "Daar ons geloof het eerst door de Heer is gepreekt, onder ons werd bevestigd door hen die Hem hoorden en ook door God is betuigd door tekenen en wonderen". Maar van Joannes staat geschreven (Joannes, 10, 41): "Joannes heeft geen enkel teken verricht". Dus schijnt het doopsel, waarmee hij doopte, ook niet van God te zijn.
B: (Exod 4) [b:Exod 4] (John 10:41, John 10:41) [b:John 10:41] (Heb 2:3) [b:Heb 2:3] (Heb 2:4) [b:Heb 2:4]
Vervolgens. Iedere leer die nieuw van God komt, wordt door enkele tekenen bevestigd: daarom gaf ook de Heer aan Moses de macht om tekenen te verrichten (Exodus, 4) en lezen we in de Brief aan de Hebreën, (2, 3, 4): "Daar ons geloof het eerst door de Heer is gepreekt, onder ons werd bevestigd door hen die Hem hoorden en ook door God is betuigd door tekenen en wonderen". Maar van Joannes staat geschreven (Joannes, 10, 41): "Joannes heeft geen enkel teken verricht". Dus schijnt het doopsel, waarmee hij doopte, ook niet van God te zijn.
B: (Exod 4) [b:Exod 4] (John 10:41, John 10:41) [b:John 10:41] (Heb 2:3) [b:Heb 2:3] (Heb 2:4) [b:Heb 2:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De sacramenten die door God zijn ingesteld, liggen vervat in enkele voorschriften der H. Schrift. Maar het doopsel van Johannes wordt door geen enkel voorschrift der H. Schrift voorgeschreven. Het schijnt dus wel, dat het niet van God gekomen is.
Vervolgens. De sacramenten die door God zijn ingesteld, liggen vervat in enkele voorschriften der H. Schrift. Maar het doopsel van Johannes wordt door geen enkel voorschrift der H. Schrift voorgeschreven. Het schijnt dus wel, dat het niet van God gekomen is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter wat geschreven staat bij Joannes (1, 33): "Hij die mij zond om in water te dopen, Hij sprak tot mij: Op wien je de Geest ziet..." enz.
B: (Joh. 1, 33, (Jo 1:33)) [b:Joh. 1, 33]
Daartegenover staat echter wat geschreven staat bij Joannes (1, 33): "Hij die mij zond om in water te dopen, Hij sprak tot mij: Op wien je de Geest ziet..." enz.
B: (Joh. 1, 33, (Jo 1:33)) [b:Joh. 1, 33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 2 co.
Mijn antwoord. In het doopsel van Joannes kunnen twee dingen beschouwd worden en wel de wijze van dopen en de uitwerking van het doopsel. De wijze van dopen nu kwam niet van de mensen maar van God, die door een vertrouwelijke openbaring van de Heilige Geest Joannes had uitgezonden om te dopen. De uitwerking daarentegen van dat doopsel kwam van de mensen: want niets werd in dat doopsel uitgewerkt wat ook de mens niet kan doen. Dus was het niet van God alleen, behalve dan in zover God in de mens werkt.
Mijn antwoord. In het doopsel van Joannes kunnen twee dingen beschouwd worden en wel de wijze van dopen en de uitwerking van het doopsel. De wijze van dopen nu kwam niet van de mensen maar van God, die door een vertrouwelijke openbaring van de Heilige Geest Joannes had uitgezonden om te dopen. De uitwerking daarentegen van dat doopsel kwam van de mensen: want niets werd in dat doopsel uitgewerkt wat ook de mens niet kan doen. Dus was het niet van God alleen, behalve dan in zover God in de mens werkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Door het doopsel van de nieuwe wet worden de mensen inwendig door de H. Geest gedoopt, wat alleen God doet. Door de doop van Joannes echter werd alleen het lichaam door water gereinigd. Vandaar lezen we bij Mattheus (3, 11): "Ik doop u met water: Hij zal u dopen met de Heilige Geest". Het doopsel van Joannes wordt dus naar hem genoemd, omdat er niets in uitgewerkt werd, wat hij zelf niet deed. Het doopsel der nieuwe wet echter wordt niet naar de bedienaar genoemd, daar deze de voornaamste uitwerking van het doopsel nl. de inwendige reiniging, niet bewerkt.
B: (Matt 3:11) [b:Matt 3:11]
1e Weerlegging. Door het doopsel van de nieuwe wet worden de mensen inwendig door de H. Geest gedoopt, wat alleen God doet. Door de doop van Joannes echter werd alleen het lichaam door water gereinigd. Vandaar lezen we bij Mattheus (3, 11): "Ik doop u met water: Hij zal u dopen met de Heilige Geest". Het doopsel van Joannes wordt dus naar hem genoemd, omdat er niets in uitgewerkt werd, wat hij zelf niet deed. Het doopsel der nieuwe wet echter wordt niet naar de bedienaar genoemd, daar deze de voornaamste uitwerking van het doopsel nl. de inwendige reiniging, niet bewerkt.
B: (Matt 3:11) [b:Matt 3:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. De gehele leer en werkzaamheid van Joannes was gericht op Christus, die door vele tekenen, niet alleen zijn eigen leer, maar ook die van Joannes bekrachtigde. Indien nu Joannes tekenen verricht had, dan zouden de mensen Joannes en Christus op een lijn gesteld hebben. Opdat dus de mensen zich hoofdzakelijk tot Christus zouden wenden, daarom werd het aan Joannes niet gegeven een teken te verrichten. Toen echter de Joden vroegen, waarom hij doopte, bevestigde hij zijn zending met het gezag der Schrift door te zeggen: "Ik ben de stem van een roepende in de woestijn... enz.", zoals geschreven staat bij Joannes (1, 19). Zijn strenge levenswijze was ook een aanbeveling voor zijn zending, omdat, zoals Chrysostomus zegt (10e Homelie op Mattheus): "Het was iets wonderlijks in een menselijk lichaam zo’n geduld te zien".
B: (Isa 40:3) [b:Isa 40:3] (John 1:23, John 1:23) [b:John 1:23]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 38 a. 3 co.[t:iiia q. 38 a. 3 co.]
2e Weerlegging. De gehele leer en werkzaamheid van Joannes was gericht op Christus, die door vele tekenen, niet alleen zijn eigen leer, maar ook die van Joannes bekrachtigde. Indien nu Joannes tekenen verricht had, dan zouden de mensen Joannes en Christus op een lijn gesteld hebben. Opdat dus de mensen zich hoofdzakelijk tot Christus zouden wenden, daarom werd het aan Joannes niet gegeven een teken te verrichten. Toen echter de Joden vroegen, waarom hij doopte, bevestigde hij zijn zending met het gezag der Schrift door te zeggen: "Ik ben de stem van een roepende in de woestijn... enz.", zoals geschreven staat bij Joannes (1, 19). Zijn strenge levenswijze was ook een aanbeveling voor zijn zending, omdat, zoals Chrysostomus zegt (10e Homelie op Mattheus): "Het was iets wonderlijks in een menselijk lichaam zo’n geduld te zien".
B: (Isa 40:3) [b:Isa 40:3] (John 1:23, John 1:23) [b:John 1:23]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 38 a. 3 co.[t:iiia q. 38 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Om de redenen, in het vorige artikel uiteengezet, zou het doopsel van Joannes, in Gods bestel, maar van korten duur zijn. En daarom werd het niet door een algemeen voorschrift in de heilige Schrift aanbevolen, maar alleen door een vertrouwelijke openbaring van de H. Geest.
R: q. 38 a. 1[t:iiia q. 38 a. 1]
3e Weerlegging. Om de redenen, in het vorige artikel uiteengezet, zou het doopsel van Joannes, in Gods bestel, maar van korten duur zijn. En daarom werd het niet door een algemeen voorschrift in de heilige Schrift aanbevolen, maar alleen door een vertrouwelijke openbaring van de H. Geest.
R: q. 38 a. 1[t:iiia q. 38 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Werd in het doopsel van Joannes genade medegedeeld?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 38 a. 4 arg. 2
IIIa q. 70 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 38 a. 4 arg. 2][t:iiia q. 70 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 38 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat in het doopsel van Joannes genade werd medegedeeld. Bij Marcus lezen we immers (1, 4): "Joannes de Doper trad op in de woestijn, en preekte een doopsel van boetvaardigheid tot vergiffenis der zonden". Boetvaardigheid nu en vergiffenis van zonden komen van de genade. Dus deelde het doopsel van Joannes genade mede.
B: (Mark 1:4) [b:Mark 1:4]
IIIa q. 38 a. 4 arg. 2
IIIa q. 70 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 38 a. 4 arg. 2][t:iiia q. 70 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 38 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat in het doopsel van Joannes genade werd medegedeeld. Bij Marcus lezen we immers (1, 4): "Joannes de Doper trad op in de woestijn, en preekte een doopsel van boetvaardigheid tot vergiffenis der zonden". Boetvaardigheid nu en vergiffenis van zonden komen van de genade. Dus deelde het doopsel van Joannes genade mede.
B: (Mark 1:4) [b:Mark 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Zoals uit Mattheus (3, 6) en Marcus (1, 5) blijkt, beleden degenen die door Joannes gedoopt werden hun zonden. Maar de belijdenis der zonden is gericht op de vergiffenis der zonden, en deze komt van de genade. Dus werd in het doopsel van Joannes genade medegedeeld.
B: (Matt 3:6) [b:Matt 3:6] (Mark 1:5) [b:Mark 1:5]
Vervolgens. Zoals uit Mattheus (3, 6) en Marcus (1, 5) blijkt, beleden degenen die door Joannes gedoopt werden hun zonden. Maar de belijdenis der zonden is gericht op de vergiffenis der zonden, en deze komt van de genade. Dus werd in het doopsel van Joannes genade medegedeeld.
B: (Matt 3:6) [b:Matt 3:6] (Mark 1:5) [b:Mark 1:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Het doopsel van Joannes stond dichter bij het doopsel van Christus dan de besnijdenis. Door de besnijdenis echter werd de erfzonde vergeven, omdat, zoals Beda zegt (10° Homelie op het feest der Besnijdenis) "in de wet de besnijdenis, tot een heilzame genezing, dezelfde hulp verleende tegen de wond der erfzonde, als nu, in de tijd der geopenbaarde genade, het doopsel gewoon is te geven". Dus bewerkte veeleer het doopsel van Joannes de vergiffenis der zonden. Wat zonder genade niet kan geschieden.
Vervolgens. Het doopsel van Joannes stond dichter bij het doopsel van Christus dan de besnijdenis. Door de besnijdenis echter werd de erfzonde vergeven, omdat, zoals Beda zegt (10° Homelie op het feest der Besnijdenis) "in de wet de besnijdenis, tot een heilzame genezing, dezelfde hulp verleende tegen de wond der erfzonde, als nu, in de tijd der geopenbaarde genade, het doopsel gewoon is te geven". Dus bewerkte veeleer het doopsel van Joannes de vergiffenis der zonden. Wat zonder genade niet kan geschieden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (3, 11): "Ik doop u met water ter bekeering". En waar Gregorius dit uitlegt (7e Homelie op het Evangelie) zegt hij: "Joannes doopte niet met de Geest, maar met water, omdat hij niet in staat was van de zonden te ontbinden". Maar de genade komt van de H. Geest, en door de genade worden de zonden weggenomen. Dus deelde het doopsel van Joannes geen genade mede.
B: (Matt 3:11) [b:Matt 3:11]
Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (3, 11): "Ik doop u met water ter bekeering". En waar Gregorius dit uitlegt (7e Homelie op het Evangelie) zegt hij: "Joannes doopte niet met de Geest, maar met water, omdat hij niet in staat was van de zonden te ontbinden". Maar de genade komt van de H. Geest, en door de genade worden de zonden weggenomen. Dus deelde het doopsel van Joannes geen genade mede.
B: (Matt 3:11) [b:Matt 3:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (het vorige Art., Antw. op de 2e Bed.) diende de gehele leer en werkzaamheid van Joannes als voorbereiding tot Christus, op dezelfde wijze als het de taak van een knecht en van een mindere kunstenaar is, om de stof klaar te maken voor de vorm, die de hoofdkunstenaar er inbrengt. Nu moest de genade aan de mensen gegeven worden door Christus volgens het woord van Joannes (1, 17): "De genade en waarheid zijn door Jesus Christus gekomen". En dit is de reden, dat het doopsel van Joannes de genade niet mededeelde, maar er slechts op voorbereidde. En dat op drie manieren. En wel op de eerste manier door de leer van Joannes, die de mensen tot het geloof in Christus leidde. Op de tweede manier door de mensen te wennen aan het ritueel van het doopsel van Christus. Op de derde manier door de boetvaardigheid, die de mensen voorbereidde om de uitwerking van Christus’ doopsel te ontvangen.
B: (John 1:17) [b:John 1:17]
R: q. 38 a. 2 ad 2[t:iiia q. 38 a. 2 ad 2]
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (het vorige Art., Antw. op de 2e Bed.) diende de gehele leer en werkzaamheid van Joannes als voorbereiding tot Christus, op dezelfde wijze als het de taak van een knecht en van een mindere kunstenaar is, om de stof klaar te maken voor de vorm, die de hoofdkunstenaar er inbrengt. Nu moest de genade aan de mensen gegeven worden door Christus volgens het woord van Joannes (1, 17): "De genade en waarheid zijn door Jesus Christus gekomen". En dit is de reden, dat het doopsel van Joannes de genade niet mededeelde, maar er slechts op voorbereidde. En dat op drie manieren. En wel op de eerste manier door de leer van Joannes, die de mensen tot het geloof in Christus leidde. Op de tweede manier door de mensen te wennen aan het ritueel van het doopsel van Christus. Op de derde manier door de boetvaardigheid, die de mensen voorbereidde om de uitwerking van Christus’ doopsel te ontvangen.
B: (John 1:17) [b:John 1:17]
R: q. 38 a. 2 ad 2[t:iiia q. 38 a. 2 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Met deze woorden kan, zoals Beda zegt (Verklaring van Marcus, 1° B., op 1, 4) een tweevoudig doopsel bedoeld zijn. En wel ten eerste het doopsel dat Joannes toediende. En dit doopsel wordt een doopsel van boetvaardigheid genoemd, omdat het een soort aansporing tot boetvaardigheid was, en als 't ware een soort openlijke verklaring, waardoor de mensen zich verbonden boetvaardigheid te zullen doen. Ten tweede het doopsel van Christus, waardoor de zonden vergeven worden: en dit kon Joannes niet toedienen, maar slechts prediken, wat hij deed, toen hij zei: "Hij zal u dopen met de Heilige Geest". (Marcus, 1, 8; Mattheus, 11). Men kan ook zeggen dat hij een doopsel van boetvaardigheid d. i. voerend tot boetvaardigheid, preekte: en het is deze boetvaardigheid die de mensen tot de vergiffenis der zonden brengt. Men kan ook nog zeggen, dat, zoals Hieronymus zegt (Verklaring van Marcus, 1, 4): "door het doopsel van Christus de genade gegeven wordt, waardoor de zonden om niet kwijtgescholden worden: wat nu door de Bruidegom voleind wordt, wordt ingezet door de bruidsjonker" d. i. door Joannes. Als er dus staat dat hij doopte en een doopsel van boetvaardigheid preekte tot vergiffenis der zonden, wil dat niet zeggen, dat hij die zelf uitwerkte, maar dat hij er, door er op voor te bereiden een aanvang mee maakte.
B: (Mark 1:4) [b:Mark 1:4]
1e Weerlegging. Met deze woorden kan, zoals Beda zegt (Verklaring van Marcus, 1° B., op 1, 4) een tweevoudig doopsel bedoeld zijn. En wel ten eerste het doopsel dat Joannes toediende. En dit doopsel wordt een doopsel van boetvaardigheid genoemd, omdat het een soort aansporing tot boetvaardigheid was, en als 't ware een soort openlijke verklaring, waardoor de mensen zich verbonden boetvaardigheid te zullen doen. Ten tweede het doopsel van Christus, waardoor de zonden vergeven worden: en dit kon Joannes niet toedienen, maar slechts prediken, wat hij deed, toen hij zei: "Hij zal u dopen met de Heilige Geest". (Marcus, 1, 8; Mattheus, 11). Men kan ook zeggen dat hij een doopsel van boetvaardigheid d. i. voerend tot boetvaardigheid, preekte: en het is deze boetvaardigheid die de mensen tot de vergiffenis der zonden brengt. Men kan ook nog zeggen, dat, zoals Hieronymus zegt (Verklaring van Marcus, 1, 4): "door het doopsel van Christus de genade gegeven wordt, waardoor de zonden om niet kwijtgescholden worden: wat nu door de Bruidegom voleind wordt, wordt ingezet door de bruidsjonker" d. i. door Joannes. Als er dus staat dat hij doopte en een doopsel van boetvaardigheid preekte tot vergiffenis der zonden, wil dat niet zeggen, dat hij die zelf uitwerkte, maar dat hij er, door er op voor te bereiden een aanvang mee maakte.
B: (Mark 1:4) [b:Mark 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Die zondenbelijdenis vond niet plaats ten einde de vergiffenis der zonden te verkrijgen, terstond door het doopsel van Johannes te verlenen; maar om ze te verkrijgen door de daarop volgende boetvaardigheid en het doopsel van Christus, waartoe die boetvaardigheid een voorbereiding was.
2e Weerlegging. Die zondenbelijdenis vond niet plaats ten einde de vergiffenis der zonden te verkrijgen, terstond door het doopsel van Johannes te verlenen; maar om ze te verkrijgen door de daarop volgende boetvaardigheid en het doopsel van Christus, waartoe die boetvaardigheid een voorbereiding was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De besnijdenis was ingesteld als een geneesmiddel tegen de erfzonde. Het doopsel van Joannes was echter niet daarvoor ingesteld, maar was alleen een voorbereiding op het doopsel van Christus, zoals gezegd is (in de leerstelling en in het 1e Artikel). De sacramenten hebben echter krachtens hun instelling hun uitwerking.
B: (Mark 1) [b:Mark 1]
3e Weerlegging. De besnijdenis was ingesteld als een geneesmiddel tegen de erfzonde. Het doopsel van Joannes was echter niet daarvoor ingesteld, maar was alleen een voorbereiding op het doopsel van Christus, zoals gezegd is (in de leerstelling en in het 1e Artikel). De sacramenten hebben echter krachtens hun instelling hun uitwerking.
B: (Mark 1) [b:Mark 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Had alleen Christus met het doopsel van Joannes moeten gedoopt worden?
IIIa q. 38 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat alleen Christus met het doopsel van Joannes had moeten gedoopt worden. Zoals immers gezegd is (1° Art.) Joannes doopte met het doel, dat Christus zou gedoopt worden, zoals Augustinus zegt in zijn 13° Verhandeling over Joannes. Maar wat Christus eigen is, komt niet aan anderen toe. Dus moest niemand anders met die doop gedoopt worden.
R: q. 38 a. 1[t:iiia q. 38 a. 1]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat alleen Christus met het doopsel van Joannes had moeten gedoopt worden. Zoals immers gezegd is (1° Art.) Joannes doopte met het doel, dat Christus zou gedoopt worden, zoals Augustinus zegt in zijn 13° Verhandeling over Joannes. Maar wat Christus eigen is, komt niet aan anderen toe. Dus moest niemand anders met die doop gedoopt worden.
R: q. 38 a. 1[t:iiia q. 38 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Al wie gedoopt wordt, ontvangt iets van het doopsel, of deelt er iets aan mee. Maar van het doopsel van Joannes kon niemand iets ontvangen, omdat er geen genade in meegedeeld werd, zoals gezegd is (3° Art.). Ook kon niemand, behalve Christus, iets aan het doopsel mededelen, die "door de aanraking van zijn allerzuiverste vlees, de wateren heiligde". (Petrus Lombardus, 4° B. der Sententies 3° Afd. H. Indien nu..."). Het schijnt dus wel, dat alleen Christus met het doopsel van Joannes had moeten gedoopt worden.
R: q. 38 a. 3[t:iiia q. 38 a. 3]
Vervolgens. Al wie gedoopt wordt, ontvangt iets van het doopsel, of deelt er iets aan mee. Maar van het doopsel van Joannes kon niemand iets ontvangen, omdat er geen genade in meegedeeld werd, zoals gezegd is (3° Art.). Ook kon niemand, behalve Christus, iets aan het doopsel mededelen, die "door de aanraking van zijn allerzuiverste vlees, de wateren heiligde". (Petrus Lombardus, 4° B. der Sententies 3° Afd. H. Indien nu..."). Het schijnt dus wel, dat alleen Christus met het doopsel van Joannes had moeten gedoopt worden.
R: q. 38 a. 3[t:iiia q. 38 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Als anderen met dat doopsel gedoopt werden, geschiedde dit alleen, om ze voor te bereiden op het doopsel van Christus: en zo scheen het passend, dat, evenals het doopsel van Christus aan eenieder toegediend wordt — aan grooten en kleinen, heidenen en Joden — het doopsel van Joannes ook zo zou toegediend worden. Maar er staat nergens te lezen, dat er kinderen mee gedoopt werden, evenmin als heidenen. Want Marcus zegt (1, 5): "Allen uit Jeruzalem liepen naar hem uit, en werden door hem gedoopt". Dus schijnt het wel, dat alleen Christus door Joannes had moeten gedoopt worden.
B: (Mark 1:5) [b:Mark 1:5]
Vervolgens. Als anderen met dat doopsel gedoopt werden, geschiedde dit alleen, om ze voor te bereiden op het doopsel van Christus: en zo scheen het passend, dat, evenals het doopsel van Christus aan eenieder toegediend wordt — aan grooten en kleinen, heidenen en Joden — het doopsel van Joannes ook zo zou toegediend worden. Maar er staat nergens te lezen, dat er kinderen mee gedoopt werden, evenmin als heidenen. Want Marcus zegt (1, 5): "Allen uit Jeruzalem liepen naar hem uit, en werden door hem gedoopt". Dus schijnt het wel, dat alleen Christus door Joannes had moeten gedoopt worden.
B: (Mark 1:5) [b:Mark 1:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Lucas zegt (3, 21): "Toen nu al het volk zich liet dopen, en ook Jezus gedoopt was, ging eensklaps, terwijl hij aan het bidden was, de hemel open".
B: (Luke 3:21) [b:Luke 3:21]
Daartegenover staat echter, dat Lucas zegt (3, 21): "Toen nu al het volk zich liet dopen, en ook Jezus gedoopt was, ging eensklaps, terwijl hij aan het bidden was, de hemel open".
B: (Luke 3:21) [b:Luke 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 4 co.
Mijn antwoord. Om een tweevoudige reden bestond het, dat er ook anderen dan alleen Christus, met het doopsel van Joannes gedoopt werden. En wel ten eerste omdat, zoals Augustinus zegt (4e en 5e Verhandeling over Joannes): "als alleen Christus met het doopsel van Joannes zou gedoopt zijn, dan zou het niet aan mensen ontbroken hebben, die zouden zeggen, dat het doopsel van Joannes, waarmee Christus gedoopt werd, van hogere waarde was, dan het doopsel van Christus, waarmee anderen gedoopt worden". En ten tweede, omdat, zoals gezegd is (1° en 3° Art.), anderen door het doopsel van Joannes op het doopsel van Christus voorbereid moesten worden.
Mijn antwoord. Om een tweevoudige reden bestond het, dat er ook anderen dan alleen Christus, met het doopsel van Joannes gedoopt werden. En wel ten eerste omdat, zoals Augustinus zegt (4e en 5e Verhandeling over Joannes): "als alleen Christus met het doopsel van Joannes zou gedoopt zijn, dan zou het niet aan mensen ontbroken hebben, die zouden zeggen, dat het doopsel van Joannes, waarmee Christus gedoopt werd, van hogere waarde was, dan het doopsel van Christus, waarmee anderen gedoopt worden". En ten tweede, omdat, zoals gezegd is (1° en 3° Art.), anderen door het doopsel van Joannes op het doopsel van Christus voorbereid moesten worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Niet daarom alleen was het doopsel van Joannes ingesteld, opdat Christus zich zou kunnen laten dopen, maar ook nog om andere redenen, zoals gezegd is (1° Art.). Maar ook al zou het alleen daarom ingesteld zijn, dat Christus er mee zou kunnen gedoopt worden, toch bestond het, dat er ook nog anderen mee gedoopt werden, ten einde het bezwaar te vermijden, dat we in de leerstelling hebben uiteengezet.
R: q. 38 a. 1[t:iiia q. 38 a. 1]
1e Weerlegging. Niet daarom alleen was het doopsel van Joannes ingesteld, opdat Christus zich zou kunnen laten dopen, maar ook nog om andere redenen, zoals gezegd is (1° Art.). Maar ook al zou het alleen daarom ingesteld zijn, dat Christus er mee zou kunnen gedoopt worden, toch bestond het, dat er ook nog anderen mee gedoopt werden, ten einde het bezwaar te vermijden, dat we in de leerstelling hebben uiteengezet.
R: q. 38 a. 1[t:iiia q. 38 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Als anderen tot het doopsel van Joannes naderden, hebben ze er wel niets aan kunnen mededelen en ontvingen er evenmin genade door, maar alleen een teken van boetvaardigheid.
2e Weerlegging. Als anderen tot het doopsel van Joannes naderden, hebben ze er wel niets aan kunnen mededelen en ontvingen er evenmin genade door, maar alleen een teken van boetvaardigheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Dat doopsel was een doopsel van boetvaardigheid, waartoe kinderen nog niet verplicht zijn; en daarom werden er geen kinderen met dit doopsel gedoopt. — De heidenen echter de weg des heils mede te delen, was aan Christus voorbehouden, die, zoals in het Boek Genesis staat (49, 10), de Verwachting der Heidenen is. Maar nu verbood zelfs Christus aan zijn Apostelen de heidenen, vóór zijn lijden en verrijzenis, het Evangelie te prediken (Matth. 10, 5). En dus paste het nog veel minder dat door Joannes de heidenen tot het doopsel toegelaten werden.
3e Weerlegging. Dat doopsel was een doopsel van boetvaardigheid, waartoe kinderen nog niet verplicht zijn; en daarom werden er geen kinderen met dit doopsel gedoopt. — De heidenen echter de weg des heils mede te delen, was aan Christus voorbehouden, die, zoals in het Boek Genesis staat (49, 10), de Verwachting der Heidenen is. Maar nu verbood zelfs Christus aan zijn Apostelen de heidenen, vóór zijn lijden en verrijzenis, het Evangelie te prediken (Matth. 10, 5). En dus paste het nog veel minder dat door Joannes de heidenen tot het doopsel toegelaten werden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Had het doopsel van Joannes niet moeten ophouden, nadat Christus er mee gedoopt was?
IIIa q. 38 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het doopsel van Joannes had moeten ophouden, nadat Christus gedoopt was. Joannes zegt immers (1, 31): "Maar juist daarom kwam ik dopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken". Maar toen Christus gedoopt was, was Hij voldoende bekend gemaakt: zowel door het getuigenis van Joannes, als door de nederdaling van een duif en ook door het getuigenis van de stem des Vaders. Dus schijnt het zo, dat het doopsel van Joannes daarna niet had moeten voortduren.
B: (John 1:31, John 1:31) [b:John 1:31]
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het doopsel van Joannes had moeten ophouden, nadat Christus gedoopt was. Joannes zegt immers (1, 31): "Maar juist daarom kwam ik dopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken". Maar toen Christus gedoopt was, was Hij voldoende bekend gemaakt: zowel door het getuigenis van Joannes, als door de nederdaling van een duif en ook door het getuigenis van de stem des Vaders. Dus schijnt het zo, dat het doopsel van Joannes daarna niet had moeten voortduren.
B: (John 1:31, John 1:31) [b:John 1:31]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Augustinus zegt in zijn 4° Verhandeling op Joannes: "Christus werd gedoopt en het doopsel van Joannes hield op". Dus had Joannes na Christus’ doop niet meer moeten dopen.
Vervolgens. Augustinus zegt in zijn 4° Verhandeling op Joannes: "Christus werd gedoopt en het doopsel van Joannes hield op". Dus had Joannes na Christus’ doop niet meer moeten dopen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Het doopsel van Joannes was een voorbereiding op het doopsel van Christus. Maar Christus’ doopsel begon onmiddellijk na de doop van Christus: want zoals Beda zegt (Verklaring van Lucas, 3, 21): "gaf Hij door de aanraking van zijn allerzuiverste vlees, aan het water de kracht ter wedergeboorte". Dus had het doopsel van Joannes, na Christus’ doop, op moeten houden.
Vervolgens. Het doopsel van Joannes was een voorbereiding op het doopsel van Christus. Maar Christus’ doopsel begon onmiddellijk na de doop van Christus: want zoals Beda zegt (Verklaring van Lucas, 3, 21): "gaf Hij door de aanraking van zijn allerzuiverste vlees, aan het water de kracht ter wedergeboorte". Dus had het doopsel van Joannes, na Christus’ doop, op moeten houden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter wat Joannes zegt (3, 22, 23): "Daarna ging Jesus naar het platteland van Judea en doopte: maar ook Joannes diende het doopsel toe". Maar Christus doopte niet dan toen Hij zelf gedoopt was. Dus schijnt het wel, dat ook nadat Christus al gedoopt was, Joannes nog doopte.
B: (John 3:22) [b:John 3:22] (John 3:23, John 3:23) [b:John 3:23]
Daartegenover staat echter wat Joannes zegt (3, 22, 23): "Daarna ging Jesus naar het platteland van Judea en doopte: maar ook Joannes diende het doopsel toe". Maar Christus doopte niet dan toen Hij zelf gedoopt was. Dus schijnt het wel, dat ook nadat Christus al gedoopt was, Joannes nog doopte.
B: (John 3:22) [b:John 3:22] (John 3:23, John 3:23) [b:John 3:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 5 co.
Mijn antwoord. Het doopsel van Joannes behoefde na de doop van Christus niet op te houden. En wel ten eerste, omdat, zoals Chrysostomus zegt (29e Homelie op Joannes): "Als Joannes, na de doop van Christus, met dopen had opgehouden, dan zou men gedacht hebben, dat hij er uit naïvere of toorn mee ophield". — Ten tweede, omdat, als hij na de doop van Christus met dopen had opgehouden, hij zijn leerlingen tot nog groteren naïver zou gebracht hebben. (Chrysostomus t. a. p.) — Ten derde, omdat hij, door met dopen door te gaan, zijn toehoorders tot Christus zond. (Chrys. t. a. p.) — En ten vierde, om wat Beda zegt (Gewone Glossa, op Joannes, 3, 23): "nog duurde de schaduw der oude wet : en dus behoorde de voorloper pas op te houden, toen de waarheid bekend werd".
Mijn antwoord. Het doopsel van Joannes behoefde na de doop van Christus niet op te houden. En wel ten eerste, omdat, zoals Chrysostomus zegt (29e Homelie op Joannes): "Als Joannes, na de doop van Christus, met dopen had opgehouden, dan zou men gedacht hebben, dat hij er uit naïvere of toorn mee ophield". — Ten tweede, omdat, als hij na de doop van Christus met dopen had opgehouden, hij zijn leerlingen tot nog groteren naïver zou gebracht hebben. (Chrysostomus t. a. p.) — Ten derde, omdat hij, door met dopen door te gaan, zijn toehoorders tot Christus zond. (Chrys. t. a. p.) — En ten vierde, om wat Beda zegt (Gewone Glossa, op Joannes, 3, 23): "nog duurde de schaduw der oude wet : en dus behoorde de voorloper pas op te houden, toen de waarheid bekend werd".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Christus was nog niet volkomen bekend, nadat Hij gedoopt was. En dus bleef het nodig, dat Johannes doopte.
1e Weerlegging. Christus was nog niet volkomen bekend, nadat Hij gedoopt was. En dus bleef het nodig, dat Johannes doopte.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Het doopsel van Joannes hield wel op, toen Christus gedoopt was, maar niet ogenblikkelijk, doch toen hij gevangen gezet was. Vandaar zegt Chrysostomus (t. a. p.): "De reden, waarom de dood van Joannes is toegelaten geworden, en Christus het meest begon te preken, toen hij uit de weg geruimd was, is volgens mijn mening deze, dat het in de bedoeling lag, dat de genegenheid van het hele volk op Christus zou overgaan, en het niet verder meer verdeeld zou worden door de opinies die er over beiden bestonden".
2e Weerlegging. Het doopsel van Joannes hield wel op, toen Christus gedoopt was, maar niet ogenblikkelijk, doch toen hij gevangen gezet was. Vandaar zegt Chrysostomus (t. a. p.): "De reden, waarom de dood van Joannes is toegelaten geworden, en Christus het meest begon te preken, toen hij uit de weg geruimd was, is volgens mijn mening deze, dat het in de bedoeling lag, dat de genegenheid van het hele volk op Christus zou overgaan, en het niet verder meer verdeeld zou worden door de opinies die er over beiden bestonden".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Het doopsel van Joannes was niet alleen een voorbereiding tot de doop van Christus, maar ook daartoe dat anderen tot het doopsel van Christus zouden naderen. En dit was nog niet vervuld toen Christus eenmaal gedoopt was.
3e Weerlegging. Het doopsel van Joannes was niet alleen een voorbereiding tot de doop van Christus, maar ook daartoe dat anderen tot het doopsel van Christus zouden naderen. En dit was nog niet vervuld toen Christus eenmaal gedoopt was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Moesten degenen die gedoopt waren met het doopsel van Joannes, gedoopt worden met het doopsel van Christus?
IIIa q. 38 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat degenen die gedoopt waren met het doopsel van Joannes, niet moesten gedoopt worden met het doopsel van Christus. Joannes stond niet beneden de Apostelen, daar van hem geschreven staat (Mattheus, 11, 11): "Onder de kinderen der vrouwen is er geen opgestaan, die groter was dan Joannes de Doper". Maar alwie door de Apostelen gedoopt was, werd niet meer overgedoopt, doch ontving er alleen de oplegging der handen bij. Want in de Handelingen der Apostelen staat te lezen (8. 16, 17): "sommigen waren alleen maar door Philippus gedoopt in de naam van de Heer Jesus: nu legden de Apostelen, namelijk Petrus en Joannes hun de handen op, en ze ontvingen de Heilige Geest". Het schijnt dus wel, dat degenen die gedoopt waren door Joannes niet meer met het doopsel van Christus behoefden gedoopt te worden.
B: (Matt 11:11) [b:Matt 11:11] (Acts 8:16) [b:Acts 8:16] (Acts 8:17) [b:Acts 8:17]
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat degenen die gedoopt waren met het doopsel van Joannes, niet moesten gedoopt worden met het doopsel van Christus. Joannes stond niet beneden de Apostelen, daar van hem geschreven staat (Mattheus, 11, 11): "Onder de kinderen der vrouwen is er geen opgestaan, die groter was dan Joannes de Doper". Maar alwie door de Apostelen gedoopt was, werd niet meer overgedoopt, doch ontving er alleen de oplegging der handen bij. Want in de Handelingen der Apostelen staat te lezen (8. 16, 17): "sommigen waren alleen maar door Philippus gedoopt in de naam van de Heer Jesus: nu legden de Apostelen, namelijk Petrus en Joannes hun de handen op, en ze ontvingen de Heilige Geest". Het schijnt dus wel, dat degenen die gedoopt waren door Joannes niet meer met het doopsel van Christus behoefden gedoopt te worden.
B: (Matt 11:11) [b:Matt 11:11] (Acts 8:16) [b:Acts 8:16] (Acts 8:17) [b:Acts 8:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 6 arg. 2
Vervolgens. De Apostelen waren gedoopt met het doopsel van Joannes: sommigen immers van hen waren leerlingen van Joannes, zoals blijkt uit Joannes (1, 37). Maar de Apostelen schijnen niet gedoopt te zijn met het doopsel van Christus. Want Joannes zegt (4, 2): "Jesus zelf doopte niet, maar zijn leerlingen". Die dus gedoopt waren met het doopsel van Joannes moesten niet meer gedoopt worden met het doopsel van Christus.
B: (John 1:37, John 1:37) [b:John 1:37] (John 4:2) [b:John 4:2]
Vervolgens. De Apostelen waren gedoopt met het doopsel van Joannes: sommigen immers van hen waren leerlingen van Joannes, zoals blijkt uit Joannes (1, 37). Maar de Apostelen schijnen niet gedoopt te zijn met het doopsel van Christus. Want Joannes zegt (4, 2): "Jesus zelf doopte niet, maar zijn leerlingen". Die dus gedoopt waren met het doopsel van Joannes moesten niet meer gedoopt worden met het doopsel van Christus.
B: (John 1:37, John 1:37) [b:John 1:37] (John 4:2) [b:John 4:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Hij die gedoopt wordt, is minder dan hij die doopt. Maar er staat nergens te lezen, dat Johannes zelf gedoopt is met het doopsel van Christus. Dus behoefden nog veel minder zij, die door Johannes gedoopt werden, gedoopt te worden met het doopsel van Christus.
Vervolgens. Hij die gedoopt wordt, is minder dan hij die doopt. Maar er staat nergens te lezen, dat Johannes zelf gedoopt is met het doopsel van Christus. Dus behoefden nog veel minder zij, die door Johannes gedoopt werden, gedoopt te worden met het doopsel van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 6 arg. 4
Vervolgens. In de Handelingen der Apostelen wordt gezegd (19, 1-5): "Paulus trof zekere leerlingen aan, tot wie hij zei: Hebt u de Heilige Geest ontvangen, toen u gelovig werd? Maar ze antwoordden hem: Neen; we hebben zelfs niet eens gehoord, dat er een Heilige Geest bestaat. Hij zei: Met welk doopsel zijt u dan gedoopt? Ze antwoordden: Met het doopsel van Joannes. En daarom werden ze overgedoopt in de naam van onze Heer Jesus Christus". Het schijnt dus dat ze overgedoopt moesten worden, omdat ze de Heilige Geest niet kenden, zoals dan ook Hieronymus zegt in zijn Verklaring van Joel (2, 28) en in zijn Brief Over de man van de ene vrouw; en Ambrosius in zijn Werk Over de Heilige Geest (3e H.). Maar sommigen waren gedoopt met het doopsel van Joannes, die de volledige kennis der Drievuldigheid bezaten. Dus moesten ze niet overgedoopt worden met het doopsel van Christus.
B: (Joel 2:27, Joel 2:28) [b:Joel 2:27] (Acts 19:1-5) [b:Acts 19:1-5]
Vervolgens. In de Handelingen der Apostelen wordt gezegd (19, 1-5): "Paulus trof zekere leerlingen aan, tot wie hij zei: Hebt u de Heilige Geest ontvangen, toen u gelovig werd? Maar ze antwoordden hem: Neen; we hebben zelfs niet eens gehoord, dat er een Heilige Geest bestaat. Hij zei: Met welk doopsel zijt u dan gedoopt? Ze antwoordden: Met het doopsel van Joannes. En daarom werden ze overgedoopt in de naam van onze Heer Jesus Christus". Het schijnt dus dat ze overgedoopt moesten worden, omdat ze de Heilige Geest niet kenden, zoals dan ook Hieronymus zegt in zijn Verklaring van Joel (2, 28) en in zijn Brief Over de man van de ene vrouw; en Ambrosius in zijn Werk Over de Heilige Geest (3e H.). Maar sommigen waren gedoopt met het doopsel van Joannes, die de volledige kennis der Drievuldigheid bezaten. Dus moesten ze niet overgedoopt worden met het doopsel van Christus.
B: (Joel 2:27, Joel 2:28) [b:Joel 2:27] (Acts 19:1-5) [b:Acts 19:1-5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 6 arg. 5
Vervolgens. In zijn verklaring op de woorden: "Dit is het woord des geloofs dat wij preeken", (Rom., 10, 8), zegt de Glossa van Augustinus: "Vanwaar heeft het water de kracht, dat het 't hart zuivert, ofschoon het 't lichaam slechts aanraakt? Doet het woord het eigenlijk niet, niet omdat het uitgesproken wordt, maar omdat er aan geloofd wordt?" Hieruit blijkt, dat de werking van het doopsel afhankelijk is van het geloof. Nu betekende de vorm van het doopsel van Joannes het geloof, waarin wij gedoopt worden. Want Paulus zegt (Handelingen, 19, 4): "Joannes doopte met een doopsel van berouwing, maar hij sprak daarbij tot het volk, dat ze moesten geloven in Hem, die na hem komen zou, dat is in Jesus". Het schijnt dus wel, dat degenen die gedoopt waren met het doopsel van Joannes, niet overgedoopt moesten worden met het doopsel van Christus.
B: (Acts 19:4) [b:Acts 19:4] (Rom 10:8) [b:Rom 10:8]
Vervolgens. In zijn verklaring op de woorden: "Dit is het woord des geloofs dat wij preeken", (Rom., 10, 8), zegt de Glossa van Augustinus: "Vanwaar heeft het water de kracht, dat het 't hart zuivert, ofschoon het 't lichaam slechts aanraakt? Doet het woord het eigenlijk niet, niet omdat het uitgesproken wordt, maar omdat er aan geloofd wordt?" Hieruit blijkt, dat de werking van het doopsel afhankelijk is van het geloof. Nu betekende de vorm van het doopsel van Joannes het geloof, waarin wij gedoopt worden. Want Paulus zegt (Handelingen, 19, 4): "Joannes doopte met een doopsel van berouwing, maar hij sprak daarbij tot het volk, dat ze moesten geloven in Hem, die na hem komen zou, dat is in Jesus". Het schijnt dus wel, dat degenen die gedoopt waren met het doopsel van Joannes, niet overgedoopt moesten worden met het doopsel van Christus.
B: (Acts 19:4) [b:Acts 19:4] (Rom 10:8) [b:Rom 10:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt (5e Verhandeling op Joannes, N° 5): "Die met Joannes’ doopsel gedoopt waren, moesten gedoopt worden met het doopsel des Heren".
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt (5e Verhandeling op Joannes, N° 5): "Die met Joannes’ doopsel gedoopt waren, moesten gedoopt worden met het doopsel des Heren".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 6 co.
Mijn antwoord. Volgens de mening van Petrus Lombardus (4e B. der Sententies) zijn "zij, die door Joannes gedoopt zijn, zonder te weten dat er een Heilige Geest bestond, en in zijn doopsel hun hoop stelden, later met het doopsel van Christus gedoopt: zij daarentegen, die hun hoop niet gesteld hebben op het doopsel van Joannes en in een Vader en een Zoon en een Heilige Geest geloofden, werden later niet gedoopt, maar ontvingen de Heilige Geest doordat de Apostelen hun de handen oplegden". Deze opinie nu, is, wat het eerste deel aangaat, waar: wat met behulp van vele gezaghebbende teksten bevestigd kan worden. Maar wat in het tweede deel er van gezegd wordt, is ten ene male absoluut onredelijk. En wel ten eerste, omdat het doopsel van Joannes geen genade mededeelde, noch een karakter indrukte, maar alleen met water gebeurde, zoals hij zelf zegt (Matth., 3, 11). En dus konden het geloof en de hoop die de gedoopte had op Christus, dit gemis niet aanvullen. Ten tweede, omdat, wanneer er in een sacrament iets ontbreekt, wat tot de noodzakelijkheid van het sacrament behoort, dan moet het ontbrekende niet alleen aangevuld worden, maar dan moet het helemaal opnieuw toegediend worden. Nu behoort echter tot de noodzakelijkheid van Christus’ doopsel, niet alleen, dat het met water, maar ook dat het met de Heilige Geest wordt toegediend, volgens het woord van Joannes (3, 5): "Zo iemand niet geboren wordt uit water en de Heilige Geest, kan hij niet ingaan in het koninkrijk Gods". Voor hen dus, die door het doopsel van Joannes alleen met water gedoopt waren, moest niet alleen aangevuld worden, wat ontbroken had, zo namelijk dat hun door de oplegging der handen de Heilige Geest geschonken werd, maar zij moesten helemaal opnieuw gedoopt worden met water en de Heilige Geest.
Mijn antwoord. Volgens de mening van Petrus Lombardus (4e B. der Sententies) zijn "zij, die door Joannes gedoopt zijn, zonder te weten dat er een Heilige Geest bestond, en in zijn doopsel hun hoop stelden, later met het doopsel van Christus gedoopt: zij daarentegen, die hun hoop niet gesteld hebben op het doopsel van Joannes en in een Vader en een Zoon en een Heilige Geest geloofden, werden later niet gedoopt, maar ontvingen de Heilige Geest doordat de Apostelen hun de handen oplegden". Deze opinie nu, is, wat het eerste deel aangaat, waar: wat met behulp van vele gezaghebbende teksten bevestigd kan worden. Maar wat in het tweede deel er van gezegd wordt, is ten ene male absoluut onredelijk. En wel ten eerste, omdat het doopsel van Joannes geen genade mededeelde, noch een karakter indrukte, maar alleen met water gebeurde, zoals hij zelf zegt (Matth., 3, 11). En dus konden het geloof en de hoop die de gedoopte had op Christus, dit gemis niet aanvullen. Ten tweede, omdat, wanneer er in een sacrament iets ontbreekt, wat tot de noodzakelijkheid van het sacrament behoort, dan moet het ontbrekende niet alleen aangevuld worden, maar dan moet het helemaal opnieuw toegediend worden. Nu behoort echter tot de noodzakelijkheid van Christus’ doopsel, niet alleen, dat het met water, maar ook dat het met de Heilige Geest wordt toegediend, volgens het woord van Joannes (3, 5): "Zo iemand niet geboren wordt uit water en de Heilige Geest, kan hij niet ingaan in het koninkrijk Gods". Voor hen dus, die door het doopsel van Joannes alleen met water gedoopt waren, moest niet alleen aangevuld worden, wat ontbroken had, zo namelijk dat hun door de oplegging der handen de Heilige Geest geschonken werd, maar zij moesten helemaal opnieuw gedoopt worden met water en de Heilige Geest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Augustinus zegt in zijn 5° Verhandeling op Joannes (N° 18): "De reden, waarom er na Joannes nog gedoopt werd, was deze, dat hij niet Christus’ doopsel, maar zijn eigen doopsel toediende. Wat Petrus echter en zo Judas gedoopt heeft, ook Judas, toediende, was het doopsel van Christus. Indien dus Judas mensen heeft gedoopt, dan behoefden deze niet overgedoopt te worden: want (t. a. p. N° 6) de hoedanigheid van het doopsel hangt af van hem, op wiens gezag het toegediend wordt en niet van hem die bij de toediening ervan maar bedienaar is". En daarom ook zijn zij, die door de diaken Philippus gedoopt werden, die het doopsel van Christus toediende, niet overgedoopt, maar ontvingen de handopleging van de apostelen: zoals ook zij, die door de priesters gedoopt zijn, door de bisschoppen gevormd worden.
B: (Matt 3:11) [b:Matt 3:11] (John 3:5) [b:John 3:5]
1e Weerlegging. Augustinus zegt in zijn 5° Verhandeling op Joannes (N° 18): "De reden, waarom er na Joannes nog gedoopt werd, was deze, dat hij niet Christus’ doopsel, maar zijn eigen doopsel toediende. Wat Petrus echter en zo Judas gedoopt heeft, ook Judas, toediende, was het doopsel van Christus. Indien dus Judas mensen heeft gedoopt, dan behoefden deze niet overgedoopt te worden: want (t. a. p. N° 6) de hoedanigheid van het doopsel hangt af van hem, op wiens gezag het toegediend wordt en niet van hem die bij de toediening ervan maar bedienaar is". En daarom ook zijn zij, die door de diaken Philippus gedoopt werden, die het doopsel van Christus toediende, niet overgedoopt, maar ontvingen de handopleging van de apostelen: zoals ook zij, die door de priesters gedoopt zijn, door de bisschoppen gevormd worden.
B: (Matt 3:11) [b:Matt 3:11] (John 3:5) [b:John 3:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Augustinus zegt in zijn Brief *Aan Seleucianus* (65° Brief): "We weten dat de leerlingen van Christus gedoopt zijn, hetzij met het doopsel van Joannes, hetzij — en dit is aannemelijker — met het doopsel van Christus. Want Hij, die in nederigheid wilde dienstbaar zijn, toen Hij hun de voeten waschte, zal toch ook wel de dienst van dopen hebben willen verrichten, ten einde gedoopte dienaren te hebben, door wie Hij anderen zou kunnen laten dopen".
2e Weerlegging. Augustinus zegt in zijn Brief *Aan Seleucianus* (65° Brief): "We weten dat de leerlingen van Christus gedoopt zijn, hetzij met het doopsel van Joannes, hetzij — en dit is aannemelijker — met het doopsel van Christus. Want Hij, die in nederigheid wilde dienstbaar zijn, toen Hij hun de voeten waschte, zal toch ook wel de dienst van dopen hebben willen verrichten, ten einde gedoopte dienaren te hebben, door wie Hij anderen zou kunnen laten dopen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Chrysostomus zegt (4° Homelie van een onvoltooid gebleven *Verklaring van Mattheus*): "Uit het antwoord, dat Christus aan Joannes gaf: "Laat het nu toe", toen hij zei: "Ik moet door U gedoopt worden", blijkt, dat Christus Joannes later gedoopt heeft". En hij zegt, dat dit in verschillende apocriefe geschriften met evenveel woorden gezegd wordt". — Zeker is echter, dat, zoals Hieronymus zegt (in zijn *Verklaring op Mattheus*, 3, 13): "evenals Christus door Joannes met water gedoopt werd, zo ook Joannes door Christus gedoopt moest worden met de Geest".
3e Weerlegging. Chrysostomus zegt (4° Homelie van een onvoltooid gebleven *Verklaring van Mattheus*): "Uit het antwoord, dat Christus aan Joannes gaf: "Laat het nu toe", toen hij zei: "Ik moet door U gedoopt worden", blijkt, dat Christus Joannes later gedoopt heeft". En hij zegt, dat dit in verschillende apocriefe geschriften met evenveel woorden gezegd wordt". — Zeker is echter, dat, zoals Hieronymus zegt (in zijn *Verklaring op Mattheus*, 3, 13): "evenals Christus door Joannes met water gedoopt werd, zo ook Joannes door Christus gedoopt moest worden met de Geest".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 6 ad 4
4e Weerlegging. Dat ze de Heilige Geest niet kenden, was niet de hele reden waarom die mensen na het doopsel van Joannes moesten gedoopt worden, maar omdat ze niet met Christus’ doopsel gedoopt waren.
B: (Matt 3:13) [b:Matt 3:13]
4e Weerlegging. Dat ze de Heilige Geest niet kenden, was niet de hele reden waarom die mensen na het doopsel van Joannes moesten gedoopt worden, maar omdat ze niet met Christus’ doopsel gedoopt waren.
B: (Matt 3:13) [b:Matt 3:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 38 a. 6 ad 5
Ad quintum Volgens Augustinus (in zijn Werk Tegen Faustus, 19e B., 13e en 18e H.), zijn onze sacramenten een teken van de tegenwoordige genade, terwijl de sacramenten daarentegen der oude wet een teken waren van de toekomstige genade. Uit het feit dus, dat Joannes doopte in naam van Hem die komen moest, valt op te maken, dat hij niet het doopsel van Christus toediende, wat een sacrament is van de nieuwe wet.
Ad quintum Volgens Augustinus (in zijn Werk Tegen Faustus, 19e B., 13e en 18e H.), zijn onze sacramenten een teken van de tegenwoordige genade, terwijl de sacramenten daarentegen der oude wet een teken waren van de toekomstige genade. Uit het feit dus, dat Joannes doopte in naam van Hem die komen moest, valt op te maken, dat hij niet het doopsel van Christus toediende, wat een sacrament is van de nieuwe wet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 39: Over den doop van Christus
IIIa q. 39 pr.
IIIa q. 39 pr. Hierna handelen we over de doop van Christus, en we stellen ons daaromtrent acht vragen. 1. Had Christus gedoopt moeten worden? 2. Had Hij met het doopsel van Joannes moeten gedoopt worden? 3. Over de tijd waarop Hij gedoopt werd. 4. Waar Hij gedoopt werd. 5. Over het feit dat zich de hemelen voor Hem openden. 6. Over de Heilige Geest, die in de gedaante van een duif nederdaalde. 7. Was die duif een werkelijk dier? 8. Over de stem, waarin het getuigenis van de Vader klonk.
IIIa q. 39 pr. Hierna handelen we over de doop van Christus, en we stellen ons daaromtrent acht vragen. 1. Had Christus gedoopt moeten worden? 2. Had Hij met het doopsel van Joannes moeten gedoopt worden? 3. Over de tijd waarop Hij gedoopt werd. 4. Waar Hij gedoopt werd. 5. Over het feit dat zich de hemelen voor Hem openden. 6. Over de Heilige Geest, die in de gedaante van een duif nederdaalde. 7. Was die duif een werkelijk dier? 8. Over de stem, waarin het getuigenis van de Vader klonk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Behoorde Christus wel gedoopt te worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 39 a. 2 ad 1
IIIa q. 39 a. 5 co.
IIIa q. 84 a. 7 ad 4[t:iiia q. 39 a. 2 ad 1][t:iiia q. 39 a. 5 co.][t:iiia q. 84 a. 7 ad 4]
IIIa q. 39 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend geweest is, dat Christus gedoopt is geworden. Gedoopt worden, betekent immers afgewassen worden. Maar Christus behoort niet afgewassen te worden, daar in Hem geen onreinheid is. Dus schijnt het wel, dat Christus niet had behoren gedoopt te worden.
IIIa q. 39 a. 2 ad 1
IIIa q. 39 a. 5 co.
IIIa q. 84 a. 7 ad 4[t:iiia q. 39 a. 2 ad 1][t:iiia q. 39 a. 5 co.][t:iiia q. 84 a. 7 ad 4]
IIIa q. 39 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend geweest is, dat Christus gedoopt is geworden. Gedoopt worden, betekent immers afgewassen worden. Maar Christus behoort niet afgewassen te worden, daar in Hem geen onreinheid is. Dus schijnt het wel, dat Christus niet had behoren gedoopt te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Christus ontving de besnijdenis ten einde de wet na te komen. Maar het doopsel behoorde niet tot de wet. Dus moest Hij niet gedoopt worden.
Vervolgens. Christus ontving de besnijdenis ten einde de wet na te komen. Maar het doopsel behoorde niet tot de wet. Dus moest Hij niet gedoopt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 1 arg. 3
Vervolgens. In iedere orde van dingen, is, wat in die orde de eerste beweger is, zelf onbewogen wat die beweging betreft: zoals de hemel, die het eerst zekere veranderingen teweegbrengt, zelf niet als zodanig veranderd kan worden. Maar nu is Christus de eerste onder de dopenden, volgens Joannes (1, 33): "Op wien ge de Geest ziet nederdalen en rusten, Hij is het die doopt". Dus behoorde Christus niet gedoopt te worden.
B: (John 1:33, John 1:33) [b:John 1:33]
Vervolgens. In iedere orde van dingen, is, wat in die orde de eerste beweger is, zelf onbewogen wat die beweging betreft: zoals de hemel, die het eerst zekere veranderingen teweegbrengt, zelf niet als zodanig veranderd kan worden. Maar nu is Christus de eerste onder de dopenden, volgens Joannes (1, 33): "Op wien ge de Geest ziet nederdalen en rusten, Hij is het die doopt". Dus behoorde Christus niet gedoopt te worden.
B: (John 1:33, John 1:33) [b:John 1:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (3, 13): "Toen kwam ook Jezus van Galilea naar de Jordaan tot Joannes, om zich door hem te laten dopen".
B: (Matt 3:13) [b:Matt 3:13]
Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (3, 13): "Toen kwam ook Jezus van Galilea naar de Jordaan tot Joannes, om zich door hem te laten dopen".
B: (Matt 3:13) [b:Matt 3:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 1 co.
Mijn antwoord. Het was passend dat Christus gedoopt werd. En wel ten eerste, omdat, zoals Ambrosius zegt (Verklaring van Lucas, 3, 21, 2° B., N° 83): "Christus is gedoopt, niet omdat Hij gezuiverd wilde worden, maar om de wateren te zuiveren, opdat deze, gereinigd door het lichaam van Christus, dat geen zonde heeft gekend, de kracht zouden bezitten om te kunnen dopen", en "om ze daarna geheiligd aan de dopelingen over te laten", zoals Chrysostomus zegt (in zijn onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus, 4° Homelie.) Ten tweede: Chrysostomus zegt (t. a. p.): "Ofschoon Christus geen zondaar was, nam Hij toch de zondige natuur aan en "de gedaante van het zondige vlees". En daarom: ofschoon Hij voor zichzelf het doopsel niet behoefde, had toch de vleselijke natuur in anderen er behoefte aan". En Gregorius van Nazianze zegt (39° Redevoering): "Christus werd gedoopt, om de gehele oude Adam in het water onder te dompelen". En ten derde wilde Hij gedoopt worden, omdat, zoals Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen: "Hij zelf wilde doen, wat Hij aan allen te volbrengen heeft opgelegd". En dit slaat op wat Hij zelf zegt: "Zo betaamt het ons, alle gerechtigheid te vervullen". (Matth., 3, 15) Want zoals Ambrosius zegt (in zijn Verklaring van Lucas, 3, 21: 2° B., N° 90): "De gerechtigheid bestaat hierin, dat ge met datgene, wat ge wilt dat een ander doet, eerst zelf begint en door uw eigen voorbeeld anderen aanspoort".
B: (Matt 3:15) [b:Matt 3:15] (Luke 3:21) [b:Luke 3:21] (Luke 3:21) [b:Luke 3:21]
Mijn antwoord. Het was passend dat Christus gedoopt werd. En wel ten eerste, omdat, zoals Ambrosius zegt (Verklaring van Lucas, 3, 21, 2° B., N° 83): "Christus is gedoopt, niet omdat Hij gezuiverd wilde worden, maar om de wateren te zuiveren, opdat deze, gereinigd door het lichaam van Christus, dat geen zonde heeft gekend, de kracht zouden bezitten om te kunnen dopen", en "om ze daarna geheiligd aan de dopelingen over te laten", zoals Chrysostomus zegt (in zijn onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus, 4° Homelie.) Ten tweede: Chrysostomus zegt (t. a. p.): "Ofschoon Christus geen zondaar was, nam Hij toch de zondige natuur aan en "de gedaante van het zondige vlees". En daarom: ofschoon Hij voor zichzelf het doopsel niet behoefde, had toch de vleselijke natuur in anderen er behoefte aan". En Gregorius van Nazianze zegt (39° Redevoering): "Christus werd gedoopt, om de gehele oude Adam in het water onder te dompelen". En ten derde wilde Hij gedoopt worden, omdat, zoals Augustinus zegt in een Preek op Driekoningen: "Hij zelf wilde doen, wat Hij aan allen te volbrengen heeft opgelegd". En dit slaat op wat Hij zelf zegt: "Zo betaamt het ons, alle gerechtigheid te vervullen". (Matth., 3, 15) Want zoals Ambrosius zegt (in zijn Verklaring van Lucas, 3, 21: 2° B., N° 90): "De gerechtigheid bestaat hierin, dat ge met datgene, wat ge wilt dat een ander doet, eerst zelf begint en door uw eigen voorbeeld anderen aanspoort".
B: (Matt 3:15) [b:Matt 3:15] (Luke 3:21) [b:Luke 3:21] (Luke 3:21) [b:Luke 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Christus werd niet gedoopt om afgewassen te worden, maar om af te wassen zoals gezegd is (in de Leerstelling).
1e Weerlegging. Christus werd niet gedoopt om afgewassen te worden, maar om af te wassen zoals gezegd is (in de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Christus moest niet alleen de voorschriften van de oude wet nakomen, maar ook voorgaan met het vervullen van de voorschriften van de nieuwe wet. En daarom wilde Hij niet alleen besneden, maar ook gedoopt worden.
2e Weerlegging. Christus moest niet alleen de voorschriften van de oude wet nakomen, maar ook voorgaan met het vervullen van de voorschriften van de nieuwe wet. En daarom wilde Hij niet alleen besneden, maar ook gedoopt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Christus is de eerste die geestelijk doopt. En zo werd Hij niet gedoopt, maar alleen met water.
3e Weerlegging. Christus is de eerste die geestelijk doopt. En zo werd Hij niet gedoopt, maar alleen met water.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Betaamde het wel, dat Christus met het doopsel van Joannes gedoopt werd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 66 a. 10 ad 1
IIIa q. 84 a. 7 ad 4[t:iiia q. 66 a. 10 ad 1][t:iiia q. 84 a. 7 ad 4]
IIIa q. 39 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het niet betaamd was, dat Christus met het doopsel van Joannes gedoopt werd. Het doopsel immers van Joannes was een doopsel van boetvaardigheid (Marc, 1, 4; Lucas, 3, 4). Maar het komt Christus niet toe, boetvaardigheid te verrichten, daar Hij geen zonde had. Dus schijnt het wel, dat Hij niet moest gedoopt worden met het doopsel van Joannes.
IIIa q. 66 a. 10 ad 1
IIIa q. 84 a. 7 ad 4[t:iiia q. 66 a. 10 ad 1][t:iiia q. 84 a. 7 ad 4]
IIIa q. 39 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het niet betaamd was, dat Christus met het doopsel van Joannes gedoopt werd. Het doopsel immers van Joannes was een doopsel van boetvaardigheid (Marc, 1, 4; Lucas, 3, 4). Maar het komt Christus niet toe, boetvaardigheid te verrichten, daar Hij geen zonde had. Dus schijnt het wel, dat Hij niet moest gedoopt worden met het doopsel van Joannes.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Het doopsel van Joannes hield, zoals Chrysostomus zegt (Homelie Over het doopsel van Christus, N° 3): het midden tussen het doopsel der Joden en het doopsel van Christus. Maar wat in het midden staat, heeft de natuur der uitersten (Aristoteles Over de delen der dieren, 3° B., 1° H.) Omdat Christus derhalve niet gedoopt is geworden met een Joods doopsel, en ook niet met zijn eigen doopsel, heeft het er de schijn van dat Hij om die reden evenmin met het doopsel van Joannes had moeten gedoopt worden.
Vervolgens. Het doopsel van Joannes hield, zoals Chrysostomus zegt (Homelie Over het doopsel van Christus, N° 3): het midden tussen het doopsel der Joden en het doopsel van Christus. Maar wat in het midden staat, heeft de natuur der uitersten (Aristoteles Over de delen der dieren, 3° B., 1° H.) Omdat Christus derhalve niet gedoopt is geworden met een Joods doopsel, en ook niet met zijn eigen doopsel, heeft het er de schijn van dat Hij om die reden evenmin met het doopsel van Joannes had moeten gedoopt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Alles wat in de dingen der mensen het schoonste is moet aan Christus toegeschreven worden. Nu bekleedt het doopsel van Johannes niet de hoogste plaats onder de doopsels. Dus past het niet, dat Christus gedoopt wordt met het doopsel van Johannes.
Vervolgens. Alles wat in de dingen der mensen het schoonste is moet aan Christus toegeschreven worden. Nu bekleedt het doopsel van Johannes niet de hoogste plaats onder de doopsels. Dus past het niet, dat Christus gedoopt wordt met het doopsel van Johannes.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (3, 13): "Toen kwam Jezus naar de Jordaan, om zich door Johannes te laten dopen".
B: (Matt 3:13) [b:Matt 3:13]
Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (3, 13): "Toen kwam Jezus naar de Jordaan, om zich door Johannes te laten dopen".
B: (Matt 3:13) [b:Matt 3:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 2 co.
Mijn antwoord. Augustinus zegt in zijn 13e Verhandeling op Joannes: "De Heer doopte na zijn eigen doop niet met het doopsel waarmee Hij zelf gedoopt was". Daar Hij dus zelf met zijn eigen doopsel doopte, volgt dat Hij niet met zijn eigen doopsel gedoopt is, maar met het doopsel van Joannes. En dat was passend en wel ten eerste, om de aard van het doopsel van Joannes, die niet met de Geest doopte, maar alleen met water (Matth., 3, 11). Christus echter behoefde geen geestelijk doopsel, daar Hij van het begin van zijn ontvangenis af vervuld was geweest met de genade van de Heilige Geest, zoals uit het vroeger gezegde blijkt (34e Kw., 1e Art.). En dit is het argument van Chrysostomus. Ten tweede werd Hij gedoopt met het doopsel van Joannes, zoals Beda zegt (Verklaring van Marcus, 1, 9): "om door zijn eigen doop het doopsel van Joannes te bekrachtigen". En ten derde "naderde Jesus tot het doopsel van Joannes", zoals Gregorius van Nazianze zegt (39e Redevoering) "om het doopsel te heiligen".
B: (Mark 1:9) [b:Mark 1:9]
R: q. 34 a. 1[t:iiia q. 34 a. 1]
Mijn antwoord. Augustinus zegt in zijn 13e Verhandeling op Joannes: "De Heer doopte na zijn eigen doop niet met het doopsel waarmee Hij zelf gedoopt was". Daar Hij dus zelf met zijn eigen doopsel doopte, volgt dat Hij niet met zijn eigen doopsel gedoopt is, maar met het doopsel van Joannes. En dat was passend en wel ten eerste, om de aard van het doopsel van Joannes, die niet met de Geest doopte, maar alleen met water (Matth., 3, 11). Christus echter behoefde geen geestelijk doopsel, daar Hij van het begin van zijn ontvangenis af vervuld was geweest met de genade van de Heilige Geest, zoals uit het vroeger gezegde blijkt (34e Kw., 1e Art.). En dit is het argument van Chrysostomus. Ten tweede werd Hij gedoopt met het doopsel van Joannes, zoals Beda zegt (Verklaring van Marcus, 1, 9): "om door zijn eigen doop het doopsel van Joannes te bekrachtigen". En ten derde "naderde Jesus tot het doopsel van Joannes", zoals Gregorius van Nazianze zegt (39e Redevoering) "om het doopsel te heiligen".
B: (Mark 1:9) [b:Mark 1:9]
R: q. 34 a. 1[t:iiia q. 34 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Zoals in het 1e artikel gezegd is, wilde Christus gedoopt worden, om ons door zijn voorbeeld tot het doopsel te brengen. En om nu zijn aansporing nog meer kracht bij te zetten, wilde Hij gedoopt worden met een doopsel, waar Hij klaarblijkelijk geen behoefte aan had, opdat de mensen tot een doopsel zouden naderen waar ze wél behoefte aan hadden. Vandaar zegt Ambrosius (Verklaring van Lucas, 3, 21): "Niemand ontvlucht het bad der genade, nu Christus het bad van boetwaardigheid niet ontvlucht is".
B: (Luke 3:21) [b:Luke 3:21]
R: q. 39 a. 1[t:iiia q. 39 a. 1]
1e Weerlegging. Zoals in het 1e artikel gezegd is, wilde Christus gedoopt worden, om ons door zijn voorbeeld tot het doopsel te brengen. En om nu zijn aansporing nog meer kracht bij te zetten, wilde Hij gedoopt worden met een doopsel, waar Hij klaarblijkelijk geen behoefte aan had, opdat de mensen tot een doopsel zouden naderen waar ze wél behoefte aan hadden. Vandaar zegt Ambrosius (Verklaring van Lucas, 3, 21): "Niemand ontvlucht het bad der genade, nu Christus het bad van boetwaardigheid niet ontvlucht is".
B: (Luke 3:21) [b:Luke 3:21]
R: q. 39 a. 1[t:iiia q. 39 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Het doopsel der Joden, in de wet voorgeschreven, was alleen figuurlijk; het doopsel van Joannes was in zekere zin werkelijk, in zoverre het de mensen ertoe wilde brengen zich van zonden te onthouden; het doopsel van Christus echter bezit de kracht van zonde te zuiveren en genade mede te delen. Christus nu behoefde geen vergeving van zonden te ontvangen, daar die in Hem niet waren; en evenmin genade te ontvangen, daar Hij daarvan vervuld was. En evenzo kwam Hem, die zelf de waarheid is (Joan., 14, 6), ook niet toe wat slechts figuurlijke zin had. En dus was het beter, dat Hij gedoopt werd met het middelste doopsel, dan met een der uitersten.
2e Weerlegging. Het doopsel der Joden, in de wet voorgeschreven, was alleen figuurlijk; het doopsel van Joannes was in zekere zin werkelijk, in zoverre het de mensen ertoe wilde brengen zich van zonden te onthouden; het doopsel van Christus echter bezit de kracht van zonde te zuiveren en genade mede te delen. Christus nu behoefde geen vergeving van zonden te ontvangen, daar die in Hem niet waren; en evenmin genade te ontvangen, daar Hij daarvan vervuld was. En evenzo kwam Hem, die zelf de waarheid is (Joan., 14, 6), ook niet toe wat slechts figuurlijke zin had. En dus was het beter, dat Hij gedoopt werd met het middelste doopsel, dan met een der uitersten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Het doopsel is een soort geestelijk geneesmiddel. Hoe volmaakter nu iets is, zoveel te minder in kracht het geneesmiddel is, waaraan het behoefte heeft. Uit het feit dus dat Christus allervolmaaktst is, volgt dat het passend was, dat Hij niet met het allervolmaaktste doopsel gedoopt werd, evenals iemand die gezond is, geen krachtige medicijn nodig heeft.
3e Weerlegging. Het doopsel is een soort geestelijk geneesmiddel. Hoe volmaakter nu iets is, zoveel te minder in kracht het geneesmiddel is, waaraan het behoefte heeft. Uit het feit dus dat Christus allervolmaaktst is, volgt dat het passend was, dat Hij niet met het allervolmaaktste doopsel gedoopt werd, evenals iemand die gezond is, geen krachtige medicijn nodig heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is Christus op de geschikte tijd gedoopt geworden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 43 a. 3 co.[t:iiia q. 43 a. 3 co.]
IIIa q. 39 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus niet op de geschikte tijd is gedoopt geworden. Christus is immers gedoopt, om anderen door zijn voorbeeld op te wekken, zich ook te laten dopen. Nu is het echter prijzenswaardig, dat de gelovigen niet alleen vóór hun dertigste levensjaar, maar ook op jeugdige leeftijd gedoopt worden. Dus schijnt het wel, dat Christus niet gedoopt moest worden, toen Hij dertig jaar oud was.
IIIa q. 43 a. 3 co.[t:iiia q. 43 a. 3 co.]
IIIa q. 39 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus niet op de geschikte tijd is gedoopt geworden. Christus is immers gedoopt, om anderen door zijn voorbeeld op te wekken, zich ook te laten dopen. Nu is het echter prijzenswaardig, dat de gelovigen niet alleen vóór hun dertigste levensjaar, maar ook op jeugdige leeftijd gedoopt worden. Dus schijnt het wel, dat Christus niet gedoopt moest worden, toen Hij dertig jaar oud was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Er staat nergens te lezen, dat Christus vóór zijn doopsel geleerd heeft, of wonderen heeft gedaan. Maar het zou voor de wereld voordeliger zijn geweest, als Hij langer geleerd had, en op zijn twintigste jaar of nog eerder er mee begonnen was. Dus schijnt het wel, dat Christus, die tot voordeel der mensen gekomen was, vóór zijn dertigste jaar zich had moeten laten dopen.
Vervolgens. Er staat nergens te lezen, dat Christus vóór zijn doopsel geleerd heeft, of wonderen heeft gedaan. Maar het zou voor de wereld voordeliger zijn geweest, als Hij langer geleerd had, en op zijn twintigste jaar of nog eerder er mee begonnen was. Dus schijnt het wel, dat Christus, die tot voordeel der mensen gekomen was, vóór zijn dertigste jaar zich had moeten laten dopen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Een aanwijzing van door God ingestorte wijsheid, had bovenal in Christus zichtbaar moeten zijn. Ze was zichtbaar in Daniël in zijn jeugd, volgens het woord uit het Boek Daniël (13, 45): "De Heer wekte de Heilige Geest op van een jonge man, wiens naam was Daniël". Dus had nog veel eerder Christus in zijn jeugd moeten gedoopt worden.
B: (Dan 13:45) [b:Dan 13:45]
Vervolgens. Een aanwijzing van door God ingestorte wijsheid, had bovenal in Christus zichtbaar moeten zijn. Ze was zichtbaar in Daniël in zijn jeugd, volgens het woord uit het Boek Daniël (13, 45): "De Heer wekte de Heilige Geest op van een jonge man, wiens naam was Daniël". Dus had nog veel eerder Christus in zijn jeugd moeten gedoopt worden.
B: (Dan 13:45) [b:Dan 13:45]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 3 arg. 4
Vervolgens. Het doopsel van Joannes is op het doopsel van Christus gericht als op zijn einddoel. Nu is het doel het eerst in de gedachte en het laatst in de uitvoering. Hij had dus ofwel het eerst, ofwel het laatst door Joannes moeten gedoopt worden.
Vervolgens. Het doopsel van Joannes is op het doopsel van Christus gericht als op zijn einddoel. Nu is het doel het eerst in de gedachte en het laatst in de uitvoering. Hij had dus ofwel het eerst, ofwel het laatst door Joannes moeten gedoopt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter wat Lucas zegt (3, 21): "Toen nu al het volk zich liet dopen, en ook Jezus gedoopt was en bad..." en verderop (v. 23): "Toen Jezus nu optrad, was Hij ongeveer dertig jaar oud".
B: (Luke 3:21) [b:Luke 3:21] (Luke 3:23) [b:Luke 3:23]
Daartegenover staat echter wat Lucas zegt (3, 21): "Toen nu al het volk zich liet dopen, en ook Jezus gedoopt was en bad..." en verderop (v. 23): "Toen Jezus nu optrad, was Hij ongeveer dertig jaar oud".
B: (Luke 3:21) [b:Luke 3:21] (Luke 3:23) [b:Luke 3:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 3 co.
Mijn antwoord. Het was heel passend, dat Christus zich in zijn dertigste levensjaar heeft laten dopen. En wel ten eerste, daar Christus zich liet dopen, omdat Hij van toen af begon te leren en te preken: waartoe een volmaakte leeftijd vereist wordt, wat het dertigste levensjaar is. Vandaar ook lezen we in het Boek Genesis (41, 46) dat Joseph dertig jaar oud was, toen hij het bestuur van Egypte op zich nam. Zo staat er ook van David geschreven (2e Boek der Koningen, 5, 4), dat hij dertig jaar oud was, toen hij begon te regeren. Ook Ezechiel begon in zijn dertigste levensjaar te profeteren, zoals geschreven staat in het Boek Ezechiel (1, 1). Ten tweede, omdat, zoals Chrysostomus zegt (10e Homelie op Mattheus), "nà Christus' doop, de wet zou beginnen op te houden. En daarom kwam Christus op zo'n leeftijd tot het doopsel, die voor alle zonden vatbaar is: opdat niemand die de wet onderhouden had, zou zeggen, dat Hij haar daarom ophief, omdat Hij haar zelf niet kon onderhouden". Ten derde, omdat door het feit, dat Christus zich liet dopen toen Hij de volmaakte leeftijd bereikt had, te verstaan gegeven wordt, dat het doopsel volmaakte mannen voortbrengt, volgens de Brief aan de Ephesiers (4, 13): "Tot de tijd, dat we allen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon zijn gekomen, een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van de volmaakte Christus hebben bereikt". Daarop schijnt dan ook de eigenschap van het getal te slaan. Want het getal dertig ontstaat door drie met tien te vermenigvuldigen; onder het getal drie nu wordt verstaan het geloof in de Drievuldigheid, onder het getal tien de vervulling van de voorschriften der wet; en uit deze twee bestaat de volmaaktheid van het Christelijk leven.
B: (Gen 41:46) [b:Gen 41:46] (2Kgs 5:4) [b:2Kgs 5:4] (Ezek 1:1) [b:Ezek 1:1]
Mijn antwoord. Het was heel passend, dat Christus zich in zijn dertigste levensjaar heeft laten dopen. En wel ten eerste, daar Christus zich liet dopen, omdat Hij van toen af begon te leren en te preken: waartoe een volmaakte leeftijd vereist wordt, wat het dertigste levensjaar is. Vandaar ook lezen we in het Boek Genesis (41, 46) dat Joseph dertig jaar oud was, toen hij het bestuur van Egypte op zich nam. Zo staat er ook van David geschreven (2e Boek der Koningen, 5, 4), dat hij dertig jaar oud was, toen hij begon te regeren. Ook Ezechiel begon in zijn dertigste levensjaar te profeteren, zoals geschreven staat in het Boek Ezechiel (1, 1). Ten tweede, omdat, zoals Chrysostomus zegt (10e Homelie op Mattheus), "nà Christus' doop, de wet zou beginnen op te houden. En daarom kwam Christus op zo'n leeftijd tot het doopsel, die voor alle zonden vatbaar is: opdat niemand die de wet onderhouden had, zou zeggen, dat Hij haar daarom ophief, omdat Hij haar zelf niet kon onderhouden". Ten derde, omdat door het feit, dat Christus zich liet dopen toen Hij de volmaakte leeftijd bereikt had, te verstaan gegeven wordt, dat het doopsel volmaakte mannen voortbrengt, volgens de Brief aan de Ephesiers (4, 13): "Tot de tijd, dat we allen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon zijn gekomen, een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van de volmaakte Christus hebben bereikt". Daarop schijnt dan ook de eigenschap van het getal te slaan. Want het getal dertig ontstaat door drie met tien te vermenigvuldigen; onder het getal drie nu wordt verstaan het geloof in de Drievuldigheid, onder het getal tien de vervulling van de voorschriften der wet; en uit deze twee bestaat de volmaaktheid van het Christelijk leven.
B: (Gen 41:46) [b:Gen 41:46] (2Kgs 5:4) [b:2Kgs 5:4] (Ezek 1:1) [b:Ezek 1:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Volgens Gregorius van Nazianze (40e Preek op het H. Doopsel) heeft Christus zich niet laten dopen, alsof Hij reiniging nodig had, en evenmin alsof Hem, als Hij het doopsel zou uitstellen, een of ander gevaar boven het hoofd zou zweven. Maar voor iedere ander zou het een niet gering gevaar opleveren, als hij dit leven zou verlaten, niet omkleed met het kleed der onvergankelijkheid, d. i. de genade. En al is het dan goed, na het doopsel de reinheid te bewaren, het is echter beter, zoals hij zegt (t. a. p., N° 19) soms een weinig besmet te worden, dan de genade helemaal te moeten missen.
1e Weerlegging. Volgens Gregorius van Nazianze (40e Preek op het H. Doopsel) heeft Christus zich niet laten dopen, alsof Hij reiniging nodig had, en evenmin alsof Hem, als Hij het doopsel zou uitstellen, een of ander gevaar boven het hoofd zou zweven. Maar voor iedere ander zou het een niet gering gevaar opleveren, als hij dit leven zou verlaten, niet omkleed met het kleed der onvergankelijkheid, d. i. de genade. En al is het dan goed, na het doopsel de reinheid te bewaren, het is echter beter, zoals hij zegt (t. a. p., N° 19) soms een weinig besmet te worden, dan de genade helemaal te moeten missen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Het voordeel, dat de mensen van Christus hebben, komt hoofdzakelijk van het geloof en de nederigheid: en voor beide is het goed, dat Christus niet in zijn jeugd, of toen Hij jongeling was, maar in volmaakte leeftijd is begonnen te leren. Voor het geloof omdat daardoor de waarachtige menselijke natuur in Hem bewezen wordt, welke natuur bij het groeien der jaren volmaakter werd: en opdat men nu niet zou menen, dat die wasdom maar een waanbeeld was, wilde Hij zijn wijsheid en kracht niet tonen, voordat zijn lichaam de volmaakte leeftijd bereikt had. Voor de nederigheid nu, opdat niet iemand zich overmoedig een rang van prelaat of leeraarsambt zou aanmatigen.
B: (Eph 4:13) [b:Eph 4:13]
2e Weerlegging. Het voordeel, dat de mensen van Christus hebben, komt hoofdzakelijk van het geloof en de nederigheid: en voor beide is het goed, dat Christus niet in zijn jeugd, of toen Hij jongeling was, maar in volmaakte leeftijd is begonnen te leren. Voor het geloof omdat daardoor de waarachtige menselijke natuur in Hem bewezen wordt, welke natuur bij het groeien der jaren volmaakter werd: en opdat men nu niet zou menen, dat die wasdom maar een waanbeeld was, wilde Hij zijn wijsheid en kracht niet tonen, voordat zijn lichaam de volmaakte leeftijd bereikt had. Voor de nederigheid nu, opdat niet iemand zich overmoedig een rang van prelaat of leeraarsambt zou aanmatigen.
B: (Eph 4:13) [b:Eph 4:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Christus werd aan de mensen voorgesteld, ten voorbeeld voor allen. En daarom moest in Hem te zien zijn, wat volgens de algemene wet aan allen toekomt en wel dat Hij pas op volmaakte leeftijd leeraarde. Maar, zoals Gregorius van Nazianze zegt (39° Redevoering) wat zelden voorvalt, is geen herlijke wet: zoals evenmin "één zwaluw de lente maakt". Want aan sommigen is, met bijzondere dispensatie, naar het plan der goddelijke wijsheid buiten de algemene wet om toegestaan, een officië te hebben, hetzij om te besturen, hetzij om te leeraren, zoals aan Salomon, Daniel en Jeremias.
3e Weerlegging. Christus werd aan de mensen voorgesteld, ten voorbeeld voor allen. En daarom moest in Hem te zien zijn, wat volgens de algemene wet aan allen toekomt en wel dat Hij pas op volmaakte leeftijd leeraarde. Maar, zoals Gregorius van Nazianze zegt (39° Redevoering) wat zelden voorvalt, is geen herlijke wet: zoals evenmin "één zwaluw de lente maakt". Want aan sommigen is, met bijzondere dispensatie, naar het plan der goddelijke wijsheid buiten de algemene wet om toegestaan, een officië te hebben, hetzij om te besturen, hetzij om te leeraren, zoals aan Salomon, Daniel en Jeremias.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Christus behoorde noch als eerste noch als laatste door Joannes gedoopt te worden, omdat, zoals Chrysostomus zegt (4° Homelie van een onvoltooid gebleven Verklaring van Matthaeus) Christus zich daarom liet dopen, ten einde de prediking en het doopsel van Joannes te bekrachtigen; en om een getuigenis te ontvangen van Joannes. Aan Joannes’ getuigenis zou men echter eerst dan pas geloof gaan hechten, als er velen door hem gedoopt waren. En dus moest Hij niet het eerst door Joannes gedoopt worden. — Evenzo ook niet het laatst: omdat, zoals hij er t. a. p. aan toevoegt, evenals het licht der zon de ondergang der Morgenster niet afwacht, maar door haar voorafgegaan uittreedt, en haar glans door haar eigen licht verduistert; zo wachtte Christus niet, totdat Joannes zijn loop zou voleindigd hebben, maar verscheen reeds, toen hij nog leerde en doopte.
4e Weerlegging. Christus behoorde noch als eerste noch als laatste door Joannes gedoopt te worden, omdat, zoals Chrysostomus zegt (4° Homelie van een onvoltooid gebleven Verklaring van Matthaeus) Christus zich daarom liet dopen, ten einde de prediking en het doopsel van Joannes te bekrachtigen; en om een getuigenis te ontvangen van Joannes. Aan Joannes’ getuigenis zou men echter eerst dan pas geloof gaan hechten, als er velen door hem gedoopt waren. En dus moest Hij niet het eerst door Joannes gedoopt worden. — Evenzo ook niet het laatst: omdat, zoals hij er t. a. p. aan toevoegt, evenals het licht der zon de ondergang der Morgenster niet afwacht, maar door haar voorafgegaan uittreedt, en haar glans door haar eigen licht verduistert; zo wachtte Christus niet, totdat Joannes zijn loop zou voleindigd hebben, maar verscheen reeds, toen hij nog leerde en doopte.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Had Christus in den Jordaan gedoopt moeten worden?
IIIa q. 39 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet in de Jordaan had gedoopt moeten worden. — I. De werkelijkheid immers, moet aan de voorafbeelding beantwoorden. Maar de voorafbeelding van het doopsel ging vooraf bij de overtocht der Rode Zee, waarin de Egyptenaren verdronken, zoals de zonden gedelgd worden in het doopsel. Dus schijnt het wel, dat Christus veeleer in de zee had gedoopt moeten worden, dan in de rivier de Jordaan.
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet in de Jordaan had gedoopt moeten worden. — I. De werkelijkheid immers, moet aan de voorafbeelding beantwoorden. Maar de voorafbeelding van het doopsel ging vooraf bij de overtocht der Rode Zee, waarin de Egyptenaren verdronken, zoals de zonden gedelgd worden in het doopsel. Dus schijnt het wel, dat Christus veeleer in de zee had gedoopt moeten worden, dan in de rivier de Jordaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Jordaan betekent neerdaling. (Hieronymus, 78° Brief Over de 42 verblijven, 41° Verbl.). Maar door het doopsel stijgt iemand meer op, dan dat hij afdaalt: vandaar zegt Mattheus ook (3, 16) dat Jezus nadat Hij de doop had ontvangen, onmiddellijk uit het water steeg. Dus schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Christus in de Jordaan gedoopt werd.
B: (Matt 3:16) [b:Matt 3:16]
Vervolgens. Jordaan betekent neerdaling. (Hieronymus, 78° Brief Over de 42 verblijven, 41° Verbl.). Maar door het doopsel stijgt iemand meer op, dan dat hij afdaalt: vandaar zegt Mattheus ook (3, 16) dat Jezus nadat Hij de doop had ontvangen, onmiddellijk uit het water steeg. Dus schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Christus in de Jordaan gedoopt werd.
B: (Matt 3:16) [b:Matt 3:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Bij de overtocht der kinderen Israëls weken de wateren van de Jordaan terug, zoals bij Josué te lezen staat (3, 16, 17) en in het Boek der Psalmen (113, 3-5). Maar die zich laten dopen, gaan niet achteruit doch vooruit. Het was dus niet passend, dat Christus in de Jordaan gedoopt werd.
B: (Josh 4) [b:Josh 4] (Ps 113:3) [b:Ps 113:3] (Ps 113:5) [b:Ps 113:5]
Vervolgens. Bij de overtocht der kinderen Israëls weken de wateren van de Jordaan terug, zoals bij Josué te lezen staat (3, 16, 17) en in het Boek der Psalmen (113, 3-5). Maar die zich laten dopen, gaan niet achteruit doch vooruit. Het was dus niet passend, dat Christus in de Jordaan gedoopt werd.
B: (Josh 4) [b:Josh 4] (Ps 113:3) [b:Ps 113:3] (Ps 113:5) [b:Ps 113:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Marcus zegt (1, 9), dat Jezus door Johannes in de Jordaan gedoopt werd.
B: (Mark 1:9) [b:Mark 1:9]
Daartegenover staat echter, dat Marcus zegt (1, 9), dat Jezus door Johannes in de Jordaan gedoopt werd.
B: (Mark 1:9) [b:Mark 1:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 4 co.
Mijn antwoord. Het was de rivier de Jordaan, waardoor de kinderen Israëls het beloofde land binnentraden. (Josue, 3° en 4° H.). Wat nu het doopsel van Christus vóór heeft op alle andere doopsels is dit, dat het binnenleidt in het rijk Gods, dat door het beloofde land betekend wordt. Vandaar zegt Joannes (3, 5): "Zo iemand niet geboren wordt uit water en de Heilige Geest, kan hij niet ingaan in het koninkrijk Gods". Hierop slaat ook, dat Elias de wateren van de Jordaan verdeelde, toen hij op het punt stond om in een vurige wagen weggevoerd te worden naar de hemel, zoals geschreven staat in het 4e Boek der Koningen (2, 7 vlg.) : omdat nl. voor hen, die door het water des doopsels gaan, door het vuur van de Heilige Geest de toegang tot de hemel openstaat. En dus was het passend, dat Christus in de Jordaan gedoopt werd.
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
Mijn antwoord. Het was de rivier de Jordaan, waardoor de kinderen Israëls het beloofde land binnentraden. (Josue, 3° en 4° H.). Wat nu het doopsel van Christus vóór heeft op alle andere doopsels is dit, dat het binnenleidt in het rijk Gods, dat door het beloofde land betekend wordt. Vandaar zegt Joannes (3, 5): "Zo iemand niet geboren wordt uit water en de Heilige Geest, kan hij niet ingaan in het koninkrijk Gods". Hierop slaat ook, dat Elias de wateren van de Jordaan verdeelde, toen hij op het punt stond om in een vurige wagen weggevoerd te worden naar de hemel, zoals geschreven staat in het 4e Boek der Koningen (2, 7 vlg.) : omdat nl. voor hen, die door het water des doopsels gaan, door het vuur van de Heilige Geest de toegang tot de hemel openstaat. En dus was het passend, dat Christus in de Jordaan gedoopt werd.
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De overtocht van de Rode Zee verzinnebeeldde het doopsel wat de uitdelging der zonden betreft. Maar de overtocht van de Jordaan, in zover het de deur van het hemelrijk opent: wat het voornaamste gevolg van het doopsel is, dat door Christus alleen vervuld is. En daarom was het beter, dat Christus in de Jordaan en niet in de zee gedoopt werd.
1e Weerlegging. De overtocht van de Rode Zee verzinnebeeldde het doopsel wat de uitdelging der zonden betreft. Maar de overtocht van de Jordaan, in zover het de deur van het hemelrijk opent: wat het voornaamste gevolg van het doopsel is, dat door Christus alleen vervuld is. En daarom was het beter, dat Christus in de Jordaan en niet in de zee gedoopt werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Er is een opstijgen in het doopsel, door een vooruitgang in genade, wat een afdalen in nederigheid vereist, volgens het woord van Jacobus (4, 6): "Aan de nederigen echter geeft Hij genade". En op dat afdalen slaat de naam: Jordaan.
B: (Jas 4:6) [b:Jas 4:6]
2e Weerlegging. Er is een opstijgen in het doopsel, door een vooruitgang in genade, wat een afdalen in nederigheid vereist, volgens het woord van Jacobus (4, 6): "Aan de nederigen echter geeft Hij genade". En op dat afdalen slaat de naam: Jordaan.
B: (Jas 4:6) [b:Jas 4:6]
Referenties naar deze alinea: 1
Annum Sacrum ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus, in een Preek op Driekoningen (10e Pr.): "Gelijk vroeger de wateren van de Jordaan terugweken, zo wijken nu, na de doop van Christus, de zonden terug". Of ook zoo: daardoor wordt betekend, dat, in tegenstelling met het afvloeien der wateren, de stroom van zegeningen opliep.
3e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus, in een Preek op Driekoningen (10e Pr.): "Gelijk vroeger de wateren van de Jordaan terugweken, zo wijken nu, na de doop van Christus, de zonden terug". Of ook zoo: daardoor wordt betekend, dat, in tegenstelling met het afvloeien der wateren, de stroom van zegeningen opliep.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Moesten de hemelen zich openen, toen Christus gedoopt was?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 39 a. 8 co.
IIIa q. 49 a. 5 ad 3
IIIa q. 68 a. 9 arg. 2[t:iiia q. 39 a. 8 co.][t:iiia q. 49 a. 5 ad 3][t:iiia q. 68 a. 9 arg. 2]
IIIa q. 39 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat toen Christus gedoopt was, de hemelen zich niet hadden moeten openen. Voor hem immers moeten de hemelen zich openen, die, omdat hij buiten de hemel staat, de hemel binnen moet treden. Maar Christus was altijd in de hemel, volgens het woord van Joannes (3, 13): "De mensenzoon, die in de hemel is". Dus hadden zich de hemelen voor Hem niet behoeven te openen.
B: (John 3:13) [b:John 3:13]
IIIa q. 39 a. 8 co.
IIIa q. 49 a. 5 ad 3
IIIa q. 68 a. 9 arg. 2[t:iiia q. 39 a. 8 co.][t:iiia q. 49 a. 5 ad 3][t:iiia q. 68 a. 9 arg. 2]
IIIa q. 39 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat toen Christus gedoopt was, de hemelen zich niet hadden moeten openen. Voor hem immers moeten de hemelen zich openen, die, omdat hij buiten de hemel staat, de hemel binnen moet treden. Maar Christus was altijd in de hemel, volgens het woord van Joannes (3, 13): "De mensenzoon, die in de hemel is". Dus hadden zich de hemelen voor Hem niet behoeven te openen.
B: (John 3:13) [b:John 3:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Het opengaan der hemelen moet ofwel lichamelijk of geestelijk verstaan worden. Maar het kan niet lichamelijk verstaan worden, omdat de hemellichamen onlijdelijk en onbreekbaar zijn, volgens het woord uit het Boek Job (37, 18): "Hebt gij misschien de hemelen gemaakt, die vast staan, als waren zij van koper gegoten?". Evenmin kan het geestelijk verstaan worden, omdat de hemelen voor de ogen van de Zoon Gods van tevoren niet gesloten waren. Bijgevolg schijnt het helemaal niet goed uitgedrukt te zijn, dat de hemelen zich openden toen Christus gedoopt was.
B: (Job 37:18) [b:Job 37:18]
Vervolgens. Het opengaan der hemelen moet ofwel lichamelijk of geestelijk verstaan worden. Maar het kan niet lichamelijk verstaan worden, omdat de hemellichamen onlijdelijk en onbreekbaar zijn, volgens het woord uit het Boek Job (37, 18): "Hebt gij misschien de hemelen gemaakt, die vast staan, als waren zij van koper gegoten?". Evenmin kan het geestelijk verstaan worden, omdat de hemelen voor de ogen van de Zoon Gods van tevoren niet gesloten waren. Bijgevolg schijnt het helemaal niet goed uitgedrukt te zijn, dat de hemelen zich openden toen Christus gedoopt was.
B: (Job 37:18) [b:Job 37:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Voor de gelovigen is de hemel door Christus' lijden geopend, volgens het woord uit de Brief aan de Hebreeën (10, 19): "We hebben de vaste zekerheid, dat door het bloed van Jezus de weg tot het heiligdom ons openstaat". Vandaar ook, als er enigen van hen, die met het doopsel van Christus gedoopt waren, vóór zijn lijden zijn komen te sterven, dan konden zij de hemelen niet binnentreden. Bijgevolg hadden zich veeleer de hemelen moeten openen, toen Christus leed, dan toen Hij gedoopt was.
B: (Heb 10:19) [b:Heb 10:19]
Vervolgens. Voor de gelovigen is de hemel door Christus' lijden geopend, volgens het woord uit de Brief aan de Hebreeën (10, 19): "We hebben de vaste zekerheid, dat door het bloed van Jezus de weg tot het heiligdom ons openstaat". Vandaar ook, als er enigen van hen, die met het doopsel van Christus gedoopt waren, vóór zijn lijden zijn komen te sterven, dan konden zij de hemelen niet binnentreden. Bijgevolg hadden zich veeleer de hemelen moeten openen, toen Christus leed, dan toen Hij gedoopt was.
B: (Heb 10:19) [b:Heb 10:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Lucas zegt (3, 21): "Toen Jezus gedoopt was, ging, terwijl Hij aan het bidden was, de hemel open".
B: (Luke 3:21) [b:Luke 3:21]
Daartegenover staat echter, dat Lucas zegt (3, 21): "Toen Jezus gedoopt was, ging, terwijl Hij aan het bidden was, de hemel open".
B: (Luke 3:21) [b:Luke 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd (1° Art.; 38° Kw., 1° Art.), wilde Christus gedoopt worden, om door zijn doopsel het doopsel, waarmee wij zouden gedoopt worden, te heiligen. En daarom moesten in Christus’ doop die dingen aangetoond worden, die tot de kracht van het doopsel behoren. En daaromtrent zijn drie dingen te beschouwen. En wel ten eerste, de hoofdkracht waaraan het doopsel zijn werking ontleent: en dat nu is een kracht uit de hemel. En dus werd de hemel geopend toen Christus gedoopt was, als om aan te tonen, dat voortaan een kracht van de hemel het doopsel zou heiligen. Ten tweede werken het geloof der Kerk en van degenen die gedoopt wordt er toe mee, dat het doopsel zijn uitwerking heeft: daarom belijden de gedoopten ook hun geloof en wordt het doopsel een sacrament des geloofs genoemd (Augustinus in zijn brief Aan Bonifacius). Door het geloof echter krijgen wij zicht op de hemelse dingen, die de zintuigen en het verstand van de mens te boven gaan. En om dit te betekenen werden de hemelen, toen Christus gedoopt was, geopend. Ten derde, omdat door het doopsel vooral ons de toegang tot het hemelrijk geopend wordt, welke eerst voor de mens door de zonde gesloten was. En daarom werden de hemelen geopend toen Christus gedoopt was, als om aan te duiden, dat de gedoopten de weg naar de hemel open staat. Na het doopsel is voor de mens om in de hemel te komen nog noodig een aanhoudend gebed: want ofschoon door het doopsel de zonden vergeven worden, blijven toch nog over de zondehaard, die ons inwendig bestrijdt, en de wereld en de duivelen, die ons van buiten af aanvallen. En daarom zegt Lucas heel terecht dat de hemel zich opende toen Jezus gedoopt was en Hij aan het bidden was, omdat namelijk voor de gelovigen het gebed na het doopsel noodzakelijk is. — Of ook wel om daardoor te verstaan te geven, dat het feit, dat de hemel voor de gelovigen geopend wordt, te danken is aan de kracht van Christus’ gebed. Vandaar zegt Mattheus zo tekenend, dat de hemel zich voor Hem opende, d. i. voor allen, terwille van Hem: evenals wanneer een keizer aan iemand, die voor een ander iets vraagt, zou zeggen: "Ziet eens, deze gunst geef ik niet aan hem, maar aan u, d. i. aan hem terwille van u", zoals Chrysostomus zegt (4° Homelie van zijn onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus).
R: q. 39 a. 1[t:iiia q. 39 a. 1] q. 38 a. 1[t:iiia q. 38 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals gezegd (1° Art.; 38° Kw., 1° Art.), wilde Christus gedoopt worden, om door zijn doopsel het doopsel, waarmee wij zouden gedoopt worden, te heiligen. En daarom moesten in Christus’ doop die dingen aangetoond worden, die tot de kracht van het doopsel behoren. En daaromtrent zijn drie dingen te beschouwen. En wel ten eerste, de hoofdkracht waaraan het doopsel zijn werking ontleent: en dat nu is een kracht uit de hemel. En dus werd de hemel geopend toen Christus gedoopt was, als om aan te tonen, dat voortaan een kracht van de hemel het doopsel zou heiligen. Ten tweede werken het geloof der Kerk en van degenen die gedoopt wordt er toe mee, dat het doopsel zijn uitwerking heeft: daarom belijden de gedoopten ook hun geloof en wordt het doopsel een sacrament des geloofs genoemd (Augustinus in zijn brief Aan Bonifacius). Door het geloof echter krijgen wij zicht op de hemelse dingen, die de zintuigen en het verstand van de mens te boven gaan. En om dit te betekenen werden de hemelen, toen Christus gedoopt was, geopend. Ten derde, omdat door het doopsel vooral ons de toegang tot het hemelrijk geopend wordt, welke eerst voor de mens door de zonde gesloten was. En daarom werden de hemelen geopend toen Christus gedoopt was, als om aan te duiden, dat de gedoopten de weg naar de hemel open staat. Na het doopsel is voor de mens om in de hemel te komen nog noodig een aanhoudend gebed: want ofschoon door het doopsel de zonden vergeven worden, blijven toch nog over de zondehaard, die ons inwendig bestrijdt, en de wereld en de duivelen, die ons van buiten af aanvallen. En daarom zegt Lucas heel terecht dat de hemel zich opende toen Jezus gedoopt was en Hij aan het bidden was, omdat namelijk voor de gelovigen het gebed na het doopsel noodzakelijk is. — Of ook wel om daardoor te verstaan te geven, dat het feit, dat de hemel voor de gelovigen geopend wordt, te danken is aan de kracht van Christus’ gebed. Vandaar zegt Mattheus zo tekenend, dat de hemel zich voor Hem opende, d. i. voor allen, terwille van Hem: evenals wanneer een keizer aan iemand, die voor een ander iets vraagt, zou zeggen: "Ziet eens, deze gunst geef ik niet aan hem, maar aan u, d. i. aan hem terwille van u", zoals Chrysostomus zegt (4° Homelie van zijn onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus).
R: q. 39 a. 1[t:iiia q. 39 a. 1] q. 38 a. 1[t:iiia q. 38 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (t. a. p.): "Evenals Christus, ofschoon Hij voor zichzelf het doopsel niet nodig had, gedoopt werd, als ook vallend onder het bestuur, dat over de mensen staat, zo ook en om de zelfde reden, werden Hem de hemelen geopend, ofschoon Hij als Goddelijk wezen, voortdurend in de hemelen was".
1e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (t. a. p.): "Evenals Christus, ofschoon Hij voor zichzelf het doopsel niet nodig had, gedoopt werd, als ook vallend onder het bestuur, dat over de mensen staat, zo ook en om de zelfde reden, werden Hem de hemelen geopend, ofschoon Hij als Goddelijk wezen, voortdurend in de hemelen was".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Hierop is met Hieronymus te antwoorden (Verklaring van Mattheus, 3, 16, 17, 3° B.): "Toen Christus gedoopt was, openden zich de hemelen voor zijn geestesoog, en niet in die zin, dat de elementen zich van elkaar deden: en dat bedoelt ook Ezechiel, als hij in het begin van zijn boek er melding van maakt dat de hemelen geopend waren". En dat bewijst Chrysostomus (t. a. p.) met te zeggen, dat, indien de geschapen hemel geopend was geweest, dan zou hij (d. i. Mattheus) niet gezegd hebben: "Hem werden geopend": omdat wat in letterlijken zin geopend wordt, voor allen open staat". En daarom zegt ook Marcus uitdrukkelijk (1, 10), dat op hetzelfde ogenblik, dat Jesus opsteeg uit het water, Hij de hemel geopend zag: als om die opening der hemelen in verband te brengen met het zien van Christus. Sommigen nu brengen het in verband met het lichamelijk zien, en zeggen dan, dat er zo’n gloed om Christus straalde, toen Hij gedoopt werd, dat de hemelen wel geopend schenen. Het kan ook in verband gebracht worden, met een zien der fantasie, op dezelfde manier als waarop Ezechiel de hemelen geopend zag: door Gods kracht immers en de invloed van zijn eigen redelijke wil werd er een dergelijke voorstelling in Christus’ fantasie gevormd, als om aan te geven, dat door het doopsel voor de mensen de toegang naar de hemel geopend wordt. Het kan ook nog in verband gebracht worden met een verstandelijk zien, in zover Christus zag, dat, nu het doopsel geheiligd was, voor de mensen de hemel open stond; maar van tevoren had Hij ook al gezien, dat dit zou geschieden.
2e Weerlegging. Hierop is met Hieronymus te antwoorden (Verklaring van Mattheus, 3, 16, 17, 3° B.): "Toen Christus gedoopt was, openden zich de hemelen voor zijn geestesoog, en niet in die zin, dat de elementen zich van elkaar deden: en dat bedoelt ook Ezechiel, als hij in het begin van zijn boek er melding van maakt dat de hemelen geopend waren". En dat bewijst Chrysostomus (t. a. p.) met te zeggen, dat, indien de geschapen hemel geopend was geweest, dan zou hij (d. i. Mattheus) niet gezegd hebben: "Hem werden geopend": omdat wat in letterlijken zin geopend wordt, voor allen open staat". En daarom zegt ook Marcus uitdrukkelijk (1, 10), dat op hetzelfde ogenblik, dat Jesus opsteeg uit het water, Hij de hemel geopend zag: als om die opening der hemelen in verband te brengen met het zien van Christus. Sommigen nu brengen het in verband met het lichamelijk zien, en zeggen dan, dat er zo’n gloed om Christus straalde, toen Hij gedoopt werd, dat de hemelen wel geopend schenen. Het kan ook in verband gebracht worden, met een zien der fantasie, op dezelfde manier als waarop Ezechiel de hemelen geopend zag: door Gods kracht immers en de invloed van zijn eigen redelijke wil werd er een dergelijke voorstelling in Christus’ fantasie gevormd, als om aan te geven, dat door het doopsel voor de mensen de toegang naar de hemel geopend wordt. Het kan ook nog in verband gebracht worden met een verstandelijk zien, in zover Christus zag, dat, nu het doopsel geheiligd was, voor de mensen de hemel open stond; maar van tevoren had Hij ook al gezien, dat dit zou geschieden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Het lijden van Christus is de algemene grond, waarom voor de mensen de hemel geopend wordt. Opdat ze nu echter de hemel kunnen binnengaan, moet deze oorzaak op ieder in het bijzonder toegepast worden. En dit gebeurt door het doopsel, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (6. 3): "Wij allen, die in Christus Jesus gedoopt zijn, zijn in zijn dood gedoopt". En daarom wordt liever bij de doop dan bij het lijden melding gemaakt van de opening der hemelen. Men kan op deze bedenking ook nog antwoorden met de woorden van Chrysostomus (t. a. p.): "De hemelen werden, toen Christus gedoopt was, alleen maar geopend: toen Hij echter door het kruis de tiran overwonnen had, toen zeiden de Engelen niet "Opent de poorten", maar "Neemt de poorten weg", omdat een hemel, die zich nooit meer zal sluiten, geen poorten meer nodig heeft". En hierdoor geeft Chrysostomus te verstaan, dat de hinderpalen, welke aanvankelijk verhinderden, dat de zielen der afgestorvenen de hemelen konden binnengaan, geheel en al weggenomen zijn door het lijden: maar ze werden bij de doop van Christus geopend, omdat toen de weg aangewezen was, waarlangs de mensen de hemel zouden binnengaan.
B: (Matt 3:16) [b:Matt 3:16] (Luke 3:21) [b:Luke 3:21]
3e Weerlegging. Het lijden van Christus is de algemene grond, waarom voor de mensen de hemel geopend wordt. Opdat ze nu echter de hemel kunnen binnengaan, moet deze oorzaak op ieder in het bijzonder toegepast worden. En dit gebeurt door het doopsel, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (6. 3): "Wij allen, die in Christus Jesus gedoopt zijn, zijn in zijn dood gedoopt". En daarom wordt liever bij de doop dan bij het lijden melding gemaakt van de opening der hemelen. Men kan op deze bedenking ook nog antwoorden met de woorden van Chrysostomus (t. a. p.): "De hemelen werden, toen Christus gedoopt was, alleen maar geopend: toen Hij echter door het kruis de tiran overwonnen had, toen zeiden de Engelen niet "Opent de poorten", maar "Neemt de poorten weg", omdat een hemel, die zich nooit meer zal sluiten, geen poorten meer nodig heeft". En hierdoor geeft Chrysostomus te verstaan, dat de hinderpalen, welke aanvankelijk verhinderden, dat de zielen der afgestorvenen de hemelen konden binnengaan, geheel en al weggenomen zijn door het lijden: maar ze werden bij de doop van Christus geopend, omdat toen de weg aangewezen was, waarlangs de mensen de hemel zouden binnengaan.
B: (Matt 3:16) [b:Matt 3:16] (Luke 3:21) [b:Luke 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Is het wel passend wat er gezegd wordt, dat de Heilige Geest op Christus, na diens doop, onder de gedaante van een duif neerdaalde?
IIIa q. 39 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het niet passend is, wat er gezegd wordt, dat de Heilige Geest op Christus na zijn doop, onder de gedaante van een duif neerdaalde. De Heilige Geest immers, woont in de mensen door de genade. Maar in de mens Christus was, van het eerste ogenblik van zijn ontvangenis af, de volheid der genade, omdat Hij de Eengeborene uit de Vader was, zoals blijkt uit wat boven gezegd is (7e Kw., 12e Art.; 34e Kw., 1e Art.). Dus moest de Heilige Geest niet bij zijn doop tot Hem gezonden worden.
R: q. 7 a. 12[t:iiia q. 7 a. 12] q. 34 a. 1[t:iiia q. 34 a. 1]
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het niet passend is, wat er gezegd wordt, dat de Heilige Geest op Christus na zijn doop, onder de gedaante van een duif neerdaalde. De Heilige Geest immers, woont in de mensen door de genade. Maar in de mens Christus was, van het eerste ogenblik van zijn ontvangenis af, de volheid der genade, omdat Hij de Eengeborene uit de Vader was, zoals blijkt uit wat boven gezegd is (7e Kw., 12e Art.; 34e Kw., 1e Art.). Dus moest de Heilige Geest niet bij zijn doop tot Hem gezonden worden.
R: q. 7 a. 12[t:iiia q. 7 a. 12] q. 34 a. 1[t:iiia q. 34 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Men kan zeggen, dat Christus in de wereld neerdaalde, door het geheim der menswording, toen Hij zich zelf vernietigde, door de gestalte van een slaaf aan te nemen (Brief aan de Philippenzen, 2, 7). De Heilige Geest is echter geen vlees geworden. En zo is het dus niet passend wat er gezegd wordt, dat namelijk de Heilige Geest op Hem nederdaalde.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Vervolgens. Men kan zeggen, dat Christus in de wereld neerdaalde, door het geheim der menswording, toen Hij zich zelf vernietigde, door de gestalte van een slaaf aan te nemen (Brief aan de Philippenzen, 2, 7). De Heilige Geest is echter geen vlees geworden. En zo is het dus niet passend wat er gezegd wordt, dat namelijk de Heilige Geest op Hem nederdaalde.
B: (Phil 2:7) [b:Phil 2:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 6 arg. 3
Vervolgens. In Christus’ doop moest, als in een soort voorbeeld, aangetoond worden, wat bij ons doopsel plaats heeft. Maar bij ons doopsel heeft er geen zichtbare zending van de Heilige Geest plaats. Dus had er ook niet bij de doop van Christus een zichtbare zending van de Heilige Geest moeten plaats hebben.
Vervolgens. In Christus’ doop moest, als in een soort voorbeeld, aangetoond worden, wat bij ons doopsel plaats heeft. Maar bij ons doopsel heeft er geen zichtbare zending van de Heilige Geest plaats. Dus had er ook niet bij de doop van Christus een zichtbare zending van de Heilige Geest moeten plaats hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 6 arg. 4
Vervolgens. De Heilige Geest vloeit van Christus op alle anderen over, volgens het woord van Joannes (1, 16): "Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen". Maar de Heilige Geest daalde over de apostelen neer, niet onder de gedaante van een duif, maar onder de gedaante van vuur. Dus moest Hij ook niet over Christus neerdalen onder de gedaante van een duif, maar onder de gedaante van vuur.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
Vervolgens. De Heilige Geest vloeit van Christus op alle anderen over, volgens het woord van Joannes (1, 16): "Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen". Maar de Heilige Geest daalde over de apostelen neer, niet onder de gedaante van een duif, maar onder de gedaante van vuur. Dus moest Hij ook niet over Christus neerdalen onder de gedaante van een duif, maar onder de gedaante van vuur.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter wat Lucas zegt (3, 22): "De Heilige Geest daalde in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neer".
B: (Luke 3:22) [b:Luke 3:22]
Daartegenover staat echter wat Lucas zegt (3, 22): "De Heilige Geest daalde in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neer".
B: (Luke 3:22) [b:Luke 3:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 6 co.
Mijn antwoord. Wat er met Christus bij zijn doop gebeurd is, behoort, zoals Chrysostomus zegt (4e Homelie van een onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus) bij het mysterie dat zich in allen voltrekt, die naderhand zouden gedoopt worden. Al degenen nu, die met het doopsel van Christus gedoopt worden, ontvangen, behalve dan wanneer ze in schijn er toe naderen, de Heilige Geest, zoals blijkt uit Mattheus (3, 11): "Hij zal u dopen met de Heilige Geest". En dus was het passend, dat op de Heer na zijn doopsel, de Heilige Geest nederdaalde.
B: (Matt 3:11) [b:Matt 3:11]
Mijn antwoord. Wat er met Christus bij zijn doop gebeurd is, behoort, zoals Chrysostomus zegt (4e Homelie van een onvoltooid gebleven Verklaring van Mattheus) bij het mysterie dat zich in allen voltrekt, die naderhand zouden gedoopt worden. Al degenen nu, die met het doopsel van Christus gedoopt worden, ontvangen, behalve dan wanneer ze in schijn er toe naderen, de Heilige Geest, zoals blijkt uit Mattheus (3, 11): "Hij zal u dopen met de Heilige Geest". En dus was het passend, dat op de Heer na zijn doopsel, de Heilige Geest nederdaalde.
B: (Matt 3:11) [b:Matt 3:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Augustinus (15e B. van zijn werk Over de Drievuldigheid, 26e H.): "Het is te dwaas om te beweren, dat Christus de Heilige Geest eerst ontving, toen Hij dertig jaar oud was: maar kwam Hij tot het doopsel zonder zonde, evenzo niet zonder de Heilige Geest. Want, zo al van Johannes geschreven staat, dat hij "reeds van de schoot zijner moeder af vervuld zal worden van de Heilige Geest", wat moet dan niet te zeggen zijn van de mens Christus, wiens lichaam niet op vleselijke, maar op geestelijke wijze ontvangen was? Nù derhalve d. i. bij zijn doopsel, verwaardigde Hij zich zijn lichaam d. i. de Kerk, te voorafbeelden, waarin de gedoopten voornamelijk de Heilige Geest ontvangen".
1e Weerlegging. Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Augustinus (15e B. van zijn werk Over de Drievuldigheid, 26e H.): "Het is te dwaas om te beweren, dat Christus de Heilige Geest eerst ontving, toen Hij dertig jaar oud was: maar kwam Hij tot het doopsel zonder zonde, evenzo niet zonder de Heilige Geest. Want, zo al van Johannes geschreven staat, dat hij "reeds van de schoot zijner moeder af vervuld zal worden van de Heilige Geest", wat moet dan niet te zeggen zijn van de mens Christus, wiens lichaam niet op vleselijke, maar op geestelijke wijze ontvangen was? Nù derhalve d. i. bij zijn doopsel, verwaardigde Hij zich zijn lichaam d. i. de Kerk, te voorafbeelden, waarin de gedoopten voornamelijk de Heilige Geest ontvangen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Volgens Augustinus, in zijn werk Over de Drievuldigheid (2° B., 5° en 6° H.) kan men niet zeggen, dat de Heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif, op Christus is neergedaald, omdat het wezen zelf van de Heilige Geest gezien werd: want dat is onzichtbaar. Evenmin kan men zeggen, dat dat zichtbare schepsel opgenomen werd in de eenheid der goddelijke persoon: want men kan niet zeggen, dat de Heilige Geest een duif is, zoals men wel, op grond van de vereniging, kan zeggen, dat de Zoon Gods mens is. Ook werd de Heilige Geest niet op dezelfde wijze gezien onder de gedaante van een duif, zoals Joannes in het Boek der Openbaring het geslachte lam zag, zoals vermeld staat in het Boek der Openbaring (5, 6); want dit gezicht werd in de geest teweeg gebracht door geestelijke beelden van lichamen; niemand heeft er echter ooit aan getwijfeld, of die duif wel met de ogen gezien is. En de Heilige Geest verscheen ook niet op die wijze onder de gedaante van een duif, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 4): "En die rots was Christus". "Want die rots was al iets geschapens en haar werd, om haar manier van doen, de naam: Christus gegeven, die zij betekende; die duif echter, ontstond eensklaps en hield later op te bestaan, alleen maar om dat aan te duiden, evenals de vlam, die in het braambosch aan Mozes verscheen". Men kan derhalve zeggen, dat de Heilige Geest op Christus neergedaald is, niet op grond van een vereniging met de duif: maar ofwel op grond van de duif zelf, die de Heilige Geest betekende en die al neerdalende op Christus kwam, of ook wel op grond van de geestelijke genade, die van God, bij wijze van een soort nederdaling, op het schepsel overvloeit, naar het woord van Jacobus (1, 17): "Alle goede gift en volmaakte gave komt van boven en daalt neer van de Vader der lichten".
B: (1Cor 10:4) [b:1Cor 10:4]
2e Weerlegging. Volgens Augustinus, in zijn werk Over de Drievuldigheid (2° B., 5° en 6° H.) kan men niet zeggen, dat de Heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif, op Christus is neergedaald, omdat het wezen zelf van de Heilige Geest gezien werd: want dat is onzichtbaar. Evenmin kan men zeggen, dat dat zichtbare schepsel opgenomen werd in de eenheid der goddelijke persoon: want men kan niet zeggen, dat de Heilige Geest een duif is, zoals men wel, op grond van de vereniging, kan zeggen, dat de Zoon Gods mens is. Ook werd de Heilige Geest niet op dezelfde wijze gezien onder de gedaante van een duif, zoals Joannes in het Boek der Openbaring het geslachte lam zag, zoals vermeld staat in het Boek der Openbaring (5, 6); want dit gezicht werd in de geest teweeg gebracht door geestelijke beelden van lichamen; niemand heeft er echter ooit aan getwijfeld, of die duif wel met de ogen gezien is. En de Heilige Geest verscheen ook niet op die wijze onder de gedaante van een duif, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 4): "En die rots was Christus". "Want die rots was al iets geschapens en haar werd, om haar manier van doen, de naam: Christus gegeven, die zij betekende; die duif echter, ontstond eensklaps en hield later op te bestaan, alleen maar om dat aan te duiden, evenals de vlam, die in het braambosch aan Mozes verscheen". Men kan derhalve zeggen, dat de Heilige Geest op Christus neergedaald is, niet op grond van een vereniging met de duif: maar ofwel op grond van de duif zelf, die de Heilige Geest betekende en die al neerdalende op Christus kwam, of ook wel op grond van de geestelijke genade, die van God, bij wijze van een soort nederdaling, op het schepsel overvloeit, naar het woord van Jacobus (1, 17): "Alle goede gift en volmaakte gave komt van boven en daalt neer van de Vader der lichten".
B: (1Cor 10:4) [b:1Cor 10:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Chrysostomus (12e Homelie op Mattheus): "Als geestelijke dingen een aanvang nemen, verschijnen immer zintuigelijk waarneembare gezichten, ter wille van hen, die niet vatbaar zijn voor het begrip van een niet-lichamelijk wezen: en het doel hiervan is, dat, als ze later niet meer voorkomen, men zou geloven, om datgene wat er eens wel geschied is". En dus daalde bij Christus’ doop de Heilige Geest in lichamelijke gedaante zichtbaar neer, opdat men zou geloven, dat Hij later onzichtbaar op de gedoopten zou neerdalen.
B: (Jas 1:17) [b:Jas 1:17]
3e Weerlegging. Hierop moet geantwoord worden met de woorden van Chrysostomus (12e Homelie op Mattheus): "Als geestelijke dingen een aanvang nemen, verschijnen immer zintuigelijk waarneembare gezichten, ter wille van hen, die niet vatbaar zijn voor het begrip van een niet-lichamelijk wezen: en het doel hiervan is, dat, als ze later niet meer voorkomen, men zou geloven, om datgene wat er eens wel geschied is". En dus daalde bij Christus’ doop de Heilige Geest in lichamelijke gedaante zichtbaar neer, opdat men zou geloven, dat Hij later onzichtbaar op de gedoopten zou neerdalen.
B: (Jas 1:17) [b:Jas 1:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 6 ad 4
4e Weerlegging. Om vier redenen daalde de Heilige Geest onder de gedaante van een duif op Christus neer toen Hij gedoopt was. En wel ten eerste, om de gestalte die in de doopling vereist wordt: hij mag namelijk niet in schijn (tot het doopsel) naderen, omdat, zoals in het Boek der Wijsheid gezegd wordt (1, 5): "De Heilige Geest der tucht vliedt wat geveinsd is". Want de duif is een eenvoudig dier, zonder list en bedrog: vandaar zegt Mattheus (10, 16): "weest eenvoudig als de duiven". Ten tweede, om de zeven gaven van de Heilige Geest aan te geven, welke de duif door haar eigenschappen betekent. De duif immers huist bij stromen om als er een havik in zicht komt, zich onder te dompelen en te ontsnappen. En dit duidt op de gave der wijsheid, waardoor de heiligen zich neerzetten aan de stromen der heilige Schrift ten einde aan de aanvallen van de duivel te ontkomen. — De duif zoekt vervolgens de beste graankorrels uit. En dit behoort bij de gave van wetenschap, waardoor de heiligen de bezonnen meningen uitkiezen, waar ze zich mee voeden. — Ook voedt de duif andere jongen. En dit slaat op de gave van raad, waardoor heiligen die mensen, welke kinderen, dat wil zeggen navolgers van de duivel, waren, door hun leer en voorbeeld spijzigen. — Verder verscheurt de duif niet met haar snavel. En dit houdt verband met de gave van verstand, waardoor de heiligen de goede sententies niet, zoals de ketters doen, verderven met ze in stukken te scheuren. — Ook heeft de duif geen gal. Wat op de gave van godsvrucht betrekking heeft, waardoor de heiligen vrij zijn van onredelijke toorn. — En verder bouwt de duif zijn nest in rotsholen. En dit houdt verband met de gave van sterkte, waardoor de heiligen hun zetel, dat wil zeggen hun toevlucht en hoop vestigen op de wonden van de dood van Christus, die een vaste rots is. — En vervolgens weeklaagt de duif in plaats van te zingen. Wat op de gave van vrees slaat, waardoor de heiligen hun behagen vinden in weeklachten om de zonden. Ten derde verscheen de Heilige Geest onder de gedaante van een duif, om het eigen gevolg van het doopsel, namelijk de vergiffenis der zonden en de verzoening met God: de duif immers is een zachtaardig dier. En daarom verscheen zoals Chrysostomus zegt (12e Homelie op Mattheus) dit dier bij de zondvloed met een olijftak bij zich en de algehele rust der wereld aankondigend: en ook nu weer verschijnt de duif bij het doopsel, om aan te tonen, dat er voor ons verlossing is. Ten vierde verscheen de Heilige Geest onder de gedaante van een duif boven de Heer toen Hij gedoopt was, om het meer algemene gevolg van het doopsel aan te geven namelijk de vorming der kerkelijke eenheid. Vandaar staat er in de Brief aan de Ephesiërs (5, 25) dat Christus zich voor haar heeft overgeleverd, om zich een heerlijke Kerk te bereiden, zonder vlek of rimpel of iets van die aard en haar te reinigen door het waterbad vergezeld van het woord. En dus werd heel passend de Heilige Geest bij het doopsel aangewezen onder de gedaante van een duif, wat een trouwhartig en in zwermen levend dier is. Vandaar wordt er ook in het Hooglied (6, 8) aangaande de Kerk gezegd: "Een enige is mijn duif". Om twee redenen daalde de Heilige Geest echter over de Apostelen neer onder de gedaante van vuur. En wel ten eerste om de gloed aan te geven waardoor hun harten moesten aangegrepen worden, om Christus overal onder verdrukkingen nog te kunnen prediken. En daarom verscheen Hij ook in vurige tongen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 6e Verhandeling op Joannes (N° 3): "Op twee manieren toonde de Heer de Heilige Geest op zichtbare wijze: en wel door een duif boven de Heer, na zijn doop; door vuur boven de vergaderde Apostelen. Daar wordt gewezen op de eenvoud, hier op de gloed. Opdat ze dus niet, geheiligd door de Geest, vol bedrog zouden zijn, werd Hij in een duif getoond; en opdat hun eenvoud niet koud zou blijven, in vuur. Laat het u niet verontrusten, dat de tongen verdeeld waren: herken de eenheid in de duif". En ten tweede, omdat er, zoals Chrysostomus zegt (Gregorius 30° Homelie op het Evangelie) misdaden moesten vergeven worden, wat in het doopsel gebeurt, was er lankmoedigheid noodig: wat in de duif aangetoond wordt. Maar wanneer we genade gekregen hebben, blijft nog de tijd van het oordeel over: wat door het vuur betekend wordt.
4e Weerlegging. Om vier redenen daalde de Heilige Geest onder de gedaante van een duif op Christus neer toen Hij gedoopt was. En wel ten eerste, om de gestalte die in de doopling vereist wordt: hij mag namelijk niet in schijn (tot het doopsel) naderen, omdat, zoals in het Boek der Wijsheid gezegd wordt (1, 5): "De Heilige Geest der tucht vliedt wat geveinsd is". Want de duif is een eenvoudig dier, zonder list en bedrog: vandaar zegt Mattheus (10, 16): "weest eenvoudig als de duiven". Ten tweede, om de zeven gaven van de Heilige Geest aan te geven, welke de duif door haar eigenschappen betekent. De duif immers huist bij stromen om als er een havik in zicht komt, zich onder te dompelen en te ontsnappen. En dit duidt op de gave der wijsheid, waardoor de heiligen zich neerzetten aan de stromen der heilige Schrift ten einde aan de aanvallen van de duivel te ontkomen. — De duif zoekt vervolgens de beste graankorrels uit. En dit behoort bij de gave van wetenschap, waardoor de heiligen de bezonnen meningen uitkiezen, waar ze zich mee voeden. — Ook voedt de duif andere jongen. En dit slaat op de gave van raad, waardoor heiligen die mensen, welke kinderen, dat wil zeggen navolgers van de duivel, waren, door hun leer en voorbeeld spijzigen. — Verder verscheurt de duif niet met haar snavel. En dit houdt verband met de gave van verstand, waardoor de heiligen de goede sententies niet, zoals de ketters doen, verderven met ze in stukken te scheuren. — Ook heeft de duif geen gal. Wat op de gave van godsvrucht betrekking heeft, waardoor de heiligen vrij zijn van onredelijke toorn. — En verder bouwt de duif zijn nest in rotsholen. En dit houdt verband met de gave van sterkte, waardoor de heiligen hun zetel, dat wil zeggen hun toevlucht en hoop vestigen op de wonden van de dood van Christus, die een vaste rots is. — En vervolgens weeklaagt de duif in plaats van te zingen. Wat op de gave van vrees slaat, waardoor de heiligen hun behagen vinden in weeklachten om de zonden. Ten derde verscheen de Heilige Geest onder de gedaante van een duif, om het eigen gevolg van het doopsel, namelijk de vergiffenis der zonden en de verzoening met God: de duif immers is een zachtaardig dier. En daarom verscheen zoals Chrysostomus zegt (12e Homelie op Mattheus) dit dier bij de zondvloed met een olijftak bij zich en de algehele rust der wereld aankondigend: en ook nu weer verschijnt de duif bij het doopsel, om aan te tonen, dat er voor ons verlossing is. Ten vierde verscheen de Heilige Geest onder de gedaante van een duif boven de Heer toen Hij gedoopt was, om het meer algemene gevolg van het doopsel aan te geven namelijk de vorming der kerkelijke eenheid. Vandaar staat er in de Brief aan de Ephesiërs (5, 25) dat Christus zich voor haar heeft overgeleverd, om zich een heerlijke Kerk te bereiden, zonder vlek of rimpel of iets van die aard en haar te reinigen door het waterbad vergezeld van het woord. En dus werd heel passend de Heilige Geest bij het doopsel aangewezen onder de gedaante van een duif, wat een trouwhartig en in zwermen levend dier is. Vandaar wordt er ook in het Hooglied (6, 8) aangaande de Kerk gezegd: "Een enige is mijn duif". Om twee redenen daalde de Heilige Geest echter over de Apostelen neer onder de gedaante van vuur. En wel ten eerste om de gloed aan te geven waardoor hun harten moesten aangegrepen worden, om Christus overal onder verdrukkingen nog te kunnen prediken. En daarom verscheen Hij ook in vurige tongen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 6e Verhandeling op Joannes (N° 3): "Op twee manieren toonde de Heer de Heilige Geest op zichtbare wijze: en wel door een duif boven de Heer, na zijn doop; door vuur boven de vergaderde Apostelen. Daar wordt gewezen op de eenvoud, hier op de gloed. Opdat ze dus niet, geheiligd door de Geest, vol bedrog zouden zijn, werd Hij in een duif getoond; en opdat hun eenvoud niet koud zou blijven, in vuur. Laat het u niet verontrusten, dat de tongen verdeeld waren: herken de eenheid in de duif". En ten tweede, omdat er, zoals Chrysostomus zegt (Gregorius 30° Homelie op het Evangelie) misdaden moesten vergeven worden, wat in het doopsel gebeurt, was er lankmoedigheid noodig: wat in de duif aangetoond wordt. Maar wanneer we genade gekregen hebben, blijft nog de tijd van het oordeel over: wat door het vuur betekend wordt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Was de duif, waarin de Heilige Geest verscheen, een werkelijk dier?
IIIa q. 39 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de duif, waarin de Heilige Geest verscheen, geen werkelijk dier was. Datgene immers lijkt alleen maar in schijn te verschijnen, wat in beeld verschijnt. Maar Lucas zegt (3, 22) dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde in lichamelijke gedaante als een duif. Het was dus geen echte duif, maar iets wat op een duif leek.
B: (Luke 3:22) [b:Luke 3:22]
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de duif, waarin de Heilige Geest verscheen, geen werkelijk dier was. Datgene immers lijkt alleen maar in schijn te verschijnen, wat in beeld verschijnt. Maar Lucas zegt (3, 22) dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde in lichamelijke gedaante als een duif. Het was dus geen echte duif, maar iets wat op een duif leek.
B: (Luke 3:22) [b:Luke 3:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Evenals de natuur niets maakt wat geen zin heeft, zoals gezegd wordt in het 1° Boek Over de Hemel (4° H., N° 8) zo ook God niet. Maar omdat nu die duif alleen maar optrad om iets te betekenen en voorbij te gaan zoals Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid (2e B., 6e H.) zou een echte duif geen zin gehad hebben, omdat hetzelfde had kunnen geschieden met iets wat op een duif gelijkt. Die duif was dus geen werkelijk dier.
Vervolgens. Evenals de natuur niets maakt wat geen zin heeft, zoals gezegd wordt in het 1° Boek Over de Hemel (4° H., N° 8) zo ook God niet. Maar omdat nu die duif alleen maar optrad om iets te betekenen en voorbij te gaan zoals Augustinus zegt in zijn werk Over de Drievuldigheid (2e B., 6e H.) zou een echte duif geen zin gehad hebben, omdat hetzelfde had kunnen geschieden met iets wat op een duif gelijkt. Die duif was dus geen werkelijk dier.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Van iedere zaak leiden de eigenschappen tot de kennis der natuur van die zaak. Indien derhalve die duif een werkelijk dier geweest was, dan zouden de eigenschappen der duif de natuur van een werkelijk dier betekend hebben, en niet de uitwerkingen van de Heilige Geest. Het schijnt dus wel, dat die duif geen werkelijk dier is geweest.
Vervolgens. Van iedere zaak leiden de eigenschappen tot de kennis der natuur van die zaak. Indien derhalve die duif een werkelijk dier geweest was, dan zouden de eigenschappen der duif de natuur van een werkelijk dier betekend hebben, en niet de uitwerkingen van de Heilige Geest. Het schijnt dus wel, dat die duif geen werkelijk dier is geweest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt, in zijn werk Over de Strijd van de Christen: "En wij drukken dat daarom niet zo uit, ten einde te kunnen beweren, dat Onze Heer Jezus Christus alleen maar een werkelijk lichaam heeft gehad, en de Heilige Geest slechts in schijn voor de ogen der mensen verschenen is: maar wij geloven dat beide lichamen werkelijkheid waren".
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt, in zijn werk Over de Strijd van de Christen: "En wij drukken dat daarom niet zo uit, ten einde te kunnen beweren, dat Onze Heer Jezus Christus alleen maar een werkelijk lichaam heeft gehad, en de Heilige Geest slechts in schijn voor de ogen der mensen verschenen is: maar wij geloven dat beide lichamen werkelijkheid waren".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 7 co.
Mijn antwoord. Zoals vroeger gezegd (5e Kw., 1e Art.), paste het niet, dat de Zoon Gods, die de Waarheid des Vaders is, van een of andere fictie zou gebruik maken; en daarom nam Hij geen schijn-, maar een werkelijk lichaam aan. En omdat de Heilige Geest de Geest van Waarheid genoemd wordt, zoals blijkt uit Joannes (16, 13), daarom vormde ook Hij een werkelijke duif om daarin te verschijnen, alhoewel Hij haar niet opnam in de eenheid van zijn persoon. Vandaar voegt Augustinus nog aan de geciteerde woorden toe: "Zoals het niet betaamde, dat de Zoon Gods de mensen bedroog, evenmin betaamde het, dat de Heilige Geest ze zou bedriegen. Het was echter niet zo moeilijk voor de almachtige God, die de hele schepping uit niets gemaakt heeft; om, zonder hulp van andere duiven, een echt duiven-lichaam te vormen, zoals het ook niet lastig voor Hem geweest is, in Maria’s schoot een werkelijk lichaam te maken zonder mannelijk zaad. Een lichamelijk schepsel moet immers evenzeer aan het bevel en de wil des Heren gehoorzamen, om een mens te vormen in de schoot ener vrouw, en een duif te vormen in het heelal".
B: (John 16:13) [b:John 16:13]
R: q. 5 a. 1[t:iiia q. 5 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals vroeger gezegd (5e Kw., 1e Art.), paste het niet, dat de Zoon Gods, die de Waarheid des Vaders is, van een of andere fictie zou gebruik maken; en daarom nam Hij geen schijn-, maar een werkelijk lichaam aan. En omdat de Heilige Geest de Geest van Waarheid genoemd wordt, zoals blijkt uit Joannes (16, 13), daarom vormde ook Hij een werkelijke duif om daarin te verschijnen, alhoewel Hij haar niet opnam in de eenheid van zijn persoon. Vandaar voegt Augustinus nog aan de geciteerde woorden toe: "Zoals het niet betaamde, dat de Zoon Gods de mensen bedroog, evenmin betaamde het, dat de Heilige Geest ze zou bedriegen. Het was echter niet zo moeilijk voor de almachtige God, die de hele schepping uit niets gemaakt heeft; om, zonder hulp van andere duiven, een echt duiven-lichaam te vormen, zoals het ook niet lastig voor Hem geweest is, in Maria’s schoot een werkelijk lichaam te maken zonder mannelijk zaad. Een lichamelijk schepsel moet immers evenzeer aan het bevel en de wil des Heren gehoorzamen, om een mens te vormen in de schoot ener vrouw, en een duif te vormen in het heelal".
B: (John 16:13) [b:John 16:13]
R: q. 5 a. 1[t:iiia q. 5 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. De Heilige Geest wordt gezegd neergedaald te zijn onder de gedaante of in de gelijkenis van een duif, niet om uit te sluiten dat het een werkelijke duif was, maar om aan te tonen, dat Hij niet verscheen in de gedaante van zijn eigen wezen.
1e Weerlegging. De Heilige Geest wordt gezegd neergedaald te zijn onder de gedaante of in de gelijkenis van een duif, niet om uit te sluiten dat het een werkelijke duif was, maar om aan te tonen, dat Hij niet verscheen in de gedaante van zijn eigen wezen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Het was niet overbodig een duif te vormen, om daarin de Heilige Geest te laten verschijnen, omdat door de werkelijkheid van de duif, de werkelijkheid van de Heilige Geest en zijn uitwerkingen betekend wordt.
2e Weerlegging. Het was niet overbodig een duif te vormen, om daarin de Heilige Geest te laten verschijnen, omdat door de werkelijkheid van de duif, de werkelijkheid van de Heilige Geest en zijn uitwerkingen betekend wordt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. De eigenschappen der duif leiden er op dezelfde wijze toe, om de natuur van een duif aan te geven, als om de uitwerkingen van de Heilige Geest te beduiden. Doordat immers de duif dusdanige eigenschappen heeft, kan zij de Heilige Geest betekenen.
3e Weerlegging. De eigenschappen der duif leiden er op dezelfde wijze toe, om de natuur van een duif aan te geven, als om de uitwerkingen van de Heilige Geest te beduiden. Doordat immers de duif dusdanige eigenschappen heeft, kan zij de Heilige Geest betekenen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Was het wel passend, dat na Christus’ doop, de stem van den Vader gehoord werd om voor den Zoon te getuigen?
IIIa q. 39 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat na Christus’ doop de stem van de Vader gehoord werd, om voor de Zoon te getuigen. Men kan zeggen, dat de Zoon en de Heilige Geest zichtbaar gezonden zijn, in zover ze zichtbaar verschenen. Maar de Vader komt het niet toe gezonden te worden. zoals blijkt uit Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (2° B., 5° en 12° H.). Dus ook niet om te verschijnen.
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat na Christus’ doop de stem van de Vader gehoord werd, om voor de Zoon te getuigen. Men kan zeggen, dat de Zoon en de Heilige Geest zichtbaar gezonden zijn, in zover ze zichtbaar verschenen. Maar de Vader komt het niet toe gezonden te worden. zoals blijkt uit Augustinus in zijn werk Over de Drievuldigheid (2° B., 5° en 12° H.). Dus ook niet om te verschijnen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 8 arg. 2
Vervolgens. De stem is de uitdrukking van het woord. Maar de Vader is niet het Woord. Bijgevolg past het niet, dat Hij zich openbaart in een stem.
Vervolgens. De stem is de uitdrukking van het woord. Maar de Vader is niet het Woord. Bijgevolg past het niet, dat Hij zich openbaart in een stem.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 8 arg. 3
Vervolgens. De mens Christus begon niet Zoon Gods te worden bij zijn doopsel, zoals enkele ketters gemeend hebben, maar van het begin van zijn ontvangenis af was Hij Zoon Gods. De stem des Vaders had dus veeleer bij de geboorte Christus’ Godheid moeten betuigen, dan bij zijn doopsel.
Vervolgens. De mens Christus begon niet Zoon Gods te worden bij zijn doopsel, zoals enkele ketters gemeend hebben, maar van het begin van zijn ontvangenis af was Hij Zoon Gods. De stem des Vaders had dus veeleer bij de geboorte Christus’ Godheid moeten betuigen, dan bij zijn doopsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter, dat er bij Mattheus gezegd wordt (3, 17): "En zie een stem uit de hemel sprak: Deze is mijn beminde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen gevonden heb".
B: (Matt 3:17) [b:Matt 3:17]
Daartegenover staat echter, dat er bij Mattheus gezegd wordt (3, 17): "En zie een stem uit de hemel sprak: Deze is mijn beminde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen gevonden heb".
B: (Matt 3:17) [b:Matt 3:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 8 co.
Mijn antwoord. Zoals vroeger gezegd (5e Art.) moest in Christus’ doopsel, dat het voorbeeld was van ons doopsel, aangegeven worden, wat in ons doopsel tot stand gebracht wordt. Nu wordt het doopsel, waarmee de gelovigen gedoopt worden geheiligd door de aanroeping en de kracht der Drievuldigheid, volgens het woord van Mattheus (28, 19): "Gaat heen dan, onderwijst alle volken, en doopt ze in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes". En daarom, zoals Hieronymus zegt (Verklaring van Mattheus, 3, 16, 17) wordt in het doopsel van Christus het geheim der Drievuldigheid aangetoond: de Heer zelf wordt in menselijke natuur gedoopt; de Heilige Geest daalt neer onder de gedaante van een duif; de stem van de Vader wordt vernomen, getuigenis afleggend voor de Zoon. En daarom was het passend, dat bij dat doopsel de Vader in een stem getoond werd.
B: (Matt 3:16) [b:Matt 3:16] (Matt 3:17) [b:Matt 3:17] (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
R: q. 39 a. 5[t:iiia q. 39 a. 5]
Mijn antwoord. Zoals vroeger gezegd (5e Art.) moest in Christus’ doopsel, dat het voorbeeld was van ons doopsel, aangegeven worden, wat in ons doopsel tot stand gebracht wordt. Nu wordt het doopsel, waarmee de gelovigen gedoopt worden geheiligd door de aanroeping en de kracht der Drievuldigheid, volgens het woord van Mattheus (28, 19): "Gaat heen dan, onderwijst alle volken, en doopt ze in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes". En daarom, zoals Hieronymus zegt (Verklaring van Mattheus, 3, 16, 17) wordt in het doopsel van Christus het geheim der Drievuldigheid aangetoond: de Heer zelf wordt in menselijke natuur gedoopt; de Heilige Geest daalt neer onder de gedaante van een duif; de stem van de Vader wordt vernomen, getuigenis afleggend voor de Zoon. En daarom was het passend, dat bij dat doopsel de Vader in een stem getoond werd.
B: (Matt 3:16) [b:Matt 3:16] (Matt 3:17) [b:Matt 3:17] (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
R: q. 39 a. 5[t:iiia q. 39 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Het begrip: zichtbare zending, voegt iets toe aan het begrip: verschijning, en wel het gezag van degene die zendt. Dus worden de Zoon en de Heilige Geest, die van iemand anders afhangen, gezegd, niet alleen te verschijnen, maar ook zichtbaar gezonden te worden. De Vader echter, die niet van een ander afhankelijk is, kan wel verschijnen, maar niet zichtbaar gezonden worden.
1e Weerlegging. Het begrip: zichtbare zending, voegt iets toe aan het begrip: verschijning, en wel het gezag van degene die zendt. Dus worden de Zoon en de Heilige Geest, die van iemand anders afhangen, gezegd, niet alleen te verschijnen, maar ook zichtbaar gezonden te worden. De Vader echter, die niet van een ander afhankelijk is, kan wel verschijnen, maar niet zichtbaar gezonden worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. De Vader wordt in de stem alleen maar aangetoond, als voortbrenger van de stem of als sprekend met een stem. En omdat het eigen is aan de Vader het Woord voort te brengen, wat zeggen is, of spreken, daarom was het buitengewoon passend, dat de Vader geopenbaard werd door een stem, die de uitdrukking is van het woord. Vandaar getuigt ook de stem, welke door de Vader wordt voortgebracht, van het zoonschap van het Woord. En evenals de gedaante der duif, waarin de Heilige Geest aangetoond werd, niet de natuur is van de Heilige Geest; en ook de mensengedaante, waarin de Zoon is geopenbaard, niet de natuur zelf is van de Zoon Gods: zo behoort ook de stem niet tot de natuur van het Woord of van de Vader, die spreekt. Vandaar zegt Joannes (5, 37): "Nooit hebt ge zijn, d. i. des Vaders, stem gehoord, en nooit hebt ge zijn wezen gezien". En hiermee geeft hij (d. i. Joannes), zoals Chrysostomus zegt (11° Homelie op Joannes), hen langzaam aan inleidend in de filosofische uitdrukkingswijze, te kennen, dat noch de stem, en evenmin de gedaante, van God is, maar dat Hij en boven vormen en boven dergelijke taal, ver verheven is. En evenals de gehele Drievuldigheid de duif en ook de door Christus aangenomen menselijke natuur gemaakt heeft, zo is ook de vorming van de stem van haar. Maar toch maakt alleen de Vader zich in de stem bekend, zoals alleen de Zoon de menselijke natuur heeft aangenomen en de Heilige Geest alleen in een duif geopenbaard werd, zoals blijkt uit het werk van Augustinus.
B: (John 5:37, John 5:37) [b:John 5:37]
2e Weerlegging. De Vader wordt in de stem alleen maar aangetoond, als voortbrenger van de stem of als sprekend met een stem. En omdat het eigen is aan de Vader het Woord voort te brengen, wat zeggen is, of spreken, daarom was het buitengewoon passend, dat de Vader geopenbaard werd door een stem, die de uitdrukking is van het woord. Vandaar getuigt ook de stem, welke door de Vader wordt voortgebracht, van het zoonschap van het Woord. En evenals de gedaante der duif, waarin de Heilige Geest aangetoond werd, niet de natuur is van de Heilige Geest; en ook de mensengedaante, waarin de Zoon is geopenbaard, niet de natuur zelf is van de Zoon Gods: zo behoort ook de stem niet tot de natuur van het Woord of van de Vader, die spreekt. Vandaar zegt Joannes (5, 37): "Nooit hebt ge zijn, d. i. des Vaders, stem gehoord, en nooit hebt ge zijn wezen gezien". En hiermee geeft hij (d. i. Joannes), zoals Chrysostomus zegt (11° Homelie op Joannes), hen langzaam aan inleidend in de filosofische uitdrukkingswijze, te kennen, dat noch de stem, en evenmin de gedaante, van God is, maar dat Hij en boven vormen en boven dergelijke taal, ver verheven is. En evenals de gehele Drievuldigheid de duif en ook de door Christus aangenomen menselijke natuur gemaakt heeft, zo is ook de vorming van de stem van haar. Maar toch maakt alleen de Vader zich in de stem bekend, zoals alleen de Zoon de menselijke natuur heeft aangenomen en de Heilige Geest alleen in een duif geopenbaard werd, zoals blijkt uit het werk van Augustinus.
B: (John 5:37, John 5:37) [b:John 5:37]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 39 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. De Godheid van Christus behoorde niet bij zijn geboorte aan allen bekend gemaakt te worden, maar moest veeleer onder de gebreken van een kinderleeftijd verborgen worden. Maar nu Hij tot de volmaakte leeftijd gekomen was, waarin Hij moest gaan leeraren en wonderen doen en mensen tot zich bekeren, nu moest zijn Godheid door een getuigenis van de Vader geopenbaard worden, opdat zijn leer geloofwaardiger zou worden. Vandaar zegt Hij zelf (Joannes, 5, 37): "Ook heeft de Vader, die Mij zond, zelf over Mij getuigd". En dat wel hoofdzakelijk bij het doopsel, waardoor de mensen herboren worden tot aangenomen kinderen Gods: de aangenomen kinderen Gods immers worden gevormd naar de gelijkenis van de natuurlijke Zoon, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (8, 29): "Die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon". Vandaar zegt Hilarius in zijn Verklaring op Mattheus (2° H.), dat op Jesus, na zijn doopsel, de Heilige Geest neerdaalde en de stem des Vaders gehoord werd zeggende: "Deze is mijn beminde Zoon", opdat wij uit datgene, wat er bij Christus geschiedde, zouden begrijpen, dat, na de afwassing met water, de Heilige Geest vanuit de hemelgewesten naar ons toe komt gevlogen, en wij in het woord van de Vader, aangenomen kinderen Gods worden.
B: (John 5:37, John 5:37) [b:John 5:37] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
3e Weerlegging. De Godheid van Christus behoorde niet bij zijn geboorte aan allen bekend gemaakt te worden, maar moest veeleer onder de gebreken van een kinderleeftijd verborgen worden. Maar nu Hij tot de volmaakte leeftijd gekomen was, waarin Hij moest gaan leeraren en wonderen doen en mensen tot zich bekeren, nu moest zijn Godheid door een getuigenis van de Vader geopenbaard worden, opdat zijn leer geloofwaardiger zou worden. Vandaar zegt Hij zelf (Joannes, 5, 37): "Ook heeft de Vader, die Mij zond, zelf over Mij getuigd". En dat wel hoofdzakelijk bij het doopsel, waardoor de mensen herboren worden tot aangenomen kinderen Gods: de aangenomen kinderen Gods immers worden gevormd naar de gelijkenis van de natuurlijke Zoon, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (8, 29): "Die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon". Vandaar zegt Hilarius in zijn Verklaring op Mattheus (2° H.), dat op Jesus, na zijn doopsel, de Heilige Geest neerdaalde en de stem des Vaders gehoord werd zeggende: "Deze is mijn beminde Zoon", opdat wij uit datgene, wat er bij Christus geschiedde, zouden begrijpen, dat, na de afwassing met water, de Heilige Geest vanuit de hemelgewesten naar ons toe komt gevlogen, en wij in het woord van de Vader, aangenomen kinderen Gods worden.
B: (John 5:37, John 5:37) [b:John 5:37] (Rom 8:29) [b:Rom 8:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 40: Over Christus’ levenswijze
IIIa q. 40 pr.
Na behandeld te hebben wat betrekking heeft op Christus' komst in de wereld ofwel zijn begin, blijft nog datgene te behandelen over wat op zijn levensloop betrekking heeft. En ten eerste moet dan gehandeld worden over zijn levenswijze; ten tweede over zijn bekoring; ten derde over zijn leer; ten vierde over zijn wonderen.
Over het eerste stellen we ons vier vragen.
1 . Had Christus een kluizenaarsleven moeten leiden of had Hij met de mensen om moeten gaan?
2. Moest Hij in spijs, drank en kleding een gewoon of een streng leven leiden?
3. Had Hij een onaanzienlijk leven moeten lijden in deze wereld of een leven van rijkdommen en eer?
4. Had Hij volgens de wet moeten leven?
Na behandeld te hebben wat betrekking heeft op Christus' komst in de wereld ofwel zijn begin, blijft nog datgene te behandelen over wat op zijn levensloop betrekking heeft. En ten eerste moet dan gehandeld worden over zijn levenswijze; ten tweede over zijn bekoring; ten derde over zijn leer; ten vierde over zijn wonderen.
Over het eerste stellen we ons vier vragen.
1 . Had Christus een kluizenaarsleven moeten leiden of had Hij met de mensen om moeten gaan?
2. Moest Hij in spijs, drank en kleding een gewoon of een streng leven leiden?
3. Had Hij een onaanzienlijk leven moeten lijden in deze wereld of een leven van rijkdommen en eer?
4. Had Hij volgens de wet moeten leven?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Had Christus met de mensen om moeten gaan of had Hij een kluizenaarsleven moeten leiden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 40 a. 2 co.[t:iiia q. 40 a. 2 co.]
IIIa q. 40 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet onder de mensen had moeten leven, maar een kluizenaarsleven had moeten leiden. Het betaamde immers, dat Christus in zijn levenswijze zich niet alleen mens maar ook God toonde. Maar voor een God past het niet met de mensen om te gaan: want Daniel zegt (2, 11): "Behalve de goden, die met de mensen geen omgang hebben"; en de Wijsgeer zegt in het 1e Boek der Politica, dat hij, die op zich zelf leeft ofwel een dier is, indien hij dit namelijk uit wreedheid doet, ofwel een god, als hij dat namelijk doet om de waarheid te beschouwen. Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, dat Christus onder de mensen verkeerde.
B: (Dan 2:11) [b:Dan 2:11]
IIIa q. 40 a. 2 co.[t:iiia q. 40 a. 2 co.]
IIIa q. 40 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet onder de mensen had moeten leven, maar een kluizenaarsleven had moeten leiden. Het betaamde immers, dat Christus in zijn levenswijze zich niet alleen mens maar ook God toonde. Maar voor een God past het niet met de mensen om te gaan: want Daniel zegt (2, 11): "Behalve de goden, die met de mensen geen omgang hebben"; en de Wijsgeer zegt in het 1e Boek der Politica, dat hij, die op zich zelf leeft ofwel een dier is, indien hij dit namelijk uit wreedheid doet, ofwel een god, als hij dat namelijk doet om de waarheid te beschouwen. Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, dat Christus onder de mensen verkeerde.
B: (Dan 2:11) [b:Dan 2:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Zolang als Christus een sterfelijk lichaam had, moest Hij een zo volmaakt mogelijk leven leiden. Het beschouwende leven nu is het volmaaktste, zoals in het 2e Deel gezegd is (IIa-IIae, 182e Kw., 1e en 2e Art.). Het meest geschikt echter voor een beschouwend leven is de eenzaamheid, volgens Hosea (2, 14): "Ik zal haar naar de woestijn brengen en ik zal spreken tot haar hart". Dus had Christus in de eenzaamheid moeten leven.
B: (Hos 2:14) [b:Hos 2:14]
R: IIa-IIae q. 182 a. 1[t:iia-iiae q. 182 a. 1] IIa-IIae q. 182 a. 2[t:iia-iiae q. 182 a. 2]
Vervolgens. Zolang als Christus een sterfelijk lichaam had, moest Hij een zo volmaakt mogelijk leven leiden. Het beschouwende leven nu is het volmaaktste, zoals in het 2e Deel gezegd is (IIa-IIae, 182e Kw., 1e en 2e Art.). Het meest geschikt echter voor een beschouwend leven is de eenzaamheid, volgens Hosea (2, 14): "Ik zal haar naar de woestijn brengen en ik zal spreken tot haar hart". Dus had Christus in de eenzaamheid moeten leven.
B: (Hos 2:14) [b:Hos 2:14]
R: IIa-IIae q. 182 a. 1[t:iia-iiae q. 182 a. 1] IIa-IIae q. 182 a. 2[t:iia-iiae q. 182 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Christus’ levenswijze moest eenvormig zijn, omdat in Hem altijd het beste moest te zien zijn. Maar soms heeft Christus eenzame plaatsen opgezocht en zich teruggetrokken van het volk. Vandaar zegt Remigius in zijn Verklaring van Mattheus: "Christus de Heer heeft, zoals te lezen staat, drie wijkplaatsen gehad: een schip, een berg en de woestijn; de tweede besteeg Hij zo dikwijls als de menigte tegen Hem opdrong". Bijgevolg had Hij ook altijd een eenzaam leven moeten leiden.
B: (Matt 5:1) [b:Matt 5:1]
Vervolgens. Christus’ levenswijze moest eenvormig zijn, omdat in Hem altijd het beste moest te zien zijn. Maar soms heeft Christus eenzame plaatsen opgezocht en zich teruggetrokken van het volk. Vandaar zegt Remigius in zijn Verklaring van Mattheus: "Christus de Heer heeft, zoals te lezen staat, drie wijkplaatsen gehad: een schip, een berg en de woestijn; de tweede besteeg Hij zo dikwijls als de menigte tegen Hem opdrong". Bijgevolg had Hij ook altijd een eenzaam leven moeten leiden.
B: (Matt 5:1) [b:Matt 5:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter wat Baruch zegt (3, 38): "Daarna verscheen Hij op aarde, en ging om met de mensen".
B: (Bar 3:38) [b:Bar 3:38]
Daartegenover staat echter wat Baruch zegt (3, 38): "Daarna verscheen Hij op aarde, en ging om met de mensen".
B: (Bar 3:38) [b:Bar 3:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 1 co.
Mijn antwoord. Christus' levenswijze moest van die aard zijn, dat ze met het doel der menswording, waartoe Hij in de wereld gekomen is, overeen kon komen. Hij is nu in de wereld gekomen, ten eerste, om de waarheid bekend te maken, zoals Hij zelf zegt (Joannes, 18, 37): "Ik ben geboren en in de wereld gekomen, juist om te getuigen voor de waarheid". En bijgevolg moest Hij zich niet verbergen, en een kluizenaarsleven leiden, maar onder de menigte treden, en in het openbaar preken. Daarom zegt Hij aan hen, die Hem tegen wilden houden (Lucas, 4, 42, 43): "Ook aan andere steden moet Ik het koninkrijk Gods gaan verkondigen; want daartoe ben Ik in de wereld gezonden". Ten tweede is Hij gekomen, om de mensen van de zonde te bevrijden, volgens de Eerste Brief aan Timotheüs (1, 15): "Jesus Christus is in deze wereld gekomen, om zondaars te redden". En daarom: ook al kon Christus, zoals Chrysostomus zegt, op eenzelfde plaats blijvend, allen tot zich trekken, om naar zijn preken te luisteren, Hij deed het echter niet en gaf ons daardoor een voorbeeld, opdat ook wij rond zouden gaan en op zouden zoeken die verloren gaan, gelijk een herder zijn verloren schaap opzoekt en een geneesheer naar de zieke toegaat. Ten derde is Hij gekomen, opdat wij door Hem toegang zouden hebben tot God (Romeinen, 5, 2). En daarom was het passend, dat Hij, door vertrouwelijk met de mensen om te gaan, hen de moed gaf tot Hem te naderen. Daarom zegt Mattheus (9, 10): "En zie, toen Jesus thuis aan tafel aanlag, kwamen vele tollenaars en zondaars aanliggen met Hem en zijn leerlingen." In zijn verklaring van deze woorden zegt Hieronymus (1e Boek): "Ze hadden gezien, dat een tollenaar, van zijn zonden tot een beter leven bekeerd, gelegenheid tot boetvaardigheid had gevonden: en daarom wanhopen ook zij niet aan hun heil".
B: (Luke 4:42) [b:Luke 4:42] (Luke 4:43) [b:Luke 4:43] (John 18:37, John 18:37) [b:John 18:37]
Mijn antwoord. Christus' levenswijze moest van die aard zijn, dat ze met het doel der menswording, waartoe Hij in de wereld gekomen is, overeen kon komen. Hij is nu in de wereld gekomen, ten eerste, om de waarheid bekend te maken, zoals Hij zelf zegt (Joannes, 18, 37): "Ik ben geboren en in de wereld gekomen, juist om te getuigen voor de waarheid". En bijgevolg moest Hij zich niet verbergen, en een kluizenaarsleven leiden, maar onder de menigte treden, en in het openbaar preken. Daarom zegt Hij aan hen, die Hem tegen wilden houden (Lucas, 4, 42, 43): "Ook aan andere steden moet Ik het koninkrijk Gods gaan verkondigen; want daartoe ben Ik in de wereld gezonden". Ten tweede is Hij gekomen, om de mensen van de zonde te bevrijden, volgens de Eerste Brief aan Timotheüs (1, 15): "Jesus Christus is in deze wereld gekomen, om zondaars te redden". En daarom: ook al kon Christus, zoals Chrysostomus zegt, op eenzelfde plaats blijvend, allen tot zich trekken, om naar zijn preken te luisteren, Hij deed het echter niet en gaf ons daardoor een voorbeeld, opdat ook wij rond zouden gaan en op zouden zoeken die verloren gaan, gelijk een herder zijn verloren schaap opzoekt en een geneesheer naar de zieke toegaat. Ten derde is Hij gekomen, opdat wij door Hem toegang zouden hebben tot God (Romeinen, 5, 2). En daarom was het passend, dat Hij, door vertrouwelijk met de mensen om te gaan, hen de moed gaf tot Hem te naderen. Daarom zegt Mattheus (9, 10): "En zie, toen Jesus thuis aan tafel aanlag, kwamen vele tollenaars en zondaars aanliggen met Hem en zijn leerlingen." In zijn verklaring van deze woorden zegt Hieronymus (1e Boek): "Ze hadden gezien, dat een tollenaar, van zijn zonden tot een beter leven bekeerd, gelegenheid tot boetvaardigheid had gevonden: en daarom wanhopen ook zij niet aan hun heil".
B: (Luke 4:42) [b:Luke 4:42] (Luke 4:43) [b:Luke 4:43] (John 18:37, John 18:37) [b:John 18:37]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Christus wilde door zijn mensheid zijn Godheid bekend maken. Door dus met de mensen om te gaan, wat eigen is aan de mens, maakte Hij aan allen zijn Godheid bekend, al predikende en wonderen werkend en door onbaatzuchtig en rechtvaardig onder de mensen te leven.
B: (1Tim 1:15) [b:1Tim 1:15]
1e Weerlegging. Christus wilde door zijn mensheid zijn Godheid bekend maken. Door dus met de mensen om te gaan, wat eigen is aan de mens, maakte Hij aan allen zijn Godheid bekend, al predikende en wonderen werkend en door onbaatzuchtig en rechtvaardig onder de mensen te leven.
B: (1Tim 1:15) [b:1Tim 1:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zoals in het 2e Deel gezegd is (IIa IIae, 182e Kw., 1e Art.; 188e Kw., 6e Art.) is, absoluut genomen, het beschouwende leven beter dan het werkdadige leven, dat zich met lichamelijke handelingen bezig houdt: maar het werkdadige leven, waarin iemand al preekend en lerend het beschouwde aan anderen mededeelt, is volmaakter dan het leven, dat alleen maar beschouwt, omdat zo een leven de volheid van beschouwing veronderstelt. En daarom heeft Christus dat leven uitgekozen.
B: (Matt 9:10) [b:Matt 9:10] (Rom 5:2) [b:Rom 5:2]
R: IIa-IIae q. 182 a. 1[t:iia-iiae q. 182 a. 1] IIa-IIae q. 188 a. 6[t:iia-iiae q. 188 a. 6]
2e Weerlegging. Zoals in het 2e Deel gezegd is (IIa IIae, 182e Kw., 1e Art.; 188e Kw., 6e Art.) is, absoluut genomen, het beschouwende leven beter dan het werkdadige leven, dat zich met lichamelijke handelingen bezig houdt: maar het werkdadige leven, waarin iemand al preekend en lerend het beschouwde aan anderen mededeelt, is volmaakter dan het leven, dat alleen maar beschouwt, omdat zo een leven de volheid van beschouwing veronderstelt. En daarom heeft Christus dat leven uitgekozen.
B: (Matt 9:10) [b:Matt 9:10] (Rom 5:2) [b:Rom 5:2]
R: IIa-IIae q. 182 a. 1[t:iia-iiae q. 182 a. 1] IIa-IIae q. 188 a. 6[t:iia-iiae q. 188 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 1
Kerkelijke bewegingen en hun theologische plaats ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Christus’ daden waren ons tot leering. Om dus aan de predikanten een voorbeeld te geven, dat ze niet voortdurend in het openbaar zouden optreden, daarom trok de Heer zich zo nu en dan van de menigte terug. En dit deed Hij, zoals er geschreven staat, om drie redenen. Somtijds namelijk om lichamelijk wat uit te rusten. Vandaar staat er bij Marcus (6, 31) dat Christus aan de leerlingen zei: "Komt zelf nu eens afzonderlijk mee naar een eenzame plaats, en rust wat uit. Want velen liepen in en uit, zodat ze zelfs geen tijd hadden om te eten". Soms daarentegen om te bidden. Vandaar zegt Lucas (6, 12): "In die dagen ging Hij het gebergte in om te bidden, en bracht er de nacht door in het gebed tot God". Hierop zegt Ambrosius (Verklaring van Lucas, 5e B., N° 42) dat Hij ons door zijn voorbeeld de voorschriften der deugd onderwijst. Soms weer, om ons te leren de gunst der mensen te vermijden. Vandaar zegt Chrysostomus op deze woorden van Mattheus (5, 1): "Toen Jesus de menigte zag besteeg Hij de berg": "Doordat Hij zich niet in een stad en op de markt, maar op een berg en in eenzaamheid neerzet, leerde Hij ons niets te doen, om zich te laten zien en zich uit het gewoel terug te trekken en dit vooral als er noodzakelijke dingen behandeld moeten worden".
B: (Mc. 6, 31) [b:Mc. 6, 31] (Lc. 6, 12) [b:Lc. 6, 12] (Mt. 5, 1) [b:Mt. 5, 1]
3e Weerlegging. Christus’ daden waren ons tot leering. Om dus aan de predikanten een voorbeeld te geven, dat ze niet voortdurend in het openbaar zouden optreden, daarom trok de Heer zich zo nu en dan van de menigte terug. En dit deed Hij, zoals er geschreven staat, om drie redenen. Somtijds namelijk om lichamelijk wat uit te rusten. Vandaar staat er bij Marcus (6, 31) dat Christus aan de leerlingen zei: "Komt zelf nu eens afzonderlijk mee naar een eenzame plaats, en rust wat uit. Want velen liepen in en uit, zodat ze zelfs geen tijd hadden om te eten". Soms daarentegen om te bidden. Vandaar zegt Lucas (6, 12): "In die dagen ging Hij het gebergte in om te bidden, en bracht er de nacht door in het gebed tot God". Hierop zegt Ambrosius (Verklaring van Lucas, 5e B., N° 42) dat Hij ons door zijn voorbeeld de voorschriften der deugd onderwijst. Soms weer, om ons te leren de gunst der mensen te vermijden. Vandaar zegt Chrysostomus op deze woorden van Mattheus (5, 1): "Toen Jesus de menigte zag besteeg Hij de berg": "Doordat Hij zich niet in een stad en op de markt, maar op een berg en in eenzaamheid neerzet, leerde Hij ons niets te doen, om zich te laten zien en zich uit het gewoel terug te trekken en dit vooral als er noodzakelijke dingen behandeld moeten worden".
B: (Mc. 6, 31) [b:Mc. 6, 31] (Lc. 6, 12) [b:Lc. 6, 12] (Mt. 5, 1) [b:Mt. 5, 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Behoorde Christus wel een streng leven te leiden in deze wereld?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 35 a. 5 s. c.
IIIa q. 41 a. 3 arg. 1[t:iiia q. 35 a. 5 s. c.][t:iiia q. 41 a. 3 arg. 1]
IIIa q. 40 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus een streng leven had moeten leiden in deze wereld. Veel meer dan Joannes preekte Christus immers de volmaaktheid van leven. Maar Joannes leidde een streng leven, om de mensen door zijn voorbeeld tot een volmaakt leven op te wekken. Want Mattheus zegt (3, 4) dat deze Joannes een hemelhaar kleed droeg, en een lederen gordel om zijn lenden; zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing; in zijn verklaring op deze woorden zegt Chrysostomus (10e Homelie op Mattheus): "Het was iets wonderlijks in een menselijk lichaam zoveel geduld te zien: wat dan ook de Joden het meest aantrok". Dus schijnt het wel, dat nog veeleer Christus een streng leven had behoren te leiden.
B: (Matt 3:4) [b:Matt 3:4]
IIIa q. 35 a. 5 s. c.
IIIa q. 41 a. 3 arg. 1[t:iiia q. 35 a. 5 s. c.][t:iiia q. 41 a. 3 arg. 1]
IIIa q. 40 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus een streng leven had moeten leiden in deze wereld. Veel meer dan Joannes preekte Christus immers de volmaaktheid van leven. Maar Joannes leidde een streng leven, om de mensen door zijn voorbeeld tot een volmaakt leven op te wekken. Want Mattheus zegt (3, 4) dat deze Joannes een hemelhaar kleed droeg, en een lederen gordel om zijn lenden; zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing; in zijn verklaring op deze woorden zegt Chrysostomus (10e Homelie op Mattheus): "Het was iets wonderlijks in een menselijk lichaam zoveel geduld te zien: wat dan ook de Joden het meest aantrok". Dus schijnt het wel, dat nog veeleer Christus een streng leven had behoren te leiden.
B: (Matt 3:4) [b:Matt 3:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Matigheid is gericht op de onthouding. Want Hosea zegt (4, 10): "Zij zullen eten en niet verzadigd zijn, zij hebben over spel bedreven zonder ophouden". Maar Christus heeft voor zichzelf de onthouding beoefend en ze aan anderen ter beoefening voorgesteld toen Hij zei (Mattheus, 19, 12): "Er zijn onhuwbaren, die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt om het rijk der hemelen: wie het vatten kan, hij vat het". Dus had Christus zelf, en ook zijn apostelen, een streng leven moeten leiden.
B: (Hos 4:10) [b:Hos 4:10] (Matt 19:12) [b:Matt 19:12]
Vervolgens. Matigheid is gericht op de onthouding. Want Hosea zegt (4, 10): "Zij zullen eten en niet verzadigd zijn, zij hebben over spel bedreven zonder ophouden". Maar Christus heeft voor zichzelf de onthouding beoefend en ze aan anderen ter beoefening voorgesteld toen Hij zei (Mattheus, 19, 12): "Er zijn onhuwbaren, die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt om het rijk der hemelen: wie het vatten kan, hij vat het". Dus had Christus zelf, en ook zijn apostelen, een streng leven moeten leiden.
B: (Hos 4:10) [b:Hos 4:10] (Matt 19:12) [b:Matt 19:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Het is belachelijk, dat iemand met een tamelijk streng leven begint, om daarna weer tot een vrijer leven terug te keren: tegen zo iemand zou immers gezegd kunnen worden, wat bij Lucas staat (14, 30): "Die mens is begonnen te bouwen, en is blijven steken en kon niet doorzetten". Christus nu, is met een zo streng mogelijk leven begonnen na het doopsel, toen Hij in de woestijn bleef en veertig dagen en veertig nachten vastte. Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, dat Hij na zo'n streng leven weer tot het gewone leven terugkeerde.
B: (Luke 14:30) [b:Luke 14:30]
Vervolgens. Het is belachelijk, dat iemand met een tamelijk streng leven begint, om daarna weer tot een vrijer leven terug te keren: tegen zo iemand zou immers gezegd kunnen worden, wat bij Lucas staat (14, 30): "Die mens is begonnen te bouwen, en is blijven steken en kon niet doorzetten". Christus nu, is met een zo streng mogelijk leven begonnen na het doopsel, toen Hij in de woestijn bleef en veertig dagen en veertig nachten vastte. Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, dat Hij na zo'n streng leven weer tot het gewone leven terugkeerde.
B: (Luke 14:30) [b:Luke 14:30]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, wat bij Mattheus te lezen staat (11, 19): "De mensenzoon kwam; Hij at en dronk".
B: (Matt 11:19) [b:Matt 11:19]
Daartegenover staat echter, wat bij Mattheus te lezen staat (11, 19): "De mensenzoon kwam; Hij at en dronk".
B: (Matt 11:19) [b:Matt 11:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd is, was het in overeenstemming met het doel der menswording, dat Christus geen leven in eenzaamheid leidde, maar met de mensen omging. Alwie nu met sommigen omgaat doet buitengewoon verstandig met zich aan de levenswijze van die mensen aan te passen, volgens het woord van de Apostel (Eerste Brief aan de Korinthiërs, 9, 22): "Voor allen ben ik van alles geworden". Het was dus zeer gepast, dat Christus in spijs en drank gewoon deed, zoals de anderen. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Tegen Faustus (16° B., 31° H.) dat er van Johannes gezegd wordt dat hij "niet at noch dronk", omdat hij het voedsel, dat de Joden gebruikten, niet gebruikte. Alleen dus omdat de Heer het wèl gebruikte kan van Hem gezegd worden dat Hij "at en dronk".
B: (1Cor 9:22) [b:1Cor 9:22]
R: q. 40 a. 1[t:iiia q. 40 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd is, was het in overeenstemming met het doel der menswording, dat Christus geen leven in eenzaamheid leidde, maar met de mensen omging. Alwie nu met sommigen omgaat doet buitengewoon verstandig met zich aan de levenswijze van die mensen aan te passen, volgens het woord van de Apostel (Eerste Brief aan de Korinthiërs, 9, 22): "Voor allen ben ik van alles geworden". Het was dus zeer gepast, dat Christus in spijs en drank gewoon deed, zoals de anderen. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Tegen Faustus (16° B., 31° H.) dat er van Johannes gezegd wordt dat hij "niet at noch dronk", omdat hij het voedsel, dat de Joden gebruikten, niet gebruikte. Alleen dus omdat de Heer het wèl gebruikte kan van Hem gezegd worden dat Hij "at en dronk".
B: (1Cor 9:22) [b:1Cor 9:22]
R: q. 40 a. 1[t:iiia q. 40 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De Heer heeft in zijn omgang met de mensen een voorbeeld van volmaaktheid gegeven in al die dingen, welke noodzakelijk zijn ter zaligheid. Het zich onthouden nu van spijs en drank is niet uiteraard nodig ter zaligheid, volgens de Brief aan de Romeinen (14, 17): "Het koninkrijk Gods bestaat niet in spijs en drank". En Augustinus zegt in zijn werk, Vraagstukken aangaande het Evangelie (2° B., 11° Vr.) waar hij de woorden van Mattheus uitlegt (11, 19): "De wijsheid wordt door haar werken gerechtvaardigd", dat de heilige Apostelen die geen overdaad omhoog konden heffen en geen armoede terneer drukte begrepen hebben, dat het koninkrijk Gods niet bestond in spijs en drank, maar in de lijdzaamheid. En in het 3e boek Over de Christelijke Leer (12e H.) zegt hij dat in al die dingen de zonde niet gelegen is in het gebruik maar in de begeerte van hem die er gebruik van maakt. Beide levensvormen zijn geoorloofd en prijzenswaardig: zowel namelijk wanneer iemand zich terugtrekt van de omgang met de mensen en in onthouding leeft, als wanneer iemand in de omgang met anderen de gewone levenswijze volgt. En daarom wilde de Heer van beide levensvormen een voorbeeld geven aan de mensen. Joannes echter toonde zoals Chrysostomus zegt in zijn Verklaring van Mattheus (37e Homelie) niets anders dan het leven en de gerechtigheid. Christus daarentegen ontving ook getuigenis van zijn wonderen. Hij liet dus toe dat Joannes in vasten uitblonk; zelf begon Hij het tegenovergestelde leven, en ging aanzitten aan de tafel van tollenaars en at en dronk.
B: (Matt 11:19) [b:Matt 11:19] (Rom 14:17) [b:Rom 14:17]
1e Weerlegging. De Heer heeft in zijn omgang met de mensen een voorbeeld van volmaaktheid gegeven in al die dingen, welke noodzakelijk zijn ter zaligheid. Het zich onthouden nu van spijs en drank is niet uiteraard nodig ter zaligheid, volgens de Brief aan de Romeinen (14, 17): "Het koninkrijk Gods bestaat niet in spijs en drank". En Augustinus zegt in zijn werk, Vraagstukken aangaande het Evangelie (2° B., 11° Vr.) waar hij de woorden van Mattheus uitlegt (11, 19): "De wijsheid wordt door haar werken gerechtvaardigd", dat de heilige Apostelen die geen overdaad omhoog konden heffen en geen armoede terneer drukte begrepen hebben, dat het koninkrijk Gods niet bestond in spijs en drank, maar in de lijdzaamheid. En in het 3e boek Over de Christelijke Leer (12e H.) zegt hij dat in al die dingen de zonde niet gelegen is in het gebruik maar in de begeerte van hem die er gebruik van maakt. Beide levensvormen zijn geoorloofd en prijzenswaardig: zowel namelijk wanneer iemand zich terugtrekt van de omgang met de mensen en in onthouding leeft, als wanneer iemand in de omgang met anderen de gewone levenswijze volgt. En daarom wilde de Heer van beide levensvormen een voorbeeld geven aan de mensen. Joannes echter toonde zoals Chrysostomus zegt in zijn Verklaring van Mattheus (37e Homelie) niets anders dan het leven en de gerechtigheid. Christus daarentegen ontving ook getuigenis van zijn wonderen. Hij liet dus toe dat Joannes in vasten uitblonk; zelf begon Hij het tegenovergestelde leven, en ging aanzitten aan de tafel van tollenaars en at en dronk.
B: (Matt 11:19) [b:Matt 11:19] (Rom 14:17) [b:Rom 14:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Gelijk andere mensen de deugd van matigheid verwerven door zich te onthouden, zo onderdrukte ook Christus in zich zelf en in de zijnen het vlees door de kracht van zijn Godheid. Vandaar lezen we bij Mattheus (9, 14): "De Farizeeën en de leerlingen van Joannes vastten, de leerlingen van Christus echter niet". En in zijn uitleg hiervan zegt Beda (Commentaar op Marcus, 2, 18; 1° B.) dat Joannes geen wijn noch sterke drank gebruikte: want voor hem die geen natuurlijke kracht bezit is de onthouding een vermeerdering van verdienste. De Heer echter, wien het van nature toekwam de zonden te vergeven — waarom zou Hij hen ervan afhouden, die Hij zuiverder kon doen zijn dan zij die in onthouding leven?
B: (Matt 9:14) [b:Matt 9:14]
2e Weerlegging. Gelijk andere mensen de deugd van matigheid verwerven door zich te onthouden, zo onderdrukte ook Christus in zich zelf en in de zijnen het vlees door de kracht van zijn Godheid. Vandaar lezen we bij Mattheus (9, 14): "De Farizeeën en de leerlingen van Joannes vastten, de leerlingen van Christus echter niet". En in zijn uitleg hiervan zegt Beda (Commentaar op Marcus, 2, 18; 1° B.) dat Joannes geen wijn noch sterke drank gebruikte: want voor hem die geen natuurlijke kracht bezit is de onthouding een vermeerdering van verdienste. De Heer echter, wien het van nature toekwam de zonden te vergeven — waarom zou Hij hen ervan afhouden, die Hij zuiverder kon doen zijn dan zij die in onthouding leven?
B: (Matt 9:14) [b:Matt 9:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met Chrysostomus (13° Homelie op Mattheus): "Opdat ge leert wat een groot goed het vasten is, en hoe het een schild is tegen de duivel, en dat men zich na het doopsel niet aan overdaad moet overgeven, maar op het vasten toe moet leggen, daarom vastte Hij, niet uit behoefte er aan, maar om ons te leren. Met het vasten ging Hij echter niet verder dan Moses en Elias gegaan waren: opdat de menswording geen schijn van ongeloofwaardigheid zou hebben". Verder wordt, zoals Gregorius zegt (14° Homelie op het Evangelie) het getal 40, wat het mysterie betreft, in het vasten door het voorbeeld van Christus gehandhaafd, omdat de kracht van de decaloog door de vier boeken van het heilig evangelie wordt aangevuld: want vier maal tien is veertig. — Ofwel omdat ons sterfelijk lichaam, dat ons door zijn wil doet ingaan tegen de voorschriften van de Heer, die in de decaloog zijn opgenomen, uit vier elementen bestaat. — Of ook volgens Augustinus zóó: "de gehele leer der wijsheid bestaat hierin: de Schepper en het schepsel te kennen. De Schepper is de Drievuldigheid, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het geschapene echter is gedeeltelijk onzichtbaar, zoals de ziel en daarop past het getal drie, want we moeten God beminnen op een drievoudige wijze, "met geheel het hart, met de gehele ziel, met geheel het verstand": gedeeltelijk zichtbaar, zoals het lichaam, waarop het getal vier past ter oorzake van deze vier: het warme, het natte, het koude en het droge. Het getal tien dus, dat de gehele leer aanduidt, met vier vermenigvuldigd, d. i. met het getal, dat op het lichaam wordt toegepast, geeft het getal veertig. En dus wordt de tijd waarin wij zuchten en wenen, met het getal veertig gevierd". Toch was het niet ongepast dat Christus na het vasten in de woestijn tot het gewone leven terugkeerde. Want het is in overeenstemming met het leven, waarin iemand het beschouwde aan anderen mededeelt en welk leven wij gezegd hebben, dat Christus aangenomen heeft, dat hij eerst zich met de beschouwing bezighoudt en daarna afdaalt tot openbare werkzaamheden, in de omgang met anderen. Vandaar zegt dan ook Beda (Vgl. antw. op de 2° Bed.): "Christus heeft gevast, opdat gij geen minachting zoudt hebben, voor het gebod; Hij at met de zondaars, opdat gij de genade ziende, zijn macht zoudt erkennen".
B: Vgl: Mc. 2, 18 [[b:Mc. 2, 18]]
R: Beda Venerabilis - In Marci Evangelium expositio (0)[[3127]]
3e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met Chrysostomus (13° Homelie op Mattheus): "Opdat ge leert wat een groot goed het vasten is, en hoe het een schild is tegen de duivel, en dat men zich na het doopsel niet aan overdaad moet overgeven, maar op het vasten toe moet leggen, daarom vastte Hij, niet uit behoefte er aan, maar om ons te leren. Met het vasten ging Hij echter niet verder dan Moses en Elias gegaan waren: opdat de menswording geen schijn van ongeloofwaardigheid zou hebben". Verder wordt, zoals Gregorius zegt (14° Homelie op het Evangelie) het getal 40, wat het mysterie betreft, in het vasten door het voorbeeld van Christus gehandhaafd, omdat de kracht van de decaloog door de vier boeken van het heilig evangelie wordt aangevuld: want vier maal tien is veertig. — Ofwel omdat ons sterfelijk lichaam, dat ons door zijn wil doet ingaan tegen de voorschriften van de Heer, die in de decaloog zijn opgenomen, uit vier elementen bestaat. — Of ook volgens Augustinus zóó: "de gehele leer der wijsheid bestaat hierin: de Schepper en het schepsel te kennen. De Schepper is de Drievuldigheid, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het geschapene echter is gedeeltelijk onzichtbaar, zoals de ziel en daarop past het getal drie, want we moeten God beminnen op een drievoudige wijze, "met geheel het hart, met de gehele ziel, met geheel het verstand": gedeeltelijk zichtbaar, zoals het lichaam, waarop het getal vier past ter oorzake van deze vier: het warme, het natte, het koude en het droge. Het getal tien dus, dat de gehele leer aanduidt, met vier vermenigvuldigd, d. i. met het getal, dat op het lichaam wordt toegepast, geeft het getal veertig. En dus wordt de tijd waarin wij zuchten en wenen, met het getal veertig gevierd". Toch was het niet ongepast dat Christus na het vasten in de woestijn tot het gewone leven terugkeerde. Want het is in overeenstemming met het leven, waarin iemand het beschouwde aan anderen mededeelt en welk leven wij gezegd hebben, dat Christus aangenomen heeft, dat hij eerst zich met de beschouwing bezighoudt en daarna afdaalt tot openbare werkzaamheden, in de omgang met anderen. Vandaar zegt dan ook Beda (Vgl. antw. op de 2° Bed.): "Christus heeft gevast, opdat gij geen minachting zoudt hebben, voor het gebod; Hij at met de zondaars, opdat gij de genade ziende, zijn macht zoudt erkennen".
B: Vgl: Mc. 2, 18 [[b:Mc. 2, 18]]
R: Beda Venerabilis - In Marci Evangelium expositio (0)[[3127]]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Had Christus in deze wereld een arm leven moeten leiden?
IIIa q. 40 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus in deze wereld geen arm leven had moeten leiden. Christus immers moest dat leven aannemen, dat het verkieslijkst was. Maar het verkieslijkste leven is dat, hetwelk het midden houdt tussen rijkdom en armoede: want in het Boek der Spreuken wordt gezegd (30, 8): "Geef mij noch armoede noch rijkdom: verleen mij alleen wat nodig is tot mijn onderhoud". Dus moest Christus geen arm, maar een gematigd leven leiden.
B: (Prov 30:8) [b:Prov 30:8]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus in deze wereld geen arm leven had moeten leiden. Christus immers moest dat leven aannemen, dat het verkieslijkst was. Maar het verkieslijkste leven is dat, hetwelk het midden houdt tussen rijkdom en armoede: want in het Boek der Spreuken wordt gezegd (30, 8): "Geef mij noch armoede noch rijkdom: verleen mij alleen wat nodig is tot mijn onderhoud". Dus moest Christus geen arm, maar een gematigd leven leiden.
B: (Prov 30:8) [b:Prov 30:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De uiterlijke rijkdommen zijn, wat voedsel en kleding betreft, voor lichamelijk gebruik bestemd. Maar Christus leidde in voedsel en kleding het gewone leven, in overeenstemming met de levenswijze van hen waarmee Hij samenleefde. Dus schijnt het wel, dat Hij ook wat de rijkdommen en de armoede aangaat de algemene levenswijze had moeten volgen en niet de grootste armoede had moeten betracht.
Vervolgens. De uiterlijke rijkdommen zijn, wat voedsel en kleding betreft, voor lichamelijk gebruik bestemd. Maar Christus leidde in voedsel en kleding het gewone leven, in overeenstemming met de levenswijze van hen waarmee Hij samenleefde. Dus schijnt het wel, dat Hij ook wat de rijkdommen en de armoede aangaat de algemene levenswijze had moeten volgen en niet de grootste armoede had moeten betracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Christus heeft de mensen vooral uitgenodigd een voorbeeld van nederigheid te zijn, volgens Mattheus (11, 29): "Leert van Mij, omdat Ik zachtmoedig en nederig ben". Maar het meest heeft de nederigheid der rijken wervende kracht. Vandaar dat in de Eerste Brief aan Timotheus gezegd wordt (6, 17): "Vermaan de rijken dezer wereld, dat ze niet trots mogen zijn". Dus had Christus geen arm leven moeten leiden.
B: (Matt 11:29) [b:Matt 11:29] (1Tim 6:11) [b:1Tim 6:11]
Vervolgens. Christus heeft de mensen vooral uitgenodigd een voorbeeld van nederigheid te zijn, volgens Mattheus (11, 29): "Leert van Mij, omdat Ik zachtmoedig en nederig ben". Maar het meest heeft de nederigheid der rijken wervende kracht. Vandaar dat in de Eerste Brief aan Timotheus gezegd wordt (6, 17): "Vermaan de rijken dezer wereld, dat ze niet trots mogen zijn". Dus had Christus geen arm leven moeten leiden.
B: (Matt 11:29) [b:Matt 11:29] (1Tim 6:11) [b:1Tim 6:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (8, 20): "De mensenzoon heeft niets om zijn hoofd op neer te leggen". Alsof Hij zeggen wilde, zegt Hieronymus (Commentaar op Mattheus, 8, 20; 1° B.): "Wat verlangt ge mij te volgen ter wille van rijkdommen en werelds gewin, daar ik zo arm ben, dat Ik zelfs geen klein onderdak bezit, en van een andermans woning gebruik maak?" En bij de woorden van Mattheus (17, 26): "Om hun geen aanstoot te geven, ga naar het meer" zegt Hieronymus: "Deze woorden, begrepen zoals ze daar staan, stichten hem die ze hoort, daar hij verneemt, dat de Heer zo arm was, dat Hij niets bezat om de belasting voor zich en de Apostel er van te betalen".
B: (Matt 8:20) [b:Matt 8:20] (Matt 17:26) [b:Matt 17:26]
Daartegenover staat echter wat Mattheus zegt (8, 20): "De mensenzoon heeft niets om zijn hoofd op neer te leggen". Alsof Hij zeggen wilde, zegt Hieronymus (Commentaar op Mattheus, 8, 20; 1° B.): "Wat verlangt ge mij te volgen ter wille van rijkdommen en werelds gewin, daar ik zo arm ben, dat Ik zelfs geen klein onderdak bezit, en van een andermans woning gebruik maak?" En bij de woorden van Mattheus (17, 26): "Om hun geen aanstoot te geven, ga naar het meer" zegt Hieronymus: "Deze woorden, begrepen zoals ze daar staan, stichten hem die ze hoort, daar hij verneemt, dat de Heer zo arm was, dat Hij niets bezat om de belasting voor zich en de Apostel er van te betalen".
B: (Matt 8:20) [b:Matt 8:20] (Matt 17:26) [b:Matt 17:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 3 co.
Mijn antwoord. Christus behoorde in deze wereld een arm leven te leiden. En wel ten eerste, omdat zulks paste bij het predikambt, waartoe Hij, volgens zijn zeggen, gekomen was. Marcus (1, 38): "Laten we naar de omliggende dorpen en steden gaan, om ook daar te preken: want daartoe ben ik gekomen". Predikers echter van het woord Gods behoren, om zich geheel te kunnen geven aan de prediking, volkomen bevrijd te zijn van de zorg voor wereldsche zaken. Rijken zijn dat echter niet. Vandaar dat als de Heer de Apostelen dan ook uitzendt om te preken, Hij zelf tot hen zegt (Mattheus, 10, 9): "Wilt geen goud noch zilver bezitten". En de Apostelen zeggen zelf (Handel. der Apostelen, 6, 2): "Het is niet goed, dat wij het woord verwaarlozen, om aan tafel te dienen". Ten tweede, omdat gelijk Christus de lichamelijke dood aanvaard heeft, om ons een geestelijk leven mede te delen, Hij evenzo lichamelijke armoede heeft willen dragen, om ons geestelijke rijkdommen te schenken, volgens de Tweede Brief aan de Korinthiërs (8, 9): "Ge kent toch de liefdedaad van onze Heer Jesus Christus: hoe Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was opdat gij rijk zou worden door zijn armoede". Ten derde, opdat niet als Hij rijkdommen bezat, zijn prediking aan begeerlijkheid zou toegeschreven worden. Vandaar zegt Hieronymus (Verklaring van Mattheus, 10, 9; 1° B.) dat, als de leerlingen in het bezit zouden geweest zijn van rijkdommen dan zouden zij de schijn gewekt hebben, dat ze niet om het heil der mensen, maar uit winstbejag hadden gepredikt. Hetzelfde nu gaat op voor Christus. Ten vierde, opdat naar mate Hij door zijn armoede verachtelijker scheen, de kracht zijner Godheid des te sterker naar voren zou komen. Vandaar wordt er gezegd in een der redevoeringen van het Concilie van Ephese: "Al het arme en geringe, al het onaanzienlijke en door de meesten ongeachte heeft Hij uitgekozen, opdat men zou erkennen, dat zijn Godheid het aardrijk heeft veranderd. Daarom ook verkoos Hij een arme moeder en een nog armer vaderland: daarom lijdt hij gebrek aan geld. En deze kribbe toont Hij u".
B: (Matt 10:9) [b:Matt 10:9] (Mark 1:38) [b:Mark 1:38] (Acts 6:2) [b:Acts 6:2] (2Cor. 8:9) [b:2Cor. 8:9]
Mijn antwoord. Christus behoorde in deze wereld een arm leven te leiden. En wel ten eerste, omdat zulks paste bij het predikambt, waartoe Hij, volgens zijn zeggen, gekomen was. Marcus (1, 38): "Laten we naar de omliggende dorpen en steden gaan, om ook daar te preken: want daartoe ben ik gekomen". Predikers echter van het woord Gods behoren, om zich geheel te kunnen geven aan de prediking, volkomen bevrijd te zijn van de zorg voor wereldsche zaken. Rijken zijn dat echter niet. Vandaar dat als de Heer de Apostelen dan ook uitzendt om te preken, Hij zelf tot hen zegt (Mattheus, 10, 9): "Wilt geen goud noch zilver bezitten". En de Apostelen zeggen zelf (Handel. der Apostelen, 6, 2): "Het is niet goed, dat wij het woord verwaarlozen, om aan tafel te dienen". Ten tweede, omdat gelijk Christus de lichamelijke dood aanvaard heeft, om ons een geestelijk leven mede te delen, Hij evenzo lichamelijke armoede heeft willen dragen, om ons geestelijke rijkdommen te schenken, volgens de Tweede Brief aan de Korinthiërs (8, 9): "Ge kent toch de liefdedaad van onze Heer Jesus Christus: hoe Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was opdat gij rijk zou worden door zijn armoede". Ten derde, opdat niet als Hij rijkdommen bezat, zijn prediking aan begeerlijkheid zou toegeschreven worden. Vandaar zegt Hieronymus (Verklaring van Mattheus, 10, 9; 1° B.) dat, als de leerlingen in het bezit zouden geweest zijn van rijkdommen dan zouden zij de schijn gewekt hebben, dat ze niet om het heil der mensen, maar uit winstbejag hadden gepredikt. Hetzelfde nu gaat op voor Christus. Ten vierde, opdat naar mate Hij door zijn armoede verachtelijker scheen, de kracht zijner Godheid des te sterker naar voren zou komen. Vandaar wordt er gezegd in een der redevoeringen van het Concilie van Ephese: "Al het arme en geringe, al het onaanzienlijke en door de meesten ongeachte heeft Hij uitgekozen, opdat men zou erkennen, dat zijn Godheid het aardrijk heeft veranderd. Daarom ook verkoos Hij een arme moeder en een nog armer vaderland: daarom lijdt hij gebrek aan geld. En deze kribbe toont Hij u".
B: (Matt 10:9) [b:Matt 10:9] (Mark 1:38) [b:Mark 1:38] (Acts 6:2) [b:Acts 6:2] (2Cor. 8:9) [b:2Cor. 8:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Overvloed van rijkdommen en grote armoede schijnen door hen die deugdzaam willen leven vermeden te moeten worden als aanleiding tot zonde: want overvloed van rijkdommen is een aanleiding tot hoogmoed; grote armoede daarentegen is een aanleiding tot stelen en liegen of ook tot het doen van een meineed. Omdat Christus echter niet kon zondigen, behoefde Christus dit alles om de reden waarom Salomon het vermeed niet te vermijden. — Maar toch is niet iedere grote armoede een aanleiding tot stelen en meineedigheid, zoals Salomon op dezelfde plaats er aan schijnt toe te voegen: maar alleen die, welke iemand tegen zijn wil overkomt, en om welke te vermijden de mensen stelen en meineeden doen. Maar de vrijwillige armoede heeft dit gevaar niet. En die armoede heeft Christus verkozen.
B: (Spr. 30, 8) [b:Spr. 30, 8]
1e Weerlegging. Overvloed van rijkdommen en grote armoede schijnen door hen die deugdzaam willen leven vermeden te moeten worden als aanleiding tot zonde: want overvloed van rijkdommen is een aanleiding tot hoogmoed; grote armoede daarentegen is een aanleiding tot stelen en liegen of ook tot het doen van een meineed. Omdat Christus echter niet kon zondigen, behoefde Christus dit alles om de reden waarom Salomon het vermeed niet te vermijden. — Maar toch is niet iedere grote armoede een aanleiding tot stelen en meineedigheid, zoals Salomon op dezelfde plaats er aan schijnt toe te voegen: maar alleen die, welke iemand tegen zijn wil overkomt, en om welke te vermijden de mensen stelen en meineeden doen. Maar de vrijwillige armoede heeft dit gevaar niet. En die armoede heeft Christus verkozen.
B: (Spr. 30, 8) [b:Spr. 30, 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Iemand, die in voedsel en kleeding een gewoon leven wil leiden, kan dat niet alleen doen, met rijkdommen te bezitten, maar ook met het noodzakelijke van de rijken aan te nemen. Wat ook met Christus het geval is geweest: want Lucas zegt (8, 2, 3) dat enkele vrouwen Christus volgden, die Hem met haar vermogen ten dienste stonden. Want zoals Hieronymus zegt (Verklaring van Mattheus, 27, 55; 4° B.): was het een voedselgewoonte, volgens oud gebruik van het volk, en welke niet als een fout werd aangerekend, dat vrouwen haar leraren van voedsel en kleeding uit haar bezit voorzagen. Paulus maakt er echter melding van, dat Hij hiermee gebroken heeft, omdat dit ergernis had kunnen geven onder de heidenen. Zo kon dus het gewone levensonderhoud aanwezig zijn zonder de zorg welke een beletsel is voor het predikambt: wat niet het geval is met het bezit van rijkdommen.
B: (Matt 27, 55) [b:Matt 27, 55] (Lc. 8, 2-3) [b:Lc. 8, 2-3]
2e Weerlegging. Iemand, die in voedsel en kleeding een gewoon leven wil leiden, kan dat niet alleen doen, met rijkdommen te bezitten, maar ook met het noodzakelijke van de rijken aan te nemen. Wat ook met Christus het geval is geweest: want Lucas zegt (8, 2, 3) dat enkele vrouwen Christus volgden, die Hem met haar vermogen ten dienste stonden. Want zoals Hieronymus zegt (Verklaring van Mattheus, 27, 55; 4° B.): was het een voedselgewoonte, volgens oud gebruik van het volk, en welke niet als een fout werd aangerekend, dat vrouwen haar leraren van voedsel en kleeding uit haar bezit voorzagen. Paulus maakt er echter melding van, dat Hij hiermee gebroken heeft, omdat dit ergernis had kunnen geven onder de heidenen. Zo kon dus het gewone levensonderhoud aanwezig zijn zonder de zorg welke een beletsel is voor het predikambt: wat niet het geval is met het bezit van rijkdommen.
B: (Matt 27, 55) [b:Matt 27, 55] (Lc. 8, 2-3) [b:Lc. 8, 2-3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. In hem, die uit noodzaak armoede lijdt, heeft de nederigheid niet veel wervende kracht. Maar bij hem, die, zoals het geval was bij Christus, uit vrije keuze arm is, is arm zijn een teken van de grootste nederigheid.
3e Weerlegging. In hem, die uit noodzaak armoede lijdt, heeft de nederigheid niet veel wervende kracht. Maar bij hem, die, zoals het geval was bij Christus, uit vrije keuze arm is, is arm zijn een teken van de grootste nederigheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Heeft Christus volgens de wet geleefd?
IIIa q. 40 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet volgens de wet geleefd heeft. De wet immers schreef voor, op de sabbat geen enkel werk te verrichten zoals God op de zevende dag rustte van al het werk, dat Hij verricht had. Maar Hij genas op de sabbat een mens, en gaf hem het bevel zijn bed op te nemen. Dus heeft het er wel de schijn van, dat Hij niet volgens de wet geleefd heeft.
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet volgens de wet geleefd heeft. De wet immers schreef voor, op de sabbat geen enkel werk te verrichten zoals God op de zevende dag rustte van al het werk, dat Hij verricht had. Maar Hij genas op de sabbat een mens, en gaf hem het bevel zijn bed op te nemen. Dus heeft het er wel de schijn van, dat Hij niet volgens de wet geleefd heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Wat Christus deed, dat leerde Hij ook, volgens de tekst uit de Handelingen der Apostelen (1, 1): "Jesus begon te doen en te leren". Maar Hij leerde dat niet alles wat de mond binnengaat de mens bezoedelt. (Mattheus, 15, 11): wat tegen het voorschrift der wet is, die zei, zoals uit Leviticus blijkt (11° H.) dat door het eten en aanraken van sommige dieren de mens onrein wordt. Dus schijnt Hij niet volgens de wet geleefd te hebben.
B: (Lev 11) [b:Lev 11] (Matt 15:11) [b:Matt 15:11] (Acts 1:1) [b:Acts 1:1]
Vervolgens. Wat Christus deed, dat leerde Hij ook, volgens de tekst uit de Handelingen der Apostelen (1, 1): "Jesus begon te doen en te leren". Maar Hij leerde dat niet alles wat de mond binnengaat de mens bezoedelt. (Mattheus, 15, 11): wat tegen het voorschrift der wet is, die zei, zoals uit Leviticus blijkt (11° H.) dat door het eten en aanraken van sommige dieren de mens onrein wordt. Dus schijnt Hij niet volgens de wet geleefd te hebben.
B: (Lev 11) [b:Lev 11] (Matt 15:11) [b:Matt 15:11] (Acts 1:1) [b:Acts 1:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Hij die iets doet en hij die er mee instemt, schijnen van hetzelfde gevoelen te zijn, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (1, 32): "Niet alleen zij die het doen, maar ook zij die hun bijval schenken aan hen die het doen". Maar Christus stemt met de leerlingen in, waar hij ze verontschuldigt als ze de wet overtreden door op de sabbat korenaren te plukken: wat te lezen staat bij Mattheus (12, 1, 8). Dus schijnt Christus niet volgens de wet geleefd te hebben.
B: (Matt 12:1-8) [b:Matt 12:1-8] (Rom 1:32) [b:Rom 1:32]
Vervolgens. Hij die iets doet en hij die er mee instemt, schijnen van hetzelfde gevoelen te zijn, volgens het woord uit de Brief aan de Romeinen (1, 32): "Niet alleen zij die het doen, maar ook zij die hun bijval schenken aan hen die het doen". Maar Christus stemt met de leerlingen in, waar hij ze verontschuldigt als ze de wet overtreden door op de sabbat korenaren te plukken: wat te lezen staat bij Mattheus (12, 1, 8). Dus schijnt Christus niet volgens de wet geleefd te hebben.
B: (Matt 12:1-8) [b:Matt 12:1-8] (Rom 1:32) [b:Rom 1:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter dat Mattheus zegt (5, 17): "Meen niet, dat Ik gekomen ben, om de Wet of de Profeten op te heffen". In de verklaring waarvan Chrysostomus zegt (16° Homelie op Mattheus): "Hij vervolmaakte de wet en wel ten eerste, door geen der wettelijke voorschriften te overtreden; ten tweede, door, wat de wet door haar letter niet vermocht te doen, te rechtvaardigen door het geloof".
B: (Matt 5:17) [b:Matt 5:17]
Daartegenover staat echter dat Mattheus zegt (5, 17): "Meen niet, dat Ik gekomen ben, om de Wet of de Profeten op te heffen". In de verklaring waarvan Chrysostomus zegt (16° Homelie op Mattheus): "Hij vervolmaakte de wet en wel ten eerste, door geen der wettelijke voorschriften te overtreden; ten tweede, door, wat de wet door haar letter niet vermocht te doen, te rechtvaardigen door het geloof".
B: (Matt 5:17) [b:Matt 5:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 4 co.
Mijn antwoord. Christus heeft in alles volgens de voorschriften der wet geleefd. Ten teken waarvan Hij ook wilde besneden worden: want de besnijdenis is een soort belofte de wet te zullen volbrengen, volgens het woord aan de Galaten (5, 3): "Ik verklaar aan iederen, die zich besnijden laat, dat hij dan verplicht is de gehele wet te onderhouden". Christus nu wilde volgens de wet leven en wel ten eerste, om de oude wet te bekrachtigen. — Ten tweede, ten einde haar, met ze te onderhouden, tot haar grootste volmaaktheid te brengen en af te sluiten, hiermee aanduidende, dat ze tot Hem gericht was. — Ten derde, om aan de Joden de aanleiding tot laster te ontnemen. — Ten vierde, om de mensen van de slavernij der wet te verlossen, volgens het woord aan de Galaten (4, 4, 5): "God heeft zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd onder de wet, opdat Hij loskopen zou die staan onder de wet".
B: (Gal 5:3) [b:Gal 5:3]
Mijn antwoord. Christus heeft in alles volgens de voorschriften der wet geleefd. Ten teken waarvan Hij ook wilde besneden worden: want de besnijdenis is een soort belofte de wet te zullen volbrengen, volgens het woord aan de Galaten (5, 3): "Ik verklaar aan iederen, die zich besnijden laat, dat hij dan verplicht is de gehele wet te onderhouden". Christus nu wilde volgens de wet leven en wel ten eerste, om de oude wet te bekrachtigen. — Ten tweede, ten einde haar, met ze te onderhouden, tot haar grootste volmaaktheid te brengen en af te sluiten, hiermee aanduidende, dat ze tot Hem gericht was. — Ten derde, om aan de Joden de aanleiding tot laster te ontnemen. — Ten vierde, om de mensen van de slavernij der wet te verlossen, volgens het woord aan de Galaten (4, 4, 5): "God heeft zijn eigen Zoon gezonden, die geboren werd onder de wet, opdat Hij loskopen zou die staan onder de wet".
B: (Gal 5:3) [b:Gal 5:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Op drie manieren verontschuldigt zich hier de Heer van een overtreding der wet. En wel op de eerste manier, omdat door het gebod van de heiliging van de Sabbat geen goddelijk werk verboden wordt, maar het werk der mensen: want ofschoon God op de zevende dag opgehouden heeft met het maken van nieuwe schepselen, werkt Hij toch immer door, met de dingen te behouden en te besturen. Het wonderen werken van Christus was echter een goddelijk werk. En daarom zegt Hij zelf bij Joannes (5, 17): "Mijn Vader werkt tot heden toe, en zo werk Ik eveneens". De tweede manier waarop Hij zich verontschuldigt is hierdoor, dat door dit voorschrift niet die werken verboden worden, welke noodzakelijk zijn voor het lichamelijk welzijn. Vandaar zegt Hij zelf bij Lucas (13, 15): "Maakt niet ieder van u op de sabbat zijn rund of zijn ezel los van de kribbe, om ze weg te leiden en te drenken?" En verderop (14, 5): "Wie van u zal zijn ezel of zijn os, die in de put is gevallen, niet aanstonds, ook op de sabbat, er uit trekken?" Het is echter duidelijk, dat de wonderwerken, welke Christus verrichtte, het welzijn van lichaam en ziel op het oog hadden. Ten derde, omdat door dat voorschrift de werkzaamheden, die op de dienst van God betrekking hebben, niet verboden worden. Vandaar Mattheus (12, 5): "Of hebt ge niet gelezen in de Wet, dat op de sabbat de priesters in de tempel de sabbatrust verbreken, en toch niet schuldig zijn?" En bij Joannes (7, 23) wordt gezegd dat er wel mensen op de sabbat de besnijdenis ontvangen. Dat nu Christus aan de lamme het bevel gaf op de sabbat zijn bed te dragen, dat is iets wat betrekking had op de eredienst van God, d. i. op de lofprijzing der goddelijke kracht. Er blijkt dus wel, dat Hij de sabbat niet schond, ofschoon de Joden Hem dit valschlijk voor de voeten wierpen, zeggende (Joannes, 9, 16): "Die man komt niet van God, want Hij houdt de sabbat niet".
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4] (Gal 4:5) [b:Gal 4:5]
1e Weerlegging. Op drie manieren verontschuldigt zich hier de Heer van een overtreding der wet. En wel op de eerste manier, omdat door het gebod van de heiliging van de Sabbat geen goddelijk werk verboden wordt, maar het werk der mensen: want ofschoon God op de zevende dag opgehouden heeft met het maken van nieuwe schepselen, werkt Hij toch immer door, met de dingen te behouden en te besturen. Het wonderen werken van Christus was echter een goddelijk werk. En daarom zegt Hij zelf bij Joannes (5, 17): "Mijn Vader werkt tot heden toe, en zo werk Ik eveneens". De tweede manier waarop Hij zich verontschuldigt is hierdoor, dat door dit voorschrift niet die werken verboden worden, welke noodzakelijk zijn voor het lichamelijk welzijn. Vandaar zegt Hij zelf bij Lucas (13, 15): "Maakt niet ieder van u op de sabbat zijn rund of zijn ezel los van de kribbe, om ze weg te leiden en te drenken?" En verderop (14, 5): "Wie van u zal zijn ezel of zijn os, die in de put is gevallen, niet aanstonds, ook op de sabbat, er uit trekken?" Het is echter duidelijk, dat de wonderwerken, welke Christus verrichtte, het welzijn van lichaam en ziel op het oog hadden. Ten derde, omdat door dat voorschrift de werkzaamheden, die op de dienst van God betrekking hebben, niet verboden worden. Vandaar Mattheus (12, 5): "Of hebt ge niet gelezen in de Wet, dat op de sabbat de priesters in de tempel de sabbatrust verbreken, en toch niet schuldig zijn?" En bij Joannes (7, 23) wordt gezegd dat er wel mensen op de sabbat de besnijdenis ontvangen. Dat nu Christus aan de lamme het bevel gaf op de sabbat zijn bed te dragen, dat is iets wat betrekking had op de eredienst van God, d. i. op de lofprijzing der goddelijke kracht. Er blijkt dus wel, dat Hij de sabbat niet schond, ofschoon de Joden Hem dit valschlijk voor de voeten wierpen, zeggende (Joannes, 9, 16): "Die man komt niet van God, want Hij houdt de sabbat niet".
B: (Gal 4:4) [b:Gal 4:4] (Gal 4:5) [b:Gal 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Door deze woorden wilde Christus aangeven dat de mens niet onrein van ziel wordt door het eten van gelijk welke spijzen, wanneer men de natuur ervan beschouwt, maar alleen wanneer men er een zekere betekenis aan hecht. Dat nu in de wet sommige spijzen onrein genoemd worden, dat geschiedt om een zekere betekenis. Vandaar zegt Augustinus in zijn Werk Tegen Faustus (6e B., 7e H.): "Als men het varken en het lam met elkaar vergelijkt, dan zijn ze beiden als natuurding, rein, omdat "alle schepsel Gods goed is": om een zekere betekenis is echter het lam rein en het zwijn onrein".
B: (John 5:17, John 5:17) [b:John 5:17]
2e Weerlegging. Door deze woorden wilde Christus aangeven dat de mens niet onrein van ziel wordt door het eten van gelijk welke spijzen, wanneer men de natuur ervan beschouwt, maar alleen wanneer men er een zekere betekenis aan hecht. Dat nu in de wet sommige spijzen onrein genoemd worden, dat geschiedt om een zekere betekenis. Vandaar zegt Augustinus in zijn Werk Tegen Faustus (6e B., 7e H.): "Als men het varken en het lam met elkaar vergelijkt, dan zijn ze beiden als natuurding, rein, omdat "alle schepsel Gods goed is": om een zekere betekenis is echter het lam rein en het zwijn onrein".
B: (John 5:17, John 5:17) [b:John 5:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 40 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Ook toen de leerlingen, omdat ze honger hadden, op de sabbat korenaren plukten, waren ze van overtreding der wet vrij te pleiten, daar ze het deden omdat ze honger hadden; zo was ook David geen overtreder der wet toen hij, door honger gedreven, de broden opat, welke hij niet mocht eten.
B: (Luke 13:15) [b:Luke 13:15] (Luke 14:5) [b:Luke 14:5]
3e Weerlegging. Ook toen de leerlingen, omdat ze honger hadden, op de sabbat korenaren plukten, waren ze van overtreding der wet vrij te pleiten, daar ze het deden omdat ze honger hadden; zo was ook David geen overtreder der wet toen hij, door honger gedreven, de broden opat, welke hij niet mocht eten.
B: (Luke 13:15) [b:Luke 13:15] (Luke 14:5) [b:Luke 14:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 41: Over de bekoring van Christus
IIIa q. 41 pr.
IIIa q. 41 pr. Daarna beschouwen we de bekoring van Christus. Daaromtrent stellen we vier vragen. 1. Was het wel passend dat Christus bekoord werd? 2. Over de plaats van de bekooring. 3. Over de tijd waarop Hij bekoord werd. 4. Over de wijze waarop Hij bekoord werd en de volgorde der bekoringen.
IIIa q. 41 pr. Daarna beschouwen we de bekoring van Christus. Daaromtrent stellen we vier vragen. 1. Was het wel passend dat Christus bekoord werd? 2. Over de plaats van de bekooring. 3. Over de tijd waarop Hij bekoord werd. 4. Over de wijze waarop Hij bekoord werd en de volgorde der bekoringen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was het wel passend dat Christus bekoord werd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 41 a. 2 arg. 1
IIIa q. 41 a. 3 co.[t:iiia q. 41 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 41 a. 3 co.]
IIIa q. 41 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het Christus niet betaamd bekoord te worden. Bekoren immers betekent: op de proef stellen. Dit doet men echter alleen een onbekende zaak. Maar Christus’ kracht was ook aan de duivelen bekend. Bij Lucas staat immers (4, 41), dat Hij de duivelen niet toeliet te spreken, omdat ze wisten, dat Hij de Christus was. Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, dat Christus bekoord werd.
B: (Luke 4:41) [b:Luke 4:41]
IIIa q. 41 a. 2 arg. 1
IIIa q. 41 a. 3 co.[t:iiia q. 41 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 41 a. 3 co.]
IIIa q. 41 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het Christus niet betaamd bekoord te worden. Bekoren immers betekent: op de proef stellen. Dit doet men echter alleen een onbekende zaak. Maar Christus’ kracht was ook aan de duivelen bekend. Bij Lucas staat immers (4, 41), dat Hij de duivelen niet toeliet te spreken, omdat ze wisten, dat Hij de Christus was. Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, dat Christus bekoord werd.
B: (Luke 4:41) [b:Luke 4:41]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Daartoe is Christus gekomen, om de werken van de duivel te vernietigen, volgens het woord uit de Eerste Brief van Johannes (3, 8): "Daartoe juist is Gods Zoon verschenen, om de werken van de duivel te vernietigen". Maar wie iemands werken wil vernietigen, mag er zelf niet door getroffen worden. En daarom schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Christus het zich liet welgevallen, door de duivel bekoord te worden.
B: (1John 3:8) [b:1John 3:8]
Vervolgens. Daartoe is Christus gekomen, om de werken van de duivel te vernietigen, volgens het woord uit de Eerste Brief van Johannes (3, 8): "Daartoe juist is Gods Zoon verschenen, om de werken van de duivel te vernietigen". Maar wie iemands werken wil vernietigen, mag er zelf niet door getroffen worden. En daarom schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Christus het zich liet welgevallen, door de duivel bekoord te worden.
B: (1John 3:8) [b:1John 3:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Er is een drievoudige bekoring die namelijk van het vlees, van de wereld en van de duivel. Maar Christus is noch door het vlees, noch door de wereld bekoord geworden. Dus moest Hij evenmin door de duivel bekoord worden.
Vervolgens. Er is een drievoudige bekoring die namelijk van het vlees, van de wereld en van de duivel. Maar Christus is noch door het vlees, noch door de wereld bekoord geworden. Dus moest Hij evenmin door de duivel bekoord worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter dat Mattheus zegt (4, 1): "Toen werd Jesus door de Geest naar de woestijn geleid, om door de duivel bekoord te worden".
B: (Matt 4:1) [b:Matt 4:1]
Daartegenover staat echter dat Mattheus zegt (4, 1): "Toen werd Jesus door de Geest naar de woestijn geleid, om door de duivel bekoord te worden".
B: (Matt 4:1) [b:Matt 4:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 1 co.
Mijn antwoord. Christus wilde bekoord worden; en wel ten eerste om ons bijstand te verlenen tegen de bekoringen. Vandaar zegt Gregorius in zijn 16e Homelie op het Evangelie: "Het was met de waardigheid van onze Verlosser niet in strijd, dat Hij wilde behoord worden, Hij die zelfs gekomen was om gedood te worden: want zo zou Hij onze bekoringen door zijn eigen bekoringen overwinnen, zoals Hij ook door zijn eigen dood over onze dood heeft gezegevierd". Ten tweede, om ons voorzichtig te maken: opdat niemand, hoe heilig hij ook is, zou menen, dat hij beveiligd is tegen en vrij van de bekoringen. Daarom wilde Hij ook na het doopsel bekoord worden, omdat, zoals Hilarius zegt in zijn Verklaring van Mattheus (3e H.) : de verleidingen van de duivel vooral woeden onder de geheiligden, omdat hij het liefst over de heiligen de overwinning wil behalen. Daarom ook wordt er in Ecclesiasticus gezegd (2, 1) : "Mijn zoon als gij in de dienst van God treedt, sta dan vast in de gerechtigheid en in de vrees, en bereid uw ziel tot de beproeving". Ten derde, ter wille van het voorbeeld: om ons namelijk te leren, hoe we de bekoringen van de duivel moeten overwinnen. Vandaar zegt Augustinus in het 4e boek van zijn werk Over de Drievuldigheid dat Christus zich aan de duivel aanbood om bekoord te worden, ten einde bij het overwinnen van diens bekoringen een middelaar te kunnen zijn, niet alleen door te helpen, maar ook door het voorbeeld. Ten vierde, om ons vertrouwen te schenken in zijn barmhartigheid. Vandaar wordt er in de Brief aan de Hebreeën gezegd (4, 15): "Want we hebben geen Hoogepriester, die onze zwakheden niet meevoelen kan, maar Eén, die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij behoudens de zonde".
Mijn antwoord. Christus wilde bekoord worden; en wel ten eerste om ons bijstand te verlenen tegen de bekoringen. Vandaar zegt Gregorius in zijn 16e Homelie op het Evangelie: "Het was met de waardigheid van onze Verlosser niet in strijd, dat Hij wilde behoord worden, Hij die zelfs gekomen was om gedood te worden: want zo zou Hij onze bekoringen door zijn eigen bekoringen overwinnen, zoals Hij ook door zijn eigen dood over onze dood heeft gezegevierd". Ten tweede, om ons voorzichtig te maken: opdat niemand, hoe heilig hij ook is, zou menen, dat hij beveiligd is tegen en vrij van de bekoringen. Daarom wilde Hij ook na het doopsel bekoord worden, omdat, zoals Hilarius zegt in zijn Verklaring van Mattheus (3e H.) : de verleidingen van de duivel vooral woeden onder de geheiligden, omdat hij het liefst over de heiligen de overwinning wil behalen. Daarom ook wordt er in Ecclesiasticus gezegd (2, 1) : "Mijn zoon als gij in de dienst van God treedt, sta dan vast in de gerechtigheid en in de vrees, en bereid uw ziel tot de beproeving". Ten derde, ter wille van het voorbeeld: om ons namelijk te leren, hoe we de bekoringen van de duivel moeten overwinnen. Vandaar zegt Augustinus in het 4e boek van zijn werk Over de Drievuldigheid dat Christus zich aan de duivel aanbood om bekoord te worden, ten einde bij het overwinnen van diens bekoringen een middelaar te kunnen zijn, niet alleen door te helpen, maar ook door het voorbeeld. Ten vierde, om ons vertrouwen te schenken in zijn barmhartigheid. Vandaar wordt er in de Brief aan de Hebreeën gezegd (4, 15): "Want we hebben geen Hoogepriester, die onze zwakheden niet meevoelen kan, maar Eén, die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij behoudens de zonde".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit zijn werk de Stad Gods (9e B., 21e H.) dat Christus maar voor zoveel aan de duivelen bekend werd, als Hij zelf wilde: niet door dat wat het eeuwige leven is, maar door enkele tijdelijke uitwerkselen van zijn kracht, waaruit ze met een zekere gissing konden besluiten, dat Christus de Zoon Gods was. Maar omdat ze van de andere kant toch ook weer in Hem sommige kentekenen van menselijke zwakheid zagen, wisten ze niet zeker, dat Hij de Zoon Gods was. En daarom wilde hij Hem op de proef stellen. En hierop duidt wat Mattheus zegt (4, 2, 3) dat de bekoorster tot Hem naderde, toen Hij honger voelde, omdat, zoals Hilarius zegt (t. a. p.) de duivel het niet gewaagd zou hebben Christus te bekoren, als hij niet in Hem, door de zwakte als gevolg van het hongerlijden, iets menselijks zou erkend hebben. En dit blijkt ook uit de wijze waarop hij Hem bekoord heeft, daar hij zegt: Als Gij de Zoon Gods zijt. Wat Gregorius aldus uitlegt: (Ambrosius Verklaring van Lucas, 4° B., op 4° H., vers 3): "Wat wil die aanhef anders zeggen, dan dat hij wist, dat de Zoon Gods komen zou, maar dat hij niet van mening was, dat Hij gekomen was in een zwak lichaam?"
B: (Sir 2) [b:Sir 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 41 a. 3 co.[t:iiia q. 41 a. 3 co.]
1e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit zijn werk de Stad Gods (9e B., 21e H.) dat Christus maar voor zoveel aan de duivelen bekend werd, als Hij zelf wilde: niet door dat wat het eeuwige leven is, maar door enkele tijdelijke uitwerkselen van zijn kracht, waaruit ze met een zekere gissing konden besluiten, dat Christus de Zoon Gods was. Maar omdat ze van de andere kant toch ook weer in Hem sommige kentekenen van menselijke zwakheid zagen, wisten ze niet zeker, dat Hij de Zoon Gods was. En daarom wilde hij Hem op de proef stellen. En hierop duidt wat Mattheus zegt (4, 2, 3) dat de bekoorster tot Hem naderde, toen Hij honger voelde, omdat, zoals Hilarius zegt (t. a. p.) de duivel het niet gewaagd zou hebben Christus te bekoren, als hij niet in Hem, door de zwakte als gevolg van het hongerlijden, iets menselijks zou erkend hebben. En dit blijkt ook uit de wijze waarop hij Hem bekoord heeft, daar hij zegt: Als Gij de Zoon Gods zijt. Wat Gregorius aldus uitlegt: (Ambrosius Verklaring van Lucas, 4° B., op 4° H., vers 3): "Wat wil die aanhef anders zeggen, dan dat hij wist, dat de Zoon Gods komen zou, maar dat hij niet van mening was, dat Hij gekomen was in een zwak lichaam?"
B: (Sir 2) [b:Sir 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 41 a. 3 co.[t:iiia q. 41 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De bedoeling van Christus’ komst was om de werken van de duivel te vernietigen, niet door met kracht op te treden, maar veeleer door zich door hem en zijn ledematen te laten pijnigen. En zó zou Hij de duivel overwinnen door de gerechtigheid, en niet door kracht, zoals Augustinus zegt in zijn 13° boek van zijn werk Over de Drievuldigheid (13° H.): "De duivel moest niet door Gods kracht, maar door gerechtigheid overwonnen worden". En dus moeten we bij de bekoring van Christus voor ogen houden en wat Hij uit eigen beweging deed, en wat Hij van de duivel te lijden heeft gehad. Want dat Hij zich aan de duivel aanbood, was vrije keuze. Vandaar zegt Mattheus (4, 1): "Toen werd Jesus door de Geest naar de woestijn geleid, om door de duivel te worden bekoord": wat volgens Gregorius (16° Homelie op het Evangelie) verstaan moet worden van de Heilige Geest, dat Hem namelijk zijn Geest daarheen zou leiden, waar Hem de boze geest zou vinden om Hem te bekoren. Maar Hij liet het zich van de duivel welgevallen, meegenomen te worden, ofwel op het dakterras van de Tempel, of ook wel naar een zeer hoge berg. En het is niet te verwonderen, zoals Gregorius zegt (t. a. p.), dat Hij zich door hem naar een berg liet voeren, daar Hij zich door zijn ledematen heeft laten kruisigen. Dat Hij nu door de duivel meegvoerd werd, moet niet verstaan worden, alsof dat uit noodzaak geschiedde, maar omdat, zoals Origenes zegt (31° Homelie op Lucas) Hij hem volgde naar de bekoring als een atleet, die uit eigen beweging naar voren treedt.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 41 a. 2 co.[t:iiia q. 41 a. 2 co.]
2e Weerlegging. De bedoeling van Christus’ komst was om de werken van de duivel te vernietigen, niet door met kracht op te treden, maar veeleer door zich door hem en zijn ledematen te laten pijnigen. En zó zou Hij de duivel overwinnen door de gerechtigheid, en niet door kracht, zoals Augustinus zegt in zijn 13° boek van zijn werk Over de Drievuldigheid (13° H.): "De duivel moest niet door Gods kracht, maar door gerechtigheid overwonnen worden". En dus moeten we bij de bekoring van Christus voor ogen houden en wat Hij uit eigen beweging deed, en wat Hij van de duivel te lijden heeft gehad. Want dat Hij zich aan de duivel aanbood, was vrije keuze. Vandaar zegt Mattheus (4, 1): "Toen werd Jesus door de Geest naar de woestijn geleid, om door de duivel te worden bekoord": wat volgens Gregorius (16° Homelie op het Evangelie) verstaan moet worden van de Heilige Geest, dat Hem namelijk zijn Geest daarheen zou leiden, waar Hem de boze geest zou vinden om Hem te bekoren. Maar Hij liet het zich van de duivel welgevallen, meegenomen te worden, ofwel op het dakterras van de Tempel, of ook wel naar een zeer hoge berg. En het is niet te verwonderen, zoals Gregorius zegt (t. a. p.), dat Hij zich door hem naar een berg liet voeren, daar Hij zich door zijn ledematen heeft laten kruisigen. Dat Hij nu door de duivel meegvoerd werd, moet niet verstaan worden, alsof dat uit noodzaak geschiedde, maar omdat, zoals Origenes zegt (31° Homelie op Lucas) Hij hem volgde naar de bekoring als een atleet, die uit eigen beweging naar voren treedt.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 41 a. 2 co.[t:iiia q. 41 a. 2 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Volgens de Apostel wilde Christus in alles bekoord worden, behoudens de zonde (Hebr., 4. 15). Een bekoring nu van de vijand, kan aanwezig zijn zonder zonde, omdat die alleen door influistering van buitenaf plaats heeft. Maar de bekoring van het vlees kan niet zonder zonde zijn, daar deze bekoring opkomt door genot en begeerte: en, zoals Augustinus zegt (De Stad Gods, 19° B., 4° H.) is het een tamelijk grote zonde, als "het vlees tegen de geest begeert". En dus wilde Christus wel bekoord worden door de vijand, maar niet door het vlees.
B: (Heb 4:15) [b:Heb 4:15]
3e Weerlegging. Volgens de Apostel wilde Christus in alles bekoord worden, behoudens de zonde (Hebr., 4. 15). Een bekoring nu van de vijand, kan aanwezig zijn zonder zonde, omdat die alleen door influistering van buitenaf plaats heeft. Maar de bekoring van het vlees kan niet zonder zonde zijn, daar deze bekoring opkomt door genot en begeerte: en, zoals Augustinus zegt (De Stad Gods, 19° B., 4° H.) is het een tamelijk grote zonde, als "het vlees tegen de geest begeert". En dus wilde Christus wel bekoord worden door de vijand, maar niet door het vlees.
B: (Heb 4:15) [b:Heb 4:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Moest Christus in de woestijn bekoord worden?
IIIa q. 41 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat Christus niet in de woestijn is moeten bekoord worden. Christus immers wilde, zoals in het vorige artikel gezegd is, bekoord worden, om ons ten voorbeeld te zijn. Maar een voorbeeld moet duidelijk zichtbaar voorgesteld worden aan hen die er van moeten leren. Dus moest Christus niet in de woestijn bekoord worden.
R: q. 41 a. 1[t:iiia q. 41 a. 1]
Over het tweede als volgt. Men beweert dat Christus niet in de woestijn is moeten bekoord worden. Christus immers wilde, zoals in het vorige artikel gezegd is, bekoord worden, om ons ten voorbeeld te zijn. Maar een voorbeeld moet duidelijk zichtbaar voorgesteld worden aan hen die er van moeten leren. Dus moest Christus niet in de woestijn bekoord worden.
R: q. 41 a. 1[t:iiia q. 41 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Chrysostomus zegt in zijn *Verklaring van Mattheus* (13e Homelie) dat *dan vooral de duivel niet ophoudt met de mensen te behoren, wanneer hij ze in eenzaamheid vindt. Vandaar dan ook, dat hij in het begin de vrouw behoorde toen hij haar zonder de man vond. En zo schijnt het wel, dat Hij zich, door de woestijn in te gaan om bekoord te worden, aan de bekoring heeft blootgesteld. En omdat nu zijn bekoring ons ten voorbeeld is, schijnt het, dat ook de anderen zich als het ware moeten opdringen om bekoringen te krijgen. Wat echter gevaarlijk schijnt te zijn: daar we veeleer de gelegenheden tot bekoringen moeten vermijden.
Vervolgens. Chrysostomus zegt in zijn *Verklaring van Mattheus* (13e Homelie) dat *dan vooral de duivel niet ophoudt met de mensen te behoren, wanneer hij ze in eenzaamheid vindt. Vandaar dan ook, dat hij in het begin de vrouw behoorde toen hij haar zonder de man vond. En zo schijnt het wel, dat Hij zich, door de woestijn in te gaan om bekoord te worden, aan de bekoring heeft blootgesteld. En omdat nu zijn bekoring ons ten voorbeeld is, schijnt het, dat ook de anderen zich als het ware moeten opdringen om bekoringen te krijgen. Wat echter gevaarlijk schijnt te zijn: daar we veeleer de gelegenheden tot bekoringen moeten vermijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Bij *Mattheus* (4. 5) staat de tweede bekoring beschreven als volgt: "Toen voerde de duivel *Hem naar de heilige stad en* plaatste Hem op het dakterras van de tempel": deze nu lag niet in de woestijn. Dus werd Hij niet alleen in de woestijn bekoord.
B: (Matt 4:5) [b:Matt 4:5]
Vervolgens. Bij *Mattheus* (4. 5) staat de tweede bekoring beschreven als volgt: "Toen voerde de duivel *Hem naar de heilige stad en* plaatste Hem op het dakterras van de tempel": deze nu lag niet in de woestijn. Dus werd Hij niet alleen in de woestijn bekoord.
B: (Matt 4:5) [b:Matt 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter dat Marcus zegt (1, 13) dat Jesus veertig dagen en veertig nachten in de woestijn bleef, en door de duivel bekoord werd.
B: (Mark 1:13) [b:Mark 1:13]
Daartegenover staat echter dat Marcus zegt (1, 13) dat Jesus veertig dagen en veertig nachten in de woestijn bleef, en door de duivel bekoord werd.
B: (Mark 1:13) [b:Mark 1:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (vorig art. antw. op de 2e bedenking) heeft Christus zich uit eigen beweging aan de duivel aangeboden om bekoord te worden, zoals Hij zich ook uit eigen beweging aan zijn ledematen aanbood om gedood te worden: anders immers zou de duivel het niet gewaagd hebben Hem te naderen. De duivel belaagt iemand echter het hevigst, wanneer hij alleen is, zoals gezegd wordt in het boek de Prediker (4, 12): "Mocht iemand één enkele kunnen overweldigen, tegen twee zal hij niet bestand zijn". En daarom trok Christus de woestijn in, als naar een strijdperk, om daar door de duivel bekoord te worden. Vandaar zegt Ambrosius in zijn Verklaring van Lucas (4e B., op 4, 1) dat Christus met opzet naar de woestijn gevoerd werd, om de duivel uit te dagen. Want als deze, d. i. de duivel niet had gestreden, dan zou gene, d. i. Christus niet overwonnen hebben. — Hij voegt er echter nog andere gronden aan toe, zeggende, dat Christus dit gedaan heeft om de mystische zin, ten einde Adam uit de ballingschap te verlossen, die nl. uit het paradijs verdreven was naar de woestijn; "om het voorbeeld, ten einde ons aan te tonen, dat de duivel hen benijdt, die naar betere dingen streven".
B: (Eccl 4:12) [b:Eccl 4:12] (Luke 4:1) [b:Luke 4:1]
R: q. 41 a. 1 ad 2[t:iiia q. 41 a. 1 ad 2]
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (vorig art. antw. op de 2e bedenking) heeft Christus zich uit eigen beweging aan de duivel aangeboden om bekoord te worden, zoals Hij zich ook uit eigen beweging aan zijn ledematen aanbood om gedood te worden: anders immers zou de duivel het niet gewaagd hebben Hem te naderen. De duivel belaagt iemand echter het hevigst, wanneer hij alleen is, zoals gezegd wordt in het boek de Prediker (4, 12): "Mocht iemand één enkele kunnen overweldigen, tegen twee zal hij niet bestand zijn". En daarom trok Christus de woestijn in, als naar een strijdperk, om daar door de duivel bekoord te worden. Vandaar zegt Ambrosius in zijn Verklaring van Lucas (4e B., op 4, 1) dat Christus met opzet naar de woestijn gevoerd werd, om de duivel uit te dagen. Want als deze, d. i. de duivel niet had gestreden, dan zou gene, d. i. Christus niet overwonnen hebben. — Hij voegt er echter nog andere gronden aan toe, zeggende, dat Christus dit gedaan heeft om de mystische zin, ten einde Adam uit de ballingschap te verlossen, die nl. uit het paradijs verdreven was naar de woestijn; "om het voorbeeld, ten einde ons aan te tonen, dat de duivel hen benijdt, die naar betere dingen streven".
B: (Eccl 4:12) [b:Eccl 4:12] (Luke 4:1) [b:Luke 4:1]
R: q. 41 a. 1 ad 2[t:iiia q. 41 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Christus wordt aan allen ten voorbeeld gesteld door het geloof: volgens het woord Aan de Hebreeën (12, 2): "Het oog gevestigd op Jesus, aanvang en einde van het geloof". Het geloof ontstaat echter, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (10, 17), door het gehoor, en niet door het gezicht: zoals geschreven staat bij Joannes, 20, 29: "Zalig zij, die niet zien, en toch geloven". Wil Christus’ bekoring ons dus ten voorbeeld zijn, dan is het niet nodig, dat ze door de mensen gezien werd, maar was het voldoende, dat ze aan de mensen verhaald zou worden.
B: (John 20:29, John 20:29) [b:John 20:29] (Rom 10:17) [b:Rom 10:17] (Heb 12:2) [b:Heb 12:2]
1e Weerlegging. Christus wordt aan allen ten voorbeeld gesteld door het geloof: volgens het woord Aan de Hebreeën (12, 2): "Het oog gevestigd op Jesus, aanvang en einde van het geloof". Het geloof ontstaat echter, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (10, 17), door het gehoor, en niet door het gezicht: zoals geschreven staat bij Joannes, 20, 29: "Zalig zij, die niet zien, en toch geloven". Wil Christus’ bekoring ons dus ten voorbeeld zijn, dan is het niet nodig, dat ze door de mensen gezien werd, maar was het voldoende, dat ze aan de mensen verhaald zou worden.
B: (John 20:29, John 20:29) [b:John 20:29] (Rom 10:17) [b:Rom 10:17] (Heb 12:2) [b:Heb 12:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Er is een tweevoudige gelegenheid tot bekoring. De ene komt van de mens zelf: zo b. v. als iemand zich in de nabijheid der zonde begeeft, door de gelegenheden tot zondigen niet te vermijden. En deze gelegenheid tot zondigen moet vermeden worden, zoals tot Lot gezegd werd, in het Boek Genesis (19, 17): "Sta niet stil in de gehele omtrek van Sodoma". Een andere gelegenheid tot zondigen komt van de duivel, die altijd afgunstig is op hen, die naar het betere streven, zoals Ambrosius zegt (zie de leerstelling). En deze gelegenheid tot zondigen is niet te vermijden. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn Verklaring van Mattheus (5e Homelie): "Niet alleen werd Christus door de Geest naar de woestijn geleid, maar alle zonen Gods, die de Heilige Geest bezitten. Want deze zijn niet tevreden met werkeloos daar neer te zitten, maar de Heilige Geest dringt hen een of ander groot werk aan te vatten: en dit betekent, met betrekking tot de duivel, hetzelfde als in de woestijn zijn, want in zo'n geval is er geen ongerechtigheid, waarin de duivel behagen neemt. Ook is iedere goed werk een woestijn voor het vlees en voor de wereld, omdat zo iets niet in overeenstemming is met de wil van het vlees en der wereld". Het is echter niet gevaarlijk aan de duivel deze gelegenheid tot bekoren te geven: want de hulp van de Heilige Geest, die de bewerker is der volmaakte werken, is groter, dan de aanvechting van een afgunstige duivel.
B: (Gen 19:17) [b:Gen 19:17]
2e Weerlegging. Er is een tweevoudige gelegenheid tot bekoring. De ene komt van de mens zelf: zo b. v. als iemand zich in de nabijheid der zonde begeeft, door de gelegenheden tot zondigen niet te vermijden. En deze gelegenheid tot zondigen moet vermeden worden, zoals tot Lot gezegd werd, in het Boek Genesis (19, 17): "Sta niet stil in de gehele omtrek van Sodoma". Een andere gelegenheid tot zondigen komt van de duivel, die altijd afgunstig is op hen, die naar het betere streven, zoals Ambrosius zegt (zie de leerstelling). En deze gelegenheid tot zondigen is niet te vermijden. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn Verklaring van Mattheus (5e Homelie): "Niet alleen werd Christus door de Geest naar de woestijn geleid, maar alle zonen Gods, die de Heilige Geest bezitten. Want deze zijn niet tevreden met werkeloos daar neer te zitten, maar de Heilige Geest dringt hen een of ander groot werk aan te vatten: en dit betekent, met betrekking tot de duivel, hetzelfde als in de woestijn zijn, want in zo'n geval is er geen ongerechtigheid, waarin de duivel behagen neemt. Ook is iedere goed werk een woestijn voor het vlees en voor de wereld, omdat zo iets niet in overeenstemming is met de wil van het vlees en der wereld". Het is echter niet gevaarlijk aan de duivel deze gelegenheid tot bekoren te geven: want de hulp van de Heilige Geest, die de bewerker is der volmaakte werken, is groter, dan de aanvechting van een afgunstige duivel.
B: (Gen 19:17) [b:Gen 19:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Sommigen zeggen, dat alle bekoringen in de woestijn hebben plaats gehad. En daaronder zijn er weer die dan zeggen, dat Christus niet werkelijk, maar alleen maar in de geest naar de heilige Stad is gevoerd. Anderen daarentegen zeggen, dat ook de heilige Stad, d.w.z. Jerusalem, woestijn genoemd wordt, omdat ze door God was verlaten. — Maar dat alles is niet nodig. Want Marcus zegt, dat Hij in de woestijn door de duivel werd bekoord en niet, dat het uitsluitend in de woestijn gebeurd is.
3e Weerlegging. Sommigen zeggen, dat alle bekoringen in de woestijn hebben plaats gehad. En daaronder zijn er weer die dan zeggen, dat Christus niet werkelijk, maar alleen maar in de geest naar de heilige Stad is gevoerd. Anderen daarentegen zeggen, dat ook de heilige Stad, d.w.z. Jerusalem, woestijn genoemd wordt, omdat ze door God was verlaten. — Maar dat alles is niet nodig. Want Marcus zegt, dat Hij in de woestijn door de duivel werd bekoord en niet, dat het uitsluitend in de woestijn gebeurd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Had de bekoring van Christus plaats moeten hebben na zijn vasten?
IIIa q. 41 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de bekoring van Christus niet had moeten plaats hebben ná zijn vasten. Vroeger is immers gezegd (40° Kw., 2° A.), dat het niet passend was, dat Christus streng leefde. Maar dat is dan toch wel de grootste strengheid geweest, dat Hij veertig dagen en veertig nachten niets gegeten heeft: want de woorden: Hij vastte veertig dagen en veertig nachten, moeten zo verstaan worden, dat Hij in die dagen in het geheel geen voedsel tot zich genomen heeft, zoals Gregorius zegt (16° Homelie op het Evangelie). Dus schijnt het wel, dat Hij aan de bekoring niet zo’n vasten had moeten vooraf laten gaan.
R: q. 40 a. 2[t:iiia q. 40 a. 2]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de bekoring van Christus niet had moeten plaats hebben ná zijn vasten. Vroeger is immers gezegd (40° Kw., 2° A.), dat het niet passend was, dat Christus streng leefde. Maar dat is dan toch wel de grootste strengheid geweest, dat Hij veertig dagen en veertig nachten niets gegeten heeft: want de woorden: Hij vastte veertig dagen en veertig nachten, moeten zo verstaan worden, dat Hij in die dagen in het geheel geen voedsel tot zich genomen heeft, zoals Gregorius zegt (16° Homelie op het Evangelie). Dus schijnt het wel, dat Hij aan de bekoring niet zo’n vasten had moeten vooraf laten gaan.
R: q. 40 a. 2[t:iiia q. 40 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Bij Marcus wordt gezegd (1, 13) dat Hij veertig dagen en veertig nachten in de woestijn verbleef, waar Hij door de satan werd bekoord. Maar Hij vastte veertig dagen en veertig nachten. Dus heeft het er de schijn van, dat Hij niet na, maar gedurende het vasten door de duivel bekoord werd.
B: (Mark 1:13) [b:Mark 1:13]
Vervolgens. Bij Marcus wordt gezegd (1, 13) dat Hij veertig dagen en veertig nachten in de woestijn verbleef, waar Hij door de satan werd bekoord. Maar Hij vastte veertig dagen en veertig nachten. Dus heeft het er de schijn van, dat Hij niet na, maar gedurende het vasten door de duivel bekoord werd.
B: (Mark 1:13) [b:Mark 1:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Christus heeft, naar wat er te lezen staat, maar één keer gevast. Maar Hij is meer dan eens door de duivel bekoord geworden; want Lucas zegt (4, 13) dat, toen de duivel al zijn bekoringen had uitgeput, Hij Hem voor een tijd verliet. Zoals Hij dus aan die tweede bekoring geen vasten vooraf heeft laten gaan, zo heeft Hij dat evenmin aan de eerste moeten doen.
B: (Luke 4:13) [b:Luke 4:13]
Vervolgens. Christus heeft, naar wat er te lezen staat, maar één keer gevast. Maar Hij is meer dan eens door de duivel bekoord geworden; want Lucas zegt (4, 13) dat, toen de duivel al zijn bekoringen had uitgeput, Hij Hem voor een tijd verliet. Zoals Hij dus aan die tweede bekoring geen vasten vooraf heeft laten gaan, zo heeft Hij dat evenmin aan de eerste moeten doen.
B: (Luke 4:13) [b:Luke 4:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Mattheus zegt (4, 2, 3): "En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, voelde Hij honger: en toen naderde de bekoorer Hem".
B: (Matt 4:2) [b:Matt 4:2] (Matt 4:3) [b:Matt 4:3]
Daartegenover staat echter, dat Mattheus zegt (4, 2, 3): "En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, voelde Hij honger: en toen naderde de bekoorer Hem".
B: (Matt 4:2) [b:Matt 4:2] (Matt 4:3) [b:Matt 4:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 3 co.
Mijn antwoord. Het was heel passend, dat Christus wilde bekoord worden, na gevast te hebben. En wel ten eerste, om het voorbeeld. Want daar het ons allen, zoals gezegd is in het eerste artikel, te wachten staat, dat we ons tegen de bekoringen moeten verdedigen, daarom leerde Hij ons, door zelf vóór de op handen zijnde bekoring te vasten, dat ook wij ons door het vasten moeten wapenen tegen de bekoringen. Vandaar dat de Apostel onder de wapenen der gerechtigheid ook het vasten meetelt (2° Brief aan de Korinthiërs, 6, 5, 7). Ten tweede, om te laten zien, dat de duivel ook op hen die vasten afgaat, om ze te bekoren, zoals ook op de anderen, die zich met goede werken bezighouden. En daarom wordt Christus bekoord én na het doopsel, én na het vasten. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn 13° Homelie op Mattheus: "Opdat ge leren zoudt wat voor een groot goed het vasten is, en hoe het een schild is tegen de duivel; en dat men zich ná het doopsel niet aan losbandigheid moet overgeven, maar zich op het vasten moet toeleggen, dààrom vastte Christus — niet (dus) omdat Hij zelf het vasten nodig had, maar om ons te onderrichten". Ten derde, omdat op het vasten honger volgde, welke de duivel de moed gaf Hem aan te vallen, zoals gezegd is (1° Art., antw. op de 1° Bed.). Hilarius zegt dan ook (Verklaring van Mattheus, 3° H.): "Dat de Heer honger had, kwam niet hiervandaan, dat het vasten Hem overrompelde: maar Hij liet de mens (in Hem) aan zijn eigen natuur over. De duivel immers, moest niet door God, maar door het vlees overwonnen worden". Vandaar dan ook ging Hij, zoals Gregorius zegt (13° Homelie op Mattheus) niet verder in het vasten, dan Moses en Elias gegaan waren, opdat zijn aanname van het vlees, geen schijn van ongeloofwaardigheid zou hebben.
B: (2Cor 6:5) [b:2Cor 6:5] (2Cor 6:7) [b:2Cor 6:7]
R: q. 41 a. 1[t:iiia q. 41 a. 1] q. 41 a. 1 ad 1[t:iiia q. 41 a. 1 ad 1]
Mijn antwoord. Het was heel passend, dat Christus wilde bekoord worden, na gevast te hebben. En wel ten eerste, om het voorbeeld. Want daar het ons allen, zoals gezegd is in het eerste artikel, te wachten staat, dat we ons tegen de bekoringen moeten verdedigen, daarom leerde Hij ons, door zelf vóór de op handen zijnde bekoring te vasten, dat ook wij ons door het vasten moeten wapenen tegen de bekoringen. Vandaar dat de Apostel onder de wapenen der gerechtigheid ook het vasten meetelt (2° Brief aan de Korinthiërs, 6, 5, 7). Ten tweede, om te laten zien, dat de duivel ook op hen die vasten afgaat, om ze te bekoren, zoals ook op de anderen, die zich met goede werken bezighouden. En daarom wordt Christus bekoord én na het doopsel, én na het vasten. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn 13° Homelie op Mattheus: "Opdat ge leren zoudt wat voor een groot goed het vasten is, en hoe het een schild is tegen de duivel; en dat men zich ná het doopsel niet aan losbandigheid moet overgeven, maar zich op het vasten moet toeleggen, dààrom vastte Christus — niet (dus) omdat Hij zelf het vasten nodig had, maar om ons te onderrichten". Ten derde, omdat op het vasten honger volgde, welke de duivel de moed gaf Hem aan te vallen, zoals gezegd is (1° Art., antw. op de 1° Bed.). Hilarius zegt dan ook (Verklaring van Mattheus, 3° H.): "Dat de Heer honger had, kwam niet hiervandaan, dat het vasten Hem overrompelde: maar Hij liet de mens (in Hem) aan zijn eigen natuur over. De duivel immers, moest niet door God, maar door het vlees overwonnen worden". Vandaar dan ook ging Hij, zoals Gregorius zegt (13° Homelie op Mattheus) niet verder in het vasten, dan Moses en Elias gegaan waren, opdat zijn aanname van het vlees, geen schijn van ongeloofwaardigheid zou hebben.
B: (2Cor 6:5) [b:2Cor 6:5] (2Cor 6:7) [b:2Cor 6:7]
R: q. 41 a. 1[t:iiia q. 41 a. 1] q. 41 a. 1 ad 1[t:iiia q. 41 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het betaamde niet, dat Christus een streng leven leidde, omdat Hij de gewone levenswijze wilde volgen van de mensen voor wie Hij moest prediken. Maar niemand moet het predikambt op zich nemen, zonder eerst gezuiverd te zijn en volmaakt te wezen in de deugd; zoals ook van Christus in de Handelingen der Apostelen gezegd wordt (1, 1) dat Jesus begon te doen en te leren. En daarom is Christus, onmiddellijk na zijn doopsel, begonnen met een streng leven te leiden, om te leren, dat anderen eerst als ze het vlees onderworpen hebben, tot het predikambt moeten overgaan, volgens de woorden van de Apostel (1° Brief aan de Korinthiërs, 9, 27): "Maar het is mijn eigen lichaam, dat ik beuk en er onder houd, om na heraut geweest te zijn, voor anderen, zelf niet afgewezen te worden».
1e Weerlegging. Het betaamde niet, dat Christus een streng leven leidde, omdat Hij de gewone levenswijze wilde volgen van de mensen voor wie Hij moest prediken. Maar niemand moet het predikambt op zich nemen, zonder eerst gezuiverd te zijn en volmaakt te wezen in de deugd; zoals ook van Christus in de Handelingen der Apostelen gezegd wordt (1, 1) dat Jesus begon te doen en te leren. En daarom is Christus, onmiddellijk na zijn doopsel, begonnen met een streng leven te leiden, om te leren, dat anderen eerst als ze het vlees onderworpen hebben, tot het predikambt moeten overgaan, volgens de woorden van de Apostel (1° Brief aan de Korinthiërs, 9, 27): "Maar het is mijn eigen lichaam, dat ik beuk en er onder houd, om na heraut geweest te zijn, voor anderen, zelf niet afgewezen te worden».
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Die woorden van Marcus moeten zo verstaan worden, dat Hij veertig dagen en veertig nachten in de woestijn bleef, gedurende welke dagen namelijk Hij vastte. Als er nu gezegd wordt: en Hij werd door de duivel bekoord, dan moet dat verstaan worden: ná deze dagen, en niet: gedurende die veertig dagen en veertig nachten, en wel, omdat Mattheus zegt, dat "toen Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, Hij daarna honger voelde», waarin de verleider een aanleiding vond om naar Hem toe te komen. Zoodat dan wat er volgt op de woorden van Marcus: en de engelen bedienden Hem, consecutief moet genomen worden, wat bewezen wordt uit wat Mattheus zegt (4, 11): "Toen verliet de duivel Hem, namelijk, na de bekoring, en zie, de engelen naderden, en dienden Hem". Wat Marcus er echter tusschen voegt: "Hij vertoefde onder de wilde dieren", staat er bij, volgens Chrysostomus (Verklaring van Marcus, 1, 12, 13; 1° B.) om aan te geven wat voor een woestijn het was: dat ze namelijk ontoegankelijk was voor mensen en vol dieren. Volgens de verklaring van Beda echter (op Marcus, 1, 13; 1° B.) wordt de Heer veertig dagen en veertig nachten lang bekoord. Maar dat moet niet verstaan worden van die zichtbare bekoringen, welke Mattheus en Lucas verhalen, en welke plaats hebben gehad na het vasten, maar van sommige andere aanvechtingen, welke Christus misschien wel tijdens het vasten van de duivel heeft te verduren gehad.
2e Weerlegging. Die woorden van Marcus moeten zo verstaan worden, dat Hij veertig dagen en veertig nachten in de woestijn bleef, gedurende welke dagen namelijk Hij vastte. Als er nu gezegd wordt: en Hij werd door de duivel bekoord, dan moet dat verstaan worden: ná deze dagen, en niet: gedurende die veertig dagen en veertig nachten, en wel, omdat Mattheus zegt, dat "toen Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, Hij daarna honger voelde», waarin de verleider een aanleiding vond om naar Hem toe te komen. Zoodat dan wat er volgt op de woorden van Marcus: en de engelen bedienden Hem, consecutief moet genomen worden, wat bewezen wordt uit wat Mattheus zegt (4, 11): "Toen verliet de duivel Hem, namelijk, na de bekoring, en zie, de engelen naderden, en dienden Hem". Wat Marcus er echter tusschen voegt: "Hij vertoefde onder de wilde dieren", staat er bij, volgens Chrysostomus (Verklaring van Marcus, 1, 12, 13; 1° B.) om aan te geven wat voor een woestijn het was: dat ze namelijk ontoegankelijk was voor mensen en vol dieren. Volgens de verklaring van Beda echter (op Marcus, 1, 13; 1° B.) wordt de Heer veertig dagen en veertig nachten lang bekoord. Maar dat moet niet verstaan worden van die zichtbare bekoringen, welke Mattheus en Lucas verhalen, en welke plaats hebben gehad na het vasten, maar van sommige andere aanvechtingen, welke Christus misschien wel tijdens het vasten van de duivel heeft te verduren gehad.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Volgens Ambrosius (Verklaring van Lucas, 4, 13; 4° B.) verliet de duivel Christus voor een tijd, omdat hij later teruggekomen is, niet om Hem te bekoren, maar om openlijk te strijden, namelijk tijdens zijn lijden. — Maar toch schijnt het wel, dat hij Christus door die aanvechtingen bekoord heeft tot droefheid en haat tegen de naasten; zoals hij het in de woestijn heeft gedaan tot gulzig genot en verachting van God door afgoderij.
B: (Acts 1:1) [b:Acts 1:1] (1Cor 9:27) [b:1Cor 9:27]
3e Weerlegging. Volgens Ambrosius (Verklaring van Lucas, 4, 13; 4° B.) verliet de duivel Christus voor een tijd, omdat hij later teruggekomen is, niet om Hem te bekoren, maar om openlijk te strijden, namelijk tijdens zijn lijden. — Maar toch schijnt het wel, dat hij Christus door die aanvechtingen bekoord heeft tot droefheid en haat tegen de naasten; zoals hij het in de woestijn heeft gedaan tot gulzig genot en verachting van God door afgoderij.
B: (Acts 1:1) [b:Acts 1:1] (1Cor 9:27) [b:1Cor 9:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Is de wijze en de volgorde der bekoringen wel goed geweest?
IIIa q. 41 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de wijze en volgorde der bekoringen geen goede is geweest. De duivel bekoort immers tot zonde. Maar als Christus zijn lichamelijke honger verholpen zou hebben, met stenen in brood te veranderen, dan zou Hij niet gezondigd hebben: zoals Hij evenmin gezondigd heeft, toen Hij brood vermenigvuldigde, wat geen minder groot wonder was, om het hongerige volk te hulp te komen. Dus schijnt het wel, dat dat geen bekoring geweest is.
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de wijze en volgorde der bekoringen geen goede is geweest. De duivel bekoort immers tot zonde. Maar als Christus zijn lichamelijke honger verholpen zou hebben, met stenen in brood te veranderen, dan zou Hij niet gezondigd hebben: zoals Hij evenmin gezondigd heeft, toen Hij brood vermenigvuldigde, wat geen minder groot wonder was, om het hongerige volk te hulp te komen. Dus schijnt het wel, dat dat geen bekoring geweest is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Iemand, die een ander tot iets wil overhalen, doet verkeerd, met het tegendeel van wat hij bedoelt, aan te raden. Maar met Christus op het dakterras van de Tempel te plaatsen, bedoelde de duivel Hem tot hoogmoed of ijdele glorie te verleiden. Dus deed hij verkeerd, met Hem over te halen, zich naar beneden te werpen: wat het tegenovergestelde is van hoogmoed of ijdele glorie, die altijd omhoog zoeken te komen.
Vervolgens. Iemand, die een ander tot iets wil overhalen, doet verkeerd, met het tegendeel van wat hij bedoelt, aan te raden. Maar met Christus op het dakterras van de Tempel te plaatsen, bedoelde de duivel Hem tot hoogmoed of ijdele glorie te verleiden. Dus deed hij verkeerd, met Hem over te halen, zich naar beneden te werpen: wat het tegenovergestelde is van hoogmoed of ijdele glorie, die altijd omhoog zoeken te komen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Eén bekoring behoort over één zonde te gaan. Maar bij de bekoring op de berg, haalde hij tot twee zonden over: begeerte namelijk en afgoderij. De wijze van bekoren schijnt dus niet goed geweest te zijn.
Vervolgens. Eén bekoring behoort over één zonde te gaan. Maar bij de bekoring op de berg, haalde hij tot twee zonden over: begeerte namelijk en afgoderij. De wijze van bekoren schijnt dus niet goed geweest te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 arg. 4
Vervolgens. De bekoringen zijn gericht op de zonden. Maar er zijn zeven hoofdzonden zoals in het tweede deel gezegd is (I-II, 84' Kw., 4' Art.). De duivel echter bekoorde slechts tot drie zonden, en wel tot gulzigheid, ijdelheid en begeerlijkheid. De bekoring was dus niet volledig.
R: Ia-IIae q. 84 a. 4[t:ia-iiae q. 84 a. 4]
Vervolgens. De bekoringen zijn gericht op de zonden. Maar er zijn zeven hoofdzonden zoals in het tweede deel gezegd is (I-II, 84' Kw., 4' Art.). De duivel echter bekoorde slechts tot drie zonden, en wel tot gulzigheid, ijdelheid en begeerlijkheid. De bekoring was dus niet volledig.
R: Ia-IIae q. 84 a. 4[t:ia-iiae q. 84 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 arg. 5
Vervolgens. Na de overwinning op alle ondeugden, blijft de mens nog de bekoring tot hoogmoed of ijdele glorie, daar de hoogmoed zelfs de goede werken belaagt, om er dode werken van te maken, zoals Augustinus zegt in zijn Regel. Mattheus doet dus niet goed, met de bekoring tot begeerlijkheid op de berg het laatst te plaatsen, en als middelste die tot ijdele glorie in de Tempel: te meer, daar Lucas ze andersom plaatst.
Vervolgens. Na de overwinning op alle ondeugden, blijft de mens nog de bekoring tot hoogmoed of ijdele glorie, daar de hoogmoed zelfs de goede werken belaagt, om er dode werken van te maken, zoals Augustinus zegt in zijn Regel. Mattheus doet dus niet goed, met de bekoring tot begeerlijkheid op de berg het laatst te plaatsen, en als middelste die tot ijdele glorie in de Tempel: te meer, daar Lucas ze andersom plaatst.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 arg. 6
Vervolgens. Hieronymus zegt in zijn Verklaring van Mattheus (4, 4; 2° B.), dat het in Christus voornemen gelegen heeft, de duivel door nederigheid en niet door kracht te overwinnen. Dus had Hij hem niet moeten verdrijven, met hem gebiedend te bestraffen: "Ga heen, Satan".
B: (Matt 4:4) [b:Matt 4:4]
Vervolgens. Hieronymus zegt in zijn Verklaring van Mattheus (4, 4; 2° B.), dat het in Christus voornemen gelegen heeft, de duivel door nederigheid en niet door kracht te overwinnen. Dus had Hij hem niet moeten verdrijven, met hem gebiedend te bestraffen: "Ga heen, Satan".
B: (Matt 4:4) [b:Matt 4:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 arg. 7
Vervolgens. Het schijnt wel, dat het Evangelieverhaal een onwaarheid bevat. Want het schijnt niet mogelijk te zijn, dat Christus, zonder door anderen gezien te worden, op het dakterras van de Tempel had geplaatst kunnen worden. En er is ook geen enkele berg te vinden, zo hoog, dat men daar vandaan de hele wereld kan overzien, zodat van daar aan Christus alle rijken der wereld hadden kunnen getoond worden. De bekoring van Christus staat dus niet goed beschreven.
Vervolgens. Het schijnt wel, dat het Evangelieverhaal een onwaarheid bevat. Want het schijnt niet mogelijk te zijn, dat Christus, zonder door anderen gezien te worden, op het dakterras van de Tempel had geplaatst kunnen worden. En er is ook geen enkele berg te vinden, zo hoog, dat men daar vandaan de hele wereld kan overzien, zodat van daar aan Christus alle rijken der wereld hadden kunnen getoond worden. De bekoring van Christus staat dus niet goed beschreven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter het gezag der Schrift.
Daartegenover staat echter het gezag der Schrift.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 co.
Mijn antwoord. De bekoring, die van de vijand afkomt, geschiedt bij wijze van influistering, zoals Gregorius zegt (16e Homelie op het Evangelie). Maar nu kan iets niet aan allen op dezelfde wijze ingegeven worden, maar aan eenieder wordt iets ingeblazen van datgene, waarvoor hij neiging gevoelt. En daarom behoort de duivel de geestelijken mens niet aanstonds tot zware zonden, maar langzaam aan begint hij met de lichtere, om hem daarna tot zwaardere te brengen. Vandaar zegt Gregorius in het 31e boek van de Zedelkundige Verhandelingen waar hij het woord van Job uitlegt (39, 25): "Van verre ruikt het de strijd, de aanwakkering der legeraanvoerders en het gehuil van het leger". — "Het is zo juist wat gezegd wordt, dat de legeroversten aanwakkeren en het leger huilt. Want de eerste slechte gewoonten, dringen zich, als onder een zeker voorwendsel, aan de teleurgestelde geest op: maar de ontelbaar vele die volgen, brengen hem, als door een beestachtig gehuil, in de war, terwijl ze hem naar allerlei dwaasheid heen sleuren". En ditzelfde heeft de duivel in acht genomen, toen hij de eerste mens bekoorde. Want eerst verleidde hij de geest van de eerste mens, tot het eten van de verboden boom, zeggende (Genesis, 3, 1): "Waarom heeft God u geboden, dat ge niet zoudt eten van al de bomen van het paradijs?" Daarna tot ijdele glorie, toen hij zeide: "Uw oogen zullen opengaan". En op de derde plaats voerde hij de bekoring op tot de uiterste hoogmoed, toen hij zeide: "Gij zult zijn als goden, kennende goed en kwaad". En deze orde heeft hij ook in acht genomen bij Christus. Want eerst bekoorde hij Hem daarin, wat zelfs de grootste onder de geestelijke mannen begeren: nl. in de instandhouding van de lichamelijke natuur door voedsel. Daarna ging hij over tot datgene, waarin geestelijke mannen soms te kort schieten, dat ze nl. iets doen om gezien te worden. En op de derde plaats kwam, dat hij de bekoring opvoerde tot dat, wat geen geestelijke mannen meer doen, maar wel vleselijke en dat is, dat ze de rijkdommen en de eer der wereld begeren, tot Godsverachting toe. En daarom zeide hij bij de twee eerste bekoringen: indien Gij de Zoon Gods zijt; wat hij niet meer deed bij de derde, daar deze bij geestelijke mannen, die door aanneming zonen Gods zijn, niet te pas kan komen, zoals wèl de twee eersten. Christus verzette zich echter tegen die bekoringen, door de getuigenissen der wet en niet door macht en kracht, "om daardoor zoowel de mens meer te verheerlijken, als de tegenstander zwaarder te straffen, daar nu de vijand van het mensdom, niet als door God, maar als door de mens werd overwonnen", zoals Paus Leo zegt (1e Preek Over de Vastentijd, 3e H.).
B: (Job 39:25) [b:Job 39:25]
Mijn antwoord. De bekoring, die van de vijand afkomt, geschiedt bij wijze van influistering, zoals Gregorius zegt (16e Homelie op het Evangelie). Maar nu kan iets niet aan allen op dezelfde wijze ingegeven worden, maar aan eenieder wordt iets ingeblazen van datgene, waarvoor hij neiging gevoelt. En daarom behoort de duivel de geestelijken mens niet aanstonds tot zware zonden, maar langzaam aan begint hij met de lichtere, om hem daarna tot zwaardere te brengen. Vandaar zegt Gregorius in het 31e boek van de Zedelkundige Verhandelingen waar hij het woord van Job uitlegt (39, 25): "Van verre ruikt het de strijd, de aanwakkering der legeraanvoerders en het gehuil van het leger". — "Het is zo juist wat gezegd wordt, dat de legeroversten aanwakkeren en het leger huilt. Want de eerste slechte gewoonten, dringen zich, als onder een zeker voorwendsel, aan de teleurgestelde geest op: maar de ontelbaar vele die volgen, brengen hem, als door een beestachtig gehuil, in de war, terwijl ze hem naar allerlei dwaasheid heen sleuren". En ditzelfde heeft de duivel in acht genomen, toen hij de eerste mens bekoorde. Want eerst verleidde hij de geest van de eerste mens, tot het eten van de verboden boom, zeggende (Genesis, 3, 1): "Waarom heeft God u geboden, dat ge niet zoudt eten van al de bomen van het paradijs?" Daarna tot ijdele glorie, toen hij zeide: "Uw oogen zullen opengaan". En op de derde plaats voerde hij de bekoring op tot de uiterste hoogmoed, toen hij zeide: "Gij zult zijn als goden, kennende goed en kwaad". En deze orde heeft hij ook in acht genomen bij Christus. Want eerst bekoorde hij Hem daarin, wat zelfs de grootste onder de geestelijke mannen begeren: nl. in de instandhouding van de lichamelijke natuur door voedsel. Daarna ging hij over tot datgene, waarin geestelijke mannen soms te kort schieten, dat ze nl. iets doen om gezien te worden. En op de derde plaats kwam, dat hij de bekoring opvoerde tot dat, wat geen geestelijke mannen meer doen, maar wel vleselijke en dat is, dat ze de rijkdommen en de eer der wereld begeren, tot Godsverachting toe. En daarom zeide hij bij de twee eerste bekoringen: indien Gij de Zoon Gods zijt; wat hij niet meer deed bij de derde, daar deze bij geestelijke mannen, die door aanneming zonen Gods zijn, niet te pas kan komen, zoals wèl de twee eersten. Christus verzette zich echter tegen die bekoringen, door de getuigenissen der wet en niet door macht en kracht, "om daardoor zoowel de mens meer te verheerlijken, als de tegenstander zwaarder te straffen, daar nu de vijand van het mensdom, niet als door God, maar als door de mens werd overwonnen", zoals Paus Leo zegt (1e Preek Over de Vastentijd, 3e H.).
B: (Job 39:25) [b:Job 39:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Gebruiken wat nodig is voor het levensonderhoud, is geen zonde van gulzigheid: maar als de mens uit verlangen naar dit levensonderhoud iets ongeregelds doet, dat kan tot de ondeugd van gulzigheid horen. Het is echter iets ongeregelds, dat iemand, waar hij zijn toevlucht kan nemen tot menselijke hulpmiddelen, zich alleen maar voor de instandhouding van zijn lichaam, op een wonderdadige wijze voedsel wil verschaffen. Vandaar dan ook, dat de Heer aan de kinderen Israëls in de woestijn door een wonder manna verstrekte, waar op een andere manier geen voedsel kon verkregen worden (Exodus, 16). En evenzo spijzigde Christus de scharen in de woestijn op een wonderdadige wijze, daar er anders geen voedsel had kunnen verkregen worden. Maar Christus had zich om zijn honger te stillen ook wel op een andere manier eten kunnen verschaffen, dan door wonderen te doen: zoals ook Joannes de Doper deed, gelijk te lezen staat bij Mattheus (3, 4); of ook met naar de naastbijgelegen plaatsen toe te gaan. En daarom meende de duivel, dat Christus zou zondigen, als Hij, voor het geval Hij alleen maar mens was, het zou wagen wonderen te doen, om zijn honger te stillen.
B: (Gen 3:1) [b:Gen 3:1]
1e Weerlegging. Gebruiken wat nodig is voor het levensonderhoud, is geen zonde van gulzigheid: maar als de mens uit verlangen naar dit levensonderhoud iets ongeregelds doet, dat kan tot de ondeugd van gulzigheid horen. Het is echter iets ongeregelds, dat iemand, waar hij zijn toevlucht kan nemen tot menselijke hulpmiddelen, zich alleen maar voor de instandhouding van zijn lichaam, op een wonderdadige wijze voedsel wil verschaffen. Vandaar dan ook, dat de Heer aan de kinderen Israëls in de woestijn door een wonder manna verstrekte, waar op een andere manier geen voedsel kon verkregen worden (Exodus, 16). En evenzo spijzigde Christus de scharen in de woestijn op een wonderdadige wijze, daar er anders geen voedsel had kunnen verkregen worden. Maar Christus had zich om zijn honger te stillen ook wel op een andere manier eten kunnen verschaffen, dan door wonderen te doen: zoals ook Joannes de Doper deed, gelijk te lezen staat bij Mattheus (3, 4); of ook met naar de naastbijgelegen plaatsen toe te gaan. En daarom meende de duivel, dat Christus zou zondigen, als Hij, voor het geval Hij alleen maar mens was, het zou wagen wonderen te doen, om zijn honger te stillen.
B: (Gen 3:1) [b:Gen 3:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Iemand zoekt heel dikwijls door zich uitwendig te vernederen de glorie die hem in het geestelijke zal verheffen. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Over de bergrede des Heren (2e B., 12e H.): "Het verdient de aandacht, dat er niet alleen praalzucht kan gelegen liggen in de glans en de luister der dingen van het lichaam, maar ook zelfs in vuile kleren». En om dit aan te duiden, overreedde de duivel Christus zich, ten einde geestelijke glorie te zoeken, lichamelijk naar beneden te werpen.
2e Weerlegging. Iemand zoekt heel dikwijls door zich uitwendig te vernederen de glorie die hem in het geestelijke zal verheffen. Vandaar zegt Augustinus in zijn werk Over de bergrede des Heren (2e B., 12e H.): "Het verdient de aandacht, dat er niet alleen praalzucht kan gelegen liggen in de glans en de luister der dingen van het lichaam, maar ook zelfs in vuile kleren». En om dit aan te duiden, overreedde de duivel Christus zich, ten einde geestelijke glorie te zoeken, lichamelijk naar beneden te werpen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De rijkdommen en de eerbewijzen der wereld zoeken is zonde, wanneer die dingen ongeregeld begeerd worden. En dit komt vooral hierin tot uiting, dat de mens, om die dingen te kunnen krijgen, iets onedels verricht. En dus was de duivel er niet tevreden mee, met te trachten (Christus) over te halen tot begeerte naar rijkdommen en eerbewijzen, maar hij trachtte Hem er toe te brengen om, ten einde die dingen te kunnen krijgen, hem te aanbidden: wat de grootste misdaad is, en (zonde) tegen God. — En hij zeide niet alleen: als Gij mij aanbidt, maar hij voegde er aan toe: zo Gij neervalt; omdat, zoals Ambrosius zegt (in zijn Verklaring van Lucas, 4, 5; 4° B.) "het gevaarlijke van de eerzucht, in het inwendige gelegen is: want om over anderen te kunnen heersen, zal ze eerst dienen; en om geëerd te worden, buigt ze zich in onderdanigheid neer; en terwijl ze veel hoger wil komen, wordt ze geringer". En evenzo heeft hij ook bij de voorafgaande bekoringen getracht, van de ene begeerte tot de andere te brengen. Zo trachtte hij van de begeerte naar spijs over te halen tot ijdelheid van nl. zonder reden wonderen te doen; en van de begeerte naar glorie trachtte hij (Hem) er toe te brengen God op de proef te stellen, met zich naar beneden te werpen.
3e Weerlegging. De rijkdommen en de eerbewijzen der wereld zoeken is zonde, wanneer die dingen ongeregeld begeerd worden. En dit komt vooral hierin tot uiting, dat de mens, om die dingen te kunnen krijgen, iets onedels verricht. En dus was de duivel er niet tevreden mee, met te trachten (Christus) over te halen tot begeerte naar rijkdommen en eerbewijzen, maar hij trachtte Hem er toe te brengen om, ten einde die dingen te kunnen krijgen, hem te aanbidden: wat de grootste misdaad is, en (zonde) tegen God. — En hij zeide niet alleen: als Gij mij aanbidt, maar hij voegde er aan toe: zo Gij neervalt; omdat, zoals Ambrosius zegt (in zijn Verklaring van Lucas, 4, 5; 4° B.) "het gevaarlijke van de eerzucht, in het inwendige gelegen is: want om over anderen te kunnen heersen, zal ze eerst dienen; en om geëerd te worden, buigt ze zich in onderdanigheid neer; en terwijl ze veel hoger wil komen, wordt ze geringer". En evenzo heeft hij ook bij de voorafgaande bekoringen getracht, van de ene begeerte tot de andere te brengen. Zo trachtte hij van de begeerte naar spijs over te halen tot ijdelheid van nl. zonder reden wonderen te doen; en van de begeerte naar glorie trachtte hij (Hem) er toe te brengen God op de proef te stellen, met zich naar beneden te werpen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Ambrosius (t. a. p. Lucas, 4, 13): "De Schrift zou niet gezegd hebben, dat de duivel van Hem heenging, nadat alle bekoringen waren uit geput, als niet in die drie opgenoemden het voorwerp gevonden wordt van alle zonden. Want de oorzaken der bekoringen zijn de oorzaken der begeerten: en wel de lust des vleses, de hoop op glorie en de zucht naar macht".
4e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Ambrosius (t. a. p. Lucas, 4, 13): "De Schrift zou niet gezegd hebben, dat de duivel van Hem heenging, nadat alle bekoringen waren uit geput, als niet in die drie opgenoemden het voorwerp gevonden wordt van alle zonden. Want de oorzaken der bekoringen zijn de oorzaken der begeerten: en wel de lust des vleses, de hoop op glorie en de zucht naar macht".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 ad 5
Ad quintum Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit het boek *Over de Overeenstemming der Evangelien* (2e B., 16e H.): "Het is niet zeker, wat het eerst heeft plaats gehad: of Hem eerst de koninkrijken der aarde getoond zijn, en Hij daarna op het dakterras van de Tempel is geplaatst geworden; ofwel dit het eerst en daarna het andere. Maar het doet niets ter zake, want het is wel duidelijk, dat dit alles geschied is". Het schijnt echter, dat de Evangelisten er een verschillende volgorde op na gehouden hebben, omdat men somtijds van ijdele glorie tot begeerlijkheid komt, dan weer andersom.
B: (Luke 4:5) [b:Luke 4:5]
Ad quintum Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit het boek *Over de Overeenstemming der Evangelien* (2e B., 16e H.): "Het is niet zeker, wat het eerst heeft plaats gehad: of Hem eerst de koninkrijken der aarde getoond zijn, en Hij daarna op het dakterras van de Tempel is geplaatst geworden; ofwel dit het eerst en daarna het andere. Maar het doet niets ter zake, want het is wel duidelijk, dat dit alles geschied is". Het schijnt echter, dat de Evangelisten er een verschillende volgorde op na gehouden hebben, omdat men somtijds van ijdele glorie tot begeerlijkheid komt, dan weer andersom.
B: (Luke 4:5) [b:Luke 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 ad 6
Ad sextum Toen Christus, doordat de duivel tegen Hem zei: "Indien Gij Gods Zoon zijt, werp U dan naar beneden", het onrecht, dat in die bekoring gelegen was, ondergaan had, ontstelde Hij niet en viel evenmin tegen de duivel uit. Maar toen de duivel zich wederrechtelijk Goddelijke eer aanmatigde, toen Hij zei: "Dit alles zal ik U geven, zo Gij neer valt en mij aanbidt", werd Hij verbitterd en verdreef hem, zeggende: "Ga heen, Satan!", opdat wij, door zijn voorbeeld zouden leren, het onrecht, dat ons aangedaan wordt, grootmoedig te verdragen, maar het onrecht, dat God aangedaan wordt, zelfs niet te willen horen.
Ad sextum Toen Christus, doordat de duivel tegen Hem zei: "Indien Gij Gods Zoon zijt, werp U dan naar beneden", het onrecht, dat in die bekoring gelegen was, ondergaan had, ontstelde Hij niet en viel evenmin tegen de duivel uit. Maar toen de duivel zich wederrechtelijk Goddelijke eer aanmatigde, toen Hij zei: "Dit alles zal ik U geven, zo Gij neer valt en mij aanbidt", werd Hij verbitterd en verdreef hem, zeggende: "Ga heen, Satan!", opdat wij, door zijn voorbeeld zouden leren, het onrecht, dat ons aangedaan wordt, grootmoedig te verdragen, maar het onrecht, dat God aangedaan wordt, zelfs niet te willen horen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 41 a. 4 ad 7
Ad septimum Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus: "De duivel nam Christus zo mee (naar het dakterras van de Tempel) dat Hij door allen gezien zou worden; Hij echter bewerkte het zo, dat hij zonder dat de duivel het wist, door niemand gezien werd". Wat hij nu zegt: "Hij toonde Hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid", moet niet zó verstaan worden, dat Hij die rijken, steden of volkeren, het goud of het zilver, zag; maar de duivel toonde met zijn vinger Christus de streken aan waarin elk rijk of iedere stad gelegen was, en van ieder rijk beschreef hij in woorden de waardigheden en de staat". — Of zó, met Origenes: "Hij liet Hem zien, hoe hij door de verschillende ondeugden heerschappij voerde over de wereld".
B: (Luke 4:13) [b:Luke 4:13]
Ad septimum Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus: "De duivel nam Christus zo mee (naar het dakterras van de Tempel) dat Hij door allen gezien zou worden; Hij echter bewerkte het zo, dat hij zonder dat de duivel het wist, door niemand gezien werd". Wat hij nu zegt: "Hij toonde Hem alle koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid", moet niet zó verstaan worden, dat Hij die rijken, steden of volkeren, het goud of het zilver, zag; maar de duivel toonde met zijn vinger Christus de streken aan waarin elk rijk of iedere stad gelegen was, en van ieder rijk beschreef hij in woorden de waardigheden en de staat". — Of zó, met Origenes: "Hij liet Hem zien, hoe hij door de verschillende ondeugden heerschappij voerde over de wereld".
B: (Luke 4:13) [b:Luke 4:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 42: Over Christus' leer
IIIa q. 42 pr.
Vervolgens moeten we handelen over de leer van Christus. En hieromtrent stellen we ons vier vragen:
1. Had Christus alleen voor de Joden, of ook voor de heidenen moeten preken?
2. Had Christus het in zijn prediking moeten vermijden verwarring onder de Joden te stichten?
3. Had Christus in het openbaar, of in het verborgen moeten prediken?
4. Had Christus alleen in woord of ook in geschrift moeten leeraren? Over de tijd, waarin Hij begon te leeraren, is boven al gesproken, toen zijn doopsel behandeld werd (39' Kw., 3° Art.).
Vervolgens moeten we handelen over de leer van Christus. En hieromtrent stellen we ons vier vragen:
1. Had Christus alleen voor de Joden, of ook voor de heidenen moeten preken?
2. Had Christus het in zijn prediking moeten vermijden verwarring onder de Joden te stichten?
3. Had Christus in het openbaar, of in het verborgen moeten prediken?
4. Had Christus alleen in woord of ook in geschrift moeten leeraren? Over de tijd, waarin Hij begon te leeraren, is boven al gesproken, toen zijn doopsel behandeld werd (39' Kw., 3° Art.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Had Christus, niet alleen voor de Joden, maar ook voor de heidenen moeten prediken?
IIIa q. 42 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet alleen voor de Joden, maar ook voor de heidenen had moeten prediken. Bij Isaïas staat immers (49, 6): "Te gering is het, dat gij mij tot dienstknecht zijt, om de geslachten van Jacob op te wekken, en het uitwerpsel van Israël te bekeren. Zie, ik heb U gesteld tot een licht voor de heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het uiteinde der aarde". Maar Christus verschafte licht en heil door zijn leer. Dus schijnt het wel onvoldoende geweest te zijn, indien Hij alleen aan de Joden en niet aan de heidenen gepredikt heeft.
B: (Isa 49:6) [b:Isa 49:6]
R: q. 29[t:iiia q. 29]
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet alleen voor de Joden, maar ook voor de heidenen had moeten prediken. Bij Isaïas staat immers (49, 6): "Te gering is het, dat gij mij tot dienstknecht zijt, om de geslachten van Jacob op te wekken, en het uitwerpsel van Israël te bekeren. Zie, ik heb U gesteld tot een licht voor de heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het uiteinde der aarde". Maar Christus verschafte licht en heil door zijn leer. Dus schijnt het wel onvoldoende geweest te zijn, indien Hij alleen aan de Joden en niet aan de heidenen gepredikt heeft.
B: (Isa 49:6) [b:Isa 49:6]
R: q. 29[t:iiia q. 29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Er staat bij Mattheus (7, 29): "Hij leerde hen als een die gezag heeft". Maar het gezag van een leer, komt veel meer tot uiting bij het onderricht van hen, die nog in het geheel niets gehoord hebben, wat de heidenen waren: vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (15, 20): "Maar evenzeer was het mij een erezaak, nergens het Evangelie te preken, waar de naam van Christus reeds werd genoemd; om niet op de grondslagen van anderen te bouwen". Dus moest zeker Christus veeleer voor de heidenen preken dan voor de Joden.
B: (Matt 7:29) [b:Matt 7:29] (Rom 15:20) [b:Rom 15:20]
Vervolgens. Er staat bij Mattheus (7, 29): "Hij leerde hen als een die gezag heeft". Maar het gezag van een leer, komt veel meer tot uiting bij het onderricht van hen, die nog in het geheel niets gehoord hebben, wat de heidenen waren: vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (15, 20): "Maar evenzeer was het mij een erezaak, nergens het Evangelie te preken, waar de naam van Christus reeds werd genoemd; om niet op de grondslagen van anderen te bouwen". Dus moest zeker Christus veeleer voor de heidenen preken dan voor de Joden.
B: (Matt 7:29) [b:Matt 7:29] (Rom 15:20) [b:Rom 15:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Onderricht, dat aan velen gegeven wordt, is nuttiger dan wanneer het aan een persoon gegeven wordt. Maar Christus heeft enkele heidenen onderricht gegeven: zoals b.v. de Samaritaanse vrouw (Joannes, 4, 7 en vlg.), en de Chananeese (Matth., 15, 22 en vlg.). Dus schijnt het wel, dat Christus in veel sterkere mate, aan een menigte van heidenen had moeten preken.
B: (Matt 15) [b:Matt 15] (John 4) [b:John 4]
Vervolgens. Onderricht, dat aan velen gegeven wordt, is nuttiger dan wanneer het aan een persoon gegeven wordt. Maar Christus heeft enkele heidenen onderricht gegeven: zoals b.v. de Samaritaanse vrouw (Joannes, 4, 7 en vlg.), en de Chananeese (Matth., 15, 22 en vlg.). Dus schijnt het wel, dat Christus in veel sterkere mate, aan een menigte van heidenen had moeten preken.
B: (Matt 15) [b:Matt 15] (John 4) [b:John 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Mattheus zegt (15, 24): "Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden". Maar in de Brief aan de Romeinen wordt gezegd (10, 15): "En hoe zal men preken, als men niet gezonden is?" Dus behoorde Christus niet tot de heidenen te preken.
B: (Matt 15:24) [b:Matt 15:24] (Rom 10:15) [b:Rom 10:15]
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Mattheus zegt (15, 24): "Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden". Maar in de Brief aan de Romeinen wordt gezegd (10, 15): "En hoe zal men preken, als men niet gezonden is?" Dus behoorde Christus niet tot de heidenen te preken.
B: (Matt 15:24) [b:Matt 15:24] (Rom 10:15) [b:Rom 10:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 1 co.
Mijn antwoord. Het was passend, dat de leer van Christus, zowel door Hem zelf, als ook door de Apostelen, in het begin alleen aan de Joden voorgesteld werd. En wel ten eerste, om aan te tonen dat door zijn komst de beloften vervuld werden, welke oudtijds aan de Joden gegeven waren, en niet aan de heidenen. Vandaar zegt de Apostel, in zijn Brief aan de Romeinen (15, 8): "Ik bedoel, dat Christus de Bedienaar der besnijdenis is geworden", d. i. Apostel en verkondiger der Joden, "opdat Gods getrouwheid zou blijken, en de beloften aan de Vaders zouden worden vervuld". Ten tweede, om aan te tonen, dat zijn komst van God was. Want "wat van God komt, geschiedt met orde", zoals in de Brief aan de Romeinen gezegd wordt (13, 1). De goede orde nu vorderde, dat de leer van Christus het eerst zou worden voorgesteld aan de Joden, die God het meest nabij stonden door hun geloof in en verering van de ene God, en dat ze door hen overgedragen zou worden aan de heidenen: zoals ook in het hemelrijk door de hogere engelen aan de lagere de goddelijke verlichtingen toekomen. Vandaar zegt Hieronymus op de tekst van Mattheus (15, 24): "Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden". — "Hij wil daar niet mee zeggen, dat Hij niet tot de heidenen gezonden is, maar dat Hij eerst tot Israël gezonden is". Vandaar zegt dan ook Isaïas (66, 19): "Uit de verlosten, d. i. uit de Joden, zal Ik er zenden naar de heidenen, en zij zullen Mijn glorie de volkeren verkondigen". Ten derde, om aan de Joden stof tot laster te ontnemen. Vandaar zegt Hieronymus op de tekst van Mattheus (10, 5): "Slaat niet de weg naar de heidenen in". — "Christus' komst moest eerst verkondigd worden aan de Joden, opdat ze geen rechtmatige verontschuldiging zouden hebben, zeggende dat God hen daarom verworpen had, omdat Hij de Apostelen naar de heidenen en Samaritanen gezonden had". Ten vierde, omdat Christus door de overwinning des kruises de macht en het gezag over de heidenen verdiend heeft. Vandaar staat er in het Boek der Openbaring (2, 26, 28): "Wie overwint, hem zal Ik macht over de heidenen geven: zoals Ik dit ook van mijn Vader ontving". En in de Brief aan de Philippenzen (2, 8 vlg.): staat geschreven, dat omdat Hij gehoorzaam is geworden tot aan de dood des kruises, God Hem daarom heeft verheven, opdat in de naam van Jesus iedere knie zich zou buigen, en iedere tong Hem zou belijden. En daarom wilde Hij vóór zijn lijden niet preeken tot de heidenen: maar na zijn lijden zeide Hij tot de leerlingen (Mattheus, 28, 19): "Gaat en onderwijst alle volkeren". Daarom ook gaf Christus, toen, zoals bij Joannes te lezen staat (12, 20, vlg.) enkele heidenen Hem vlak voor zijn lijden wilden zien, ten antwoord: "Zo de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze alleen; maar zo ze sterft, brengt ze rijke vruchten voort". En, zoals Augustinus zegt (51e Traktaat op het Evangelie van Joannes) noemde Hij zich zelf een graankorrel, die sterven moest door de ongetrouwheid der Joden, en zich zou vermenigvuldigen door het geloof der volkeren.
B: (Rom 15:8) [b:Rom 15:8]
Mijn antwoord. Het was passend, dat de leer van Christus, zowel door Hem zelf, als ook door de Apostelen, in het begin alleen aan de Joden voorgesteld werd. En wel ten eerste, om aan te tonen dat door zijn komst de beloften vervuld werden, welke oudtijds aan de Joden gegeven waren, en niet aan de heidenen. Vandaar zegt de Apostel, in zijn Brief aan de Romeinen (15, 8): "Ik bedoel, dat Christus de Bedienaar der besnijdenis is geworden", d. i. Apostel en verkondiger der Joden, "opdat Gods getrouwheid zou blijken, en de beloften aan de Vaders zouden worden vervuld". Ten tweede, om aan te tonen, dat zijn komst van God was. Want "wat van God komt, geschiedt met orde", zoals in de Brief aan de Romeinen gezegd wordt (13, 1). De goede orde nu vorderde, dat de leer van Christus het eerst zou worden voorgesteld aan de Joden, die God het meest nabij stonden door hun geloof in en verering van de ene God, en dat ze door hen overgedragen zou worden aan de heidenen: zoals ook in het hemelrijk door de hogere engelen aan de lagere de goddelijke verlichtingen toekomen. Vandaar zegt Hieronymus op de tekst van Mattheus (15, 24): "Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden". — "Hij wil daar niet mee zeggen, dat Hij niet tot de heidenen gezonden is, maar dat Hij eerst tot Israël gezonden is". Vandaar zegt dan ook Isaïas (66, 19): "Uit de verlosten, d. i. uit de Joden, zal Ik er zenden naar de heidenen, en zij zullen Mijn glorie de volkeren verkondigen". Ten derde, om aan de Joden stof tot laster te ontnemen. Vandaar zegt Hieronymus op de tekst van Mattheus (10, 5): "Slaat niet de weg naar de heidenen in". — "Christus' komst moest eerst verkondigd worden aan de Joden, opdat ze geen rechtmatige verontschuldiging zouden hebben, zeggende dat God hen daarom verworpen had, omdat Hij de Apostelen naar de heidenen en Samaritanen gezonden had". Ten vierde, omdat Christus door de overwinning des kruises de macht en het gezag over de heidenen verdiend heeft. Vandaar staat er in het Boek der Openbaring (2, 26, 28): "Wie overwint, hem zal Ik macht over de heidenen geven: zoals Ik dit ook van mijn Vader ontving". En in de Brief aan de Philippenzen (2, 8 vlg.): staat geschreven, dat omdat Hij gehoorzaam is geworden tot aan de dood des kruises, God Hem daarom heeft verheven, opdat in de naam van Jesus iedere knie zich zou buigen, en iedere tong Hem zou belijden. En daarom wilde Hij vóór zijn lijden niet preeken tot de heidenen: maar na zijn lijden zeide Hij tot de leerlingen (Mattheus, 28, 19): "Gaat en onderwijst alle volkeren". Daarom ook gaf Christus, toen, zoals bij Joannes te lezen staat (12, 20, vlg.) enkele heidenen Hem vlak voor zijn lijden wilden zien, ten antwoord: "Zo de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze alleen; maar zo ze sterft, brengt ze rijke vruchten voort". En, zoals Augustinus zegt (51e Traktaat op het Evangelie van Joannes) noemde Hij zich zelf een graankorrel, die sterven moest door de ongetrouwheid der Joden, en zich zou vermenigvuldigen door het geloof der volkeren.
B: (Rom 15:8) [b:Rom 15:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Christus was tot een licht en tot heil voor de heidenen door zijn leerlingen, die Hij uitgezonden heeft, om te preken aan de heidenen.
B: (Isa 66:19) [b:Isa 66:19] (Matt 15:24) [b:Matt 15:24] (Rom 13:1) [b:Rom 13:1]
1e Weerlegging. Christus was tot een licht en tot heil voor de heidenen door zijn leerlingen, die Hij uitgezonden heeft, om te preken aan de heidenen.
B: (Isa 66:19) [b:Isa 66:19] (Matt 15:24) [b:Matt 15:24] (Rom 13:1) [b:Rom 13:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Iets door anderen doen en niet door zichzelf, dat is geen teken van kleinere maar van grootere macht. En dus blijkt hieruit het sterkst de goddelijke macht in Christus, dat Hij aan het onderricht zijner leerlingen zulk een kracht geschonken heeft, dat de heidenen, die niets over Christus gehoord hadden, zich tot Hem bekeerden. Het leergezag van Christus blijkt echter uit de volgende kenmerken: zijn wonderen, waarmee Hij zijn leer bevestigde; de overredingskracht; de autoriteit waarmee Hij sprak, omdat Hij sprak als iemand die boven de wet staat, met te zeggen: "Maar Ik zeg u" (Mattheus, 5, 22, 28, enz.); en ook nog uit de deugd van rechtschapenheid, welke Hij in zijn levenswijze ten toon spreidde, door zonder zonden te leven.
B: (Matt 10:5) [b:Matt 10:5]
2e Weerlegging. Iets door anderen doen en niet door zichzelf, dat is geen teken van kleinere maar van grootere macht. En dus blijkt hieruit het sterkst de goddelijke macht in Christus, dat Hij aan het onderricht zijner leerlingen zulk een kracht geschonken heeft, dat de heidenen, die niets over Christus gehoord hadden, zich tot Hem bekeerden. Het leergezag van Christus blijkt echter uit de volgende kenmerken: zijn wonderen, waarmee Hij zijn leer bevestigde; de overredingskracht; de autoriteit waarmee Hij sprak, omdat Hij sprak als iemand die boven de wet staat, met te zeggen: "Maar Ik zeg u" (Mattheus, 5, 22, 28, enz.); en ook nog uit de deugd van rechtschapenheid, welke Hij in zijn levenswijze ten toon spreidde, door zonder zonden te leven.
B: (Matt 10:5) [b:Matt 10:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Evenmin als Christus in het begin zonder onderscheid te maken, ook aan de heidenen zijn leer moest mededelen, opdat het zou kunnen blijken dat Hij zich bijzonder aan de Joden, als aan het eerstgeboren volk, toegewijd had; zo behoorde Hij evenmin ook de heidenen geheel van zich af te stoten, opdat de hoop op behoud hun niet afgesneden zou worden. En daarom zijn enkele heidenen in het bijzonder toegelaten, om de verhevenheid van hun geloof en toewijding.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19] (John 12:20, John 12:20-25) [b:John 12:20] (Phil 2:8-11) [b:Phil 2:8-11] (Rev 2:26) [b:Rev 2:26] (Rev 2:28) [b:Rev 2:28]
3e Weerlegging. Evenmin als Christus in het begin zonder onderscheid te maken, ook aan de heidenen zijn leer moest mededelen, opdat het zou kunnen blijken dat Hij zich bijzonder aan de Joden, als aan het eerstgeboren volk, toegewijd had; zo behoorde Hij evenmin ook de heidenen geheel van zich af te stoten, opdat de hoop op behoud hun niet afgesneden zou worden. En daarom zijn enkele heidenen in het bijzonder toegelaten, om de verhevenheid van hun geloof en toewijding.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19] (John 12:20, John 12:20-25) [b:John 12:20] (Phil 2:8-11) [b:Phil 2:8-11] (Rev 2:26) [b:Rev 2:26] (Rev 2:28) [b:Rev 2:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Had Christus voor de Joden moeten preken, zonder hen aanstoot te geven?
IIIa q. 42 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus voor de Joden had moeten preken zonder hen aanstoot te geven. Augustinus zegt immers, in zijn Werk *Over de Strijd van de Christen* (11e H.): "In de mens Jezus Christus heeft de Zoon Gods zich ons ten voorbeeld gesteld". Maar wij moeten het vermijden iemand aanstoot te geven, niet alleen de gelovigen, maar ook de ongelovigen, volgens het woord uit de *Eerste Brief aan de Korinthiërs* (10, 32): "Geeft geen aanstoot aan Joden of heidenen, noch aan de Kerk van God". Het schijnt dus wel, dat ook Christus in zijn leer had moeten vermijden, de Joden aanstoot te geven.
B: (1Cor 10:32) [b:1Cor 10:32]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus voor de Joden had moeten preken zonder hen aanstoot te geven. Augustinus zegt immers, in zijn Werk *Over de Strijd van de Christen* (11e H.): "In de mens Jezus Christus heeft de Zoon Gods zich ons ten voorbeeld gesteld". Maar wij moeten het vermijden iemand aanstoot te geven, niet alleen de gelovigen, maar ook de ongelovigen, volgens het woord uit de *Eerste Brief aan de Korinthiërs* (10, 32): "Geeft geen aanstoot aan Joden of heidenen, noch aan de Kerk van God". Het schijnt dus wel, dat ook Christus in zijn leer had moeten vermijden, de Joden aanstoot te geven.
B: (1Cor 10:32) [b:1Cor 10:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Geen wijs mens moet iets doen, wat het gevolg van zijn werk zou kunnen verhinderen. Maar doordat Christus met zijn leer de Joden in opschudding gebracht heeft, werd het resultaat van zijn leer belemmerd: want bij Lucas (11, 53, 54) staat, dat toen de Heer de Farizeën en schriftgeleerden terecht wees, "zij Hem heftig begonnen aan te vallen, en Hem allerlei strikvragen te stellen; ze loerden er op, uit zijn mond iets op te vangen, om Hem te beschuldigen". Het schijnt dus niet passend geweest te zijn, dat Hij hen met zijn leer beleedigde.
B: (Luke 11:53) [b:Luke 11:53] (Luke 11:54) [b:Luke 11:54]
Vervolgens. Geen wijs mens moet iets doen, wat het gevolg van zijn werk zou kunnen verhinderen. Maar doordat Christus met zijn leer de Joden in opschudding gebracht heeft, werd het resultaat van zijn leer belemmerd: want bij Lucas (11, 53, 54) staat, dat toen de Heer de Farizeën en schriftgeleerden terecht wees, "zij Hem heftig begonnen aan te vallen, en Hem allerlei strikvragen te stellen; ze loerden er op, uit zijn mond iets op te vangen, om Hem te beschuldigen". Het schijnt dus niet passend geweest te zijn, dat Hij hen met zijn leer beleedigde.
B: (Luke 11:53) [b:Luke 11:53] (Luke 11:54) [b:Luke 11:54]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De Apostel zegt, in zijn Eerste Brief aan Timotheüs (5, 1): "Ge moet niet hard optreden tegen een bejaarde man, maar hem vermanen als een vader". Maar de priesters en oversten der Joden waren de oudsten van dat volk. Dus hadden ze niet met harde smaadwoorden moeten aangeklaagd worden.
B: (1Tim 5:1) [b:1Tim 5:1]
Vervolgens. De Apostel zegt, in zijn Eerste Brief aan Timotheüs (5, 1): "Ge moet niet hard optreden tegen een bejaarde man, maar hem vermanen als een vader". Maar de priesters en oversten der Joden waren de oudsten van dat volk. Dus hadden ze niet met harde smaadwoorden moeten aangeklaagd worden.
B: (1Tim 5:1) [b:1Tim 5:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat aan Isaïas voorzegd was (8, 14), dat Christus tot een steen des aanstoots zou zijn, en tot een rots van ergernis voor de twee huizen van Israël.
B: (Isa 8:14) [b:Isa 8:14]
Daartegenover staat echter, dat aan Isaïas voorzegd was (8, 14), dat Christus tot een steen des aanstoots zou zijn, en tot een rots van ergernis voor de twee huizen van Israël.
B: (Isa 8:14) [b:Isa 8:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 2 co.
Mijn antwoord. Aan het heil ener gemeenschap moet de voorkeur gegeven boven de vrede van sommige particuliere personen. Wanneer dus sommigen door hun slechtheid een beletsel vormen voor het welzijn ener gemeenschap, dan mogen de predikant en de leeraar niet bang zijn hen aanstoot te geven, ten einde voor het welzijn van de gemeenschap te kunnen zorgen. De Schriftgeleerden en Farizeën echter, en de oversten der Joden waren door hun slechtheid een groot beletsel voor het welzijn van het volk; te meer, daar zij door hun slecht gedrag het volksleven bedierven. En daarom leerde de Heer, niettegenstaande zij er aanstoot aan namen, openlijk de waarheid, die ze haatten, en laakte Hij hun ondeugden. En daarom staat er bij Mattheus (15, 12, 14), dat, toen de leerlingen aan de Heer zeiden: "Weet Gij, dat de Farizeën bij het horen van dit woord zich hebben geërgerd?", Hij ten antwoord gaf: "Laat hen begaan; ze zijn blinde leiders van blinden; maar als de ene blinde de andere leidt, vallen ze allebei in de kuil".
B: (Matt 15:12) [b:Matt 15:12] (Matt 15:14) [b:Matt 15:14]
Mijn antwoord. Aan het heil ener gemeenschap moet de voorkeur gegeven boven de vrede van sommige particuliere personen. Wanneer dus sommigen door hun slechtheid een beletsel vormen voor het welzijn ener gemeenschap, dan mogen de predikant en de leeraar niet bang zijn hen aanstoot te geven, ten einde voor het welzijn van de gemeenschap te kunnen zorgen. De Schriftgeleerden en Farizeën echter, en de oversten der Joden waren door hun slechtheid een groot beletsel voor het welzijn van het volk; te meer, daar zij door hun slecht gedrag het volksleven bedierven. En daarom leerde de Heer, niettegenstaande zij er aanstoot aan namen, openlijk de waarheid, die ze haatten, en laakte Hij hun ondeugden. En daarom staat er bij Mattheus (15, 12, 14), dat, toen de leerlingen aan de Heer zeiden: "Weet Gij, dat de Farizeën bij het horen van dit woord zich hebben geërgerd?", Hij ten antwoord gaf: "Laat hen begaan; ze zijn blinde leiders van blinden; maar als de ene blinde de andere leidt, vallen ze allebei in de kuil".
B: (Matt 15:12) [b:Matt 15:12] (Matt 15:14) [b:Matt 15:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Dat geen mens iemand aanstoot mag geven, moet zo verstaan worden dat hij voor niemand door een minder rechtzinnige daad of een minder rechtzinnig woord, een aanleiding mag worden voor zijn ondergang. "Indien echter ergernis een gevolg is van de waarheid, dan moet veeleer de ergernis verdragen worden, dan dat de waarheid vermeden wordt", zegt Gregorius (7e Homelie op Ezechiel).
1e Weerlegging. Dat geen mens iemand aanstoot mag geven, moet zo verstaan worden dat hij voor niemand door een minder rechtzinnige daad of een minder rechtzinnig woord, een aanleiding mag worden voor zijn ondergang. "Indien echter ergernis een gevolg is van de waarheid, dan moet veeleer de ergernis verdragen worden, dan dat de waarheid vermeden wordt", zegt Gregorius (7e Homelie op Ezechiel).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Doordat Christus in het openbaar de schriftgeleerden en Farizeeën laakte, verhinderde Hij de uitwerking van zijn leer niet, maar bevorderde ze veeleer. Want daar hun ondeugden aan het volk bekend werden, werd het minder om de woorden der schriftgeleerden en Farizeeën, die zich steeds tegen Christus’ leer verzetten, van Christus afgekeerd.
2e Weerlegging. Doordat Christus in het openbaar de schriftgeleerden en Farizeeën laakte, verhinderde Hij de uitwerking van zijn leer niet, maar bevorderde ze veeleer. Want daar hun ondeugden aan het volk bekend werden, werd het minder om de woorden der schriftgeleerden en Farizeeën, die zich steeds tegen Christus’ leer verzetten, van Christus afgekeerd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Dit woord des Apostels moet verstaan worden van die oude lieden die niet alleen oud zijn in leeftijd of gezag, maar ook in deugd, volgens de woorden uit het Boek der Getallen (11, 16): "Verzamel Mij zeventig mannen uit de ouden van Israël, van wie gij weet, dat het oudsten des volks zijn". Als ze echter het gezag, dat de ouderdom hun geeft, maken tot een instrument van slechtheid, door in het openbaar te zondigen, dan moet er openlijk en streng tegen hen opgetreden worden: zoals ook Daniël zei (Daniël, 13, 52): "Gij oude booswicht! enz.".
B: (Num 11:16) [b:Num 11:16] (Dan 13:52) [b:Dan 13:52]
3e Weerlegging. Dit woord des Apostels moet verstaan worden van die oude lieden die niet alleen oud zijn in leeftijd of gezag, maar ook in deugd, volgens de woorden uit het Boek der Getallen (11, 16): "Verzamel Mij zeventig mannen uit de ouden van Israël, van wie gij weet, dat het oudsten des volks zijn". Als ze echter het gezag, dat de ouderdom hun geeft, maken tot een instrument van slechtheid, door in het openbaar te zondigen, dan moet er openlijk en streng tegen hen opgetreden worden: zoals ook Daniël zei (Daniël, 13, 52): "Gij oude booswicht! enz.".
B: (Num 11:16) [b:Num 11:16] (Dan 13:52) [b:Dan 13:52]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Had Christus alles in het openbaar moeten leren?
IIIa q. 42 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus niet alles in het openbaar had moeten leren. Er staat immers te lezen, dat Hij veel aan zijn leerlingen apart gezegd heeft, zoals blijkt uit de Avondmaalrede. Vandaar zegt ook Mattheus (10, 27): "Wat ge in de binnenkamer gehoord hebt, zal op de daken verkondigd worden". Hij heeft dus niet alles in het openbaar geleerd.
B: (Matt 10:27) [b:Matt 10:27] (Luke 12:3) [b:Luke 12:3]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus niet alles in het openbaar had moeten leren. Er staat immers te lezen, dat Hij veel aan zijn leerlingen apart gezegd heeft, zoals blijkt uit de Avondmaalrede. Vandaar zegt ook Mattheus (10, 27): "Wat ge in de binnenkamer gehoord hebt, zal op de daken verkondigd worden". Hij heeft dus niet alles in het openbaar geleerd.
B: (Matt 10:27) [b:Matt 10:27] (Luke 12:3) [b:Luke 12:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De diepten der wijsheid moeten alleen aan volmaakten uitgelegd worden, volgens de woorden uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (2, 6): "Wij preeken wijsheid onder de volmaakten". Maar Christus’ leer behelsde de diepste wijsheid. Dus behoorde ze niet medegedeeld te worden aan de onvolmaakte menigte.
B: (1Cor 2:6) [b:1Cor 2:6]
Vervolgens. De diepten der wijsheid moeten alleen aan volmaakten uitgelegd worden, volgens de woorden uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs (2, 6): "Wij preeken wijsheid onder de volmaakten". Maar Christus’ leer behelsde de diepste wijsheid. Dus behoorde ze niet medegedeeld te worden aan de onvolmaakte menigte.
B: (1Cor 2:6) [b:1Cor 2:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Een waarheid met stilzwijgendheid omhullen is hetzelfde als ze omhullen met duistere woorden. Maar Christus verborg de waarheid, welke Hij preekte, in duistere woorden, daar “Hij hen niet zonder gelijkenissen toesprak”, zoals Mattheus zegt (13, 34). Dus had zij om dezelfde reden verborgen kunnen worden in stilzwijgen.
B: (Matt 13:34) [b:Matt 13:34]
Vervolgens. Een waarheid met stilzwijgendheid omhullen is hetzelfde als ze omhullen met duistere woorden. Maar Christus verborg de waarheid, welke Hij preekte, in duistere woorden, daar “Hij hen niet zonder gelijkenissen toesprak”, zoals Mattheus zegt (13, 34). Dus had zij om dezelfde reden verborgen kunnen worden in stilzwijgen.
B: (Matt 13:34) [b:Matt 13:34]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Hij zelf zegt (Joannes, 18, 20): "Nooit heb Ik iets in het geheim gezegd".
B: (John 18:20) [b:John 18:20]
Daartegenover staat echter, wat Hij zelf zegt (Joannes, 18, 20): "Nooit heb Ik iets in het geheim gezegd".
B: (John 18:20) [b:John 18:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 3 co.
Mijn antwoord. Op drie manieren kan iemands leer verborgen zijn. Eerstens wat de bedoeling van de leeraar betreft, wanneer hij niet de bedoeling heeft, zijn leer niet aan velen openbaar te maken, maar veeleer te verbergen. Wat op twee manieren kan geschieden. Soms uit afgunst van de leeraar, die door zijn wetenschap wil uitblinken, en daarom zijn wetenschap niet aan anderen wil meedelen. Wat niet het geval is geweest bij Christus, over wiens persoon in het Boek der Wijsheid (7, 13) geschreven staat: "Met oprechtheid leerde ik haar kennen en met mildheid deel ik haar mede; ik verberg haar rijkdom niet". — Soms echter gebeurt zo iets, om de slechtheid van wat geleerd wordt, zoals Augustinus zegt in zijn 96e Verhandeling over Joannes, dat sommige dingen zo slecht zijn, dat het eergevoel van geen mens het verdragen kan. Vandaar wordt er van de leer der ketters gezegd in het Boek der Spreuken (9, 17): "Gestolen wateren zijn de zoetste". Christus' leer echter heeft niets te maken met dwaling noch met onzuivere bedoeling. (Ie Brief aan de Thess., 2, 3). Vandaar zegt de Heer bij Marcus (4, 21): "Haalt men soms de lamp d. i. de ware en zuivere leer, om ze onder de korenmaat te zetten?" Een andere manier, waarop een leer in het verborgen kan zijn, is, omdat ze aan weinigen wordt voorgesteld. En ook zo heeft Christus niets in het verborgen geleerd, omdat Hij al zijn leer, ofwel aan het hele volk voorstelde, ofwel aan al zijn leerlingen samen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 113° Verhandeling over Joannes: "Spreekt er soms iemand in het verborgen wanneer hij in het bijzijn van zoveel mensen spreekt? Vooral wanneer hij aan weinigen zegt, wat hij door hen aan velen wil doen bekend maken? Op de derde manier kan een leer om de wijze van leren in het verborgen zijn. En zo opgevat sprak Christus sommige dingen in het verborgen tot het volk, wanneer Hij namelijk parabels gebruikte om geestelijke geheimen aan te kondigen, daar ze nog niet geschikt of waardig waren om het te begrijpen. En toch was het voor hen beter, dat ze die geestelijke leer zo, verborgen in parabels, hoorden, dan dat ze er geheel van verstoken bleven. Aan zijn leerlingen legde de Heer echter de waarheid van die parabels open en bloot, en door hen zou ze dan tot de anderen komen, die er geschikt voor waren, volgens het woord uit de Tweede Brief aan Timotheus (2, 2): "Wat ge van mij onder vele getuigen gehoord hebt, draagt dat aan betrouwbare mannen over, die geschikt zijn ook anderen te onderrichten". En dit werd voorbeduid in het Boek der Getallen, waar het bevel gegeven wordt dat de zonen van Aaron de vaten van het heiligdom moeten bedekken, welke de Levieten bedekt moeten dragen.
B: (Prov 9:17) [b:Prov 9:17] (Mark 4:21) [b:Mark 4:21] (John 16:12) [b:John 16:12] (1Thess 2:3) [b:1Thess 2:3] (Wis 7:13) [b:Wis 7:13]
Mijn antwoord. Op drie manieren kan iemands leer verborgen zijn. Eerstens wat de bedoeling van de leeraar betreft, wanneer hij niet de bedoeling heeft, zijn leer niet aan velen openbaar te maken, maar veeleer te verbergen. Wat op twee manieren kan geschieden. Soms uit afgunst van de leeraar, die door zijn wetenschap wil uitblinken, en daarom zijn wetenschap niet aan anderen wil meedelen. Wat niet het geval is geweest bij Christus, over wiens persoon in het Boek der Wijsheid (7, 13) geschreven staat: "Met oprechtheid leerde ik haar kennen en met mildheid deel ik haar mede; ik verberg haar rijkdom niet". — Soms echter gebeurt zo iets, om de slechtheid van wat geleerd wordt, zoals Augustinus zegt in zijn 96e Verhandeling over Joannes, dat sommige dingen zo slecht zijn, dat het eergevoel van geen mens het verdragen kan. Vandaar wordt er van de leer der ketters gezegd in het Boek der Spreuken (9, 17): "Gestolen wateren zijn de zoetste". Christus' leer echter heeft niets te maken met dwaling noch met onzuivere bedoeling. (Ie Brief aan de Thess., 2, 3). Vandaar zegt de Heer bij Marcus (4, 21): "Haalt men soms de lamp d. i. de ware en zuivere leer, om ze onder de korenmaat te zetten?" Een andere manier, waarop een leer in het verborgen kan zijn, is, omdat ze aan weinigen wordt voorgesteld. En ook zo heeft Christus niets in het verborgen geleerd, omdat Hij al zijn leer, ofwel aan het hele volk voorstelde, ofwel aan al zijn leerlingen samen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 113° Verhandeling over Joannes: "Spreekt er soms iemand in het verborgen wanneer hij in het bijzijn van zoveel mensen spreekt? Vooral wanneer hij aan weinigen zegt, wat hij door hen aan velen wil doen bekend maken? Op de derde manier kan een leer om de wijze van leren in het verborgen zijn. En zo opgevat sprak Christus sommige dingen in het verborgen tot het volk, wanneer Hij namelijk parabels gebruikte om geestelijke geheimen aan te kondigen, daar ze nog niet geschikt of waardig waren om het te begrijpen. En toch was het voor hen beter, dat ze die geestelijke leer zo, verborgen in parabels, hoorden, dan dat ze er geheel van verstoken bleven. Aan zijn leerlingen legde de Heer echter de waarheid van die parabels open en bloot, en door hen zou ze dan tot de anderen komen, die er geschikt voor waren, volgens het woord uit de Tweede Brief aan Timotheus (2, 2): "Wat ge van mij onder vele getuigen gehoord hebt, draagt dat aan betrouwbare mannen over, die geschikt zijn ook anderen te onderrichten". En dit werd voorbeduid in het Boek der Getallen, waar het bevel gegeven wordt dat de zonen van Aaron de vaten van het heiligdom moeten bedekken, welke de Levieten bedekt moeten dragen.
B: (Prov 9:17) [b:Prov 9:17] (Mark 4:21) [b:Mark 4:21] (John 16:12) [b:John 16:12] (1Thess 2:3) [b:1Thess 2:3] (Wis 7:13) [b:Wis 7:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Hierop is te antwoorden, met de woorden uit de commentaar welke Hilarius geeft op de woorden, welke in de bedenking aangevoerd worden: "Wij lezen niet, dat de Heer de gewoonte had ’s nachts redevoeringen uit te spreken, noch dat Hij zijn leer in de duisternis verkondigd heeft: maar Hij drukt zich zo uit, omdat al zijn redevoeringen voor vleselijke mensen als duisternis zijn, en zijn woord voor ongelovigen als nacht. Wat derhalve door Hem gezegd is, moet onder de ongelovigen gesproken worden met de vrijheid van het geloof en de belijdenis". Of men zou kunnen zeggen, zoals Hieronymus doet, dat Hij hier vergelijkenderwijs spreekt, omdat Hij hen namelijk onderrichtte in een kleine plaats van Judea, klein in vergelijking met de gehele wereld, waarin de leer van Christus door de prediking der apostelen openlijk moest bekendgemaakt worden.
B: (John 18:20) [b:John 18:20]
1e Weerlegging. Hierop is te antwoorden, met de woorden uit de commentaar welke Hilarius geeft op de woorden, welke in de bedenking aangevoerd worden: "Wij lezen niet, dat de Heer de gewoonte had ’s nachts redevoeringen uit te spreken, noch dat Hij zijn leer in de duisternis verkondigd heeft: maar Hij drukt zich zo uit, omdat al zijn redevoeringen voor vleselijke mensen als duisternis zijn, en zijn woord voor ongelovigen als nacht. Wat derhalve door Hem gezegd is, moet onder de ongelovigen gesproken worden met de vrijheid van het geloof en de belijdenis". Of men zou kunnen zeggen, zoals Hieronymus doet, dat Hij hier vergelijkenderwijs spreekt, omdat Hij hen namelijk onderrichtte in een kleine plaats van Judea, klein in vergelijking met de gehele wereld, waarin de leer van Christus door de prediking der apostelen openlijk moest bekendgemaakt worden.
B: (John 18:20) [b:John 18:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De Heer heeft niet al de diepten van zijn wijsheid door zijn leer bekend gemaakt, niet alleen niet aan de scharen, maar zelfs niet aan de Apostelen, tot wie Hij zei (Joannes, 16, 12): "Nog veel meer heb Ik u te zeggen, doch ge kunt het thans niet dragen". Wat Hij echter van zijn wijsheid aan anderen waardig achtte mede te delen, dat heeft Hij hen niet in het verborgen, maar in het openbaar voorgesteld: ook al werd het dan niet door allen begrepen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 113e Verhandeling over Joannes: "Wat Christus gezegd heeft "Openlijk heb Ik tot de wereld gesproken", moet verstaan worden alsof Hij gezegd had "Velen hebben Mij gehoord". En van de andere kant was het weer niet in het openbaar, omdat ze het niet begrepen hadden".
B: (Num 4) [b:Num 4] (2Tim 2:2) [b:2Tim 2:2]
2e Weerlegging. De Heer heeft niet al de diepten van zijn wijsheid door zijn leer bekend gemaakt, niet alleen niet aan de scharen, maar zelfs niet aan de Apostelen, tot wie Hij zei (Joannes, 16, 12): "Nog veel meer heb Ik u te zeggen, doch ge kunt het thans niet dragen". Wat Hij echter van zijn wijsheid aan anderen waardig achtte mede te delen, dat heeft Hij hen niet in het verborgen, maar in het openbaar voorgesteld: ook al werd het dan niet door allen begrepen. Vandaar zegt Augustinus in zijn 113e Verhandeling over Joannes: "Wat Christus gezegd heeft "Openlijk heb Ik tot de wereld gesproken", moet verstaan worden alsof Hij gezegd had "Velen hebben Mij gehoord". En van de andere kant was het weer niet in het openbaar, omdat ze het niet begrepen hadden".
B: (Num 4) [b:Num 4] (2Tim 2:2) [b:2Tim 2:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De Heer sprak tot de scharen in parabels, omdat zoals gezegd is in de Leerstelling, ze noch waardig noch in staat waren de onverbloemde waarheid te ontvangen, welke Hij aan de leerlingen uiteenzette. Wat er echter gezegd wordt, dat Hij zonder gelijkenissen niet tot hen sprak, dat slaat volgens Chrysostomus op die ene rede: want op andere plaatsen heeft Hij ook veel zonder parabels tot de scharen gezegd. — Men kan het ook uitleggen zoals Augustinus het doet in zijn werk Vraagstukken aangaande het Evangelie (volgens Mattheus, 17e B., 15e Vr.): "(dit wordt op die manier uitgedrukt) niet omdat Hij niets in eigen woorden gezegd heeft, maar omdat Hij bijna geen rede ontwikkelde, zonder er iets door een parabel in aan te duiden, ofschoon Hij er sommige dingen op de gewone manier in zei".
3e Weerlegging. De Heer sprak tot de scharen in parabels, omdat zoals gezegd is in de Leerstelling, ze noch waardig noch in staat waren de onverbloemde waarheid te ontvangen, welke Hij aan de leerlingen uiteenzette. Wat er echter gezegd wordt, dat Hij zonder gelijkenissen niet tot hen sprak, dat slaat volgens Chrysostomus op die ene rede: want op andere plaatsen heeft Hij ook veel zonder parabels tot de scharen gezegd. — Men kan het ook uitleggen zoals Augustinus het doet in zijn werk Vraagstukken aangaande het Evangelie (volgens Mattheus, 17e B., 15e Vr.): "(dit wordt op die manier uitgedrukt) niet omdat Hij niets in eigen woorden gezegd heeft, maar omdat Hij bijna geen rede ontwikkelde, zonder er iets door een parabel in aan te duiden, ofschoon Hij er sommige dingen op de gewone manier in zei".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Had Christus zijn leer op schrift moeten stellen?
IIIa q. 42 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus zijn leer op schrift had moeten stellen. Het schrift is immers uitgevonden, opdat wat geleerd wordt voortdurend in herinnering zou kunnen blijven. Maar Christus’ leer moest tot in de eeuwigheid voortduren, volgens het woord van *Lucas* (21, 33): "Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan". Dus schijnt het wel, dat Christus zijn leer op schrift had moeten stellen.
B: (Luke 21:33) [b:Luke 21:33]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus zijn leer op schrift had moeten stellen. Het schrift is immers uitgevonden, opdat wat geleerd wordt voortdurend in herinnering zou kunnen blijven. Maar Christus’ leer moest tot in de eeuwigheid voortduren, volgens het woord van *Lucas* (21, 33): "Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan". Dus schijnt het wel, dat Christus zijn leer op schrift had moeten stellen.
B: (Luke 21:33) [b:Luke 21:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De oude wet was een voorafbeelding van Christus, volgens het woord uit de *Brief aan de Hebreeën* (10, 1): "De Wet bezit slechts de schaduw der toekomstige goederen". Maar de oude Wet was door God opgeschreven, blijkens de woorden uit het *Boek van de Uittocht* (24, 12): "Ik zal U twee stenen tafelen geven, en de wet en de geboden welke Ik daarop geschreven heb". Dus schijnt het wel, dat ook Christus zijn leer had moeten schrijven.
B: (Exod 24:12) [b:Exod 24:12] (Heb 10:1) [b:Heb 10:1]
Vervolgens. De oude wet was een voorafbeelding van Christus, volgens het woord uit de *Brief aan de Hebreeën* (10, 1): "De Wet bezit slechts de schaduw der toekomstige goederen". Maar de oude Wet was door God opgeschreven, blijkens de woorden uit het *Boek van de Uittocht* (24, 12): "Ik zal U twee stenen tafelen geven, en de wet en de geboden welke Ik daarop geschreven heb". Dus schijnt het wel, dat ook Christus zijn leer had moeten schrijven.
B: (Exod 24:12) [b:Exod 24:12] (Heb 10:1) [b:Heb 10:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Omdat Christus gekomen was om te verlichten, die in duisternis zijn, en in de schaduw van de dood zijn gezeten (Lucas, 1, 79) was het zijn taak iedere aanleiding tot dwalen weg te nemen, en de weg des geloofs open te stellen. Maar dit zou Hij gedaan hebben, als Hij zijn leer had opgeschreven. Want Augustinus zegt in het 1e boek Over de Overeenstemming der Evangelien (7e H.) dat het een nogal voorkomend verschijnsel is, dat sommigen verontrust worden door het feit, dat de Heer zelf niets geschreven heeft, zodat het nodig is geloof te slaan aan anderen, die over Hem schrijven. Want zo iets missen wel vooral die heidenen, die het niet wagen Christus te beschuldigen en te lasteren en Hem de verhevenste wijsheid toeschrijven, maar toch als aan een mens. Zij zeggen dan, dat de leerlingen Hem meer toeschrijven, dan Hij was: daar ze Hem namelijk Zoon van God noemen, en Woord Gods, waardoor alles gemaakt is". En verderop voegt hij er aan toe: "Het schijnt wel, dat ze bereid zouden geweest zijn, datgene van Hem te geloven, wat Hij over zichzelf zou geschreven hebben, en niet wat anderen van Hem op eigen gelegenheid verkondigd hebben". Het schijnt dus wel, dat Christus zelf zijn leer op schrift had moeten stellen.
B: (Luke 1:79) [b:Luke 1:79]
Vervolgens. Omdat Christus gekomen was om te verlichten, die in duisternis zijn, en in de schaduw van de dood zijn gezeten (Lucas, 1, 79) was het zijn taak iedere aanleiding tot dwalen weg te nemen, en de weg des geloofs open te stellen. Maar dit zou Hij gedaan hebben, als Hij zijn leer had opgeschreven. Want Augustinus zegt in het 1e boek Over de Overeenstemming der Evangelien (7e H.) dat het een nogal voorkomend verschijnsel is, dat sommigen verontrust worden door het feit, dat de Heer zelf niets geschreven heeft, zodat het nodig is geloof te slaan aan anderen, die over Hem schrijven. Want zo iets missen wel vooral die heidenen, die het niet wagen Christus te beschuldigen en te lasteren en Hem de verhevenste wijsheid toeschrijven, maar toch als aan een mens. Zij zeggen dan, dat de leerlingen Hem meer toeschrijven, dan Hij was: daar ze Hem namelijk Zoon van God noemen, en Woord Gods, waardoor alles gemaakt is". En verderop voegt hij er aan toe: "Het schijnt wel, dat ze bereid zouden geweest zijn, datgene van Hem te geloven, wat Hij over zichzelf zou geschreven hebben, en niet wat anderen van Hem op eigen gelegenheid verkondigd hebben". Het schijnt dus wel, dat Christus zelf zijn leer op schrift had moeten stellen.
B: (Luke 1:79) [b:Luke 1:79]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat er geen boeken voorkomen in de Canon der H. Schrift, die door Hem geschreven zijn.
Daartegenover staat echter, dat er geen boeken voorkomen in de Canon der H. Schrift, die door Hem geschreven zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 4 co.
Mijn antwoord. Het is passend geweest, dat Christus zijn leer niet opgeschreven heeft. En wel ten eerste, om zijn waardigheid. Bij de verhevenste leeraar behoort immers de verhevenste wijze van leeraren. En daarom paste bij Christus deze wijze van doen, dat Hij zijn leer in de harten van zijn toehoorders inprentte. Vandaar staat er bij Mattheus (7, 29), dat Hij leerde als een die gezag heeft. Vandaar dan ook, dat bij de heidenen Pythagoras en Socrates, die de uitstekendste leeraren waren, niets hebben willen schrijven. Het geschrevene heeft immers tot doel, een leer in de harten der toehoorders te prenten. Ten tweede, om de verhevenheid der leer van Christus, die door geen geschrift kan omvat worden: volgens het gezegde van Joannes (20, 25): "Er is nog veel meer wat Christus gedaan heeft: zo het stuk voor stuk werd beschreven dan zou zelfs de wereld dunkt me, de boeken niet kunnen bevatten, die er over te schrijven zijn". Wat volgens Augustinus niet betekent, "dat de wereld ze niet in haar ruimte kan bevatten, maar het bevattingsvermogen der lezers ze niet kan omvatten". Indien Christus echter zijn leer op schrift gesteld zou hebben, dan zouden de mensen gaan denken, dat zijn leer niet uitgaat boven wat er van opgeschreven zou staan. Ten derde, opdat in een bepaalde orde zijn leer van Hem tot allen zou komen: in zover Hij nl. zelf zijn leerlingen onmiddellijk onderrichtte, die naderhand weer anderen in woord en geschrift onderricht hebben. Indien Hij nu zelf geschreven had, dan zou zijn leer onmiddellijk tot allen gekomen zijn. Vandaar wordt er ook van de wijsheid gezegd in het Boek der Spreuken (9, 3): "dat zij hare dienstmaagden heeft uitgezonden naar de burg, om hare uitnoodiging te doen". Men moet er echter wel bij in aanmerking nemen, dat, zoals Augustinus zegt, in het 1e boek van zijn werk Over de Overeenstemming der Evangelien (9e en 10e H.) sommige heidenen gemeend hebben, dat Christus enkele boeken geschreven heeft, waarin tooverformules voorkwamen, welke Hij gebruikte als Hij wonderen deed; maar dit wordt door de christelijke leer veroordeeld. "Maar zij, die beweren dergelijke boeken van Christus gelezen te hebben, doen toch zelf die dingen, waarvoor ze dan zo in bewondering staan, dat Hij ze met die boeken deed, niet. Onder Gods toelating gaat hun dwaling zelfs zóó ver, dat ze dezelfde boeken aan Petrus en Paulus toeschrijven, alsof het er buiten op stond. En ze komen daartoe omdat ze hen op vele plaatsen samen met Christus afgebeeld hebben zien staan. Het zou dan ook niet te verwonderen zijn, als ze in hun fantasie door schilders op een dwaalspoor gebracht zijn. Want al de tijd, dat Christus in sterfelijk vlees met zijn leerlingen geleefd heeft, was Paulus nog geen leerling van Hem".
B: (Matt 7:29) [b:Matt 7:29]
Mijn antwoord. Het is passend geweest, dat Christus zijn leer niet opgeschreven heeft. En wel ten eerste, om zijn waardigheid. Bij de verhevenste leeraar behoort immers de verhevenste wijze van leeraren. En daarom paste bij Christus deze wijze van doen, dat Hij zijn leer in de harten van zijn toehoorders inprentte. Vandaar staat er bij Mattheus (7, 29), dat Hij leerde als een die gezag heeft. Vandaar dan ook, dat bij de heidenen Pythagoras en Socrates, die de uitstekendste leeraren waren, niets hebben willen schrijven. Het geschrevene heeft immers tot doel, een leer in de harten der toehoorders te prenten. Ten tweede, om de verhevenheid der leer van Christus, die door geen geschrift kan omvat worden: volgens het gezegde van Joannes (20, 25): "Er is nog veel meer wat Christus gedaan heeft: zo het stuk voor stuk werd beschreven dan zou zelfs de wereld dunkt me, de boeken niet kunnen bevatten, die er over te schrijven zijn". Wat volgens Augustinus niet betekent, "dat de wereld ze niet in haar ruimte kan bevatten, maar het bevattingsvermogen der lezers ze niet kan omvatten". Indien Christus echter zijn leer op schrift gesteld zou hebben, dan zouden de mensen gaan denken, dat zijn leer niet uitgaat boven wat er van opgeschreven zou staan. Ten derde, opdat in een bepaalde orde zijn leer van Hem tot allen zou komen: in zover Hij nl. zelf zijn leerlingen onmiddellijk onderrichtte, die naderhand weer anderen in woord en geschrift onderricht hebben. Indien Hij nu zelf geschreven had, dan zou zijn leer onmiddellijk tot allen gekomen zijn. Vandaar wordt er ook van de wijsheid gezegd in het Boek der Spreuken (9, 3): "dat zij hare dienstmaagden heeft uitgezonden naar de burg, om hare uitnoodiging te doen". Men moet er echter wel bij in aanmerking nemen, dat, zoals Augustinus zegt, in het 1e boek van zijn werk Over de Overeenstemming der Evangelien (9e en 10e H.) sommige heidenen gemeend hebben, dat Christus enkele boeken geschreven heeft, waarin tooverformules voorkwamen, welke Hij gebruikte als Hij wonderen deed; maar dit wordt door de christelijke leer veroordeeld. "Maar zij, die beweren dergelijke boeken van Christus gelezen te hebben, doen toch zelf die dingen, waarvoor ze dan zo in bewondering staan, dat Hij ze met die boeken deed, niet. Onder Gods toelating gaat hun dwaling zelfs zóó ver, dat ze dezelfde boeken aan Petrus en Paulus toeschrijven, alsof het er buiten op stond. En ze komen daartoe omdat ze hen op vele plaatsen samen met Christus afgebeeld hebben zien staan. Het zou dan ook niet te verwonderen zijn, als ze in hun fantasie door schilders op een dwaalspoor gebracht zijn. Want al de tijd, dat Christus in sterfelijk vlees met zijn leerlingen geleefd heeft, was Paulus nog geen leerling van Hem".
B: (Matt 7:29) [b:Matt 7:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit hetzelfde werk, geciteerd in de leerstelling: "Christus is het hoofd van al zijn leerlingen, omdat ze ledematen zijn van zijn lichaam. Men mag dus niet zeggen, dat Hij zelf niet geschreven heeft, nu zij hebben opgeschreven wat Hij geopenbaard en gezegd heeft. Zijn ledematen hebben dan ook datgene tot uitvoering gebracht wat zij wisten door de bevelen van het hoofd. Want alles wat Hij wilde dat wij zouden lezen omtrent zijn daden en woorden, dat droeg Hij aan hen, als aan zijn handen, op om het op te schrijven".
B: (John 21:25) [b:John 21:25]
1e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit hetzelfde werk, geciteerd in de leerstelling: "Christus is het hoofd van al zijn leerlingen, omdat ze ledematen zijn van zijn lichaam. Men mag dus niet zeggen, dat Hij zelf niet geschreven heeft, nu zij hebben opgeschreven wat Hij geopenbaard en gezegd heeft. Zijn ledematen hebben dan ook datgene tot uitvoering gebracht wat zij wisten door de bevelen van het hoofd. Want alles wat Hij wilde dat wij zouden lezen omtrent zijn daden en woorden, dat droeg Hij aan hen, als aan zijn handen, op om het op te schrijven".
B: (John 21:25) [b:John 21:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Omdat de oude wet gegeven werd in zichtbare voorstellingen, daarom was het ook passend, dat ze in zichtbare tekenen werd neergeschreven. Maar Christus’ leer, die een wet is van de Geest, een wet van leven, behoorde niet met inkt geschreven te worden, maar met de Geest van de levende God; niet op stenen tafelen, maar op de vleeslijke tafelen van het hart, zoals de Apostel zegt in zijn Tweede Brief aan de Korinthiërs (3, 3).
2e Weerlegging. Omdat de oude wet gegeven werd in zichtbare voorstellingen, daarom was het ook passend, dat ze in zichtbare tekenen werd neergeschreven. Maar Christus’ leer, die een wet is van de Geest, een wet van leven, behoorde niet met inkt geschreven te worden, maar met de Geest van de levende God; niet op stenen tafelen, maar op de vleeslijke tafelen van het hart, zoals de Apostel zegt in zijn Tweede Brief aan de Korinthiërs (3, 3).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 42 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Zij, die geen geloof willen slaan aan de geschriften der apostelen over Christus, zouden ook aan Christus zelf geen geloof geslagen hebben, van wie ze dachten, dat Hij met duivelskunsten wonderen had gedaan.
B: (Prov 9:3) [b:Prov 9:3]
3e Weerlegging. Zij, die geen geloof willen slaan aan de geschriften der apostelen over Christus, zouden ook aan Christus zelf geen geloof geslagen hebben, van wie ze dachten, dat Hij met duivelskunsten wonderen had gedaan.
B: (Prov 9:3) [b:Prov 9:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 43: Over de wonderen die door Christus verricht zijn in het algemeen
IIIa q. 43 pr.
Daarna behandelen we de wonderen welke door Christus verricht zijn. En eerst in het algemeen, vervolgens over de soorten van wonderen in het bijzonder, ten derde speciaal over zijn gedaanteverwisseling. Omtrent het eerste stellen we ons vier vragen.
1. Had Christus wel wonderen moeten verrichten?
2. Heeft Hij ze gedaan met goddelijke kracht?
3. Wanneer is Hij begonnen wonderen te doen?
4. Is door zijn wonderen zijn Godheid voldoende aangetoond?
Daarna behandelen we de wonderen welke door Christus verricht zijn. En eerst in het algemeen, vervolgens over de soorten van wonderen in het bijzonder, ten derde speciaal over zijn gedaanteverwisseling. Omtrent het eerste stellen we ons vier vragen.
1. Had Christus wel wonderen moeten verrichten?
2. Heeft Hij ze gedaan met goddelijke kracht?
3. Wanneer is Hij begonnen wonderen te doen?
4. Is door zijn wonderen zijn Godheid voldoende aangetoond?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Had Christus wel wonderen moeten doen?
IIIa q. 43 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus geen wonderen had moeten doen. Christus’ daden moesten immers met zijn woorden in overeenstemming zijn. Maar Zelf zegt Hij bij Mattheus (16, 4): "Een boos en overspelig geslacht vraagt een teken; en geen teken zal het gegeven worden, dan het teken van Jonas de profeet". Dus moest Hij geen wonderen doen.
B: (Matt 16:4) [b:Matt 16:4]
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus geen wonderen had moeten doen. Christus’ daden moesten immers met zijn woorden in overeenstemming zijn. Maar Zelf zegt Hij bij Mattheus (16, 4): "Een boos en overspelig geslacht vraagt een teken; en geen teken zal het gegeven worden, dan het teken van Jonas de profeet". Dus moest Hij geen wonderen doen.
B: (Matt 16:4) [b:Matt 16:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Gelijk Christus bij zijn tweede komst zal komen met grote macht en majesteit, zoals geschreven staat bij Mattheus (24, 30), zo kwam Hij bij zijn eerste komst in zwakheid, volgens het woord van Isaïas (53, 3): "De man van smarten, in lijden ervaren". Maar wonderen werken is meer een teken van kracht dan wel van zwakte. Dus was het niet passend, dat Hij bij zijn eerste komst wonderen deed.
B: (Isa 53:3) [b:Isa 53:3] (Matt 24:30) [b:Matt 24:30]
Vervolgens. Gelijk Christus bij zijn tweede komst zal komen met grote macht en majesteit, zoals geschreven staat bij Mattheus (24, 30), zo kwam Hij bij zijn eerste komst in zwakheid, volgens het woord van Isaïas (53, 3): "De man van smarten, in lijden ervaren". Maar wonderen werken is meer een teken van kracht dan wel van zwakte. Dus was het niet passend, dat Hij bij zijn eerste komst wonderen deed.
B: (Isa 53:3) [b:Isa 53:3] (Matt 24:30) [b:Matt 24:30]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Christus is gekomen om de mensen door het geloof zalig te maken: volgens de tekst uit de Brief aan de Hebreën (12, 2): "Het oog gevestigd op de Jesus, aanvang en einde van het geloof". Maar wonderen verminderen de verdienste van het geloof: vandaar zegt de Heer bij Johannes (4, 48): "Zo je geen tekenen en wonderen ziet, geloof je niet". Dus schijnt het wel, dat Christus geen wonderen had moeten doen.
B: (John 4:48, John 4:48) [b:John 4:48] (Heb 12:2) [b:Heb 12:2]
Vervolgens. Christus is gekomen om de mensen door het geloof zalig te maken: volgens de tekst uit de Brief aan de Hebreën (12, 2): "Het oog gevestigd op de Jesus, aanvang en einde van het geloof". Maar wonderen verminderen de verdienste van het geloof: vandaar zegt de Heer bij Johannes (4, 48): "Zo je geen tekenen en wonderen ziet, geloof je niet". Dus schijnt het wel, dat Christus geen wonderen had moeten doen.
B: (John 4:48, John 4:48) [b:John 4:48] (Heb 12:2) [b:Heb 12:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter dat de tegenstanders zeggen (Joannes, 11, 47): "Wat gedaan? Want die man doet veel wondertekens".
B: (John 11:47, John 11:47) [b:John 11:47]
Daartegenover staat echter dat de tegenstanders zeggen (Joannes, 11, 47): "Wat gedaan? Want die man doet veel wondertekens".
B: (John 11:47, John 11:47) [b:John 11:47]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 1 co.
Mijn antwoord. Van Godswege wordt het aan de mens toegestaan wonderen te doen, om twee redenen. En wel ten eerste en voornamelijk, om de waarheid te bevestigen, welke iemand leert. Omdat immers het voorwerp van het geloof, het menselijk verstand te boven gaat, is het niet te bewijzen uit menselijke inzichten, maar wel uit het bewijs van Gods kracht: en zo zal, wanneer iemand de werken doet, welke alleen God kan verrichten, datgene wat gezegd wordt, geloofd worden van God te komen; zoals ook, wanneer iemand een brief overbrengt, vergezeld met de ring des konings, geloofd wordt dat datgene wat er in staat, de wil des konings is. — Ten tweede, om aan te tonen dat God door de genade van de Heilige Geest in de mens tegenwoordig is: opdat, wanneer namelijk de mens Gods werken verricht, geloofd worde, dat God in hem door de genade woont. Vandaar wordt er gezegd in de Brief aan de Galaten (3, 5): "Hij die u de Geest verleent en wonderen onder u werkt". Wat nu Christus betreft, moesten beide dingen aan de mensen duidelijk gemaakt worden: en wel dat God in Hem was door de genade, niet die van aanneming, maar der vereniging; en dat zijn bovennatuurlijke leer van God kwam. En dus was het zeer passend, dat Hij wonderen deed. Vandaar zegt Hij zelf bij Joannes (10, 38): "Zo ge Mij niet wilt geloven, gelooft dan de werken". En Joannes (5, 36): "De werken die de Vader Mij te volbrengen gaf, de werken juist die Ik doe, zij getuigen van Mij".
Mijn antwoord. Van Godswege wordt het aan de mens toegestaan wonderen te doen, om twee redenen. En wel ten eerste en voornamelijk, om de waarheid te bevestigen, welke iemand leert. Omdat immers het voorwerp van het geloof, het menselijk verstand te boven gaat, is het niet te bewijzen uit menselijke inzichten, maar wel uit het bewijs van Gods kracht: en zo zal, wanneer iemand de werken doet, welke alleen God kan verrichten, datgene wat gezegd wordt, geloofd worden van God te komen; zoals ook, wanneer iemand een brief overbrengt, vergezeld met de ring des konings, geloofd wordt dat datgene wat er in staat, de wil des konings is. — Ten tweede, om aan te tonen dat God door de genade van de Heilige Geest in de mens tegenwoordig is: opdat, wanneer namelijk de mens Gods werken verricht, geloofd worde, dat God in hem door de genade woont. Vandaar wordt er gezegd in de Brief aan de Galaten (3, 5): "Hij die u de Geest verleent en wonderen onder u werkt". Wat nu Christus betreft, moesten beide dingen aan de mensen duidelijk gemaakt worden: en wel dat God in Hem was door de genade, niet die van aanneming, maar der vereniging; en dat zijn bovennatuurlijke leer van God kwam. En dus was het zeer passend, dat Hij wonderen deed. Vandaar zegt Hij zelf bij Joannes (10, 38): "Zo ge Mij niet wilt geloven, gelooft dan de werken". En Joannes (5, 36): "De werken die de Vader Mij te volbrengen gaf, de werken juist die Ik doe, zij getuigen van Mij".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Die tekst: "Geen teken zal het gegeven worden, dan het teken van Jonas de Profeet", moet, zoals Chrysostomus zegt, zóó verstaan worden, dat zij toen niet het teken ontvingen waarom ze vroegen, nl. (een teken) uit de hemel: niet, dat Hij hun in het geheel geen teken gaf. — Of zóó, dat Hij tekenen deed, niet om hen, van wie Hij wist dat ze van steen waren, maar ten einde anderen te verbeteren. En daarom dus werden die tekenen niet aan hen gegeven, maar aan anderen.
B: (Gal 3:5) [b:Gal 3:5]
1e Weerlegging. Die tekst: "Geen teken zal het gegeven worden, dan het teken van Jonas de Profeet", moet, zoals Chrysostomus zegt, zóó verstaan worden, dat zij toen niet het teken ontvingen waarom ze vroegen, nl. (een teken) uit de hemel: niet, dat Hij hun in het geheel geen teken gaf. — Of zóó, dat Hij tekenen deed, niet om hen, van wie Hij wist dat ze van steen waren, maar ten einde anderen te verbeteren. En daarom dus werden die tekenen niet aan hen gegeven, maar aan anderen.
B: (Gal 3:5) [b:Gal 3:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Ook al kwam Christus dan in het zwakke vlees, wat blijkt uit zijn lijden, toch kwam Hij in de kracht van God. Wat juist aangetoond moest worden door de wonderen.
B: (John 5:36, John 5:36) [b:John 5:36] (John 10:38, John 10:38) [b:John 10:38]
2e Weerlegging. Ook al kwam Christus dan in het zwakke vlees, wat blijkt uit zijn lijden, toch kwam Hij in de kracht van God. Wat juist aangetoond moest worden door de wonderen.
B: (John 5:36, John 5:36) [b:John 5:36] (John 10:38, John 10:38) [b:John 10:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. In zoverre kan men zeggen, dat wonderen de verdienste van het geloof verminderen, in zoverre daardoor de hardheid tot uiting komt van hen, die niet dan door wonderen willen geloven wat bewezen wordt in Gods Schriften. En toch is het voor hen beter, dat ze dan maar door wonderen tot het geloof bekeerd worden, dan dat ze helemaal in ongeloof blijven. Want in de Eerste Brief aan de Korinthiërs staat geschreven (14, 22) dat aan de ongelovigen tekenen werden gegeven, opdat ze namelijk tot het geloof zouden bekeerd worden.
3e Weerlegging. In zoverre kan men zeggen, dat wonderen de verdienste van het geloof verminderen, in zoverre daardoor de hardheid tot uiting komt van hen, die niet dan door wonderen willen geloven wat bewezen wordt in Gods Schriften. En toch is het voor hen beter, dat ze dan maar door wonderen tot het geloof bekeerd worden, dan dat ze helemaal in ongeloof blijven. Want in de Eerste Brief aan de Korinthiërs staat geschreven (14, 22) dat aan de ongelovigen tekenen werden gegeven, opdat ze namelijk tot het geloof zouden bekeerd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Heeft Christus wonderen gedaan door goddelijke kracht?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 44 a. 3 arg. 2
IIIa q. 44 a. 3 ad 3
IIIa q. 48 a. 6 co.[t:iiia q. 44 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 44 a. 3 ad 3][t:iiia q. 48 a. 6 co.]
IIIa q. 43 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus geen wonderen heeft gedaan door goddelijke kracht. Gods kracht immers is almachtig. Het schijnt echter, dat Christus niet almachtig geweest is bij het doen van wonderen; want bij Marcus staat (6, 5), dat Hij daar namelijk in zijn vaderland geen wonder kon doen. Dus schijnt het wel, dat Hij geen wonderen deed door goddelijke kracht.
B: (Mark 6:5) [b:Mark 6:5]
IIIa q. 44 a. 3 arg. 2
IIIa q. 44 a. 3 ad 3
IIIa q. 48 a. 6 co.[t:iiia q. 44 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 44 a. 3 ad 3][t:iiia q. 48 a. 6 co.]
IIIa q. 43 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus geen wonderen heeft gedaan door goddelijke kracht. Gods kracht immers is almachtig. Het schijnt echter, dat Christus niet almachtig geweest is bij het doen van wonderen; want bij Marcus staat (6, 5), dat Hij daar namelijk in zijn vaderland geen wonder kon doen. Dus schijnt het wel, dat Hij geen wonderen deed door goddelijke kracht.
B: (Mark 6:5) [b:Mark 6:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 2 arg. 2
Vervolgens. God bidt niet. Maar Christus bad wel eens, als Hij wonderen deed, zoals blijkt bij de opwekking van Lazarus, waarover Joannes (11, 41, 42); en bij de vermenigvuldiging der broden, zoals blijkt uit Mattheus (14, 19). Dus schijnt het wel, dat Hij geen wonderen deed in goddelijke kracht.
B: (Matt 14:19) [b:Matt 14:19] (John 11:41, John 11:41) [b:John 11:41] (John 11:42, John 11:42) [b:John 11:42]
Vervolgens. God bidt niet. Maar Christus bad wel eens, als Hij wonderen deed, zoals blijkt bij de opwekking van Lazarus, waarover Joannes (11, 41, 42); en bij de vermenigvuldiging der broden, zoals blijkt uit Mattheus (14, 19). Dus schijnt het wel, dat Hij geen wonderen deed in goddelijke kracht.
B: (Matt 14:19) [b:Matt 14:19] (John 11:41, John 11:41) [b:John 11:41] (John 11:42, John 11:42) [b:John 11:42]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Wat tot stand komt door goddelijke macht, kan niet tot stand komen door kracht van een schepsel. Maar wat Christus deed kon ook gedaan worden met de kracht van een schepsel: vandaar zeiden ook de Farizeeën, dat Hij door Beëlzebub de vorst der duivels, de duivels uitdreef. (Lucas, 11, 15). Dus schijnt het wel, dat Christus geen wonderen verrichtte in goddelijke kracht.
B: (Luke 11:15) [b:Luke 11:15]
Vervolgens. Wat tot stand komt door goddelijke macht, kan niet tot stand komen door kracht van een schepsel. Maar wat Christus deed kon ook gedaan worden met de kracht van een schepsel: vandaar zeiden ook de Farizeeën, dat Hij door Beëlzebub de vorst der duivels, de duivels uitdreef. (Lucas, 11, 15). Dus schijnt het wel, dat Christus geen wonderen verrichtte in goddelijke kracht.
B: (Luke 11:15) [b:Luke 11:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt (Joannes, 14, 10): "Het is de Vader, die in Mij blijft, die zelf de werken verricht".
B: (John 14:10) [b:John 14:10]
Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt (Joannes, 14, 10): "Het is de Vader, die in Mij blijft, die zelf de werken verricht".
B: (John 14:10) [b:John 14:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (vorig Art.; vgl. 3° Art. 2° Antw.), was het lichaam van Christus bij zijn verrijzenis van dezelfde natuur, maar van hogere glorie. En wat daarom tot de natuur van het menselijk lichaam behoort, was geheel aanwezig in het lichaam van de verrijzende Christus. Het is nu duidelijk, dat tot de natuur van het menselijk lichaam behooren vlees, beenderen, bloed en dergelijke. En bijgevolg was dit alles in het lichaam van de verrijzende Christus. En wel gaaf, zonder enig tekort: anders zou de verrijzenis niet volmaakt geweest zijn als niet alles, wat door de dood gevallen was, in zijn ongeschondenheid hersteld was. Aldus belooft ook de Heer aan zijn getrouwen, zeggend bij Mattheus (10. 30): "Uw hoofdharen zijn allen geteld;" en bij Lucas (21. 18) wordt gezegd: "Geen haar zal van uw hoofd vallen." Wanneer men echter zegt, dat het lichaam geen vlees en geen beenderen en andere dergelijke delen bezeten heeft, welke behoren tot de natuur van een menselijk lichaam, vervalt men in de dwaling van Eutyches, bisschop van de stad Constantinopel, die zei, dat "ons lichaam in die glorie der verrijzenis niet tastbaar zal zijn, en fijner dan wind en lucht:" en dat de Heer, "na de harten der leerlingen, die Hem aanraakten te hebben versterkt, al datgene wat tastbaar aan Hem was, in een zekere fijnheid heeft opgelost." Dit bestrijdt Gregorius echter, aangezien het lichaam van Christus na de verrijzenis onveranderd bleef, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 9): "Christus, opstaande uit de doden, sterft niet meer." En daarom heeft hij ook zijn woorden bij zijn dood teruggetrokken. Want als het niet passend is, dat Christus bij zijn ontvangenis een lichaam van een andere natuur aannam, b. v. een hemels lichaam, zoals Valentinus dat hield, dan is het nog veel minder passend, dat Hij bij zijn verrijzen een lichaam van een andere natuur weer aannam, daar Hij bij zijn verrijzenis voor een onsterfelijk leven weer een lichaam aannam, dat Hij bij zijn ontvangenis tot een sterfelijk leven aangenomen had. Zoals in het eerste deel gezegd is (110e Kw., 4° A.) kunnen wonderen alleen door goddelijke kracht verricht worden, omdat alleen God de orde in de natuur kan veranderen, wat tot het wezen van het wonder behoort. Vandaar zegt Paus Leo in zijn Brief *Aan Flavianus* (28° Br., 4° H.) dat, wil er in Christus twee naturen zijn, een van die twee, en wel de goddelijke door wonderen schittert; de andere, namelijk de menselijke, onder mishandelingen bezwijkt; en toch werkt de een in vereniging met de andere: in zover namelijk de menselijke natuur het werktuig is der goddelijke werking, en de menselijke werking kracht ontvangt van de goddelijke natuur, zoals boven behandeld is (19° Kw., 1° A.).
R: I q. 110 a. 4[t:ia q. 110 a. 4] q. 19 a. 1[t:iiia q. 19 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (vorig Art.; vgl. 3° Art. 2° Antw.), was het lichaam van Christus bij zijn verrijzenis van dezelfde natuur, maar van hogere glorie. En wat daarom tot de natuur van het menselijk lichaam behoort, was geheel aanwezig in het lichaam van de verrijzende Christus. Het is nu duidelijk, dat tot de natuur van het menselijk lichaam behooren vlees, beenderen, bloed en dergelijke. En bijgevolg was dit alles in het lichaam van de verrijzende Christus. En wel gaaf, zonder enig tekort: anders zou de verrijzenis niet volmaakt geweest zijn als niet alles, wat door de dood gevallen was, in zijn ongeschondenheid hersteld was. Aldus belooft ook de Heer aan zijn getrouwen, zeggend bij Mattheus (10. 30): "Uw hoofdharen zijn allen geteld;" en bij Lucas (21. 18) wordt gezegd: "Geen haar zal van uw hoofd vallen." Wanneer men echter zegt, dat het lichaam geen vlees en geen beenderen en andere dergelijke delen bezeten heeft, welke behoren tot de natuur van een menselijk lichaam, vervalt men in de dwaling van Eutyches, bisschop van de stad Constantinopel, die zei, dat "ons lichaam in die glorie der verrijzenis niet tastbaar zal zijn, en fijner dan wind en lucht:" en dat de Heer, "na de harten der leerlingen, die Hem aanraakten te hebben versterkt, al datgene wat tastbaar aan Hem was, in een zekere fijnheid heeft opgelost." Dit bestrijdt Gregorius echter, aangezien het lichaam van Christus na de verrijzenis onveranderd bleef, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 9): "Christus, opstaande uit de doden, sterft niet meer." En daarom heeft hij ook zijn woorden bij zijn dood teruggetrokken. Want als het niet passend is, dat Christus bij zijn ontvangenis een lichaam van een andere natuur aannam, b. v. een hemels lichaam, zoals Valentinus dat hield, dan is het nog veel minder passend, dat Hij bij zijn verrijzen een lichaam van een andere natuur weer aannam, daar Hij bij zijn verrijzenis voor een onsterfelijk leven weer een lichaam aannam, dat Hij bij zijn ontvangenis tot een sterfelijk leven aangenomen had. Zoals in het eerste deel gezegd is (110e Kw., 4° A.) kunnen wonderen alleen door goddelijke kracht verricht worden, omdat alleen God de orde in de natuur kan veranderen, wat tot het wezen van het wonder behoort. Vandaar zegt Paus Leo in zijn Brief *Aan Flavianus* (28° Br., 4° H.) dat, wil er in Christus twee naturen zijn, een van die twee, en wel de goddelijke door wonderen schittert; de andere, namelijk de menselijke, onder mishandelingen bezwijkt; en toch werkt de een in vereniging met de andere: in zover namelijk de menselijke natuur het werktuig is der goddelijke werking, en de menselijke werking kracht ontvangt van de goddelijke natuur, zoals boven behandeld is (19° Kw., 1° A.).
R: I q. 110 a. 4[t:ia q. 110 a. 4] q. 19 a. 1[t:iiia q. 19 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Die tekst: "Hij kon daar geen een wonder doen", slaat niet op zijn almacht zonder meer, maar op wat er hier gevoeglijk kon gebeuren: want het kwam niet te pas, dat er onder ongelovigen wonderen gedaan werden. Vandaar volgt er op: "En Hij verwonderde zich over hun ongeloof". In diezelfde zin staat er in *Genesis* (18, 17): "Voor Abraham kan Ik niet verborgen houden, wat Ik ga doen". en (19, 22): "Ik zal niets kunnen uitrichten voordat gij daar binnen zult zijn getreden".
B: (Gen 18:17) [b:Gen 18:17] (Gen 19:22) [b:Gen 19:22]
1e Weerlegging. Die tekst: "Hij kon daar geen een wonder doen", slaat niet op zijn almacht zonder meer, maar op wat er hier gevoeglijk kon gebeuren: want het kwam niet te pas, dat er onder ongelovigen wonderen gedaan werden. Vandaar volgt er op: "En Hij verwonderde zich over hun ongeloof". In diezelfde zin staat er in *Genesis* (18, 17): "Voor Abraham kan Ik niet verborgen houden, wat Ik ga doen". en (19, 22): "Ik zal niets kunnen uitrichten voordat gij daar binnen zult zijn getreden".
B: (Gen 18:17) [b:Gen 18:17] (Gen 19:22) [b:Gen 19:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de uitleg welke Chrysostomus geeft aan de tekst van Mattheus (14, 19): "Na de vijf broden en de twee visschen genomen te hebben zag Hij op ten hemel en sprak de zegen uit". — "Het was noodig, dat er van Christus geloofd werd, zowel dat Hij van de Vader gekomen was, als dat Hij Hem gelijk was. En om dat nu allebei aan te tonen, verrichtte Hij nu eens zijn wonderen met macht, dan weer op gebed. En bij de kleinere zag Hij op ten hemel, zoals b. v. bij de broodvermenigvuldiging: bij de grotere echter, welke alleen God kan verrichten, handelde Hij met macht, zoals b. v. toen Hij zonden vergaf of dood en ten leven wekte". Dat Hij echter, zoals bij Joannes (11) te lezen staat, bij de opwekking van Lazarus de ogen naar boven sloeg, dat deed Hij niet, omdat Hij het nodig had te bidden, maar om ons een voorbeeld te geven. Vandaar zegt Hij: "Ik zeg het terwille van de omstaande menigte, opdat ze mogen geloven, dat U Mij gezonden hebt".
B: (Matt 14:19) [b:Matt 14:19]
2e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de uitleg welke Chrysostomus geeft aan de tekst van Mattheus (14, 19): "Na de vijf broden en de twee visschen genomen te hebben zag Hij op ten hemel en sprak de zegen uit". — "Het was noodig, dat er van Christus geloofd werd, zowel dat Hij van de Vader gekomen was, als dat Hij Hem gelijk was. En om dat nu allebei aan te tonen, verrichtte Hij nu eens zijn wonderen met macht, dan weer op gebed. En bij de kleinere zag Hij op ten hemel, zoals b. v. bij de broodvermenigvuldiging: bij de grotere echter, welke alleen God kan verrichten, handelde Hij met macht, zoals b. v. toen Hij zonden vergaf of dood en ten leven wekte". Dat Hij echter, zoals bij Joannes (11) te lezen staat, bij de opwekking van Lazarus de ogen naar boven sloeg, dat deed Hij niet, omdat Hij het nodig had te bidden, maar om ons een voorbeeld te geven. Vandaar zegt Hij: "Ik zeg het terwille van de omstaande menigte, opdat ze mogen geloven, dat U Mij gezonden hebt".
B: (Matt 14:19) [b:Matt 14:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Christus dreef op een andere manier de duivelen uit, dan ze worden uitgedreven door de kracht der duivelen. Want door de kracht der hogere duivelen worden de duivelen zó uit het lichaam verdreven, dat toch nog hun macht over de ziel blijft bestaan: want de duivel gaat niet in tegen zijn eigen rijk. Maar Christus verdreef de duivelen niet alleen uit het lichaam, maar veeleer uit de ziel. En daarom weerlegde Hij de godslastering der Joden, die zeiden, dat Hij in de kracht van de duivel de duivelen uitdreef, met er eerstens op te wijzen, dat Satan niet tegen zichzelf verdeeld kan zijn. En ten tweede door het voorbeeld van anderen, die door de Geest Gods de duivelen uitwierpen. Ten derde, dat Hij de duivel niet zou kunnen uitdrijven, als Hij hem eerst niet zelf overwonnen had, door goddelijke kracht. Ten vierde, met er op te wijzen, dat er geen enkele overeenkomst bestaat, tussen zijn werken en hun gevolgen, en die van Satan: want Satan verlangde te verstrooien wat Christus bijeenbracht.
B: (John 11:41, John 11:41) [b:John 11:41]
3e Weerlegging. Christus dreef op een andere manier de duivelen uit, dan ze worden uitgedreven door de kracht der duivelen. Want door de kracht der hogere duivelen worden de duivelen zó uit het lichaam verdreven, dat toch nog hun macht over de ziel blijft bestaan: want de duivel gaat niet in tegen zijn eigen rijk. Maar Christus verdreef de duivelen niet alleen uit het lichaam, maar veeleer uit de ziel. En daarom weerlegde Hij de godslastering der Joden, die zeiden, dat Hij in de kracht van de duivel de duivelen uitdreef, met er eerstens op te wijzen, dat Satan niet tegen zichzelf verdeeld kan zijn. En ten tweede door het voorbeeld van anderen, die door de Geest Gods de duivelen uitwierpen. Ten derde, dat Hij de duivel niet zou kunnen uitdrijven, als Hij hem eerst niet zelf overwonnen had, door goddelijke kracht. Ten vierde, met er op te wijzen, dat er geen enkele overeenkomst bestaat, tussen zijn werken en hun gevolgen, en die van Satan: want Satan verlangde te verstrooien wat Christus bijeenbracht.
B: (John 11:41, John 11:41) [b:John 11:41]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is Christus begonnen wonderen te doen, toen Hij bij de bruiloft water in wijn veranderde?
IIIa q. 43 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus niet begonnen is wonderen te doen, toen Hij bij de bruiloft water in wijn veranderde. Want in het boek *Over de Kindsheid des Zaligmakers* staat te lezen, dat Christus in zijn jeugd vele wonderen gedaan heeft. Maar het wonder der verandering van water in wijn deed Hij bij de bruiloft toen Hij dertig of eenendertig jaar oud was. Dus schijnt het wel, dat Hij niet toen is begonnen met wonderen te doen.
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus niet begonnen is wonderen te doen, toen Hij bij de bruiloft water in wijn veranderde. Want in het boek *Over de Kindsheid des Zaligmakers* staat te lezen, dat Christus in zijn jeugd vele wonderen gedaan heeft. Maar het wonder der verandering van water in wijn deed Hij bij de bruiloft toen Hij dertig of eenendertig jaar oud was. Dus schijnt het wel, dat Hij niet toen is begonnen met wonderen te doen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Christus deed wonderen met goddelijke macht. Maar de goddelijke macht was van het begin van zijn ontvangenis af al in Hem: want van dat ogenblik af was Hij God en mens. Dus schijnt het wel, dat Hij van het begin af aan wonderen gedaan heeft.
Vervolgens. Christus deed wonderen met goddelijke macht. Maar de goddelijke macht was van het begin van zijn ontvangenis af al in Hem: want van dat ogenblik af was Hij God en mens. Dus schijnt het wel, dat Hij van het begin af aan wonderen gedaan heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Christus is na zijn doopsel en beproeving begonnen leerlingen om zich heen te verzamelen, zoals te lezen staat bij Mattheus (4, 18) en Johannes (1, 35). Maar de leerlingen zijn voornamelijk naar Hem toe gekomen vanwege de wonderen: zoals Lucas zegt (5, 4), dat Hij Petrus riep toen deze stom van verbazing was om het wonder, dat Hij verricht had bij de visvangst. Dus schijnt het wel dat Hij vóór het wonder, dat Hij bij de bruiloft gedaan heeft, nog andere wonderen verricht heeft.
B: (Matt 4:18) [b:Matt 4:18] (Luke 5:4) [b:Luke 5:4] (John 1:35, John 1:35) [b:John 1:35]
Vervolgens. Christus is na zijn doopsel en beproeving begonnen leerlingen om zich heen te verzamelen, zoals te lezen staat bij Mattheus (4, 18) en Johannes (1, 35). Maar de leerlingen zijn voornamelijk naar Hem toe gekomen vanwege de wonderen: zoals Lucas zegt (5, 4), dat Hij Petrus riep toen deze stom van verbazing was om het wonder, dat Hij verricht had bij de visvangst. Dus schijnt het wel dat Hij vóór het wonder, dat Hij bij de bruiloft gedaan heeft, nog andere wonderen verricht heeft.
B: (Matt 4:18) [b:Matt 4:18] (Luke 5:4) [b:Luke 5:4] (John 1:35, John 1:35) [b:John 1:35]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Joannes zegt (2, 11): “Zo deed Jezus zijn eerste wonder te Cana van Galilea”.
B: (John 2:11) [b:John 2:11]
Daartegenover staat echter, dat Joannes zegt (2, 11): “Zo deed Jezus zijn eerste wonder te Cana van Galilea”.
B: (John 2:11) [b:John 2:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 3 co.
Mijn antwoord. De redenen waarom Christus wonderen gedaan heeft, waren dat Hij zijn leer wilde bevestigen en de goddelijke macht in Hem wilde tonen. Wat nu het eerste aangaat, moest Hij dus niet eerder wonderen doen dan toen Hij begon te leren. Hij behoorde echter niet met leeraren te beginnen vóór de volmaakte leeftijd, zoals boven gezegd is (39° Kw., 3° Art.) toen over zijn doopsel gehandeld werd. En wat het tweede betreft, moest Hij door wonderen zo zijn Godheid bewijzen, dat toch nog de waarachtigheid van zijn mensheid zou geloofd worden. En daarom zegt Chrysostomus, "begon Hij gevoelig geen wonderen te doen van zijn eerste jaar af: men zou immers gemeend hebben, dat de vleeswording maar fantasie was en nog vóór de juiste tijd zou zijn aangebroken, zouden ze Hem aan de kruisdood hebben overgeleverd".
R: q. 39 a. 3[t:iiia q. 39 a. 3]
Mijn antwoord. De redenen waarom Christus wonderen gedaan heeft, waren dat Hij zijn leer wilde bevestigen en de goddelijke macht in Hem wilde tonen. Wat nu het eerste aangaat, moest Hij dus niet eerder wonderen doen dan toen Hij begon te leren. Hij behoorde echter niet met leeraren te beginnen vóór de volmaakte leeftijd, zoals boven gezegd is (39° Kw., 3° Art.) toen over zijn doopsel gehandeld werd. En wat het tweede betreft, moest Hij door wonderen zo zijn Godheid bewijzen, dat toch nog de waarachtigheid van zijn mensheid zou geloofd worden. En daarom zegt Chrysostomus, "begon Hij gevoelig geen wonderen te doen van zijn eerste jaar af: men zou immers gemeend hebben, dat de vleeswording maar fantasie was en nog vóór de juiste tijd zou zijn aangebroken, zouden ze Hem aan de kruisdood hebben overgeleverd".
R: q. 39 a. 3[t:iiia q. 39 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (in zijn 17e Homelie) op Joannes (1, 31), naar aanleiding van het gezegde van Joannes de Doper: "Maar juist daarom kwam ik dopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken". — "Het is wel duidelijk, dat die tekenen, welke ze dan zeggen, dat door Christus in zijn jeugd verricht zijn, leugens en verzinsels zijn. Want als Christus van zijn jeugd af aan wonderen had gedaan, dan zou het uitgesloten zijn geweest, dat Joannes Hem niet had gekend, en dan zou ook de overige mensen geen leermeester nodig hebben gehad om Hem bekend te maken".
1e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (in zijn 17e Homelie) op Joannes (1, 31), naar aanleiding van het gezegde van Joannes de Doper: "Maar juist daarom kwam ik dopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken". — "Het is wel duidelijk, dat die tekenen, welke ze dan zeggen, dat door Christus in zijn jeugd verricht zijn, leugens en verzinsels zijn. Want als Christus van zijn jeugd af aan wonderen had gedaan, dan zou het uitgesloten zijn geweest, dat Joannes Hem niet had gekend, en dan zou ook de overige mensen geen leermeester nodig hebben gehad om Hem bekend te maken".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De goddelijke kracht werkte in Christus naar gelang het nodig was voor het heil der mensen, ter wille waarvan Hij het vlees had aangenomen. En daarom verrichtte Hij de wonderen, welke hij door goddelijke macht werkte, zó dat er geen beletsel kon gesteld worden voor het geloof aan de waarachtigheid van zijn lichaam.
2e Weerlegging. De goddelijke kracht werkte in Christus naar gelang het nodig was voor het heil der mensen, ter wille waarvan Hij het vlees had aangenomen. En daarom verrichtte Hij de wonderen, welke hij door goddelijke macht werkte, zó dat er geen beletsel kon gesteld worden voor het geloof aan de waarachtigheid van zijn lichaam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Het strekt juist de leerlingen tot lof, dat ze Christus gevolgd zijn ofschoon ze Hem geen wonderen hadden zien doen, zoals Gregorius zegt, in een Homelie. En, zoals Chrysostomus zegt was het vooral toen nodig dat Hij tekens verrichtte, toen de leerlingen Hem al gevolgd waren en Hem waren toegewijd en opgingen in wat er gebeurde. Vandaar staat er aan toegevoegd: "En zijn leerlingen geloofden in Hem". Niet omdat ze toen pas voor het eerst geloofden; maar omdat hun geloof toen stichter en volmaakter was. — Ofwel noemt Hij leerlingen, wat in de toekomst leerlingen zouden zijn, zoals Augustinus uitlegt in zijn werk Over de Overeenstemming der Evangelien (2° B., 17° H.).
3e Weerlegging. Het strekt juist de leerlingen tot lof, dat ze Christus gevolgd zijn ofschoon ze Hem geen wonderen hadden zien doen, zoals Gregorius zegt, in een Homelie. En, zoals Chrysostomus zegt was het vooral toen nodig dat Hij tekens verrichtte, toen de leerlingen Hem al gevolgd waren en Hem waren toegewijd en opgingen in wat er gebeurde. Vandaar staat er aan toegevoegd: "En zijn leerlingen geloofden in Hem". Niet omdat ze toen pas voor het eerst geloofden; maar omdat hun geloof toen stichter en volmaakter was. — Ofwel noemt Hij leerlingen, wat in de toekomst leerlingen zouden zijn, zoals Augustinus uitlegt in zijn werk Over de Overeenstemming der Evangelien (2° B., 17° H.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Waren de wonderen welke Christus gedaan heeft voldoende om zijn Godheid te bewijzen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 44 a. 2 co.
IIIa q. 44 a. 3 arg. 4[t:iiia q. 44 a. 2 co.][t:iiia q. 44 a. 3 arg. 4]
IIIa q. 43 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de wonderen welke Christus verricht heeft niet voldoende geweest zijn, om zijn Godheid te bewijzen. God en mens te zijn is alleen eigen aan Christus. Maar de wonderen welke Hij verricht heeft hebben ook anderen gedaan. Dus schijnt het wel, dat ze niet konden volstaan om zijn Godheid te bewijzen.
IIIa q. 44 a. 2 co.
IIIa q. 44 a. 3 arg. 4[t:iiia q. 44 a. 2 co.][t:iiia q. 44 a. 3 arg. 4]
IIIa q. 43 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de wonderen welke Christus verricht heeft niet voldoende geweest zijn, om zijn Godheid te bewijzen. God en mens te zijn is alleen eigen aan Christus. Maar de wonderen welke Hij verricht heeft hebben ook anderen gedaan. Dus schijnt het wel, dat ze niet konden volstaan om zijn Godheid te bewijzen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Niets gaat Gods kracht te boven. Maar sommigen hebben grotere wonderen gedaan dan Christus: want bij Johannes staat te lezen (14, 12): "Wie in Mij gelooft ook Hij zal de werken doen die Ik zelf verricht; en zelfs grotere zal hij doen". Het schijnt dus wel, dat de wonderen, welke Christus gedaan heeft, niet bij machte waren om zijn Godheid te bewijzen.
B: (John 14:12) [b:John 14:12]
Vervolgens. Niets gaat Gods kracht te boven. Maar sommigen hebben grotere wonderen gedaan dan Christus: want bij Johannes staat te lezen (14, 12): "Wie in Mij gelooft ook Hij zal de werken doen die Ik zelf verricht; en zelfs grotere zal hij doen". Het schijnt dus wel, dat de wonderen, welke Christus gedaan heeft, niet bij machte waren om zijn Godheid te bewijzen.
B: (John 14:12) [b:John 14:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Het algemene bewijst men niet voldoende uit het particuliere. Maar ieder wonder van Christus was een op zichzelf staand werk. Dus kon uit geen enkel ervan voldoende Christus' Godheid aangetoond worden, waaraan het eigen is een macht te bezitten, welke zich over alles uitstrekt.
Vervolgens. Het algemene bewijst men niet voldoende uit het particuliere. Maar ieder wonder van Christus was een op zichzelf staand werk. Dus kon uit geen enkel ervan voldoende Christus' Godheid aangetoond worden, waaraan het eigen is een macht te bezitten, welke zich over alles uitstrekt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt (Joannes, 5, 36): "De werken die de Vader Mij te volbrengen gaf, de werken juist die Ik doe, zij getuigen van Mij".
B: (John 5:36, John 5:36) [b:John 5:36]
Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt (Joannes, 5, 36): "De werken die de Vader Mij te volbrengen gaf, de werken juist die Ik doe, zij getuigen van Mij".
B: (John 5:36, John 5:36) [b:John 5:36]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 4 co.
Mijn antwoord. De wonderen die Christus gedaan heeft, volstaan om zijn Godheid te bewijzen, om hun drievoudig karakter. En wel ten eerste, om de eigen aard dier werken, daar ze alle kracht van een geschapen macht te boven gingen, en dus konden ze niet geschieden, dan alleen door goddelijke kracht. En vandaar zei de blinde, toen hij het licht had teruggekregen (Joannes, 9, 32, 33): "Nooit in de eeuwigheid is het gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend. Als Hij niet van God kwam, zou Hij niets kunnen doen". Ten tweede, om de wijze van wonderen doen: want Hij deed namelijk wonderen als uit eigen macht, en niet door te bidden, zoals de anderen. Vandaar zegt Lucas (6, 19) dat er een kracht van Hem uitging, die allen genas. Waardoor bewezen wordt, zoals Cyrillus zegt (in zijn Commentaar op Lucas) dat Hij de kracht niet van een ander ontving: maar omdat Hij van nature God was toonde Hij zijn eigen kracht over de zieken. En daarom deed Hij ook ontelbare wonderen. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn verklaring der woorden van Mattheus (8, 16): "En met een woord dreef Hij de geesten uit, en genas Hij alle zieken". — "Let eens op wat een grote menigte van genezenen de Evangelisten opsommen: zij verhalen wel niet iedere genezing, maar met één woord voeren ze een onnoemelijk aantal wonderen op". En hieruit werd aangetoond, dat zijn kracht die van de Vader evenaarde, volgens het woord van Joannes (5, 19): "Al wat de Vader doet, dat doet ook de Zoon eveneens»; en even verder (v. 21): "Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend al wie Hij wil". Ten derde om de leer zelf waarin Hij zei dat Hij God was: want als die leer niet waar zou geweest zijn, dan zou ze niet bevestigd zijn geworden door wonderen, door goddelijke kracht tot stand gebracht. En daarom staat er bij Marcus (1, 27): "Wat is dat voor een nieuwe leer, daar Hij met gezag de onreine geesten gebiedt en ze Hem gehoorzamen?"
B: (John 9:32, John 9:32) [b:John 9:32] (John 9:33, John 9:33) [b:John 9:33]
Mijn antwoord. De wonderen die Christus gedaan heeft, volstaan om zijn Godheid te bewijzen, om hun drievoudig karakter. En wel ten eerste, om de eigen aard dier werken, daar ze alle kracht van een geschapen macht te boven gingen, en dus konden ze niet geschieden, dan alleen door goddelijke kracht. En vandaar zei de blinde, toen hij het licht had teruggekregen (Joannes, 9, 32, 33): "Nooit in de eeuwigheid is het gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend. Als Hij niet van God kwam, zou Hij niets kunnen doen". Ten tweede, om de wijze van wonderen doen: want Hij deed namelijk wonderen als uit eigen macht, en niet door te bidden, zoals de anderen. Vandaar zegt Lucas (6, 19) dat er een kracht van Hem uitging, die allen genas. Waardoor bewezen wordt, zoals Cyrillus zegt (in zijn Commentaar op Lucas) dat Hij de kracht niet van een ander ontving: maar omdat Hij van nature God was toonde Hij zijn eigen kracht over de zieken. En daarom deed Hij ook ontelbare wonderen. Vandaar zegt Chrysostomus in zijn verklaring der woorden van Mattheus (8, 16): "En met een woord dreef Hij de geesten uit, en genas Hij alle zieken". — "Let eens op wat een grote menigte van genezenen de Evangelisten opsommen: zij verhalen wel niet iedere genezing, maar met één woord voeren ze een onnoemelijk aantal wonderen op". En hieruit werd aangetoond, dat zijn kracht die van de Vader evenaarde, volgens het woord van Joannes (5, 19): "Al wat de Vader doet, dat doet ook de Zoon eveneens»; en even verder (v. 21): "Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend al wie Hij wil". Ten derde om de leer zelf waarin Hij zei dat Hij God was: want als die leer niet waar zou geweest zijn, dan zou ze niet bevestigd zijn geworden door wonderen, door goddelijke kracht tot stand gebracht. En daarom staat er bij Marcus (1, 27): "Wat is dat voor een nieuwe leer, daar Hij met gezag de onreine geesten gebiedt en ze Hem gehoorzamen?"
B: (John 9:32, John 9:32) [b:John 9:32] (John 9:33, John 9:33) [b:John 9:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Dit was een opwerping der heidenen. Vandaar zegt Augustinus in zijn Brief Aan Volusianus (137e Br., 4e H.): "Er hebben, zo zeggen zij, geen aanwijzingen door evenredige tekenen voor zulk een majesteit geschitterd. Want die nietszeggende zuivering, waardoor Hij nl. de duivelen uitdreef, die genezing van gebrekkigen, dat leven, teruggegeven aan gestorvenen, en al die andere dingen, hebben, als men ze goed beschouwd, voor een God weinig te betekenen". En hierop antwoordt Augustinus: "Ook wij geven toe, dat de profeten ook wel van die dingen hebben gedaan. Maar én Moses juist én de overige profeten hebben de Heer Jesus voorspeld, en hebben Hem grote glorie gebracht. En daarom wilde Hij ook zelf die dingen doen, want het zou toch te dwaas zijn, als Hij zelf niet zou doen, wat Hij wèl door anderen had gedaan. Maar Hij moest toch ook iets eigens doen: geboren worden uit een Maagd, van de doden opstaan, ten hemel opklimmen. Ik zou niet weten, wat iemand, die dat andere te min voor God vindt, nog meer van Hem zou kunnen verwachten! Had Hij dan soms, na mens geworden te zijn, een andere wereld moeten maken, opdat wij zouden geloven, dat Hij het was, door wien de wereld gemaakt is? Maar hier kan toch geen grotere wereld of een zelfde gemaakt worden: en als Hij een kleinere dan deze gemaakt had, dan zou ook dàt weer voor te weinig gehouden worden". Christus heeft wel gedaan wat anderen deden, maar Hij deed het op een verhevener wijze. Vandaar zegt Augustinus op de tekst van Joannes (15, 24): "Had Ik onder hen de werken niet gedaan, die niemand anders gedaan heeft, enz." — "Onder de werken van Christus schijnt er geen een groter te zijn, dan de opwekking der doden: wat, gelijk we weten, ook de oude profeten gedaan hebben. Christus heeft echter sommige dingen gedaan, die niemand anders gedaan heeft. Maar men geeft ons ten antwoord, dat ook anderen gedaan hebben wat noch Hij, noch een ander gedaan heeft. Maar er staat toch van geen der ouden te lezen, dat ze zóóveel gebreken en ongesteldheden en kwellingen van stervelingen met zo een macht genezen hebben. Want (om er nu maar over te zwijgen, dat Hij door te bevelen de mensen één voor één genas, zoals ze aan kwamen lopen) Marcus zegt (6, 56): "En waar Hij ook kwam, in dorpen en steden of gehuchten, daar legden ze de zieken neer op de pleinen, en baden Hem, dat ze slechts de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen die Hem aanraakten, werden genezen". Dat heeft toch niemand anders in hen uitgewerkt. Zo immers moeten we het "in hen" verstaan: hij zegt niet "onder hen" of "in tegenwoordigheid van hen", maar nadrukkelijk "in hen", omdat Hij hen genas. Toch was het niet iemand anders, die in hen dergelijke werken verrichtte: want welke andere mens ook iets dergelijks deed, die deed het door zijn toedoen; maar die andere dingen verrichtte Hij zelf, zonder dat zij er toe medewerkten".
B: (Matt 8:16) [b:Matt 8:16] (Luke 6:19) [b:Luke 6:19] (John 5:19, John 5:19) [b:John 5:19] (John 5:21, John 5:21) [b:John 5:21]
1e Weerlegging. Dit was een opwerping der heidenen. Vandaar zegt Augustinus in zijn Brief Aan Volusianus (137e Br., 4e H.): "Er hebben, zo zeggen zij, geen aanwijzingen door evenredige tekenen voor zulk een majesteit geschitterd. Want die nietszeggende zuivering, waardoor Hij nl. de duivelen uitdreef, die genezing van gebrekkigen, dat leven, teruggegeven aan gestorvenen, en al die andere dingen, hebben, als men ze goed beschouwd, voor een God weinig te betekenen". En hierop antwoordt Augustinus: "Ook wij geven toe, dat de profeten ook wel van die dingen hebben gedaan. Maar én Moses juist én de overige profeten hebben de Heer Jesus voorspeld, en hebben Hem grote glorie gebracht. En daarom wilde Hij ook zelf die dingen doen, want het zou toch te dwaas zijn, als Hij zelf niet zou doen, wat Hij wèl door anderen had gedaan. Maar Hij moest toch ook iets eigens doen: geboren worden uit een Maagd, van de doden opstaan, ten hemel opklimmen. Ik zou niet weten, wat iemand, die dat andere te min voor God vindt, nog meer van Hem zou kunnen verwachten! Had Hij dan soms, na mens geworden te zijn, een andere wereld moeten maken, opdat wij zouden geloven, dat Hij het was, door wien de wereld gemaakt is? Maar hier kan toch geen grotere wereld of een zelfde gemaakt worden: en als Hij een kleinere dan deze gemaakt had, dan zou ook dàt weer voor te weinig gehouden worden". Christus heeft wel gedaan wat anderen deden, maar Hij deed het op een verhevener wijze. Vandaar zegt Augustinus op de tekst van Joannes (15, 24): "Had Ik onder hen de werken niet gedaan, die niemand anders gedaan heeft, enz." — "Onder de werken van Christus schijnt er geen een groter te zijn, dan de opwekking der doden: wat, gelijk we weten, ook de oude profeten gedaan hebben. Christus heeft echter sommige dingen gedaan, die niemand anders gedaan heeft. Maar men geeft ons ten antwoord, dat ook anderen gedaan hebben wat noch Hij, noch een ander gedaan heeft. Maar er staat toch van geen der ouden te lezen, dat ze zóóveel gebreken en ongesteldheden en kwellingen van stervelingen met zo een macht genezen hebben. Want (om er nu maar over te zwijgen, dat Hij door te bevelen de mensen één voor één genas, zoals ze aan kwamen lopen) Marcus zegt (6, 56): "En waar Hij ook kwam, in dorpen en steden of gehuchten, daar legden ze de zieken neer op de pleinen, en baden Hem, dat ze slechts de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen die Hem aanraakten, werden genezen". Dat heeft toch niemand anders in hen uitgewerkt. Zo immers moeten we het "in hen" verstaan: hij zegt niet "onder hen" of "in tegenwoordigheid van hen", maar nadrukkelijk "in hen", omdat Hij hen genas. Toch was het niet iemand anders, die in hen dergelijke werken verrichtte: want welke andere mens ook iets dergelijks deed, die deed het door zijn toedoen; maar die andere dingen verrichtte Hij zelf, zonder dat zij er toe medewerkten".
B: (Matt 8:16) [b:Matt 8:16] (Luke 6:19) [b:Luke 6:19] (John 5:19, John 5:19) [b:John 5:19] (John 5:21, John 5:21) [b:John 5:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Augustinus stelt zich, waar hij deze woorden van Joannes uitlegt, de vraag (71° Traktaat op Joannes): "Wat zijn die grotere werken, welke degenen, die in Hem zullen geloven, zullen verrichten? Misschien is dit er wel een, dat zelfs hun schaduw, waar ze voorbijgingen de zieken genas, waar ze langs kwamen? Want het is toch veel sterker, dat de schaduw geneest, dan de zoom van het kleed. Maar, toen Christus dit zei, beval hij de handelingen en werken van zijn eigen woorden aan. Want toen Hij zei: "het is de Vader die in Mij blijft, die zelf de werken verricht", op welke werken doelde Hij toen anders, dan op de woorden, die Hij sprak? En van diezelfde woorden was hun geloof de vrucht. Toen echter de leerlingen het Evangelie verkondigden, toen geloofden er niet alleen zo weinig, als zij zelf in aantal waren, maar zelfs ook de heidenen. Ging niet die rijke (jongeling) bedroefd heen, bij het horen van zijn woorden: en hebben toch niet velen naderhand, toen het door de leerlingen gezegd werd, wèl gedaan, wat die ene niet deed, ofschoon hij het nog wel van Hemzelf gehoord had? Ziet, grotere dingen heeft Hij gedaan bij de prediking van die geloofden, dan toen Hij zelf de toehoorders aansprak. En ook dit valt nog op, dat Hij die grotere werken door de Apostelen verrichtte: en toch heeft Hij hen niet alleen bedoeld, toen Hij zei: "Wie in Mij gelooft". Luistert dus: "Wie in Mij gelooft, ook hij zal de werken doen die Ik zelf verricht". Eerst zal Ik ze doen, daarna zal ook hij ze doen: want Ik doe ze, opdat hij ze zou kunnen verrichten. Welke werken? Wat anders, dan de rechtvaardigmaking van de zondaar? Wat Christus wel in hem, maar toch niet zonder hem bewerkt. En ik zou willen zeggen, dat zo iets veel groter is, dan een hemel en een aarde scheppen: "want de hemel en de aarde zullen voorbijgaan", het heil en de rechtvaardigmaking der gepraedestineerden zullen echter blijven. — Maar in de hemel zijn de werken der engelen Christus' werken. Doet soms hij, die met Christus aan zijn rechtvaardigmaking meewerkt, grotere dingen, dan die werken? Oordele wie er toe in staat is of het meer is rechtvaardigen te scheppen, dan zondaars rechtvaardig te maken. Voorzeker, als voor beide een even grote macht vereist wordt, dan is toch zeker het ene een uiting van grotere barmhartigheid. Maar om al de werken van Christus te begrijpen, waar Hij zegt "grotere dan deze zal hij doen", daartoe dwingt ons geen enkele noodzakelijkheid. Want wellicht bedoelde Hij die, welke Hij op dat ogenblik verrichtte. Toen echter, verkondigde Hij geloofs-waarheden; en inderdaad is het van minder waarde woorden van gerechtigheid te prediken, wat Hij buiten ons om deed, dan een zondaar rechtvaardig te maken, wat Hij zo in ons uitwerkt, dat wij er zelf aan medewerken".
B: (Mark 1:27) [b:Mark 1:27]
2e Weerlegging. Augustinus stelt zich, waar hij deze woorden van Joannes uitlegt, de vraag (71° Traktaat op Joannes): "Wat zijn die grotere werken, welke degenen, die in Hem zullen geloven, zullen verrichten? Misschien is dit er wel een, dat zelfs hun schaduw, waar ze voorbijgingen de zieken genas, waar ze langs kwamen? Want het is toch veel sterker, dat de schaduw geneest, dan de zoom van het kleed. Maar, toen Christus dit zei, beval hij de handelingen en werken van zijn eigen woorden aan. Want toen Hij zei: "het is de Vader die in Mij blijft, die zelf de werken verricht", op welke werken doelde Hij toen anders, dan op de woorden, die Hij sprak? En van diezelfde woorden was hun geloof de vrucht. Toen echter de leerlingen het Evangelie verkondigden, toen geloofden er niet alleen zo weinig, als zij zelf in aantal waren, maar zelfs ook de heidenen. Ging niet die rijke (jongeling) bedroefd heen, bij het horen van zijn woorden: en hebben toch niet velen naderhand, toen het door de leerlingen gezegd werd, wèl gedaan, wat die ene niet deed, ofschoon hij het nog wel van Hemzelf gehoord had? Ziet, grotere dingen heeft Hij gedaan bij de prediking van die geloofden, dan toen Hij zelf de toehoorders aansprak. En ook dit valt nog op, dat Hij die grotere werken door de Apostelen verrichtte: en toch heeft Hij hen niet alleen bedoeld, toen Hij zei: "Wie in Mij gelooft". Luistert dus: "Wie in Mij gelooft, ook hij zal de werken doen die Ik zelf verricht". Eerst zal Ik ze doen, daarna zal ook hij ze doen: want Ik doe ze, opdat hij ze zou kunnen verrichten. Welke werken? Wat anders, dan de rechtvaardigmaking van de zondaar? Wat Christus wel in hem, maar toch niet zonder hem bewerkt. En ik zou willen zeggen, dat zo iets veel groter is, dan een hemel en een aarde scheppen: "want de hemel en de aarde zullen voorbijgaan", het heil en de rechtvaardigmaking der gepraedestineerden zullen echter blijven. — Maar in de hemel zijn de werken der engelen Christus' werken. Doet soms hij, die met Christus aan zijn rechtvaardigmaking meewerkt, grotere dingen, dan die werken? Oordele wie er toe in staat is of het meer is rechtvaardigen te scheppen, dan zondaars rechtvaardig te maken. Voorzeker, als voor beide een even grote macht vereist wordt, dan is toch zeker het ene een uiting van grotere barmhartigheid. Maar om al de werken van Christus te begrijpen, waar Hij zegt "grotere dan deze zal hij doen", daartoe dwingt ons geen enkele noodzakelijkheid. Want wellicht bedoelde Hij die, welke Hij op dat ogenblik verrichtte. Toen echter, verkondigde Hij geloofs-waarheden; en inderdaad is het van minder waarde woorden van gerechtigheid te prediken, wat Hij buiten ons om deed, dan een zondaar rechtvaardig te maken, wat Hij zo in ons uitwerkt, dat wij er zelf aan medewerken".
B: (Mark 1:27) [b:Mark 1:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 43 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Wanneer een of ander bijzonder werk, iets geheel eigens is van wie het verricht, dan kan men door dat bijzondere werk de gehele kracht van de bewerker bewijzen: even goed als dat men aantonen kan, dat iemand mens is, uit het feit, dat hij redeneert met betrekking tot onverschillig welke bijzondere stelling ook. Want redeneren is iets eigens van het mens. En op gelijke wijze is, daar het alleen aan God toekomt uit eigen kracht wonderen te doen, voldoende aangetoond, dat Christus God is uit ieder wonder, dat Hij uit eigen kracht verricht heeft.
3e Weerlegging. Wanneer een of ander bijzonder werk, iets geheel eigens is van wie het verricht, dan kan men door dat bijzondere werk de gehele kracht van de bewerker bewijzen: even goed als dat men aantonen kan, dat iemand mens is, uit het feit, dat hij redeneert met betrekking tot onverschillig welke bijzondere stelling ook. Want redeneren is iets eigens van het mens. En op gelijke wijze is, daar het alleen aan God toekomt uit eigen kracht wonderen te doen, voldoende aangetoond, dat Christus God is uit ieder wonder, dat Hij uit eigen kracht verricht heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 44: Over de verschillende soorten van wonderen in het bijzonder
IIIa q. 44 pr.
Daarna moeten we de verschillende wondersoorten afzonderlijk behandelen. En wel:
1. Over de wonderen die Hij verrichtte met betrekking tot de geestelijke wezens.
2. Over de wonderen, die Hij deed aan de hemel.
3. Over de wonderen, die Hij in de mensen uitwerkte.
4. Over de wonderen, die Hij in de redeloze schepselen deed.
Daarna moeten we de verschillende wondersoorten afzonderlijk behandelen. En wel:
1. Over de wonderen die Hij verrichtte met betrekking tot de geestelijke wezens.
2. Over de wonderen, die Hij deed aan de hemel.
3. Over de wonderen, die Hij in de mensen uitwerkte.
4. Over de wonderen, die Hij in de redeloze schepselen deed.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Waren de wonderen, die Christus in de geestenwereld verricht heeft wel gepast?
IIIa q. 44 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de wonderen, die Christus in de geestenwereld verricht heeft, niet gepast waren. De heilige engelen immers bekleden in de geestenwereld de voorrang boven de duivelen, want, zoals Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (4e H.) de geest, die de oorzaak is geweest van de val en de zonde der redelijke wezens, wordt beheerst door de redelijke, goede en rechtvaardige geest des levens. Maar er staat nergens te lezen, dat Christus wonderen heeft gedaan onder de goede engelen. Dus behoorde Hij ook geen wonderen te doen onder de duivelen.
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de wonderen, die Christus in de geestenwereld verricht heeft, niet gepast waren. De heilige engelen immers bekleden in de geestenwereld de voorrang boven de duivelen, want, zoals Augustinus zegt in het 3e boek Over de Drievuldigheid (4e H.) de geest, die de oorzaak is geweest van de val en de zonde der redelijke wezens, wordt beheerst door de redelijke, goede en rechtvaardige geest des levens. Maar er staat nergens te lezen, dat Christus wonderen heeft gedaan onder de goede engelen. Dus behoorde Hij ook geen wonderen te doen onder de duivelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Christus’ wonderen hadden tot doel zijn Godheid te openbaren. Maar Christus’ Godheid moest niet aan de duivelen geopenbaard worden, omdat daardoor het mysterie van zijn lijden zou verhinderd zijn geworden, volgens de woorden van Paulus uit de Eerste brief aan de Korinthiërs (2, 8): "Zo ze haar gekend hadden, zouden ze de Heer der glorie niet hebben gekruisigd". Dus moest Hij in de duivelen geen wonderen verrichten.
B: (1Cor 2:8) [b:1Cor 2:8]
Vervolgens. Christus’ wonderen hadden tot doel zijn Godheid te openbaren. Maar Christus’ Godheid moest niet aan de duivelen geopenbaard worden, omdat daardoor het mysterie van zijn lijden zou verhinderd zijn geworden, volgens de woorden van Paulus uit de Eerste brief aan de Korinthiërs (2, 8): "Zo ze haar gekend hadden, zouden ze de Heer der glorie niet hebben gekruisigd". Dus moest Hij in de duivelen geen wonderen verrichten.
B: (1Cor 2:8) [b:1Cor 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 1 arg. 3
Vervolgens. De wonderen van Christus dienden ter verheerlijking Gods. Vandaar zegt Mattheus (9, 8) dat, toen de menigte de lamme zag, die door Christus was genezen, zij door vrees bevangen werden en God verheerlijkten, die zulk een macht gaf aan de mensen. Maar de duivelen mogen God niet verheerlijken, want "niet schoon is lofspraak in de mond des zondaars" staat er geschreven in het Boek Ecclesiasticus (15, 9). Vandaar staat er ook bij Marcus (1, 34) en Lucas (4, 41): "Hij liet niet toe, dat de duivelen dingen zeiden", die tot zijn verheerlijking strekten. Dus schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Hij enige wonderen verrichtte in de duivelen.
B: (Matt 9:8) [b:Matt 9:8] (Mark 1:34) [b:Mark 1:34] (Luke 4:41) [b:Luke 4:41] (Sir 15:9) [b:Sir 15:9]
Vervolgens. De wonderen van Christus dienden ter verheerlijking Gods. Vandaar zegt Mattheus (9, 8) dat, toen de menigte de lamme zag, die door Christus was genezen, zij door vrees bevangen werden en God verheerlijkten, die zulk een macht gaf aan de mensen. Maar de duivelen mogen God niet verheerlijken, want "niet schoon is lofspraak in de mond des zondaars" staat er geschreven in het Boek Ecclesiasticus (15, 9). Vandaar staat er ook bij Marcus (1, 34) en Lucas (4, 41): "Hij liet niet toe, dat de duivelen dingen zeiden", die tot zijn verheerlijking strekten. Dus schijnt het niet passend te zijn geweest, dat Hij enige wonderen verrichtte in de duivelen.
B: (Matt 9:8) [b:Matt 9:8] (Mark 1:34) [b:Mark 1:34] (Luke 4:41) [b:Luke 4:41] (Sir 15:9) [b:Sir 15:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 1 arg. 4
Vervolgens. De wonderen, die Christus gedaan heeft, waren gericht op het welzijn der mensen. Maar sommige duivelen werden uit de mensen gedreven tot hun nadeel. Soms bracht het lichamelijk letsel, zoals bij Marcus geschreven staat (9, 24, 25) dat de duivel, op bevel van Christus "schreeuwend en onder hevige stuiptrekkingen van die mens, uitging en dat (de knaap) er uitzag als een lijk, zodat velen zeiden, dat hij gestorven was". Soms ook tot nadeel in zaken: zoals toen Hij de duivelen, op hun verzoek, in (een kudde) zwijnen zond, die ze toen in de zee wierpen; vandaar dat de inwoners van die streek Hem verzochten heen te gaan uit hun gebied, zoals te lezen staat bij Mattheus (8, 31). Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, zulke wonderen te verrichten.
B: (Matt 8:31-34) [b:Matt 8:31-34] (Mark 9:24) [b:Mark 9:24] (Mark 9:25) [b:Mark 9:25]
Vervolgens. De wonderen, die Christus gedaan heeft, waren gericht op het welzijn der mensen. Maar sommige duivelen werden uit de mensen gedreven tot hun nadeel. Soms bracht het lichamelijk letsel, zoals bij Marcus geschreven staat (9, 24, 25) dat de duivel, op bevel van Christus "schreeuwend en onder hevige stuiptrekkingen van die mens, uitging en dat (de knaap) er uitzag als een lijk, zodat velen zeiden, dat hij gestorven was". Soms ook tot nadeel in zaken: zoals toen Hij de duivelen, op hun verzoek, in (een kudde) zwijnen zond, die ze toen in de zee wierpen; vandaar dat de inwoners van die streek Hem verzochten heen te gaan uit hun gebied, zoals te lezen staat bij Mattheus (8, 31). Dus schijnt het wel, dat het niet passend was, zulke wonderen te verrichten.
B: (Matt 8:31-34) [b:Matt 8:31-34] (Mark 9:24) [b:Mark 9:24] (Mark 9:25) [b:Mark 9:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Zacharias dit voorspeld had, waar hij namelijk zegt (13, 2): "De onzuivere geest zal ik wegruimen uit het land".
B: (Zech 13:2) [b:Zech 13:2]
Daartegenover staat echter, dat Zacharias dit voorspeld had, waar hij namelijk zegt (13, 2): "De onzuivere geest zal ik wegruimen uit het land".
B: (Zech 13:2) [b:Zech 13:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 1 co.
Mijn antwoord. De wonderen, die Christus deed, waren bewijzen voor het geloof, dat Hij leerde. Volgens Joannes nu (12, 31): "Nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen", zou Hij door de kracht van zijn Godheid later aan de duivelen de macht ontnemen over de mensen, die in Hem zouden geloven. En dus was het wel passend, dat Hij, onder andere wonderen, ook de bezetenen van de duivel bevrijdde.
B: (John 12:31, John 12:31) [b:John 12:31]
Mijn antwoord. De wonderen, die Christus deed, waren bewijzen voor het geloof, dat Hij leerde. Volgens Joannes nu (12, 31): "Nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen", zou Hij door de kracht van zijn Godheid later aan de duivelen de macht ontnemen over de mensen, die in Hem zouden geloven. En dus was het wel passend, dat Hij, onder andere wonderen, ook de bezetenen van de duivel bevrijdde.
B: (John 12:31, John 12:31) [b:John 12:31]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Evenals de mensen door Christus van de macht der duivelen moesten verlost worden, zo moesten ze ook door Hem in gemeenschap gebracht worden met de engelen, volgens het woord uit de Brief aan de Colossenzen (1. 20): "Door het bloed van zijn kruis, heeft Hij alles wat op aarde is en in de hemel, tot vrede gebracht". En dus behoefde Hij m. b. t. de engelen geen andere wonderen aan de mensen te tonen, dan alleen, dat de engelen aan de mensen verschenen: wat dan ook gebeurd is bij zijn geboorte, zijn verrijzenis en hemelvaart.
B: (Col 1:20) [b:Col 1:20]
1e Weerlegging. Evenals de mensen door Christus van de macht der duivelen moesten verlost worden, zo moesten ze ook door Hem in gemeenschap gebracht worden met de engelen, volgens het woord uit de Brief aan de Colossenzen (1. 20): "Door het bloed van zijn kruis, heeft Hij alles wat op aarde is en in de hemel, tot vrede gebracht". En dus behoefde Hij m. b. t. de engelen geen andere wonderen aan de mensen te tonen, dan alleen, dat de engelen aan de mensen verschenen: wat dan ook gebeurd is bij zijn geboorte, zijn verrijzenis en hemelvaart.
B: (Col 1:20) [b:Col 1:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit zijn werk De Stad Gods (9 B., 21e H.): "Christus maakte zich slechts in die mate aan de duivelen bekend, als Hij zelf wilde; dat nu wilde Hij, wat noodig was. Maar Hij maakte zich aan hen niet bekend, zoals aan de engelen, door dingen, die betrekking hadden op het eeuwig leven, maar door sommige tijdelijke uitvloeisels van zijn macht". Aanvankelijk nu waren ze van mening, toen ze zagen dat Christus na zijn vasten honger had, dat Hij niet de Zoon van God was. Vandaar zegt Ambrosius in zijn commentaar op Lucas (4, 3): "Indien ge de Zoon Gods zijt etc...": "Waartoe dit begin, dan alleen, omdat hij te weten was gekomen, dat de Zoon Gods zou komen, maar niet gedacht had, dat Hij in een zwak lichaam zou komen?" Naderhand echter vermoedde hij, toen hij de wonderen gezien had, dat Hij de Zoon Gods was. Vandaar zegt Chrysostomus bij de woorden van Marcus (1, 24): "Ik weet dat Gij de heilige Gods zijt" — "dat hij geen zekere of hechte kennis had, van de komst van God. Hij wist echter dat het Christus was, die in de wet was beloofd. Vandaar zegt Lucas (4, 41): "Ze wisten, dat Hij de Christus was". Dat ze echter beleden, dat Hij de Zoon Gods was, kwam meer voort uit een zeker vermoeden dan wel uit zekerheid. Vandaar zegt Beda in het 2e boek van zijn commentaar op Lucas (4, 41): "De duivelen beleden Hem als de Zoon van God, en "wisten", zoals verderop gezegd wordt, "dat Hij de Christus was". Want toen de duivel zag, dat Hij door het vasten afgemat was, begreep hij, dat Hij een echt mens was: maar hij twijfelde er aan of Hij de Zoon van God was, omdat hij met zijn behoren geen macht over Hem had. Nu daarentegen kwam hij door de macht der tekenen tot het inzicht of beter, begon hij te vermoeden, dat Hij de Zoon van God was. En daarom haalde hij de Joden over Hem te kruisigen, niet omdat hij niet meende dat Hij de Christus of de Zoon Gods was: maar omdat Hij niet voorzag, dat hij veroordeeld zou worden door zijn dood. Want van dit mysterie, dat sinds de aanvang der eeuwen verborgen is geweest, zegt de Apostel, dat "geen der machten dezer wereld het gekend heeft: want zo ze het gekend hadden, zouden ze de Heer der glorie niet hebben gekruisigd".
B: (Mark 1:24) [b:Mark 1:24] (Luke 4:3) [b:Luke 4:3] (Luke 4:41) [b:Luke 4:41] (Luke 4:41) [b:Luke 4:41] (1Cor 2:7) [b:1Cor 2:7] (1Cor 2:8) [b:1Cor 2:8]
2e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Augustinus uit zijn werk De Stad Gods (9 B., 21e H.): "Christus maakte zich slechts in die mate aan de duivelen bekend, als Hij zelf wilde; dat nu wilde Hij, wat noodig was. Maar Hij maakte zich aan hen niet bekend, zoals aan de engelen, door dingen, die betrekking hadden op het eeuwig leven, maar door sommige tijdelijke uitvloeisels van zijn macht". Aanvankelijk nu waren ze van mening, toen ze zagen dat Christus na zijn vasten honger had, dat Hij niet de Zoon van God was. Vandaar zegt Ambrosius in zijn commentaar op Lucas (4, 3): "Indien ge de Zoon Gods zijt etc...": "Waartoe dit begin, dan alleen, omdat hij te weten was gekomen, dat de Zoon Gods zou komen, maar niet gedacht had, dat Hij in een zwak lichaam zou komen?" Naderhand echter vermoedde hij, toen hij de wonderen gezien had, dat Hij de Zoon Gods was. Vandaar zegt Chrysostomus bij de woorden van Marcus (1, 24): "Ik weet dat Gij de heilige Gods zijt" — "dat hij geen zekere of hechte kennis had, van de komst van God. Hij wist echter dat het Christus was, die in de wet was beloofd. Vandaar zegt Lucas (4, 41): "Ze wisten, dat Hij de Christus was". Dat ze echter beleden, dat Hij de Zoon Gods was, kwam meer voort uit een zeker vermoeden dan wel uit zekerheid. Vandaar zegt Beda in het 2e boek van zijn commentaar op Lucas (4, 41): "De duivelen beleden Hem als de Zoon van God, en "wisten", zoals verderop gezegd wordt, "dat Hij de Christus was". Want toen de duivel zag, dat Hij door het vasten afgemat was, begreep hij, dat Hij een echt mens was: maar hij twijfelde er aan of Hij de Zoon van God was, omdat hij met zijn behoren geen macht over Hem had. Nu daarentegen kwam hij door de macht der tekenen tot het inzicht of beter, begon hij te vermoeden, dat Hij de Zoon van God was. En daarom haalde hij de Joden over Hem te kruisigen, niet omdat hij niet meende dat Hij de Christus of de Zoon Gods was: maar omdat Hij niet voorzag, dat hij veroordeeld zou worden door zijn dood. Want van dit mysterie, dat sinds de aanvang der eeuwen verborgen is geweest, zegt de Apostel, dat "geen der machten dezer wereld het gekend heeft: want zo ze het gekend hadden, zouden ze de Heer der glorie niet hebben gekruisigd".
B: (Mark 1:24) [b:Mark 1:24] (Luke 4:3) [b:Luke 4:3] (Luke 4:41) [b:Luke 4:41] (Luke 4:41) [b:Luke 4:41] (1Cor 2:7) [b:1Cor 2:7] (1Cor 2:8) [b:1Cor 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. De wonderen bij de duiveluitdrijvingen heeft Christus niet gedaan ten bate van de duivelen, maar ten bate der mensen, opdat ze Hem zouden verheerlijken. En daarom verbood Hij hen dingen te zeggen, die Hem zouden verheerlijken. En wel ten eerste om het voorbeeld. Want, zoals Athanasius zegt (in een uittreksel van 'n commentaar op Lucas): "Hij dwong hem niet te spreken, ofschoon hij ware dingen zou uiten, om ons er aan te wennen om op dergelijke dingen niet te letten, ook al schijnt het dan, dat er ware dingen gezegd worden. Want het is verkeerd om door de duivel onderricht te worden, waar ons de Goddelijke Schrift ten dienste staat". Zo iets is immers gevaarlijk, omdat de duivelen maar al te dikwijls leugens vermengen met de waarheid. — Ofwel, zoals Chrysostomus zegt (Cyrillus van Alexandrie, Commentaar op Lucas, 4, 41): "Zij mochten zich niet meester maken van de eer van het apostelambt. En evenmin kwam het te pas, dat het Christus-mysterie verkondigd zou worden door een stinkende mond: want "niet schoon is lofspraak in de mond des zondaars". — En ten derde, omdat, zoals Beda zegt, "Hij niet op die manier de afgunst der Joden wilde doen ontvlammen". Vandaar "krijgen ook de Apostelen de opdracht over Hem te zwijgen: opdat nl. door de prediking van de Goddelijke majesteit, de voltooiing van het lijden niet zou uitgesteld worden".
3e Weerlegging. De wonderen bij de duiveluitdrijvingen heeft Christus niet gedaan ten bate van de duivelen, maar ten bate der mensen, opdat ze Hem zouden verheerlijken. En daarom verbood Hij hen dingen te zeggen, die Hem zouden verheerlijken. En wel ten eerste om het voorbeeld. Want, zoals Athanasius zegt (in een uittreksel van 'n commentaar op Lucas): "Hij dwong hem niet te spreken, ofschoon hij ware dingen zou uiten, om ons er aan te wennen om op dergelijke dingen niet te letten, ook al schijnt het dan, dat er ware dingen gezegd worden. Want het is verkeerd om door de duivel onderricht te worden, waar ons de Goddelijke Schrift ten dienste staat". Zo iets is immers gevaarlijk, omdat de duivelen maar al te dikwijls leugens vermengen met de waarheid. — Ofwel, zoals Chrysostomus zegt (Cyrillus van Alexandrie, Commentaar op Lucas, 4, 41): "Zij mochten zich niet meester maken van de eer van het apostelambt. En evenmin kwam het te pas, dat het Christus-mysterie verkondigd zou worden door een stinkende mond: want "niet schoon is lofspraak in de mond des zondaars". — En ten derde, omdat, zoals Beda zegt, "Hij niet op die manier de afgunst der Joden wilde doen ontvlammen". Vandaar "krijgen ook de Apostelen de opdracht over Hem te zwijgen: opdat nl. door de prediking van de Goddelijke majesteit, de voltooiing van het lijden niet zou uitgesteld worden".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Christus was vooral komen leren en wonderen doen ten bate van de mensen, en wel hoofdzakelijk voor hun zieleheil. En daarom liet Hij toe, dat de duivelen, die Hij uitdreef, de mensen enige schade toebrachten, ofwel in hun lichaam, ofwel in zaken, terwille van het zieleheil der mensen, en wel om ze te onderrichten. Vandaar zegt Chrysostomus (in zijn 28e Homelie) op Matthaeus dat Christus "aan de duivelen toestond in de zwijnen te varen, niet alsof Hij door de duivelen overtuigd was, maar ten eerste om te laten zien, hoe groot de schade is, die de duivelen aanrichten, die de mensen belagen; ten tweede, opdat allen zouden leren, dat ze zelfs niets durven te ondernemen tegen zwijnen, zonder zijn toestemming; ten derde om aan te tonen, dat ze nog wel ergere dingen zouden gedaan hebben met die mensen, als met die zwijnen, zo de goddelijke Voorzienigheid hen niet te hulp was gekomen". En om diezelfde redenen liet Hij toe dat hij, die van de duivelen bevrijd werd, er voor enigen tijd nog al erg aan toe was: Hij verloste hem echter terstond van die kwelling. Daardoor wordt ook, zoals Beda zegt (in het 3e boek van zijn Commentaar op Marcus, 9, 25) aangetoond, dat wij dikwijls, als wij ons na de zonde trachten tot God te wenden, door grotere en nieuwe hinderlagen van de oude vijand worden verontrust. Wat hij doet, ofwel om ons haat tegen de deugd in te boezemen, ofwel zich te wreken over het onrecht hem door de uitdrijving aangedaan. Die mens scheen wel gestorven, nadat hij genezen was, omdat, zoals Hieronymus zegt (in zijn Commentaar op Marcus) tot de genezenen gezegd wordt: "Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God".
B: (Matt 8:32) [b:Matt 8:32]
4e Weerlegging. Christus was vooral komen leren en wonderen doen ten bate van de mensen, en wel hoofdzakelijk voor hun zieleheil. En daarom liet Hij toe, dat de duivelen, die Hij uitdreef, de mensen enige schade toebrachten, ofwel in hun lichaam, ofwel in zaken, terwille van het zieleheil der mensen, en wel om ze te onderrichten. Vandaar zegt Chrysostomus (in zijn 28e Homelie) op Matthaeus dat Christus "aan de duivelen toestond in de zwijnen te varen, niet alsof Hij door de duivelen overtuigd was, maar ten eerste om te laten zien, hoe groot de schade is, die de duivelen aanrichten, die de mensen belagen; ten tweede, opdat allen zouden leren, dat ze zelfs niets durven te ondernemen tegen zwijnen, zonder zijn toestemming; ten derde om aan te tonen, dat ze nog wel ergere dingen zouden gedaan hebben met die mensen, als met die zwijnen, zo de goddelijke Voorzienigheid hen niet te hulp was gekomen". En om diezelfde redenen liet Hij toe dat hij, die van de duivelen bevrijd werd, er voor enigen tijd nog al erg aan toe was: Hij verloste hem echter terstond van die kwelling. Daardoor wordt ook, zoals Beda zegt (in het 3e boek van zijn Commentaar op Marcus, 9, 25) aangetoond, dat wij dikwijls, als wij ons na de zonde trachten tot God te wenden, door grotere en nieuwe hinderlagen van de oude vijand worden verontrust. Wat hij doet, ofwel om ons haat tegen de deugd in te boezemen, ofwel zich te wreken over het onrecht hem door de uitdrijving aangedaan. Die mens scheen wel gestorven, nadat hij genezen was, omdat, zoals Hieronymus zegt (in zijn Commentaar op Marcus) tot de genezenen gezegd wordt: "Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God".
B: (Matt 8:32) [b:Matt 8:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was het wel passend, dat Christus wonderen voortbracht in de hemellichamen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 44 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 44 a. 4 arg. 3]
IIIa q. 44 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat Christus wonderen heeft voortgebracht in de hemellichamen. Want zoals Dionysius zegt in het 4° hoofdstuk van zijn boek *Over de Namen van God*, "is het de taak der goddelijke Voorzienigheid niet om de natuur te verkrachten, maar om haar te behouden". De hemellichamen zijn echter wat hun natuur betreft onvergankelijk en onveranderlijk, zoals bewezen wordt in het 1° boek *Over de Hemel* (3° H. n. 4). Dus was het niet passend, dat door Christus iets veranderd werd in de orde der hemellichamen.
IIIa q. 44 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 44 a. 4 arg. 3]
IIIa q. 44 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat Christus wonderen heeft voortgebracht in de hemellichamen. Want zoals Dionysius zegt in het 4° hoofdstuk van zijn boek *Over de Namen van God*, "is het de taak der goddelijke Voorzienigheid niet om de natuur te verkrachten, maar om haar te behouden". De hemellichamen zijn echter wat hun natuur betreft onvergankelijk en onveranderlijk, zoals bewezen wordt in het 1° boek *Over de Hemel* (3° H. n. 4). Dus was het niet passend, dat door Christus iets veranderd werd in de orde der hemellichamen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Het tijdsverloop wordt aangeduid door de beweging der hemellichamen, volgens Genesis (1, 14): "Dat er lichten worden in het uitspansel des hemels en dat zij tot tekenen zijn en tijden en dagen en jaren". Zo wordt dus door een verandering aan te brengen in de loop der hemellichamen, het onderscheid en het verloop der tijden veranderd. Maar er staat nergens te lezen, dat dit waargenomen is geworden door de astronomen, "die", zoals Isaïas zegt (47, 13) "de sterren beschouwen en de maanden berekenen". Dus schijnt het wel, dat door Christus geen verandering is aangebracht in de loop der hemellichamen.
B: (Gen 1:14) [b:Gen 1:14] (Isa 47:13) [b:Isa 47:13]
Vervolgens. Het tijdsverloop wordt aangeduid door de beweging der hemellichamen, volgens Genesis (1, 14): "Dat er lichten worden in het uitspansel des hemels en dat zij tot tekenen zijn en tijden en dagen en jaren". Zo wordt dus door een verandering aan te brengen in de loop der hemellichamen, het onderscheid en het verloop der tijden veranderd. Maar er staat nergens te lezen, dat dit waargenomen is geworden door de astronomen, "die", zoals Isaïas zegt (47, 13) "de sterren beschouwen en de maanden berekenen". Dus schijnt het wel, dat door Christus geen verandering is aangebracht in de loop der hemellichamen.
B: (Gen 1:14) [b:Gen 1:14] (Isa 47:13) [b:Isa 47:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Het was passender voor Christus bij zijn leven en gedurende zijn onderrichtingen wonderen te doen, dan bij zijn sterven: niet alleen omdat Hij, zoals geschreven staat in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (13, 4) uit zwakheid werd gebruikelijk, maar leeft door de kracht Gods, welke Hem de wonderen deed verrichten; maar ook, omdat zijn wonderen de bevestiging waren van zijn leer. Maar we lezen nergens, dat Christus gedurende zijn leven wonderen gedaan heeft in de hemellichamen. Integendeel: toen de Farizeën van Hem een teken vroegen van de hemel, weigerde Hij dit te geven, zoals blijkt uit Mattheus (12, 38, 39 en 16, 1-4). Dus schijnt het wel, dat Hij ook niet bij zijn sterven een wonder had behoren te doen in de hemellichamen.
B: (2Cor 13:4) [b:2Cor 13:4]
Vervolgens. Het was passender voor Christus bij zijn leven en gedurende zijn onderrichtingen wonderen te doen, dan bij zijn sterven: niet alleen omdat Hij, zoals geschreven staat in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (13, 4) uit zwakheid werd gebruikelijk, maar leeft door de kracht Gods, welke Hem de wonderen deed verrichten; maar ook, omdat zijn wonderen de bevestiging waren van zijn leer. Maar we lezen nergens, dat Christus gedurende zijn leven wonderen gedaan heeft in de hemellichamen. Integendeel: toen de Farizeën van Hem een teken vroegen van de hemel, weigerde Hij dit te geven, zoals blijkt uit Mattheus (12, 38, 39 en 16, 1-4). Dus schijnt het wel, dat Hij ook niet bij zijn sterven een wonder had behoren te doen in de hemellichamen.
B: (2Cor 13:4) [b:2Cor 13:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Lucas zegt (23, 44, 45): "Tot het negende uur toe werd het donker over heel het land, want de zon werd verduisterd".
B: (Luke 23:44) [b:Luke 23:44] (Luke 23:45) [b:Luke 23:45]
Daartegenover staat echter, dat Lucas zegt (23, 44, 45): "Tot het negende uur toe werd het donker over heel het land, want de zon werd verduisterd".
B: (Luke 23:44) [b:Luke 23:44] (Luke 23:45) [b:Luke 23:45]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (43° Kw., 4° Art.) behoorden Christus’ wonderen van die aard te zijn, dat ze voldoende aantoonden, dat Hij God was. Dit wordt echter niet zo duidelijk aangetoond door veranderingen in lagere lichamen, die ook door andere oorzaken veranderd kunnen worden, als wel door een verandering in de loop der hemellichamen, die alleen van God hun onveranderlijke baan hebben. En dit is het, wat Dionysius zegt in zijn Brief Aan Polycarpus: "Men diene te weten, dat er soms op geen andere manier iets veranderd kan worden in de orde en de loop van de hemel, dan door Hem die alles maakt en verandert op zijn woord". En dus was het passend, dat Christus ook wonderen deed in de hemellichamen.
R: q. 43 a. 4[t:iiia q. 43 a. 4]
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (43° Kw., 4° Art.) behoorden Christus’ wonderen van die aard te zijn, dat ze voldoende aantoonden, dat Hij God was. Dit wordt echter niet zo duidelijk aangetoond door veranderingen in lagere lichamen, die ook door andere oorzaken veranderd kunnen worden, als wel door een verandering in de loop der hemellichamen, die alleen van God hun onveranderlijke baan hebben. En dit is het, wat Dionysius zegt in zijn Brief Aan Polycarpus: "Men diene te weten, dat er soms op geen andere manier iets veranderd kan worden in de orde en de loop van de hemel, dan door Hem die alles maakt en verandert op zijn woord". En dus was het passend, dat Christus ook wonderen deed in de hemellichamen.
R: q. 43 a. 4[t:iiia q. 43 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Zoals het natuurlijk is voor de lagere lichamen bewogen te worden door de hemellichamen, die hoger staan wat hun natuurordening betreft, zo is het ook voor ieder schepsel natuurlijk veranderd te worden door God volgens diens wil. Vandaar dat Augustinus zegt in het 26e boek Tegen Faustus (3e H.) (men vindt dit in de Glossa bij dezen tekst uit de Brief aan de Romeinen (11, 22): "Gij zijt ingeënt tegen de natuur in..."): "God, de Schepper en Maker van alle dingen, doet niets tegen de natuur in: want dat wat Hij maakt is juist voor ieder ding zijn natuur". En derhalve wordt de natuur der hemellichamen niet verkracht, als door God hun loop veranderd wordt; zij zou verkracht worden, als ze veranderd zou worden door enige andere oorzaak.
B: (Rom 11:24) [b:Rom 11:24]
1e Weerlegging. Zoals het natuurlijk is voor de lagere lichamen bewogen te worden door de hemellichamen, die hoger staan wat hun natuurordening betreft, zo is het ook voor ieder schepsel natuurlijk veranderd te worden door God volgens diens wil. Vandaar dat Augustinus zegt in het 26e boek Tegen Faustus (3e H.) (men vindt dit in de Glossa bij dezen tekst uit de Brief aan de Romeinen (11, 22): "Gij zijt ingeënt tegen de natuur in..."): "God, de Schepper en Maker van alle dingen, doet niets tegen de natuur in: want dat wat Hij maakt is juist voor ieder ding zijn natuur". En derhalve wordt de natuur der hemellichamen niet verkracht, als door God hun loop veranderd wordt; zij zou verkracht worden, als ze veranderd zou worden door enige andere oorzaak.
B: (Rom 11:24) [b:Rom 11:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Door het wonder, dat Christus deed, is geen wanorde gebracht in de loop der tijden. Want volgens sommigen, kwamen die duisternissen of die zonsverduistering, die gedurende Christus' lijden plaats had, hiervandaan, dat de zon haar stralen terugtrok, zonder dat er enige verandering plaats had in de loop der hemellichamen, waarnaar de tijd afgemeten wordt. Vandaar zegt Hieronymus (in het 4e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 27, 45): "Het schijnt dat het grote licht zijn stralen heeft teruggetrokken, ofwel opdat het niet de Heer zou kunnen zien hangen, ofwel opdat die godslasterende zondaars van zijn licht niet zouden genieten". — Dit terugtrekken van haar stralen moet echter niet zo verstaan worden, alsof de zon het in haar macht zou hebben haar stralen uit te zenden of terug te houden: want zij zendt haar stralen niet uit vrije keuze, maar van nature, zoals Dionysius zegt in het 4e hoofdstuk van zijn werk Over de Namen van God. Maar men kan zeggen, dat de zon haar stralen terugtrok, in zover Gods kracht maakte, dat de zonnestralen de aarde niet bereikten. Origenes echter zegt, dat het geschiedde, doordat de wolken er zich tusschen plaatsten. Vandaar zegt hij in (het 35° Traktaat) op Mattheus: "Bijgevolg moet men het zo verstaan, dat er vele en grote zeer duistere wolken samenkwamen boven Jerusalem en het land van Judea; en daardoor ontstonden er diepe duisternissen vanaf het zesde uur tot het negende. Ik ben dus van gevoelen, dat, evenals de overige tekenen, die plaats hadden bij het lijden, nl. dat het voorhangsel scheurde, de aarde beefde, etc., alleen maar in Jerusalem plaats grepen, zo ook dit teken: of, als iemand ze nog verder zou willen uitstrekken, dan ook nog tot het land van Judea, en wel hierom, omdat er geschreven staat dat "het donker werd over het gehele land"; wat verstaan wordt van het land van Judea, zoals in het derde Boek der Koningen Abdias tot Elias zegt: "Uw God moge leven, zo er een volk of een rijk is waarheen mijn heer me niet gezonden heeft om u te zoeken", waarmee hij aanduidde, dat ze hem gezocht hebben onder de volkeren die rond Judea woonden". Maar in deze kwestie moet meer geloof geslagen worden aan de woorden van Dionysius, die met de ogen des geloofs keek en gezien heeft, dat dat wonder geschied was, doordat de maan zich tusschen ons en de zon plaatste. Want hij zegt in zijn Brief Aan Polycarpus: "Geheel onverwachts zagen wij dat de maan voor de zon kwam te staan", toen ze nl., zoals hij in dienzelfden brief zegt, in Egypte waren. Hij geeft daar nl. vier wonderen aan. Het eerste is, dat een natuurlijke zonsverduistering, door tusschenplaatsing van de maan, nooit plaats heeft dan alleen in de tijd, dat de zon en de maan in dezelfde richting staan. Toen stond de maan echter tegenover de zon, daar het de vijftiende maan was. Want het was het Paschen der Joden. Vandaar zegt hij: "Want het was er de geschikte tijd niet voor". — Het tweede wonder bestaat hierin dat, ofschoon de maan omstreeks het zesde uur gezien was samen met de zon in het midden van de hemel, ze tegen de avond op haar plaats stond d. i. in het oosten, tegenover de zon. Vandaar zegt hij: "En wederom zagen we haar, nl. de maan, vanaf het negende uur, waarin zij nl. van de zon terugweek, toen de duisternissen ophielden, tot aan de avond, op een bovennatuurlijke wijze weer recht tegenover de zon geplaatst", d. i. zo, dat ze recht tegenover de zon stond. En zo blijkt, dat de gewone loop van de tijd niet in de war is gebracht. Want door goddelijke macht is geschied, én dat ze (d. i. de maan) buiten de gewone tijd op een bovennatuurlijke wijze tot de zon naderde, én ook dat ze zich van de zon verwijderde, zoodat ze op haar gewonen tijd weer naar haar eigen plaats teruggebracht werd. — Het derde wonder be- staat hierin, dat een natuurlijke zonsverduistering altijd begint bij het westelijk gedeelte (nl. van de zon) en ten slotte komt tot het oostelijk gedeelte: en dat komt hiervandaan dat de maan in haar eigen beweging waardoor ze van het westen naar het oosten gaat, sneller is dan de zon; en dus raakt de maan als ze van het westen komt, de zon, en gaat langs haar heen, al naar het oosten toe. Maar toentertijd was de maan de zon al gepasseerd en stond een halve cirkel van haar af in tegenovergestelde richting. Dus moest ze aan de oostkant naar de zon terugkeren en haar het eerst in het oosten raken, al voortgaande naar het westen. En dit bedoelt hij als hij zegt: "Wij zagen ook, dat de zonsverduistering zelf in het oosten begonnen was en tot aan de rand van de zon kwam, want ze verduisterde de gehele zon, en dat ze later weer vandaar terugkeerde». — Het vierde wonder bestond daarin dat bij een natuurlijke zonsverduistering de zon het eerst weer daar voor de dag komt, waar ze het eerst begon te verduisteren: want als de maan zich voor de zon plaatst, dan zal ze door haar natuurlijken loop de zon naar het oosten toe voorbijgaan en zo zal ze dus het westelijk gedeelte der zon, dat ze het eerst bedekt heeft, ook weer het eerst verlaten. Toentertijd echter, toen de maan op wonderdadige wijze van het oosten naar het westen terugkeerde, ging ze niet eerst aan de zon voorbij, om meer westelijker te gaan staan; maar toen ze aan de rand van de zon was gekomen keerde ze weer naar het oosten terug, en zo verliet ze dus het eerst dat gedeelte van de zon, wat ze het laatst bezet had. En zo ving dus de zonsverduistering in het oosten aan, maar begon ze voor het eerst weer in het westen te schijnen. En dit zegt hij zoo: "En vervolgens zagen we het niet aan dezelfde kant, d. i. van de zon, duister worden en dan weer licht, maar we zagen het tegendeel gebeuren". Chrysostomus voegt er een vijfde wonder aan toe waar hij in zijn (88e Homelie) op Mattheus zegt, dat de duisternissen toen drie uur lang aanhielden, alhoewel de zonsverduistering zelf in een ogenblik voorbij was: want ze duurt niet lang, zoals zij weten, die haar hebben waargenomen". Zoodoende geeft hij te verstaan, dat de maan stil gestaan heeft onder de zon. Of we zouden moeten zeggen dat de tijd der duisternissen berekend wordt vanaf het ogenblik waarop de zon begon te verduisteren, tot het ogenblik waarop de zon weer geheel en al vrij was. Maar, zoals Origenes zegt in zijn Commentaar op Mattheus (t. a. p.): "Hiertegen zeggen de kinderen dezer wereld: Hoe is het mogelijk, dat geen enkele Griek of barbaar zo 'n wonderbaar feit beschreven heeft?" En hij zegt, dat een zeker iemand, met name Phlegon, "in zijn Kronieken geschreven heeft, dat dit heeft plaats gehad onder het bestuur van Keizer Tiberius: maar hij heeft er niet bij gezegd, dat het toen volle maan was". Dit kon derhalve gebeuren, omdat de astronomen, die toen op de aarde leefden, er niet op bedacht waren een zonsverduistering na te gaan, omdat het er de tijd niet voor was: ze waren dan ook van mening, dat die duisternis een gevolg was van een of andere atmosferische stering. Maar in Egypte, waar ten gevolge van de zuiverheid der lucht zelden wolken voorkomen, zijn Dionysius en zijn gezellen er toe gekomen, om, wat we in het voorgaande over die duisternissen gezegd hebben, waar te nemen.
B: (Matt 27:45) [b:Matt 27:45] (Matt 27:45) [b:Matt 27:45]
2e Weerlegging. Door het wonder, dat Christus deed, is geen wanorde gebracht in de loop der tijden. Want volgens sommigen, kwamen die duisternissen of die zonsverduistering, die gedurende Christus' lijden plaats had, hiervandaan, dat de zon haar stralen terugtrok, zonder dat er enige verandering plaats had in de loop der hemellichamen, waarnaar de tijd afgemeten wordt. Vandaar zegt Hieronymus (in het 4e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 27, 45): "Het schijnt dat het grote licht zijn stralen heeft teruggetrokken, ofwel opdat het niet de Heer zou kunnen zien hangen, ofwel opdat die godslasterende zondaars van zijn licht niet zouden genieten". — Dit terugtrekken van haar stralen moet echter niet zo verstaan worden, alsof de zon het in haar macht zou hebben haar stralen uit te zenden of terug te houden: want zij zendt haar stralen niet uit vrije keuze, maar van nature, zoals Dionysius zegt in het 4e hoofdstuk van zijn werk Over de Namen van God. Maar men kan zeggen, dat de zon haar stralen terugtrok, in zover Gods kracht maakte, dat de zonnestralen de aarde niet bereikten. Origenes echter zegt, dat het geschiedde, doordat de wolken er zich tusschen plaatsten. Vandaar zegt hij in (het 35° Traktaat) op Mattheus: "Bijgevolg moet men het zo verstaan, dat er vele en grote zeer duistere wolken samenkwamen boven Jerusalem en het land van Judea; en daardoor ontstonden er diepe duisternissen vanaf het zesde uur tot het negende. Ik ben dus van gevoelen, dat, evenals de overige tekenen, die plaats hadden bij het lijden, nl. dat het voorhangsel scheurde, de aarde beefde, etc., alleen maar in Jerusalem plaats grepen, zo ook dit teken: of, als iemand ze nog verder zou willen uitstrekken, dan ook nog tot het land van Judea, en wel hierom, omdat er geschreven staat dat "het donker werd over het gehele land"; wat verstaan wordt van het land van Judea, zoals in het derde Boek der Koningen Abdias tot Elias zegt: "Uw God moge leven, zo er een volk of een rijk is waarheen mijn heer me niet gezonden heeft om u te zoeken", waarmee hij aanduidde, dat ze hem gezocht hebben onder de volkeren die rond Judea woonden". Maar in deze kwestie moet meer geloof geslagen worden aan de woorden van Dionysius, die met de ogen des geloofs keek en gezien heeft, dat dat wonder geschied was, doordat de maan zich tusschen ons en de zon plaatste. Want hij zegt in zijn Brief Aan Polycarpus: "Geheel onverwachts zagen wij dat de maan voor de zon kwam te staan", toen ze nl., zoals hij in dienzelfden brief zegt, in Egypte waren. Hij geeft daar nl. vier wonderen aan. Het eerste is, dat een natuurlijke zonsverduistering, door tusschenplaatsing van de maan, nooit plaats heeft dan alleen in de tijd, dat de zon en de maan in dezelfde richting staan. Toen stond de maan echter tegenover de zon, daar het de vijftiende maan was. Want het was het Paschen der Joden. Vandaar zegt hij: "Want het was er de geschikte tijd niet voor". — Het tweede wonder bestaat hierin dat, ofschoon de maan omstreeks het zesde uur gezien was samen met de zon in het midden van de hemel, ze tegen de avond op haar plaats stond d. i. in het oosten, tegenover de zon. Vandaar zegt hij: "En wederom zagen we haar, nl. de maan, vanaf het negende uur, waarin zij nl. van de zon terugweek, toen de duisternissen ophielden, tot aan de avond, op een bovennatuurlijke wijze weer recht tegenover de zon geplaatst", d. i. zo, dat ze recht tegenover de zon stond. En zo blijkt, dat de gewone loop van de tijd niet in de war is gebracht. Want door goddelijke macht is geschied, én dat ze (d. i. de maan) buiten de gewone tijd op een bovennatuurlijke wijze tot de zon naderde, én ook dat ze zich van de zon verwijderde, zoodat ze op haar gewonen tijd weer naar haar eigen plaats teruggebracht werd. — Het derde wonder be- staat hierin, dat een natuurlijke zonsverduistering altijd begint bij het westelijk gedeelte (nl. van de zon) en ten slotte komt tot het oostelijk gedeelte: en dat komt hiervandaan dat de maan in haar eigen beweging waardoor ze van het westen naar het oosten gaat, sneller is dan de zon; en dus raakt de maan als ze van het westen komt, de zon, en gaat langs haar heen, al naar het oosten toe. Maar toentertijd was de maan de zon al gepasseerd en stond een halve cirkel van haar af in tegenovergestelde richting. Dus moest ze aan de oostkant naar de zon terugkeren en haar het eerst in het oosten raken, al voortgaande naar het westen. En dit bedoelt hij als hij zegt: "Wij zagen ook, dat de zonsverduistering zelf in het oosten begonnen was en tot aan de rand van de zon kwam, want ze verduisterde de gehele zon, en dat ze later weer vandaar terugkeerde». — Het vierde wonder bestond daarin dat bij een natuurlijke zonsverduistering de zon het eerst weer daar voor de dag komt, waar ze het eerst begon te verduisteren: want als de maan zich voor de zon plaatst, dan zal ze door haar natuurlijken loop de zon naar het oosten toe voorbijgaan en zo zal ze dus het westelijk gedeelte der zon, dat ze het eerst bedekt heeft, ook weer het eerst verlaten. Toentertijd echter, toen de maan op wonderdadige wijze van het oosten naar het westen terugkeerde, ging ze niet eerst aan de zon voorbij, om meer westelijker te gaan staan; maar toen ze aan de rand van de zon was gekomen keerde ze weer naar het oosten terug, en zo verliet ze dus het eerst dat gedeelte van de zon, wat ze het laatst bezet had. En zo ving dus de zonsverduistering in het oosten aan, maar begon ze voor het eerst weer in het westen te schijnen. En dit zegt hij zoo: "En vervolgens zagen we het niet aan dezelfde kant, d. i. van de zon, duister worden en dan weer licht, maar we zagen het tegendeel gebeuren". Chrysostomus voegt er een vijfde wonder aan toe waar hij in zijn (88e Homelie) op Mattheus zegt, dat de duisternissen toen drie uur lang aanhielden, alhoewel de zonsverduistering zelf in een ogenblik voorbij was: want ze duurt niet lang, zoals zij weten, die haar hebben waargenomen". Zoodoende geeft hij te verstaan, dat de maan stil gestaan heeft onder de zon. Of we zouden moeten zeggen dat de tijd der duisternissen berekend wordt vanaf het ogenblik waarop de zon begon te verduisteren, tot het ogenblik waarop de zon weer geheel en al vrij was. Maar, zoals Origenes zegt in zijn Commentaar op Mattheus (t. a. p.): "Hiertegen zeggen de kinderen dezer wereld: Hoe is het mogelijk, dat geen enkele Griek of barbaar zo 'n wonderbaar feit beschreven heeft?" En hij zegt, dat een zeker iemand, met name Phlegon, "in zijn Kronieken geschreven heeft, dat dit heeft plaats gehad onder het bestuur van Keizer Tiberius: maar hij heeft er niet bij gezegd, dat het toen volle maan was". Dit kon derhalve gebeuren, omdat de astronomen, die toen op de aarde leefden, er niet op bedacht waren een zonsverduistering na te gaan, omdat het er de tijd niet voor was: ze waren dan ook van mening, dat die duisternis een gevolg was van een of andere atmosferische stering. Maar in Egypte, waar ten gevolge van de zuiverheid der lucht zelden wolken voorkomen, zijn Dionysius en zijn gezellen er toe gekomen, om, wat we in het voorgaande over die duisternissen gezegd hebben, waar te nemen.
B: (Matt 27:45) [b:Matt 27:45] (Matt 27:45) [b:Matt 27:45]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Toen vooral behoorde Christus' Godheid door wonderen bekend gemaakt te worden, toen in Hem het meest de zwakheid zijner menselijke natuur uitkwam. En dus verscheen er bij Christus' geboorte een nieuwe ster aan de hemel. Vandaar zegt Maximus in een Preek Over Kerstmis: "Indien ge geringachting in u gevoelt voor de kribbe, heft dan uw ogen een weinig omhoog en zie een nieuwe ster aan de hemel, die daar voor de wereld getuigenis aflegt van de geboorte van de Heer". In het lijden echter kwam nog duidelijker Christus' zwakheid naar zijn menselijke natuur uit. En dus behoorden er toen grotere wonderen getoond te worden in de lichten der wereld. En, zegt Chrysostomus (in zijn Commentaar op Mattheus): "Dit is het teken dat Hij beloofde te geven aan hen die er om vroegen toen Hij zei: "Een slecht en overspelig geslacht vraagt een teken: maar geen teken zal hun gegeven worden, dan het teken van Jonas de profeet", waarbij hij zijn kruis en verrijzenis op het oog had. Want het is veel wonderbaarder dat zo iets gebeurt bij iemand die gekruisigd is, dan bij iemand, die op aarde rondwandelt".
3e Weerlegging. Toen vooral behoorde Christus' Godheid door wonderen bekend gemaakt te worden, toen in Hem het meest de zwakheid zijner menselijke natuur uitkwam. En dus verscheen er bij Christus' geboorte een nieuwe ster aan de hemel. Vandaar zegt Maximus in een Preek Over Kerstmis: "Indien ge geringachting in u gevoelt voor de kribbe, heft dan uw ogen een weinig omhoog en zie een nieuwe ster aan de hemel, die daar voor de wereld getuigenis aflegt van de geboorte van de Heer". In het lijden echter kwam nog duidelijker Christus' zwakheid naar zijn menselijke natuur uit. En dus behoorden er toen grotere wonderen getoond te worden in de lichten der wereld. En, zegt Chrysostomus (in zijn Commentaar op Mattheus): "Dit is het teken dat Hij beloofde te geven aan hen die er om vroegen toen Hij zei: "Een slecht en overspelig geslacht vraagt een teken: maar geen teken zal hun gegeven worden, dan het teken van Jonas de profeet", waarbij hij zijn kruis en verrijzenis op het oog had. Want het is veel wonderbaarder dat zo iets gebeurt bij iemand die gekruisigd is, dan bij iemand, die op aarde rondwandelt".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Was het wel passend, dat Christus in de mensen wonderen gedaan heeft?
IIIa q. 44 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het niet passend is, dat Christus wonderen in de mensen gedaan heeft. In de mens immers is de ziel van meer waarde dan het lichaam. Maar in de lichamen heeft Christus vele wonderen uitgewerkt, maar er staat niet te lezen, dat hij wonderen in de zielen heeft verricht. Want geen enkele ongelovige heeft Hij op wonderdadige wijze tot het geloof bekeerd, maar alleen door te vermanen en uiterlijke wondertekenen te laten zien; evenmin staat er te lezen, dat Hij sommige dwazen wijs heeft gemaakt. Dus schijnt het wel, dat Hij niet op de juiste wijze wonderen in de mensen heeft gewerkt.
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het niet passend is, dat Christus wonderen in de mensen gedaan heeft. In de mens immers is de ziel van meer waarde dan het lichaam. Maar in de lichamen heeft Christus vele wonderen uitgewerkt, maar er staat niet te lezen, dat hij wonderen in de zielen heeft verricht. Want geen enkele ongelovige heeft Hij op wonderdadige wijze tot het geloof bekeerd, maar alleen door te vermanen en uiterlijke wondertekenen te laten zien; evenmin staat er te lezen, dat Hij sommige dwazen wijs heeft gemaakt. Dus schijnt het wel, dat Hij niet op de juiste wijze wonderen in de mensen heeft gewerkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Zoals boven gezegd is (43° Kw., 2° Art.) deed Christus wonderen door goddelijke kracht; daaraan nu is het eigen ineens te werken en volmaakt en zonder hulp van iets anders. Maar Christus heeft niet altijd het lichaam der mensen ineens genezen. Want bij Marcus staat geschreven (8, 22 en volg.) dat Hij de blinde bij de hand vatte en hem buiten het dorp leidde; Hij deed speeksel op zijn ogen, legde hem de handen op en vroeg hem: Ziet je iets? Hij sloeg de ogen op en sprak: Ik zie mensen; als bomen zie ik ze gaan. Toen legde Hij opnieuw de handen op zijn ogen; nu zag hij scherper toe en was genezen, zodat hij alles duidelijk zag. En zo blijkt wel dat Hij hem niet ineens genezen heeft maar eerst onvolmaakt en door middel van speeksel. Dus schijnt het wel, dat Hij de wonderen in de mensen niet op passende wijze heeft verricht.
B: (Mark 8:22-25) [b:Mark 8:22-25]
R: q. 43 a. 2[t:iiia q. 43 a. 2]
Vervolgens. Zoals boven gezegd is (43° Kw., 2° Art.) deed Christus wonderen door goddelijke kracht; daaraan nu is het eigen ineens te werken en volmaakt en zonder hulp van iets anders. Maar Christus heeft niet altijd het lichaam der mensen ineens genezen. Want bij Marcus staat geschreven (8, 22 en volg.) dat Hij de blinde bij de hand vatte en hem buiten het dorp leidde; Hij deed speeksel op zijn ogen, legde hem de handen op en vroeg hem: Ziet je iets? Hij sloeg de ogen op en sprak: Ik zie mensen; als bomen zie ik ze gaan. Toen legde Hij opnieuw de handen op zijn ogen; nu zag hij scherper toe en was genezen, zodat hij alles duidelijk zag. En zo blijkt wel dat Hij hem niet ineens genezen heeft maar eerst onvolmaakt en door middel van speeksel. Dus schijnt het wel, dat Hij de wonderen in de mensen niet op passende wijze heeft verricht.
B: (Mark 8:22-25) [b:Mark 8:22-25]
R: q. 43 a. 2[t:iiia q. 43 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Wat niet op elkaar volgt, behoeft ook niet tegelijk weggenomen te worden. Een ziekte in het lichaam wordt echter niet altijd door zonde veroorzaakt, zoals blijkt uit wat de Heer zegt bij Joannes (9, 2, 3): "Noch hij noch zijn ouders hebben gezondigd, dat hij blind werd geboren". Het was dus niet nodig, dat Hij de mensen, die om genezing voor hun lichaam kwamen vragen, de zonden vergaf, zoals te lezen staat, dat Hij deed bij de lamme (Mattheus, 9, 2); vooral ook hierom, omdat een lichamelijke genezing, daar ze minder is dan de vergiffenis van de zonden, geen voldoende bewijs schijnt te zijn, dat Hij nu ook de zonden kan vergeven.
B: (Matt 9:2) [b:Matt 9:2] (John 9:3) [b:John 9:3]
Vervolgens. Wat niet op elkaar volgt, behoeft ook niet tegelijk weggenomen te worden. Een ziekte in het lichaam wordt echter niet altijd door zonde veroorzaakt, zoals blijkt uit wat de Heer zegt bij Joannes (9, 2, 3): "Noch hij noch zijn ouders hebben gezondigd, dat hij blind werd geboren". Het was dus niet nodig, dat Hij de mensen, die om genezing voor hun lichaam kwamen vragen, de zonden vergaf, zoals te lezen staat, dat Hij deed bij de lamme (Mattheus, 9, 2); vooral ook hierom, omdat een lichamelijke genezing, daar ze minder is dan de vergiffenis van de zonden, geen voldoende bewijs schijnt te zijn, dat Hij nu ook de zonden kan vergeven.
B: (Matt 9:2) [b:Matt 9:2] (John 9:3) [b:John 9:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 3 arg. 4
Vervolgens. Zoals boven gezegd is (43° Kw., 4° Art.) zijn Christus’ wonderen geschied om zijn leer te bevestigen en zijn Godheid te betuigen. Niemand mag echter het doel van zijn handeling verhinderen. Dus schijnt het wel niet passend geweest te zijn, dat Christus aan sommigen, die op wonderdadige wijze genezen waren, het bevel gaf het aan niemand te zeggen, zoals blijkt uit Mattheus, (9, 30) en Marcus (8, 26); en vooral ook hierom, omdat Hij sommige anderen de opdracht gaf de wonderen, die in hen hadden plaats gehad, openbaar te maken, zoals bij Marcus (5, 19) te lezen staat, dat Hij aan hem, die Hij van de duivelen verlost had, zei: "Ga naar huis, naar de uwen en meld hun alwat de Heer u gedaan heeft".
B: (Matt 9:30) [b:Matt 9:30] (Mark 5:19) [b:Mark 5:19] (Mark 8:26) [b:Mark 8:26]
R: q. 43 a. 4[t:iiia q. 43 a. 4]
Vervolgens. Zoals boven gezegd is (43° Kw., 4° Art.) zijn Christus’ wonderen geschied om zijn leer te bevestigen en zijn Godheid te betuigen. Niemand mag echter het doel van zijn handeling verhinderen. Dus schijnt het wel niet passend geweest te zijn, dat Christus aan sommigen, die op wonderdadige wijze genezen waren, het bevel gaf het aan niemand te zeggen, zoals blijkt uit Mattheus, (9, 30) en Marcus (8, 26); en vooral ook hierom, omdat Hij sommige anderen de opdracht gaf de wonderen, die in hen hadden plaats gehad, openbaar te maken, zoals bij Marcus (5, 19) te lezen staat, dat Hij aan hem, die Hij van de duivelen verlost had, zei: "Ga naar huis, naar de uwen en meld hun alwat de Heer u gedaan heeft".
B: (Matt 9:30) [b:Matt 9:30] (Mark 5:19) [b:Mark 5:19] (Mark 8:26) [b:Mark 8:26]
R: q. 43 a. 4[t:iiia q. 43 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter dat bij Marcus geschreven staat (7, 37): "Hij heeft alles wèl gedaan: de doven doet Hij horen, en de stommen doet Hij spreken".
B: (Mark 7:37) [b:Mark 7:37]
Daartegenover staat echter dat bij Marcus geschreven staat (7, 37): "Hij heeft alles wèl gedaan: de doven doet Hij horen, en de stommen doet Hij spreken".
B: (Mark 7:37) [b:Mark 7:37]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 3 co.
Mijn antwoord. Wat op een doel gericht is, moet aan dat doel zijn aangepast. Christus is echter in de wereld gekomen en leerde, om de mensen zalig te maken, volgens het woord van Joannes (3, 17): "Want God heeft zijn Zoon in de wereld gezonden, niet om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered". En daarom was het passend, dat Christus, door in het bijzonder de mensen op wonderdadige wijze te genezen, aantoonde, dat Hij de algemene en geestelijke Redder der mensen is.
B: (John 3:17) [b:John 3:17]
Mijn antwoord. Wat op een doel gericht is, moet aan dat doel zijn aangepast. Christus is echter in de wereld gekomen en leerde, om de mensen zalig te maken, volgens het woord van Joannes (3, 17): "Want God heeft zijn Zoon in de wereld gezonden, niet om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered". En daarom was het passend, dat Christus, door in het bijzonder de mensen op wonderdadige wijze te genezen, aantoonde, dat Hij de algemene en geestelijke Redder der mensen is.
B: (John 3:17) [b:John 3:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Wat op een doel gericht is, is daarvan onderscheiden. De wonderen nu, door Christus gedaan, hadden tot doel het heil van het redelijke deel, welk heil bestaat in de verlichting door de wijsheid en de rechtvaardigmaking der mensen. En van deze beide veronderstelt het eerste het tweede, omdat, zoals geschreven staat in het Boek der Wijsheid (1, 4): "In een arglistige ziel zal de wijsheid niet ingaan, en zij zal niet wonen in een lichaam dienstbaar aan de zonden". De rechtvaardigmaking komt echter alleen aan die mensen toe, die ze willen: (het tegendeel) immers zou zowel tegen het wezen der rechtvaardigheid zijn, die een rechtzinnige wil veronderstelt, en zou tevens indruisen tegen het wezen der menselijke natuur, die uit eigen beweging tot het goede moet gebracht worden, en niet door geweld. Christus maakte derhalve door goddelijke kracht de mens inwendig rechtvaardig: niet echter tegen hun zin. En dit behoort dan ook niet tot de wonderen, maar is het doel der wonderen. — Evenzo stortte Hij ook door goddelijke kracht de wijsheid in de eenvoudige leerlingen: vandaar zegt Hij hen (Lucas, 21, 15): "Want Ik zal u een taal en wijsheid geven, die geen uwer tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken". Dit nu wordt, wat de inwendige verlichting betreft, niet onder de zichtbare wonderen gerekend: maar alleen wat de uitwendige daad betreft, in zoverre namelijk de mensen zagen, dat zij, die toch zo ongeletterd en eenvoudig waren, zo wijs en standvastig spreken. Vandaar staat er in de Handelingen der Apostelen (4, 13): "Toen nu de Joden de vrijmoedigheid van Petrus en Joannes zagen, en vernamen, dat het ongeletterde en eenvoudige mensen waren, stonden ze verbaasd". — En toch zijn dergelijke geestelijke uitwerkingen, ofschoon ze onderscheiden zijn van de zichtbare wonderen, enig getuigenis voor Christus' leer en kracht: volgens het woord van Paulus uit de Brief aan de Hebreën (2, 4): "... en welke ook door God is betuigd door tekenen en wonderen en velerlei krachten, door gaven ook van de Heilige Geest". Maar Christus heeft toch ook in de zielen der mensen, vooral wat betreft het omzetten van de inwendige krachten, een enkel wonder gedaan. Vandaar zegt Hieronymus in zijn commentaar op de woorden van Mattheus (9, 9): "En hij stond op en volgde Hem" — "De glans en de majesteit van zijn verborgen Godheid, die zelfs haar glans verspreidde op zijn menselijk gelaat, waren in staat hen die het zagen, op het eerste gezicht er van tot Hem te trekken". — En op de woorden van Mattheus (21, 12): "Hij dreef allen uit, die er verkochten en kochten" zegt dezelfde Hieronymus (in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 21, 15): "Onder al de tekenen die de Heer gedaan heeft, lijkt mij uit het wonderlijkste, dat een mens, en dan nog wel iemand die toentertijd veracht werd, in staat was zo'n groote menigte met zweepslagen uit te werpen. Er straalde dan ook iets brandends en iets schitterends uit zijn oogen, en de majesteit van zijn Godheid lichtte op zijn aangezicht". En Origenes zegt (in de 11e Homelie op Joannes): "Dit is een grooter wonder, dan dat, waarbij water in wijn veranderd werd: want hier is alleen maar sprake van onbezielde stof, daar echter worden zooveel duizenden mensen bedwongen". — En op de tekst van Joannes (18, 6): "Ze deinsden terug, en vielen ter aarde" zegt Augustinus (112° Traktaat op het Evangelie van Joannes): "Een bende, wild van haat, en verschrikkelijk door haar wapenen: een enkel woord, zonder enig wapen, treft haar, doet haar terugdeinzen, velt haar neer: want God ging daar schuil in het vlees". — En hierop heeft ook betrekking wat Lucas zegt (4, 30), dat Jesus midden door hen heen ging en vertrok: bij welke plaats Chrysostomus zegt, dat in het midden van belagers staan en niet gegrepen worden, de verhevenheid van de Godheid aanduidde. En evenzo wat Joannes zegt (8, 59): "Jesus verborg zich en verliet de Tempel". Waarbij Augustinus (Theophylactus) zegt: "Hij verborg zich niet in een hoek van de Tempel, alsof Hij vrees had, en Hij ging ook niet achter een muur of een kolom staan: maar na zich door hemelse macht voor zijn belagers onzichtbaar gemaakt te hebben ging Hij, midden tusschen hen door, heen". Uit dit alles blijkt, dat Christus, als Hij wilde, door goddelijke macht de zielen der mensen veranderde, niet alleen door ze te rechtvaardigen, en wijsheid in te storten, wat tot het doel der wonderen behoort, maar ook door ze van buiten af aan te trekken, of te verschrikken of in verbazing te brengen, wat tot de wonderen zelf behoort.
B: (Luke 21:15) [b:Luke 21:15] (Acts 4:13) [b:Acts 4:13] (Heb 2:4) [b:Heb 2:4] (Wis 1:4) [b:Wis 1:4]
1e Weerlegging. Wat op een doel gericht is, is daarvan onderscheiden. De wonderen nu, door Christus gedaan, hadden tot doel het heil van het redelijke deel, welk heil bestaat in de verlichting door de wijsheid en de rechtvaardigmaking der mensen. En van deze beide veronderstelt het eerste het tweede, omdat, zoals geschreven staat in het Boek der Wijsheid (1, 4): "In een arglistige ziel zal de wijsheid niet ingaan, en zij zal niet wonen in een lichaam dienstbaar aan de zonden". De rechtvaardigmaking komt echter alleen aan die mensen toe, die ze willen: (het tegendeel) immers zou zowel tegen het wezen der rechtvaardigheid zijn, die een rechtzinnige wil veronderstelt, en zou tevens indruisen tegen het wezen der menselijke natuur, die uit eigen beweging tot het goede moet gebracht worden, en niet door geweld. Christus maakte derhalve door goddelijke kracht de mens inwendig rechtvaardig: niet echter tegen hun zin. En dit behoort dan ook niet tot de wonderen, maar is het doel der wonderen. — Evenzo stortte Hij ook door goddelijke kracht de wijsheid in de eenvoudige leerlingen: vandaar zegt Hij hen (Lucas, 21, 15): "Want Ik zal u een taal en wijsheid geven, die geen uwer tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken". Dit nu wordt, wat de inwendige verlichting betreft, niet onder de zichtbare wonderen gerekend: maar alleen wat de uitwendige daad betreft, in zoverre namelijk de mensen zagen, dat zij, die toch zo ongeletterd en eenvoudig waren, zo wijs en standvastig spreken. Vandaar staat er in de Handelingen der Apostelen (4, 13): "Toen nu de Joden de vrijmoedigheid van Petrus en Joannes zagen, en vernamen, dat het ongeletterde en eenvoudige mensen waren, stonden ze verbaasd". — En toch zijn dergelijke geestelijke uitwerkingen, ofschoon ze onderscheiden zijn van de zichtbare wonderen, enig getuigenis voor Christus' leer en kracht: volgens het woord van Paulus uit de Brief aan de Hebreën (2, 4): "... en welke ook door God is betuigd door tekenen en wonderen en velerlei krachten, door gaven ook van de Heilige Geest". Maar Christus heeft toch ook in de zielen der mensen, vooral wat betreft het omzetten van de inwendige krachten, een enkel wonder gedaan. Vandaar zegt Hieronymus in zijn commentaar op de woorden van Mattheus (9, 9): "En hij stond op en volgde Hem" — "De glans en de majesteit van zijn verborgen Godheid, die zelfs haar glans verspreidde op zijn menselijk gelaat, waren in staat hen die het zagen, op het eerste gezicht er van tot Hem te trekken". — En op de woorden van Mattheus (21, 12): "Hij dreef allen uit, die er verkochten en kochten" zegt dezelfde Hieronymus (in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 21, 15): "Onder al de tekenen die de Heer gedaan heeft, lijkt mij uit het wonderlijkste, dat een mens, en dan nog wel iemand die toentertijd veracht werd, in staat was zo'n groote menigte met zweepslagen uit te werpen. Er straalde dan ook iets brandends en iets schitterends uit zijn oogen, en de majesteit van zijn Godheid lichtte op zijn aangezicht". En Origenes zegt (in de 11e Homelie op Joannes): "Dit is een grooter wonder, dan dat, waarbij water in wijn veranderd werd: want hier is alleen maar sprake van onbezielde stof, daar echter worden zooveel duizenden mensen bedwongen". — En op de tekst van Joannes (18, 6): "Ze deinsden terug, en vielen ter aarde" zegt Augustinus (112° Traktaat op het Evangelie van Joannes): "Een bende, wild van haat, en verschrikkelijk door haar wapenen: een enkel woord, zonder enig wapen, treft haar, doet haar terugdeinzen, velt haar neer: want God ging daar schuil in het vlees". — En hierop heeft ook betrekking wat Lucas zegt (4, 30), dat Jesus midden door hen heen ging en vertrok: bij welke plaats Chrysostomus zegt, dat in het midden van belagers staan en niet gegrepen worden, de verhevenheid van de Godheid aanduidde. En evenzo wat Joannes zegt (8, 59): "Jesus verborg zich en verliet de Tempel". Waarbij Augustinus (Theophylactus) zegt: "Hij verborg zich niet in een hoek van de Tempel, alsof Hij vrees had, en Hij ging ook niet achter een muur of een kolom staan: maar na zich door hemelse macht voor zijn belagers onzichtbaar gemaakt te hebben ging Hij, midden tusschen hen door, heen". Uit dit alles blijkt, dat Christus, als Hij wilde, door goddelijke macht de zielen der mensen veranderde, niet alleen door ze te rechtvaardigen, en wijsheid in te storten, wat tot het doel der wonderen behoort, maar ook door ze van buiten af aan te trekken, of te verschrikken of in verbazing te brengen, wat tot de wonderen zelf behoort.
B: (Luke 21:15) [b:Luke 21:15] (Acts 4:13) [b:Acts 4:13] (Heb 2:4) [b:Heb 2:4] (Wis 1:4) [b:Wis 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Christus was niet alleen gekomen om de wereld te redden door zijn goddelijke kracht, maar door het mysterie van zijn menswording. En daarom gebeurde het meerdere malen, dat Hij, bij het genezen van zieken, niet uitsluitend van zijn goddelijke macht gebruik maakte, door ze op bevel te genezen, maar er ook zijn mensheid op een of andere wijze in betrok. Vandaar zegt Cyrillus, bij de woorden van Lucas (4, 40): "Hij legde hun één voor één de handen op en genas ze". — "Ofschoon Hij, als God, alle ziekten door zijn woord had kunnen verdrijven, raakte Hij hen toch aan, daardoor aantoonde, dat zijn eigen vlees als geneesmiddel dienst kon doen". En op de woorden van Marcus (8, 23 en volg.): "Hij deed speeksel op zijn ogen, legde hem de handen op, etc.", zegt Chrysostomus: "Hij spuwde en legde de blinde de handen op, daarmee willende aantoonen dat het goddelijk woord, verbonden met een handeling, wonderen uitwerkt: want de hand duidt op de handeling, het speeksel op de woorden door de mond voortgebracht". — En op de woorden van Joannes (9, 6): "Hij maakte slijk van het speeksel en streek hem het slijk op de ogen", zegt Augustinus (44e Traktaat op het Evangelie van Joannes): "Hij maakte met behulp van zijn speeksel slijk: omdat "Het Woord is Vlees geworden". Of ook om aan te duiden, dat Hij het was, die van het slijk der aarde de mens gemaakt had, zoals Chrysostomus zegt (56° Homelie op Joannes). Men moet echter bij de wonderen van Christus ook dit in overweging nemen, dat in het algemeen wat Hij deed zeer volmaakt was. Vandaar zegt Chrysostomus op de woorden van Joannes (2, 10): "Iedereen schenkt eerst de goede wijn". — "Christus' wonderen zijn van die aard, dat er veel schonere en nuttiger dingen door tot standkomen, dan de natuur maakt". — En eveneens gaf Hij aan zieken in één ogenblik een volmaakte gezondheid. Vandaar dat bij de woorden van Mattheus (8, 15): "Ze stond op, en diende hen", Hieronymus zegt: "De gezondheid, die door de Heer gegeven wordt, keert ineens en helemaal terug". Dat echter in het bijzonder bij die blinde het tegendeel plaats had, geschiedde, zoals Chrysostomus zegt, om zijn ongeloof. — Ofwel, zoals Beda zegt (in het 2° boek van zijn Commentaar op Marcus, 8, 23): "Dien Hij met één woord ineens helemaal had kunnen genezen, geneest Hij nu langzamerhand, om de grootheid van de menselijke blindheid aan te tonen, die slechts nauwelijks, en als 't ware trapsgewijze, tot het licht weerkeert: en Hij wijst ons daardoor op zijn genade waardoor Hij iedere vooruitgang in de volmaaktheid te hulp komt".
B: (Matt 9:9) [b:Matt 9:9] (Matt 21:12) [b:Matt 21:12] (John 2:15) [b:John 2:15] (John 8:59, John 8:59) [b:John 8:59] (John 18:6) [b:John 18:6]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 86 a. 5 ad 1[t:iiia q. 86 a. 5 ad 1]
2e Weerlegging. Christus was niet alleen gekomen om de wereld te redden door zijn goddelijke kracht, maar door het mysterie van zijn menswording. En daarom gebeurde het meerdere malen, dat Hij, bij het genezen van zieken, niet uitsluitend van zijn goddelijke macht gebruik maakte, door ze op bevel te genezen, maar er ook zijn mensheid op een of andere wijze in betrok. Vandaar zegt Cyrillus, bij de woorden van Lucas (4, 40): "Hij legde hun één voor één de handen op en genas ze". — "Ofschoon Hij, als God, alle ziekten door zijn woord had kunnen verdrijven, raakte Hij hen toch aan, daardoor aantoonde, dat zijn eigen vlees als geneesmiddel dienst kon doen". En op de woorden van Marcus (8, 23 en volg.): "Hij deed speeksel op zijn ogen, legde hem de handen op, etc.", zegt Chrysostomus: "Hij spuwde en legde de blinde de handen op, daarmee willende aantoonen dat het goddelijk woord, verbonden met een handeling, wonderen uitwerkt: want de hand duidt op de handeling, het speeksel op de woorden door de mond voortgebracht". — En op de woorden van Joannes (9, 6): "Hij maakte slijk van het speeksel en streek hem het slijk op de ogen", zegt Augustinus (44e Traktaat op het Evangelie van Joannes): "Hij maakte met behulp van zijn speeksel slijk: omdat "Het Woord is Vlees geworden". Of ook om aan te duiden, dat Hij het was, die van het slijk der aarde de mens gemaakt had, zoals Chrysostomus zegt (56° Homelie op Joannes). Men moet echter bij de wonderen van Christus ook dit in overweging nemen, dat in het algemeen wat Hij deed zeer volmaakt was. Vandaar zegt Chrysostomus op de woorden van Joannes (2, 10): "Iedereen schenkt eerst de goede wijn". — "Christus' wonderen zijn van die aard, dat er veel schonere en nuttiger dingen door tot standkomen, dan de natuur maakt". — En eveneens gaf Hij aan zieken in één ogenblik een volmaakte gezondheid. Vandaar dat bij de woorden van Mattheus (8, 15): "Ze stond op, en diende hen", Hieronymus zegt: "De gezondheid, die door de Heer gegeven wordt, keert ineens en helemaal terug". Dat echter in het bijzonder bij die blinde het tegendeel plaats had, geschiedde, zoals Chrysostomus zegt, om zijn ongeloof. — Ofwel, zoals Beda zegt (in het 2° boek van zijn Commentaar op Marcus, 8, 23): "Dien Hij met één woord ineens helemaal had kunnen genezen, geneest Hij nu langzamerhand, om de grootheid van de menselijke blindheid aan te tonen, die slechts nauwelijks, en als 't ware trapsgewijze, tot het licht weerkeert: en Hij wijst ons daardoor op zijn genade waardoor Hij iedere vooruitgang in de volmaaktheid te hulp komt".
B: (Matt 9:9) [b:Matt 9:9] (Matt 21:12) [b:Matt 21:12] (John 2:15) [b:John 2:15] (John 8:59, John 8:59) [b:John 8:59] (John 18:6) [b:John 18:6]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 86 a. 5 ad 1[t:iiia q. 86 a. 5 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Christus verrichtte zijn wonderen, zoals boven gezegd is (43° Kw., 2° Art.) met goddelijke kracht. Gods werken zijn echter volmaakt, zoals geschreven staat in het Boek Deuteronomium (32, 4). Nu is echter iets niet volmaakt, als het zijn doel niet bereikt. Het doel echter van een uiterlijke genezing door Christus verricht, is de genezing der ziel. En dus paste het Christus niet iemands lichaam te genezen, zonder zijn ziel gezond te maken. Vandaar zegt Augustinus (30° Traktaat op het Evangelie van Joannes) op de woorden van Joannes (7, 23) : "Ik heb op de Sabbat een mens geheel en al gezond gemaakt". — "Hij werd genezen, om lichamelijk gezond te zijn; en hij geloofde, opdat zijn ziel gezond zou zijn". Tot de lamme echter wordt er meer in het bijzonder bij gezegd: "Uw zonden worden u vergeven", omdat, zoals Hieronymus zegt (in het 1° boek van zijn Commentaar op Mattheus, 9, 5 en 6) hierdoor ons te verstaan wordt gegeven, dat veel lichamelijke kwalen in de zonden hun oorzaak hebben: en daarom misschien worden wel eerst de zonden vergeven, opdat, nu de oorzaken van de kwaal zijn weggenomen, de gezondheid kan hersteld worden. — Vandaar wordt er ook bij Joannes gezegd (5, 14): "Zondig niet meer, opdat u niet ergers overkomt". Waaruit wij leren kunnen, zoals Chrysostomus zegt (38° Homelie op Joannes), dat hem zijn ziekte uit de zonde voortgekomen was. Ofschoon toch ook, zoals Chrysostomus zegt (29° Homelie op Mattheus): "het vergeven van zonden zoveel meer is als het gezond maken van een lichaam, als de ziel voornamer is dan het lichaam: omdat dat echter niet zo duidelijk is, doet hij het mindere wat het duidelijkste is, om zo het grootere te tonen en wat niet zo duidelijk is".
R: q. 43 a. 2[t:iiia q. 43 a. 2]
3e Weerlegging. Christus verrichtte zijn wonderen, zoals boven gezegd is (43° Kw., 2° Art.) met goddelijke kracht. Gods werken zijn echter volmaakt, zoals geschreven staat in het Boek Deuteronomium (32, 4). Nu is echter iets niet volmaakt, als het zijn doel niet bereikt. Het doel echter van een uiterlijke genezing door Christus verricht, is de genezing der ziel. En dus paste het Christus niet iemands lichaam te genezen, zonder zijn ziel gezond te maken. Vandaar zegt Augustinus (30° Traktaat op het Evangelie van Joannes) op de woorden van Joannes (7, 23) : "Ik heb op de Sabbat een mens geheel en al gezond gemaakt". — "Hij werd genezen, om lichamelijk gezond te zijn; en hij geloofde, opdat zijn ziel gezond zou zijn". Tot de lamme echter wordt er meer in het bijzonder bij gezegd: "Uw zonden worden u vergeven", omdat, zoals Hieronymus zegt (in het 1° boek van zijn Commentaar op Mattheus, 9, 5 en 6) hierdoor ons te verstaan wordt gegeven, dat veel lichamelijke kwalen in de zonden hun oorzaak hebben: en daarom misschien worden wel eerst de zonden vergeven, opdat, nu de oorzaken van de kwaal zijn weggenomen, de gezondheid kan hersteld worden. — Vandaar wordt er ook bij Joannes gezegd (5, 14): "Zondig niet meer, opdat u niet ergers overkomt". Waaruit wij leren kunnen, zoals Chrysostomus zegt (38° Homelie op Joannes), dat hem zijn ziekte uit de zonde voortgekomen was. Ofschoon toch ook, zoals Chrysostomus zegt (29° Homelie op Mattheus): "het vergeven van zonden zoveel meer is als het gezond maken van een lichaam, als de ziel voornamer is dan het lichaam: omdat dat echter niet zo duidelijk is, doet hij het mindere wat het duidelijkste is, om zo het grootere te tonen en wat niet zo duidelijk is".
R: q. 43 a. 2[t:iiia q. 43 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Op de woorden van Mattheus (9, 30): "Let er op, dat niemand het te weten komt" zegt Chrysostomus: "Wat hier gezegd wordt is niet in tegenspraak met wat Hij aan een ander zegt: "Ga heen en verkondig Gods glorie". Want Hij leert ons hen te beletten, die ons om ons zelf willen prijzen. Indien echter de eer tot God teruggebracht wordt, dan moeten we het niet beletten maar zo iets veeleer opleggen".
B: (Mark 8:23) [b:Mark 8:23] (Luke 4:40) [b:Luke 4:40] (John 9:6) [b:John 9:6]
4e Weerlegging. Op de woorden van Mattheus (9, 30): "Let er op, dat niemand het te weten komt" zegt Chrysostomus: "Wat hier gezegd wordt is niet in tegenspraak met wat Hij aan een ander zegt: "Ga heen en verkondig Gods glorie". Want Hij leert ons hen te beletten, die ons om ons zelf willen prijzen. Indien echter de eer tot God teruggebracht wordt, dan moeten we het niet beletten maar zo iets veeleer opleggen".
B: (Mark 8:23) [b:Mark 8:23] (Luke 4:40) [b:Luke 4:40] (John 9:6) [b:John 9:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Of de wonderen, die Christus in de redeloze schepselen gedaan heeft wel goed zijn geweest
IIIa q. 44 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus geen passende wonderen heeft verricht m.b.t. de onredelijke schepselen. De dieren zijn immers edeler dan de planten. Maar Christus heeft in de planten een enkel wonder gedaan, b.v. toen op zijn woord de vijgeboom verdorde, zoals te lezen staat bij *Matthus* (21, 19). Dus schijnt het wel, dat Christus ook in de dieren een wonder had moeten doen.
B: (Matt 21:19) [b:Matt 21:19]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus geen passende wonderen heeft verricht m.b.t. de onredelijke schepselen. De dieren zijn immers edeler dan de planten. Maar Christus heeft in de planten een enkel wonder gedaan, b.v. toen op zijn woord de vijgeboom verdorde, zoals te lezen staat bij *Matthus* (21, 19). Dus schijnt het wel, dat Christus ook in de dieren een wonder had moeten doen.
B: (Matt 21:19) [b:Matt 21:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Een straf wordt alleen rechtvaardig opgelegd als er schuld tegenover staat. Maar het was niet de schuld van de vijgeboom, dat Christus er geen vrucht aan vond, toen het de tijd voor de vruchten niet was. Dus schijnt het wel niet passend te zijn geweest, dat Hij hem deed verdorren.
B: (Mark 11:13) [b:Mark 11:13]
Vervolgens. Een straf wordt alleen rechtvaardig opgelegd als er schuld tegenover staat. Maar het was niet de schuld van de vijgeboom, dat Christus er geen vrucht aan vond, toen het de tijd voor de vruchten niet was. Dus schijnt het wel niet passend te zijn geweest, dat Hij hem deed verdorren.
B: (Mark 11:13) [b:Mark 11:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Lucht en water nemen het midden in tussen de hemel en de aarde. Maar Christus verrichtte sommige wonderen in de hemel, zoals boven gezegd is (2° Art.). Zo ook in de aarde: toen namelijk bij zijn lijden de aarde bewogen werd. Dus had Hij ook in de lucht en het water sommige wonderen moeten doen: zoals bijvoorbeeld een zee vaneen scheiden, zoals Moses gedaan heeft; of een rivier, zoals Josue en Elias gedaan hebben; en een onweer in de lucht laten plaats hebben zoals geschied is op de berg Sinaï, toen de wet gegeven werd, en zoals Elias gedaan heeft, zoals blijkt uit het 3e Boek der Koningen (18, 45).
B: (Exod 14:21) [b:Exod 14:21] (Exod 19:16) [b:Exod 19:16] (Josh 3:16) [b:Josh 3:16] (Matt 27:51) [b:Matt 27:51]
R: q. 44 a. 2[t:iiia q. 44 a. 2]
Vervolgens. Lucht en water nemen het midden in tussen de hemel en de aarde. Maar Christus verrichtte sommige wonderen in de hemel, zoals boven gezegd is (2° Art.). Zo ook in de aarde: toen namelijk bij zijn lijden de aarde bewogen werd. Dus had Hij ook in de lucht en het water sommige wonderen moeten doen: zoals bijvoorbeeld een zee vaneen scheiden, zoals Moses gedaan heeft; of een rivier, zoals Josue en Elias gedaan hebben; en een onweer in de lucht laten plaats hebben zoals geschied is op de berg Sinaï, toen de wet gegeven werd, en zoals Elias gedaan heeft, zoals blijkt uit het 3e Boek der Koningen (18, 45).
B: (Exod 14:21) [b:Exod 14:21] (Exod 19:16) [b:Exod 19:16] (Josh 3:16) [b:Josh 3:16] (Matt 27:51) [b:Matt 27:51]
R: q. 44 a. 2[t:iiia q. 44 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 4 arg. 4
Vervolgens. Wonderen doen, is taak van wereldbestuur door de goddelijke voorzienigheid. Deze taak veronderstelt echter de schepping. Het schijnt dus niet passend te zijn geweest, dat Christus bij zijn wonderen gebruik gemaakt heeft van de schepping, zoals bijvoorbeeld toen Hij brood vermenigvuldigde. Zijn wonderen in de redeloze schepsels schijnen dus wel niet passend te zijn geweest.
Vervolgens. Wonderen doen, is taak van wereldbestuur door de goddelijke voorzienigheid. Deze taak veronderstelt echter de schepping. Het schijnt dus niet passend te zijn geweest, dat Christus bij zijn wonderen gebruik gemaakt heeft van de schepping, zoals bijvoorbeeld toen Hij brood vermenigvuldigde. Zijn wonderen in de redeloze schepsels schijnen dus wel niet passend te zijn geweest.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Christus Gods wijsheid is, waarvan geschreven staat in het Boek der wijsheid (8, 1): "Zij bestuurt alles met zachtheid".
B: (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24] (Wis 8:1) [b:Wis 8:1]
Daartegenover staat echter, dat Christus Gods wijsheid is, waarvan geschreven staat in het Boek der wijsheid (8, 1): "Zij bestuurt alles met zachtheid".
B: (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24] (Wis 8:1) [b:Wis 8:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (Vorig Art). hadden de wonderen van Christus tot doel, dat, tot heil der mensen, de kracht der Godheid in Hem gekend zou worden. Het is echter eigen aan de goddelijke kracht, dat alle schepselen haar onderworpen zijn. En dus behoorde Christus zijn wonderen te verrichten in alle soorten van schepselen, en niet alleen in de mensen, maar ook in de redeloze schepselen.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (Vorig Art). hadden de wonderen van Christus tot doel, dat, tot heil der mensen, de kracht der Godheid in Hem gekend zou worden. Het is echter eigen aan de goddelijke kracht, dat alle schepselen haar onderworpen zijn. En dus behoorde Christus zijn wonderen te verrichten in alle soorten van schepselen, en niet alleen in de mensen, maar ook in de redeloze schepselen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De dieren staan, wat hun geslacht betreft, dicht bij de mensen: vandaar zijn ze ook op dezelfde dag tegelijk met de mensen gemaakt. En omdat Hij nu in de lichamen der mensen vele wonderen verricht had, behoefde Hij geen wonderen meer te doen in de lichamen der dieren, vooral omdat, wat hun zintuigelijke en lichamelijke natuur betreft, de mensen en de dieren, in het bijzonder die op de aarde leven, op een lijn staan. De vissen echter staan verder af van de natuur der mensen, omdat ze in het water leven: vandaar werden ze ook op een andere dag geschapen. In hen heeft Christus een wonder gedaan bij de wonderbare visvangst, zoals te lezen staat bij Lucas (5, 4 en volg.) en Joannes (21, 6); en evenzo in de vis die Petrus ving en waarin hij een stater vond. — Dat echter de zwijnen in de zee neerstorten, was geen goddelijke wonderwerking, maar een werking van de duivelen met toelating van God.
B: (Matt 17:26) [b:Matt 17:26] (Luke 5) [b:Luke 5] (John 21) [b:John 21]
1e Weerlegging. De dieren staan, wat hun geslacht betreft, dicht bij de mensen: vandaar zijn ze ook op dezelfde dag tegelijk met de mensen gemaakt. En omdat Hij nu in de lichamen der mensen vele wonderen verricht had, behoefde Hij geen wonderen meer te doen in de lichamen der dieren, vooral omdat, wat hun zintuigelijke en lichamelijke natuur betreft, de mensen en de dieren, in het bijzonder die op de aarde leven, op een lijn staan. De vissen echter staan verder af van de natuur der mensen, omdat ze in het water leven: vandaar werden ze ook op een andere dag geschapen. In hen heeft Christus een wonder gedaan bij de wonderbare visvangst, zoals te lezen staat bij Lucas (5, 4 en volg.) en Joannes (21, 6); en evenzo in de vis die Petrus ving en waarin hij een stater vond. — Dat echter de zwijnen in de zee neerstorten, was geen goddelijke wonderwerking, maar een werking van de duivelen met toelating van God.
B: (Matt 17:26) [b:Matt 17:26] (Luke 5) [b:Luke 5] (John 21) [b:John 21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (67e Homelie op Mattheus): "Als de Heer iets dergelijks doet in planten of dieren, moet je niet navragen hoe het mogelijk is, dat die vijgeboom op een rechtvaardige wijze verdorde, als het er de tijd niet voor was: want zo iets vragen is een bewijs van uiterste dwaasheid, want bij dergelijke wezens wordt geen schuld en straf gevonden: maar bezie het wonder, en bewonder Hem die het verrichtte". Ook doet de Schepper de bezitter geen onrecht aan, als Hij van zijn schepsel naar eigen goedvinden tot heil van anderen gebruik maakt: maar veel meer "vinden we hierin". zoals Hilarius zegt (in zijn Commentaar op Matthius, 21° H. n° 6): "een bewijs voor Gods goedheid. Want als Hij een voorbeeld wilde bijbrengen van het door Hem veroorzaakte heil, oefende Hij de macht van zijn vermogen uit in menselijke lichamen; maar als Hij tegenover hardnekkigen de omvang van zijn gestrengheid liet gelden, gaf Hij een beeld van het toekomstige te kennen door de verwerping van een boom". En om een bijzondere reden in de vijgeboom, die, zoals Chrysostomus zegt (t. a. p.) buitengewoon vochtig is, opdat het wonder nog klaarblijkender zijn zou.
B: (Matt 21:19) [b:Matt 21:19] (Matt 21:19) [b:Matt 21:19] (Matt 21:19) [b:Matt 21:19]
2e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Chrysostomus (67e Homelie op Mattheus): "Als de Heer iets dergelijks doet in planten of dieren, moet je niet navragen hoe het mogelijk is, dat die vijgeboom op een rechtvaardige wijze verdorde, als het er de tijd niet voor was: want zo iets vragen is een bewijs van uiterste dwaasheid, want bij dergelijke wezens wordt geen schuld en straf gevonden: maar bezie het wonder, en bewonder Hem die het verrichtte". Ook doet de Schepper de bezitter geen onrecht aan, als Hij van zijn schepsel naar eigen goedvinden tot heil van anderen gebruik maakt: maar veel meer "vinden we hierin". zoals Hilarius zegt (in zijn Commentaar op Matthius, 21° H. n° 6): "een bewijs voor Gods goedheid. Want als Hij een voorbeeld wilde bijbrengen van het door Hem veroorzaakte heil, oefende Hij de macht van zijn vermogen uit in menselijke lichamen; maar als Hij tegenover hardnekkigen de omvang van zijn gestrengheid liet gelden, gaf Hij een beeld van het toekomstige te kennen door de verwerping van een boom". En om een bijzondere reden in de vijgeboom, die, zoals Chrysostomus zegt (t. a. p.) buitengewoon vochtig is, opdat het wonder nog klaarblijkender zijn zou.
B: (Matt 21:19) [b:Matt 21:19] (Matt 21:19) [b:Matt 21:19] (Matt 21:19) [b:Matt 21:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Christus heeft ook wonderen verricht in het water en de lucht zoals Hem goed dacht: toen hij nl., zoals te lezen staat bij Mattheus (8, 26), de winden en het meer gebood, en er een grote kalmte ontstond. Het paste Hem echter niet, Hem, die alles tot vrede en rust was komen brengen, om ofwel de lucht in beweging te brengen of de wateren te verdelen. Vandaar zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (12, 18): "Ge zijt niet toegetreden tot een tastbare berg, niet tot brandend vuur, duisternis, donkere wolk, storm". Bij zijn lijden echter, scheurde het voorhangsel, om aan te tonen dat de mysteries der wet nu toegankelijk waren geworden; gingen de graven open, om aan te tonen, dat door zijn dood aan de doden het leven zou gegeven worden; beefde de aarde en spleten de steenrotsen vaneen, om aan te tonen, dat de stenen harten der mensen door zijn lijden week zouden worden, en dat de gehele wereld door de kracht van zijn lijden er beter op moest worden.
B: (Matt 8:26) [b:Matt 8:26] (Heb 12:18) [b:Heb 12:18]
3e Weerlegging. Christus heeft ook wonderen verricht in het water en de lucht zoals Hem goed dacht: toen hij nl., zoals te lezen staat bij Mattheus (8, 26), de winden en het meer gebood, en er een grote kalmte ontstond. Het paste Hem echter niet, Hem, die alles tot vrede en rust was komen brengen, om ofwel de lucht in beweging te brengen of de wateren te verdelen. Vandaar zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (12, 18): "Ge zijt niet toegetreden tot een tastbare berg, niet tot brandend vuur, duisternis, donkere wolk, storm". Bij zijn lijden echter, scheurde het voorhangsel, om aan te tonen dat de mysteries der wet nu toegankelijk waren geworden; gingen de graven open, om aan te tonen, dat door zijn dood aan de doden het leven zou gegeven worden; beefde de aarde en spleten de steenrotsen vaneen, om aan te tonen, dat de stenen harten der mensen door zijn lijden week zouden worden, en dat de gehele wereld door de kracht van zijn lijden er beter op moest worden.
B: (Matt 8:26) [b:Matt 8:26] (Heb 12:18) [b:Heb 12:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 44 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. De vermenigvuldiging der broden is niet door schepping tot stand gekomen, maar door toevoeging van andere stof in broden omgezet. Vandaar zegt Augustinus (24e Traktaat op het Evangelie van Joannes): "Waarmee Hij uit weinig zaadkorrels het graan vermenigvuldigde, daarmee vermenigvuldigde Hij in zijn handen vijf broden".
4e Weerlegging. De vermenigvuldiging der broden is niet door schepping tot stand gekomen, maar door toevoeging van andere stof in broden omgezet. Vandaar zegt Augustinus (24e Traktaat op het Evangelie van Joannes): "Waarmee Hij uit weinig zaadkorrels het graan vermenigvuldigde, daarmee vermenigvuldigde Hij in zijn handen vijf broden".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 45: Over de gedaanteverandering van Christus
IIIa q. 45 pr.
IIIa q. 45 pr. Vervolgens moeten we Christus’ gedaanteverandering behandelen, en daaromtrent stellen we vier vragen: 1. Was het passend, dat Christus van gedaante veranderd werd? 2. Was de heerlijkheid der gedaanteverandering de hemelse heerlijkheid? 3. Over de getuigen bij de gedaanteverandering. 4. Over het getuigenis van de stem des Vaders.
IIIa q. 45 pr. Vervolgens moeten we Christus’ gedaanteverandering behandelen, en daaromtrent stellen we vier vragen: 1. Was het passend, dat Christus van gedaante veranderd werd? 2. Was de heerlijkheid der gedaanteverandering de hemelse heerlijkheid? 3. Over de getuigen bij de gedaanteverandering. 4. Over het getuigenis van de stem des Vaders.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was het passend, dat Christus van gedaante veranderd werd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 45 a. 3 co.[t:iiia q. 45 a. 3 co.]
IIIa q. 45 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat Christus van gedaante veranderd werd. Het komt immers niet aan een echt, maar wel aan een schuilichaam toe, in verschillende gedaanten veranderd te worden. Christus’ lichaam was echter geen schijn-, maar een werkelijk lichaam, zoals boven uiteengezet is (5° Kw., 1° Art.). Dus schijnt het wel, dat Hij niet van gedaante moest veranderd worden.
R: q. 5 a. 1[t:iiia q. 5 a. 1]
IIIa q. 45 a. 3 co.[t:iiia q. 45 a. 3 co.]
IIIa q. 45 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend is geweest, dat Christus van gedaante veranderd werd. Het komt immers niet aan een echt, maar wel aan een schuilichaam toe, in verschillende gedaanten veranderd te worden. Christus’ lichaam was echter geen schijn-, maar een werkelijk lichaam, zoals boven uiteengezet is (5° Kw., 1° Art.). Dus schijnt het wel, dat Hij niet van gedaante moest veranderd worden.
R: q. 5 a. 1[t:iiia q. 5 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De figuur is een hoedanigheid van de vierde soort: de glans echter van de derde, daar het een zintuigelijk waarneembare hoedanigheid is. Het aannemen van een zekere glans door Christus moet dus geen gedaanteverandering genoemd worden.
Vervolgens. De figuur is een hoedanigheid van de vierde soort: de glans echter van de derde, daar het een zintuigelijk waarneembare hoedanigheid is. Het aannemen van een zekere glans door Christus moet dus geen gedaanteverandering genoemd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Zoals later gezegd zal worden (Suppl. 82° Kw., en vlg.), heeft het verheerlijkte lichaam vier eigenschappen: en wel onlijdelijkheid, vlugheid, doordringbaarheid, en glans. Christus moest dus niet alleen van gedaante veranderd worden, door de glans, maar ook door de andere gaven aan te nemen.
Vervolgens. Zoals later gezegd zal worden (Suppl. 82° Kw., en vlg.), heeft het verheerlijkte lichaam vier eigenschappen: en wel onlijdelijkheid, vlugheid, doordringbaarheid, en glans. Christus moest dus niet alleen van gedaante veranderd worden, door de glans, maar ook door de andere gaven aan te nemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, wat we lezen bij Mattheus (17, 2), dat Jezus van gedaante veranderd werd voor de ogen van drie zijner leerlingen.
B: (Matt 17:2) [b:Matt 17:2]
Daartegenover staat echter, wat we lezen bij Mattheus (17, 2), dat Jezus van gedaante veranderd werd voor de ogen van drie zijner leerlingen.
B: (Matt 17:2) [b:Matt 17:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 1 co.
Mijn antwoord. Toen de Heer zijn lijden voorspeld had, had Hij zijn leerlingen aangespoord zijn lijden na te volgen. Nu is het noodzakelijk dat, wil iemand ergens recht op afgaan, hij het doel enigermate kent: zoals een boogschutter de pijl niet goed zal schieten als hij niet eerst het doel gezien heeft, waarnaar geschoten moet worden. Vandaar zegt ook Thomas, bij Joannes (14, 5): "Heer, wij weten niet eens waar Gij heengaat; hoe zouden wij dan de weg kennen?" En dit is vooral dan noodzakelijk, als de weg moeilijk en oneffen is, en de tocht zwaar, het doel daarentegen aangenaam. Door zijn lijden nu zou Christus de glorie verkrijgen, niet alleen van zijn ziel, welke Hij al van het begin van zijn ontvangenis af bezat, maar ook van zijn lichaam, volgens Lucas (24, 26): "Moest de Christus dit alles niet lijden, en zo zijn glorie binnengaan?" Hiertoe brengt Hij ook hen, die de voetstappen van zijn lijden volgen, volgens de woorden uit de Handelingen der Apostelen (14, 21): "Door veel verdrukkingen moeten we het koninkrijk Gods ingaan". En dus had het zin, zijn leerlingen de glorie van zijn heerlijkheid te tonen (wat hetzelfde zeggen wil als: moest Hij van gedaante veranderd worden) waaraan Hij de zijnen zal gelijk maken, volgens het woord van Paulus uit zijn Brief aan de Philippensen (3, 21): "Hij zal ons vernederd lichaam herscheppen aan zijn verheerlijk lichaam gelijk". Vandaar zegt Beda (in het 3e boek van zijn Uitleg op Marcus, 8, 39): "Een liefdevolle beschikking heeft bewerkt, dat, nu ze voor heel even de aanschouwing der altijd blijvende glorie geproefd hadden, zij des te moediger tegenspoed zouden verduren".
B: (Matt 16:21) [b:Matt 16:21] (Matt 16:24) [b:Matt 16:24] (Mark 8, Mark 8:39) [b:Mark 8] (John 14:5) [b:John 14:5] (Acts 14:21) [b:Acts 14:21] (Phil 3:21) [b:Phil 3:21]
Mijn antwoord. Toen de Heer zijn lijden voorspeld had, had Hij zijn leerlingen aangespoord zijn lijden na te volgen. Nu is het noodzakelijk dat, wil iemand ergens recht op afgaan, hij het doel enigermate kent: zoals een boogschutter de pijl niet goed zal schieten als hij niet eerst het doel gezien heeft, waarnaar geschoten moet worden. Vandaar zegt ook Thomas, bij Joannes (14, 5): "Heer, wij weten niet eens waar Gij heengaat; hoe zouden wij dan de weg kennen?" En dit is vooral dan noodzakelijk, als de weg moeilijk en oneffen is, en de tocht zwaar, het doel daarentegen aangenaam. Door zijn lijden nu zou Christus de glorie verkrijgen, niet alleen van zijn ziel, welke Hij al van het begin van zijn ontvangenis af bezat, maar ook van zijn lichaam, volgens Lucas (24, 26): "Moest de Christus dit alles niet lijden, en zo zijn glorie binnengaan?" Hiertoe brengt Hij ook hen, die de voetstappen van zijn lijden volgen, volgens de woorden uit de Handelingen der Apostelen (14, 21): "Door veel verdrukkingen moeten we het koninkrijk Gods ingaan". En dus had het zin, zijn leerlingen de glorie van zijn heerlijkheid te tonen (wat hetzelfde zeggen wil als: moest Hij van gedaante veranderd worden) waaraan Hij de zijnen zal gelijk maken, volgens het woord van Paulus uit zijn Brief aan de Philippensen (3, 21): "Hij zal ons vernederd lichaam herscheppen aan zijn verheerlijk lichaam gelijk". Vandaar zegt Beda (in het 3e boek van zijn Uitleg op Marcus, 8, 39): "Een liefdevolle beschikking heeft bewerkt, dat, nu ze voor heel even de aanschouwing der altijd blijvende glorie geproefd hadden, zij des te moediger tegenspoed zouden verduren".
B: (Matt 16:21) [b:Matt 16:21] (Matt 16:24) [b:Matt 16:24] (Mark 8, Mark 8:39) [b:Mark 8] (John 14:5) [b:John 14:5] (Acts 14:21) [b:Acts 14:21] (Phil 3:21) [b:Phil 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Hieronymus uit het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus (17, 2): "Niemand meene dat Christus, als we zeggen dat Hij van gedaante veranderd werd, zijn oorspronkelijke gedaante en aanschijn verloren had, of zijn werkelijk lichaam had doen ophouden en een geestelijk of een uit lucht gevormd lichaam had aangenomen. Maar hoe Hij dan van gedaante veranderd werd, laat de Evangelist zien, waar hij zegt: "Zijn aangezicht schitterde als de zon, en zijn klederen werden wit als sneeuw". Waar dus gewezen wordt op de luister van zijn aangezicht, en de verblindend witte kleur van de klederen beschreven wordt, daar wordt het eigenlijke niet te niet gedaan, maar alleen de glorie veranderd".
B: (Matt 17:2) [b:Matt 17:2]
1e Weerlegging. Hierop is te antwoorden met de woorden van Hieronymus uit het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus (17, 2): "Niemand meene dat Christus, als we zeggen dat Hij van gedaante veranderd werd, zijn oorspronkelijke gedaante en aanschijn verloren had, of zijn werkelijk lichaam had doen ophouden en een geestelijk of een uit lucht gevormd lichaam had aangenomen. Maar hoe Hij dan van gedaante veranderd werd, laat de Evangelist zien, waar hij zegt: "Zijn aangezicht schitterde als de zon, en zijn klederen werden wit als sneeuw". Waar dus gewezen wordt op de luister van zijn aangezicht, en de verblindend witte kleur van de klederen beschreven wordt, daar wordt het eigenlijke niet te niet gedaan, maar alleen de glorie veranderd".
B: (Matt 17:2) [b:Matt 17:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De figuur is iets van de buitenste omtrek van het lichaam: want de figuur is datgene wat door grens of grenzen omvat wordt. En zo schijnt al datgene, wat met de buitenste omtrek van het lichaam samenhangt, op een of andere manier tot de figuur te behoren. Zoals nu de kleur, zo is ook de glans van een niet doorschijnend lichaam iets van zijn oppervlakte. En daarom wordt verheerlijking ook gedaanteverandering (I) genoemd.
2e Weerlegging. De figuur is iets van de buitenste omtrek van het lichaam: want de figuur is datgene wat door grens of grenzen omvat wordt. En zo schijnt al datgene, wat met de buitenste omtrek van het lichaam samenhangt, op een of andere manier tot de figuur te behoren. Zoals nu de kleur, zo is ook de glans van een niet doorschijnend lichaam iets van zijn oppervlakte. En daarom wordt verheerlijking ook gedaanteverandering (I) genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Van de genoemde vier gaven is de heerlijkheid alleen een hoedanigheid van de persoon als zodanig: de drie andere gaven worden niet waargenomen, dan in een of andere handeling of beweging, of wanneer men iets ondergaat. Christus gaf derhalve in zichzelf soms een aanduiding van die drie gaven: van de lichtheid bijvoorbeeld, toen Hij over de golven van het meer wandelde; van de doordringbaarheid, toen Hij door de gesloten schoot der Maagd uitging; van de onlijdelijkheid, toen Hij ongedeerd aan de handen der Joden ontsnapte toen ze Hem ofwel naar beneden wilden werpen of wilden stenigen. Toch kan men niet zeggen, dat Hij daarom van gedaante veranderd werd: maar alleen om de heerlijkheid, die bij het uiterlijk voorkomen van de persoon behoort.
3e Weerlegging. Van de genoemde vier gaven is de heerlijkheid alleen een hoedanigheid van de persoon als zodanig: de drie andere gaven worden niet waargenomen, dan in een of andere handeling of beweging, of wanneer men iets ondergaat. Christus gaf derhalve in zichzelf soms een aanduiding van die drie gaven: van de lichtheid bijvoorbeeld, toen Hij over de golven van het meer wandelde; van de doordringbaarheid, toen Hij door de gesloten schoot der Maagd uitging; van de onlijdelijkheid, toen Hij ongedeerd aan de handen der Joden ontsnapte toen ze Hem ofwel naar beneden wilden werpen of wilden stenigen. Toch kan men niet zeggen, dat Hij daarom van gedaante veranderd werd: maar alleen om de heerlijkheid, die bij het uiterlijk voorkomen van de persoon behoort.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was die heerlijkheid de heerlijkheid der glorie?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 81 a. 3 co.[t:iiia q. 81 a. 3 co.]
IIIa q. 45 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat die heerlijkheid niet de heerlijkheid der glorie was. De Glossa van Beda immers zegt op de woorden van Mattheus (17, 2): "En Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd": "In het sterfelijk lichaam toonde Hij niet de onsterfelijkheid, maar een heerlijkheid gelijk aan de toekomstige onsterfelijkheid". Maar de hemelse heerlijkheid is de glans der onsterfelijkheid. De heerlijkheid, welke Christus dus aan zijn leerlingen liet zien was niet de heerlijkheid der glorie.
B: (Matt 17:2) [b:Matt 17:2]
IIIa q. 81 a. 3 co.[t:iiia q. 81 a. 3 co.]
IIIa q. 45 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat die heerlijkheid niet de heerlijkheid der glorie was. De Glossa van Beda immers zegt op de woorden van Mattheus (17, 2): "En Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd": "In het sterfelijk lichaam toonde Hij niet de onsterfelijkheid, maar een heerlijkheid gelijk aan de toekomstige onsterfelijkheid". Maar de hemelse heerlijkheid is de glans der onsterfelijkheid. De heerlijkheid, welke Christus dus aan zijn leerlingen liet zien was niet de heerlijkheid der glorie.
B: (Matt 17:2) [b:Matt 17:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Op de tekst van Lucas (9, 27): "Zij zullen de dood niet smaken, voordat ze het koninkrijk Gods hebben gezien", zegt de Glossa van Beda: "d. i.: de verheerlijking van het lichaam in een imaginaire voorstelling, van de toekomstige gelukzaligheid". Maar het beeld ener zaak is niet de zaak zelf. Dus was die heerlijkheid niet de heerlijkheid der gelukzaligheid.
B: (Luke 9:27) [b:Luke 9:27]
Vervolgens. Op de tekst van Lucas (9, 27): "Zij zullen de dood niet smaken, voordat ze het koninkrijk Gods hebben gezien", zegt de Glossa van Beda: "d. i.: de verheerlijking van het lichaam in een imaginaire voorstelling, van de toekomstige gelukzaligheid". Maar het beeld ener zaak is niet de zaak zelf. Dus was die heerlijkheid niet de heerlijkheid der gelukzaligheid.
B: (Luke 9:27) [b:Luke 9:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De heerlijkheid der glorie is alleen iets in het menselijk lichaam. Maar de heerlijkheid der gedaanteverandering verscheen niet alleen in het lichaam van Christus, maar ook in zijn klederen, en in de lichtende wolk die de leerlingen overschaduwde. Dus schijnt het wel, dat die heerlijkheid niet de hemelse heerlijkheid was.
Vervolgens. De heerlijkheid der glorie is alleen iets in het menselijk lichaam. Maar de heerlijkheid der gedaanteverandering verscheen niet alleen in het lichaam van Christus, maar ook in zijn klederen, en in de lichtende wolk die de leerlingen overschaduwde. Dus schijnt het wel, dat die heerlijkheid niet de hemelse heerlijkheid was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter dat Hieronymus zegt in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus (17, 2): "Zoals Hij ten tijde van het oordeel zijn zal, zo verscheen Hij aan zijn Apostelen". En op de woorden van Mattheus (16, 28): ...voordat ze de mensenzoon zien komen in zijn koningschap, zegt Chrysostomus (56° Homelie op Mattheus): "Daar Hij wilde laten zien, welke die heerlijkheid zijn zal waarin Hij later zal komen, gaf Hij hun daarvan in het tegenwoordige leven een openbaring. Zoals het (ook) mogelijk was hen te onderrichten, opdat ze nu ook niet bedroefd zouden zijn bij de dood van de Heer".
B: (Matt 16:28) [b:Matt 16:28] (Matt 17:2) [b:Matt 17:2]
Daartegenover staat echter dat Hieronymus zegt in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus (17, 2): "Zoals Hij ten tijde van het oordeel zijn zal, zo verscheen Hij aan zijn Apostelen". En op de woorden van Mattheus (16, 28): ...voordat ze de mensenzoon zien komen in zijn koningschap, zegt Chrysostomus (56° Homelie op Mattheus): "Daar Hij wilde laten zien, welke die heerlijkheid zijn zal waarin Hij later zal komen, gaf Hij hun daarvan in het tegenwoordige leven een openbaring. Zoals het (ook) mogelijk was hen te onderrichten, opdat ze nu ook niet bedroefd zouden zijn bij de dood van de Heer".
B: (Matt 16:28) [b:Matt 16:28] (Matt 17:2) [b:Matt 17:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 2 co.
Mijn antwoord. De heerlijkheid, die Christus bij de gedaanteverandering aannam, was, wat het wezenlijke betreft, de hemelse heerlijkheid, echter niet wat de zijnswijze betreft. Want de heerlijkheid van het verheerlijkte lichaam is een uitvloeisel van de heerlijkheid der ziel, zoals Augustinus zegt in zijn Brief aan Dioscorus. En evenzo was de heerlijkheid van Christus’ lichaam bij de gedaanteverandering een uitvloeisel van zijn Godheid, zoals Damascenus zegt, en van de heerlijkheid zijner ziel. Want, dat de glorie zijner ziel van de aanvang der ontvangenis van Christus af niet overstroomde op zijn lichaam, geschiedde door goddelijke tusschenkomst, opdat Hij in een lijdelijk lichaam de geheimenissen onzer verlossing zou vervullen, zoals boven (14° Kw., 1° Art., Antw. op de 2° B.) gezegd is. Daardoor werd aan Christus echter niet de macht ontnomen de glorie zijner ziel te doen uitstroomen over het lichaam. En dit nu deed Hij, wat de heerlijkheid betreft, bij de gedaanteverandering: op een andere wijze echter als in een verheerlijk lichaam plaats vindt. Want de heerlijkheid die van de ziel over het verheerlijkte lichaam uitstroomt is als een hoedanigheid, die het lichaam blijvend verrijkt. Vandaar is het niets wonderlijks in een verheerlijk lichaam, dat het licht uitstraalt. Maar bij de gedaanteverandering is de heerlijkheid van Christus’ Godheid en ziel uitgestroomd over zijn lichaam niet als een hoedanigheid, die het lichaam bijbleef en vervulde, maar veeleer bij wijze van een voorbijgaande aandoening, zoals de lucht door de zon verlicht wordt. Zoodoende was die glans, welke toen in Christus’ lichaam verscheen, iets wonderbaars, zoals ook het feit, dat Hij op de baren van het meer wandelde. Vandaar zegt Dionysius (4° Brief aan Caius): "Christus doet de menselijke dingen op een bovenmenselijke wijze: en dit bewijst de Maagd, toen zij op een bovennatuurlijke wijze ontving; en het onbegaanbare water, toen het de zwaarte van stoffelijke en aardse voeten uithield". Vandaar mag men niet zeggen, wat Hugo van S. Victor gezegd heeft, dat Christus de gave der heerlijkheid aangenomen heeft bij de gedaanteverandering, die der lichtheid toen Hij over het water wandelde, en die der doordringbaarheid toen Hij uit de gesloten schoot der Maagd naar buiten trad, en die der onlijdelijkheid bij het Laatste Avondmaal, toen Hij zijn lichaam als spijs gaf, zonder dat het verdeeld werd: want een gave wijst op een blijvende hoedanigheid in het verheerlijkte lichaam. Maar op wonderdadige wijze bezat Hij de eigenschappen der gaven. Hetzelfde had Paulus, wat de ziel betreft, toen hij in geestverrukking God zag zoals gezegd is in het Tweede Deel (IIa IIae 175° Kw., 3° Art., Antw. op de 2° B.).
R: q. 14 a. 1 ad 2[t:iiia q. 14 a. 1 ad 2] IIa-IIae q. 175 a. 3 ad 2[t:iia-iiae q. 175 a. 3 ad 2]
Mijn antwoord. De heerlijkheid, die Christus bij de gedaanteverandering aannam, was, wat het wezenlijke betreft, de hemelse heerlijkheid, echter niet wat de zijnswijze betreft. Want de heerlijkheid van het verheerlijkte lichaam is een uitvloeisel van de heerlijkheid der ziel, zoals Augustinus zegt in zijn Brief aan Dioscorus. En evenzo was de heerlijkheid van Christus’ lichaam bij de gedaanteverandering een uitvloeisel van zijn Godheid, zoals Damascenus zegt, en van de heerlijkheid zijner ziel. Want, dat de glorie zijner ziel van de aanvang der ontvangenis van Christus af niet overstroomde op zijn lichaam, geschiedde door goddelijke tusschenkomst, opdat Hij in een lijdelijk lichaam de geheimenissen onzer verlossing zou vervullen, zoals boven (14° Kw., 1° Art., Antw. op de 2° B.) gezegd is. Daardoor werd aan Christus echter niet de macht ontnomen de glorie zijner ziel te doen uitstroomen over het lichaam. En dit nu deed Hij, wat de heerlijkheid betreft, bij de gedaanteverandering: op een andere wijze echter als in een verheerlijk lichaam plaats vindt. Want de heerlijkheid die van de ziel over het verheerlijkte lichaam uitstroomt is als een hoedanigheid, die het lichaam blijvend verrijkt. Vandaar is het niets wonderlijks in een verheerlijk lichaam, dat het licht uitstraalt. Maar bij de gedaanteverandering is de heerlijkheid van Christus’ Godheid en ziel uitgestroomd over zijn lichaam niet als een hoedanigheid, die het lichaam bijbleef en vervulde, maar veeleer bij wijze van een voorbijgaande aandoening, zoals de lucht door de zon verlicht wordt. Zoodoende was die glans, welke toen in Christus’ lichaam verscheen, iets wonderbaars, zoals ook het feit, dat Hij op de baren van het meer wandelde. Vandaar zegt Dionysius (4° Brief aan Caius): "Christus doet de menselijke dingen op een bovenmenselijke wijze: en dit bewijst de Maagd, toen zij op een bovennatuurlijke wijze ontving; en het onbegaanbare water, toen het de zwaarte van stoffelijke en aardse voeten uithield". Vandaar mag men niet zeggen, wat Hugo van S. Victor gezegd heeft, dat Christus de gave der heerlijkheid aangenomen heeft bij de gedaanteverandering, die der lichtheid toen Hij over het water wandelde, en die der doordringbaarheid toen Hij uit de gesloten schoot der Maagd naar buiten trad, en die der onlijdelijkheid bij het Laatste Avondmaal, toen Hij zijn lichaam als spijs gaf, zonder dat het verdeeld werd: want een gave wijst op een blijvende hoedanigheid in het verheerlijkte lichaam. Maar op wonderdadige wijze bezat Hij de eigenschappen der gaven. Hetzelfde had Paulus, wat de ziel betreft, toen hij in geestverrukking God zag zoals gezegd is in het Tweede Deel (IIa IIae 175° Kw., 3° Art., Antw. op de 2° B.).
R: q. 14 a. 1 ad 2[t:iiia q. 14 a. 1 ad 2] IIa-IIae q. 175 a. 3 ad 2[t:iia-iiae q. 175 a. 3 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Met die woorden wordt niet aangegeven dat de heerlijkheid van Christus niet de heerlijkheid der glorie was, maar wel, dat het niet de heerlijkheid van het verheerlijkte lichaam was. Want het lichaam van Christus was nog niet onsterfelijk. Gelijk het immers zo geregeld was, dat in Christus de glorie zijner ziel niet overstroomde naar het lichaam, zo kon het ook geregeld worden dat ze wél overstroomde wat de gave der heerlijkheid en niet wat de gave der onlijdelijkheid betreft.
1e Weerlegging. Met die woorden wordt niet aangegeven dat de heerlijkheid van Christus niet de heerlijkheid der glorie was, maar wel, dat het niet de heerlijkheid van het verheerlijkte lichaam was. Want het lichaam van Christus was nog niet onsterfelijk. Gelijk het immers zo geregeld was, dat in Christus de glorie zijner ziel niet overstroomde naar het lichaam, zo kon het ook geregeld worden dat ze wél overstroomde wat de gave der heerlijkheid en niet wat de gave der onlijdelijkheid betreft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Die heerlijkheid wordt een imaginaire genoemd, niet om uit te sluiten dat het een werkelijke heerlijkheid der glorie was, maar omdat het een zeker beeld ervan was, dat die volmaaktheid der glorie voorstelde, die het lichaam verheerlijkt zal doen zijn.
2e Weerlegging. Die heerlijkheid wordt een imaginaire genoemd, niet om uit te sluiten dat het een werkelijke heerlijkheid der glorie was, maar omdat het een zeker beeld ervan was, dat die volmaaktheid der glorie voorstelde, die het lichaam verheerlijkt zal doen zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals de heerlijkheid van Christus’ lichaam de toekomstige heerlijkheid van zijn lichaam voorstelde, zo duidt de heerlijkheid van zijn klederen op de toekomstige heerlijkheid der heiligen, die overtroffen zal worden door de heerlijkheid van Christus, zoals de glans der sneeuw door die der zon overtroffen wordt. Vandaar zegt Gregorius in zijn Zedekundige Verhandelingen (32° B., 6° H.) dat de klederen van Christus begonnen te schitteren, omdat op het toppunt hunner hoogste heerlijkheid alle heiligen, stralend door het licht der gerechtigheid, Hem zullen aanhangen. Want met het woord klederen duidt hij de rechtvaardigen aan, die Hij met zich zal verenigen, volgens de woorden van Isaïas (49, 18): "Met al dezen zult u als met een praalgewaad bekleden". De lichtende wolk echter betekent de glorie van de Heilige Geest, of de kracht des Vaders, zoals Origenes zegt (in zijn 3e Traktaat op Mattheus) die de heiligen in de toekomstige glorie zal beschermen. — Ofschoon ze ook heel passend de heerlijkheid der vernieuwde wereld zou kunnen betekenen, die de woontent der heiligen zal zijn. Vandaar dat, toen Petrus tenten wilde gaan maken, een lichtende wolk de leerlingen overschaduwde.
R: IIa-IIae q. 175 a. 3 ad 2[t:iia-iiae q. 175 a. 3 ad 2]
3e Weerlegging. Zoals de heerlijkheid van Christus’ lichaam de toekomstige heerlijkheid van zijn lichaam voorstelde, zo duidt de heerlijkheid van zijn klederen op de toekomstige heerlijkheid der heiligen, die overtroffen zal worden door de heerlijkheid van Christus, zoals de glans der sneeuw door die der zon overtroffen wordt. Vandaar zegt Gregorius in zijn Zedekundige Verhandelingen (32° B., 6° H.) dat de klederen van Christus begonnen te schitteren, omdat op het toppunt hunner hoogste heerlijkheid alle heiligen, stralend door het licht der gerechtigheid, Hem zullen aanhangen. Want met het woord klederen duidt hij de rechtvaardigen aan, die Hij met zich zal verenigen, volgens de woorden van Isaïas (49, 18): "Met al dezen zult u als met een praalgewaad bekleden". De lichtende wolk echter betekent de glorie van de Heilige Geest, of de kracht des Vaders, zoals Origenes zegt (in zijn 3e Traktaat op Mattheus) die de heiligen in de toekomstige glorie zal beschermen. — Ofschoon ze ook heel passend de heerlijkheid der vernieuwde wereld zou kunnen betekenen, die de woontent der heiligen zal zijn. Vandaar dat, toen Petrus tenten wilde gaan maken, een lichtende wolk de leerlingen overschaduwde.
R: IIa-IIae q. 175 a. 3 ad 2[t:iia-iiae q. 175 a. 3 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Zijn bij de gedaanteverandering wel de gepaste getuigen opgevoerd?
IIIa q. 45 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat bij de gedaanteverandering niet de gepaste getuigen zijn opgevoerd. Iemand kan immers het best getuigenis afleggen van bekende dingen. Maar ten tijde van Christus’ gedaanteverandering was de aard zijner toekomstige heerlijkheid nog aan geen mens uit ervaring bekend, doch alleen aan de engelen. Dus hadden de getuigen der gedaanteverandering veeleer engelen dan mensen moeten zijn.
Over het derde als volgt. Men beweert, dat bij de gedaanteverandering niet de gepaste getuigen zijn opgevoerd. Iemand kan immers het best getuigenis afleggen van bekende dingen. Maar ten tijde van Christus’ gedaanteverandering was de aard zijner toekomstige heerlijkheid nog aan geen mens uit ervaring bekend, doch alleen aan de engelen. Dus hadden de getuigen der gedaanteverandering veeleer engelen dan mensen moeten zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Getuigen voor de waarheid past geen fictie maar waarachtigheid. Moses en Elias waren daar echter niet werkelijk tegenwoordig, doch slechts in schijn. Want een Glossa zegt bij Lucas (9, 30): "Het waren Moses en Elias enz.": "Men diene te weten, dat niet het lichaam noch de zielen van Moses of Elias daar verschenen zijn, maar dat die lichamen gevormd waren in een ondergeschikt schepsel. Men kan ook aannemen, dat zulks geschiedde met behulp van engelen, zodat engelen hun gedaante aangenomen hebben". Het schijnt dus wel, dat het de gepaste getuigen niet waren.
B: (Luke 9:30) [b:Luke 9:30]
Vervolgens. Getuigen voor de waarheid past geen fictie maar waarachtigheid. Moses en Elias waren daar echter niet werkelijk tegenwoordig, doch slechts in schijn. Want een Glossa zegt bij Lucas (9, 30): "Het waren Moses en Elias enz.": "Men diene te weten, dat niet het lichaam noch de zielen van Moses of Elias daar verschenen zijn, maar dat die lichamen gevormd waren in een ondergeschikt schepsel. Men kan ook aannemen, dat zulks geschiedde met behulp van engelen, zodat engelen hun gedaante aangenomen hebben". Het schijnt dus wel, dat het de gepaste getuigen niet waren.
B: (Luke 9:30) [b:Luke 9:30]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 3 arg. 3
Vervolgens. In de Handelingen der Apostelen (10, 43) wordt gezegd, dat van Christus al de profeten getuigen. Dus hadden niet alleen Moses en Elias als getuigen aanwezig moeten zijn, maar ook alle profeten.
B: (Acts 10:43) [b:Acts 10:43]
Vervolgens. In de Handelingen der Apostelen (10, 43) wordt gezegd, dat van Christus al de profeten getuigen. Dus hadden niet alleen Moses en Elias als getuigen aanwezig moeten zijn, maar ook alle profeten.
B: (Acts 10:43) [b:Acts 10:43]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 3 arg. 4
Vervolgens. De heerlijkheid van Christus wordt aan alle gelovigen beloofd en daarom wilde Hij ze door zijn gedaanteverandering ontvlammen in verlangen naar die heerlijkheid. Hij had dus niet alleen Petrus, Jacobus en Johannes als getuigen zijner gedaanteverandering moeten meenemen, maar al de leerlingen.
B: (2Cor 3:18) [b:2Cor 3:18] (Phil 3:21) [b:Phil 3:21]
Vervolgens. De heerlijkheid van Christus wordt aan alle gelovigen beloofd en daarom wilde Hij ze door zijn gedaanteverandering ontvlammen in verlangen naar die heerlijkheid. Hij had dus niet alleen Petrus, Jacobus en Johannes als getuigen zijner gedaanteverandering moeten meenemen, maar al de leerlingen.
B: (2Cor 3:18) [b:2Cor 3:18] (Phil 3:21) [b:Phil 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter het gezag van de Evangelien.
Daartegenover staat echter het gezag van de Evangelien.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (1e Art.) wilde Christus van gedaante veranderd worden om zijn heerlijkheid aan de mensen te tonen en ze op te wekken er naar te verlangen. Nu worden door Christus tot de heerlijkheid der eeuwige gelukzaligheid niet alleen de mensen gebracht die na Hem geweest zijn, maar ook die Hem vooraf zijn gegaan. Vandaar dat, toen Hij zich naar het lijden haastte, zowel de scharen die volgden, als die voorop gingen uitriepen: Hosanna, zoals Mattheus zegt (21, 9), alsof ze aan Hem hun heil vroegen. En daarom was het redelijk, dat er getuigen aanwezig waren uit die Hem voorafgingen, namelijk Moses en Elias, en uit die Hem volgden, namelijk Petrus, Jacobus en Johannes, opdat door de mond van twee of drie getuigen, dat woord bekrachtigd zou worden.
B: (Matt 21:9) [b:Matt 21:9]
R: q. 45 a. 1[t:iiia q. 45 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (1e Art.) wilde Christus van gedaante veranderd worden om zijn heerlijkheid aan de mensen te tonen en ze op te wekken er naar te verlangen. Nu worden door Christus tot de heerlijkheid der eeuwige gelukzaligheid niet alleen de mensen gebracht die na Hem geweest zijn, maar ook die Hem vooraf zijn gegaan. Vandaar dat, toen Hij zich naar het lijden haastte, zowel de scharen die volgden, als die voorop gingen uitriepen: Hosanna, zoals Mattheus zegt (21, 9), alsof ze aan Hem hun heil vroegen. En daarom was het redelijk, dat er getuigen aanwezig waren uit die Hem voorafgingen, namelijk Moses en Elias, en uit die Hem volgden, namelijk Petrus, Jacobus en Johannes, opdat door de mond van twee of drie getuigen, dat woord bekrachtigd zou worden.
B: (Matt 21:9) [b:Matt 21:9]
R: q. 45 a. 1[t:iiia q. 45 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Christus openbaarde door zijn gedaanteverandering zijn lichamelijke heerlijkheid, welke alleen aan de mensen toekomt. En dus was het passend, dat er hierbij geen engelen maar mensen als getuigen opgevoerd werden.
1e Weerlegging. Christus openbaarde door zijn gedaanteverandering zijn lichamelijke heerlijkheid, welke alleen aan de mensen toekomt. En dus was het passend, dat er hierbij geen engelen maar mensen als getuigen opgevoerd werden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Men zegt dat deze glossa genomen is uit het boek, dat tot titel heeft: Over de wondere gebeurtenissen der H. Schrift, welk boek niet authentiek is, maar ten onrechte wordt toegeschreven aan Augustinus. En daarom heeft deze glossa geen gezag. Want Hieronymus zegt (in het 3e boek van zijn Commentaar op Matthaeus, 17, 3): "Het verdient de aandacht, dat toen de schriftgeleerden en farizeën tekenen vroegen uit de hemel, Hij ze niet wilde geven. Hier echter geeft Hij, om het geloof der apostelen te vermeerderen, wel een teken uit de hemel, doordat nl. Elias neerdaalde van waarheen hij opgestegen was en Moses uit de dood verrees". Dit moet nu niet zo verstaan worden, alsof de ziel van Moses haar eigen lichaam hernomen heeft, maar dat zijn ziel verschenen is door middel van een aangenomen lichaam, zoals de engelen verschijnen. Elias echter verscheen in zijn eigen lichaam: wel niet vanuit de hemel, maar van een of andere verheven plaats, waarheen hij in een vurige wagen weggevoerd was.
B: (Matt 17:3) [b:Matt 17:3]
2e Weerlegging. Men zegt dat deze glossa genomen is uit het boek, dat tot titel heeft: Over de wondere gebeurtenissen der H. Schrift, welk boek niet authentiek is, maar ten onrechte wordt toegeschreven aan Augustinus. En daarom heeft deze glossa geen gezag. Want Hieronymus zegt (in het 3e boek van zijn Commentaar op Matthaeus, 17, 3): "Het verdient de aandacht, dat toen de schriftgeleerden en farizeën tekenen vroegen uit de hemel, Hij ze niet wilde geven. Hier echter geeft Hij, om het geloof der apostelen te vermeerderen, wel een teken uit de hemel, doordat nl. Elias neerdaalde van waarheen hij opgestegen was en Moses uit de dood verrees". Dit moet nu niet zo verstaan worden, alsof de ziel van Moses haar eigen lichaam hernomen heeft, maar dat zijn ziel verschenen is door middel van een aangenomen lichaam, zoals de engelen verschijnen. Elias echter verscheen in zijn eigen lichaam: wel niet vanuit de hemel, maar van een of andere verheven plaats, waarheen hij in een vurige wagen weggevoerd was.
B: (Matt 17:3) [b:Matt 17:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Chrysostomus zegt in zijn Uitleg op Mattheus (56° Homelie) werden om vele redenen Moses en Elias opgevoerd. De eerste reden is de volgende: "Want omdat het volk zei, dat Hij Elias of Jeremias was of een der profeten, bracht Hij de voornaamsten van de profeten met zich mee, opdat tenminste op die manier het verschil zou blijken tussen de dienaren en de Heer". — De tweede reden is, dat Moses de wet gegeven heeft en Elias de ijveraar is geweest voor de glorie van de Heer. Vandaar wordt, doordat ze tegelijk met Christus verschijnen, de laster der Joden afgewezen, die Christus er van beschuldigden, dat Hij een wetsovertreder was en een godslasteraar, iemand die zich wederrechtelijk Gods glorie aanmatigde. — De derde reden is, om te laten zien, dat Hij de macht bezit over leven en dood en de rechter is van levenden en doden, wat hieruit bleek, dat Hij Moses, die reeds gestorven was, en Elias, die nog leefde, met zich meebracht, — De vierde reden is, omdat zij, zoals Lucas zegt (9, 31) "met Hem zijn uiteinde bespraken, dat Hij te Jeruzalem zou voltrekken", d. i. zijn lijden en dood. En om nu dienaangaande de leerlingen moed in te spreken, doet Hij hen verschijnen, die zich voor God aan de dood hebben blootgesteld; want Moses is met doodsgevaar voor Pharao verschenen, Elias echter voor Koning Achab. — De vijfde reden is, omdat Hij wilde dat zijn leerlingen de zachtmoedigheid van Moses en de ijver van Elias zouden navolgen. Hilarius voegt er nog een zesde reden aan toe, om aan te tonen nl. dat Hij door de wet, die Moses gegeven heeft, en door de profeten, waarvan Elias de voornaamste was, gepredikt was.
B: (Matt 17:3) [b:Matt 17:3]
3e Weerlegging. Zoals Chrysostomus zegt in zijn Uitleg op Mattheus (56° Homelie) werden om vele redenen Moses en Elias opgevoerd. De eerste reden is de volgende: "Want omdat het volk zei, dat Hij Elias of Jeremias was of een der profeten, bracht Hij de voornaamsten van de profeten met zich mee, opdat tenminste op die manier het verschil zou blijken tussen de dienaren en de Heer". — De tweede reden is, dat Moses de wet gegeven heeft en Elias de ijveraar is geweest voor de glorie van de Heer. Vandaar wordt, doordat ze tegelijk met Christus verschijnen, de laster der Joden afgewezen, die Christus er van beschuldigden, dat Hij een wetsovertreder was en een godslasteraar, iemand die zich wederrechtelijk Gods glorie aanmatigde. — De derde reden is, om te laten zien, dat Hij de macht bezit over leven en dood en de rechter is van levenden en doden, wat hieruit bleek, dat Hij Moses, die reeds gestorven was, en Elias, die nog leefde, met zich meebracht, — De vierde reden is, omdat zij, zoals Lucas zegt (9, 31) "met Hem zijn uiteinde bespraken, dat Hij te Jeruzalem zou voltrekken", d. i. zijn lijden en dood. En om nu dienaangaande de leerlingen moed in te spreken, doet Hij hen verschijnen, die zich voor God aan de dood hebben blootgesteld; want Moses is met doodsgevaar voor Pharao verschenen, Elias echter voor Koning Achab. — De vijfde reden is, omdat Hij wilde dat zijn leerlingen de zachtmoedigheid van Moses en de ijver van Elias zouden navolgen. Hilarius voegt er nog een zesde reden aan toe, om aan te tonen nl. dat Hij door de wet, die Moses gegeven heeft, en door de profeten, waarvan Elias de voornaamste was, gepredikt was.
B: (Matt 17:3) [b:Matt 17:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Hogere mysteries dienen niet onmiddellijk aan allen uiteengezet te worden, maar moeten door voornamere personen eerst ter zijner tijd tot de anderen afkomen. En daarom nam Hij, zoals Chrysostomus zegt (t. a. p.) er drie mee, en wel de voornaamsten. Want Petrus onderscheidde zich door de liefde, die hij voor Christus had, en ook door de hem toevertrouwde macht; Joannes daarentegen, doordat hij een voorrecht bezat in de liefde, die Christus hem toedroeg om zijn maagdelijkheid, en ook nog (omdat hij zich onderscheidde) door zijn bijzondere Evangelische leer; Jacobus echter (muntte uit) door zijn bijzonder martelaarschap. En toch wilde Hij niet, dat ze, wat ze gezien hadden, vóór zijn verrijzenis aan anderen zouden mededelen: opdat het niet, zoals Hieronymus zegt (in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 17, 9) om de grootsheid van het geval, voor ongelooflijk zou gehouden worden; en na zoveel glorie, het daarop volgende kruis ergernis zou verwekken; of ook wel, helemaal door het volk zou verhinderd worden en opdat ze, wanneer ze vervuld zouden zijn van de H. Geest, dan ook zouden op kunnen treden als getuigen van geestelijke gebeurtenissen.
B: (Matt 17:3) [b:Matt 17:3] (Matt 17:19) [b:Matt 17:19]
4e Weerlegging. Hogere mysteries dienen niet onmiddellijk aan allen uiteengezet te worden, maar moeten door voornamere personen eerst ter zijner tijd tot de anderen afkomen. En daarom nam Hij, zoals Chrysostomus zegt (t. a. p.) er drie mee, en wel de voornaamsten. Want Petrus onderscheidde zich door de liefde, die hij voor Christus had, en ook door de hem toevertrouwde macht; Joannes daarentegen, doordat hij een voorrecht bezat in de liefde, die Christus hem toedroeg om zijn maagdelijkheid, en ook nog (omdat hij zich onderscheidde) door zijn bijzondere Evangelische leer; Jacobus echter (muntte uit) door zijn bijzonder martelaarschap. En toch wilde Hij niet, dat ze, wat ze gezien hadden, vóór zijn verrijzenis aan anderen zouden mededelen: opdat het niet, zoals Hieronymus zegt (in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 17, 9) om de grootsheid van het geval, voor ongelooflijk zou gehouden worden; en na zoveel glorie, het daarop volgende kruis ergernis zou verwekken; of ook wel, helemaal door het volk zou verhinderd worden en opdat ze, wanneer ze vervuld zouden zijn van de H. Geest, dan ook zouden op kunnen treden als getuigen van geestelijke gebeurtenissen.
B: (Matt 17:3) [b:Matt 17:3] (Matt 17:19) [b:Matt 17:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Is er wel voldoende reden voor aan te geven, waarom het getuigenis van de stem des Vaders er nog bij kwam, zeggende: "Deze is mijn geliefde Zoon"?
IIIa q. 45 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat er geen voldoende reden voor aan te geven is, waarom de getuigenis van de stem des Vaders er nog bij moest komen, zeggende: "Deze is mijn geliefde Zoon". Want in het Boek Job staat (33, 14): "God spreekt eenmaal, en Hij herhaalt geen tweemaal hetzelfde". Maar bij het doopsel had de stem des Vaders hetzelfde getuigd. Dus was het niet passend, dat het nog eens bij de gedaanteverandering getuigd werd.
B: (Job 33:14) [b:Job 33:14]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat er geen voldoende reden voor aan te geven is, waarom de getuigenis van de stem des Vaders er nog bij moest komen, zeggende: "Deze is mijn geliefde Zoon". Want in het Boek Job staat (33, 14): "God spreekt eenmaal, en Hij herhaalt geen tweemaal hetzelfde". Maar bij het doopsel had de stem des Vaders hetzelfde getuigd. Dus was het niet passend, dat het nog eens bij de gedaanteverandering getuigd werd.
B: (Job 33:14) [b:Job 33:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Bij het doopsel was tegelijk met de stem des Vaders de H. Geest tegenwoordig, onder de gedaante van een duif. Wat niet gebeurd is bij de gedaanteverandering. Het getuigenis van de Vader was dus schijnbaar niet passend.
Vervolgens. Bij het doopsel was tegelijk met de stem des Vaders de H. Geest tegenwoordig, onder de gedaante van een duif. Wat niet gebeurd is bij de gedaanteverandering. Het getuigenis van de Vader was dus schijnbaar niet passend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Christus is na zijn doopsel begonnen te leraren. En toch had de stem van de Vader bij zijn doopsel de mensen niet aangespoord naar Hem te luisteren. Dus behoorde dat ook niet te gebeuren bij de gedaanteverandering.
Vervolgens. Christus is na zijn doopsel begonnen te leraren. En toch had de stem van de Vader bij zijn doopsel de mensen niet aangespoord naar Hem te luisteren. Dus behoorde dat ook niet te gebeuren bij de gedaanteverandering.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 4 arg. 4
Vervolgens. Aan sommigen moeten niet die dingen gezegd worden, die ze niet kunnen dragen, volgens het woord bij Joannes (16, 12): "Nog veel meer heb Ik u te zeggen, doch gij kunt het thans nog niet dragen". Maar de leerlingen konden de stem van de Vader niet verdragen, want bij Mattheus wordt gezegd (17, 6), dat, toen de leerlingen dit hoorden, ze op hun aangezicht neervielen, en zeer bevreesd werden. Dus had de Vader niet tot hen moeten spreken.
B: (Matt 17:6) [b:Matt 17:6] (John 16:12) [b:John 16:12]
Vervolgens. Aan sommigen moeten niet die dingen gezegd worden, die ze niet kunnen dragen, volgens het woord bij Joannes (16, 12): "Nog veel meer heb Ik u te zeggen, doch gij kunt het thans nog niet dragen". Maar de leerlingen konden de stem van de Vader niet verdragen, want bij Mattheus wordt gezegd (17, 6), dat, toen de leerlingen dit hoorden, ze op hun aangezicht neervielen, en zeer bevreesd werden. Dus had de Vader niet tot hen moeten spreken.
B: (Matt 17:6) [b:Matt 17:6] (John 16:12) [b:John 16:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter het gezag van de Evangelieën.
Daartegenover staat echter het gezag van de Evangelieën.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 4 co.
Mijn antwoord. De aanneming tot kinderen Gods geschiedt door een zekere gelijkvormigheid van het beeld aan de natuurlijke Zoon van God. Dit nu heeft op een tweevoudige manier plaats, en wel ten eerste door de genade die we ontvangen in dit leven, welke genade een onvolmaakte gelijkvormigheid geeft; ten tweede, door de glorie, wat een volmaakte gelijkvormigheid geeft, volgens de Eerste Brief van Joannes (3, 2): "Thans reeds zijn we kinderen Gods; maar nog is het niet openbaar geworden, wat we zullen zijn. Toch weten we, dat wanneer de openbaring gekomen is, wij aan Hem gelijk zullen zijn; want we zullen Hem zien zoals Hij is". Omdat wij derhalve door het doopsel de genade verkrijgen, bij de gedaanteverandering echter de heerlijkheid der toekomstige glorie vooruit getoond werd, daarom was het redelijk, dat én bij het doopsel, én bij de gedaanteverandering door het getuigenis van de Vader het natuurlijk Zoonschap van Christus werd geopenbaard: want Hij alleen is zich, tegelijk met de Zoon en de H. Geest, volmaakt bewust van die volmaakte voortkomst.
B: (1John 3:2) [b:1John 3:2]
Mijn antwoord. De aanneming tot kinderen Gods geschiedt door een zekere gelijkvormigheid van het beeld aan de natuurlijke Zoon van God. Dit nu heeft op een tweevoudige manier plaats, en wel ten eerste door de genade die we ontvangen in dit leven, welke genade een onvolmaakte gelijkvormigheid geeft; ten tweede, door de glorie, wat een volmaakte gelijkvormigheid geeft, volgens de Eerste Brief van Joannes (3, 2): "Thans reeds zijn we kinderen Gods; maar nog is het niet openbaar geworden, wat we zullen zijn. Toch weten we, dat wanneer de openbaring gekomen is, wij aan Hem gelijk zullen zijn; want we zullen Hem zien zoals Hij is". Omdat wij derhalve door het doopsel de genade verkrijgen, bij de gedaanteverandering echter de heerlijkheid der toekomstige glorie vooruit getoond werd, daarom was het redelijk, dat én bij het doopsel, én bij de gedaanteverandering door het getuigenis van de Vader het natuurlijk Zoonschap van Christus werd geopenbaard: want Hij alleen is zich, tegelijk met de Zoon en de H. Geest, volmaakt bewust van die volmaakte voortkomst.
B: (1John 3:2) [b:1John 3:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Die tekst moet men laten slaan op het eeuwig spreken van God, waardoor God de Vader een enig Woord voortbacht, aan zichzelf gelijk in eeuwigheid. En toch kan men zeggen, dat God tweemaal hetzelfde met een lichamelijke stem gesproken heeft, alhoewel niet om dezelfde reden; maar om de verschillende wijzen aan te tonen, waarop de mensen deel kunnen hebben aan de gelijkenis van het eeuwige Zoonschap.
1e Weerlegging. Die tekst moet men laten slaan op het eeuwig spreken van God, waardoor God de Vader een enig Woord voortbacht, aan zichzelf gelijk in eeuwigheid. En toch kan men zeggen, dat God tweemaal hetzelfde met een lichamelijke stem gesproken heeft, alhoewel niet om dezelfde reden; maar om de verschillende wijzen aan te tonen, waarop de mensen deel kunnen hebben aan de gelijkenis van het eeuwige Zoonschap.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Evenals bij het doopsel, waar het geheim der eerste wedergeboorte verkondigd werd, de werking der gehele Drievuldigheid aangeduid werd, doordat de vleesgeworden Zoon aanwezig was, de H. Geest onder de gedaante van een duif verscheen, en de Vader er bekend gemaakt werd in de stem, zo verscheen ook de gehele Drievuldigheid bij de gedaanteverandering, dat het sacrament is der tweede wedergeboorte, en wel de Vader in de stem, de Zoon in de mens, en de H. Geest in de lichtende wolk. Want zoals Hij in het doopsel de onschuld schenkt, die aangeduid wordt door de eenvoud van de duif, zo zal Hij bij de verrijzenis aan zijn uitverkorenen de heerlijkheid der glorie schenken en de beschutting tegen alle kwaad, wat alles aangeduid wordt in de lichtende wolk.
2e Weerlegging. Evenals bij het doopsel, waar het geheim der eerste wedergeboorte verkondigd werd, de werking der gehele Drievuldigheid aangeduid werd, doordat de vleesgeworden Zoon aanwezig was, de H. Geest onder de gedaante van een duif verscheen, en de Vader er bekend gemaakt werd in de stem, zo verscheen ook de gehele Drievuldigheid bij de gedaanteverandering, dat het sacrament is der tweede wedergeboorte, en wel de Vader in de stem, de Zoon in de mens, en de H. Geest in de lichtende wolk. Want zoals Hij in het doopsel de onschuld schenkt, die aangeduid wordt door de eenvoud van de duif, zo zal Hij bij de verrijzenis aan zijn uitverkorenen de heerlijkheid der glorie schenken en de beschutting tegen alle kwaad, wat alles aangeduid wordt in de lichtende wolk.
Referenties naar deze alinea: 3
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=
Vita Consecrata ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Christus was gekomen om de genade feitelijk mede te delen, doch om de glorie slechts met zijn woord te beloven. En daarom was het passend, dat er bij de gedaanteverandering mensen tegenwoordig waren om naar Hem te luisteren, wat niet noodig was bij het doopsel.
3e Weerlegging. Christus was gekomen om de genade feitelijk mede te delen, doch om de glorie slechts met zijn woord te beloven. En daarom was het passend, dat er bij de gedaanteverandering mensen tegenwoordig waren om naar Hem te luisteren, wat niet noodig was bij het doopsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 45 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. Het was passend dat de leerlingen door de stem van de Vader verschrikt en neergeworpen werden: zo zou nl. aangetoond worden, dat de hoogheid der glorie, die op dat moment getoond werd, alle gevoel en vermogen der stervelingen te boven gaat, volgens het Boek van de Uittocht (33, 20): "Geen mens zal mij zien en leven". En hierop doelt Hieronymus, als hij (in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 17, 6) zegt, dat de menselijke broosheid niet bestand is tegen het aanschouwen van wat hogere glorie is. De mensen worden echter door Christus genezen van die broosheid als Hij ze de glorie in zal voeren. Wat betekend wordt door de woorden, welke Hij tot hen sprak: Staat op, wilt niet vrezen.
B: (Exod 33:20) [b:Exod 33:20] (Matt 17:6) [b:Matt 17:6]
4e Weerlegging. Het was passend dat de leerlingen door de stem van de Vader verschrikt en neergeworpen werden: zo zou nl. aangetoond worden, dat de hoogheid der glorie, die op dat moment getoond werd, alle gevoel en vermogen der stervelingen te boven gaat, volgens het Boek van de Uittocht (33, 20): "Geen mens zal mij zien en leven". En hierop doelt Hieronymus, als hij (in het 3e boek van zijn Commentaar op Mattheus, 17, 6) zegt, dat de menselijke broosheid niet bestand is tegen het aanschouwen van wat hogere glorie is. De mensen worden echter door Christus genezen van die broosheid als Hij ze de glorie in zal voeren. Wat betekend wordt door de woorden, welke Hij tot hen sprak: Staat op, wilt niet vrezen.
B: (Exod 33:20) [b:Exod 33:20] (Matt 17:6) [b:Matt 17:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 46: Over het lijden van Christus
IIIa q. 46 pr.
Vervolgens moet behandeld worden, wat behoort tot het heengaan van Christus uit de wereld, en wel, ten eerste over zijn lijden; ten tweede over zijn dood (50e Kw.); ten derde over zijn begrafenis (51e Kw.); ten vierde over zijn afdalen naar de onderwereld (52e Kw.). Met betrekking tot het lijden moet een drievoudige behandeling volgen. De eerste handelt over het lijden zelf; de tweede over de uitwerkende oorzaak van het lijden (47e Kw.); de derde over de vrucht van het lijden (48e Kw.).
Aangaande het eerste punt stellen wij twaalf vragen:
1. Was het voor de bevrijding der mensen noodzakelijk, dat Christus leed?
2. Was er een andere wijze mogelijk om de mensen te verlossen?
3. Was deze wijze ook de meest geschikte?
4. Was het passend, dat Hij leed op een kruis?
5. Over de algemeenheid van zijn lijden.
6. Was de smart, die Hij bij zijn lijden verduurde, de aller-grootste?
7. Heeft geheel zijn ziel geleden?
8. Was zijn lijden een beletsel voor de vreugde der genieting?
9. Over de tijd van het lijden.
10. Over de plaats.
11. Was het passend, dat Hij met moordenaars gekruisigd werd?
12. Moet het lijden van de Christus toegeschreven worden aan zijn Godheid?
Vervolgens moet behandeld worden, wat behoort tot het heengaan van Christus uit de wereld, en wel, ten eerste over zijn lijden; ten tweede over zijn dood (50e Kw.); ten derde over zijn begrafenis (51e Kw.); ten vierde over zijn afdalen naar de onderwereld (52e Kw.). Met betrekking tot het lijden moet een drievoudige behandeling volgen. De eerste handelt over het lijden zelf; de tweede over de uitwerkende oorzaak van het lijden (47e Kw.); de derde over de vrucht van het lijden (48e Kw.).
Aangaande het eerste punt stellen wij twaalf vragen:
1. Was het voor de bevrijding der mensen noodzakelijk, dat Christus leed?
2. Was er een andere wijze mogelijk om de mensen te verlossen?
3. Was deze wijze ook de meest geschikte?
4. Was het passend, dat Hij leed op een kruis?
5. Over de algemeenheid van zijn lijden.
6. Was de smart, die Hij bij zijn lijden verduurde, de aller-grootste?
7. Heeft geheel zijn ziel geleden?
8. Was zijn lijden een beletsel voor de vreugde der genieting?
9. Over de tijd van het lijden.
10. Over de plaats.
11. Was het passend, dat Hij met moordenaars gekruisigd werd?
12. Moet het lijden van de Christus toegeschreven worden aan zijn Godheid?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was het voor de bevrijding van het menselijk geslacht noodzakelijk, dat Christus leed?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 46 a. 9 co.[t:iiia q. 46 a. 9 co.]
IIIa q. 46 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet noodzakelijk was voor de bevrijding van het menselijk geslacht, dat Christus leed. Het menselijk geslacht immers kon slechts bevrijd worden door God, zoals gezegd wordt bij *Isaïas* (45.21): "Ben Ik soms niet de Heer, en is er toch verder geen God buiten Mij? Een rechtvaardige en zaligmakende God is er niet buiten Mij." God echter is aan geen noodzaak onderworpen, daar dit in strijd zou komen met zijn almacht. Derhalve was het niet noodzakelijk, dat Christus leed.
B: (Isa 45:21) [b:Isa 45:21]
IIIa q. 46 a. 9 co.[t:iiia q. 46 a. 9 co.]
IIIa q. 46 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet noodzakelijk was voor de bevrijding van het menselijk geslacht, dat Christus leed. Het menselijk geslacht immers kon slechts bevrijd worden door God, zoals gezegd wordt bij *Isaïas* (45.21): "Ben Ik soms niet de Heer, en is er toch verder geen God buiten Mij? Een rechtvaardige en zaligmakende God is er niet buiten Mij." God echter is aan geen noodzaak onderworpen, daar dit in strijd zou komen met zijn almacht. Derhalve was het niet noodzakelijk, dat Christus leed.
B: (Isa 45:21) [b:Isa 45:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Noodzakelijk is het tegenovergestelde van vrijwillig. Christus echter heeft uit eigen wil geleden; want er staat bij Isaïas (55. 7): "Hij is geofferd, omdat Hij het zelf gewild heeft." Het was derhalve niet noodzakelijk dat Hij leed.
B: (Isa 53:7) [b:Isa 53:7]
Vervolgens. Noodzakelijk is het tegenovergestelde van vrijwillig. Christus echter heeft uit eigen wil geleden; want er staat bij Isaïas (55. 7): "Hij is geofferd, omdat Hij het zelf gewild heeft." Het was derhalve niet noodzakelijk dat Hij leed.
B: (Isa 53:7) [b:Isa 53:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Er wordt gezegd in het Boek der Psalmen (24. 10): "Al de wegen van God zijn barmhartigheid en waarheid." Dat Christus leed lijkt echter niet noodzakelijk uit het oogpunt der goddelijke barmhartigheid, want evenals deze gratis gaven uitdeelt, zo schijnt zij ook gratis, zonder voldoening, schulden te vergeven. Maar ook lijkt het niet noodzakelijk uit het oogpunt der goddelijke rechtvaardigheid, want volgens haar had de mens de eeuwige verwerping verdiend. Derhalve schijnt het niet noodzakelijk geweest te zijn, dat Christus leed voor de verlossing der mensen.
B: (Ps 24:10) [b:Ps 24:10]
Vervolgens. Er wordt gezegd in het Boek der Psalmen (24. 10): "Al de wegen van God zijn barmhartigheid en waarheid." Dat Christus leed lijkt echter niet noodzakelijk uit het oogpunt der goddelijke barmhartigheid, want evenals deze gratis gaven uitdeelt, zo schijnt zij ook gratis, zonder voldoening, schulden te vergeven. Maar ook lijkt het niet noodzakelijk uit het oogpunt der goddelijke rechtvaardigheid, want volgens haar had de mens de eeuwige verwerping verdiend. Derhalve schijnt het niet noodzakelijk geweest te zijn, dat Christus leed voor de verlossing der mensen.
B: (Ps 24:10) [b:Ps 24:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 1 arg. 4
Vervolgens. De natuur van een engel is verhevener dan die van een mens, zoals uit Dionysius blijkt. Maar Christus is niet gestorven voor het herstel van de engelen-natuur, die gezondigd had. Derhalve schijnt het ook niet noodzakelijk geweest te zijn, dat Hij leed voor het heil van het menselijk geslacht.
Vervolgens. De natuur van een engel is verhevener dan die van een mens, zoals uit Dionysius blijkt. Maar Christus is niet gestorven voor het herstel van de engelen-natuur, die gezondigd had. Derhalve schijnt het ook niet noodzakelijk geweest te zijn, dat Hij leed voor het heil van het menselijk geslacht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat er gezegd wordt bij Joannes (3. 14, 15): "Zoals Moses de slang ophief in de woestijn, zo moet ook de mensenzoon verheven worden, opdat alwie in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige leven zou bezitten". Dit nu wordt verstaan van de opheffing aan het kruis. Het heeft er dus wel de schijn van, dat Christus heeft moeten lijden.
B: (John 3:14) [b:John 3:14]
Daartegenover staat echter, dat er gezegd wordt bij Joannes (3. 14, 15): "Zoals Moses de slang ophief in de woestijn, zo moet ook de mensenzoon verheven worden, opdat alwie in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige leven zou bezitten". Dit nu wordt verstaan van de opheffing aan het kruis. Het heeft er dus wel de schijn van, dat Christus heeft moeten lijden.
B: (John 3:14) [b:John 3:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals de Wijsgeer zegt, wordt "noodzakelijk" meervoudig gebruikt. Vooreerst, wat volgens zijn natuur onmogelijk anders kan zijn; en zo opgevat, is het duidelijk, dat het niet noodzakelijk was, dat Christus leed, noch van Gods kant, noch van de kant van de mens. — Men noemt iets ook anders nog noodzakelijk, en wel om een reden, die van buiten dat ding komt. Is dit een werkende, of bewegende oorzaak, dan veroorzaakt dat dwangnoodzaak; b. v. wanneer iemand niet lopen kan, omdat iemand hem met geweld vasthoudt. Is echter datgene, wat van buitenaf noodzaak meebrengt, het doel, dan zal zo iets noodzakelijk heten, uit vooropgesteld doel; en dat is dan het geval wanneer zo'n doel ofwel op geen enkele wijze kan bereikt worden of althans niet op een behoorlijke wijze, tenzij met vooropstelling van een dergelijk doel (1). Het was derhalve niet noodzakelijk uit dwangnoodzakelijkheid dat Christus leed, noch van de kant van God, die bepaalde, dat Christus zou lijden, noch van de kant van Christus zelf, die vrijwillig geleden heeft. — Het was echter wel noodzakelijk volgens de doel-noodzakelijkheid. Deze kan men van drie zijden bezien. Vooreerst, van onze kant uit, die verlost zijn door zijn lijden, zoals geschreven staat bij Joannes (3. 14, 15): "De mensenzoon moet verheven worden, opdat alwie in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige leven zou hebben". Ten tweede, van de kant van Christus zelf, die door de vernedering van het lijden, de glorie der verheffing verdiend heeft. Hierop slaat, hetgeen gezegd wordt bij Lucas (24. 26): "Moest de Christus dan niet lijden, en zo binnengaan in zijn heerlijkheid?" Ten derde, van de kant van God, wiens besluit aangaande het lijden van Christus, zoals dit voorzegd was in de H. Schrift en voorafgebeeld in het O. Testament, vervuld moest worden. Zo moet ook verstaan worden, hetgeen gezegd wordt bij Lucas (24. 44, 46): "Dit zijn de woorden, die Ik tot u gesproken heb, toen Ik nog bij u was: alles wat over Mij geschreven staat in de Wet van Moses, in Profeten en Psalmen moet vervuld worden: ... Zo staat het geschreven en zo moest de Christus lijden en opstaan uit de doden".
B: (Luke 24:26) [b:Luke 24:26] (Luke 24:44) [b:Luke 24:44] (Luke 24:46) [b:Luke 24:46]
Mijn antwoord. Zoals de Wijsgeer zegt, wordt "noodzakelijk" meervoudig gebruikt. Vooreerst, wat volgens zijn natuur onmogelijk anders kan zijn; en zo opgevat, is het duidelijk, dat het niet noodzakelijk was, dat Christus leed, noch van Gods kant, noch van de kant van de mens. — Men noemt iets ook anders nog noodzakelijk, en wel om een reden, die van buiten dat ding komt. Is dit een werkende, of bewegende oorzaak, dan veroorzaakt dat dwangnoodzaak; b. v. wanneer iemand niet lopen kan, omdat iemand hem met geweld vasthoudt. Is echter datgene, wat van buitenaf noodzaak meebrengt, het doel, dan zal zo iets noodzakelijk heten, uit vooropgesteld doel; en dat is dan het geval wanneer zo'n doel ofwel op geen enkele wijze kan bereikt worden of althans niet op een behoorlijke wijze, tenzij met vooropstelling van een dergelijk doel (1). Het was derhalve niet noodzakelijk uit dwangnoodzakelijkheid dat Christus leed, noch van de kant van God, die bepaalde, dat Christus zou lijden, noch van de kant van Christus zelf, die vrijwillig geleden heeft. — Het was echter wel noodzakelijk volgens de doel-noodzakelijkheid. Deze kan men van drie zijden bezien. Vooreerst, van onze kant uit, die verlost zijn door zijn lijden, zoals geschreven staat bij Joannes (3. 14, 15): "De mensenzoon moet verheven worden, opdat alwie in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar het eeuwige leven zou hebben". Ten tweede, van de kant van Christus zelf, die door de vernedering van het lijden, de glorie der verheffing verdiend heeft. Hierop slaat, hetgeen gezegd wordt bij Lucas (24. 26): "Moest de Christus dan niet lijden, en zo binnengaan in zijn heerlijkheid?" Ten derde, van de kant van God, wiens besluit aangaande het lijden van Christus, zoals dit voorzegd was in de H. Schrift en voorafgebeeld in het O. Testament, vervuld moest worden. Zo moet ook verstaan worden, hetgeen gezegd wordt bij Lucas (24. 44, 46): "Dit zijn de woorden, die Ik tot u gesproken heb, toen Ik nog bij u was: alles wat over Mij geschreven staat in de Wet van Moses, in Profeten en Psalmen moet vervuld worden: ... Zo staat het geschreven en zo moest de Christus lijden en opstaan uit de doden".
B: (Luke 24:26) [b:Luke 24:26] (Luke 24:44) [b:Luke 24:44] (Luke 24:46) [b:Luke 24:46]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Deze redenering gaat uit van dwangnoodzakelijkheid van Gods kant.
1e Weerlegging. Deze redenering gaat uit van dwangnoodzakelijkheid van Gods kant.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Deze redenering gaat uit van dwangnoodzakelijkheid van de kant van de mens Christus.
2e Weerlegging. Deze redenering gaat uit van dwangnoodzakelijkheid van de kant van de mens Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Dat de mens door het lijden van Christus verlost werd, paste zowel aan zijn barmhartigheid, als aan zijn rechtvaardigheid. — Aan zijn rechtvaardigheid, omdat Christus door zijn lijden voldoening bracht voor de zonde van het menselijk geslacht, en zo is de mens door de rechtvaardigheid van Christus bevrijd. — Aan zijn barmhartigheid, omdat, nu de mens door zichzelf niet voldoen kon voor de zonden van geheel de menselijke natuur, zoals vroeger gezegd is (1° Kw. 2° Art.), God hem zijn Zoon als verlosser gaf, zoals geschreven staat in de Brief aan de Romeinen (3. 24): "Om niet worden zij gerechtvaardigd door zijn genade uit kracht der verlossing door Christus Jesus, die God gesteld heeft tot verzoener door het geloof in zijn bloed." En dit getuigde van grotere barmhartigheid, dan wanneer Hij de zonden had vergeven zonder voldoening. Vandaar staat er in de Brief aan de Ephesiërs (2. 4, 5): "God, die rijk is aan barmhartigheid, heeft om de grote liefde, die Hij ons toedroeg, ons in Christus mede levend gemaakt, toen wij dood waren door de zonden."
B: (Rom 3:24) [b:Rom 3:24] (Rom 3:25) [b:Rom 3:25] (Eph 2:4) [b:Eph 2:4]
R: q. 1 a. 2[t:iiia q. 1 a. 2]
3e Weerlegging. Dat de mens door het lijden van Christus verlost werd, paste zowel aan zijn barmhartigheid, als aan zijn rechtvaardigheid. — Aan zijn rechtvaardigheid, omdat Christus door zijn lijden voldoening bracht voor de zonde van het menselijk geslacht, en zo is de mens door de rechtvaardigheid van Christus bevrijd. — Aan zijn barmhartigheid, omdat, nu de mens door zichzelf niet voldoen kon voor de zonden van geheel de menselijke natuur, zoals vroeger gezegd is (1° Kw. 2° Art.), God hem zijn Zoon als verlosser gaf, zoals geschreven staat in de Brief aan de Romeinen (3. 24): "Om niet worden zij gerechtvaardigd door zijn genade uit kracht der verlossing door Christus Jesus, die God gesteld heeft tot verzoener door het geloof in zijn bloed." En dit getuigde van grotere barmhartigheid, dan wanneer Hij de zonden had vergeven zonder voldoening. Vandaar staat er in de Brief aan de Ephesiërs (2. 4, 5): "God, die rijk is aan barmhartigheid, heeft om de grote liefde, die Hij ons toedroeg, ons in Christus mede levend gemaakt, toen wij dood waren door de zonden."
B: (Rom 3:24) [b:Rom 3:24] (Rom 3:25) [b:Rom 3:25] (Eph 2:4) [b:Eph 2:4]
R: q. 1 a. 2[t:iiia q. 1 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 2
Haurietis aquas in gaudio ->=geentekst=Enkele vraagstukken over God als Verlosser ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. De zonde van een engel kon niet vergeven worden, zoals de zonde van een mens, gelijk gezegd is in het Eerste Deel (I. 64° Kw. 2° Art.).
R: I q. 64 a. 2[t:ia q. 64 a. 2]
4e Weerlegging. De zonde van een engel kon niet vergeven worden, zoals de zonde van een mens, gelijk gezegd is in het Eerste Deel (I. 64° Kw. 2° Art.).
R: I q. 64 a. 2[t:ia q. 64 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was er een andere wijze mogelijk, om den mens te verlossen, dan door het lijden van Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 56 a. 1 ad 2[t:iiia q. 56 a. 1 ad 2]
IIIa q. 46 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat er geen andere wijze mogelijk was om de menselijke natuur te verlossen, dan door het lijden van Christus. De Heer zegt immers bij Joannes (12. 24, 25): "Tenzij de graankorrel, die in de aarde valt, sterft, blijft hij alleen; zo hij echter sterft, brengt hij veel vrucht voort," waarbij Augustinus opmerkt dat "Hij zichzelf de graankorrel noemde." Tenzij Hij dus de dood onderging, had Hij op geen enkele andere wijze de vrucht onzer verlossing voortgebracht.
B: (John 12:24, John 12:24) [b:John 12:24]
IIIa q. 56 a. 1 ad 2[t:iiia q. 56 a. 1 ad 2]
IIIa q. 46 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat er geen andere wijze mogelijk was om de menselijke natuur te verlossen, dan door het lijden van Christus. De Heer zegt immers bij Joannes (12. 24, 25): "Tenzij de graankorrel, die in de aarde valt, sterft, blijft hij alleen; zo hij echter sterft, brengt hij veel vrucht voort," waarbij Augustinus opmerkt dat "Hij zichzelf de graankorrel noemde." Tenzij Hij dus de dood onderging, had Hij op geen enkele andere wijze de vrucht onzer verlossing voortgebracht.
B: (John 12:24, John 12:24) [b:John 12:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De Heer zegt tot de Vader bij Mattheus (26. 42): "Vader, zo deze kelk niet kan voorbijgaan, tenzij ik hem ledige, Uw wil geschiede." Hij spreekt daar nu over de kelk van het lijden. Dus kon het lijden aan Christus niet voorbijgaan. Vandaar dat ook Hilarius zegt: "Daarom kan de kelk niet voorbijgaan, tenzij Hij hem ledige, omdat voor ons geen herstel mogelijk is, tenzij door zijn lijden."
B: (Matt 26:42) [b:Matt 26:42]
Vervolgens. De Heer zegt tot de Vader bij Mattheus (26. 42): "Vader, zo deze kelk niet kan voorbijgaan, tenzij ik hem ledige, Uw wil geschiede." Hij spreekt daar nu over de kelk van het lijden. Dus kon het lijden aan Christus niet voorbijgaan. Vandaar dat ook Hilarius zegt: "Daarom kan de kelk niet voorbijgaan, tenzij Hij hem ledige, omdat voor ons geen herstel mogelijk is, tenzij door zijn lijden."
B: (Matt 26:42) [b:Matt 26:42]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De rechtvaardigheid van God eiste, dat de mens van de zonde zou verlost worden door de voldoening van Christus’ lijden. Christus nu kan zijn rechtvaardigheid niet verloochenen: er staat immers in de Tweede Brief aan Timotheüs (2. 13): "Ook al geloven wij niet. Hij blijft getrouw, zichzelf verloochenen kan Hij niet". Hij zou echter zichzelf verloochenen, als Hij zijn rechtvaardigheid zou verloochenen, want Hij is: Gerechtigheid (vgl. 1 Cor. 1. 30). Derhalve schijnt er geen redding te zijn voor de mens, tenzij door het lijden van Christus.
B: (2Tim 2:13) [b:2Tim 2:13]
Vervolgens. De rechtvaardigheid van God eiste, dat de mens van de zonde zou verlost worden door de voldoening van Christus’ lijden. Christus nu kan zijn rechtvaardigheid niet verloochenen: er staat immers in de Tweede Brief aan Timotheüs (2. 13): "Ook al geloven wij niet. Hij blijft getrouw, zichzelf verloochenen kan Hij niet". Hij zou echter zichzelf verloochenen, als Hij zijn rechtvaardigheid zou verloochenen, want Hij is: Gerechtigheid (vgl. 1 Cor. 1. 30). Derhalve schijnt er geen redding te zijn voor de mens, tenzij door het lijden van Christus.
B: (2Tim 2:13) [b:2Tim 2:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 2 arg. 4
Vervolgens. Het geloof kan geen valschheid bevatten. De oude Vaders nu geloofden dat Christus zou lijden. Dus was het onmogelijk dat Christus niet leed.
Vervolgens. Het geloof kan geen valschheid bevatten. De oude Vaders nu geloofden dat Christus zou lijden. Dus was het onmogelijk dat Christus niet leed.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: "Wij noemen deze wijze, waarop God zich gewaardigd heeft ons te verlossen door de mens Christus Jesus, de middelbar tussen God en de mensen, goed en passend aan Gods waardigheid; echter zullen wij ook aantonen, dat er een andere wijze mogelijk was bij God, aan wiens macht alles gelijkelijk onderworpen is."
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: "Wij noemen deze wijze, waarop God zich gewaardigd heeft ons te verlossen door de mens Christus Jesus, de middelbar tussen God en de mensen, goed en passend aan Gods waardigheid; echter zullen wij ook aantonen, dat er een andere wijze mogelijk was bij God, aan wiens macht alles gelijkelijk onderworpen is."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 2 co.
Mijn antwoord. Iets kan op dubbele wijze mogelijk en onmogelijk zijn. Vooreerst, zonder meer en absoluut genomen; op de tweede plaats, krachtens een vooropstelling. Zonder meer nu en absoluut gesproken, kon God de mens ook anders verlossen, dan door het lijden van Christus, daar "bij God niets onmogelijk is", zoals Lucas (1. 37) zegt. Maar in een bepaalde veronderstelling was het onmogelijk. Daar Gods voorkennis immers zich niet kan bedriegen en zijn wil of beschikking niet verijdeld kan worden, was het, Gods voorkennis en voorbeschikking omtrent het lijden van Christus eenmaal verondersteld, niet tegelijk mogelijk, dat Christus niet zou lijden of de mens anders dan door zijn lijden zou verlost worden. Diezelfde redenering geldt voor alles, wat God vooruit wist en beschikte, zoals uiteengezet werd in het Eerste Deel (I. 14° Kw. 13° Art.).
B: (Luke 1:37) [b:Luke 1:37]
R: I q. 14 a. 13[t:ia q. 14 a. 13]
Mijn antwoord. Iets kan op dubbele wijze mogelijk en onmogelijk zijn. Vooreerst, zonder meer en absoluut genomen; op de tweede plaats, krachtens een vooropstelling. Zonder meer nu en absoluut gesproken, kon God de mens ook anders verlossen, dan door het lijden van Christus, daar "bij God niets onmogelijk is", zoals Lucas (1. 37) zegt. Maar in een bepaalde veronderstelling was het onmogelijk. Daar Gods voorkennis immers zich niet kan bedriegen en zijn wil of beschikking niet verijdeld kan worden, was het, Gods voorkennis en voorbeschikking omtrent het lijden van Christus eenmaal verondersteld, niet tegelijk mogelijk, dat Christus niet zou lijden of de mens anders dan door zijn lijden zou verlost worden. Diezelfde redenering geldt voor alles, wat God vooruit wist en beschikte, zoals uiteengezet werd in het Eerste Deel (I. 14° Kw. 13° Art.).
B: (Luke 1:37) [b:Luke 1:37]
R: I q. 14 a. 13[t:ia q. 14 a. 13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De Heer spreekt daar met vooropstelling van Gods voorkennis en voorbeschikking, volgens welke de vrucht van het menselijk heil slechts zou volgen uit Christus’ lijden. Zo moet ook de tekst: "Indien deze heil niet kan voorbijgaan, tenzij Ik hem drinkt", welke in de 2° Bed. opgeworpen wordt, verstaan worden, nl. : "omdat Gij het zo beschikt hebt". Vandaar voegt Hij er ook aan toe: "Uw wil geschiede".
1e Weerlegging. De Heer spreekt daar met vooropstelling van Gods voorkennis en voorbeschikking, volgens welke de vrucht van het menselijk heil slechts zou volgen uit Christus’ lijden. Zo moet ook de tekst: "Indien deze heil niet kan voorbijgaan, tenzij Ik hem drinkt", welke in de 2° Bed. opgeworpen wordt, verstaan worden, nl. : "omdat Gij het zo beschikt hebt". Vandaar voegt Hij er ook aan toe: "Uw wil geschiede".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 2 ad 2
Et similiter Deze rechtvaardigheid is ook afhankelijk van Gods wil, die van het menselijk geslacht voldoening eiste voor de zonde. Want als Hij de mens zonder enige voldoening had willen verlossen van de zonde, zou Hij niet tegen zijn rechtvaardigheid gehandeld hebben. Immers de rechter, die een vergrijp moet straffen, dat tegen een ander werd bedreven, b.v. tegen een ander mens, tegen de gehele staat, of tegen een hogere machthebber, kan die schuld niet straffeloos vergeven, zonder de rechtvaardigheid geweld aan te doen. Boven God echter staat er geen hoger, want Zelf is Hij het hoogste en algemene goed van het heelal. Als Hij derhalve een zonde vergeeft, die straf vraagt, omdat zij tegen Hem bedreven werd, dan doet Hij niemand onrecht: zo ook handelt een mens barmhartig en niet onrechtvaardig, als hij zonder voldoening een beleediging vergeeft, die hemzelf is aangedaan. Daarom zei David in het Boek der Psalmen (50. 6): "Tegen U alleen heb ik misdaan", alsof hij zeggen wilde: "Gij kunt mij vergeven zonder onrechtvaardig te zijn".
Et similiter Deze rechtvaardigheid is ook afhankelijk van Gods wil, die van het menselijk geslacht voldoening eiste voor de zonde. Want als Hij de mens zonder enige voldoening had willen verlossen van de zonde, zou Hij niet tegen zijn rechtvaardigheid gehandeld hebben. Immers de rechter, die een vergrijp moet straffen, dat tegen een ander werd bedreven, b.v. tegen een ander mens, tegen de gehele staat, of tegen een hogere machthebber, kan die schuld niet straffeloos vergeven, zonder de rechtvaardigheid geweld aan te doen. Boven God echter staat er geen hoger, want Zelf is Hij het hoogste en algemene goed van het heelal. Als Hij derhalve een zonde vergeeft, die straf vraagt, omdat zij tegen Hem bedreven werd, dan doet Hij niemand onrecht: zo ook handelt een mens barmhartig en niet onrechtvaardig, als hij zonder voldoening een beleediging vergeeft, die hemzelf is aangedaan. Daarom zei David in het Boek der Psalmen (50. 6): "Tegen U alleen heb ik misdaan", alsof hij zeggen wilde: "Gij kunt mij vergeven zonder onrechtvaardig te zijn".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Het geloof van de mens, en ook de goddelijke Schriftuur, waaruit het geloof wordt opgebouwd, steunen op Gods voorkennis en voorbeschikking. Derhalve gaat dezelfde redenering op voor de noodzaak, welke volgt uit de vooropstelling van die beide, als voor de noodzaak, die een gevolg is van Gods voorkennis en van Gods wilsbeschikking.
B: (Ps 50:6) [b:Ps 50:6]
3e Weerlegging. Het geloof van de mens, en ook de goddelijke Schriftuur, waaruit het geloof wordt opgebouwd, steunen op Gods voorkennis en voorbeschikking. Derhalve gaat dezelfde redenering op voor de noodzaak, welke volgt uit de vooropstelling van die beide, als voor de noodzaak, die een gevolg is van Gods voorkennis en van Gods wilsbeschikking.
B: (Ps 50:6) [b:Ps 50:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Bestond er een meer passende manier om het menselijk geslacht te verlossen, dan door het lijden van Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 46 a. 5 arg. 3
IIIa q. 48 a. 1 ad 2
IIIa q. 48 a. 1 ad 3[t:iiia q. 46 a. 5 arg. 3][t:iiia q. 48 a. 1 ad 2][t:iiia q. 48 a. 1 ad 3]
IIIa q. 46 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat er een andere, meer passende, wijze was om de mens te verlossen, dan door het lijden van Christus. De natuur toch bootst bij haar werken de werking van God na, daar zij immers door God wordt aangezet en geregeld. De natuur echter doet niet door middel van twee, wat zij door een doen kan. Wil God nu enkel door zijn wil de mens verlossen, lijkt het niet passend, er het lijden van Christus nog aan toe te voegen, om het menselijk geslacht te verlossen.
IIIa q. 46 a. 5 arg. 3
IIIa q. 48 a. 1 ad 2
IIIa q. 48 a. 1 ad 3[t:iiia q. 46 a. 5 arg. 3][t:iiia q. 48 a. 1 ad 2][t:iiia q. 48 a. 1 ad 3]
IIIa q. 46 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat er een andere, meer passende, wijze was om de mens te verlossen, dan door het lijden van Christus. De natuur toch bootst bij haar werken de werking van God na, daar zij immers door God wordt aangezet en geregeld. De natuur echter doet niet door middel van twee, wat zij door een doen kan. Wil God nu enkel door zijn wil de mens verlossen, lijkt het niet passend, er het lijden van Christus nog aan toe te voegen, om het menselijk geslacht te verlossen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Wat naar eigen aard gebeurt, geschiedt passender, dan wat gewelddadig gebeurt: aangezien geweld "een zeker te niet gaan," een afwijking is, "van wat volgens de natuur is," zoals gezegd wordt in de Coelo. Het lijden van Christus nu veroorzaakte een gewelddadige dood. Daarom was het passender, dat Christus de mens verloste door een natuurlijke dood te sterven, dan door zijn lijden.
Vervolgens. Wat naar eigen aard gebeurt, geschiedt passender, dan wat gewelddadig gebeurt: aangezien geweld "een zeker te niet gaan," een afwijking is, "van wat volgens de natuur is," zoals gezegd wordt in de Coelo. Het lijden van Christus nu veroorzaakte een gewelddadige dood. Daarom was het passender, dat Christus de mens verloste door een natuurlijke dood te sterven, dan door zijn lijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Het lijkt zeer passend, dat hij die iets op gewelddadige en onrechtmatige wijze in bezit houdt, door de macht van de overheid daarvan beroofd wordt. Daarom wordt gezegd in Isaïas (52. 3): "Om niet zijt gij verkocht en zonder geld wordt gij teruggekocht." De duivel nu had geen enkel recht op de mens, die hij met list had bedrogen, en in zekeren zin gewelddadig in slavernij gebonden hield. Derhalve was het zeer passend, dat Christus de duivel beroofde zonder te lijden, enkel door zijn macht.
Vervolgens. Het lijkt zeer passend, dat hij die iets op gewelddadige en onrechtmatige wijze in bezit houdt, door de macht van de overheid daarvan beroofd wordt. Daarom wordt gezegd in Isaïas (52. 3): "Om niet zijt gij verkocht en zonder geld wordt gij teruggekocht." De duivel nu had geen enkel recht op de mens, die hij met list had bedrogen, en in zekeren zin gewelddadig in slavernij gebonden hield. Derhalve was het zeer passend, dat Christus de duivel beroofde zonder te lijden, enkel door zijn macht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "Er was geen passender wijze, om onze ellende te herstellen," dan door het lijden van Christus.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "Er was geen passender wijze, om onze ellende te herstellen," dan door het lijden van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 3 co.
Mijn antwoord. Een bepaalde manier om een doel te bereiken is des te passender, naarmate daardoor meerdere dingen samenkomen, die het doel van voordeel zijn. Doordat nu de mens door Christus’ lijden verlost is, zijn er, behalve dan de verlossing van de zonde, vele (resultaten) samen tot stand gekomen, welke allen betrekking hebben op mensen heil. Ten eerste immers, doet dit de mens inzien, hoezeer God hem liefheeft en wordt hij hierdoor aangezet tot liefde voor Hem, in wien het volmaakte heil gelegen is. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (5. 8): "God bewijst zijn liefde voor ons, doordat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog vijanden waren." — Ten tweede, gaf hij ons hierdoor een voorbeeld van gehoorzaamheid, van nederigheid en van standvastigheid, van rechtvaardigheid en van al die andere deugden, welke in Christus’ lijden tot uiting kwamen, welke allen ook noodzakelijk zijn voor de zaliging van de mens. Daarom wordt er gezegd in de Eerste Brief van Petrus (2. 21): "Christus heeft voor ons geleden, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij zijn voetstappen zou drukken." — Ten derde, heeft Christus door zijn lijden niet alleen de mens verlost van de zonde, maar ook voor hem de heiligmakende genade en de zaligende heerlijkheid verdiend, zoals later zal worden uiteengezet (48e Kw. 1e Art.). — Ten vierde, voelt de mens zich nu des te meer verplicht, zich rein te bewaren van de zonde, als hij bedenkt, dat hij van zijn zonde verlost is door het bloed van Christus, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (6. 20): "Gij toch zijt vrijgekocht door het bloed van Christus: verheerlijk en draag God in uw lichaam.» — Ten vijfde gaf het de mens een hogere waardigheid, want gelijk de duivel de mens overwon en misleidde, zo werd ook de duivel door een mens overwonnen; en zoals de mens de dood verdiende, zo heeft ook een mens door te sterven de dood overwonnen. Daarom wordt gezegd in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 57): "Aan God zij dank, die ons de overwinning geschonken heeft door onze Heer Jesus Christus.» Zo was het dus meer passend, dat wij verlost werden door het lijden van Christus, dan enkel door Gods wil.
B: (Rom 5:8) [b:Rom 5:8] (1Cor 6:20) [b:1Cor 6:20] (1Cor 15:57) [b:1Cor 15:57] (1Pet 2:21) [b:1Pet 2:21]
R: q. 48 a. 1[t:iiia q. 48 a. 1] q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 49 a. 5[t:iiia q. 49 a. 5]
Mijn antwoord. Een bepaalde manier om een doel te bereiken is des te passender, naarmate daardoor meerdere dingen samenkomen, die het doel van voordeel zijn. Doordat nu de mens door Christus’ lijden verlost is, zijn er, behalve dan de verlossing van de zonde, vele (resultaten) samen tot stand gekomen, welke allen betrekking hebben op mensen heil. Ten eerste immers, doet dit de mens inzien, hoezeer God hem liefheeft en wordt hij hierdoor aangezet tot liefde voor Hem, in wien het volmaakte heil gelegen is. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (5. 8): "God bewijst zijn liefde voor ons, doordat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog vijanden waren." — Ten tweede, gaf hij ons hierdoor een voorbeeld van gehoorzaamheid, van nederigheid en van standvastigheid, van rechtvaardigheid en van al die andere deugden, welke in Christus’ lijden tot uiting kwamen, welke allen ook noodzakelijk zijn voor de zaliging van de mens. Daarom wordt er gezegd in de Eerste Brief van Petrus (2. 21): "Christus heeft voor ons geleden, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij zijn voetstappen zou drukken." — Ten derde, heeft Christus door zijn lijden niet alleen de mens verlost van de zonde, maar ook voor hem de heiligmakende genade en de zaligende heerlijkheid verdiend, zoals later zal worden uiteengezet (48e Kw. 1e Art.). — Ten vierde, voelt de mens zich nu des te meer verplicht, zich rein te bewaren van de zonde, als hij bedenkt, dat hij van zijn zonde verlost is door het bloed van Christus, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (6. 20): "Gij toch zijt vrijgekocht door het bloed van Christus: verheerlijk en draag God in uw lichaam.» — Ten vijfde gaf het de mens een hogere waardigheid, want gelijk de duivel de mens overwon en misleidde, zo werd ook de duivel door een mens overwonnen; en zoals de mens de dood verdiende, zo heeft ook een mens door te sterven de dood overwonnen. Daarom wordt gezegd in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 57): "Aan God zij dank, die ons de overwinning geschonken heeft door onze Heer Jesus Christus.» Zo was het dus meer passend, dat wij verlost werden door het lijden van Christus, dan enkel door Gods wil.
B: (Rom 5:8) [b:Rom 5:8] (1Cor 6:20) [b:1Cor 6:20] (1Cor 15:57) [b:1Cor 15:57] (1Pet 2:21) [b:1Pet 2:21]
R: q. 48 a. 1[t:iiia q. 48 a. 1] q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 49 a. 5[t:iiia q. 49 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Ook de natuur gebruikt meerdere middelen tot iets, om het daardoor op een meer behoorlijke wijze te verrichten, zoals twee ogen om te zien; en hetzelfde blijkt in andere dingen.
1e Weerlegging. Ook de natuur gebruikt meerdere middelen tot iets, om het daardoor op een meer behoorlijke wijze te verrichten, zoals twee ogen om te zien; en hetzelfde blijkt in andere dingen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Chrysostomus zegt: "Christus was gekomen om de dood der mensen te niet te doen, en niet zijn eigen dood, daar Hij hieraan niet onderworpen was, omdat Hij het Leven is. Daarom legde Hij zijn lichaam niet af, door uit zichzelf te sterven, maar onderging Hij een dood, die Hem door mensen werd aangedaan. Maar ook: indien zijn lichaam ziek was geworden en ontbonden, ten getuige van allen, dan was het niet passend, dat Hij die de ziekten van anderen genas, zelf een lichaam had, dat aan ziekten leed. En zelfs, al had Hij zonder ziekte zijn lichaam ergens afzonderlijk afgelegd en zich vervolgens vertoond, dan zou men Hem niet geloven, als Hij van zijn verrijzenis sprak. Hoe kon immers in Christus’ dood de overwinning uitschitteren, tenzij Hij openlijk de dood onderging en dan met zijn onbedorven lichaam bewees, dat de dood vernietigd was.
2e Weerlegging. Chrysostomus zegt: "Christus was gekomen om de dood der mensen te niet te doen, en niet zijn eigen dood, daar Hij hieraan niet onderworpen was, omdat Hij het Leven is. Daarom legde Hij zijn lichaam niet af, door uit zichzelf te sterven, maar onderging Hij een dood, die Hem door mensen werd aangedaan. Maar ook: indien zijn lichaam ziek was geworden en ontbonden, ten getuige van allen, dan was het niet passend, dat Hij die de ziekten van anderen genas, zelf een lichaam had, dat aan ziekten leed. En zelfs, al had Hij zonder ziekte zijn lichaam ergens afzonderlijk afgelegd en zich vervolgens vertoond, dan zou men Hem niet geloven, als Hij van zijn verrijzenis sprak. Hoe kon immers in Christus’ dood de overwinning uitschitteren, tenzij Hij openlijk de dood onderging en dan met zijn onbedorven lichaam bewees, dat de dood vernietigd was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Hoewel de duivel de mens onrechtmatig had aangerand, was het toch rechtvaardig, dat God de mens om zijn zonde liet zuchten onder de slavernij van de duivel. En daarom was het passend, dat de mens met rechtvaardigheid verlost werd van de slavernij van de duivel, namelijk doordat Christus voor hem voldoening bracht door zijn lijden. Ook was het passend om de hoogmoed van de duivel, die "zich om rechtvaardigheid niet bekommert en zo van macht houdt", te vernederen, dat Christus "de duivel overwon en de mens bevrijdde, niet slechts door zijn goddelijke macht, maar ook door de rechtvaardigheid en de vernedering van zijn lijden," zoals Augustinus zegt.
3e Weerlegging. Hoewel de duivel de mens onrechtmatig had aangerand, was het toch rechtvaardig, dat God de mens om zijn zonde liet zuchten onder de slavernij van de duivel. En daarom was het passend, dat de mens met rechtvaardigheid verlost werd van de slavernij van de duivel, namelijk doordat Christus voor hem voldoening bracht door zijn lijden. Ook was het passend om de hoogmoed van de duivel, die "zich om rechtvaardigheid niet bekommert en zo van macht houdt", te vernederen, dat Christus "de duivel overwon en de mens bevrijdde, niet slechts door zijn goddelijke macht, maar ook door de rechtvaardigheid en de vernedering van zijn lijden," zoals Augustinus zegt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Moest Christus aan een kruis lijden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 48 a. 1 ad 3
IIIa q. 48 a. 4 s. c.[t:iiia q. 48 a. 1 ad 3][t:iiia q. 48 a. 4 s. c.]
IIIa q. 46 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet moest lijden aan een kruis. De werkelijkheid moet immers beantwoorden aan de voorafbeelding. Al de offers nu van het Oude Testament waren een voorafbeelding van Christus: en daarbij werden de dieren met het mes geslacht en daarna verbrand. Derhalve moest Christus niet lijden aan een kruis, maar veeleer met een zwaard of met vuur gedood worden.
IIIa q. 48 a. 1 ad 3
IIIa q. 48 a. 4 s. c.[t:iiia q. 48 a. 1 ad 3][t:iiia q. 48 a. 4 s. c.]
IIIa q. 46 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet moest lijden aan een kruis. De werkelijkheid moet immers beantwoorden aan de voorafbeelding. Al de offers nu van het Oude Testament waren een voorafbeelding van Christus: en daarbij werden de dieren met het mes geslacht en daarna verbrand. Derhalve moest Christus niet lijden aan een kruis, maar veeleer met een zwaard of met vuur gedood worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Damascenus zegt, dat Christus geen "vernederend lijden" mocht ondergaan. De dood aan het kruis echter was allermeest vernederend en onterend. Daarom wordt gezegd in het Boek der Wijsheid (2. 20): "Laten wij Hem tot de allerschandelijkste dood veroordelen". Dus moest Christus niet de kruisdood sterven.
B: (Wis 2:20) [b:Wis 2:20]
Vervolgens. Damascenus zegt, dat Christus geen "vernederend lijden" mocht ondergaan. De dood aan het kruis echter was allermeest vernederend en onterend. Daarom wordt gezegd in het Boek der Wijsheid (2. 20): "Laten wij Hem tot de allerschandelijkste dood veroordelen". Dus moest Christus niet de kruisdood sterven.
B: (Wis 2:20) [b:Wis 2:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Van Christus wordt gezegd: "Gezegend, die komt in de naam des Heren", zoals blijkt bij Mattheus (21. 9). De kruisdood echter was een dood van vervloeking, zoals staat in het Boek Deuteronomium (21. 23): "Gevloekt van God is hij, die hangt aan het hout." Dus was het niet passend, om Christus te kruisigen.
B: (Deut 21:23) [b:Deut 21:23] (Matt 21:9) [b:Matt 21:9]
Vervolgens. Van Christus wordt gezegd: "Gezegend, die komt in de naam des Heren", zoals blijkt bij Mattheus (21. 9). De kruisdood echter was een dood van vervloeking, zoals staat in het Boek Deuteronomium (21. 23): "Gevloekt van God is hij, die hangt aan het hout." Dus was het niet passend, om Christus te kruisigen.
B: (Deut 21:23) [b:Deut 21:23] (Matt 21:9) [b:Matt 21:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter het gezegde in de Brief aan de Philippensen (2. 8): "Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het kruis."
B: (Phil 2:8) [b:Phil 2:8]
Daartegenover staat echter het gezegde in de Brief aan de Philippensen (2. 8): "Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het kruis."
B: (Phil 2:8) [b:Phil 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 4 co.
Mijn antwoord. Het was zeer passend, dat Christus de kruisdood onderging.
— Ten eerste, om zijn voorbeeld van deugd. Augustinus zegt toch: "De goddelijke Wijsheid werd mens, om een voorbeeld te geven, hoe wij behoorlijk moeten leven. 'n Behoorlijk leven nu sluit in, dat men niet vreest, wat niet gevreesd moet worden. Er zijn echter mensen, die wel niet de dood vrezen, maar toch een afschuw hebben van een bepaalde dood. Door de kruisdood nu van die mens moest getoond worden, dat iemand, die behoorlijk leeft geen enkele dood moet vrezen. Er was immers geen andere dood zo afschuwelijk en vreeswekkend als deze."
— Ten tweede was deze wijze van sterven de meest passende om te voldoen voor de zonden van de stamvader, welke hierin bestond, dat hij, tegen het gebod van God in, de appel at van het verboden hout. Derhalve was het passend, dat Christus, tot voldoening voor die zonde, zichzelf aan het hout liet slaan, a. h. w. teruggevend, wat Adam had weggenomen, volgens het woord uit het Boek der Psalmen (68. 5): "Wat ik niet geroofd heb, heb ik toen hersteld." Vandaar dat Augustinus zegt: "Adam verachtte het gebod, door de appel van de boom te nemen; maar wat Adam verloor, heeft Christus op het kruis wedergevonden."
— Ten derde heeft Hij, zoals Chrysostomus zegt, "geleden op een opgericht hout, en niet onder een dak, om zelfs de natuur der lucht te reinigen. En ook de aarde onderging dezelfde weldaad, die door het neerdruppelen van het bloed, dat uit zijn zijde stroomde, werd gereinigd." En aangaande de woorden van Joannes (3. 14): "De mensenzoon moet verheven worden," zegt hij: "Als gij hoort van verheven worden, moet gij denken aan het ophangen in de hoogte, waardoor Hij de lucht reinigde, die de aarde had geheiligd door er op te wandelen."
— Ten vierde, "omdat Hij ons een toegang verschafte naar de hemel door in de hoogte te sterven," zoals Chrysostomus zegt. Daarom zegt Hij zelf bij Joannes (12. 32, 33): "Als Ik van de aarde verheven zal zijn, zal Ik alles tot mij trekken."
— Ten vijfde, omdat dit overeenkwam met de algemene verlossing van heel de wereld. Daarom zegt Gregorius van Nyssa, dat "de figuur van het kruis, welke vanuit het middelpunt in vier uiteinden vervalt, aantoont, dat de kracht en de voorzienigheid van Hem, die daaraan hing, uitgaat naar alle kanten."
— Ten zesde, omdat door deze manier van sterven verschillende deugden aan het licht traden. Zo zegt Augustinus: "Niet voor niets koos Hij deze wijze van sterven, om als leermeester te kunnen optreden van die breedte en hoogte, lengte en diepte," waarover de Apostel spreekt. "Want de breedte wordt uitgemaakt door dat hout, hetwelk boven dwars wordt vastgemaakt; en deze beduidt de goede werken, wijl daar de handen worden uitgestrekt. De lengte wordt uitgemaakt door dat stuk, hetwelk zich uitstrekt vanaf dat eerste hout tot aan de grond: daarmede nu staat het in zekeren zin, d. i. heeft het stevigheid en vastheid, hetgeen aan de lankmoedigheid wordt toegeschreven. De hoogte vormt dat deel, hetwelk zich vanaf de dwarsbalk naar boven toe uitstrekt, d. i. bij het hoofd van de gekruisigde, omdat de verwachting van hen, die op de juiste wijze hopen, naar boven is gericht. Ten slotte, dat deel van het hout, hetwelk in de grond vastzit en daardoor verborgen is, en waaruit het geheel oprijst, betekent de diepte van de onverplichte genade." Evenzo zegt Augustinus: "Het hout, waaraan de ledematen van Hem die lijdt gehecht waren, was ook de zetel van de leeraar."
— Ten zevende, omdat deze wijze van sterven aan meerdere voorafbeeldingen beantwoordt. Zo zegt immers Augustinus: "De ark van hout heeft het mensdom gered uit de zondvloed; toen het volk Gods uit Egypte trok, verdeelde Moses de zee met een staf, bracht Pharao ten onder, en verloste het volk Gods; dezelfde Moses wierp een stuk hout in het water en maakte het bittere water zoet; met de houten staf werd uit de geestelijke rots een heilzame stroom te voorschijn gebracht; en opdat Amalech zou overwonnen worden, strekte Moses om de staf de handen uit; en de Wet Gods werd aan de houten ark des Verbonds toevertrouwd, opdat men met dat al a. h. w. trapsgewijs zou komen tot het kruishout."
Mijn antwoord. Het was zeer passend, dat Christus de kruisdood onderging.
— Ten eerste, om zijn voorbeeld van deugd. Augustinus zegt toch: "De goddelijke Wijsheid werd mens, om een voorbeeld te geven, hoe wij behoorlijk moeten leven. 'n Behoorlijk leven nu sluit in, dat men niet vreest, wat niet gevreesd moet worden. Er zijn echter mensen, die wel niet de dood vrezen, maar toch een afschuw hebben van een bepaalde dood. Door de kruisdood nu van die mens moest getoond worden, dat iemand, die behoorlijk leeft geen enkele dood moet vrezen. Er was immers geen andere dood zo afschuwelijk en vreeswekkend als deze."
— Ten tweede was deze wijze van sterven de meest passende om te voldoen voor de zonden van de stamvader, welke hierin bestond, dat hij, tegen het gebod van God in, de appel at van het verboden hout. Derhalve was het passend, dat Christus, tot voldoening voor die zonde, zichzelf aan het hout liet slaan, a. h. w. teruggevend, wat Adam had weggenomen, volgens het woord uit het Boek der Psalmen (68. 5): "Wat ik niet geroofd heb, heb ik toen hersteld." Vandaar dat Augustinus zegt: "Adam verachtte het gebod, door de appel van de boom te nemen; maar wat Adam verloor, heeft Christus op het kruis wedergevonden."
— Ten derde heeft Hij, zoals Chrysostomus zegt, "geleden op een opgericht hout, en niet onder een dak, om zelfs de natuur der lucht te reinigen. En ook de aarde onderging dezelfde weldaad, die door het neerdruppelen van het bloed, dat uit zijn zijde stroomde, werd gereinigd." En aangaande de woorden van Joannes (3. 14): "De mensenzoon moet verheven worden," zegt hij: "Als gij hoort van verheven worden, moet gij denken aan het ophangen in de hoogte, waardoor Hij de lucht reinigde, die de aarde had geheiligd door er op te wandelen."
— Ten vierde, "omdat Hij ons een toegang verschafte naar de hemel door in de hoogte te sterven," zoals Chrysostomus zegt. Daarom zegt Hij zelf bij Joannes (12. 32, 33): "Als Ik van de aarde verheven zal zijn, zal Ik alles tot mij trekken."
— Ten vijfde, omdat dit overeenkwam met de algemene verlossing van heel de wereld. Daarom zegt Gregorius van Nyssa, dat "de figuur van het kruis, welke vanuit het middelpunt in vier uiteinden vervalt, aantoont, dat de kracht en de voorzienigheid van Hem, die daaraan hing, uitgaat naar alle kanten."
— Ten zesde, omdat door deze manier van sterven verschillende deugden aan het licht traden. Zo zegt Augustinus: "Niet voor niets koos Hij deze wijze van sterven, om als leermeester te kunnen optreden van die breedte en hoogte, lengte en diepte," waarover de Apostel spreekt. "Want de breedte wordt uitgemaakt door dat hout, hetwelk boven dwars wordt vastgemaakt; en deze beduidt de goede werken, wijl daar de handen worden uitgestrekt. De lengte wordt uitgemaakt door dat stuk, hetwelk zich uitstrekt vanaf dat eerste hout tot aan de grond: daarmede nu staat het in zekeren zin, d. i. heeft het stevigheid en vastheid, hetgeen aan de lankmoedigheid wordt toegeschreven. De hoogte vormt dat deel, hetwelk zich vanaf de dwarsbalk naar boven toe uitstrekt, d. i. bij het hoofd van de gekruisigde, omdat de verwachting van hen, die op de juiste wijze hopen, naar boven is gericht. Ten slotte, dat deel van het hout, hetwelk in de grond vastzit en daardoor verborgen is, en waaruit het geheel oprijst, betekent de diepte van de onverplichte genade." Evenzo zegt Augustinus: "Het hout, waaraan de ledematen van Hem die lijdt gehecht waren, was ook de zetel van de leeraar."
— Ten zevende, omdat deze wijze van sterven aan meerdere voorafbeeldingen beantwoordt. Zo zegt immers Augustinus: "De ark van hout heeft het mensdom gered uit de zondvloed; toen het volk Gods uit Egypte trok, verdeelde Moses de zee met een staf, bracht Pharao ten onder, en verloste het volk Gods; dezelfde Moses wierp een stuk hout in het water en maakte het bittere water zoet; met de houten staf werd uit de geestelijke rots een heilzame stroom te voorschijn gebracht; en opdat Amalech zou overwonnen worden, strekte Moses om de staf de handen uit; en de Wet Gods werd aan de houten ark des Verbonds toevertrouwd, opdat men met dat al a. h. w. trapsgewijs zou komen tot het kruishout."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Het altaar der slachtoffers, waarop de dier-offers werden opgedragen, was uit hout vervaardigd gelijk we weten uit het Boek van de Uittocht (27. 1); en wat dat betreft, beantwoordde de werkelijkheid aan de voorafbeelding. "Het is" echter "niet nodig, dat zij ook in ieder opzicht beantwoordde, want dan zou het geen gelijkenis meer zijn, maar werkelijkheid," zoals Damascenus zegt. En wat dit speciale geval nog betreft zegt Chrysostomus: "Hem werd het hoofd niet afgeslagen, zoals bij Johannes; ook werd Hij niet doorgezaagd, zoals Isaïas; opdat Hij zijn lichaam geheel en onverdeeld zou bewaren in de dood en er geen kans zou geboden worden aan hen, die de Kerk willen verdelen." In de plaats van het stoffelijk vuur echter trad bij het offer van Christus het vuur der liefde.
1e Weerlegging. Het altaar der slachtoffers, waarop de dier-offers werden opgedragen, was uit hout vervaardigd gelijk we weten uit het Boek van de Uittocht (27. 1); en wat dat betreft, beantwoordde de werkelijkheid aan de voorafbeelding. "Het is" echter "niet nodig, dat zij ook in ieder opzicht beantwoordde, want dan zou het geen gelijkenis meer zijn, maar werkelijkheid," zoals Damascenus zegt. En wat dit speciale geval nog betreft zegt Chrysostomus: "Hem werd het hoofd niet afgeslagen, zoals bij Johannes; ook werd Hij niet doorgezaagd, zoals Isaïas; opdat Hij zijn lichaam geheel en onverdeeld zou bewaren in de dood en er geen kans zou geboden worden aan hen, die de Kerk willen verdelen." In de plaats van het stoffelijk vuur echter trad bij het offer van Christus het vuur der liefde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Christus wilde niet zulk vernederend lijden ondergaan, dat een gemis inhield aan kennis, genade of zelfs deugd. Wel echter zo’n lijden, dat ongerechtigheid insloot, die van buitenaf werd veroorzaakt. Integendeel, zoals staat in de Brief aan de Hebreën (12. 2): "Hij heeft het kruis op zich genomen en de schande niet geacht."
B: (Ps 68:5) [b:Ps 68:5]
2e Weerlegging. Christus wilde niet zulk vernederend lijden ondergaan, dat een gemis inhield aan kennis, genade of zelfs deugd. Wel echter zo’n lijden, dat ongerechtigheid insloot, die van buitenaf werd veroorzaakt. Integendeel, zoals staat in de Brief aan de Hebreën (12. 2): "Hij heeft het kruis op zich genomen en de schande niet geacht."
B: (Ps 68:5) [b:Ps 68:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, is de zonde een vloek en bijgevolg ook de dood en de sterfelijkheid, die uit de zonde voortkomen. "Het lichaam van Christus nu was sterfelijk, omdat het geleek op het zondige vlees": en daarom noemt Moses het een "vloek", zoals ook de Apostel het vlees "zonde" noemt, waar hij in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (5. 21) zegt: "Die geen zonde gekend heeft, werd voor ons tot zonde gemaakt," namelijk van wege de zondestraf. "En het was ook geen grotere ongenade, dat hij zei: Hij is vervloekt van God. Want indien God de zonde en onze dood niet gehaat had, zou Hij ook niet zijn Zoon gezonden hebben, om die op zich te nemen en te niet te doen. Belijd derhalve, dat Hij de vloek voor ons op zich genomen heeft, van wie jij ook belijdt, dat Hij voor ons gestorven is." Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Galaten (3. 13): "Christus heeft ons verlost van de vervloeking der Wet, door voor ons tot vervloeking te worden."
B: (John 3:14) [b:John 3:14]
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, is de zonde een vloek en bijgevolg ook de dood en de sterfelijkheid, die uit de zonde voortkomen. "Het lichaam van Christus nu was sterfelijk, omdat het geleek op het zondige vlees": en daarom noemt Moses het een "vloek", zoals ook de Apostel het vlees "zonde" noemt, waar hij in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (5. 21) zegt: "Die geen zonde gekend heeft, werd voor ons tot zonde gemaakt," namelijk van wege de zondestraf. "En het was ook geen grotere ongenade, dat hij zei: Hij is vervloekt van God. Want indien God de zonde en onze dood niet gehaat had, zou Hij ook niet zijn Zoon gezonden hebben, om die op zich te nemen en te niet te doen. Belijd derhalve, dat Hij de vloek voor ons op zich genomen heeft, van wie jij ook belijdt, dat Hij voor ons gestorven is." Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Galaten (3. 13): "Christus heeft ons verlost van de vervloeking der Wet, door voor ons tot vervloeking te worden."
B: (John 3:14) [b:John 3:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Heeft Christus alle lijden verduurd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 46 a. 6 co.[t:iiia q. 46 a. 6 co.]
IIIa q. 46 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Christus alle lijden heeft ondergaan. Hilarius toch zegt: "De eniggeboren Zoon van God heeft bij het voltrokken worden van het geheim van zijn dood getuigd, dat Hij alle soorten van menselijk lijden heeft doorstaan, toen Hij met gebogen hoofd de geest gaf". Hij schijnt dus alle menselijk lijden ondergaan te hebben.
IIIa q. 46 a. 6 co.[t:iiia q. 46 a. 6 co.]
IIIa q. 46 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Christus alle lijden heeft ondergaan. Hilarius toch zegt: "De eniggeboren Zoon van God heeft bij het voltrokken worden van het geheim van zijn dood getuigd, dat Hij alle soorten van menselijk lijden heeft doorstaan, toen Hij met gebogen hoofd de geest gaf". Hij schijnt dus alle menselijk lijden ondergaan te hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Bij Isaïas (52. 13, 14) wordt gezegd: "Zie, mijn Dienstknecht zal verstandig zijn, Hij zal verhoogd en verheven en zeer verheerlijkt zijn. Zoals velen over Hem verbaasd stonden, zo zal ook zijn voorkomen ontluisterd zijn onder de mensen, en zijn gedaante onder de mensenkinderen". Christus echter is verheven, omdat Hij alle genade en kennis had, waarom velen over Hem verbaasd stonden in bewondering. Derhalve schijnt het, dat Hij ontluisterd werd door alle menselijk lijden te verduren.
B: (Isa 52:13) [b:Isa 52:13]
Vervolgens. Bij Isaïas (52. 13, 14) wordt gezegd: "Zie, mijn Dienstknecht zal verstandig zijn, Hij zal verhoogd en verheven en zeer verheerlijkt zijn. Zoals velen over Hem verbaasd stonden, zo zal ook zijn voorkomen ontluisterd zijn onder de mensen, en zijn gedaante onder de mensenkinderen". Christus echter is verheven, omdat Hij alle genade en kennis had, waarom velen over Hem verbaasd stonden in bewondering. Derhalve schijnt het, dat Hij ontluisterd werd door alle menselijk lijden te verduren.
B: (Isa 52:13) [b:Isa 52:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Het lijden van Christus was er op gericht, de mens van de zonden te verlossen, gelijk boven gezegd is (in deze Kw. 4° Art.). Welnu Christus kwam de mens verlossen van elke soort van zonden. Dus moest Hij ook alle soorten van lijden verduren.
R: q. 46 a. 3[t:iiia q. 46 a. 3]
Vervolgens. Het lijden van Christus was er op gericht, de mens van de zonden te verlossen, gelijk boven gezegd is (in deze Kw. 4° Art.). Welnu Christus kwam de mens verlossen van elke soort van zonden. Dus moest Hij ook alle soorten van lijden verduren.
R: q. 46 a. 3[t:iiia q. 46 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Joannes (19. 32) dat "de soldaten wel de beenderen braken van de eersten en van de anderen, die met Hem gekruisigd werden, maar toen zij bij Jesus kwamen, braken zij zijn beenderen niet." Dus heeft Hij niet alle menselijke lijden ondergaan.
B: (John 19:32, John 19:32) [b:John 19:32]
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Joannes (19. 32) dat "de soldaten wel de beenderen braken van de eersten en van de anderen, die met Hem gekruisigd werden, maar toen zij bij Jesus kwamen, braken zij zijn beenderen niet." Dus heeft Hij niet alle menselijke lijden ondergaan.
B: (John 19:32, John 19:32) [b:John 19:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 5 co.
Mijn antwoord. Het menselijk lijden kunnen we tweevoudig beschouwen. — Vooreerst naar de soort: en zo opgevat behoefde Christus niet alle lijden te ondergaan, daar vele soorten van lijden elkaar tegengesteld zijn, zoals de vuurdood en de dood door verdrinking. Wij spreken nu immers over lijden, dat van buiten af wordt aangedaan, daar Hij niet het lijden behoorde te ondergaan, dat van binnenuit veroorzaakt wordt, als lichamelijke ziekten, zoals vroeger gezegd is (14° Kw. 4° Art.). — Maar generiek genomen heeft Hij alle menselijk lijden ondergaan. Dit kan men echter van drie zijden bezien. Vooreerst van de kant der mensen, door wier toedoen Hij leed. Hij heeft immers iets te lijden gehad zowel van de heidenen als van de Joden, van mannen als van vrouwen, zoals blijkt met de dienstmaagden die Petrus aanklaagden. Hij heeft ook te lijden gehad van de overheden en van hunne dienaren en van het volk, gelijk staat geschreven in het Boek der Psalmen (2. 1, 2): "Waarom razen de volken, en zinnen de natien op ijdelheid? Opgekomen zijn de vorsten der aarde en de overheden zijn samengekomen tegen de Heer en tegen zijn Gezalfde." Hij heeft ook geleden van vrienden en bekenden, zoals blijkt uit Judas, die Hem verraadde; en Petrus, die Hem verloochende. Vervolgens blijkt hetzelfde bij datgene, waarin de mens kan lijden. Christus immers heeft geleden in zijn vrienden, doordat zij Hem verlieten; in zijn goede naam, door de godslasteringen, die tegen Hem werden geuit, in zijn eer en glorie door de bespotting en schande, die Hem werden aangedaan; in zijn zaken, doordat Hij zelfs van zijn kleren werd beroofd; in zijn ziel door droefheid, walging en vrees; in zijn lichaam door wonden en geeselstriemen. Ten derde kan men dit beschouwen met betrekking tot zijn lichaamsdelen. Christus verduurde immers in zijn hoofd de scherpe doornenkroon; in zijn handen en voeten de doorboring met nagels; in zijn gezicht de kaakslagen en de bespuwing; in zijn gehele lichaam de geeselstriemen. Hij heeft ook geleden in elk lichamelijk zintuig; wat zijn gevoel betreft is Hij gegeeseld en met nagels doorboord; wat zijn smaak betreft, is Hij met gal en azijn gelaafd; wat zijn reuk aangaat, is Hij aan het kruis gehecht op de onwelriekende begraafplaats der gestorvenen, die Calvarië genoemd wordt; wat zijn gehoor betreft, is Hij getergd door het geroep der godslasteraars en spotters; wat betreft zijn gezicht, doordat Hij zijn moeder en de leerling "die Hij liefhad" zag wenen.
B: (Ps 2:1) [b:Ps 2:1] (Ps 2:2) [b:Ps 2:2]
R: q. 14 a. 4[t:iiia q. 14 a. 4]
Mijn antwoord. Het menselijk lijden kunnen we tweevoudig beschouwen. — Vooreerst naar de soort: en zo opgevat behoefde Christus niet alle lijden te ondergaan, daar vele soorten van lijden elkaar tegengesteld zijn, zoals de vuurdood en de dood door verdrinking. Wij spreken nu immers over lijden, dat van buiten af wordt aangedaan, daar Hij niet het lijden behoorde te ondergaan, dat van binnenuit veroorzaakt wordt, als lichamelijke ziekten, zoals vroeger gezegd is (14° Kw. 4° Art.). — Maar generiek genomen heeft Hij alle menselijk lijden ondergaan. Dit kan men echter van drie zijden bezien. Vooreerst van de kant der mensen, door wier toedoen Hij leed. Hij heeft immers iets te lijden gehad zowel van de heidenen als van de Joden, van mannen als van vrouwen, zoals blijkt met de dienstmaagden die Petrus aanklaagden. Hij heeft ook te lijden gehad van de overheden en van hunne dienaren en van het volk, gelijk staat geschreven in het Boek der Psalmen (2. 1, 2): "Waarom razen de volken, en zinnen de natien op ijdelheid? Opgekomen zijn de vorsten der aarde en de overheden zijn samengekomen tegen de Heer en tegen zijn Gezalfde." Hij heeft ook geleden van vrienden en bekenden, zoals blijkt uit Judas, die Hem verraadde; en Petrus, die Hem verloochende. Vervolgens blijkt hetzelfde bij datgene, waarin de mens kan lijden. Christus immers heeft geleden in zijn vrienden, doordat zij Hem verlieten; in zijn goede naam, door de godslasteringen, die tegen Hem werden geuit, in zijn eer en glorie door de bespotting en schande, die Hem werden aangedaan; in zijn zaken, doordat Hij zelfs van zijn kleren werd beroofd; in zijn ziel door droefheid, walging en vrees; in zijn lichaam door wonden en geeselstriemen. Ten derde kan men dit beschouwen met betrekking tot zijn lichaamsdelen. Christus verduurde immers in zijn hoofd de scherpe doornenkroon; in zijn handen en voeten de doorboring met nagels; in zijn gezicht de kaakslagen en de bespuwing; in zijn gehele lichaam de geeselstriemen. Hij heeft ook geleden in elk lichamelijk zintuig; wat zijn gevoel betreft is Hij gegeeseld en met nagels doorboord; wat zijn smaak betreft, is Hij met gal en azijn gelaafd; wat zijn reuk aangaat, is Hij aan het kruis gehecht op de onwelriekende begraafplaats der gestorvenen, die Calvarië genoemd wordt; wat zijn gehoor betreft, is Hij getergd door het geroep der godslasteraars en spotters; wat betreft zijn gezicht, doordat Hij zijn moeder en de leerling "die Hij liefhad" zag wenen.
B: (Ps 2:1) [b:Ps 2:1] (Ps 2:2) [b:Ps 2:2]
R: q. 14 a. 4[t:iiia q. 14 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Het woord van Hilarius moet men verstaan van alle lijden generiek genomen, niet van alle soorten van lijden.
1e Weerlegging. Het woord van Hilarius moet men verstaan van alle lijden generiek genomen, niet van alle soorten van lijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Het punt van vergelijking is hier niet het aantal der verduringen en genaden, maar de grootte van beiden; nl. zoals Hij in genadegaven boven de anderen verheven was, zo werd Hij ook meer dan de anderen vernederd door de schande van het lijden.
2e Weerlegging. Het punt van vergelijking is hier niet het aantal der verduringen en genaden, maar de grootte van beiden; nl. zoals Hij in genadegaven boven de anderen verheven was, zo werd Hij ook meer dan de anderen vernederd door de schande van het lijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Wat betreft zijn uitwerking was het minste lijden van Christus voldoende, om het mensdom van alle zonden te verlossen; maar naar passendheid was het eerst voldoende als Hij allerlei lijden onderging, zoals in de leerstelling gezegd is.
3e Weerlegging. Wat betreft zijn uitwerking was het minste lijden van Christus voldoende, om het mensdom van alle zonden te verlossen; maar naar passendheid was het eerst voldoende als Hij allerlei lijden onderging, zoals in de leerstelling gezegd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Was het lijden van Christus groter dan alle lijden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 46 a. 7 co.
IIIa q. 46 a. 8 arg. 2
IIIa q. 48 a. 2 co.[t:iiia q. 46 a. 7 co.][t:iiia q. 46 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 48 a. 2 co.]
IIIa q. 46 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus niet groter was dan alle lijden. De smart van de lijder neemt toe met de hevigheid en de duur van het lijden. Sommige martelaren nu ondergingen zwaarder en langduriger lijden dan Christus; zoals blijkt bij Laurentius, die op een rooster gebraden werd; en bij Vincentius, wiens vlees met ijzeren tangen werd verscheurd. Dus was het lijden van Christus niet het grootste.
IIIa q. 46 a. 7 co.
IIIa q. 46 a. 8 arg. 2
IIIa q. 48 a. 2 co.[t:iiia q. 46 a. 7 co.][t:iiia q. 46 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 48 a. 2 co.]
IIIa q. 46 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus niet groter was dan alle lijden. De smart van de lijder neemt toe met de hevigheid en de duur van het lijden. Sommige martelaren nu ondergingen zwaarder en langduriger lijden dan Christus; zoals blijkt bij Laurentius, die op een rooster gebraden werd; en bij Vincentius, wiens vlees met ijzeren tangen werd verscheurd. Dus was het lijden van Christus niet het grootste.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Geestesdeugd stilt de smart, zo zelfs, dat de Stoïcijnen beweerden, dat de ziel van de wijze nooit door droefheid overvallen kan worden; en Aristoteles beweerde, dat de zedelijke deugd het (juiste) midden houdt bij passie. Christus echter bezat de volmaaktste geestesdeugd. Dus onderging Hij niet het grootste lijden.
Vervolgens. Geestesdeugd stilt de smart, zo zelfs, dat de Stoïcijnen beweerden, dat de ziel van de wijze nooit door droefheid overvallen kan worden; en Aristoteles beweerde, dat de zedelijke deugd het (juiste) midden houdt bij passie. Christus echter bezat de volmaaktste geestesdeugd. Dus onderging Hij niet het grootste lijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Naar gelang een leider gevoeliger is, ondergaat hij grotere lijdenssmart. De ziel nu is gevoeliger dan het lichaam, daar het lichaam voelt in afhankelijkheid van de ziel. En Adam schijnt ook in de staat van onschuld een fijner voelend lichaam gehad te hebben, dan Christus, die een menselijk lichaam aannam met natuurlijke gebreken. Dus moet de smart van een ziel in het vagevuur of in de hel, of ook al de smart van Adam, zo hij geleden heeft, groter geweest zijn, dan de lijdenssmart van Christus.
Vervolgens. Naar gelang een leider gevoeliger is, ondergaat hij grotere lijdenssmart. De ziel nu is gevoeliger dan het lichaam, daar het lichaam voelt in afhankelijkheid van de ziel. En Adam schijnt ook in de staat van onschuld een fijner voelend lichaam gehad te hebben, dan Christus, die een menselijk lichaam aannam met natuurlijke gebreken. Dus moet de smart van een ziel in het vagevuur of in de hel, of ook al de smart van Adam, zo hij geleden heeft, groter geweest zijn, dan de lijdenssmart van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 arg. 4
Vervolgens. Het verlies van een groter goed, veroorzaakt ook een grotere smart. De zondaar nu verliest door te zondigen een groter goed, dan Christus door te lijden, daar het genadeleven hoger staat, dan het natuurlijke leven. Ook heeft Christus, die zijn leven verloor, maar na drie dagen zou verrijzen, minder verloren, dan zij die het leven verliezen, om voor altijd dood te blijven. Dus was de smart van Christus niet de grootste.
Vervolgens. Het verlies van een groter goed, veroorzaakt ook een grotere smart. De zondaar nu verliest door te zondigen een groter goed, dan Christus door te lijden, daar het genadeleven hoger staat, dan het natuurlijke leven. Ook heeft Christus, die zijn leven verloor, maar na drie dagen zou verrijzen, minder verloren, dan zij die het leven verliezen, om voor altijd dood te blijven. Dus was de smart van Christus niet de grootste.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 arg. 5
Vervolgens. De onschuld van de lijder vermindert de lijdenssmart. Christus nu heeft onschuldig geleden, zoals staat bij Jeremias (11. 19): "Ik echter ben als een zachtmoedig lam, dat ter slachtbank wordt geleid." Dus was de lijdenssmart van Christus niet het grootst.
B: (Jer 9:19) [b:Jer 9:19]
Vervolgens. De onschuld van de lijder vermindert de lijdenssmart. Christus nu heeft onschuldig geleden, zoals staat bij Jeremias (11. 19): "Ik echter ben als een zachtmoedig lam, dat ter slachtbank wordt geleid." Dus was de lijdenssmart van Christus niet het grootst.
B: (Jer 9:19) [b:Jer 9:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 arg. 6
Vervolgens. Bij al wat aan Christus behoort was niets overtolligs. Het minste lijden echter van Christus was voldoende voor zijn doel: de verlossing van de mens. Het bezat immers een oneindige waarde krachtens zijn goddelijke persoon. Derhalve zou het ondergaan van het grootste lijden iets overtolligs geweest zijn.
Vervolgens. Bij al wat aan Christus behoort was niets overtolligs. Het minste lijden echter van Christus was voldoende voor zijn doel: de verlossing van de mens. Het bezat immers een oneindige waarde krachtens zijn goddelijke persoon. Derhalve zou het ondergaan van het grootste lijden iets overtolligs geweest zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat we lezen in de Klaagliederen (1.2): "Aanschouw en ziet toe, of er een smart is gelijk aan de mijne."
B: (Lam 1:12) [b:Lam 1:12]
Daartegenover staat echter, dat we lezen in de Klaagliederen (1.2): "Aanschouw en ziet toe, of er een smart is gelijk aan de mijne."
B: (Lam 1:12) [b:Lam 1:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is bij de behandeling der gebrekkigheden, welke Christus op zich nam (15° Kw. 5° en 6° Art.), onderging Christus bij zijn lijden een werkelijke smart: zowel een zintuigelijk waarneembare, die veroorzaakt wordt door lichamelijk letsel, als ook de inwendige smart, die ontstaat bij het ontwaren van iets, dat schadelijk is, en welke smart wij droefheid noemen. Beide smarten nu waren bij Christus de grootste onder de smarten van dit leven. En wel om vier redenen. — Ten eerste van wege de oorzaken dezer smart. De zintuigelijk waarneembare smart had immers tot oorzaak een lichamelijke kwetsing. En deze was hevig, zowel van wege de algemeenheid van het lijden, waarover wij spreken (in het vorige Art. en in de 15e Kw.), alsook van wege de aard van dit lijden. Want de dood van hen, die aan het kruis genageld worden is de bitterste. Zij worden immers vastgenageld op zenuwrijke en allergevoeligste plaatsen, namelijk in de handen en voeten; en de zwaarte van het afhangende lichaam, vermeerderd nog voortdurend de smart; daarbij komt nog de lange duur van het lijden, daar zij niet terstond sterven, zoals dat wel het geval is met hen, die door het zwaard omkomen. Oorzaak van de inwendige smart echter waren vooreerst al de zonden van het menselijk geslacht, waarvoor Hij door zijn lijden voldoening bracht, en die Hij a. h. w. aan zichzelf toeschreef, als Hij zegt in het Boek der Psalmen (21. 2): "De woorden mijner zonden"; ten tweede, bijzonder de val der Joden en van de anderen, die zich bij zijn dood schuldig maakten, en vooral van zijn leerlingen, die geërgerd werden door Christus' lijden; ten slotte, het verlies van het lichamelijk leven, dat uiteraard iets verschrikkelijks is voor de mens. Ten tweede kan de grootheid zijner smart worden afgeleid uit de fijngevoeligheid van de lijder, zowel naar ziel als naar lichaam. Want lichamelijk had Hij een uitmuntend gestel, daar zijn lichaam op wonderbare wijze gevormd werd door de werking van de H. Geest: zoals dan ook al wat miraculeus geschiedt, beter is dan het andere, zoals Chrysostomus zegt van de wijn, waarin Christus bij de bruiloft het water veranderd had. Dus bij Hem was de gevoelszin, uit wiens gewaarwording de smart volgt, zeer sterk ontwikkeld. Ook nam de ziel met haar inwendige vermogens al de oorzaken van droefheid allerfijnst waar. — Ten derde kan de grootte der smart van de lijdende Christus beschouwd worden naar de zuiverheid dier smart en droefheid. Want bij andere lijders wordt de inwendige droefheid en ook de uitwendige smart tengevolge van een verstandelijke beschouwing getemperd, door een zekere beïnvloeding, een terugslag van de hogere vermogens op de lagere. Dit was echter bij de lijdende Christus niet het geval, daar Hij aan alle vermogens "toeliet, te doen wat hun eigen was", gelijk Damascenus zegt. — Ten vierde kan men de grootte der smart van de lijdende Christus hiernaar afmeten, dat dit lijden en die smart door Christus vrijwillig waren aanvaard, met het doel de mens te bevrijden van de zonde. En daarom was het lijden, dat Hij aanvaardde, zo groot, dat het geproportioneerd was, aan de grootte der vrucht, die er uit voortkwam. Uit deze redenen, allen te samen genomen, blijkt derhalve duidelijk, dat het lijden van Christus het grootst was.
B: (Ps 21:2) [b:Ps 21:2]
R: q. 15 a. 5[t:iiia q. 15 a. 5] q. 15 a. 6[t:iiia q. 15 a. 6] q. 46 a. 5[t:iiia q. 46 a. 5]
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is bij de behandeling der gebrekkigheden, welke Christus op zich nam (15° Kw. 5° en 6° Art.), onderging Christus bij zijn lijden een werkelijke smart: zowel een zintuigelijk waarneembare, die veroorzaakt wordt door lichamelijk letsel, als ook de inwendige smart, die ontstaat bij het ontwaren van iets, dat schadelijk is, en welke smart wij droefheid noemen. Beide smarten nu waren bij Christus de grootste onder de smarten van dit leven. En wel om vier redenen. — Ten eerste van wege de oorzaken dezer smart. De zintuigelijk waarneembare smart had immers tot oorzaak een lichamelijke kwetsing. En deze was hevig, zowel van wege de algemeenheid van het lijden, waarover wij spreken (in het vorige Art. en in de 15e Kw.), alsook van wege de aard van dit lijden. Want de dood van hen, die aan het kruis genageld worden is de bitterste. Zij worden immers vastgenageld op zenuwrijke en allergevoeligste plaatsen, namelijk in de handen en voeten; en de zwaarte van het afhangende lichaam, vermeerderd nog voortdurend de smart; daarbij komt nog de lange duur van het lijden, daar zij niet terstond sterven, zoals dat wel het geval is met hen, die door het zwaard omkomen. Oorzaak van de inwendige smart echter waren vooreerst al de zonden van het menselijk geslacht, waarvoor Hij door zijn lijden voldoening bracht, en die Hij a. h. w. aan zichzelf toeschreef, als Hij zegt in het Boek der Psalmen (21. 2): "De woorden mijner zonden"; ten tweede, bijzonder de val der Joden en van de anderen, die zich bij zijn dood schuldig maakten, en vooral van zijn leerlingen, die geërgerd werden door Christus' lijden; ten slotte, het verlies van het lichamelijk leven, dat uiteraard iets verschrikkelijks is voor de mens. Ten tweede kan de grootheid zijner smart worden afgeleid uit de fijngevoeligheid van de lijder, zowel naar ziel als naar lichaam. Want lichamelijk had Hij een uitmuntend gestel, daar zijn lichaam op wonderbare wijze gevormd werd door de werking van de H. Geest: zoals dan ook al wat miraculeus geschiedt, beter is dan het andere, zoals Chrysostomus zegt van de wijn, waarin Christus bij de bruiloft het water veranderd had. Dus bij Hem was de gevoelszin, uit wiens gewaarwording de smart volgt, zeer sterk ontwikkeld. Ook nam de ziel met haar inwendige vermogens al de oorzaken van droefheid allerfijnst waar. — Ten derde kan de grootte der smart van de lijdende Christus beschouwd worden naar de zuiverheid dier smart en droefheid. Want bij andere lijders wordt de inwendige droefheid en ook de uitwendige smart tengevolge van een verstandelijke beschouwing getemperd, door een zekere beïnvloeding, een terugslag van de hogere vermogens op de lagere. Dit was echter bij de lijdende Christus niet het geval, daar Hij aan alle vermogens "toeliet, te doen wat hun eigen was", gelijk Damascenus zegt. — Ten vierde kan men de grootte der smart van de lijdende Christus hiernaar afmeten, dat dit lijden en die smart door Christus vrijwillig waren aanvaard, met het doel de mens te bevrijden van de zonde. En daarom was het lijden, dat Hij aanvaardde, zo groot, dat het geproportioneerd was, aan de grootte der vrucht, die er uit voortkwam. Uit deze redenen, allen te samen genomen, blijkt derhalve duidelijk, dat het lijden van Christus het grootst was.
B: (Ps 21:2) [b:Ps 21:2]
R: q. 15 a. 5[t:iiia q. 15 a. 5] q. 15 a. 6[t:iiia q. 15 a. 6] q. 46 a. 5[t:iiia q. 46 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Deze redenering gaat alleen maar uit van een der voornaamste punten, namelijk het lichamelijk letsel, dat de voelbare smart veroorzaakt. Maar de andere oorzaken maakten het lijden van Christus nog veel groter, zoals gezegd is in de leerstelling.
1e Weerlegging. Deze redenering gaat alleen maar uit van een der voornaamste punten, namelijk het lichamelijk letsel, dat de voelbare smart veroorzaakt. Maar de andere oorzaken maakten het lijden van Christus nog veel groter, zoals gezegd is in de leerstelling.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. De zedelijke deugd tempert de innerlijke droefheid anders dan de uiterlijk voelbare smart. De innerlijke droefheid vermindert zij direct, door daarin als in de haar eigen materie, het juiste midden te houden. De zedelijke deugd houdt echter het juiste midden in de passie, zoals gezegd werd in het Tweede Deel (I-II. 44° Kw. 1° en 2° Art.), niet precies afgemeten aan de grootte van iets, maar aan de verhoudingsgrootte, nl. zo dat de passie de maat, door het verstand aangegeven, niet te buiten gaat. En daar de Stoïcijnen meenden, dat droefheid nergens goed voor is, daarom hielden zij, dat deze absoluut niet in overeenstemming is met de rede, en dat zij bijgevolg dus totaal door de wijze moet worden vermeden. In waarheid echter is een bepaalde droefheid prijzenswaardig, zoals Augustinus bewijst: wanneer zij nl. voortkomt uit een heilige liefde, b. v. wanneer iemand beproefd is over eigen zonden of die van anderen. Zij kan ook nuttig zijn om de zonde uit te boeten, naar het woord van de Apostel uit de Tweede Brief aan de Corinthiërs (7. 10): "De droefheid, zoals God ze verlangt, brengt beheersing tot blijvende zaligheid voort." En daarom onderging Christus, tot voldoening voor de zonden van alle mensen, droefheid, en wel absoluut genomen de grootste droefheid, echter niet zo dat zij de maat van het verstand te buiten ging. De uiterlijke smart der zinnen tempert de zedelijke deugd echter niet onmiddellijk; wijl deze smart niet onderworpen is aan de rede, maar 't eigene is van de natuur van het lichaam. Zij vermindert deze echter indirect door de terugslag van de hogere vermogens op de lagere; wat bij Christus echter niet het geval was, zoals in de leerstelling gezegd is en in de 14e kwestie (2e Art.).
R: Ia-IIae q. 64 a. 2[t:ia-iiae q. 64 a. 2]
2e Weerlegging. De zedelijke deugd tempert de innerlijke droefheid anders dan de uiterlijk voelbare smart. De innerlijke droefheid vermindert zij direct, door daarin als in de haar eigen materie, het juiste midden te houden. De zedelijke deugd houdt echter het juiste midden in de passie, zoals gezegd werd in het Tweede Deel (I-II. 44° Kw. 1° en 2° Art.), niet precies afgemeten aan de grootte van iets, maar aan de verhoudingsgrootte, nl. zo dat de passie de maat, door het verstand aangegeven, niet te buiten gaat. En daar de Stoïcijnen meenden, dat droefheid nergens goed voor is, daarom hielden zij, dat deze absoluut niet in overeenstemming is met de rede, en dat zij bijgevolg dus totaal door de wijze moet worden vermeden. In waarheid echter is een bepaalde droefheid prijzenswaardig, zoals Augustinus bewijst: wanneer zij nl. voortkomt uit een heilige liefde, b. v. wanneer iemand beproefd is over eigen zonden of die van anderen. Zij kan ook nuttig zijn om de zonde uit te boeten, naar het woord van de Apostel uit de Tweede Brief aan de Corinthiërs (7. 10): "De droefheid, zoals God ze verlangt, brengt beheersing tot blijvende zaligheid voort." En daarom onderging Christus, tot voldoening voor de zonden van alle mensen, droefheid, en wel absoluut genomen de grootste droefheid, echter niet zo dat zij de maat van het verstand te buiten ging. De uiterlijke smart der zinnen tempert de zedelijke deugd echter niet onmiddellijk; wijl deze smart niet onderworpen is aan de rede, maar 't eigene is van de natuur van het lichaam. Zij vermindert deze echter indirect door de terugslag van de hogere vermogens op de lagere; wat bij Christus echter niet het geval was, zoals in de leerstelling gezegd is en in de 14e kwestie (2e Art.).
R: Ia-IIae q. 64 a. 2[t:ia-iiae q. 64 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. De smart die de gescheiden ziel ondergaat behoort bij de toekomstige staat der verdoemenis, die alle kwaad van deze wereld overtreft, zoals de glorie der Zaligen elk goed van dit leven te boven gaat. Als wij dus zeggen, dat de smart van Christus het grootst was, dan vergelijken we haar niet met de smart der gescheiden ziel. — Het lichaam van Adam echter kon niet lijden, tenzij hij zondigde, en het zo sterfelijk werd en vatbaar voor lijden. Het zou dan echter toch minder moeten verduren, dan het lichaam van Christus, om bovenvermelde redenen. Hieruit blijkt ook, dat zelfs indien Adam, om het onmogelijke te veronderstellen, in de staat van onschuld geleden had, zijn smart toch minder zou geweest zijn dan die van Christus.
3e Weerlegging. De smart die de gescheiden ziel ondergaat behoort bij de toekomstige staat der verdoemenis, die alle kwaad van deze wereld overtreft, zoals de glorie der Zaligen elk goed van dit leven te boven gaat. Als wij dus zeggen, dat de smart van Christus het grootst was, dan vergelijken we haar niet met de smart der gescheiden ziel. — Het lichaam van Adam echter kon niet lijden, tenzij hij zondigde, en het zo sterfelijk werd en vatbaar voor lijden. Het zou dan echter toch minder moeten verduren, dan het lichaam van Christus, om bovenvermelde redenen. Hieruit blijkt ook, dat zelfs indien Adam, om het onmogelijke te veronderstellen, in de staat van onschuld geleden had, zijn smart toch minder zou geweest zijn dan die van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 ad 4
4e Weerlegging. Christus was niet slechts bedroefd over het verlies van zijn eigen lichamelijk leven, maar ook over de zonden van al de anderen. En deze droefheid van Christus overtrof de smart van iedere ander, die leed heeft: zowel omdat zij voortkwam uit hogere wijsheid en liefde, die de spijt smartelijker maken, alsook omdat Hij bedroefd was over alle zonden tegelijk, volgens het woord van Isaïas (53. 4): "Waarlijk, onze smarten heeft Hij zelf gedragen." Daarenboven was het lichamelijk leven van Christus van zulk een waarde, vooral ook om zijn vereniging met de godheid, dat het verlies hiervan, al was het slechts voor een uur, meer te betreuren viel, dan het verlies van het leven bij een ander mens, voor hoeveel tijd dan ook. Vandaar dat de Wijsgeer zegt, dat de deugdzame zijn leven méér liefheeft, naarmate hij weet, dat het beter is: en toch waagt hij zijn leven om het deugdgoed. Zo gaf ook Christus zijn eigen leven, dat Hij het meest liefhad, prijs om de goedheid zijner liefde, volgens het gezegde in Jeremias (12. 7): "Ik gaf mijn geliefde ziel in de handen harer vijanden."
4e Weerlegging. Christus was niet slechts bedroefd over het verlies van zijn eigen lichamelijk leven, maar ook over de zonden van al de anderen. En deze droefheid van Christus overtrof de smart van iedere ander, die leed heeft: zowel omdat zij voortkwam uit hogere wijsheid en liefde, die de spijt smartelijker maken, alsook omdat Hij bedroefd was over alle zonden tegelijk, volgens het woord van Isaïas (53. 4): "Waarlijk, onze smarten heeft Hij zelf gedragen." Daarenboven was het lichamelijk leven van Christus van zulk een waarde, vooral ook om zijn vereniging met de godheid, dat het verlies hiervan, al was het slechts voor een uur, meer te betreuren viel, dan het verlies van het leven bij een ander mens, voor hoeveel tijd dan ook. Vandaar dat de Wijsgeer zegt, dat de deugdzame zijn leven méér liefheeft, naarmate hij weet, dat het beter is: en toch waagt hij zijn leven om het deugdgoed. Zo gaf ook Christus zijn eigen leven, dat Hij het meest liefhad, prijs om de goedheid zijner liefde, volgens het gezegde in Jeremias (12. 7): "Ik gaf mijn geliefde ziel in de handen harer vijanden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 ad 5
Ad quintum De onschuld van de lijder vermindert numeriek de lijdens smart, daar de schuldige, als hij lijdt, niet alleen bedroefd is over de smart, maar ook over zijn schuld; de onschuldige echter alleen over de straf. Maar bij de laatste wordt die smart door zijn onschuld vermeerderd, in zover hij het aangedane leed als minder verdiend beschouwt. Vandaar zijn anderen ook des te meer berispelijk, naarmate zij minder met hem te doen hebben, naar het woord van Isaïas (57.1): "De rechtvaardige komt om, en niemand gaat het ter harte."
Ad quintum De onschuld van de lijder vermindert numeriek de lijdens smart, daar de schuldige, als hij lijdt, niet alleen bedroefd is over de smart, maar ook over zijn schuld; de onschuldige echter alleen over de straf. Maar bij de laatste wordt die smart door zijn onschuld vermeerderd, in zover hij het aangedane leed als minder verdiend beschouwt. Vandaar zijn anderen ook des te meer berispelijk, naarmate zij minder met hem te doen hebben, naar het woord van Isaïas (57.1): "De rechtvaardige komt om, en niemand gaat het ter harte."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 6 ad 6
Ad sextum Christus wilde het menselijk geslacht niet alleen met macht bevrijden, maar ook met rechtvaardigheid. En daarom was Hij er niet alleen op bedacht, welke kracht zijn smart had krachtens de vereniging met de Godheid: maar ook in hoeverre zijn smart naar zijn menselijke natuur voldoende was tot zulke voldoening.
B: (2Cor 7:10) [b:2Cor 7:10]
Ad sextum Christus wilde het menselijk geslacht niet alleen met macht bevrijden, maar ook met rechtvaardigheid. En daarom was Hij er niet alleen op bedacht, welke kracht zijn smart had krachtens de vereniging met de Godheid: maar ook in hoeverre zijn smart naar zijn menselijke natuur voldoende was tot zulke voldoening.
B: (2Cor 7:10) [b:2Cor 7:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Heeft Christus, geleden met heel zijn ziel?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 46 a. 8 arg. 1
IIIa q. 46 a. 8 co.[t:iiia q. 46 a. 8 arg. 1][t:iiia q. 46 a. 8 co.]
IIIa q. 46 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat Christus niet leed met heel zijn ziel. De ziel lijdt toevallig, als het lichaam lijdt, in zoverre zij "de akt van het lichaam" is. Maar de ziel is niet met ieder deel de akt van het lichaam: want het verstand is van geen enkel lichaam de akt, zoals staat in de Anima. Dus heeft Christus niet met heel zijn ziel geleden.
IIIa q. 46 a. 8 arg. 1
IIIa q. 46 a. 8 co.[t:iiia q. 46 a. 8 arg. 1][t:iiia q. 46 a. 8 co.]
IIIa q. 46 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat Christus niet leed met heel zijn ziel. De ziel lijdt toevallig, als het lichaam lijdt, in zoverre zij "de akt van het lichaam" is. Maar de ziel is niet met ieder deel de akt van het lichaam: want het verstand is van geen enkel lichaam de akt, zoals staat in de Anima. Dus heeft Christus niet met heel zijn ziel geleden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Elk vermogen der ziel lijdt door zijn voorwerp. Maar het voorwerp van het hogere deel der rede, zijn de "eeuwige normen", die het "beschouwt en raadpleegt", zoals Augustinus zegt. Vanwege de eeuwige normen echter kon Christus geen nadeel lijden, daar zij in geen enkel opzicht tegen Hem waren. Dus heeft Hij niet geleden met heel zijn ziel.
Vervolgens. Elk vermogen der ziel lijdt door zijn voorwerp. Maar het voorwerp van het hogere deel der rede, zijn de "eeuwige normen", die het "beschouwt en raadpleegt", zoals Augustinus zegt. Vanwege de eeuwige normen echter kon Christus geen nadeel lijden, daar zij in geen enkel opzicht tegen Hem waren. Dus heeft Hij niet geleden met heel zijn ziel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 7 arg. 3
Vervolgens. De zintuigelijke hartstocht (2) wordt dan pas een voltooide hartstocht genoemd, als ze doordringt tot de rede. Hartstochten had Christus echter niet, maar alleen een "begin-hartstocht," zoals Hieronymus zegt, naar aanleiding van het woord van Mattheus (26. 37): "Hij begon bedroefd te worden." Vandaar dat Dionysius zegt, dat "Hij het lijden dat Hem werd aangedaan, alleen maar onderging tot aan het oordelen." Dus leed Christus niet met heel zijn ziel.
B: (Matt 26:37) [b:Matt 26:37]
Vervolgens. De zintuigelijke hartstocht (2) wordt dan pas een voltooide hartstocht genoemd, als ze doordringt tot de rede. Hartstochten had Christus echter niet, maar alleen een "begin-hartstocht," zoals Hieronymus zegt, naar aanleiding van het woord van Mattheus (26. 37): "Hij begon bedroefd te worden." Vandaar dat Dionysius zegt, dat "Hij het lijden dat Hem werd aangedaan, alleen maar onderging tot aan het oordelen." Dus leed Christus niet met heel zijn ziel.
B: (Matt 26:37) [b:Matt 26:37]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 7 arg. 4
Vervolgens. Lijden is oorzaak van smart. Maar in het beschouwende verstand is er geen smart, omdat er "tegenover het genot, dat uit de beschouwing volgt, geen droefheid staat", zoals de wijsgeer zegt. Dus leed Christus niet met heel zijn ziel.
Vervolgens. Lijden is oorzaak van smart. Maar in het beschouwende verstand is er geen smart, omdat er "tegenover het genot, dat uit de beschouwing volgt, geen droefheid staat", zoals de wijsgeer zegt. Dus leed Christus niet met heel zijn ziel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in het Boek der Psalmen (87. 4) gezegd wordt in de persoon van Christus: "Mijn ziel is met kwalen vervuld;" en de Glossa zegt: "Niet met gebreken maar met smarten, welke de ziel met het lichaam meelijdt; of met deelneming in het kwaad van het voorbijtrekkende volk, dat verloren ging." Zijn ziel zou echter niet met deze kwalen vervuld zijn, als Hij niet met heel zijn ziel geleden had. Dus leed Hij met heel zijn ziel.
B: (Ps 87:4) [b:Ps 87:4]
Daartegenover staat echter, dat in het Boek der Psalmen (87. 4) gezegd wordt in de persoon van Christus: "Mijn ziel is met kwalen vervuld;" en de Glossa zegt: "Niet met gebreken maar met smarten, welke de ziel met het lichaam meelijdt; of met deelneming in het kwaad van het voorbijtrekkende volk, dat verloren ging." Zijn ziel zou echter niet met deze kwalen vervuld zijn, als Hij niet met heel zijn ziel geleden had. Dus leed Hij met heel zijn ziel.
B: (Ps 87:4) [b:Ps 87:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 7 co.
Mijn antwoord. We spreken van geheel met betrekking tot delen. De delen nu der ziel zijn haar vermogens. Men zegt dus dat de gehele ziel lijdt, als zij lijdt in haar wezen, of in al haar vermogens. Men moet echter in 't oog houden, dat een vermogen der ziel op twee manieren kan lijden. Vooreerst door zelf iets te ondergaan, hetgeen gebeurt, als het iets ondergaat ten gevolge van zijn eigen voorwerp, evenals wanneer het oog lijdt door iets zichtbaars, dat te sterk is. — Op de tweede plaats lijdt een vermogen, doordat het subject waarin het gefundeerd ligt, lijdt, zoals het gezichtsvermogen lijdt door het lijden van de gevoelszin in het oog, waarin het gezicht gefundeerd ligt; b. v. als het oog geprikt wordt of uit zijn gewone doen geraakt door de warmte. Wij moeten derhalve zeggen, dat duidelijk de gehele ziel van Christus geleden heeft, wanneer wij spreken van de gehele ziel naar hare wezenheid genomen. Want de gehele wezenheid der ziel wordt verbonden met het lichaam, zoodat zij geheel is in het geheel en ook geheel in ieder deel daarvan. En dus leed geheel zijn ziel, toen het lichaam leed en klaar gemaakt werd voor de scheiding van de ziel. — Als wij echter onder de gehele ziel verstaan: in al haar vermogens, en wij spreken over het eigen ondergaan der vermogens, dan leed Hij wel met al zijn lagere vermogens, daar bij elk der lagere zielsvermogens, wier werking betrekking heeft op tijdelijke dingen, iets gevonden werd, dat voor Christus oorzaak was van smart, zoals uit het bovengezegde blijkt (5° Art.) ; maar zo opgevat leed de hogere rede in Christus niet van wege haar eigen voorwerp, hetwelk nl. God is, die voor Christus' ziel geen reden tot smart, maar van genot en vreugde was. — Echter van lijden gesproken in die zin, waarin wij zeggen, dat het een of ander vermogen iets ondergaat van wege zijn subject, zo leden alle zielsvermogens van Christus. Alle vermogens der ziel wortelen immers in haar wezenheid, tot waar het lijden door dringt, als het lichaam lijdt, waarvan zij de akt is.
R: q. 46 a. 6[t:iiia q. 46 a. 6]
Mijn antwoord. We spreken van geheel met betrekking tot delen. De delen nu der ziel zijn haar vermogens. Men zegt dus dat de gehele ziel lijdt, als zij lijdt in haar wezen, of in al haar vermogens. Men moet echter in 't oog houden, dat een vermogen der ziel op twee manieren kan lijden. Vooreerst door zelf iets te ondergaan, hetgeen gebeurt, als het iets ondergaat ten gevolge van zijn eigen voorwerp, evenals wanneer het oog lijdt door iets zichtbaars, dat te sterk is. — Op de tweede plaats lijdt een vermogen, doordat het subject waarin het gefundeerd ligt, lijdt, zoals het gezichtsvermogen lijdt door het lijden van de gevoelszin in het oog, waarin het gezicht gefundeerd ligt; b. v. als het oog geprikt wordt of uit zijn gewone doen geraakt door de warmte. Wij moeten derhalve zeggen, dat duidelijk de gehele ziel van Christus geleden heeft, wanneer wij spreken van de gehele ziel naar hare wezenheid genomen. Want de gehele wezenheid der ziel wordt verbonden met het lichaam, zoodat zij geheel is in het geheel en ook geheel in ieder deel daarvan. En dus leed geheel zijn ziel, toen het lichaam leed en klaar gemaakt werd voor de scheiding van de ziel. — Als wij echter onder de gehele ziel verstaan: in al haar vermogens, en wij spreken over het eigen ondergaan der vermogens, dan leed Hij wel met al zijn lagere vermogens, daar bij elk der lagere zielsvermogens, wier werking betrekking heeft op tijdelijke dingen, iets gevonden werd, dat voor Christus oorzaak was van smart, zoals uit het bovengezegde blijkt (5° Art.) ; maar zo opgevat leed de hogere rede in Christus niet van wege haar eigen voorwerp, hetwelk nl. God is, die voor Christus' ziel geen reden tot smart, maar van genot en vreugde was. — Echter van lijden gesproken in die zin, waarin wij zeggen, dat het een of ander vermogen iets ondergaat van wege zijn subject, zo leden alle zielsvermogens van Christus. Alle vermogens der ziel wortelen immers in haar wezenheid, tot waar het lijden door dringt, als het lichaam lijdt, waarvan zij de akt is.
R: q. 46 a. 6[t:iiia q. 46 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Ofschoon het verstand, voor zover het een bepaald vermogen is, niet de act van het lichaam is, is toch de wezenheid der ziel de act van het lichaam, en daarin wortelt het verstandelijk vermogen, zoals gezegd is in het Eerste Deel (I. 77° Kw. 6° en 8° Art.).
R: I q. 77 a. 6[t:ia q. 77 a. 6] I q. 77 a. 8[t:ia q. 77 a. 8]
1e Weerlegging. Ofschoon het verstand, voor zover het een bepaald vermogen is, niet de act van het lichaam is, is toch de wezenheid der ziel de act van het lichaam, en daarin wortelt het verstandelijk vermogen, zoals gezegd is in het Eerste Deel (I. 77° Kw. 6° en 8° Art.).
R: I q. 77 a. 6[t:ia q. 77 a. 6] I q. 77 a. 8[t:ia q. 77 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Deze redenering gaat uit van lijden, voortkomend uit het eigen voorwerp, en in die zin heeft de hogere rede in Christus niet geleden.
2e Weerlegging. Deze redenering gaat uit van lijden, voortkomend uit het eigen voorwerp, en in die zin heeft de hogere rede in Christus niet geleden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. De smart wordt dan pas een volledige hartstocht genoemd, waardoor de ziel in verwarring gebracht wordt, als de hartstocht van het zintuigelijke deel zover gaat, dat zij de rede doet afwijken van haar rechte daad, d.w.z. dat zij de hartstochtsneiging volgt en er geen vrije wilsbeschikking over heeft. Op deze wijze echter drong de hartstocht van het zintuigelijke deel in Christus niet door tot de rede, maar krachtens het subject zoals in de leerstelling gezegd is.
3e Weerlegging. De smart wordt dan pas een volledige hartstocht genoemd, waardoor de ziel in verwarring gebracht wordt, als de hartstocht van het zintuigelijke deel zover gaat, dat zij de rede doet afwijken van haar rechte daad, d.w.z. dat zij de hartstochtsneiging volgt en er geen vrije wilsbeschikking over heeft. Op deze wijze echter drong de hartstocht van het zintuigelijke deel in Christus niet door tot de rede, maar krachtens het subject zoals in de leerstelling gezegd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 7 ad 4
4e Weerlegging. Het beschouwende verstand kan niet in smart of bedroefd zijn van wege zijn voorwerp, dat het ware is op zich zelf genomen: want dit is zijn vervolmaking. De smart of de oorzaak der smart kan daartoe echter doordringen op de wijze in de leerstelling aangegeven.
4e Weerlegging. Het beschouwende verstand kan niet in smart of bedroefd zijn van wege zijn voorwerp, dat het ware is op zich zelf genomen: want dit is zijn vervolmaking. De smart of de oorzaak der smart kan daartoe echter doordringen op de wijze in de leerstelling aangegeven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Smaakte de gehele ziel van Christus bij zijn lijden de zalige genieting?
IIIa q. 46 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert dat niet de gehele ziel van Christus bij zijn lijden de zalige genieting smaakte. Het is immers onmogelijk om tegelijk bedroefd en verheugd te zijn, daar smart en vreugde aan elkaar tegengesteld zijn. Geheel de ziel van Christus nu leed tijdens zijn lijden, zoals boven gezegd is (vorig artikel). Zij kon dus niet in haar geheel de genieting smaken.
R: q. 46 a. 7[t:iiia q. 46 a. 7]
Over het achtste als volgt. Men beweert dat niet de gehele ziel van Christus bij zijn lijden de zalige genieting smaakte. Het is immers onmogelijk om tegelijk bedroefd en verheugd te zijn, daar smart en vreugde aan elkaar tegengesteld zijn. Geheel de ziel van Christus nu leed tijdens zijn lijden, zoals boven gezegd is (vorig artikel). Zij kon dus niet in haar geheel de genieting smaken.
R: q. 46 a. 7[t:iiia q. 46 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 8 arg. 2
Vervolgens. De Wijsgeer zegt, dat droefheid, wanneer ze hevig is, niet alleen de tegenovergestelde genieting verhindert, maar ook elke andere; en omgekeerd. De smart van Christus’ lijden nu was allergröötst, zoals aangetoond is (6° Art.); evenzo is ook het genot der aanschouwing het allergrootst, zoals in het begin van het tweede deel is uiteengezet (I-II, 36° Kw. 3° Art.). Derhalve is het onmogelijk, dat geheel de ziel van Christus tegelijk smart en genot ondervond.
R: q. 46 a. 6[t:iiia q. 46 a. 6] Ia-IIae q. 34 a. 3[t:ia-iiae q. 34 a. 3]
Vervolgens. De Wijsgeer zegt, dat droefheid, wanneer ze hevig is, niet alleen de tegenovergestelde genieting verhindert, maar ook elke andere; en omgekeerd. De smart van Christus’ lijden nu was allergröötst, zoals aangetoond is (6° Art.); evenzo is ook het genot der aanschouwing het allergrootst, zoals in het begin van het tweede deel is uiteengezet (I-II, 36° Kw. 3° Art.). Derhalve is het onmogelijk, dat geheel de ziel van Christus tegelijk smart en genot ondervond.
R: q. 46 a. 6[t:iiia q. 46 a. 6] Ia-IIae q. 34 a. 3[t:ia-iiae q. 34 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Het zalige genot bestaat in het kennen en beminnen van de goddelijke dingen, zoals blijkt bij Augustinus. Maar niet alle vermogens der ziel geraken tot het kennen en beminnen van God. Dus genoot niet de gehele ziel van Christus.
Vervolgens. Het zalige genot bestaat in het kennen en beminnen van de goddelijke dingen, zoals blijkt bij Augustinus. Maar niet alle vermogens der ziel geraken tot het kennen en beminnen van God. Dus genoot niet de gehele ziel van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter wat Damascenus zegt, dat de Godheid van Christus "aan het vlees toestond te doen en te ondergaan, wat hieraan eigen was." Dus om dezelfde reden heeft het lijden zijn genieting niet verhinderd, daar het eigen was aan de ziel van Christus, in zover zij zalig was, om de genieting te smaken.
Daartegenover staat echter wat Damascenus zegt, dat de Godheid van Christus "aan het vlees toestond te doen en te ondergaan, wat hieraan eigen was." Dus om dezelfde reden heeft het lijden zijn genieting niet verhinderd, daar het eigen was aan de ziel van Christus, in zover zij zalig was, om de genieting te smaken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 8 co.
Mijn antwoord. Zoals juist gezegd is (vorig Art.), kan het geheel der ziel genomen worden naar haar wezenheid en naar al haar vermogens. — Naar haar wezenheid genomen, genoot de gehele ziel, in zover zij het subject is van het hogere deel der ziel, waaraan het eigen is de Godheid te genieten: zodat, zoals het lijden krachtens de wezenheid wordt toegeschreven aan het hogere deel der ziel, zo wordt ook omgekeerd de genieting krachtens het hogere deel der ziel toegeschreven aan de wezenheid. — Als wij echter de gehele ziel verstaan in de zin van: al haar vermogens, dan genoot niet de gehele ziel: noch direct, daar de genieting niet een daad van ieder deel der ziel kan zijn; noch door uitvloeiing der glorie, aangezien, zolang Christus nog "pelgrim" was, er nog geen overvloeiing der glorie plaats had, noch van het hogere deel naar het lagere, noch van de ziel naar het lichaam. Maar omdat ook omgekeerd het hogere deel der ziel geen hindernis ondervond van het lagere in die dingen, die dat deel eigen waren, volgt, dat het hogere deel der ziel volmaakt de genieting smaakte tijdens het lijden van Christus.
R: q. 46 a. 7[t:iiia q. 46 a. 7]
Mijn antwoord. Zoals juist gezegd is (vorig Art.), kan het geheel der ziel genomen worden naar haar wezenheid en naar al haar vermogens. — Naar haar wezenheid genomen, genoot de gehele ziel, in zover zij het subject is van het hogere deel der ziel, waaraan het eigen is de Godheid te genieten: zodat, zoals het lijden krachtens de wezenheid wordt toegeschreven aan het hogere deel der ziel, zo wordt ook omgekeerd de genieting krachtens het hogere deel der ziel toegeschreven aan de wezenheid. — Als wij echter de gehele ziel verstaan in de zin van: al haar vermogens, dan genoot niet de gehele ziel: noch direct, daar de genieting niet een daad van ieder deel der ziel kan zijn; noch door uitvloeiing der glorie, aangezien, zolang Christus nog "pelgrim" was, er nog geen overvloeiing der glorie plaats had, noch van het hogere deel naar het lagere, noch van de ziel naar het lichaam. Maar omdat ook omgekeerd het hogere deel der ziel geen hindernis ondervond van het lagere in die dingen, die dat deel eigen waren, volgt, dat het hogere deel der ziel volmaakt de genieting smaakte tijdens het lijden van Christus.
R: q. 46 a. 7[t:iiia q. 46 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. De vreugde over de genieting is niet rechtstreeks tegengesteld aan de smart over het lijden, daar zij niet over hetzelfde gaan. Er is echter niets op tegen, dat tegengestelde dingen in hetzelfde zijn, als zij er maar om hetzelfde in zijn. En aldus kan de vreugde der genieting toegekend worden aan het hogere deel der rede krachtens haar eigen daad; de smart echter over het lijden krachtens het subject. Aan de wezenheid der ziel echter wordt de lijdenssmart toegekend van wege het lichaam, waarvan het de vorm is; de vreugde der genieting echter krachtens het vermogen, waarvan zij het subject is.
1e Weerlegging. De vreugde over de genieting is niet rechtstreeks tegengesteld aan de smart over het lijden, daar zij niet over hetzelfde gaan. Er is echter niets op tegen, dat tegengestelde dingen in hetzelfde zijn, als zij er maar om hetzelfde in zijn. En aldus kan de vreugde der genieting toegekend worden aan het hogere deel der rede krachtens haar eigen daad; de smart echter over het lijden krachtens het subject. Aan de wezenheid der ziel echter wordt de lijdenssmart toegekend van wege het lichaam, waarvan het de vorm is; de vreugde der genieting echter krachtens het vermogen, waarvan zij het subject is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Het gezegde van de Wijsgeer is waar van wege de overvloeiing, die natuurlijkerwijze plaats heeft van het ene zielsvermogen naar het andere. Maar dit had bij Christus niet plaats, zoals boven gezegd is in de leerstelling.
2e Weerlegging. Het gezegde van de Wijsgeer is waar van wege de overvloeiing, die natuurlijkerwijze plaats heeft van het ene zielsvermogen naar het andere. Maar dit had bij Christus niet plaats, zoals boven gezegd is in de leerstelling.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Deze redenering gaat uit van de totaliteit der ziel, genomen naar hare vermogens.
3e Weerlegging. Deze redenering gaat uit van de totaliteit der ziel, genomen naar hare vermogens.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Is Christus op een geschikten tijd gestorven?
IIIa q. 46 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert, dat Christus niet op een geschikte tijd gestorven is. Het lijden van Christus werd immers voorafgebeeld door de slachtoffering van het Paaslam : waarom ook de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 7) : "Ons Paaslam Christus is geslacht". Het Paaslam echter werd geslacht "op de veertiende dag tegen de avond", zoals staat in het Boek van de Uittocht (12. 6). Dus had Christus toen moeten lijden. Wat niet gebeurd is, daar Hij toen het Pasen met zijn leerlingen vierde, volgens het woord van Marcus (14. 12) : "Op de eerste dag der ongedesemde broden, toen het Paaslam geslacht werd". De volgende dag pas heeft Hij geleden.
B: (Exod 12:6) [b:Exod 12:6] (1Cor 5:7) [b:1Cor 5:7]
Over het negende als volgt. Men beweert, dat Christus niet op een geschikte tijd gestorven is. Het lijden van Christus werd immers voorafgebeeld door de slachtoffering van het Paaslam : waarom ook de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 7) : "Ons Paaslam Christus is geslacht". Het Paaslam echter werd geslacht "op de veertiende dag tegen de avond", zoals staat in het Boek van de Uittocht (12. 6). Dus had Christus toen moeten lijden. Wat niet gebeurd is, daar Hij toen het Pasen met zijn leerlingen vierde, volgens het woord van Marcus (14. 12) : "Op de eerste dag der ongedesemde broden, toen het Paaslam geslacht werd". De volgende dag pas heeft Hij geleden.
B: (Exod 12:6) [b:Exod 12:6] (1Cor 5:7) [b:1Cor 5:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 9 arg. 2
Vervolgens. Het lijden van Christus wordt zijn verheffing genoemd, volgens het woord van Joannes (3. 14) : "De Zoon des mensen moet verheven worden". Christus zelf echter wordt genoemd "Zon van gerechtigheid", zoals blijkt bij Malachias (4. 2). Dus moest Christus lijden op het zesde uur, waarop de zon haar grootste hoogte bereikt. Het tegengestelde hiervan lezen wij echter bij Marcus (15. 25) : "Het was nu het derde uur en zij kruisigden Hem".
Vervolgens. Het lijden van Christus wordt zijn verheffing genoemd, volgens het woord van Joannes (3. 14) : "De Zoon des mensen moet verheven worden". Christus zelf echter wordt genoemd "Zon van gerechtigheid", zoals blijkt bij Malachias (4. 2). Dus moest Christus lijden op het zesde uur, waarop de zon haar grootste hoogte bereikt. Het tegengestelde hiervan lezen wij echter bij Marcus (15. 25) : "Het was nu het derde uur en zij kruisigden Hem".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 9 arg. 3
Vervolgens. Zoals de zon elke dag op het zesde uur het hoogst staat, zo staat zij elk jaar het hoogst bij de Zomerzonnestilstand. Dus moest Hij veeleer lijden omstreeks de tijd van de Zomerzonnestilstand, dan tegen de tijd van de Lentenachtevening.
Vervolgens. Zoals de zon elke dag op het zesde uur het hoogst staat, zo staat zij elk jaar het hoogst bij de Zomerzonnestilstand. Dus moest Hij veeleer lijden omstreeks de tijd van de Zomerzonnestilstand, dan tegen de tijd van de Lentenachtevening.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 9 arg. 4
Vervolgens. De wereld werd verlicht door de aanwezigheid van Christus op aarde, volgens het woord van Joannes (9. 5): "Zoolang Ik op de wereld ben, ben Ik het licht der wereld". Het zou derhalve passend zijn geweest voor het heil der mensen, als hij langer in deze wereld had geleefd, zodat Hij niet leed in zijn jongelingsleeftijd, maar veeleer als grijsaard.
B: (John 9:5) [b:John 9:5]
Vervolgens. De wereld werd verlicht door de aanwezigheid van Christus op aarde, volgens het woord van Joannes (9. 5): "Zoolang Ik op de wereld ben, ben Ik het licht der wereld". Het zou derhalve passend zijn geweest voor het heil der mensen, als hij langer in deze wereld had geleefd, zodat Hij niet leed in zijn jongelingsleeftijd, maar veeleer als grijsaard.
B: (John 9:5) [b:John 9:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 9 s. c.
Daartegenover staat echter, wat bij Joannes (13. 1) staat: "Jesus, wetend dat zijn uur gekomen was, om over te gaan uit deze wereld naar de Vader", en bij Joannes (2. 4): "Mijn uur is nog niet gekomen", waarbij Augustinus aanmerkt: "Waar Hij zoveel deed als Hij voldoende oordeelde, kwam zijn uur niet, omdat het noodzakelijk was, maar omdat Hij het wilde". Dus leed Hij te geschikter tijd.
B: (John 2:4) [b:John 2:4] (John 13:1) [b:John 13:1]
Daartegenover staat echter, wat bij Joannes (13. 1) staat: "Jesus, wetend dat zijn uur gekomen was, om over te gaan uit deze wereld naar de Vader", en bij Joannes (2. 4): "Mijn uur is nog niet gekomen", waarbij Augustinus aanmerkt: "Waar Hij zoveel deed als Hij voldoende oordeelde, kwam zijn uur niet, omdat het noodzakelijk was, maar omdat Hij het wilde". Dus leed Hij te geschikter tijd.
B: (John 2:4) [b:John 2:4] (John 13:1) [b:John 13:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 9 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (1° Art.), was het lijden van Christus onderworpen aan zijn wil. Zijn wil werd echter geleid door de goddelijke wijsheid, die "alles regelt" zoals het hoort en "met zachte hand" zoals staat in het Boek der Wijsheid (8. 1). En dus moeten wij zeggen, dat het lijden van Christus te geschikter tijd plaats heeft gehad. Vandaar dat Augustinus zegt: "Alles heeft de Zaligmaker op de juiste plaatsen en tijden volbracht."
B: (Wis 8:1) [b:Wis 8:1]
R: q. 46 a. 1[t:iiia q. 46 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (1° Art.), was het lijden van Christus onderworpen aan zijn wil. Zijn wil werd echter geleid door de goddelijke wijsheid, die "alles regelt" zoals het hoort en "met zachte hand" zoals staat in het Boek der Wijsheid (8. 1). En dus moeten wij zeggen, dat het lijden van Christus te geschikter tijd plaats heeft gehad. Vandaar dat Augustinus zegt: "Alles heeft de Zaligmaker op de juiste plaatsen en tijden volbracht."
B: (Wis 8:1) [b:Wis 8:1]
R: q. 46 a. 1[t:iiia q. 46 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. Sommigen zeggen dat Christus geleden heeft op de veertien dag na nieuwe maan, waarop de Joden het Paaslam offerden. Vandaar dat ook Joannes (18. 28) zegt, dat de Joden op de dag van het lijden zelf "niet binnengingen in het rechthuis" van Pilatus, "opdat zij zich niet zouden verontreinigen, maar het Paaslam konden eten", waarbij Chrysostomus opmerkt, dat "de Joden toen hun Pasen vierden; Hij zelf echter vierde een dag eerder Pasen, terwijl Hij de slachtoffering van zichzelf uitstelde tot de zesde dag, waarop het oude Pasen gevierd werd". Hiermede schijnt in overeenstemming wat Joannes (13. 1-5) zegt, dat "Christus daags voor het Paasfeest, na het avondmaal gehouden te hebben, de voeten der leerlingen waste". — Maar daartegen is wat gezegd wordt in Mattheus (26. 17), dat "op de eerste dag der ongedeesemde broden de leerlingen tot Jesus kwamen, zeggende: Waar wilt U, dat wij met U het Paaslam eten?" Hieruit blijkt vast te staan, dat Christus op de veertien dag na nieuwe maan het avondmaal gehouden en op de vijftiende geleden heeft, "aangezien de eerste dag der ongedeesemde broden genoemd wordt de veertiende dag van de eerste maand, waarop het lam geslacht werd en het volle maan was", zoals Hieronymus aanmerkt bij de woorden van Mattheus (26. 17): "Op de eerste dag der ongedeesemde broden, kwamen" enz. En dit blijkt nog meer uit hetgeen gezegd wordt bij Marcus (14. 12): "Op de eerste dag der ongedeesemde broden, waarop men het Paschlam offerde", en bij Lucas (22. 7): "De dag der ongedeesemde broden was aangebroken, waarop het Paaslam moest geslacht worden". Derhalve zeggen sommigen, dat Christus op de passende dag d. i. op de veertien dag na nieuwe maan, het Paaslam met zijn leerlingen heeft gegeten, "toonende, dat Hij tot op de laatste dag toe geen tegenstander der Wet was", zoals Chrysostomus zegt. De Joden daarentegen zouden tegen de Wet in de Paasviering tot de volgende dag hebben uitgesteld, omdat zij het te druk hadden met de voorbereiding van Christus' dood. En daarom wordt van hen gezegd, dat zij op de lijdensdag van Christus het rechthuis niet wilden binnentreden, "opdat zij zich niet zouden verontreinigen, maar het Paaslam konden eten". Doch ook dit klopt niet met de woorden van Marcus, die zegt: "Op de eerste dag der ongedeesemde broden, waarop zij het Paaslam slachtten". Christus heeft derhalve tegelijk met de Joden het oude Pasen gevierd. En, zoals Beda zegt: "Ofschoon Christus, ons Paaslam, de volgende dag, d. i. de vijftiende na nieuwe maan, werd gekruisigd, heeft Hij toch in de nacht, waarin het lam geofferd werd een heilig begin gemaakt aan de slachtoffering van zichzelf, d. i. aan zijn lijden, en wel door toen het mysterie van zijn lichaam en bloed aan de leerlingen ter viering over te geven, en doordat toen de Joden hun handen aan Hem sloegen en Hem bonden". Wanneer echter bij Joannes (13. 1) gezegd wordt: "Daags voor het Paasfeest", dan is dat te verstaan van de veertien dag na de nieuwe maan, wat toen viel op de vijftiende dag (der week), want op de vijftiende dag na de nieuwe maan viel bij de Joden de hoogste feestdag Pasen. En zo komt het dat dezelfde dag, welke Joannes, om de natuurlijke onderscheiding der dagen "de dag voor het Paasfeest" noemt, door Mattheus genoemd wordt: "de eerste dag der ongedeesemde broden", daar volgens de Joodsche feestritus de plechtigheid begon op de avond van de vorige dag. En als er nu staat, dat zij het Paasmaal moesten eten op de vijftiende dag na de nieuwe maan, dan is dit zo te verstaan, dat daar niet bedoeld wordt het Paaslam, dat geslacht werd op de veertien dag na de nieuwe maan, maar de Paasspijs, d. i. het ongedeesemde brood, hetwelk in reinheid moest gegeten worden. Vandaar dat Chrysostomus een andere uitleg geeft, dat "Pasen" kan verstaan worden van "het gehele feest" der Joden, dat zeven dagen duurde.
B: (John 13:1-5) [b:John 13:1-5] (John 18:28, John 18:28) [b:John 18:28]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 74 a. 4 ad 1[t:iiia q. 74 a. 4 ad 1]
1e Weerlegging. Sommigen zeggen dat Christus geleden heeft op de veertien dag na nieuwe maan, waarop de Joden het Paaslam offerden. Vandaar dat ook Joannes (18. 28) zegt, dat de Joden op de dag van het lijden zelf "niet binnengingen in het rechthuis" van Pilatus, "opdat zij zich niet zouden verontreinigen, maar het Paaslam konden eten", waarbij Chrysostomus opmerkt, dat "de Joden toen hun Pasen vierden; Hij zelf echter vierde een dag eerder Pasen, terwijl Hij de slachtoffering van zichzelf uitstelde tot de zesde dag, waarop het oude Pasen gevierd werd". Hiermede schijnt in overeenstemming wat Joannes (13. 1-5) zegt, dat "Christus daags voor het Paasfeest, na het avondmaal gehouden te hebben, de voeten der leerlingen waste". — Maar daartegen is wat gezegd wordt in Mattheus (26. 17), dat "op de eerste dag der ongedeesemde broden de leerlingen tot Jesus kwamen, zeggende: Waar wilt U, dat wij met U het Paaslam eten?" Hieruit blijkt vast te staan, dat Christus op de veertien dag na nieuwe maan het avondmaal gehouden en op de vijftiende geleden heeft, "aangezien de eerste dag der ongedeesemde broden genoemd wordt de veertiende dag van de eerste maand, waarop het lam geslacht werd en het volle maan was", zoals Hieronymus aanmerkt bij de woorden van Mattheus (26. 17): "Op de eerste dag der ongedeesemde broden, kwamen" enz. En dit blijkt nog meer uit hetgeen gezegd wordt bij Marcus (14. 12): "Op de eerste dag der ongedeesemde broden, waarop men het Paschlam offerde", en bij Lucas (22. 7): "De dag der ongedeesemde broden was aangebroken, waarop het Paaslam moest geslacht worden". Derhalve zeggen sommigen, dat Christus op de passende dag d. i. op de veertien dag na nieuwe maan, het Paaslam met zijn leerlingen heeft gegeten, "toonende, dat Hij tot op de laatste dag toe geen tegenstander der Wet was", zoals Chrysostomus zegt. De Joden daarentegen zouden tegen de Wet in de Paasviering tot de volgende dag hebben uitgesteld, omdat zij het te druk hadden met de voorbereiding van Christus' dood. En daarom wordt van hen gezegd, dat zij op de lijdensdag van Christus het rechthuis niet wilden binnentreden, "opdat zij zich niet zouden verontreinigen, maar het Paaslam konden eten". Doch ook dit klopt niet met de woorden van Marcus, die zegt: "Op de eerste dag der ongedeesemde broden, waarop zij het Paaslam slachtten". Christus heeft derhalve tegelijk met de Joden het oude Pasen gevierd. En, zoals Beda zegt: "Ofschoon Christus, ons Paaslam, de volgende dag, d. i. de vijftiende na nieuwe maan, werd gekruisigd, heeft Hij toch in de nacht, waarin het lam geofferd werd een heilig begin gemaakt aan de slachtoffering van zichzelf, d. i. aan zijn lijden, en wel door toen het mysterie van zijn lichaam en bloed aan de leerlingen ter viering over te geven, en doordat toen de Joden hun handen aan Hem sloegen en Hem bonden". Wanneer echter bij Joannes (13. 1) gezegd wordt: "Daags voor het Paasfeest", dan is dat te verstaan van de veertien dag na de nieuwe maan, wat toen viel op de vijftiende dag (der week), want op de vijftiende dag na de nieuwe maan viel bij de Joden de hoogste feestdag Pasen. En zo komt het dat dezelfde dag, welke Joannes, om de natuurlijke onderscheiding der dagen "de dag voor het Paasfeest" noemt, door Mattheus genoemd wordt: "de eerste dag der ongedeesemde broden", daar volgens de Joodsche feestritus de plechtigheid begon op de avond van de vorige dag. En als er nu staat, dat zij het Paasmaal moesten eten op de vijftiende dag na de nieuwe maan, dan is dit zo te verstaan, dat daar niet bedoeld wordt het Paaslam, dat geslacht werd op de veertien dag na de nieuwe maan, maar de Paasspijs, d. i. het ongedeesemde brood, hetwelk in reinheid moest gegeten worden. Vandaar dat Chrysostomus een andere uitleg geeft, dat "Pasen" kan verstaan worden van "het gehele feest" der Joden, dat zeven dagen duurde.
B: (John 13:1-5) [b:John 13:1-5] (John 18:28, John 18:28) [b:John 18:28]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 74 a. 4 ad 1[t:iiia q. 74 a. 4 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. Augustinus zegt: "Het was ongeveer het zesde uur toen de Heer door Pilatus werd overgeleverd ter kruisiging, zoals Joannes zegt (19. 14); het was immers niet ten volle het zesde, maar ongeveer het zesde d.w.z. het vijfde was verstreken en het zesde was al enigszins begonnen, zodat bij de voltooiing van het zesde uur, terwijl Christus aan het kruis hing, de duisternis ontstond. Men houdt echter dat het derde uur was, toen de Joden schreeuwden, dat de Heer moest gekruisigd worden, en allerjuist wordt er op gewezen, dat zij Hem toen kruisigden, toen zij dit riepen. Opdat derhalve niemand het verwijt van zulk een misdaad van de Joden op de soldaten zou schuiven, zegt hij: 't Was het derde uur en zij kruisigden Hem (Marc. 15. 25), opdat men begrijpen zou, dat zij Hem veeleer kruisigden, die op het derde uur riepen, dat Hij gekruisigd moest worden. Hoewel, er zijn er ook, die Parasceve, waar Joannes van spreekt, als Hij zegt: "Het was nu Parasceve (daags voor Paschen), ongeveer het zesde uur," willen opvatten als het derde uur van de dag. Parasceve immers betekent: voorbereiding. Het Paschen nu, dat met Christus' lijden werd gevierd, werd werkelijk voorbereid vanaf het negende uur 's nachts, toen nl. alle opperpriesters zeiden: "Hij is des doods schuldig." Rekenende nu vanaf dit nachtelijk uur tot aan Christus' kruisiging, komen we tot "het zesde uur van Parasceve" volgens Joannes en tot "het derde uur van de dag" volgens Marcus." Sommigen echter zeggen, dat dit verschil een gevolg is van een schrijffout in de Griekse tekst: want de tekens, waarmede drie en zes worden aangegeven, lijken bij hen veel op elkaar.
B: (Mark 14:12) [b:Mark 14:12] (Luke 22:7) [b:Luke 22:7]
2e Weerlegging. Augustinus zegt: "Het was ongeveer het zesde uur toen de Heer door Pilatus werd overgeleverd ter kruisiging, zoals Joannes zegt (19. 14); het was immers niet ten volle het zesde, maar ongeveer het zesde d.w.z. het vijfde was verstreken en het zesde was al enigszins begonnen, zodat bij de voltooiing van het zesde uur, terwijl Christus aan het kruis hing, de duisternis ontstond. Men houdt echter dat het derde uur was, toen de Joden schreeuwden, dat de Heer moest gekruisigd worden, en allerjuist wordt er op gewezen, dat zij Hem toen kruisigden, toen zij dit riepen. Opdat derhalve niemand het verwijt van zulk een misdaad van de Joden op de soldaten zou schuiven, zegt hij: 't Was het derde uur en zij kruisigden Hem (Marc. 15. 25), opdat men begrijpen zou, dat zij Hem veeleer kruisigden, die op het derde uur riepen, dat Hij gekruisigd moest worden. Hoewel, er zijn er ook, die Parasceve, waar Joannes van spreekt, als Hij zegt: "Het was nu Parasceve (daags voor Paschen), ongeveer het zesde uur," willen opvatten als het derde uur van de dag. Parasceve immers betekent: voorbereiding. Het Paschen nu, dat met Christus' lijden werd gevierd, werd werkelijk voorbereid vanaf het negende uur 's nachts, toen nl. alle opperpriesters zeiden: "Hij is des doods schuldig." Rekenende nu vanaf dit nachtelijk uur tot aan Christus' kruisiging, komen we tot "het zesde uur van Parasceve" volgens Joannes en tot "het derde uur van de dag" volgens Marcus." Sommigen echter zeggen, dat dit verschil een gevolg is van een schrijffout in de Griekse tekst: want de tekens, waarmede drie en zes worden aangegeven, lijken bij hen veel op elkaar.
B: (Mark 14:12) [b:Mark 14:12] (Luke 22:7) [b:Luke 22:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. Augustinus zegt: "De Heer wilde door zijn lijden de wereld verlossen en hervormen op dat ogenblik, waarop Hij haar geschapen had d. i. bij de dag- en nachtevening. En toen kreeg de dag de overhand op de nacht: want door het lijden van de Zaligmaker worden wij van de duisternis naar het licht overgebracht." En aangezien de volkomen verlichting zal plaats hebben bij de tweede komst van Christus, daarom wordt de tijd der tweede komst vergeleken met de zomer in Mattheus (24. 32, 33), waar gezegd wordt: "Als zijn tak reeds zacht is en er bladeren aan zitten, dan weet gij, dat de zomer nabij is, zo ook gij, als gij dit alles ziet, weet dan dat het nabij is en voor de deur staat." Dan zal ook de hoogste verheffing van Christus plaats hebben.
3e Weerlegging. Augustinus zegt: "De Heer wilde door zijn lijden de wereld verlossen en hervormen op dat ogenblik, waarop Hij haar geschapen had d. i. bij de dag- en nachtevening. En toen kreeg de dag de overhand op de nacht: want door het lijden van de Zaligmaker worden wij van de duisternis naar het licht overgebracht." En aangezien de volkomen verlichting zal plaats hebben bij de tweede komst van Christus, daarom wordt de tijd der tweede komst vergeleken met de zomer in Mattheus (24. 32, 33), waar gezegd wordt: "Als zijn tak reeds zacht is en er bladeren aan zitten, dan weet gij, dat de zomer nabij is, zo ook gij, als gij dit alles ziet, weet dan dat het nabij is en voor de deur staat." Dan zal ook de hoogste verheffing van Christus plaats hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 9 ad 4
4e Weerlegging. Om drie redenen wilde Christus lijden op de leeftijd van jongeman. — Vooreerst om hierdoor beter zijn liefde te tonen, doordat Hij zijn leven voor ons gaf, toen het juist in zijn volmaaktste staat was. — Ten tweede, omdat het niet passend was, dat zich bij Hem een achteruitgang van de natuur vertoonde, evenmin als ziekte, zoals boven gezegd is (14° Kw. 4° Art.). — Ten derde, opdat Christus door te sterven en te verrijzen op jonge mannenleeftijd, in zichzelf vooruit wilde aangeven, de toekomstige conditie der verrijzenden. Vandaar wordt gezegd in de Brief aan de Ephesiërs (4. 13): "Totdat wij allen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon zijn gekomen, een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van de volmaakte Christus hebben bereikt."
B: (Luke 22:7) [b:Luke 22:7] (Luke 22:8) [b:Luke 22:8]
R: q. 14 a. 4[t:iiia q. 14 a. 4]
4e Weerlegging. Om drie redenen wilde Christus lijden op de leeftijd van jongeman. — Vooreerst om hierdoor beter zijn liefde te tonen, doordat Hij zijn leven voor ons gaf, toen het juist in zijn volmaaktste staat was. — Ten tweede, omdat het niet passend was, dat zich bij Hem een achteruitgang van de natuur vertoonde, evenmin als ziekte, zoals boven gezegd is (14° Kw. 4° Art.). — Ten derde, opdat Christus door te sterven en te verrijzen op jonge mannenleeftijd, in zichzelf vooruit wilde aangeven, de toekomstige conditie der verrijzenden. Vandaar wordt gezegd in de Brief aan de Ephesiërs (4. 13): "Totdat wij allen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon zijn gekomen, een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van de volmaakte Christus hebben bereikt."
B: (Luke 22:7) [b:Luke 22:7] (Luke 22:8) [b:Luke 22:8]
R: q. 14 a. 4[t:iiia q. 14 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Heeft Christus op een passende plaats geleden?
IIIa q. 46 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert dat Christus niet op een passende plaats geleden heeft. Christus toch heeft geleden met zijn menselijk lichaam, dat ontvangen werd door de Maagd te Nazareth, en geboren werd te Bethlehem. Dus moest Hij niet te Jeruzalem, maar in Nazareth of in Bethlehem lijden.
Over het tiende als volgt. Men beweert dat Christus niet op een passende plaats geleden heeft. Christus toch heeft geleden met zijn menselijk lichaam, dat ontvangen werd door de Maagd te Nazareth, en geboren werd te Bethlehem. Dus moest Hij niet te Jeruzalem, maar in Nazareth of in Bethlehem lijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 10 arg. 2
Vervolgens. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Het lijden van Christus nu werd voorafgebeeld door de offers van de Oude Wet: en deze offers werden opgedragen in de tempel. Dus moest Christus lijden in de tempel en niet buiten de stadspoorten.
Vervolgens. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Het lijden van Christus nu werd voorafgebeeld door de offers van de Oude Wet: en deze offers werden opgedragen in de tempel. Dus moest Christus lijden in de tempel en niet buiten de stadspoorten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 10 arg. 3
Vervolgens. Het geneesmiddel moet aangepast zijn aan de ziekte. Het lijden van Christus nu was het geneesmiddel voor de zonde van Adam. Adam echter werd niet begraven in Jeruzalem, maar in Hebron. Er staat immers in het Boek Jozua (14.15): "De naam van Hebron werd vroeger geheten Cariath-Arbe; daar ligt Adam, de zeer grote, onder de Enakieten." Dus moest Christus in Hebron en niet in Jeruzalem lijden.
B: (Josh 14:15) [b:Josh 14:15]
Vervolgens. Het geneesmiddel moet aangepast zijn aan de ziekte. Het lijden van Christus nu was het geneesmiddel voor de zonde van Adam. Adam echter werd niet begraven in Jeruzalem, maar in Hebron. Er staat immers in het Boek Jozua (14.15): "De naam van Hebron werd vroeger geheten Cariath-Arbe; daar ligt Adam, de zeer grote, onder de Enakieten." Dus moest Christus in Hebron en niet in Jeruzalem lijden.
B: (Josh 14:15) [b:Josh 14:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 10 s. c.
Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in Lucas (13. 33): "Het past niet dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem." Christus nu was een profeet. Dus was het passend, dat Hij stierf in Jeruzalem.
B: (Luke 13:33) [b:Luke 13:33]
Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in Lucas (13. 33): "Het past niet dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem." Christus nu was een profeet. Dus was het passend, dat Hij stierf in Jeruzalem.
B: (Luke 13:33) [b:Luke 13:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 10 co.
Mijn antwoord. Zoals Augustinus zegt, "heeft de Zaligmaker alles op de geschikte plaats en tijd volbracht;" want, waar alles in zijn hand gegeven is, zijn het ook alle plaatsen. En evenals Christus derhalve te geschikter tijd geleden heeft, zo ook op de geschikte plaats.
Mijn antwoord. Zoals Augustinus zegt, "heeft de Zaligmaker alles op de geschikte plaats en tijd volbracht;" want, waar alles in zijn hand gegeven is, zijn het ook alle plaatsen. En evenals Christus derhalve te geschikter tijd geleden heeft, zo ook op de geschikte plaats.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. Het was zeer passend dat Christus te Jeruzalem leed. Vooreerst, omdat Jeruzalem de plaats was door God uitgekozen, om Hem de offers op te dragen, welke voorafbeeldende offers het lijden van Christus voorstelden, dat een waar offer is, zoals staat in de Brief aan de Efeziërs (5.2): "Hij heeft zich gegeven als gave en offer tot een lieflijke geur." Daarom ook zegt Beda, dat "bij de nadering van het lijdensuur de Heer naar de plaats van het lijden wilde gaan," nl. Jeruzalem, waar Hij zes dagen voor Pasen aankwam; evenals ook het Paaslam zes dagen voor Pasen, d. i. op de tiende dag na nieuwe maan volgens het voorschrift der Wet naar de slachtplaats moest geleid worden. — Ten tweede, daar de kracht van zijn lijden moest verbreid worden over de gehele wereld, wilde Hij lijden in het midden der bewoonde wereld, d. i. in Jeruzalem. Vandaar dat gezegd wordt in het Boek der Psalmen (73.12): "God echter, vóór eeuwen onze koning, heeft het heil gewrocht in het midden der aarde," d. i. in Jeruzalem, dat de navel der aarde genoemd wordt. — Ten derde, omdat dit het meest paste aan zijn nederigheid. Zoals Hij nl. de schandelijksten dood verkoos, evenzo paste het bij zijn nederigheid, dat Hij niet zou weigeren in zulk een beroemde plaats zijn schande te ondergaan. Daarom zegt paus Leo: "Die de gedaante van een slaaf heeft aangenomen, koos Bethlehem uit voor zijn geboorte, Jeruzalem voor zijn lijden." — Ten vierde, om aan te tonen, dat de misdaad van hen, die Hem doodden, uitging van de Joodse volkshoofden; en daarom wilde Hij lijden in Jeruzalem, waar de voornaamsten verblijf hielden. Vandaar wordt gezegd in de Handelingen der Apostelen (4. 27): "In deze stad hebben samengespannen tegen Jesus, Uw heilige dienaar, die Gij gezalfd hebt: Herodes en Pontius Pilatus met de heidenen en de stammen Israëls."
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
1e Weerlegging. Het was zeer passend dat Christus te Jeruzalem leed. Vooreerst, omdat Jeruzalem de plaats was door God uitgekozen, om Hem de offers op te dragen, welke voorafbeeldende offers het lijden van Christus voorstelden, dat een waar offer is, zoals staat in de Brief aan de Efeziërs (5.2): "Hij heeft zich gegeven als gave en offer tot een lieflijke geur." Daarom ook zegt Beda, dat "bij de nadering van het lijdensuur de Heer naar de plaats van het lijden wilde gaan," nl. Jeruzalem, waar Hij zes dagen voor Pasen aankwam; evenals ook het Paaslam zes dagen voor Pasen, d. i. op de tiende dag na nieuwe maan volgens het voorschrift der Wet naar de slachtplaats moest geleid worden. — Ten tweede, daar de kracht van zijn lijden moest verbreid worden over de gehele wereld, wilde Hij lijden in het midden der bewoonde wereld, d. i. in Jeruzalem. Vandaar dat gezegd wordt in het Boek der Psalmen (73.12): "God echter, vóór eeuwen onze koning, heeft het heil gewrocht in het midden der aarde," d. i. in Jeruzalem, dat de navel der aarde genoemd wordt. — Ten derde, omdat dit het meest paste aan zijn nederigheid. Zoals Hij nl. de schandelijksten dood verkoos, evenzo paste het bij zijn nederigheid, dat Hij niet zou weigeren in zulk een beroemde plaats zijn schande te ondergaan. Daarom zegt paus Leo: "Die de gedaante van een slaaf heeft aangenomen, koos Bethlehem uit voor zijn geboorte, Jeruzalem voor zijn lijden." — Ten vierde, om aan te tonen, dat de misdaad van hen, die Hem doodden, uitging van de Joodse volkshoofden; en daarom wilde Hij lijden in Jeruzalem, waar de voornaamsten verblijf hielden. Vandaar wordt gezegd in de Handelingen der Apostelen (4. 27): "In deze stad hebben samengespannen tegen Jesus, Uw heilige dienaar, die Gij gezalfd hebt: Herodes en Pontius Pilatus met de heidenen en de stammen Israëls."
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. Christus heeft niet in de tempel of in de stad, maar buiten de poort geleden om drie redenen. — Vooreerst, opdat de werkelijkheid zou beantwoorden aan de voorafbeelding. Want het kalf en de bok, die bij het plechtigste offer werden opgedragen tot verzoening voor de gehele menigte, werden buiten de legerplaats verbrand, zoals voorgeschreven staat in het Boek Leviticus (16. 27). Vandaar dat gezegd wordt in de Brief aan de Hebreën (13. 11, 12): "En de lichamen der dieren, wier bloed tot verzoening der zonde door de hoogepriester in het heiligdom is gebracht, worden buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook Jesus buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door zijn bloed." — Ten tweede, om ons hierdoor een voorbeeld te geven, dat wij ons verwijderd zouden houden van wereldsche omgang. Daarom werd er t. a. p. aan toegevoegd: "Laat ons derhalve tot Hem buiten de legerplaats gaan, zijn schande dragende." — Ten derde, "wilde de Heer," zoals Chrysostomus zegt, "niet lijden onder een dak, noch in de Joodsche tempel, opdat de Joden het heilzame offer niet voor zich alleen zouden opeisen, en opdat gij niet zou menen, dat het voor dat volk alleen werd opgedragen. — En daarom buiten de stad, buiten de muren, opdat gij zou weten, dat het een offer voor het algemeen is, dat het een opdracht is voor geheel de aarde, dat het een reiniging is voor allen."
B: (Ps 73:12) [b:Ps 73:12] (Ezek 5:5) [b:Ezek 5:5]
2e Weerlegging. Christus heeft niet in de tempel of in de stad, maar buiten de poort geleden om drie redenen. — Vooreerst, opdat de werkelijkheid zou beantwoorden aan de voorafbeelding. Want het kalf en de bok, die bij het plechtigste offer werden opgedragen tot verzoening voor de gehele menigte, werden buiten de legerplaats verbrand, zoals voorgeschreven staat in het Boek Leviticus (16. 27). Vandaar dat gezegd wordt in de Brief aan de Hebreën (13. 11, 12): "En de lichamen der dieren, wier bloed tot verzoening der zonde door de hoogepriester in het heiligdom is gebracht, worden buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook Jesus buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door zijn bloed." — Ten tweede, om ons hierdoor een voorbeeld te geven, dat wij ons verwijderd zouden houden van wereldsche omgang. Daarom werd er t. a. p. aan toegevoegd: "Laat ons derhalve tot Hem buiten de legerplaats gaan, zijn schande dragende." — Ten derde, "wilde de Heer," zoals Chrysostomus zegt, "niet lijden onder een dak, noch in de Joodsche tempel, opdat de Joden het heilzame offer niet voor zich alleen zouden opeisen, en opdat gij niet zou menen, dat het voor dat volk alleen werd opgedragen. — En daarom buiten de stad, buiten de muren, opdat gij zou weten, dat het een offer voor het algemeen is, dat het een opdracht is voor geheel de aarde, dat het een reiniging is voor allen."
B: (Ps 73:12) [b:Ps 73:12] (Ezek 5:5) [b:Ezek 5:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 10 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Hieronymus zegt bij de woorden van Mattheus (27. 33): "En zij kwamen op de plaats," enz.: "Sommigen verklaren, dat de plaats Calvarië, waar Adam begraven werd, daarom zo genoemd werd, omdat daar het hoofd van de voorvaderlijke mens begraven werd. ’n Geliefkoosde verklaring, strelend voor het volksgehoor, maar niet waar. Buiten de stad immers en buiten de poort zijn de plaatsen, waar de hoofden der veroordeelden worden afgeslagen, en zij kregen de naam van Calvarië, d. i.: van de onthoofden. Jesus is echter daarom gekruisigd, waar eerst de plaats der veroordeelden was, opdat daar de martelaarsvaandels zouden worden ontplooid. Daarentegen lezen wij in het boek van Jesus, de zoon van Nave, dat Adam begraven werd bij Hebron en Arbe." Christus echter moest gekruisigd worden op de algemene plaats der veroordeelden, eerder dan bij het graf van Adam, om aan te tonen, dat het kruis van Christus niet alleen een geneesmiddel was voor de persoonlijke zonden van Adam zelf, maar ook voor de zonden van de gehele wereld.
3e Weerlegging. Zoals Hieronymus zegt bij de woorden van Mattheus (27. 33): "En zij kwamen op de plaats," enz.: "Sommigen verklaren, dat de plaats Calvarië, waar Adam begraven werd, daarom zo genoemd werd, omdat daar het hoofd van de voorvaderlijke mens begraven werd. ’n Geliefkoosde verklaring, strelend voor het volksgehoor, maar niet waar. Buiten de stad immers en buiten de poort zijn de plaatsen, waar de hoofden der veroordeelden worden afgeslagen, en zij kregen de naam van Calvarië, d. i.: van de onthoofden. Jesus is echter daarom gekruisigd, waar eerst de plaats der veroordeelden was, opdat daar de martelaarsvaandels zouden worden ontplooid. Daarentegen lezen wij in het boek van Jesus, de zoon van Nave, dat Adam begraven werd bij Hebron en Arbe." Christus echter moest gekruisigd worden op de algemene plaats der veroordeelden, eerder dan bij het graf van Adam, om aan te tonen, dat het kruis van Christus niet alleen een geneesmiddel was voor de persoonlijke zonden van Adam zelf, maar ook voor de zonden van de gehele wereld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 11: Was het passend dat Christus met rovers gekruisigd werd?
IIIa q. 46 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus met rovers gekruisigd werd. Er wordt immers gezegd in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 14): "Wat hebben gerechtigheid en ongerechtigheid gemeen?" Maar Christus "is voor ons geworden de gerechtigheid uit God" (1 Cor. 1. 30); bij de rovers echter behoorde de ongerechtigheid thuis. Het was derhalve niet passend, dat Christus tegelijk met rovers gekruisigd werd.
B: (1Cor 1:30) [b:1Cor 1:30] (2Cor 6:14) [b:2Cor 6:14]
Over het elfde als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus met rovers gekruisigd werd. Er wordt immers gezegd in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 14): "Wat hebben gerechtigheid en ongerechtigheid gemeen?" Maar Christus "is voor ons geworden de gerechtigheid uit God" (1 Cor. 1. 30); bij de rovers echter behoorde de ongerechtigheid thuis. Het was derhalve niet passend, dat Christus tegelijk met rovers gekruisigd werd.
B: (1Cor 1:30) [b:1Cor 1:30] (2Cor 6:14) [b:2Cor 6:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 11 arg. 2
Vervolgens. Naar aanleiding van het woord bij *Mattheus* (26. 35): "Al zou ik met U moeten sterven, ik zal U niet verloochenen," zegt Origines: "Het was niemand der mensen gegeven om met Christus te sterven, die voor allen stierf." En op het woord van Lucas (22.33): "Ik ben bereid met U in de gevangenis en in de dood te gaan," zegt Ambrosius: "Het lijden van Christus had navolgers, geen gelijken." Het was dus veel minder passend, dat Christus met rovers leed.
B: (Matt 26:35) [b:Matt 26:35] (Luke 22:33) [b:Luke 22:33]
Vervolgens. Naar aanleiding van het woord bij *Mattheus* (26. 35): "Al zou ik met U moeten sterven, ik zal U niet verloochenen," zegt Origines: "Het was niemand der mensen gegeven om met Christus te sterven, die voor allen stierf." En op het woord van Lucas (22.33): "Ik ben bereid met U in de gevangenis en in de dood te gaan," zegt Ambrosius: "Het lijden van Christus had navolgers, geen gelijken." Het was dus veel minder passend, dat Christus met rovers leed.
B: (Matt 26:35) [b:Matt 26:35] (Luke 22:33) [b:Luke 22:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 11 arg. 3
Vervolgens. Mattheus (27.44) zegt, dat "de rovers, die met Hem gekruisigd werden, Hem bespotten." Maar Lucas (23.42) zegt, dat een van hen, die met Christus was, tot Hem zei: "Heer gedenk mijner, als U in uw rijk gekomen zijt." Derhalve schijnt er behalve de godslasterende rovers, een ander met Hem gekruisigd te zijn, die niet lasterde; en aldus lijkt het niet juist door de Evangelist verhaald te zijn, dat Christus met rovers gekruisigd werd.
B: (Matt 27:44) [b:Matt 27:44] (Luke 22:42) [b:Luke 22:42]
Vervolgens. Mattheus (27.44) zegt, dat "de rovers, die met Hem gekruisigd werden, Hem bespotten." Maar Lucas (23.42) zegt, dat een van hen, die met Christus was, tot Hem zei: "Heer gedenk mijner, als U in uw rijk gekomen zijt." Derhalve schijnt er behalve de godslasterende rovers, een ander met Hem gekruisigd te zijn, die niet lasterde; en aldus lijkt het niet juist door de Evangelist verhaald te zijn, dat Christus met rovers gekruisigd werd.
B: (Matt 27:44) [b:Matt 27:44] (Luke 22:42) [b:Luke 22:42]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 11 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Isaïas (53.12) voorzegd heeft: "Hij is onder de boosdoeners gerekend."
Daartegenover staat echter, dat Isaïas (53.12) voorzegd heeft: "Hij is onder de boosdoeners gerekend."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 11 co.
Mijn antwoord. Christus is in de bedoeling der Joden om een andere reden met rovers gekruisigd, dan in de voorbeschikking van God. — Wat de bedoeling immers der Joden aangaat, kruisigden zij twee rovers aan beide zijden zoals Chrysostomus zegt, "opdat Hij zou delen in hun verdenking. Maar zo is het niet gelukt; van hen immers wordt niets gezegd, het kruis van Hem echter wordt overal geëerd. Koningen nemen hun diademen af, en nemen het kruis: in het purper, op de diademen, op de wapens, op de sacrale tafels, overal ter wereld schittert het kruis." Naar Gods verordening echter, is Christus met rovers gekruisigd, omdat, zoals bij de woorden van Mattheus (27. 33): "Zij kwamen op de plaats, die," enz. Hieronymus opmerkt: "Zoals Christus voor ons tot de vervloeking van het kruis geworden is, zo is Hij voor ons aller heil als een schuldige onder de schuldigen gekruisigd." — Ten tweede, zoals paus Leo zegt: "Er worden twee rovers, een aan de rechter-, de ander aan de linkerzijde gekruisigd, om in het beeld van het kruis zelf de scheiding aan te geven, welke bij zijn oordeel tussen alle mensen zal gemaakt worden." En Augustinus zegt: "Als gij het goed beschouwt, dan vormde het kruis zelf een oordeel. In het midden immer bevond zich de rechter; de een, die geloofde, werd verlost, de ander, die lasterde, werd veroordeeld. Hij liet reeds zien, wat Hij doen zal met de levenden en de doden: sommigen zal Hij aan de rechterzijde plaatsen, anderen aan de linker." — Ten derde, werden volgens Hilarius "twee rovers links en rechts gekruisigd, om aan te tonen, dat het hele menselijke geslacht wordt geroepen tot het geheim van het lijden des Heren. Maar omdat naar het verschil van gelovigen en ongelovigen, aller verdeeling geschiedt in rechts en links, wordt een der twee, die aan de rechterzijde, gered door de rechtvaardiging uit het geloof." — Ten vierde, omdat zoals Beda zegt, "de rovers die met de Heer gekruisigd werden, diegenen voorstellen, die in het geloof en de belijdenis van Christus, ofwel de marteldood ondergaan, of sommige instellingen met strengere tucht naleven. Maar die dit doen voor de eeuwige glorie worden voorgesteld door de gelovige rover aan de rechterkant; die het echter doen met het oog op menselijken lof, volgen de gezindheid en daden na van de moordenaar aan de linkerkant."
Mijn antwoord. Christus is in de bedoeling der Joden om een andere reden met rovers gekruisigd, dan in de voorbeschikking van God. — Wat de bedoeling immers der Joden aangaat, kruisigden zij twee rovers aan beide zijden zoals Chrysostomus zegt, "opdat Hij zou delen in hun verdenking. Maar zo is het niet gelukt; van hen immers wordt niets gezegd, het kruis van Hem echter wordt overal geëerd. Koningen nemen hun diademen af, en nemen het kruis: in het purper, op de diademen, op de wapens, op de sacrale tafels, overal ter wereld schittert het kruis." Naar Gods verordening echter, is Christus met rovers gekruisigd, omdat, zoals bij de woorden van Mattheus (27. 33): "Zij kwamen op de plaats, die," enz. Hieronymus opmerkt: "Zoals Christus voor ons tot de vervloeking van het kruis geworden is, zo is Hij voor ons aller heil als een schuldige onder de schuldigen gekruisigd." — Ten tweede, zoals paus Leo zegt: "Er worden twee rovers, een aan de rechter-, de ander aan de linkerzijde gekruisigd, om in het beeld van het kruis zelf de scheiding aan te geven, welke bij zijn oordeel tussen alle mensen zal gemaakt worden." En Augustinus zegt: "Als gij het goed beschouwt, dan vormde het kruis zelf een oordeel. In het midden immer bevond zich de rechter; de een, die geloofde, werd verlost, de ander, die lasterde, werd veroordeeld. Hij liet reeds zien, wat Hij doen zal met de levenden en de doden: sommigen zal Hij aan de rechterzijde plaatsen, anderen aan de linker." — Ten derde, werden volgens Hilarius "twee rovers links en rechts gekruisigd, om aan te tonen, dat het hele menselijke geslacht wordt geroepen tot het geheim van het lijden des Heren. Maar omdat naar het verschil van gelovigen en ongelovigen, aller verdeeling geschiedt in rechts en links, wordt een der twee, die aan de rechterzijde, gered door de rechtvaardiging uit het geloof." — Ten vierde, omdat zoals Beda zegt, "de rovers die met de Heer gekruisigd werden, diegenen voorstellen, die in het geloof en de belijdenis van Christus, ofwel de marteldood ondergaan, of sommige instellingen met strengere tucht naleven. Maar die dit doen voor de eeuwige glorie worden voorgesteld door de gelovige rover aan de rechterkant; die het echter doen met het oog op menselijken lof, volgen de gezindheid en daden na van de moordenaar aan de linkerkant."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 11 ad 1
1e Weerlegging. Zoals Christus niet behoefde te sterven, maar toch de dood vrijwillig onderging, om door zijn kracht de dood te overwinnen, zo verdiende Hij ook niet onder rovers te worden geplaatst; maar Hij wilde onder de boosdoeners gerekend worden, om met zijn deugd de ongerechtigheid te niet te doen. Vandaar zegt Chrysostomus, dat het "niet geringer was de rover op het kruis te bekeren en naar het paradijs te brengen, dan om rotsen te klieven."
B: (Matt 27:33) [b:Matt 27:33] (Mark 15:27) [b:Mark 15:27] (John 7:36, John 7:36) [b:John 7:36]
1e Weerlegging. Zoals Christus niet behoefde te sterven, maar toch de dood vrijwillig onderging, om door zijn kracht de dood te overwinnen, zo verdiende Hij ook niet onder rovers te worden geplaatst; maar Hij wilde onder de boosdoeners gerekend worden, om met zijn deugd de ongerechtigheid te niet te doen. Vandaar zegt Chrysostomus, dat het "niet geringer was de rover op het kruis te bekeren en naar het paradijs te brengen, dan om rotsen te klieven."
B: (Matt 27:33) [b:Matt 27:33] (Mark 15:27) [b:Mark 15:27] (John 7:36, John 7:36) [b:John 7:36]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 11 ad 2
2e Weerlegging. Het paste niet dat iemand anders met Christus meeleed om dezelfde reden. Daarom zegt Origines: "Allen waren in zonden, en allen hadden nodig, dat een ander voor hen stierf, niet zij voor anderen."
2e Weerlegging. Het paste niet dat iemand anders met Christus meeleed om dezelfde reden. Daarom zegt Origines: "Allen waren in zonden, en allen hadden nodig, dat een ander voor hen stierf, niet zij voor anderen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 11 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, kunnen wij 't opvatten, "als had Mattheus het meervoud voor het enkelvoud gezet", waar hij zegt: "De rovers hoonden Hem." — Of men kan met Hieronymus zeggen, in zijn commentaar op de woorden van Mattheus (27. 44): "De rovers hoonden Hem", dat "eerst beiden Hem lasterden; maar dat vervolgens een geloofde, op het zien der tekenen."
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, kunnen wij 't opvatten, "als had Mattheus het meervoud voor het enkelvoud gezet", waar hij zegt: "De rovers hoonden Hem." — Of men kan met Hieronymus zeggen, in zijn commentaar op de woorden van Mattheus (27. 44): "De rovers hoonden Hem", dat "eerst beiden Hem lasterden; maar dat vervolgens een geloofde, op het zien der tekenen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 12: Moet het lijden van Christus toegeschreven worden aan zijn Godheid?
IIIa q. 46 a. 12 arg. 1
Over het twaalfde als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus moet toegeschreven worden aan zijn Godheid. In de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 8) wordt immers gezegd: "Als zij Hem gekend hadden, zouden zij de Heer der glorie, nooit gekruisigd hebben." Heer der glorie nu is Christus naar zijn Godheid. Dus moet Hem het lijden toegeschreven worden naar zijn Godheid.
B: (1Cor 2:8) [b:1Cor 2:8]
Over het twaalfde als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus moet toegeschreven worden aan zijn Godheid. In de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 8) wordt immers gezegd: "Als zij Hem gekend hadden, zouden zij de Heer der glorie, nooit gekruisigd hebben." Heer der glorie nu is Christus naar zijn Godheid. Dus moet Hem het lijden toegeschreven worden naar zijn Godheid.
B: (1Cor 2:8) [b:1Cor 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 12 arg. 2
Vervolgens. Het beginsel van het menselijk heil is de Godheid zelf, naar het woord van het Boek der Psalmen (36. 39): "De redding der rechtvaardigen is van de Heer." Indien dus het lijden van Christus niet toekwam aan zijn Godheid, dan kon het voor ons niet vruchtdragend zijn.
B: (Ps 36, Ps 36:39) [b:Ps 36]
Vervolgens. Het beginsel van het menselijk heil is de Godheid zelf, naar het woord van het Boek der Psalmen (36. 39): "De redding der rechtvaardigen is van de Heer." Indien dus het lijden van Christus niet toekwam aan zijn Godheid, dan kon het voor ons niet vruchtdragend zijn.
B: (Ps 36, Ps 36:39) [b:Ps 36]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 12 arg. 3
Vervolgens. De Joden zijn gestraft voor de zonde van de moord op Christus, als voor een moordaanslag op God zelf, hetgeen blijkt uit de grootheid der straf. Dit zou echter niet het geval zijn, als het lijden niet was toe te schrijven aan de Godheid. Dus behoorde het lijden van Christus aan zijn Godheid.
Vervolgens. De Joden zijn gestraft voor de zonde van de moord op Christus, als voor een moordaanslag op God zelf, hetgeen blijkt uit de grootheid der straf. Dit zou echter niet het geval zijn, als het lijden niet was toe te schrijven aan de Godheid. Dus behoorde het lijden van Christus aan zijn Godheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 12 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Athanasius zegt: "Het Woord, naar zijn natuur God blijvend, is onlijdbaar." Wat echter onlijdbaar is, kan niet lijden. Dus behoorde het lijden van Christus niet bij zijn Godheid.
Daartegenover staat echter, dat Athanasius zegt: "Het Woord, naar zijn natuur God blijvend, is onlijdbaar." Wat echter onlijdbaar is, kan niet lijden. Dus behoorde het lijden van Christus niet bij zijn Godheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 12 co.
Mijn antwoord. De vereniging van de menselijke en goddelijke natuur had, zoals boven gezegd is (2° Kw. 2°, 3°, en 6° Art.), plaats in de persoon, en in de hypostase en het suppositou, met handhaving echter van het onderscheid tussen beide naturen, zodat namelijk een en dezelfde persoon en hypostase de goddelijke en menselijke natuur bezat, met behoud van het eigene der beide naturen. En derhalve moet, zoals boven gezegd is (16° Kw. 5° Art.), aan het suppositou van de goddelijke natuur het lijden toegeschreven worden, niet krachtens de goddelijke natuur, die onlijdbaar is, maar krachtens de menselijke natuur. Vandaar zegt Cyrillus: "Indien iemand niet belijdt, dat het Woord Gods heeft geleden naar het vlees, en is gekruisigd naar het vlees, dan zij hij vervloekt." Derhalve behoorde het lijden van Christus tot het suppositum van de goddelijke natuur krachtens de lijdbare natuur, die Hij had aangenomen, en niet krachtens de goddelijke natuur, die niet kan lijden.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1] q. 2 a. 2[t:iiia q. 2 a. 2] q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6] q. 16 a. 4[t:iiia q. 16 a. 4]
Mijn antwoord. De vereniging van de menselijke en goddelijke natuur had, zoals boven gezegd is (2° Kw. 2°, 3°, en 6° Art.), plaats in de persoon, en in de hypostase en het suppositou, met handhaving echter van het onderscheid tussen beide naturen, zodat namelijk een en dezelfde persoon en hypostase de goddelijke en menselijke natuur bezat, met behoud van het eigene der beide naturen. En derhalve moet, zoals boven gezegd is (16° Kw. 5° Art.), aan het suppositou van de goddelijke natuur het lijden toegeschreven worden, niet krachtens de goddelijke natuur, die onlijdbaar is, maar krachtens de menselijke natuur. Vandaar zegt Cyrillus: "Indien iemand niet belijdt, dat het Woord Gods heeft geleden naar het vlees, en is gekruisigd naar het vlees, dan zij hij vervloekt." Derhalve behoorde het lijden van Christus tot het suppositum van de goddelijke natuur krachtens de lijdbare natuur, die Hij had aangenomen, en niet krachtens de goddelijke natuur, die niet kan lijden.
R: q. 2 a. 1[t:iiia q. 2 a. 1] q. 2 a. 2[t:iiia q. 2 a. 2] q. 2 a. 3[t:iiia q. 2 a. 3] q. 2 a. 6[t:iiia q. 2 a. 6] q. 16 a. 4[t:iiia q. 16 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 12 ad 1
1e Weerlegging. Wij zeggen, dat de Heer der glorie werd gekruisigd, niet in zover Hij Heer der glorie is, maar voor zover Hij een lijdbaar mens was.
1e Weerlegging. Wij zeggen, dat de Heer der glorie werd gekruisigd, niet in zover Hij Heer der glorie is, maar voor zover Hij een lijdbaar mens was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 12 ad 2
2e Weerlegging. Zoals gezegd wordt in een toespraak op het Concilie van Ephese, "heeft de dood van Christus, a. h. w. de dood van God geworden," nl. door de vereniging in de persoon, "de dood vernietigd, omdat Hij" die leed "God en mens was. De natuur van God werd immers niet gekweld, maar de menselijke; en Hij onderging ook niet het lijden door een verandering van zijn zijde."
2e Weerlegging. Zoals gezegd wordt in een toespraak op het Concilie van Ephese, "heeft de dood van Christus, a. h. w. de dood van God geworden," nl. door de vereniging in de persoon, "de dood vernietigd, omdat Hij" die leed "God en mens was. De natuur van God werd immers niet gekweld, maar de menselijke; en Hij onderging ook niet het lijden door een verandering van zijn zijde."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 46 a. 12 ad 3
3e Weerlegging. Op dezelfde plaats (vgl. 2e Antw.) wordt gezegd: "De Joden kruisigden geen mens zonder meer, maar God deden zij hun schelmstuk aan. Want stel eens, dat een vorst met woorden iets uit, en dat dit met letters op papier wordt gebracht, en dat het aan steden wordt toegezonden, en dat iemand uit ongehoorzaamheid het document verscheurt. Zo iemand zal dan ter dood worden veroordeeld, niet in zover hij het stuk verscheurd heeft, maar omdat hij het woord van de vorst te niet doet. Derhalve kan de Jood niet gerust zijn, alsof hij een gewoon mens kruisigde. Want wat hij zag, was als een document: wat daarin echter verborgen lag, was het vorstelijk Woord, van nature ontstaan, niet voortgebracht met de tong.
3e Weerlegging. Op dezelfde plaats (vgl. 2e Antw.) wordt gezegd: "De Joden kruisigden geen mens zonder meer, maar God deden zij hun schelmstuk aan. Want stel eens, dat een vorst met woorden iets uit, en dat dit met letters op papier wordt gebracht, en dat het aan steden wordt toegezonden, en dat iemand uit ongehoorzaamheid het document verscheurt. Zo iemand zal dan ter dood worden veroordeeld, niet in zover hij het stuk verscheurd heeft, maar omdat hij het woord van de vorst te niet doet. Derhalve kan de Jood niet gerust zijn, alsof hij een gewoon mens kruisigde. Want wat hij zag, was als een document: wat daarin echter verborgen lag, was het vorstelijk Woord, van nature ontstaan, niet voortgebracht met de tong.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 47: Over de uitwerkende oorzaak van Christus’ lijden
IIIa q. 47 pr.
IIIa q. 47 pr. Hierna moet gehandeld worden over de uitwerkende oorzaak van Christus’ lijden, en over dit punt stellen we zes vragen: 1. Werd Christus door anderen gedood of door zichzelf? 2. Uit welk motief gaf Hij zich aan het lijden over? 3. Heeft de Vader Hem overgeleverd om te lijden? 4. Was het passend dat Hij leed door toedoen van de heidenen of meer door de Joden? 5. Hebben zij, die Hem doodden, Hem gekend? 6. Over de zonde van hen die Christus gedood hebben.
IIIa q. 47 pr. Hierna moet gehandeld worden over de uitwerkende oorzaak van Christus’ lijden, en over dit punt stellen we zes vragen: 1. Werd Christus door anderen gedood of door zichzelf? 2. Uit welk motief gaf Hij zich aan het lijden over? 3. Heeft de Vader Hem overgeleverd om te lijden? 4. Was het passend dat Hij leed door toedoen van de heidenen of meer door de Joden? 5. Hebben zij, die Hem doodden, Hem gekend? 6. Over de zonde van hen die Christus gedood hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Werd Christus door anderen gedood of door zichzelf?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 47 a. 6 arg. 3[t:iiia q. 47 a. 6 arg. 3]
IIIa q. 47 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet door anderen gedood werd, maar door zichzelf. Bij Joannes (10. 18) immers zegt Hij zelf: "Niemand neemt het leven van Mij weg, maar Ik leg het zelf af." Wij nu zeggen, dat hij die iemands leven wegneemt, hem doodt. Dus is Christus niet door anderen gedood, maar door zichzelf.
B: (John 10:18, John 10:18) [b:John 10:18]
IIIa q. 47 a. 6 arg. 3[t:iiia q. 47 a. 6 arg. 3]
IIIa q. 47 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus niet door anderen gedood werd, maar door zichzelf. Bij Joannes (10. 18) immers zegt Hij zelf: "Niemand neemt het leven van Mij weg, maar Ik leg het zelf af." Wij nu zeggen, dat hij die iemands leven wegneemt, hem doodt. Dus is Christus niet door anderen gedood, maar door zichzelf.
B: (John 10:18, John 10:18) [b:John 10:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Zij, die door anderen gedood worden, begeven het langzamerhand, doordat de natuur zwakker wordt; en dit blijkt het meest bij de gekruisigden; zoals immers Augustinus zegt "wordt de aan het kruis geslagene, door een langzame dood gekweld." Dit gebeurde niet bij Christus, want "met luider stemme roepende, gaf Hij de geest," zoals gezegd wordt bij Mattheus (27. 50). Dus werd Christus niet door anderen gedood, maar door zichzelf.
B: (Matt 27:50) [b:Matt 27:50]
Vervolgens. Zij, die door anderen gedood worden, begeven het langzamerhand, doordat de natuur zwakker wordt; en dit blijkt het meest bij de gekruisigden; zoals immers Augustinus zegt "wordt de aan het kruis geslagene, door een langzame dood gekweld." Dit gebeurde niet bij Christus, want "met luider stemme roepende, gaf Hij de geest," zoals gezegd wordt bij Mattheus (27. 50). Dus werd Christus niet door anderen gedood, maar door zichzelf.
B: (Matt 27:50) [b:Matt 27:50]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Zij, die door anderen worden gedood, sterven een gewelddadige dood, en dus niet vrijwillig, daar het gewelddadige in strijd is met vrijwillig. Augustinus zegt echter, dat "Christus’ geest het vlees niet onvrijwillig verliet, maar omdat Hij het zelf wilde, toen Hij het wilde, en zoals Hij het wilde." Dus werd Christus niet door anderen de dood aangedaan, maar door zichzelf.
Vervolgens. Zij, die door anderen worden gedood, sterven een gewelddadige dood, en dus niet vrijwillig, daar het gewelddadige in strijd is met vrijwillig. Augustinus zegt echter, dat "Christus’ geest het vlees niet onvrijwillig verliet, maar omdat Hij het zelf wilde, toen Hij het wilde, en zoals Hij het wilde." Dus werd Christus niet door anderen de dood aangedaan, maar door zichzelf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Lucas (18. 33) zegt: "Na Hem gegeeseld te hebben zullen zij Hem doden."
B: (Luke 18:33) [b:Luke 18:33]
Daartegenover staat echter, wat Lucas (18. 33) zegt: "Na Hem gegeeseld te hebben zullen zij Hem doden."
B: (Luke 18:33) [b:Luke 18:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 1 co.
Mijn antwoord. Iets kan op dubbele wijze een effect veroorzaken. — Vooreerst door het direct uit te werken. En zo hebben Christus’ vervolgers Hem gedood, daar zij Hem een afdoende doodsoorzaak aandeden, met de bedoeling om Hem te doden, en wel met goed gevolg, wijl namelijk deze oorzaak de dood tengevolge had. — Vervolgens wordt iemand de oorzaak van iets genoemd op indirecte wijze, namelijk omdat hij iets niet verhindert, ofschoon hij het kan: gelijk wanneer men zegt, dat iemand nat gemaakt wordt door hem, die het venster niet sluit, waar de regen door binnenkomt. En op deze wijze was Christus zelf oorzaak van zijn lijden en dood. Hij kon immers zijn lijden en dood verhinderen. En wel vooreerst door zijn tegenstanders tegen te houden, zodat zij Hem niet wilden of konden doden. Tweedens, omdat zijn geest de macht had, de natuur van zijn vlees te bewaren, zodat het door geen aangedaan letsel werd overweldigd. Wat de ziel van Christus doen kon, omdat zij met het Woord Gods was verenigd in één persoon, zoals Augustinus zegt. Omdat dus de ziel van Christus niet het aangedane letsel van het eigen lichaam afweerde, maar wilde, dat de lichamelijke natuur aan dat letsel zou te gronde gaan, zeggen wij, dat Hij zijn ziel heeft afgelegd of vrijwillig gestorven is.
Mijn antwoord. Iets kan op dubbele wijze een effect veroorzaken. — Vooreerst door het direct uit te werken. En zo hebben Christus’ vervolgers Hem gedood, daar zij Hem een afdoende doodsoorzaak aandeden, met de bedoeling om Hem te doden, en wel met goed gevolg, wijl namelijk deze oorzaak de dood tengevolge had. — Vervolgens wordt iemand de oorzaak van iets genoemd op indirecte wijze, namelijk omdat hij iets niet verhindert, ofschoon hij het kan: gelijk wanneer men zegt, dat iemand nat gemaakt wordt door hem, die het venster niet sluit, waar de regen door binnenkomt. En op deze wijze was Christus zelf oorzaak van zijn lijden en dood. Hij kon immers zijn lijden en dood verhinderen. En wel vooreerst door zijn tegenstanders tegen te houden, zodat zij Hem niet wilden of konden doden. Tweedens, omdat zijn geest de macht had, de natuur van zijn vlees te bewaren, zodat het door geen aangedaan letsel werd overweldigd. Wat de ziel van Christus doen kon, omdat zij met het Woord Gods was verenigd in één persoon, zoals Augustinus zegt. Omdat dus de ziel van Christus niet het aangedane letsel van het eigen lichaam afweerde, maar wilde, dat de lichamelijke natuur aan dat letsel zou te gronde gaan, zeggen wij, dat Hij zijn ziel heeft afgelegd of vrijwillig gestorven is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Als gezegd wordt: "Niemand neemt mijn leven weg," moet daarbij verstaan worden "tegen mijn wil." Wat men immers van iemand, die geen weerstand kan bieden tegen zijn wil afneemt, dat wordt in eigenlijke zin "weggenomen."
1e Weerlegging. Als gezegd wordt: "Niemand neemt mijn leven weg," moet daarbij verstaan worden "tegen mijn wil." Wat men immers van iemand, die geen weerstand kan bieden tegen zijn wil afneemt, dat wordt in eigenlijke zin "weggenomen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Christus heeft zijn lichamelijke natuur krachtig gehouden, om aan te tonen, dat het gewelddadig aangedane lijden zijn leven niet wegnam, zodat Hij op zijn uiterste nog met luide stem riep, wat dan ook gerekend wordt bij de andere wonderen, die zijn dood begeleidden. Daarom wordt gezegd bij Marcus (15. 39): "Toen de honderdman, die tegenover Hem post had gevat, zag, dat Hij zo roepende, gestorven was, sprak hij: Waarlijk, deze man was Gods Zoon." Het was ook wonderbaar in Christus' dood, dat Hij vlugger stierf, dan de anderen, die dezelfde straf ondergingen. Daarom wordt gezegd in Joannes (19. 32, 33) dat "zij" van hen, die met Christus gekruisigd waren, "de beenderen braken," opdat zij vlugger zouden sterven; "bij Jezus gekomen braken zij Hem de beenderen niet, toen zij zagen, dat Hij reeds gestorven was." En bij Marcus (15. 44) wordt gezegd, dat "Pilatus er over verwonderd was, dat Hij reeds dood zou zijn." Gelijk immers door zijn wil de lichamelijke natuur tot 't laatste bij krachten was gehouden, zo ook begaf zij het, ten gevolge van het aangedane letsel, toen Hij het wilde.
B: (Mark 15:39) [b:Mark 15:39]
2e Weerlegging. Christus heeft zijn lichamelijke natuur krachtig gehouden, om aan te tonen, dat het gewelddadig aangedane lijden zijn leven niet wegnam, zodat Hij op zijn uiterste nog met luide stem riep, wat dan ook gerekend wordt bij de andere wonderen, die zijn dood begeleidden. Daarom wordt gezegd bij Marcus (15. 39): "Toen de honderdman, die tegenover Hem post had gevat, zag, dat Hij zo roepende, gestorven was, sprak hij: Waarlijk, deze man was Gods Zoon." Het was ook wonderbaar in Christus' dood, dat Hij vlugger stierf, dan de anderen, die dezelfde straf ondergingen. Daarom wordt gezegd in Joannes (19. 32, 33) dat "zij" van hen, die met Christus gekruisigd waren, "de beenderen braken," opdat zij vlugger zouden sterven; "bij Jezus gekomen braken zij Hem de beenderen niet, toen zij zagen, dat Hij reeds gestorven was." En bij Marcus (15. 44) wordt gezegd, dat "Pilatus er over verwonderd was, dat Hij reeds dood zou zijn." Gelijk immers door zijn wil de lichamelijke natuur tot 't laatste bij krachten was gehouden, zo ook begaf zij het, ten gevolge van het aangedane letsel, toen Hij het wilde.
B: (Mark 15:39) [b:Mark 15:39]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Christus heeft wel geweld geleden, om te sterven, en is tevens toch vrijwillig gestorven, daar dit zijn lichaam aangedane geweld in zoverre op zijn lichaam de overhand kreeg, als Hij het zelf wilde.
3e Weerlegging. Christus heeft wel geweld geleden, om te sterven, en is tevens toch vrijwillig gestorven, daar dit zijn lichaam aangedane geweld in zoverre op zijn lichaam de overhand kreeg, als Hij het zelf wilde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is Christus uit gehoorzaamheid gestorven?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 47 a. 3 co.
IIIa q. 47 a. 6 arg. 3[t:iiia q. 47 a. 3 co.][t:iiia q. 47 a. 6 arg. 3]
IIIa q. 47 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat Christus niet uit gehoorzaamheid is gestorven. Gehoorzaamheid ziet immers terug op een gebod. Nergens lezen we echter van een gebod, dat Christus lijden moest. Dus leed Hij niet uit gehoorzaamheid.
IIIa q. 47 a. 3 co.
IIIa q. 47 a. 6 arg. 3[t:iiia q. 47 a. 3 co.][t:iiia q. 47 a. 6 arg. 3]
IIIa q. 47 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat Christus niet uit gehoorzaamheid is gestorven. Gehoorzaamheid ziet immers terug op een gebod. Nergens lezen we echter van een gebod, dat Christus lijden moest. Dus leed Hij niet uit gehoorzaamheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Iemand doet iets uit gehoorzaamheid, als hij het doet, genoodzaakt door een gebod. Christus leed echter niet uit noodzaak, maar vrijwillig. Dus leed Hij niet uit gehoorzaamheid.
Vervolgens. Iemand doet iets uit gehoorzaamheid, als hij het doet, genoodzaakt door een gebod. Christus leed echter niet uit noodzaak, maar vrijwillig. Dus leed Hij niet uit gehoorzaamheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De liefde is een hogere deugd dan de gehoorzaamheid. Van Christus lezen we echter, dat Hij uit liefde stierf, volgens het woord in de Brief aan de Ephesiërs (5. 2): "Wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad en zichzelf voor ons heeft overgeleverd." Dus moet het lijden van Christus meer toegeschreven worden aan zijn liefde, dan aan zijn gehoorzaamheid.
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
Vervolgens. De liefde is een hogere deugd dan de gehoorzaamheid. Van Christus lezen we echter, dat Hij uit liefde stierf, volgens het woord in de Brief aan de Ephesiërs (5. 2): "Wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons heeft liefgehad en zichzelf voor ons heeft overgeleverd." Dus moet het lijden van Christus meer toegeschreven worden aan zijn liefde, dan aan zijn gehoorzaamheid.
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Brief aan de Philippensen (2. 8): "Aan de Vader is Hij gehoorzaam geworden tot de dood."
B: (Phil 2:8) [b:Phil 2:8]
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Brief aan de Philippensen (2. 8): "Aan de Vader is Hij gehoorzaam geworden tot de dood."
B: (Phil 2:8) [b:Phil 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 2 co.
Mijn antwoord. Het was zeer passend, dat Christus leed uit gehoorzaamheid. — Vooreerst, omdat dit strookte met de rechtvaardigmaking van de mens, opdat "zoals door de ongehoorzaamheid van één mens velen tot zondaars zijn geworden, zo ook door de gehoorzaamheid van één mens velen zouden gerechtvaardigd worden," zoals staat in de Brief aan de Romeinen (5. 19). — Ten tweede was dit aangepast aan de verzoening van God met de mensen. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Romeinen (5. 10): "Wij zijn met God verzoend door de dood van zijn Zoon," in zover namelijk Christus’ dood zelf een God alleraangenaamst offer was, volgens het woord in de Brief aan de Ephesiërs (5. 2): "Hij heeft zich voor ons gegeven als gave en offer tot een lieflijken geur voor God." Gehoorzaamheid staat echter hoger dan alle offers, volgens het woord in het Eerste Boek der Koningen (15. 22): "Gehoorzaamheid is beter dan offers." En dus was het passend, dat het offer van Christus’ lijden en dood voortkwam uit gehoorzaamheid. — Ten derde paste dit bij zijn overwinning, waarmee Hij over de dood en over de maker van de dood zegevierde. Een soldaat kan immers niet overwinnen, tenzij hij gehoorzaamt aan de veldheer. En zo behaalde de mens Christus de overwinning, doordat Hij gehoorzaam was aan God, volgens het woord in het Boek der Spreuken (21. 28): "De gehoorzame man kan van overwinningen spreken."
B: (1Kgs 15:22) [b:1Kgs 15:22] (Prov 21:28) [b:Prov 21:28] (Rom 5:10) [b:Rom 5:10] (Rom 5:19) [b:Rom 5:19] (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
Mijn antwoord. Het was zeer passend, dat Christus leed uit gehoorzaamheid. — Vooreerst, omdat dit strookte met de rechtvaardigmaking van de mens, opdat "zoals door de ongehoorzaamheid van één mens velen tot zondaars zijn geworden, zo ook door de gehoorzaamheid van één mens velen zouden gerechtvaardigd worden," zoals staat in de Brief aan de Romeinen (5. 19). — Ten tweede was dit aangepast aan de verzoening van God met de mensen. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Romeinen (5. 10): "Wij zijn met God verzoend door de dood van zijn Zoon," in zover namelijk Christus’ dood zelf een God alleraangenaamst offer was, volgens het woord in de Brief aan de Ephesiërs (5. 2): "Hij heeft zich voor ons gegeven als gave en offer tot een lieflijken geur voor God." Gehoorzaamheid staat echter hoger dan alle offers, volgens het woord in het Eerste Boek der Koningen (15. 22): "Gehoorzaamheid is beter dan offers." En dus was het passend, dat het offer van Christus’ lijden en dood voortkwam uit gehoorzaamheid. — Ten derde paste dit bij zijn overwinning, waarmee Hij over de dood en over de maker van de dood zegevierde. Een soldaat kan immers niet overwinnen, tenzij hij gehoorzaamt aan de veldheer. En zo behaalde de mens Christus de overwinning, doordat Hij gehoorzaam was aan God, volgens het woord in het Boek der Spreuken (21. 28): "De gehoorzame man kan van overwinningen spreken."
B: (1Kgs 15:22) [b:1Kgs 15:22] (Prov 21:28) [b:Prov 21:28] (Rom 5:10) [b:Rom 5:10] (Rom 5:19) [b:Rom 5:19] (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Christus ontving van de Vader opdracht om te lijden. In Joannes (10. 18) immers wordt gezegd: "Ik heb macht om mijn leven af te leggen en Ik heb macht om het weer op te nemen, en dit bevel heb Ik van mijn Vader gekregen," nl. om het leven af te leggen en weer op te nemen. Hieruit moet men nu niet opmaken, zegt Chrysostomus, dat "Hij eerst wachtte om te horen, en dat Hij nodig had iets te vernemen, maar Hij toonde, dat de voortgang in overeenstemming was met zijn wil, en de gedachte aan onenigheid" met de Vader "nam Hij weg." Daar echter met de dood van Christus de Oude Wet in vervulling ging, zoals Hij zelf stervende zeide, bij Joannes (19. 30): "Het is volbracht," kan men zien, dat Hij door te lijden, alle voorschriften van de Oude Wet heeft vervuld. De morele, die steunen op het gebod der liefde, heeft Hij vervuld, door te lijden, zowel uit liefde voor de Vader, naar het woord van Joannes (14. 31): "Opdat de wereld wete, dat Ik de Vader liefheb, en zoals de Vader het Mij bevolen heeft, zo doe Ik het ook; staat op, laat ons gaan," nl. naar de plaats van het lijden; als ook uit liefde tot de naaste, naar het woord in de Brief aan de Galaten (2. 20): "Hij heeft mij liefgehad, en zich voor mij overgeleverd." De ceremonieel-voorschriften, welke vooral op de sacrificies en offeranden betrekking hadden, heeft Christus vervuld door zijn lijden, in zover alle oude sacrificies voorafbeeldingen waren van dat echte sacrificie, dat Christus opdroeg door voor ons te sterven. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Colossensen (2. 16, 17): "Niemand oordele u met betrekking tot spijs en drank of feestdag, of nieuwe maan, welke dingen slechts een schaduwbeeld zijn van het toekomstige, maar het lichaam is van Christus," omdat Christus nl. daarbij wordt vergeleken als een lichaam bij zijn schaduw. De rechtsvoorschriften echter der Wet, die vooral betrekking hadden op de voldoening, te brengen aan hen, die onrecht leden, heeft Christus vervuld door te lijden; daarom wordt in het Boek der Psalmen (68. 5) gezegd: "Wat Hij niet heeft weggeroofd, heeft Hij betaald," door zich aan het kruis te laten hechten om een appel, welke de mens tegen het gebod van God in van de boom had weggeroofd.
B: (Ps 68:5) [b:Ps 68:5] (John 10:18, John 10:18) [b:John 10:18] (John 14:31, John 14:31) [b:John 14:31] (John 19:30, John 19:30) [b:John 19:30] (Gal 2:20) [b:Gal 2:20] (Col 2:16) [b:Col 2:16] (Col 2:17) [b:Col 2:17]
1e Weerlegging. Christus ontving van de Vader opdracht om te lijden. In Joannes (10. 18) immers wordt gezegd: "Ik heb macht om mijn leven af te leggen en Ik heb macht om het weer op te nemen, en dit bevel heb Ik van mijn Vader gekregen," nl. om het leven af te leggen en weer op te nemen. Hieruit moet men nu niet opmaken, zegt Chrysostomus, dat "Hij eerst wachtte om te horen, en dat Hij nodig had iets te vernemen, maar Hij toonde, dat de voortgang in overeenstemming was met zijn wil, en de gedachte aan onenigheid" met de Vader "nam Hij weg." Daar echter met de dood van Christus de Oude Wet in vervulling ging, zoals Hij zelf stervende zeide, bij Joannes (19. 30): "Het is volbracht," kan men zien, dat Hij door te lijden, alle voorschriften van de Oude Wet heeft vervuld. De morele, die steunen op het gebod der liefde, heeft Hij vervuld, door te lijden, zowel uit liefde voor de Vader, naar het woord van Joannes (14. 31): "Opdat de wereld wete, dat Ik de Vader liefheb, en zoals de Vader het Mij bevolen heeft, zo doe Ik het ook; staat op, laat ons gaan," nl. naar de plaats van het lijden; als ook uit liefde tot de naaste, naar het woord in de Brief aan de Galaten (2. 20): "Hij heeft mij liefgehad, en zich voor mij overgeleverd." De ceremonieel-voorschriften, welke vooral op de sacrificies en offeranden betrekking hadden, heeft Christus vervuld door zijn lijden, in zover alle oude sacrificies voorafbeeldingen waren van dat echte sacrificie, dat Christus opdroeg door voor ons te sterven. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Colossensen (2. 16, 17): "Niemand oordele u met betrekking tot spijs en drank of feestdag, of nieuwe maan, welke dingen slechts een schaduwbeeld zijn van het toekomstige, maar het lichaam is van Christus," omdat Christus nl. daarbij wordt vergeleken als een lichaam bij zijn schaduw. De rechtsvoorschriften echter der Wet, die vooral betrekking hadden op de voldoening, te brengen aan hen, die onrecht leden, heeft Christus vervuld door te lijden; daarom wordt in het Boek der Psalmen (68. 5) gezegd: "Wat Hij niet heeft weggeroofd, heeft Hij betaald," door zich aan het kruis te laten hechten om een appel, welke de mens tegen het gebod van God in van de boom had weggeroofd.
B: (Ps 68:5) [b:Ps 68:5] (John 10:18, John 10:18) [b:John 10:18] (John 14:31, John 14:31) [b:John 14:31] (John 19:30, John 19:30) [b:John 19:30] (Gal 2:20) [b:Gal 2:20] (Col 2:16) [b:Col 2:16] (Col 2:17) [b:Col 2:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Ofschoon gehoorzaamheid noodzaak insluit met betrekking tot het bevolene, sluit zij toch ook de vrije wil in, met betrekking tot de vervulling van het gebod. En zo was het gesteld met de gehoorzaamheid van Christus. Want het lijden zelf en de dood, waren op zich beschouwd in strijd met de natuurlijke wilsstreving; maar Christus wilde Gods wilsbeschikking over dit punt volbrengen, naar het woord van het Boek der Psalmen (39. 9): "Mijn God, Ik heb gewild uw wil te doen." Daarom zegt Hij bij Mattheus (26. 42): "Als deze kelk niet aan Mij kan voorbijgaan, tenzij ik hem drinke, uw wil geschiede."
B: (Ps 39:9) [b:Ps 39:9] (Matt 26:42) [b:Matt 26:42]
2e Weerlegging. Ofschoon gehoorzaamheid noodzaak insluit met betrekking tot het bevolene, sluit zij toch ook de vrije wil in, met betrekking tot de vervulling van het gebod. En zo was het gesteld met de gehoorzaamheid van Christus. Want het lijden zelf en de dood, waren op zich beschouwd in strijd met de natuurlijke wilsstreving; maar Christus wilde Gods wilsbeschikking over dit punt volbrengen, naar het woord van het Boek der Psalmen (39. 9): "Mijn God, Ik heb gewild uw wil te doen." Daarom zegt Hij bij Mattheus (26. 42): "Als deze kelk niet aan Mij kan voorbijgaan, tenzij ik hem drinke, uw wil geschiede."
B: (Ps 39:9) [b:Ps 39:9] (Matt 26:42) [b:Matt 26:42]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Om dezelfde reden heeft Christus geleden, zowel uit liefde als uit gehoorzaamheid: daar Hij het gebod der liefde louter uit gehoorzaamheid vervulde, en Hij gehoorzaam was uit liefde tot de Vader, die Hem het bevel gaf.
3e Weerlegging. Om dezelfde reden heeft Christus geleden, zowel uit liefde als uit gehoorzaamheid: daar Hij het gebod der liefde louter uit gehoorzaamheid vervulde, en Hij gehoorzaam was uit liefde tot de Vader, die Hem het bevel gaf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Leverde God de Vader Christus over aan het lijden?
IIIa q. 47 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat God de Vader Christus niet overleverde aan het lijden. Het is immers onbillijk en wreed iemand onschuldig over te leveren aan lijden en dood. Maar, zo wordt gezegd in het *Boek Deuteronomium* (32. 4): "God is getrouw en zonder enige onbillijkheid." Dus gaf Hij de onschuldige Christus niet over aan lijden en dood.
B: (Deut 32:4) [b:Deut 32:4]
Over het derde als volgt. Men beweert dat God de Vader Christus niet overleverde aan het lijden. Het is immers onbillijk en wreed iemand onschuldig over te leveren aan lijden en dood. Maar, zo wordt gezegd in het *Boek Deuteronomium* (32. 4): "God is getrouw en zonder enige onbillijkheid." Dus gaf Hij de onschuldige Christus niet over aan lijden en dood.
B: (Deut 32:4) [b:Deut 32:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Iemand kan niet zichzelf aan de dood overleveren en tegelijk door een ander overgeleverd worden. Christus heeft echter zichzelf voor ons overgeleverd, zoals staat in *Isaïas* (53. 12): "Hij leverde zijn ziel over aan de dood." Dus heeft God de Vader Hem niet overgeleverd.
B: (Isa 53:12) [b:Isa 53:12]
Vervolgens. Iemand kan niet zichzelf aan de dood overleveren en tegelijk door een ander overgeleverd worden. Christus heeft echter zichzelf voor ons overgeleverd, zoals staat in *Isaïas* (53. 12): "Hij leverde zijn ziel over aan de dood." Dus heeft God de Vader Hem niet overgeleverd.
B: (Isa 53:12) [b:Isa 53:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Judas wordt gelakt, omdat hij Christus aan de Joden overleverde, zoals staat in *Joannes* (6. 71): "Een onder u is een duivel," hetgeen Hij zei met het oog op Judas, die Hem zou overleveren. Evenzo wordt het de Joden verweten, dat zij Hem overleverden aan Pilatus, hetgeen deze zelf zegt bij Joannes (18. 35): "Uw volk en uw priesters hebben U aan mij overgeleverd." Ook Pilatus "gaf Hem over ter kruisiging," zoals gezegd wordt bij Joannes (19. 16). "De gerechtigheid heeft echter geen deel met de ongerechtigheid," zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 14). Dus gaf God de Vader Christus niet aan het lijden over.
B: (John 6:71, John 6:71) [b:John 6:71] (John 18:35, John 18:35) [b:John 18:35] (John 19:16) [b:John 19:16] (2Cor 6:14) [b:2Cor 6:14]
Vervolgens. Judas wordt gelakt, omdat hij Christus aan de Joden overleverde, zoals staat in *Joannes* (6. 71): "Een onder u is een duivel," hetgeen Hij zei met het oog op Judas, die Hem zou overleveren. Evenzo wordt het de Joden verweten, dat zij Hem overleverden aan Pilatus, hetgeen deze zelf zegt bij Joannes (18. 35): "Uw volk en uw priesters hebben U aan mij overgeleverd." Ook Pilatus "gaf Hem over ter kruisiging," zoals gezegd wordt bij Joannes (19. 16). "De gerechtigheid heeft echter geen deel met de ongerechtigheid," zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 14). Dus gaf God de Vader Christus niet aan het lijden over.
B: (John 6:71, John 6:71) [b:John 6:71] (John 18:35, John 18:35) [b:John 18:35] (John 19:16) [b:John 19:16] (2Cor 6:14) [b:2Cor 6:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8. 32): "God heeft zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgeleverd."
B: (Rom 8:32) [b:Rom 8:32]
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8. 32): "God heeft zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgeleverd."
B: (Rom 8:32) [b:Rom 8:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd is, heeft Christus vrijwillig geleden uit gehoorzaamheid aan de Vader. Daarom heeft God de Vader Christus in drieërlei opzicht aan het lijden overgeleverd. — Vooreerst, in zoverre Hij in zijn eeuwige wilsbeschikking verordend had, dat Christus zou lijden tot verlossing van het menselijk geslacht, overeenkomstig het gezegde bij Isaïas (53. 6): "De Heer legde op Hem de ongerechtigheid van ons allen;" en wederom (v. 10): "De Heer wilde Hem door lijden verbrijzelen." — Ten tweede, in zo verre Hij Hem de wil ingaf, om voor ons te lijden, door Hem de liefde in te storten. Vandaar dat de genoemde plaats voortgaat (v. 7): "Hij is geslachtofferd, omdat Hij het zelf wilde." — Ten derde, door Hem niet tegen het lijden te beschermen, maar Hem prijs te geven aan zijn vervolgers. Daarom ook lezen wij bij Mattheus (27. 46), dat Christus, hangend aan het kruis, zei: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?", daar Hij Hem namelijk prijs gaf aan de macht zijner vervolgers, zoals Augustinus zegt.
B: (Isa 53:7) [b:Isa 53:7] (Isa 53:10) [b:Isa 53:10] (Matt 27:46) [b:Matt 27:46]
R: q. 47 a. 2[t:iiia q. 47 a. 2]
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd is, heeft Christus vrijwillig geleden uit gehoorzaamheid aan de Vader. Daarom heeft God de Vader Christus in drieërlei opzicht aan het lijden overgeleverd. — Vooreerst, in zoverre Hij in zijn eeuwige wilsbeschikking verordend had, dat Christus zou lijden tot verlossing van het menselijk geslacht, overeenkomstig het gezegde bij Isaïas (53. 6): "De Heer legde op Hem de ongerechtigheid van ons allen;" en wederom (v. 10): "De Heer wilde Hem door lijden verbrijzelen." — Ten tweede, in zo verre Hij Hem de wil ingaf, om voor ons te lijden, door Hem de liefde in te storten. Vandaar dat de genoemde plaats voortgaat (v. 7): "Hij is geslachtofferd, omdat Hij het zelf wilde." — Ten derde, door Hem niet tegen het lijden te beschermen, maar Hem prijs te geven aan zijn vervolgers. Daarom ook lezen wij bij Mattheus (27. 46), dat Christus, hangend aan het kruis, zei: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?", daar Hij Hem namelijk prijs gaf aan de macht zijner vervolgers, zoals Augustinus zegt.
B: (Isa 53:7) [b:Isa 53:7] (Isa 53:10) [b:Isa 53:10] (Matt 27:46) [b:Matt 27:46]
R: q. 47 a. 2[t:iiia q. 47 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het is goddeloos en wreed een onschuldig mens tegen zijn wil over te leveren aan lijden en dood. Maar zo heeft God de Vader Christus niet overgeleverd, maar door Hem de wil in te geven om voor ons te lijden. Hierin komt tot uiting zowel de strengheid van God, die de zonde niet straffeloos wilde vergeven: wat de Apostel aanduidt als hij zegt in de Brief aan de Romeinen (8. 32): "Zijn eigen Zoon heeft Hij niet gespaard;" als ook zijn goedheid door het feit, dat Hij de mens, die door eigen lijden niet genoeg voldoening zou kunnen geven, iemand gaf, die voor hem voldeed: wat de Apostel aangeeft als hij zegt "Hij heeft Hem voor ons overgeleverd;" en in de Brief aan de Romeinen (3. 25) zegt hij: "En Hem," nl. Christus, "stelde God tot Verzoener door het geloof in zijn bloed."
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25] (Rom 8:32) [b:Rom 8:32] (Rom 11:22) [b:Rom 11:22] (Rom 11:22) [b:Rom 11:22]
1e Weerlegging. Het is goddeloos en wreed een onschuldig mens tegen zijn wil over te leveren aan lijden en dood. Maar zo heeft God de Vader Christus niet overgeleverd, maar door Hem de wil in te geven om voor ons te lijden. Hierin komt tot uiting zowel de strengheid van God, die de zonde niet straffeloos wilde vergeven: wat de Apostel aanduidt als hij zegt in de Brief aan de Romeinen (8. 32): "Zijn eigen Zoon heeft Hij niet gespaard;" als ook zijn goedheid door het feit, dat Hij de mens, die door eigen lijden niet genoeg voldoening zou kunnen geven, iemand gaf, die voor hem voldeed: wat de Apostel aangeeft als hij zegt "Hij heeft Hem voor ons overgeleverd;" en in de Brief aan de Romeinen (3. 25) zegt hij: "En Hem," nl. Christus, "stelde God tot Verzoener door het geloof in zijn bloed."
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25] (Rom 8:32) [b:Rom 8:32] (Rom 11:22) [b:Rom 11:22] (Rom 11:22) [b:Rom 11:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Christus gaf zich in zoverre Hij God was aan de dood over met dezelfde wil en dezelfde daad, waarmede ook de Vader Hem overgaf; maar als mens gaf Hij zichzelf over met dat wilsverlangen, dat de Vader Hem had ingegeven. Daarom ligt er geen tegenspraak in, dat de Vader Christus overleverde, en dat Hij zichzelf overgaf.
2e Weerlegging. Christus gaf zich in zoverre Hij God was aan de dood over met dezelfde wil en dezelfde daad, waarmede ook de Vader Hem overgaf; maar als mens gaf Hij zichzelf over met dat wilsverlangen, dat de Vader Hem had ingegeven. Daarom ligt er geen tegenspraak in, dat de Vader Christus overleverde, en dat Hij zichzelf overgaf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Dezelfde daad wordt verschillend beoordeeld ten goede of ten kwade, in zover zij uit een verschillende grond voortkomt. Want de Vader leverde Christus over, en deze zichzelf, uit liefde: en daarom zijn zij te prijzen. Judas echter leverde Hem over uit hebzucht, de Joden uit afgunst, Pilatus uit de werelds vrees, waarmee hij de Caesar vreesde: en daarom worden zij berispt.
3e Weerlegging. Dezelfde daad wordt verschillend beoordeeld ten goede of ten kwade, in zover zij uit een verschillende grond voortkomt. Want de Vader leverde Christus over, en deze zichzelf, uit liefde: en daarom zijn zij te prijzen. Judas echter leverde Hem over uit hebzucht, de Joden uit afgunst, Pilatus uit de werelds vrees, waarmee hij de Caesar vreesde: en daarom worden zij berispt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Was het passend, dat Christus leed door toedoen der heidenen?
IIIa q. 47 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus leed door toedoen van de heidenen. Daar immers door Christus’ dood de mensen van de zonde moesten verlost worden, scheen het passend, dat zo weinig mogelijk mensen in zijn dood zouden zondigen. Met zijn dood nu zondigden de Joden, uit wier naam gezegd wordt bij Mattheus (21. 38): "Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden." Derhalve was het passend, dat de heidenen niet betrokken werden in de zonde van de moord op Christus.
B: (Matt 21:38) [b:Matt 21:38]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus leed door toedoen van de heidenen. Daar immers door Christus’ dood de mensen van de zonde moesten verlost worden, scheen het passend, dat zo weinig mogelijk mensen in zijn dood zouden zondigen. Met zijn dood nu zondigden de Joden, uit wier naam gezegd wordt bij Mattheus (21. 38): "Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden." Derhalve was het passend, dat de heidenen niet betrokken werden in de zonde van de moord op Christus.
B: (Matt 21:38) [b:Matt 21:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. De voorafbeeldende offers nu van de Oude Wet droegen de Joden op, en niet de heidenen. Dus moest ook het lijden van Christus, dat het waarachtige offer was, niet door de handen van mensen voltrokken worden.
Vervolgens. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. De voorafbeeldende offers nu van de Oude Wet droegen de Joden op, en niet de heidenen. Dus moest ook het lijden van Christus, dat het waarachtige offer was, niet door de handen van mensen voltrokken worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Zoals gezegd wordt bij Joannes (5. 18) "zochten de Joden Christus te doden, niet alleen, omdat Hij de sabbat schond, maar ook, omdat Hij God zijn Vader noemde, zichzelf gelijkstellend met God." Dit echter was alleen in strijd met de Wet der Joden. Daarom ook zeggen zij zelf bij Joannes (19. 7): "Volgens de Wet moet Hij sterven, omdat Hij zich tot Zoon van God heeft verklaard." Het schijnt dus behoorlijk geweest te zijn, dat Christus niet door de heidenen, maar door toedoen der Joden leed, en het schijnt dan een valsheid, dat zij zeiden: "Ons is het niet geoorloofd, iemand te doden" (Joan. 18. 31), daar vele zonden volgens de Wet met de dood werden gestraft, zoals blijkt uit het Boek Leviticus (20).
B: (Lev 20) [b:Lev 20] (John 5:18, John 5:18) [b:John 5:18] (John 19:7) [b:John 19:7]
Vervolgens. Zoals gezegd wordt bij Joannes (5. 18) "zochten de Joden Christus te doden, niet alleen, omdat Hij de sabbat schond, maar ook, omdat Hij God zijn Vader noemde, zichzelf gelijkstellend met God." Dit echter was alleen in strijd met de Wet der Joden. Daarom ook zeggen zij zelf bij Joannes (19. 7): "Volgens de Wet moet Hij sterven, omdat Hij zich tot Zoon van God heeft verklaard." Het schijnt dus behoorlijk geweest te zijn, dat Christus niet door de heidenen, maar door toedoen der Joden leed, en het schijnt dan een valsheid, dat zij zeiden: "Ons is het niet geoorloofd, iemand te doden" (Joan. 18. 31), daar vele zonden volgens de Wet met de dood werden gestraft, zoals blijkt uit het Boek Leviticus (20).
B: (Lev 20) [b:Lev 20] (John 5:18, John 5:18) [b:John 5:18] (John 19:7) [b:John 19:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Heer zelf bij Mattheus (20. 19) zegt: "Zij zullen Hem overleveren aan de heidenen, om bespot en gegeeseld en gekruisigd te worden."
B: (Matt 20:19) [b:Matt 20:19]
Daartegenover staat echter, dat de Heer zelf bij Mattheus (20. 19) zegt: "Zij zullen Hem overleveren aan de heidenen, om bespot en gegeeseld en gekruisigd te worden."
B: (Matt 20:19) [b:Matt 20:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 4 co.
Mijn antwoord. In de wijze van Christus’ lijden komt zijn uitwerking vooraf tot uiting. — Want vooreerst had het lijden van Christus een heilzaam gevolg voor de Joden, waarvan de meesten in Christus’ dood gedoopt zijn, zoals blijkt uit de Handelingen der Apostelen (2. 41; 3. 4). — Vervolgens strekte zich het gevolg van Christus’ lijden ook tot de heidenen uit, door de prediking der Joden. En derhalve was het passend, dat Christus’ lijden begon door toedoen van de Joden, en dat vervolgens, toen de Joden Hem overleverden, zijn lijden voltooid werd door de handen van de heidenen.
B: (Acts 2:41) [b:Acts 2:41] (Acts 4:4) [b:Acts 4:4]
Mijn antwoord. In de wijze van Christus’ lijden komt zijn uitwerking vooraf tot uiting. — Want vooreerst had het lijden van Christus een heilzaam gevolg voor de Joden, waarvan de meesten in Christus’ dood gedoopt zijn, zoals blijkt uit de Handelingen der Apostelen (2. 41; 3. 4). — Vervolgens strekte zich het gevolg van Christus’ lijden ook tot de heidenen uit, door de prediking der Joden. En derhalve was het passend, dat Christus’ lijden begon door toedoen van de Joden, en dat vervolgens, toen de Joden Hem overleverden, zijn lijden voltooid werd door de handen van de heidenen.
B: (Acts 2:41) [b:Acts 2:41] (Acts 4:4) [b:Acts 4:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Om de overvloed zijner liefde te tonen, waaruit zijn lijden voortkwam, heeft Christus op het kruis vergeving gevraagd voor zijn vervolgens; en daarom wilde Hij, door toedoen van beiden, lijden, opdat de vrucht van deze smeeking zou toekomen zowel aan Joden als aan heidenen.
1e Weerlegging. Om de overvloed zijner liefde te tonen, waaruit zijn lijden voortkwam, heeft Christus op het kruis vergeving gevraagd voor zijn vervolgens; en daarom wilde Hij, door toedoen van beiden, lijden, opdat de vrucht van deze smeeking zou toekomen zowel aan Joden als aan heidenen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Het lijden van Christus was een slachtoffering, in zover Christus met vrije wil de dood onderging uit liefde. In zover Hij echter leed door toedoen van zijn vervolgens, was het geen offer, maar de zwaarste zonde.
2e Weerlegging. Het lijden van Christus was een slachtoffering, in zover Christus met vrije wil de dood onderging uit liefde. In zover Hij echter leed door toedoen van zijn vervolgens, was het geen offer, maar de zwaarste zonde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, bedoelden de Joden met te zeggen: "Ons is het niet geoorloofd iemand te doden," "dat het hun niet vrij stond iemand te doden om de heiligheid van de feestdag, welke zij juist begonnen waren te vieren." — Ofwel zeiden zij dit, zoals Chrysostomus zegt, omdat zij Hem wilden doden, niet als een overtreder der Wet, maar als een publieke vijand, daar Hij zich voor koning uitgegeven had, waarover het hun niet toekwam een veroordeling uit te spreken. — Ofwel, omdat het hun niet vrij stond iemand te kruisigen, hetgeen zij verlangden, maar enkel te stenigen, hetgeen zij met Stephanus deden. — Ofwel beter gezegd, omdat hun door de Romeinen, aan wie zij onderworpen waren, de macht ontzegd was, iemand te doden.
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, bedoelden de Joden met te zeggen: "Ons is het niet geoorloofd iemand te doden," "dat het hun niet vrij stond iemand te doden om de heiligheid van de feestdag, welke zij juist begonnen waren te vieren." — Ofwel zeiden zij dit, zoals Chrysostomus zegt, omdat zij Hem wilden doden, niet als een overtreder der Wet, maar als een publieke vijand, daar Hij zich voor koning uitgegeven had, waarover het hun niet toekwam een veroordeling uit te spreken. — Ofwel, omdat het hun niet vrij stond iemand te kruisigen, hetgeen zij verlangden, maar enkel te stenigen, hetgeen zij met Stephanus deden. — Ofwel beter gezegd, omdat hun door de Romeinen, aan wie zij onderworpen waren, de macht ontzegd was, iemand te doden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Hebben de vervolgers van Christus Hem gekend?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 47 a. 6 co.[t:iiia q. 47 a. 6 co.]
IIIa q. 47 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de vervolgers van Christus Hem hebben gekend. Bij Mattheus (21, 38) wordt immers gezegd "dat de landbouwers, toen ze de zoon zagen, tot elkaar zeiden: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden," waarop Hieronymus aanmerkt: "De Heer bewijst met deze woorden duidelijk, dat de Joodse overheden de Zoon van God niet uit onwetendheid, maar uit afgunst gekruisigd hebben. Zij begrepen immers, dat Hij degene was, van wie de Vader door de mond van de Profeet zeide: Vraag van Mij, en Ik zal U de volkeren tot erfdeel geven" (Ps. 2. 8). Zij schijnen dus geweten te hebben, dat Hij de Christus of de Zoon Gods was.
B: (Matt 21:38) [b:Matt 21:38]
IIIa q. 47 a. 6 co.[t:iiia q. 47 a. 6 co.]
IIIa q. 47 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de vervolgers van Christus Hem hebben gekend. Bij Mattheus (21, 38) wordt immers gezegd "dat de landbouwers, toen ze de zoon zagen, tot elkaar zeiden: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden," waarop Hieronymus aanmerkt: "De Heer bewijst met deze woorden duidelijk, dat de Joodse overheden de Zoon van God niet uit onwetendheid, maar uit afgunst gekruisigd hebben. Zij begrepen immers, dat Hij degene was, van wie de Vader door de mond van de Profeet zeide: Vraag van Mij, en Ik zal U de volkeren tot erfdeel geven" (Ps. 2. 8). Zij schijnen dus geweten te hebben, dat Hij de Christus of de Zoon Gods was.
B: (Matt 21:38) [b:Matt 21:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Bij Joannes (15. 24) zegt de Heer: "Maar nu hebben zij ze gezien en toch én Mij én Mijn Vader gehaat." Wat men echter ziet, kent men duidelijk. Dus hebben de Joden, terwijl zij Christus kenden, Hem uit haat het lijden aangedaan.
B: (John 15:24, John 15:24) [b:John 15:24]
Vervolgens. Bij Joannes (15. 24) zegt de Heer: "Maar nu hebben zij ze gezien en toch én Mij én Mijn Vader gehaat." Wat men echter ziet, kent men duidelijk. Dus hebben de Joden, terwijl zij Christus kenden, Hem uit haat het lijden aangedaan.
B: (John 15:24, John 15:24) [b:John 15:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 5 arg. 3
Vervolgens. In een preek op het Concilie van Ephese, aangehaald in de vorige kwestie (12e Art. 2e Antw.), wordt gezegd: "Zoals hij, die het keizerlijk document verscheurt, ter dood wordt veroordeeld als verkrachter van het woord van de keizer, zo zal de Jood, die degene kruisigde, die hij zag, moeten boeten als iemand, die vermetelheid begaat tegen het Woord Gods zelf." Dit zou echter niet het geval zijn, als zij niet hadden geweten, dat Hij de Zoon Gods was, daar hun onwetendheid hen zou verontschuldigd hebben. Dus hebben de Joden, die Christus kruisigden, geweten, dat Hij de Zoon Gods was.
Vervolgens. In een preek op het Concilie van Ephese, aangehaald in de vorige kwestie (12e Art. 2e Antw.), wordt gezegd: "Zoals hij, die het keizerlijk document verscheurt, ter dood wordt veroordeeld als verkrachter van het woord van de keizer, zo zal de Jood, die degene kruisigde, die hij zag, moeten boeten als iemand, die vermetelheid begaat tegen het Woord Gods zelf." Dit zou echter niet het geval zijn, als zij niet hadden geweten, dat Hij de Zoon Gods was, daar hun onwetendheid hen zou verontschuldigd hebben. Dus hebben de Joden, die Christus kruisigden, geweten, dat Hij de Zoon Gods was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter het gezegde in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 8): "Als zij Hem gekend hadden, zouden zij nooit de Heer der glorie gekruisigd hebben"; en in de Handelingen der Apostelen (3. 17) zegt Petrus, sprekende tot de Joden: "Ik weet, dat gij uit onwetendheid gehandeld hebt, zoals ook uw overheden"; en de Heer zegt, hangende aan het kruis: "Vader vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen." (Luc. 23. 34).
B: (Luke 23:34) [b:Luke 23:34] (Acts 3:17) [b:Acts 3:17] (1Cor 2:8) [b:1Cor 2:8]
Daartegenover staat echter het gezegde in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 8): "Als zij Hem gekend hadden, zouden zij nooit de Heer der glorie gekruisigd hebben"; en in de Handelingen der Apostelen (3. 17) zegt Petrus, sprekende tot de Joden: "Ik weet, dat gij uit onwetendheid gehandeld hebt, zoals ook uw overheden"; en de Heer zegt, hangende aan het kruis: "Vader vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen." (Luc. 23. 34).
B: (Luke 23:34) [b:Luke 23:34] (Acts 3:17) [b:Acts 3:17] (1Cor 2:8) [b:1Cor 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 5 co.
Mijn antwoord. Bij de Joden waren er hogeren en lageren. De hogeren nu, die hun "overheden" genoemd worden, wisten, zoals Augustinus zegt, evenals de duivelen, "dat Hij de Christus was, die in de Wet beloofd was: zij zagen immers al de tekenen in Hem verwerkelijkt, die de profeten voorzegd hadden. Het mysterie zijner Godheid kenden zij echter niet." En daarom zegt de Apostel, dat "zij nooit de Heer der glorie zouden gekruisigd hebben, indien zij Hem gekend hadden." (1 Cor. 2. 8) Men moet echter weten, dat hun onwetendheid hen niet van hun misdaad vrijpleitte, daar het in zekeren zin een opzettelijke onwetendheid was. Zij zagen immers de evidente tekenen van zijn Godheid, maar uit haat en afgunst tegen Christus, hebben zij deze ontzenuwd; en zij weigerden geloof te hechten aan zijn woorden, waarmee Hij getuigde, dat Hij de Zoon Gods was. Daarom zegt Hij ook zelf van hen bij Joannes (15. 22): "Indien ik niet gekomen was en niet tot hen gesproken had, zouden zij geen zonden gehad hebben; nu echter hebben zij geen verontschuldiging voor hun zonde." En Hij voegt er verder aan toe (v. 24): "Als Ik voor hun ogen de werken niet gedaan had, die geen ander doet, dan zouden zij geen zonde gehad hebben." En zo kan men van hen verstaan, wat gezegd wordt in het Boek Job (21. 14): "Zij zeiden tot God: Ga van ons weg, wij willen uw wegen niet kennen." — De minderen echter, d. i. de volksmensen, die de geheimen der Schrift niet kennen, hebben niet juist geweten, noch dat Hij de Christus, noch dat Hij de Zoon Gods was, alhoewel sommigen van hen in Hem geloofden. De massa echter geloofde niet. En al hebben zij soms in twijfel gestaan of Hij wel de Christus was, om de vele tekenen en de afdoendheid van zijn leer, zoals staat in Joannes (7. 31, 41 en vlg.), toch zijn zij naderhand door hun overheden misleid, zodat zij Hem niet geloofden, noch dat Hij de Zoon Gods, noch dat Hij de Christus was. Daarom zegt ook Petrus tot hen: "Ik weet, dat gij uit onwetendheid gehandeld hebt, zoals ook uw overheden" (Handel. 3. 17), omdat zij nl. door hun overheden misleid waren.
B: (John 15:22, John 15:22) [b:John 15:22] (John 15:24, John 15:24) [b:John 15:24]
Mijn antwoord. Bij de Joden waren er hogeren en lageren. De hogeren nu, die hun "overheden" genoemd worden, wisten, zoals Augustinus zegt, evenals de duivelen, "dat Hij de Christus was, die in de Wet beloofd was: zij zagen immers al de tekenen in Hem verwerkelijkt, die de profeten voorzegd hadden. Het mysterie zijner Godheid kenden zij echter niet." En daarom zegt de Apostel, dat "zij nooit de Heer der glorie zouden gekruisigd hebben, indien zij Hem gekend hadden." (1 Cor. 2. 8) Men moet echter weten, dat hun onwetendheid hen niet van hun misdaad vrijpleitte, daar het in zekeren zin een opzettelijke onwetendheid was. Zij zagen immers de evidente tekenen van zijn Godheid, maar uit haat en afgunst tegen Christus, hebben zij deze ontzenuwd; en zij weigerden geloof te hechten aan zijn woorden, waarmee Hij getuigde, dat Hij de Zoon Gods was. Daarom zegt Hij ook zelf van hen bij Joannes (15. 22): "Indien ik niet gekomen was en niet tot hen gesproken had, zouden zij geen zonden gehad hebben; nu echter hebben zij geen verontschuldiging voor hun zonde." En Hij voegt er verder aan toe (v. 24): "Als Ik voor hun ogen de werken niet gedaan had, die geen ander doet, dan zouden zij geen zonde gehad hebben." En zo kan men van hen verstaan, wat gezegd wordt in het Boek Job (21. 14): "Zij zeiden tot God: Ga van ons weg, wij willen uw wegen niet kennen." — De minderen echter, d. i. de volksmensen, die de geheimen der Schrift niet kennen, hebben niet juist geweten, noch dat Hij de Christus, noch dat Hij de Zoon Gods was, alhoewel sommigen van hen in Hem geloofden. De massa echter geloofde niet. En al hebben zij soms in twijfel gestaan of Hij wel de Christus was, om de vele tekenen en de afdoendheid van zijn leer, zoals staat in Joannes (7. 31, 41 en vlg.), toch zijn zij naderhand door hun overheden misleid, zodat zij Hem niet geloofden, noch dat Hij de Zoon Gods, noch dat Hij de Christus was. Daarom zegt ook Petrus tot hen: "Ik weet, dat gij uit onwetendheid gehandeld hebt, zoals ook uw overheden" (Handel. 3. 17), omdat zij nl. door hun overheden misleid waren.
B: (John 15:22, John 15:22) [b:John 15:22] (John 15:24, John 15:24) [b:John 15:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Deze woorden worden gesproken uit naam der wijnbouwers, met wie de leiders van het volk worden aangeduid, die wisten dat Hij de erfgenaam was, in zover zij wisten, dat Hij de Christus was, die in de Wet voorspeld was. Met dit antwoord schijnt echter in strijd, het feit, dat de woorden uit het Boek der Psalmen (2. 8): "Vraag van Mij, en Ik zal U de volkeren tot erfdeel geven," gezegd worden tot dezelfde, als tot wien gezegd wordt: "Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden geteeld." (v. 7) Als zij dus geweten hadden, dat Hij degene was, tot wien gezegd werd: "Vraag van Mij enz.," dan volgt, dat zij geweten hebben, dat Hij de Zoon Gods was. Chrysostomus zegt, dat "zij Hem gekend hebben als de Zoon van God." En ook Beda zegt, naar aanleiding van het woord bij Lucas (23. 34): "Want zij weten niet, wat zij doen": "Bedenk, dat Hij niet bidt voor hen, die degene, die zij kenden als de Zoon van God, liever wilden kruisigen, dan belijden." Maar hierop kan men antwoorden, dat zij wisten, dat Hij de Zoon Gods was, niet van nature, maar door zijn uitstekende, buitengewone genade. Wij kunnen echter zeggen, dat van hen beweerd wordt, dat zij de waarachtigen Zoon Gods kenden, omdat zij de evidente bewijzen hiervan hadden; dat zij echter uit haat en afgunst weigerden, zich hiervoor gewonnen te geven en Hem te erkennen als Zoon van God.
B: (John 7:31, John 7:31) [b:John 7:31] (John 7:41, John 7:41) [b:John 7:41]
1e Weerlegging. Deze woorden worden gesproken uit naam der wijnbouwers, met wie de leiders van het volk worden aangeduid, die wisten dat Hij de erfgenaam was, in zover zij wisten, dat Hij de Christus was, die in de Wet voorspeld was. Met dit antwoord schijnt echter in strijd, het feit, dat de woorden uit het Boek der Psalmen (2. 8): "Vraag van Mij, en Ik zal U de volkeren tot erfdeel geven," gezegd worden tot dezelfde, als tot wien gezegd wordt: "Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden geteeld." (v. 7) Als zij dus geweten hadden, dat Hij degene was, tot wien gezegd werd: "Vraag van Mij enz.," dan volgt, dat zij geweten hebben, dat Hij de Zoon Gods was. Chrysostomus zegt, dat "zij Hem gekend hebben als de Zoon van God." En ook Beda zegt, naar aanleiding van het woord bij Lucas (23. 34): "Want zij weten niet, wat zij doen": "Bedenk, dat Hij niet bidt voor hen, die degene, die zij kenden als de Zoon van God, liever wilden kruisigen, dan belijden." Maar hierop kan men antwoorden, dat zij wisten, dat Hij de Zoon Gods was, niet van nature, maar door zijn uitstekende, buitengewone genade. Wij kunnen echter zeggen, dat van hen beweerd wordt, dat zij de waarachtigen Zoon Gods kenden, omdat zij de evidente bewijzen hiervan hadden; dat zij echter uit haat en afgunst weigerden, zich hiervoor gewonnen te geven en Hem te erkennen als Zoon van God.
B: (John 7:31, John 7:31) [b:John 7:31] (John 7:41, John 7:41) [b:John 7:41]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Aan die woorden gaat vooraf: "Indien Ik de werken, die geen ander doet, niet voor hun ogen gedaan had, dan zouden zij geen zonde hebben," en later wordt eraan toegevoegd: "Nu echter hebben zij deze gezien, en Mij en Mijn Vader gehaat." Waardoor wordt duidelijk gemaakt, dat het uit haat voortkwam, dat zij de Zoon Gods niet kenden, ofschoon zij de wonderwerken van Christus zagen.
B: (Ps 2:8) [b:Ps 2:8] (Luke 23:34) [b:Luke 23:34]
2e Weerlegging. Aan die woorden gaat vooraf: "Indien Ik de werken, die geen ander doet, niet voor hun ogen gedaan had, dan zouden zij geen zonde hebben," en later wordt eraan toegevoegd: "Nu echter hebben zij deze gezien, en Mij en Mijn Vader gehaat." Waardoor wordt duidelijk gemaakt, dat het uit haat voortkwam, dat zij de Zoon Gods niet kenden, ofschoon zij de wonderwerken van Christus zagen.
B: (Ps 2:8) [b:Ps 2:8] (Luke 23:34) [b:Luke 23:34]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Een opzettelijke onwetendheid verontschuldigt de schuld niet, maar schijnt veeleer de schuld te verzwaren: zij toont immers, dat een mens zo hevig tot zondigen geneigd is, dat hij onwetend wil blijven, om de zonde niet te behoeven vermijden. En daarom hebben de Joden gezondigd als kruisigers, niet alleen van de mens Christus, maar ook van God.
3e Weerlegging. Een opzettelijke onwetendheid verontschuldigt de schuld niet, maar schijnt veeleer de schuld te verzwaren: zij toont immers, dat een mens zo hevig tot zondigen geneigd is, dat hij onwetend wil blijven, om de zonde niet te behoeven vermijden. En daarom hebben de Joden gezondigd als kruisigers, niet alleen van de mens Christus, maar ook van God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Was de zonde van hen, die Christus kruisigden, de zwaarste?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 48 a. 2 arg. 2[t:iiia q. 48 a. 2 arg. 2]
IIIa q. 47 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de zonde van hen, die Christus kruisigden niet de zwaarste was. Een zonde, waarvoor een verontschuldiging aan te voeren valt, is niet de zwaarste. God zelf echter verontschuldigde de zonde van zijn kruisigers, zeggend bij Lucas (23. 34): "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen." Dus was hun zonde niet de zwaarste.
B: (Luke 23:34) [b:Luke 23:34]
IIIa q. 48 a. 2 arg. 2[t:iiia q. 48 a. 2 arg. 2]
IIIa q. 47 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de zonde van hen, die Christus kruisigden niet de zwaarste was. Een zonde, waarvoor een verontschuldiging aan te voeren valt, is niet de zwaarste. God zelf echter verontschuldigde de zonde van zijn kruisigers, zeggend bij Lucas (23. 34): "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen." Dus was hun zonde niet de zwaarste.
B: (Luke 23:34) [b:Luke 23:34]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 6 arg. 2
Vervolgens. De Heer zegt tot Pilatus bij Joannes (19. 11): "Die Mij aan u overleverde, hij heeft grotere zonde." Pilatus zelf nu liet Christus door zijn dienaren kruisigen. Dus is de zonde van Judas de verrader groter, dan de zonde van hen die Christus gekruisigd hebben.
B: (John 19:11) [b:John 19:11]
Vervolgens. De Heer zegt tot Pilatus bij Joannes (19. 11): "Die Mij aan u overleverde, hij heeft grotere zonde." Pilatus zelf nu liet Christus door zijn dienaren kruisigen. Dus is de zonde van Judas de verrader groter, dan de zonde van hen die Christus gekruisigd hebben.
B: (John 19:11) [b:John 19:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Volgens de Wijsgeer "lijdt niemand willens onrecht;" en zoals hij ook zegt: "als er niemand is, die onrecht lijdt, is er ook niemand, die onrecht doet." Dus niemand doet onrecht aan iemand, die dit verlangt. Christus nu heeft vrijwillig geleden, zo als boven gezegd is (1° Art. van deze Kw. 3° Antw. en 2° Art.). Dus begingen zij, die Christus kruisigden, geen onrecht, en was aldus hun zonde niet de zwaarste.
R: q. 47 a. 1[t:iiia q. 47 a. 1] q. 47 a. 2[t:iiia q. 47 a. 2]
Vervolgens. Volgens de Wijsgeer "lijdt niemand willens onrecht;" en zoals hij ook zegt: "als er niemand is, die onrecht lijdt, is er ook niemand, die onrecht doet." Dus niemand doet onrecht aan iemand, die dit verlangt. Christus nu heeft vrijwillig geleden, zo als boven gezegd is (1° Art. van deze Kw. 3° Antw. en 2° Art.). Dus begingen zij, die Christus kruisigden, geen onrecht, en was aldus hun zonde niet de zwaarste.
R: q. 47 a. 1[t:iiia q. 47 a. 1] q. 47 a. 2[t:iiia q. 47 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat op het gezegde van Mattheus (23. 32): "En gij maakt de maat uwer vaderen vol," Chrysostomus aanmerkt: "In werkelijkheid gingen zij de maat hunner vaderen te boven, want deze doodden mensen, zij echter kruisigden God."
B: (Matt 23:32) [b:Matt 23:32]
Daartegenover staat echter, dat op het gezegde van Mattheus (23. 32): "En gij maakt de maat uwer vaderen vol," Chrysostomus aanmerkt: "In werkelijkheid gingen zij de maat hunner vaderen te boven, want deze doodden mensen, zij echter kruisigden God."
B: (Matt 23:32) [b:Matt 23:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 6 co.
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd is, hebben de Joodse overheden Christus gekend: en zo er al bij hen enige onwetendheid was, dan was het een opzettelijke onwetendheid, die hen niet kon verontschuldigen. En daarom was hun zonde het zwaarst, zowel om de soort van zonde, als om de boosheid van hun wil. — De eenvoudigere Joden begingen echter de zwaarste zonde, wat de soort van zonde betreft, maar in zekere zin werd hun zonde kleiner door hun onwetendheid. Vandaar dat bij het woord van Lucas (23. 34): "Zij weten niet wat zij doen," Beda zegt: "Hij vraagt voor hen, die niet wisten wat zij deden, die wel ijverden voor God, maar niet met het juiste inzicht." Veel meer viel de zonde van de heidenen te verontschuldigen, door wier hand Hij gekruisigd werd, omdat zij niet de kennis der Wet bezaten.
B: (Luke 23:34) [b:Luke 23:34]
R: q. 47 a. 5[t:iiia q. 47 a. 5]
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd is, hebben de Joodse overheden Christus gekend: en zo er al bij hen enige onwetendheid was, dan was het een opzettelijke onwetendheid, die hen niet kon verontschuldigen. En daarom was hun zonde het zwaarst, zowel om de soort van zonde, als om de boosheid van hun wil. — De eenvoudigere Joden begingen echter de zwaarste zonde, wat de soort van zonde betreft, maar in zekere zin werd hun zonde kleiner door hun onwetendheid. Vandaar dat bij het woord van Lucas (23. 34): "Zij weten niet wat zij doen," Beda zegt: "Hij vraagt voor hen, die niet wisten wat zij deden, die wel ijverden voor God, maar niet met het juiste inzicht." Veel meer viel de zonde van de heidenen te verontschuldigen, door wier hand Hij gekruisigd werd, omdat zij niet de kennis der Wet bezaten.
B: (Luke 23:34) [b:Luke 23:34]
R: q. 47 a. 5[t:iiia q. 47 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Die verontschuldiging van de Heer heeft geen betrekking op de Joodse overheden, maar op de minderen van het volk, zoals in de leerstelling gezegd is.
1e Weerlegging. Die verontschuldiging van de Heer heeft geen betrekking op de Joodse overheden, maar op de minderen van het volk, zoals in de leerstelling gezegd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Judas heeft Christus niet aan Pilatus overgeleverd, maar aan de opperpriesters, die Hem overleverden aan Pilatus, naar het woord van Joannes (18. 35): "Uw volk en uw opperpriesters hebben U aan mij overgeleverd". De zonde van deze allen echter was groter, dan die van Pilatus, die uit vrees voor de Caesar Christus doodde; en ook was zij groter dan de zonde der soldaten, die in opdracht van de landvoogd Christus kruisigden; niet uit hebzucht, zoals Judas, noch uit afgunst of haat, zoals de Joodse overheden.
B: (John 18:35, John 18:35) [b:John 18:35]
2e Weerlegging. Judas heeft Christus niet aan Pilatus overgeleverd, maar aan de opperpriesters, die Hem overleverden aan Pilatus, naar het woord van Joannes (18. 35): "Uw volk en uw opperpriesters hebben U aan mij overgeleverd". De zonde van deze allen echter was groter, dan die van Pilatus, die uit vrees voor de Caesar Christus doodde; en ook was zij groter dan de zonde der soldaten, die in opdracht van de landvoogd Christus kruisigden; niet uit hebzucht, zoals Judas, noch uit afgunst of haat, zoals de Joodse overheden.
B: (John 18:35, John 18:35) [b:John 18:35]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 47 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Christus wilde wel zijn lijden, zoals ook God het wilde, maar de misdadige handeling der Joden wilde Hij niet. En daarom worden de moordenaars van Christus niet van ongerechtigheid vrijgepleit. En toch doet hij, die een mens doodt, niet alleen onrecht aan de mens, die hij doodt, maar ook aan God en de staat; zoals ook hij, die zichzelf doodt, zoals de Wijsgeer zegt. Daarom ook veroordeelde David hem ter dood, die "niet geaarzeld had de gezalfde van de Heer te doden," ofschoon deze er zelf om gevraagd had, zoals wij lezen in het Tweede Boek der Koningen (1. 6 en vlg.).
B: (2Kgs 1:5-14) [b:2Kgs 1:5-14]
3e Weerlegging. Christus wilde wel zijn lijden, zoals ook God het wilde, maar de misdadige handeling der Joden wilde Hij niet. En daarom worden de moordenaars van Christus niet van ongerechtigheid vrijgepleit. En toch doet hij, die een mens doodt, niet alleen onrecht aan de mens, die hij doodt, maar ook aan God en de staat; zoals ook hij, die zichzelf doodt, zoals de Wijsgeer zegt. Daarom ook veroordeelde David hem ter dood, die "niet geaarzeld had de gezalfde van de Heer te doden," ofschoon deze er zelf om gevraagd had, zoals wij lezen in het Tweede Boek der Koningen (1. 6 en vlg.).
B: (2Kgs 1:5-14) [b:2Kgs 1:5-14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 48:
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 50 a. 6 co.
IIIa q. 86 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 50 a. 6 co.][t:iiia q. 86 a. 4 arg. 3]
IIIa q. 48 pr.
Vervolgens moeten wij handelen over de gevolgen van Christus’ lijden.
En vooreerst over de wijze van uitwerking;
— ten tweede over het uitgewerkte zelf.
Aangaande het eerste punt stellen we zes vragen:
1. Heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt bij wijze van verdienste?
2. Bij wijze van voldoening?
3. Bij wijze van sacrificie?
4. Bij wijze van loskooping?
5. Is het Verlosser-zijn het eigene van Christus?
6. Heeft Hij het effect, ons heil, veroorzaakt op uitwerkende wijze?
IIIa q. 50 a. 6 co.
IIIa q. 86 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 50 a. 6 co.][t:iiia q. 86 a. 4 arg. 3]
IIIa q. 48 pr.
Vervolgens moeten wij handelen over de gevolgen van Christus’ lijden.
En vooreerst over de wijze van uitwerking;
— ten tweede over het uitgewerkte zelf.
Aangaande het eerste punt stellen we zes vragen:
1. Heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt bij wijze van verdienste?
2. Bij wijze van voldoening?
3. Bij wijze van sacrificie?
4. Bij wijze van loskooping?
5. Is het Verlosser-zijn het eigene van Christus?
6. Heeft Hij het effect, ons heil, veroorzaakt op uitwerkende wijze?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt bij wijze van verdienste?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 46 a. 3 co.
IIIa q. 56 a. 1 ad 4
IIIa q. 56 a. 2 ad 4
IIIa q. 62 a. 5 co.
IIIa q. 64 a. 3 co.[t:iiia q. 46 a. 3 co.][t:iiia q. 56 a. 1 ad 4][t:iiia q. 56 a. 2 ad 4][t:iiia q. 62 a. 5 co.][t:iiia q. 64 a. 3 co.]
IIIa q. 48 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil heeft bewerkt bij wijze van verdienste. De principes van het ondergaan liggen niet in ons zelf. Niemand echter heeft verdiensten of wordt geprezen, tenzij om iets, waarvan het principe bij hem zelf gelegen is. Dus heeft het lijden van Christus niets uitgewerkt bij wijze van verdienste.
IIIa q. 46 a. 3 co.
IIIa q. 56 a. 1 ad 4
IIIa q. 56 a. 2 ad 4
IIIa q. 62 a. 5 co.
IIIa q. 64 a. 3 co.[t:iiia q. 46 a. 3 co.][t:iiia q. 56 a. 1 ad 4][t:iiia q. 56 a. 2 ad 4][t:iiia q. 62 a. 5 co.][t:iiia q. 64 a. 3 co.]
IIIa q. 48 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil heeft bewerkt bij wijze van verdienste. De principes van het ondergaan liggen niet in ons zelf. Niemand echter heeft verdiensten of wordt geprezen, tenzij om iets, waarvan het principe bij hem zelf gelegen is. Dus heeft het lijden van Christus niets uitgewerkt bij wijze van verdienste.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Christus heeft zowel voor zichzelf als voor ons verdiend van het begin zijner ontvangenis af, zoals boven gezegd is (34° Kw. 3° Art.). Het is echter overbodig, dat iemand weer eens verdient, wat hij anderszins al verdiend heeft. Dus heeft Christus niet door zijn lijden ons heil verdiend.
R: q. 9 a. 4[t:iiia q. 9 a. 4] q. 34 a. 3[t:iiia q. 34 a. 3]
Vervolgens. Christus heeft zowel voor zichzelf als voor ons verdiend van het begin zijner ontvangenis af, zoals boven gezegd is (34° Kw. 3° Art.). Het is echter overbodig, dat iemand weer eens verdient, wat hij anderszins al verdiend heeft. Dus heeft Christus niet door zijn lijden ons heil verdiend.
R: q. 9 a. 4[t:iiia q. 9 a. 4] q. 34 a. 3[t:iiia q. 34 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Grond van verdienste is de liefde. Maar de liefde van Christus was bij zijn lijden niet groter geworden dan zij tevoren was. Dus heeft Christus door te lijden niet meer ons heil verdiend dan Hij tevoren deed.
Vervolgens. Grond van verdienste is de liefde. Maar de liefde van Christus was bij zijn lijden niet groter geworden dan zij tevoren was. Dus heeft Christus door te lijden niet meer ons heil verdiend dan Hij tevoren deed.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat naar aanleiding van het gezegde in de Brief aan de Philippensen (2. 9): "Daarom heeft God Hem ook verheven," enz. Augustinus zegt: "De vernedering van het lijden verdient de heerlijkheid; de heerlijkheid is de beloning voor de nederigheid." Hij is echter verheerlijkt niet alleen in zichzelf, maar ook in zijn getrouwen, zoals Hij zelf zegt bij Joannes (17. 10). Dus heeft Hij het heil voor zijn getrouwen verdiend.
B: (John 17:10) [b:John 17:10] (Phil 2:9) [b:Phil 2:9]
Daartegenover staat echter, dat naar aanleiding van het gezegde in de Brief aan de Philippensen (2. 9): "Daarom heeft God Hem ook verheven," enz. Augustinus zegt: "De vernedering van het lijden verdient de heerlijkheid; de heerlijkheid is de beloning voor de nederigheid." Hij is echter verheerlijkt niet alleen in zichzelf, maar ook in zijn getrouwen, zoals Hij zelf zegt bij Joannes (17. 10). Dus heeft Hij het heil voor zijn getrouwen verdiend.
B: (John 17:10) [b:John 17:10] (Phil 2:9) [b:Phil 2:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals vroeger gezegd is (7e Kw. 1e en 9e Art.; 8e Kw. 1e en 5e Art.), werd aan Christus de genade gegeven niet slechts als enkeling, maar als hoofd der Kerk, opdat zij namelijk van Hem zou uitvloeien naar de ledematen. En daarom is de verhouding waarin de werken van Christus staan zowel tot Hemzelf, als tot zijn ledematen, dezelfde als de verhouding waarin de werken van een ander mens, die in genade is, staan tot deze zelf. Het is echter duidelijk, dat alwie in genade is en lijdt terwille der gerechtigheid, daarmee voor zichzelf de zaligheid verdient, naar het woord van Mattheus (5. 10): "Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid." Daarom heeft Christus door zijn lijden niet alleen voor zichzelf, maar ook voor al zijn ledematen de zaligheid verdiend.
B: (Matt 5:10) [b:Matt 5:10]
R: q. 7 a. 1[t:iiia q. 7 a. 1] q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9] q. 8 a. 1[t:iiia q. 8 a. 1] q. 8 a. 5[t:iiia q. 8 a. 5]
Mijn antwoord. Zoals vroeger gezegd is (7e Kw. 1e en 9e Art.; 8e Kw. 1e en 5e Art.), werd aan Christus de genade gegeven niet slechts als enkeling, maar als hoofd der Kerk, opdat zij namelijk van Hem zou uitvloeien naar de ledematen. En daarom is de verhouding waarin de werken van Christus staan zowel tot Hemzelf, als tot zijn ledematen, dezelfde als de verhouding waarin de werken van een ander mens, die in genade is, staan tot deze zelf. Het is echter duidelijk, dat alwie in genade is en lijdt terwille der gerechtigheid, daarmee voor zichzelf de zaligheid verdient, naar het woord van Mattheus (5. 10): "Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid." Daarom heeft Christus door zijn lijden niet alleen voor zichzelf, maar ook voor al zijn ledematen de zaligheid verdiend.
B: (Matt 5:10) [b:Matt 5:10]
R: q. 7 a. 1[t:iiia q. 7 a. 1] q. 7 a. 9[t:iiia q. 7 a. 9] q. 8 a. 1[t:iiia q. 8 a. 1] q. 8 a. 5[t:iiia q. 8 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Het ondergaan als zodanig is niet verdienstelijk, daar het principe ervan van buiten komt; maar voor zover iemand dit vrijwillig verdraagt, heeft het een principe van binnen; en op die wijze is het verdienstelijk.
1e Weerlegging. Het ondergaan als zodanig is niet verdienstelijk, daar het principe ervan van buiten komt; maar voor zover iemand dit vrijwillig verdraagt, heeft het een principe van binnen; en op die wijze is het verdienstelijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Christus heeft van het begin zijner ontvangenis af voor ons het eeuwig heil verdiend; maar van onze kant waren er enige hinderpalen, waardoor wij verhinderd werden, de uitwerking der voorafgaande verdiensten deelachtig te worden. En daarom "moest de Christus lijden," zoals boven gezegd is (46° Kw. 3° Art.), om die hinderpalen uit de weg te ruimen.
R: q. 46 a. 3[t:iiia q. 46 a. 3]
2e Weerlegging. Christus heeft van het begin zijner ontvangenis af voor ons het eeuwig heil verdiend; maar van onze kant waren er enige hinderpalen, waardoor wij verhinderd werden, de uitwerking der voorafgaande verdiensten deelachtig te worden. En daarom "moest de Christus lijden," zoals boven gezegd is (46° Kw. 3° Art.), om die hinderpalen uit de weg te ruimen.
R: q. 46 a. 3[t:iiia q. 46 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het lijden van Christus had een gevolg, dat de voorafgaande verdiensten niet hadden, niet om een grotere liefde, maar om de aard van het werk, dat aangepast was aan zulk een effect, zoals blijkt uit de redenen boven aangegeven, voor de gepastheid van Christus’ lijden (46° Kw. 3° Art.).
R: q. 46 a. 3[t:iiia q. 46 a. 3] q. 46 a. 4[t:iiia q. 46 a. 4]
3e Weerlegging. Het lijden van Christus had een gevolg, dat de voorafgaande verdiensten niet hadden, niet om een grotere liefde, maar om de aard van het werk, dat aangepast was aan zulk een effect, zoals blijkt uit de redenen boven aangegeven, voor de gepastheid van Christus’ lijden (46° Kw. 3° Art.).
R: q. 46 a. 3[t:iiia q. 46 a. 3] q. 46 a. 4[t:iiia q. 46 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt bij wijze van voldoening?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 52 a. 8 ad 2
IIIa q. 62 a. 5 co.
IIIa q. 68 a. 5 co.
IIIa q. 78 a. 3 arg. 8[t:iiia q. 52 a. 8 ad 2][t:iiia q. 62 a. 5 co.][t:iiia q. 68 a. 5 co.][t:iiia q. 78 a. 3 arg. 8]
IIIa q. 48 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil bewerkt heeft bij wijze van voldoening. Dezelfde immers, die gezondigd heeft, moet ook voldoening brengen, zoals blijkt uit de andere elementen der biecht: dezelfde immers, die gezondigd heeft, moet ook berouw hebben en belijden. Christus heeft echter niet gezondigd, zoals staat in de Eerste Brief van Petrus (2. 22): "Die geen zonde bedreven heeft." Dus heeft Hij ook niet voldaan door zijn eigen lijden.
B: (1Pet 2:22) [b:1Pet 2:22]
IIIa q. 52 a. 8 ad 2
IIIa q. 62 a. 5 co.
IIIa q. 68 a. 5 co.
IIIa q. 78 a. 3 arg. 8[t:iiia q. 52 a. 8 ad 2][t:iiia q. 62 a. 5 co.][t:iiia q. 68 a. 5 co.][t:iiia q. 78 a. 3 arg. 8]
IIIa q. 48 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil bewerkt heeft bij wijze van voldoening. Dezelfde immers, die gezondigd heeft, moet ook voldoening brengen, zoals blijkt uit de andere elementen der biecht: dezelfde immers, die gezondigd heeft, moet ook berouw hebben en belijden. Christus heeft echter niet gezondigd, zoals staat in de Eerste Brief van Petrus (2. 22): "Die geen zonde bedreven heeft." Dus heeft Hij ook niet voldaan door zijn eigen lijden.
B: (1Pet 2:22) [b:1Pet 2:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Niemand voldoet door nog meer te beledigen. De grootste belediging werd begaan bij het lijden van Christus, daar zij, die Hem kruisigden, de zwaarste zonde bedreven, zoals boven gezegd is (vorige Kw. 6° Art.). Dus kon door het lijden van Christus aan God geen voldoening gebracht worden.
R: q. 47 a. 6[t:iiia q. 47 a. 6]
Vervolgens. Niemand voldoet door nog meer te beledigen. De grootste belediging werd begaan bij het lijden van Christus, daar zij, die Hem kruisigden, de zwaarste zonde bedreven, zoals boven gezegd is (vorige Kw. 6° Art.). Dus kon door het lijden van Christus aan God geen voldoening gebracht worden.
R: q. 47 a. 6[t:iiia q. 47 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De voldoening vraagt een zekere evenredigheid met de schuld, daar zij een daad van rechtvaardigheid is. Het lijden van Christus echter schijnt niet evenredig te zijn aan al de zonden van het menselijk geslacht, daar Christus niet leed naar zijn Godheid, waar naar het vlees, zoals staat in de Eerste Brief van Petrus (4. 1): "Daar Christus derhalve geleden heeft in zijn vlees;" de ziel echter, waarin de zonde zich bevindt, is meer dan het vlees. Dus heeft Christus niet door zijn lijden voor onze zonden voldaan.
B: (1Pet 4:1) [b:1Pet 4:1]
Vervolgens. De voldoening vraagt een zekere evenredigheid met de schuld, daar zij een daad van rechtvaardigheid is. Het lijden van Christus echter schijnt niet evenredig te zijn aan al de zonden van het menselijk geslacht, daar Christus niet leed naar zijn Godheid, waar naar het vlees, zoals staat in de Eerste Brief van Petrus (4. 1): "Daar Christus derhalve geleden heeft in zijn vlees;" de ziel echter, waarin de zonde zich bevindt, is meer dan het vlees. Dus heeft Christus niet door zijn lijden voor onze zonden voldaan.
B: (1Pet 4:1) [b:1Pet 4:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat namens Hem gezegd wordt in het Boek der Psalmen (68. 5): "Wat Ik niet geroofd heb, heb Ik toen betaald." Maar hij, die geen volkomen voldoening schenkt, betaalt niet. Dus heeft Christus door zijn lijden volkomen voldoening gebracht voor onze zonden.
B: (Ps 68:5) [b:Ps 68:5]
Daartegenover staat echter, dat namens Hem gezegd wordt in het Boek der Psalmen (68. 5): "Wat Ik niet geroofd heb, heb Ik toen betaald." Maar hij, die geen volkomen voldoening schenkt, betaalt niet. Dus heeft Christus door zijn lijden volkomen voldoening gebracht voor onze zonden.
B: (Ps 68:5) [b:Ps 68:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 2 co.
Mijn antwoord. In de eigenlijken zin voldoet iemand voor een beleediging, als hij aan de beledeigde datgene aanbiedt, wat hij evenzeer of nog meer liefheeft, dan hij de beleediging haat. Christus nu heeft door uit liefde en gehoorzaamheid te lijden aan God iets gegeven, dat groter was, dan hetgeen tot vereffening van geheel de beleediging van het menselijk geslacht geëischt werd. — Vooreerst om de grootte der liefde, waaruit zijn lijden voortkwam. — Ten tweede, om de waarde van zijn leven, dat Hij ter voldoening aflegde, hetgeen een leven was van een God en mens. — Ten derde, om de algemeenheid van het lijden en de grootte van de geleden smart, hetgeen boven gezegd is (46e Kw. 5e en 6e Art.). En daarom was het lijden van Christus niet alleen een volwaardige, maar zelfs een overvolwaardige voldoening voor de zonden van het menselijk geslacht, overeenkomstig het woord in de Eerste Brief van Johannes (2. 2): "Hij is de verzoening voor onze zonden, echter niet alleen voor de onze, maar ook voor die van geheel de wereld".
B: (1John 2:2) [b:1John 2:2]
R: q. 46 a. 6[t:iiia q. 46 a. 6]
Mijn antwoord. In de eigenlijken zin voldoet iemand voor een beleediging, als hij aan de beledeigde datgene aanbiedt, wat hij evenzeer of nog meer liefheeft, dan hij de beleediging haat. Christus nu heeft door uit liefde en gehoorzaamheid te lijden aan God iets gegeven, dat groter was, dan hetgeen tot vereffening van geheel de beleediging van het menselijk geslacht geëischt werd. — Vooreerst om de grootte der liefde, waaruit zijn lijden voortkwam. — Ten tweede, om de waarde van zijn leven, dat Hij ter voldoening aflegde, hetgeen een leven was van een God en mens. — Ten derde, om de algemeenheid van het lijden en de grootte van de geleden smart, hetgeen boven gezegd is (46e Kw. 5e en 6e Art.). En daarom was het lijden van Christus niet alleen een volwaardige, maar zelfs een overvolwaardige voldoening voor de zonden van het menselijk geslacht, overeenkomstig het woord in de Eerste Brief van Johannes (2. 2): "Hij is de verzoening voor onze zonden, echter niet alleen voor de onze, maar ook voor die van geheel de wereld".
B: (1John 2:2) [b:1John 2:2]
R: q. 46 a. 6[t:iiia q. 46 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Het hoofd en de ledematen vormen a. h. w. één mystieke persoon. En daarom komt de voldoening van Christus toe aan alle gelovigen, als aan zijn ledematen. In zover ook twee mensen één zijn in liefde, kan de een voor de ander voldoen, zoals later zal blijken (Suppl. 13e Kw. 2e Art.). Dit zelfde gaat echter niet op voor de belijdenis en het berouw: de voldoening bestaat immers in een uitwendige daad, waarbij men instrumenten kan opnemen; waaronder zelfs de vrienden gerekend worden.
1e Weerlegging. Het hoofd en de ledematen vormen a. h. w. één mystieke persoon. En daarom komt de voldoening van Christus toe aan alle gelovigen, als aan zijn ledematen. In zover ook twee mensen één zijn in liefde, kan de een voor de ander voldoen, zoals later zal blijken (Suppl. 13e Kw. 2e Art.). Dit zelfde gaat echter niet op voor de belijdenis en het berouw: de voldoening bestaat immers in een uitwendige daad, waarbij men instrumenten kan opnemen; waaronder zelfs de vrienden gerekend worden.
Referenties naar deze alinea: 4
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=Dominus Iesus ->=geentekst=
Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=
Apostolorum Limina ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. De liefde van de lijdende Christus was groter dan de boosheid van die Hem kruisigden: en dus kon Christus door zijn lijden meer voldoening schenken, dan de kruisigers konden beleedigen door Hem te doden. En wel in die mate, dat het lijden van Christus voldoende was en overvloedig om te voldoen voor de zonden van die Hem doodden.
2e Weerlegging. De liefde van de lijdende Christus was groter dan de boosheid van die Hem kruisigden: en dus kon Christus door zijn lijden meer voldoening schenken, dan de kruisigers konden beleedigen door Hem te doden. En wel in die mate, dat het lijden van Christus voldoende was en overvloedig om te voldoen voor de zonden van die Hem doodden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De waarde van Christus’ vlees valt niet alleen af te meten naar zijn vleeselijke natuur, maar ook naar de persoon, die het aannam, in zoverre het nl. ’t vlees was van een God, waardoor het een oneindige waarde bezat.
3e Weerlegging. De waarde van Christus’ vlees valt niet alleen af te meten naar zijn vleeselijke natuur, maar ook naar de persoon, die het aannam, in zoverre het nl. ’t vlees was van een God, waardoor het een oneindige waarde bezat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Werkte het lijden van Christus bij wijze van sacrificie?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 73 a. 4 co.[t:iiia q. 73 a. 4 co.]
IIIa q. 48 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus niet werkte bij wijze van sacrificie. De werkelijkheid moet immers beantwoorden aan de voorafbeelding. Bij de offeranden echter der Oude Wet, die voorafbeeldingen waren van Christus, werd nooit mensenvlees geofferd; integendeel werden deze offers als zondig beschouwd, naar het woord van het Boek der Psalmen (105. 38): "Zij vergoten onschuldig bloed, 't bloed van hun zonen en dochters, die zij offerden aan de afgoden van Chanaan." Dus moet het lijden van Christus geen sacrificie genoemd worden.
B: (Ps 105:38) [b:Ps 105:38]
IIIa q. 73 a. 4 co.[t:iiia q. 73 a. 4 co.]
IIIa q. 48 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus niet werkte bij wijze van sacrificie. De werkelijkheid moet immers beantwoorden aan de voorafbeelding. Bij de offeranden echter der Oude Wet, die voorafbeeldingen waren van Christus, werd nooit mensenvlees geofferd; integendeel werden deze offers als zondig beschouwd, naar het woord van het Boek der Psalmen (105. 38): "Zij vergoten onschuldig bloed, 't bloed van hun zonen en dochters, die zij offerden aan de afgoden van Chanaan." Dus moet het lijden van Christus geen sacrificie genoemd worden.
B: (Ps 105:38) [b:Ps 105:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Augustinus zegt, dat "een zichtbare sacrifice een sacrament, d. i. een heilig teken, is van een onzichtbare sacrifice". Het lijden van Christus echter is geen teken, maar veeleer iets dat door andere tekenen betekend wordt. Dus was het lijden van Christus geen offerande.
Vervolgens. Augustinus zegt, dat "een zichtbare sacrifice een sacrament, d. i. een heilig teken, is van een onzichtbare sacrifice". Het lijden van Christus echter is geen teken, maar veeleer iets dat door andere tekenen betekend wordt. Dus was het lijden van Christus geen offerande.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Al wie een offer opdraagt, maakt iets heilig, zoals het woord sacrificie zelf zegt (1). Zij die Christus doodden, maakten echter niets heilig, maar bedreven een grote boosheid. Dus was het lijden van Christus eerder een misdaad dan een sacrificie.
Vervolgens. Al wie een offer opdraagt, maakt iets heilig, zoals het woord sacrificie zelf zegt (1). Zij die Christus doodden, maakten echter niets heilig, maar bedreven een grote boosheid. Dus was het lijden van Christus eerder een misdaad dan een sacrificie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Ephesiërs (5. 2): "Hij leverde zichzelf voor ons over als gave en offer, tot een lieflijke geur voor God."
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Ephesiërs (5. 2): "Hij leverde zichzelf voor ons over als gave en offer, tot een lieflijke geur voor God."
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 3 co.
Mijn antwoord. Een sacrificie in eigenlijke zin is iets, wat men verricht om aan God de Hem alleen verschuldigde eer te bewijzen en Hem te verzoenen. En daarom zegt Augustinus: "Een ware sacrificie is elk werk, dat gedaan wordt om in een heilige vereniging God aan te hangen, met het oog namelijk op dat goede doel, waardoor wij werkelijk gelukkig kunnen zijn." Zoals echter op diezelfde plaats gezegd wordt, heeft Christus "zichzelf voor ons bij zijn lijden opgedragen;» en het feit zelf, dat Hij vrijwillig het lijden verduurde, was God alleraangenaamst, in zover het namelijk volstrekt voortkwam uit liefde. Daarom is het duidelijk, dat het lijden van Christus een ware sacrificie was. En "de oude sacrificies der heiligen waren,» zoals hij later toevoegt in hetzelfde boek, "veelvuldige en verschillende tekenen van dit ware sacrificie; want dit ééne werd door vele afgebeeld, zoals met vele woorden één ding wordt gezegd, om er zonder weerzin te wekken, toch met nadruk de aandacht voor te vragen;» en "aangezien er in elk sacrificie vier zaken te beschouwen vallen,» zoals Augustinus zegt, namelijk "hij, aan wien wordt geofferd, hij, door wien wordt geofferd, dat wat geofferd wordt, en zij voor wie geofferd wordt, bleef Hij als een en dezelfde en als enige en ware Middelaar, die ons door zijn vredeoffer met God verzoende, één met Hem, aan wien Hij offerde; maakte Hij in zich hen één, voor wie Hij offerde; was Hij, die offerde en wat geofferd werd één en dezelfde."
Mijn antwoord. Een sacrificie in eigenlijke zin is iets, wat men verricht om aan God de Hem alleen verschuldigde eer te bewijzen en Hem te verzoenen. En daarom zegt Augustinus: "Een ware sacrificie is elk werk, dat gedaan wordt om in een heilige vereniging God aan te hangen, met het oog namelijk op dat goede doel, waardoor wij werkelijk gelukkig kunnen zijn." Zoals echter op diezelfde plaats gezegd wordt, heeft Christus "zichzelf voor ons bij zijn lijden opgedragen;» en het feit zelf, dat Hij vrijwillig het lijden verduurde, was God alleraangenaamst, in zover het namelijk volstrekt voortkwam uit liefde. Daarom is het duidelijk, dat het lijden van Christus een ware sacrificie was. En "de oude sacrificies der heiligen waren,» zoals hij later toevoegt in hetzelfde boek, "veelvuldige en verschillende tekenen van dit ware sacrificie; want dit ééne werd door vele afgebeeld, zoals met vele woorden één ding wordt gezegd, om er zonder weerzin te wekken, toch met nadruk de aandacht voor te vragen;» en "aangezien er in elk sacrificie vier zaken te beschouwen vallen,» zoals Augustinus zegt, namelijk "hij, aan wien wordt geofferd, hij, door wien wordt geofferd, dat wat geofferd wordt, en zij voor wie geofferd wordt, bleef Hij als een en dezelfde en als enige en ware Middelaar, die ons door zijn vredeoffer met God verzoende, één met Hem, aan wien Hij offerde; maakte Hij in zich hen één, voor wie Hij offerde; was Hij, die offerde en wat geofferd werd één en dezelfde."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Hoewel de werkelijkheid in een bepaald opzicht aan de voorafbeelding moet beantwoorden, is het toch niet noodig, dat zij in elk opzicht eraan beantwoordt, daar de werkelijkheid de figuur moet overtreffen. Een passende figuur dus van het sacrificie, waarin Christus’ vlees voor ons geofferd wordt, is het vlees niet van mensen, maar van andere dieren, die het vlees van Christus betekenden. Dit is het volmaaktste sacrificie. En wel vooreerst, omdat dit vlees, daar het vlees is van de menselijke natuur passend voor mensen geofferd wordt en door hen genuttigd in het Sacrament. — Ten tweede, omdat het krachtens het feit, dat het lijden kon en sterfelijk was, geschikt was tot slachtoffering. — Ten derde, omdat het krachtdadig was om van de zonden te reinigen, wijl het zelf zonder zonde was. — Ten vierde, omdat het ’t vlees was van de offeraar zelf, en daarom God aangenaam om de onuitsprekelijke liefde van Hem, die zijn vlees offerde. En daarom zegt Augustinus: "Wat wordt zo passend door de mensen genuttigd, wat ook voor hen geofferd, als menselijk vlees? En wat was zo geschikt voor deze slachtoffering, als sterfelijk vlees? En wat zo rein om de zonden der stervelingen te reinigen, als het vlees, dat zonder de besmetting der vleselijke begeerlijkheid in en uit een maagdelijke schoot ge- boren werd. En wat wordt zo welgevallig geofferd en genuttigd, als het vlees van ons sacrificie, het gevormde lichaam van onze Priester?"
1e Weerlegging. Hoewel de werkelijkheid in een bepaald opzicht aan de voorafbeelding moet beantwoorden, is het toch niet noodig, dat zij in elk opzicht eraan beantwoordt, daar de werkelijkheid de figuur moet overtreffen. Een passende figuur dus van het sacrificie, waarin Christus’ vlees voor ons geofferd wordt, is het vlees niet van mensen, maar van andere dieren, die het vlees van Christus betekenden. Dit is het volmaaktste sacrificie. En wel vooreerst, omdat dit vlees, daar het vlees is van de menselijke natuur passend voor mensen geofferd wordt en door hen genuttigd in het Sacrament. — Ten tweede, omdat het krachtens het feit, dat het lijden kon en sterfelijk was, geschikt was tot slachtoffering. — Ten derde, omdat het krachtdadig was om van de zonden te reinigen, wijl het zelf zonder zonde was. — Ten vierde, omdat het ’t vlees was van de offeraar zelf, en daarom God aangenaam om de onuitsprekelijke liefde van Hem, die zijn vlees offerde. En daarom zegt Augustinus: "Wat wordt zo passend door de mensen genuttigd, wat ook voor hen geofferd, als menselijk vlees? En wat was zo geschikt voor deze slachtoffering, als sterfelijk vlees? En wat zo rein om de zonden der stervelingen te reinigen, als het vlees, dat zonder de besmetting der vleselijke begeerlijkheid in en uit een maagdelijke schoot ge- boren werd. En wat wordt zo welgevallig geofferd en genuttigd, als het vlees van ons sacrificie, het gevormde lichaam van onze Priester?"
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Augustinus spreekt daar over de zichtbare voorafbeeldende sacrifices. En toch is ook het lijden van Christus, ofschoon het datgene is, wat door de andere voorafbeeldende sacrifices werd betekend, nog het teken van iets anders, waar wij aan denken moeten, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief van Petrus (4. 1, 2): "Daar Christus dan naar het vlees heeft geleden, moet ook gij u wapenen met dezelfde gedachte: wie lijdt naar het vlees, is los van de zonde; zoodat gij niet langer naar de lusten der mensen, maar naar de wil van God de tijd doorleeft, die u rest in het vlees."
B: (1Pet 4:1) [b:1Pet 4:1]
2e Weerlegging. Augustinus spreekt daar over de zichtbare voorafbeeldende sacrifices. En toch is ook het lijden van Christus, ofschoon het datgene is, wat door de andere voorafbeeldende sacrifices werd betekend, nog het teken van iets anders, waar wij aan denken moeten, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief van Petrus (4. 1, 2): "Daar Christus dan naar het vlees heeft geleden, moet ook gij u wapenen met dezelfde gedachte: wie lijdt naar het vlees, is los van de zonde; zoodat gij niet langer naar de lusten der mensen, maar naar de wil van God de tijd doorleeft, die u rest in het vlees."
B: (1Pet 4:1) [b:1Pet 4:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Het lijden van Christus was een misdaad van de kant der moordenaars, maar een sacrificie van de kant van Hem, die leed uit liefde. Daarom zeggen we ook dat Christus zelf dit sacrificie opdroeg, en niet zij, die Hem doodden.
3e Weerlegging. Het lijden van Christus was een misdaad van de kant der moordenaars, maar een sacrificie van de kant van Hem, die leed uit liefde. Daarom zeggen we ook dat Christus zelf dit sacrificie opdroeg, en niet zij, die Hem doodden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Heeft Christus’ lijden ons heil bewerkt bij wijze van loskoping?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 68 a. 5 co.[t:iiia q. 68 a. 5 co.]
IIIa q. 48 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil bewerkt heeft bij wijze van loskooping. Niemand immers koopt of koopt terug, wat niet heeft opgehouden zijn eigendom te zijn. De mensen nu hebben nooit opgehouden van God te zijn, naar het woord van het Boek der Psalmen (23. 1): "Van de Heer is de aarde en hare volheid, het aardrijk en al zijn bewoners." Dus heeft Christus ons niet losgekocht door zijn lijden.
B: (Ps 23:1) [b:Ps 23:1]
IIIa q. 68 a. 5 co.[t:iiia q. 68 a. 5 co.]
IIIa q. 48 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil bewerkt heeft bij wijze van loskooping. Niemand immers koopt of koopt terug, wat niet heeft opgehouden zijn eigendom te zijn. De mensen nu hebben nooit opgehouden van God te zijn, naar het woord van het Boek der Psalmen (23. 1): "Van de Heer is de aarde en hare volheid, het aardrijk en al zijn bewoners." Dus heeft Christus ons niet losgekocht door zijn lijden.
B: (Ps 23:1) [b:Ps 23:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Zoals Augustinus zegt, "moest de duivel door Christus in rechtvaardigheid overwonnen worden." De rechtvaardigheid echter eist, dat hij die bedriegelijk zich vergrijpt aan het bezit van een ander, daarvan moet beroofd worden, wijl "bedrog en list niemand tot voordeel mag zijn", zoals ook het menselijk recht zegt. Daar derhalve de duivel een schepsel van God, nl. de mens, met list bedrogen en aan zich onderworpen had, moest de mens niet bij wijze van loskooping uit zijn macht bevrijd worden.
Vervolgens. Zoals Augustinus zegt, "moest de duivel door Christus in rechtvaardigheid overwonnen worden." De rechtvaardigheid echter eist, dat hij die bedriegelijk zich vergrijpt aan het bezit van een ander, daarvan moet beroofd worden, wijl "bedrog en list niemand tot voordeel mag zijn", zoals ook het menselijk recht zegt. Daar derhalve de duivel een schepsel van God, nl. de mens, met list bedrogen en aan zich onderworpen had, moest de mens niet bij wijze van loskooping uit zijn macht bevrijd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Al wie iets koopt of terugkoopt, betaalt de prijs aan hem, aan wie dat ding toekomt. Christus heeft echter zijn bloed, dat wij de prijs onzer verlossing noemen, niet aan de duivel betaald, die ons gevangen hield. Dus heeft Christus ons niet door zijn lijden losgekocht.
Vervolgens. Al wie iets koopt of terugkoopt, betaalt de prijs aan hem, aan wie dat ding toekomt. Christus heeft echter zijn bloed, dat wij de prijs onzer verlossing noemen, niet aan de duivel betaald, die ons gevangen hield. Dus heeft Christus ons niet door zijn lijden losgekocht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter 't gezegde uit de Eerste Brief van Petrus (1. 18, 19): "Gij zijt niet met vergankelijk zilver of goud losgekocht uit uw ijdele levenswandel, die afkomstig is van uw vaders, maar door het kostbaar bloed van Christus, als van een lam zonder vlek of gebrek;" en in de Brief aan de Galaten (3. 13): "Christus heeft ons losgekocht van de vloek der Wet, door voor ons tot vloek te worden." Wij nu zeggen, dat Hij voor ons tot vloek geworden is, in zover Hij leed aan een kruis, zoals boven gezegd is (46° Kw. 4° Art. 3° Antw.). Dus heeft Hij ons door zijn lijden vrijgekocht.
B: (Gal 3:13) [b:Gal 3:13] (1Pet 1:18) [b:1Pet 1:18]
R: q. 46 a. 4[t:iiia q. 46 a. 4]
Daartegenover staat echter 't gezegde uit de Eerste Brief van Petrus (1. 18, 19): "Gij zijt niet met vergankelijk zilver of goud losgekocht uit uw ijdele levenswandel, die afkomstig is van uw vaders, maar door het kostbaar bloed van Christus, als van een lam zonder vlek of gebrek;" en in de Brief aan de Galaten (3. 13): "Christus heeft ons losgekocht van de vloek der Wet, door voor ons tot vloek te worden." Wij nu zeggen, dat Hij voor ons tot vloek geworden is, in zover Hij leed aan een kruis, zoals boven gezegd is (46° Kw. 4° Art. 3° Antw.). Dus heeft Hij ons door zijn lijden vrijgekocht.
B: (Gal 3:13) [b:Gal 3:13] (1Pet 1:18) [b:1Pet 1:18]
R: q. 46 a. 4[t:iiia q. 46 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 4 co.
Mijn antwoord. Door de zonde was de mens op een dubbele wijze belast. Vooreerst door de slavernij der zonde, want "wie zonde doet, is slaaf der zonde,» zoals gezegd wordt in Joannes (8. 34), en in de Tweede Brief van Petrus (2. 19): "Door wie iemand overwonnen wordt, van hem is hij de slaaf.» Daar dus de duivel de mens overwonnen had door hem tot zonde te verleiden, was de mens prijsgegeven aan de slavernij van de duivel. — Ten tweede door de strafschuldigheid, waarmee de mens belast was krachtens Gods rechtvaardigheid. En ook dit is een zekere slavernij: want het valt onder slavernij als iemand ondergaat wat hij niet wil, daar het eigen is aan een vrij mens met zichzelf te doen, zoals hij wil. Omdat nu het lijden van Christus een evenwaardige en overvloedige voldoening was voor de zonde en voor de strafschuldigheid van het menselijk geslacht, was zijn lijden als een prijs, waarmee wij vrijgemaakt zijn van beide lasten. Want de voldoening zelf, waarmee iemand voldoet naar zichzelf of voor een ander, noemen we een prijs, waarvoor hij zichzelf vrijkoopt van zonde en straf; naar het woord van Daniël (4. 24): "Koop uw zonden af met almoezen.» Christus echter heeft voldaan, niet door geld te geven of iets dergelijks, maar door voor ons te geven, wat het grootste was, namelijk zichzelf. En daarom wordt het lijden van Christus onze loskooping genoemd.
B: (John 8:34, John 8:34) [b:John 8:34] (2Pet 2:19) [b:2Pet 2:19]
Mijn antwoord. Door de zonde was de mens op een dubbele wijze belast. Vooreerst door de slavernij der zonde, want "wie zonde doet, is slaaf der zonde,» zoals gezegd wordt in Joannes (8. 34), en in de Tweede Brief van Petrus (2. 19): "Door wie iemand overwonnen wordt, van hem is hij de slaaf.» Daar dus de duivel de mens overwonnen had door hem tot zonde te verleiden, was de mens prijsgegeven aan de slavernij van de duivel. — Ten tweede door de strafschuldigheid, waarmee de mens belast was krachtens Gods rechtvaardigheid. En ook dit is een zekere slavernij: want het valt onder slavernij als iemand ondergaat wat hij niet wil, daar het eigen is aan een vrij mens met zichzelf te doen, zoals hij wil. Omdat nu het lijden van Christus een evenwaardige en overvloedige voldoening was voor de zonde en voor de strafschuldigheid van het menselijk geslacht, was zijn lijden als een prijs, waarmee wij vrijgemaakt zijn van beide lasten. Want de voldoening zelf, waarmee iemand voldoet naar zichzelf of voor een ander, noemen we een prijs, waarvoor hij zichzelf vrijkoopt van zonde en straf; naar het woord van Daniël (4. 24): "Koop uw zonden af met almoezen.» Christus echter heeft voldaan, niet door geld te geven of iets dergelijks, maar door voor ons te geven, wat het grootste was, namelijk zichzelf. En daarom wordt het lijden van Christus onze loskooping genoemd.
B: (John 8:34, John 8:34) [b:John 8:34] (2Pet 2:19) [b:2Pet 2:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Op een dubbele titel zeggen we, dat de mens iets van God is. — Vooreerst in zover hij aan zijn macht onderworpen is. En op deze wijze heeft de mens nooit opgehouden iets van God te zijn, naar het woord van Daniël (4. 22, 29): "De Verhevene heerst over het rijk der mensen, en Hij zal het geven aan wie Hij wil." — Op de tweede wijze door een liefdesvereniging met Hem, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8. 9): "Indien iemand niet de geest van Christus heeft, dan is hij niet van Hem." Op de eerste wijze nu heeft de mens nooit opgehouden iets van God te zijn. Maar hij heeft opgehouden op de tweede wijze aan God te behoren door de zonde. En in zover hij dus van de zonde bevrijd is door het voldoeningbrengend lijden van Christus, zeggen wij dat hij door het lijden van Christus is vrijgekocht.
B: (Dan 4:24) [b:Dan 4:24]
1e Weerlegging. Op een dubbele titel zeggen we, dat de mens iets van God is. — Vooreerst in zover hij aan zijn macht onderworpen is. En op deze wijze heeft de mens nooit opgehouden iets van God te zijn, naar het woord van Daniël (4. 22, 29): "De Verhevene heerst over het rijk der mensen, en Hij zal het geven aan wie Hij wil." — Op de tweede wijze door een liefdesvereniging met Hem, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8. 9): "Indien iemand niet de geest van Christus heeft, dan is hij niet van Hem." Op de eerste wijze nu heeft de mens nooit opgehouden iets van God te zijn. Maar hij heeft opgehouden op de tweede wijze aan God te behoren door de zonde. En in zover hij dus van de zonde bevrijd is door het voldoeningbrengend lijden van Christus, zeggen wij dat hij door het lijden van Christus is vrijgekocht.
B: (Dan 4:24) [b:Dan 4:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Door te zondigen had de mens zich plichtig gemaakt tegenover God en de duivel. Immers wat de schuld betreft, had hij God beleedigd, en zich aan de duivel ondergeschikt gemaakt door hem toe te stemmen. Daarom was hij door de schuld niet slaaf van God geworden, maar was hij eerder van de dienst van God afgeweken en de slavernij van de duivel ingelopen, terwijl God dit rechtmatig toeliet om de beleediging Hem aangedaan. Maar wat de straf betreft stond de mens voornamelijk schuldig tegenover God als tegenover de opperste rechter, tegenover de duivel echter als tegenover zijn kwelgeest naar het woord van Mattheus (5. 25): "Opdat uw tegenstander u soms niet overlevere aan de rechter en de rechter u overgeve aan de dienaar" d. i. "aan de wrede strafengel" zoals Chrysostomus zegt. Ofschoon dus de duivel voor zover het aan hem lag, onrechtmatig de mens, door zijn list misleid, in slavernij hield, zowel wat de schuld als wat de straf betreft, was het toch rechtmatig, dat de mens dit leed, terwijl God dit toeliet wat de schuld betreft en dit verordende wat betreft de straf. En derhalve eiste de rechtvaardigheid, dat de mens werd vrijgekocht tegenover God, niet echter wat betreft de duivel.
B: (Dan 4:22) [b:Dan 4:22] (Rom 8:9) [b:Rom 8:9]
2e Weerlegging. Door te zondigen had de mens zich plichtig gemaakt tegenover God en de duivel. Immers wat de schuld betreft, had hij God beleedigd, en zich aan de duivel ondergeschikt gemaakt door hem toe te stemmen. Daarom was hij door de schuld niet slaaf van God geworden, maar was hij eerder van de dienst van God afgeweken en de slavernij van de duivel ingelopen, terwijl God dit rechtmatig toeliet om de beleediging Hem aangedaan. Maar wat de straf betreft stond de mens voornamelijk schuldig tegenover God als tegenover de opperste rechter, tegenover de duivel echter als tegenover zijn kwelgeest naar het woord van Mattheus (5. 25): "Opdat uw tegenstander u soms niet overlevere aan de rechter en de rechter u overgeve aan de dienaar" d. i. "aan de wrede strafengel" zoals Chrysostomus zegt. Ofschoon dus de duivel voor zover het aan hem lag, onrechtmatig de mens, door zijn list misleid, in slavernij hield, zowel wat de schuld als wat de straf betreft, was het toch rechtmatig, dat de mens dit leed, terwijl God dit toeliet wat de schuld betreft en dit verordende wat betreft de straf. En derhalve eiste de rechtvaardigheid, dat de mens werd vrijgekocht tegenover God, niet echter wat betreft de duivel.
B: (Dan 4:22) [b:Dan 4:22] (Rom 8:9) [b:Rom 8:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Omdat vrijkooping werd vereist tot bevrijding van de mens, tegenover God en niet met betrekking tot de duivel, moest de prijs niet betaald worden aan de duivel, maar aan God. En daarom zeggen wij niet dat Christus zijn bloed, dat de prijs onzer verlossing is, opdroeg aan de duivel, maar aan God.
B: (Matt 5:25) [b:Matt 5:25]
3e Weerlegging. Omdat vrijkooping werd vereist tot bevrijding van de mens, tegenover God en niet met betrekking tot de duivel, moest de prijs niet betaald worden aan de duivel, maar aan God. En daarom zeggen wij niet dat Christus zijn bloed, dat de prijs onzer verlossing is, opdroeg aan de duivel, maar aan God.
B: (Matt 5:25) [b:Matt 5:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Is het verlosser zijn het eigene van Christus?
IIIa q. 48 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het verlosser-zijn niet het eigene van Christus is. In het Boek der Psalmen (30. 6) wordt immers gezegd: "Gij hebt mij verlost, Heer, God der waarheid.» Maar aan de gehele Drievuldigheid komt het toe Heer, God der waarheid te zijn. Dus is het niet het eigene van Christus.
B: (Ps 30:6) [b:Ps 30:6]
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het verlosser-zijn niet het eigene van Christus is. In het Boek der Psalmen (30. 6) wordt immers gezegd: "Gij hebt mij verlost, Heer, God der waarheid.» Maar aan de gehele Drievuldigheid komt het toe Heer, God der waarheid te zijn. Dus is het niet het eigene van Christus.
B: (Ps 30:6) [b:Ps 30:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Vrijkopen doet hij, die de prijs betaalt. God de Vader nu gaf zijn Zoon tot verlossing voor onze zonden, zoals er staat in het Boek der Psalmen (110. 9): "De Heer zond verlossing aan zijn volk." En de Glossa zegt: "d. i. Christus, die verlossing schenkt aan de gevangenen." Dus heeft niet alleen Christus, maar ook God de Vader ons verlost.
B: (Ps 110, Ps 110:9) [b:Ps 110]
Vervolgens. Vrijkopen doet hij, die de prijs betaalt. God de Vader nu gaf zijn Zoon tot verlossing voor onze zonden, zoals er staat in het Boek der Psalmen (110. 9): "De Heer zond verlossing aan zijn volk." En de Glossa zegt: "d. i. Christus, die verlossing schenkt aan de gevangenen." Dus heeft niet alleen Christus, maar ook God de Vader ons verlost.
B: (Ps 110, Ps 110:9) [b:Ps 110]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Niet alleen het lijden van Christus, maar ook dat der andere heiligen droeg bij tot ons heil: zoals staat in de Brief aan de Colossensen (1. 24): "Ik verheug mij in mijn lijden voor u en ik vul aan in mijn vlees, wat aan Christus' lijden ontbreekt ten bate van zijn Lichaam, de Kerk." Dus moet niet alleen Christus verlosser genoemd worden, maar ook de andere heiligen.
B: (Col 1:24) [b:Col 1:24]
Vervolgens. Niet alleen het lijden van Christus, maar ook dat der andere heiligen droeg bij tot ons heil: zoals staat in de Brief aan de Colossensen (1. 24): "Ik verheug mij in mijn lijden voor u en ik vul aan in mijn vlees, wat aan Christus' lijden ontbreekt ten bate van zijn Lichaam, de Kerk." Dus moet niet alleen Christus verlosser genoemd worden, maar ook de andere heiligen.
B: (Col 1:24) [b:Col 1:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter het gezegde in de Brief aan de Galaten (3. 13): "Christus heeft ons verlost van de vloek der Wet, door voor ons tot vloek te worden." Doch alleen Christus is voor ons tot vloek geworden. Dus moet alleen Christus onze verlosser genoemd worden.
B: (Gal 3:13) [b:Gal 3:13]
Daartegenover staat echter het gezegde in de Brief aan de Galaten (3. 13): "Christus heeft ons verlost van de vloek der Wet, door voor ons tot vloek te worden." Doch alleen Christus is voor ons tot vloek geworden. Dus moet alleen Christus onze verlosser genoemd worden.
B: (Gal 3:13) [b:Gal 3:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 5 co.
Mijn antwoord. Opdat iemand iets loskoopt, worden van hem twee dingen gevraagd, namelijk betalen en de betaalde prijs. Want wanneer iemand voor de vrijkooping van iets een prijs betaalt, die niet van hem is, maar van een ander, dan noemen wij hem niet op de eerste plaats vrijkoper, maar eerder hem, van wie de prijs is. De prijs nu van onze verlossing is het bloed van Christus, of zijn lichamelijk leven, dat in het bloed is, en dit heeft Christus betaald. Dus ieder van die twee komt onmiddellijk toe aan Christus in zover hij mens is; maar aan de gehele Drieënheid als aan de eerste en verwijderde oorzaak, van wie ook Christus’ leven zelf was, als van de eerste veroorzaker, en door wie ook de mens Christus het verlangen was ingestort, om voor ons te lijden. En derhalve is het eigen aan Christus als mens om onmiddellijk verlosser te zijn; ofschoon de verlossing zelf toegeschreven kan worden aan de gehele Drieënheid, als aan de eerste oorzaak.
B: (Lev 17:11) [b:Lev 17:11] (Lev 17:14) [b:Lev 17:14]
Mijn antwoord. Opdat iemand iets loskoopt, worden van hem twee dingen gevraagd, namelijk betalen en de betaalde prijs. Want wanneer iemand voor de vrijkooping van iets een prijs betaalt, die niet van hem is, maar van een ander, dan noemen wij hem niet op de eerste plaats vrijkoper, maar eerder hem, van wie de prijs is. De prijs nu van onze verlossing is het bloed van Christus, of zijn lichamelijk leven, dat in het bloed is, en dit heeft Christus betaald. Dus ieder van die twee komt onmiddellijk toe aan Christus in zover hij mens is; maar aan de gehele Drieënheid als aan de eerste en verwijderde oorzaak, van wie ook Christus’ leven zelf was, als van de eerste veroorzaker, en door wie ook de mens Christus het verlangen was ingestort, om voor ons te lijden. En derhalve is het eigen aan Christus als mens om onmiddellijk verlosser te zijn; ofschoon de verlossing zelf toegeschreven kan worden aan de gehele Drieënheid, als aan de eerste oorzaak.
B: (Lev 17:11) [b:Lev 17:11] (Lev 17:14) [b:Lev 17:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De Glossa verklaart dit aldus: "Gij, Heer, God der waarheid, Gij hebt mij vrijgekocht in Christus, die uitriep: In uw handen, Heer, beveel Ik mijn geest." En zo behoort de verlossing onmiddellijk aan de mens Christus, op de eerste plaats echter aan God.
1e Weerlegging. De Glossa verklaart dit aldus: "Gij, Heer, God der waarheid, Gij hebt mij vrijgekocht in Christus, die uitriep: In uw handen, Heer, beveel Ik mijn geest." En zo behoort de verlossing onmiddellijk aan de mens Christus, op de eerste plaats echter aan God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. De prijs van onze verlossing heeft Christus onmiddellijk betaald, maar in opdracht van de Vader, als de eerste bewerker.
2e Weerlegging. De prijs van onze verlossing heeft Christus onmiddellijk betaald, maar in opdracht van de Vader, als de eerste bewerker.
Referenties naar deze alinea: 1
God heeft ons door Christus met Zich verzoend ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Het lijden der heiligen komt de Kerk ten goede, niet echter bij wijze van verlossing, maar bij wijze van voorbeeld en aansporing, naar het woord in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (1. 6): "Hetzij wij worden gekweld, het is tot uw aansporing en heil."
B: (2Cor 1:6) [b:2Cor 1:6]
3e Weerlegging. Het lijden der heiligen komt de Kerk ten goede, niet echter bij wijze van verlossing, maar bij wijze van voorbeeld en aansporing, naar het woord in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (1. 6): "Hetzij wij worden gekweld, het is tot uw aansporing en heil."
B: (2Cor 1:6) [b:2Cor 1:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Heeft het lijden van Christus ons heil veroorzaakt op uitwerkende wijze?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 56 a. 1 ad 3
IIIa q. 62 a. 5 co.
IIIa q. 64 a. 3 co.
IIIa q. 78 a. 4 co.[t:iiia q. 56 a. 1 ad 3][t:iiia q. 62 a. 5 co.][t:iiia q. 64 a. 3 co.][t:iiia q. 78 a. 4 co.]
IIIa q. 48 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil heeft veroorzaakt op uitwerkende wijze. De uitwerkende oorzaak immers van ons heil is de grootheid der goddelijke kracht, volgens het woord van Isaïas (59. 1): "Zie, zijn arm is niet verkort, dat Hij niet zou kunnen redden." Christus echter "is in zwakheid gekruisigd," zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (13. 4). Dus heeft het lijden van Christus niet op uitwerkende wijze ons heil bewerkt.
B: (Isa 59:1) [b:Isa 59:1] (2Cor 13:4) [b:2Cor 13:4]
IIIa q. 56 a. 1 ad 3
IIIa q. 62 a. 5 co.
IIIa q. 64 a. 3 co.
IIIa q. 78 a. 4 co.[t:iiia q. 56 a. 1 ad 3][t:iiia q. 62 a. 5 co.][t:iiia q. 64 a. 3 co.][t:iiia q. 78 a. 4 co.]
IIIa q. 48 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het lijden van Christus niet ons heil heeft veroorzaakt op uitwerkende wijze. De uitwerkende oorzaak immers van ons heil is de grootheid der goddelijke kracht, volgens het woord van Isaïas (59. 1): "Zie, zijn arm is niet verkort, dat Hij niet zou kunnen redden." Christus echter "is in zwakheid gekruisigd," zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (13. 4). Dus heeft het lijden van Christus niet op uitwerkende wijze ons heil bewerkt.
B: (Isa 59:1) [b:Isa 59:1] (2Cor 13:4) [b:2Cor 13:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Niets dat lichamelijk werkt, werkt op uitwerkende wijze, tenzij door contact: vandaar dat ook Christus de melaatsen reinigde door hen aan te raken "om aan te tonen, dat zijn vlees een heilzame kracht bezat," zoals Chrysostomus zegt. Maar het lijden van Christus kon niet alle mensen raken. Dus kon het niet op uitwerkende wijze het heil van alle mensen bewerken.
Vervolgens. Niets dat lichamelijk werkt, werkt op uitwerkende wijze, tenzij door contact: vandaar dat ook Christus de melaatsen reinigde door hen aan te raken "om aan te tonen, dat zijn vlees een heilzame kracht bezat," zoals Chrysostomus zegt. Maar het lijden van Christus kon niet alle mensen raken. Dus kon het niet op uitwerkende wijze het heil van alle mensen bewerken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Een en dezelfde kan niet werken op verdienende en uitwerkende wijze, daar hij, die verdient, het effect verwacht uit handen de van een ander. Christus’ lijden echter bewerkte ons heil bij wijze van verdienste. Dus niet op uitwerkende wijze.
Vervolgens. Een en dezelfde kan niet werken op verdienende en uitwerkende wijze, daar hij, die verdient, het effect verwacht uit handen de van een ander. Christus’ lijden echter bewerkte ons heil bij wijze van verdienste. Dus niet op uitwerkende wijze.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (1. 18), dat "de prediking van het kruis voor hen, die behouden worden, een kracht Gods is." De kracht Gods bewerkt echter op uitwerkende wijze ons heil. Dus heeft het lijden van Christus op het kruis ons heil bewerkt op uitwerkende wijze.
B: (1Cor 1:18) [b:1Cor 1:18]
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (1. 18), dat "de prediking van het kruis voor hen, die behouden worden, een kracht Gods is." De kracht Gods bewerkt echter op uitwerkende wijze ons heil. Dus heeft het lijden van Christus op het kruis ons heil bewerkt op uitwerkende wijze.
B: (1Cor 1:18) [b:1Cor 1:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 6 co.
Mijn antwoord. Er is een dubbele uitwerkende oorzaak, de hoofdoorzaak en de werktuigelijke oorzaak. De hoofdoorzaak nu van het heil der mensen is God. — Daar echter de mensheid van Christus het "instrument der Godheid" is, zoals boven werd gezegd (43° Kw. 2° Art.) daarom werken bijgevolg alle handelingen en al het lijden van Christus tot het heil der mensen in de kracht der Godheid. En op deze wijze veroorzaakt het lijden van Christus het heil der mensen op uitwerkende wijze.
R: q. 43 a. 2[t:iiia q. 43 a. 2]
Mijn antwoord. Er is een dubbele uitwerkende oorzaak, de hoofdoorzaak en de werktuigelijke oorzaak. De hoofdoorzaak nu van het heil der mensen is God. — Daar echter de mensheid van Christus het "instrument der Godheid" is, zoals boven werd gezegd (43° Kw. 2° Art.) daarom werken bijgevolg alle handelingen en al het lijden van Christus tot het heil der mensen in de kracht der Godheid. En op deze wijze veroorzaakt het lijden van Christus het heil der mensen op uitwerkende wijze.
R: q. 43 a. 2[t:iiia q. 43 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Het lijden van Christus, met betrekking tot het vlees van Christus, was in overeenstemming met de zwakheid, die Hij op zich nam; met betrekking tot de Godheid echter volgde daaruit een oneindige kracht, volgens het woord in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (1. 25): "Het zwakke van God is sterker dan de mensen." Want zelf de zwakte van Christus bezit, in zover zij van God is, een kracht, die elke menselijke kracht overtreft.
B: (1Cor 1:25) [b:1Cor 1:25]
1e Weerlegging. Het lijden van Christus, met betrekking tot het vlees van Christus, was in overeenstemming met de zwakheid, die Hij op zich nam; met betrekking tot de Godheid echter volgde daaruit een oneindige kracht, volgens het woord in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (1. 25): "Het zwakke van God is sterker dan de mensen." Want zelf de zwakte van Christus bezit, in zover zij van God is, een kracht, die elke menselijke kracht overtreft.
B: (1Cor 1:25) [b:1Cor 1:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Ofschoon het lijden van Christus lichamelijk is, heeft het toch een geestelijke kracht van wege de Godheid, waarmee het verenigd is. En daarom bewerkt het een effect door geestelijk contact, namelijk door het geloof en de sacramenten van het geloof, naar het woord van de Apostel in de Brief aan de Romeinen (3. 25): "Dien God heeft gesteld tot Verzoener door het geloof in zijn bloed."
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
2e Weerlegging. Ofschoon het lijden van Christus lichamelijk is, heeft het toch een geestelijke kracht van wege de Godheid, waarmee het verenigd is. En daarom bewerkt het een effect door geestelijk contact, namelijk door het geloof en de sacramenten van het geloof, naar het woord van de Apostel in de Brief aan de Romeinen (3. 25): "Dien God heeft gesteld tot Verzoener door het geloof in zijn bloed."
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 48 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Het lijden van Christus in verhouding tot zijn Godheid genomen, werkt op uitwerkende wijze; in zover het echter genomen wordt in verhouding tot de wil van Christus’ ziel, werkt het verdienende wijze; in zover het echter beschouwd wordt in Christus’ vlees zelf, werkt het op voldoenende wijze, in zover wij daar door bevrijd worden van de strafschuld; op verlossende wijze, in zover wij er door bevrijd worden van de zondeslavernij; bij wijze van sacrificie echter, in zoverre wij er door met God verzoend worden, zoals later gezegd zal worden (vlg. Kw.).
R: q. 49[t:iiia q. 49]
3e Weerlegging. Het lijden van Christus in verhouding tot zijn Godheid genomen, werkt op uitwerkende wijze; in zover het echter genomen wordt in verhouding tot de wil van Christus’ ziel, werkt het verdienende wijze; in zover het echter beschouwd wordt in Christus’ vlees zelf, werkt het op voldoenende wijze, in zover wij daar door bevrijd worden van de strafschuld; op verlossende wijze, in zover wij er door bevrijd worden van de zondeslavernij; bij wijze van sacrificie echter, in zoverre wij er door met God verzoend worden, zoals later gezegd zal worden (vlg. Kw.).
R: q. 49[t:iiia q. 49]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 49: Over de gevolgen van Christus’ lijden
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 48 a. 6 ad 3[t:iiia q. 48 a. 6 ad 3]
IIIa q. 49 pr.
Hierna moeten de gevolgen van Christus’ lijden behandeld worden; en aangaande dit punt stellen we zes vragen:
1. Zijn wij door het lijden van Christus van de zonde verlost?
2. Zijn wij er door bevrijd uit de macht van de duivel?
3. Zijn wij er door verlost van de strafschuldigheid?
4. Zijn wij er door met God verzoend?
5. Is ons daardoor de deur des hemels geopend?
6. Heeft Christus daardoor zijn verheffing verkregen?
IIIa q. 48 a. 6 ad 3[t:iiia q. 48 a. 6 ad 3]
IIIa q. 49 pr.
Hierna moeten de gevolgen van Christus’ lijden behandeld worden; en aangaande dit punt stellen we zes vragen:
1. Zijn wij door het lijden van Christus van de zonde verlost?
2. Zijn wij er door bevrijd uit de macht van de duivel?
3. Zijn wij er door verlost van de strafschuldigheid?
4. Zijn wij er door met God verzoend?
5. Is ons daardoor de deur des hemels geopend?
6. Heeft Christus daardoor zijn verheffing verkregen?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Zijn wij door het lijden van Christus verlost?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 46 a. 3 co.
IIIa q. 49 a. 2 co.
IIIa q. 49 a. 3 ad 3
IIIa q. 52 a. 1 arg. 2
IIIa q. 52 a. 5 arg. 3
IIIa q. 52 a. 5 co.
IIIa q. 53 a. 1 arg. 3
IIIa q. 62 a. 5 co.
IIIa q. 64 a. 3 co.[t:iiia q. 46 a. 3 co.][t:iiia q. 49 a. 2 co.][t:iiia q. 49 a. 3 ad 3][t:iiia q. 52 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 52 a. 5 arg. 3][t:iiia q. 52 a. 5 co.][t:iiia q. 53 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 62 a. 5 co.][t:iiia q. 64 a. 3 co.]
IIIa q. 49 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat wij niet door het lijden van Christus verlost zijn. Van zonden verlossen kan alleen God, zoals staat in Isaïas (43.25): "Ik ben het, die ter wille van Mijzelf uwe ongerechtigheden wegvaag." Christus echter heeft niet als God maar als mens geleden. Dus zijn wij door het lijden van Christus niet van de zonde verlost.
B: (Isa 43:25) [b:Isa 43:25]
IIIa q. 46 a. 3 co.
IIIa q. 49 a. 2 co.
IIIa q. 49 a. 3 ad 3
IIIa q. 52 a. 1 arg. 2
IIIa q. 52 a. 5 arg. 3
IIIa q. 52 a. 5 co.
IIIa q. 53 a. 1 arg. 3
IIIa q. 62 a. 5 co.
IIIa q. 64 a. 3 co.[t:iiia q. 46 a. 3 co.][t:iiia q. 49 a. 2 co.][t:iiia q. 49 a. 3 ad 3][t:iiia q. 52 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 52 a. 5 arg. 3][t:iiia q. 52 a. 5 co.][t:iiia q. 53 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 62 a. 5 co.][t:iiia q. 64 a. 3 co.]
IIIa q. 49 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat wij niet door het lijden van Christus verlost zijn. Van zonden verlossen kan alleen God, zoals staat in Isaïas (43.25): "Ik ben het, die ter wille van Mijzelf uwe ongerechtigheden wegvaag." Christus echter heeft niet als God maar als mens geleden. Dus zijn wij door het lijden van Christus niet van de zonde verlost.
B: (Isa 43:25) [b:Isa 43:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Het lichamelijke werkt niet in op het geestelijke. Het lijden van Christus nu is lichamelijk; de zonde daarentegen is enkel in de ziel, die een geestelijk schepsel is. Dus kon het lijden van Christus ons niet zuiveren van de zonde.
Vervolgens. Het lichamelijke werkt niet in op het geestelijke. Het lijden van Christus nu is lichamelijk; de zonde daarentegen is enkel in de ziel, die een geestelijk schepsel is. Dus kon het lijden van Christus ons niet zuiveren van de zonde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Niemand kan bevrijd worden van de zonde, die hij nog niet heeft bedreven, maar die hij nog in de toekomst begaan zal. Daar nu vele zonden na het lijden van Christus zijn bedreven en de gehele dag bedreven worden, zijn wij niet door het lijden van Christus verlost van de zonde.
Vervolgens. Niemand kan bevrijd worden van de zonde, die hij nog niet heeft bedreven, maar die hij nog in de toekomst begaan zal. Daar nu vele zonden na het lijden van Christus zijn bedreven en de gehele dag bedreven worden, zijn wij niet door het lijden van Christus verlost van de zonde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Wanneer eenmaal een afdoende oorzaak wordt gesteld, wordt niets anders meer vereist om het effect voort te brengen. Maar voor de vergiffenis der zonden worden nog andere dingen vereist: namelijk het doopsel en de biecht. Dus is het lijden van Christus geen voldoende oorzaak van de vergiffenis der zonden.
Vervolgens. Wanneer eenmaal een afdoende oorzaak wordt gesteld, wordt niets anders meer vereist om het effect voort te brengen. Maar voor de vergiffenis der zonden worden nog andere dingen vereist: namelijk het doopsel en de biecht. Dus is het lijden van Christus geen voldoende oorzaak van de vergiffenis der zonden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 1 arg. 5
Vervolgens. In het Boek der Spreuken (10. 12) wordt gezegd: "De liefde bedekt alle zonden," en verderop (15. 27) wordt gezegd: "De zonden worden uitgewist door barmhartigheid en geloof." Nu zijn er vele andere dingen, die wij geloven en die de liefde wakker roepen. Derhalve is het lijden van Christus niet de eigenlijke oorzaak van de vergiffenis der zonden.
B: (Prov 10:12) [b:Prov 10:12] (Prov 15:27) [b:Prov 15:27]
Vervolgens. In het Boek der Spreuken (10. 12) wordt gezegd: "De liefde bedekt alle zonden," en verderop (15. 27) wordt gezegd: "De zonden worden uitgewist door barmhartigheid en geloof." Nu zijn er vele andere dingen, die wij geloven en die de liefde wakker roepen. Derhalve is het lijden van Christus niet de eigenlijke oorzaak van de vergiffenis der zonden.
B: (Prov 10:12) [b:Prov 10:12] (Prov 15:27) [b:Prov 15:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in het Boek der Openbaring (1. 5): "Hij heeft ons liefgehad en ons van onze zonden rein gewassen in zijn bloed."
B: (Rev 1:5) [b:Rev 1:5]
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in het Boek der Openbaring (1. 5): "Hij heeft ons liefgehad en ons van onze zonden rein gewassen in zijn bloed."
B: (Rev 1:5) [b:Rev 1:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 1 co.
Mijn antwoord. Het lijden van Christus is op drievoudige wijze eigenlijke oorzaak van de vergiffenis der zonden. — Vooreerst door aan te sporen tot liefde, want "God bewijst zijn liefde voor ons," zoals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5. 8, 9), "doordat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren." Door de liefde nu verkrijgen wij vergiffenis der zonden, zoals staat bij Lucas (7. 27): "Vele zonden zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefgehad." — Ten tweede veroorzaakt het lijden van Christus de vergiffenis der zonden op verlossende wijze. Want daar Hij het Hoofd is, heeft Hij door zijn lijden uit liefde en gehoorzaamheid te verduren, ons als zijn ledematen van de zonden bevrijd, als door de prijs van zijn lijden; evenals de mens door een verdienstelijk werk, dat hij met de hand verricht, zich vrij zou maken van de zonde, die hij met zijn voeten bedreven had. Zoals immers het natuurlijke lichaam een eenheid vormt, bestaande uit verscheidene ledematen, zo wordt ook de Kerk, die het mystieke lichaam van Christus is, als een persoon beschouwd met haar hoofd, dat Christus is. — Ten derde, op uitwerkende wijze, in zover het vlees, waarin Christus het lijden onderging, 't werktuig is der Godheid, ten gevolge waarvan het lijden en zijn handelingen werken in de goddelijke kracht, om de zonde te verdrijven.
B: (Luke 7:47) [b:Luke 7:47] (Rom 5:8) [b:Rom 5:8]
Mijn antwoord. Het lijden van Christus is op drievoudige wijze eigenlijke oorzaak van de vergiffenis der zonden. — Vooreerst door aan te sporen tot liefde, want "God bewijst zijn liefde voor ons," zoals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5. 8, 9), "doordat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren." Door de liefde nu verkrijgen wij vergiffenis der zonden, zoals staat bij Lucas (7. 27): "Vele zonden zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefgehad." — Ten tweede veroorzaakt het lijden van Christus de vergiffenis der zonden op verlossende wijze. Want daar Hij het Hoofd is, heeft Hij door zijn lijden uit liefde en gehoorzaamheid te verduren, ons als zijn ledematen van de zonden bevrijd, als door de prijs van zijn lijden; evenals de mens door een verdienstelijk werk, dat hij met de hand verricht, zich vrij zou maken van de zonde, die hij met zijn voeten bedreven had. Zoals immers het natuurlijke lichaam een eenheid vormt, bestaande uit verscheidene ledematen, zo wordt ook de Kerk, die het mystieke lichaam van Christus is, als een persoon beschouwd met haar hoofd, dat Christus is. — Ten derde, op uitwerkende wijze, in zover het vlees, waarin Christus het lijden onderging, 't werktuig is der Godheid, ten gevolge waarvan het lijden en zijn handelingen werken in de goddelijke kracht, om de zonde te verdrijven.
B: (Luke 7:47) [b:Luke 7:47] (Rom 5:8) [b:Rom 5:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Ofschoon Christus niet geleden heeft, in zover Hij God was, is zijn vlees toch een instrument der Godheid. En hierdoor heeft zijn lijden een goddelijke kracht om de zonden uit te drijven, zoals gezegd werd in de Leerst.
1e Weerlegging. Ofschoon Christus niet geleden heeft, in zover Hij God was, is zijn vlees toch een instrument der Godheid. En hierdoor heeft zijn lijden een goddelijke kracht om de zonden uit te drijven, zoals gezegd werd in de Leerst.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Ofschoon het lijden van Christus lichamelijk is, verkrijgt het toch een geestelijke kracht van de Godheid, daar zijn vlees met haar als werktuig verenigd is. In deze kracht is het lijden van Christus oorzaak van zondenvergeving.
2e Weerlegging. Ofschoon het lijden van Christus lichamelijk is, verkrijgt het toch een geestelijke kracht van de Godheid, daar zijn vlees met haar als werktuig verenigd is. In deze kracht is het lijden van Christus oorzaak van zondenvergeving.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Christus heeft ons door zijn lijden oorzakelijk van de zonde bevrijd, dit is door de oorzaak te stellen van onze bevrijding, krachtens welke alle zonden eens zouden kunnen vergeven worden, hetzij verleden zonden, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomstige, gelijk wanneer een geneesheer een geneesmiddel zou samenstellen, waarmee elke zieke zou kunnen worden genezen, ook in de toekomst.
3e Weerlegging. Christus heeft ons door zijn lijden oorzakelijk van de zonde bevrijd, dit is door de oorzaak te stellen van onze bevrijding, krachtens welke alle zonden eens zouden kunnen vergeven worden, hetzij verleden zonden, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomstige, gelijk wanneer een geneesheer een geneesmiddel zou samenstellen, waarmee elke zieke zou kunnen worden genezen, ook in de toekomst.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Daar het lijden van Christus voorafging als de algemene oorzaak van zondenvergeving, zoals gezegd werd in het vorig Antwoord, is het noodzakelijk, dat zij bij ieder afzonderlijk wordt aangewend tot delging van de eigen zonden. Dit gebeurt echter door het doopsel en de biecht en de andere sacramenten, die hun kracht ontlenen aan het lijden van Christus, zoals later zal blijken (62° Kw. 5° Art.).
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 49 a. 3 ad 2
IIIa q. 49 a. 4 co.
IIIa q. 52 a. 8 ad 2[t:iiia q. 49 a. 3 ad 2][t:iiia q. 49 a. 4 co.][t:iiia q. 52 a. 8 ad 2]
4e Weerlegging. Daar het lijden van Christus voorafging als de algemene oorzaak van zondenvergeving, zoals gezegd werd in het vorig Antwoord, is het noodzakelijk, dat zij bij ieder afzonderlijk wordt aangewend tot delging van de eigen zonden. Dit gebeurt echter door het doopsel en de biecht en de andere sacramenten, die hun kracht ontlenen aan het lijden van Christus, zoals later zal blijken (62° Kw. 5° Art.).
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 49 a. 3 ad 2
IIIa q. 49 a. 4 co.
IIIa q. 52 a. 8 ad 2[t:iiia q. 49 a. 3 ad 2][t:iiia q. 49 a. 4 co.][t:iiia q. 52 a. 8 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 1 ad 5
Ad quintum Ook door 't geloof wordt het lijden van Christus op ons toegepast, om de vrucht daarvan te genieten, zoals staat in de Brief aan de Romeinen (3. 25): "Dien God gesteld heeft tot Verzoening door het geloof in zijn bloed." Het geloof echter, waardoor wij van de zonde gereinigd worden is niet het vormeloze geloof, dat kan samengaan met zonde, maar is het geloof, dat zijn vorm heeft van de liefde, opdat aldus het lijden van Christus niet alleen zo op ons zou worden toegepast, wat de kennis betreft, maar ook wat de liefde aangaat. En ook op deze wijze worden de zonden vergeven uit kracht van het lijden van Christus.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 49 a. 3 ad 2
IIIa q. 52 a. 8 ad 2[t:iiia q. 49 a. 3 ad 2][t:iiia q. 52 a. 8 ad 2]
Ad quintum Ook door 't geloof wordt het lijden van Christus op ons toegepast, om de vrucht daarvan te genieten, zoals staat in de Brief aan de Romeinen (3. 25): "Dien God gesteld heeft tot Verzoening door het geloof in zijn bloed." Het geloof echter, waardoor wij van de zonde gereinigd worden is niet het vormeloze geloof, dat kan samengaan met zonde, maar is het geloof, dat zijn vorm heeft van de liefde, opdat aldus het lijden van Christus niet alleen zo op ons zou worden toegepast, wat de kennis betreft, maar ook wat de liefde aangaat. En ook op deze wijze worden de zonden vergeven uit kracht van het lijden van Christus.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 49 a. 3 ad 2
IIIa q. 52 a. 8 ad 2[t:iiia q. 49 a. 3 ad 2][t:iiia q. 52 a. 8 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 2
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Zijn wij door het lijden van Christus verlost uit de macht van de duivel?
IIIa q. 49 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat wij door het lijden van Christus niet verlost zijn uit de macht van de duivel. Immers hij, die met personen niets doen kan zonder de toestemming van een ander, heeft geen macht over hen. De duivel nu kan nooit iets doen ten nadele van de mens, zonder Gods toelaten; zoals blijkt in het Boek Job (hfdst. 1 en 2) waar hij hem eerst in zijn bezittingen en daarna in zijn lichaam benadeelde, na eerst de macht van God ontvangen te hebben. En zo ook wordt gezegd bij Mattheus (8. 31, 32), dat de duivels niet in de zwijnen konden varen, tenzij Christus het toestond. Dus heeft de duivel nooit macht gehad over de mensen. En zo zijn wij ook niet door het lijden van Christus verlost uit de macht van de duivel.
B: (Matt 8:31) [b:Matt 8:31] (Matt 8:32) [b:Matt 8:32]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat wij door het lijden van Christus niet verlost zijn uit de macht van de duivel. Immers hij, die met personen niets doen kan zonder de toestemming van een ander, heeft geen macht over hen. De duivel nu kan nooit iets doen ten nadele van de mens, zonder Gods toelaten; zoals blijkt in het Boek Job (hfdst. 1 en 2) waar hij hem eerst in zijn bezittingen en daarna in zijn lichaam benadeelde, na eerst de macht van God ontvangen te hebben. En zo ook wordt gezegd bij Mattheus (8. 31, 32), dat de duivels niet in de zwijnen konden varen, tenzij Christus het toestond. Dus heeft de duivel nooit macht gehad over de mensen. En zo zijn wij ook niet door het lijden van Christus verlost uit de macht van de duivel.
B: (Matt 8:31) [b:Matt 8:31] (Matt 8:32) [b:Matt 8:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De duivel oefent zijn macht over de mensen uit door ze te bekoren en lichamelijk te kwellen. Dat doet hij echter na Christus’ lijden nog. Dus zijn wij door het lijden van Christus niet bevrijd van zijn macht.
Vervolgens. De duivel oefent zijn macht over de mensen uit door ze te bekoren en lichamelijk te kwellen. Dat doet hij echter na Christus’ lijden nog. Dus zijn wij door het lijden van Christus niet bevrijd van zijn macht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De kracht van Christus' lijden duurt in eeuwigheid voort volgens het gezegde in de Brief aan de Hebreeën (10. 14): "Door één enkel offer heeft Hij de geheiligden voor altijd tot volmaaktheid gebracht." Zo strekt zij zich ook overal over uit. De bevrijding echter uit de macht van de duivel is niet overal doorgevoerd, daar in vele landen der wereld nog afgodendienaars worden gevonden, en ook zal zij niet standhouden, daar ten tijde van de Antichrist de duivel het meest zijn macht zal aanwenden, om de mensen afbreuk te doen, waarover in de Tweede Brief aan de Thessalonicensen (2. 9, 10) gezegd wordt, dat "zijn verschijning zal geschieden als een werk van de Satan, met allerlei valse kracht, tekenen en wonderen en met allerlei misdadige verleiding." Dus is het lijden van Christus niet oorzaak van de bevrijding van het menselijk geslacht uit de macht van de duivel.
B: (2Thess 2:9) [b:2Thess 2:9] (Heb 10:14) [b:Heb 10:14]
Vervolgens. De kracht van Christus' lijden duurt in eeuwigheid voort volgens het gezegde in de Brief aan de Hebreeën (10. 14): "Door één enkel offer heeft Hij de geheiligden voor altijd tot volmaaktheid gebracht." Zo strekt zij zich ook overal over uit. De bevrijding echter uit de macht van de duivel is niet overal doorgevoerd, daar in vele landen der wereld nog afgodendienaars worden gevonden, en ook zal zij niet standhouden, daar ten tijde van de Antichrist de duivel het meest zijn macht zal aanwenden, om de mensen afbreuk te doen, waarover in de Tweede Brief aan de Thessalonicensen (2. 9, 10) gezegd wordt, dat "zijn verschijning zal geschieden als een werk van de Satan, met allerlei valse kracht, tekenen en wonderen en met allerlei misdadige verleiding." Dus is het lijden van Christus niet oorzaak van de bevrijding van het menselijk geslacht uit de macht van de duivel.
B: (2Thess 2:9) [b:2Thess 2:9] (Heb 10:14) [b:Heb 10:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, wat de Heer zegt bij Joannes (12. 31, 32), toen zijn lijden nabij was: "Nu wordt de vorst van deze wereld buitengeworpen, en Ik, als Ik verheven zal zijn van de aarde, zal Ik alles tot Mij trekken." Hij is echter verheven van de aarde door aan het kruis te lijden. Dus is daardoor de duivel zijn macht over de mensen kwijtgeraakt.
B: (John 12:31, John 12:31) [b:John 12:31]
Daartegenover staat echter, wat de Heer zegt bij Joannes (12. 31, 32), toen zijn lijden nabij was: "Nu wordt de vorst van deze wereld buitengeworpen, en Ik, als Ik verheven zal zijn van de aarde, zal Ik alles tot Mij trekken." Hij is echter verheven van de aarde door aan het kruis te lijden. Dus is daardoor de duivel zijn macht over de mensen kwijtgeraakt.
B: (John 12:31, John 12:31) [b:John 12:31]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 2 co.
Mijn antwoord. Drie dingen moeten wij in het oog houden met betrekking tot de macht, die de duivel voor Christus' lijden over de mensen uitoefende. — Vooreerst van de kant van de mens, dat hij door zijn zonde verdiend had om overgeleverd te worden in de macht van de duivel, door wiens misleiding hij overwonnen was. — Ten tweede, van de kant van God, dat Hij door de mens beleedigd was en in zijn rechtvaardigheid de mens in de macht van de duivel gelaten had. — Ten derde, van de kant van de duivel, dat hij door zijn zeer verdorven wil de mens van het bereiken van zijn heil afhield. Wat het eerste nu betreft, is de mens door het lijden van Christus bevrijd uit de macht van de duivel, in zover het lijden van Christus oorzaak is van de vergiffenis der zonden. — Wat het tweede punt betreft moeten wij zeggen, dat het lijden van Christus ons heeft bevrijd uit de macht van de duivel, in zover het ons met God verzoende, zoals later zal gezegd worden (4° Art. van deze Kw.). — Wat het derde punt aangaat, heeft het lijden van Christus ons bevrijd van de duivel, in zover hij bij het lijden van Christus de maat zijner macht, hem door God toegemeten, is te buiten gegaan, door Christus' dood te bewerken, die toch de dood niet verdiend had, daar Hij zonder zonde was. Vandaar dat Augustinus zegt: "De duivel is overwonnen door de gerechtigheid van Christus, daar hij Hem, ofschoon hij in Hem niets vond, dat de dood verdiende, toch heeft gedood; en het was zeer zeker billijk, dat hij de schuldigen, die gevangen gehouden werden, vrijliet, wanneer zij geloofden in Hem, die hij zonder schuld gedood had."
R: q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 49 a. 4[t:iiia q. 49 a. 4]
Mijn antwoord. Drie dingen moeten wij in het oog houden met betrekking tot de macht, die de duivel voor Christus' lijden over de mensen uitoefende. — Vooreerst van de kant van de mens, dat hij door zijn zonde verdiend had om overgeleverd te worden in de macht van de duivel, door wiens misleiding hij overwonnen was. — Ten tweede, van de kant van God, dat Hij door de mens beleedigd was en in zijn rechtvaardigheid de mens in de macht van de duivel gelaten had. — Ten derde, van de kant van de duivel, dat hij door zijn zeer verdorven wil de mens van het bereiken van zijn heil afhield. Wat het eerste nu betreft, is de mens door het lijden van Christus bevrijd uit de macht van de duivel, in zover het lijden van Christus oorzaak is van de vergiffenis der zonden. — Wat het tweede punt betreft moeten wij zeggen, dat het lijden van Christus ons heeft bevrijd uit de macht van de duivel, in zover het ons met God verzoende, zoals later zal gezegd worden (4° Art. van deze Kw.). — Wat het derde punt aangaat, heeft het lijden van Christus ons bevrijd van de duivel, in zover hij bij het lijden van Christus de maat zijner macht, hem door God toegemeten, is te buiten gegaan, door Christus' dood te bewerken, die toch de dood niet verdiend had, daar Hij zonder zonde was. Vandaar dat Augustinus zegt: "De duivel is overwonnen door de gerechtigheid van Christus, daar hij Hem, ofschoon hij in Hem niets vond, dat de dood verdiende, toch heeft gedood; en het was zeer zeker billijk, dat hij de schuldigen, die gevangen gehouden werden, vrijliet, wanneer zij geloofden in Hem, die hij zonder schuld gedood had."
R: q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 49 a. 4[t:iiia q. 49 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Wij beweren niet dat de duivel macht bezat over de mensen in die mate, dat hij hen schade kan toebrengen zonder Gods toelating. Maar dat hij terecht toestemming bezat, om de mensen te benadelen, die hij door hen te bekoren er toe gebracht had, hem ter wille te zijn.
1e Weerlegging. Wij beweren niet dat de duivel macht bezat over de mensen in die mate, dat hij hen schade kan toebrengen zonder Gods toelating. Maar dat hij terecht toestemming bezat, om de mensen te benadelen, die hij door hen te bekoren er toe gebracht had, hem ter wille te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. De duivel kan ook nu wel met Gods toelating de mensen naar de ziel bekoren en hen kwellen naar het lichaam; maar toch is uit het lijden van Christus de mens een geneesmiddel bereid, waarmee hij zich kan beveiligen tegen de aanvechtingen van de duivel, om niet gebracht te worden tot de ondergang van de eeuwige dood. En alwie vóór het lijden van Christus de duivel weerstand bood, was daartoe in staat door het geloof in het lijden van Christus; ofschoon niemand, toen dat lijden nog niet doorleefd was, in een bepaald opzicht aan de greep van de duivel heeft kunnen ontkomen, zodat hij niet zou behoeven af te dalen naar de onderwereld. Hiertegen kunnen zich de mensen na het lijden van Christus door de kracht ervan beveiligen.
2e Weerlegging. De duivel kan ook nu wel met Gods toelating de mensen naar de ziel bekoren en hen kwellen naar het lichaam; maar toch is uit het lijden van Christus de mens een geneesmiddel bereid, waarmee hij zich kan beveiligen tegen de aanvechtingen van de duivel, om niet gebracht te worden tot de ondergang van de eeuwige dood. En alwie vóór het lijden van Christus de duivel weerstand bood, was daartoe in staat door het geloof in het lijden van Christus; ofschoon niemand, toen dat lijden nog niet doorleefd was, in een bepaald opzicht aan de greep van de duivel heeft kunnen ontkomen, zodat hij niet zou behoeven af te dalen naar de onderwereld. Hiertegen kunnen zich de mensen na het lijden van Christus door de kracht ervan beveiligen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. God laat toe, dat de duivel bepaalde personen onder de mensen op bepaalde tijden en plaatsen misleiden kan, volgens het verborgen plan zijner raadsbesluiten. Maar ten allen tijde is voor de mensen door het lijden van Christus het geneesmiddel bereid om zich te beveiligen tegen de boosheid van de duivel, ook ten tijde van de Antichrist. Doch indien iemand verwaarloost van dit geneesmiddel gebruik te maken, dan doet dit geen afbreuk aan de krachtdadigheid van Christus’ lijden.
3e Weerlegging. God laat toe, dat de duivel bepaalde personen onder de mensen op bepaalde tijden en plaatsen misleiden kan, volgens het verborgen plan zijner raadsbesluiten. Maar ten allen tijde is voor de mensen door het lijden van Christus het geneesmiddel bereid om zich te beveiligen tegen de boosheid van de duivel, ook ten tijde van de Antichrist. Doch indien iemand verwaarloost van dit geneesmiddel gebruik te maken, dan doet dit geen afbreuk aan de krachtdadigheid van Christus’ lijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Zijn de mensen door het lijden van Christus bevrijd van de zondestraf?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 52 a. 1 arg. 2
IIIa q. 52 a. 5 co.
IIIa q. 53 a. 1 arg. 3
IIIa q. 62 a. 5 co.
IIIa q. 68 a. 5 co.
IIIa q. 78 a. 3 arg. 8[t:iiia q. 52 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 52 a. 5 co.][t:iiia q. 53 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 62 a. 5 co.][t:iiia q. 68 a. 5 co.][t:iiia q. 78 a. 3 arg. 8]
IIIa q. 49 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de mensen door het lijden van Christus niet bevrijd zijn van de zondestraff. De voornaamste straf der zonde immers is de eeuwige verdoeming. Maar zij, die om hunne zonden tot de hel veroordeeld waren, zijn door het lijden van Christus niet daaruit bevrijd, wijl "er in de hel geen verlossing is." Dus heeft het lijden van Christus de mensen niet van de straf der zonde bevrijd.
IIIa q. 52 a. 1 arg. 2
IIIa q. 52 a. 5 co.
IIIa q. 53 a. 1 arg. 3
IIIa q. 62 a. 5 co.
IIIa q. 68 a. 5 co.
IIIa q. 78 a. 3 arg. 8[t:iiia q. 52 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 52 a. 5 co.][t:iiia q. 53 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 62 a. 5 co.][t:iiia q. 68 a. 5 co.][t:iiia q. 78 a. 3 arg. 8]
IIIa q. 49 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de mensen door het lijden van Christus niet bevrijd zijn van de zondestraff. De voornaamste straf der zonde immers is de eeuwige verdoeming. Maar zij, die om hunne zonden tot de hel veroordeeld waren, zijn door het lijden van Christus niet daaruit bevrijd, wijl "er in de hel geen verlossing is." Dus heeft het lijden van Christus de mensen niet van de straf der zonde bevrijd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Aan hen, die ontslagen zijn van hun strafschuld, moet geen straf meer opgelegd worden. De berouwenden echter wordt een straf ter voldoening opgelegd. Dus zijn de mensen door het lijden van Christus niet bevrijd van de strafschuld.
Vervolgens. Aan hen, die ontslagen zijn van hun strafschuld, moet geen straf meer opgelegd worden. De berouwenden echter wordt een straf ter voldoening opgelegd. Dus zijn de mensen door het lijden van Christus niet bevrijd van de strafschuld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 3 arg. 3
Vervolgens. De dood is de straf voor de zonde, volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 23): "De soldij der zonde is de dood." Na het lijden van Christus echter sterven de mensen nog. Dus zijn de mensen door het lijden van Christus niet verlost van de strafschuld.
B: (Rom 6:23) [b:Rom 6:23]
Vervolgens. De dood is de straf voor de zonde, volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 23): "De soldij der zonde is de dood." Na het lijden van Christus echter sterven de mensen nog. Dus zijn de mensen door het lijden van Christus niet verlost van de strafschuld.
B: (Rom 6:23) [b:Rom 6:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Isaïas (53. 4): "Waarlijk, onze krankheden heeft Hij op zich genomen en onze smarten zelf gedragen."
B: (Isa 53:4) [b:Isa 53:4]
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Isaïas (53. 4): "Waarlijk, onze krankheden heeft Hij op zich genomen en onze smarten zelf gedragen."
B: (Isa 53:4) [b:Isa 53:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 3 co.
Mijn antwoord. Door het lijden van Christus zijn wij van de strafschuld verlost op een dubbele wijze. — Vooreerst, onmiddellijk, in zover namelijk 't lijden van Christus een voldoende en overvloedige voldoening was voor de zonden van geheel het menselijk geslacht. Wordt er echter een volwaardige voldoening gebracht, dan wordt de strafschuld opgeheven. — Vervolgens indirect, in zover namelijk het lijden van Christus oorzaak is van de vergiffenis der zonde, die de grond is der strafschuld.
Mijn antwoord. Door het lijden van Christus zijn wij van de strafschuld verlost op een dubbele wijze. — Vooreerst, onmiddellijk, in zover namelijk 't lijden van Christus een voldoende en overvloedige voldoening was voor de zonden van geheel het menselijk geslacht. Wordt er echter een volwaardige voldoening gebracht, dan wordt de strafschuld opgeheven. — Vervolgens indirect, in zover namelijk het lijden van Christus oorzaak is van de vergiffenis der zonde, die de grond is der strafschuld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het lijden van Christus vindt zijn uitwerking bij hen, op wie het wordt toegepast door het geloof en de liefde, en door de geloofssacramenten. En daarom kunnen de veroordeelden in de hel, die niet op genoemde wijze met het lijden van Christus verbonden worden, de uitwerking daarvan niet deelachtig worden.
1e Weerlegging. Het lijden van Christus vindt zijn uitwerking bij hen, op wie het wordt toegepast door het geloof en de liefde, en door de geloofssacramenten. En daarom kunnen de veroordeelden in de hel, die niet op genoemde wijze met het lijden van Christus verbonden worden, de uitwerking daarvan niet deelachtig worden.
Referenties naar deze alinea: 1
Gaudium et Spes ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (4° Art. van deze Kw. 4° Antw.), moeten wij, om de uitwerking van Christus’ lijden deelachtig te worden, naar Hem gevormd worden. Wij worden Hem nu gelijkvormig op sacramentale wijze in het doopsel volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 4): "Wij zijn door het doopsel met Hem begraven tot de dood." Daarom wordt de gedoopte geen straf ter voldoening opgelegd, daar zij geheel bevrijd zijn door de voldoening van Christus. Daar Christus echter slechts "eenmaal voor onze zonden gestorven is," zoals gezegd wordt in de Eerste Brief van Petrus (3. 18), daarom kan de mens niet ten tweede male door het sacrament van het doopsel gelijkvormig worden aan de dood van Christus. Daarom moeten zij, die na het doopsel zondigen, gelijkvormig worden aan de lijdende Christus door enige straf of lijden, dat zij in zichzelf doorstaan. Maar er volstaat een veel geringere, dan die volwaardig zou zijn aan de zonde, omdat Christus’ voldoening meewerkt.
B: (Rom 6:4) [b:Rom 6:4] (1Pet 3:18) [b:1Pet 3:18]
R: q. 49 a. 1 ad 4[t:iiia q. 49 a. 1 ad 4] q. 49 a. 1 ad 5[t:iiia q. 49 a. 1 ad 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 69 a. 2 co.[t:iiia q. 69 a. 2 co.]
2e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (4° Art. van deze Kw. 4° Antw.), moeten wij, om de uitwerking van Christus’ lijden deelachtig te worden, naar Hem gevormd worden. Wij worden Hem nu gelijkvormig op sacramentale wijze in het doopsel volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 4): "Wij zijn door het doopsel met Hem begraven tot de dood." Daarom wordt de gedoopte geen straf ter voldoening opgelegd, daar zij geheel bevrijd zijn door de voldoening van Christus. Daar Christus echter slechts "eenmaal voor onze zonden gestorven is," zoals gezegd wordt in de Eerste Brief van Petrus (3. 18), daarom kan de mens niet ten tweede male door het sacrament van het doopsel gelijkvormig worden aan de dood van Christus. Daarom moeten zij, die na het doopsel zondigen, gelijkvormig worden aan de lijdende Christus door enige straf of lijden, dat zij in zichzelf doorstaan. Maar er volstaat een veel geringere, dan die volwaardig zou zijn aan de zonde, omdat Christus’ voldoening meewerkt.
B: (Rom 6:4) [b:Rom 6:4] (1Pet 3:18) [b:1Pet 3:18]
R: q. 49 a. 1 ad 4[t:iiia q. 49 a. 1 ad 4] q. 49 a. 1 ad 5[t:iiia q. 49 a. 1 ad 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 69 a. 2 co.[t:iiia q. 69 a. 2 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De voldoening van Christus heeft in ons haar uitwerking, in zoverre wij bij Hem worden ingelijfd, als ledematen bij het hoofd, zoals boven gezegd is (1e Art. van deze Kw.). De ledematen echter moeten gelijkvormig zijn aan het hoofd. En zoals derhalve Christus eerst wel de genade in zijn ziel bezat verbonden met lichamelijke lijdbaarheid, en door het lijden kwam tot de glorie der onsterfelijkheid, zo worden ook wij, die zijn ledematen zijn, door zijn lijden wel bevrijd van elke strafschuldigheid, zo echter, dat wij eerst in de ziel de geest ontvangen van aanneming tot kinderen, waardoor wij worden bestemd tot erfgenaam van de glorie der onsterfelijkheid, terwijl wij nog een lijdbaar en sterfelijk lichaam hebben; laten echter als wij met Christus in zijn lijden en dood gelijkvormig zijn geworden, worden wij gebracht tot de onsterfelijke glorie, naar het woord van de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8. 17): "Indien zonen, dan ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus, als wij tenminste met Hem lijden, om ook met Hem verheerlijkt te worden."
B: (Rom 8:17) [b:Rom 8:17]
R: q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1]
3e Weerlegging. De voldoening van Christus heeft in ons haar uitwerking, in zoverre wij bij Hem worden ingelijfd, als ledematen bij het hoofd, zoals boven gezegd is (1e Art. van deze Kw.). De ledematen echter moeten gelijkvormig zijn aan het hoofd. En zoals derhalve Christus eerst wel de genade in zijn ziel bezat verbonden met lichamelijke lijdbaarheid, en door het lijden kwam tot de glorie der onsterfelijkheid, zo worden ook wij, die zijn ledematen zijn, door zijn lijden wel bevrijd van elke strafschuldigheid, zo echter, dat wij eerst in de ziel de geest ontvangen van aanneming tot kinderen, waardoor wij worden bestemd tot erfgenaam van de glorie der onsterfelijkheid, terwijl wij nog een lijdbaar en sterfelijk lichaam hebben; laten echter als wij met Christus in zijn lijden en dood gelijkvormig zijn geworden, worden wij gebracht tot de onsterfelijke glorie, naar het woord van de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8. 17): "Indien zonen, dan ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus, als wij tenminste met Hem lijden, om ook met Hem verheerlijkt te worden."
B: (Rom 8:17) [b:Rom 8:17]
R: q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Zijn wij door het lijden van Christus met God verzoend?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 49 a. 2 co.[t:iiia q. 49 a. 2 co.]
IIIa q. 49 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat wij door het lijden van Christus niet met God verzoend zijn. Verzoening heeft niet plaats tussen vrienden. God nu heeft ons altijd bemind, naar het woord van het Boek der Wijsheid (11. 25): "Gij bemint alles wat is, en Gij hebt niets gehaat van alles wat Gij gemaakt hebt." Dus heeft het lijden van Christus ons niet met God verzoend.
B: (Wis 11:25) [b:Wis 11:25]
IIIa q. 49 a. 2 co.[t:iiia q. 49 a. 2 co.]
IIIa q. 49 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat wij door het lijden van Christus niet met God verzoend zijn. Verzoening heeft niet plaats tussen vrienden. God nu heeft ons altijd bemind, naar het woord van het Boek der Wijsheid (11. 25): "Gij bemint alles wat is, en Gij hebt niets gehaat van alles wat Gij gemaakt hebt." Dus heeft het lijden van Christus ons niet met God verzoend.
B: (Wis 11:25) [b:Wis 11:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Een en hetzelfde kan niet tegelijk beginsel en uitwerksel zijn. Daarom valt de genade, die beginsel van verdienste is, niet onder het verdiende. De liefde van God echter is het beginsel geweest van Christus’ lijden naar het woord van Joannes (3. 16): "Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn enigen Zoon gegeven heeft." Dus zijn wij door het lijden van Christus niet met God verzoend, zodat Hij zou beginnen ons opnieuw lief te hebben.
B: (John 3:16) [b:John 3:16]
Vervolgens. Een en hetzelfde kan niet tegelijk beginsel en uitwerksel zijn. Daarom valt de genade, die beginsel van verdienste is, niet onder het verdiende. De liefde van God echter is het beginsel geweest van Christus’ lijden naar het woord van Joannes (3. 16): "Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn enigen Zoon gegeven heeft." Dus zijn wij door het lijden van Christus niet met God verzoend, zodat Hij zou beginnen ons opnieuw lief te hebben.
B: (John 3:16) [b:John 3:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Het lijden van Christus is voltrokken door de mensen, die Christus doodden, en die daardoor God zwaar beleedigd hebben. Dus is het lijden van Christus meer oorzaak, dat God vergramd, dan dat Hij verzoend werd.
Vervolgens. Het lijden van Christus is voltrokken door de mensen, die Christus doodden, en die daardoor God zwaar beleedigd hebben. Dus is het lijden van Christus meer oorzaak, dat God vergramd, dan dat Hij verzoend werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5. 10): "Wij zijn met God verzoend door de dood van zijn Zoon."
B: (Rom 5:10) [b:Rom 5:10]
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5. 10): "Wij zijn met God verzoend door de dood van zijn Zoon."
B: (Rom 5:10) [b:Rom 5:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 4 co.
Mijn antwoord. Het lijden van Christus is op dubbele wijze oorzaak van onze verzoening met God. — Vooreerst in zover het de zonde wegneemt, waardoor de mensen vijanden van God waren naar het woord in het Boek der Wijsheid (14. 9): "De goddeloze en zijn goddeloosheid zijn gelijkelijk gehaat in het oog van God," en in het Boek der Psalmen (5. 7): "Gij haat allen, die onrecht doen." — Vervolgens, in zoverre het een Gode alleraangenaamst sacrificie was. Dit immers is het eigen uitwerksel van een sacrificie, dat het God verzoent, zoals wanneer een mens een beleediging, die hem is aangedaan, vergeeft, om een welgevallig dienstbetoon, dat men hem bewijst. Daarom wordt gezegd in het Eerste Boek der Koningen (26. 19): "Als de Heer u tegen mij opzet, moge Hij een slachtoffer ruiken." En evenzo was het zulk een groot goed, dat Christus vrijwillig geleden heeft, dat God om dit goed in de menselijke natuur gevonden, verzoening ontving voor elke beleediging van het menselijk geslacht, wat hen betreft, die op voornoemde wijze verbonden zijn met Christus, die geleden heeft.
R: q. 49 a. 1 ad 4[t:iiia q. 49 a. 1 ad 4]
Mijn antwoord. Het lijden van Christus is op dubbele wijze oorzaak van onze verzoening met God. — Vooreerst in zover het de zonde wegneemt, waardoor de mensen vijanden van God waren naar het woord in het Boek der Wijsheid (14. 9): "De goddeloze en zijn goddeloosheid zijn gelijkelijk gehaat in het oog van God," en in het Boek der Psalmen (5. 7): "Gij haat allen, die onrecht doen." — Vervolgens, in zoverre het een Gode alleraangenaamst sacrificie was. Dit immers is het eigen uitwerksel van een sacrificie, dat het God verzoent, zoals wanneer een mens een beleediging, die hem is aangedaan, vergeeft, om een welgevallig dienstbetoon, dat men hem bewijst. Daarom wordt gezegd in het Eerste Boek der Koningen (26. 19): "Als de Heer u tegen mij opzet, moge Hij een slachtoffer ruiken." En evenzo was het zulk een groot goed, dat Christus vrijwillig geleden heeft, dat God om dit goed in de menselijke natuur gevonden, verzoening ontving voor elke beleediging van het menselijk geslacht, wat hen betreft, die op voornoemde wijze verbonden zijn met Christus, die geleden heeft.
R: q. 49 a. 1 ad 4[t:iiia q. 49 a. 1 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. God bemint alle mensen met het oog op de natuur, die Hij zelf schiep; Hij haat de mensen echter, omdat zij zich schuldig maken tegenover Hem, naar het woord van het Boek Ecclesiasticus (12. 3): "De Verhevene haat de zondaars."
B: (Sir 12:3) [b:Sir 12:3]
1e Weerlegging. God bemint alle mensen met het oog op de natuur, die Hij zelf schiep; Hij haat de mensen echter, omdat zij zich schuldig maken tegenover Hem, naar het woord van het Boek Ecclesiasticus (12. 3): "De Verhevene haat de zondaars."
B: (Sir 12:3) [b:Sir 12:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Het lijden van Christus heeft ons niet in die zin met God verzoend, dat Hij begon ons opnieuw lief te hebben, daar er geschreven staat in Jeremias (31. 3): "Met een eeuwige liefde heb Ik u bemind." Maar in die zin, dat door het lijden van Christus de oorzaak van zijn haat is weggenomen, zowel doordat de zonde werd afgewassen, als doordat Hij de vergoeding ontving van een meer welgevallige goed.
B: (Jer 31:3) [b:Jer 31:3]
2e Weerlegging. Het lijden van Christus heeft ons niet in die zin met God verzoend, dat Hij begon ons opnieuw lief te hebben, daar er geschreven staat in Jeremias (31. 3): "Met een eeuwige liefde heb Ik u bemind." Maar in die zin, dat door het lijden van Christus de oorzaak van zijn haat is weggenomen, zowel doordat de zonde werd afgewassen, als doordat Hij de vergoeding ontving van een meer welgevallige goed.
B: (Jer 31:3) [b:Jer 31:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Christus, die gedood werd, was evengoed mens als de moordenaars van Christus. Maar de liefde van de lijdende Christus was groter, dan de boosheid der moordenaars. En daarom was het lijden van Christus meer in staat om God met geheel het menselijk geslacht te verzoenen, dan om Hem tot toorn op te wekken.
3e Weerlegging. Christus, die gedood werd, was evengoed mens als de moordenaars van Christus. Maar de liefde van de lijdende Christus was groter, dan de boosheid der moordenaars. En daarom was het lijden van Christus meer in staat om God met geheel het menselijk geslacht te verzoenen, dan om Hem tot toorn op te wekken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Heeft Christus door zijn lijden ons de deur van de hemel geopend?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 46 a. 3 co.[t:iiia q. 46 a. 3 co.]
IIIa q. 49 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Christus ons door zijn lijden niet de deur van de hemel heeft geopend. In het Boek der Spreuken (11. 18) toch wordt gezegd: "Die gerechtigheid zaait, is van zijn loon verzekerd." Nu is het loon der gerechtigheid de intrede in het rijk der hemelen. Dus verkregen de heilige vaders, die werken van gerechtigheid verrichtten, door hun geloof de intrede in het rijk der hemelen, ook zonder het lijden van Christus. Dus is het lijden van Christus niet de oorzaak, dat de deur des hemels geopend werd.
B: (Prov 11:18) [b:Prov 11:18]
IIIa q. 46 a. 3 co.[t:iiia q. 46 a. 3 co.]
IIIa q. 49 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Christus ons door zijn lijden niet de deur van de hemel heeft geopend. In het Boek der Spreuken (11. 18) toch wordt gezegd: "Die gerechtigheid zaait, is van zijn loon verzekerd." Nu is het loon der gerechtigheid de intrede in het rijk der hemelen. Dus verkregen de heilige vaders, die werken van gerechtigheid verrichtten, door hun geloof de intrede in het rijk der hemelen, ook zonder het lijden van Christus. Dus is het lijden van Christus niet de oorzaak, dat de deur des hemels geopend werd.
B: (Prov 11:18) [b:Prov 11:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Vóór het lijden van Christus werd Elias opgevoerd ten hemel, zoals verhaald wordt in het Vierde Boek der Koningen (2. 11). Het uitwerksel echter gaat niet aan de oorzaak vooraf. Dus het opengaan van de deur des hemels is geen uitwerksel van Christus’ lijden.
Vervolgens. Vóór het lijden van Christus werd Elias opgevoerd ten hemel, zoals verhaald wordt in het Vierde Boek der Koningen (2. 11). Het uitwerksel echter gaat niet aan de oorzaak vooraf. Dus het opengaan van de deur des hemels is geen uitwerksel van Christus’ lijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Zoals wij lezen bij Mattheus (3. 16) werd bij de doop van Christus de hemel geopend. Het doopsel echter ging aan het lijden vooraf. Dus is de opening van de hemel geen uitwerksel van Christus’ lijden.
B: (Matt 3:16) [b:Matt 3:16]
Vervolgens. Zoals wij lezen bij Mattheus (3. 16) werd bij de doop van Christus de hemel geopend. Het doopsel echter ging aan het lijden vooraf. Dus is de opening van de hemel geen uitwerksel van Christus’ lijden.
B: (Matt 3:16) [b:Matt 3:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 5 arg. 4
Vervolgens. In Micheäs (2. 13) wordt gezegd: "Hij steeg op, terwijl Hij een weg voor hen bereidde." Maar de weg naar de hemel bereiden is niets anders, dan de deur ervan openen. Dus is de deur van de hemel ons niet door Christus’ lijden geopend, maar door zijn hemelvaart.
B: (Mic 2:13) [b:Mic 2:13]
Vervolgens. In Micheäs (2. 13) wordt gezegd: "Hij steeg op, terwijl Hij een weg voor hen bereidde." Maar de weg naar de hemel bereiden is niets anders, dan de deur ervan openen. Dus is de deur van de hemel ons niet door Christus’ lijden geopend, maar door zijn hemelvaart.
B: (Mic 2:13) [b:Mic 2:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Apostel in de Brief aan de Hebreën (10. 19) zegt: "Door het bloed van Christus zijn wij zeker van onze intrede bij de heiligen," nl. de hemelingen.
B: (Heb 10:19) [b:Heb 10:19]
Daartegenover staat echter, dat de Apostel in de Brief aan de Hebreën (10. 19) zegt: "Door het bloed van Christus zijn wij zeker van onze intrede bij de heiligen," nl. de hemelingen.
B: (Heb 10:19) [b:Heb 10:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 5 co.
Mijn antwoord. Het gesloten zijn van een deur is een zeker obstakel, dat de mensen belet om binnen te gaan. De mensen nu werden verhinderd om het rijk der hemelen binnen te gaan door de zonde, want, zoals gezegd wordt bij Isaïas (35. 8): "Die weg zal heilig genoemd worden, en niemand, die besmet is zal daarlangs gaan." Er is echter een tweevoudige zonde, die de intrede in het rijk der hemelen verhindert. Eén namelijk die de gehele menselijke natuur gemeen heeft: de zonde van de stamvader. En door deze zonde is de toegang tot het rijk der hemelen voor de mens gesloten. Vandaar lezen wij in het Boek der Schepping (3. 24), dat na de zonde van de stamvader "God een cherubijn aanstelde en een vlammend en flikkerend zwaard, om de weg te bewaken naar de boom des levens." — De andere is de bijzondere zonde van iedere persoon afzonderlijk, die bedreven wordt door ieders eigen daad. Door het lijden van Christus nu zijn wij verlost, niet alleen van de zonde, die geheel de menselijke natuur gemeen heeft, zowel wat de zondigheid als wat de strafschuldigheid betreft, doordat Hij zelf de prijs voor ons betaald heeft, maar ook van allen die gemeenschap hebben met zijn lijden door het geloof, de liefde en de geloofssacramenten, van hun eigen zonden verlost. En dus is ons door het lijden van Christus de deur van het rijk der hemelen geopend. En dit bedoelt de Apostel, als hij zegt in zijn Brief aan de Hebreën (9. 11, 12), dat "Christus, optredend als Hoogepriester der toekomende goederen, door zijn eigen bloed eenmaal het heiligdom is binnengegaan, na een eeuwige verlossing bewerkt te hebben." En dit werd vooraf aangeduid in het Boek der Getallen 35, 25), waar gezegd wordt, dat de moordenaar "daar zal blijven," namelijk in de stad zijner toevlucht, "totdat de Hoogepriester, die met heilige olie gezalfd is, sterven zal;" na wiens dood hij in zijn huis zal kunnen terugkeren.
B: (Gen 3:24) [b:Gen 3:24] (Isa 35:8) [b:Isa 35:8]
Mijn antwoord. Het gesloten zijn van een deur is een zeker obstakel, dat de mensen belet om binnen te gaan. De mensen nu werden verhinderd om het rijk der hemelen binnen te gaan door de zonde, want, zoals gezegd wordt bij Isaïas (35. 8): "Die weg zal heilig genoemd worden, en niemand, die besmet is zal daarlangs gaan." Er is echter een tweevoudige zonde, die de intrede in het rijk der hemelen verhindert. Eén namelijk die de gehele menselijke natuur gemeen heeft: de zonde van de stamvader. En door deze zonde is de toegang tot het rijk der hemelen voor de mens gesloten. Vandaar lezen wij in het Boek der Schepping (3. 24), dat na de zonde van de stamvader "God een cherubijn aanstelde en een vlammend en flikkerend zwaard, om de weg te bewaken naar de boom des levens." — De andere is de bijzondere zonde van iedere persoon afzonderlijk, die bedreven wordt door ieders eigen daad. Door het lijden van Christus nu zijn wij verlost, niet alleen van de zonde, die geheel de menselijke natuur gemeen heeft, zowel wat de zondigheid als wat de strafschuldigheid betreft, doordat Hij zelf de prijs voor ons betaald heeft, maar ook van allen die gemeenschap hebben met zijn lijden door het geloof, de liefde en de geloofssacramenten, van hun eigen zonden verlost. En dus is ons door het lijden van Christus de deur van het rijk der hemelen geopend. En dit bedoelt de Apostel, als hij zegt in zijn Brief aan de Hebreën (9. 11, 12), dat "Christus, optredend als Hoogepriester der toekomende goederen, door zijn eigen bloed eenmaal het heiligdom is binnengegaan, na een eeuwige verlossing bewerkt te hebben." En dit werd vooraf aangeduid in het Boek der Getallen 35, 25), waar gezegd wordt, dat de moordenaar "daar zal blijven," namelijk in de stad zijner toevlucht, "totdat de Hoogepriester, die met heilige olie gezalfd is, sterven zal;" na wiens dood hij in zijn huis zal kunnen terugkeren.
B: (Gen 3:24) [b:Gen 3:24] (Isa 35:8) [b:Isa 35:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De heilige vaders hebben door werken van gerechtigheid te doen, de intrede in het hemelse rijk verdiend door hun geloof in het lijden van Christus, naar het woord in de Brief aan de Hebreeën (11. 33): "Door het geloof hebben de heiligen koninkrijken overweldigd, hebben zij gerechtigheid uitgeoefend:" en door dit geloof werd ook iedereen gereinigd van zijn zonde, wat de reiniging van zijn eigen persoon aangaat. Maar het geloof of de gerechtigheid van één was niet voldoende om het beletsel, dat bestond in de schuldigheid van geheel het menselijk geslacht, uit de weg te ruimen. Dit is echter weggenomen door het prijs van Christus’ bloed. En daarom kon vóór het lijden van Christus niemand binnengaan in het hemelrijk, door namelijk de eeuwige zaligheid te verkrijgen, die gelegen is in de volle genieting van God.
B: (Num 35:25) [b:Num 35:25] (Num 35:28) [b:Num 35:28] (Heb 9:11) [b:Heb 9:11] (Heb 9:12) [b:Heb 9:12]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 52 a. 8 ad 3[t:iiia q. 52 a. 8 ad 3]
1e Weerlegging. De heilige vaders hebben door werken van gerechtigheid te doen, de intrede in het hemelse rijk verdiend door hun geloof in het lijden van Christus, naar het woord in de Brief aan de Hebreeën (11. 33): "Door het geloof hebben de heiligen koninkrijken overweldigd, hebben zij gerechtigheid uitgeoefend:" en door dit geloof werd ook iedereen gereinigd van zijn zonde, wat de reiniging van zijn eigen persoon aangaat. Maar het geloof of de gerechtigheid van één was niet voldoende om het beletsel, dat bestond in de schuldigheid van geheel het menselijk geslacht, uit de weg te ruimen. Dit is echter weggenomen door het prijs van Christus’ bloed. En daarom kon vóór het lijden van Christus niemand binnengaan in het hemelrijk, door namelijk de eeuwige zaligheid te verkrijgen, die gelegen is in de volle genieting van God.
B: (Num 35:25) [b:Num 35:25] (Num 35:28) [b:Num 35:28] (Heb 9:11) [b:Heb 9:11] (Heb 9:12) [b:Heb 9:12]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 52 a. 8 ad 3[t:iiia q. 52 a. 8 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Elias is opgenomen in de luchthemel, echter niet in de vuurhemel, die de plaats der heiligen is. Zo ook is Enoch meegevoerd naar het aards paradijs, waar hij, zoals men gelooft, met Elias leeft tot aan de komst van de Antichrist.
B: (Heb 11:33) [b:Heb 11:33]
2e Weerlegging. Elias is opgenomen in de luchthemel, echter niet in de vuurhemel, die de plaats der heiligen is. Zo ook is Enoch meegevoerd naar het aards paradijs, waar hij, zoals men gelooft, met Elias leeft tot aan de komst van de Antichrist.
B: (Heb 11:33) [b:Heb 11:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (39° Kw. 5° Art.) werd bij de doop van Christus de hemel geopend, niet voor Christus zelf, voor wie de hemel altijd openstond, maar om aan te geven, dat de hemel geopend wordt voor hen, die gedoopt zijn met het doopsel van Christus, dat zijn uitwerking ontleent aan zijn lijden.
R: q. 39 a. 5[t:iiia q. 39 a. 5]
3e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (39° Kw. 5° Art.) werd bij de doop van Christus de hemel geopend, niet voor Christus zelf, voor wie de hemel altijd openstond, maar om aan te geven, dat de hemel geopend wordt voor hen, die gedoopt zijn met het doopsel van Christus, dat zijn uitwerking ontleent aan zijn lijden.
R: q. 39 a. 5[t:iiia q. 39 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 5 ad 4
4e Weerlegging. Christus heeft door zijn lijden voor ons het binnentreden in de hemel verdiend, en het beletsel weggenomen, maar door zijn hemelvaart zijn wij als het ware in het bezit gebracht van het hemelse rijk. En daarom wordt gezegd, dat Hij opsteeg, een weg voor hen bereidend.
4e Weerlegging. Christus heeft door zijn lijden voor ons het binnentreden in de hemel verdiend, en het beletsel weggenomen, maar door zijn hemelvaart zijn wij als het ware in het bezit gebracht van het hemelse rijk. En daarom wordt gezegd, dat Hij opsteeg, een weg voor hen bereidend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Verdiende Christus door zijn lijden verheven te worden?
IIIa q. 49 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat Christus door zijn lijden niet verdiend heeft verheven te worden. Zoals de kennis der waarheid het eigene is van God, zo ook de verhevenheid, naar het woord in het Boek der Psalmen (112. 4): "De Heer is verheven boven alle volken, en zijn glorie boven de hemelen." Christus echter had als mens de kennis van alle waarheid, niet krachtens een voorafgaande verdienste, maar krachtens de vereniging zelf van God en mens naar het woord bij Joannes (1. 14): "Wij hebben zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid welke de eniggeborene van de Vader past, vol van genade en waarheid." Dus kreeg Hij ook zijn verheffing niet om de verdienste van zijn lijden, maar alleen krachtens de vereniging.
B: (Ps 112:4) [b:Ps 112:4] (John 1:14) [b:John 1:14]
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat Christus door zijn lijden niet verdiend heeft verheven te worden. Zoals de kennis der waarheid het eigene is van God, zo ook de verhevenheid, naar het woord in het Boek der Psalmen (112. 4): "De Heer is verheven boven alle volken, en zijn glorie boven de hemelen." Christus echter had als mens de kennis van alle waarheid, niet krachtens een voorafgaande verdienste, maar krachtens de vereniging zelf van God en mens naar het woord bij Joannes (1. 14): "Wij hebben zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid welke de eniggeborene van de Vader past, vol van genade en waarheid." Dus kreeg Hij ook zijn verheffing niet om de verdienste van zijn lijden, maar alleen krachtens de vereniging.
B: (Ps 112:4) [b:Ps 112:4] (John 1:14) [b:John 1:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Christus heeft voor zich verdiend van het eerste ogenblik zijner ontvangenis af, zoals boven gezegd is (34° Kw. 3° Art.). Maar ten tijde van zijn lijden was zijn liefde niet groter dan tevoren. Aangezien nu de liefde het beginsel van verdienste is, heeft Hij dus door zijn lijden niet meer zijn verheffing verdiend dan tevoren.
R: q. 34 a. 3[t:iiia q. 34 a. 3]
Vervolgens. Christus heeft voor zich verdiend van het eerste ogenblik zijner ontvangenis af, zoals boven gezegd is (34° Kw. 3° Art.). Maar ten tijde van zijn lijden was zijn liefde niet groter dan tevoren. Aangezien nu de liefde het beginsel van verdienste is, heeft Hij dus door zijn lijden niet meer zijn verheffing verdiend dan tevoren.
R: q. 34 a. 3[t:iiia q. 34 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 6 arg. 3
Vervolgens. De heerlijkheid van het lichaam komt voort uit de heerlijkheid der ziel, zoals Augustinus zegt. Christus heeft echter door zijn lijden niet de verheffing verdiend, wat zijn zieleheerlijkheid betreft, daar zijn ziel zalig was van het eerste ogenblik zijner ontvangenis af. Dus verdiende Hij door zijn lijden ook niet de verheffing wat zijn lichamelijke heerlijkheid betreft.
Vervolgens. De heerlijkheid van het lichaam komt voort uit de heerlijkheid der ziel, zoals Augustinus zegt. Christus heeft echter door zijn lijden niet de verheffing verdiend, wat zijn zieleheerlijkheid betreft, daar zijn ziel zalig was van het eerste ogenblik zijner ontvangenis af. Dus verdiende Hij door zijn lijden ook niet de verheffing wat zijn lichamelijke heerlijkheid betreft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in de Brief aan de Philippenzen (2. 8, 9): "Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood aan het kruis: daarom heeft God Hem ook verheven."
B: (Phil 2:8) [b:Phil 2:8]
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in de Brief aan de Philippenzen (2. 8, 9): "Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood aan het kruis: daarom heeft God Hem ook verheven."
B: (Phil 2:8) [b:Phil 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 6 co.
Mijn antwoord. Verdienste sluit in zekere mate de gelijkheid van de rechtvaardigheid in: daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (4. 4), dat "hij, die werkt, loon ontvangt naar behoren." Wanneer echter niemand uit zijn onrechtvaardige wil gesteltenis, zich iets meer toeëigent dan hem toekomt, dan is het rechtvaardig, dat hem ook iets wordt afgehouden van datgene wat hem wel toekomt; zoals "wanneer iemand één schaap steelt, hij er vier moet teruggeven," zoals het Boek van het Uittocht (22. 1) zegt. En wij zeggen, dat dit verdiend is, in zoverre hierdoor zijn slechte wil gestraft wordt. Zo ook, wanneer iemand met een rechtzinnige wil gesteldheid zich iets onthoudt van wat hem toekwam, dan verdient hij, dat hem iets wordt toegevoegd, als loon voor zijn rechtzinnige wil. Daarvandaan komt het, dat, zo als gezegd wordt bij *Lucas* (14. 11), "Hij, die zich vernedert, verheven zal worden." Christus nu heeft zich door zijn lijden in vier opzichten beneden zijn waardigheid vernederd. — Ten eerste, wat betreft zijn lijden en dood, welke Hij niet verplicht was te ondergaan; — ten tweede, wat betreft de plaats, daar zijn lichaam in een graf werd gelegd en zijn ziel naar de onderwereld ging; — ten derde, met het oog op de smaad en beschimpingen, die Hij verduurde; — ten vierde hierin, dat Hij werd overgeleverd aan de macht der mensen, zoals Hij zelf tegen Pilatus zegt bij *Joannes* (19. 11): "Gij zou geen macht over Mij hebben, als zij u niet van boven gegeven was." En daarom verdiende Hij door zijn lijden de verheffing in vier opzichten. — Ten eerste, dat Hij glorierijk verrees: daarom wordt gezegd in het *Boek der Psalmen* (138. 2): "Gij kent mijn nederzitten," d. i. de vernedering van mijn lijden, "en mijn verrijzen." — Ten tweede, dat Hij opsteeg ten hemel: daarom wordt gezegd in de *Brief aan de Ephesiërs* (4. 9, 10): "Eerst daalde Hij af tot de onderste delen der aarde: die echter afdaalde, deze is het ook, die opsteeg boven alle hemelen." — Ten derde, dat Hij zit aan de rechterhand des Vaders en zijn Godheid geopenbaard wordt, naar het woord van *Isaïas* (52. 13, 14): "Verhoogd en verheven en verheerlijkt zal Hij worden boven mate: zoals velen over U verbaasd stonden, zo zal zijn voorkomen zonder luister zijn onder de mensen." En in de Brief aan de Philippensen (2. 8, 9) wordt gezegd: "Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het kruis: daarom ook heeft God Hem verheven en Hem een naam gegeven, die boven alle naam is," dat namelijk allen Hem God noemen, en allen Hem vereren als God. Daarom ook wordt er aan toegevoegd: "Dat in de naam van Jesus alle knie zich buige, van al wat in de hemel, op de aarde en onder de aarde is." (v. 10) — Ten vierde, dat Hij de macht bezit om te oordelen. In het Boek Job (36. 17) immers wordt gezegd: "Uw geding is berecht als van een goddeloze, en daarom zult gij geding en oordeel ontvangen."
B: (Exod 22:1) [b:Exod 22:1] (Luke 14:11) [b:Luke 14:11] (Rom 4:4) [b:Rom 4:4]
Mijn antwoord. Verdienste sluit in zekere mate de gelijkheid van de rechtvaardigheid in: daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (4. 4), dat "hij, die werkt, loon ontvangt naar behoren." Wanneer echter niemand uit zijn onrechtvaardige wil gesteltenis, zich iets meer toeëigent dan hem toekomt, dan is het rechtvaardig, dat hem ook iets wordt afgehouden van datgene wat hem wel toekomt; zoals "wanneer iemand één schaap steelt, hij er vier moet teruggeven," zoals het Boek van het Uittocht (22. 1) zegt. En wij zeggen, dat dit verdiend is, in zoverre hierdoor zijn slechte wil gestraft wordt. Zo ook, wanneer iemand met een rechtzinnige wil gesteldheid zich iets onthoudt van wat hem toekwam, dan verdient hij, dat hem iets wordt toegevoegd, als loon voor zijn rechtzinnige wil. Daarvandaan komt het, dat, zo als gezegd wordt bij *Lucas* (14. 11), "Hij, die zich vernedert, verheven zal worden." Christus nu heeft zich door zijn lijden in vier opzichten beneden zijn waardigheid vernederd. — Ten eerste, wat betreft zijn lijden en dood, welke Hij niet verplicht was te ondergaan; — ten tweede, wat betreft de plaats, daar zijn lichaam in een graf werd gelegd en zijn ziel naar de onderwereld ging; — ten derde, met het oog op de smaad en beschimpingen, die Hij verduurde; — ten vierde hierin, dat Hij werd overgeleverd aan de macht der mensen, zoals Hij zelf tegen Pilatus zegt bij *Joannes* (19. 11): "Gij zou geen macht over Mij hebben, als zij u niet van boven gegeven was." En daarom verdiende Hij door zijn lijden de verheffing in vier opzichten. — Ten eerste, dat Hij glorierijk verrees: daarom wordt gezegd in het *Boek der Psalmen* (138. 2): "Gij kent mijn nederzitten," d. i. de vernedering van mijn lijden, "en mijn verrijzen." — Ten tweede, dat Hij opsteeg ten hemel: daarom wordt gezegd in de *Brief aan de Ephesiërs* (4. 9, 10): "Eerst daalde Hij af tot de onderste delen der aarde: die echter afdaalde, deze is het ook, die opsteeg boven alle hemelen." — Ten derde, dat Hij zit aan de rechterhand des Vaders en zijn Godheid geopenbaard wordt, naar het woord van *Isaïas* (52. 13, 14): "Verhoogd en verheven en verheerlijkt zal Hij worden boven mate: zoals velen over U verbaasd stonden, zo zal zijn voorkomen zonder luister zijn onder de mensen." En in de Brief aan de Philippensen (2. 8, 9) wordt gezegd: "Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het kruis: daarom ook heeft God Hem verheven en Hem een naam gegeven, die boven alle naam is," dat namelijk allen Hem God noemen, en allen Hem vereren als God. Daarom ook wordt er aan toegevoegd: "Dat in de naam van Jesus alle knie zich buige, van al wat in de hemel, op de aarde en onder de aarde is." (v. 10) — Ten vierde, dat Hij de macht bezit om te oordelen. In het Boek Job (36. 17) immers wordt gezegd: "Uw geding is berecht als van een goddeloze, en daarom zult gij geding en oordeel ontvangen."
B: (Exod 22:1) [b:Exod 22:1] (Luke 14:11) [b:Luke 14:11] (Rom 4:4) [b:Rom 4:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Het principe van verdienste is aan de kant van de ziel; het lichaam echter is het werktuig van de verdienstelijke daad. En daarom moest de volmaaktheid van Christus’ ziel, die beginsel der verdienste was, niet door verdienste verworven worden, zoals de volmaaktheid van het lichaam, dat onderworpen was aan het lijden, en daardoor werktuig der verdienste zelf was.
B: (Job 36:17) [b:Job 36:17] (Ps 138:1) [b:Ps 138:1] (Isa 52:13) [b:Isa 52:13] (John 19:11) [b:John 19:11] (Eph 4:9) [b:Eph 4:9] (Phil 2:8) [b:Phil 2:8]
1e Weerlegging. Het principe van verdienste is aan de kant van de ziel; het lichaam echter is het werktuig van de verdienstelijke daad. En daarom moest de volmaaktheid van Christus’ ziel, die beginsel der verdienste was, niet door verdienste verworven worden, zoals de volmaaktheid van het lichaam, dat onderworpen was aan het lijden, en daardoor werktuig der verdienste zelf was.
B: (Job 36:17) [b:Job 36:17] (Ps 138:1) [b:Ps 138:1] (Isa 52:13) [b:Isa 52:13] (John 19:11) [b:John 19:11] (Eph 4:9) [b:Eph 4:9] (Phil 2:8) [b:Phil 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Door de voorafgaande verdiensten heeft Christus de verheffing verdiend wat zijn ziel aangaat, wier wil de liefde en de andere deugden bezat; maar in zijn lijden verdiende Hij zijn verheffing ook van de kant van het lichaam bij wijze van een zeker evenwichtsherstel: het is immers billijk dat het lichaam, hetwelk uit liefde onderworpen was aan het lijden, daarvoor vergoeding ontving in de glorie.
2e Weerlegging. Door de voorafgaande verdiensten heeft Christus de verheffing verdiend wat zijn ziel aangaat, wier wil de liefde en de andere deugden bezat; maar in zijn lijden verdiende Hij zijn verheffing ook van de kant van het lichaam bij wijze van een zeker evenwichtsherstel: het is immers billijk dat het lichaam, hetwelk uit liefde onderworpen was aan het lijden, daarvoor vergoeding ontving in de glorie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 49 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Door een zekere opheffing geschiedde het in Christus, dat de heerlijkheid der ziel zich vóór zijn lijden niet medeelde aan zijn lichaam, opdat Hij de glorie in zijn lichaam eervoller zou ontvangen, zo Hij deze verkreeg door zijn lijden. Dat de heerlijkheid zijner ziel werd opgeschort, was niet passend, daar zijn ziel onmiddellijk verbonden werd met het Woord; daarom was het passend dat zij met heerlijkheid werd vervuld door het Woord zelf. Het lichaam echter was door middel van de ziel met het Woord verenigd.
3e Weerlegging. Door een zekere opheffing geschiedde het in Christus, dat de heerlijkheid der ziel zich vóór zijn lijden niet medeelde aan zijn lichaam, opdat Hij de glorie in zijn lichaam eervoller zou ontvangen, zo Hij deze verkreeg door zijn lijden. Dat de heerlijkheid zijner ziel werd opgeschort, was niet passend, daar zijn ziel onmiddellijk verbonden werd met het Woord; daarom was het passend dat zij met heerlijkheid werd vervuld door het Woord zelf. Het lichaam echter was door middel van de ziel met het Woord verenigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 50: Over de dood van Christus
IIIa q. 50 pr.
Vervolgens moeten wij handelen over de dood van Christus. En hierover stellen wij zes vragen:
1. Was het passend, dat Christus stierf?
2. Werd door zijn dood de Godheid van zijn lichaam gescheiden?
3. Werd de Godheid van zijn ziel gescheiden?
4. Was Christus mens in de drie dagen van zijn dood?
5. Was zijn lichaam bij leven en dood numeriek hetzelfde?
6. Heeft zijn dood iets uitgewerkt tot ons heil?
Vervolgens moeten wij handelen over de dood van Christus. En hierover stellen wij zes vragen:
1. Was het passend, dat Christus stierf?
2. Werd door zijn dood de Godheid van zijn lichaam gescheiden?
3. Werd de Godheid van zijn ziel gescheiden?
4. Was Christus mens in de drie dagen van zijn dood?
5. Was zijn lichaam bij leven en dood numeriek hetzelfde?
6. Heeft zijn dood iets uitgewerkt tot ons heil?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was het passend dat Christus stierf?
IIIa q. 50 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend was dat Christus stierf. Datgene immers, wat het eerste beginsel is in een bepaalde soort, wordt niet geschikt gemaakt door iets wat met die soort strijdig is, zoals het vuur, dat beginsel der warmte is, nooit koud kan zijn. De Zoon Gods echter is bron en beginsel van alle leven, naar het woord in het Boek der Psalmen (35. 10): "Bij U is de bron des levens." Dus was het niet passend, dat Christus stierf.
B: (Ps 35:10) [b:Ps 35:10]
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend was dat Christus stierf. Datgene immers, wat het eerste beginsel is in een bepaalde soort, wordt niet geschikt gemaakt door iets wat met die soort strijdig is, zoals het vuur, dat beginsel der warmte is, nooit koud kan zijn. De Zoon Gods echter is bron en beginsel van alle leven, naar het woord in het Boek der Psalmen (35. 10): "Bij U is de bron des levens." Dus was het niet passend, dat Christus stierf.
B: (Ps 35:10) [b:Ps 35:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De dood is een groter tekort dan ziekte, wijl men door ziekte tot de dood komt. Het was echter niet passend, dat Christus door een of andere ziekte ongesteld was, zoals Chrysostomus zegt. Dus was het ook niet passend, dat Hij stierf.
Vervolgens. De dood is een groter tekort dan ziekte, wijl men door ziekte tot de dood komt. Het was echter niet passend, dat Christus door een of andere ziekte ongesteld was, zoals Chrysostomus zegt. Dus was het ook niet passend, dat Hij stierf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 1 arg. 3
Vervolgens. De Heer zegt bij Joannes (10. 10): "Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden hebben en overvloedig leven zouden hebben. ben." Maar iets dat tegengesteld is, brengt niet tot het tegenovergestelde. Dus was het niet passend dat Christus stierf.
B: (John 10:10) [b:John 10:10]
Vervolgens. De Heer zegt bij Joannes (10. 10): "Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden hebben en overvloedig leven zouden hebben. ben." Maar iets dat tegengesteld is, brengt niet tot het tegenovergestelde. Dus was het niet passend dat Christus stierf.
B: (John 10:10) [b:John 10:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Joannes (11. 50): "Het is U nuttig dat een mens sterft voor het volk, en niet het gehele volk omkome." Dit zei Caïphas profetisch, zoals de Evangelist getuigt.
B: (John 11:50, John 11:50) [b:John 11:50]
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Joannes (11. 50): "Het is U nuttig dat een mens sterft voor het volk, en niet het gehele volk omkome." Dit zei Caïphas profetisch, zoals de Evangelist getuigt.
B: (John 11:50, John 11:50) [b:John 11:50]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 1 co.
Mijn antwoord. Het was passend, dat Christus stierf. — Vooreerst, om te voldoen voor het menselijk geslacht, dat tot de dood was veroordeeld wegens de zonde, volgens het woord in het Boek der Schepping (2. 17): "Op de dag waarop gij eten zult, zult gij sterven." Het is nu een passende wijze, om voor een ander te voldoen, wanneer iemand zich onderwerpt aan de straf, die de ander verdiend heeft. En daarom wilde Christus sterven, om stervende voor ons te voldoen, naar het woord in de Eerste Brief van Petrus (3. 18): "Christus is eenmaal voor onze zonden gestorven." — Ten tweede, om te tonen dat zijn aangenomen natuur echt was. Want zoals Eusebius zegt: "Als Hij na zijn omgang met de mensen op een andere wijze verdwenen zou zijn, plotseling heengaande met vermijding van de dood, dan zou Hij door allen voor een herschenschim gehouden worden." — Ten derde, om stervende ons van de vrees voor de dood te verlossen. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Hebreën (2. 14, 15) : dat Hij "deelhad aan vlees en bloed, om met zijn dood hem machteloos te maken, die macht had over de dood," d. i. de duivel, "en om allen, die uit vrees voor de dood heel hun leven in slavernij zouden verkeren, te verlossen." — Ten vierde, om door lichamelijk te sterven aan iets, dat gelijkt op de zonde, d. i. de strafwaardigheid, ons een voorbeeld te geven om geestelijk aan de zonde te sterven. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Romeinen (6. 10, 11) : "Wat immers stierf aan de zonde, stierf eenmaal; wat echter leeft, leeft voor God. Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God." — Ten vijfde, om door zijn verrijzenis uit de dood zowel zijn kracht te tonen, die de dood overwon, als ons de hoop te geven dat wij zullen opstaan uit de doden. Vandaar zegt de Apostel in zijn Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 12) : "Als gepredikt wordt, dat Christus uit de doden is verrezen, hoe zeggen dan sommigen onder u, dat er geen verrijzenis der doden bestaat?"
B: (Gen 2:17) [b:Gen 2:17] (Rom 6:10) [b:Rom 6:10] (1Cor 15:12) [b:1Cor 15:12] (Heb 2:14) [b:Heb 2:14] (Heb 2:15) [b:Heb 2:15] (1Pet 3:18) [b:1Pet 3:18]
Mijn antwoord. Het was passend, dat Christus stierf. — Vooreerst, om te voldoen voor het menselijk geslacht, dat tot de dood was veroordeeld wegens de zonde, volgens het woord in het Boek der Schepping (2. 17): "Op de dag waarop gij eten zult, zult gij sterven." Het is nu een passende wijze, om voor een ander te voldoen, wanneer iemand zich onderwerpt aan de straf, die de ander verdiend heeft. En daarom wilde Christus sterven, om stervende voor ons te voldoen, naar het woord in de Eerste Brief van Petrus (3. 18): "Christus is eenmaal voor onze zonden gestorven." — Ten tweede, om te tonen dat zijn aangenomen natuur echt was. Want zoals Eusebius zegt: "Als Hij na zijn omgang met de mensen op een andere wijze verdwenen zou zijn, plotseling heengaande met vermijding van de dood, dan zou Hij door allen voor een herschenschim gehouden worden." — Ten derde, om stervende ons van de vrees voor de dood te verlossen. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Hebreën (2. 14, 15) : dat Hij "deelhad aan vlees en bloed, om met zijn dood hem machteloos te maken, die macht had over de dood," d. i. de duivel, "en om allen, die uit vrees voor de dood heel hun leven in slavernij zouden verkeren, te verlossen." — Ten vierde, om door lichamelijk te sterven aan iets, dat gelijkt op de zonde, d. i. de strafwaardigheid, ons een voorbeeld te geven om geestelijk aan de zonde te sterven. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Romeinen (6. 10, 11) : "Wat immers stierf aan de zonde, stierf eenmaal; wat echter leeft, leeft voor God. Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God." — Ten vijfde, om door zijn verrijzenis uit de dood zowel zijn kracht te tonen, die de dood overwon, als ons de hoop te geven dat wij zullen opstaan uit de doden. Vandaar zegt de Apostel in zijn Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 12) : "Als gepredikt wordt, dat Christus uit de doden is verrezen, hoe zeggen dan sommigen onder u, dat er geen verrijzenis der doden bestaat?"
B: (Gen 2:17) [b:Gen 2:17] (Rom 6:10) [b:Rom 6:10] (1Cor 15:12) [b:1Cor 15:12] (Heb 2:14) [b:Heb 2:14] (Heb 2:15) [b:Heb 2:15] (1Pet 3:18) [b:1Pet 3:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Christus is de bron van het leven, in zoverre Hij God is, maar niet als mens. Hij is echter gestorven in zoverre Hij mens is, maar niet als God. Daarom zegt Augustinus: "Het zij verre, dat Christus de dood zou ondergaan hebben zodat Hij het leven zou verloren hebben, in zoverre Hij het leven was. Want als dit zo was, dan was de bron van het leven uitgedroogd. Hij smaakte derhalve de dood, doordat Hij ook deelde in de menselijke gevoelens, die Hij uit eigen beweging had aangenomen, doch Hij verloor niet de macht van zijn natuur, waarmede Hij alles levend maakt."
1e Weerlegging. Christus is de bron van het leven, in zoverre Hij God is, maar niet als mens. Hij is echter gestorven in zoverre Hij mens is, maar niet als God. Daarom zegt Augustinus: "Het zij verre, dat Christus de dood zou ondergaan hebben zodat Hij het leven zou verloren hebben, in zoverre Hij het leven was. Want als dit zo was, dan was de bron van het leven uitgedroogd. Hij smaakte derhalve de dood, doordat Hij ook deelde in de menselijke gevoelens, die Hij uit eigen beweging had aangenomen, doch Hij verloor niet de macht van zijn natuur, waarmede Hij alles levend maakt."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Christus onderging geen dood, die voortkwam uit een ziekte, opdat het niet de schijn zou hebben, dat Hij uit noodzaak stierf wegens de zwakte van zijn natuur. Maar Hij onderging een dood, die Hem van buitenaf werd aangedaan, en waaraan Hij zich uit eigen beweging onderwierp, om te tonen, dat Hij vrijwillig stierf.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 51 a. 3 co.[t:iiia q. 51 a. 3 co.]
2e Weerlegging. Christus onderging geen dood, die voortkwam uit een ziekte, opdat het niet de schijn zou hebben, dat Hij uit noodzaak stierf wegens de zwakte van zijn natuur. Maar Hij onderging een dood, die Hem van buitenaf werd aangedaan, en waaraan Hij zich uit eigen beweging onderwierp, om te tonen, dat Hij vrijwillig stierf.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 51 a. 3 co.[t:iiia q. 51 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het ene tegengestelde voert niet uiteraard tot het andere, maar soms krachtens iets bijkomstigs, zoals het koude krachtens iets bijkomstigs wel eens warm maakt: en op deze manier heeft Christus ons door zijn dood gebracht tot het leven, door met zijn dood onze dood te niet te doen; zoals ook hij, die de straf voor een ander draagt, diens straf opheft.
3e Weerlegging. Het ene tegengestelde voert niet uiteraard tot het andere, maar soms krachtens iets bijkomstigs, zoals het koude krachtens iets bijkomstigs wel eens warm maakt: en op deze manier heeft Christus ons door zijn dood gebracht tot het leven, door met zijn dood onze dood te niet te doen; zoals ook hij, die de straf voor een ander draagt, diens straf opheft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Werd bij de dood van Christus zijn Godheid van zijn vlees gescheiden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 6 a. 1 arg. 3
IIIa q. 50 a. 3 ad 1
IIIa q. 50 a. 5 co.
IIIa q. 52 a. 3 co.
IIIa q. 53 a. 4 co.[t:iiia q. 6 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 50 a. 3 ad 1][t:iiia q. 50 a. 5 co.][t:iiia q. 52 a. 3 co.][t:iiia q. 53 a. 4 co.]
IIIa q. 50 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat bij de dood van Christus zijn Godheid van zijn vlees gescheiden werd. Zoals immers gezegd wordt bij *Mattheus* (27. 46), heeft de Heer, hangende aan het kruis, uitgeroepen: "Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?", en Ambrosius zegt op de woorden van *Lucas* (23. 41): "En zo sprekend, gaf Hij de geest": "De mens riep, die op het punt stond door de scheiding van de Godheid te sterven. Want omdat de Godheid vrij is van sterven, was daar voorzeker geen plaats voor de dood, tenzij het leven heenging, daar het leven de Godheid is." En zo schijnt het, dat bij de dood van Christus zijn Godheid werd gescheiden van zijn vlees.
B: (Luke 23:46) [b:Luke 23:46]
IIIa q. 6 a. 1 arg. 3
IIIa q. 50 a. 3 ad 1
IIIa q. 50 a. 5 co.
IIIa q. 52 a. 3 co.
IIIa q. 53 a. 4 co.[t:iiia q. 6 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 50 a. 3 ad 1][t:iiia q. 50 a. 5 co.][t:iiia q. 52 a. 3 co.][t:iiia q. 53 a. 4 co.]
IIIa q. 50 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat bij de dood van Christus zijn Godheid van zijn vlees gescheiden werd. Zoals immers gezegd wordt bij *Mattheus* (27. 46), heeft de Heer, hangende aan het kruis, uitgeroepen: "Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?", en Ambrosius zegt op de woorden van *Lucas* (23. 41): "En zo sprekend, gaf Hij de geest": "De mens riep, die op het punt stond door de scheiding van de Godheid te sterven. Want omdat de Godheid vrij is van sterven, was daar voorzeker geen plaats voor de dood, tenzij het leven heenging, daar het leven de Godheid is." En zo schijnt het, dat bij de dood van Christus zijn Godheid werd gescheiden van zijn vlees.
B: (Luke 23:46) [b:Luke 23:46]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Wanneer het midden-deel wordt weggenomen, worden de uitersten gescheiden. De Godheid nu was verenigd met het vlees door middel der ziel, zoals boven gezegd is (6° Kw. 1° Art.). Bijgevolg werd de Godheid van het vlees gescheiden, wijl bij de dood van Christus de ziel gescheiden werd van het vlees.
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1]
Vervolgens. Wanneer het midden-deel wordt weggenomen, worden de uitersten gescheiden. De Godheid nu was verenigd met het vlees door middel der ziel, zoals boven gezegd is (6° Kw. 1° Art.). Bijgevolg werd de Godheid van het vlees gescheiden, wijl bij de dood van Christus de ziel gescheiden werd van het vlees.
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De levendmakende kracht van God is groter dan die der ziel. Het lichaam nu kon niet sterven tenzij door scheiding van de ziel. Dus kon het nog veel minder sterven, als de Godheid niet werd afgescheiden.
Vervolgens. De levendmakende kracht van God is groter dan die der ziel. Het lichaam nu kon niet sterven tenzij door scheiding van de ziel. Dus kon het nog veel minder sterven, als de Godheid niet werd afgescheiden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat hetgeen eigen is aan de menselijke natuur niet van de Zoon Gods kan gezegd worden, tenzij om reden der vereniging, zoals boven gezegd is (16° Kw. 4° en 5° Art.). Van de Zoon Gods echter wordt gezegd, wat toekomt aan het lichaam van Christus na zijn dood, namelijk begraven te zijn, zoals blijkt uit de geloofsbelijdenis, waarin gezegd wordt, dat "de Zoon Gods ontvangen is, en geboren uit de maagd, geleden heeft, gestorven en begraven is." Dus werd het lichaam van Christus in de dood niet afgescheiden van de Godheid.
R: q. 16 a. 4[t:iiia q. 16 a. 4] q. 16 a. 5[t:iiia q. 16 a. 5]
Daartegenover staat echter, dat hetgeen eigen is aan de menselijke natuur niet van de Zoon Gods kan gezegd worden, tenzij om reden der vereniging, zoals boven gezegd is (16° Kw. 4° en 5° Art.). Van de Zoon Gods echter wordt gezegd, wat toekomt aan het lichaam van Christus na zijn dood, namelijk begraven te zijn, zoals blijkt uit de geloofsbelijdenis, waarin gezegd wordt, dat "de Zoon Gods ontvangen is, en geboren uit de maagd, geleden heeft, gestorven en begraven is." Dus werd het lichaam van Christus in de dood niet afgescheiden van de Godheid.
R: q. 16 a. 4[t:iiia q. 16 a. 4] q. 16 a. 5[t:iiia q. 16 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 2 co.
Mijn antwoord. Wat Gods genade geeft, wordt nooit zonder schuld ingetrokken. Daarom wordt in de Brief aan de Romeinen (11. 29) gezegd, dat "God nooit berouw heeft over zijn genadegaven en roeping." De genade der vereniging echter, waardoor de Godheid in persoon met het lichaam van Christus verenigd is, is veel groter dan de genade der adoptie, waardoor anderen geheiligd worden: en uiteraard is ze ook meer blijvend, daar deze genade gericht is op een vereniging in persoon; de adoptiegenade daarentegen op een liefdesvereniging. En toch zien wij de adoptiegenade niet zonder schuld verloren gaan. Wijl derhalve in Christus geen enkele zonde was, was het ook onmogelijk, dat de eenheid van de Godheid met zijn vlees werd ontbonden. En zoals derhalve vóór Christus' dood zijn vlees in persoon en hypostase met het Woord Gods verenigd was, bleef het ook na zijn dood verenigd, zoodat er namelijk na de dood geen andere hypostase was van het Woord Gods en van het vlees van Christus, zoals Damascenus zegt.
B: (Rom 11:29) [b:Rom 11:29]
Mijn antwoord. Wat Gods genade geeft, wordt nooit zonder schuld ingetrokken. Daarom wordt in de Brief aan de Romeinen (11. 29) gezegd, dat "God nooit berouw heeft over zijn genadegaven en roeping." De genade der vereniging echter, waardoor de Godheid in persoon met het lichaam van Christus verenigd is, is veel groter dan de genade der adoptie, waardoor anderen geheiligd worden: en uiteraard is ze ook meer blijvend, daar deze genade gericht is op een vereniging in persoon; de adoptiegenade daarentegen op een liefdesvereniging. En toch zien wij de adoptiegenade niet zonder schuld verloren gaan. Wijl derhalve in Christus geen enkele zonde was, was het ook onmogelijk, dat de eenheid van de Godheid met zijn vlees werd ontbonden. En zoals derhalve vóór Christus' dood zijn vlees in persoon en hypostase met het Woord Gods verenigd was, bleef het ook na zijn dood verenigd, zoodat er namelijk na de dood geen andere hypostase was van het Woord Gods en van het vlees van Christus, zoals Damascenus zegt.
B: (Rom 11:29) [b:Rom 11:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Dat verlaten zijn slaat niet op de ontbinding van de persoonlijke vereniging, maar hierop, dat de Vader Hem bloot gaf voor het lijden. Dus het verlaten heeft daar geen andere betekenis, dan niet beschermen tegen vervolgers. — Ofwel zegt Hij, dat Hij verlaten is in verband met dit gebed waarin Hij zei: "Vader, indien het mogelijk is, laat dan deze kelk aan Mij voorbijgaan," zoals Augustinus het verklaart.
1e Weerlegging. Dat verlaten zijn slaat niet op de ontbinding van de persoonlijke vereniging, maar hierop, dat de Vader Hem bloot gaf voor het lijden. Dus het verlaten heeft daar geen andere betekenis, dan niet beschermen tegen vervolgers. — Ofwel zegt Hij, dat Hij verlaten is in verband met dit gebed waarin Hij zei: "Vader, indien het mogelijk is, laat dan deze kelk aan Mij voorbijgaan," zoals Augustinus het verklaart.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Wij zeggen, dat het Woord Gods met het vlees verenigd is door middel van de ziel, in zoverre het vlees door de ziel behoort tot de menselijke natuur, welke de Zoon Gods bedoelde aan te nemen, niet echter in die zin, dat de ziel een midden zou zijn, dat de verenigde delen verbindt. Het vlees dankt echter aan de ziel, dat het behoort tot de menselijke natuur, ook nadat de ziel daarvan gescheiden is, in zover namelijk het vlees, dat gestorven is, krachtens Gods bepaling in zekeren zin geordend blijft op de verrijzenis. En daarom wordt de vereniging van de Godheid met het vlees niet weggenomen.
2e Weerlegging. Wij zeggen, dat het Woord Gods met het vlees verenigd is door middel van de ziel, in zoverre het vlees door de ziel behoort tot de menselijke natuur, welke de Zoon Gods bedoelde aan te nemen, niet echter in die zin, dat de ziel een midden zou zijn, dat de verenigde delen verbindt. Het vlees dankt echter aan de ziel, dat het behoort tot de menselijke natuur, ook nadat de ziel daarvan gescheiden is, in zover namelijk het vlees, dat gestorven is, krachtens Gods bepaling in zekeren zin geordend blijft op de verrijzenis. En daarom wordt de vereniging van de Godheid met het vlees niet weggenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De ziel heeft een levendmakende kracht als vorm: en derhalve is het noodzakelijk, dat het lichaam levend is, als zij als vorm aanwezig en ermee verenigd is. De Godheid echter heeft een levendmakende kracht niet op vormende, maar op uitwerkende wijze: zij kan immers geen vorm van het lichaam zijn. En daarom is het niet nodig, dat het lichaam levend is, wanneer de vereniging van de Godheid met het vlees voortduurt, aangezien God niet uit noodzaak handelt, maar uit vrije wil.
3e Weerlegging. De ziel heeft een levendmakende kracht als vorm: en derhalve is het noodzakelijk, dat het lichaam levend is, als zij als vorm aanwezig en ermee verenigd is. De Godheid echter heeft een levendmakende kracht niet op vormende, maar op uitwerkende wijze: zij kan immers geen vorm van het lichaam zijn. En daarom is het niet nodig, dat het lichaam levend is, wanneer de vereniging van de Godheid met het vlees voortduurt, aangezien God niet uit noodzaak handelt, maar uit vrije wil.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Werd bij de dood van Christus de Godheid van zijn ziel gescheiden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 6 a. 1 arg. 3
IIIa q. 52 a. 3 arg. 2
IIIa q. 53 a. 4 co.[t:iiia q. 6 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 52 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 53 a. 4 co.]
IIIa q. 50 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat bij de dood van Christus, de Godheid van zijn ziel gescheiden werd. De Heer toch zegt bij Joannes (10. 18): "Niemand neemt mijn ziel van Mij weg, maar Ik leg haar uit Mij zelf af, en Ik heb macht om haar af te leggen en macht om haar wederom op te nemen." Het lichaam echter kan niet de ziel afleggen, door haar van zich af te scheiden, daar de ziel niet is onderworpen aan de macht van het lichaam, maar veeleer omgekeerd. En dus schijnt het aan Christus, in zover Hij het Woord Gods is, toe te komen zijn ziel af te leggen. Dit betekent echter, haar van zich af te scheiden. Dus werd door zijn dood zijn ziel van de Godheid afgescheiden.
B: (John 10:18, John 10:18) [b:John 10:18]
IIIa q. 6 a. 1 arg. 3
IIIa q. 52 a. 3 arg. 2
IIIa q. 53 a. 4 co.[t:iiia q. 6 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 52 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 53 a. 4 co.]
IIIa q. 50 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat bij de dood van Christus, de Godheid van zijn ziel gescheiden werd. De Heer toch zegt bij Joannes (10. 18): "Niemand neemt mijn ziel van Mij weg, maar Ik leg haar uit Mij zelf af, en Ik heb macht om haar af te leggen en macht om haar wederom op te nemen." Het lichaam echter kan niet de ziel afleggen, door haar van zich af te scheiden, daar de ziel niet is onderworpen aan de macht van het lichaam, maar veeleer omgekeerd. En dus schijnt het aan Christus, in zover Hij het Woord Gods is, toe te komen zijn ziel af te leggen. Dit betekent echter, haar van zich af te scheiden. Dus werd door zijn dood zijn ziel van de Godheid afgescheiden.
B: (John 10:18, John 10:18) [b:John 10:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Athanasius zegt: "Gevloekt hij, die niet belijdt, dat de hele mens, welke de Zoon Gods heeft aangenomen, op de derde dag uit de doden verrezen is, nadat hij wederom was aangenomen of bevrijd." Maar de hele mens kon niet ten tweede male aangenomen worden, tenzij de hele mens eens van het Woord Gods afgescheiden was. De hele mens nu bestaat uit ziel en lichaam. Dus eens werd de Godheid van het lichaam en van de ziel afgescheiden.
Vervolgens. Athanasius zegt: "Gevloekt hij, die niet belijdt, dat de hele mens, welke de Zoon Gods heeft aangenomen, op de derde dag uit de doden verrezen is, nadat hij wederom was aangenomen of bevrijd." Maar de hele mens kon niet ten tweede male aangenomen worden, tenzij de hele mens eens van het Woord Gods afgescheiden was. De hele mens nu bestaat uit ziel en lichaam. Dus eens werd de Godheid van het lichaam en van de ziel afgescheiden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 3 arg. 3
Vervolgens. De Zoon Gods wordt waarlijk mens genoemd wegens zijn vereniging met de gehele mens. Wanneer derhalve het Woord Gods verenigd bleef met de ziel, toen de vereniging van de ziel met het lichaam door de dood werd ontbonden, dan zou volgen, dat men naar waarheid kon zeggen, dat de Zoon Gods de ziel was. Dit is echter vals, wijl zou volgen, dat de Zoon Gods de vorm van het lichaam was, daar de ziel de vorm van het lichaam is; en dit is onmogelijk. Dus werd bij de dood van Christus de ziel van het Woord Gods gescheiden.
Vervolgens. De Zoon Gods wordt waarlijk mens genoemd wegens zijn vereniging met de gehele mens. Wanneer derhalve het Woord Gods verenigd bleef met de ziel, toen de vereniging van de ziel met het lichaam door de dood werd ontbonden, dan zou volgen, dat men naar waarheid kon zeggen, dat de Zoon Gods de ziel was. Dit is echter vals, wijl zou volgen, dat de Zoon Gods de vorm van het lichaam was, daar de ziel de vorm van het lichaam is; en dit is onmogelijk. Dus werd bij de dood van Christus de ziel van het Woord Gods gescheiden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 3 arg. 4
Vervolgens. De ziel en het lichaam, onderling gescheiden, maken niet één, maar twee hypostasen uit. Wanneer dus het Woord Gods zowel met het lichaam als met de ziel van Christus verenigd bleef, dan schijnt te volgen, dat na hun onderlinge scheiding door de dood van Christus, het Woord Gods tijdens Christus’ dood twee hypostasen was. Dit is echter vals. Dus bleef na de dood van Christus de ziel niet met het Woord verenigd.
Vervolgens. De ziel en het lichaam, onderling gescheiden, maken niet één, maar twee hypostasen uit. Wanneer dus het Woord Gods zowel met het lichaam als met de ziel van Christus verenigd bleef, dan schijnt te volgen, dat na hun onderlinge scheiding door de dood van Christus, het Woord Gods tijdens Christus’ dood twee hypostasen was. Dit is echter vals. Dus bleef na de dood van Christus de ziel niet met het Woord verenigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt: "Hoewel Christus als mens gestorven is, en zijn heilige ziel gescheiden werd van zijn onbezoedeld lichaam, bleef toch de Godheid van beiden onafgescheiden, van de ziel, zeg ik, en van het lichaam."
Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt: "Hoewel Christus als mens gestorven is, en zijn heilige ziel gescheiden werd van zijn onbezoedeld lichaam, bleef toch de Godheid van beiden onafgescheiden, van de ziel, zeg ik, en van het lichaam."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 3 co.
Mijn antwoord. De ziel is meer onmiddellijk en eerder met het Woord Gods verenigd, dan het lichaam, aangezien het lichaam met het Woord Gods verenigd is door middel van de ziel, zoals boven gezegd is (6e Kw. 1e Art.). Omdat dus het Woord Gods in de dood niet van het lichaam gescheiden werd, werd het nog veel minder afgescheiden van de ziel. Evenals dus van de Zoon Gods gezegd wordt, wat toekomt aan het van de ziel afgescheiden lichaam, nl. "begraven te zijn", zo wordt ook van Hem gezegd in de geloofsbelijdenis, dat "Hij nederdaalde ter helle", aangezien zijn ziel, afgescheiden van het lichaam, ter helle afdaalde.
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1]
Mijn antwoord. De ziel is meer onmiddellijk en eerder met het Woord Gods verenigd, dan het lichaam, aangezien het lichaam met het Woord Gods verenigd is door middel van de ziel, zoals boven gezegd is (6e Kw. 1e Art.). Omdat dus het Woord Gods in de dood niet van het lichaam gescheiden werd, werd het nog veel minder afgescheiden van de ziel. Evenals dus van de Zoon Gods gezegd wordt, wat toekomt aan het van de ziel afgescheiden lichaam, nl. "begraven te zijn", zo wordt ook van Hem gezegd in de geloofsbelijdenis, dat "Hij nederdaalde ter helle", aangezien zijn ziel, afgescheiden van het lichaam, ter helle afdaalde.
R: q. 6 a. 1[t:iiia q. 6 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Augustinus vraagt in zijn uitleg van dit woord van Joannes, aangezien Christus is "het Woord, de ziel en het vlees, of Hij de ziel aflegt in zoverre Hij het Woord is, of in zoverre Hij de ziel is of weer in zoverre Hij het vlees is." En Hij zegt dat "indien wij zeggen, dat het Woord Gods de ziel aflegde, volgen zou, dat die ziel eens van het Woord gescheiden was. Dit is echter vals. De dood heeft immers het lichaam van de ziel gescheiden; maar ik zeg niet, dat de ziel gescheiden was van het Woord. Zeggen wij echter, dat de ziel zichzelf aflegde, dan zou volgen, dat de ziel van zichzelf gescheiden was. Dit is echter een dwaasheid." Dus blijft over, dat "het vlees zelf zijn ziel aflegde en haar wederom aannam, niet door eigen kracht, maar door de kracht van het Woord, dat in het vlees woonde," aangezien door de dood de Godheid van het Woord niet van het vlees is afgescheiden, zoals boven gezegd is (in het vorige Artikel).
R: q. 50 a. 2[t:iiia q. 50 a. 2]
1e Weerlegging. Augustinus vraagt in zijn uitleg van dit woord van Joannes, aangezien Christus is "het Woord, de ziel en het vlees, of Hij de ziel aflegt in zoverre Hij het Woord is, of in zoverre Hij de ziel is of weer in zoverre Hij het vlees is." En Hij zegt dat "indien wij zeggen, dat het Woord Gods de ziel aflegde, volgen zou, dat die ziel eens van het Woord gescheiden was. Dit is echter vals. De dood heeft immers het lichaam van de ziel gescheiden; maar ik zeg niet, dat de ziel gescheiden was van het Woord. Zeggen wij echter, dat de ziel zichzelf aflegde, dan zou volgen, dat de ziel van zichzelf gescheiden was. Dit is echter een dwaasheid." Dus blijft over, dat "het vlees zelf zijn ziel aflegde en haar wederom aannam, niet door eigen kracht, maar door de kracht van het Woord, dat in het vlees woonde," aangezien door de dood de Godheid van het Woord niet van het vlees is afgescheiden, zoals boven gezegd is (in het vorige Artikel).
R: q. 50 a. 2[t:iiia q. 50 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Met die woorden bedoelde Athanasius niet, dat de gehele mens opnieuw werd aangenomen d.w.z. al zijn delen, alsof het Woord Gods de delen van de menselijke natuur door de dood had afgelegd. Maar dat wederom het geheel van de aangenomen natuur bij de verrijzenis ongeschonden werd hersteld door de hernieuwde vereniging van de ziel met het lichaam.
2e Weerlegging. Met die woorden bedoelde Athanasius niet, dat de gehele mens opnieuw werd aangenomen d.w.z. al zijn delen, alsof het Woord Gods de delen van de menselijke natuur door de dood had afgelegd. Maar dat wederom het geheel van de aangenomen natuur bij de verrijzenis ongeschonden werd hersteld door de hernieuwde vereniging van de ziel met het lichaam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Het Woord Gods wordt om zijn vereniging met de menselijke natuur niet de menselijke natuur genoemd, maar mens, d.w.z. hebbende de menselijke natuur. De ziel echter en het lichaam zijn wezensdelen van de menselijke natuur. Dus volgt uit de vereniging van het Woord met hen beide niet, dat het Woord Gods de ziel of het lichaam is, maar dat het ziel en lichaam heeft.
3e Weerlegging. Het Woord Gods wordt om zijn vereniging met de menselijke natuur niet de menselijke natuur genoemd, maar mens, d.w.z. hebbende de menselijke natuur. De ziel echter en het lichaam zijn wezensdelen van de menselijke natuur. Dus volgt uit de vereniging van het Woord met hen beide niet, dat het Woord Gods de ziel of het lichaam is, maar dat het ziel en lichaam heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Hierop moet geantwoord worden met wat Damascenus zegt: "Dat bij de dood van Christus de ziel van het lichaam gescheiden werd, wil niet zeggen, dat één hypostase in twee hypostases verdeeld werd. Want zowel het lichaam als de ziel van Christus hadden onder hetzelfde opzicht van de beginne af hun bestaan in de hypostase van het Woord, en bij de dood onderling gescheiden, bleef ieder van hen bestaan, hebbend de éne hypostase van het Woord. Daarom was de ene hypostase van het Woord de hypostase van het Woord, en van de ziel en van het lichaam. Nooit toch heeft of de ziel, of het lichaam een eigen hypostase gehad, buiten de hypostase van het Woord. Altijd immers is er maar één hypostase van het Woord geweest en nooit waren er twee."
4e Weerlegging. Hierop moet geantwoord worden met wat Damascenus zegt: "Dat bij de dood van Christus de ziel van het lichaam gescheiden werd, wil niet zeggen, dat één hypostase in twee hypostases verdeeld werd. Want zowel het lichaam als de ziel van Christus hadden onder hetzelfde opzicht van de beginne af hun bestaan in de hypostase van het Woord, en bij de dood onderling gescheiden, bleef ieder van hen bestaan, hebbend de éne hypostase van het Woord. Daarom was de ene hypostase van het Woord de hypostase van het Woord, en van de ziel en van het lichaam. Nooit toch heeft of de ziel, of het lichaam een eigen hypostase gehad, buiten de hypostase van het Woord. Altijd immers is er maar één hypostase van het Woord geweest en nooit waren er twee."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Was Christus mens in de drie dagen van zijn dood?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 52 a. 3 arg. 2[t:iiia q. 52 a. 3 arg. 2]
IIIa q. 50 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was. Augustinus immers zegt: "Die aanname was zo, dat zij God mens maakte en de mens God." Die aanname echter hield niet op met de dood. Dus hield Hij met de dood niet op mens te zijn.
IIIa q. 52 a. 3 arg. 2[t:iiia q. 52 a. 3 arg. 2]
IIIa q. 50 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was. Augustinus immers zegt: "Die aanname was zo, dat zij God mens maakte en de mens God." Die aanname echter hield niet op met de dood. Dus hield Hij met de dood niet op mens te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De Wijsgeer zegt, dat "iedere mens zijn intellect is." Vandaar dat wij ook na de dood van Petrus zijn ziel toesprekend zeggen: "Heilige Petrus, bid voor ons." Maar de Zoon Gods was na de dood niet gescheiden van zijn intellectuele ziel. Dus was de Zoon Gods gedurende die drie dagen mens.
Vervolgens. De Wijsgeer zegt, dat "iedere mens zijn intellect is." Vandaar dat wij ook na de dood van Petrus zijn ziel toesprekend zeggen: "Heilige Petrus, bid voor ons." Maar de Zoon Gods was na de dood niet gescheiden van zijn intellectuele ziel. Dus was de Zoon Gods gedurende die drie dagen mens.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Iedere priester is mens. Christus nu was in de drie dagen van zijn dood priester: anders toch zou het niet waar zijn wat gezegd wordt in het Boek der Psalmen (109. 4): "Gij zijt priester in eeuwigheid." Dus was Christus in die drie dagen mens.
B: (Ps 109:4) [b:Ps 109:4]
Vervolgens. Iedere priester is mens. Christus nu was in de drie dagen van zijn dood priester: anders toch zou het niet waar zijn wat gezegd wordt in het Boek der Psalmen (109. 4): "Gij zijt priester in eeuwigheid." Dus was Christus in die drie dagen mens.
B: (Ps 109:4) [b:Ps 109:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat wanneer het hogere wordt weggenomen, ook het lagere vervalt. Levend of bezield zijn nu is hoger dan dier of mens, want een dier is een bezielde zintuigelijke substantie. In de drie dagen van de dood echter was het lichaam van Christus niet levend, noch bezield. Dus was Hij geen mens.
Daartegenover staat echter, dat wanneer het hogere wordt weggenomen, ook het lagere vervalt. Levend of bezield zijn nu is hoger dan dier of mens, want een dier is een bezielde zintuigelijke substantie. In de drie dagen van de dood echter was het lichaam van Christus niet levend, noch bezield. Dus was Hij geen mens.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 4 co.
Mijn antwoord. Het is een geloofspunt, dat Christus waarlijk gestorven is. Dus is elke bewering, waardoor de waarachtigheid van Christus' dood wordt weggenomen, een dwaling tegen het geloof. Daarom zegt Cyrillus: "Indien iemand niet belijdt, dat het Woord Gods in het vlees geleden heeft, en in het vlees gebruikelijk is en in het vlees de dood gesmaakt heeft, dan zij hij gevloekt." Voor de echtheid van de dood van mens of dier wordt echter vereist, dat hij ophoudt mens of dier te zijn: de dood immers van mens of dier komt voort uit de scheiding van de ziel, die juist als voornaamste tot het wezen van dier of mens behoort. En daarom is het, zonder meer en absoluut gesproken, een dwaling te beweren, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was. Men kan echter wel zeggen, dat Christus in die drie dagen een gestorven mens was. Sommigen echter hebben beleden, dat Christus in die drie dagen mens was, waarmede zij wel woorden gebruikten, die een dwaling inhielden, maar in hun geloof hingen zij niet de zin dier dwaling aan; zo zegt Hugo van S. Victor, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was, om deze reden, dat hij hield, dat de ziel de mens was. Dit is echter vals, zoals in het Eerste Deel gezegd is (75° Kw. 4° Art.). — Ook de Magister hield, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was om een andere reden: hij hield nl., dat de vereniging van ziel en lichaam niet tot het wezen van de mens behoorde, maar opdat iets mens zou zijn, was het voldoende, dat het een menselijke ziel en 'n lichaam had, hetzij verbonden, hetzij niet verbonden. Ook dit blijkt vals te zijn uit hetgeen gezegd werd in het Eerste Deel (76° Kw. 1° Art.) en uit hetgeen boven gezegd werd over de wijze der vereniging (2° Kw. 5° Art.).
R: I q. 75 a. 4[t:ia q. 75 a. 4] I q. 75 a. 4[t:ia q. 75 a. 4] q. 2 a. 5[t:iiia q. 2 a. 5]
Mijn antwoord. Het is een geloofspunt, dat Christus waarlijk gestorven is. Dus is elke bewering, waardoor de waarachtigheid van Christus' dood wordt weggenomen, een dwaling tegen het geloof. Daarom zegt Cyrillus: "Indien iemand niet belijdt, dat het Woord Gods in het vlees geleden heeft, en in het vlees gebruikelijk is en in het vlees de dood gesmaakt heeft, dan zij hij gevloekt." Voor de echtheid van de dood van mens of dier wordt echter vereist, dat hij ophoudt mens of dier te zijn: de dood immers van mens of dier komt voort uit de scheiding van de ziel, die juist als voornaamste tot het wezen van dier of mens behoort. En daarom is het, zonder meer en absoluut gesproken, een dwaling te beweren, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was. Men kan echter wel zeggen, dat Christus in die drie dagen een gestorven mens was. Sommigen echter hebben beleden, dat Christus in die drie dagen mens was, waarmede zij wel woorden gebruikten, die een dwaling inhielden, maar in hun geloof hingen zij niet de zin dier dwaling aan; zo zegt Hugo van S. Victor, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was, om deze reden, dat hij hield, dat de ziel de mens was. Dit is echter vals, zoals in het Eerste Deel gezegd is (75° Kw. 4° Art.). — Ook de Magister hield, dat Christus in de drie dagen van zijn dood mens was om een andere reden: hij hield nl., dat de vereniging van ziel en lichaam niet tot het wezen van de mens behoorde, maar opdat iets mens zou zijn, was het voldoende, dat het een menselijke ziel en 'n lichaam had, hetzij verbonden, hetzij niet verbonden. Ook dit blijkt vals te zijn uit hetgeen gezegd werd in het Eerste Deel (76° Kw. 1° Art.) en uit hetgeen boven gezegd werd over de wijze der vereniging (2° Kw. 5° Art.).
R: I q. 75 a. 4[t:ia q. 75 a. 4] I q. 75 a. 4[t:ia q. 75 a. 4] q. 2 a. 5[t:iiia q. 2 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Het Woord Gods nam ziel en lichaam, samen verenigd, aan: en daarom maakte die aanname God tot mens en de mens tot God. Deze aanname hield ook niet op door de scheiding van het Woord van de ziel of van het vlees; maar de vereniging van vlees en ziel hield op.
1e Weerlegging. Het Woord Gods nam ziel en lichaam, samen verenigd, aan: en daarom maakte die aanname God tot mens en de mens tot God. Deze aanname hield ook niet op door de scheiding van het Woord van de ziel of van het vlees; maar de vereniging van vlees en ziel hield op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. We zeggen, dat de mens zijn intellect is, niet omdat het intellect de gehele mens is, maar omdat het intellect het voornaamste deel is in de mens, waarin virtueel de gehele beschikking van de mens gelegen is; evenals wanneer de bestuurder van een staat, de gehele staat genoemd wordt, wijl van hem de gehele ordening der staat afhankelijk is.
2e Weerlegging. We zeggen, dat de mens zijn intellect is, niet omdat het intellect de gehele mens is, maar omdat het intellect het voornaamste deel is in de mens, waarin virtueel de gehele beschikking van de mens gelegen is; evenals wanneer de bestuurder van een staat, de gehele staat genoemd wordt, wijl van hem de gehele ordening der staat afhankelijk is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De mens komt het toe priester te zijn krachtens zijn ziel, waarin het priesterlijke merkteken zich bevindt: vandaar dat de mens door de dood niet zijn priesterlijke wijding verliest. En veel minder Christus, die de oorsprong van geheel het priesterschap is.
3e Weerlegging. De mens komt het toe priester te zijn krachtens zijn ziel, waarin het priesterlijke merkteken zich bevindt: vandaar dat de mens door de dood niet zijn priesterlijke wijding verliest. En veel minder Christus, die de oorsprong van geheel het priesterschap is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Was het lichaam van de levende en de gestorven Christus numeriek hetzelfde?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 76 a. 1 ad 1[t:iiia q. 76 a. 1 ad 1]
IIIa q. 50 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het lichaam van de levende en de gestorven Christus niet numeriek hetzelfde was. Christus toch is werkelijk gestorven, zoals ook andere mensen sterven. Het lichaam echter van iedere andere mens is dood en levend niet zonder meer numeriek hetzelfde, daar zij wezenlijk verschillen. Dus is ook het lichaam van Christus bij dood en leven, niet zonder meer numeriek hetzelfde.
IIIa q. 76 a. 1 ad 1[t:iiia q. 76 a. 1 ad 1]
IIIa q. 50 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het lichaam van de levende en de gestorven Christus niet numeriek hetzelfde was. Christus toch is werkelijk gestorven, zoals ook andere mensen sterven. Het lichaam echter van iedere andere mens is dood en levend niet zonder meer numeriek hetzelfde, daar zij wezenlijk verschillen. Dus is ook het lichaam van Christus bij dood en leven, niet zonder meer numeriek hetzelfde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Volgens de Wijsgeer "zijn dingen die soortelijk verschillen, ook numeriek verschillend." Het lichaam van Christus nu was bij leven en dood soortelijk verschillend, daar wij niet spreken van het oog of het vlees van een dode, tenzij in afgeleide zin, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Derhalve was het lichaam van Christus, bij leven en dood, niet zonder meer numeriek hetzelfde.
Vervolgens. Volgens de Wijsgeer "zijn dingen die soortelijk verschillen, ook numeriek verschillend." Het lichaam van Christus nu was bij leven en dood soortelijk verschillend, daar wij niet spreken van het oog of het vlees van een dode, tenzij in afgeleide zin, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Derhalve was het lichaam van Christus, bij leven en dood, niet zonder meer numeriek hetzelfde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 5 arg. 3
Vervolgens. De dood is een zeker bederf. Als iets nu bederft door een bederf in de zelfstandigheid, dan is het na het bederf reeds niet meer, wijl bederf een verandering is van zijn tot niet-zijn. Het lichaam van Christus bleef dus na de dood niet numeriek hetzelfde, wijl de dood een zelfstandigheidsbederf is.
Vervolgens. De dood is een zeker bederf. Als iets nu bederft door een bederf in de zelfstandigheid, dan is het na het bederf reeds niet meer, wijl bederf een verandering is van zijn tot niet-zijn. Het lichaam van Christus bleef dus na de dood niet numeriek hetzelfde, wijl de dood een zelfstandigheidsbederf is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter dat Athanasius zegt: "Toen het lichaam besneden werd, en toen het dronk, en toen het at, en werkte, en toen het aan het kruis gehecht werd, was het 't onlijdelijke en onlichamelijke Woord Gods; dit werd in het graf gelegd." Maar het levende lichaam van Christus werd besneden en aan het kruis gehecht; het gestorven lichaam echter van Christus werd in het graf gelegd. Dus het was hetzelfde lichaam, dat leefde, en dat dood was.
Daartegenover staat echter dat Athanasius zegt: "Toen het lichaam besneden werd, en toen het dronk, en toen het at, en werkte, en toen het aan het kruis gehecht werd, was het 't onlijdelijke en onlichamelijke Woord Gods; dit werd in het graf gelegd." Maar het levende lichaam van Christus werd besneden en aan het kruis gehecht; het gestorven lichaam echter van Christus werd in het graf gelegd. Dus het was hetzelfde lichaam, dat leefde, en dat dood was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 5 co.
Mijn antwoord. Als ik zeg: zonder meer, kan dit twee-voudig verstaan worden. — Vooreerst, in zoverre zonder meer hetzelfde is als absoluut; zoals "zonder meer gezegd wordt, wat zonder toevoeging gezegd wordt," gelijk de wijsgeer zegt. En op die manier was het lichaam van Christus dood en levend zonder meer numeriek hetzelfde. Iets wordt immers numeriek zonder meer hetzelfde genoemd, omdat het één is van suppositum. Het lichaam van Christus nu was dood en levend één van suppositum, daar het bij leven en dood geen andere hypostase had, als de hypostase van het Woord Gods, zoals boven gezegd is (2° Art. van deze Kw.). En zo bedoelt het Athanasius in de aangehaalde uitspraak. — Vervolgens is zonder meer hetzelfde als geheel of totaal. En zo was het lichaam van Christus bij dood en leven niet zonder meer numeriek hetzelfde. Want het was niet totaal hetzelfde, daar het leven iets is, dat tot het wezenlijke van een levend lichaam behoort; het is immers een wezenspraedicaat, niet een, dat bijkomstig is; dus volgt, dat het lichaam, dat ophoudt levend te zijn niet totaal hetzelfde blijft. Als men echter zou zeggen, dat het gestorven lichaam van Christus totaal hetzelfde bleef, dan zou daaruit volgen, dat het niet bedorven was, door het bederf van het dood, bedoel ik. Dit is echter de ketterij der Gaianitanen, zoals Isidorus zegt. En Damascenus zegt, dat "het woord bederf een dubbele betekenis heeft. Vooreerst de scheiding der ziel van het lichaam en dergelijk; ten tweede, de volledige ontbinding tot elementen. Daarom is het goddeloos met Julianus en Gaianus te zeggen, dat het lichaam van Christus vóór de verrijzenis op de eerstgenoemde wijze onbederfelijk was, omdat dan het "lichaam van Christus" niet van dezelfde zelfstandigheid zou zijn als wij, en het niet in waarheid zou gestorven zijn, en wij niet naar waarheid zouden gered zijn. Op de tweede manier echter is het lichaam van Christus niet bedorven."
R: q. 50 a. 2[t:iiia q. 50 a. 2]
Mijn antwoord. Als ik zeg: zonder meer, kan dit twee-voudig verstaan worden. — Vooreerst, in zoverre zonder meer hetzelfde is als absoluut; zoals "zonder meer gezegd wordt, wat zonder toevoeging gezegd wordt," gelijk de wijsgeer zegt. En op die manier was het lichaam van Christus dood en levend zonder meer numeriek hetzelfde. Iets wordt immers numeriek zonder meer hetzelfde genoemd, omdat het één is van suppositum. Het lichaam van Christus nu was dood en levend één van suppositum, daar het bij leven en dood geen andere hypostase had, als de hypostase van het Woord Gods, zoals boven gezegd is (2° Art. van deze Kw.). En zo bedoelt het Athanasius in de aangehaalde uitspraak. — Vervolgens is zonder meer hetzelfde als geheel of totaal. En zo was het lichaam van Christus bij dood en leven niet zonder meer numeriek hetzelfde. Want het was niet totaal hetzelfde, daar het leven iets is, dat tot het wezenlijke van een levend lichaam behoort; het is immers een wezenspraedicaat, niet een, dat bijkomstig is; dus volgt, dat het lichaam, dat ophoudt levend te zijn niet totaal hetzelfde blijft. Als men echter zou zeggen, dat het gestorven lichaam van Christus totaal hetzelfde bleef, dan zou daaruit volgen, dat het niet bedorven was, door het bederf van het dood, bedoel ik. Dit is echter de ketterij der Gaianitanen, zoals Isidorus zegt. En Damascenus zegt, dat "het woord bederf een dubbele betekenis heeft. Vooreerst de scheiding der ziel van het lichaam en dergelijk; ten tweede, de volledige ontbinding tot elementen. Daarom is het goddeloos met Julianus en Gaianus te zeggen, dat het lichaam van Christus vóór de verrijzenis op de eerstgenoemde wijze onbederfelijk was, omdat dan het "lichaam van Christus" niet van dezelfde zelfstandigheid zou zijn als wij, en het niet in waarheid zou gestorven zijn, en wij niet naar waarheid zouden gered zijn. Op de tweede manier echter is het lichaam van Christus niet bedorven."
R: q. 50 a. 2[t:iiia q. 50 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Het gestorven lichaam van iedere andere mens blijft niet verenigd met de een of andere blijvende hypostase, zoals het gestorven lichaam van Christus. En daarom is het gestorven lichaam van elke andere mens niet zonder meer eender, maar in een bepaald opzicht: daar het naar de materie hetzelfde is, niet naar de vorm. Het lichaam van Christus echter bleef hetzelfde zonder meer, van wege de identiteit van het supposituum zoals gezegd is (in de Leerstelling).
1e Weerlegging. Het gestorven lichaam van iedere andere mens blijft niet verenigd met de een of andere blijvende hypostase, zoals het gestorven lichaam van Christus. En daarom is het gestorven lichaam van elke andere mens niet zonder meer eender, maar in een bepaald opzicht: daar het naar de materie hetzelfde is, niet naar de vorm. Het lichaam van Christus echter bleef hetzelfde zonder meer, van wege de identiteit van het supposituum zoals gezegd is (in de Leerstelling).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Aangezien iets numeriek hetzelfde genoemd wordt om het suppositum, en wat soortelijk hetzelfde is, gelijk is in vorm, daarom moet overal, waar het suppositum zelfstandig staat in slechts één natuur, de numerieke eenheid opgeheven worden, zodra de eenheid van soort wordt weggenomen. Maar de hypostase van het Woord Gods bestaat zelfstandig in twee naturen. En ofschoon in Christus het lichaam naar de soort der menselijke natuur niet hetzelfde bleef, bleef het toch numeriek hetzelfde krachtens het suppositum van het Woord Gods.
2e Weerlegging. Aangezien iets numeriek hetzelfde genoemd wordt om het suppositum, en wat soortelijk hetzelfde is, gelijk is in vorm, daarom moet overal, waar het suppositum zelfstandig staat in slechts één natuur, de numerieke eenheid opgeheven worden, zodra de eenheid van soort wordt weggenomen. Maar de hypostase van het Woord Gods bestaat zelfstandig in twee naturen. En ofschoon in Christus het lichaam naar de soort der menselijke natuur niet hetzelfde bleef, bleef het toch numeriek hetzelfde krachtens het suppositum van het Woord Gods.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Christus was niet onderhevig aan bederf en dood krachtens het suppositum, waarnaar de eenheid genomen wordt, maar wegens zijn natuur, krachtens welke er een verschil van dood en leven is.
3e Weerlegging. Christus was niet onderhevig aan bederf en dood krachtens het suppositum, waarnaar de eenheid genomen wordt, maar wegens zijn natuur, krachtens welke er een verschil van dood en leven is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Heeft de dood van Christus iets uitgewerkt tot ons heil?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 51 a. 4 co.[t:iiia q. 51 a. 4 co.]
IIIa q. 50 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de dood van Christus niets heeft uitgewerkt tot ons heil. De dood toch is een zeker gemis, het is immers gemis aan leven. Maar een gemis heeft, daar het niet een ding is, geen kracht tot werken. Dus kon hij niets uitwerken tot ons heil.
IIIa q. 51 a. 4 co.[t:iiia q. 51 a. 4 co.]
IIIa q. 50 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de dood van Christus niets heeft uitgewerkt tot ons heil. De dood toch is een zeker gemis, het is immers gemis aan leven. Maar een gemis heeft, daar het niet een ding is, geen kracht tot werken. Dus kon hij niets uitwerken tot ons heil.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Het lijden van Christus heeft ons heil bewerkt bij wijze van verdienste. Maar zo kon de dood van Christus niet werken, want bij de dood wordt de ziel van het lichaam gescheiden, en deze is het beginsel van verdienste. Dus heeft de dood van Christus niets tot ons heil uitgewerkt.
Vervolgens. Het lijden van Christus heeft ons heil bewerkt bij wijze van verdienste. Maar zo kon de dood van Christus niet werken, want bij de dood wordt de ziel van het lichaam gescheiden, en deze is het beginsel van verdienste. Dus heeft de dood van Christus niets tot ons heil uitgewerkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Het lichamelijke is geen oorzaak van iets geestelijks. De dood van Christus nu was iets lichamelijks. Dus kon hij geen oorzaak zijn van ons geestelijk heil.
Vervolgens. Het lichamelijke is geen oorzaak van iets geestelijks. De dood van Christus nu was iets lichamelijks. Dus kon hij geen oorzaak zijn van ons geestelijk heil.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "De ene dood van onze Zaligmaker," de lichamelijke nl., "strekte tot heil van onze dubbele dood" d. i. die van onze ziel en van ons lichaam.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "De ene dood van onze Zaligmaker," de lichamelijke nl., "strekte tot heil van onze dubbele dood" d. i. die van onze ziel en van ons lichaam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 6 co.
Mijn antwoord. Op dubbele wijze kunnen wij over Christus' dood spreken: vooreerst, voor zover hij nog geschiedt; ten tweede, voor zover hij reeds gebeurd is. — Men zegt nu, dat de dood geschiedt, wanneer iemand door een of ander lijden, hetzij dit natuurlijk is, hetzij gewelddadig, op weg is naar de dood. En zo opgevat, komt het op hetzelfde neer om te spreken over de dood van Christus of over zijn lijden. En zo is volgens deze wijze van spreken, Christus' dood oorzaak van ons heil, naar de wijze waarop dit boven van zijn lijden gezegd is (48° Kw.). — De dood van Christus wordt echter als gebeurd beschouwd, wanneer de scheiding van lichaam en ziel heeft plaats gehad. En zo spreken wij nu over de dood van Christus. Op deze wijze echter kan de dood van Christus geen oorzaak van ons heil zijn bij wijze van verdienste, maar alleen op uitwerkende wijze, in zover namelijk ook door de dood de Godheid niet van Christus' vlees gescheiden werd, en daarom al wat er plaats greep met het lichaam van Christus, ook na de scheiding der ziel, voor ons heilrijk was uit kracht der Godheid, die er mee verenigd was. Een effect nu wordt juist als effect ener oorzaak beschouwd, in zover het gelijkt op die oorzaak. En daar nu de dood een gemis is aan eigen leven, wordt het effect van Christus' dood opgevat in verband met de verwijdering van datgene, wat ons heil in de weg staat, d. i. de geestelijke en lichamelijke dood. En daarom zeggen we, dat door de dood van Christus in ons is te niet gedaan, zowel de dood der ziel, welke veroorzaakt wordt door onze zonde, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (4. 25): "Hij is overgeleverd," namelijk tot de dood, "om onze misdaden;" alsook de lichamelijke dood, welke bestaat in de afscheiding der ziel; naar het woord in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 54): "De dood is verzwolgen in overwinning."
B: (Rom 4:25) [b:Rom 4:25] (1Cor 15:54) [b:1Cor 15:54]
R: q. 48[t:iiia q. 48]
Mijn antwoord. Op dubbele wijze kunnen wij over Christus' dood spreken: vooreerst, voor zover hij nog geschiedt; ten tweede, voor zover hij reeds gebeurd is. — Men zegt nu, dat de dood geschiedt, wanneer iemand door een of ander lijden, hetzij dit natuurlijk is, hetzij gewelddadig, op weg is naar de dood. En zo opgevat, komt het op hetzelfde neer om te spreken over de dood van Christus of over zijn lijden. En zo is volgens deze wijze van spreken, Christus' dood oorzaak van ons heil, naar de wijze waarop dit boven van zijn lijden gezegd is (48° Kw.). — De dood van Christus wordt echter als gebeurd beschouwd, wanneer de scheiding van lichaam en ziel heeft plaats gehad. En zo spreken wij nu over de dood van Christus. Op deze wijze echter kan de dood van Christus geen oorzaak van ons heil zijn bij wijze van verdienste, maar alleen op uitwerkende wijze, in zover namelijk ook door de dood de Godheid niet van Christus' vlees gescheiden werd, en daarom al wat er plaats greep met het lichaam van Christus, ook na de scheiding der ziel, voor ons heilrijk was uit kracht der Godheid, die er mee verenigd was. Een effect nu wordt juist als effect ener oorzaak beschouwd, in zover het gelijkt op die oorzaak. En daar nu de dood een gemis is aan eigen leven, wordt het effect van Christus' dood opgevat in verband met de verwijdering van datgene, wat ons heil in de weg staat, d. i. de geestelijke en lichamelijke dood. En daarom zeggen we, dat door de dood van Christus in ons is te niet gedaan, zowel de dood der ziel, welke veroorzaakt wordt door onze zonde, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (4. 25): "Hij is overgeleverd," namelijk tot de dood, "om onze misdaden;" alsook de lichamelijke dood, welke bestaat in de afscheiding der ziel; naar het woord in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 54): "De dood is verzwolgen in overwinning."
B: (Rom 4:25) [b:Rom 4:25] (1Cor 15:54) [b:1Cor 15:54]
R: q. 48[t:iiia q. 48]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. De dood van Christus heeft ons heil bewerkt uit kracht der Godheid, die ermee verenigd was, en niet krachtens de dood alleen.
1e Weerlegging. De dood van Christus heeft ons heil bewerkt uit kracht der Godheid, die ermee verenigd was, en niet krachtens de dood alleen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Ofschoon de dood van Christus, voor zover hij beschouwd wordt als gebeurd, niet bij wijze van verdienste ons heil bewerkt heeft, heeft hij toch daartoe meegewerkt op uitwerkende wijze, zoals gezegd is (in de Leerst.).
2e Weerlegging. Ofschoon de dood van Christus, voor zover hij beschouwd wordt als gebeurd, niet bij wijze van verdienste ons heil bewerkt heeft, heeft hij toch daartoe meegewerkt op uitwerkende wijze, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 50 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Wel was de dood van Christus iets lichamelijks, maar dat lichaam was het werktuig van de Godheid, die er mee verenigd was, en werkte in haar kracht, ook toen het gestorven was.
3e Weerlegging. Wel was de dood van Christus iets lichamelijks, maar dat lichaam was het werktuig van de Godheid, die er mee verenigd was, en werkte in haar kracht, ook toen het gestorven was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 51: Over Christus’ begrafenis
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 52 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 52 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 51 pr.
Vervolgens moeten wij handelen over de begrafenis van Christus, en hierover stellen wij vier vragen:
1. Was het passend, dat Christus begraven werd?
2. Over de wijze van begraven.
3. Kwam zijn lichaam in het graf tot ontbinding?
4. Over de tijd, gedurende welke Hij in het graf lag.
IIIa q. 52 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 52 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 51 pr.
Vervolgens moeten wij handelen over de begrafenis van Christus, en hierover stellen wij vier vragen:
1. Was het passend, dat Christus begraven werd?
2. Over de wijze van begraven.
3. Kwam zijn lichaam in het graf tot ontbinding?
4. Over de tijd, gedurende welke Hij in het graf lag.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was het passend, dat Christus begraven werd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 51 a. 3 arg. 3
IIIa q. 51 a. 3 ad 1[t:iiia q. 51 a. 3 arg. 3][t:iiia q. 51 a. 3 ad 1]
IIIa q. 51 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus begraven werd. Van Christus toch wordt gezegd in het Boek der Psalmen (87.6): "Ik ben geworden als een hulpeloos mens, een vrije onder de doden." In het graf echter worden de lichamen der doden ingesloten, wat strijdig is met vrijheid. Dus was het niet passend, dat het lichaam van Christus begraven werd.
B: (Ps 87:6) [b:Ps 87:6]
IIIa q. 51 a. 3 arg. 3
IIIa q. 51 a. 3 ad 1[t:iiia q. 51 a. 3 arg. 3][t:iiia q. 51 a. 3 ad 1]
IIIa q. 51 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus begraven werd. Van Christus toch wordt gezegd in het Boek der Psalmen (87.6): "Ik ben geworden als een hulpeloos mens, een vrije onder de doden." In het graf echter worden de lichamen der doden ingesloten, wat strijdig is met vrijheid. Dus was het niet passend, dat het lichaam van Christus begraven werd.
B: (Ps 87:6) [b:Ps 87:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Met Christus moest er niets gebeuren, wat voor ons niet heilbrengend was. Dat Christus begraven werd, schijnt echter in geen enkel opzicht iets te maken te hebben met het heil der mensen. Dus was het niet passend, dat Hij begraven werd.
Vervolgens. Met Christus moest er niets gebeuren, wat voor ons niet heilbrengend was. Dat Christus begraven werd, schijnt echter in geen enkel opzicht iets te maken te hebben met het heil der mensen. Dus was het niet passend, dat Hij begraven werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Het past niet, dat God, die boven de hemelen verheven is, in de aarde begraven werd. Wat het lichaam van Christus echter overkomen is, wordt van wege de vereniging aan God toegeschreven. Dus was het niet passend, dat Christus begraven werd.
Vervolgens. Het past niet, dat God, die boven de hemelen verheven is, in de aarde begraven werd. Wat het lichaam van Christus echter overkomen is, wordt van wege de vereniging aan God toegeschreven. Dus was het niet passend, dat Christus begraven werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Mattheus (26.10) de Heer aangaande de vrouw, die Hem gezalfd had, zegt: "Zij heeft een goed werk aan Mij gedaan" en vervolgens laat Hij er op volgen: "Want toen zij die balsem over Mij uitgoot, deed ze dat voor mijn begrafenis."
B: (Matt 26:10) [b:Matt 26:10] (Matt 26:12) [b:Matt 26:12]
Daartegenover staat echter, dat bij Mattheus (26.10) de Heer aangaande de vrouw, die Hem gezalfd had, zegt: "Zij heeft een goed werk aan Mij gedaan" en vervolgens laat Hij er op volgen: "Want toen zij die balsem over Mij uitgoot, deed ze dat voor mijn begrafenis."
B: (Matt 26:10) [b:Matt 26:10] (Matt 26:12) [b:Matt 26:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 1 co.
Mijn antwoord. Het was passend, dat Christus begraven werd. — Vooreerst, om de echtheid van zijn dood te bewijzen, want niemand wordt in het graf gelegd, tenzij men zeker is van zijn dood. Vandaar dat wij ook lezen bij Marcus (15. 44), dat Pilatus vóór hij tot de begrafenis van Christus toestemming gaf, door een nauwkeurig onderzoek wist, dat Hij gestorven was. — Ten tweede, omdat door de verrijzenis van Christus uit het graf, door Hem de hoop op de verrijzenis geschonken wordt aan hen, die in de graven zijn, naar de woorden bij Joannes (5. 25, 28): "Allen, die in de grafsteden zijn, zullen de stem van de Zoon Gods horen, en die haar gehoord hebben zullen leven." — Ten derde, om een voorbeeld te geven aan hen, die door Christus' dood op geestelijke wijze sterven aan de zonden, die zich namelijk verbergen voor de verstrooiingen der mensen. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Colossensen (3. 3): "Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God." Vandaar ook, dat de gedoopten, die door Christus' dood sterven aan de zonden, door de indompeling a. h. w. mede begraven worden met Christus, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 4): "Door het doopsel zijn wij met Christus mede begraven in de dood."
B: (Ps 30, Ps 30:21) [b:Ps 30] (Mark 15:44) [b:Mark 15:44] (Mark 15:45) [b:Mark 15:45] (John 5:25, John 5:25) [b:John 5:25] (John 5:28, John 5:28) [b:John 5:28] (Rom 6:4) [b:Rom 6:4] (Col 3:3) [b:Col 3:3]
Mijn antwoord. Het was passend, dat Christus begraven werd. — Vooreerst, om de echtheid van zijn dood te bewijzen, want niemand wordt in het graf gelegd, tenzij men zeker is van zijn dood. Vandaar dat wij ook lezen bij Marcus (15. 44), dat Pilatus vóór hij tot de begrafenis van Christus toestemming gaf, door een nauwkeurig onderzoek wist, dat Hij gestorven was. — Ten tweede, omdat door de verrijzenis van Christus uit het graf, door Hem de hoop op de verrijzenis geschonken wordt aan hen, die in de graven zijn, naar de woorden bij Joannes (5. 25, 28): "Allen, die in de grafsteden zijn, zullen de stem van de Zoon Gods horen, en die haar gehoord hebben zullen leven." — Ten derde, om een voorbeeld te geven aan hen, die door Christus' dood op geestelijke wijze sterven aan de zonden, die zich namelijk verbergen voor de verstrooiingen der mensen. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Colossensen (3. 3): "Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God." Vandaar ook, dat de gedoopten, die door Christus' dood sterven aan de zonden, door de indompeling a. h. w. mede begraven worden met Christus, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 4): "Door het doopsel zijn wij met Christus mede begraven in de dood."
B: (Ps 30, Ps 30:21) [b:Ps 30] (Mark 15:44) [b:Mark 15:44] (Mark 15:45) [b:Mark 15:45] (John 5:25, John 5:25) [b:John 5:25] (John 5:28, John 5:28) [b:John 5:28] (Rom 6:4) [b:Rom 6:4] (Col 3:3) [b:Col 3:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De begraven Christus toonde hierdoor dat Hij vrij was te midden van de doden, doordat de insluiting in het graf Hem niet kon beletten, verrijzend eruit op te staan.
1e Weerlegging. De begraven Christus toonde hierdoor dat Hij vrij was te midden van de doden, doordat de insluiting in het graf Hem niet kon beletten, verrijzend eruit op te staan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Christus' begrafenis heeft evenals zijn dood op uitwerkende wijze ons heil bewerkt. Vandaar dat Hieronymus zegt: "Door de begrafenis van Christus, verrijzen wij;" en bij de woorden in Isaïas (53. 9): "Hij zal de goddelozen geven voor zijn begrafenis," zegt de Glossa: "d. i. Hij zal de heidenen, die zonder vroomheid waren, aan zijn God en Vader geven, daar Hij door zijn dood en begrafenis hen heeft verworven."
B: (Isa 53:9) [b:Isa 53:9]
2e Weerlegging. Christus' begrafenis heeft evenals zijn dood op uitwerkende wijze ons heil bewerkt. Vandaar dat Hieronymus zegt: "Door de begrafenis van Christus, verrijzen wij;" en bij de woorden in Isaïas (53. 9): "Hij zal de goddelozen geven voor zijn begrafenis," zegt de Glossa: "d. i. Hij zal de heidenen, die zonder vroomheid waren, aan zijn God en Vader geven, daar Hij door zijn dood en begrafenis hen heeft verworven."
B: (Isa 53:9) [b:Isa 53:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Zoals gezegd wordt in een preek op het concilie van Ephese: "Niets, wat de mensen zalig maakt, doet onrecht aan God, daar die dingen Hem niet lijdelijk tonen, maar goedertieren;" en in een andere preek van hetzelfde concilie: "Niets, wat de mensen een heilsgelegenheid biedt, beschouwt God als onrecht. En wilt gij nu niet menen, dat Gods natuur zo laag staat, dat Hij soms aan onrecht onderworpen zijn kan."
3e Weerlegging. Zoals gezegd wordt in een preek op het concilie van Ephese: "Niets, wat de mensen zalig maakt, doet onrecht aan God, daar die dingen Hem niet lijdelijk tonen, maar goedertieren;" en in een andere preek van hetzelfde concilie: "Niets, wat de mensen een heilsgelegenheid biedt, beschouwt God als onrecht. En wilt gij nu niet menen, dat Gods natuur zo laag staat, dat Hij soms aan onrecht onderworpen zijn kan."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is Christus op passende wijze begraven?
IIIa q. 51 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus niet op passende wijze begraven is. Zijn begrafenis toch beantwoordt aan zijn dood. Christus echter is de schandelijkste dood gestorven naar het woord van het Boek der Wijsheid (2. 20): "Laten wij hem tot de schandelijkste dood veroordelen." Dus was het niet passend, dat Christus een eervolle begrafenis werd geschonken, in zover Hij door aanzienlijken begraven werd, namelijk door Joseph van Arimathea, die "een voornaam raadsheer" was, zoals Marcus (15. 43) zegt, en door Nicodemus, die "een overste der Joden" was, zoals Joannes (3. 1) zegt.
B: (Mark 15:43) [b:Mark 15:43] (John 3:1) [b:John 3:1] (Wis 2:20) [b:Wis 2:20]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus niet op passende wijze begraven is. Zijn begrafenis toch beantwoordt aan zijn dood. Christus echter is de schandelijkste dood gestorven naar het woord van het Boek der Wijsheid (2. 20): "Laten wij hem tot de schandelijkste dood veroordelen." Dus was het niet passend, dat Christus een eervolle begrafenis werd geschonken, in zover Hij door aanzienlijken begraven werd, namelijk door Joseph van Arimathea, die "een voornaam raadsheer" was, zoals Marcus (15. 43) zegt, en door Nicodemus, die "een overste der Joden" was, zoals Joannes (3. 1) zegt.
B: (Mark 15:43) [b:Mark 15:43] (John 3:1) [b:John 3:1] (Wis 2:20) [b:Wis 2:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Met Christus mocht er niets gebeuren, dat een voorbeeld zou kunnen geven van verkwisting. 't Had echter iets weg van verkwisting, dat "Nicodemus" voor Christus’ begrafenis "kwam met een mengsel van myrrhe en aloë-bladeren, ongeveer honderd pond," zoals Joannes (19. 39) zegt, vooral daar een vrouw "vooraf reeds zijn lichaam had gezalfd ter begrafenis," zoals Marcus (14. 8) zegt. Dus is dit niet passend met Christus gebeurd.
B: (Mark 14:28) [b:Mark 14:28]
Vervolgens. Met Christus mocht er niets gebeuren, dat een voorbeeld zou kunnen geven van verkwisting. 't Had echter iets weg van verkwisting, dat "Nicodemus" voor Christus’ begrafenis "kwam met een mengsel van myrrhe en aloë-bladeren, ongeveer honderd pond," zoals Joannes (19. 39) zegt, vooral daar een vrouw "vooraf reeds zijn lichaam had gezalfd ter begrafenis," zoals Marcus (14. 8) zegt. Dus is dit niet passend met Christus gebeurd.
B: (Mark 14:28) [b:Mark 14:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Het is niet behoorlijk, dat een of ander feit met zichzelf een wanklank vormt. De begrafenis nu van Christus was van de ene kant eenvoudig, daar Joseph nl. "zijn lichaam in een rein lijnwaad wikkelde," zoals Mattheus (127. 59) zegt, "niet" echter "in goud of edelgesteente of zijde," zoals Hieronymus daar zegt; van de andere kant echter heeft ze met praal plaats gehad, in zoverre ze Hem met reukwerken begroeven. Dus was dit geen passende wijze, om Christus te begraven.
B: (John 19:40, John 19:40) [b:John 19:40]
Vervolgens. Het is niet behoorlijk, dat een of ander feit met zichzelf een wanklank vormt. De begrafenis nu van Christus was van de ene kant eenvoudig, daar Joseph nl. "zijn lichaam in een rein lijnwaad wikkelde," zoals Mattheus (127. 59) zegt, "niet" echter "in goud of edelgesteente of zijde," zoals Hieronymus daar zegt; van de andere kant echter heeft ze met praal plaats gehad, in zoverre ze Hem met reukwerken begroeven. Dus was dit geen passende wijze, om Christus te begraven.
B: (John 19:40, John 19:40) [b:John 19:40]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 2 arg. 4
Vervolgens. "Al wat geschreven is," vooral met betrekking tot Christus, "is tot onze onderrichting geschreven," zoals in de Brief aan de Romeinen (15. 4) gezegd wordt. In de evangelieën worden echter sommige dingen over Christus’ begrafenis geschreven, die niets met onze onderrichting schijnen uit te staan te hebben; b. v. dat Hij begraven werd in de tuin, in het graf van een ander, in een nieuw graf, in een graf, dat in een rots was uitgehouwen. Dus was het geen passende wijze, om Christus te begraven.
B: (Rom 15:4) [b:Rom 15:4]
Vervolgens. "Al wat geschreven is," vooral met betrekking tot Christus, "is tot onze onderrichting geschreven," zoals in de Brief aan de Romeinen (15. 4) gezegd wordt. In de evangelieën worden echter sommige dingen over Christus’ begrafenis geschreven, die niets met onze onderrichting schijnen uit te staan te hebben; b. v. dat Hij begraven werd in de tuin, in het graf van een ander, in een nieuw graf, in een graf, dat in een rots was uitgehouwen. Dus was het geen passende wijze, om Christus te begraven.
B: (Rom 15:4) [b:Rom 15:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Isaïas (11. 10) gezegd wordt: “Zijn graf zal glorierijk zijn.”
B: (Isa 11:10) [b:Isa 11:10]
Daartegenover staat echter, dat bij Isaïas (11. 10) gezegd wordt: “Zijn graf zal glorierijk zijn.”
B: (Isa 11:10) [b:Isa 11:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 2 co.
Mijn antwoord. De wijze, waarop Christus begraven werd, blijkt passend geweest te zijn om drie redenen. — Vooreerst, om het geloof in zijn dood en verrijzenis te versterken. — Ten tweede, ter aanbeveling van de vroomheid der mensen, die Hem begroeven. Vandaar dat Augustinus zegt: "Met lof worden die mensen in het evangelie vermeld, die zijn lichaam van het kruis afnamen, het zorgvuldig en eervol bedekten, en zorgden voor zijn begrafenis." — Ten derde, ter wille van het mysterie, waardoor zij onderricht worden, die met Christus in de dood begraven worden.
B: (Rom 6:4) [b:Rom 6:4]
Mijn antwoord. De wijze, waarop Christus begraven werd, blijkt passend geweest te zijn om drie redenen. — Vooreerst, om het geloof in zijn dood en verrijzenis te versterken. — Ten tweede, ter aanbeveling van de vroomheid der mensen, die Hem begroeven. Vandaar dat Augustinus zegt: "Met lof worden die mensen in het evangelie vermeld, die zijn lichaam van het kruis afnamen, het zorgvuldig en eervol bedekten, en zorgden voor zijn begrafenis." — Ten derde, ter wille van het mysterie, waardoor zij onderricht worden, die met Christus in de dood begraven worden.
B: (Rom 6:4) [b:Rom 6:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Met betrekking tot de dood van Christus worden ons het geduld en de standvastigheid onder het oog gebracht van Hem, die de dood onderging, en wel des te levendiger, naarmate die dood meer weerzinwekkend was. In de eervolle begrafenis echter valt de kracht van de stervende te bewonderen, die nog na zijn dood tegen de bedoeling van zijn moordenaars in, eervol werd begraven; en hierin wordt de godsvrucht der gelovigen voorafgebeeld, die de gestorven Christus zouden dienen.
1e Weerlegging. Met betrekking tot de dood van Christus worden ons het geduld en de standvastigheid onder het oog gebracht van Hem, die de dood onderging, en wel des te levendiger, naarmate die dood meer weerzinwekkend was. In de eervolle begrafenis echter valt de kracht van de stervende te bewonderen, die nog na zijn dood tegen de bedoeling van zijn moordenaars in, eervol werd begraven; en hierin wordt de godsvrucht der gelovigen voorafgebeeld, die de gestorven Christus zouden dienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Met de woorden: zij begroeven Hem "zoals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven" "vermaande" de Evangelist, zoals Augustinus zegt, "dat men bij de eerbewijzen, die men aan de doden brengt, de handelwijze van elk volk in acht moet nemen. Bij dat volk nu was het de gewoonte de lichamen der doden met verschillende reukwerken te behandelen, om ze langer tegen het bederf te bewaren." Vandaar wordt ook gezegd, dat "in al dergelijke aangelegenheden niet de gebruikte dingen, maar de willekeur schuldig is." En hij voegt er vervolgens aan toe: "Wat bij andere personen dikwijls een misdrijf inhoudt, is bij een goddelijke of profetische persoonlijkheid teken van grootheid." De myrrhe en aloë-balderen betekenen immers om hun bitterheid boetvaardigheid, waardoor iemand in zichzelf de Christus zonder het bederf der zonden bewaart; de geur der reukwerken daarentegen betekent de goede faam.
B: (John 19:40, John 19:40) [b:John 19:40]
2e Weerlegging. Met de woorden: zij begroeven Hem "zoals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven" "vermaande" de Evangelist, zoals Augustinus zegt, "dat men bij de eerbewijzen, die men aan de doden brengt, de handelwijze van elk volk in acht moet nemen. Bij dat volk nu was het de gewoonte de lichamen der doden met verschillende reukwerken te behandelen, om ze langer tegen het bederf te bewaren." Vandaar wordt ook gezegd, dat "in al dergelijke aangelegenheden niet de gebruikte dingen, maar de willekeur schuldig is." En hij voegt er vervolgens aan toe: "Wat bij andere personen dikwijls een misdrijf inhoudt, is bij een goddelijke of profetische persoonlijkheid teken van grootheid." De myrrhe en aloë-balderen betekenen immers om hun bitterheid boetvaardigheid, waardoor iemand in zichzelf de Christus zonder het bederf der zonden bewaart; de geur der reukwerken daarentegen betekent de goede faam.
B: (John 19:40, John 19:40) [b:John 19:40]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Myrrhe en aloë-balderen werden voor Christus’ lichaam gebruikt, om het vrij van bederf te bewaren, wat in zekere zin noodzakelijk scheen. Hierdoor wordt ons geleerd, dat wij kostbare dingen mogen gebruiken bij wijze van medicijn, als dat nodig is om ons lichaam goed te houden: dat het lichaam ingewikkeld werd, werd alleen vereist als passend eerbewijs. En in dergelijke aangelegenheden moeten wij met eenvoudige middelen tevreden zijn. Hierdoor werd echter betekend, dat "hij Jesus in een rein lijnwaad wikkelt, die Hem met een reine ziel ontvangt," zoals Hieronymus zegt. Daarom zegt Beda: "Het is in de Kerk gebruikelijk, het altaar-sacrificie te voltrekken niet op zijde, noch op gekleurde stof, maar op gewoon linnen, gelijk het lichaam van Christus in rein lijnwaad werd begraven."
B: (Mark 15:46) [b:Mark 15:46]
3e Weerlegging. Myrrhe en aloë-balderen werden voor Christus’ lichaam gebruikt, om het vrij van bederf te bewaren, wat in zekere zin noodzakelijk scheen. Hierdoor wordt ons geleerd, dat wij kostbare dingen mogen gebruiken bij wijze van medicijn, als dat nodig is om ons lichaam goed te houden: dat het lichaam ingewikkeld werd, werd alleen vereist als passend eerbewijs. En in dergelijke aangelegenheden moeten wij met eenvoudige middelen tevreden zijn. Hierdoor werd echter betekend, dat "hij Jesus in een rein lijnwaad wikkelt, die Hem met een reine ziel ontvangt," zoals Hieronymus zegt. Daarom zegt Beda: "Het is in de Kerk gebruikelijk, het altaar-sacrificie te voltrekken niet op zijde, noch op gekleurde stof, maar op gewoon linnen, gelijk het lichaam van Christus in rein lijnwaad werd begraven."
B: (Mark 15:46) [b:Mark 15:46]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. Christus wordt begraven in een tuin, om aan te geven, dat wij door zijn dood en begrafenis bevrijd worden van de dood, die wij opliepen door de zonde, welke Adam bedreef in de tuin van het paradijs. De Zaligmaker wordt echter daarom in een vreemd graf begraven, zoals Augustinus zegt, "wijl Hij stierf voor het heil van anderen; het graf toch is de woonplaats des doods." Hierdoor ook kunnen wij zien, hoe arm Hij voor ons geworden is. Want Hij, die tijdens zijn leven geen woonplaats had, wordt ook na zijn dood in een vreemd graf bijgezet, en naakt, wordt Hij door Joseph bedekt. Hij wordt echter in een nieuw graf gelegd, "opdat men na de verrijzenis niet zou verzinnen, dat een ander verrezen was, terwijl de andere lichamen achterbleven," zoals Hieronymus zegt. "Ook kan door de nieuwheid van het graf heengeduid worden op de maagdelijke schoot van Maria." Ook wordt hierdoor te kennen gegeven, dat wij allen door de begrafenis van Christus worden vernieuwd, nadat dood en bederf waren vernietigd. Hij is echter in een graf gelegd, dat in de rots was uitgehouwen, zoals Hieronymus zegt, "opdat men niet zou zeggen, als het gebouwd was geweest uit vele stenen, dat de fundamenten van het grafheuvel ondergraven waren en Hij gestolen was." Zo toont, ook de grote steen, die er voor gewenteld was, dat "het graf zonder de hulp van velen niet kon geopend worden." "Ook indien Hij in de aarde begraven was, kan men zeggen: Zij hebben het graf opgedolven en Hem gestolen," zoals Augustinus zegt. In mystieke zin echter wordt er door betekend, zoals Hilarius zegt, dat "door de leer der apostelen Christus gedragen wordt tot het versteende hart van de heidenen, uitgehouwen door het werk der onderrichting, nog ruw en nieuw en nooit te voren toegankelijk voor de vreze Gods. En omdat niets anders buiten Hem in onze harten mag binnentreden, daarom wordt een steen voor de opening gewenteld." En zoals Origines zegt "werd niet bij toeval neergeschreven, dat Joseph het lichaam van Christus in een rein lijnwaad wikkelde en het legde in een nieuw graf en dat hij er een grote steen voorwentelde, wijl alles wat betrekking heeft op het lichaam van Jesus, rein is, en nieuw, en zeer groot."
B: (Matt 27:60) [b:Matt 27:60] (Matt 27:64) [b:Matt 27:64]
4e Weerlegging. Christus wordt begraven in een tuin, om aan te geven, dat wij door zijn dood en begrafenis bevrijd worden van de dood, die wij opliepen door de zonde, welke Adam bedreef in de tuin van het paradijs. De Zaligmaker wordt echter daarom in een vreemd graf begraven, zoals Augustinus zegt, "wijl Hij stierf voor het heil van anderen; het graf toch is de woonplaats des doods." Hierdoor ook kunnen wij zien, hoe arm Hij voor ons geworden is. Want Hij, die tijdens zijn leven geen woonplaats had, wordt ook na zijn dood in een vreemd graf bijgezet, en naakt, wordt Hij door Joseph bedekt. Hij wordt echter in een nieuw graf gelegd, "opdat men na de verrijzenis niet zou verzinnen, dat een ander verrezen was, terwijl de andere lichamen achterbleven," zoals Hieronymus zegt. "Ook kan door de nieuwheid van het graf heengeduid worden op de maagdelijke schoot van Maria." Ook wordt hierdoor te kennen gegeven, dat wij allen door de begrafenis van Christus worden vernieuwd, nadat dood en bederf waren vernietigd. Hij is echter in een graf gelegd, dat in de rots was uitgehouwen, zoals Hieronymus zegt, "opdat men niet zou zeggen, als het gebouwd was geweest uit vele stenen, dat de fundamenten van het grafheuvel ondergraven waren en Hij gestolen was." Zo toont, ook de grote steen, die er voor gewenteld was, dat "het graf zonder de hulp van velen niet kon geopend worden." "Ook indien Hij in de aarde begraven was, kan men zeggen: Zij hebben het graf opgedolven en Hem gestolen," zoals Augustinus zegt. In mystieke zin echter wordt er door betekend, zoals Hilarius zegt, dat "door de leer der apostelen Christus gedragen wordt tot het versteende hart van de heidenen, uitgehouwen door het werk der onderrichting, nog ruw en nieuw en nooit te voren toegankelijk voor de vreze Gods. En omdat niets anders buiten Hem in onze harten mag binnentreden, daarom wordt een steen voor de opening gewenteld." En zoals Origines zegt "werd niet bij toeval neergeschreven, dat Joseph het lichaam van Christus in een rein lijnwaad wikkelde en het legde in een nieuw graf en dat hij er een grote steen voorwentelde, wijl alles wat betrekking heeft op het lichaam van Jesus, rein is, en nieuw, en zeer groot."
B: (Matt 27:60) [b:Matt 27:60] (Matt 27:64) [b:Matt 27:64]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is het lichaam van Christus in het graf vergaan tot stof?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 53 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 53 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 51 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het lichaam van Christus in het graf vergaan is tot stof. Zoals immers de dood een straf is voor de zonde van de stamvader, zo ook het vergaan tot stof. Tot de eerste mens werd immers na de zonde gezegd: "Gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeren," zoals staat in het Boek der Schepping (3. 19). Christus heeft echter de dood ondergaan, om ons van de dood te verlossen. Derhalve moest ook zijn lichaam tot stof vergaan, opdat wij zouden bevrijd worden van het vergaan tot stof.
B: (Gen 3:19) [b:Gen 3:19]
IIIa q. 53 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 53 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 51 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het lichaam van Christus in het graf vergaan is tot stof. Zoals immers de dood een straf is voor de zonde van de stamvader, zo ook het vergaan tot stof. Tot de eerste mens werd immers na de zonde gezegd: "Gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeren," zoals staat in het Boek der Schepping (3. 19). Christus heeft echter de dood ondergaan, om ons van de dood te verlossen. Derhalve moest ook zijn lichaam tot stof vergaan, opdat wij zouden bevrijd worden van het vergaan tot stof.
B: (Gen 3:19) [b:Gen 3:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Het lichaam van Christus was van dezelfde aard als het onze. Onze lichamen echter beginnen terstond na de dood te ontbinden en worden klaar gemaakt voor het bederf, daar bij het uitwasemen der natuurlijke warmte, de warmte van buiten er overheen komt, die het bederf veroorzaakt. Derhalve is het ook zo bij het lichaam van Christus gebeurd.
Vervolgens. Het lichaam van Christus was van dezelfde aard als het onze. Onze lichamen echter beginnen terstond na de dood te ontbinden en worden klaar gemaakt voor het bederf, daar bij het uitwasemen der natuurlijke warmte, de warmte van buiten er overheen komt, die het bederf veroorzaakt. Derhalve is het ook zo bij het lichaam van Christus gebeurd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Zoals gezegd is (1° Art. van deze Kw.), wilde Christus begraven worden om aan de mensen de hoop op verrijzenis te geven, ook uit de graven. Dus moest ook Hij tot stof vergaan, om aan hen, die tot stof vergaan zijn, de hoop op verrijzenis te geven, al zijn ze ook tot stof vergaan.
R: q. 51 a. 1[t:iiia q. 51 a. 1]
Vervolgens. Zoals gezegd is (1° Art. van deze Kw.), wilde Christus begraven worden om aan de mensen de hoop op verrijzenis te geven, ook uit de graven. Dus moest ook Hij tot stof vergaan, om aan hen, die tot stof vergaan zijn, de hoop op verrijzenis te geven, al zijn ze ook tot stof vergaan.
R: q. 51 a. 1[t:iiia q. 51 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in het Boek der Psalmen (15. 10): "Gij zult Uw heilige het bederf niet laten zien", wat Damascenus verstaat van het bederf, dat plaats heeft door de ontbinding tot elementen.
B: (Ps 15, Ps 15:10) [b:Ps 15]
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in het Boek der Psalmen (15. 10): "Gij zult Uw heilige het bederf niet laten zien", wat Damascenus verstaat van het bederf, dat plaats heeft door de ontbinding tot elementen.
B: (Ps 15, Ps 15:10) [b:Ps 15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 3 co.
Mijn antwoord. Het was niet passend, dat het lichaam van Christus bedierf, of op welke wijze ook tot stof verging. Want het bederf van elk lichaam komt voort uit de zwakheid van de natuur van dat lichaam, welke het lichaam niet langer tot een eenheid kan samenhouden. Zoals echter boven gezegd is (50° Kw. 1° Art. 2° Antw.), mocht de dood van Christus niet voortkomen uit natuurlijke zwakte, opdat men niet zou menen, dat die dood niet vrijwillig was: en daarom wilde Hij niet door een ziekte, maar door het aangedane lijden sterven, waarvoor Hij zich vrijwillig aanbood. Opdat dus zijn dood niet aan natuurlijke zwakte zou worden toegeschreven, wilde Hij niet dat zijn lichaam op enigerlei wijze zou bederven of op een of andere wijze tot ontbinding zou overgaan; maar Hij wilde dat het onbedorven zou blijven, om zijn goddelijke kracht te tonen. Daarom zegt Chrysostomus, dat "tijdens het leven van andere mensen, van hen namelijk die flink hebben gehandeld, lachen hun eigen daden hen toe, en wanneer ze sterven, gaat alles verloren. Maar bij Christus is het geheel tegenovergesteld: want vóór het kruis is alles droevig en hulpeloos; zodra Hij echter gekruisigd is, verheldert alles; opdat gij zou weten, dat het niet enkel een mens was, die gekruisigd werd."
R: q. 50 a. 1 ad 2[t:iiia q. 50 a. 1 ad 2]
Mijn antwoord. Het was niet passend, dat het lichaam van Christus bedierf, of op welke wijze ook tot stof verging. Want het bederf van elk lichaam komt voort uit de zwakheid van de natuur van dat lichaam, welke het lichaam niet langer tot een eenheid kan samenhouden. Zoals echter boven gezegd is (50° Kw. 1° Art. 2° Antw.), mocht de dood van Christus niet voortkomen uit natuurlijke zwakte, opdat men niet zou menen, dat die dood niet vrijwillig was: en daarom wilde Hij niet door een ziekte, maar door het aangedane lijden sterven, waarvoor Hij zich vrijwillig aanbood. Opdat dus zijn dood niet aan natuurlijke zwakte zou worden toegeschreven, wilde Hij niet dat zijn lichaam op enigerlei wijze zou bederven of op een of andere wijze tot ontbinding zou overgaan; maar Hij wilde dat het onbedorven zou blijven, om zijn goddelijke kracht te tonen. Daarom zegt Chrysostomus, dat "tijdens het leven van andere mensen, van hen namelijk die flink hebben gehandeld, lachen hun eigen daden hen toe, en wanneer ze sterven, gaat alles verloren. Maar bij Christus is het geheel tegenovergesteld: want vóór het kruis is alles droevig en hulpeloos; zodra Hij echter gekruisigd is, verheldert alles; opdat gij zou weten, dat het niet enkel een mens was, die gekruisigd werd."
R: q. 50 a. 1 ad 2[t:iiia q. 50 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Daar Christus niet schuldig was aan zonde, was Hij ook niet blootgesteld aan de dood, noch aan het vergaan tot stof. Hij onderging echter vrijwillig de dood tot ons heil, om de boven aangegeven redenen (vorige Kw. 1e Art.). Wanneer echter zijn lichaam tot bederf of ontbinding was overgegaan, dan zou dit eerder ten nadele geweest zijn van het menselijk heil, daar men niet zou geloven, dat de goddelijke kracht in Hem was. Daarom wordt in het Boek der Psalmen (29. 10) uit zijn naam gezegd: "Wat voor nut ligt er in mijn bloed, als Ik tot bederf overga!" Alsof Hij zeggen wilde: "Indien mijn lichaam bederft, dan gaat het nut van mijn bloed, dat Ik vergoten heb, verloren." Aldus Augustinus.
B: (Ps 19:10) [b:Ps 19:10]
R: q. 51 a. 1[t:iiia q. 51 a. 1]
1e Weerlegging. Daar Christus niet schuldig was aan zonde, was Hij ook niet blootgesteld aan de dood, noch aan het vergaan tot stof. Hij onderging echter vrijwillig de dood tot ons heil, om de boven aangegeven redenen (vorige Kw. 1e Art.). Wanneer echter zijn lichaam tot bederf of ontbinding was overgegaan, dan zou dit eerder ten nadele geweest zijn van het menselijk heil, daar men niet zou geloven, dat de goddelijke kracht in Hem was. Daarom wordt in het Boek der Psalmen (29. 10) uit zijn naam gezegd: "Wat voor nut ligt er in mijn bloed, als Ik tot bederf overga!" Alsof Hij zeggen wilde: "Indien mijn lichaam bederft, dan gaat het nut van mijn bloed, dat Ik vergoten heb, verloren." Aldus Augustinus.
B: (Ps 19:10) [b:Ps 19:10]
R: q. 51 a. 1[t:iiia q. 51 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Om zijn lijdelijke natuur was Christus’ lichaam bederfelijk, ofschoon niet om datgene wat het bederf verdient, namelijk de zonde. De goddelijke kracht heeft het lichaam van Christus echter bewaard tegen het bederf, gelijk deze het ook opwekte uit de dood.
2e Weerlegging. Om zijn lijdelijke natuur was Christus’ lichaam bederfelijk, ofschoon niet om datgene wat het bederf verdient, namelijk de zonde. De goddelijke kracht heeft het lichaam van Christus echter bewaard tegen het bederf, gelijk deze het ook opwekte uit de dood.
Referenties naar deze alinea: 1
Het Goddelijke Moederschap van Maria ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Christus verrees uit het graf door de goddelijke kracht, die geen grenzen kent. En daarom was het feit, dat Hij verrees uit het graf, voldoende bewijs, dat de mensen door de goddelijke kracht zouden opgewekt worden, niet alleen uit de graven, maar ook uit het stof.
3e Weerlegging. Christus verrees uit het graf door de goddelijke kracht, die geen grenzen kent. En daarom was het feit, dat Hij verrees uit het graf, voldoende bewijs, dat de mensen door de goddelijke kracht zouden opgewekt worden, niet alleen uit de graven, maar ook uit het stof.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Was Christus slechts één dag en twee nachten in het graf?
IIIa q. 51 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet slechts één dag en twee nachten in het graf was. Bij *Mattheus* (12. 40) zegt Hij zelf: "Zoals Jonas drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster verbleef, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in de schoot der aarde zijn." Hij was echter in de schoot der aarde, toen Hij in het graf was. Dus was Hij niet maar één dag en twee nachten in het graf.
B: (Matt 12:40) [b:Matt 12:40]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet slechts één dag en twee nachten in het graf was. Bij *Mattheus* (12. 40) zegt Hij zelf: "Zoals Jonas drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster verbleef, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in de schoot der aarde zijn." Hij was echter in de schoot der aarde, toen Hij in het graf was. Dus was Hij niet maar één dag en twee nachten in het graf.
B: (Matt 12:40) [b:Matt 12:40]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Gregorius zegt, dat "gelijk Samson te middernacht de poorten van Gaza wegdroeg, zo is Christus te middernacht verrezen, wegnemend de poorten der hel." Maar toen Hij verrezen was, verbleef Hij niet meer in het graf. Dus was Hij geen volle twee nachten in het graf.
Vervolgens. Gregorius zegt, dat "gelijk Samson te middernacht de poorten van Gaza wegdroeg, zo is Christus te middernacht verrezen, wegnemend de poorten der hel." Maar toen Hij verrezen was, verbleef Hij niet meer in het graf. Dus was Hij geen volle twee nachten in het graf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Door Christus’ dood overwon het licht de duisternis. De nacht nu behoort tot de duisternis, de dag daarentegen bij het licht. Dus paste het eerder, dat het lichaam van Christus twee dagen en één nacht in het graf was, dan omgekeerd.
Vervolgens. Door Christus’ dood overwon het licht de duisternis. De nacht nu behoort tot de duisternis, de dag daarentegen bij het licht. Dus paste het eerder, dat het lichaam van Christus twee dagen en één nacht in het graf was, dan omgekeerd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "Van de avond der begrafenis af tot de morgen der verrijzenis zijn zes en dertig uren, d. i. een gehele nacht met een gehele dag, en een gehele nacht."
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "Van de avond der begrafenis af tot de morgen der verrijzenis zijn zes en dertig uren, d. i. een gehele nacht met een gehele dag, en een gehele nacht."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 4 co.
Mijn antwoord. De tijd zelf, gedurende welke Christus in het graf verbleef, stelt de uitwerking van zijn dood voor. Er is nu boven gezegd (vorige Kw. 6e Art.), dat wij door de dood van Christus van een dubbele dood verlost zijn, nl. van de dood naar de ziel en van de dood naar het lichaam. En dit wordt aangeduid door de twee nachten, gedurende welke Christus in het graf verbleef. Daar zijn dood echter niet een gevolg was van zonde, maar ondergaan werd uit liefde, daarom had hij niet de betekenis van nacht, maar van dag. En daarom wordt hij aangeduid door de volle dag, gedurende welke Christus in het graf was. En zo was het passend, dat Christus één dag en twee nachten in het graf bleef.
R: q. 50 a. 6[t:iiia q. 50 a. 6]
Mijn antwoord. De tijd zelf, gedurende welke Christus in het graf verbleef, stelt de uitwerking van zijn dood voor. Er is nu boven gezegd (vorige Kw. 6e Art.), dat wij door de dood van Christus van een dubbele dood verlost zijn, nl. van de dood naar de ziel en van de dood naar het lichaam. En dit wordt aangeduid door de twee nachten, gedurende welke Christus in het graf verbleef. Daar zijn dood echter niet een gevolg was van zonde, maar ondergaan werd uit liefde, daarom had hij niet de betekenis van nacht, maar van dag. En daarom wordt hij aangeduid door de volle dag, gedurende welke Christus in het graf was. En zo was het passend, dat Christus één dag en twee nachten in het graf bleef.
R: q. 50 a. 6[t:iiia q. 50 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, "hebben sommigen, die de spreekwijze der Schriftuur niet kennen, voor één nacht de drie uren willen tellen, van het zesde uur af tot het negende, gedurende welke de zon verduisterd was, en voor één dag de drie andere uren, gedurende welke zij weer aan de aarde werd teruggegeven, d. i. van het negende uur af tot aan haar ondergang. Daarna nu volgt de nacht van de komende sabbat, die samengerekend met de dag van de sabbat, reeds twee nachten en twee dagen uitmaakt. Doch na de sabbat volgt verder de nacht van de eerste dag na sabbat, d. i. van de aanbrekende dag des Heren, waarop de Heer dan verrezen is. En zo komen wij dan nog niet tot een berekening van drie dagen en drie nachten. Er blijft dus over, dit op te lossen volgens dat spraakgebruik der Schriftuur, dat het geheel neemt voor een deel," zo nl. dat men een nacht en een dag neemt voor een natuurlijke dag. En zo wordt voor de eerste dag genomen het laatste gedeelte, waarin Christus op de zesde dag der week is gestorven en begraven; de tweede dag echter is volledig met 24 nacht- en daguren; de volgende nacht echter behoort tot de derde dag: "Want zoals de eerste dagen, om de toekomstige val van de mens, van het licht naar de nacht toe worden gerekend, zo worden deze, om het herstel van de mens, gerekend van de duisternis naar het licht." (Augustinus).
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 53 a. 2 ad 3[t:iiia q. 53 a. 2 ad 3]
1e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, "hebben sommigen, die de spreekwijze der Schriftuur niet kennen, voor één nacht de drie uren willen tellen, van het zesde uur af tot het negende, gedurende welke de zon verduisterd was, en voor één dag de drie andere uren, gedurende welke zij weer aan de aarde werd teruggegeven, d. i. van het negende uur af tot aan haar ondergang. Daarna nu volgt de nacht van de komende sabbat, die samengerekend met de dag van de sabbat, reeds twee nachten en twee dagen uitmaakt. Doch na de sabbat volgt verder de nacht van de eerste dag na sabbat, d. i. van de aanbrekende dag des Heren, waarop de Heer dan verrezen is. En zo komen wij dan nog niet tot een berekening van drie dagen en drie nachten. Er blijft dus over, dit op te lossen volgens dat spraakgebruik der Schriftuur, dat het geheel neemt voor een deel," zo nl. dat men een nacht en een dag neemt voor een natuurlijke dag. En zo wordt voor de eerste dag genomen het laatste gedeelte, waarin Christus op de zesde dag der week is gestorven en begraven; de tweede dag echter is volledig met 24 nacht- en daguren; de volgende nacht echter behoort tot de derde dag: "Want zoals de eerste dagen, om de toekomstige val van de mens, van het licht naar de nacht toe worden gerekend, zo worden deze, om het herstel van de mens, gerekend van de duisternis naar het licht." (Augustinus).
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 53 a. 2 ad 3[t:iiia q. 53 a. 2 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Christus is verrezen, zoals Augustinus zegt, 's morgens vroeg, als er reeds wat licht opdaagt en nog iets neerhangt van het nachtelijk duister; daarom wordt bij Joannes (20. 1) van de vrouwen gezegd, dat "zij bij het graf kwamen, toen het nog duister was." Vanwege deze duisternis zegt daarom Gregorius, dat Christus te middernacht verrezen is, niet op 't ogenblik, dat de nacht verdeelt in twee gelijke stukken, maar in de nanacht. Deze vroegte immers kan 'n deel van de nacht en 'n deel van de dag genoemd worden, om de overeenkomst met beide.
B: (John 20:1) [b:John 20:1]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 53 a. 2 ad 3[t:iiia q. 53 a. 2 ad 3]
2e Weerlegging. Christus is verrezen, zoals Augustinus zegt, 's morgens vroeg, als er reeds wat licht opdaagt en nog iets neerhangt van het nachtelijk duister; daarom wordt bij Joannes (20. 1) van de vrouwen gezegd, dat "zij bij het graf kwamen, toen het nog duister was." Vanwege deze duisternis zegt daarom Gregorius, dat Christus te middernacht verrezen is, niet op 't ogenblik, dat de nacht verdeelt in twee gelijke stukken, maar in de nanacht. Deze vroegte immers kan 'n deel van de nacht en 'n deel van de dag genoemd worden, om de overeenkomst met beide.
B: (John 20:1) [b:John 20:1]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 53 a. 2 ad 3[t:iiia q. 53 a. 2 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 51 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Het licht was bij de dood van Christus sterker, in zover het de duisternis van twee nachten, d. i. van onze tweevoudige dood verdreef.
3e Weerlegging. Het licht was bij de dood van Christus sterker, in zover het de duisternis van twee nachten, d. i. van onze tweevoudige dood verdreef.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 52: Over Christus’ nederdaling ter helle
IIIa q. 52 pr.
Vervolgens moeten wij handelen over de nederdaling van Christus ter helle. En hierover stellen wij acht vragen:
1. Was het passend, dat Christus nederdaalde ter helle?
2. Naar welke hel daalde Hij af?
3. Was Hij geheel in de hel?
4. Heeft Hij zich daar enigen tijd opgehouden?
5. Heeft Hij de heilige vaders uit de hel verlost?
6. Heeft Hij de verdoemden uit de hel verlost?
7. Heeft Hij de kinderen verlost, die belast waren met de erfzonde?
8. Heeft Hij de mensen uit het vagevuur verlost?
Vervolgens moeten wij handelen over de nederdaling van Christus ter helle. En hierover stellen wij acht vragen:
1. Was het passend, dat Christus nederdaalde ter helle?
2. Naar welke hel daalde Hij af?
3. Was Hij geheel in de hel?
4. Heeft Hij zich daar enigen tijd opgehouden?
5. Heeft Hij de heilige vaders uit de hel verlost?
6. Heeft Hij de verdoemden uit de hel verlost?
7. Heeft Hij de kinderen verlost, die belast waren met de erfzonde?
8. Heeft Hij de mensen uit het vagevuur verlost?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was het passend, dat Christus nederdaalde ter helle?
IIIa q. 52 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus nederdaalde ter helle. Augustinus toch zegt: "Ik heb zelfs niet kunnen vinden, dat de hel ergens in de Schrift als goed vernoemd wordt." De ziel van Christus toch daalde niet af tot iets kwaads, aangezien ook de zielen der rechtvaardigen niet tot iets kwaads afdalen. Dus was het niet passend, dat Christus ter helle nederdaalde.
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus nederdaalde ter helle. Augustinus toch zegt: "Ik heb zelfs niet kunnen vinden, dat de hel ergens in de Schrift als goed vernoemd wordt." De ziel van Christus toch daalde niet af tot iets kwaads, aangezien ook de zielen der rechtvaardigen niet tot iets kwaads afdalen. Dus was het niet passend, dat Christus ter helle nederdaalde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Het afdalen ter helle kan Christus niet toekomen naar zijn goddelijke natuur, die totaal onverplaatsbaar is, maar het kan Hem alleen toekomen naar zijn aangenomen natuur. Wat Christus echter deed of leed in zijn aangenomen natuur, is op ons heil gericht. Hiervoor scheen het echter niet nodig dat Christus nederdaalde ter helle, daar Hij door zijn lijden, dat Hij op deze wereld onderging, ons bevrijd heeft van de schuld en van de straf, zoals boven gezegd is (49° Kw. 1° en 3° Art.). Het was dus niet passend dat Christus nederdaalde ter helle.
R: q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 49 a. 3[t:iiia q. 49 a. 3]
Vervolgens. Het afdalen ter helle kan Christus niet toekomen naar zijn goddelijke natuur, die totaal onverplaatsbaar is, maar het kan Hem alleen toekomen naar zijn aangenomen natuur. Wat Christus echter deed of leed in zijn aangenomen natuur, is op ons heil gericht. Hiervoor scheen het echter niet nodig dat Christus nederdaalde ter helle, daar Hij door zijn lijden, dat Hij op deze wereld onderging, ons bevrijd heeft van de schuld en van de straf, zoals boven gezegd is (49° Kw. 1° en 3° Art.). Het was dus niet passend dat Christus nederdaalde ter helle.
R: q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 49 a. 3[t:iiia q. 49 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Door de dood van Christus werd zijn ziel gescheiden van zijn lichaam, dat in een graf werd gelegd, zoals boven is gezegd (in de vorige Kw.). Hij schijnt echter niet met zijn ziel alleen afgedaald te zijn naar de hel, daar zijn ziel, die immers niet lichamelijk is, niet plaatselijk kan bewogen worden: dit immers is het eigene van lichamen, zoals bewezen wordt in het 6° Boek der Physica; afdalen nu sluit een lichamelijke beweging in. Dus was het niet passend, dat Christus nederdaalde ter helle.
R: q. 51[t:iiia q. 51]
Vervolgens. Door de dood van Christus werd zijn ziel gescheiden van zijn lichaam, dat in een graf werd gelegd, zoals boven is gezegd (in de vorige Kw.). Hij schijnt echter niet met zijn ziel alleen afgedaald te zijn naar de hel, daar zijn ziel, die immers niet lichamelijk is, niet plaatselijk kan bewogen worden: dit immers is het eigene van lichamen, zoals bewezen wordt in het 6° Boek der Physica; afdalen nu sluit een lichamelijke beweging in. Dus was het niet passend, dat Christus nederdaalde ter helle.
R: q. 51[t:iiia q. 51]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in de geloofsbelijdenis gezegd wordt: "Hij daalde neder ter helle;" en de Apostel zegt in de Brief aan de Ephesiërs (4. 9): "Dat Hij opsteeg, wat wil dat anders zeggen, dan dat Hij eerst ook afdaalde naar de lagere delen der aarde?" De Glossa voegt toe: "d. i. ter helle."
B: (Eph 4:9) [b:Eph 4:9]
Daartegenover staat echter, dat in de geloofsbelijdenis gezegd wordt: "Hij daalde neder ter helle;" en de Apostel zegt in de Brief aan de Ephesiërs (4. 9): "Dat Hij opsteeg, wat wil dat anders zeggen, dan dat Hij eerst ook afdaalde naar de lagere delen der aarde?" De Glossa voegt toe: "d. i. ter helle."
B: (Eph 4:9) [b:Eph 4:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 1 co.
Mijn antwoord. Het was passend, dat Christus nederdaalde ter helle. Vooreerst, omdat Hij onze straf kwam dragen, om ons van de straf te bevrijden, naar het woord van Isaïas (53. 4): "Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten gedragen." Vanwege de zonde was de mens niet alleen de dood schuldig, maar tot het afdalen in de hel. En zoals het dus passend was, dat Hij stierf, om ons van de dood te verlossen; zo was het ook passend dat Hij nederdaalde ter helle, om ons van het afdalen in de hel te bevrijden. Daarom wordt gezegd bij Osee (13. 14): "Ik zal uw dood zijn, o dood! Ik zal uw doodsteek zijn, onderwereld!" — Ten tweede, omdat het passend was, dat Hij, na de duivel door zijn lijden overwonnen te hebben, diens gevangenen verloste, die in de onderwereld werden vastgehouden, naar het woord van Zacharias (9. 11): "Ook Gij hebt om het bloed van Uw verbond Uw gevangenen vrijgelaten uit de kuil." En in de Brief aan de Colossensen (2. 15) wordt gezegd: "Hij heeft de heerschappijen en machten beroofd van hun buit en deze veilig overgebracht." — Ten derde, om evenals Hij zijn macht op aarde toonde, bij zijn leven en sterven, zo ook zijn macht te tonen in de onderwereld, door deze te bezoeken en te verlichten; daarom wordt gezegd in het Boek der Psalmen (23. 7, 9): "Zet uw poorten open, o vorsten," en de Glossa zegt: "d. i. vorsten van de onderwereld, gaat heen met uw macht, waarmede gij tot nu toe de mensen in de onderwereld gebonden hieldt"; en zo moet "in de naam van Jesus alle knie zich buigen," niet alleen "van de hemelingen," maar ook "van die in de onderwereld zijn," zoals gezegd wordt in de Brief aan de Philippensen (2. 10).
B: (Ps 23:7) [b:Ps 23:7] (Isa 53:4) [b:Isa 53:4] (Hos 13:14) [b:Hos 13:14] (Zech 9:11) [b:Zech 9:11] (Phil 2:10) [b:Phil 2:10] (Col 2:15) [b:Col 2:15]
Mijn antwoord. Het was passend, dat Christus nederdaalde ter helle. Vooreerst, omdat Hij onze straf kwam dragen, om ons van de straf te bevrijden, naar het woord van Isaïas (53. 4): "Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten gedragen." Vanwege de zonde was de mens niet alleen de dood schuldig, maar tot het afdalen in de hel. En zoals het dus passend was, dat Hij stierf, om ons van de dood te verlossen; zo was het ook passend dat Hij nederdaalde ter helle, om ons van het afdalen in de hel te bevrijden. Daarom wordt gezegd bij Osee (13. 14): "Ik zal uw dood zijn, o dood! Ik zal uw doodsteek zijn, onderwereld!" — Ten tweede, omdat het passend was, dat Hij, na de duivel door zijn lijden overwonnen te hebben, diens gevangenen verloste, die in de onderwereld werden vastgehouden, naar het woord van Zacharias (9. 11): "Ook Gij hebt om het bloed van Uw verbond Uw gevangenen vrijgelaten uit de kuil." En in de Brief aan de Colossensen (2. 15) wordt gezegd: "Hij heeft de heerschappijen en machten beroofd van hun buit en deze veilig overgebracht." — Ten derde, om evenals Hij zijn macht op aarde toonde, bij zijn leven en sterven, zo ook zijn macht te tonen in de onderwereld, door deze te bezoeken en te verlichten; daarom wordt gezegd in het Boek der Psalmen (23. 7, 9): "Zet uw poorten open, o vorsten," en de Glossa zegt: "d. i. vorsten van de onderwereld, gaat heen met uw macht, waarmede gij tot nu toe de mensen in de onderwereld gebonden hieldt"; en zo moet "in de naam van Jesus alle knie zich buigen," niet alleen "van de hemelingen," maar ook "van die in de onderwereld zijn," zoals gezegd wordt in de Brief aan de Philippensen (2. 10).
B: (Ps 23:7) [b:Ps 23:7] (Isa 53:4) [b:Isa 53:4] (Hos 13:14) [b:Hos 13:14] (Zech 9:11) [b:Zech 9:11] (Phil 2:10) [b:Phil 2:10] (Col 2:15) [b:Col 2:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Het woord hel heeft de klank van straf-kwaad, niet van schuld-kwaad. Daarom was het passend, dat Christus in de hel afdaalde, niet alsof Hij zelf straf-schuldig was, maar om hen te verlossen, die aan de straf onderworpen waren.
1e Weerlegging. Het woord hel heeft de klank van straf-kwaad, niet van schuld-kwaad. Daarom was het passend, dat Christus in de hel afdaalde, niet alsof Hij zelf straf-schuldig was, maar om hen te verlossen, die aan de straf onderworpen waren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Het lijden van Christus was als een algemene oorzaak van menselijk heil, zowel voor levenden, als voor doden. Een algemene oorzaak wordt echter door iets speciaals toegepast tot afzonderlijke effecten. En zoals daarom de kracht van Christus’ lijden op de levenden wordt toegepast door middel der sacramenten, die ons gelijkvormig maken aan Christus’ lijden, zo is zij eveneens op de gestorvenen toegepast, door het afdalen van Christus ter helle. Daarom wordt zo tekenend bij Zacharias (9. 11) gezegd, dat "Hij door het bloed van zijn verbond de gevangenen uit de kuil heeft gevoerd," d. i. door de kracht van zijn lijden.
B: (Zech 9:11) [b:Zech 9:11]
2e Weerlegging. Het lijden van Christus was als een algemene oorzaak van menselijk heil, zowel voor levenden, als voor doden. Een algemene oorzaak wordt echter door iets speciaals toegepast tot afzonderlijke effecten. En zoals daarom de kracht van Christus’ lijden op de levenden wordt toegepast door middel der sacramenten, die ons gelijkvormig maken aan Christus’ lijden, zo is zij eveneens op de gestorvenen toegepast, door het afdalen van Christus ter helle. Daarom wordt zo tekenend bij Zacharias (9. 11) gezegd, dat "Hij door het bloed van zijn verbond de gevangenen uit de kuil heeft gevoerd," d. i. door de kracht van zijn lijden.
B: (Zech 9:11) [b:Zech 9:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. De ziel van Christus daalde in de hel af niet met dat soort van beweging, waarmee de lichamen bewogen worden, maar met dat soort waarmee de engelen zich bewegen, zoals in het Eerste Deel gezegd is (53° Kw. 1° Art.).
R: I q. 53 a. 1[t:ia q. 53 a. 1]
3e Weerlegging. De ziel van Christus daalde in de hel af niet met dat soort van beweging, waarmee de lichamen bewogen worden, maar met dat soort waarmee de engelen zich bewegen, zoals in het Eerste Deel gezegd is (53° Kw. 1° Art.).
R: I q. 53 a. 1[t:ia q. 53 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is Christus afgedaald naar de hel der verdoemden?
IIIa q. 52 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus ook afgedaald is naar de hel der verdoemden. Uit de mond der goddelijke Wijsheid immers wordt in het Boek Ecclesiasticus (24.45) gezegd: "Ik zal al de lagere delen der aarde doordringen." Maar onder de lagere delen der aarde wordt ook de hel der verdoemden gerekend naar het woord in het Boek der Psalmen (62.10): "Zij zullen binnengaan in de lagere delen der aarde." Dus is Christus, die de Wijsheid Gods is, ook afgedaald tot de hel der verdoemden.
B: (Ps 62:10) [b:Ps 62:10] (Sir 24:45) [b:Sir 24:45]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus ook afgedaald is naar de hel der verdoemden. Uit de mond der goddelijke Wijsheid immers wordt in het Boek Ecclesiasticus (24.45) gezegd: "Ik zal al de lagere delen der aarde doordringen." Maar onder de lagere delen der aarde wordt ook de hel der verdoemden gerekend naar het woord in het Boek der Psalmen (62.10): "Zij zullen binnengaan in de lagere delen der aarde." Dus is Christus, die de Wijsheid Gods is, ook afgedaald tot de hel der verdoemden.
B: (Ps 62:10) [b:Ps 62:10] (Sir 24:45) [b:Sir 24:45]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Petrus zegt in de Handelingen der Apostelen (2.24), dat "God Christus heeft opgewekt en de smarten der hel heeft verbroken, daar het niet mogelijk was, dat deze Hem vasthield." Smarten zijn er echter niet in de hel der vaders, ook niet in de hel der kinderen, die niet om een daadwerkelijke zonde met een zintuigelijk waarneembare straf gestraft worden, maar enkel met de straf van het gemis om de erfzonde. Dus daalde Christus af naar de hel der verdoemden, of naar het vagevuur, waar de mensen met een zintuigelijke straf gestraft worden voor hun daadwerkelijke zonden.
B: (Acts 2:24) [b:Acts 2:24]
Vervolgens. Petrus zegt in de Handelingen der Apostelen (2.24), dat "God Christus heeft opgewekt en de smarten der hel heeft verbroken, daar het niet mogelijk was, dat deze Hem vasthield." Smarten zijn er echter niet in de hel der vaders, ook niet in de hel der kinderen, die niet om een daadwerkelijke zonde met een zintuigelijk waarneembare straf gestraft worden, maar enkel met de straf van het gemis om de erfzonde. Dus daalde Christus af naar de hel der verdoemden, of naar het vagevuur, waar de mensen met een zintuigelijke straf gestraft worden voor hun daadwerkelijke zonden.
B: (Acts 2:24) [b:Acts 2:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 2 arg. 3
Vervolgens. In de Eerste Brief van Petrus (3. 19, 20) wordt gezegd dat "Christus, komende in de geest, is gaan preken aan hen, die in de kerker opgesloten waren, en die eens ongelovig waren." Dit moet, zoals Athanasius zegt, verstaan worden van het afdalen in de onderwereld. Want hij zegt, "dat het lichaam van Christus in het graf gelegd werd, toen Hij zelf verder ging om te gaan preken aan de geesten, die in de gevangenis waren, zoals Petrus gezegd heeft." Het is echter duidelijk, dat de ongelovigen in de hel der verdoemden waren. Dus is Christus afgedaald in de hel der verdoemden.
B: (1Pet 3:19) [b:1Pet 3:19]
Vervolgens. In de Eerste Brief van Petrus (3. 19, 20) wordt gezegd dat "Christus, komende in de geest, is gaan preken aan hen, die in de kerker opgesloten waren, en die eens ongelovig waren." Dit moet, zoals Athanasius zegt, verstaan worden van het afdalen in de onderwereld. Want hij zegt, "dat het lichaam van Christus in het graf gelegd werd, toen Hij zelf verder ging om te gaan preken aan de geesten, die in de gevangenis waren, zoals Petrus gezegd heeft." Het is echter duidelijk, dat de ongelovigen in de hel der verdoemden waren. Dus is Christus afgedaald in de hel der verdoemden.
B: (1Pet 3:19) [b:1Pet 3:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 2 arg. 4
Vervolgens. Augustinus zegt: "Indien de H. Schrift gezegd had, dat Christus kwam naar de Schoot van Abraham, zonder dat de hel en haar smarten genoemd werden, dan zou, meen ik, niemand durven zeggen, dat Hij naar de hel was afgedaald. Maar aangezien met overtuigende woorden zowel de hel als de smarten genoemd worden, is er geen reden aan te geven, waarom de Verlosser — zoals wij geloven, — daar kwam, tenzij om van diezelfde smarten te bevrijden." De plaats van smarten echter is de hel der verdoemden. Dus is Christus in de hel der verdoemden afgedaald.
Vervolgens. Augustinus zegt: "Indien de H. Schrift gezegd had, dat Christus kwam naar de Schoot van Abraham, zonder dat de hel en haar smarten genoemd werden, dan zou, meen ik, niemand durven zeggen, dat Hij naar de hel was afgedaald. Maar aangezien met overtuigende woorden zowel de hel als de smarten genoemd worden, is er geen reden aan te geven, waarom de Verlosser — zoals wij geloven, — daar kwam, tenzij om van diezelfde smarten te bevrijden." De plaats van smarten echter is de hel der verdoemden. Dus is Christus in de hel der verdoemden afgedaald.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 2 arg. 5
Vervolgens. Zoals Augustinus zegt, is Christus afgedaald in de hel en "heeft Hij alle rechtvaardigen, die gebonden werden gehouden door de erfzonde, verlost." Onder hen echter was ook Job, die van zichzelf zegt in het Boek Job (17. 16): "Al het mijne zal nederdalen in de diepste hel." Dus is Christus ook tot de diepste hel afgedaald.
B: (Job 17:16) [b:Job 17:16]
Vervolgens. Zoals Augustinus zegt, is Christus afgedaald in de hel en "heeft Hij alle rechtvaardigen, die gebonden werden gehouden door de erfzonde, verlost." Onder hen echter was ook Job, die van zichzelf zegt in het Boek Job (17. 16): "Al het mijne zal nederdalen in de diepste hel." Dus is Christus ook tot de diepste hel afgedaald.
B: (Job 17:16) [b:Job 17:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in het Boek Job (10, 21) van de hel der verdoemden gezegd wordt: "Voordat Ik heenga, om niet terug te keren, naar het duistere en met donkerheid des doods bedekte land, waar geen orde is, maar eeuwige verschrikking woont." "Het licht" echter "heeft niets met de duisternis uit te staan," zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 14). Dus Christus, die het licht is, is niet afgedaald naar de hel der verdoemden.
B: (Job 10:21) [b:Job 10:21] (2Cor 6:14) [b:2Cor 6:14]
Daartegenover staat echter, dat in het Boek Job (10, 21) van de hel der verdoemden gezegd wordt: "Voordat Ik heenga, om niet terug te keren, naar het duistere en met donkerheid des doods bedekte land, waar geen orde is, maar eeuwige verschrikking woont." "Het licht" echter "heeft niets met de duisternis uit te staan," zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 14). Dus Christus, die het licht is, is niet afgedaald naar de hel der verdoemden.
B: (Job 10:21) [b:Job 10:21] (2Cor 6:14) [b:2Cor 6:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 2 co.
Mijn antwoord. Men kan op twee manieren zeggen, dat iets ergens is. — Vooreerst door iets uit te werken: en zo is Christus in iedere hel afgedaald, doch op verschillende wijze. Want in de hel der verdoemden had Hij deze uitwerking, dat Hij hen, die in de hel waren, door zijn afdalen deed beschaamd staan over hun ongeloof en hun boosheid. Aan hen echter, die in het vagevuur waren gaf Hij hoop op het bereiken der glorie. De heilige vaders echter, die alleen om de erfzonde in de hel werden vastgehouden, stortte Hij het glorielicht in. — Vervolgens zegt men, dat iets ergens is door zijn wezenheid. En op die manier daalde de ziel van Christus alleen af naar de hel, waarin de rechtvaardigen werden vastgehouden, om hen, die Hijzelf naar zijn Godheid inwendig bezocht door de genade, ook naar de ziel en plaatselijk te bezoeken. Zo heeft Hij ook, terwijl Hij tegenwoordig was in een deel der hel, in zekere zin zijn uitwerking doen doordringen tot alle delen der hel, zoals Hij ook door op één plaats der aarde te lijden, de gehele wereld door zijn lijden verlost heeft.
Mijn antwoord. Men kan op twee manieren zeggen, dat iets ergens is. — Vooreerst door iets uit te werken: en zo is Christus in iedere hel afgedaald, doch op verschillende wijze. Want in de hel der verdoemden had Hij deze uitwerking, dat Hij hen, die in de hel waren, door zijn afdalen deed beschaamd staan over hun ongeloof en hun boosheid. Aan hen echter, die in het vagevuur waren gaf Hij hoop op het bereiken der glorie. De heilige vaders echter, die alleen om de erfzonde in de hel werden vastgehouden, stortte Hij het glorielicht in. — Vervolgens zegt men, dat iets ergens is door zijn wezenheid. En op die manier daalde de ziel van Christus alleen af naar de hel, waarin de rechtvaardigen werden vastgehouden, om hen, die Hijzelf naar zijn Godheid inwendig bezocht door de genade, ook naar de ziel en plaatselijk te bezoeken. Zo heeft Hij ook, terwijl Hij tegenwoordig was in een deel der hel, in zekere zin zijn uitwerking doen doordringen tot alle delen der hel, zoals Hij ook door op één plaats der aarde te lijden, de gehele wereld door zijn lijden verlost heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Christus, die de Wijsheid Gods is, "drong door alle lagere delen der aarde," niet plaatselijk, door met zijn ziel overal te komen; maar door de uitwerking van zijn macht enigszins tot alle uit te breiden. Zo echter, dat Hij alleen de rechtvaardigen verlichtte; want er volgt op: "En ik zal allen, die op de Heer hopen, verlichten."
1e Weerlegging. Christus, die de Wijsheid Gods is, "drong door alle lagere delen der aarde," niet plaatselijk, door met zijn ziel overal te komen; maar door de uitwerking van zijn macht enigszins tot alle uit te breiden. Zo echter, dat Hij alleen de rechtvaardigen verlichtte; want er volgt op: "En ik zal allen, die op de Heer hopen, verlichten."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Er bestaat een dubbele smart. Een, die voortkomt uit het ondergaan van lijdenstraf, en deze smart lijden de mensen om een daadwerkelijke zonde, naar het woord in het Boek der Psalmen (17. 6): "Hellepijnen omringden mij." — De andere smart komt voort uit het uitstel der verhoopte glorie, naar het woord in het Boek der Spreuken (13. 12): "De hoop, die uitgesteld wordt, maakt de ziel neerslachtig". En deze smart leden de heilige vaders in de hel. En hierop duidend, zegt Augustinus, dat "zij onder tranen en smeeken tot Christus baden." Beide smarten heeft Christus echter door zijn afdalen naar de hel weggenomen, echter de een anders dan de andere. Want de smarten, die de straf meebrengt, heeft Hij weggenomen, door er tegen te bewaren, zoals men zegt, dat een dokter een ziekte wegneemt, door met medicijn er tegen te wapenen. De smarten echter, die veroorzaakt worden door het uitstel der glorie, heeft Hij dadelijk opgeheven, door de glorie te schenken.
2e Weerlegging. Er bestaat een dubbele smart. Een, die voortkomt uit het ondergaan van lijdenstraf, en deze smart lijden de mensen om een daadwerkelijke zonde, naar het woord in het Boek der Psalmen (17. 6): "Hellepijnen omringden mij." — De andere smart komt voort uit het uitstel der verhoopte glorie, naar het woord in het Boek der Spreuken (13. 12): "De hoop, die uitgesteld wordt, maakt de ziel neerslachtig". En deze smart leden de heilige vaders in de hel. En hierop duidend, zegt Augustinus, dat "zij onder tranen en smeeken tot Christus baden." Beide smarten heeft Christus echter door zijn afdalen naar de hel weggenomen, echter de een anders dan de andere. Want de smarten, die de straf meebrengt, heeft Hij weggenomen, door er tegen te bewaren, zoals men zegt, dat een dokter een ziekte wegneemt, door met medicijn er tegen te wapenen. De smarten echter, die veroorzaakt worden door het uitstel der glorie, heeft Hij dadelijk opgeheven, door de glorie te schenken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Wat Petrus daar zegt, laten sommigen slaan op Christus’ afdalen naar de hel door dat woord aldus te verklaren: "Aan hen, die in de kerker opgesloten waren," d. i. in de hel, "die eerst ongelovig waren, heeft Christus gepreekt, komende in de geest," d. i. met zijn ziel. Daarom zegt ook Damascenus, dat "evenals Hij aan hen gepreekt heeft, die op aarde zijn; zo ook aan hen, die in de hel waren;" echter niet om de ongelovigen tot het geloof te bekeren, maar "om hun ongeloof te beschamen." Want met die prediking kan niets anders bedoeld zijn, dan de openbaring van zijn Godheid, die aan hen, die in de hel zijn, getoond werd door het krachtdadig afdalen van Christus in de hel. Augustinus legt het echter beter uit door het niet te laten slaan op het afdalen van Christus in de hel, maar op de werking van zijn Godheid, die Hij van het begin der wereld af heeft uitgeoefend. Zo is de betekenis, dat Hij "aan hen, die in de kerker opgesloten zaten," nl. zij, die leefden in een sterfelijk lichaam, dat is als een kerker voor de ziel, "gepreekt heeft, komende in de geest" van zijn Godheid, door innerlijke influisteringen, en ook door uitwendige aansporingen bij monde der rechtvaardigen: in zover "Hij predikte aan hen, die eens ongelovig waren," nl. door de prediking van Noë, "toen zij hoopten op Gods geduld," waardoor de straf van de zondvloed werd uitgesteld. Daarom voegt hij eraan toe: "In de dagen van Noë, toen deze de ark bouwde."
B: (Ps 17:6) [b:Ps 17:6] (Prov 13:12) [b:Prov 13:12]
3e Weerlegging. Wat Petrus daar zegt, laten sommigen slaan op Christus’ afdalen naar de hel door dat woord aldus te verklaren: "Aan hen, die in de kerker opgesloten waren," d. i. in de hel, "die eerst ongelovig waren, heeft Christus gepreekt, komende in de geest," d. i. met zijn ziel. Daarom zegt ook Damascenus, dat "evenals Hij aan hen gepreekt heeft, die op aarde zijn; zo ook aan hen, die in de hel waren;" echter niet om de ongelovigen tot het geloof te bekeren, maar "om hun ongeloof te beschamen." Want met die prediking kan niets anders bedoeld zijn, dan de openbaring van zijn Godheid, die aan hen, die in de hel zijn, getoond werd door het krachtdadig afdalen van Christus in de hel. Augustinus legt het echter beter uit door het niet te laten slaan op het afdalen van Christus in de hel, maar op de werking van zijn Godheid, die Hij van het begin der wereld af heeft uitgeoefend. Zo is de betekenis, dat Hij "aan hen, die in de kerker opgesloten zaten," nl. zij, die leefden in een sterfelijk lichaam, dat is als een kerker voor de ziel, "gepreekt heeft, komende in de geest" van zijn Godheid, door innerlijke influisteringen, en ook door uitwendige aansporingen bij monde der rechtvaardigen: in zover "Hij predikte aan hen, die eens ongelovig waren," nl. door de prediking van Noë, "toen zij hoopten op Gods geduld," waardoor de straf van de zondvloed werd uitgesteld. Daarom voegt hij eraan toe: "In de dagen van Noë, toen deze de ark bouwde."
B: (Ps 17:6) [b:Ps 17:6] (Prov 13:12) [b:Prov 13:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. De "Schoot van Abraham" kan men in een dubbel opzicht beschouwen. Op de eerste plaats, in zover men daar van zintuiglijk-waarneembare straf bevrijd was, en in dit opzicht kan men het geen hel noemen, en zijn daar ook geen smarten. Op de tweede plaats kan men hem beschouwen in zover daar de verhoopte glorie gemist wordt. En in dit opzicht sluit hij de begrippen hel en smart in. En daarom wordt nu de rust der zaligen de schoot van Abraham genoemd, maar zij wordt niet hel genoemd, en ook zeggen wij niet, dat nu in de schoot van Abraham smarten zijn.
4e Weerlegging. De "Schoot van Abraham" kan men in een dubbel opzicht beschouwen. Op de eerste plaats, in zover men daar van zintuiglijk-waarneembare straf bevrijd was, en in dit opzicht kan men het geen hel noemen, en zijn daar ook geen smarten. Op de tweede plaats kan men hem beschouwen in zover daar de verhoopte glorie gemist wordt. En in dit opzicht sluit hij de begrippen hel en smart in. En daarom wordt nu de rust der zaligen de schoot van Abraham genoemd, maar zij wordt niet hel genoemd, en ook zeggen wij niet, dat nu in de schoot van Abraham smarten zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 2 ad 5
Ad quintum Zoals Gregorius zegt, "noemt hij de hogere plaatsen der hel de diepste hel. Want als met het oog op de hoogte van de hemel deze lucht een duistere hel genoemd wordt, dan kan met het oog op de hoogte van de lucht, de aarde, die lager ligt, hel genoemd worden en diep. Met het oog echter op de hoogte der aarde kunnen ook die plaatsen der hel, die hoger gelegen zijn dan de andere verblijven der hel, op die manier met de benaming van de diepste hel bestempeld worden."
Ad quintum Zoals Gregorius zegt, "noemt hij de hogere plaatsen der hel de diepste hel. Want als met het oog op de hoogte van de hemel deze lucht een duistere hel genoemd wordt, dan kan met het oog op de hoogte van de lucht, de aarde, die lager ligt, hel genoemd worden en diep. Met het oog echter op de hoogte der aarde kunnen ook die plaatsen der hel, die hoger gelegen zijn dan de andere verblijven der hel, op die manier met de benaming van de diepste hel bestempeld worden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Was Christus geheel in de hel?
IIIa q. 52 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat Christus niet geheel in de hel was. Christus’ lichaam immers is een deel van Hem. Het lichaam van Christus nu was niet in de hel. Dus was niet de gehele Christus in de hel.
Over het derde als volgt. Men beweert dat Christus niet geheel in de hel was. Christus’ lichaam immers is een deel van Hem. Het lichaam van Christus nu was niet in de hel. Dus was niet de gehele Christus in de hel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Geen ding kan men geheel noemen, als zijn delen onderling gescheiden zijn. Het lichaam en de ziel echter, die delen zijn van de menselijke natuur, waren na de dood onderling gescheiden, zoals boven gezegd is (50° Kw. 3° en 4° Art.). Naar de hel daalde Hij echter af, toen Hij dood was. Dus kon Hij niet geheel in de hel zijn.
R: q. 50 a. 3[t:iiia q. 50 a. 3] q. 50 a. 4[t:iiia q. 50 a. 4]
Vervolgens. Geen ding kan men geheel noemen, als zijn delen onderling gescheiden zijn. Het lichaam en de ziel echter, die delen zijn van de menselijke natuur, waren na de dood onderling gescheiden, zoals boven gezegd is (50° Kw. 3° en 4° Art.). Naar de hel daalde Hij echter af, toen Hij dood was. Dus kon Hij niet geheel in de hel zijn.
R: q. 50 a. 3[t:iiia q. 50 a. 3] q. 50 a. 4[t:iiia q. 50 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Wij zeggen, dat iets geheel in een plaats is, als niets daarvan buiten die plaats is. Iets van Christus echter was buiten de hel, daar zijn lichaam in het graf was en zijn Godheid overal. Dus was Christus niet geheel in de hel.
Vervolgens. Wij zeggen, dat iets geheel in een plaats is, als niets daarvan buiten die plaats is. Iets van Christus echter was buiten de hel, daar zijn lichaam in het graf was en zijn Godheid overal. Dus was Christus niet geheel in de hel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "De Zoon was geheel bij de Vader, en geheel in de hemel, geheel op aarde, geheel in de schoot der Maagd, geheel op het kruis, geheel in de hel, en geheel in het paradijs, waar Hij de rover binnenvoerde."
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "De Zoon was geheel bij de Vader, en geheel in de hemel, geheel op aarde, geheel in de schoot der Maagd, geheel op het kruis, geheel in de hel, en geheel in het paradijs, waar Hij de rover binnenvoerde."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals blijkt uit het gezegde in het Eerste Deel (31° Kw. 2° Art. 4° Antw.) wijst het mannelijk geslacht terug op de hypostase of de persoon, het onzijdig geslacht echter op de natuur. Ofschoon nu bij de dood van Christus de ziel van het lichaam werd gescheiden, werd toch geen van beiden afgescheiden van de persoon van de Zoon Gods, zoals boven gezegd is (50° Kw. 2° en 3° Art.). En daarom moeten wij zeggen, dat in de drie dagen van Christus’ dood, de gehele Christus in het graf was, wijl de gehele persoon daar was door het lichaam, dat met Hem verenigd was; en evenzo was Hij ook geheel in de hel, wijl de gehele persoon van Christus daar was om reden van de ziel, die met Hem verenigd was; en ook was de gehele Christus toen overal van wege de goddelijke natuur.
R: I q. 31 a. 2 ad 4[t:ia q. 31 a. 2 ad 4] q. 50 a. 2[t:iiia q. 50 a. 2]
Mijn antwoord. Zoals blijkt uit het gezegde in het Eerste Deel (31° Kw. 2° Art. 4° Antw.) wijst het mannelijk geslacht terug op de hypostase of de persoon, het onzijdig geslacht echter op de natuur. Ofschoon nu bij de dood van Christus de ziel van het lichaam werd gescheiden, werd toch geen van beiden afgescheiden van de persoon van de Zoon Gods, zoals boven gezegd is (50° Kw. 2° en 3° Art.). En daarom moeten wij zeggen, dat in de drie dagen van Christus’ dood, de gehele Christus in het graf was, wijl de gehele persoon daar was door het lichaam, dat met Hem verenigd was; en evenzo was Hij ook geheel in de hel, wijl de gehele persoon van Christus daar was om reden van de ziel, die met Hem verenigd was; en ook was de gehele Christus toen overal van wege de goddelijke natuur.
R: I q. 31 a. 2 ad 4[t:ia q. 31 a. 2 ad 4] q. 50 a. 2[t:iiia q. 50 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het lichaam, dat toen in het graf verbleef, was geen deel van de ongeschapen persoon, maar van de aangenomen natuur. En daarom wordt door het feit, dat het lichaam van Christus niet in de hel was, niet uitgesloten, dat de gehele Christus daar was; maar daaruit blijkt, dat datgene niet geheel daar was, wat tot de menselijke natuur behoort.
1e Weerlegging. Het lichaam, dat toen in het graf verbleef, was geen deel van de ongeschapen persoon, maar van de aangenomen natuur. En daarom wordt door het feit, dat het lichaam van Christus niet in de hel was, niet uitgesloten, dat de gehele Christus daar was; maar daaruit blijkt, dat datgene niet geheel daar was, wat tot de menselijke natuur behoort.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Uit de vereniging van ziel en lichaam wordt het geheel van de menselijke natuur samengesteld, niet echter het geheel van de goddelijke persoon. En daarom bleef na de opheffing der vereniging van ziel en lichaam door de dood de gehele Christus; maar de menselijke natuur bleef niet in haar geheel.
2e Weerlegging. Uit de vereniging van ziel en lichaam wordt het geheel van de menselijke natuur samengesteld, niet echter het geheel van de goddelijke persoon. En daarom bleef na de opheffing der vereniging van ziel en lichaam door de dood de gehele Christus; maar de menselijke natuur bleef niet in haar geheel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De gehele persoon van Christus is in iedere plaats, maar niet totaal, daar hij door geen enkele plaats omschreven wordt. En zelfs kunnen alle plaatsen tezamen genomen niet zijn onmetelijkheid omvatten. Integendeel, Hijzelf omvat alles in zijn onmetelijkheid. Bij die dingen echter, die lichamelijk en omschreven in een plaats zijn, gebeurt het, dat wanneer zij ergens geheel zijn, niets daarvan daarbuiten is. Dit heeft echter niet plaats bij God. En daarom zegt Augustinus: "Wij zeggen niet, dat Christus overal geheel is, genomen op verschillende tijden en plaatsen, als zou Hij nu geheel hier zijn, en op een andere tijd weer ergens anders geheel, maar doordat Hij altijd overal geheel is."
3e Weerlegging. De gehele persoon van Christus is in iedere plaats, maar niet totaal, daar hij door geen enkele plaats omschreven wordt. En zelfs kunnen alle plaatsen tezamen genomen niet zijn onmetelijkheid omvatten. Integendeel, Hijzelf omvat alles in zijn onmetelijkheid. Bij die dingen echter, die lichamelijk en omschreven in een plaats zijn, gebeurt het, dat wanneer zij ergens geheel zijn, niets daarvan daarbuiten is. Dit heeft echter niet plaats bij God. En daarom zegt Augustinus: "Wij zeggen niet, dat Christus overal geheel is, genomen op verschillende tijden en plaatsen, als zou Hij nu geheel hier zijn, en op een andere tijd weer ergens anders geheel, maar doordat Hij altijd overal geheel is."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Heeft Christus zich enige tijd opgehouden in de hel?
IIIa q. 52 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus zich niet enigen tijd in de hel heeft opgehouden. Christus daalde immers af in de hel met het doel, de mensen daaruit te bevrijden. Dit deed Hij echter terstond toen Hij afdaalde: "Het is immers voor God gemakkelijk een arme ineens in eer te brengen," zoals gezegd wordt in het Boek Ecclesiasticus (11. 23). Dus heeft Hij zich geen ogenblik in de hel opgehouden.
B: (Sir 11:23) [b:Sir 11:23]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus zich niet enigen tijd in de hel heeft opgehouden. Christus daalde immers af in de hel met het doel, de mensen daaruit te bevrijden. Dit deed Hij echter terstond toen Hij afdaalde: "Het is immers voor God gemakkelijk een arme ineens in eer te brengen," zoals gezegd wordt in het Boek Ecclesiasticus (11. 23). Dus heeft Hij zich geen ogenblik in de hel opgehouden.
B: (Sir 11:23) [b:Sir 11:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Augustinus zegt, dat "zonder enig verwijl alle ijzeren grendels verbroken zijn op het bevel van de Heer en Zaligmaker." Daarom wordt uit naam van de engelen, die Christus begeleidden, gezegd: "Neemt uw poorten weg, o vorsten" (Ps. 23. 7). Christus nu daalde daarheen juist af, om de ijzeren grendels te verbreken. Dus heeft Christus geen enkel oponthoud gehad in de hel.
B: (Ps 23:7) [b:Ps 23:7] (Ps 23, Ps 23:9) [b:Ps 23] (Isa 45:2) [b:Isa 45:2]
Vervolgens. Augustinus zegt, dat "zonder enig verwijl alle ijzeren grendels verbroken zijn op het bevel van de Heer en Zaligmaker." Daarom wordt uit naam van de engelen, die Christus begeleidden, gezegd: "Neemt uw poorten weg, o vorsten" (Ps. 23. 7). Christus nu daalde daarheen juist af, om de ijzeren grendels te verbreken. Dus heeft Christus geen enkel oponthoud gehad in de hel.
B: (Ps 23:7) [b:Ps 23:7] (Ps 23, Ps 23:9) [b:Ps 23] (Isa 45:2) [b:Isa 45:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Bij Lucas (23. 43) wordt gezegd, dat de Heer, hangende aan het kruis, tot de rover zeide: "Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs:" waaruit blijkt, dat Christus diezelfde dag in het paradijs was. Echter niet wat betreft zijn lichaam, dat in het graf gelegd was. Dus met zijn ziel, welke nedergedaald was ter helle. En dus heeft Hij zich niet in de hel opgehouden.
B: (Luke 23:43) [b:Luke 23:43]
Vervolgens. Bij Lucas (23. 43) wordt gezegd, dat de Heer, hangende aan het kruis, tot de rover zeide: "Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs:" waaruit blijkt, dat Christus diezelfde dag in het paradijs was. Echter niet wat betreft zijn lichaam, dat in het graf gelegd was. Dus met zijn ziel, welke nedergedaald was ter helle. En dus heeft Hij zich niet in de hel opgehouden.
B: (Luke 23:43) [b:Luke 23:43]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Petrus zegt in de Handelingen der Apostelen (2, 24): "En Hem heeft God opgewekt, na de smarten der hel te hebben weggenomen, daar Hij onmogelijk door haar kon worden vastgehouden." Dus bleef Hij tot aan het uur der verrijzenis in de hel.
B: (Acts 2:24) [b:Acts 2:24]
Daartegenover staat echter, dat Petrus zegt in de Handelingen der Apostelen (2, 24): "En Hem heeft God opgewekt, na de smarten der hel te hebben weggenomen, daar Hij onmogelijk door haar kon worden vastgehouden." Dus bleef Hij tot aan het uur der verrijzenis in de hel.
B: (Acts 2:24) [b:Acts 2:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 4 co.
Mijn antwoord. Evenals Christus wilde, dat zijn lichaam in het graf gelegd zou worden, om onze straffen op zich te nemen: evenzo wilde Hij ook, dat zijn ziel naar de hel afdaalde. Zijn lichaam nu verbleef een gehele dag en twee nachten lang in de hel, om de echtheid van zijn dood te bewijzen. En daarom moeten wij ook houden, dat zijn ziel evenzo lang in de hel bleef, opdat tegelijk zijn ziel uit de hel gevoerd werd en zijn lichaam uit het graf.
Mijn antwoord. Evenals Christus wilde, dat zijn lichaam in het graf gelegd zou worden, om onze straffen op zich te nemen: evenzo wilde Hij ook, dat zijn ziel naar de hel afdaalde. Zijn lichaam nu verbleef een gehele dag en twee nachten lang in de hel, om de echtheid van zijn dood te bewijzen. En daarom moeten wij ook houden, dat zijn ziel evenzo lang in de hel bleef, opdat tegelijk zijn ziel uit de hel gevoerd werd en zijn lichaam uit het graf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Christus heeft toen Hij in de hel afdaalde, de heiligen verlost, die daar verbleven, echter niet door hen terstond uit de helleplaats weg te voeren, maar door hen in de hel zelf met het licht de glorie te bestralen. En het was ook passend, dat zijn ziel evenlang in de hel bleef als zijn lichaam in het graf.
1e Weerlegging. Christus heeft toen Hij in de hel afdaalde, de heiligen verlost, die daar verbleven, echter niet door hen terstond uit de helleplaats weg te voeren, maar door hen in de hel zelf met het licht de glorie te bestralen. En het was ook passend, dat zijn ziel evenlang in de hel bleef als zijn lichaam in het graf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Met "de grendels der hel" worden de hinderpalen bedoeld, die de heilige vaders beletten uit de hel te komen door de zondeschuld van de stamvader. Deze heeft Christus door de kracht van zijn lijden en dood verbroken, terstond toen Hij in de hel afdaalde. En toch wilde Hij enigen tijd in de hel verblijven om de reden, die in de leerstelling werd aangegeven.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 52 a. 5 co.
IIIa q. 52 a. 7 arg. 3
IIIa q. 52 a. 8 co.[t:iiia q. 52 a. 5 co.][t:iiia q. 52 a. 7 arg. 3][t:iiia q. 52 a. 8 co.]
2e Weerlegging. Met "de grendels der hel" worden de hinderpalen bedoeld, die de heilige vaders beletten uit de hel te komen door de zondeschuld van de stamvader. Deze heeft Christus door de kracht van zijn lijden en dood verbroken, terstond toen Hij in de hel afdaalde. En toch wilde Hij enigen tijd in de hel verblijven om de reden, die in de leerstelling werd aangegeven.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 52 a. 5 co.
IIIa q. 52 a. 7 arg. 3
IIIa q. 52 a. 8 co.[t:iiia q. 52 a. 5 co.][t:iiia q. 52 a. 7 arg. 3][t:iiia q. 52 a. 8 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Men moet dat woord van de Heer verstaan van het stoffelijk, aards paradijs, maar van het geestelijk paradijs, waarin, zoals wij zeggen, zij zijn, die Gods heerlijkheid genieten. Daarom daalde de rover plaatselijk wel met Christus af naar de hel, om met Christus te zijn, daar hem gezegd werd: "Gij zult met Mij zijn in het paradijs," maar naar de beloning was hij in het paradijs, wijl hij daar van de Godheid van Christus genoot, zoals de andere heiligen.
3e Weerlegging. Men moet dat woord van de Heer verstaan van het stoffelijk, aards paradijs, maar van het geestelijk paradijs, waarin, zoals wij zeggen, zij zijn, die Gods heerlijkheid genieten. Daarom daalde de rover plaatselijk wel met Christus af naar de hel, om met Christus te zijn, daar hem gezegd werd: "Gij zult met Mij zijn in het paradijs," maar naar de beloning was hij in het paradijs, wijl hij daar van de Godheid van Christus genoot, zoals de andere heiligen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Heeft Christus door zijn afdalen naar de hel de heilige vaders daaruit verlost?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 52 a. 6 co.
IIIa q. 52 a. 7 arg. 1
IIIa q. 52 a. 7 arg. 3
IIIa q. 52 a. 8 co.[t:iiia q. 52 a. 6 co.][t:iiia q. 52 a. 7 arg. 1][t:iiia q. 52 a. 7 arg. 3][t:iiia q. 52 a. 8 co.]
IIIa q. 52 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Christus door zijn afdalen naar de hel, de heilige vaders niet daaruit heeft verlost. Augustinus toch zegt: "Ik heb nog niet achterhaald, wat Christus bij zijn afdalen in de hel, aan die rechtvaardigen gebracht heeft, die in de schoot van Abraham waren, daar ik zie, dat Hij hen nooit met de zaligende tegenwoordigheid van zijn Godheid verlaten had." Indien Hij hen echter uit de hel bevrijd had, dan had Hij hen veel gebracht. Dus heeft Hij de heilige vaders niet uit de hel bevrijd.
IIIa q. 52 a. 6 co.
IIIa q. 52 a. 7 arg. 1
IIIa q. 52 a. 7 arg. 3
IIIa q. 52 a. 8 co.[t:iiia q. 52 a. 6 co.][t:iiia q. 52 a. 7 arg. 1][t:iiia q. 52 a. 7 arg. 3][t:iiia q. 52 a. 8 co.]
IIIa q. 52 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat Christus door zijn afdalen naar de hel, de heilige vaders niet daaruit heeft verlost. Augustinus toch zegt: "Ik heb nog niet achterhaald, wat Christus bij zijn afdalen in de hel, aan die rechtvaardigen gebracht heeft, die in de schoot van Abraham waren, daar ik zie, dat Hij hen nooit met de zaligende tegenwoordigheid van zijn Godheid verlaten had." Indien Hij hen echter uit de hel bevrijd had, dan had Hij hen veel gebracht. Dus heeft Hij de heilige vaders niet uit de hel bevrijd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Niemand wordt in de hel vastgehouden, tenzij om een zonde. De heilige vaders echter waren tijdens hun leven door het geloof in Christus van de zonde gerechtvaardigd. Dus hadden zij niet nodig dat Christus hen verloste, door in de hel af te dalen.
Vervolgens. Niemand wordt in de hel vastgehouden, tenzij om een zonde. De heilige vaders echter waren tijdens hun leven door het geloof in Christus van de zonde gerechtvaardigd. Dus hadden zij niet nodig dat Christus hen verloste, door in de hel af te dalen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Wanneer de oorzaak wordt weggenomen, wordt ook het effect opgeheven. De oorzaak nu van het afdalen in de hel is de zonde, die weggenomen werd door het lijden van Christus, zoals boven gezegd is (49° Kw. 1° Art.). Dus zijn de heilige vaders niet door Christus’ afdalen in de onderwereld uit de hel verlost.
R: q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1]
Vervolgens. Wanneer de oorzaak wordt weggenomen, wordt ook het effect opgeheven. De oorzaak nu van het afdalen in de hel is de zonde, die weggenomen werd door het lijden van Christus, zoals boven gezegd is (49° Kw. 1° Art.). Dus zijn de heilige vaders niet door Christus’ afdalen in de onderwereld uit de hel verlost.
R: q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt, dat toen Christus in de hel nederdaalde, "Hij de poorten van de hel en de ijzeren kluisters verbrak en al de rechtvaardigen verloste, die wegens de smet van de erfzonde werden vastgehouden."
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt, dat toen Christus in de hel nederdaalde, "Hij de poorten van de hel en de ijzeren kluisters verbrak en al de rechtvaardigen verloste, die wegens de smet van de erfzonde werden vastgehouden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd werd (in het vorige Art. 2° Antw.), heeft Christus bij zijn afdalen naar de hel gewerkt uit kracht van zijn lijden. Door het lijden van Christus nu werd het menselijk geslacht niet alleen van de zonde bevrijd, maar ook van de strafschuldigheid, zoals boven gezegd werd (49° Kw. 1° en 3° Art.). Nu waren de mensen op dubbele wijze beladen met strafschuldigheid. — Vooreerst om hun daadwerkelijke zonde, welke ieder persoonlijk bedreef. — Vervolgens om de zonde van geheel de menselijke natuur, welke door voortkomst uit de stamvader op allen overgaat, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (5. 12 vlg.). De straf van deze zonde nu is de lichamelijke dood, en de uitsluiting van het leven der glorie, zoals uit hetgeen gezegd wordt in het Boek der Schepping (hfdst. 2, 3) blijkt; God verdreef immers na de zonde de mens uit het paradijs, nadat Hij hem vóór de zonde met de dood bedreigd had, voor het geval hij zondigde. En aldus heeft Christus door zijn nederdalen in de hel uit kracht van zijn lijden de heiligen verlost van deze strafschuldigheid, waardoor zij van het leven der glorie waren uitgesloten, zodat zij God in zijn wezen konden aanschouwen, waarin de volmaakte gelukzaligheid voor de mens gelegen is, zoals in het Tweede Deel gezegd is (I. II. 3° Kw. 8° Art.). De heilige vaders nu werden in de hel vastgehouden in die zin, dat voor hen om de zonde van de stamvader de toegang tot het leven der glorie niet openstond. En zo heeft Christus door in de hel af te dalen de heilige vaders uit de hel verlost. En dit wordt bedoeld met hetgeen in Zacharias (9. 11) gezegd wordt: "Gij hebt met het bloed van Uw verbond de gevangenen verlost uit de kuil, waarin geen water was." En in de Brief aan de Colossensen (2. 15) wordt gezegd, dat "Hij door de vorsten en machten te beroven" nl. "de helsche, hetgeen geschiedde door Abraham, Isaac en Jacob en de overige rechtvaardigen weg te voeren, hen overbracht, d. i. hen ver van dit rijk der duisternis naar de hemel voerde," zoals de Glossa zegt.
B: (Gen 2) [b:Gen 2] (Zech 9:11) [b:Zech 9:11] (Rom 5) [b:Rom 5] (Col 2:15) [b:Col 2:15]
R: q. 52 a. 4 ad 2[t:iiia q. 52 a. 4 ad 2] q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 49 a. 3[t:iiia q. 49 a. 3] Ia-IIae q. 3 a. 8[t:ia-iiae q. 3 a. 8]
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd werd (in het vorige Art. 2° Antw.), heeft Christus bij zijn afdalen naar de hel gewerkt uit kracht van zijn lijden. Door het lijden van Christus nu werd het menselijk geslacht niet alleen van de zonde bevrijd, maar ook van de strafschuldigheid, zoals boven gezegd werd (49° Kw. 1° en 3° Art.). Nu waren de mensen op dubbele wijze beladen met strafschuldigheid. — Vooreerst om hun daadwerkelijke zonde, welke ieder persoonlijk bedreef. — Vervolgens om de zonde van geheel de menselijke natuur, welke door voortkomst uit de stamvader op allen overgaat, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (5. 12 vlg.). De straf van deze zonde nu is de lichamelijke dood, en de uitsluiting van het leven der glorie, zoals uit hetgeen gezegd wordt in het Boek der Schepping (hfdst. 2, 3) blijkt; God verdreef immers na de zonde de mens uit het paradijs, nadat Hij hem vóór de zonde met de dood bedreigd had, voor het geval hij zondigde. En aldus heeft Christus door zijn nederdalen in de hel uit kracht van zijn lijden de heiligen verlost van deze strafschuldigheid, waardoor zij van het leven der glorie waren uitgesloten, zodat zij God in zijn wezen konden aanschouwen, waarin de volmaakte gelukzaligheid voor de mens gelegen is, zoals in het Tweede Deel gezegd is (I. II. 3° Kw. 8° Art.). De heilige vaders nu werden in de hel vastgehouden in die zin, dat voor hen om de zonde van de stamvader de toegang tot het leven der glorie niet openstond. En zo heeft Christus door in de hel af te dalen de heilige vaders uit de hel verlost. En dit wordt bedoeld met hetgeen in Zacharias (9. 11) gezegd wordt: "Gij hebt met het bloed van Uw verbond de gevangenen verlost uit de kuil, waarin geen water was." En in de Brief aan de Colossensen (2. 15) wordt gezegd, dat "Hij door de vorsten en machten te beroven" nl. "de helsche, hetgeen geschiedde door Abraham, Isaac en Jacob en de overige rechtvaardigen weg te voeren, hen overbracht, d. i. hen ver van dit rijk der duisternis naar de hemel voerde," zoals de Glossa zegt.
B: (Gen 2) [b:Gen 2] (Zech 9:11) [b:Zech 9:11] (Rom 5) [b:Rom 5] (Col 2:15) [b:Col 2:15]
R: q. 52 a. 4 ad 2[t:iiia q. 52 a. 4 ad 2] q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 49 a. 3[t:iiia q. 49 a. 3] Ia-IIae q. 3 a. 8[t:ia-iiae q. 3 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Augustinus spreekt daar tegen sommigen, die hielden, dat de oude rechtvaardigen vóór Christus' komst in de hel aan smartelijke straffen onderhevig waren. Daarom laat hij kort voor de aangehaalde woorden voorafgaan: "Sommigen voegen er aan toe, dat aan de oude heiligen ook deze weldaad geschonken werd, dat de Heer hen van hun smarten bevrijdde, toen Hij in de hel afdaalde. Maar ik zie niet in, hoe zij het verstaan, dat Abraham, in wiens schoot ook die arme werd opgenomen, in die smarten was ondergedompeld." En als hij daarom later laat volgen, "dat hij nog niet achterhaald heeft, wat het afdalen van Christus in de hel bracht aan de oude rechtvaardigen," dan moet dit verstaan worden met het oog op de verlossing der smartelijke straffen. Hij bracht hen echter iets met betrekking tot het verkrijgen der glorie, en bijgevolg nam hij hun smart weg, die zij leden tengevolge van het uitstel der glorie. Om de hoop hierop hadden zij echter een grote vreugde naar het woord in Joannes (8. 56): "Abraham, uw vader verheugde zich er op, dat hij Mijn dag zou zien." En derhalve voegt hij er aan toe: "Ik zie in, dat Hij hen nooit met de zaligende tegenwoordigheid van zijn Godheid verlaten heeft," in zoverre zij vóór de komst van Christus zalig waren door de hoop, ofschoon zij nooit niet in werkelijkheid volkomen zalig waren.
B: (John 8:56, John 8:56) [b:John 8:56]
1e Weerlegging. Augustinus spreekt daar tegen sommigen, die hielden, dat de oude rechtvaardigen vóór Christus' komst in de hel aan smartelijke straffen onderhevig waren. Daarom laat hij kort voor de aangehaalde woorden voorafgaan: "Sommigen voegen er aan toe, dat aan de oude heiligen ook deze weldaad geschonken werd, dat de Heer hen van hun smarten bevrijdde, toen Hij in de hel afdaalde. Maar ik zie niet in, hoe zij het verstaan, dat Abraham, in wiens schoot ook die arme werd opgenomen, in die smarten was ondergedompeld." En als hij daarom later laat volgen, "dat hij nog niet achterhaald heeft, wat het afdalen van Christus in de hel bracht aan de oude rechtvaardigen," dan moet dit verstaan worden met het oog op de verlossing der smartelijke straffen. Hij bracht hen echter iets met betrekking tot het verkrijgen der glorie, en bijgevolg nam hij hun smart weg, die zij leden tengevolge van het uitstel der glorie. Om de hoop hierop hadden zij echter een grote vreugde naar het woord in Joannes (8. 56): "Abraham, uw vader verheugde zich er op, dat hij Mijn dag zou zien." En derhalve voegt hij er aan toe: "Ik zie in, dat Hij hen nooit met de zaligende tegenwoordigheid van zijn Godheid verlaten heeft," in zoverre zij vóór de komst van Christus zalig waren door de hoop, ofschoon zij nooit niet in werkelijkheid volkomen zalig waren.
B: (John 8:56, John 8:56) [b:John 8:56]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Terwijl de heilige vaders nog leefden, waren zij door hun geloof in Christus van elke zonde bevrijd, zowel van de erfzonde als van de daadwerkelijke, maar niet van de strafschuld van de erfzonde, waardoor zij van de glorie waren uitgesloten, omdat de prijs voor de menselijke verlossing nog niet betaald was. Zoals ook nu zij, die geloven in Christus, door het doopsel bevrijd worden van de schuld der daadwerkelijke zonden, en van de schuld der erfzonde, wat betreft de uitsluiting van de glorie, maar toch nog gebonden blijven door de schuld der erfzonde, wat de noodzakelijkheid betreft van lichamelijk te sterven; want zij worden wel hernieuwd naar de geest, maar nog niet naar het vlees, volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (8. 10): "Het lichaam is wel gestorven van wege de zonde, maar de geest leeft om de rechtvaardiging."
B: (Rom 8:10) [b:Rom 8:10]
2e Weerlegging. Terwijl de heilige vaders nog leefden, waren zij door hun geloof in Christus van elke zonde bevrijd, zowel van de erfzonde als van de daadwerkelijke, maar niet van de strafschuld van de erfzonde, waardoor zij van de glorie waren uitgesloten, omdat de prijs voor de menselijke verlossing nog niet betaald was. Zoals ook nu zij, die geloven in Christus, door het doopsel bevrijd worden van de schuld der daadwerkelijke zonden, en van de schuld der erfzonde, wat betreft de uitsluiting van de glorie, maar toch nog gebonden blijven door de schuld der erfzonde, wat de noodzakelijkheid betreft van lichamelijk te sterven; want zij worden wel hernieuwd naar de geest, maar nog niet naar het vlees, volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (8. 10): "Het lichaam is wel gestorven van wege de zonde, maar de geest leeft om de rechtvaardiging."
B: (Rom 8:10) [b:Rom 8:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Terstond toen Christus de dood stierf, is zijn ziel naar de hel afgedaald, en gaf Hij de vrucht van zijn lijden aan de heiligen, die in de hel werden vastgehouden; hoewel zij nog niet uit die plaats weggingen, zolang Christus in de onderwereld verbleef; daar de tegenwoordigheid van Christus zelf behoorde tot het hoogtepunt der glorie.
3e Weerlegging. Terstond toen Christus de dood stierf, is zijn ziel naar de hel afgedaald, en gaf Hij de vrucht van zijn lijden aan de heiligen, die in de hel werden vastgehouden; hoewel zij nog niet uit die plaats weggingen, zolang Christus in de onderwereld verbleef; daar de tegenwoordigheid van Christus zelf behoorde tot het hoogtepunt der glorie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Heeft Christus enige verdoemden uit de hel bevrijd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 52 a. 7 arg. 3
IIIa q. 52 a. 7 co.
IIIa q. 52 a. 8 arg. 1
IIIa q. 52 a. 8 co.[t:iiia q. 52 a. 7 arg. 3][t:iiia q. 52 a. 7 co.][t:iiia q. 52 a. 8 arg. 1][t:iiia q. 52 a. 8 co.]
IIIa q. 52 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat Christus enige verdoemden uit de hel bevrijd heeft. Bij *Isaïas* (24. 22) toch wordt gezegd: "Zij zullen samengebonden worden in de band van één bundel voor de kuil en zij zullen daar opgesloten worden in de kerker, en na vele dagen zullen zij bezocht worden." Op die plaats nu wordt gesproken van de verdoemden, die het hemels heer aanbeden hebben. Dus schijnen ook de verdoemden bij het nederdalen van Christus in de hel bezocht te zijn. Dit nu behoort tot hun bevrijding.
B: (Isa 24:22) [b:Isa 24:22]
IIIa q. 52 a. 7 arg. 3
IIIa q. 52 a. 7 co.
IIIa q. 52 a. 8 arg. 1
IIIa q. 52 a. 8 co.[t:iiia q. 52 a. 7 arg. 3][t:iiia q. 52 a. 7 co.][t:iiia q. 52 a. 8 arg. 1][t:iiia q. 52 a. 8 co.]
IIIa q. 52 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat Christus enige verdoemden uit de hel bevrijd heeft. Bij *Isaïas* (24. 22) toch wordt gezegd: "Zij zullen samengebonden worden in de band van één bundel voor de kuil en zij zullen daar opgesloten worden in de kerker, en na vele dagen zullen zij bezocht worden." Op die plaats nu wordt gesproken van de verdoemden, die het hemels heer aanbeden hebben. Dus schijnen ook de verdoemden bij het nederdalen van Christus in de hel bezocht te zijn. Dit nu behoort tot hun bevrijding.
B: (Isa 24:22) [b:Isa 24:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Aangaande de woorden van *Zacharias* (9. 11): "Gij hebt in het bloed van Uw verbond de gevangenen uit de kuil gevoerd, waarin geen water was," zegt de Glossa: "Gij hebt hen bevrijd, die geboeid lagen in de kerker, waar geen barmhartigheid hen verkwikte, waarom die rijke vroeg." Alleen de verdoemden echter worden buiten alle barmhartigheid in de kerker opgesloten. Dus heeft Christus sommigen bevrijd uit de hel der verdoemden.
B: (Zech 9:11) [b:Zech 9:11]
Vervolgens. Aangaande de woorden van *Zacharias* (9. 11): "Gij hebt in het bloed van Uw verbond de gevangenen uit de kuil gevoerd, waarin geen water was," zegt de Glossa: "Gij hebt hen bevrijd, die geboeid lagen in de kerker, waar geen barmhartigheid hen verkwikte, waarom die rijke vroeg." Alleen de verdoemden echter worden buiten alle barmhartigheid in de kerker opgesloten. Dus heeft Christus sommigen bevrijd uit de hel der verdoemden.
B: (Zech 9:11) [b:Zech 9:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 6 arg. 3
Vervolgens. De macht van Christus was in de hel niet kleiner dan hier op aarde: op beide plaatsen immers werkte Hij door de kracht van zijn Godheid. Op deze wereld nu heeft Hij uit elke staat enigen bevrijd. Dus heeft Hij ook in de hel sommigen verlost uit de staat der verdoemden.
Vervolgens. De macht van Christus was in de hel niet kleiner dan hier op aarde: op beide plaatsen immers werkte Hij door de kracht van zijn Godheid. Op deze wereld nu heeft Hij uit elke staat enigen bevrijd. Dus heeft Hij ook in de hel sommigen verlost uit de staat der verdoemden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter wat gezegd wordt bij Hosea (13. 14): "Ik zal uw dood zijn, o dood, uw doodsteek zal Ik zijn, onderwereld." En de Glossa: "Door de uitverkorenen weg te voeren, en de verworpenen daar achter te laten." Alleen de verworpenen echter zijn in de hel der verdoemden. Dus zijn niet enigen uit de hel der verdoemden bevrijd door het afdalen van Christus naar de onderwereld.
B: (Hos 13:14) [b:Hos 13:14]
Daartegenover staat echter wat gezegd wordt bij Hosea (13. 14): "Ik zal uw dood zijn, o dood, uw doodsteek zal Ik zijn, onderwereld." En de Glossa: "Door de uitverkorenen weg te voeren, en de verworpenen daar achter te laten." Alleen de verworpenen echter zijn in de hel der verdoemden. Dus zijn niet enigen uit de hel der verdoemden bevrijd door het afdalen van Christus naar de onderwereld.
B: (Hos 13:14) [b:Hos 13:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 6 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (in het vorige Artikel), heeft Christus bij zijn afdalen in de hel gewerkt uit de kracht van zijn lijden. En daarom bracht zijn afdalen in de hel alleen aan hen de vrucht der verlossing, die met het lijden van Christus verbonden waren door het geloof, gevormd door de liefde, waardoor de zonden worden weggenomen. Zij echter, die in de hel der verdoemden waren, hadden ofwel helemaal geen geloof in het lijden van Christus gehad, zoals de ongelovigen; of als zij het geloof hadden gehad, dan hadden zij geen enkele gelijkvormigheid met de liefde van de lijdende Christus. En daarom waren zij ook niet van hun zonden gezuiverd. En daarom bracht het afdalen van Christus naar de hel voor hen geen verlossing van de hellestraf, die ze moesten ondergaan.
R: q. 52 a. 5[t:iiia q. 52 a. 5]
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (in het vorige Artikel), heeft Christus bij zijn afdalen in de hel gewerkt uit de kracht van zijn lijden. En daarom bracht zijn afdalen in de hel alleen aan hen de vrucht der verlossing, die met het lijden van Christus verbonden waren door het geloof, gevormd door de liefde, waardoor de zonden worden weggenomen. Zij echter, die in de hel der verdoemden waren, hadden ofwel helemaal geen geloof in het lijden van Christus gehad, zoals de ongelovigen; of als zij het geloof hadden gehad, dan hadden zij geen enkele gelijkvormigheid met de liefde van de lijdende Christus. En daarom waren zij ook niet van hun zonden gezuiverd. En daarom bracht het afdalen van Christus naar de hel voor hen geen verlossing van de hellestraf, die ze moesten ondergaan.
R: q. 52 a. 5[t:iiia q. 52 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Christus heeft bij zijn afdalen in de hel allen, in welk deel der hel zij ook waren, in zekeren zin bezocht; sommigen echter tot hun troost en hun verlossing, anderen echter tot hun beschaming en hun verbijstering, namelijk de verdoemden. Daarom wordt op die plaats eraan toegevoegd: "De maan zal beschamd worden en de zon in de war raken," enz. (v. 23). Dit kan men ook laten slaan op het bezoek, waarmede Hij bezoeken zal op de oordeelsdag, niet om te bevrijden, maar om nog meer te veroordelen, naar het woord van Sophonias (1. 12): "Ik zal bezoeking brengen over de mannen, die vastzitten op hun droesem."
1e Weerlegging. Christus heeft bij zijn afdalen in de hel allen, in welk deel der hel zij ook waren, in zekeren zin bezocht; sommigen echter tot hun troost en hun verlossing, anderen echter tot hun beschaming en hun verbijstering, namelijk de verdoemden. Daarom wordt op die plaats eraan toegevoegd: "De maan zal beschamd worden en de zon in de war raken," enz. (v. 23). Dit kan men ook laten slaan op het bezoek, waarmede Hij bezoeken zal op de oordeelsdag, niet om te bevrijden, maar om nog meer te veroordelen, naar het woord van Sophonias (1. 12): "Ik zal bezoeking brengen over de mannen, die vastzitten op hun droesem."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Als in de Glossa gezegd wordt: "Waar geen barmhartigheid hen verkwikte," dan moet dat verstaan worden van de verkwikking der volmaakte bevrijding. Want de heilige vaders konden in die hellekerker vóór de komst van Christus niet bevrijd worden.
2e Weerlegging. Als in de Glossa gezegd wordt: "Waar geen barmhartigheid hen verkwikte," dan moet dat verstaan worden van de verkwikking der volmaakte bevrijding. Want de heilige vaders konden in die hellekerker vóór de komst van Christus niet bevrijd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Dat, zoals uit elke staat op de wereld, ook niet uit elke staat der hel enigen bevrijd werden, lag niet aan de onmacht van Christus; maar aan de verschillende toestand van beiden, want zolang de mensen leven, kunnen zij tot het geloof en de liefde bekeerd worden, terwijl in dit leven de mensen nog niet in het goede of kwade bevestigd zijn, zoals na het heengaan uit dit leven.
3e Weerlegging. Dat, zoals uit elke staat op de wereld, ook niet uit elke staat der hel enigen bevrijd werden, lag niet aan de onmacht van Christus; maar aan de verschillende toestand van beiden, want zolang de mensen leven, kunnen zij tot het geloof en de liefde bekeerd worden, terwijl in dit leven de mensen nog niet in het goede of kwade bevestigd zijn, zoals na het heengaan uit dit leven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Zijn de kinderen, die met de erfzonde gestorven waren, door Christus bevrijd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 52 a. 8 co.[t:iiia q. 52 a. 8 co.]
IIIa q. 52 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de kinderen, die met de erfzonde gestorven waren, door Christus’ afdaling uit de hel bevrijd zijn. Zij werden immers alleen maar in de hel vastgehouden om de erfzonde, evenals de heilige vaders. De heilige vaders nu werden door Christus uit de hel bevrijd, zoals boven gezegd werd (7e artikel van deze Kw.). Dus zijn op dezelfde wijze ook de kinderen door Christus uit de hel verlost.
R: q. 52 a. 5[t:iiia q. 52 a. 5]
IIIa q. 52 a. 8 co.[t:iiia q. 52 a. 8 co.]
IIIa q. 52 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de kinderen, die met de erfzonde gestorven waren, door Christus’ afdaling uit de hel bevrijd zijn. Zij werden immers alleen maar in de hel vastgehouden om de erfzonde, evenals de heilige vaders. De heilige vaders nu werden door Christus uit de hel bevrijd, zoals boven gezegd werd (7e artikel van deze Kw.). Dus zijn op dezelfde wijze ook de kinderen door Christus uit de hel verlost.
R: q. 52 a. 5[t:iiia q. 52 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 7 arg. 2
Vervolgens. In de Brief aan de Romeinen (5. 15) zegt de Apostel: "Al zijn door de val van één velen gestorven, veel overvloediger is de genade van God en de genadegift van de ene mens Jesus Christus over meerderen uitgestort." Om de zonde echter van de stamvader werden de kinderen, die stierven, alleen beladen met de erfzonde, in de hel vastgehouden. Dus zijn zij nog veel meer door de genade van Christus van de hel bevrijd.
B: (Rom 5:15) [b:Rom 5:15]
Vervolgens. In de Brief aan de Romeinen (5. 15) zegt de Apostel: "Al zijn door de val van één velen gestorven, veel overvloediger is de genade van God en de genadegift van de ene mens Jesus Christus over meerderen uitgestort." Om de zonde echter van de stamvader werden de kinderen, die stierven, alleen beladen met de erfzonde, in de hel vastgehouden. Dus zijn zij nog veel meer door de genade van Christus van de hel bevrijd.
B: (Rom 5:15) [b:Rom 5:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Zoals het doopsel werkt uit kracht van Christus’ lijden, zo werkt zijn nederdaling in de hel, zoals blijkt uit het gezegde (in het vorige artikel). De kinderen nu worden door het doopsel bevrijd van de erfzonde en van de hel. Dus zijn zij evenzo bevrijd door Christus’ nederdaling in de hel.
R: q. 52 a. 4 ad 2[t:iiia q. 52 a. 4 ad 2] q. 52 a. 5[t:iiia q. 52 a. 5] q. 52 a. 6[t:iiia q. 52 a. 6]
Vervolgens. Zoals het doopsel werkt uit kracht van Christus’ lijden, zo werkt zijn nederdaling in de hel, zoals blijkt uit het gezegde (in het vorige artikel). De kinderen nu worden door het doopsel bevrijd van de erfzonde en van de hel. Dus zijn zij evenzo bevrijd door Christus’ nederdaling in de hel.
R: q. 52 a. 4 ad 2[t:iiia q. 52 a. 4 ad 2] q. 52 a. 5[t:iiia q. 52 a. 5] q. 52 a. 6[t:iiia q. 52 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Apostel in de Brief aan de Romeinen (3. 25) zegt, dat "God Christus heeft aangewezen als Verzoener door het geloof in zijn bloed." De kinderen echter, die met de erfzonde beladen gestorven waren, waren op geen enkele wijze deelachtig aan het geloof in Christus. Dus ontvingen zij niet de vrucht van Christus’ verzoening, zodat zij door Hem uit de hel zouden bevrijd worden.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
Daartegenover staat echter, dat de Apostel in de Brief aan de Romeinen (3. 25) zegt, dat "God Christus heeft aangewezen als Verzoener door het geloof in zijn bloed." De kinderen echter, die met de erfzonde beladen gestorven waren, waren op geen enkele wijze deelachtig aan het geloof in Christus. Dus ontvingen zij niet de vrucht van Christus’ verzoening, zodat zij door Hem uit de hel zouden bevrijd worden.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 7 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (in het vorige Artikel), had de nederdaling van Christus in de hel alleen bij hen zijn bevrijdende uitwerking, die door het geloof en de liefde met Christus’ lijden verbonden waren, daar uit kracht hiervan het afdalen van Christus in de hel bevrijdend werkte. De kinderen nu, die met de erfzonde beladen, gestorven waren, waren op geen enkele wijze door geloof en liefde met het lijden van Christus verbonden: zij konden immers zelf geen geloof hebben, daar zij niet het gebruik van hun vrije wil bezaten, en ook waren zij niet door het geloof der ouders of door een of ander geloofssacrament van de erfzonde gereinigd. En derhalve heeft de nederdaling van Christus in de hel deze kinderen niet uit de hel bevrijd. En daarbij werden de heilige vaders uit de hel verlost, doordat zij tot de glorie der Godsschouwing werden toegelaten; hiertoe kan niemand geraken, tenzij door de genade, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (6.23): "De genade van God is het eeuwige leven". Daar derhalve de kinderen, die stierven met de erfzonde beladen, niet de genade bezaten, zijn zij niet uit de hel bevrijd.
B: (Rom 6:23) [b:Rom 6:23]
R: q. 52 a. 6[t:iiia q. 52 a. 6]
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (in het vorige Artikel), had de nederdaling van Christus in de hel alleen bij hen zijn bevrijdende uitwerking, die door het geloof en de liefde met Christus’ lijden verbonden waren, daar uit kracht hiervan het afdalen van Christus in de hel bevrijdend werkte. De kinderen nu, die met de erfzonde beladen, gestorven waren, waren op geen enkele wijze door geloof en liefde met het lijden van Christus verbonden: zij konden immers zelf geen geloof hebben, daar zij niet het gebruik van hun vrije wil bezaten, en ook waren zij niet door het geloof der ouders of door een of ander geloofssacrament van de erfzonde gereinigd. En derhalve heeft de nederdaling van Christus in de hel deze kinderen niet uit de hel bevrijd. En daarbij werden de heilige vaders uit de hel verlost, doordat zij tot de glorie der Godsschouwing werden toegelaten; hiertoe kan niemand geraken, tenzij door de genade, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (6.23): "De genade van God is het eeuwige leven". Daar derhalve de kinderen, die stierven met de erfzonde beladen, niet de genade bezaten, zijn zij niet uit de hel bevrijd.
B: (Rom 6:23) [b:Rom 6:23]
R: q. 52 a. 6[t:iiia q. 52 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Ofschoon de heilige vaders nog vastgehouden werden, beladen als zij waren met de schuldigheid der erfzonde, voor zover zij betrekking heeft op de menselijke natuur, waren zij toch door het geloof in Christus van elke zondesvlek gezuiverd: en daarom waren zij ontvankelijk voor de bevrijding, welke Christus bracht bij zijn afdalen in de hel. Dit kan echter niet gezegd worden van de kinderen, zoals blijkt uit het bovengezegde (in de Leerst.).
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 52 a. 8 ad 3[t:iiia q. 52 a. 8 ad 3]
1e Weerlegging. Ofschoon de heilige vaders nog vastgehouden werden, beladen als zij waren met de schuldigheid der erfzonde, voor zover zij betrekking heeft op de menselijke natuur, waren zij toch door het geloof in Christus van elke zondesvlek gezuiverd: en daarom waren zij ontvankelijk voor de bevrijding, welke Christus bracht bij zijn afdalen in de hel. Dit kan echter niet gezegd worden van de kinderen, zoals blijkt uit het bovengezegde (in de Leerst.).
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 52 a. 8 ad 3[t:iiia q. 52 a. 8 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Als de Apostel zegt, dat "de genade Gods overvloedig was over meerderen", dan moet men dat "meerderen" niet vergelijkender wijze nemen, alsof er numeriek meer door de genade van Christus bevrijd zijn, dan er verdoemd zijn door de zonde van Adam; maar men moet het absoluut nemen, alsof hij zei, dat de genade van de één Christus overvloedig was over velen, zoals ook de zonde van de één Adam overging op velen. Maar zoals de zonde van Adam slechts overgaat op hen, die vleselijk door telling van hem afstammen, zo dringt ook de genade van Christus slechts door tot hen, die door een geestelijke wedergeboorte zijn ledematen geworden zijn: en dit komt niet toe aan de kinderen, die in erfzonde sterven.
2e Weerlegging. Als de Apostel zegt, dat "de genade Gods overvloedig was over meerderen", dan moet men dat "meerderen" niet vergelijkender wijze nemen, alsof er numeriek meer door de genade van Christus bevrijd zijn, dan er verdoemd zijn door de zonde van Adam; maar men moet het absoluut nemen, alsof hij zei, dat de genade van de één Christus overvloedig was over velen, zoals ook de zonde van de één Adam overging op velen. Maar zoals de zonde van Adam slechts overgaat op hen, die vleselijk door telling van hem afstammen, zo dringt ook de genade van Christus slechts door tot hen, die door een geestelijke wedergeboorte zijn ledematen geworden zijn: en dit komt niet toe aan de kinderen, die in erfzonde sterven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Het doopsel ontvangen de mensen in dit leven, waarin de mens van de schuld in de genade kan worden overgebracht. Maar de nederdaling van Christus ter helle had voor de zielen plaats na dit leven, waar zij niet meer vatbaar zijn voor de genoemde verandering. En daarom worden de kinderen door het doopsel bevrijd van de erfzonde en van de hel, maar niet door Christus’ nederdaling ter helle.
3e Weerlegging. Het doopsel ontvangen de mensen in dit leven, waarin de mens van de schuld in de genade kan worden overgebracht. Maar de nederdaling van Christus ter helle had voor de zielen plaats na dit leven, waar zij niet meer vatbaar zijn voor de genoemde verandering. En daarom worden de kinderen door het doopsel bevrijd van de erfzonde en van de hel, maar niet door Christus’ nederdaling ter helle.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Heeft Christus door zijn afdalen de zielen uit het vagevuur verlost?
IIIa q. 52 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat Christus door zijn afdaling de zielen uit het vagevuur verlost heeft. Augustinus zegt immers: "Daar met duidelijke woorden zowel de hel als de smarten vermeld worden, is er geen reden, waarom de Verlosser, — zoals wij geloven — daar kwam, tenzij om van diezelfde smarten te verlossen. Maar ik ben nog aan het onderzoeken of dat allen waren, die Hij daarin aantrof, of sommigen, welke Hij die weldaad waardig keurde. Ik twijfel er echter niet aan, dat Christus in de onderwereld is geweest en deze weldaad geschonken heeft aan hen, die in haar smarten ondergedompeld waren." Hij schonk echter de weldaad der bevrijding niet aan de verdoemden, zoals boven gezegd is (6° Artikel van deze Kw.). Buiten dezen echter, zijn er geen anderen, die tot straf lijden, tenzij degenen die in het vagevuur zijn. Dus heeft Christus de zielen uit het vagevuur verlost.
R: q. 52 a. 6[t:iiia q. 52 a. 6]
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat Christus door zijn afdaling de zielen uit het vagevuur verlost heeft. Augustinus zegt immers: "Daar met duidelijke woorden zowel de hel als de smarten vermeld worden, is er geen reden, waarom de Verlosser, — zoals wij geloven — daar kwam, tenzij om van diezelfde smarten te verlossen. Maar ik ben nog aan het onderzoeken of dat allen waren, die Hij daarin aantrof, of sommigen, welke Hij die weldaad waardig keurde. Ik twijfel er echter niet aan, dat Christus in de onderwereld is geweest en deze weldaad geschonken heeft aan hen, die in haar smarten ondergedompeld waren." Hij schonk echter de weldaad der bevrijding niet aan de verdoemden, zoals boven gezegd is (6° Artikel van deze Kw.). Buiten dezen echter, zijn er geen anderen, die tot straf lijden, tenzij degenen die in het vagevuur zijn. Dus heeft Christus de zielen uit het vagevuur verlost.
R: q. 52 a. 6[t:iiia q. 52 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 8 arg. 2
Vervolgens. De tegenwoordigheid van Christus zelf heeft geen geringere uitwerking gehad dan zijn sacramenten. Door de sacramenten echter van Christus worden de zielen uit het vagevuur bevrijd en vooral door het sacrament der Eucharistie, zoals later zal gezegd worden (Suppl. 71° Kw. 9° Art.). Dus zijn de zielen nog veel meer uit het vagevuur verlost door de tegenwoordigheid van Christus, die nederdaalde ter helle.
Vervolgens. De tegenwoordigheid van Christus zelf heeft geen geringere uitwerking gehad dan zijn sacramenten. Door de sacramenten echter van Christus worden de zielen uit het vagevuur bevrijd en vooral door het sacrament der Eucharistie, zoals later zal gezegd worden (Suppl. 71° Kw. 9° Art.). Dus zijn de zielen nog veel meer uit het vagevuur verlost door de tegenwoordigheid van Christus, die nederdaalde ter helle.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 8 arg. 3
Vervolgens. "Allen, die Christus in dit leven genas, heeft Hij geheel genezen" zoals Augustinus zegt. En bij Joannes (7. 23) zegt de Heer: "De gehele mens heb ik op de sabbat gezond gemaakt." Christus heeft echter hen, die in het vagevuur waren, bevrijd van hun schuldig zijn tot de straf van het gemis, waardoor zij uitgesloten waren van de glorie. Dus heeft Hij hen ook verlost van hun schuldig zijn tot de straf van het vagevuur.
B: (John 7:23, John 7:23) [b:John 7:23]
Vervolgens. "Allen, die Christus in dit leven genas, heeft Hij geheel genezen" zoals Augustinus zegt. En bij Joannes (7. 23) zegt de Heer: "De gehele mens heb ik op de sabbat gezond gemaakt." Christus heeft echter hen, die in het vagevuur waren, bevrijd van hun schuldig zijn tot de straf van het gemis, waardoor zij uitgesloten waren van de glorie. Dus heeft Hij hen ook verlost van hun schuldig zijn tot de straf van het vagevuur.
B: (John 7:23, John 7:23) [b:John 7:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter wat Gregorius zegt: "Wijl onze Schepper en Zaligmaker, de afsluitingen der hel doordringend, de zielen der uitverkorenen daaruit wegvoerde, wil Hij niet, dat wij daarheen zouden gaan, waarvandaan Hij de anderen bij zijn nederdaling reeds bevrijdde." Hij laat echter toe, dat wij naar het vagevuur gaan. Dus heeft Hij niet door zijn nederdalingen in de hel de zielen uit het vagevuur verlost.
Daartegenover staat echter wat Gregorius zegt: "Wijl onze Schepper en Zaligmaker, de afsluitingen der hel doordringend, de zielen der uitverkorenen daaruit wegvoerde, wil Hij niet, dat wij daarheen zouden gaan, waarvandaan Hij de anderen bij zijn nederdaling reeds bevrijdde." Hij laat echter toe, dat wij naar het vagevuur gaan. Dus heeft Hij niet door zijn nederdalingen in de hel de zielen uit het vagevuur verlost.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 8 co.
Mijn antwoord. Zoals reeds vaak gezegd werd (in het vorige Art.; 4° Art. van deze Kw. 2° Antw., en 5°, 6° Art. van deze Kw.), bezat de nederdaling van Christus een bevrijdende werking uit de kracht van zijn lijden. Zijn lijden had echter geen tijdelijke en voorbijgaande kracht, maar een eeuwige, volgens het woord in de Brief aan de Hebreën (10. 14): "Door één offerande heeft Hij de heiligen voor altijd tot volmaaktheid gebracht." En aldus is het duidelijk, dat het lijden van Christus toen geen grotere uitwerking bezat, dan nu. En derhalve zijn zij, die in dezelfde conditie waren, waarin nu zij zijn, die in het vagevuur worden vastgehouden, niet door de nederdaling van Christus ter helle uit het vagevuur verlost. — Als er echter van dat soort waren, welke ook nu door de kracht van Christus’ lijden uit het vagevuur verlost worden, dan is er niets op tegen, dat zoodanigen door de nederdaling van Christus ter helle uit het vagevuur verlost zijn.
B: (Heb 10:14) [b:Heb 10:14]
R: q. 52 a. 4 ad 2[t:iiia q. 52 a. 4 ad 2] q. 52 a. 5[t:iiia q. 52 a. 5] q. 52 a. 6[t:iiia q. 52 a. 6] q. 52 a. 7[t:iiia q. 52 a. 7]
Mijn antwoord. Zoals reeds vaak gezegd werd (in het vorige Art.; 4° Art. van deze Kw. 2° Antw., en 5°, 6° Art. van deze Kw.), bezat de nederdaling van Christus een bevrijdende werking uit de kracht van zijn lijden. Zijn lijden had echter geen tijdelijke en voorbijgaande kracht, maar een eeuwige, volgens het woord in de Brief aan de Hebreën (10. 14): "Door één offerande heeft Hij de heiligen voor altijd tot volmaaktheid gebracht." En aldus is het duidelijk, dat het lijden van Christus toen geen grotere uitwerking bezat, dan nu. En derhalve zijn zij, die in dezelfde conditie waren, waarin nu zij zijn, die in het vagevuur worden vastgehouden, niet door de nederdaling van Christus ter helle uit het vagevuur verlost. — Als er echter van dat soort waren, welke ook nu door de kracht van Christus’ lijden uit het vagevuur verlost worden, dan is er niets op tegen, dat zoodanigen door de nederdaling van Christus ter helle uit het vagevuur verlost zijn.
B: (Heb 10:14) [b:Heb 10:14]
R: q. 52 a. 4 ad 2[t:iiia q. 52 a. 4 ad 2] q. 52 a. 5[t:iiia q. 52 a. 5] q. 52 a. 6[t:iiia q. 52 a. 6] q. 52 a. 7[t:iiia q. 52 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Uit dat getuigenis van Augustinus kan men niet besluiten, dat allen, die in het vagevuur waren, uit het vagevuur bevrijd zijn, maar dat deze weldaad aan sommigen van hen geschonken werd, namelijk aan hen, die reeds voldoende gezuiverd waren of ook aan diegenen, die tijdens hun leven door hun geloof en hun toewijding met betrekking tot Christus’ dood, verdienden, door zijn nederdaling van de tijdelijke straf van het vagevuur verlost te worden.
1e Weerlegging. Uit dat getuigenis van Augustinus kan men niet besluiten, dat allen, die in het vagevuur waren, uit het vagevuur bevrijd zijn, maar dat deze weldaad aan sommigen van hen geschonken werd, namelijk aan hen, die reeds voldoende gezuiverd waren of ook aan diegenen, die tijdens hun leven door hun geloof en hun toewijding met betrekking tot Christus’ dood, verdienden, door zijn nederdaling van de tijdelijke straf van het vagevuur verlost te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. De kracht van Christus werkt in de sacramenten bij wijze van een zekere genezing en verzoening. En daarom verlost het sacrament der Eucharistie de mens uit het vagevuur, in zover het een zeker verzoenend sacrificie is voor de zonde. De nederdaling van Christus ter helle was echter niet voldoening gevend. Toch werkte zij uit kracht van het lijden, dat voldoening gevend was, zoals boven gezegd is (48° Kw. 2° Art.); maar het was voldoening brengend in het algemeen, zodat zijn kracht op ieder afzonderlijk moest worden toegepast door iets, wat speciaal op hem betrekking had. En dus is het niet nodig, dat door Christus' nederdaling ter helle allen uit het vagevuur bevrijd werden.
R: q. 48 a. 2[t:iiia q. 48 a. 2] q. 49 a. 1 ad 4[t:iiia q. 49 a. 1 ad 4] q. 49 a. 1 ad 5[t:iiia q. 49 a. 1 ad 5]
2e Weerlegging. De kracht van Christus werkt in de sacramenten bij wijze van een zekere genezing en verzoening. En daarom verlost het sacrament der Eucharistie de mens uit het vagevuur, in zover het een zeker verzoenend sacrificie is voor de zonde. De nederdaling van Christus ter helle was echter niet voldoening gevend. Toch werkte zij uit kracht van het lijden, dat voldoening gevend was, zoals boven gezegd is (48° Kw. 2° Art.); maar het was voldoening brengend in het algemeen, zodat zijn kracht op ieder afzonderlijk moest worden toegepast door iets, wat speciaal op hem betrekking had. En dus is het niet nodig, dat door Christus' nederdaling ter helle allen uit het vagevuur bevrijd werden.
R: q. 48 a. 2[t:iiia q. 48 a. 2] q. 49 a. 1 ad 4[t:iiia q. 49 a. 1 ad 4] q. 49 a. 1 ad 5[t:iiia q. 49 a. 1 ad 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 52 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. De gebreken, waarvan Christus de mensen in deze wereld ineens bevrijdde, waren iets persoonlijks en eigen aan iedere afzonderlijk. Derlijk. Maar de uitsluiting van Gods glorie was een zeker algemeen gemis, dat eigen was aan geheel de menselijke natuur. En dus is er geen bezwaar, dat zij, die in het vagevuur waren, door Christus werden bevrijd van hun uitsluiting van de glorie, echter niet van de straf in het vagevuur, die zij verdienden, en welke teruggebracht moet worden tot een gemis van de persoon. Zo zijn omgekeerd de heilige vaders vóór Christus’ komst bevrijd van het eigen tekort, echter niet van het tekort, dat algemeen was, zoals boven gezegd is (49° Kw. 5° Art. 1° Antw.).
R: q. 52 a. 7 ad 1[t:iiia q. 52 a. 7 ad 1] q. 49 a. 5 ad 1[t:iiia q. 49 a. 5 ad 1]
3e Weerlegging. De gebreken, waarvan Christus de mensen in deze wereld ineens bevrijdde, waren iets persoonlijks en eigen aan iedere afzonderlijk. Derlijk. Maar de uitsluiting van Gods glorie was een zeker algemeen gemis, dat eigen was aan geheel de menselijke natuur. En dus is er geen bezwaar, dat zij, die in het vagevuur waren, door Christus werden bevrijd van hun uitsluiting van de glorie, echter niet van de straf in het vagevuur, die zij verdienden, en welke teruggebracht moet worden tot een gemis van de persoon. Zo zijn omgekeerd de heilige vaders vóór Christus’ komst bevrijd van het eigen tekort, echter niet van het tekort, dat algemeen was, zoals boven gezegd is (49° Kw. 5° Art. 1° Antw.).
R: q. 52 a. 7 ad 1[t:iiia q. 52 a. 7 ad 1] q. 49 a. 5 ad 1[t:iiia q. 49 a. 5 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 53: Over Christus’ verrijzenis
IIIa q. 53 pr.
Vervolgens moeten wij datgene behandelen, wat betrekking heeft op de verheffing van Christus.
— En ten eerste over zijn verrijzenis;
ten tweede, over zijn hemelvaart (57° Kw.)[t:iiia q. 57];
ten derde, over zijn zitten aan de rechterhand van de Vader (58° Kw.)[t:iiia q. 58];
ten vierde, over zijn oordeelsmacht (59° Kw.)[t:iiia q. 59].
Aangaande het eerste vallen vier punten te beschouwen.
Het eerste daarvan gaat over Christus’ verrijzenis zelf.
Het tweede over de hoedanigheid van de verrijzende (54° Kw.)[t:iiia q. 54].
Het derde over de openbaring der verrijzenis (55° Kw.)[t:iiia q. 55].
Het vierde over haar oorzakelijkheid (56° Kw.)[t:iiia q. 56].
Over het eerste stellen wij vier vragen:
1. Over de noodzakelijkheid van zijn verrijzenis.
2. Over de tijd.
3. Over de volgorde.
4. Over de oorzaak.
Vervolgens moeten wij datgene behandelen, wat betrekking heeft op de verheffing van Christus.
— En ten eerste over zijn verrijzenis;
ten tweede, over zijn hemelvaart (57° Kw.)[t:iiia q. 57];
ten derde, over zijn zitten aan de rechterhand van de Vader (58° Kw.)[t:iiia q. 58];
ten vierde, over zijn oordeelsmacht (59° Kw.)[t:iiia q. 59].
Aangaande het eerste vallen vier punten te beschouwen.
Het eerste daarvan gaat over Christus’ verrijzenis zelf.
Het tweede over de hoedanigheid van de verrijzende (54° Kw.)[t:iiia q. 54].
Het derde over de openbaring der verrijzenis (55° Kw.)[t:iiia q. 55].
Het vierde over haar oorzakelijkheid (56° Kw.)[t:iiia q. 56].
Over het eerste stellen wij vier vragen:
1. Over de noodzakelijkheid van zijn verrijzenis.
2. Over de tijd.
3. Over de volgorde.
4. Over de oorzaak.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was het noodzakelijk dat Christus verrees?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 53 a. 2 arg. 2
IIIa q. 53 a. 2 co.[t:iiia q. 53 a. 2 arg. 2][t:iiia q. 53 a. 2 co.]
IIIa q. 53 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet noodzakelijk was, dat Christus verrees. Damascenus zegt immers: "Herrijzen is een tweede opstanding van iets bezields, dat ontbonden en vervallen was." Christus is echter niet gevallen door de zonde, en zijn lichaam ging niet tot ontbinding over, zoals boven gezegd is (51° Kw. 3° Art.). Dus kwam het Hem niet in de eigenlijke zin toe, om te herrijzen.
R: q. 51 a. 3[t:iiia q. 51 a. 3]
IIIa q. 53 a. 2 arg. 2
IIIa q. 53 a. 2 co.[t:iiia q. 53 a. 2 arg. 2][t:iiia q. 53 a. 2 co.]
IIIa q. 53 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet noodzakelijk was, dat Christus verrees. Damascenus zegt immers: "Herrijzen is een tweede opstanding van iets bezields, dat ontbonden en vervallen was." Christus is echter niet gevallen door de zonde, en zijn lichaam ging niet tot ontbinding over, zoals boven gezegd is (51° Kw. 3° Art.). Dus kwam het Hem niet in de eigenlijke zin toe, om te herrijzen.
R: q. 51 a. 3[t:iiia q. 51 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Wie verrijst, wordt tot iets hogers gebracht, daar opstaan betekent zich naar boven bewegen. Het lichaam van Christus bleef echter na de dood met de Godheid verenigd; en aldus kan het niet tot iets hogers gebracht worden. Dus kwam het daaraan niet toe om te herrijzen.
Vervolgens. Wie verrijst, wordt tot iets hogers gebracht, daar opstaan betekent zich naar boven bewegen. Het lichaam van Christus bleef echter na de dood met de Godheid verenigd; en aldus kan het niet tot iets hogers gebracht worden. Dus kwam het daaraan niet toe om te herrijzen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Alles wat gebeurde met de mensheid van Christus, wordt op ons heil gericht. Voor onze zaligheid echter volstond het lijden van Christus, waardoor wij bevrijd zijn van de straf en van de schuld, zoals blijkt uit het boven gezegde (49° Kw. 1° en 3° Art). Het was derhalve niet noodzakelijk, dat Christus verrees uit de doden.
R: q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 49 a. 3[t:iiia q. 49 a. 3]
Vervolgens. Alles wat gebeurde met de mensheid van Christus, wordt op ons heil gericht. Voor onze zaligheid echter volstond het lijden van Christus, waardoor wij bevrijd zijn van de straf en van de schuld, zoals blijkt uit het boven gezegde (49° Kw. 1° en 3° Art). Het was derhalve niet noodzakelijk, dat Christus verrees uit de doden.
R: q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 49 a. 3[t:iiia q. 49 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Lucas (24. 46): "De Christus moest verrijzen en opstaan uit de doden."
B: (Luke 24:46) [b:Luke 24:46]
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Lucas (24. 46): "De Christus moest verrijzen en opstaan uit de doden."
B: (Luke 24:46) [b:Luke 24:46]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 1 co.
Mijn antwoord. Om vijf redenen was het noodzakelijk, dat Christus zou verrijzen. — Ten eerste, ter wille van de goddelijke gerechtigheid, waaraan het eigen is, degenen, die zich om God vernederd hebben, te verheffen, overeenkomstig het woord in Lucas (1. 52): "De machtigen heeft Hij van hun zetels gehaald, en de nederigen daarop verheven." Daar Christus dus zichzelf om zijn liefde en gehoorzaamheid jegens God vernederd heeft tot de dood aan het kruis, moest Hij door God ook verheven worden tot de glorierijke verrijzenis. Daarom wordt in zijn persoon gezegd in het Boek der Psalmen (138. 2): "Gij hebt gekend," d. i. goed gevonden, "mijn neergang," d. i. mijn vernedering en lijden, "en mijn verrijzenis," d. i. mijn verheerlijking in de verrijzenis, zoals de Glossa dat verklaart. — Ten tweede, tot onderricht van ons geloof. Want door Christus' verrijzenis is het geloof aangaande zijn Godheid versterkt, daar zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (13. 4): "Al werd Hij uit zwakheid gekruisigd, toch leeft Hij uit de kracht van God." En daarom wordt ook in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 14) gezegd: "Indien Christus niet verrezen is, dan is onze prediking ijdel, ijdel ook uw geloof;" en in het Boek der Psalmen (29. 10) wordt gezegd: "Welk nut ligt er in mijn bloed," d. i. in het vergieten van mijn bloed, "als Ik nederdaal» als door verschillende graden van kwaad, "in het verderf"? Alsof Hij zeggen wilde: In 't geheel geen. "Indien Ik immers niet terstond verrijzen, en mijn lichaam tot ontbinding is overgegaan, dan zal Ik niemand de boodschap brengen en niemand winnen," zoals de Glossa verklaart. — Ten derde, om onze hoop te versterken. Want als wij Christus, die ons hoofd is, zien verrijzen, hopen we, dat ook wij zullen opstaan. Daarom wordt gezegd in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 12): "Als er gepredikt wordt, dat Christus van de doden is verrezen, hoe zeggen sommigen dan, onder u, dat er geen verrijzenis van de doden bestaat?" En in het Boek Job (19. 25, 27) wordt gezegd: "Ik weet," nl. met de zekerheid van het geloof, "dat mijn Verlosser leeft," d. i. Christus, verrijzend uit de doden, en daarom "zal ik op de jongste dag verrijzen: deze hoop is mij in mijn schoot gelegd." — Ten vierde, tot vorming van het leven der geloovigen, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 4): "Zoals Christus verrezen is van de doden door de glorie van de Vader, zo moeten ook wij wandelen in nieuwheid van leven." En verderop (v. 9, 11): "Christus, opstaande uit de doden, sterft niet meer: zo moet ook gij u zelf beschouwen, als wel gestorven aan de zonde, maar levend voor God." — Ten vijfde om ons heil volledig te maken. Want, zoals Hij door het kwaad, dat Hij verduurde, "vernederd is" tot de dood, om ons van het kwaad te verlossen, zo is Hij ook verheerlijkt bij zijn verrijzenis, om ons tot het goede te brengen, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (4. 25): "Hij werd overgeleverd om onze misslagen, en is verrezen ter wille van onze rechtvaardigmaking."
B: (Ps 138:2) [b:Ps 138:2] (Luke 1:52) [b:Luke 1:52]
Mijn antwoord. Om vijf redenen was het noodzakelijk, dat Christus zou verrijzen. — Ten eerste, ter wille van de goddelijke gerechtigheid, waaraan het eigen is, degenen, die zich om God vernederd hebben, te verheffen, overeenkomstig het woord in Lucas (1. 52): "De machtigen heeft Hij van hun zetels gehaald, en de nederigen daarop verheven." Daar Christus dus zichzelf om zijn liefde en gehoorzaamheid jegens God vernederd heeft tot de dood aan het kruis, moest Hij door God ook verheven worden tot de glorierijke verrijzenis. Daarom wordt in zijn persoon gezegd in het Boek der Psalmen (138. 2): "Gij hebt gekend," d. i. goed gevonden, "mijn neergang," d. i. mijn vernedering en lijden, "en mijn verrijzenis," d. i. mijn verheerlijking in de verrijzenis, zoals de Glossa dat verklaart. — Ten tweede, tot onderricht van ons geloof. Want door Christus' verrijzenis is het geloof aangaande zijn Godheid versterkt, daar zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (13. 4): "Al werd Hij uit zwakheid gekruisigd, toch leeft Hij uit de kracht van God." En daarom wordt ook in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 14) gezegd: "Indien Christus niet verrezen is, dan is onze prediking ijdel, ijdel ook uw geloof;" en in het Boek der Psalmen (29. 10) wordt gezegd: "Welk nut ligt er in mijn bloed," d. i. in het vergieten van mijn bloed, "als Ik nederdaal» als door verschillende graden van kwaad, "in het verderf"? Alsof Hij zeggen wilde: In 't geheel geen. "Indien Ik immers niet terstond verrijzen, en mijn lichaam tot ontbinding is overgegaan, dan zal Ik niemand de boodschap brengen en niemand winnen," zoals de Glossa verklaart. — Ten derde, om onze hoop te versterken. Want als wij Christus, die ons hoofd is, zien verrijzen, hopen we, dat ook wij zullen opstaan. Daarom wordt gezegd in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 12): "Als er gepredikt wordt, dat Christus van de doden is verrezen, hoe zeggen sommigen dan, onder u, dat er geen verrijzenis van de doden bestaat?" En in het Boek Job (19. 25, 27) wordt gezegd: "Ik weet," nl. met de zekerheid van het geloof, "dat mijn Verlosser leeft," d. i. Christus, verrijzend uit de doden, en daarom "zal ik op de jongste dag verrijzen: deze hoop is mij in mijn schoot gelegd." — Ten vierde, tot vorming van het leven der geloovigen, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 4): "Zoals Christus verrezen is van de doden door de glorie van de Vader, zo moeten ook wij wandelen in nieuwheid van leven." En verderop (v. 9, 11): "Christus, opstaande uit de doden, sterft niet meer: zo moet ook gij u zelf beschouwen, als wel gestorven aan de zonde, maar levend voor God." — Ten vijfde om ons heil volledig te maken. Want, zoals Hij door het kwaad, dat Hij verduurde, "vernederd is" tot de dood, om ons van het kwaad te verlossen, zo is Hij ook verheerlijkt bij zijn verrijzenis, om ons tot het goede te brengen, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (4. 25): "Hij werd overgeleverd om onze misslagen, en is verrezen ter wille van onze rechtvaardigmaking."
B: (Ps 138:2) [b:Ps 138:2] (Luke 1:52) [b:Luke 1:52]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Ofschoon Christus niet gevallen is door de zonde, ging Hij toch ten onder door de dood, daar de dood is het verlies van het leven, zoals de zonde het verlies van de gerechtigheid is. Wat daarom gezegd wordt bij Micheas (7. 8), kan men verstaan (als gezegd) uit naam van Christus: "Verheug u niet over mij, mijn vijand, dat ik gevallen ben; ik zal verrijzen." En ofschoon het lichaam van Christus niet ontbonden werd door tot stof over te gaan, toch was evenzo de scheiding der ziel van het lichaam een zekere ontbinding.
B: (Ps 29:10) [b:Ps 29:10] (1Cor 15:14) [b:1Cor 15:14] (2Cor 13:4) [b:2Cor 13:4]
1e Weerlegging. Ofschoon Christus niet gevallen is door de zonde, ging Hij toch ten onder door de dood, daar de dood is het verlies van het leven, zoals de zonde het verlies van de gerechtigheid is. Wat daarom gezegd wordt bij Micheas (7. 8), kan men verstaan (als gezegd) uit naam van Christus: "Verheug u niet over mij, mijn vijand, dat ik gevallen ben; ik zal verrijzen." En ofschoon het lichaam van Christus niet ontbonden werd door tot stof over te gaan, toch was evenzo de scheiding der ziel van het lichaam een zekere ontbinding.
B: (Ps 29:10) [b:Ps 29:10] (1Cor 15:14) [b:1Cor 15:14] (2Cor 13:4) [b:2Cor 13:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De Godheid was met Christus’ vlees na de dood verenigd door een vereniging in de persoon, maar niet door een vereniging in de natuur, zoals de ziel met het lichaam wordt verenigd als vorm, om de menselijke natuur samen te stellen. Doordat derhalve zijn lichaam werd verenigd met zijn ziel, werd het tot een hogere staat van natuur gebracht, maar niet tot een hogere staat van persoon.
B: (Job 19:25) [b:Job 19:25] (Job 19:27) [b:Job 19:27] (1Cor 15:12) [b:1Cor 15:12]
2e Weerlegging. De Godheid was met Christus’ vlees na de dood verenigd door een vereniging in de persoon, maar niet door een vereniging in de natuur, zoals de ziel met het lichaam wordt verenigd als vorm, om de menselijke natuur samen te stellen. Doordat derhalve zijn lichaam werd verenigd met zijn ziel, werd het tot een hogere staat van natuur gebracht, maar niet tot een hogere staat van persoon.
B: (Job 19:25) [b:Job 19:25] (Job 19:27) [b:Job 19:27] (1Cor 15:12) [b:1Cor 15:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. In eigenlijke zin gesproken, heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt door het kwaad weg te nemen, maar de verrijzenis door tot het goede aan te zetten en er een voorbeeld van te geven.
B: (Rom 6:4) [b:Rom 6:4]
3e Weerlegging. In eigenlijke zin gesproken, heeft het lijden van Christus ons heil bewerkt door het kwaad weg te nemen, maar de verrijzenis door tot het goede aan te zetten en er een voorbeeld van te geven.
B: (Rom 6:4) [b:Rom 6:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was het passend dat Christus de derde dag verrees?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 66 a. 8 ad 1[t:iiia q. 66 a. 8 ad 1]
IIIa q. 53 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus de derden dag verrees. De ledematen moeten immers gelijkvormig worden aan het hoofd. Maar wij, die de ledematen van Christus zijn, wij verrijzen niet de derden dag uit de dood, maar onze verrijzenis wordt uitgesteld tot het einde van de wereld. Dus moest ook Christus, die ons hoofd is, niet de derden dag verrijzen, maar moest zijn verrijzenis uitgesteld worden tot het einde van de wereld.
IIIa q. 66 a. 8 ad 1[t:iiia q. 66 a. 8 ad 1]
IIIa q. 53 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus de derden dag verrees. De ledematen moeten immers gelijkvormig worden aan het hoofd. Maar wij, die de ledematen van Christus zijn, wij verrijzen niet de derden dag uit de dood, maar onze verrijzenis wordt uitgesteld tot het einde van de wereld. Dus moest ook Christus, die ons hoofd is, niet de derden dag verrijzen, maar moest zijn verrijzenis uitgesteld worden tot het einde van de wereld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 2 arg. 2
Vervolgens. In de Handelingen der Apostelen (2. 29) zegt Petrus, dat het "onmogelijk was, dat Christus door de hel en de dood werd vastgehouden." Zolang iemand echter dood is, wordt hij door de dood vastgehouden. Dus moest Christus' verrijzenis niet uitgesteld worden tot de derden dag, maar moest Hij dezelfde dag verrijzen; vooral daar de boven aangehaalde Glossa (vorig Art.) zegt, "dat er geen nut ligt in het vergieten van Christus' bloed, als Hij niet terstond verrees."
B: (Acts 2:24) [b:Acts 2:24]
R: q. 53 a. 1[t:iiia q. 53 a. 1]
Vervolgens. In de Handelingen der Apostelen (2. 29) zegt Petrus, dat het "onmogelijk was, dat Christus door de hel en de dood werd vastgehouden." Zolang iemand echter dood is, wordt hij door de dood vastgehouden. Dus moest Christus' verrijzenis niet uitgesteld worden tot de derden dag, maar moest Hij dezelfde dag verrijzen; vooral daar de boven aangehaalde Glossa (vorig Art.) zegt, "dat er geen nut ligt in het vergieten van Christus' bloed, als Hij niet terstond verrees."
B: (Acts 2:24) [b:Acts 2:24]
R: q. 53 a. 1[t:iiia q. 53 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De dag begint bij het opgaan van de zon, die door haar verschijnen het dag doet zijn. Christus is echter voor het opgaan van de zon verrezen, want in Joannes (20. 1) wordt gezegd, dat "op de eerste dag van de week Maria Magdalena 's morgens vroeg bij het graf kwam, toen het nog duister was;" en toch was Christus toen al verrezen, wil er volgt: "En zij zag de steen van het graf weggenomen." Dus verrees Christus niet de derden dag.
B: (John 20:1) [b:John 20:1]
Vervolgens. De dag begint bij het opgaan van de zon, die door haar verschijnen het dag doet zijn. Christus is echter voor het opgaan van de zon verrezen, want in Joannes (20. 1) wordt gezegd, dat "op de eerste dag van de week Maria Magdalena 's morgens vroeg bij het graf kwam, toen het nog duister was;" en toch was Christus toen al verrezen, wil er volgt: "En zij zag de steen van het graf weggenomen." Dus verrees Christus niet de derden dag.
B: (John 20:1) [b:John 20:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Mattheus (20. 19) gezegd wordt: "Zij zullen Hem overleveren aan de heidenen ter bespotting, en ter geseling en ter kruisiging en de derden dag zal Hij verrijzen."
B: (Matt 20:19) [b:Matt 20:19]
Daartegenover staat echter, dat bij Mattheus (20. 19) gezegd wordt: "Zij zullen Hem overleveren aan de heidenen ter bespotting, en ter geseling en ter kruisiging en de derden dag zal Hij verrijzen."
B: (Matt 20:19) [b:Matt 20:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd is, was de verrijzenis van Christus noodzakelijk tot ons geloofsonderricht. Ons geloof gaat echter zowel over de Godheid als over de mensheid van Christus, want het is niet voldoende, het een zonder het andere te geloven, zoals uit het vroeger gezegde blijkt (II. II. 2° Kw. 7° en 8° Art.). — En derhalve was het nodig, om ons geloof in de waarachtigheid van zijn Godheid te versterken, dat Hij spoedig verrees, en zijn verrijzenis niet werd uitgesteld tot het einde der wereld. Om het geloof in de waarachtigheid van zijn mensheid en van zijn dood te versterken, was het nodig, dat er een poos verliep tussen zijn dood en verrijzenis. Als Hij immers terstond na zijn dood verrezen was, dan zou het kunnen lijken, dat zijn dood niet echt was, en bijgevolg ook zijn verrijzenis niet. — Om de echtheid van de dood van Christus echter aan te tonen, was het voldoende, dat zijn verrijzenis tot de derden dag werd uitgesteld, wijl het onmogelijk is, dat bij een mens, die dood schijnt, hoewel hij leeft, gedurende deze tijd niet enige levenstekenen verschijnen. — Ook komt, doordat Hij de derden dag verrees, de volmaaktheid van het getal drie tot uiting dat "het getal is van elk ding," dat immers "een begin, een midden en een einde" heeft, zoals gezegd wordt in De Coelo. Ook wordt in mysterieuze zin aangegeven, dat Christus "door zijn ene dood" van het lichaam, die licht was wegens zijn rechtvaardigheid, "onze dubbelen dood", (nl. van de ziel en van het lichaam), die duisternis was wegens de zonde, "heeft vernietigd"; en derhalve bleef Hij een hele dag en twee nachten in de dood, zoals Augustinus zegt. — Ook wordt hierdoor betekend, dat door de verrijzenis van Christus het derde tijdvak begint. Want het eerste viel vóór de Wet; het tweede onder de Wet; het derde onder de genade. Ook begon bij de verrijzenis van Christus de derde staat der heiligen. Want de eerste was onder de voorafbeeldingen der Wet, de tweede onder de werkelijkheid van het geloof, de derde zal zijn in de eeuwige glorie, die Christus inzette met zijn verrijzenis.
R: q. 53 a. 1[t:iiia q. 53 a. 1] q. 36 a. 4[t:iiia q. 36 a. 4] IIa-IIae q. 2 a. 7[t:iia-iiae q. 2 a. 7] IIa-IIae q. 2 a. 8[t:iia-iiae q. 2 a. 8]
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd is, was de verrijzenis van Christus noodzakelijk tot ons geloofsonderricht. Ons geloof gaat echter zowel over de Godheid als over de mensheid van Christus, want het is niet voldoende, het een zonder het andere te geloven, zoals uit het vroeger gezegde blijkt (II. II. 2° Kw. 7° en 8° Art.). — En derhalve was het nodig, om ons geloof in de waarachtigheid van zijn Godheid te versterken, dat Hij spoedig verrees, en zijn verrijzenis niet werd uitgesteld tot het einde der wereld. Om het geloof in de waarachtigheid van zijn mensheid en van zijn dood te versterken, was het nodig, dat er een poos verliep tussen zijn dood en verrijzenis. Als Hij immers terstond na zijn dood verrezen was, dan zou het kunnen lijken, dat zijn dood niet echt was, en bijgevolg ook zijn verrijzenis niet. — Om de echtheid van de dood van Christus echter aan te tonen, was het voldoende, dat zijn verrijzenis tot de derden dag werd uitgesteld, wijl het onmogelijk is, dat bij een mens, die dood schijnt, hoewel hij leeft, gedurende deze tijd niet enige levenstekenen verschijnen. — Ook komt, doordat Hij de derden dag verrees, de volmaaktheid van het getal drie tot uiting dat "het getal is van elk ding," dat immers "een begin, een midden en een einde" heeft, zoals gezegd wordt in De Coelo. Ook wordt in mysterieuze zin aangegeven, dat Christus "door zijn ene dood" van het lichaam, die licht was wegens zijn rechtvaardigheid, "onze dubbelen dood", (nl. van de ziel en van het lichaam), die duisternis was wegens de zonde, "heeft vernietigd"; en derhalve bleef Hij een hele dag en twee nachten in de dood, zoals Augustinus zegt. — Ook wordt hierdoor betekend, dat door de verrijzenis van Christus het derde tijdvak begint. Want het eerste viel vóór de Wet; het tweede onder de Wet; het derde onder de genade. Ook begon bij de verrijzenis van Christus de derde staat der heiligen. Want de eerste was onder de voorafbeeldingen der Wet, de tweede onder de werkelijkheid van het geloof, de derde zal zijn in de eeuwige glorie, die Christus inzette met zijn verrijzenis.
R: q. 53 a. 1[t:iiia q. 53 a. 1] q. 36 a. 4[t:iiia q. 36 a. 4] IIa-IIae q. 2 a. 7[t:iia-iiae q. 2 a. 7] IIa-IIae q. 2 a. 8[t:iia-iiae q. 2 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Het hoofd en de ledematen komen in natuur overeen, maar niet in kracht. Want de kracht van het hoofd is sterker dan die der ledematen. En daarom was het goed om de sterkte van Christus’ kracht te doen uitkomen, dat Hij de derden dag verrees, terwijl de verrijzenis der anderen uitgesteld is tot het einde der wereld.
1e Weerlegging. Het hoofd en de ledematen komen in natuur overeen, maar niet in kracht. Want de kracht van het hoofd is sterker dan die der ledematen. En daarom was het goed om de sterkte van Christus’ kracht te doen uitkomen, dat Hij de derden dag verrees, terwijl de verrijzenis der anderen uitgesteld is tot het einde der wereld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Vasthouden sluit een zekere dwang in. Christus werd echter door geen noodzakelijkheid van de dood vastgehouden, maar Hij was "vrij onder de doden." En daarom bleef Hij enigen tijd in de dood, niet als vastgehouden, maar uit eigen vrije verkiezing, zolang als Hij dit noodzakelijk oordeelde voor ons geloofsonderricht. Men zegt nu, dat terstond geschiedt, datgene wat na korten tijd geschiedt.
2e Weerlegging. Vasthouden sluit een zekere dwang in. Christus werd echter door geen noodzakelijkheid van de dood vastgehouden, maar Hij was "vrij onder de doden." En daarom bleef Hij enigen tijd in de dood, niet als vastgehouden, maar uit eigen vrije verkiezing, zolang als Hij dit noodzakelijk oordeelde voor ons geloofsonderricht. Men zegt nu, dat terstond geschiedt, datgene wat na korten tijd geschiedt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (51° Kw. 4° Art. 1° en 2° Antw.) is Christus tegen de dageraad verrezen, toen de dag reeds aanbrak, om aan te geven, dat Hij ons door zijn verrijzenis tot het glorie-licht bracht; zoals Hij ook stierf toen het reeds tegen de avond liep en de dag terugweek in de duisternis, om aan te geven, dat Hij door zijn dood de duisternis van schuld en straf te niet deed. En toch zeggen wij, dat Hij de derde dag verrees, de dag nemend als een natuurlijken dag, die een tijdsverloop van vier en twintig uren omvat. En zoals Augustinus zegt: "De nacht tot aan de morgenstond, waarop de verrijzenis van Christus openbaar werd, behoort tot de derde dag. Want God, die zeide, dat het licht uit de duisternis moest te voorschijn komen, opdat wij door de genade van het N. Testament en de deelname aan de ver- rijzenis van Christus zouden vernemen: "Gij waart eens duisternis, nu echter zijt gij licht in de Heer," geeft ons te kennen, hoe de dag begint met de nacht. Zoals immers de eerste dagen om de toekomstige val van de mens werden gerekend van het licht af naar de nacht toe, zo ook deze dagen, om het herstel van de mens, van de duisternis af naar het licht." En aldus blijkt, dat zelfs al was Hij te middernacht verrezen, men toch zou kunnen zeggen, dat Hij de derde dag verrezen is, door dit te verstaan van een natuurlijken dag. Nu Hij echter met de dageraad verrees, kan men zeggen, dat Hij de derde dag opstond, zelfs als men de kunstmatige dag neemt, die veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van de zon, daar de zon reeds begonnen was de lucht te verhelderen. Daarom wordt ook bij Marcus (16. 2) gezegd, dat de vrouwen bij 't graf kwamen, "toen de zon reeds op was." En dit is niet in strijd met hetgeen Joannes zegt: "Toen het nog duister was" zoals Augustinus zegt, "wijl bij het aanbreken van de dag, de overblijfselen van de duisternis destemeer worden verzwakt, naarmate 't licht sterker komt opzetten." Wat Marcus echter zegt: "Toen de zon reeds op was," "moet men niet zo verstaan, alsof de zon zelf reeds boven de aarde werd gezien, maar dat zij ten naastenbij over deze delen kwam."
R: q. 51 a. 4 ad 1[t:iiia q. 51 a. 4 ad 1] q. 51 a. 4 ad 2[t:iiia q. 51 a. 4 ad 2]
3e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (51° Kw. 4° Art. 1° en 2° Antw.) is Christus tegen de dageraad verrezen, toen de dag reeds aanbrak, om aan te geven, dat Hij ons door zijn verrijzenis tot het glorie-licht bracht; zoals Hij ook stierf toen het reeds tegen de avond liep en de dag terugweek in de duisternis, om aan te geven, dat Hij door zijn dood de duisternis van schuld en straf te niet deed. En toch zeggen wij, dat Hij de derde dag verrees, de dag nemend als een natuurlijken dag, die een tijdsverloop van vier en twintig uren omvat. En zoals Augustinus zegt: "De nacht tot aan de morgenstond, waarop de verrijzenis van Christus openbaar werd, behoort tot de derde dag. Want God, die zeide, dat het licht uit de duisternis moest te voorschijn komen, opdat wij door de genade van het N. Testament en de deelname aan de ver- rijzenis van Christus zouden vernemen: "Gij waart eens duisternis, nu echter zijt gij licht in de Heer," geeft ons te kennen, hoe de dag begint met de nacht. Zoals immers de eerste dagen om de toekomstige val van de mens werden gerekend van het licht af naar de nacht toe, zo ook deze dagen, om het herstel van de mens, van de duisternis af naar het licht." En aldus blijkt, dat zelfs al was Hij te middernacht verrezen, men toch zou kunnen zeggen, dat Hij de derde dag verrezen is, door dit te verstaan van een natuurlijken dag. Nu Hij echter met de dageraad verrees, kan men zeggen, dat Hij de derde dag opstond, zelfs als men de kunstmatige dag neemt, die veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van de zon, daar de zon reeds begonnen was de lucht te verhelderen. Daarom wordt ook bij Marcus (16. 2) gezegd, dat de vrouwen bij 't graf kwamen, "toen de zon reeds op was." En dit is niet in strijd met hetgeen Joannes zegt: "Toen het nog duister was" zoals Augustinus zegt, "wijl bij het aanbreken van de dag, de overblijfselen van de duisternis destemeer worden verzwakt, naarmate 't licht sterker komt opzetten." Wat Marcus echter zegt: "Toen de zon reeds op was," "moet men niet zo verstaan, alsof de zon zelf reeds boven de aarde werd gezien, maar dat zij ten naastenbij over deze delen kwam."
R: q. 51 a. 4 ad 1[t:iiia q. 51 a. 4 ad 1] q. 51 a. 4 ad 2[t:iiia q. 51 a. 4 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is Christus het eerst verrezen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 54 a. 1 ad 2
IIIa q. 56 a. 1 co.[t:iiia q. 54 a. 1 ad 2][t:iiia q. 56 a. 1 co.]
IIIa q. 53 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus niet het eerst verrezen is. Wij lezen immers in het Oude Testament, dat enigen door Elias en Elisa zijn opgewekt, naar het woord in de Brief aan de Hebreeën (11. 35): "De vrouwen ontvingen hun doden uit de verrijzenis." Zo ook heeft Christus vóór zijn lijden drie doden opgewekt. Dus was Christus niet de eerste der verrijzenden.
B: (Heb 11:35) [b:Heb 11:35]
IIIa q. 54 a. 1 ad 2
IIIa q. 56 a. 1 co.[t:iiia q. 54 a. 1 ad 2][t:iiia q. 56 a. 1 co.]
IIIa q. 53 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus niet het eerst verrezen is. Wij lezen immers in het Oude Testament, dat enigen door Elias en Elisa zijn opgewekt, naar het woord in de Brief aan de Hebreeën (11. 35): "De vrouwen ontvingen hun doden uit de verrijzenis." Zo ook heeft Christus vóór zijn lijden drie doden opgewekt. Dus was Christus niet de eerste der verrijzenden.
B: (Heb 11:35) [b:Heb 11:35]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 3 arg. 2
Vervolgens. In Mattheus (27. 52) wordt onder de mirakelen, die bij het lijden van Christus gebeurden, ook verhaald, dat "de graven geopend werden en dat vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, verrezen". Dus was Christus niet de eerste der verrijzenden.
B: (Matt 27:52) [b:Matt 27:52]
Vervolgens. In Mattheus (27. 52) wordt onder de mirakelen, die bij het lijden van Christus gebeurden, ook verhaald, dat "de graven geopend werden en dat vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, verrezen". Dus was Christus niet de eerste der verrijzenden.
B: (Matt 27:52) [b:Matt 27:52]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Zoals Christus door zijn verrijzenis oorzaak is van onze verrijzenis, zo is Hij door zijn genade oorzaak van onze genade, naar het woord bij Johannes (1. 16): "Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen." Maar anderen hadden eerder in tijd de genade dan Christus, zoals al de vaders van het Oude Testament. Dus kwamen ook anderen eerder dan Christus tot de lichamelijke verrijzenis.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
Vervolgens. Zoals Christus door zijn verrijzenis oorzaak is van onze verrijzenis, zo is Hij door zijn genade oorzaak van onze genade, naar het woord bij Johannes (1. 16): "Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen." Maar anderen hadden eerder in tijd de genade dan Christus, zoals al de vaders van het Oude Testament. Dus kwamen ook anderen eerder dan Christus tot de lichamelijke verrijzenis.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 20): "Christus verrees uit de doden als eersteling uit de ontslapenen;" de Glossa zegt: "daar Hij eerder verrees in tijd en waardigheid."
B: (1Cor 15:20) [b:1Cor 15:20]
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 20): "Christus verrees uit de doden als eersteling uit de ontslapenen;" de Glossa zegt: "daar Hij eerder verrees in tijd en waardigheid."
B: (1Cor 15:20) [b:1Cor 15:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 3 co.
Mijn antwoord. De verrijzenis is het herstel van de dood tot het leven. Op tweevoudige wijze kan echter iemand aan de dood ontrukt worden. — Vooreerst alleen van de daadwerkelijke dood, wanneer namelijk iemand, nadat hij gestorven is, op een of andere wijze begint te leven. — Vervolgens, doordat iemand niet alleen van de dood verlost wordt, maar ook van de noodzakelijkheid om te sterven, en, wat meer is, van de mogelijkheid om te sterven. En dit is de echte en volmaakte verrijzenis. Want zolang iemand leeft, bedreigd door de noodzakelijkheid van te sterven, wordt hij in zekere zin door de dood overheerst, volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (8. 10): "'t Lichaam is wel gestorven vanwege de zonde." Ook van datgene, waarvoor het mogelijk is te zijn, zeggen wij, dat het in zekere zin is, d. i. mogelijkkerwijs. En aldus is het duidelijk, dat de verrijzenis, waardoor iemand alleen van de daadwerkelijke dood bevrijd wordt, een onvolmaakte verrijzenis is. Als wij derhalve spreken van de volmaakte verrijzenis, dan is Christus de eerste onder de verrezenen, daar Hij door te verrijzen 't eerst kwam tot een leven, dat totaal onsterfelijk is, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 9): "Christus verrijzend uit de doden, sterft niet meer." Maar sommige anderen zijn vóór Christus opgestaan tot de onvolmaakte verrijzenis, om als door een teken zijn verrijzenis van tevoren aan te duiden.
B: (Rom 8:10) [b:Rom 8:10]
Mijn antwoord. De verrijzenis is het herstel van de dood tot het leven. Op tweevoudige wijze kan echter iemand aan de dood ontrukt worden. — Vooreerst alleen van de daadwerkelijke dood, wanneer namelijk iemand, nadat hij gestorven is, op een of andere wijze begint te leven. — Vervolgens, doordat iemand niet alleen van de dood verlost wordt, maar ook van de noodzakelijkheid om te sterven, en, wat meer is, van de mogelijkheid om te sterven. En dit is de echte en volmaakte verrijzenis. Want zolang iemand leeft, bedreigd door de noodzakelijkheid van te sterven, wordt hij in zekere zin door de dood overheerst, volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (8. 10): "'t Lichaam is wel gestorven vanwege de zonde." Ook van datgene, waarvoor het mogelijk is te zijn, zeggen wij, dat het in zekere zin is, d. i. mogelijkkerwijs. En aldus is het duidelijk, dat de verrijzenis, waardoor iemand alleen van de daadwerkelijke dood bevrijd wordt, een onvolmaakte verrijzenis is. Als wij derhalve spreken van de volmaakte verrijzenis, dan is Christus de eerste onder de verrezenen, daar Hij door te verrijzen 't eerst kwam tot een leven, dat totaal onsterfelijk is, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 9): "Christus verrijzend uit de doden, sterft niet meer." Maar sommige anderen zijn vóór Christus opgestaan tot de onvolmaakte verrijzenis, om als door een teken zijn verrijzenis van tevoren aan te duiden.
B: (Rom 8:10) [b:Rom 8:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 3 ad 1
Et sic En zo blijkt het antwoord op de eerste bedenking. Want ook zij, die in het Oude Testament werden opgewekt en zij, die door Christus werden opgewekt, keerden zo tot het leven terug, dat zij wederom moesten sterven.
B: (Rom 6:9) [b:Rom 6:9]
Et sic En zo blijkt het antwoord op de eerste bedenking. Want ook zij, die in het Oude Testament werden opgewekt en zij, die door Christus werden opgewekt, keerden zo tot het leven terug, dat zij wederom moesten sterven.
B: (Rom 6:9) [b:Rom 6:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Over hen, die met Christus verrezen, heerst een dubbele opvatting. Sommigen toch beweren, dat zij tot het leven terugkeerden als om niet meer te sterven; daar het voor hen veel meer een beproeving was, als zij wederom moesten sterven, dan wanneer zij niet verrezen waren. En aldus moet men verstaan, zoals Hieronymus zegt, dat "zij niet eerder verrezen, dan de Heer verrees." Daarom zegt ook de evangelist, dat "zij na zijn verrijzenis uitgingen uit de graven en in de heilige stad Jeruzalem kwamen en aan velen verschenen." (Matth. 27. 53). Maar Augustinus zegt met het oog op deze mening: "Ik weet wel, dat sommigen houden, dat door de dood van de Heer Christus aan de rechtvaardigen reeds zulk een verrijzenis geschonken werd, welke ons op het einde beloofd wordt. Maar indien zij niet wederom hunne lichamen afleggend ontslapen zijn, dan staat het te bezien, hoe Christus dan de eerstgeborene van de doden is, als Hem zo velen in die verrijzenis zijn voorafgegaan. En als men nu antwoordt, dat dit op vooruitlopende wijze gezegd is, zodat we moeten verstaan, dat de graven door die aardschudding geopend zijn, toen Christus aan het kruis hing, maar dat de lichamen der rechtvaardigen niet toen verrezen zijn, maar toen Hij het eerst verrezen was, dan blijft nog staan, wat ons bezig houdt, hoe Petrus dan betuigt, dat niet aangaande David, maar aangaande Christus voorzegd werd, dat zijn vlees het bederf niet zien zou, omdat immers het graf van David bij hen was; en zo overtuigde hij hen niet, als het lichaam van David reeds niet meer daar was; want ook indien hij vroeger in de eerste tijd van zijn dood verrezen was, en zijn vlees het bederf niet gezien had, dan kon toch dat graf blijven bestaan. Het lijkt immers hard, dat David niet bij die verrijzenis der rechtvaardigen was, indien aan hen reeds de eeuwige gegeven werd, terwijl toch geleerd wordt, dat Christus uit zijn geslacht was. Ook komt dan in gedrang hetgeen gezegd wordt aan de Hebreeën over de oude rechtvaardigen: "dat zij niet zonder ons tot de voltooiing zullen komen;" indien zij reeds in die onbederfelijkheid der verrijzenis bevestigd zijn, welke aan ons, die nog tot de voleinding moeten komen, beloofd wordt op 't eind." Zo schijnt Augustinus dus van gevoelen te zijn, dat zij verrezen, om wederom te sterven. Dit schijnt ook de zin te zijn van wat Hieronymus zegt, dat "evenals Lazarus verrees, zo ook vele andere lichamen van heiligen verrezen, om aan te duiden, dat de Heer verrees." Ofschoon hij dit in een preek over de Hemelopneming in twijfel laat, schijnen toch de argumenten van Augustinus van veel meer kracht te zijn.
2e Weerlegging. Over hen, die met Christus verrezen, heerst een dubbele opvatting. Sommigen toch beweren, dat zij tot het leven terugkeerden als om niet meer te sterven; daar het voor hen veel meer een beproeving was, als zij wederom moesten sterven, dan wanneer zij niet verrezen waren. En aldus moet men verstaan, zoals Hieronymus zegt, dat "zij niet eerder verrezen, dan de Heer verrees." Daarom zegt ook de evangelist, dat "zij na zijn verrijzenis uitgingen uit de graven en in de heilige stad Jeruzalem kwamen en aan velen verschenen." (Matth. 27. 53). Maar Augustinus zegt met het oog op deze mening: "Ik weet wel, dat sommigen houden, dat door de dood van de Heer Christus aan de rechtvaardigen reeds zulk een verrijzenis geschonken werd, welke ons op het einde beloofd wordt. Maar indien zij niet wederom hunne lichamen afleggend ontslapen zijn, dan staat het te bezien, hoe Christus dan de eerstgeborene van de doden is, als Hem zo velen in die verrijzenis zijn voorafgegaan. En als men nu antwoordt, dat dit op vooruitlopende wijze gezegd is, zodat we moeten verstaan, dat de graven door die aardschudding geopend zijn, toen Christus aan het kruis hing, maar dat de lichamen der rechtvaardigen niet toen verrezen zijn, maar toen Hij het eerst verrezen was, dan blijft nog staan, wat ons bezig houdt, hoe Petrus dan betuigt, dat niet aangaande David, maar aangaande Christus voorzegd werd, dat zijn vlees het bederf niet zien zou, omdat immers het graf van David bij hen was; en zo overtuigde hij hen niet, als het lichaam van David reeds niet meer daar was; want ook indien hij vroeger in de eerste tijd van zijn dood verrezen was, en zijn vlees het bederf niet gezien had, dan kon toch dat graf blijven bestaan. Het lijkt immers hard, dat David niet bij die verrijzenis der rechtvaardigen was, indien aan hen reeds de eeuwige gegeven werd, terwijl toch geleerd wordt, dat Christus uit zijn geslacht was. Ook komt dan in gedrang hetgeen gezegd wordt aan de Hebreeën over de oude rechtvaardigen: "dat zij niet zonder ons tot de voltooiing zullen komen;" indien zij reeds in die onbederfelijkheid der verrijzenis bevestigd zijn, welke aan ons, die nog tot de voleinding moeten komen, beloofd wordt op 't eind." Zo schijnt Augustinus dus van gevoelen te zijn, dat zij verrezen, om wederom te sterven. Dit schijnt ook de zin te zijn van wat Hieronymus zegt, dat "evenals Lazarus verrees, zo ook vele andere lichamen van heiligen verrezen, om aan te duiden, dat de Heer verrees." Ofschoon hij dit in een preek over de Hemelopneming in twijfel laat, schijnen toch de argumenten van Augustinus van veel meer kracht te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Zoals datgene, wat Christus’ komst voorafging, een voorbereiding was op Christus, zo is de genade een voorbereiding op de glorie. En daarom moest datgene, wat tot de glorie behoort, hetzij het betrekking heeft op de ziel, zoals de volmaakte Godgenade, of op het lichaam, zoals de glorierijke verrijzenis, in tijd eerder gevonden worden bij Christus, de bewerker der glorie. Maar het was passend, dat de genade het eerst gevonden werd bij hen, die tot Christus geordend waren.
B: (Matt 27:52) [b:Matt 27:52] (Matt 27:53) [b:Matt 27:53]
3e Weerlegging. Zoals datgene, wat Christus’ komst voorafging, een voorbereiding was op Christus, zo is de genade een voorbereiding op de glorie. En daarom moest datgene, wat tot de glorie behoort, hetzij het betrekking heeft op de ziel, zoals de volmaakte Godgenade, of op het lichaam, zoals de glorierijke verrijzenis, in tijd eerder gevonden worden bij Christus, de bewerker der glorie. Maar het was passend, dat de genade het eerst gevonden werd bij hen, die tot Christus geordend waren.
B: (Matt 27:52) [b:Matt 27:52] (Matt 27:53) [b:Matt 27:53]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Was Christus de oorzaak zijner verrijzenis?
IIIa q. 53 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus geen oorzaak was van zijn verrijzenis. Wie immers door een ander wordt opgewekt, is geen oorzaak van zijn verrijzenis. Christus nu werd door een ander opgewekt, volgens het woord in de Handelingen der Apostelen (2. 24): "Dien God heeft opgewekt, na de smarten der hel te hebben opgeheven;" en in de Brief aan de Romeinen (8. 11): "Hij, die Jesus Christus uit de doden heeft opgewekt, zal ook onze sterfelijke lichamen levend maken," enz. Dus is Christus geen oorzaak van zijn verrijzenis.
B: (Acts 2:24) [b:Acts 2:24] (Rom 8:11) [b:Rom 8:11]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus geen oorzaak was van zijn verrijzenis. Wie immers door een ander wordt opgewekt, is geen oorzaak van zijn verrijzenis. Christus nu werd door een ander opgewekt, volgens het woord in de Handelingen der Apostelen (2. 24): "Dien God heeft opgewekt, na de smarten der hel te hebben opgeheven;" en in de Brief aan de Romeinen (8. 11): "Hij, die Jesus Christus uit de doden heeft opgewekt, zal ook onze sterfelijke lichamen levend maken," enz. Dus is Christus geen oorzaak van zijn verrijzenis.
B: (Acts 2:24) [b:Acts 2:24] (Rom 8:11) [b:Rom 8:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Niemand verdient, of vraagt van een ander, datgene waar hijzelf oorzaak van is. Christus heeft echter door zijn lijden de verrijzenis verdiend, zoals Augustinus zegt, dat "de vernedering tempore debuerunt esse in Christo, sicut in auctore gloriae. Gratiam vero conveniebat prius esse in his quae ordinabantur ad Christum. van het lijden de glorie der verrijzenis verdiend heeft." Hij heeft ook aan zijn Vader gevraagd Hem op te wekken, volgens het woord in het Boek der Psalmen (40. 11): "Gij echter, Heer, ontferm U mijner en wek Mij op." Dus was Hij geen oorzaak van zijn verrijzenis.
B: (Ps 40:11) [b:Ps 40:11]
Vervolgens. Niemand verdient, of vraagt van een ander, datgene waar hijzelf oorzaak van is. Christus heeft echter door zijn lijden de verrijzenis verdiend, zoals Augustinus zegt, dat "de vernedering tempore debuerunt esse in Christo, sicut in auctore gloriae. Gratiam vero conveniebat prius esse in his quae ordinabantur ad Christum. van het lijden de glorie der verrijzenis verdiend heeft." Hij heeft ook aan zijn Vader gevraagd Hem op te wekken, volgens het woord in het Boek der Psalmen (40. 11): "Gij echter, Heer, ontferm U mijner en wek Mij op." Dus was Hij geen oorzaak van zijn verrijzenis.
B: (Ps 40:11) [b:Ps 40:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Zoals Damascenus aantoont, is de verrijzenis niet iets van de ziel, maar van het lichaam, dat door de dood valt. Het lichaam kan echter niet de ziel met zich verenigen, daar zij edeler is. Derhalve kon datgene, wat in Christus verrees, geen oorzaak van zijn verrijzenis zijn.
Vervolgens. Zoals Damascenus aantoont, is de verrijzenis niet iets van de ziel, maar van het lichaam, dat door de dood valt. Het lichaam kan echter niet de ziel met zich verenigen, daar zij edeler is. Derhalve kon datgene, wat in Christus verrees, geen oorzaak van zijn verrijzenis zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt bij Johannes (10. 18): "Niemand neemt mijn ziel van mij weg, maar Ik leg haar af en zal haar weer opnemen." Verrijzen nu is niets anders, dan wederom zijn ziel aannemen. Dus is Christus uit eigen kracht verrezen.
B: (John 10:18, John 10:18) [b:John 10:18]
Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt bij Johannes (10. 18): "Niemand neemt mijn ziel van mij weg, maar Ik leg haar af en zal haar weer opnemen." Verrijzen nu is niets anders, dan wederom zijn ziel aannemen. Dus is Christus uit eigen kracht verrezen.
B: (John 10:18, John 10:18) [b:John 10:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (50° Kw. 2° en 3° Art.) werd door de dood de Godheid noch van Christus’ ziel, noch van zijn vlees gescheiden. Zoowel de ziel van de gestorven Christus, als zijn vlees kunnen daarom tweevoudig beschouwd worden: vooreerst naar de Godheid, vervolgens naar de geschapen natuur zelf. — Derhalve, uit kracht van de verenigde Godheid nam het lichaam wederom de ziel aan, die het had afgelegd, en nam de ziel weer het lichaam aan, dat zij verlaten had. En aldus verrees Christus uit eigen kracht. En dat betekent het, wat van Christus gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (13. 4), dat "hoewel Hij gekruisigd is om onze zwakte, Hij toch leeft uit de kracht Gods." — Als wij echter het lichaam en de ziel van de gestorven Christus beschouwen naar de kracht van de geschapen natuur, dan konden zij zich niet wederkerig verenigen, maar dan moest Christus door God opgewekt worden.
B: (2Cor 13:4) [b:2Cor 13:4]
R: q. 50 a. 2[t:iiia q. 50 a. 2] q. 50 a. 3[t:iiia q. 50 a. 3]
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (50° Kw. 2° en 3° Art.) werd door de dood de Godheid noch van Christus’ ziel, noch van zijn vlees gescheiden. Zoowel de ziel van de gestorven Christus, als zijn vlees kunnen daarom tweevoudig beschouwd worden: vooreerst naar de Godheid, vervolgens naar de geschapen natuur zelf. — Derhalve, uit kracht van de verenigde Godheid nam het lichaam wederom de ziel aan, die het had afgelegd, en nam de ziel weer het lichaam aan, dat zij verlaten had. En aldus verrees Christus uit eigen kracht. En dat betekent het, wat van Christus gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (13. 4), dat "hoewel Hij gekruisigd is om onze zwakte, Hij toch leeft uit de kracht Gods." — Als wij echter het lichaam en de ziel van de gestorven Christus beschouwen naar de kracht van de geschapen natuur, dan konden zij zich niet wederkerig verenigen, maar dan moest Christus door God opgewekt worden.
B: (2Cor 13:4) [b:2Cor 13:4]
R: q. 50 a. 2[t:iiia q. 50 a. 2] q. 50 a. 3[t:iiia q. 50 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De goddelijke kracht en werking van Vader en Zoon zijn dezelfde. Dus deze twee volgen uit elkaar, dat Christus is opgewekt door de goddelijke kracht van de Vader en van zichzelf.
1e Weerlegging. De goddelijke kracht en werking van Vader en Zoon zijn dezelfde. Dus deze twee volgen uit elkaar, dat Christus is opgewekt door de goddelijke kracht van de Vader en van zichzelf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Christus heeft biddend zijn verrijzenis gevraagd en verdiend, in zover Hij mens was, niet als God.
2e Weerlegging. Christus heeft biddend zijn verrijzenis gevraagd en verdiend, in zover Hij mens was, niet als God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 53 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Het lichaam is naar zijn geschapen natuur niet sterker dan de ziel van Christus, maar naar de goddelijke kracht is het sterker dan haar. En deze is ook op haar beurt, door de met haar verenigde Godheid, sterker dan het lichaam naar zijn geschapen natuur. En dus namen ziel en lichaam elkaar wederkerig op uit de goddelijke kracht, maar niet uit de kracht van de geschapen natuur.
3e Weerlegging. Het lichaam is naar zijn geschapen natuur niet sterker dan de ziel van Christus, maar naar de goddelijke kracht is het sterker dan haar. En deze is ook op haar beurt, door de met haar verenigde Godheid, sterker dan het lichaam naar zijn geschapen natuur. En dus namen ziel en lichaam elkaar wederkerig op uit de goddelijke kracht, maar niet uit de kracht van de geschapen natuur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 54: Over de hoedanigheid van de verrijzende Christus
IIIa q. 54 pr.
Vervolgens moeten wij handelen over de hoedanigheid van de verrijzende Christus, en hieromtrent stellen wij vier vragen:
1. Bezat Christus na zijn verrijzenis een echt lichaam?
2. Verrees Hij in lichamelijke ongeschondenheid?
3. Was zijn lichaam glorievol?
4. Over de wonden, die zich in zijn lichaam vertoonden.
Vervolgens moeten wij handelen over de hoedanigheid van de verrijzende Christus, en hieromtrent stellen wij vier vragen:
1. Bezat Christus na zijn verrijzenis een echt lichaam?
2. Verrees Hij in lichamelijke ongeschondenheid?
3. Was zijn lichaam glorievol?
4. Over de wonden, die zich in zijn lichaam vertoonden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Bezat Christus na zijn verrijzenis een echt lichaam?
IIIa q. 54 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam bezat. Een echt lichaam kan niet met een ander lichaam tegelijk in dezelfde plaats zijn. Maar het lichaam van Christus was na de verrijzenis tegelijk met een ander lichaam in dezelfde plaats; Hij trad immers bij zijn leerlingen binnen "terwijl de deuren gesloten waren," zoals gezegd wordt bij Joannes (20. 26). Dus had Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam.
B: (John 20:26, John 20:26) [b:John 20:26]
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam bezat. Een echt lichaam kan niet met een ander lichaam tegelijk in dezelfde plaats zijn. Maar het lichaam van Christus was na de verrijzenis tegelijk met een ander lichaam in dezelfde plaats; Hij trad immers bij zijn leerlingen binnen "terwijl de deuren gesloten waren," zoals gezegd wordt bij Joannes (20. 26). Dus had Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam.
B: (John 20:26, John 20:26) [b:John 20:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Een echt lichaam verdwijnt niet uit het gezicht der toeschouwers, tenzij het misschien bederft. Maar het lichaam van Christus "verdween uit de ogen," der leerlingen, die Hem aanzagen, zoals gezegd wordt bij Lucas (24. 31). Dus had Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam.
B: (Luke 24:31) [b:Luke 24:31]
Vervolgens. Een echt lichaam verdwijnt niet uit het gezicht der toeschouwers, tenzij het misschien bederft. Maar het lichaam van Christus "verdween uit de ogen," der leerlingen, die Hem aanzagen, zoals gezegd wordt bij Lucas (24. 31). Dus had Christus na zijn verrijzenis geen echt lichaam.
B: (Luke 24:31) [b:Luke 24:31]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Elk echt lichaam heeft een bepaalde figuur. Het lichaam van Christus verscheen echter aan de leerlingen "in een andere gedaante," zoals blijkt bij Marcus (16. 12). Dus bezat Christus na zijn verrijzenis geen echt menselijk lichaam.
B: (Mark 16:12) [b:Mark 16:12]
Vervolgens. Elk echt lichaam heeft een bepaalde figuur. Het lichaam van Christus verscheen echter aan de leerlingen "in een andere gedaante," zoals blijkt bij Marcus (16. 12). Dus bezat Christus na zijn verrijzenis geen echt menselijk lichaam.
B: (Mark 16:12) [b:Mark 16:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Lucas (24. 37) dat, terwijl Christus aan de leerlingen verscheen "zij verward en verschrikt waren en meenden een geest te zien," als had Hij geen echt, maar een schijnlichaam. En om dit tegen te gaan laat Hij zelf erop volgen (v. 39) : "Voel en zie; want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals gij ziet, dat Ik heb." Dus had Hij geen schijn-, maar een echt lichaam.
B: (Luke 24:37) [b:Luke 24:37]
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt bij Lucas (24. 37) dat, terwijl Christus aan de leerlingen verscheen "zij verward en verschrikt waren en meenden een geest te zien," als had Hij geen echt, maar een schijnlichaam. En om dit tegen te gaan laat Hij zelf erop volgen (v. 39) : "Voel en zie; want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals gij ziet, dat Ik heb." Dus had Hij geen schijn-, maar een echt lichaam.
B: (Luke 24:37) [b:Luke 24:37]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals Damascenus opmerkt, "spreekt men van opstaan bij iets, wat gevallen is." Het lichaam van Christus nu viel door de dood, in zover namelijk de ziel daarvan werd afgescheiden, die zijn vormelijke perfectie was. En daarom was het voor een ware verrijzenis van Christus nodig, dat hetzelfde lichaam van Christus wederom met dezelfde ziel verenigd werd. En aangezien de echtheid van de natuur van een lichaam voortkomt uit de vorm, daarom was bijgevolg na de verrijzenis het lichaam van Christus een echt lichaam en van dezelfde natuur als het eerst was. Als zijn lichaam echter iets fantastisch was geweest, dan zou het ook geen echte, maar een schijnverrijzenis geweest zijn.
Mijn antwoord. Zoals Damascenus opmerkt, "spreekt men van opstaan bij iets, wat gevallen is." Het lichaam van Christus nu viel door de dood, in zover namelijk de ziel daarvan werd afgescheiden, die zijn vormelijke perfectie was. En daarom was het voor een ware verrijzenis van Christus nodig, dat hetzelfde lichaam van Christus wederom met dezelfde ziel verenigd werd. En aangezien de echtheid van de natuur van een lichaam voortkomt uit de vorm, daarom was bijgevolg na de verrijzenis het lichaam van Christus een echt lichaam en van dezelfde natuur als het eerst was. Als zijn lichaam echter iets fantastisch was geweest, dan zou het ook geen echte, maar een schijnverrijzenis geweest zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Zoals sommigen zeggen trad het lichaam van Christus na de verrijzenis niet door een mirakel, maar krachtens de toestand, die voortkomt uit de glorie, bij de leerlingen binnen, terwijl de deuren gesloten waren, zodat het tegelijk met een ander lichaam op dezelfde plaats was. Maar of het voor een verheerlijk lichaam krachtens een eigenschap, die het ontvangen heeft, mogelijk is tegelijk met een ander lichaam zich op dezelfde plaats te bevinden, dat zal later besproken worden (Suppl. 83e Kw. 2e Art.), waar het gaat over de algemene verrijzenis. Voor onze opzet is het op het ogenblik echter voldoende te zeggen, dat dit lichaam niet krachtens de lichamelijke natuur, maar veeleer uit kracht van de Godheid, die er mee verenigd was, ondanks de gesloten deuren bij de leerlingen binnentrad, ofschoon het een echt lichaam was. Daarom zegt Augustinus, dat sommigen aldus opwerpen: "Indien het een lichaam was, indien dat wat aan het kruis hing, uit het graf verrees, hoe kon het dan door de gesloten deuren binnentreden?" En hij antwoordt: "Als gij de wijze, waarop het gebeurde, zoudt begrijpen, dan is het geen mirakel; waar het verstand te kort schiet, daar groeit het geloof." En elders zegt hij: "Waar de Godheid aanwezig was, vormden de gesloten deuren geen hindernis voor de massa van het lichaam; zonder dat zij geopend werden, kon Hij binnentreden, die bij zijn geboorte de maagdelijkheid der moeder ongeschonden liet." Hetzelfde zegt ook Gregorius.
1e Weerlegging. Zoals sommigen zeggen trad het lichaam van Christus na de verrijzenis niet door een mirakel, maar krachtens de toestand, die voortkomt uit de glorie, bij de leerlingen binnen, terwijl de deuren gesloten waren, zodat het tegelijk met een ander lichaam op dezelfde plaats was. Maar of het voor een verheerlijk lichaam krachtens een eigenschap, die het ontvangen heeft, mogelijk is tegelijk met een ander lichaam zich op dezelfde plaats te bevinden, dat zal later besproken worden (Suppl. 83e Kw. 2e Art.), waar het gaat over de algemene verrijzenis. Voor onze opzet is het op het ogenblik echter voldoende te zeggen, dat dit lichaam niet krachtens de lichamelijke natuur, maar veeleer uit kracht van de Godheid, die er mee verenigd was, ondanks de gesloten deuren bij de leerlingen binnentrad, ofschoon het een echt lichaam was. Daarom zegt Augustinus, dat sommigen aldus opwerpen: "Indien het een lichaam was, indien dat wat aan het kruis hing, uit het graf verrees, hoe kon het dan door de gesloten deuren binnentreden?" En hij antwoordt: "Als gij de wijze, waarop het gebeurde, zoudt begrijpen, dan is het geen mirakel; waar het verstand te kort schiet, daar groeit het geloof." En elders zegt hij: "Waar de Godheid aanwezig was, vormden de gesloten deuren geen hindernis voor de massa van het lichaam; zonder dat zij geopend werden, kon Hij binnentreden, die bij zijn geboorte de maagdelijkheid der moeder ongeschonden liet." Hetzelfde zegt ook Gregorius.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zoals gezegd is (in de vorige Kw. 3e Art.), verrees Christus tot het onsterfelijke leven der glorie. De gesteltenis van een verheerlijk lichaam is echter deze, dat het "geestelijk" is, d. i. onderworpen aan de geest, zoals de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 44). Voor het volledig onderworpen zijn van een lichaam aan de geest wordt echter vereist, dat elke daad van het lichaam onderworpen is aan de wil van de geest. Wanneer nu iets gezien wordt, dan geschiedt dit door een inwerking van het zichtbare op het gezichtsvermogen, zoals blijkt bij de Wijsgeer in De Anima. Bijgevolg heeft hij, die een verheerlijk lichaam bezit, het in zijn macht, om gezien te worden, wanneer hij het wil, en om niet gezien te worden, wanneer hij het niet wil. Dit nu bezat Christus niet alleen krachtens de gesteltenis van zijn verheerlijk lichaam, maar ook uit kracht der Godheid, die bewerken kan, dat ook niet verheerlijkte lichamen op mirakeleuze wijze niet gezien worden; zoals het op mirakeleuze wijze aan de H. Bartholomeus gegeven was, om zichtbaar te zijn, wanneer hij dat wilde, en niet gezien te worden, als hij het niet wilde. Van Christus wordt derhalve gezegd, dat Hij uit de oogen der leerlingen verdween, niet doordat Hij tot bederf overging of in iets onzichtbaars werd opgelost, maar doordat Hij door toedoen van zijn eigen wil niet meer door hen gezien werd, hetzij Hij dan daar tegenwoordig bleef, hetzij Hij snel vandaar wegging krachtens de gave der snelle bewegelijkheid.
B: (1Cor 15:44) [b:1Cor 15:44]
R: q. 53 a. 3[t:iiia q. 53 a. 3]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 54 a. 2 ad 1
IIIa q. 55 a. 6 co.[t:iiia q. 54 a. 2 ad 1][t:iiia q. 55 a. 6 co.]
2e Weerlegging. Zoals gezegd is (in de vorige Kw. 3e Art.), verrees Christus tot het onsterfelijke leven der glorie. De gesteltenis van een verheerlijk lichaam is echter deze, dat het "geestelijk" is, d. i. onderworpen aan de geest, zoals de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 44). Voor het volledig onderworpen zijn van een lichaam aan de geest wordt echter vereist, dat elke daad van het lichaam onderworpen is aan de wil van de geest. Wanneer nu iets gezien wordt, dan geschiedt dit door een inwerking van het zichtbare op het gezichtsvermogen, zoals blijkt bij de Wijsgeer in De Anima. Bijgevolg heeft hij, die een verheerlijk lichaam bezit, het in zijn macht, om gezien te worden, wanneer hij het wil, en om niet gezien te worden, wanneer hij het niet wil. Dit nu bezat Christus niet alleen krachtens de gesteltenis van zijn verheerlijk lichaam, maar ook uit kracht der Godheid, die bewerken kan, dat ook niet verheerlijkte lichamen op mirakeleuze wijze niet gezien worden; zoals het op mirakeleuze wijze aan de H. Bartholomeus gegeven was, om zichtbaar te zijn, wanneer hij dat wilde, en niet gezien te worden, als hij het niet wilde. Van Christus wordt derhalve gezegd, dat Hij uit de oogen der leerlingen verdween, niet doordat Hij tot bederf overging of in iets onzichtbaars werd opgelost, maar doordat Hij door toedoen van zijn eigen wil niet meer door hen gezien werd, hetzij Hij dan daar tegenwoordig bleef, hetzij Hij snel vandaar wegging krachtens de gave der snelle bewegelijkheid.
B: (1Cor 15:44) [b:1Cor 15:44]
R: q. 53 a. 3[t:iiia q. 53 a. 3]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 54 a. 2 ad 1
IIIa q. 55 a. 6 co.[t:iiia q. 54 a. 2 ad 1][t:iiia q. 55 a. 6 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Severianus zegt: "Niemand houdt, dat Christus bij zijn verrijzenis het voorkomen van zijn gelaat veranderd heeft." Dit moet men echter verstaan van de lijn der ledematen; aangezien aan het lichaam van Christus, dat ontvangen werd van de H. Geest, niets onregelmatig of vervormd was, dat bij de verrijzenis zou moeten hersteld worden. Hij ontving echter wel bij zijn verrijzenis de glorie der heerlijkheid. Daarom laat dezelfde daarop volgen: "Maar zijn voorkomen veranderde, toen Hij van sterfelijk onsterfelijk werd; en dit betekent dat Hij de glorie van het aanschijn er bij ontving, niet dat Hij het wezen van het voorkomen verloor." Bovendien verscheen Hij aan die leerlingen niet in zijn glorieuze gedaante; maar evenals het in zijn macht lag om zijn lichaam te laten zien of niet, zo had Hij het ook in zijn macht, of, wanneer men Hem zag, in de ogen der toeschouwers een glorievol of niet glorievol beeld, of een gemengd of welk beeld dan ook werd gevormd. Een klein verschil echter is voldoende, om de schijn te wekken, dat iemand in een vreemde gedaante verschijnt.
3e Weerlegging. Severianus zegt: "Niemand houdt, dat Christus bij zijn verrijzenis het voorkomen van zijn gelaat veranderd heeft." Dit moet men echter verstaan van de lijn der ledematen; aangezien aan het lichaam van Christus, dat ontvangen werd van de H. Geest, niets onregelmatig of vervormd was, dat bij de verrijzenis zou moeten hersteld worden. Hij ontving echter wel bij zijn verrijzenis de glorie der heerlijkheid. Daarom laat dezelfde daarop volgen: "Maar zijn voorkomen veranderde, toen Hij van sterfelijk onsterfelijk werd; en dit betekent dat Hij de glorie van het aanschijn er bij ontving, niet dat Hij het wezen van het voorkomen verloor." Bovendien verscheen Hij aan die leerlingen niet in zijn glorieuze gedaante; maar evenals het in zijn macht lag om zijn lichaam te laten zien of niet, zo had Hij het ook in zijn macht, of, wanneer men Hem zag, in de ogen der toeschouwers een glorievol of niet glorievol beeld, of een gemengd of welk beeld dan ook werd gevormd. Een klein verschil echter is voldoende, om de schijn te wekken, dat iemand in een vreemde gedaante verschijnt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is het lichaam van Christus ongeschonden verrezen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 54 a. 3 co.[t:iiia q. 54 a. 3 co.]
IIIa q. 54 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het lichaam van Christus niet ongeschonden verrezen is. Tot de volkomenheid van het menselijk lichaam behoort immers vlees en bloed. En deze schijnt Christus niet te hebben gehad: wan de Eeerste Brief aan de Corinthiërs (15, 10) wordt gezegd: "Vlees en bloed zullen het rijk Gods niet bezitten." Christus nu verrees in de glorie van het rijk Gods. Dus had Hij geen vlees en bloed.
B: (Matt 13:43) [b:Matt 13:43]
IIIa q. 54 a. 3 co.[t:iiia q. 54 a. 3 co.]
IIIa q. 54 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het lichaam van Christus niet ongeschonden verrezen is. Tot de volkomenheid van het menselijk lichaam behoort immers vlees en bloed. En deze schijnt Christus niet te hebben gehad: wan de Eeerste Brief aan de Corinthiërs (15, 10) wordt gezegd: "Vlees en bloed zullen het rijk Gods niet bezitten." Christus nu verrees in de glorie van het rijk Gods. Dus had Hij geen vlees en bloed.
B: (Matt 13:43) [b:Matt 13:43]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Het bloed is een van de vier vochten. Als Christus dus bloed had, dan bezat Hij om dezelfde reden ook de andere vochten, waardoor het bederf n de dierlijke lichamen veroorzaakt wordt. Zo zou dus volgen, dat het lichaam van Christus bederfelijk was. En dit is niet passend. Dus bezat Christus geen vlees en bloed.
B: (Luke 24:39) [b:Luke 24:39]
Vervolgens. Het bloed is een van de vier vochten. Als Christus dus bloed had, dan bezat Hij om dezelfde reden ook de andere vochten, waardoor het bederf n de dierlijke lichamen veroorzaakt wordt. Zo zou dus volgen, dat het lichaam van Christus bederfelijk was. En dit is niet passend. Dus bezat Christus geen vlees en bloed.
B: (Luke 24:39) [b:Luke 24:39]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Christus' lichaam, dat verrees, steeg op ten hemel. Iets van zijn bloed echter wordt in sommige kerken als relikwie bewaard. Dus verrees het lichaam van Christus niet volkomen met al zijn delen.
B: (1Cor 15) [b:1Cor 15]
Vervolgens. Christus' lichaam, dat verrees, steeg op ten hemel. Iets van zijn bloed echter wordt in sommige kerken als relikwie bewaard. Dus verrees het lichaam van Christus niet volkomen met al zijn delen.
B: (1Cor 15) [b:1Cor 15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Lucas (24. 39) zegt, sprekende tot zijn leerlingen na zijn verrijzenis: "Een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb."
B: (Phil 3:21) [b:Phil 3:21]
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Lucas (24. 39) zegt, sprekende tot zijn leerlingen na zijn verrijzenis: "Een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb."
B: (Phil 3:21) [b:Phil 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 2 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (John 12:27, John 12:27) [b:John 12:27] (1Cor 15:43) [b:1Cor 15:43]
R: q. 34 a. 4[t:iiia q. 34 a. 4] q. 14 a. 1 ad 2[t:iiia q. 14 a. 1 ad 2]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (John 12:27, John 12:27) [b:John 12:27] (1Cor 15:43) [b:1Cor 15:43]
R: q. 34 a. 4[t:iiia q. 34 a. 4] q. 14 a. 1 ad 2[t:iiia q. 14 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. "Vlees en bloed" wordt daar niet verstaan van de natuur van vlees en bloed, maar of van de schuld van vlees en bloed, zoals Gregorius zegt, of van het bederf van vlees en bloed: aangezien "er daar," zoals Augustinus zegt, "geen bederf en sterfelijkheid van vlees en bloed meer zal zijn." Het vlees als zelfstandigheid opgevat, bezit dus wel het rijk Gods, zoals gezegd is (vgl. het Tegenargument): "'n Geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat ik heb." Het vlees echter genomen voor bederf, zal het niet bezitten. Vandaar wordt onmiddellijk in de woorden van de Apostel toegevoegd: "Noch het bederf de onbederfelijkheid."
R: q. 54 a. 1 ad 2[t:iiia q. 54 a. 1 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 55 a. 6 co.[t:iiia q. 55 a. 6 co.]
1e Weerlegging. "Vlees en bloed" wordt daar niet verstaan van de natuur van vlees en bloed, maar of van de schuld van vlees en bloed, zoals Gregorius zegt, of van het bederf van vlees en bloed: aangezien "er daar," zoals Augustinus zegt, "geen bederf en sterfelijkheid van vlees en bloed meer zal zijn." Het vlees als zelfstandigheid opgevat, bezit dus wel het rijk Gods, zoals gezegd is (vgl. het Tegenargument): "'n Geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat ik heb." Het vlees echter genomen voor bederf, zal het niet bezitten. Vandaar wordt onmiddellijk in de woorden van de Apostel toegevoegd: "Noch het bederf de onbederfelijkheid."
R: q. 54 a. 1 ad 2[t:iiia q. 54 a. 1 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 55 a. 6 co.[t:iiia q. 55 a. 6 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Augustinus zegt: "Misschien zal naar aanleiding van het bloed een vrij lastige onderzoeker ons in het nauw brengen en zeggen: Als in het lichaam" van de verrijzende Christus "bloed was, waarom dan geen slijm," d. i. flegma, "waarom ook geen gele gal," d. i. cholera, "en zwarte gal," d. i. melancholie, "door welke vier vochten de natuur van het vlees beheerst wordt, zoals ook de medicijnleer getuigt? Maar wat iemand er ook aan moge toevoegen, hij wachtte zich wel er bederf bij te doen, om niet de gezondheid en reinheid van zijn geloof te bederven. De goddelijke kracht kan immers van die zichtbare en tastbare lichamelijke natuur, met instandhouding van sommige kwaliteiten, andere wegnemen welke zij wil verwijderen, opdat de ineenstorting" nl. van het bederf, "zou uitblijven, en toch het voorkomen aanwezig zou zijn; de beweging er zou zijn, maar de vermoeienis ontbreken; het vermogen om te eten aanwezig zou zijn; en toch niet de noodzakelijkheid om honger te voelen."
2e Weerlegging. Augustinus zegt: "Misschien zal naar aanleiding van het bloed een vrij lastige onderzoeker ons in het nauw brengen en zeggen: Als in het lichaam" van de verrijzende Christus "bloed was, waarom dan geen slijm," d. i. flegma, "waarom ook geen gele gal," d. i. cholera, "en zwarte gal," d. i. melancholie, "door welke vier vochten de natuur van het vlees beheerst wordt, zoals ook de medicijnleer getuigt? Maar wat iemand er ook aan moge toevoegen, hij wachtte zich wel er bederf bij te doen, om niet de gezondheid en reinheid van zijn geloof te bederven. De goddelijke kracht kan immers van die zichtbare en tastbare lichamelijke natuur, met instandhouding van sommige kwaliteiten, andere wegnemen welke zij wil verwijderen, opdat de ineenstorting" nl. van het bederf, "zou uitblijven, en toch het voorkomen aanwezig zou zijn; de beweging er zou zijn, maar de vermoeienis ontbreken; het vermogen om te eten aanwezig zou zijn; en toch niet de noodzakelijkheid om honger te voelen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Al het bloed, dat uit het lichaam van Christus vloeide, verrees in het lichaam van Christus, daar het behoort tot de waarachtige menselijke natuur. En datzelfde gaat op van alle deeltjes, die door een echte en ongeschonden menselijke natuur worden geëist. Het bloed echter, dat in sommige kerken als relikwieën bewaard wordt, vloeide niet uit de zijde van Christus, maar daarvan zegt men, dat het op wonderbare wijze vloeide uit een stukgeslagen beeld van Christus.
B: (Luke 24:41) [b:Luke 24:41]
3e Weerlegging. Al het bloed, dat uit het lichaam van Christus vloeide, verrees in het lichaam van Christus, daar het behoort tot de waarachtige menselijke natuur. En datzelfde gaat op van alle deeltjes, die door een echte en ongeschonden menselijke natuur worden geëist. Het bloed echter, dat in sommige kerken als relikwieën bewaard wordt, vloeide niet uit de zijde van Christus, maar daarvan zegt men, dat het op wonderbare wijze vloeide uit een stukgeslagen beeld van Christus.
B: (Luke 24:41) [b:Luke 24:41]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is het lichaam van Christus glorierijk verrezen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 54 a. 4 arg. 2[t:iiia q. 54 a. 4 arg. 2]
IIIa q. 54 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het lichaam van Christus niet glorierijk verrezen is. Glorieuze lichamen immers zijn vol schittering, volgens het woord van Mattheus (13. 43): "De rechtvaardigen zullen schitteren als de zon, in het rijk van hun Vader." De stralende lichamen echter worden gezien als verlicht, echter niet als gekleurd. Daar nu het lichaam van Christus werd gezien met een kleur-uiterlijk, zoals het eerst gezien werd, was het niet glorieus.
B: (1Cor 15:50) [b:1Cor 15:50]
IIIa q. 54 a. 4 arg. 2[t:iiia q. 54 a. 4 arg. 2]
IIIa q. 54 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het lichaam van Christus niet glorierijk verrezen is. Glorieuze lichamen immers zijn vol schittering, volgens het woord van Mattheus (13. 43): "De rechtvaardigen zullen schitteren als de zon, in het rijk van hun Vader." De stralende lichamen echter worden gezien als verlicht, echter niet als gekleurd. Daar nu het lichaam van Christus werd gezien met een kleur-uiterlijk, zoals het eerst gezien werd, was het niet glorieus.
B: (1Cor 15:50) [b:1Cor 15:50]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Een verheerlijkt lichaam is onbederfelijk. Maar het lichaam van Christus schijnt niet onbederfelijk geweest te zijn. Het was immers tastbaar, gelijk Hijzelf zegt bij Lucas (24. 39): "Tast en ziet." Gregorius echter zegt, dat "wat tastbaar is, noodzakelijk bederft, en wat niet bederft, is niet tastbaar." Dus was het lichaam van Christus niet glorieus.
Vervolgens. Een verheerlijkt lichaam is onbederfelijk. Maar het lichaam van Christus schijnt niet onbederfelijk geweest te zijn. Het was immers tastbaar, gelijk Hijzelf zegt bij Lucas (24. 39): "Tast en ziet." Gregorius echter zegt, dat "wat tastbaar is, noodzakelijk bederft, en wat niet bederft, is niet tastbaar." Dus was het lichaam van Christus niet glorieus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Een verheerlijkt lichaam is niet dierlijk, maar geestelijk, zoals blijkt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 35 vlg.). Het lichaam van Christus echter was dierlijk na de verrijzenis, daar Hij met de leerlingen at en dronk, zoals we lezen bij Lucas (24. 41 vlg.) en Joannes (21. 9 vlg.). Dus was het lichaam van Christus niet glorievol.
Vervolgens. Een verheerlijkt lichaam is niet dierlijk, maar geestelijk, zoals blijkt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 35 vlg.). Het lichaam van Christus echter was dierlijk na de verrijzenis, daar Hij met de leerlingen at en dronk, zoals we lezen bij Lucas (24. 41 vlg.) en Joannes (21. 9 vlg.). Dus was het lichaam van Christus niet glorievol.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Apostel in de Brief aan de Philippenzen (3. 21) zegt: "Hij zal ons vernederd lichaam herscheppen, gelijkvormig aan zijn verheerlijk lichaam."
B: (Luke 24:39) [b:Luke 24:39]
Daartegenover staat echter, dat de Apostel in de Brief aan de Philippenzen (3. 21) zegt: "Hij zal ons vernederd lichaam herscheppen, gelijkvormig aan zijn verheerlijk lichaam."
B: (Luke 24:39) [b:Luke 24:39]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 3 co.
Mijn antwoord. Het lichaam van Christus was bij zijn verrijzenis glorievol. En dit blijkt uit een drievoudige redenering. — Vooreerst, omdat de verrijzenis van Christus het voorbeeld en de oorzaak van onze verrijzenis was, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 12 vlg.). De heiligen nu zullen bij de verrijzenis verheerlijkte lichamen dragen, zoals daar gezegd wordt (v. 43): "Het wordt gezaaid in oneer, het verrijst in heerlijkheid." En omdat nu de oorzaak sterker is dan het veroorzaakte, en het voorbeeld sterker dan het afgebeelde, was nog veel meer Christus’ lichaam vol heerlijkheid. — Ten tweede, omdat Hij door de vernedering van zijn lijden de glorie der verrijzenis verdiend heeft. Daarom zegt Hij ook zelf bij Johannes (12. 27): "Nu is Mijn ziel in verwarring," wat sloeg op zijn lijden; en vervolgens laat Hij volgen (v. 28): "Vader, verheerlijk Uwen naam;" waarmede Hij vroeg om de glorie der verrijzenis. — Ten derde, omdat, zoals boven gezegd is (34° Kw. 4° Art.) de ziel van Christus van het begin zijner ontvangenis af glorievol was vanwege de volmaakte Godsgenieting. Zoals echter boven gezegd is (14° Kw. 1° Art. 2° Antw.), was het zóó beschikt, dat de heerlijkheid niet van de ziel op het lichaam overging, ten einde het geheim onzer verlossing door zijn lijden te voltrekken. En daarom liet de ziel, toen dit mysterie van het lijden en de dood van Christus voltrokken was, terstond haar glorie doorstralen in het lichaam, dat zij bij de verrijzenis weer aannam. En zo werd dat lichaam glorievol.
B: (Matt 10:30) [b:Matt 10:30] (Luke 21:18) [b:Luke 21:18]
R: q. 54 a. 2[t:iiia q. 54 a. 2]
Mijn antwoord. Het lichaam van Christus was bij zijn verrijzenis glorievol. En dit blijkt uit een drievoudige redenering. — Vooreerst, omdat de verrijzenis van Christus het voorbeeld en de oorzaak van onze verrijzenis was, zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 12 vlg.). De heiligen nu zullen bij de verrijzenis verheerlijkte lichamen dragen, zoals daar gezegd wordt (v. 43): "Het wordt gezaaid in oneer, het verrijst in heerlijkheid." En omdat nu de oorzaak sterker is dan het veroorzaakte, en het voorbeeld sterker dan het afgebeelde, was nog veel meer Christus’ lichaam vol heerlijkheid. — Ten tweede, omdat Hij door de vernedering van zijn lijden de glorie der verrijzenis verdiend heeft. Daarom zegt Hij ook zelf bij Johannes (12. 27): "Nu is Mijn ziel in verwarring," wat sloeg op zijn lijden; en vervolgens laat Hij volgen (v. 28): "Vader, verheerlijk Uwen naam;" waarmede Hij vroeg om de glorie der verrijzenis. — Ten derde, omdat, zoals boven gezegd is (34° Kw. 4° Art.) de ziel van Christus van het begin zijner ontvangenis af glorievol was vanwege de volmaakte Godsgenieting. Zoals echter boven gezegd is (14° Kw. 1° Art. 2° Antw.), was het zóó beschikt, dat de heerlijkheid niet van de ziel op het lichaam overging, ten einde het geheim onzer verlossing door zijn lijden te voltrekken. En daarom liet de ziel, toen dit mysterie van het lijden en de dood van Christus voltrokken was, terstond haar glorie doorstralen in het lichaam, dat zij bij de verrijzenis weer aannam. En zo werd dat lichaam glorievol.
B: (Matt 10:30) [b:Matt 10:30] (Luke 21:18) [b:Luke 21:18]
R: q. 54 a. 2[t:iiia q. 54 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Alles wat ergens in opgenomen wordt, wordt naar de aard van de opnemer opgenomen. Aangezien nu de glorie van het lichaam voortvloeit uit de ziel, zoals Augustinus zegt, is de schittering of klaarheid van het verheerlijkte lichaam in de trant van de kleur, die het menselijk lichaam eigen is; zoals het venster, dat verschillend gekleurd is, de schittering van de stralende zon opneemt naar de aard van zijn kleur. Gelijk de verheerlijkte mens het echter in zijn macht heeft, dat zijn lichaam gezien of niet gezien wordt, zoals gezegd is (1° Art. van deze Kw. 2° Antw.), zo heeft hij het ook in zijn macht of zijn heerlijkheid gezien wordt of niet. Vandaar kan Hij in zijn kleur zonder enige heerlijkheid gezien worden. En op die manier verscheen Christus na zijn verrijzenis aan zijn leerlingen.
B: (Job 14, Job 14:56) [b:Job 14] (Rom 6:9) [b:Rom 6:9]
1e Weerlegging. Alles wat ergens in opgenomen wordt, wordt naar de aard van de opnemer opgenomen. Aangezien nu de glorie van het lichaam voortvloeit uit de ziel, zoals Augustinus zegt, is de schittering of klaarheid van het verheerlijkte lichaam in de trant van de kleur, die het menselijk lichaam eigen is; zoals het venster, dat verschillend gekleurd is, de schittering van de stralende zon opneemt naar de aard van zijn kleur. Gelijk de verheerlijkte mens het echter in zijn macht heeft, dat zijn lichaam gezien of niet gezien wordt, zoals gezegd is (1° Art. van deze Kw. 2° Antw.), zo heeft hij het ook in zijn macht of zijn heerlijkheid gezien wordt of niet. Vandaar kan Hij in zijn kleur zonder enige heerlijkheid gezien worden. En op die manier verscheen Christus na zijn verrijzenis aan zijn leerlingen.
B: (Job 14, Job 14:56) [b:Job 14] (Rom 6:9) [b:Rom 6:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Een lichaam noemt men tastbaar niet alleen om zijn weerstand, maar ook om zijn vastheid. Uit ijlheid en vastheid volgen zwaar en licht gewicht, warm en koud en andere dergelijke tegenstellingen, die het beginsel zijn der corruptie der elementen. Vandaar is een lichaam, dat tastbaar is voor een menselijke aanraking, van nature bederfelijk. Wanneer echter een lichaam niet vatbaar is voor aanraking, doordat het niet met voornoemde kwaliteiten is uitgerust, die het eigenlijke voorwerp zijn van menselijke aanraking, zoals een hemels lichaam er een is, dan kan men niet zeggen, dat zo’n lichaam tastbaar is. Het lichaam van Christus nu was waarlijk na de verrijzenis een samenstelling uit elementen, en bezat in zich tastbare kwaliteiten, zoals dat de natuur van een menselijk lichaam vereist, en dus was het natuurlijkerwijze tastbaar. En zo het niet iets anders bezeten had, dat boven de menselijke natuur uitgaat, zou het ook bederfelijk geweest zijn. Het bezat echter nog iets anders, dat het onbederfelijk maakte, wel niet de natuur van een hemels lichaam, zoals sommigen zeggen, welk punt later breder onderzocht zal worden (Zie 't Suppl. 82° Kw. 1° Art.); maar de glorie, welke voortvloeide uit de gezaligde ziel; aangezien, zoals Augustinus zegt, "God de ziel zulk een sterke natuur gaf, dat uit haar volledigste gelukzaligheid, de volledigste gezondheid in het lichaam voortvloeide, d. i. de kracht der onbederfelijkheid." En aldus "blijkt," zoals Gregorius zegt, "dat het lichaam van Christus na de verrijzenis van dezelfde natuur was, maar van een hogere glorie."
B: (Job 14, Job 14:56) [b:Job 14] (Luke 24:39) [b:Luke 24:39]
2e Weerlegging. Een lichaam noemt men tastbaar niet alleen om zijn weerstand, maar ook om zijn vastheid. Uit ijlheid en vastheid volgen zwaar en licht gewicht, warm en koud en andere dergelijke tegenstellingen, die het beginsel zijn der corruptie der elementen. Vandaar is een lichaam, dat tastbaar is voor een menselijke aanraking, van nature bederfelijk. Wanneer echter een lichaam niet vatbaar is voor aanraking, doordat het niet met voornoemde kwaliteiten is uitgerust, die het eigenlijke voorwerp zijn van menselijke aanraking, zoals een hemels lichaam er een is, dan kan men niet zeggen, dat zo’n lichaam tastbaar is. Het lichaam van Christus nu was waarlijk na de verrijzenis een samenstelling uit elementen, en bezat in zich tastbare kwaliteiten, zoals dat de natuur van een menselijk lichaam vereist, en dus was het natuurlijkerwijze tastbaar. En zo het niet iets anders bezeten had, dat boven de menselijke natuur uitgaat, zou het ook bederfelijk geweest zijn. Het bezat echter nog iets anders, dat het onbederfelijk maakte, wel niet de natuur van een hemels lichaam, zoals sommigen zeggen, welk punt later breder onderzocht zal worden (Zie 't Suppl. 82° Kw. 1° Art.); maar de glorie, welke voortvloeide uit de gezaligde ziel; aangezien, zoals Augustinus zegt, "God de ziel zulk een sterke natuur gaf, dat uit haar volledigste gelukzaligheid, de volledigste gezondheid in het lichaam voortvloeide, d. i. de kracht der onbederfelijkheid." En aldus "blijkt," zoals Gregorius zegt, "dat het lichaam van Christus na de verrijzenis van dezelfde natuur was, maar van een hogere glorie."
B: (Job 14, Job 14:56) [b:Job 14] (Luke 24:39) [b:Luke 24:39]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Augustinus zegt: "Onze Zaligmaker gebruikt na zijn verrijzenis in zijn wel geestelijk, maar toch waarachtig vlees, spijs en drank met zijn leerlingen, niet uit behoefte aan voedsel, maar met die macht, waarmede Hij dit kon." Want, zoals Beda zegt, "slurpt de dorstige aarde het water anders op dan de warme zonnestraal; de eerste doet dit uit behoeftigheid, de tweede uit kracht." Hij at derhalve na zijn verrijzenis, "niet alsof Hij spijs behoefde, maar om op die wijze de natuur van zijn verrijzend lichaam duidelijk te tonen." En daarom volgt daaruit niet, dat zijn lichaam een dierlijk lichaam was, dat behoefte heeft aan spijs.
3e Weerlegging. Augustinus zegt: "Onze Zaligmaker gebruikt na zijn verrijzenis in zijn wel geestelijk, maar toch waarachtig vlees, spijs en drank met zijn leerlingen, niet uit behoefte aan voedsel, maar met die macht, waarmede Hij dit kon." Want, zoals Beda zegt, "slurpt de dorstige aarde het water anders op dan de warme zonnestraal; de eerste doet dit uit behoeftigheid, de tweede uit kracht." Hij at derhalve na zijn verrijzenis, "niet alsof Hij spijs behoefde, maar om op die wijze de natuur van zijn verrijzend lichaam duidelijk te tonen." En daarom volgt daaruit niet, dat zijn lichaam een dierlijk lichaam was, dat behoefte heeft aan spijs.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Moest het lichaam van Christus met zijn wondetekenen verrijzen?
IIIa q. 54 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het lichaam van Christus niet met zijn wondetekenen verrijzen moest. In de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 52) immers wordt gezegd, dat "de doden verrijzen zullen in onbederfelijkheid." Maar zowel de wondetekenen als de wonden wijzen op een zeker bederf en gebrekkigheid. Het was derhalve niet passend, dat Christus, die de bewerker van de verrijzenis is, verrees met de tekenen van de wonden.
B: (1Cor 15:52) [b:1Cor 15:52]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het lichaam van Christus niet met zijn wondetekenen verrijzen moest. In de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 52) immers wordt gezegd, dat "de doden verrijzen zullen in onbederfelijkheid." Maar zowel de wondetekenen als de wonden wijzen op een zeker bederf en gebrekkigheid. Het was derhalve niet passend, dat Christus, die de bewerker van de verrijzenis is, verrees met de tekenen van de wonden.
B: (1Cor 15:52) [b:1Cor 15:52]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Het lichaam van Christus is ongeschonden verrezen, zoals gezegd werd (1° Art. van deze Kw.). De openingen der wonden echter zijn in strijd met de ongeschondenheid van het lichaam, wijl het lichaam daardoor wordt verscheurd. Het was derhalve niet passend, dat in het lichaam van Christus de openingen der wonden nableven; ook al bleven er enige tekenen der wonden, die voor het gezicht voldoende waren, op welk gezicht Thomas geloofde, tot wien gezegd werd: "Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, hebt gij geloofd." (Joan. 20. 29).
B: (John 20:29, John 20:29) [b:John 20:29]
R: q. 54 a. 3[t:iiia q. 54 a. 3]
Vervolgens. Het lichaam van Christus is ongeschonden verrezen, zoals gezegd werd (1° Art. van deze Kw.). De openingen der wonden echter zijn in strijd met de ongeschondenheid van het lichaam, wijl het lichaam daardoor wordt verscheurd. Het was derhalve niet passend, dat in het lichaam van Christus de openingen der wonden nableven; ook al bleven er enige tekenen der wonden, die voor het gezicht voldoende waren, op welk gezicht Thomas geloofde, tot wien gezegd werd: "Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, hebt gij geloofd." (Joan. 20. 29).
B: (John 20:29, John 20:29) [b:John 20:29]
R: q. 54 a. 3[t:iiia q. 54 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Damascenus zegt, dat "na de verrijzenis sommige dingen naar waarheid van Christus gezegd worden, die Hij niet van nature had, maar krachtens een beschikking, om aan te tonen, dat hetzelfde lichaam, dat geleden had, ook verrees, zoals de wondetekenen." Wanneer de oorzaak echter wordt weggenomen, houdt ook het effect op. Dus schijnt het, dat Hij na de leerlingen verzekerd te hebben aangaande zijn verrijzenis, verder geen wondetekenen meer droeg. Maar het paste niet bij de onveranderlijkheid van zijn glorie, dat Hij iets aannam, wat niet voor altijd bij Hem bleef. Dus moest Hij bij zijn verrijzenis niet weer een lichaam aannemen met de tekenen der wonden.
Vervolgens. Damascenus zegt, dat "na de verrijzenis sommige dingen naar waarheid van Christus gezegd worden, die Hij niet van nature had, maar krachtens een beschikking, om aan te tonen, dat hetzelfde lichaam, dat geleden had, ook verrees, zoals de wondetekenen." Wanneer de oorzaak echter wordt weggenomen, houdt ook het effect op. Dus schijnt het, dat Hij na de leerlingen verzekerd te hebben aangaande zijn verrijzenis, verder geen wondetekenen meer droeg. Maar het paste niet bij de onveranderlijkheid van zijn glorie, dat Hij iets aannam, wat niet voor altijd bij Hem bleef. Dus moest Hij bij zijn verrijzenis niet weer een lichaam aannemen met de tekenen der wonden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Joannes (20. 27) tot Thomas zegt: "Leg uw vinger hierin en zie Mijn handen, en kom met uw hand en leg ze in Mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig."
B: (John 20:27, John 20:27) [b:John 20:27]
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Joannes (20. 27) tot Thomas zegt: "Leg uw vinger hierin en zie Mijn handen, en kom met uw hand en leg ze in Mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig."
B: (John 20:27, John 20:27) [b:John 20:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 4 co.
Mijn antwoord. Het was passend, dat de ziel van Christus bij de verrijzenis het lichaam met zijn wondetekenen aannam. — Vooreerst om de glorie van Christus zelf. Want Beda zegt, dat Hij de wondetekenen behield, niet uit onvermogen om ze te genezen, maar "om voor altijd de triomf van zijn overwinning in zich rond te dragen." Daarom ook zegt Augustinus, dat "wij misschien in dat rijk in de lichamen der martelaren de tekenen der wonden zullen zien, welke zij voor Christus' naam opliepen; dit zal immers geen misvorming voor hen zijn, maar een eer; en er zal een schoonheid schitteren, die, hoewel in het lichaam, toch niet van het lichaam, maar van de deugd is." — Ten tweede, om de harten der leerlingen te bevestigen in het geloof aangaande zijn verrijzenis. — Ten derde, om wanneer Hij de Vader voor ons smeekt, altijd te tonen, wat voor dood Hij voor de mens verduurde. — Ten vierde, om hen, die door zijn dood verlost zijn, te laten zien, met wat een barmhartigheid zij geholpen zijn, door hen de tekenen van zijn dood voor ogen te stellen. — Ten slotte, om bij het oordeel te laten zien, hoe rechtvaardig er veroordeeld worden. Daarom, gelijk Augustinus zegt, "wist Christus, waarom Hij de wondetekenen in zijn lichaam bewaarde. Want zoals Hij ze toonde aan Thomas, die niet geloofde, tenzij hij ze aanraakte en zag, zo zal Hij zijn wonden ook tonen aan zijn vijanden, zodat de Waarheid, die hen overwint, dan zegt: Ziedaar de mens, die gij gekruisigd hebt. Gij ziet de wonden, die gij geslagen hebt. Gij aanschouwt de zijde, die gij doorboord hebt. Want door u en om u is zij geopend; en toch hebt gij niet willen binnentreden."
B: (Luke 24:40) [b:Luke 24:40]
Mijn antwoord. Het was passend, dat de ziel van Christus bij de verrijzenis het lichaam met zijn wondetekenen aannam. — Vooreerst om de glorie van Christus zelf. Want Beda zegt, dat Hij de wondetekenen behield, niet uit onvermogen om ze te genezen, maar "om voor altijd de triomf van zijn overwinning in zich rond te dragen." Daarom ook zegt Augustinus, dat "wij misschien in dat rijk in de lichamen der martelaren de tekenen der wonden zullen zien, welke zij voor Christus' naam opliepen; dit zal immers geen misvorming voor hen zijn, maar een eer; en er zal een schoonheid schitteren, die, hoewel in het lichaam, toch niet van het lichaam, maar van de deugd is." — Ten tweede, om de harten der leerlingen te bevestigen in het geloof aangaande zijn verrijzenis. — Ten derde, om wanneer Hij de Vader voor ons smeekt, altijd te tonen, wat voor dood Hij voor de mens verduurde. — Ten vierde, om hen, die door zijn dood verlost zijn, te laten zien, met wat een barmhartigheid zij geholpen zijn, door hen de tekenen van zijn dood voor ogen te stellen. — Ten slotte, om bij het oordeel te laten zien, hoe rechtvaardig er veroordeeld worden. Daarom, gelijk Augustinus zegt, "wist Christus, waarom Hij de wondetekenen in zijn lichaam bewaarde. Want zoals Hij ze toonde aan Thomas, die niet geloofde, tenzij hij ze aanraakte en zag, zo zal Hij zijn wonden ook tonen aan zijn vijanden, zodat de Waarheid, die hen overwint, dan zegt: Ziedaar de mens, die gij gekruisigd hebt. Gij ziet de wonden, die gij geslagen hebt. Gij aanschouwt de zijde, die gij doorboord hebt. Want door u en om u is zij geopend; en toch hebt gij niet willen binnentreden."
B: (Luke 24:40) [b:Luke 24:40]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Die wondetekenen, die in het lichaam van Christus bleven, hebben niets uit te staan met bederf of gebreken, maar zij strekken tot grotere overmaat van glorie, in zoverre zij tekenen zijn van deugd. En op die wondeplekken zal een bijzondere schoonheid stralen.
1e Weerlegging. Die wondetekenen, die in het lichaam van Christus bleven, hebben niets uit te staan met bederf of gebreken, maar zij strekken tot grotere overmaat van glorie, in zoverre zij tekenen zijn van deugd. En op die wondeplekken zal een bijzondere schoonheid stralen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Hoewel de opening der wonden in een zekere verscheuring van het doorlopend geheel bestaat, wordt dit toch geheel en al vergoed door de grotere schittering der glorie, zodat het lichaam niet minder ongeschonden is, maar meer volmaakt. Thomas echter zag niet alleen de wonden, maar raakte ze ook aan, daar "het voor hem voor zijn eigen geloof voldoende was, te zien wat hij gezien heeft, maar om ons heeft hij het gedaan, dat hij ook aanraakte, wat hij zag," zoals paus Leo zegt.
2e Weerlegging. Hoewel de opening der wonden in een zekere verscheuring van het doorlopend geheel bestaat, wordt dit toch geheel en al vergoed door de grotere schittering der glorie, zodat het lichaam niet minder ongeschonden is, maar meer volmaakt. Thomas echter zag niet alleen de wonden, maar raakte ze ook aan, daar "het voor hem voor zijn eigen geloof voldoende was, te zien wat hij gezien heeft, maar om ons heeft hij het gedaan, dat hij ook aanraakte, wat hij zag," zoals paus Leo zegt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 54 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Christus wilde, dat in zijn lichaam de tekenen der wonden bleven, niet alleen om het geloof der leerlingen te bevestigen, maar ook om andere redenen. Hieruit blijkt, dat die wondetekenen ook altijd in zijn lichaam zullen blijven, aangezien, zoals Augustinus zegt "ik geloof, dat 't lichaam van de Heer in de Hemel is, zoals het was, toen Hij ten hemel opsteeg." En Gregorius zegt, dat "als iets in het lichaam van Christus na de verrijzenis kon veranderen, dan is, tegen de waarachtige leer van Paulus in, de Heer na zijn verrijzenis in de dood weergekeerd. En wie zou dit durven zeggen, tenzij de dwaas, die de ware verrijzenis des vleses ontkent?" En daaruit blijkt, dat de wondetekenen, die Christus na zijn verrijzenis in zijn lichaam vertoonde, later nooit uit dat lichaam zijn weggenomen.
3e Weerlegging. Christus wilde, dat in zijn lichaam de tekenen der wonden bleven, niet alleen om het geloof der leerlingen te bevestigen, maar ook om andere redenen. Hieruit blijkt, dat die wondetekenen ook altijd in zijn lichaam zullen blijven, aangezien, zoals Augustinus zegt "ik geloof, dat 't lichaam van de Heer in de Hemel is, zoals het was, toen Hij ten hemel opsteeg." En Gregorius zegt, dat "als iets in het lichaam van Christus na de verrijzenis kon veranderen, dan is, tegen de waarachtige leer van Paulus in, de Heer na zijn verrijzenis in de dood weergekeerd. En wie zou dit durven zeggen, tenzij de dwaas, die de ware verrijzenis des vleses ontkent?" En daaruit blijkt, dat de wondetekenen, die Christus na zijn verrijzenis in zijn lichaam vertoonde, later nooit uit dat lichaam zijn weggenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 55: Over de bekendmaking der verrijzenis
IIIa q. 55 pr.
Vervolgens moeten wij de openbaring van Christus’ verrijzenis beschouwen, en hieromtrent stellen wij zes vragen:
1. Moest Christus’ verrijzenis aan allen geopenbaard worden, of alleen aan sommige bijzondere personen?
2. Was het passend geweest, dat Hij verrees, terwijl zij het zagen?
3. Moest Hij na zijn verrijzenis met zijn leerlingen omgaan?
4. Was het passend, dat Hij zijn leerlingen in een vreemde gedaante verscheen?
5. Moest Hij zijn verrijzenis met bewijzen openbaar maken?
6. Over de afdoendheid van die bewijzen.
Vervolgens moeten wij de openbaring van Christus’ verrijzenis beschouwen, en hieromtrent stellen wij zes vragen:
1. Moest Christus’ verrijzenis aan allen geopenbaard worden, of alleen aan sommige bijzondere personen?
2. Was het passend geweest, dat Hij verrees, terwijl zij het zagen?
3. Moest Hij na zijn verrijzenis met zijn leerlingen omgaan?
4. Was het passend, dat Hij zijn leerlingen in een vreemde gedaante verscheen?
5. Moest Hij zijn verrijzenis met bewijzen openbaar maken?
6. Over de afdoendheid van die bewijzen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Moest Christus’ verrijzenis aan allen geopenbaard worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 55 a. 4 co.[t:iiia q. 55 a. 4 co.]
IIIa q. 55 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus’ verrijzenis aan allen geopenbaard moest worden. Zoals een publieke zonde een publieke straf verdient, naar het woord in de Eerste Brief aan Timotheüs (5. 20): "Overtuig de zondaars in het bijzijn van allen," zo verdient een publieke verdienste ook een publieke beloning. "De heerlijkheid der verrijzenis nu is de beloning voor de vernedering van het lijden," zoals Augustinus zegt. Daar nu het lijden van Christus aan allen openlijk bekend was, daar Hij openlijk leed, daarom moest ook de glorie van zijn verrijzenis aan allen openbaar worden.
B: (1Tim 5:20) [b:1Tim 5:20] In Iohannis Evangelium Tractatus - tract. 104[859|+0]
IIIa q. 55 a. 4 co.[t:iiia q. 55 a. 4 co.]
IIIa q. 55 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus’ verrijzenis aan allen geopenbaard moest worden. Zoals een publieke zonde een publieke straf verdient, naar het woord in de Eerste Brief aan Timotheüs (5. 20): "Overtuig de zondaars in het bijzijn van allen," zo verdient een publieke verdienste ook een publieke beloning. "De heerlijkheid der verrijzenis nu is de beloning voor de vernedering van het lijden," zoals Augustinus zegt. Daar nu het lijden van Christus aan allen openlijk bekend was, daar Hij openlijk leed, daarom moest ook de glorie van zijn verrijzenis aan allen openbaar worden.
B: (1Tim 5:20) [b:1Tim 5:20] In Iohannis Evangelium Tractatus - tract. 104[859|+0]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Evenals het lijden van Christus geordend is tot ons heil, zo ook zijn verrijzenis, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (4. 25): "Hij is verrezen tot onze rechtvaardiging." Wat echter strekt tot nut voor het algemeen, moet voor allen openbaar zijn. Dus moest de verrijzenis aan allen geopenbaard worden, en niet in het bijzonder aan sommigen.
B: (Rom 4:25) [b:Rom 4:25]
Vervolgens. Evenals het lijden van Christus geordend is tot ons heil, zo ook zijn verrijzenis, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Romeinen (4. 25): "Hij is verrezen tot onze rechtvaardiging." Wat echter strekt tot nut voor het algemeen, moet voor allen openbaar zijn. Dus moest de verrijzenis aan allen geopenbaard worden, en niet in het bijzonder aan sommigen.
B: (Rom 4:25) [b:Rom 4:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Zij, aan wie de verrijzenis van Christus werd geopenbaard, waren getuigen van de verrijzenis; vandaar wordt gezegd in de Handelingen der Apostelen (3. 15): "Dien God van de doden heeft opgewekt, waarvan wij de getuigen zijn." Dit getuigenis nu gaven zij door openlijk te preken. Dit kwam echter niet toe aan de vrouwen, overeenkomstig het gezegde in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (14. 34): "De vrouwen moeten zwijgen in de kerk;" en in de Eerste Brief aan Timotheüs (2. 12): "Ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft." Dus was het niet behoorlijk, dat Christus’ verrijzenis eerder aan vrouwen werd geopenbaard, dan aan allen tegelijk.
B: (Acts 3:15) [b:Acts 3:15] (1Cor 14:34) [b:1Cor 14:34] (1Tim 2:12) [b:1Tim 2:12]
Vervolgens. Zij, aan wie de verrijzenis van Christus werd geopenbaard, waren getuigen van de verrijzenis; vandaar wordt gezegd in de Handelingen der Apostelen (3. 15): "Dien God van de doden heeft opgewekt, waarvan wij de getuigen zijn." Dit getuigenis nu gaven zij door openlijk te preken. Dit kwam echter niet toe aan de vrouwen, overeenkomstig het gezegde in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (14. 34): "De vrouwen moeten zwijgen in de kerk;" en in de Eerste Brief aan Timotheüs (2. 12): "Ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft." Dus was het niet behoorlijk, dat Christus’ verrijzenis eerder aan vrouwen werd geopenbaard, dan aan allen tegelijk.
B: (Acts 3:15) [b:Acts 3:15] (1Cor 14:34) [b:1Cor 14:34] (1Tim 2:12) [b:1Tim 2:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (10. 40, 41): "Hem heeft God opgewekt op de derden dag, en Hem bekend gemaakt niet aan geheel het volk, maar aan de door God voorbestemde getuigen."
B: (Acts 10:40) [b:Acts 10:40]
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (10. 40, 41): "Hem heeft God opgewekt op de derden dag, en Hem bekend gemaakt niet aan geheel het volk, maar aan de door God voorbestemde getuigen."
B: (Acts 10:40) [b:Acts 10:40]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 1 co.
Mijn antwoord. Van de dingen, die gekend worden, zijn er sommige, die gekend worden volgens de algemene wet der natuur, andere daarentegen door een speciale genadegave, zoals die dingen, welke door God worden geopenbaard. Aangaande deze echter is, zoals Dionysius zegt, "van Godswege deze wet vastgesteld, dat zij door God onmiddellijk worden geopenbaard aan de hogeren, en door middel van deze worden overgebracht aan de lageren," zoals blijkt bij de ordening der hemelse geesten. Wat nu behoort tot de toekomstige glorie, gaat de normale mensenkennis te boven, volgens het woord van Isaïas (64. 4): "Buiten U, o God, heeft geen oog gezien, wat Gij bereid hebt voor hen die op U hopen." En daarom worden dergelijke dingen niet door de mens geweten, tenzij ze door God worden geopenbaard, zoals de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 10): "Ons heeft God geopenbaard door zijn Geest." Daar nu Christus opstond in een glorieuze verrijzenis, daarom werd zijn verrijzenis niet aan het gehele volk geopenbaard, maar aan sommigen, door wier getuigenis het aan anderen werd bekend gemaakt.
B: (Isa 64:4) [b:Isa 64:4] (1Cor 2:10) [b:1Cor 2:10]
Mijn antwoord. Van de dingen, die gekend worden, zijn er sommige, die gekend worden volgens de algemene wet der natuur, andere daarentegen door een speciale genadegave, zoals die dingen, welke door God worden geopenbaard. Aangaande deze echter is, zoals Dionysius zegt, "van Godswege deze wet vastgesteld, dat zij door God onmiddellijk worden geopenbaard aan de hogeren, en door middel van deze worden overgebracht aan de lageren," zoals blijkt bij de ordening der hemelse geesten. Wat nu behoort tot de toekomstige glorie, gaat de normale mensenkennis te boven, volgens het woord van Isaïas (64. 4): "Buiten U, o God, heeft geen oog gezien, wat Gij bereid hebt voor hen die op U hopen." En daarom worden dergelijke dingen niet door de mens geweten, tenzij ze door God worden geopenbaard, zoals de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 10): "Ons heeft God geopenbaard door zijn Geest." Daar nu Christus opstond in een glorieuze verrijzenis, daarom werd zijn verrijzenis niet aan het gehele volk geopenbaard, maar aan sommigen, door wier getuigenis het aan anderen werd bekend gemaakt.
B: (Isa 64:4) [b:Isa 64:4] (1Cor 2:10) [b:1Cor 2:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Het lijden van Christus werd voltrokken in zijn lichaam, toen het nog een lijdelijke natuur bezat, welke naar algemene wet aan de mensen bekend is. En daarom kon het lijden van Christus door het gehele volk onmiddellijk gekend worden. Maar de verrijzenis van Christus werd bewerkt "door de glorie van de Vader," zoals de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (6. 4). En daarom werd zij niet onmiddellijk bekend gemaakt aan allen, maar aan sommigen. Dat echter aan openbare zondaars een openbare straf wordt opgelegd, moet men verstaan van de straf in dit leven. En evenzo moeten publieke verdiensten ook publiek beloond worden, om anderen op te wekken. De straffen en beloningen echter van het toekomstige leven worden niet publiek aan allen bekend gemaakt, maar afzonderlijk aan hen, die hiertoe door God zijn voorbestemd.
B: (Rom 6:4) [b:Rom 6:4]
1e Weerlegging. Het lijden van Christus werd voltrokken in zijn lichaam, toen het nog een lijdelijke natuur bezat, welke naar algemene wet aan de mensen bekend is. En daarom kon het lijden van Christus door het gehele volk onmiddellijk gekend worden. Maar de verrijzenis van Christus werd bewerkt "door de glorie van de Vader," zoals de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (6. 4). En daarom werd zij niet onmiddellijk bekend gemaakt aan allen, maar aan sommigen. Dat echter aan openbare zondaars een openbare straf wordt opgelegd, moet men verstaan van de straf in dit leven. En evenzo moeten publieke verdiensten ook publiek beloond worden, om anderen op te wekken. De straffen en beloningen echter van het toekomstige leven worden niet publiek aan allen bekend gemaakt, maar afzonderlijk aan hen, die hiertoe door God zijn voorbestemd.
B: (Rom 6:4) [b:Rom 6:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zoals de verrijzenis van Christus strekt tot het algemene heil van allen, wordt zij ook aan allen bekend gemaakt, maar niet zo, dat zij onmiddellijk aan allen wordt geopenbaard, maar aan sommigen, door wier getuigenis zij aan allen bekend zou worden.
2e Weerlegging. Zoals de verrijzenis van Christus strekt tot het algemene heil van allen, wordt zij ook aan allen bekend gemaakt, maar niet zo, dat zij onmiddellijk aan allen wordt geopenbaard, maar aan sommigen, door wier getuigenis zij aan allen bekend zou worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Aan de vrouw wordt het niet toegestaan, om publiek in de kerk te leren; het is hen echter toegestaan afzonderlijk sommigen door huiselijke voorlichting te onderrichten. En daarom "wordt een vrouw gezonden tot hen, die huisgenoten zijn;" zoals Ambrosius zegt; maar zij wordt niet gezonden om voor het volk getuigenis af te leggen voor de verrijzenis. Hij verscheen echter hierom het eerst aan vrouwen, opdat de vrouw, die het eerst de aanvang van de dood aan de mens bracht, ook het begin van de Christus, die in glorie verrees brengen zou. Daarom zegt Cyrillus naar aanleiding van de woorden bij Joannes (20. 17): "Ga tot de broeders enz.": "De vrouw, die eens de bedienaar was van de dood, heeft het eerst het aanbiddenswaardige geheim der verrijzenis vernomen en geboodschapt. Het vrouwelijk geslacht verkreeg dus bevrijding van de schande, en opheffing van de vervloeking." — Evenzo wordt hierdoor aangetoond, dat het vrouwelijk geslacht, wat de gloriestaat betreft, geen nadeel zal lijden, maar dat zij, indien zij van grotere liefde zullen branden, door de Godsschouwing ook grotere glorie zullen bemachtigen; omdat de vrouwen, die de Heer sterker beminden, zo zelfs dat zij niet weken van zijn graf, toen de leerlingen zelfs heengingen, het eerst de Heer, die in glorie verrees, hebben gezien.
3e Weerlegging. Aan de vrouw wordt het niet toegestaan, om publiek in de kerk te leren; het is hen echter toegestaan afzonderlijk sommigen door huiselijke voorlichting te onderrichten. En daarom "wordt een vrouw gezonden tot hen, die huisgenoten zijn;" zoals Ambrosius zegt; maar zij wordt niet gezonden om voor het volk getuigenis af te leggen voor de verrijzenis. Hij verscheen echter hierom het eerst aan vrouwen, opdat de vrouw, die het eerst de aanvang van de dood aan de mens bracht, ook het begin van de Christus, die in glorie verrees brengen zou. Daarom zegt Cyrillus naar aanleiding van de woorden bij Joannes (20. 17): "Ga tot de broeders enz.": "De vrouw, die eens de bedienaar was van de dood, heeft het eerst het aanbiddenswaardige geheim der verrijzenis vernomen en geboodschapt. Het vrouwelijk geslacht verkreeg dus bevrijding van de schande, en opheffing van de vervloeking." — Evenzo wordt hierdoor aangetoond, dat het vrouwelijk geslacht, wat de gloriestaat betreft, geen nadeel zal lijden, maar dat zij, indien zij van grotere liefde zullen branden, door de Godsschouwing ook grotere glorie zullen bemachtigen; omdat de vrouwen, die de Heer sterker beminden, zo zelfs dat zij niet weken van zijn graf, toen de leerlingen zelfs heengingen, het eerst de Heer, die in glorie verrees, hebben gezien.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Zou het passend geweest zijn als de leerlingen Christus hadden zien verrijzen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 55 a. 4 co.
IIIa q. 85 a. 6 co.[t:iiia q. 55 a. 4 co.][t:iiia q. 85 a. 6 co.]
IIIa q. 55 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het passend geweest zou zijn, als de leerlingen Christus hadden zien verrijzen. Op de leerlingen immers rustte de taak getuigenis af te leggen van Christus’ verrijzenis, overeenkomstig het woord in de Handelingen der Apostelen (4. 33): "Met grote kracht legden de apostelen getuigenis af voor de verrijzenis van Jesus Christus onze Heer." Maar de getuigenis, van wat men gezien heeft, is het zekerst. Dus is het behoorlijk, dat zij de verrijzenis van Christus zelf zagen.
B: (Acts 4:33) [b:Acts 4:33]
IIIa q. 55 a. 4 co.
IIIa q. 85 a. 6 co.[t:iiia q. 55 a. 4 co.][t:iiia q. 85 a. 6 co.]
IIIa q. 55 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het passend geweest zou zijn, als de leerlingen Christus hadden zien verrijzen. Op de leerlingen immers rustte de taak getuigenis af te leggen van Christus’ verrijzenis, overeenkomstig het woord in de Handelingen der Apostelen (4. 33): "Met grote kracht legden de apostelen getuigenis af voor de verrijzenis van Jesus Christus onze Heer." Maar de getuigenis, van wat men gezien heeft, is het zekerst. Dus is het behoorlijk, dat zij de verrijzenis van Christus zelf zagen.
B: (Acts 4:33) [b:Acts 4:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Om geloofszekerheid te bezitten, zagen de leerlingen Christus ten hemel stijgen, overeenkomstig het gezegde in de Handelingen der Apostelen (1. 9): "Terwijl zij toezagen, werd Hij verheven." Maar zij moesten evengoed een vast geloof hebben over Christus' verrijzenis. Dus had Christus moeten verrijzen, terwijl zijn leerlingen het zagen.
B: (Acts 1:9) [b:Acts 1:9]
Vervolgens. Om geloofszekerheid te bezitten, zagen de leerlingen Christus ten hemel stijgen, overeenkomstig het gezegde in de Handelingen der Apostelen (1. 9): "Terwijl zij toezagen, werd Hij verheven." Maar zij moesten evengoed een vast geloof hebben over Christus' verrijzenis. Dus had Christus moeten verrijzen, terwijl zijn leerlingen het zagen.
B: (Acts 1:9) [b:Acts 1:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De verrijzenis van Lazarus was een zekere heenwijzing naar Christus' toekomstige verrijzenis. Maar de Heer heeft Lazarus opgewekt, terwijl zijn leerlingen toezagen. Dus had ook Christus moeten verrijzen, terwijl zijn leerlingen het zagen.
Vervolgens. De verrijzenis van Lazarus was een zekere heenwijzing naar Christus' toekomstige verrijzenis. Maar de Heer heeft Lazarus opgewekt, terwijl zijn leerlingen toezagen. Dus had ook Christus moeten verrijzen, terwijl zijn leerlingen het zagen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt bij Marcus (16. 9): "Toen Christus op de eerste dag der week 's morgens verrees, verscheen Hij het eerst aan Maria Magdalena." Maar Maria Magdalena zag Hem niet verrijzen; maar toen zij Hem zocht in het graf, hoorde zij van de engel (v. 6): "Hij is verrezen, Hij is niet hier." Dus heeft niemand Hem zien verrijzen.
B: (Mark 16:9) [b:Mark 16:9]
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt bij Marcus (16. 9): "Toen Christus op de eerste dag der week 's morgens verrees, verscheen Hij het eerst aan Maria Magdalena." Maar Maria Magdalena zag Hem niet verrijzen; maar toen zij Hem zocht in het graf, hoorde zij van de engel (v. 6): "Hij is verrezen, Hij is niet hier." Dus heeft niemand Hem zien verrijzen.
B: (Mark 16:9) [b:Mark 16:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 2 co.
Mijn antwoord. De Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (13. 1): "De dingen van God zijn goed geordend." Dit is nu de ordening, die van Godswege is ingesteld, dat de dingen die boven de mensen zijn, aan de mensen door engelen worden geopenbaard, zoals uit Dionysius blijkt. Toen Christus echter verrees, keerde Hij niet terug tot een leven, dat algemeen aan de mensen bekend is, maar tot een zeker onsterfelijk en God-gelijkend leven, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 10): "Wat immers leeft, leeft voor God." En daarom moest de verrijzenis van Christus niet onmiddellijk door de mensen worden gezien, maar zij moest aan hen verkondigd worden door de engelen. Daarom zegt Hilarius, dat "hierom een engel de eerste verkondiger was der verrijzenis, opdat de verrijzenis zou verkondigd worden om de wil van de Vader te dienen."
B: (Rom 6:10) [b:Rom 6:10] (Rom 13:1) [b:Rom 13:1]
Mijn antwoord. De Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (13. 1): "De dingen van God zijn goed geordend." Dit is nu de ordening, die van Godswege is ingesteld, dat de dingen die boven de mensen zijn, aan de mensen door engelen worden geopenbaard, zoals uit Dionysius blijkt. Toen Christus echter verrees, keerde Hij niet terug tot een leven, dat algemeen aan de mensen bekend is, maar tot een zeker onsterfelijk en God-gelijkend leven, naar het woord in de Brief aan de Romeinen (6. 10): "Wat immers leeft, leeft voor God." En daarom moest de verrijzenis van Christus niet onmiddellijk door de mensen worden gezien, maar zij moest aan hen verkondigd worden door de engelen. Daarom zegt Hilarius, dat "hierom een engel de eerste verkondiger was der verrijzenis, opdat de verrijzenis zou verkondigd worden om de wil van de Vader te dienen."
B: (Rom 6:10) [b:Rom 6:10] (Rom 13:1) [b:Rom 13:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De Apostelen konden ook als van zien getuigenis afleggen van Christus’ verrijzenis, daar zij Christus, van wie zij wisten, dat Hij gestorven was, na zijn verrijzenis met zekerheid voor hun ogen zagen. Maar gelijk men tot de zalige schouwing komt door het horen van het geloof, zo kwamen de mensen ook tot de aanschouwing van de verrezen Christus, door hetgeen zij eerst van de engelen vernomen hadden.
1e Weerlegging. De Apostelen konden ook als van zien getuigenis afleggen van Christus’ verrijzenis, daar zij Christus, van wie zij wisten, dat Hij gestorven was, na zijn verrijzenis met zekerheid voor hun ogen zagen. Maar gelijk men tot de zalige schouwing komt door het horen van het geloof, zo kwamen de mensen ook tot de aanschouwing van de verrezen Christus, door hetgeen zij eerst van de engelen vernomen hadden.
Referenties naar deze alinea: 1
Lumen Fidei ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Wat het punt van uitgang betreft ging de hemelvaart van Christus niet de algemene menselijke kennis te boven, maar alleen wat haar eindterm betreft. En daarom konden de leerlingen de hemelvaart van Christus zien, wat betreft het uitgangspunt d. i. dat Hij van de aarde verheven werd. Maar zij zagen haar niet, wat haar eindterm betreft; daar zij niet zagen, hoe Hij in de hemel werd opgenomen. De verrijzenis van Christus ging echter de gewone kennis te boven, zowel wat betreft de beginterm, in zoverre de ziel terugkeerde uit de hel, en het lichaam uit het gesloten graf uitging, als wat de eindterm betreft, in zoverre Hij het verheerlijkte leven verkreeg. En daarom moest de verrijzenis niet zo geschieden, dat zij door een mens gezien werd.
2e Weerlegging. Wat het punt van uitgang betreft ging de hemelvaart van Christus niet de algemene menselijke kennis te boven, maar alleen wat haar eindterm betreft. En daarom konden de leerlingen de hemelvaart van Christus zien, wat betreft het uitgangspunt d. i. dat Hij van de aarde verheven werd. Maar zij zagen haar niet, wat haar eindterm betreft; daar zij niet zagen, hoe Hij in de hemel werd opgenomen. De verrijzenis van Christus ging echter de gewone kennis te boven, zowel wat betreft de beginterm, in zoverre de ziel terugkeerde uit de hel, en het lichaam uit het gesloten graf uitging, als wat de eindterm betreft, in zoverre Hij het verheerlijkte leven verkreeg. En daarom moest de verrijzenis niet zo geschieden, dat zij door een mens gezien werd.
Referenties naar deze alinea: 1
Verrijzenis van Christus is hoeksteen van ons geloof ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Lazarus werd opgewekt om terug te keren tot het leven, dat hij eerst bezat, en dat de gewone mensenkennis niet te boven ging. En dus is het geen gelijkwaardige redenering.
3e Weerlegging. Lazarus werd opgewekt om terug te keren tot het leven, dat hij eerst bezat, en dat de gewone mensenkennis niet te boven ging. En dus is het geen gelijkwaardige redenering.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Moest Christus na zijn verrijzenis voortdurend met zijn leerlingen omgaan?
IIIa q. 55 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus na zijn verrijzenis voortdurend met zijn leerlingen moest omgaan. Hij verscheen immers na zijn verrijzenis aan zijn leerlingen om hen zeker te maken in hun geloof van de verrijzenis, en om hen in hun droefheid troost te brengen, overeenkomstig het woord bij *Joannes* (20. 20): "De leerlingen waren verheugd, toen zij de Heer zagen." Zij zouden echter meer verzekerd en vertroost zijn geworden, als Hij voortdurend bij hen geweest was. Dus moest Hij voortdurend met hen omgaan.
B: (Joh 20, 20, John 20:20) [b:Joh 20, 20]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus na zijn verrijzenis voortdurend met zijn leerlingen moest omgaan. Hij verscheen immers na zijn verrijzenis aan zijn leerlingen om hen zeker te maken in hun geloof van de verrijzenis, en om hen in hun droefheid troost te brengen, overeenkomstig het woord bij *Joannes* (20. 20): "De leerlingen waren verheugd, toen zij de Heer zagen." Zij zouden echter meer verzekerd en vertroost zijn geworden, als Hij voortdurend bij hen geweest was. Dus moest Hij voortdurend met hen omgaan.
B: (Joh 20, 20, John 20:20) [b:Joh 20, 20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Toen Christus verrees uit de doden, steeg Hij niet terstond op ten hemel, maar na “veertig dagen,” zoals in de Handelingen der Apostelen (1. 3) staat. In die tussentijd nu kon Hij nergens anders beter zijn, dan daar, waar zijn leerlingen verzameld waren. Dus moest Hij voortdurend omgang met hen hebben.
B: (Acts 1:3) [b:Acts 1:3]
Vervolgens. Toen Christus verrees uit de doden, steeg Hij niet terstond op ten hemel, maar na “veertig dagen,” zoals in de Handelingen der Apostelen (1. 3) staat. In die tussentijd nu kon Hij nergens anders beter zijn, dan daar, waar zijn leerlingen verzameld waren. Dus moest Hij voortdurend omgang met hen hebben.
B: (Acts 1:3) [b:Acts 1:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Wij lezen, dat Christus op de dag zelf zijner verrijzenis vijf maal verscheen, zoals Augustinus zegt; het eerst "aan de vrouwen bij het graf; vervolgens aan dezelfde onderweg toen zij van het graf terugkeerden; ten derde aan Petrus; ten vierde, aan de leerlingen, die naar een dorp gingen; ten vijfde aan meerderen te Jeruzalem, waar Thomas niet bij was." Dus moest Hij ook op de andere dagen vóór zijn hemelvaart minstens verschillende malen verschijnen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 83 a. 5 ad 6[t:iiia q. 83 a. 5 ad 6]
Vervolgens. Wij lezen, dat Christus op de dag zelf zijner verrijzenis vijf maal verscheen, zoals Augustinus zegt; het eerst "aan de vrouwen bij het graf; vervolgens aan dezelfde onderweg toen zij van het graf terugkeerden; ten derde aan Petrus; ten vierde, aan de leerlingen, die naar een dorp gingen; ten vijfde aan meerderen te Jeruzalem, waar Thomas niet bij was." Dus moest Hij ook op de andere dagen vóór zijn hemelvaart minstens verschillende malen verschijnen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 83 a. 5 ad 6[t:iiia q. 83 a. 5 ad 6]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 3 arg. 4
Vervolgens. De Heer had hen vóór zijn lijden gezegd bij Mattheus (26. 32): "Na Mijn verrijzenis, zal Ik u voorgaan naar Galilea." Dit zeiden ook de engel en de Heer zelf na zijn verrijzenis aan de vrouwen. En toch werd Hij te voren door hen in Jeruzalem gezien, zowel op de dag der verrijzenis zelf, zoals gezegd werd (vorige bedenking); als ook op de achtste dag, zoals staat bij Joannes (20. 26). Dus is Hij na zijn verrijzenis niet op passende wijze met zijn leerlingen omgegaan.
B: (Matt 26:32) [b:Matt 26:32] (John 20:26, John 20:26) [b:John 20:26]
Vervolgens. De Heer had hen vóór zijn lijden gezegd bij Mattheus (26. 32): "Na Mijn verrijzenis, zal Ik u voorgaan naar Galilea." Dit zeiden ook de engel en de Heer zelf na zijn verrijzenis aan de vrouwen. En toch werd Hij te voren door hen in Jeruzalem gezien, zowel op de dag der verrijzenis zelf, zoals gezegd werd (vorige bedenking); als ook op de achtste dag, zoals staat bij Joannes (20. 26). Dus is Hij na zijn verrijzenis niet op passende wijze met zijn leerlingen omgegaan.
B: (Matt 26:32) [b:Matt 26:32] (John 20:26, John 20:26) [b:John 20:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (20. 26) gezegd wordt: "Na acht dagen" verscheen Christus aan zijn leerlingen. Dus is Hij niet voortdurend met hen omgegaan.
B: (Joh 20, 26, John 20:26) [b:Joh 20, 26]
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (20. 26) gezegd wordt: "Na acht dagen" verscheen Christus aan zijn leerlingen. Dus is Hij niet voortdurend met hen omgegaan.
B: (Joh 20, 26, John 20:26) [b:Joh 20, 26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 3 co.
Mijn antwoord. Met betrekking tot Christus' verrijzenis moesten twee dingen aan de leerlingen duidelijk worden: nl. de waarachtigheid der verrijzenis en de glorie van de verrezene. — Om de waarachtigheid der verrijzenis aan te tonen, is het voldoende, dat Hij hen meerdere malen verschenen is, en gemoedelijk met hen gesproken, en gegeten en gedronken heeft, en zich door hen liet aanraken. Maar om de glorie van de verrezene te openbaren, wilde Hij niet voortdurend met hen omgaan, zoals Hij dat eerst gedaan had, opdat het niet zou schijnen, dat Hij tot eenzelfde leven verrezen was als Hij eerst gehad had. Vandaar dat Hij bij Lucas (24. 44) zegt: "Dit zijn die woorden, welke Ik tot u gesproken heb, toen Ik nog bij u was." Op dat ogenblik immers was Hij lichamelijk bij hen tegenwoordig, maar van tevoren was Hij niet alleen lichamelijk bij hen, maar was Hij hen ook gelijkend in de sterfelijkheid. Daarom zegt Beda, de aangehaalde woorden verklarend: "Toen Ik nog bij u was, d. i. toen Ik nog in Mijn sterfelijk vlees was, waarin ook gij zijt. Op dat ogenblik echter was Hij wel opgewekt in hetzelfde vlees, maar Hij was niet in dezelfde noodzaak van te sterven, als zij."
B: (Luke 24:44) [b:Luke 24:44]
Mijn antwoord. Met betrekking tot Christus' verrijzenis moesten twee dingen aan de leerlingen duidelijk worden: nl. de waarachtigheid der verrijzenis en de glorie van de verrezene. — Om de waarachtigheid der verrijzenis aan te tonen, is het voldoende, dat Hij hen meerdere malen verschenen is, en gemoedelijk met hen gesproken, en gegeten en gedronken heeft, en zich door hen liet aanraken. Maar om de glorie van de verrezene te openbaren, wilde Hij niet voortdurend met hen omgaan, zoals Hij dat eerst gedaan had, opdat het niet zou schijnen, dat Hij tot eenzelfde leven verrezen was als Hij eerst gehad had. Vandaar dat Hij bij Lucas (24. 44) zegt: "Dit zijn die woorden, welke Ik tot u gesproken heb, toen Ik nog bij u was." Op dat ogenblik immers was Hij lichamelijk bij hen tegenwoordig, maar van tevoren was Hij niet alleen lichamelijk bij hen, maar was Hij hen ook gelijkend in de sterfelijkheid. Daarom zegt Beda, de aangehaalde woorden verklarend: "Toen Ik nog bij u was, d. i. toen Ik nog in Mijn sterfelijk vlees was, waarin ook gij zijt. Op dat ogenblik echter was Hij wel opgewekt in hetzelfde vlees, maar Hij was niet in dezelfde noodzaak van te sterven, als zij."
B: (Luke 24:44) [b:Luke 24:44]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. De herhaalde verschijning van Christus was voor zijn leerlingen voldoende om hen zeker te doen zijn van de waarachtigheid zijner verrijzenis; een voortdurende omgang echter had hen in dwaling kunnen brengen, zodat zij zouden menen, dat Hij tot eenzelfde leven verrezen was, als Hij eerst bezat. De vertroosting echter van zijn onafgebroken tegenwoordigheid beloofde Hij hun in het andere leven, zoals gezegd wordt bij Joannes (16. 22): "Ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verheugen, en uw vreugde zal niemand van u wegnemen."
B: (John 16:22, John 16:22) [b:John 16:22]
1e Weerlegging. De herhaalde verschijning van Christus was voor zijn leerlingen voldoende om hen zeker te doen zijn van de waarachtigheid zijner verrijzenis; een voortdurende omgang echter had hen in dwaling kunnen brengen, zodat zij zouden menen, dat Hij tot eenzelfde leven verrezen was, als Hij eerst bezat. De vertroosting echter van zijn onafgebroken tegenwoordigheid beloofde Hij hun in het andere leven, zoals gezegd wordt bij Joannes (16. 22): "Ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verheugen, en uw vreugde zal niemand van u wegnemen."
B: (John 16:22, John 16:22) [b:John 16:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Niet hierom ging Christus niet voortdurend met zijn leerlingen om, wijl Hij het beter oordeelde ergens anders te zijn; maar wijl Hij het beter oordeelde tot onderrichting zijner leerlingen, niet voortdurend met hen om te gaan, om de (in de Leerst.) aangegeven reden. Het is echter niet bekend, waar Hij in die tussentijd was, daar de Schrift dit niet zegt, en zijn heerschappij zich uitstrekt over elke plaats.
B: (Ps 102:22) [b:Ps 102:22]
2e Weerlegging. Niet hierom ging Christus niet voortdurend met zijn leerlingen om, wijl Hij het beter oordeelde ergens anders te zijn; maar wijl Hij het beter oordeelde tot onderrichting zijner leerlingen, niet voortdurend met hen om te gaan, om de (in de Leerst.) aangegeven reden. Het is echter niet bekend, waar Hij in die tussentijd was, daar de Schrift dit niet zegt, en zijn heerschappij zich uitstrekt over elke plaats.
B: (Ps 102:22) [b:Ps 102:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De reden, waarom Hij de eerste dag meerdere malen verscheen, was deze, dat zij door meerdere tekenen moesten worden aangezet, om van het begin af het geloof in de verrijzenis te aanvaarden. Toen zij het echter eenmaal hadden aanvaard, behoefden zij niet door zo herhaalde verschijningen ingelicht te worden, wijl zij reeds zekerheid bezaten. Daarom lezen wij in het evangelie, dat Hij hun na de eerste dag niet meer dan vijf maal verscheen. Want, zoals Augustinus zegt, verscheen Hij hun na de vijf eerste verschijningen "voor de zesde maal, toen Thomas Hem zag; de zevende maal bij de zee van Tiberias tijdens de visvangst; de achtste keer op de berg van Galilea, volgens Mattheus (28.16, 17); de negende keer, zoals Marcus zegt: "voor de laatste maal, toen zij aanlagen" (16.14), daar zij op aarde niet meer met Hem zouden samenleven; de tiende maal, op de dag der hemelvaart zelf, niet meer op aarde, maar verheven op een wolk, toen Hij naar de hemel opsteeg. Doch niet alles is opgeschreven, zoals Joannes getuigt (20.30). Want Hij had dikwijls omgang met hen, vóór Hij ten hemel steeg," nl. om hen te troosten. Vandaar wordt ook gezegd in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15.6, 7): "Hij verscheen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, vervolgens verscheen Hij aan Jacobus," over welke verschijningen in het evangelie niets verhaald wordt.
B: (1Cor 15:6) [b:1Cor 15:6] (1Cor 15:7) [b:1Cor 15:7]
3e Weerlegging. De reden, waarom Hij de eerste dag meerdere malen verscheen, was deze, dat zij door meerdere tekenen moesten worden aangezet, om van het begin af het geloof in de verrijzenis te aanvaarden. Toen zij het echter eenmaal hadden aanvaard, behoefden zij niet door zo herhaalde verschijningen ingelicht te worden, wijl zij reeds zekerheid bezaten. Daarom lezen wij in het evangelie, dat Hij hun na de eerste dag niet meer dan vijf maal verscheen. Want, zoals Augustinus zegt, verscheen Hij hun na de vijf eerste verschijningen "voor de zesde maal, toen Thomas Hem zag; de zevende maal bij de zee van Tiberias tijdens de visvangst; de achtste keer op de berg van Galilea, volgens Mattheus (28.16, 17); de negende keer, zoals Marcus zegt: "voor de laatste maal, toen zij aanlagen" (16.14), daar zij op aarde niet meer met Hem zouden samenleven; de tiende maal, op de dag der hemelvaart zelf, niet meer op aarde, maar verheven op een wolk, toen Hij naar de hemel opsteeg. Doch niet alles is opgeschreven, zoals Joannes getuigt (20.30). Want Hij had dikwijls omgang met hen, vóór Hij ten hemel steeg," nl. om hen te troosten. Vandaar wordt ook gezegd in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15.6, 7): "Hij verscheen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, vervolgens verscheen Hij aan Jacobus," over welke verschijningen in het evangelie niets verhaald wordt.
B: (1Cor 15:6) [b:1Cor 15:6] (1Cor 15:7) [b:1Cor 15:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Chrysostomus zegt in zijn verklaring van de woorden van Mattheus (26.32): "Als Ik verrezen zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea": "Hij gaat niet naar een verre streek, om hun te verschijnen maar bij het eigen volk en ongeveer in dezelfde streek," waar Hij het meest met hen had geleefd; "opdat zij ook hierdoor zouden geloven, dat Hij, die gekruisigd werd, dezelfde is, die ook verrees." Hierom ook zegt Hij, "dat Hij naar Galilea gaat, om hen van de vrees voor de Joden te bevrijden." Zo dus "had de Heer," gelijk Ambrosius zegt, "aan zijn leerlingen opdracht gegeven Hem in Galilea te ontmoeten; maar Hij heeft, terwijl zij uit vrees voor de Joden opgesloten zaten, zich eerst aan hen vertoond. En dit is geen overtreding van zijn belofte, maar veeleer een vervroegde vervulling uit goedgunstigheid. Maar daarna, toen hun gemoed versterkt was, zochten zij Galilea op. En zelfs is er geen bezwaar tegen om te zeggen, dat er weinigen waren in het gesloten vertrek, maar meerderen op de berg." Want zoals Eusebius zegt: "Twee evangelisten, namelijk Lucas en Joannes, hebben gezegd, dat Hij alleen aan de elf is verschenen te Jeruzalem; de twee anderen echter, dat de engel en de Zaligmaker niet alleen aan de elf, maar aan al de leerlingen en broeders bevolen hebben zich te begeven naar Galilea." Van hen spreekt ook Paulus (1 Cor. 13. 6), als hij zegt: "Vervolgens verscheen Hij aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk." Er is echter nog een betere oplossing, dat Hij eerst een of tweemaal verscheen aan hen, die zich in Jeruzalem verborgen hielden, om hen te troosten. Maar in Galilea vertoonde Hij zich niet in het geheim, of eenmaal of tweemaal, maar met grote macht, "zich na zijn lijden levend aan hen toonend door vele tekenen," zoals Lucas getuigt in de Handelingen der Apostelen. Of zoals Augustinus zegt, "moet hetgeen door de engel en de Heer gezegd werd," dat Hij hen namelijk voor zou gaan naar Galilea, "profetisch verstaan worden." Want "onder dat: in Galilea, moet men, genomen in de zin van: verhuizen naar, verstaan, dat de genade van Christus van het volk van Israël zou overgaan op de heidenen: die op de prediking der Apostelen niet zouden geloven, tenzij de Heer zelf voor hen een weg in de harten der mensen bereidde. En zo valt te begrijpen "Hij zal u voorgaan naar Galilea." Wanneer echter Galilea vertaald wordt als openbaring, dan moet men dit niet van Hem verstaan, als in de gedaante van slaaf, maar in die, waarin Hij gelijk is aan de Vader, welke Hij beloofde aan hen die Hem liefhebben en terwijl Hij ons daarheen voorgaat, heeft Hij ons niet verlaten."
B: (Matt 26:32) [b:Matt 26:32]
4e Weerlegging. Chrysostomus zegt in zijn verklaring van de woorden van Mattheus (26.32): "Als Ik verrezen zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea": "Hij gaat niet naar een verre streek, om hun te verschijnen maar bij het eigen volk en ongeveer in dezelfde streek," waar Hij het meest met hen had geleefd; "opdat zij ook hierdoor zouden geloven, dat Hij, die gekruisigd werd, dezelfde is, die ook verrees." Hierom ook zegt Hij, "dat Hij naar Galilea gaat, om hen van de vrees voor de Joden te bevrijden." Zo dus "had de Heer," gelijk Ambrosius zegt, "aan zijn leerlingen opdracht gegeven Hem in Galilea te ontmoeten; maar Hij heeft, terwijl zij uit vrees voor de Joden opgesloten zaten, zich eerst aan hen vertoond. En dit is geen overtreding van zijn belofte, maar veeleer een vervroegde vervulling uit goedgunstigheid. Maar daarna, toen hun gemoed versterkt was, zochten zij Galilea op. En zelfs is er geen bezwaar tegen om te zeggen, dat er weinigen waren in het gesloten vertrek, maar meerderen op de berg." Want zoals Eusebius zegt: "Twee evangelisten, namelijk Lucas en Joannes, hebben gezegd, dat Hij alleen aan de elf is verschenen te Jeruzalem; de twee anderen echter, dat de engel en de Zaligmaker niet alleen aan de elf, maar aan al de leerlingen en broeders bevolen hebben zich te begeven naar Galilea." Van hen spreekt ook Paulus (1 Cor. 13. 6), als hij zegt: "Vervolgens verscheen Hij aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk." Er is echter nog een betere oplossing, dat Hij eerst een of tweemaal verscheen aan hen, die zich in Jeruzalem verborgen hielden, om hen te troosten. Maar in Galilea vertoonde Hij zich niet in het geheim, of eenmaal of tweemaal, maar met grote macht, "zich na zijn lijden levend aan hen toonend door vele tekenen," zoals Lucas getuigt in de Handelingen der Apostelen. Of zoals Augustinus zegt, "moet hetgeen door de engel en de Heer gezegd werd," dat Hij hen namelijk voor zou gaan naar Galilea, "profetisch verstaan worden." Want "onder dat: in Galilea, moet men, genomen in de zin van: verhuizen naar, verstaan, dat de genade van Christus van het volk van Israël zou overgaan op de heidenen: die op de prediking der Apostelen niet zouden geloven, tenzij de Heer zelf voor hen een weg in de harten der mensen bereidde. En zo valt te begrijpen "Hij zal u voorgaan naar Galilea." Wanneer echter Galilea vertaald wordt als openbaring, dan moet men dit niet van Hem verstaan, als in de gedaante van slaaf, maar in die, waarin Hij gelijk is aan de Vader, welke Hij beloofde aan hen die Hem liefhebben en terwijl Hij ons daarheen voorgaat, heeft Hij ons niet verlaten."
B: (Matt 26:32) [b:Matt 26:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Moest Christus in een andere gedaante aan zijn leerlingen verschijnen?
IIIa q. 55 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet in een andere gedaante aan zijn leerlingen moet verschijnen. Alleen datgene, wat is, kan echt verschijnen. In Christus was er echter maar één gedaante. Indien Christus derhalve in een andere gedaante verscheen, dan was zijn verschijning niet echt, maar bedrog. Dit past echter niet, aangezien "Christus," zoals Augustinus zegt, "niet de waarheid is, als Hij bedriegt; maar Christus is de waarheid." Dus moest Christus zijn leerlingen niet in een andere gedaante verschijnen.
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet in een andere gedaante aan zijn leerlingen moet verschijnen. Alleen datgene, wat is, kan echt verschijnen. In Christus was er echter maar één gedaante. Indien Christus derhalve in een andere gedaante verscheen, dan was zijn verschijning niet echt, maar bedrog. Dit past echter niet, aangezien "Christus," zoals Augustinus zegt, "niet de waarheid is, als Hij bedriegt; maar Christus is de waarheid." Dus moest Christus zijn leerlingen niet in een andere gedaante verschijnen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Niets kan verschijnen in een andere gedaante, dan het heeft, tenzij de ogen van de toeschouwers door begoochelingen worden misleid. Dergelijke goocheltoeren passen Christus echter niet, wijl zij geschieden met tooverkunsten, overeenkomstig het woord in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 15): "Wat is er voor overeenkomst tussen Christus en Belial?" Dus moest Hij niet in een andere gedaante verschijnen.
B: (2Cor 6:15) [b:2Cor 6:15]
Vervolgens. Niets kan verschijnen in een andere gedaante, dan het heeft, tenzij de ogen van de toeschouwers door begoochelingen worden misleid. Dergelijke goocheltoeren passen Christus echter niet, wijl zij geschieden met tooverkunsten, overeenkomstig het woord in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 15): "Wat is er voor overeenkomst tussen Christus en Belial?" Dus moest Hij niet in een andere gedaante verschijnen.
B: (2Cor 6:15) [b:2Cor 6:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Zoals door de H. Schrift ons geloof wordt bevestigd, zo kregen de leerlingen zekerheid aangaande de verrijzenis door Christus’ verschijningen. Maar, zoals Augustinus zegt, het gehele gezag der H. Schrift zal verzwakt worden, als er ook maar één leugen in de H. Schrift wordt aangenomen. Indien dus Christus ook maar in één verschijning anders aan zijn leerlingen verscheen, als Hij was, dan zou al wat de leerlingen in Christus zagen na zijn verrijzenis verzwakt worden. Dit is echter niet passend. Dus moest Hij niet in een andere gedaante verschijnen.
Vervolgens. Zoals door de H. Schrift ons geloof wordt bevestigd, zo kregen de leerlingen zekerheid aangaande de verrijzenis door Christus’ verschijningen. Maar, zoals Augustinus zegt, het gehele gezag der H. Schrift zal verzwakt worden, als er ook maar één leugen in de H. Schrift wordt aangenomen. Indien dus Christus ook maar in één verschijning anders aan zijn leerlingen verscheen, als Hij was, dan zou al wat de leerlingen in Christus zagen na zijn verrijzenis verzwakt worden. Dit is echter niet passend. Dus moest Hij niet in een andere gedaante verschijnen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Marcus (16. 12) gezegd wordt: "Daarna is Hij aan twee van hen, die op weg waren, verschenen in een andere gedaante, terwijl zij naar een dorp gingen."
B: (Mark 16:12) [b:Mark 16:12]
Daartegenover staat echter, dat bij Marcus (16. 12) gezegd wordt: "Daarna is Hij aan twee van hen, die op weg waren, verschenen in een andere gedaante, terwijl zij naar een dorp gingen."
B: (Mark 16:12) [b:Mark 16:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd werd (1° en 2° Art. van deze Kw.) moest de verrijzenis aan Christus aan de mensen geopenbaard worden naar de wijze, waarop de goddelijke dingen hun worden bekend gemaakt. De goddelijke dingen nu worden de mensen op verschillende wijzen bekend, naargelang zij in een verschillende gesteltenis zijn. Want zij, wier geest in de goede gesteltenis is, begrijpen de goddelijke dingen naar waarheid. Zij echter, die niet bereid zijn van geest, vatten de goddelijke met een zekere verwarring van twijfel of dwaling: want "di dierlijke mens vat niet de dingen, die van de Geest Gods zijn," zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2 14). En daarom is Christus aan sommigen, die bereid waren om te geloven, na zijn verrijzenis in zijn eigen gestalte verschenen. Aan hen echter, die reeds zwak schenen te worden in hun geloof verscheen Hij in een vreemde gedaante; vandaar zeggen dezen "Wij echter hoopten, dat Hij het was, die Israël verlossen zou." (Luc. 24, 21). Daarom zegt Gregorius, dat "Hij zich zodanig in zijn lichaam aan hen vertoonde, zoals Hij leefde in hun geest. Want daar Hij nog in hun harten was als een vreemde voor hun geloof, daarom veinsde Hij verder te gaan," nl. alsof Hij een vreemdeling was.
B: (Luke 24:21) [b:Luke 24:21] (1Cor 2:14) [b:1Cor 2:14]
R: q. 55 a. 1[t:iiia q. 55 a. 1] q. 55 a. 2[t:iiia q. 55 a. 2]
Mijn antwoord. Zoals gezegd werd (1° en 2° Art. van deze Kw.) moest de verrijzenis aan Christus aan de mensen geopenbaard worden naar de wijze, waarop de goddelijke dingen hun worden bekend gemaakt. De goddelijke dingen nu worden de mensen op verschillende wijzen bekend, naargelang zij in een verschillende gesteltenis zijn. Want zij, wier geest in de goede gesteltenis is, begrijpen de goddelijke dingen naar waarheid. Zij echter, die niet bereid zijn van geest, vatten de goddelijke met een zekere verwarring van twijfel of dwaling: want "di dierlijke mens vat niet de dingen, die van de Geest Gods zijn," zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2 14). En daarom is Christus aan sommigen, die bereid waren om te geloven, na zijn verrijzenis in zijn eigen gestalte verschenen. Aan hen echter, die reeds zwak schenen te worden in hun geloof verscheen Hij in een vreemde gedaante; vandaar zeggen dezen "Wij echter hoopten, dat Hij het was, die Israël verlossen zou." (Luc. 24, 21). Daarom zegt Gregorius, dat "Hij zich zodanig in zijn lichaam aan hen vertoonde, zoals Hij leefde in hun geest. Want daar Hij nog in hun harten was als een vreemde voor hun geloof, daarom veinsde Hij verder te gaan," nl. alsof Hij een vreemdeling was.
B: (Luke 24:21) [b:Luke 24:21] (1Cor 2:14) [b:1Cor 2:14]
R: q. 55 a. 1[t:iiia q. 55 a. 1] q. 55 a. 2[t:iiia q. 55 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, "is niet alles wat wij veinzen een leugen. Maar wanneer wij iets veinzen, dat geen betekenis heeft, dan is het een leugen. Wanneer echter ons veinzen slaat op een of andere betekenis, dan is het geen leugen, maar een beeld van de waarheid. Anders zou alles wat door wijze en heilige mannen of zelfs door de Heer zelf figuurlijk gezegd is, als leugen bestempeld worden, aangezien er in de gangbare opvatting geen waarheid in die gezegden ligt. Evenals woorden, zo worden ook feiten geveinsd zonder te liegen, om het een of ander te betekenen." En zo geschiedde het hier, gelijk gezegd is (in de Leerst.).
1e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, "is niet alles wat wij veinzen een leugen. Maar wanneer wij iets veinzen, dat geen betekenis heeft, dan is het een leugen. Wanneer echter ons veinzen slaat op een of andere betekenis, dan is het geen leugen, maar een beeld van de waarheid. Anders zou alles wat door wijze en heilige mannen of zelfs door de Heer zelf figuurlijk gezegd is, als leugen bestempeld worden, aangezien er in de gangbare opvatting geen waarheid in die gezegden ligt. Evenals woorden, zo worden ook feiten geveinsd zonder te liegen, om het een of ander te betekenen." En zo geschiedde het hier, gelijk gezegd is (in de Leerst.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt "kon de Heer zijn vlees zo veranderen, dat het in werkelijkheid een ander voorkomen had, als dat wat gewoonlijk aanschouwd werd; ook vóór zijn lijden werd Hij zelfs eens van gedaante veranderd op de berg, zodat zijn gezicht schitterde, als de zon. Maar zo gebeurde het nu niet. Wij nemen ook niet ten onrechte aan, dat Satan in hun ogen dit beletsel bewerkte, opdat zij Jezus niet zouden herkennen." Vandaar zegt Lucas (24. 16), dat "hun ogen verhinderd werden Hem te herkennen."
2e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt "kon de Heer zijn vlees zo veranderen, dat het in werkelijkheid een ander voorkomen had, als dat wat gewoonlijk aanschouwd werd; ook vóór zijn lijden werd Hij zelfs eens van gedaante veranderd op de berg, zodat zijn gezicht schitterde, als de zon. Maar zo gebeurde het nu niet. Wij nemen ook niet ten onrechte aan, dat Satan in hun ogen dit beletsel bewerkte, opdat zij Jezus niet zouden herkennen." Vandaar zegt Lucas (24. 16), dat "hun ogen verhinderd werden Hem te herkennen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Die redenering zou doorgaan, als zij van het aanschouwen van de vreemde gedaante niet tot het werkelijk zien van Christus’ gedaante zouden gebracht zijn. Want zoals Augustinus zegt "liet Christus dit toe," nl. dat hun ogen op de aangegeven wijze werden verhinderd, "tot aan het sacrament van het brood; opdat wij zouden begrijpen, dat de hindernis van de vijand, om Christus te kennen werd weggenomen, toen zij deel kregen aan de eenheid van zijn lichaam." Hierom wordt er ook aan toegevoegd (Luc. 24. 31), dat "hun ogen geopend werden en zij Hem herkenden": "niet alsof zij eerst met gesloten ogen liepen; maar er was iets daarin, waardoor zij verhinderd werden te herkennen, wat zij zagen; wat nl. een verduistering en een of ander vocht gewoonlijk uitwerkt."
3e Weerlegging. Die redenering zou doorgaan, als zij van het aanschouwen van de vreemde gedaante niet tot het werkelijk zien van Christus’ gedaante zouden gebracht zijn. Want zoals Augustinus zegt "liet Christus dit toe," nl. dat hun ogen op de aangegeven wijze werden verhinderd, "tot aan het sacrament van het brood; opdat wij zouden begrijpen, dat de hindernis van de vijand, om Christus te kennen werd weggenomen, toen zij deel kregen aan de eenheid van zijn lichaam." Hierom wordt er ook aan toegevoegd (Luc. 24. 31), dat "hun ogen geopend werden en zij Hem herkenden": "niet alsof zij eerst met gesloten ogen liepen; maar er was iets daarin, waardoor zij verhinderd werden te herkennen, wat zij zagen; wat nl. een verduistering en een of ander vocht gewoonlijk uitwerkt."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Moest Christus de echtheid zijner verrijzenis met bewijzen staven?
IIIa q. 55 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat Christus de echtheid zijner verrijzenis niet met bewijzen moest staven. Ambrosius immers zegt: "Waar geloof gevraagd wordt, neem daar de bewijzen weg." Aangaande de verrijzenis van Christus nu wordt geloof gevraagd. Dus is daar geen plaats voor bewijzen.
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat Christus de echtheid zijner verrijzenis niet met bewijzen moest staven. Ambrosius immers zegt: "Waar geloof gevraagd wordt, neem daar de bewijzen weg." Aangaande de verrijzenis van Christus nu wordt geloof gevraagd. Dus is daar geen plaats voor bewijzen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Zoals Gregorius zegt, "heeft het geloof geen verdienste, als de menselijke rede een bewijs levert." Maar het was niet de bedoeling van Christus de verdienste van het geloof te niet te doen. Dus moest Hij zijn verrijzenis niet met argumenten bevestigen.
Vervolgens. Zoals Gregorius zegt, "heeft het geloof geen verdienste, als de menselijke rede een bewijs levert." Maar het was niet de bedoeling van Christus de verdienste van het geloof te niet te doen. Dus moest Hij zijn verrijzenis niet met argumenten bevestigen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Christus is in de wereld gekomen, opdat de mensen door Hem de zaligheid zouden verkrijgen, overeenkomstig het woord bij Joannes (10. 10): "Ik ben gekomen, opdat zij het leven zouden hebben, en overvloedig zouden hebben." Maar door zulke argumenten aan te geven, schijnt een hinderpaal geplaatst te worden voor de zaligheid van de mens; want er wordt gezegd bij Joannes (20. 29): "Zalig zij, die niet gezien en toch geloofd hebben." Dus moest Christus niet door enige bewijzen zijn verrijzenis openbaar maken.
B: (John 10:10) [b:John 10:10] (John 20:29, John 20:29) [b:John 20:29]
Vervolgens. Christus is in de wereld gekomen, opdat de mensen door Hem de zaligheid zouden verkrijgen, overeenkomstig het woord bij Joannes (10. 10): "Ik ben gekomen, opdat zij het leven zouden hebben, en overvloedig zouden hebben." Maar door zulke argumenten aan te geven, schijnt een hinderpaal geplaatst te worden voor de zaligheid van de mens; want er wordt gezegd bij Joannes (20. 29): "Zalig zij, die niet gezien en toch geloofd hebben." Dus moest Christus niet door enige bewijzen zijn verrijzenis openbaar maken.
B: (John 10:10) [b:John 10:10] (John 20:29, John 20:29) [b:John 20:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (1. 3), dat "Hij aan zijn leerlingen gedurende veertig dagen verscheen met vele bewijzen, sprekend over het rijk Gods."
B: (Acts 1:3) [b:Acts 1:3]
Daartegenover staat echter, wat gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (1. 3), dat "Hij aan zijn leerlingen gedurende veertig dagen verscheen met vele bewijzen, sprekend over het rijk Gods."
B: (Acts 1:3) [b:Acts 1:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 5 co.
Mijn antwoord. Op dubbele wijze wordt iets een bewijs genoemd. — Soms noemt men een argument, elke redenering, die een twijfelachtige zaak geloofwaardig maakt. Soms echter noemt men een argument een zichtbaar teken, dat aangevoerd wordt om een waarheid bekend te maken, zoals ook Aristoteles in zijn boeken soms het woord argument gebruikt. — Wanneer wij nu het woord argument verstaan in de eerste zin, dan heeft Christus niet met argumenten voor zijn leerlingen zijn verrijzenis bewezen. Want zulk een argumenterende bewijsvoering had moeten uitgaan van enige beginselen; en indien deze niet aan de leerlingen bekend waren, dan zou hun daardoor niets duidelijk gemaakt worden, daar door het onbekende niets bekend kan worden; indien zij hun echter bekend waren, dan zouden zij de menselijke rede niet te boven gaan, en dan waren zij niet in staat om het geloof in de verrijzenis te bewerken, daar dat de menselijke rede te bovengaat; de principes moeten immers van dezelfde orde zijn, zoals staat in de Posteriora Analytica. Hij bewees hen echter zijn verrijzenis met het gezag der Schrift, die het fundament voor het geloof is, als Hij zegt: "Alles wat van Mij geschreven staat in de Wet, psalmen en de profeten, moet vervuld worden," zoals gezegd wordt bij Lucas (24. 44 vlg.). — Indien men het woord argument echter in de tweede zin verstaat, dan kan men zeggen, dat Christus met bewijzen zijn verrijzenis heeft aangetoond, in zoverre Hij door duidelijke tekenen bewees, dat Hij werkelijk verrezen was. Vandaar dat in het Grieks, waar wij hebben staan: "met vele argumenten," in de plaats van argument "τεκμὴριον" gebruikt wordt, wat zeggen wil: "een duidelijk teken, om iets te bewijzen." En deze tekenen zijner verrijzenis gaf Christus aan zijn leerlingen om een dubbele reden. Vooreerst, omdat hun harten niet in een toestand waren, om gemakkelijk het geloof in zijn verrijzenis te aanvaarden. Daarom zegt Hij ook zelf tot hen (Luc. 24. 25): "O onverstandigen en traag van hart om te geloven!" En (Marc. 16. 14): "Hij verweet hen hun ongeloof en verstoktheid van hart." — Ten tweede, opdat hun getuigenis van grotere kracht zou zijn, doordat hun dergelijke tekenen gegeven werden, overeenkomstig het gezegde in de Eerste Brief van Johannes (1. 1): "Wat wij gezien hebben en gehoord hebben, en onze handen betast hebben, daarvan leggen wij getuigenis af."
B: (Luke 24:44) [b:Luke 24:44]
Mijn antwoord. Op dubbele wijze wordt iets een bewijs genoemd. — Soms noemt men een argument, elke redenering, die een twijfelachtige zaak geloofwaardig maakt. Soms echter noemt men een argument een zichtbaar teken, dat aangevoerd wordt om een waarheid bekend te maken, zoals ook Aristoteles in zijn boeken soms het woord argument gebruikt. — Wanneer wij nu het woord argument verstaan in de eerste zin, dan heeft Christus niet met argumenten voor zijn leerlingen zijn verrijzenis bewezen. Want zulk een argumenterende bewijsvoering had moeten uitgaan van enige beginselen; en indien deze niet aan de leerlingen bekend waren, dan zou hun daardoor niets duidelijk gemaakt worden, daar door het onbekende niets bekend kan worden; indien zij hun echter bekend waren, dan zouden zij de menselijke rede niet te boven gaan, en dan waren zij niet in staat om het geloof in de verrijzenis te bewerken, daar dat de menselijke rede te bovengaat; de principes moeten immers van dezelfde orde zijn, zoals staat in de Posteriora Analytica. Hij bewees hen echter zijn verrijzenis met het gezag der Schrift, die het fundament voor het geloof is, als Hij zegt: "Alles wat van Mij geschreven staat in de Wet, psalmen en de profeten, moet vervuld worden," zoals gezegd wordt bij Lucas (24. 44 vlg.). — Indien men het woord argument echter in de tweede zin verstaat, dan kan men zeggen, dat Christus met bewijzen zijn verrijzenis heeft aangetoond, in zoverre Hij door duidelijke tekenen bewees, dat Hij werkelijk verrezen was. Vandaar dat in het Grieks, waar wij hebben staan: "met vele argumenten," in de plaats van argument "τεκμὴριον" gebruikt wordt, wat zeggen wil: "een duidelijk teken, om iets te bewijzen." En deze tekenen zijner verrijzenis gaf Christus aan zijn leerlingen om een dubbele reden. Vooreerst, omdat hun harten niet in een toestand waren, om gemakkelijk het geloof in zijn verrijzenis te aanvaarden. Daarom zegt Hij ook zelf tot hen (Luc. 24. 25): "O onverstandigen en traag van hart om te geloven!" En (Marc. 16. 14): "Hij verweet hen hun ongeloof en verstoktheid van hart." — Ten tweede, opdat hun getuigenis van grotere kracht zou zijn, doordat hun dergelijke tekenen gegeven werden, overeenkomstig het gezegde in de Eerste Brief van Johannes (1. 1): "Wat wij gezien hebben en gehoord hebben, en onze handen betast hebben, daarvan leggen wij getuigenis af."
B: (Luke 24:44) [b:Luke 24:44]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Ambrosius spreekt daar over argumenten, die overeenkomstig de menselijke rede bewijzen, welke ontoereikend zijn om geloofswaarheden aan te tonen, zoals gezegd is (in de Leerst.).
B: (Mark 16:14) [b:Mark 16:14] (Luke 24:25) [b:Luke 24:25] (1John 1:1) [b:1John 1:1] (1John 1:3) [b:1John 1:3]
1e Weerlegging. Ambrosius spreekt daar over argumenten, die overeenkomstig de menselijke rede bewijzen, welke ontoereikend zijn om geloofswaarheden aan te tonen, zoals gezegd is (in de Leerst.).
B: (Mark 16:14) [b:Mark 16:14] (Luke 24:25) [b:Luke 24:25] (1John 1:1) [b:1John 1:1] (1John 1:3) [b:1John 1:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. De verdienstelijkheid van het geloof ligt hierin, dat de mens op Gods woord gelooft, wat hij niet ziet. Daarom sluit alleen die redenering de verdienstelijkheid uit, welke wetenschappelijk laat zien, wat te geloven wordt voorgesteld. En van die aard is een bewijsvoering. Zulk een redenering voerde Christus echter niet aan, om zijn verrijzenis te bewijzen.
2e Weerlegging. De verdienstelijkheid van het geloof ligt hierin, dat de mens op Gods woord gelooft, wat hij niet ziet. Daarom sluit alleen die redenering de verdienstelijkheid uit, welke wetenschappelijk laat zien, wat te geloven wordt voorgesteld. En van die aard is een bewijsvoering. Zulk een redenering voerde Christus echter niet aan, om zijn verrijzenis te bewijzen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Zoals gezegd is (in het vorige Antwoord), wordt de verdienste ter zaligheid, welke voortkomt uit het geloof, niet geheel uitgesloten, tenzij de mens alleen maar zou willen geloven, wat hij ziet: maar dat iemand op het zien van enige tekenen gelooft, wat hij niet ziet, neemt niet geheel het geloof weg, en ook niet zijn verdienste. Zoals ook Thomas, tot wie gezegd wordt bij Johannes (20. 29): "Omdat je Mij gezien hebt, heb je geloofd," iets anders zag, als hij geloofde; hij zag de wonden, en geloofde in God. Het geloof, dat deze hulpmiddelen niet vraagt om te geloven, is echter volmaakter. En daarom zegt de Heer bij Johannes (4. 48), om het gebrek aan geloof bij sommigen aan de kaak te stellen: "Als je geen tekenen en wonden ziet, geloof je niet." En zo kan men verstaan, dat zij, die in hun gemoed zo bereidwillig gestemd zijn, dat zij God geloven, ook al zien zij geen tekenen, zalig zijn, in vergelijking met hen, die niet geloven, tenzij zij dergelijke dingen aanschouwen.
3e Weerlegging. Zoals gezegd is (in het vorige Antwoord), wordt de verdienste ter zaligheid, welke voortkomt uit het geloof, niet geheel uitgesloten, tenzij de mens alleen maar zou willen geloven, wat hij ziet: maar dat iemand op het zien van enige tekenen gelooft, wat hij niet ziet, neemt niet geheel het geloof weg, en ook niet zijn verdienste. Zoals ook Thomas, tot wie gezegd wordt bij Johannes (20. 29): "Omdat je Mij gezien hebt, heb je geloofd," iets anders zag, als hij geloofde; hij zag de wonden, en geloofde in God. Het geloof, dat deze hulpmiddelen niet vraagt om te geloven, is echter volmaakter. En daarom zegt de Heer bij Johannes (4. 48), om het gebrek aan geloof bij sommigen aan de kaak te stellen: "Als je geen tekenen en wonden ziet, geloof je niet." En zo kan men verstaan, dat zij, die in hun gemoed zo bereidwillig gestemd zijn, dat zij God geloven, ook al zien zij geen tekenen, zalig zijn, in vergelijking met hen, die niet geloven, tenzij zij dergelijke dingen aanschouwen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Toonden de argumenten, die Christus aanvoerde, voldoende zijn verrijzenis aan?
IIIa q. 55 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de argumenten, die Christus aanvoerde, niet voldoende de waarheid zijner verrijzenis aantoonden. Christus vertoonde immers na zijn verrijzenis niets anders aan zijn leerlingen, dan ook de engelen hebben vertoond, wanneer zij aan de mensen verschijnen, of wat zij zouden kunnen vertonen. De engelen immers vertoonden zich meermalen in een menselijke gedaante aan de mensen, en zij spraken met hen, en gingen met hen om en aten met hen, alsof zij echte mensen waren, zoals in het Boek der Schepping (hoofdstuk 18) uit de engelen blijkt, die Abraham ten gast ontving; en in het Boek Tobias met de engel die hem "wegleidde en terugbracht." En toch hebben de engelen niet van nature ware lichamen met zich verenigd, wat nodig is voor een verrijzenis. Derhalve waren de tekenen, die Christus aan zijn leerlingen gaf, niet toereikend, om zijn verrijzenis te bewijzen.
B: (Gen 18) [b:Gen 18]
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de argumenten, die Christus aanvoerde, niet voldoende de waarheid zijner verrijzenis aantoonden. Christus vertoonde immers na zijn verrijzenis niets anders aan zijn leerlingen, dan ook de engelen hebben vertoond, wanneer zij aan de mensen verschijnen, of wat zij zouden kunnen vertonen. De engelen immers vertoonden zich meermalen in een menselijke gedaante aan de mensen, en zij spraken met hen, en gingen met hen om en aten met hen, alsof zij echte mensen waren, zoals in het Boek der Schepping (hoofdstuk 18) uit de engelen blijkt, die Abraham ten gast ontving; en in het Boek Tobias met de engel die hem "wegleidde en terugbracht." En toch hebben de engelen niet van nature ware lichamen met zich verenigd, wat nodig is voor een verrijzenis. Derhalve waren de tekenen, die Christus aan zijn leerlingen gaf, niet toereikend, om zijn verrijzenis te bewijzen.
B: (Gen 18) [b:Gen 18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Christus verrees in een glorieuze verrijzenis, d. i. Hij bezat de menselijke natuur tegelijk met de glorie. Maar Christus toonde sommige dingen aan zijn leerlingen, die in strijd schijnen met de menselijke natuur, zoals het feit dat Hij uit hun ogen verdween, en dat Hij bij hen binnentrad, terwijl de deuren gesloten waren. Sommige dingen echter lijken in strijd met zijn glorie, b. v. dat Hij at en dronk, en dat Hij de wondetekens droeg. Dus waren die argumenten niet voldoende en ook niet passend, om de geloofwaardigheid van de verrijzenis te tonen.
Vervolgens. Christus verrees in een glorieuze verrijzenis, d. i. Hij bezat de menselijke natuur tegelijk met de glorie. Maar Christus toonde sommige dingen aan zijn leerlingen, die in strijd schijnen met de menselijke natuur, zoals het feit dat Hij uit hun ogen verdween, en dat Hij bij hen binnentrad, terwijl de deuren gesloten waren. Sommige dingen echter lijken in strijd met zijn glorie, b. v. dat Hij at en dronk, en dat Hij de wondetekens droeg. Dus waren die argumenten niet voldoende en ook niet passend, om de geloofwaardigheid van de verrijzenis te tonen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Het lichaam van Christus was na zijn verrijzenis niet van dit aard, dat het mocht aangeraakt worden door een sterfelijk mens; daarom zei Hij ook zelf tot Magdalena (Joan. 20. 17): "Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet tot Mijn Vader opgestegen." Het was dus niet passend, dat Hij zich door zijn leerlingen liet belasten, om de waarheid zijner verrijzenis aan te tonen.
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
Vervolgens. Het lichaam van Christus was na zijn verrijzenis niet van dit aard, dat het mocht aangeraakt worden door een sterfelijk mens; daarom zei Hij ook zelf tot Magdalena (Joan. 20. 17): "Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet tot Mijn Vader opgestegen." Het was dus niet passend, dat Hij zich door zijn leerlingen liet belasten, om de waarheid zijner verrijzenis aan te tonen.
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 6 arg. 4
Vervolgens. Onder de gaven van het verheerlijkte lichaam behoort vooral de schittering. Deze heeft Hij echter bij zijn verrijzenis met geen enkel argument aangetoond. Dus waren deze argumenten niet voldoende om de toestand van de verrezen Christus aan te geven.
Vervolgens. Onder de gaven van het verheerlijkte lichaam behoort vooral de schittering. Deze heeft Hij echter bij zijn verrijzenis met geen enkel argument aangetoond. Dus waren deze argumenten niet voldoende om de toestand van de verrezen Christus aan te geven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Christus, die Gods Wijsheid is, alles met zachtheid en naar behoren schikt, zoals gezegd wordt in het Boek der Wijsheid (8. 1).
Daartegenover staat echter, dat Christus, die Gods Wijsheid is, alles met zachtheid en naar behoren schikt, zoals gezegd wordt in het Boek der Wijsheid (8. 1).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 6 co.
Mijn antwoord. Christus heeft op dubbele wijze zijn verrijzenis bekend gemaakt, namelijk door een getuigenis en door een argument of teken. En beide openbaringen waren in hun soort voldoende. Hij heeft immers een dubbele getuigenis gebruikt, om zijn verrijzenis aan zijn leerlingen bekend te maken, en geen van beide kan weerlegd worden. Het eerste daarvan is het getuigenis der engelen, die aan de vrouwen de verrijzenis verkondigden, zoals blijkt bij alle Evangelisten. Het andere is het getuigenis der Schriften, die Hijzelf aanvoerde om zijn verrijzenis aan te tonen, zoals gezegd wordt bij Lucas (24. 25 vlg. en 44 vlg.). — Ook de argumenten waren voldoende, om zijn ware en glorieuze verrijzenis aan te tonen. Dat zijn verrijzenis waar was, dat toonde Hij vooreerst aan van de kant van zijn lichaam. En hieromtrent bewees Hij drie dingen. Vooreerst, dat het een echt en stevig lichaam was, en geen schijnlichaam of wat ijl is als de lucht. En dit toonde Hij, door te laten zien, dat zijn lichaam tastbaar was. Vandaar zegt Hij zelf (Luc. 24. 39): "Tast en ziet; want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb." — Ten tweede toonde Hij aan, dat het een menselijk lichaam was, door hen een ware gedaante te vertonen, die zij met hun ogen zagen. — Ten derde toonde Hij hen, dat het numeriek hetzelfde lichaam was, dat Hij eerst bezat, door de wondetekenen te tonen; vandaar zegt Hij tot hen, zoals wij lezen bij Lucas (24. 38, 39): "Ziet mijn handen en voeten, dat Ik het ben." — Op andere wijze toonde Hij hen de echtheid zijner verrijzenis aan van de kant der ziel, die weer met het lichaam verenigd was. En dit toonde Hij door een drievoudige levenswerking. Vooreerst door een werking van het voedende leven, doordat Hij met zijn leerlingen at en dronk, zoals wij lezen bij Lucas (24. 30, 43). Ten tweede, door werkingen van het zintuigelijke leven, doordat Hij de leerlingen op hun vragen antwoord gaf, en ze in hun tegenwoordigheid groette; hiermee toonde Hij, dat Hij zowel zag als hoorde. Ten derde, door werken van het verstandelijke leven, doordat Hij met hen sprak en handelde over de Schriften. — En opdat niets zou ontbreken voor een volmaakte openbaring, toonde Hij ook, dat Hij een goddelijke natuur bezat, door het wonder, dat Hij verrichtte bij de vischvangst, en verder nog hierdoor, dat Hij voor hun ogen ten hemel steeg, want "niemand stijgt ten hemel," zoals bij Joannes (3. 13) gezegd wordt, "tenzij Hij, die van de hemel is neergedaald, de Zoon des mensen, die in de hemel is." — Ook de glorie zijner verrijzenis toonde Hij aan zijn leerlingen door bij hen binnen te treden, terwijl de deuren gesloten waren. Want, zoals Gregorius zegt, "liet de Heer zijn vlees betasten, dat Hij binnenbracht door de gesloten deuren heen, om aan te tonen dat zijn lichaam, na de verrijzenis dezelfde natuur maar ook een andere heerlijkheid bezat." Zo was het ook iets eigen van zijn glorie, dat Hij ineens "uit hun ogen verdween," zoals wij lezen bij Lucas (24. 31), wijl hierdoor werd getoond, dat Hij het in zijn macht had om gezien en niet gezien te worden; dit behoort immers bij de toestand van een verheerlijk lichaam, zoals boven gezegd is (54° Kw. 1° Art. 2° Antw.; 3° Art. 1° Antw.).
R: q. 54 a. 1 ad 2[t:iiia q. 54 a. 1 ad 2] q. 54 a. 2 ad 1[t:iiia q. 54 a. 2 ad 1]
Mijn antwoord. Christus heeft op dubbele wijze zijn verrijzenis bekend gemaakt, namelijk door een getuigenis en door een argument of teken. En beide openbaringen waren in hun soort voldoende. Hij heeft immers een dubbele getuigenis gebruikt, om zijn verrijzenis aan zijn leerlingen bekend te maken, en geen van beide kan weerlegd worden. Het eerste daarvan is het getuigenis der engelen, die aan de vrouwen de verrijzenis verkondigden, zoals blijkt bij alle Evangelisten. Het andere is het getuigenis der Schriften, die Hijzelf aanvoerde om zijn verrijzenis aan te tonen, zoals gezegd wordt bij Lucas (24. 25 vlg. en 44 vlg.). — Ook de argumenten waren voldoende, om zijn ware en glorieuze verrijzenis aan te tonen. Dat zijn verrijzenis waar was, dat toonde Hij vooreerst aan van de kant van zijn lichaam. En hieromtrent bewees Hij drie dingen. Vooreerst, dat het een echt en stevig lichaam was, en geen schijnlichaam of wat ijl is als de lucht. En dit toonde Hij, door te laten zien, dat zijn lichaam tastbaar was. Vandaar zegt Hij zelf (Luc. 24. 39): "Tast en ziet; want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb." — Ten tweede toonde Hij aan, dat het een menselijk lichaam was, door hen een ware gedaante te vertonen, die zij met hun ogen zagen. — Ten derde toonde Hij hen, dat het numeriek hetzelfde lichaam was, dat Hij eerst bezat, door de wondetekenen te tonen; vandaar zegt Hij tot hen, zoals wij lezen bij Lucas (24. 38, 39): "Ziet mijn handen en voeten, dat Ik het ben." — Op andere wijze toonde Hij hen de echtheid zijner verrijzenis aan van de kant der ziel, die weer met het lichaam verenigd was. En dit toonde Hij door een drievoudige levenswerking. Vooreerst door een werking van het voedende leven, doordat Hij met zijn leerlingen at en dronk, zoals wij lezen bij Lucas (24. 30, 43). Ten tweede, door werkingen van het zintuigelijke leven, doordat Hij de leerlingen op hun vragen antwoord gaf, en ze in hun tegenwoordigheid groette; hiermee toonde Hij, dat Hij zowel zag als hoorde. Ten derde, door werken van het verstandelijke leven, doordat Hij met hen sprak en handelde over de Schriften. — En opdat niets zou ontbreken voor een volmaakte openbaring, toonde Hij ook, dat Hij een goddelijke natuur bezat, door het wonder, dat Hij verrichtte bij de vischvangst, en verder nog hierdoor, dat Hij voor hun ogen ten hemel steeg, want "niemand stijgt ten hemel," zoals bij Joannes (3. 13) gezegd wordt, "tenzij Hij, die van de hemel is neergedaald, de Zoon des mensen, die in de hemel is." — Ook de glorie zijner verrijzenis toonde Hij aan zijn leerlingen door bij hen binnen te treden, terwijl de deuren gesloten waren. Want, zoals Gregorius zegt, "liet de Heer zijn vlees betasten, dat Hij binnenbracht door de gesloten deuren heen, om aan te tonen dat zijn lichaam, na de verrijzenis dezelfde natuur maar ook een andere heerlijkheid bezat." Zo was het ook iets eigen van zijn glorie, dat Hij ineens "uit hun ogen verdween," zoals wij lezen bij Lucas (24. 31), wijl hierdoor werd getoond, dat Hij het in zijn macht had om gezien en niet gezien te worden; dit behoort immers bij de toestand van een verheerlijk lichaam, zoals boven gezegd is (54° Kw. 1° Art. 2° Antw.; 3° Art. 1° Antw.).
R: q. 54 a. 1 ad 2[t:iiia q. 54 a. 1 ad 2] q. 54 a. 2 ad 1[t:iiia q. 54 a. 2 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Ofschoon de argumenten afzonderlijk niet zouden volstaan, om volkomen de verrijzenis van Christus bekend te maken, maken zij toch allen tezamen genomen volkomen de verrijzenis van Christus openbaar, vooral om het getuigenis der Schriften en de woorden van de engelen, als ook om de verzekering van Christus zelf, bevestigd met mirakelen. De engelen echter, die verschenen, beweerden niet, dat zij mensen waren, zoals Christus verzekerde, dat Hij waarlijk mens was. Bovendien at Christus anders dan de engelen. Want aangezien de lichamen, die door de engelen werden aangenomen, geen levende of bezielde lichamen waren, was dat ook geen werkelijk eten, ofschoon er een werkelijk vermalen van spijs plaats had, en een verplaatsing naar het binnenste deel van het aangenomen lichaam; daarom zei de engel ook in het Boek Tobias (12. 18, 19): "Toen ik bij u was leek het wel, dat ik met u at en dronk; maar ik gebruik een onzichtbare spijs." Maar wij het lichaam van Christus werkelijk bezield was, was zijn eten echt. Want zoals Augustinus zegt "wordt niet het vermogen, maar de noodzaak om te eten bij de lichamen der verrezenen weggenomen." Vandaar, "at Christus uit macht en niet uit behoefte," zoals Beda zegt.
B: (Wis 8:1) [b:Wis 8:1]
1e Weerlegging. Ofschoon de argumenten afzonderlijk niet zouden volstaan, om volkomen de verrijzenis van Christus bekend te maken, maken zij toch allen tezamen genomen volkomen de verrijzenis van Christus openbaar, vooral om het getuigenis der Schriften en de woorden van de engelen, als ook om de verzekering van Christus zelf, bevestigd met mirakelen. De engelen echter, die verschenen, beweerden niet, dat zij mensen waren, zoals Christus verzekerde, dat Hij waarlijk mens was. Bovendien at Christus anders dan de engelen. Want aangezien de lichamen, die door de engelen werden aangenomen, geen levende of bezielde lichamen waren, was dat ook geen werkelijk eten, ofschoon er een werkelijk vermalen van spijs plaats had, en een verplaatsing naar het binnenste deel van het aangenomen lichaam; daarom zei de engel ook in het Boek Tobias (12. 18, 19): "Toen ik bij u was leek het wel, dat ik met u at en dronk; maar ik gebruik een onzichtbare spijs." Maar wij het lichaam van Christus werkelijk bezield was, was zijn eten echt. Want zoals Augustinus zegt "wordt niet het vermogen, maar de noodzaak om te eten bij de lichamen der verrezenen weggenomen." Vandaar, "at Christus uit macht en niet uit behoefte," zoals Beda zegt.
B: (Wis 8:1) [b:Wis 8:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Zoals gezegd is (in de Leerst.), werden sommige argumenten door Christus aangevoerd, om de echtheid van zijn menselijke natuur te bewijzen, andere echter om de glorie van de verrezene aan te geven. De eigenschappen nu, van de menselijke natuur op zichzelf beschouwd, nl. wat haar tegenwoordige toestand betreft, zijn tegengesteld aan de eigenschappen der glorie, overeenkomstig hetgeen gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 43): "Het wordt gezaaid in zwakheid, het verrijst in kracht." En daarom schijnen die dingen, die gebruikt werden om zijn glorietoestand aan te geven in tegenstelling te zijn met de natuur, niet zonder meer, maar in de tegenwoordige toestand genomen, en omgekeerd. Daarom zegt Gregorius, dat "de Heer twee wonderbare, en volgens de menselijke rede onderling zeer tegenstrijdige dingen vertoonde, toen Hij na zijn verrijzenis zijn lichaam vertoonde, onbederfelijk en toch tastbaar."
2e Weerlegging. Zoals gezegd is (in de Leerst.), werden sommige argumenten door Christus aangevoerd, om de echtheid van zijn menselijke natuur te bewijzen, andere echter om de glorie van de verrezene aan te geven. De eigenschappen nu, van de menselijke natuur op zichzelf beschouwd, nl. wat haar tegenwoordige toestand betreft, zijn tegengesteld aan de eigenschappen der glorie, overeenkomstig hetgeen gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 43): "Het wordt gezaaid in zwakheid, het verrijst in kracht." En daarom schijnen die dingen, die gebruikt werden om zijn glorietoestand aan te geven in tegenstelling te zijn met de natuur, niet zonder meer, maar in de tegenwoordige toestand genomen, en omgekeerd. Daarom zegt Gregorius, dat "de Heer twee wonderbare, en volgens de menselijke rede onderling zeer tegenstrijdige dingen vertoonde, toen Hij na zijn verrijzenis zijn lichaam vertoonde, onbederfelijk en toch tastbaar."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, "werden de woorden van de Heer: "Wil Mij niet aanraken, want Ik ben nog niet tot mijn Vader opgestegen," aldus gezegd, opdat in die vrouw zou worden afgebeeld de Kerk uit de heidenen, die niet in Christus geloofde, dan nadat Hij naar de Vader was opgestegen. Of Jesus wilde dat men zo in Hem zou geloven, d. i. dat Hij geestelijk zo zou worden aangeraakt, dat Hij en de Vader één zijn. Voor het innerlijk gemoed immers van hem, die aangaande Hem zover gevorderd is, dat hij Hem erkent als gelijk aan de Vader, is Hij in zekere zin tot de Vader opgestegen." Zij echter "geloofde nog volgens het vlees in Hem, die zij beweende als een mens." Dat wij echter elders lezen, dat Maria Christus heeft aangeraakt, toen zij tegelijk met de andere vrouwen "naderde, en zijn voeten omvatte, maakt geen moeilijkheid," zoals Severianus zegt. "Het eerste immers gaat over de figuur, dit hier over de sexe; het eerste over de goddelijke genade, dit over de menselijke natuur." — Of zoals Chrysostomus zegt, "wilde deze vrouw nog met Christus omgaan, zoals vóór zijn lijden, en uit vreugde dacht zij aan niets groots, ofschoon het lichaam van Christus veel verhevener geworden was door de verrijzenis." En daarom zei Hij: "Ik ben nog niet tot Mijn Vader opgestegen," alsof Hij zeggen wilde: "Gij moet niet menen, dat Ik nog een aards leven leid. Want dat gij Mij nog op aarde ziet, dat komt, omdat Ik nog niet tot Mijn Vader ben opgestegen; maar Ik sta op het punt om op te stijgen." Daarom laat Hij volgen: "Ik stijg op tot Mijn Vader en uw Vader."
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, "werden de woorden van de Heer: "Wil Mij niet aanraken, want Ik ben nog niet tot mijn Vader opgestegen," aldus gezegd, opdat in die vrouw zou worden afgebeeld de Kerk uit de heidenen, die niet in Christus geloofde, dan nadat Hij naar de Vader was opgestegen. Of Jesus wilde dat men zo in Hem zou geloven, d. i. dat Hij geestelijk zo zou worden aangeraakt, dat Hij en de Vader één zijn. Voor het innerlijk gemoed immers van hem, die aangaande Hem zover gevorderd is, dat hij Hem erkent als gelijk aan de Vader, is Hij in zekere zin tot de Vader opgestegen." Zij echter "geloofde nog volgens het vlees in Hem, die zij beweende als een mens." Dat wij echter elders lezen, dat Maria Christus heeft aangeraakt, toen zij tegelijk met de andere vrouwen "naderde, en zijn voeten omvatte, maakt geen moeilijkheid," zoals Severianus zegt. "Het eerste immers gaat over de figuur, dit hier over de sexe; het eerste over de goddelijke genade, dit over de menselijke natuur." — Of zoals Chrysostomus zegt, "wilde deze vrouw nog met Christus omgaan, zoals vóór zijn lijden, en uit vreugde dacht zij aan niets groots, ofschoon het lichaam van Christus veel verhevener geworden was door de verrijzenis." En daarom zei Hij: "Ik ben nog niet tot Mijn Vader opgestegen," alsof Hij zeggen wilde: "Gij moet niet menen, dat Ik nog een aards leven leid. Want dat gij Mij nog op aarde ziet, dat komt, omdat Ik nog niet tot Mijn Vader ben opgestegen; maar Ik sta op het punt om op te stijgen." Daarom laat Hij volgen: "Ik stijg op tot Mijn Vader en uw Vader."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 6 ad 4
4e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt "verrees Christus in een verheerlijkt lichaam; maar Hij wilde niet in die verheerlijking aan zijn leerlingen verschijnen, daar zij met hun ogen niet zo’n schittering konden aanschouwen. Want indien zijn leerlingen, voordat Hij voor ons stierf, en verrees, Hem bij zijn gedaanteverwisseling op de berg niet konden aanzien, hoeveel minder konden zij dan de Heer aanschouwen, toen zijn lichaam verheerlijkt was!" Men moet ook in het oog houden, dat de Heer na zijn verrijzenis dit vooral wilde tonen, dat Hij dezelfde was, die ook gestorven was. En dit kon erg onder lijden, als Hij hen de schittering van zijn lichaam vertoonde. Want een verandering van hetgeen onder het oog valt, toont het best de verscheidenheid van datgene, wat gezien wordt, daar het gezicht het beste de voor elk zintuig waarneembare dingen, waaronder één en veel, of hetzelfde en verschillend horen, onderscheidt. Maar vóór zijn lijden wilde Christus zijn leerlingen de glorie van zijn majesteit tonen, opdat zij geen minachting zouden krijgen voor de zwakte van zijn lijden; en de schittering van het lichaam toont deze het best. Daarom heeft Hij vóór zijn lijden zijn heerlijkheid aan zijn leerlingen door de schittering getoond; na de verrijzenis echter door andere aanwijzingen.
B: (John 3:13) [b:John 3:13]
4e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt "verrees Christus in een verheerlijkt lichaam; maar Hij wilde niet in die verheerlijking aan zijn leerlingen verschijnen, daar zij met hun ogen niet zo’n schittering konden aanschouwen. Want indien zijn leerlingen, voordat Hij voor ons stierf, en verrees, Hem bij zijn gedaanteverwisseling op de berg niet konden aanzien, hoeveel minder konden zij dan de Heer aanschouwen, toen zijn lichaam verheerlijkt was!" Men moet ook in het oog houden, dat de Heer na zijn verrijzenis dit vooral wilde tonen, dat Hij dezelfde was, die ook gestorven was. En dit kon erg onder lijden, als Hij hen de schittering van zijn lichaam vertoonde. Want een verandering van hetgeen onder het oog valt, toont het best de verscheidenheid van datgene, wat gezien wordt, daar het gezicht het beste de voor elk zintuig waarneembare dingen, waaronder één en veel, of hetzelfde en verschillend horen, onderscheidt. Maar vóór zijn lijden wilde Christus zijn leerlingen de glorie van zijn majesteit tonen, opdat zij geen minachting zouden krijgen voor de zwakte van zijn lijden; en de schittering van het lichaam toont deze het best. Daarom heeft Hij vóór zijn lijden zijn heerlijkheid aan zijn leerlingen door de schittering getoond; na de verrijzenis echter door andere aanwijzingen.
B: (John 3:13) [b:John 3:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 55 a. 6 ad 5
Ad quintum Zoals Augustinus zegt "kunnen wij het zo verstaan, dat één engel gezien werd door de vrouwen, volgens Mattheus en Marcus, wel te verstaan, toen zij in het graf waren gegaan, in een ruimte nl., welke door een of ander muurtje werd afgeschut, en dat zij daar de engel zagen zitten op de steen, die van het graf was afgewenteld, zoals Mattheus zegt, zodat deze het dan is, die aan de rechterkant zat, over wie Marcus spreekt. En dat zij vervolgens, toen zij naar de plaats keken, waar het lichaam van de Heer gelegen had, twee andere engelen zagen, die" eerst "zaten, zoals Joannes zegt," en vervolgens "opstonden om staande te worden gezien, zoals Lucas zegt."
Ad quintum Zoals Augustinus zegt "kunnen wij het zo verstaan, dat één engel gezien werd door de vrouwen, volgens Mattheus en Marcus, wel te verstaan, toen zij in het graf waren gegaan, in een ruimte nl., welke door een of ander muurtje werd afgeschut, en dat zij daar de engel zagen zitten op de steen, die van het graf was afgewenteld, zoals Mattheus zegt, zodat deze het dan is, die aan de rechterkant zat, over wie Marcus spreekt. En dat zij vervolgens, toen zij naar de plaats keken, waar het lichaam van de Heer gelegen had, twee andere engelen zagen, die" eerst "zaten, zoals Joannes zegt," en vervolgens "opstonden om staande te worden gezien, zoals Lucas zegt."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 56: Over de oorzakelijkheid van Christus’ Verrijzenis
IIIa q. 56 pr.
Vervolgens moeten wij handelen over de oorzaak van Christus’ verrijzenis; en hieromtrent stellen wij twee vragen:
1. Is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis?
2. Is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze rechtvaardiging?
Vervolgens moeten wij handelen over de oorzaak van Christus’ verrijzenis; en hieromtrent stellen wij twee vragen:
1. Is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis?
2. Is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze rechtvaardiging?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is de verrijzenis van Christus oorzaak van de verrijzenis der lichamen?
IIIa q. 56 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt.. Men beweert, dat de verrijzenis van Christus geen oorzaak is van de verrijzenis der lichamen. Immers, eenmaal een voldoende oorzaak gegeven, dan moet ook het effect volgen. Wanneer derhalve de verrijzenis van Christus een voldoende oorzaak is voor de verrijzenis der lichamen, dan moesten ook terstond bij zijn verrijzenis alle doden verrijzen.
Over het eerste als volgt.. Men beweert, dat de verrijzenis van Christus geen oorzaak is van de verrijzenis der lichamen. Immers, eenmaal een voldoende oorzaak gegeven, dan moet ook het effect volgen. Wanneer derhalve de verrijzenis van Christus een voldoende oorzaak is voor de verrijzenis der lichamen, dan moesten ook terstond bij zijn verrijzenis alle doden verrijzen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Oorzaak van de verrijzenis der doden is de goddelijke gerechtigheid, opdat nl. de lichamen tegelijk met de zielen zouden beloond of gestraft worden, zoals zij deel hebben gehad aan de verdienste of de zonde, zoals Dionysius zegt en ook Damascenus. De gerechtigheid van God echter moest noodzakelijk vervuld worden, ook als Christus niet verrezen was. Dus zouden de doden ook verrijzen, als Christus niet verrezen was. Dus is Christus' verrijzenis geen oorzaak van de verrijzenis der lichamen.
Vervolgens. Oorzaak van de verrijzenis der doden is de goddelijke gerechtigheid, opdat nl. de lichamen tegelijk met de zielen zouden beloond of gestraft worden, zoals zij deel hebben gehad aan de verdienste of de zonde, zoals Dionysius zegt en ook Damascenus. De gerechtigheid van God echter moest noodzakelijk vervuld worden, ook als Christus niet verrezen was. Dus zouden de doden ook verrijzen, als Christus niet verrezen was. Dus is Christus' verrijzenis geen oorzaak van de verrijzenis der lichamen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Als de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis der lichamen, dan zou zij ofwel de voorbeeldende oorzaak zijn, ofwel de uitwerkende, ofwel de verdienende oorzaak. Zij is echter geen voorbeeldende oorzaak. Want God zal de verrijzenis der lichamen bewerken, volgens het woord van Joannes (5. 21) : "Zoals de Vader de doden opwekt." God nu behoeft niet te zien naar een voorbeeld buiten zich. Evenzoo is zij ook geen uitwerkende oorzaak. Want de uitwerkende oorzaak werkt alleen maar door contact, dat geestelijk of lichamelijk is. Het is echter duidelijk, dat de verrijzenis van Christus geen lichamelijk contact heeft met de doden, die zullen verrijzen, wegens den afstand van tijd en plaats. Evenmin echter geestelijk contact, dat plaats heeft door geloof en liefde, daar ook de ongelovigen en de zondaars zullen verrijzen. Ook is zij geen verdienende oorzaak. Want de verrijzen de Christus was geen pelgrim meer, en aldus niet in den toestand om te verdienen. En zoo schijnt de verrijzenis van Christus op geen enkele wijze oorzaak van onze verrijzenis te z1jn.
Vervolgens. Als de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis der lichamen, dan zou zij ofwel de voorbeeldende oorzaak zijn, ofwel de uitwerkende, ofwel de verdienende oorzaak. Zij is echter geen voorbeeldende oorzaak. Want God zal de verrijzenis der lichamen bewerken, volgens het woord van Joannes (5. 21) : "Zoals de Vader de doden opwekt." God nu behoeft niet te zien naar een voorbeeld buiten zich. Evenzoo is zij ook geen uitwerkende oorzaak. Want de uitwerkende oorzaak werkt alleen maar door contact, dat geestelijk of lichamelijk is. Het is echter duidelijk, dat de verrijzenis van Christus geen lichamelijk contact heeft met de doden, die zullen verrijzen, wegens den afstand van tijd en plaats. Evenmin echter geestelijk contact, dat plaats heeft door geloof en liefde, daar ook de ongelovigen en de zondaars zullen verrijzen. Ook is zij geen verdienende oorzaak. Want de verrijzen de Christus was geen pelgrim meer, en aldus niet in den toestand om te verdienen. En zoo schijnt de verrijzenis van Christus op geen enkele wijze oorzaak van onze verrijzenis te z1jn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Aangezien de dood het gemis van het leven betekent, schijnt het vernietigen van den dood niet anders te zijn, als het terugvoeren van het leven, hetgeen behoort tot de verrijzenis. Christus heeft echter door te sterven onzen dood te niet gedaan. Dus is de dood van Christus oorzaak van onze verrijzenis. En dus niet zijn verrijzen1s.
Vervolgens. Aangezien de dood het gemis van het leven betekent, schijnt het vernietigen van den dood niet anders te zijn, als het terugvoeren van het leven, hetgeen behoort tot de verrijzenis. Christus heeft echter door te sterven onzen dood te niet gedaan. Dus is de dood van Christus oorzaak van onze verrijzenis. En dus niet zijn verrijzen1s.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, wat de Glossa zegt aangaande de woorden in de Eerste Brief aan de Corinthiërs ( 15. 12): "Indien wij preken, dat Christus van de doden is opgestaan," enz.: "die de uitwerkende oorzaak van onze verrijzenis is."
Daartegenover staat echter, wat de Glossa zegt aangaande de woorden in de Eerste Brief aan de Corinthiërs ( 15. 12): "Indien wij preken, dat Christus van de doden is opgestaan," enz.: "die de uitwerkende oorzaak van onze verrijzenis is."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 1 co.
Mijn antwoord. "Wat het eerste is in een bepaalde orde van zalen is oorzaalk van allen, die daarop volgen," staat in de Metaphysica. In de orde nu der ware verrijzenis, was de verrijzenis van Christus het eerste, zoals uit het bovengezegde blijkt (53 Kw. 3 Art)[t:iiia q. 53 a. 3]. Dus moet de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis zijn. En dit wordt bedoeld, als de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 20, 21): "Christus is van de doden verrezen, als eersteling onder hen, die ontslapen zijn; want door één mens immers is de dood gekomen, en door één mens de verrijzenis van doden." En dit is redelijk ook. Want het beginsel der levendmaking van een mens is het Woord Gods, waarvan gezegd wordt in het Boek der Psalmen (35. 10) : "Bij U is de bron van het leven;" vandaar dat Hij ook zelf zegt bij Joannes (5. 21): "Zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo ook maakt de Zoon levend, Dien Hij wil."
De natuurlijke ordening der dingen, die van Godswege is ingesteld, is nu van dien aard, dat iedere oorzaak het eerst inwerkt op datgene, wat haar het meest nabij is, en hierdoor weer op datgene wat meer verwijderd is; gelijk het vuur het eerst de lucht warm maakt, die dicht nabij is, waardoor het weer de verder afzijnde lichamen verwarmt; en ook God het eerst de zelfstandigheden, die Hem het meest nabij zijn verlicht, en door deze de meer verwijderde, zoals Dionysius zegt. En daarom schenkt het Woord Gods het eerst het onsterfelijke leven aan het lichaam, dat van nature met Hem verenigd is, en door dit werkt Hij de verrijzenis uit in alle andere.
R: q. 53 a. 3[t:iiia q. 53 a. 3]
Mijn antwoord. "Wat het eerste is in een bepaalde orde van zalen is oorzaalk van allen, die daarop volgen," staat in de Metaphysica. In de orde nu der ware verrijzenis, was de verrijzenis van Christus het eerste, zoals uit het bovengezegde blijkt (53 Kw. 3 Art)[t:iiia q. 53 a. 3]. Dus moet de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis zijn. En dit wordt bedoeld, als de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 20, 21): "Christus is van de doden verrezen, als eersteling onder hen, die ontslapen zijn; want door één mens immers is de dood gekomen, en door één mens de verrijzenis van doden." En dit is redelijk ook. Want het beginsel der levendmaking van een mens is het Woord Gods, waarvan gezegd wordt in het Boek der Psalmen (35. 10) : "Bij U is de bron van het leven;" vandaar dat Hij ook zelf zegt bij Joannes (5. 21): "Zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo ook maakt de Zoon levend, Dien Hij wil."
De natuurlijke ordening der dingen, die van Godswege is ingesteld, is nu van dien aard, dat iedere oorzaak het eerst inwerkt op datgene, wat haar het meest nabij is, en hierdoor weer op datgene wat meer verwijderd is; gelijk het vuur het eerst de lucht warm maakt, die dicht nabij is, waardoor het weer de verder afzijnde lichamen verwarmt; en ook God het eerst de zelfstandigheden, die Hem het meest nabij zijn verlicht, en door deze de meer verwijderde, zoals Dionysius zegt. En daarom schenkt het Woord Gods het eerst het onsterfelijke leven aan het lichaam, dat van nature met Hem verenigd is, en door dit werkt Hij de verrijzenis uit in alle andere.
R: q. 53 a. 3[t:iiia q. 53 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Zoals gezegd is in de leerstelling, is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis door de kracht van het Woord, dat ermee verenigd is. Dit werkt echter, zoals het wil. En daarom is het niet nodig, dat het effect onmiddellijk volgt, maar overeenkomstig de beschikking van het Woord Gods, dat wij nl. eerst gelijkvormig zouden worden aan den lijdenden en stervenden Christus in dit lijdelijk en sterfelijk leven; en vervolgens zouden komen tot deelgenootschap aan de gelijkenis van zijn verrijzenis.
1e Weerlegging. Zoals gezegd is in de leerstelling, is de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis door de kracht van het Woord, dat ermee verenigd is. Dit werkt echter, zoals het wil. En daarom is het niet nodig, dat het effect onmiddellijk volgt, maar overeenkomstig de beschikking van het Woord Gods, dat wij nl. eerst gelijkvormig zouden worden aan den lijdenden en stervenden Christus in dit lijdelijk en sterfelijk leven; en vervolgens zouden komen tot deelgenootschap aan de gelijkenis van zijn verrijzenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De gerechtigheid van God is de eerste oorzaak van onze verrijzenis, maar de verrijzenis van Christus is een secundaire en a. h. w. werktuigelijke oorzaak. Hoewel nu de kracht van de voornaamste uitwerkende oorzaak niet op dit bepaalde instrument is aangewezen, volgt toch uit het feit, dat met dit instrument gewerkt wordt, dat dit instrument uitwerkende oorzaak is. Zo is de goddelijke gerechtigheid, wat haar zelf aangaat, niet verplicht, om onze verrijzenis te veroorzaken door de verrijzenis van Christus: God kon ons immers op een andere wijze bevrijden, als door het lijden en de verrijzenis van Christus, zoals boven gezegd is (46 K w. 2 Art.). Omdat Hij echter besloot ons op deze manier te redden, is het duidelijk, dat de verrijzenis van Christus oorzaak is van onze verrijzen1s.
R: q. 46 a. 2[t:iiia q. 46 a. 2]
2e Weerlegging. De gerechtigheid van God is de eerste oorzaak van onze verrijzenis, maar de verrijzenis van Christus is een secundaire en a. h. w. werktuigelijke oorzaak. Hoewel nu de kracht van de voornaamste uitwerkende oorzaak niet op dit bepaalde instrument is aangewezen, volgt toch uit het feit, dat met dit instrument gewerkt wordt, dat dit instrument uitwerkende oorzaak is. Zo is de goddelijke gerechtigheid, wat haar zelf aangaat, niet verplicht, om onze verrijzenis te veroorzaken door de verrijzenis van Christus: God kon ons immers op een andere wijze bevrijden, als door het lijden en de verrijzenis van Christus, zoals boven gezegd is (46 K w. 2 Art.). Omdat Hij echter besloot ons op deze manier te redden, is het duidelijk, dat de verrijzenis van Christus oorzaak is van onze verrijzen1s.
R: q. 46 a. 2[t:iiia q. 46 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. De verrijzenis van Christus is in eigenlijke zin geen verdienende oorzaak van onze verrijzenis, maar zij is uitwerkende en voorbeeldende oorzaak. En wel uitwerkend, in zover de mensheid van Christus, waarin Hij verrezen is, in zekeren zin instrument van de Godheid is en in haar kracht werkt, zoals boven gezegd is (13° Kw. 2° en 3 Art.). En daarom zoals de andere dingen, welke Christus in zijn mensheid deed of leed, uit kracht van zijn Godheid ons heilzaam zijn, zoals boven gezegd werd (48° Kw. 6° Art.), zoo is ook de verrijzenis van Christus de uitwerkende oorzaak van onze verrijzenis, door de goddelijke kracht, waaraan het eigen is doden levend te maken. En deze kracht omvat alle plaatsen en tijden met haar tegenwoordigheid. En zulk een contact, dat door kracht tot stand komt, is voldoende voor deze uitwerkende oorzakelijkheid. En omdat, zoals gezegd is (in vorig Antw.), de goddelijke gerechtigheid, waaraan Christus als Zoon der mensen de macht ontleent om te oordelen, de eerste oorzaak is van de verrijzenis der mensen, strekt de uitwerkende kracht van zijn verrijzenis zich niet alleen uit tot de goeden, maar ook tot de slechten, die aan zijn oordeel onderworpen zijn. Zoals echter de verrijzenis van Christus' lichaam "in tijd de eerste" is, omdat dit lichaam in persoon met het Woord verenigd is, zoo is zij ook "de eerste in vaardigheid en volmaaktheid," zoals de Glossa zegt. Altijd echter is wat het volmaaktste is, het voorbeeld van dat· gene, wat op zijn manier minder volmaakt is. En daarom is de verrijzenis van Christus de voorbeeldende oorzaak van onze verrijzenis. Dit is ook noodzakelijk, niet van den kant van Hem, die opwekt, daar Hij geen voorbeeld nodig heeft, maar van den kant van hen, die opgewekt worden, daar zij gelijkvormig moeten worden aan die verrijzenis, volgens het woord in den Brief aan de Philippensen (3. 2): "Hij zal het lichaam van onze vernedering hervormen in gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid." Hoewel nu de uitwerking van Christus' verrijzenis zich uitstrekt tot de verrijzenis van de goeden, zowel als van de kwaden, strekt zijn voorbeeld-zijn zich in eigenlijke zin alleen uit tot de goeden, die gelijkvormig geworden zijn aan zijn zoonschap, zoals gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (8. 29).
R: q. 13 a. 2[t:iiia q. 13 a. 2] q. 13 a. 3[t:iiia q. 13 a. 3] q. 48 a. 6[t:iiia q. 48 a. 6]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 57 a. 6 ad 1
IIIa q. 62 a. 5 ad 1
IIIa q. 78 a. 4 co.[t:iiia q. 57 a. 6 ad 1][t:iiia q. 62 a. 5 ad 1][t:iiia q. 78 a. 4 co.]
3e Weerlegging. De verrijzenis van Christus is in eigenlijke zin geen verdienende oorzaak van onze verrijzenis, maar zij is uitwerkende en voorbeeldende oorzaak. En wel uitwerkend, in zover de mensheid van Christus, waarin Hij verrezen is, in zekeren zin instrument van de Godheid is en in haar kracht werkt, zoals boven gezegd is (13° Kw. 2° en 3 Art.). En daarom zoals de andere dingen, welke Christus in zijn mensheid deed of leed, uit kracht van zijn Godheid ons heilzaam zijn, zoals boven gezegd werd (48° Kw. 6° Art.), zoo is ook de verrijzenis van Christus de uitwerkende oorzaak van onze verrijzenis, door de goddelijke kracht, waaraan het eigen is doden levend te maken. En deze kracht omvat alle plaatsen en tijden met haar tegenwoordigheid. En zulk een contact, dat door kracht tot stand komt, is voldoende voor deze uitwerkende oorzakelijkheid. En omdat, zoals gezegd is (in vorig Antw.), de goddelijke gerechtigheid, waaraan Christus als Zoon der mensen de macht ontleent om te oordelen, de eerste oorzaak is van de verrijzenis der mensen, strekt de uitwerkende kracht van zijn verrijzenis zich niet alleen uit tot de goeden, maar ook tot de slechten, die aan zijn oordeel onderworpen zijn. Zoals echter de verrijzenis van Christus' lichaam "in tijd de eerste" is, omdat dit lichaam in persoon met het Woord verenigd is, zoo is zij ook "de eerste in vaardigheid en volmaaktheid," zoals de Glossa zegt. Altijd echter is wat het volmaaktste is, het voorbeeld van dat· gene, wat op zijn manier minder volmaakt is. En daarom is de verrijzenis van Christus de voorbeeldende oorzaak van onze verrijzenis. Dit is ook noodzakelijk, niet van den kant van Hem, die opwekt, daar Hij geen voorbeeld nodig heeft, maar van den kant van hen, die opgewekt worden, daar zij gelijkvormig moeten worden aan die verrijzenis, volgens het woord in den Brief aan de Philippensen (3. 2): "Hij zal het lichaam van onze vernedering hervormen in gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid." Hoewel nu de uitwerking van Christus' verrijzenis zich uitstrekt tot de verrijzenis van de goeden, zowel als van de kwaden, strekt zijn voorbeeld-zijn zich in eigenlijke zin alleen uit tot de goeden, die gelijkvormig geworden zijn aan zijn zoonschap, zoals gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (8. 29).
R: q. 13 a. 2[t:iiia q. 13 a. 2] q. 13 a. 3[t:iiia q. 13 a. 3] q. 48 a. 6[t:iiia q. 48 a. 6]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 57 a. 6 ad 1
IIIa q. 62 a. 5 ad 1
IIIa q. 78 a. 4 co.[t:iiia q. 57 a. 6 ad 1][t:iiia q. 62 a. 5 ad 1][t:iiia q. 78 a. 4 co.]
Referenties naar deze alinea: 2
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Onder het opzicht van uitwerking, welke afhangt van de goddelijke kracht, is in het algemeen zowel de dood van Christus als zijn verrijzenis, oorzaak, zowel van de vernietiging van den dood als van het herstel van het leven. Maar onder het opzicht van voorbeeld-zijn is Christus' dood, waardoor Hij heenging uit het sterfelijk leven, oorzaak van de vernietiging van onzen dood; zijn verrijzenis echter, waardoor Hij het onsterfelijke leven begon, oorzaak van het herstel van ons leven. 't Lijden van Christus echter is daarenboven verdienende oorzaak, zoals boven gezegd is (48° Kw. I" Art.).
R: q. 48 a. 1[t:iiia q. 48 a. 1]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 56 a. 2 ad 4
IIIa q. 57 a. 6 ad 1[t:iiia q. 56 a. 2 ad 4][t:iiia q. 57 a. 6 ad 1]
4e Weerlegging. Onder het opzicht van uitwerking, welke afhangt van de goddelijke kracht, is in het algemeen zowel de dood van Christus als zijn verrijzenis, oorzaak, zowel van de vernietiging van den dood als van het herstel van het leven. Maar onder het opzicht van voorbeeld-zijn is Christus' dood, waardoor Hij heenging uit het sterfelijk leven, oorzaak van de vernietiging van onzen dood; zijn verrijzenis echter, waardoor Hij het onsterfelijke leven begon, oorzaak van het herstel van ons leven. 't Lijden van Christus echter is daarenboven verdienende oorzaak, zoals boven gezegd is (48° Kw. I" Art.).
R: q. 48 a. 1[t:iiia q. 48 a. 1]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 56 a. 2 ad 4
IIIa q. 57 a. 6 ad 1[t:iiia q. 56 a. 2 ad 4][t:iiia q. 57 a. 6 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is de verrijzenis van Christus oorzaak van de verrijzenis der zielen.
IIIa q. 56 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de verrijzenis van Christus geen oorzaak is van de verrijzenis der zielen. Augustinus immers zegt, dat "de lichamen verrijzen door een menselijke werking, maar de zielen door de zelfstandigheid van God." Christus’ verrijzenis behoort echter niet tot de zelfstandigheid van God, maar bij de menselijke werking. Dus ofschoon de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis der lichamen, is zij toch geen oorzaak van de verrijzenis der zielen.
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de verrijzenis van Christus geen oorzaak is van de verrijzenis der zielen. Augustinus immers zegt, dat "de lichamen verrijzen door een menselijke werking, maar de zielen door de zelfstandigheid van God." Christus’ verrijzenis behoort echter niet tot de zelfstandigheid van God, maar bij de menselijke werking. Dus ofschoon de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis der lichamen, is zij toch geen oorzaak van de verrijzenis der zielen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Een lichaam werkt niet in op een geest. De verrijzenis van Christus nu is iets van zijn lichaam, dat viel door de dood. Dus is Christus’ verrijzenis geen oorzaak van de verrijzenis der zielen.
Vervolgens. Een lichaam werkt niet in op een geest. De verrijzenis van Christus nu is iets van zijn lichaam, dat viel door de dood. Dus is Christus’ verrijzenis geen oorzaak van de verrijzenis der zielen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Terwijl de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis der lichamen, zullen de lichamen van allen verrijzen, overeenkomstig het woord in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 51): "Allen zullen we wel verrijzen." Maar niet zullen de zielen van allen verrijzen, daar sommigen "zullen gaan in de eeuwige straf," zoals gezegd wordt bij Mattheus (25. 46). Dus is de verrijzenis van Christus geen oorzaak van de verrijzenis der zielen.
B: (Matt 25:46) [b:Matt 25:46] (1Cor 15:51) [b:1Cor 15:51]
Vervolgens. Terwijl de verrijzenis van Christus oorzaak is van de verrijzenis der lichamen, zullen de lichamen van allen verrijzen, overeenkomstig het woord in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 51): "Allen zullen we wel verrijzen." Maar niet zullen de zielen van allen verrijzen, daar sommigen "zullen gaan in de eeuwige straf," zoals gezegd wordt bij Mattheus (25. 46). Dus is de verrijzenis van Christus geen oorzaak van de verrijzenis der zielen.
B: (Matt 25:46) [b:Matt 25:46] (1Cor 15:51) [b:1Cor 15:51]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 2 arg. 4
Vervolgens. De verrijzenis der zielen geschiedt door de vergiffenis der zonden. Dit is echter gebeurd door het lijden van Christus, overeenkomstig het woord in het Boek der Openbaring (1. 5): "Hij heeft ons in zijn bloed van onze zonden gereinigd." Dus is meer het lijden van Christus, dan zijn verrijzenis oorzaak van de verrijzenis der zielen.
B: (Rev 1:5) [b:Rev 1:5]
Vervolgens. De verrijzenis der zielen geschiedt door de vergiffenis der zonden. Dit is echter gebeurd door het lijden van Christus, overeenkomstig het woord in het Boek der Openbaring (1. 5): "Hij heeft ons in zijn bloed van onze zonden gereinigd." Dus is meer het lijden van Christus, dan zijn verrijzenis oorzaak van de verrijzenis der zielen.
B: (Rev 1:5) [b:Rev 1:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (4. 25): "Hij is verrezen tot onze rechtvaardiging," welke niets anders is dan de verrijzenis der zielen. En naar aanleiding van het gezegde in het Boek der Psalmen (29. 6): "Des avonds zal er geweên zijn" zegt de Glossa, dat "de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis is, zowel van de ziel in het heden, als van het lichaam in de toekomst."
B: (Ps 29:6) [b:Ps 29:6] (Rom 4:25) [b:Rom 4:25]
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (4. 25): "Hij is verrezen tot onze rechtvaardiging," welke niets anders is dan de verrijzenis der zielen. En naar aanleiding van het gezegde in het Boek der Psalmen (29. 6): "Des avonds zal er geweên zijn" zegt de Glossa, dat "de verrijzenis van Christus oorzaak van onze verrijzenis is, zowel van de ziel in het heden, als van het lichaam in de toekomst."
B: (Ps 29:6) [b:Ps 29:6] (Rom 4:25) [b:Rom 4:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd werd (in het vorige Art. 3° Antw.), werkt de verrijzenis van Christus uit de kracht der Godheid. Deze strekt zich nu niet alleen uit tot de verrijzenis der lichamen, maar ook tot de verrijzenis der zielen; van God immers komt het voort, zowel dat de ziel leeft door de genade, als dat het lichaam leeft door de ziel. En daarom heeft de verrijzenis van Christus op werktuigelijke wijze een uitwerkende kracht, niet alleen met betrekking tot de verrijzenis der lichamen, maar ook tot de verrijzenis der zielen. — Evenzo heeft zij ook de betekenis van voorbeeld te zijn voor de verrijzenis der zielen. Want ook naar de ziel moeten wij gelijkvormig worden aan de verrezen Christus, volgens de Apostel in de Brief aan de Romeinen (6. 4): "Opdat zoals Christus uit de dood verrees door de glorie van de Vader, zo ook wij zouden wandelen in een vernieuwd leven;" en zoals Hij, "opstaande uit de doden niet meer sterft, zo ook wij ons gestorven zouden achten aan de zonde," om opnieuw "met Hem te leven." (v. 8, 9, 11)
B: (Rom 6:4-11) [b:Rom 6:4-11]
Mijn antwoord. Zoals gezegd werd (in het vorige Art. 3° Antw.), werkt de verrijzenis van Christus uit de kracht der Godheid. Deze strekt zich nu niet alleen uit tot de verrijzenis der lichamen, maar ook tot de verrijzenis der zielen; van God immers komt het voort, zowel dat de ziel leeft door de genade, als dat het lichaam leeft door de ziel. En daarom heeft de verrijzenis van Christus op werktuigelijke wijze een uitwerkende kracht, niet alleen met betrekking tot de verrijzenis der lichamen, maar ook tot de verrijzenis der zielen. — Evenzo heeft zij ook de betekenis van voorbeeld te zijn voor de verrijzenis der zielen. Want ook naar de ziel moeten wij gelijkvormig worden aan de verrezen Christus, volgens de Apostel in de Brief aan de Romeinen (6. 4): "Opdat zoals Christus uit de dood verrees door de glorie van de Vader, zo ook wij zouden wandelen in een vernieuwd leven;" en zoals Hij, "opstaande uit de doden niet meer sterft, zo ook wij ons gestorven zouden achten aan de zonde," om opnieuw "met Hem te leven." (v. 8, 9, 11)
B: (Rom 6:4-11) [b:Rom 6:4-11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Augustinus zegt, dat de verrijzenis der zielen geschiedt door Gods zelfstandigheid, wat het deelhebben betreft, wijl de zielen namelijk door deel te hebben aan de goddelijke goedheid goed en rechtvaardig worden, maar niet door deel te hebben aan welk schepsel ook. En als hij daarom zegt: "De zielen verrijzen door Gods zelfstandigheid," dan voegt hij er aan toe: "Door immers deel te hebben aan God wordt de ziel zalig, niet door deel te hebben aan een heilige ziel." Door deel te hebben echter aan de glorie van Christus’ lichaam, worden onze lichamen glorievol.
1e Weerlegging. Augustinus zegt, dat de verrijzenis der zielen geschiedt door Gods zelfstandigheid, wat het deelhebben betreft, wijl de zielen namelijk door deel te hebben aan de goddelijke goedheid goed en rechtvaardig worden, maar niet door deel te hebben aan welk schepsel ook. En als hij daarom zegt: "De zielen verrijzen door Gods zelfstandigheid," dan voegt hij er aan toe: "Door immers deel te hebben aan God wordt de ziel zalig, niet door deel te hebben aan een heilige ziel." Door deel te hebben echter aan de glorie van Christus’ lichaam, worden onze lichamen glorievol.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. De uitwerking van Christus’ verrijzenis strekt zich tot de zielen uit, niet door een eigen kracht van het verrezen lichaam, maar door de kracht der Godheid, waarmee het in persoon verenigd is.
2e Weerlegging. De uitwerking van Christus’ verrijzenis strekt zich tot de zielen uit, niet door een eigen kracht van het verrezen lichaam, maar door de kracht der Godheid, waarmee het in persoon verenigd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De verrijzenis der zielen houdt verband met de verdienste, die een effect is der rechtvaardiging; maar de verrijzenis der lichamen is geordend op de straf of de beloning, die effecten zijn van Hem, die oordeelt. Het komt Christus nu niet toe om allen rechtvaardig te maken, maar om te oordelen. Daarom wekt Hij allen op naar het lichaam, maar niet allen naar de ziel.
3e Weerlegging. De verrijzenis der zielen houdt verband met de verdienste, die een effect is der rechtvaardiging; maar de verrijzenis der lichamen is geordend op de straf of de beloning, die effecten zijn van Hem, die oordeelt. Het komt Christus nu niet toe om allen rechtvaardig te maken, maar om te oordelen. Daarom wekt Hij allen op naar het lichaam, maar niet allen naar de ziel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 56 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. De rechtvaardiging der zielen omsluit een dubbel element, nl. de vergiffenis der schuld, en de nieuwheid van leven door de genade. — Wat derhalve de uitwerking betreft, die geschiedt door Gods kracht, is zowel Christus’ lijden als zijn verrijzenis oorzaak der rechtvaardiging in beide opzichten. — Maar wat het voorbeeld-zijn aangaat is in eigenlijke zin het lijden en de dood van Christus, oorzaak van de vergiffenis der schuld, waardoor wij sterven aan de zonde; maar de verrijzenis van Christus is oorzaak van de nieuwheid van leven, die door de genade of de gerechtigheid is. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (4. 25), dat "Hij overgeleverd is," nl. tot de dood "om onze misslagen," nl. om ze weg te nemen; "en verrezen is om onze rechtvaardiging." Het lijden van Christus echter is ook verdienende oorzaak, zoals gezegd is (vorige Art. 4° Antw.).
B: (Rom 4:25) [b:Rom 4:25]
R: q. 56 a. 1 ad 4[t:iiia q. 56 a. 1 ad 4] q. 48 a. 1[t:iiia q. 48 a. 1]
4e Weerlegging. De rechtvaardiging der zielen omsluit een dubbel element, nl. de vergiffenis der schuld, en de nieuwheid van leven door de genade. — Wat derhalve de uitwerking betreft, die geschiedt door Gods kracht, is zowel Christus’ lijden als zijn verrijzenis oorzaak der rechtvaardiging in beide opzichten. — Maar wat het voorbeeld-zijn aangaat is in eigenlijke zin het lijden en de dood van Christus, oorzaak van de vergiffenis der schuld, waardoor wij sterven aan de zonde; maar de verrijzenis van Christus is oorzaak van de nieuwheid van leven, die door de genade of de gerechtigheid is. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (4. 25), dat "Hij overgeleverd is," nl. tot de dood "om onze misslagen," nl. om ze weg te nemen; "en verrezen is om onze rechtvaardiging." Het lijden van Christus echter is ook verdienende oorzaak, zoals gezegd is (vorige Art. 4° Antw.).
B: (Rom 4:25) [b:Rom 4:25]
R: q. 56 a. 1 ad 4[t:iiia q. 56 a. 1 ad 4] q. 48 a. 1[t:iiia q. 48 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 57: Over de Hemelvaart van Christus
IIIa q. 57 pr.
IIIa q. 57 pr. Vervolgens moeten wij de hemelvaart van Christus beschouwen, en hieromtrent stellen wij zes vragen: 1. Was het passend, dat Christus opsteeg? 2. Volgens welke natuur kwam het Hem toe, om op te stijgen? 3. Steeg Hij op uit eigen kracht? 4. Steeg Hij op boven alle stoffelijke hemelen? 5. Steeg Hij op boven alle geestelijke schepselen? 6. Over het effect van de hemelvaart.
IIIa q. 57 pr. Vervolgens moeten wij de hemelvaart van Christus beschouwen, en hieromtrent stellen wij zes vragen: 1. Was het passend, dat Christus opsteeg? 2. Volgens welke natuur kwam het Hem toe, om op te stijgen? 3. Steeg Hij op uit eigen kracht? 4. Steeg Hij op boven alle stoffelijke hemelen? 5. Steeg Hij op boven alle geestelijke schepselen? 6. Over het effect van de hemelvaart.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Was het passend, dat Christus opsteeg?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 57 a. 3 co.[t:iiia q. 57 a. 3 co.]
IIIa q. 57 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus opsteeg. De Wijsgeer immers zegt, dat "in hun besten toestand, de dingen hun goed bezitten zonder beweging." Christus nu was in de besten toestand, daar Hij volgens zijn goddelijke natuur het hoogste goed is en naar zijn menselijke natuur het hoogst verheerlijkt was. Dus bezit Hij zijn goed zonder beweging. De opstijging echter is een beweging. Dus was het niet passend, dat Christus opsteeg.
IIIa q. 57 a. 3 co.[t:iiia q. 57 a. 3 co.]
IIIa q. 57 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het niet passend was, dat Christus opsteeg. De Wijsgeer immers zegt, dat "in hun besten toestand, de dingen hun goed bezitten zonder beweging." Christus nu was in de besten toestand, daar Hij volgens zijn goddelijke natuur het hoogste goed is en naar zijn menselijke natuur het hoogst verheerlijkt was. Dus bezit Hij zijn goed zonder beweging. De opstijging echter is een beweging. Dus was het niet passend, dat Christus opsteeg.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Alles, wat bewogen wordt, wordt om iets beters bewogen. Maar in de hemel te zijn, was voor Christus niet beter, dan op de aarde te zijn: Hij won er immers niets bij door het feit, dat Hij in de hemel was, noch naar ziel, noch naar lichaam. Dus moest Christus niet opstijgen ten hemel.
Vervolgens. Alles, wat bewogen wordt, wordt om iets beters bewogen. Maar in de hemel te zijn, was voor Christus niet beter, dan op de aarde te zijn: Hij won er immers niets bij door het feit, dat Hij in de hemel was, noch naar ziel, noch naar lichaam. Dus moest Christus niet opstijgen ten hemel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 1 arg. 3
Vervolgens. De Zoon Gods nam de menselijke natuur aan tot ons heil. Het zou echter heilzamer voor de mensen geweest zijn, als Hij altijd met ons omging op aarde; daarom zei Hij ook tot zijn leerlingen bij Lucas (17. 22): "Er zullen dagen komen, dat gij verlangt één dag van de Zoon des mensen te zien, en gij zult Hem niet zien". Het was dus niet behoorlijk, dat Christus ten hemel opsteeg.
B: (Luke 17:22) [b:Luke 17:22]
Vervolgens. De Zoon Gods nam de menselijke natuur aan tot ons heil. Het zou echter heilzamer voor de mensen geweest zijn, als Hij altijd met ons omging op aarde; daarom zei Hij ook tot zijn leerlingen bij Lucas (17. 22): "Er zullen dagen komen, dat gij verlangt één dag van de Zoon des mensen te zien, en gij zult Hem niet zien". Het was dus niet behoorlijk, dat Christus ten hemel opsteeg.
B: (Luke 17:22) [b:Luke 17:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Zoals Gregorius zegt, was het lichaam van Christus na zijn verrijzenis in geen enkel opzicht veranderd. Hij steeg echter niet onmiddellijk na zijn verrijzenis op ten hemel, daar Hij zelf zegt na zijn verrijzenis bij Joannes (20. 17): "Ik ben nog niet tot Mijn Vader opgestegen". Dus moest Hij ook niet na veertig dagen opstijgen.
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
Vervolgens. Zoals Gregorius zegt, was het lichaam van Christus na zijn verrijzenis in geen enkel opzicht veranderd. Hij steeg echter niet onmiddellijk na zijn verrijzenis op ten hemel, daar Hij zelf zegt na zijn verrijzenis bij Joannes (20. 17): "Ik ben nog niet tot Mijn Vader opgestegen". Dus moest Hij ook niet na veertig dagen opstijgen.
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Johannes (20. 17) zegt: "Ik stijg op tot Mijn Vader en tot uw Vader."
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij Johannes (20. 17) zegt: "Ik stijg op tot Mijn Vader en tot uw Vader."
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 1 co.
Mijn antwoord. De plaats moet aangepast zijn aan het geplaatste. Door zijn verrijzenis nu begon Christus een onsterfelijk en onbederfelijk leven. De plaats echter, waarin wij wonen is een plaats van voortbrenging en van bederf; maar de hemelplaats is een plaats van onbederfelijkheid. En daarom was het niet passend, dat Christus na zijn verrijzenis op aarde bleef; maar het was passend, dat Hij ten hemel opsteeg.
Mijn antwoord. De plaats moet aangepast zijn aan het geplaatste. Door zijn verrijzenis nu begon Christus een onsterfelijk en onbederfelijk leven. De plaats echter, waarin wij wonen is een plaats van voortbrenging en van bederf; maar de hemelplaats is een plaats van onbederfelijkheid. En daarom was het niet passend, dat Christus na zijn verrijzenis op aarde bleef; maar het was passend, dat Hij ten hemel opsteeg.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Datgene, wat in de besten toestand, zonder beweging zijn goed bezit, is God zelf, daar Hij totaal onveranderlijk is, volgens het woord van Malachias (3.6): "Ik ben de Heer, en Ik verander niet". Iedere schepsel echter is op een of andere wijze veranderlijk, zoals uit Augustinus blijkt. En daar de door Gods Zoon aangenomen natuur een schepsel bleef, zoals blijkt uit het bovengezegde (2e Kw. 7e Art.), is het niet onbehoorlijk, daaraan een of andere beweging toe te kennen.
B: (Mal 3:6) [b:Mal 3:6]
R: q. 2 a. 7[t:iiia q. 2 a. 7] q. 16 a. 8[t:iiia q. 16 a. 8] q. 16 a. 10[t:iiia q. 16 a. 10] q. 20 a. 1[t:iiia q. 20 a. 1]
1e Weerlegging. Datgene, wat in de besten toestand, zonder beweging zijn goed bezit, is God zelf, daar Hij totaal onveranderlijk is, volgens het woord van Malachias (3.6): "Ik ben de Heer, en Ik verander niet". Iedere schepsel echter is op een of andere wijze veranderlijk, zoals uit Augustinus blijkt. En daar de door Gods Zoon aangenomen natuur een schepsel bleef, zoals blijkt uit het bovengezegde (2e Kw. 7e Art.), is het niet onbehoorlijk, daaraan een of andere beweging toe te kennen.
B: (Mal 3:6) [b:Mal 3:6]
R: q. 2 a. 7[t:iiia q. 2 a. 7] q. 16 a. 8[t:iiia q. 16 a. 8] q. 16 a. 10[t:iiia q. 16 a. 10] q. 20 a. 1[t:iiia q. 20 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Doordat Christus naar de hemel steeg, kreeg Hij er niets bij, van wat tot het wezen der glorie behoort, noch naar het lichaam, noch naar de ziel; maar Hij kreeg er iets bij wat betreft de passende plaats, wat betrekking heeft op het goedzijn der glorie. Niet dat zijn lichaam door een hemellichaam op een of andere wijze werd vervolmaakt of bestendigd: maar alleen, omdat het zo paste. Dit nu behoorde in zekere zin bij zijn glorie. En over dit passende had Hij een zekere vreugde; niet, alsof Hij er zich toen voor het eerst over begon te verheugen, toen Hij naar de hemel opsteeg. Maar Hij verheugde er zich over op een nieuwe wijze, als over iets, dat in vervulling gegaan is. Vandaar dat bij het gezegde in het Boek der Psalmen (15. 10): "Het vermaak ligt in uw rechterhand tot aan het einde," de Glossa zegt: "Vermaak en vreugde zullen mij gegeven worden, wanneer ik samen zit met u, onttrokken aan de blikken der mensen."
B: (Ps 15, Ps 15:11) [b:Ps 15]
2e Weerlegging. Doordat Christus naar de hemel steeg, kreeg Hij er niets bij, van wat tot het wezen der glorie behoort, noch naar het lichaam, noch naar de ziel; maar Hij kreeg er iets bij wat betreft de passende plaats, wat betrekking heeft op het goedzijn der glorie. Niet dat zijn lichaam door een hemellichaam op een of andere wijze werd vervolmaakt of bestendigd: maar alleen, omdat het zo paste. Dit nu behoorde in zekere zin bij zijn glorie. En over dit passende had Hij een zekere vreugde; niet, alsof Hij er zich toen voor het eerst over begon te verheugen, toen Hij naar de hemel opsteeg. Maar Hij verheugde er zich over op een nieuwe wijze, als over iets, dat in vervulling gegaan is. Vandaar dat bij het gezegde in het Boek der Psalmen (15. 10): "Het vermaak ligt in uw rechterhand tot aan het einde," de Glossa zegt: "Vermaak en vreugde zullen mij gegeven worden, wanneer ik samen zit met u, onttrokken aan de blikken der mensen."
B: (Ps 15, Ps 15:11) [b:Ps 15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Ofschoon de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus door de hemelvaart aan de gelovigen werd onttrokken, is Hij toch door de tegenwoordigheid van zijn Godheid altijd bij de gelovigen aanwezig, zoals Hijzelf zegt bij Mattheus (28. 20): "Ziet Ik ben met u al de dagen tot aan het einde der wereld." Hij immers, die "naar de hemel opsteeg, verliet de aangenomenen niet," zoals paus Leo zegt. Maar Christus' opstijging zelf naar de hemel, waardoor Hij ons zijn lichamelijke tegenwoordigheid onttrok, was ons meer nuttig, dan zijn lichamelijke tegenwoordigheid zou geweest zijn. — Vooreerst namelijk tot vermeerdering van het geloof, dat gaat over het ongeziene. Vandaar dat bij Joannes (16. 8) de Heer zelf tot zijn leerlingen zegt, dat de H. Geest bij zijn komst "de wereld zal overtuigen van gerechtigheid", namelijk "van hen, die geloven," zoals Augustinus zegt, "want de vergelijking zelf van de gelovigen met de ongelovigen houdt een berisping in". Daarom laat Hij volgen (v. 10): "Want Ik ga tot de Vader en gij zult Mij niet meer zien; zalig immers, die niet zien en toch geloven. Het zal derhalve uwe gerechtigheid zijn, waarvan de wereld overtuigd zal worden, daar gij in Mij zult geloven, die gij niet zien zult." — Ten tweede, tot opwekking van de hoop. Daarom zegt Hij zelf bij Joannes (14. 3): "Als Ik zal zijn heengegaan en u een plaats zal hebben bereid, zal Ik weer komen en u bij Mij nemen, opdat waar Ik ben, ook gij zijn moogt." Want doordat Christus zijn aangenomen menselijke natuur in de hemel bracht, stortte Hij ons de hoop in, om daar te komen; aangezien "daar waar het lichaam was, zich ook de arenden zullen verzamelen," zoals gezegd wordt bij Mattheus (24. 28). Vandaar dat ook Micheas (2. 13) zegt: "Hij steeg op, een weg voor u bereidend." — Ten derde, om onze liefde op het hemelse te richten. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Colossensen (3. 1, 2): "Zoekt wat boven u is, waar Christus is, zittend aan Gods rechterhand; hebt smaak in de dingen, die boven u zijn, niet in die op aarde zijn." Zoals immers gezegd wordt bij Mattheus (6. 21), "is uw hart daar, waar ook uw schat is." En daar de H. Geest de liefde is, die ons naar het hemelse trekt, daarom zegt de Heer aan zijn leerlingen bij Joannes (16. 7): "Het is u nuttig, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga dan zal de Vertrooster niet tot u komen; als Ik echter zal heengegaan zijn, zal Ik Hem tot u zenden." En in zijn uitleg hiervan zegt Augustinus : "Gij kunt de Geest niet ontvangen, zolang gij er bij blijft Christus naar het vlees te kennen. Toen Christus hen echter lichamelijk verliet, was niet alleen de H. Geest, maar ook de Vader en de Zoon op geestelijke wijze hun nabij."
B: (Matt 28:20) [b:Matt 28:20]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 57 a. 6 co.[t:iiia q. 57 a. 6 co.]
3e Weerlegging. Ofschoon de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus door de hemelvaart aan de gelovigen werd onttrokken, is Hij toch door de tegenwoordigheid van zijn Godheid altijd bij de gelovigen aanwezig, zoals Hijzelf zegt bij Mattheus (28. 20): "Ziet Ik ben met u al de dagen tot aan het einde der wereld." Hij immers, die "naar de hemel opsteeg, verliet de aangenomenen niet," zoals paus Leo zegt. Maar Christus' opstijging zelf naar de hemel, waardoor Hij ons zijn lichamelijke tegenwoordigheid onttrok, was ons meer nuttig, dan zijn lichamelijke tegenwoordigheid zou geweest zijn. — Vooreerst namelijk tot vermeerdering van het geloof, dat gaat over het ongeziene. Vandaar dat bij Joannes (16. 8) de Heer zelf tot zijn leerlingen zegt, dat de H. Geest bij zijn komst "de wereld zal overtuigen van gerechtigheid", namelijk "van hen, die geloven," zoals Augustinus zegt, "want de vergelijking zelf van de gelovigen met de ongelovigen houdt een berisping in". Daarom laat Hij volgen (v. 10): "Want Ik ga tot de Vader en gij zult Mij niet meer zien; zalig immers, die niet zien en toch geloven. Het zal derhalve uwe gerechtigheid zijn, waarvan de wereld overtuigd zal worden, daar gij in Mij zult geloven, die gij niet zien zult." — Ten tweede, tot opwekking van de hoop. Daarom zegt Hij zelf bij Joannes (14. 3): "Als Ik zal zijn heengegaan en u een plaats zal hebben bereid, zal Ik weer komen en u bij Mij nemen, opdat waar Ik ben, ook gij zijn moogt." Want doordat Christus zijn aangenomen menselijke natuur in de hemel bracht, stortte Hij ons de hoop in, om daar te komen; aangezien "daar waar het lichaam was, zich ook de arenden zullen verzamelen," zoals gezegd wordt bij Mattheus (24. 28). Vandaar dat ook Micheas (2. 13) zegt: "Hij steeg op, een weg voor u bereidend." — Ten derde, om onze liefde op het hemelse te richten. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Colossensen (3. 1, 2): "Zoekt wat boven u is, waar Christus is, zittend aan Gods rechterhand; hebt smaak in de dingen, die boven u zijn, niet in die op aarde zijn." Zoals immers gezegd wordt bij Mattheus (6. 21), "is uw hart daar, waar ook uw schat is." En daar de H. Geest de liefde is, die ons naar het hemelse trekt, daarom zegt de Heer aan zijn leerlingen bij Joannes (16. 7): "Het is u nuttig, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga dan zal de Vertrooster niet tot u komen; als Ik echter zal heengegaan zijn, zal Ik Hem tot u zenden." En in zijn uitleg hiervan zegt Augustinus : "Gij kunt de Geest niet ontvangen, zolang gij er bij blijft Christus naar het vlees te kennen. Toen Christus hen echter lichamelijk verliet, was niet alleen de H. Geest, maar ook de Vader en de Zoon op geestelijke wijze hun nabij."
B: (Matt 28:20) [b:Matt 28:20]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 57 a. 6 co.[t:iiia q. 57 a. 6 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Ofschoon de hemelplaats Christus, die tot een onsterfelijk leven verrees, zou passen, stelde Hij toch zijn hemelvaart uit, om de echtheid van zijn verrijzenis te bewijzen. Daarom wordt gezegd in de Handelingen der Apostelen (1. 3), dat "Hij na zijn lijden zich door vele bewijzen levend toonde aan zijn leerlingen, gedurende veertig dagen", waarbij de Glossa zegt, "dat Hij gedurende veertig dagen bevestigt, dat Hij leeft, wijl Hij veertig uur lang dood was. Of ook kan men in de veertig dagen een beeld zien van dezen tegenwoordigen tijd, waarin Christus in de Kerk verblijft: omdat de mens bestaat uit vier elementen en opgevoed wordt tegen de overtreding van de tien geboden."
4e Weerlegging. Ofschoon de hemelplaats Christus, die tot een onsterfelijk leven verrees, zou passen, stelde Hij toch zijn hemelvaart uit, om de echtheid van zijn verrijzenis te bewijzen. Daarom wordt gezegd in de Handelingen der Apostelen (1. 3), dat "Hij na zijn lijden zich door vele bewijzen levend toonde aan zijn leerlingen, gedurende veertig dagen", waarbij de Glossa zegt, "dat Hij gedurende veertig dagen bevestigt, dat Hij leeft, wijl Hij veertig uur lang dood was. Of ook kan men in de veertig dagen een beeld zien van dezen tegenwoordigen tijd, waarin Christus in de Kerk verblijft: omdat de mens bestaat uit vier elementen en opgevoed wordt tegen de overtreding van de tien geboden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Kwam het Christus naar zijn goddelijke natuur toe ten hemel op te stijgen?
IIIa q. 57 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het Christus naar zijn goddelijke natuur toekwam ten hemel op te stijgen. In het Boek der Psalmen (46.6) immers wordt gezegd: "God stijgt ten troon met jubelzang;" en in het Boek Deuteronomium (33.26): "Die opstijgt ten hemel, is uw helper". Deze dingen echter worden van God gezegd ook vóór de menswording van Christus. Dus aan Christus komt het toe ten hemel op te stijgen, in zover Hij God is.
B: (Deut 33:26) [b:Deut 33:26] (Ps 46:6) [b:Ps 46:6]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het Christus naar zijn goddelijke natuur toekwam ten hemel op te stijgen. In het Boek der Psalmen (46.6) immers wordt gezegd: "God stijgt ten troon met jubelzang;" en in het Boek Deuteronomium (33.26): "Die opstijgt ten hemel, is uw helper". Deze dingen echter worden van God gezegd ook vóór de menswording van Christus. Dus aan Christus komt het toe ten hemel op te stijgen, in zover Hij God is.
B: (Deut 33:26) [b:Deut 33:26] (Ps 46:6) [b:Ps 46:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Aan Hem komt het toe ten hemel op te stijgen, wien het toekomt van de hemel neer te dalen, volgens het gezegde bij Joannes (3.13): "Niemand stijgt op ten hemel tenzij, die van de hemel nederdaalt," en in de Brief aan de Ephesiërs (4.10): "Die nederdaalt, dat is ook Hij, die opstijgt." Christus nu daalde af van de hemel, niet in zover Hij mens is, maar als God; zijn menselijke natuur immers was te voren niet in de hemel, maar zijn goddelijke. Dus steeg Christus op ten hemel in zoverre Hij God is.
B: (John 3:13) [b:John 3:13] (Eph 4:10) [b:Eph 4:10]
Vervolgens. Aan Hem komt het toe ten hemel op te stijgen, wien het toekomt van de hemel neer te dalen, volgens het gezegde bij Joannes (3.13): "Niemand stijgt op ten hemel tenzij, die van de hemel nederdaalt," en in de Brief aan de Ephesiërs (4.10): "Die nederdaalt, dat is ook Hij, die opstijgt." Christus nu daalde af van de hemel, niet in zover Hij mens is, maar als God; zijn menselijke natuur immers was te voren niet in de hemel, maar zijn goddelijke. Dus steeg Christus op ten hemel in zoverre Hij God is.
B: (John 3:13) [b:John 3:13] (Eph 4:10) [b:Eph 4:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Bij zijn hemelvaart steeg Christus op naar zijn Vader. Maar tot gelijkheid met de Vader kwam Hij niet, in zover Hij mens is; zo immers zegt Hij: "De Vader is groter dan Ik", zoals wij vinden bij Joannes (14. 28). Dus steeg Christus op, in zoverre Hij God was.
B: (John 14:28, John 14:28) [b:John 14:28]
Vervolgens. Bij zijn hemelvaart steeg Christus op naar zijn Vader. Maar tot gelijkheid met de Vader kwam Hij niet, in zover Hij mens is; zo immers zegt Hij: "De Vader is groter dan Ik", zoals wij vinden bij Joannes (14. 28). Dus steeg Christus op, in zoverre Hij God was.
B: (John 14:28, John 14:28) [b:John 14:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Glossa aangaande het gezegde in de Brief aan de Ephesiërs (4. 9): "Dat Hij opgestegen is, wat wil dat anders zeggen, dan dat Hij ook is neergedaald?" aanmerkt: "Het staat vast, dat Christus naar zijn mensheid is neergedaald en opgestegen."
B: (Eph 4:10) [b:Eph 4:10]
Daartegenover staat echter, dat de Glossa aangaande het gezegde in de Brief aan de Ephesiërs (4. 9): "Dat Hij opgestegen is, wat wil dat anders zeggen, dan dat Hij ook is neergedaald?" aanmerkt: "Het staat vast, dat Christus naar zijn mensheid is neergedaald en opgestegen."
B: (Eph 4:10) [b:Eph 4:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 2 co.
Mijn antwoord. Het woord: "naar" kan twee dingen aangeven, nl. de hoedanigheid van Hem, die opstijgt, en de oorzaak van het opstijgen. — Als het nu de hoedanigheid van Hem, die opstijgt aangeeft dan komt het opstijgen niet toe aan Christus in zijn hoedanigheid van God. Zoowel omdat er niets hoogstens is dan de Godheid, waardoor Hij zou kunnen opstijgen. Alsook omdat opstijgen een plaatselijke beweging is, welke aan de goddelijke natuur niet toekomt, daar zij onbewegelijk is en niet in een plaats. Op deze manier echter komt 't opstijgen toe aan Christus naar zijn menselijke natuur, die aan plaats gebonden is en aan beweging onderworpen kan worden. En in dezen zin kunnen wij dus zeggen, dat Christus opsteeg ten hemel, als mens, en niet als God. — Wanneer echter het woord "naar" de oorzaak der opstijging aangeeft, dan moeten wij zeggen, aangezien Christus uit kracht van zijn Godheid naar de hemel steeg, en niet uit kracht van zijn menselijke natuur, dat Christus ten hemel steeg, niet als mens, maar als God. Daarom zegt Augustinus: "Het kwam van ons, dat de Zoon Gods aan het kruis gehangen heeft, maar van Hemzelf, dat Hij opsteeg."
Mijn antwoord. Het woord: "naar" kan twee dingen aangeven, nl. de hoedanigheid van Hem, die opstijgt, en de oorzaak van het opstijgen. — Als het nu de hoedanigheid van Hem, die opstijgt aangeeft dan komt het opstijgen niet toe aan Christus in zijn hoedanigheid van God. Zoowel omdat er niets hoogstens is dan de Godheid, waardoor Hij zou kunnen opstijgen. Alsook omdat opstijgen een plaatselijke beweging is, welke aan de goddelijke natuur niet toekomt, daar zij onbewegelijk is en niet in een plaats. Op deze manier echter komt 't opstijgen toe aan Christus naar zijn menselijke natuur, die aan plaats gebonden is en aan beweging onderworpen kan worden. En in dezen zin kunnen wij dus zeggen, dat Christus opsteeg ten hemel, als mens, en niet als God. — Wanneer echter het woord "naar" de oorzaak der opstijging aangeeft, dan moeten wij zeggen, aangezien Christus uit kracht van zijn Godheid naar de hemel steeg, en niet uit kracht van zijn menselijke natuur, dat Christus ten hemel steeg, niet als mens, maar als God. Daarom zegt Augustinus: "Het kwam van ons, dat de Zoon Gods aan het kruis gehangen heeft, maar van Hemzelf, dat Hij opsteeg."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Die aanhalingen worden profetisch van God gezegd in zoverre Hij vlees moest worden. — Men kan echter zeggen, dat ofschoon het opstijgen niet in de eigenlijke zin toekomt aan de goddelijke natuur, dit toch in overdrachtelijke zin aan haar kan toekomen, zoals men namelijk zegt, dat Hij in het hart van de mens opstijgt wanneer het mensenhart zich aan God onderwerpt en zich voor Hem verneert. En op dezelfde wijze zeggen wij in overdrachtelijke zin, dat Hij opstijgt ten opzichte van elk schepsel, doordat Hij dit aan zich onderwerpt.
1e Weerlegging. Die aanhalingen worden profetisch van God gezegd in zoverre Hij vlees moest worden. — Men kan echter zeggen, dat ofschoon het opstijgen niet in de eigenlijke zin toekomt aan de goddelijke natuur, dit toch in overdrachtelijke zin aan haar kan toekomen, zoals men namelijk zegt, dat Hij in het hart van de mens opstijgt wanneer het mensenhart zich aan God onderwerpt en zich voor Hem verneert. En op dezelfde wijze zeggen wij in overdrachtelijke zin, dat Hij opstijgt ten opzichte van elk schepsel, doordat Hij dit aan zich onderwerpt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Het is dezelfde, die opstijgt en die nederdaalt. Augustinus immers zegt: "Wie is het, die neerdaalt? De Godmens. Wie is het die opstijgt? Dezelfde Godmens." Het nederdalen echter wordt op dubbele wijze aan Christus toegeschreven. — Vooreerst wanneer wij zeggen, dat Hij van de hemel is neergevaardigd. En deze nederdaling wordt aan de Godmens toegeschreven, in zover Hij God is. Dit nederdalen moet men immers niet verstaan als een plaatselijke beweging, maar als een vernietiging, daarin bestaande, dat Hij de gestalte van een slaaf aannam, ofschoon Hij in de gestalte van God was. Want gelijk men van Hem zegt, dat Hij vernietigd is, niet omdat Hij zijn volheid verloor, maar omdat Hij onze geringheid aannam, zo zeggen wij ook, dat Hij van de hemel nederdaalde, niet omdat Hij de hemel verliet, maar omdat Hij in eenheid van persoon een aardse natuur aannam. — Er is echter een ander nederdalen, waardoor "Hij afdaalde tot de lagere delen der aarde", zoals in de Brief aan de Ephesiërs (4.9) gezegd wordt. En dit is een plaatselijke beweging. ging. Daarom komt deze aan Christus toe naar zijn menselijke natuur.
B: (Ps 83:6) [b:Ps 83:6]
2e Weerlegging. Het is dezelfde, die opstijgt en die nederdaalt. Augustinus immers zegt: "Wie is het, die neerdaalt? De Godmens. Wie is het die opstijgt? Dezelfde Godmens." Het nederdalen echter wordt op dubbele wijze aan Christus toegeschreven. — Vooreerst wanneer wij zeggen, dat Hij van de hemel is neergevaardigd. En deze nederdaling wordt aan de Godmens toegeschreven, in zover Hij God is. Dit nederdalen moet men immers niet verstaan als een plaatselijke beweging, maar als een vernietiging, daarin bestaande, dat Hij de gestalte van een slaaf aannam, ofschoon Hij in de gestalte van God was. Want gelijk men van Hem zegt, dat Hij vernietigd is, niet omdat Hij zijn volheid verloor, maar omdat Hij onze geringheid aannam, zo zeggen wij ook, dat Hij van de hemel nederdaalde, niet omdat Hij de hemel verliet, maar omdat Hij in eenheid van persoon een aardse natuur aannam. — Er is echter een ander nederdalen, waardoor "Hij afdaalde tot de lagere delen der aarde", zoals in de Brief aan de Ephesiërs (4.9) gezegd wordt. En dit is een plaatselijke beweging. ging. Daarom komt deze aan Christus toe naar zijn menselijke natuur.
B: (Ps 83:6) [b:Ps 83:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Wij zeggen van Christus, dat Hij naar de Vader opsteeg, in zover Hij opsteeg om te gaan zetelen aan de rechterhand van de Vader. En dit komt Christus enigszins toe naar zijn goddelijke natuur, en enigszins naar zijn menselijke, zoals later gezegd zal worden (volgende Kw. 3° Art.).
R: q. 58 a. 3[t:iiia q. 58 a. 3]
3e Weerlegging. Wij zeggen van Christus, dat Hij naar de Vader opsteeg, in zover Hij opsteeg om te gaan zetelen aan de rechterhand van de Vader. En dit komt Christus enigszins toe naar zijn goddelijke natuur, en enigszins naar zijn menselijke, zoals later gezegd zal worden (volgende Kw. 3° Art.).
R: q. 58 a. 3[t:iiia q. 58 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Steeg Christus op uit eigen kracht?
IIIa q. 57 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus niet opsteeg uit eigen kracht. Bij Marcus (16. 19) immers wordt gezegd, dat "de Heer Jesus in de hemel werd opgenomen, nadat Hij tot zijn leerlingen gesproken had." En in de Handelingen der Apostelen (1. 9) wordt gezegd: "Terwijl zij toekeken werd Hij opgenomen en een wolk nam Hem weg uit hun ogen." Maar wat opgenomen wordt en verheven, schijnt door iets anders bewogen te worden. Dus werd Christus niet door eigen, maar door vreemde kracht naar de hemel gebracht.
B: (Mark 16:19) [b:Mark 16:19] (Acts 1:9) [b:Acts 1:9]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus niet opsteeg uit eigen kracht. Bij Marcus (16. 19) immers wordt gezegd, dat "de Heer Jesus in de hemel werd opgenomen, nadat Hij tot zijn leerlingen gesproken had." En in de Handelingen der Apostelen (1. 9) wordt gezegd: "Terwijl zij toekeken werd Hij opgenomen en een wolk nam Hem weg uit hun ogen." Maar wat opgenomen wordt en verheven, schijnt door iets anders bewogen te worden. Dus werd Christus niet door eigen, maar door vreemde kracht naar de hemel gebracht.
B: (Mark 16:19) [b:Mark 16:19] (Acts 1:9) [b:Acts 1:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Het lichaam van Christus was van deze aarde, zoals ook onze lichamen. Het is echter tegen de natuur van een aards lichaam om naar boven gebracht te worden. Geen enkele beweging echter komt voort uit de eigen kracht van datgene wat tegen zijn natuur bewogen wordt. Dus steeg Christus niet uit eigen kracht naar de hemel.
Vervolgens. Het lichaam van Christus was van deze aarde, zoals ook onze lichamen. Het is echter tegen de natuur van een aards lichaam om naar boven gebracht te worden. Geen enkele beweging echter komt voort uit de eigen kracht van datgene wat tegen zijn natuur bewogen wordt. Dus steeg Christus niet uit eigen kracht naar de hemel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 3 arg. 3
Vervolgens. De eigen kracht van Christus is een goddelijke kracht. Die beweging echter scheen niet uit goddelijke kracht voort te komen; want dan zou die beweging ogenblikkelijk geweest zijn, aangezien de goddelijke kracht oneindig is; en op die manier kon Hij niet "in de hemel verheven worden onder het toezien der leerlingen,» zoals gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (1. 9). Dus is Christus niet uit eigen kracht opgestegen.
B: (Acts 1:9) [b:Acts 1:9]
Vervolgens. De eigen kracht van Christus is een goddelijke kracht. Die beweging echter scheen niet uit goddelijke kracht voort te komen; want dan zou die beweging ogenblikkelijk geweest zijn, aangezien de goddelijke kracht oneindig is; en op die manier kon Hij niet "in de hemel verheven worden onder het toezien der leerlingen,» zoals gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (1. 9). Dus is Christus niet uit eigen kracht opgestegen.
B: (Acts 1:9) [b:Acts 1:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Isaïas (63. 1) gezegd wordt: "Hij is schoon in zijn gewaad, voortschrijdend in de volheid zijner kracht.» En Gregorius zegt: "Men moet er op letten, dat wij van Elias lezen, dat hij opsteeg in een wagen, opdat namelijk duidelijk zou worden aangetoond, dat een gewoon mens de hulp van een ander nodig had. Van onze Verlosser echter lezen wij, dat Hij niet door een wagen, niet door engelen werd omhoog verheven, wijl Hij, die alles gemaakt had, uit eigen kracht boven alles uitsteeg.»
B: (Isa 63:1) [b:Isa 63:1]
Daartegenover staat echter, dat bij Isaïas (63. 1) gezegd wordt: "Hij is schoon in zijn gewaad, voortschrijdend in de volheid zijner kracht.» En Gregorius zegt: "Men moet er op letten, dat wij van Elias lezen, dat hij opsteeg in een wagen, opdat namelijk duidelijk zou worden aangetoond, dat een gewoon mens de hulp van een ander nodig had. Van onze Verlosser echter lezen wij, dat Hij niet door een wagen, niet door engelen werd omhoog verheven, wijl Hij, die alles gemaakt had, uit eigen kracht boven alles uitsteeg.»
B: (Isa 63:1) [b:Isa 63:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 3 co.
Mijn antwoord. Christus heeft een tweevoudige natuur, namelijk een goddelijke en een menselijke. Vandaar kan men van een eigen kracht bij Hem spreken naar beide naturen. Naar de menselijke natuur kan men echter een dubbele kracht in Christus onderscheiden. Een natuurlijke, namelijk, die voortkomt uit het principe van de natuur. En het is duidelijk, dat Christus niet uit zulk een kracht naar de hemel is opgestegen. De andere kracht in de menselijke natuur van Christus is de kracht der glorie. In deze kracht is Christus ten hemel opgestegen. De grond van deze kracht zien sommigen in de natuur van de vijfde wezenheid, die, naar men zegt, het licht is; ze beweren dan, dat deze tot de samenstelling van het menselijk lichaam behoort, en dat hierdoor de tegenstrijdige elementen tot een eenheid worden verzoend. Op zulk een wijze, dat in deze staat van sterfelijkheid de natuur der elementen in de menselijke lichamen overheerst; en daarom het menselijk lichaam overeenkomstig de natuur van het overheersende element uit natuurlijke kracht naar beneden neigt. In de toestand der glorie echter zal de hemelse natuur overheersen, en door haar neiging en kracht stijgen het lichaam van Christus en de andere lichamen der heiligen naar de hemel. Maar over deze opinie is gehandeld in het Eerste Deel (I. 76° Kw. 7° Art.) en zal later nog breeder gehandeld worden in het tractaat over de algemene verrijzenis (Suppl. 84° Kw. 1° Art.). Met voorbijzien van deze opinie echter, zoeken anderen de grond der voornoemde kracht in de verheerlijkte ziel, die haar heerlijkheid aan het lichaam meedeelt, zoals Augustinus zegt. Want het verheerlijkte lichaam zal zozeer gehoorzamen aan de zalige ziel, dat "waar de geest wil," zoals Augustinus zegt, "ook terstond het lichaam zijn zal, terwijl de geest niets zal willen, wat de geest en ook het lichaam niet passen kan." Het is nu passend, dat het verheerlijkte en onsterfelijke lichaam in de hemelplaats is, zoals gezegd is (1° Art. van deze Kw.). En derhalve steeg het lichaam van Christus naar de hemel uit kracht van de ziel, die dit wilde. Zoals echter het lichaam glorievol wordt uit meedeeling door de ziel, zo "wordt de ziel zalig door deelhebbing aan God," zoals Augustinus zegt. En daarom is de eerste oorsprong van de hemelvaart de goddelijke kracht. Zo steeg Christus derhalve ten hemel uit eigen kracht, vooreerst namelijk uit zijn goddelijke kracht, vervolgens uit kracht van de verheerlijkte ziel, die het lichaam beweegt, zoals het wil.
R: I q. 76 a. 7[t:ia q. 76 a. 7] q. 57 a. 1[t:iiia q. 57 a. 1]
Mijn antwoord. Christus heeft een tweevoudige natuur, namelijk een goddelijke en een menselijke. Vandaar kan men van een eigen kracht bij Hem spreken naar beide naturen. Naar de menselijke natuur kan men echter een dubbele kracht in Christus onderscheiden. Een natuurlijke, namelijk, die voortkomt uit het principe van de natuur. En het is duidelijk, dat Christus niet uit zulk een kracht naar de hemel is opgestegen. De andere kracht in de menselijke natuur van Christus is de kracht der glorie. In deze kracht is Christus ten hemel opgestegen. De grond van deze kracht zien sommigen in de natuur van de vijfde wezenheid, die, naar men zegt, het licht is; ze beweren dan, dat deze tot de samenstelling van het menselijk lichaam behoort, en dat hierdoor de tegenstrijdige elementen tot een eenheid worden verzoend. Op zulk een wijze, dat in deze staat van sterfelijkheid de natuur der elementen in de menselijke lichamen overheerst; en daarom het menselijk lichaam overeenkomstig de natuur van het overheersende element uit natuurlijke kracht naar beneden neigt. In de toestand der glorie echter zal de hemelse natuur overheersen, en door haar neiging en kracht stijgen het lichaam van Christus en de andere lichamen der heiligen naar de hemel. Maar over deze opinie is gehandeld in het Eerste Deel (I. 76° Kw. 7° Art.) en zal later nog breeder gehandeld worden in het tractaat over de algemene verrijzenis (Suppl. 84° Kw. 1° Art.). Met voorbijzien van deze opinie echter, zoeken anderen de grond der voornoemde kracht in de verheerlijkte ziel, die haar heerlijkheid aan het lichaam meedeelt, zoals Augustinus zegt. Want het verheerlijkte lichaam zal zozeer gehoorzamen aan de zalige ziel, dat "waar de geest wil," zoals Augustinus zegt, "ook terstond het lichaam zijn zal, terwijl de geest niets zal willen, wat de geest en ook het lichaam niet passen kan." Het is nu passend, dat het verheerlijkte en onsterfelijke lichaam in de hemelplaats is, zoals gezegd is (1° Art. van deze Kw.). En derhalve steeg het lichaam van Christus naar de hemel uit kracht van de ziel, die dit wilde. Zoals echter het lichaam glorievol wordt uit meedeeling door de ziel, zo "wordt de ziel zalig door deelhebbing aan God," zoals Augustinus zegt. En daarom is de eerste oorsprong van de hemelvaart de goddelijke kracht. Zo steeg Christus derhalve ten hemel uit eigen kracht, vooreerst namelijk uit zijn goddelijke kracht, vervolgens uit kracht van de verheerlijkte ziel, die het lichaam beweegt, zoals het wil.
R: I q. 76 a. 7[t:ia q. 76 a. 7] q. 57 a. 1[t:iiia q. 57 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Zoals wij van Christus zeggen, dat Hij verrezen is uit eigen kracht, en toch is opgewekt door de Vader, doordat de kracht van de Vader dezelfde is als van de Zoon, zo ook steeg Christus uit eigen kracht naar de hemel, en is Hij toch door de Vader verheven en opgenomen.
1e Weerlegging. Zoals wij van Christus zeggen, dat Hij verrezen is uit eigen kracht, en toch is opgewekt door de Vader, doordat de kracht van de Vader dezelfde is als van de Zoon, zo ook steeg Christus uit eigen kracht naar de hemel, en is Hij toch door de Vader verheven en opgenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Die redenering bewijst, dat Christus niet ten hemel steeg uit de eigen kracht, die de natuurlijke is van de menselijke natuur. Hij steeg echter uit de eigen kracht naar de hemel, die de goddelijke kracht is en uit een eigen kracht, die van de zalige ziel is. En hoewel het omhoog gaan tegen de natuur van het menselijk lichaam is, genomen in zijn tegenwoordige staat, waarin het lichaam niet geheel aan de geest onderworpen is, zal het toch niet tegennatuurlijk en ook niet gewelddadig zijn voor een verheerlijkt lichaam, waarvan de natuur geheel aan de geest onderworpen is.
2e Weerlegging. Die redenering bewijst, dat Christus niet ten hemel steeg uit de eigen kracht, die de natuurlijke is van de menselijke natuur. Hij steeg echter uit de eigen kracht naar de hemel, die de goddelijke kracht is en uit een eigen kracht, die van de zalige ziel is. En hoewel het omhoog gaan tegen de natuur van het menselijk lichaam is, genomen in zijn tegenwoordige staat, waarin het lichaam niet geheel aan de geest onderworpen is, zal het toch niet tegennatuurlijk en ook niet gewelddadig zijn voor een verheerlijkt lichaam, waarvan de natuur geheel aan de geest onderworpen is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Hoewel de goddelijke kracht oneindig is en in haar werking oneindig is, van de kant van de werker beschouwd, wordt toch het effect van zijn kracht in de dingen ontvangen naar hun bevattingsvermogen, en Gods beschikking. Een lichaam echter kan niet in een ogenblik plaatselijk bewogen worden, daar het zich moet meten aan de ruimte, naar wier verdeling de tijd verdeeld wordt, zoals staat in de Physica. En daarom is het niet nodig, dat een lichaam, dat door God bewogen wordt in een ogenblik wordt bewogen, maar dat het bewogen wordt met die snelheid, welke God beschikt.
3e Weerlegging. Hoewel de goddelijke kracht oneindig is en in haar werking oneindig is, van de kant van de werker beschouwd, wordt toch het effect van zijn kracht in de dingen ontvangen naar hun bevattingsvermogen, en Gods beschikking. Een lichaam echter kan niet in een ogenblik plaatselijk bewogen worden, daar het zich moet meten aan de ruimte, naar wier verdeling de tijd verdeeld wordt, zoals staat in de Physica. En daarom is het niet nodig, dat een lichaam, dat door God bewogen wordt in een ogenblik wordt bewogen, maar dat het bewogen wordt met die snelheid, welke God beschikt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Steeg Christus op boven alle hemelen?
IIIa q. 57 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet opsteeg boven alle hemelen. In het Boek der Psalmen (10. 5) immers wordt gezegd: "De Heer is in zijn heilige tempel, de Heer heeft zijn zetel in de hemel." Wat echter in de hemel is, is niet boven de hemel. Dus steeg Christus niet boven alle hemelen.
B: (Ps 10:5) [b:Ps 10:5]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus niet opsteeg boven alle hemelen. In het Boek der Psalmen (10. 5) immers wordt gezegd: "De Heer is in zijn heilige tempel, de Heer heeft zijn zetel in de hemel." Wat echter in de hemel is, is niet boven de hemel. Dus steeg Christus niet boven alle hemelen.
B: (Ps 10:5) [b:Ps 10:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Boven alle hemelen is geen plaats meer, zoals bewezen wordt in de Coelo. Elk lichaam echter moet in een plaats zijn. Dus steeg het lichaam van Christus niet boven alle hemels.
Vervolgens. Boven alle hemelen is geen plaats meer, zoals bewezen wordt in de Coelo. Elk lichaam echter moet in een plaats zijn. Dus steeg het lichaam van Christus niet boven alle hemels.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Twee lichamen kunnen niet in dezelfde plaats zijn. Daar er echter geen overgang is van het ene uiterste naar het andere, tenzij door het midden, kon Christus niet boven alle hemelen opstijgen, tenzij de hemel verdeeld werd, wat onmogelijk is.
Vervolgens. Twee lichamen kunnen niet in dezelfde plaats zijn. Daar er echter geen overgang is van het ene uiterste naar het andere, tenzij door het midden, kon Christus niet boven alle hemelen opstijgen, tenzij de hemel verdeeld werd, wat onmogelijk is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 4 arg. 4
Vervolgens. In de Handelingen der Apostelen (1. 9) wordt gezegd, dat "de wolk Hem aan hun ogen onttrok." Wolken echter kunnen niet boven de hemel verheven worden. Dus steeg Christus niet boven alle hemelen.
Vervolgens. In de Handelingen der Apostelen (1. 9) wordt gezegd, dat "de wolk Hem aan hun ogen onttrok." Wolken echter kunnen niet boven de hemel verheven worden. Dus steeg Christus niet boven alle hemelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in de Brief aan de Ephesiërs (4.10) gezegd wordt: "Hij steeg op boven alle hemelen, om alles te vervullen."
B: (Acts 1:9) [b:Acts 1:9]
Daartegenover staat echter, dat in de Brief aan de Ephesiërs (4.10) gezegd wordt: "Hij steeg op boven alle hemelen, om alles te vervullen."
B: (Acts 1:9) [b:Acts 1:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 4 co.
Mijn antwoord. Hoe volmaakter sommige lichamen aan de goddelijke goedheid deel hebben, des te hoger zijn zij verheven in de lichamelijke orde, welke de orde der plaats is. Vandaar zien wij, dat de lichamen, die een volmaaktere vorm bezitten, van nature ook hoger zijn, zoals blijkt uit de Wijsgeer: door zijn vorm immers heeft elk ding deel aan het goddelijke zijn, zoals blijkt uit de Physica. Een lichaam echter heeft meer deel aan de goddelijke goedheid door de glorie, dan welk natuurlijk lichaam ook door zijn natuurlijke vorm. Het is nu duidelijk, dat onder de andere verheerlijkte lichamen het lichaam van Christus van grotere heerlijkheid straalt. Vandaar komt het zeer passend eraan toe, dat het boven alle lichamen in de hoogte geplaatst werd. En daarom zegt de Glossa bij het gezegde in de Brief aan de Ephesiërs (4. 8): "Opstijgend in de hoogte": "in plaats en waardigheid."
Mijn antwoord. Hoe volmaakter sommige lichamen aan de goddelijke goedheid deel hebben, des te hoger zijn zij verheven in de lichamelijke orde, welke de orde der plaats is. Vandaar zien wij, dat de lichamen, die een volmaaktere vorm bezitten, van nature ook hoger zijn, zoals blijkt uit de Wijsgeer: door zijn vorm immers heeft elk ding deel aan het goddelijke zijn, zoals blijkt uit de Physica. Een lichaam echter heeft meer deel aan de goddelijke goedheid door de glorie, dan welk natuurlijk lichaam ook door zijn natuurlijke vorm. Het is nu duidelijk, dat onder de andere verheerlijkte lichamen het lichaam van Christus van grotere heerlijkheid straalt. Vandaar komt het zeer passend eraan toe, dat het boven alle lichamen in de hoogte geplaatst werd. En daarom zegt de Glossa bij het gezegde in de Brief aan de Ephesiërs (4. 8): "Opstijgend in de hoogte": "in plaats en waardigheid."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Van Gods zetel wordt gezegd, dat hij in de hemel staat, niet als in iets, waardoor hij omsloten wordt, maar veeleer als in iets, dat omsloten wordt. Daarom is het niet noodzakelijk, dat een deel van de hemel hoger dan deze is, maar dat Hijzelf boven alle hemelen is; zoals ook gezegd wordt in het Boek der Psalmen (8. 2): "Uwe heerlijkheid, o God, is boven alle hemelen".
B: (Eph 4:10) [b:Eph 4:10]
1e Weerlegging. Van Gods zetel wordt gezegd, dat hij in de hemel staat, niet als in iets, waardoor hij omsloten wordt, maar veeleer als in iets, dat omsloten wordt. Daarom is het niet noodzakelijk, dat een deel van de hemel hoger dan deze is, maar dat Hijzelf boven alle hemelen is; zoals ook gezegd wordt in het Boek der Psalmen (8. 2): "Uwe heerlijkheid, o God, is boven alle hemelen".
B: (Eph 4:10) [b:Eph 4:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Plaats heeft de betekenis van: omsluiten. Vandaar heeft datgene, wat allereerst omsluit, het karakter van het eerst-plaatsende, wat de eerste hemel is. De lichamen hebben dus in zoverre uiteraard een plaats nodig, als zij omgeven moeten worden door een hemellichaam. De verheerlijkte lichamen echter, en vooral het lichaam van Christus, heeft zulk een omsluiting niet nodig, daar het niets van de hemellichamen ontvangt, maar van God, middellijk door de ziel. Vandaar is er in het geheel geen bezwaar tegen, dat het lichaam van Christus buiten de gehele omsluiting der hemellichamen is, en dat het niet in een plaats is, waardoor het omsloten wordt. En toch is het niet nodig dat buiten de hemel een luchtledig is, wijl daar geen plaats is. Ook is daar niets, wat een lichaam vermag op te nemen, maar in Christus is het vermogen om daar te komen. Wat Aristoteles echter bewijst in de Coelo, dat er buiten de hemel geen lichaam is, moet men verstaan van de lichamen, die enkel in hun natuurlijke gesteltenis zijn, zoals uit de bewijsvoering blijkt.
B: (Eph 4:8) [b:Eph 4:8]
2e Weerlegging. Plaats heeft de betekenis van: omsluiten. Vandaar heeft datgene, wat allereerst omsluit, het karakter van het eerst-plaatsende, wat de eerste hemel is. De lichamen hebben dus in zoverre uiteraard een plaats nodig, als zij omgeven moeten worden door een hemellichaam. De verheerlijkte lichamen echter, en vooral het lichaam van Christus, heeft zulk een omsluiting niet nodig, daar het niets van de hemellichamen ontvangt, maar van God, middellijk door de ziel. Vandaar is er in het geheel geen bezwaar tegen, dat het lichaam van Christus buiten de gehele omsluiting der hemellichamen is, en dat het niet in een plaats is, waardoor het omsloten wordt. En toch is het niet nodig dat buiten de hemel een luchtledig is, wijl daar geen plaats is. Ook is daar niets, wat een lichaam vermag op te nemen, maar in Christus is het vermogen om daar te komen. Wat Aristoteles echter bewijst in de Coelo, dat er buiten de hemel geen lichaam is, moet men verstaan van de lichamen, die enkel in hun natuurlijke gesteltenis zijn, zoals uit de bewijsvoering blijkt.
B: (Eph 4:8) [b:Eph 4:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Ofschoon het niet tot de aard van een lichaam behoort, om met een ander lichaam in dezelfde plaats te zijn, kan God toch door een mirakel bewerken, dat het tegelijk met een ander lichaam op dezelfde plaats kan zijn, zoals Hij ook bewerkte, dat "het lichaam van Christus uit de schoot van de H. Maagd trad, terwijl deze gesloten bleef," en dat "Hij bij zijn leerlingen binnentrad, terwijl de deuren gesloten waren," zoals de H. Gregorius zegt. Het lichaam van Christus kan derhalve tegelijk met een ander lichaam in eenzelfde plaats zijn, niet krachtens een eigenschap van dat lichaam, maar door de helpende kracht van God, die dit uitwerkt.
B: (Ps 8:2) [b:Ps 8:2]
3e Weerlegging. Ofschoon het niet tot de aard van een lichaam behoort, om met een ander lichaam in dezelfde plaats te zijn, kan God toch door een mirakel bewerken, dat het tegelijk met een ander lichaam op dezelfde plaats kan zijn, zoals Hij ook bewerkte, dat "het lichaam van Christus uit de schoot van de H. Maagd trad, terwijl deze gesloten bleef," en dat "Hij bij zijn leerlingen binnentrad, terwijl de deuren gesloten waren," zoals de H. Gregorius zegt. Het lichaam van Christus kan derhalve tegelijk met een ander lichaam in eenzelfde plaats zijn, niet krachtens een eigenschap van dat lichaam, maar door de helpende kracht van God, die dit uitwerkt.
B: (Ps 8:2) [b:Ps 8:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. Die wolk verleende Christus geen hulp om op te stijgen bij wijze van voertuig; maar zij verscheen als teken van de Godheid, zoals de glorie van Israëls God in een wolk verscheen boven de tabernakel.
4e Weerlegging. Die wolk verleende Christus geen hulp om op te stijgen bij wijze van voertuig; maar zij verscheen als teken van de Godheid, zoals de glorie van Israëls God in een wolk verscheen boven de tabernakel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Steeg het lichaam van Christus boven elk geestelijk schepsel?
IIIa q. 57 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het lichaam van Christus niet boven elk geestelijk schepsel steeg. Tussen dingen immers welke niet onder hetzelfde opzicht worden genomen, kan men slecht een vergelijking maken. Plaats nu wordt niet om dezelfde reden toegekend aan de lichamelijke en geestelijke schepselen, zoals blijkt uit het gezegde in het Eerste Deel (I. 52e Kw. 1e Art.). Dus kan men niet zeggen, dat het lichaam van Christus boven elk geestelijk schepsel uitsteeg.
R: I q. 8 a. 2 ad 1[t:ia q. 8 a. 2 ad 1] I q. 8 a. 2 ad 2[t:ia q. 8 a. 2 ad 2] I q. 52 a. 1[t:ia q. 52 a. 1]
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het lichaam van Christus niet boven elk geestelijk schepsel steeg. Tussen dingen immers welke niet onder hetzelfde opzicht worden genomen, kan men slecht een vergelijking maken. Plaats nu wordt niet om dezelfde reden toegekend aan de lichamelijke en geestelijke schepselen, zoals blijkt uit het gezegde in het Eerste Deel (I. 52e Kw. 1e Art.). Dus kan men niet zeggen, dat het lichaam van Christus boven elk geestelijk schepsel uitsteeg.
R: I q. 8 a. 2 ad 1[t:ia q. 8 a. 2 ad 1] I q. 8 a. 2 ad 2[t:ia q. 8 a. 2 ad 2] I q. 52 a. 1[t:ia q. 52 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Augustinus zegt, dat "een geest het wint van elk lichaam." Een edeler ding komt nu ook een hogere plaats toe. Dus steeg Christus niet uit boven elke geestelijke schepsel.
Vervolgens. Augustinus zegt, dat "een geest het wint van elk lichaam." Een edeler ding komt nu ook een hogere plaats toe. Dus steeg Christus niet uit boven elke geestelijke schepsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 5 arg. 3
Vervolgens. In iedere plaats is een of ander lichaam, daar in de natuur geen luchtledig is. Als derhalve in de orde der natuurlijke lichamen geen enkel lichaam een hogere plaats verkrijgt dan een geest, dan is er geen plaats boven elke geestelijke schepsel. Dus kon het lichaam van Christus niet boven elke geestelijke schepsel uitstijgen.
Vervolgens. In iedere plaats is een of ander lichaam, daar in de natuur geen luchtledig is. Als derhalve in de orde der natuurlijke lichamen geen enkel lichaam een hogere plaats verkrijgt dan een geest, dan is er geen plaats boven elke geestelijke schepsel. Dus kon het lichaam van Christus niet boven elke geestelijke schepsel uitstijgen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in de Brief aan de Ephesiërs (1. 20, 21) gezegd wordt: "Hij stelde Hem boven alle vorstendommen en machten, en boven elke naam, die genoemd wordt hetzij in deze wereld, hetzij in de toekomstige."
B: (Eph 1:21) [b:Eph 1:21]
Daartegenover staat echter, dat in de Brief aan de Ephesiërs (1. 20, 21) gezegd wordt: "Hij stelde Hem boven alle vorstendommen en machten, en boven elke naam, die genoemd wordt hetzij in deze wereld, hetzij in de toekomstige."
B: (Eph 1:21) [b:Eph 1:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 5 co.
Mijn antwoord. Naarmate iets edeler is, komt er een hogere plaats aan toe; hetzij het een plaats moet hebben bij wijze van lichamelijk contact, zoals de lichamen; hetzij bij wijze van geestelijk contact, zoals de geestelijke substanties. Aan de geestelijke substanties komt immers hierom uit een zekere gepastheid de hemelse plaats toe, die de hoogste van alle plaatsen is omdat deze substanties de hoogste zijn in de orde der substanties. Ofschoon het lichaam van Christus nu lager staat dan de geestelijke substanties, in aanmerking genomen de eigenschappen der lichamelijke natuur, overtreft het toch in waardigheid alle geestelijke substanties, wanneer men de verhevenheid der vereniging in aanmerking neemt, waardoor het met God in persoon verenigd is. En daarom komt om de voornoemde passende reden daaraan een plaats toe, die hoger is boven elk schepsel, ook boven het geestelijke. Daarom ook zegt Gregorius dat "Hij, die alles gemaakt had, door zijn kracht boven alles gevoerd werd."
Mijn antwoord. Naarmate iets edeler is, komt er een hogere plaats aan toe; hetzij het een plaats moet hebben bij wijze van lichamelijk contact, zoals de lichamen; hetzij bij wijze van geestelijk contact, zoals de geestelijke substanties. Aan de geestelijke substanties komt immers hierom uit een zekere gepastheid de hemelse plaats toe, die de hoogste van alle plaatsen is omdat deze substanties de hoogste zijn in de orde der substanties. Ofschoon het lichaam van Christus nu lager staat dan de geestelijke substanties, in aanmerking genomen de eigenschappen der lichamelijke natuur, overtreft het toch in waardigheid alle geestelijke substanties, wanneer men de verhevenheid der vereniging in aanmerking neemt, waardoor het met God in persoon verenigd is. En daarom komt om de voornoemde passende reden daaraan een plaats toe, die hoger is boven elk schepsel, ook boven het geestelijke. Daarom ook zegt Gregorius dat "Hij, die alles gemaakt had, door zijn kracht boven alles gevoerd werd."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Ofschoon een plaats om een andere reden aan een lichamelijke, als aan een geestelijke substantie wordt toegekend, hebben beide beschouwingen toch dit gemeen, dat aan iets van meer waardigheid een hogere plaats wordt toegekend.
1e Weerlegging. Ofschoon een plaats om een andere reden aan een lichamelijke, als aan een geestelijke substantie wordt toegekend, hebben beide beschouwingen toch dit gemeen, dat aan iets van meer waardigheid een hogere plaats wordt toegekend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Die redenering neemt als uitgangspunt Christus’ lichaam, beschouwd naar de eigenschappen van zijn lichamelijke natuur, en niet naar de vereniging.
2e Weerlegging. Die redenering neemt als uitgangspunt Christus’ lichaam, beschouwd naar de eigenschappen van zijn lichamelijke natuur, en niet naar de vereniging.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Men kan die vergelijking nemen ofwel onder het opzicht van plaatsen, en zo opgevat is er geen plaats die zo hoog is, dat zij de waardigheid van een geestelijke substantie overtreft, en hier gaat de bedenking van uit. Ofwel naar de waardigheid van de dingen, waaraan de plaats wordt toegeschreven. En zo komt het aan het lichaam van Christus toe, om boven de geestelijke schepselen te staan.
3e Weerlegging. Men kan die vergelijking nemen ofwel onder het opzicht van plaatsen, en zo opgevat is er geen plaats die zo hoog is, dat zij de waardigheid van een geestelijke substantie overtreft, en hier gaat de bedenking van uit. Ofwel naar de waardigheid van de dingen, waaraan de plaats wordt toegeschreven. En zo komt het aan het lichaam van Christus toe, om boven de geestelijke schepselen te staan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Is de hemelvaart van Christus oorzaak van ons heil?
IIIa q. 57 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de hemelvaart van Christus geen oorzaak van ons heil is. Christus was immers oorzaak van ons heil, doordat Hij ons heil verdiend heeft. Door zijn hemelvaart echter heeft Hij niets voor ons verdiend, daar zijn hemelvaart behoort bij de beloning van zijn verheffing; de verdienste is niet hetzelfde als de beloning, zoals de weg ook niet hetzelfde is als het eindpunt. Dus is de hemelvaart van Christus geen oorzaak van ons heil.
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de hemelvaart van Christus geen oorzaak van ons heil is. Christus was immers oorzaak van ons heil, doordat Hij ons heil verdiend heeft. Door zijn hemelvaart echter heeft Hij niets voor ons verdiend, daar zijn hemelvaart behoort bij de beloning van zijn verheffing; de verdienste is niet hetzelfde als de beloning, zoals de weg ook niet hetzelfde is als het eindpunt. Dus is de hemelvaart van Christus geen oorzaak van ons heil.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Als de hemelvaart van Christus oorzaak van ons heil is, dan zal dit allermeest hierin bestaan, dat zijn hemelvaart oorzaak is van onze hemelvaart. Deze is ons echter geschonken door zijn lijden, aangezien, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreeën (10. 19) "wij hoop hebben op onze intrede bij de heiligen door zijn bloed". Dus was de hemelvaart van Christus geen oorzaak van ons heil.
B: (Heb 10:19) [b:Heb 10:19]
Vervolgens. Als de hemelvaart van Christus oorzaak van ons heil is, dan zal dit allermeest hierin bestaan, dat zijn hemelvaart oorzaak is van onze hemelvaart. Deze is ons echter geschonken door zijn lijden, aangezien, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreeën (10. 19) "wij hoop hebben op onze intrede bij de heiligen door zijn bloed". Dus was de hemelvaart van Christus geen oorzaak van ons heil.
B: (Heb 10:19) [b:Heb 10:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Het heil, door Christus ons geschonken, is eeuwig, zoals gezegd wordt bij Isaïas (51. 6): "Mijn heil zal in eeuwigheid duren". Christus echter steeg niet ten hemel, om daar voor altijd te zijn; want in de Handelingen der Apostelen (1. 11) wordt gezegd: "Zoals gij Hem hebt zien opstijgen in de hemel, zo zal Hij wederkeren". Wij lezen ook van Hem, dat Hij aan vele heiligen zich op aarde vertoond heeft na zijn hemelvaart, zoals wij lezen van Paulus in de Handelingen der Apostelen (hoofdstuk 9). Dus is zijn hemelvaart geen oorzaak van ons heil.
B: (Isa 51:6) [b:Isa 51:6] (Acts 1:11) [b:Acts 1:11] (Acts 9) [b:Acts 9]
Vervolgens. Het heil, door Christus ons geschonken, is eeuwig, zoals gezegd wordt bij Isaïas (51. 6): "Mijn heil zal in eeuwigheid duren". Christus echter steeg niet ten hemel, om daar voor altijd te zijn; want in de Handelingen der Apostelen (1. 11) wordt gezegd: "Zoals gij Hem hebt zien opstijgen in de hemel, zo zal Hij wederkeren". Wij lezen ook van Hem, dat Hij aan vele heiligen zich op aarde vertoond heeft na zijn hemelvaart, zoals wij lezen van Paulus in de Handelingen der Apostelen (hoofdstuk 9). Dus is zijn hemelvaart geen oorzaak van ons heil.
B: (Isa 51:6) [b:Isa 51:6] (Acts 1:11) [b:Acts 1:11] (Acts 9) [b:Acts 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Hijzelf bij Johannes (16. 7) zegt: "Het is nuttig voor u, dat Ik heenga," d. i. "dat Ik van u wegga door op te stijgen".
B: (John 16:7) [b:John 16:7]
Daartegenover staat echter, dat Hijzelf bij Johannes (16. 7) zegt: "Het is nuttig voor u, dat Ik heenga," d. i. "dat Ik van u wegga door op te stijgen".
B: (John 16:7) [b:John 16:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 6 co.
Mijn antwoord. De hemelvaart van Christus is op dubbele wijze oorzaak van ons heil: vooreerst van onze kant; vervolgens van zijn kant. — En wel van onze kant in zover door Christus’ hemelvaart onze geest tot Hem wordt gevoerd. Want door zijn hemelvaart wordt, zoals boven gezegd is (1° Art. van deze Kw. 3° Antw.) vooreerst plaats geboden voor het geloof, ten tweede voor de hoop, ten derde voor de liefde. Op de vierde plaats wordt ook hierdoor onze eerbied voor Hem groter, doordat wij Hem niet meer beschouwen als een mens deze aarde, maar als de God van de hemel; zoals ook de Apostel zegt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (5. 16): "Al hebben wij Christus ook leren kennen naar zijn vlees", "d. i. als sterfelijk, waardoor wij Hem slechts beschouwen als mens", zoals de Glossa uitlegt, "toch kennen wij Hem nu nog niet." — Vervolgens van zijn kant: om de dingen, die Hijzelf deed, toen Hij tot ons heil ten hemel steeg. Vooreerst heeft Hij ons een weg bereid om naar de hemel op te stijgen, zoals Hijzelf bij Joannes (14. 2) zegt: "Ik ga u een plaats bereiden;" en Micheas (2. 13): "Hij steeg op, een weg voor hen bereidend." Want daar Hij zelf ons hoofd is, moeten de ledematen volgen, daar waar het hoofd is voorgegaan; vandaar wordt bij Joannes (14. 3) gezegd: "Opdat waar Ik ben, ook zij mogen zijn." En tot teken hiervan bracht Hij de zielen der heiligen, die Hij uit het voorgeborchte der hel gevoerd had, over naar de hemel, naar het woord in het Boek der Psalmen (67. 19): "Christus opstijgend in de hoogte, voerde de gevangenschap gevangen" (Eph. 4. 8), daar Hij nl. degenen, die door de duivel gevangen waren, met zich mede voerde naar de hemel, als naar een plaats, die uitheemsch is voor de menselijke natuur, hen nl., die bij een goede vangst gevangen waren, want ze werden buitgemaakt door zijn overwinning. Ten tweede, omdat Christus, evenals de hoogepriester in het O. Testament in het heiligdom binnentrad, om te staan voor God in het belang van het volk, zo ook in de hemel binnenging "om voor ons te smeeken", zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreeën (7. 25). Want zijn verschijning zelf in zijn menselijke natuur, welke Hij in de hemel binnenbracht, is een tusschenkomst voor ons, opdat God, nu Hij de menselijke natuur zo in Christus verheven heeft, ook zich ontfermen zou over hen, voor wie de Zoon Gods de menselijke natuur heeft aangenomen. Ten derde, om, nu Hij als God en Heer geplaatst is op zijn hemeltroon, van daaruit goddelijke gaven aan de mensen te zenden, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Ephesiërs (4. 10): "Hij steeg op boven alle hemelen, om alles te vervullen", nl. "met zijn gaven", zoals de Glossa zegt.
R: q. 57 a. 1 ad 3[t:iiia q. 57 a. 1 ad 3]
Mijn antwoord. De hemelvaart van Christus is op dubbele wijze oorzaak van ons heil: vooreerst van onze kant; vervolgens van zijn kant. — En wel van onze kant in zover door Christus’ hemelvaart onze geest tot Hem wordt gevoerd. Want door zijn hemelvaart wordt, zoals boven gezegd is (1° Art. van deze Kw. 3° Antw.) vooreerst plaats geboden voor het geloof, ten tweede voor de hoop, ten derde voor de liefde. Op de vierde plaats wordt ook hierdoor onze eerbied voor Hem groter, doordat wij Hem niet meer beschouwen als een mens deze aarde, maar als de God van de hemel; zoals ook de Apostel zegt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (5. 16): "Al hebben wij Christus ook leren kennen naar zijn vlees", "d. i. als sterfelijk, waardoor wij Hem slechts beschouwen als mens", zoals de Glossa uitlegt, "toch kennen wij Hem nu nog niet." — Vervolgens van zijn kant: om de dingen, die Hijzelf deed, toen Hij tot ons heil ten hemel steeg. Vooreerst heeft Hij ons een weg bereid om naar de hemel op te stijgen, zoals Hijzelf bij Joannes (14. 2) zegt: "Ik ga u een plaats bereiden;" en Micheas (2. 13): "Hij steeg op, een weg voor hen bereidend." Want daar Hij zelf ons hoofd is, moeten de ledematen volgen, daar waar het hoofd is voorgegaan; vandaar wordt bij Joannes (14. 3) gezegd: "Opdat waar Ik ben, ook zij mogen zijn." En tot teken hiervan bracht Hij de zielen der heiligen, die Hij uit het voorgeborchte der hel gevoerd had, over naar de hemel, naar het woord in het Boek der Psalmen (67. 19): "Christus opstijgend in de hoogte, voerde de gevangenschap gevangen" (Eph. 4. 8), daar Hij nl. degenen, die door de duivel gevangen waren, met zich mede voerde naar de hemel, als naar een plaats, die uitheemsch is voor de menselijke natuur, hen nl., die bij een goede vangst gevangen waren, want ze werden buitgemaakt door zijn overwinning. Ten tweede, omdat Christus, evenals de hoogepriester in het O. Testament in het heiligdom binnentrad, om te staan voor God in het belang van het volk, zo ook in de hemel binnenging "om voor ons te smeeken", zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreeën (7. 25). Want zijn verschijning zelf in zijn menselijke natuur, welke Hij in de hemel binnenbracht, is een tusschenkomst voor ons, opdat God, nu Hij de menselijke natuur zo in Christus verheven heeft, ook zich ontfermen zou over hen, voor wie de Zoon Gods de menselijke natuur heeft aangenomen. Ten derde, om, nu Hij als God en Heer geplaatst is op zijn hemeltroon, van daaruit goddelijke gaven aan de mensen te zenden, overeenkomstig het woord in de Brief aan de Ephesiërs (4. 10): "Hij steeg op boven alle hemelen, om alles te vervullen", nl. "met zijn gaven", zoals de Glossa zegt.
R: q. 57 a. 1 ad 3[t:iiia q. 57 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. De hemelvaart van Christus is oorzaak van ons heil, niet bij wijze van verdienste maar op uitwerkende wijze, zoals boven van zijn verrijzenis gezegd is (vorige Kw. 1° Art. 3° en 4° Antw.).
B: (2Cor 5:16) [b:2Cor 5:16]
R: q. 56 a. 1 ad 3[t:iiia q. 56 a. 1 ad 3] q. 56 a. 1 ad 4[t:iiia q. 56 a. 1 ad 4]
1e Weerlegging. De hemelvaart van Christus is oorzaak van ons heil, niet bij wijze van verdienste maar op uitwerkende wijze, zoals boven van zijn verrijzenis gezegd is (vorige Kw. 1° Art. 3° en 4° Antw.).
B: (2Cor 5:16) [b:2Cor 5:16]
R: q. 56 a. 1 ad 3[t:iiia q. 56 a. 1 ad 3] q. 56 a. 1 ad 4[t:iiia q. 56 a. 1 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Het lijden van Christus is eigenlijk gezegd oorzaak van onze hemelvaart door de zonde weg te nemen, die ons tegenhoudt, en bij wijze van verdienste. De hemelvaart van Christus echter is direct oorzaak van onze hemelvaart, daar zij deze om zo te zeggen al laat beginnen met ons hoofd, waarmede de ledematen moeten verbonden worden.
B: (Ps 67, Ps 67:19) [b:Ps 67] (John 14:2) [b:John 14:2] (John 14:3) [b:John 14:3] (Eph 4:8) [b:Eph 4:8]
2e Weerlegging. Het lijden van Christus is eigenlijk gezegd oorzaak van onze hemelvaart door de zonde weg te nemen, die ons tegenhoudt, en bij wijze van verdienste. De hemelvaart van Christus echter is direct oorzaak van onze hemelvaart, daar zij deze om zo te zeggen al laat beginnen met ons hoofd, waarmede de ledematen moeten verbonden worden.
B: (Ps 67, Ps 67:19) [b:Ps 67] (John 14:2) [b:John 14:2] (John 14:3) [b:John 14:3] (Eph 4:8) [b:Eph 4:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 57 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Door eenmaal ten hemel op te stijgen, heeft Christus voor zichzelf en voor ons voor altijd het recht op het verblijf in de hemel gekregen en de waardigheid daarvan. Deze waardigheid wordt echter niet verkleind, als om een of andere beschikking Christus soms lichamelijk naar de aarde afdaalt, hetzij om zich aan allen te vertonen, zoals bij het oordeel; hetzij om zich aan iemand afzonderlijk te vertonen, zoals aan Paulus, gelijk wij lezen in de Handelingen der Apostelen (9). En opdat nu niet iemand meende zou, dat dit niet gebeurd is door de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus aldaar, maar door een of andere verschijning, blijkt het tegengestelde uit hetgeen de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 8), om het geloof in de verrijzenis te versterken: "Ten laatste van allen is Hij ook aan mij verschenen, als aan een misgeborene." Deze verschijning zou immers de echtheid zijner verrijzenis niet bewijzen, tenzij het werkelijke lichaam van Christus door hem gezien was.
B: (Eph 4:10) [b:Eph 4:10] (Heb 7:25) [b:Heb 7:25]
3e Weerlegging. Door eenmaal ten hemel op te stijgen, heeft Christus voor zichzelf en voor ons voor altijd het recht op het verblijf in de hemel gekregen en de waardigheid daarvan. Deze waardigheid wordt echter niet verkleind, als om een of andere beschikking Christus soms lichamelijk naar de aarde afdaalt, hetzij om zich aan allen te vertonen, zoals bij het oordeel; hetzij om zich aan iemand afzonderlijk te vertonen, zoals aan Paulus, gelijk wij lezen in de Handelingen der Apostelen (9). En opdat nu niet iemand meende zou, dat dit niet gebeurd is door de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus aldaar, maar door een of andere verschijning, blijkt het tegengestelde uit hetgeen de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 8), om het geloof in de verrijzenis te versterken: "Ten laatste van allen is Hij ook aan mij verschenen, als aan een misgeborene." Deze verschijning zou immers de echtheid zijner verrijzenis niet bewijzen, tenzij het werkelijke lichaam van Christus door hem gezien was.
B: (Eph 4:10) [b:Eph 4:10] (Heb 7:25) [b:Heb 7:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 58: Over het zitten van Christus aan de rechterhand des Vaders
IIIa q. 58 pr.
Vervolgens moeten wij handelen over het zitten van Christus aan de rechterhand van de Vader; en hieromtrent stellen wij vier vragen:
1. Zit Christus aan de rechterhand van God de Vader?
2. Komt Hem dit toe krachtens zijn goddelijke natuur?
3. Komt Hem dit toe krachtens zijn menselijke natuur?
4. Is dit iets eigens van Christus?
Vervolgens moeten wij handelen over het zitten van Christus aan de rechterhand van de Vader; en hieromtrent stellen wij vier vragen:
1. Zit Christus aan de rechterhand van God de Vader?
2. Komt Hem dit toe krachtens zijn goddelijke natuur?
3. Komt Hem dit toe krachtens zijn menselijke natuur?
4. Is dit iets eigens van Christus?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Komt het Christus toe te zitten aan de rechterhand van God de Vader?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 58 a. 2 co.
IIIa q. 58 a. 2 co.[t:iiia q. 58 a. 2 co.][t:iiia q. 58 a. 2 co.]
IIIa q. 58 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het Christus niet toekomt te zitten aan de rechterhand van God de Vader. Rechts en links zijn verschillen van lichamelijke standen. Aan God echter komt niets lichamelijks toe, daar "God geest is," zoals staat bij Joannes (4. 24). Dus zit Christus niet aan de rechterhand van de Vader.
B: (John 4:24, John 4:24) [b:John 4:24]
IIIa q. 58 a. 2 co.
IIIa q. 58 a. 2 co.[t:iiia q. 58 a. 2 co.][t:iiia q. 58 a. 2 co.]
IIIa q. 58 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het Christus niet toekomt te zitten aan de rechterhand van God de Vader. Rechts en links zijn verschillen van lichamelijke standen. Aan God echter komt niets lichamelijks toe, daar "God geest is," zoals staat bij Joannes (4. 24). Dus zit Christus niet aan de rechterhand van de Vader.
B: (John 4:24, John 4:24) [b:John 4:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Als men aan de rechterhand van iemand zit, dan zit die ander aan diens linker. Als Christus derhalve aan de rechterhand des Vaders zit, dan volgt daaruit, dat de Vader zit aan de linkerhand van de Zoon. Dit is echter niet passend.
Vervolgens. Als men aan de rechterhand van iemand zit, dan zit die ander aan diens linker. Als Christus derhalve aan de rechterhand des Vaders zit, dan volgt daaruit, dat de Vader zit aan de linkerhand van de Zoon. Dit is echter niet passend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Zitten en staan zijn tegengesteld aan elkaar. Stephanus nu zegt in de Handelingen der Apostelen (7. 55): "Zie, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand der kracht Gods." Dus zit Christus niet aan de rechterhand des Vaders.
B: (Acts 7:55) [b:Acts 7:55]
Vervolgens. Zitten en staan zijn tegengesteld aan elkaar. Stephanus nu zegt in de Handelingen der Apostelen (7. 55): "Zie, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand der kracht Gods." Dus zit Christus niet aan de rechterhand des Vaders.
B: (Acts 7:55) [b:Acts 7:55]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Marcus (16. 19) gezegd wordt: "De Heer Jesus nu, is, nadat Hij tot hen gesproken had, ten hemel opgeklommen, en zit aan de rechterhand Gods."
Daartegenover staat echter, dat bij Marcus (16. 19) gezegd wordt: "De Heer Jesus nu, is, nadat Hij tot hen gesproken had, ten hemel opgeklommen, en zit aan de rechterhand Gods."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 1 co.
Mijn antwoord. In het woord zetelen kan men twee dingen beschouwen, nl. de rust, volgens het gezegde in Lucas (24. 49): "Blijft in de stad," en ook de koninklijke of rechterlijke macht, overeenkomstig het gezegde in het Boek der Spreuken (20. 8): "De koning, die zit op zijn rechterstoel, vernietigt alle kwaad door zijn blik". Op beide wijzen nu komt het Christus toe te zitten aan de rechterhand van de Vader. — En wel vooreerst, in zover Hij eeuwig ongestoord blijft in de zaligheid van de Vader, welke zijn rechterhand genoemd wordt, overeenkomstig het woord in het Boek der Psalmen (15. 11): "De genietingen in uw rechterhand ten einde toe." Daarom zegt Augustinus: "Hij zit aan de rechterhand van de Vader." Zitten, "wonen," ziet eens, hoe wij dit zeggen van iedereen: hij heeft drie jaar in dat land gezeten. Geloof dan, dat Christus zo huist aan de rechterhand van God de Vader; Hij is immers zalig, en de rechterhand des Vaders is de naam voor zijn zaligheid." — Vervolgens zeggen wij, dat Christus aan de rechterhand van God de Vader zit, in zover Hij met de Vader mede regeert, en van Hem de oordeelsmacht heeft; zoals ook hij die naast de koning zit aan zijn rechterhand, hem bijstaat in het besturen en oordelen. Vandaar zegt Augustinus: "Onder die rechterhand moet gij verstaan de macht, welke die door God aangenomen mens ontvangen heeft, opdat Hij zou komen oordelen, die eerst gekomen was om geoordeeld te worden."
B: (Ps 15, Ps 15:11) [b:Ps 15] (Prov 20:8) [b:Prov 20:8] (Luke 24:49) [b:Luke 24:49]
Mijn antwoord. In het woord zetelen kan men twee dingen beschouwen, nl. de rust, volgens het gezegde in Lucas (24. 49): "Blijft in de stad," en ook de koninklijke of rechterlijke macht, overeenkomstig het gezegde in het Boek der Spreuken (20. 8): "De koning, die zit op zijn rechterstoel, vernietigt alle kwaad door zijn blik". Op beide wijzen nu komt het Christus toe te zitten aan de rechterhand van de Vader. — En wel vooreerst, in zover Hij eeuwig ongestoord blijft in de zaligheid van de Vader, welke zijn rechterhand genoemd wordt, overeenkomstig het woord in het Boek der Psalmen (15. 11): "De genietingen in uw rechterhand ten einde toe." Daarom zegt Augustinus: "Hij zit aan de rechterhand van de Vader." Zitten, "wonen," ziet eens, hoe wij dit zeggen van iedereen: hij heeft drie jaar in dat land gezeten. Geloof dan, dat Christus zo huist aan de rechterhand van God de Vader; Hij is immers zalig, en de rechterhand des Vaders is de naam voor zijn zaligheid." — Vervolgens zeggen wij, dat Christus aan de rechterhand van God de Vader zit, in zover Hij met de Vader mede regeert, en van Hem de oordeelsmacht heeft; zoals ook hij die naast de koning zit aan zijn rechterhand, hem bijstaat in het besturen en oordelen. Vandaar zegt Augustinus: "Onder die rechterhand moet gij verstaan de macht, welke die door God aangenomen mens ontvangen heeft, opdat Hij zou komen oordelen, die eerst gekomen was om geoordeeld te worden."
B: (Ps 15, Ps 15:11) [b:Ps 15] (Prov 20:8) [b:Prov 20:8] (Luke 24:49) [b:Luke 24:49]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Zoals Damascenus zegt, "verstaan wij de rechterhand des Vaders niet plaatselijk; want hoe zou Hij, die niet omsloten kan worden, een plaats aan zijn rechterhand hebben? Rechts en links is er immers bij die dingen, die omsloten worden. De rechterhand des Vaders echter noemen wij de glorie en de eer van de Godheid."
1e Weerlegging. Zoals Damascenus zegt, "verstaan wij de rechterhand des Vaders niet plaatselijk; want hoe zou Hij, die niet omsloten kan worden, een plaats aan zijn rechterhand hebben? Rechts en links is er immers bij die dingen, die omsloten worden. De rechterhand des Vaders echter noemen wij de glorie en de eer van de Godheid."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Die redenering gaat hiervan uit, dat zitten aan de rechterhand lichamelijk genomen wordt. Daarom zegt Augustinus: "Indien wij dit vleselijk opvatten, dat Christus zit aan de rechterhand van de Vader, dan zou deze aan de linkerhand zitten. Daar echter," nl. in de eeuwige gelukzaligheid, "is alles rechts, wijl daar geen ellende is."
2e Weerlegging. Die redenering gaat hiervan uit, dat zitten aan de rechterhand lichamelijk genomen wordt. Daarom zegt Augustinus: "Indien wij dit vleselijk opvatten, dat Christus zit aan de rechterhand van de Vader, dan zou deze aan de linkerhand zitten. Daar echter," nl. in de eeuwige gelukzaligheid, "is alles rechts, wijl daar geen ellende is."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Gregorius zegt, "is zitten het eigene van hem, die oordeelt, staan echter van hem, die strijdt of helpt. Stephanus derhalve, in de moeilijkheid van de strijd geplaatst, ziet Hem staande, die hij als helper had. Maar na zijn hemelvaart wordt Hij door Marcus beschreven als zittend, wijl Hij na de glorie van zijn hemelvaart op het eind als rechter zal verschijnen."
3e Weerlegging. Zoals Gregorius zegt, "is zitten het eigene van hem, die oordeelt, staan echter van hem, die strijdt of helpt. Stephanus derhalve, in de moeilijkheid van de strijd geplaatst, ziet Hem staande, die hij als helper had. Maar na zijn hemelvaart wordt Hij door Marcus beschreven als zittend, wijl Hij na de glorie van zijn hemelvaart op het eind als rechter zal verschijnen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Komt het zitten aan Gods rechterhand aan Christus toe in zoverre Hij God is?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 58 a. 3 co.[t:iiia q. 58 a. 3 co.]
IIIa q. 58 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Christus is immers, in zover Hij God is, de rechterhand des Vaders. De rechterhand van iemand nu schijnt niet dezelfde te zijn, als wie zit aan zijn rechterhand. Dus zit Christus niet als God aan de rechterhand van de Vader.
IIIa q. 58 a. 3 co.[t:iiia q. 58 a. 3 co.]
IIIa q. 58 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Christus is immers, in zover Hij God is, de rechterhand des Vaders. De rechterhand van iemand nu schijnt niet dezelfde te zijn, als wie zit aan zijn rechterhand. Dus zit Christus niet als God aan de rechterhand van de Vader.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Bij Marcus (16. 19) wordt gezegd, dat "de Heer Jezus opgenomen is ten hemel en zit aan de rechterhand van God." Christus nu is niet ten hemel opgenomen in zover Hij God is. Dus zit Hij ook niet als God aan de rechterhand van God.
Vervolgens. Bij Marcus (16. 19) wordt gezegd, dat "de Heer Jezus opgenomen is ten hemel en zit aan de rechterhand van God." Christus nu is niet ten hemel opgenomen in zover Hij God is. Dus zit Hij ook niet als God aan de rechterhand van God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 2 arg. 3
Vervolgens. In zover Christus God is, is Hij gelijk aan de Vader en de H. Geest. Dus als Christus in zover Hij God is aan de rechterhand van de Vader zit, dan zal ook om dezelfde reden de H. Geest aan de rechterhand van de Vader en de Zoon zitten, en de Vader zelf aan de rechterhand van de Zoon en de H. Geest. Dit wordt echter nergens gevonden.
Vervolgens. In zover Christus God is, is Hij gelijk aan de Vader en de H. Geest. Dus als Christus in zover Hij God is aan de rechterhand van de Vader zit, dan zal ook om dezelfde reden de H. Geest aan de rechterhand van de Vader en de Zoon zitten, en de Vader zelf aan de rechterhand van de Zoon en de H. Geest. Dit wordt echter nergens gevonden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt, dat "wij de glorie en de eer van de Godheid de rechterhand des Vaders noemen, die de Zoon Gods als God en een van wezen met de Vader, voor alle eeuwen bezat."
Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt, dat "wij de glorie en de eer van de Godheid de rechterhand des Vaders noemen, die de Zoon Gods als God en een van wezen met de Vader, voor alle eeuwen bezat."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals uit het bovengezegde blijkt (vorig Art.), kan men onder de uitdrukking "de rechterhand" drie dingen verstaan: vooreerst, met Damascenus, de "glorie der Godheid"; vervolgens, met Augustinus, de "zaligheid van de Vader"; ten derde, met dezelfde, de "oordeelsmacht". Het zetelen echter betekent, zoals gezegd is (vorig Art.), ofwel de verblijfplaats, ofwel de koninklijke of rechterlijke waardigheid. Vandaar dat zetelen aan de rechterhand van de Vader niets anders betekent, dan gelijk met de Vader de glorie der Godheid hebben, en de zaligheid en de oordeelsmacht, en dit onveranderlijk en op koninklijke wijze. Dit komt echter de Zoon Gods toe, in zover Hij God is. Vandaar is het duidelijk, dat Christus als God zit aan de rechterhand van de Vader, zo echter, dat dit voor-zetsel "aan", dat een overdracht aangeeft, alleen maar een persoonlijk onderscheid inhoudt en een oorsprongsordening, maar geen graad in natuur of waardigheid, welke bij de goddelijke personen niet bestaat, zoals gezegd is in het Eerste Deel (I. 42° Kw. 3° en 4° Art.).
R: q. 58 a. 1[t:iiia q. 58 a. 1] q. 58 a. 1[t:iiia q. 58 a. 1] I q. 42 a. 3[t:ia q. 42 a. 3] I q. 42 a. 4[t:ia q. 42 a. 4]
Mijn antwoord. Zoals uit het bovengezegde blijkt (vorig Art.), kan men onder de uitdrukking "de rechterhand" drie dingen verstaan: vooreerst, met Damascenus, de "glorie der Godheid"; vervolgens, met Augustinus, de "zaligheid van de Vader"; ten derde, met dezelfde, de "oordeelsmacht". Het zetelen echter betekent, zoals gezegd is (vorig Art.), ofwel de verblijfplaats, ofwel de koninklijke of rechterlijke waardigheid. Vandaar dat zetelen aan de rechterhand van de Vader niets anders betekent, dan gelijk met de Vader de glorie der Godheid hebben, en de zaligheid en de oordeelsmacht, en dit onveranderlijk en op koninklijke wijze. Dit komt echter de Zoon Gods toe, in zover Hij God is. Vandaar is het duidelijk, dat Christus als God zit aan de rechterhand van de Vader, zo echter, dat dit voor-zetsel "aan", dat een overdracht aangeeft, alleen maar een persoonlijk onderscheid inhoudt en een oorsprongsordening, maar geen graad in natuur of waardigheid, welke bij de goddelijke personen niet bestaat, zoals gezegd is in het Eerste Deel (I. 42° Kw. 3° en 4° Art.).
R: q. 58 a. 1[t:iiia q. 58 a. 1] q. 58 a. 1[t:iiia q. 58 a. 1] I q. 42 a. 3[t:ia q. 42 a. 3] I q. 42 a. 4[t:ia q. 42 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De Zoon Gods wordt de rechterhand des Vaders genoemd bij toeschrijving, op de manier waarop Hij ook de kracht Gods genoemd wordt. Maar de rechterhand des Vaders, genomen in de drie voornoemde betekenissen, is iets gemeenschappelijks aan de drie personen.
B: (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24]
1e Weerlegging. De Zoon Gods wordt de rechterhand des Vaders genoemd bij toeschrijving, op de manier waarop Hij ook de kracht Gods genoemd wordt. Maar de rechterhand des Vaders, genomen in de drie voornoemde betekenissen, is iets gemeenschappelijks aan de drie personen.
B: (1Cor 1:24) [b:1Cor 1:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Christus is als mens opgenomen tot de goddelijke eer, die met het voornoemde zetels wordt aangegeven. Maar toch komt die goddelijke eer aan Christus toe, in zover Hij God is, niet door enige aanname, maar door eeuwige oorsprong.
2e Weerlegging. Christus is als mens opgenomen tot de goddelijke eer, die met het voornoemde zetels wordt aangegeven. Maar toch komt die goddelijke eer aan Christus toe, in zover Hij God is, niet door enige aanname, maar door eeuwige oorsprong.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Men kan op geen enkele wijze zeggen, dat de Vader zit aan de rechterhand van de Zoon of van de H. Geest, daar de Zoon en de H. Geest hun oorsprong ontlenen aan de Vader, en niet omgekeerd. Maar van de H. Geest kan men eigenlijk zeggen, dat Hij zetelt aan de rechterhand van de Vader en de Zoon, in de aangegeven zin, ofschoon dit met een zekere toeschrijving wordt toegekend aan de Zoon, aan wie de gelijkheid wordt toegeschreven, zoals Augustinus zegt, dat "in de Vader de eenheid is, in de Zoon de gelijkheid, in de H. Geest de verbinding van de eenheid en de gelijkheid".
3e Weerlegging. Men kan op geen enkele wijze zeggen, dat de Vader zit aan de rechterhand van de Zoon of van de H. Geest, daar de Zoon en de H. Geest hun oorsprong ontlenen aan de Vader, en niet omgekeerd. Maar van de H. Geest kan men eigenlijk zeggen, dat Hij zetelt aan de rechterhand van de Vader en de Zoon, in de aangegeven zin, ofschoon dit met een zekere toeschrijving wordt toegekend aan de Zoon, aan wie de gelijkheid wordt toegeschreven, zoals Augustinus zegt, dat "in de Vader de eenheid is, in de Zoon de gelijkheid, in de H. Geest de verbinding van de eenheid en de gelijkheid".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Komt het zitten aan Gods rechterhand aan Christus toe als mens?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 57 a. 2 ad 3
IIIa q. 58 a. 4 co.[t:iiia q. 57 a. 2 ad 3][t:iiia q. 58 a. 4 co.]
IIIa q. 58 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het niet aan Christus als mens toekomt te zitten aan de rechterhand van de Vader. Zoals Damascenus immers zegt, "verstaan wij onder de rechterhand des Vaders de glorie en eer der Godheid." De eer en de glorie der Godheid echter komen niet toe aan Christus als mens. Dus zit Christus niet als mens aan de rechterhand van de Vader.
IIIa q. 57 a. 2 ad 3
IIIa q. 58 a. 4 co.[t:iiia q. 57 a. 2 ad 3][t:iiia q. 58 a. 4 co.]
IIIa q. 58 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het niet aan Christus als mens toekomt te zitten aan de rechterhand van de Vader. Zoals Damascenus immers zegt, "verstaan wij onder de rechterhand des Vaders de glorie en eer der Godheid." De eer en de glorie der Godheid echter komen niet toe aan Christus als mens. Dus zit Christus niet als mens aan de rechterhand van de Vader.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Zitten aan de rechterhand van de regerende sluit onderdanigheid uit, wijl hij, die aan de rechterhand van de bestuurder zit, in zekeren zin met hem mederegeert, Christus echter is als mens "onderworpen aan de Vader," zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 28). Dus zit Christus als mens niet aan de rechterhand van de Vader.
B: (1Cor 15:28) [b:1Cor 15:28]
Vervolgens. Zitten aan de rechterhand van de regerende sluit onderdanigheid uit, wijl hij, die aan de rechterhand van de bestuurder zit, in zekeren zin met hem mederegeert, Christus echter is als mens "onderworpen aan de Vader," zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (15. 28). Dus zit Christus als mens niet aan de rechterhand van de Vader.
B: (1Cor 15:28) [b:1Cor 15:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Naar aanleiding van het gezegde in de Brief aan de Romeinen (8. 34): "Die zit aan de rechterhand Gods," zegt de Glossa: "d. i. gelijk aan de Vader in de eer, waardoor God Vader is; of: aan de rechterhand van de Vader, d. i. in de meer volmaakte goederen van God." En naar aanleiding van het gezegde in de Brief aan de Hebreën (1. 3): "Hij zit in de hoge aan de rechterhand der majesteit," zegt de Glossa: "d. i. in gelijkheid aan de Vader boven alles, in plaats en waardigheid." Gelijk zijn aan God komt Christus echter niet toe als mens; want in dit opzicht zegt Hijzelf bij Johannes (14. 28): "De Vader is groter dan Ik." Dus komt het zitten aan de rechterhand van de Vader niet toe aan Christus als mens.
B: (John 14:28, John 14:28) [b:John 14:28] (Rom 8:34) [b:Rom 8:34] (Heb 1:3) [b:Heb 1:3]
Vervolgens. Naar aanleiding van het gezegde in de Brief aan de Romeinen (8. 34): "Die zit aan de rechterhand Gods," zegt de Glossa: "d. i. gelijk aan de Vader in de eer, waardoor God Vader is; of: aan de rechterhand van de Vader, d. i. in de meer volmaakte goederen van God." En naar aanleiding van het gezegde in de Brief aan de Hebreën (1. 3): "Hij zit in de hoge aan de rechterhand der majesteit," zegt de Glossa: "d. i. in gelijkheid aan de Vader boven alles, in plaats en waardigheid." Gelijk zijn aan God komt Christus echter niet toe als mens; want in dit opzicht zegt Hijzelf bij Johannes (14. 28): "De Vader is groter dan Ik." Dus komt het zitten aan de rechterhand van de Vader niet toe aan Christus als mens.
B: (John 14:28, John 14:28) [b:John 14:28] (Rom 8:34) [b:Rom 8:34] (Heb 1:3) [b:Heb 1:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "Onder de rechterhand moet men verstaan de macht, welke door God aangenomen mens ontving opdat Hij zou komen oordelen, die eerst was gekomen, om geoordeeld te worden."
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "Onder de rechterhand moet men verstaan de macht, welke door God aangenomen mens ontving opdat Hij zou komen oordelen, die eerst was gekomen, om geoordeeld te worden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (vorig Art.), wordt onder de uitdrukking "de rechterhand des Vaders" verstaan ofwel de glorie zelf van zijn Godheid, of zijn eeuwige gelukzaligheid, of zijn oordeels- en koningsmacht. Het voorzetzel "aan" geeft een zeker nabijzijn aan bij de rechterhand, waardoor overeenkomst wordt uitgedrukt met een zeker onderscheid, zoals boven gezegd is (vorig Art.). Dit nu is op die manieren mogelijk. — Vooreerst zóó, dat er overeenkomst is in natuur en onderscheid in persoon, en zo zit Christus als Zoon van God aan de rechterhand des Vaders, daar Hij dezelfde natuur heeft als de Vader. Dus komt het voornoemde bij wezen toe aan de Zoon, zoals aan de Vader: en dit betekent in gelijkheid zijn aan de Vader. — Vervolgens om de genade der vereniging, die omgekeerd onderscheid in natuur en eenheid van persoon insluit. En in dit opzicht is Christus als mens, de Zoon van God, en bijgevolg zittend aan de rechterhand van de Vader, zo echter dat met 't woordje "als" niet de natuur wordt aangegeven, maar de eenheid van het suppositum, zoals boven uitgelegd is (16° Kw. 10° en 11° Art.). — Ten derde kan dat nabijzijn genomen worden naar de heiligmakende genade, die in Christus overvloediger is dan in de andere schepselen, in zulk een mate dat de menselijke natuur zelf in Christus gelukkiger is dan de andere schepselen en in het bezit van bestuurs- en oordeelsmacht over alle schepselen. Wanneer derhalve dat woordje "als" de natuur aangeeft, dan zit Christus als God aan de rechterhand des Vaders, d. i., in gelijkheid aan de Vader. Als mens echter zit Hij aan de rechterhand van de Vader, d. i. in grotere goederen van de Vader, dan de andere schepselen, d. i. in een grotere gelukzaligheid en in het bezit van de oordeelsmacht. — Wanneer echter dat woordje "als" de eenheid van suppositum aangeeft, dan zit Hij dus ook als mens aan de rechterhand des Vaders, in gelijke eer, in zover wij de Zoon Gods met de aangenomen natuur met een zelfde eer vereren, zoals boven gezegd is (25° Kw. 1° Art.).
R: q. 58 a. 2[t:iiia q. 58 a. 2] q. 16 a. 10[t:iiia q. 16 a. 10] q. 16 a. 11[t:iiia q. 16 a. 11] q. 25 a. 1[t:iiia q. 25 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (vorig Art.), wordt onder de uitdrukking "de rechterhand des Vaders" verstaan ofwel de glorie zelf van zijn Godheid, of zijn eeuwige gelukzaligheid, of zijn oordeels- en koningsmacht. Het voorzetzel "aan" geeft een zeker nabijzijn aan bij de rechterhand, waardoor overeenkomst wordt uitgedrukt met een zeker onderscheid, zoals boven gezegd is (vorig Art.). Dit nu is op die manieren mogelijk. — Vooreerst zóó, dat er overeenkomst is in natuur en onderscheid in persoon, en zo zit Christus als Zoon van God aan de rechterhand des Vaders, daar Hij dezelfde natuur heeft als de Vader. Dus komt het voornoemde bij wezen toe aan de Zoon, zoals aan de Vader: en dit betekent in gelijkheid zijn aan de Vader. — Vervolgens om de genade der vereniging, die omgekeerd onderscheid in natuur en eenheid van persoon insluit. En in dit opzicht is Christus als mens, de Zoon van God, en bijgevolg zittend aan de rechterhand van de Vader, zo echter dat met 't woordje "als" niet de natuur wordt aangegeven, maar de eenheid van het suppositum, zoals boven uitgelegd is (16° Kw. 10° en 11° Art.). — Ten derde kan dat nabijzijn genomen worden naar de heiligmakende genade, die in Christus overvloediger is dan in de andere schepselen, in zulk een mate dat de menselijke natuur zelf in Christus gelukkiger is dan de andere schepselen en in het bezit van bestuurs- en oordeelsmacht over alle schepselen. Wanneer derhalve dat woordje "als" de natuur aangeeft, dan zit Christus als God aan de rechterhand des Vaders, d. i., in gelijkheid aan de Vader. Als mens echter zit Hij aan de rechterhand van de Vader, d. i. in grotere goederen van de Vader, dan de andere schepselen, d. i. in een grotere gelukzaligheid en in het bezit van de oordeelsmacht. — Wanneer echter dat woordje "als" de eenheid van suppositum aangeeft, dan zit Hij dus ook als mens aan de rechterhand des Vaders, in gelijke eer, in zover wij de Zoon Gods met de aangenomen natuur met een zelfde eer vereren, zoals boven gezegd is (25° Kw. 1° Art.).
R: q. 58 a. 2[t:iiia q. 58 a. 2] q. 16 a. 10[t:iiia q. 16 a. 10] q. 16 a. 11[t:iiia q. 16 a. 11] q. 25 a. 1[t:iiia q. 25 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. De mensheid van Christus heeft niet om haar natuur de glorie en de eer der Godheid, welke zij echter heeft om de persoon, waarmee zij verenigd is. Vandaar voegt Damascenus op diezelfde plaats er aan toe: "Waarin" nl. in de glorie der Godheid, "de Zoon van God, die vóór de eeuwen bestond als God en één van wezen met de Vader, gezeten is, terwijl zijn lichaam medeverheerlijkt wordt. Want de ééne hypostase wordt met zijn vlees in een en dezelfde aanbidding door elk schepsel aanbeden."
1e Weerlegging. De mensheid van Christus heeft niet om haar natuur de glorie en de eer der Godheid, welke zij echter heeft om de persoon, waarmee zij verenigd is. Vandaar voegt Damascenus op diezelfde plaats er aan toe: "Waarin" nl. in de glorie der Godheid, "de Zoon van God, die vóór de eeuwen bestond als God en één van wezen met de Vader, gezeten is, terwijl zijn lichaam medeverheerlijkt wordt. Want de ééne hypostase wordt met zijn vlees in een en dezelfde aanbidding door elk schepsel aanbeden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Christus is als mens onderworpen aan de Vader, voor zover het woord "als" de natuur aangeeft; en in dit opzicht komt het Hem niet toe om te zitten aan de rechterhand van de Vader, om de gelijkheid, voorzover Hij mens is. Aldus komt het hem echter toe, om te zitten aan de rechterhand van de Vader, in zover hierdoor de buitengewone gelukzaligheid wordt aangegeven, en de oordeelsmacht over alle schepsels.
2e Weerlegging. Christus is als mens onderworpen aan de Vader, voor zover het woord "als" de natuur aangeeft; en in dit opzicht komt het Hem niet toe om te zitten aan de rechterhand van de Vader, om de gelijkheid, voorzover Hij mens is. Aldus komt het hem echter toe, om te zitten aan de rechterhand van de Vader, in zover hierdoor de buitengewone gelukzaligheid wordt aangegeven, en de oordeelsmacht over alle schepsels.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. In gelijkheid met de Vader zijn komt niet toe aan de menselijke natuur van Christus, maar alleen aan de persoon, die deze aannam; maar grotere goddelijke goederen bezitten, in zover dit een overtreffing van de andere schepselen insluit, komt ook toe aan de natuur zelf, die aangenomen werd.
3e Weerlegging. In gelijkheid met de Vader zijn komt niet toe aan de menselijke natuur van Christus, maar alleen aan de persoon, die deze aannam; maar grotere goddelijke goederen bezitten, in zover dit een overtreffing van de andere schepselen insluit, komt ook toe aan de natuur zelf, die aangenomen werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Is het zitten aan de rechterhand des Vaders het eigene van Christus?
IIIa q. 58 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het zitten aan de rechterhand des Vaders niet het eigene van Christus is. De Apostel zegt immers in de Brief aan de Ephesiërs (2. 6), dat "God ons in Christus Jesus heeft mede opgewekt en ons heeft doen medezitten in de hemelse goederen." Maar opgewekt worden is niet het eigene van Christus. Dus om dezelfde reden ook niet het zitten aan Gods rechterhand in de hoge.
B: (Eph 2:4) [b:Eph 2:4] (Eph 2:6) [b:Eph 2:6] (Heb 1:3) [b:Heb 1:3]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het zitten aan de rechterhand des Vaders niet het eigene van Christus is. De Apostel zegt immers in de Brief aan de Ephesiërs (2. 6), dat "God ons in Christus Jesus heeft mede opgewekt en ons heeft doen medezitten in de hemelse goederen." Maar opgewekt worden is niet het eigene van Christus. Dus om dezelfde reden ook niet het zitten aan Gods rechterhand in de hoge.
B: (Eph 2:4) [b:Eph 2:4] (Eph 2:6) [b:Eph 2:6] (Heb 1:3) [b:Heb 1:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 4 arg. 2
Vervolgens. "Christus zit aan de rechterhand van de Vader, betekent:" zoals Augustinus zegt, "Hij woont in zijn zaligheid." Dit echter komt ook toe aan vele anderen. Dus is het zitten aan de rechterhand des Vaders niet het eigene van Christus.
Vervolgens. "Christus zit aan de rechterhand van de Vader, betekent:" zoals Augustinus zegt, "Hij woont in zijn zaligheid." Dit echter komt ook toe aan vele anderen. Dus is het zitten aan de rechterhand des Vaders niet het eigene van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Hijzelf zegt in het Boek der Openbaring (3. 21): "Wie overwonnen heeft, aan hem zal Ik geven mede te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen heb en gezeten ben met Mijn Vader op zijn troon." Maar Christus zit hierdoor aan de rechterhand van de Vader, doordat Hij zit op zijn troon. Dus zullen ook de anderen, die overwinnen, aan de rechterhand des Vaders zitten.
B: (Rev 3:21) [b:Rev 3:21]
Vervolgens. Hijzelf zegt in het Boek der Openbaring (3. 21): "Wie overwonnen heeft, aan hem zal Ik geven mede te zitten op Mijn troon, zoals ook Ik overwonnen heb en gezeten ben met Mijn Vader op zijn troon." Maar Christus zit hierdoor aan de rechterhand van de Vader, doordat Hij zit op zijn troon. Dus zullen ook de anderen, die overwinnen, aan de rechterhand des Vaders zitten.
B: (Rev 3:21) [b:Rev 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 4 arg. 4
Vervolgens. Bij Mattheus (20. 23) zegt de Heer: "Het zitten aan Mijn rechter- of linkerhand komt Mij niet toe om u te geven, maar voor wie het door Mijn Vader bereid is." Dit zou echter geen zin hebben, als het niet voor sommigen bereid was. Dus komt het zitten aan de rechterhand niet alleen aan Christus toe.
B: (Matt 20:23) [b:Matt 20:23]
Vervolgens. Bij Mattheus (20. 23) zegt de Heer: "Het zitten aan Mijn rechter- of linkerhand komt Mij niet toe om u te geven, maar voor wie het door Mijn Vader bereid is." Dit zou echter geen zin hebben, als het niet voor sommigen bereid was. Dus komt het zitten aan de rechterhand niet alleen aan Christus toe.
B: (Matt 20:23) [b:Matt 20:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in de Brief aan de Hebreën (1. 13) gezegd wordt: "Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand;" d. i. in mijn volmaaktere goederen, of gelijk aan Mij naar de Godheid? Alsof Hij zeggen wil: aan niemand. De engelen staan echter hoger dan de andere schepselen. Dus komt nog minder aan een ander dan aan Christus toe om te zitten aan de rechterhand van de Vader.
B: (Heb 1:13) [b:Heb 1:13]
Daartegenover staat echter, dat in de Brief aan de Hebreën (1. 13) gezegd wordt: "Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand;" d. i. in mijn volmaaktere goederen, of gelijk aan Mij naar de Godheid? Alsof Hij zeggen wil: aan niemand. De engelen staan echter hoger dan de andere schepselen. Dus komt nog minder aan een ander dan aan Christus toe om te zitten aan de rechterhand van de Vader.
B: (Heb 1:13) [b:Heb 1:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (1°, 2° en 3° Art. van deze Kw.) zeggen wij van Christus, dat Hij aan de rechterhand des Vaders zit, in zover Hij naar zijn goddelijke natuur in gelijkheid is met de Vader, naar zijn menselijke natuur in het buitengewone bezit is der goddelijke goederen boven de andere schepselen. Beiden nu komen alleen aan Christus toe. Dus komt het tenzij alleen aan Christus, aan niemand anders, noch aan een engel, noch aan een mens toe te zitten aan de rechterhand des Vaders.
R: q. 58 a. 3[t:iiia q. 58 a. 3]
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (1°, 2° en 3° Art. van deze Kw.) zeggen wij van Christus, dat Hij aan de rechterhand des Vaders zit, in zover Hij naar zijn goddelijke natuur in gelijkheid is met de Vader, naar zijn menselijke natuur in het buitengewone bezit is der goddelijke goederen boven de andere schepselen. Beiden nu komen alleen aan Christus toe. Dus komt het tenzij alleen aan Christus, aan niemand anders, noch aan een engel, noch aan een mens toe te zitten aan de rechterhand des Vaders.
R: q. 58 a. 3[t:iiia q. 58 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Daar Christus ons hoofd is, is ook datgene wat Christus gegeven is, ook aan ons in Hem geschonken. En omdat Hijzelf reeds opgewekt is, zegt de Apostel, dat God ons eens met Hem heeft mede opgewekt, of schoon wij in ons zelf nog niet opgewekt zijn, maar nog opgewekt moeten worden, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8. 11): "Die Jesus van de doden heeft opgewekt, zal ook onze sterfelijke lichamen levend maken." En naar dezelfde wijze van spreken voegt de Apostel er aan toe, dat "Hij ons mede heeft doen zitten in het hemelse," nl. in zover ons Hoofd, dat Christus is, daar zit.
B: (Rom 8:11) [b:Rom 8:11]
1e Weerlegging. Daar Christus ons hoofd is, is ook datgene wat Christus gegeven is, ook aan ons in Hem geschonken. En omdat Hijzelf reeds opgewekt is, zegt de Apostel, dat God ons eens met Hem heeft mede opgewekt, of schoon wij in ons zelf nog niet opgewekt zijn, maar nog opgewekt moeten worden, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8. 11): "Die Jesus van de doden heeft opgewekt, zal ook onze sterfelijke lichamen levend maken." En naar dezelfde wijze van spreken voegt de Apostel er aan toe, dat "Hij ons mede heeft doen zitten in het hemelse," nl. in zover ons Hoofd, dat Christus is, daar zit.
B: (Rom 8:11) [b:Rom 8:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Daar de rechterhand de goddelijke gelukzaligheid is, betekent het zitten aan de rechterhand niet in de gelukzaligheid zijn zonder meer, maar de zaligheid hebben met een zekere heerschappmacht, en deze als eigen en van nature. En dit komt alleen aan Christus toe; en aan geen enkel ander schepsel. Men kan echter zeggen, dat iedere heilige, die in de zaligheid is, geplaatst is aan de rechterhand Gods: vandaar wordt ook bij Mattheus (25. 33) gezegd, dat "Hij de schapen aan zijn rechterhand zal plaatsen."
B: (Matt 25:33) [b:Matt 25:33]
2e Weerlegging. Daar de rechterhand de goddelijke gelukzaligheid is, betekent het zitten aan de rechterhand niet in de gelukzaligheid zijn zonder meer, maar de zaligheid hebben met een zekere heerschappmacht, en deze als eigen en van nature. En dit komt alleen aan Christus toe; en aan geen enkel ander schepsel. Men kan echter zeggen, dat iedere heilige, die in de zaligheid is, geplaatst is aan de rechterhand Gods: vandaar wordt ook bij Mattheus (25. 33) gezegd, dat "Hij de schapen aan zijn rechterhand zal plaatsen."
B: (Matt 25:33) [b:Matt 25:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Door de troon wordt de oordeelsmacht bedoeld, welke Christus van de Vader ontvangen heeft; en zo wordt van Hem gezegd, dat Hij zit op de troon van de Vader. Andere heiligen echter hebben deze van Christus. En zo wordt van hen gezegd, dat zij op de troon van Christus zitten, volgens het gezegde in Mattheus (19. 28): "Ook gij zult zitten op twaalf zetels, om de twaalf stammen van Israël te oordelen."
B: (Matt 19:28) [b:Matt 19:28]
3e Weerlegging. Door de troon wordt de oordeelsmacht bedoeld, welke Christus van de Vader ontvangen heeft; en zo wordt van Hem gezegd, dat Hij zit op de troon van de Vader. Andere heiligen echter hebben deze van Christus. En zo wordt van hen gezegd, dat zij op de troon van Christus zitten, volgens het gezegde in Mattheus (19. 28): "Ook gij zult zitten op twaalf zetels, om de twaalf stammen van Israël te oordelen."
B: (Matt 19:28) [b:Matt 19:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 58 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. Zoals Chrysostomus zegt, is "die plaats," d. i. de zitplaats aan de rechterhand, "ontoegankelijk voor allen, niet alleen voor de mensen, maar ook voor de engelen. Want zo geeft ook Paulus het voornaamste van de Eeniggeborene aan, als hij zegt: "Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand?" De Heer "antwoordde" derhalve, "niet alsof er enigen waren," die zouden zetelen, "maar als ingaande op het verzoek van hen, die vroegen; dit alleen immers vroegen zij: boven de anderen bij Hem te mogen staan." — Men kan echter ook zeggen, dat de zonen van Zebedeus een verheffing boven de anderen vroegen in het deelgenootschap aan zijn oordeelsmacht; vandaar vroegen zij niet om te zitten aan de rechter- of linkerhand van de Vader, maar aan de rechter of linker van Christus.
4e Weerlegging. Zoals Chrysostomus zegt, is "die plaats," d. i. de zitplaats aan de rechterhand, "ontoegankelijk voor allen, niet alleen voor de mensen, maar ook voor de engelen. Want zo geeft ook Paulus het voornaamste van de Eeniggeborene aan, als hij zegt: "Tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan mijn rechterhand?" De Heer "antwoordde" derhalve, "niet alsof er enigen waren," die zouden zetelen, "maar als ingaande op het verzoek van hen, die vroegen; dit alleen immers vroegen zij: boven de anderen bij Hem te mogen staan." — Men kan echter ook zeggen, dat de zonen van Zebedeus een verheffing boven de anderen vroegen in het deelgenootschap aan zijn oordeelsmacht; vandaar vroegen zij niet om te zitten aan de rechter- of linkerhand van de Vader, maar aan de rechter of linker van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 59: Over de oordeelsmacht van Christus
IIIa q. 59 pr.
Vervolgens moeten wij handelen over de oordeelsmacht van Christus; en hierover stellen wij zes vragen:
1. Moet de oordeelsmacht aan Christus worden toegekend?
2. Komt deze aan Hem toe, in zover Hij mens is?
3. Heeft Hij deze verkregen om verdiensten?
4. Is zijn oordeelsmacht algemeen ten opzichte van alle mensen?
5. Moet er behalve het oordeel, dat Hij in deze tijd uitspreekt, nog een algemeen oordeel verwacht worden, dat door Hem geschieden zal?
6. Strekt zijn oordeelsmacht zich ook uit tot de engelen? Over de uitoefening van het eindoordeel kan beter gehandeld worden, als wij datgene behandelen, wat behoort tot het einde van de wereld (Suppl. 88° Kw. en vlg.).
Nu is het echter voldoende alleen datgene aan te raken, wat behoort tot de waardigheid van Christus.
Vervolgens moeten wij handelen over de oordeelsmacht van Christus; en hierover stellen wij zes vragen:
1. Moet de oordeelsmacht aan Christus worden toegekend?
2. Komt deze aan Hem toe, in zover Hij mens is?
3. Heeft Hij deze verkregen om verdiensten?
4. Is zijn oordeelsmacht algemeen ten opzichte van alle mensen?
5. Moet er behalve het oordeel, dat Hij in deze tijd uitspreekt, nog een algemeen oordeel verwacht worden, dat door Hem geschieden zal?
6. Strekt zijn oordeelsmacht zich ook uit tot de engelen? Over de uitoefening van het eindoordeel kan beter gehandeld worden, als wij datgene behandelen, wat behoort tot het einde van de wereld (Suppl. 88° Kw. en vlg.).
Nu is het echter voldoende alleen datgene aan te raken, wat behoort tot de waardigheid van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Moet de oordeelsmacht in het bijzonder aan Christus worden toegekend?
IIIa q. 59 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de oordeelsmacht niet in het bijzonder aan Christus moet worden toegeschreven. Het oordeel immers over anderen komt toe aan de Heer; vandaar wordt in de Brief aan de Romeinen (14. 4) gezegd: "Wie zijt gij, dat gij durft oordelen over een vreemde knecht?" Maar de heerschappij over de schepselen komt gemeenschappelijk toe aan geheel de Drievuldigheid. Dus moet de oordeelsmacht niet bijzonder aan Christus worden toegekend.
B: (Rom 14:4) [b:Rom 14:4]
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de oordeelsmacht niet in het bijzonder aan Christus moet worden toegeschreven. Het oordeel immers over anderen komt toe aan de Heer; vandaar wordt in de Brief aan de Romeinen (14. 4) gezegd: "Wie zijt gij, dat gij durft oordelen over een vreemde knecht?" Maar de heerschappij over de schepselen komt gemeenschappelijk toe aan geheel de Drievuldigheid. Dus moet de oordeelsmacht niet bijzonder aan Christus worden toegekend.
B: (Rom 14:4) [b:Rom 14:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Bij Daniël (7. 9) wordt gezegd: "De Hoogbejaarde zette zich neer," en daarna volgt (v. 10): "Het gerechtshof zette zich neer, en de boeken werden geopend." Maar onder de Hoogbejaarde wordt de Vader verstaan, daar, zoals Hilarius zegt, "in de Vader de eeuwigheid is." Dus moet de oordeelsmacht meer aan de Vader, dan aan Christus worden toegeschreven.
B: (Dan 7:9) [b:Dan 7:9] (Dan 7:10) [b:Dan 7:10]
Vervolgens. Bij Daniël (7. 9) wordt gezegd: "De Hoogbejaarde zette zich neer," en daarna volgt (v. 10): "Het gerechtshof zette zich neer, en de boeken werden geopend." Maar onder de Hoogbejaarde wordt de Vader verstaan, daar, zoals Hilarius zegt, "in de Vader de eeuwigheid is." Dus moet de oordeelsmacht meer aan de Vader, dan aan Christus worden toegeschreven.
B: (Dan 7:9) [b:Dan 7:9] (Dan 7:10) [b:Dan 7:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Het oordelen komt aan dezelfde toe, aan wie ook het overtuigen toekomt. Het overtuigen nu komt toe aan de H. Geest. De Heer zegt immers bij Joannes (16.8): "Wanneer Hij echter zal gekomen zijn," nl. de H. Geest, "dan zal Hij de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid en van oordeel." Dus moet de oordeelsmacht meer aan de H. Geest, dan aan Christus worden toegekend.
B: (John 16:8) [b:John 16:8]
Vervolgens. Het oordelen komt aan dezelfde toe, aan wie ook het overtuigen toekomt. Het overtuigen nu komt toe aan de H. Geest. De Heer zegt immers bij Joannes (16.8): "Wanneer Hij echter zal gekomen zijn," nl. de H. Geest, "dan zal Hij de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid en van oordeel." Dus moet de oordeelsmacht meer aan de H. Geest, dan aan Christus worden toegekend.
B: (John 16:8) [b:John 16:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (10. 42) aangaande Christus: "Deze is het, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden."
B: (Acts 10:42) [b:Acts 10:42]
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in de Handelingen der Apostelen (10. 42) aangaande Christus: "Deze is het, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden."
B: (Acts 10:42) [b:Acts 10:42]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 1 co.
Mijn antwoord. Om een oordeel uit te spreken worden drie dingen vereischt. — Vooreerst de macht om de onderdanen te bedwingen; vandaar wordt gezegd in het Boek Ecclesiasticus (7. 6): "Zoek niet rechter te worden, tenzij gij in staat zijt met kracht de ongerechtigheden tegen te gaan." — Vervolgens wordt vereischt ijver voor de gerechtigheid, zodat iemand niet uit haat of nijd, maar uit liefde tot de rechtvaardigheid een oordeel velt, overeenkomstig het woord in het Boek der Spreuken (3. 12): "Want wien de Heer liefheeft, hastijdt Hij, en als een vader in zijn zoon heeft Hij in hem zijn welbehagen." — Ten derde wordt wijsheid vereischt, waarmee het oordeel gevormd wordt; vandaar wordt gezegd in het Boek Ecclesiasticus (10. 1): "Een wijze rechter zal zijn volk oordelen." — De eerste twee moeten noodzakelijk aan het oordeel voorafgaan; maar het derde is het eigenlijk, waarnaar het oordeel gevormd wordt: want het wezen zelf van het oordeel is de wet der wijsheid of der waarheid, waarnaar het oordeel gevormd wordt. En aangezien de Zoon de voortgebrachte Wijsheid is, en de Waarheid, die van de Vader uitgaat, en Hem volmaakt weergeeft, daarom wordt in eigenlijke zin de oordeelsmacht aan de Zoon Gods toegekend. Daarom zegt Augustinus: "Dit is die onveranderlijke Waarheid, die met recht de wet van alle kunsten genoemd wordt en de kunst van de almachtige kunstenaar. Zoals wij echter en alle redelijke zielen naar waarheid over de lagere dingen juist oordelen, zo oordeelt ook alleen de Waarheid zelf over ons, als wij met haar nauw verbonden zijn. Over haar echter oordeelt zelfs de Vader niet; zij is immers niet minder dan Hij. En wat de Vader derhalve oordeelt, oordeelt Hij door haar." En vervolgens besluit hij: "De Vader oordeelt derhalve niemand, maar Hij gaf alle oordeel over aan de Zoon."
B: (Prov 3:12) [b:Prov 3:12] (Sir 7:6) [b:Sir 7:6] (Sir 10:1) [b:Sir 10:1]
Mijn antwoord. Om een oordeel uit te spreken worden drie dingen vereischt. — Vooreerst de macht om de onderdanen te bedwingen; vandaar wordt gezegd in het Boek Ecclesiasticus (7. 6): "Zoek niet rechter te worden, tenzij gij in staat zijt met kracht de ongerechtigheden tegen te gaan." — Vervolgens wordt vereischt ijver voor de gerechtigheid, zodat iemand niet uit haat of nijd, maar uit liefde tot de rechtvaardigheid een oordeel velt, overeenkomstig het woord in het Boek der Spreuken (3. 12): "Want wien de Heer liefheeft, hastijdt Hij, en als een vader in zijn zoon heeft Hij in hem zijn welbehagen." — Ten derde wordt wijsheid vereischt, waarmee het oordeel gevormd wordt; vandaar wordt gezegd in het Boek Ecclesiasticus (10. 1): "Een wijze rechter zal zijn volk oordelen." — De eerste twee moeten noodzakelijk aan het oordeel voorafgaan; maar het derde is het eigenlijk, waarnaar het oordeel gevormd wordt: want het wezen zelf van het oordeel is de wet der wijsheid of der waarheid, waarnaar het oordeel gevormd wordt. En aangezien de Zoon de voortgebrachte Wijsheid is, en de Waarheid, die van de Vader uitgaat, en Hem volmaakt weergeeft, daarom wordt in eigenlijke zin de oordeelsmacht aan de Zoon Gods toegekend. Daarom zegt Augustinus: "Dit is die onveranderlijke Waarheid, die met recht de wet van alle kunsten genoemd wordt en de kunst van de almachtige kunstenaar. Zoals wij echter en alle redelijke zielen naar waarheid over de lagere dingen juist oordelen, zo oordeelt ook alleen de Waarheid zelf over ons, als wij met haar nauw verbonden zijn. Over haar echter oordeelt zelfs de Vader niet; zij is immers niet minder dan Hij. En wat de Vader derhalve oordeelt, oordeelt Hij door haar." En vervolgens besluit hij: "De Vader oordeelt derhalve niemand, maar Hij gaf alle oordeel over aan de Zoon."
B: (Prov 3:12) [b:Prov 3:12] (Sir 7:6) [b:Sir 7:6] (Sir 10:1) [b:Sir 10:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Door deze redenering wordt aangetoond, dat de oordeelsmacht gemeenschappelijk toekomt aan de gehele Drievuldigheid, wat waar is. Maar met een zekere toeeigening wordt de oordeelsmacht toegeschreven aan de Zoon, zoals gezegd is (in de Leerst.).
1e Weerlegging. Door deze redenering wordt aangetoond, dat de oordeelsmacht gemeenschappelijk toekomt aan de gehele Drievuldigheid, wat waar is. Maar met een zekere toeeigening wordt de oordeelsmacht toegeschreven aan de Zoon, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, wordt aan de Vader de eeuwigheid toegeschreven om te doen uitkomen, dat Hij beginsel is, wat in het begrip eeuwigheid ligt opgesloten. Op dezelfde plaats zegt Augustinus ook, dat de Zoon "de kunst" is "van de Vader". Zo wordt derhalve het gezag om te oordelen toegeschreven aan de Vader, in zover Hij het beginsel is van de Zoon, maar het eigen wezen van het oordeel wordt toegekend aan de Zoon, die de kunst en de wijsheid van de Vader is, zodat namelijk evenals de Vader alles maakt door de Zoon, in zover Hij zijn kunst is, Hij ook zo over alles oordeelt door zijn Zoon, in zover Hij Zijn Wijsheid en Waarheid is. En dit wordt aangeduid in Daniël, waar eerst gezegd wordt, dat "de Hoogbejaarde zich neerzette", en verderop gezegd wordt (v. 13, 14), dat "de mensenzoon tot de Hoogbejaarde kwam, die Hem de macht gaf en de eer en het rijk;" waardoor te verstaan gegeven wordt, dat het gezag om te oordelen bij de Vader gelegen is, van wie de Zoon de macht om te oordelen ontvangen heeft.
2e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, wordt aan de Vader de eeuwigheid toegeschreven om te doen uitkomen, dat Hij beginsel is, wat in het begrip eeuwigheid ligt opgesloten. Op dezelfde plaats zegt Augustinus ook, dat de Zoon "de kunst" is "van de Vader". Zo wordt derhalve het gezag om te oordelen toegeschreven aan de Vader, in zover Hij het beginsel is van de Zoon, maar het eigen wezen van het oordeel wordt toegekend aan de Zoon, die de kunst en de wijsheid van de Vader is, zodat namelijk evenals de Vader alles maakt door de Zoon, in zover Hij zijn kunst is, Hij ook zo over alles oordeelt door zijn Zoon, in zover Hij Zijn Wijsheid en Waarheid is. En dit wordt aangeduid in Daniël, waar eerst gezegd wordt, dat "de Hoogbejaarde zich neerzette", en verderop gezegd wordt (v. 13, 14), dat "de mensenzoon tot de Hoogbejaarde kwam, die Hem de macht gaf en de eer en het rijk;" waardoor te verstaan gegeven wordt, dat het gezag om te oordelen bij de Vader gelegen is, van wie de Zoon de macht om te oordelen ontvangen heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, heeft Christus aldus gezegd, dat "de H. Geest de wereld zal overtuigen van zonde, als wilde Hij zeggen: Hij zal in uw harten de liefde uitstorten. Want zo zult gij, als de vrees is uitgedreven, de vrijheid hebben om te overtuigen." Zo wordt dus aan de H. Geest het oordeel toegeschreven, niet met het oog op het wezen van het oordeel, maar op de geneigdheid tot oordelen, die de mensen bezitten.
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, heeft Christus aldus gezegd, dat "de H. Geest de wereld zal overtuigen van zonde, als wilde Hij zeggen: Hij zal in uw harten de liefde uitstorten. Want zo zult gij, als de vrees is uitgedreven, de vrijheid hebben om te overtuigen." Zo wordt dus aan de H. Geest het oordeel toegeschreven, niet met het oog op het wezen van het oordeel, maar op de geneigdheid tot oordelen, die de mensen bezitten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Komt de oordeelsmacht aan Christus toe, in zover Hij mens is?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 59 a. 3 arg. 2[t:iiia q. 59 a. 3 arg. 2]
IIIa q. 59 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de oordeelsmacht niet aan Christus toekomt, in zover Hij mens is. Augustinus immers zegt, dat het oordeel aan de Zoon wordt toegeschreven, in zover Hij de Wet zelf der eerste Waarheid is. Dit komt Christus echter toe, in zover Hij God is. Derhalve komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zover Hij mens is, maar in zover Hij God is.
IIIa q. 59 a. 3 arg. 2[t:iiia q. 59 a. 3 arg. 2]
IIIa q. 59 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de oordeelsmacht niet aan Christus toekomt, in zover Hij mens is. Augustinus immers zegt, dat het oordeel aan de Zoon wordt toegeschreven, in zover Hij de Wet zelf der eerste Waarheid is. Dit komt Christus echter toe, in zover Hij God is. Derhalve komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zover Hij mens is, maar in zover Hij God is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Tot de oordeelsmacht behoort het belonen van hen, die goed doen, zoals ook het straffen van de slechten. De beloning voor de goede werken echter is de eeuwige zaligheid, die alleen door God verleend wordt: Augustinus zegt immers, dat "de ziel zalig wordt door deel te hebben aan God, niet door deel te hebben aan een heilige ziel." Dus komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zover Hij mens is, maar in zover Hij God is.
Vervolgens. Tot de oordeelsmacht behoort het belonen van hen, die goed doen, zoals ook het straffen van de slechten. De beloning voor de goede werken echter is de eeuwige zaligheid, die alleen door God verleend wordt: Augustinus zegt immers, dat "de ziel zalig wordt door deel te hebben aan God, niet door deel te hebben aan een heilige ziel." Dus komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zover Hij mens is, maar in zover Hij God is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Tot de oordeelsmacht van Christus behoort ook het oordelen over de geheimen der harten, volgens het woord in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (4. 5): "Wilt niet oordelen voor de tijd, totdat de Heer komt, die ook de verborgenheden der duisternis zal verlichten, en de plannen der harten zal bekend maken." Dit komt echter alleen toe aan de goddelijke kracht, volgens het woord van Jeremias (17. 9, 10): "Slecht is het hart van de mens en ondoorgrondelijk: wie zal het kennen? Ik, de Heer, die de harten doorgrond, en de nieren doorzoek, en die aan iedere geef volgens zijn gang." Dus komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zover Hij mens is, maar in zover Hij God is.
B: (Jer 17:9) [b:Jer 17:9] (Jer 17:10) [b:Jer 17:10] (1Cor 4:5) [b:1Cor 4:5]
Vervolgens. Tot de oordeelsmacht van Christus behoort ook het oordelen over de geheimen der harten, volgens het woord in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (4. 5): "Wilt niet oordelen voor de tijd, totdat de Heer komt, die ook de verborgenheden der duisternis zal verlichten, en de plannen der harten zal bekend maken." Dit komt echter alleen toe aan de goddelijke kracht, volgens het woord van Jeremias (17. 9, 10): "Slecht is het hart van de mens en ondoorgrondelijk: wie zal het kennen? Ik, de Heer, die de harten doorgrond, en de nieren doorzoek, en die aan iedere geef volgens zijn gang." Dus komt de oordeelsmacht niet toe aan Christus, in zover Hij mens is, maar in zover Hij God is.
B: (Jer 17:9) [b:Jer 17:9] (Jer 17:10) [b:Jer 17:10] (1Cor 4:5) [b:1Cor 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (5. 27) gezegd wordt: "Hij gaf Hem de macht om te oordelen, omdat Hij de mensenzoon is."
B: (John 5:27, John 5:27) [b:John 5:27]
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (5. 27) gezegd wordt: "Hij gaf Hem de macht om te oordelen, omdat Hij de mensenzoon is."
B: (John 5:27, John 5:27) [b:John 5:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 2 co.
Mijn antwoord. Chrysostomus schijnt van gevoelen te zijn, dat de oordeelsmacht niet aan Christus toekomt, in zover Hij mens is, maar alleen in zover Hij God is. Vandaar verklaart hij de aangehaalde tekst van Joannes (in het Tegenarg.) aldus: "Hij gaf Hem macht om oordeel te vellen." En vervolgens voegt hij er aan toe: "Daar Hij de mensenzoon is, wilt u daarover niet verwonderen: want Hij ontving het oordeel niet hierom, omdat Hij mens is, maar omdat Hij de onuitsprekelijke Zoon van God is, daarom is Hij rechter. Wil echter, wat gezegd werd, groter was dan Hem als mens toekwam, daarom zeide Hij, aan deze mening haar grond ontnemend: "Verwondert u niet, omdat Hij de mensenzoon is; Hij is immers ook de Zoon van God." Dit echter bewijst Hij door het effect der verrijzenis; vandaar laat Hij volgen: "Wil het uur komt, waarop allen die in de graven zijn, de stem van de Zoon Gods zullen vernemen." — Men moet echter weten, dat ofschoon het opperste oordeelsgezag bij God blijft, toch aan de mensen door God een oordeelsmacht wordt toegekend over die dingen, die aan hun rechtsmacht onderworpen zijn. Vandaar wordt gezegd in het Boek Deuteronomium (1. 16): "Oordeelt wat rechtvaardig is;" en daarna volgt (v. 17): "Daar het oordeel Godes is," door wiens gezag gij namelijk oordeel. Boven echter werd gezegd (8e Kw. 1e en 4e Art.), dat Christus ook in zijn menselijke natuur het hoofd is van de gehele Kerk, en dat God alles aan zijn voeten neergelegd heeft. Vandaar komt het Hem toe, ook naar zijn menselijke natuur, de oordeelsmacht te bezitten. Daarom schijnt de tot bewijs aangehaalde tekst uit het Evangelie aldus begrepen te moeten worden: "Hij gaf Hem de macht om te oordelen, daar Hij de mensenzoon is," evenwel niet om zijn natuur, daar op die manier, alle mensen deze macht zouden hebben, zoals Chrysostomus opwerpt; maar dit behoort tot de genadegave, die Christus als hoofd in de menselijke natuur ontving. Op deze manier nu komt Christus de oordeelsmacht toe naar zijn menselijke natuur om drie redenen. — En wel vooreerst om zijn overeenkomst en verwantschap met de mensen. Want zoals God door middelen werkt, omdat deze dichter staan bij de effecten, zo ook oordeelt Hij de mensen door de mens Christus, opdat het oordeel voor de mensen zachter zou zijn. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (4. 15, 16): "Wij hebben geen Hoogepriester, die niet zou kunnen medelijden met onze zwakheden, maar een die op dezelfde wijze beproefd werd in alles, uitgenomen de zonde. Laten wij daarom met vertrouwen naderen tot de troon van zijn genade." — Ten tweede, "omdat bij het eindoordeel," zoals Augustinus zegt, "de verrijzenis zal plaats hebben der gestorven lichamen, welke God door de mensenzoon opwekt"; zoals "Hij ook door dezelfde Christus de zielen opwekt," in zover Hij "de Zoon Gods" is. — Ten derde, omdat, zoals Augustinus zegt, "het recht is, dat zij die geoordeeld moeten worden, de rechter kunnen zien. Zij die geoordeeld moeten worden, waren echter goed en kwaad. Er bleef dus over, dat bij het oordeel de gestalte van een slaaf vertoond zou worden aan de goeden en aan de slechten, maar de Godsgestalte alleen aan de goeden zou blijven voorbehouden."
R: q. 8 a. 1[t:iiia q. 8 a. 1] q. 8 a. 4[t:iiia q. 8 a. 4]
Mijn antwoord. Chrysostomus schijnt van gevoelen te zijn, dat de oordeelsmacht niet aan Christus toekomt, in zover Hij mens is, maar alleen in zover Hij God is. Vandaar verklaart hij de aangehaalde tekst van Joannes (in het Tegenarg.) aldus: "Hij gaf Hem macht om oordeel te vellen." En vervolgens voegt hij er aan toe: "Daar Hij de mensenzoon is, wilt u daarover niet verwonderen: want Hij ontving het oordeel niet hierom, omdat Hij mens is, maar omdat Hij de onuitsprekelijke Zoon van God is, daarom is Hij rechter. Wil echter, wat gezegd werd, groter was dan Hem als mens toekwam, daarom zeide Hij, aan deze mening haar grond ontnemend: "Verwondert u niet, omdat Hij de mensenzoon is; Hij is immers ook de Zoon van God." Dit echter bewijst Hij door het effect der verrijzenis; vandaar laat Hij volgen: "Wil het uur komt, waarop allen die in de graven zijn, de stem van de Zoon Gods zullen vernemen." — Men moet echter weten, dat ofschoon het opperste oordeelsgezag bij God blijft, toch aan de mensen door God een oordeelsmacht wordt toegekend over die dingen, die aan hun rechtsmacht onderworpen zijn. Vandaar wordt gezegd in het Boek Deuteronomium (1. 16): "Oordeelt wat rechtvaardig is;" en daarna volgt (v. 17): "Daar het oordeel Godes is," door wiens gezag gij namelijk oordeel. Boven echter werd gezegd (8e Kw. 1e en 4e Art.), dat Christus ook in zijn menselijke natuur het hoofd is van de gehele Kerk, en dat God alles aan zijn voeten neergelegd heeft. Vandaar komt het Hem toe, ook naar zijn menselijke natuur, de oordeelsmacht te bezitten. Daarom schijnt de tot bewijs aangehaalde tekst uit het Evangelie aldus begrepen te moeten worden: "Hij gaf Hem de macht om te oordelen, daar Hij de mensenzoon is," evenwel niet om zijn natuur, daar op die manier, alle mensen deze macht zouden hebben, zoals Chrysostomus opwerpt; maar dit behoort tot de genadegave, die Christus als hoofd in de menselijke natuur ontving. Op deze manier nu komt Christus de oordeelsmacht toe naar zijn menselijke natuur om drie redenen. — En wel vooreerst om zijn overeenkomst en verwantschap met de mensen. Want zoals God door middelen werkt, omdat deze dichter staan bij de effecten, zo ook oordeelt Hij de mensen door de mens Christus, opdat het oordeel voor de mensen zachter zou zijn. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (4. 15, 16): "Wij hebben geen Hoogepriester, die niet zou kunnen medelijden met onze zwakheden, maar een die op dezelfde wijze beproefd werd in alles, uitgenomen de zonde. Laten wij daarom met vertrouwen naderen tot de troon van zijn genade." — Ten tweede, "omdat bij het eindoordeel," zoals Augustinus zegt, "de verrijzenis zal plaats hebben der gestorven lichamen, welke God door de mensenzoon opwekt"; zoals "Hij ook door dezelfde Christus de zielen opwekt," in zover Hij "de Zoon Gods" is. — Ten derde, omdat, zoals Augustinus zegt, "het recht is, dat zij die geoordeeld moeten worden, de rechter kunnen zien. Zij die geoordeeld moeten worden, waren echter goed en kwaad. Er bleef dus over, dat bij het oordeel de gestalte van een slaaf vertoond zou worden aan de goeden en aan de slechten, maar de Godsgestalte alleen aan de goeden zou blijven voorbehouden."
R: q. 8 a. 1[t:iiia q. 8 a. 1] q. 8 a. 4[t:iiia q. 8 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Het oordeel is afhankelijk van de waarheid, als van zijn norm, maar van de mens, die van de waarheid doordrongen is, is het afhankelijk, omdat zo iemand in zekere zin een eenheid vormt met de waarheid zelf, en daardoor om zo te zeggen een soort wet wordt en bezield rechtvaardigheid. Vandaar haalt ook Augustinus daar aan, wat gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 15): "De geestelijke mens oordeelt over alles." De ziel van Christus nu was meer dan de andere schepselen verbonden met de waarheid, en meer van haar vervuld, overeenkomstig het woord van Joannes (1. 14): "Wij hebben Hem gezien vol van genade en waarheid." En zo beschouwd, komt het allermeest aan Christus’ ziel toe, alles te oordelen.
B: (Deut 1:16) [b:Deut 1:16] (Deut 1:17) [b:Deut 1:17]
1e Weerlegging. Het oordeel is afhankelijk van de waarheid, als van zijn norm, maar van de mens, die van de waarheid doordrongen is, is het afhankelijk, omdat zo iemand in zekere zin een eenheid vormt met de waarheid zelf, en daardoor om zo te zeggen een soort wet wordt en bezield rechtvaardigheid. Vandaar haalt ook Augustinus daar aan, wat gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 15): "De geestelijke mens oordeelt over alles." De ziel van Christus nu was meer dan de andere schepselen verbonden met de waarheid, en meer van haar vervuld, overeenkomstig het woord van Joannes (1. 14): "Wij hebben Hem gezien vol van genade en waarheid." En zo beschouwd, komt het allermeest aan Christus’ ziel toe, alles te oordelen.
B: (Deut 1:16) [b:Deut 1:16] (Deut 1:17) [b:Deut 1:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Het is alleen aan God eigen door een deelname aan zichzelf de zielen zalig te maken. Maar de mensen tot de zaligheid te brengen komt toe aan Christus, in zover Hij het hoofd is en de bewerker van hun heil, overeenkomstig het gezegde in de Brief aan de Hebreeën (2. 10): "Die vele kinderen tot de glorie had gebracht, bracht ook de bewerker van hun heil door lijden tot de heerlijkheid."
B: (Heb 4:15) [b:Heb 4:15]
2e Weerlegging. Het is alleen aan God eigen door een deelname aan zichzelf de zielen zalig te maken. Maar de mensen tot de zaligheid te brengen komt toe aan Christus, in zover Hij het hoofd is en de bewerker van hun heil, overeenkomstig het gezegde in de Brief aan de Hebreeën (2. 10): "Die vele kinderen tot de glorie had gebracht, bracht ook de bewerker van hun heil door lijden tot de heerlijkheid."
B: (Heb 4:15) [b:Heb 4:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De geheimen der harten te kennen, en deze te beoordelen komt op zichzelf alleen aan God toe; maar door de invloed van de Godheid op Christus' ziel, komt het ook aan haar toe de geheimen der harten te kennen en te beoordelen, zoals boven gezegd is, toen wij handelden over de kennis van Christus (10e Kw. 2e Art.). En daarom wordt in de Brief aan de Romeinen (2. 16) gezegd: "Op de dag, waarop God de geheimen der mensen zal oordelen door Jezus Christus."
B: (John 1:14) [b:John 1:14] (1Cor 2:15) [b:1Cor 2:15]
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
3e Weerlegging. De geheimen der harten te kennen, en deze te beoordelen komt op zichzelf alleen aan God toe; maar door de invloed van de Godheid op Christus' ziel, komt het ook aan haar toe de geheimen der harten te kennen en te beoordelen, zoals boven gezegd is, toen wij handelden over de kennis van Christus (10e Kw. 2e Art.). En daarom wordt in de Brief aan de Romeinen (2. 16) gezegd: "Op de dag, waarop God de geheimen der mensen zal oordelen door Jezus Christus."
B: (John 1:14) [b:John 1:14] (1Cor 2:15) [b:1Cor 2:15]
R: q. 10 a. 2[t:iiia q. 10 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Heeft Christus de oordeelsmacht ontvangen uit verdienste?
IIIa q. 59 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus niet uit verdienste de oordeelsmacht heeft ontvangen. De oordeelsmacht immers vloeit voort uit de koninklijke waardigheid, overeenkomstig het woord in het Boek der Spreuken (20. 8): "De koning, die zit op zijn rechterstoel, zal met zijn blik alle kwaad vernietigen." De koninklijke waardigheid heeft Christus echter zonder verdienste verkregen. Deze komt Hem immers hierom toe, omdat Hij Gods Eeniggeborene is. Bij Lucas (1. 32) immers wordt gezegd: "Aan Hem zal de Heer God de zetel van zijn Vader David geven, en Hij zal regeren over het huis van Jacob in eeuwigheid." Dus heeft Christus zijn oordeelsmacht niet verkregen om verdienste.
B: (Prov 20:8) [b:Prov 20:8] (Luke 1:32) [b:Luke 1:32]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 59 a. 4 ad 1[t:iiia q. 59 a. 4 ad 1]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Christus niet uit verdienste de oordeelsmacht heeft ontvangen. De oordeelsmacht immers vloeit voort uit de koninklijke waardigheid, overeenkomstig het woord in het Boek der Spreuken (20. 8): "De koning, die zit op zijn rechterstoel, zal met zijn blik alle kwaad vernietigen." De koninklijke waardigheid heeft Christus echter zonder verdienste verkregen. Deze komt Hem immers hierom toe, omdat Hij Gods Eeniggeborene is. Bij Lucas (1. 32) immers wordt gezegd: "Aan Hem zal de Heer God de zetel van zijn Vader David geven, en Hij zal regeren over het huis van Jacob in eeuwigheid." Dus heeft Christus zijn oordeelsmacht niet verkregen om verdienste.
B: (Prov 20:8) [b:Prov 20:8] (Luke 1:32) [b:Luke 1:32]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 59 a. 4 ad 1[t:iiia q. 59 a. 4 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Zoals gezegd is (vorig Art.) komt Christus de oordeelsmacht toe, in zover Hij ons hoofd is. Maar de genade, waardoor Hij hoofd is, komt Christus niet toe om verdienste, maar volgt uit de persoonlijke vereniging van de goddelijke en menselijke natuur, overeenkomstig het woord bij Joannes (1. 14, 16): "Wij hebben zijn glorie gezien, als van de Eeniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid, en uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen;" en dit behoort tot het wezen van het hoofd. Dus heeft Christus niet om verdienste de oordeelsmacht.
B: (John 1:14) [b:John 1:14] (John 1:16) [b:John 1:16]
R: q. 59 a. 2[t:iiia q. 59 a. 2]
Vervolgens. Zoals gezegd is (vorig Art.) komt Christus de oordeelsmacht toe, in zover Hij ons hoofd is. Maar de genade, waardoor Hij hoofd is, komt Christus niet toe om verdienste, maar volgt uit de persoonlijke vereniging van de goddelijke en menselijke natuur, overeenkomstig het woord bij Joannes (1. 14, 16): "Wij hebben zijn glorie gezien, als van de Eeniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid, en uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen;" en dit behoort tot het wezen van het hoofd. Dus heeft Christus niet om verdienste de oordeelsmacht.
B: (John 1:14) [b:John 1:14] (John 1:16) [b:John 1:16]
R: q. 59 a. 2[t:iiia q. 59 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 3 arg. 3
Vervolgens. De Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 15): "Een geestelijk mens oordeelt over alles." De mens wordt echter geestelijk door de genade, die niet uit verdienste voortkomt, "anders was het geen genade meer," zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (11. 6). Dus komt de oordeelsmacht noch aan Christus, noch aan iemand anders toe uit verdienste, maar enkel uit genade.
B: (Rom 11:6) [b:Rom 11:6] (1Cor 2:15) [b:1Cor 2:15]
Vervolgens. De Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 15): "Een geestelijk mens oordeelt over alles." De mens wordt echter geestelijk door de genade, die niet uit verdienste voortkomt, "anders was het geen genade meer," zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (11. 6). Dus komt de oordeelsmacht noch aan Christus, noch aan iemand anders toe uit verdienste, maar enkel uit genade.
B: (Rom 11:6) [b:Rom 11:6] (1Cor 2:15) [b:1Cor 2:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in het Boek Job (36. 17): "Uw geding is als dat van een goddeloze geoordeeld; gij zult geding en oordeel ontvangen." En Augustinus zegt: "Hij, die onder een rechter stond, zal als rechter zetelen; Hij zal de ware schuldigen oordelen, die op valse wijze beschuldigd is."
B: (Job 36:17) [b:Job 36:17]
Daartegenover staat echter, dat gezegd wordt in het Boek Job (36. 17): "Uw geding is als dat van een goddeloze geoordeeld; gij zult geding en oordeel ontvangen." En Augustinus zegt: "Hij, die onder een rechter stond, zal als rechter zetelen; Hij zal de ware schuldigen oordelen, die op valse wijze beschuldigd is."
B: (Job 36:17) [b:Job 36:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 3 co.
Mijn antwoord. Er is niets op tegen, dat een en hetzelfde aan iemand toekomt om verschillende redenen; zoals de heerlijkheid van het verrezen lichaam aan Christus toekwam, niet alleen, omdat dit passend was aan zijn Godheid, en om de glorie van zijn ziel, maar omdat de vernedering van zijn lijden het verdiende. En zo ook moeten wij zeggen, dat de oordeelsmacht aan de mens Christus toekomt, zowel om zijn goddelijke persoon, als om zijn waardigheid van hoofd, en om de volheid van zijn heiligmakende genade, en dat Hij haar toch ook uit verdienste verkreeg, opdat nl. overeenkomstig Gods gerechtigheid Hij, die voor Gods gerechtigheid gestreden en overwonnen heeft en onrechtmatig veroordeeld is, rechter zou zijn. Vandaar zegt Hij zelf in het Boek der Openbaring (3. 21): "Ik heb overwonnen, en Ik ben op de troon van mijn Vader gezeten." Met de troon nu wordt bedoeld de oordeelsmacht, overeenkomstig het gezegde in het Boek der Psalmen (9. 5): "Gij zetelt op uw troon, die oordeelt met gerechtigheid."
B: (Ps 9:5) [b:Ps 9:5] (Rev 3:21) [b:Rev 3:21]
Mijn antwoord. Er is niets op tegen, dat een en hetzelfde aan iemand toekomt om verschillende redenen; zoals de heerlijkheid van het verrezen lichaam aan Christus toekwam, niet alleen, omdat dit passend was aan zijn Godheid, en om de glorie van zijn ziel, maar omdat de vernedering van zijn lijden het verdiende. En zo ook moeten wij zeggen, dat de oordeelsmacht aan de mens Christus toekomt, zowel om zijn goddelijke persoon, als om zijn waardigheid van hoofd, en om de volheid van zijn heiligmakende genade, en dat Hij haar toch ook uit verdienste verkreeg, opdat nl. overeenkomstig Gods gerechtigheid Hij, die voor Gods gerechtigheid gestreden en overwonnen heeft en onrechtmatig veroordeeld is, rechter zou zijn. Vandaar zegt Hij zelf in het Boek der Openbaring (3. 21): "Ik heb overwonnen, en Ik ben op de troon van mijn Vader gezeten." Met de troon nu wordt bedoeld de oordeelsmacht, overeenkomstig het gezegde in het Boek der Psalmen (9. 5): "Gij zetelt op uw troon, die oordeelt met gerechtigheid."
B: (Ps 9:5) [b:Ps 9:5] (Rev 3:21) [b:Rev 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Die redenering gaat uit van de oordeelsmacht voor zover die aan Christus toekomt om de vereniging met het woord Gods zelf.
1e Weerlegging. Die redenering gaat uit van de oordeelsmacht voor zover die aan Christus toekomt om de vereniging met het woord Gods zelf.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Die redenering gaat uit van de genade waardoor Christus hoofd is.
2e Weerlegging. Die redenering gaat uit van de genade waardoor Christus hoofd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Die redenering gaat uit van de heiligmakende genade, die de ziel van Christus vervolmaakt. Omdat echter de oordeelsmacht op deze wijze aan Christus toekomt, wordt niet uitgesloten dat zij Hem om verdienste toekomt.
3e Weerlegging. Die redenering gaat uit van de heiligmakende genade, die de ziel van Christus vervolmaakt. Omdat echter de oordeelsmacht op deze wijze aan Christus toekomt, wordt niet uitgesloten dat zij Hem om verdienste toekomt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Komt aan Christus de oordeelsmacht toe met betrekking tot alle menselijke dingen?
IIIa q. 59 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat aan Christus niet de oordeelsmacht toekomt met betrekking tot alle menselijke dingen. Zoals immers staat bij Lucas (12. 13), antwoordde Christus, toen iemand uit de menigte tot Hem zei: "Zeg aan mijn broeder, dat hij met mij de erfenis deelt": "mens, wie heeft Mij tot rechter of verdeler over u aangesteld?" Dus, heeft Hij niet de oordeelsmacht over alle mensen.
B: (Luke 12:13) [b:Luke 12:13] (Luke 12:14) [b:Luke 12:14]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat aan Christus niet de oordeelsmacht toekomt met betrekking tot alle menselijke dingen. Zoals immers staat bij Lucas (12. 13), antwoordde Christus, toen iemand uit de menigte tot Hem zei: "Zeg aan mijn broeder, dat hij met mij de erfenis deelt": "mens, wie heeft Mij tot rechter of verdeler over u aangesteld?" Dus, heeft Hij niet de oordeelsmacht over alle mensen.
B: (Luke 12:13) [b:Luke 12:13] (Luke 12:14) [b:Luke 12:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Niemand velt een oordeel, tenzij over die dingen, die hem onderworpen zijn. Maar "wij zien nog niet alles aan Christus onderworpen," zoals staat in de Brief aan de Hebreën (2. 8). Dus heeft Christus niet het oordeel over alle menselijke dingen.
B: (Heb 2:8) [b:Heb 2:8]
Vervolgens. Niemand velt een oordeel, tenzij over die dingen, die hem onderworpen zijn. Maar "wij zien nog niet alles aan Christus onderworpen," zoals staat in de Brief aan de Hebreën (2. 8). Dus heeft Christus niet het oordeel over alle menselijke dingen.
B: (Heb 2:8) [b:Heb 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Augustinus zegt, dat "het tot Gods oordeel behoort, dat soms de goeden lijden in deze wereld, en het hun soms goed gaat, en evenzo de slechten." Dit was echter ook het geval vóór de menswording van Christus. Dus komen niet alle oordelen over de menselijke aangelegenheden toe aan de oordeelsmacht van Christus.
Vervolgens. Augustinus zegt, dat "het tot Gods oordeel behoort, dat soms de goeden lijden in deze wereld, en het hun soms goed gaat, en evenzo de slechten." Dit was echter ook het geval vóór de menswording van Christus. Dus komen niet alle oordelen over de menselijke aangelegenheden toe aan de oordeelsmacht van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (5. 22) gezegd wordt: "De Vader heeft alle oordeel aan de Zoon gegeven."
B: (John 5:22, John 5:22) [b:John 5:22]
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (5. 22) gezegd wordt: "De Vader heeft alle oordeel aan de Zoon gegeven."
B: (John 5:22, John 5:22) [b:John 5:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 4 co.
Mijn antwoord. Als wij over Christus spreken naar zijn goddelijke natuur, dan is het duidelijk, dat het gehele oordeel van de Vader toekomt aan de Zoon; zoals immers de Vader alles maakt door zijn Woord, zo oordeelt Hij ook alles door zijn Woord. Indien wij echter spreken van Christus naar zijn menselijke natuur, dan is het ook duidelijk, dat alle menselijke aangelegenheden aan zijn oordeel onderworpen zijn. — En dit is duidelijk, vooreerst als wij de verhouding beschouwen van Christus’ ziel tot het Woord Gods. Wanneer immers "een geestelijk mens alles oordeelt," zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 15), in zover zijn geest het Woord Gods aanhangt, dan bezit nog veel meer de ziel van Christus, die vol is van de waarheid van het Woord Gods, over alles het oordeel. — Ten tweede blijkt hetzelfde uit de verdienste van zijn dood: aangezien, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (14. 9), "Christus hiertoe gestorven en verrezen is, om de levenden en de doden te beheersen." En derhalve heeft Hij over allen het oordeel. Daarom laat ook de Apostel ter plaatse volgen (v. 10), dat "wij allen zullen staan voor de rechterstoel van Christus;" en bij Daniël (7. 14) wordt gezegd, dat "Hij Hem de macht gaf, en de eer en het rijk; en dat alle volken, stammen en talen Hem zullen dienen." — Ten derde blijkt ook hetzelfde uit de vergelijking van de menselijke dingen, met het doel, dat in het menselijk heil bestaat. Aan wie immers het voornamere gegeven wordt, wordt ook het bijkomstige toevertrouwd. Alle menselijke dingen nu leiden tot het doel der zaligheid, dat het eeuwig geluk is, waartoe de mensen worden toegelaten of waarvan zij ook worden uitgesloten volgens het oordeel van Christus, zoals blijkt bij Mattheus (25. 31 vlg.). En dus is het duidelijk, dat alle menselijke dingen vallen onder Christus’ oordeelsmacht.
Mijn antwoord. Als wij over Christus spreken naar zijn goddelijke natuur, dan is het duidelijk, dat het gehele oordeel van de Vader toekomt aan de Zoon; zoals immers de Vader alles maakt door zijn Woord, zo oordeelt Hij ook alles door zijn Woord. Indien wij echter spreken van Christus naar zijn menselijke natuur, dan is het ook duidelijk, dat alle menselijke aangelegenheden aan zijn oordeel onderworpen zijn. — En dit is duidelijk, vooreerst als wij de verhouding beschouwen van Christus’ ziel tot het Woord Gods. Wanneer immers "een geestelijk mens alles oordeelt," zoals gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (2. 15), in zover zijn geest het Woord Gods aanhangt, dan bezit nog veel meer de ziel van Christus, die vol is van de waarheid van het Woord Gods, over alles het oordeel. — Ten tweede blijkt hetzelfde uit de verdienste van zijn dood: aangezien, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (14. 9), "Christus hiertoe gestorven en verrezen is, om de levenden en de doden te beheersen." En derhalve heeft Hij over allen het oordeel. Daarom laat ook de Apostel ter plaatse volgen (v. 10), dat "wij allen zullen staan voor de rechterstoel van Christus;" en bij Daniël (7. 14) wordt gezegd, dat "Hij Hem de macht gaf, en de eer en het rijk; en dat alle volken, stammen en talen Hem zullen dienen." — Ten derde blijkt ook hetzelfde uit de vergelijking van de menselijke dingen, met het doel, dat in het menselijk heil bestaat. Aan wie immers het voornamere gegeven wordt, wordt ook het bijkomstige toevertrouwd. Alle menselijke dingen nu leiden tot het doel der zaligheid, dat het eeuwig geluk is, waartoe de mensen worden toegelaten of waarvan zij ook worden uitgesloten volgens het oordeel van Christus, zoals blijkt bij Mattheus (25. 31 vlg.). En dus is het duidelijk, dat alle menselijke dingen vallen onder Christus’ oordeelsmacht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Zoals gezegd is (vorig Art. 1° Bed.), volgt de oordeelsmacht uit de koninklijke waardigheid. Hoewel Christus nu door God tot koning was aangesteld, wilde Hij toch tijdens zijn leven op aarde niet het aardse rijk tijdelijk besturen; vandaar zegt Hijzelf bij Joannes (18. 36): "Mijn rijk is niet van deze wereld." Zo ook wilde Hij, die gekomen was om de mensen tot het goddelijke op te voeren, zijn oordeelsmacht niet uitoefenen over de tijdelijke dingen. Daarom zegt Ambrosius: "Wel mocht Hij de aardse dingen afwijzen, die om de goddelijke dingen was neergedaald; en Hij verwaardigde zich niet om rechter te zijn in twistgedingen, en toewijzer bij vermogens, die het oordeel bezat over de levenden en de doden, en de uitspraak over de verdiensten."
B: (1Cor 2:15) [b:1Cor 2:15]
R: q. 59 a. 3 Arg. 1[t:iiia q. 59 a. 3 arg. 1]
1e Weerlegging. Zoals gezegd is (vorig Art. 1° Bed.), volgt de oordeelsmacht uit de koninklijke waardigheid. Hoewel Christus nu door God tot koning was aangesteld, wilde Hij toch tijdens zijn leven op aarde niet het aardse rijk tijdelijk besturen; vandaar zegt Hijzelf bij Joannes (18. 36): "Mijn rijk is niet van deze wereld." Zo ook wilde Hij, die gekomen was om de mensen tot het goddelijke op te voeren, zijn oordeelsmacht niet uitoefenen over de tijdelijke dingen. Daarom zegt Ambrosius: "Wel mocht Hij de aardse dingen afwijzen, die om de goddelijke dingen was neergedaald; en Hij verwaardigde zich niet om rechter te zijn in twistgedingen, en toewijzer bij vermogens, die het oordeel bezat over de levenden en de doden, en de uitspraak over de verdiensten."
B: (1Cor 2:15) [b:1Cor 2:15]
R: q. 59 a. 3 Arg. 1[t:iiia q. 59 a. 3 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Aan Christus is alles onderworpen, in zover Hij de macht erover heeft, die Hij van zijn Vader over alles ontving, overeenkomstig het gezegde bij Mattheus (28. 18): "Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde." Maar nog niet is alles aan Hem onderworpen, wat betreft de uitoefening van zijn macht. Dit zal echter in de toekomst plaats hebben, als Hij over allen zijn wil zal doorvoeren, door sommigen namelijk te redden, anderen echter te straffen.
B: (Dan 7:14) [b:Dan 7:14] (Rom 14:9) [b:Rom 14:9] (Rom 14:10) [b:Rom 14:10]
2e Weerlegging. Aan Christus is alles onderworpen, in zover Hij de macht erover heeft, die Hij van zijn Vader over alles ontving, overeenkomstig het gezegde bij Mattheus (28. 18): "Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde." Maar nog niet is alles aan Hem onderworpen, wat betreft de uitoefening van zijn macht. Dit zal echter in de toekomst plaats hebben, als Hij over allen zijn wil zal doorvoeren, door sommigen namelijk te redden, anderen echter te straffen.
B: (Dan 7:14) [b:Dan 7:14] (Rom 14:9) [b:Rom 14:9] (Rom 14:10) [b:Rom 14:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Vóór de menswording werden deze oordelen door Christus geveld in zover Hij het Woord Gods is, aan wiens macht de ziel, die met Hem in persoon verenigd is door de menswording, deelachtig is geworden.
B: (Matt 25:31) [b:Matt 25:31] (Matt 25:40) [b:Matt 25:40]
3e Weerlegging. Vóór de menswording werden deze oordelen door Christus geveld in zover Hij het Woord Gods is, aan wiens macht de ziel, die met Hem in persoon verenigd is door de menswording, deelachtig is geworden.
B: (Matt 25:31) [b:Matt 25:31] (Matt 25:40) [b:Matt 25:40]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Is er na het oordeel, dat in dezen tijd wordt uitgeoefend nog een ander te wachten?
IIIa q. 59 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat er na het oordeel, dat in deze tijd wordt uitgeoefend, geen ander algemeen oordeel meer te wachten is. Na de laatste vergelding van belooningen en straffen heeft een oordeel immers geen zin meer. In deze tegenwoordige tijd nu heeft de vergelding plaats door belooningen en straffen. De Heer heeft immers tot de rover op het kruis gezegd (Luc. 23. 43): "Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs;" en bij Lucas (16. 22) wordt gezegd, dat "de rijke stierf, en begraven werd in de hel." Dus heeft het geen zin, om nog een eindoordeel te verwachten.
B: (Luke 16:22) [b:Luke 16:22] (Luke 23:43) [b:Luke 23:43]
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat er na het oordeel, dat in deze tijd wordt uitgeoefend, geen ander algemeen oordeel meer te wachten is. Na de laatste vergelding van belooningen en straffen heeft een oordeel immers geen zin meer. In deze tegenwoordige tijd nu heeft de vergelding plaats door belooningen en straffen. De Heer heeft immers tot de rover op het kruis gezegd (Luc. 23. 43): "Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs;" en bij Lucas (16. 22) wordt gezegd, dat "de rijke stierf, en begraven werd in de hel." Dus heeft het geen zin, om nog een eindoordeel te verwachten.
B: (Luke 16:22) [b:Luke 16:22] (Luke 23:43) [b:Luke 23:43]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Volgens een andere tekstlezing wordt bij Nahum (1. 9) gezegd: "De Heer zal geen tweede maal over hetzelfde oordelen." In deze tijd echter wordt Gods oordeel uitgesproken zowel over het tijdelijke, als over het geestelijke. Dus moet geen ander eindoordeel meer verwacht worden.
B: (Nah 1:9) [b:Nah 1:9]
Vervolgens. Volgens een andere tekstlezing wordt bij Nahum (1. 9) gezegd: "De Heer zal geen tweede maal over hetzelfde oordelen." In deze tijd echter wordt Gods oordeel uitgesproken zowel over het tijdelijke, als over het geestelijke. Dus moet geen ander eindoordeel meer verwacht worden.
B: (Nah 1:9) [b:Nah 1:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Beloning en straf zien terug op verdienste en onverdienste. Verdienste en onverdienste hebben echter geen betrekking op het lichaam, tenzij voor zover dit het instrument der ziel is. Dus verdient ook het lichaam geen beloning of straf, tenzij om de ziel. Dus wordt op het eind geen ander oordeel geëist, om de mens in het lichaam te belonen of te straffen, buiten dat waardoor nu de zielen gestraft of beloond worden.
Vervolgens. Beloning en straf zien terug op verdienste en onverdienste. Verdienste en onverdienste hebben echter geen betrekking op het lichaam, tenzij voor zover dit het instrument der ziel is. Dus verdient ook het lichaam geen beloning of straf, tenzij om de ziel. Dus wordt op het eind geen ander oordeel geëist, om de mens in het lichaam te belonen of te straffen, buiten dat waardoor nu de zielen gestraft of beloond worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (12. 48) gezegd wordt: "Het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hen oordelen op de jongste dag." Er zal dus buiten het oordeel, dat nu uitgesproken wordt, nog een ander oordeel zijn op de jongste dag.
B: (John 12:48, John 12:48) [b:John 12:48]
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (12. 48) gezegd wordt: "Het woord dat Ik gesproken heb, dat zal hen oordelen op de jongste dag." Er zal dus buiten het oordeel, dat nu uitgesproken wordt, nog een ander oordeel zijn op de jongste dag.
B: (John 12:48, John 12:48) [b:John 12:48]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 5 co.
Mijn antwoord. Over een veranderlijk ding kan niet volmaakt een oordeel gegeven worden vóór zijn voltooiing. Zoals over een of andere handeling, welke die dan ook zijn moge, niet volmaakt een oordeel kan gegeven worden, voordat zij af is, in zich en in haar gevolgen: aangezien vele handelingen nuttig schijnen, die in hun gevolgen schadelijk blijken. En zo ook kan over een mens niet volmaakt een oordeel gevormd worden, voordat zijn leven geëindigd is; wijl hij veelvuldig van goed naar kwaad kan veranderen of omgekeerd, of van goed tot beter, of van kwaad tot slechter. Vandaar zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreeën (9. 27), dat "het voor de mensen is vastgesteld om eens te sterven; daarna echter volgt het oordeel." Men moet echter weten, dat ofschoon door de dood het tijdelijk leven van de mens op zich zelf eindigt, het toch nog blijft, daar het in zeker opzicht afhankelijk is, van wat nog zal gebeuren. — Vooreerst namelijk, doordat hij nog leeft in de herinnering der mensen, bij wie hij soms tegen de waarheid in, te goeder of kwader faam bekend blijft. — Vervolgens door de kinderen, die a. h. w. iets van de vader zijn, overeenkomstig het woord in het Boek Ecclesiasticus (30. 4): "Zijn vader is gestorven, en het is toch alsof hij niet gestorven was, hij liet immers een gelijken achter." En toch hebben vele goeden slechte kinderen en omgekeerd. — Ten derde door de uitwerking van zijn werken; zoals ook door het bedrog van Arius en van andere verleiders het ongeloof voortwoekert tot aan het einde van de wereld; tot dan toe neemt ook het geloof toe tengevolge van de prediking der apostelen. — Ten vierde door het lichaam, dat soms een eervolle begrafenis ontvangt, soms ook onbegraven blijft, en ten slotte tot stof vergaan, geheel wordt ontbonden. — Ten vijfde, door die dingen waarop de mens zijn liefde gevestigd had, bijvoorbeeld in sommige tijdelijke dingen, van welke sommige vlugger een einde nemen, sommige langer duren. Al deze dingen nu zijn onderworpen aan de schatting van Gods oordeel. En daarom kan men van dit alles geen volmaakt en duidelijk oordeel vormen, zolang de wenteling van deze tijd duurt. En daarom moet er een eindoordeel zijn op de jongste dag, waarop volmaakt hetgeen bij iedere mens hoe dan ook behoort, volkomen en openbaar wordt geoordeeld.
B: (Heb 9:27) [b:Heb 9:27]
Mijn antwoord. Over een veranderlijk ding kan niet volmaakt een oordeel gegeven worden vóór zijn voltooiing. Zoals over een of andere handeling, welke die dan ook zijn moge, niet volmaakt een oordeel kan gegeven worden, voordat zij af is, in zich en in haar gevolgen: aangezien vele handelingen nuttig schijnen, die in hun gevolgen schadelijk blijken. En zo ook kan over een mens niet volmaakt een oordeel gevormd worden, voordat zijn leven geëindigd is; wijl hij veelvuldig van goed naar kwaad kan veranderen of omgekeerd, of van goed tot beter, of van kwaad tot slechter. Vandaar zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreeën (9. 27), dat "het voor de mensen is vastgesteld om eens te sterven; daarna echter volgt het oordeel." Men moet echter weten, dat ofschoon door de dood het tijdelijk leven van de mens op zich zelf eindigt, het toch nog blijft, daar het in zeker opzicht afhankelijk is, van wat nog zal gebeuren. — Vooreerst namelijk, doordat hij nog leeft in de herinnering der mensen, bij wie hij soms tegen de waarheid in, te goeder of kwader faam bekend blijft. — Vervolgens door de kinderen, die a. h. w. iets van de vader zijn, overeenkomstig het woord in het Boek Ecclesiasticus (30. 4): "Zijn vader is gestorven, en het is toch alsof hij niet gestorven was, hij liet immers een gelijken achter." En toch hebben vele goeden slechte kinderen en omgekeerd. — Ten derde door de uitwerking van zijn werken; zoals ook door het bedrog van Arius en van andere verleiders het ongeloof voortwoekert tot aan het einde van de wereld; tot dan toe neemt ook het geloof toe tengevolge van de prediking der apostelen. — Ten vierde door het lichaam, dat soms een eervolle begrafenis ontvangt, soms ook onbegraven blijft, en ten slotte tot stof vergaan, geheel wordt ontbonden. — Ten vijfde, door die dingen waarop de mens zijn liefde gevestigd had, bijvoorbeeld in sommige tijdelijke dingen, van welke sommige vlugger een einde nemen, sommige langer duren. Al deze dingen nu zijn onderworpen aan de schatting van Gods oordeel. En daarom kan men van dit alles geen volmaakt en duidelijk oordeel vormen, zolang de wenteling van deze tijd duurt. En daarom moet er een eindoordeel zijn op de jongste dag, waarop volmaakt hetgeen bij iedere mens hoe dan ook behoort, volkomen en openbaar wordt geoordeeld.
B: (Heb 9:27) [b:Heb 9:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Sommigen waren van mening, dat de zielen der heiligen niet beloond worden in de hemel, noch de zielen der verdoemden gestraft worden in de hel tot aan de dag van het oordeel; dit echter blijkt vals te zijn uit hetgeen de Apostel zegt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (5. 6 vlg.): "Goede moed houden wij en wij geven er de voorkeur aan uit het lichaam te verhuizen en aanwezig te zijn bij de Heer;" dit is voortaan "niet wandelen in het geloof," maar "in de aanschouwing," zoals blijkt uit hetgeen volgt. Dit is God zien in zijn wezenheid, "waarin het eeuwige leven gelegen is," zoals blijkt uit Joannes (17. 3). Vandaar is het duidelijk, dat de zielen van de lichamen gescheiden zijn in het eeuwige leven. En daarom moeten wij zeggen, dat na de dood de mens met betrekking tot de dingen der ziel, een zekeren onveranderlijke toestand krijgt; en daarom behoeft voor de beloning der ziel het oordeel niet verder uitgesteld te worden. Maar omdat er nog andere dingen zijn, die bij de mens behoren, en die in de loop der tijden voorvallen, en die niet vreemd zijn aan het goddelijk oordeel, moet wederom op het eind der tijden dit alles ter beoordeling naar voren gebracht worden. Want ofschoon de mens hierdoor niet verdient of schuldig staat, draagt dit toch enigszins bij tot zijn beloning of straf. Dus moet dit alles bij het eindoordeel in schatting gebracht worden.
B: (Sir 30:4) [b:Sir 30:4]
1e Weerlegging. Sommigen waren van mening, dat de zielen der heiligen niet beloond worden in de hemel, noch de zielen der verdoemden gestraft worden in de hel tot aan de dag van het oordeel; dit echter blijkt vals te zijn uit hetgeen de Apostel zegt in de Tweede Brief aan de Corinthiërs (5. 6 vlg.): "Goede moed houden wij en wij geven er de voorkeur aan uit het lichaam te verhuizen en aanwezig te zijn bij de Heer;" dit is voortaan "niet wandelen in het geloof," maar "in de aanschouwing," zoals blijkt uit hetgeen volgt. Dit is God zien in zijn wezenheid, "waarin het eeuwige leven gelegen is," zoals blijkt uit Joannes (17. 3). Vandaar is het duidelijk, dat de zielen van de lichamen gescheiden zijn in het eeuwige leven. En daarom moeten wij zeggen, dat na de dood de mens met betrekking tot de dingen der ziel, een zekeren onveranderlijke toestand krijgt; en daarom behoeft voor de beloning der ziel het oordeel niet verder uitgesteld te worden. Maar omdat er nog andere dingen zijn, die bij de mens behoren, en die in de loop der tijden voorvallen, en die niet vreemd zijn aan het goddelijk oordeel, moet wederom op het eind der tijden dit alles ter beoordeling naar voren gebracht worden. Want ofschoon de mens hierdoor niet verdient of schuldig staat, draagt dit toch enigszins bij tot zijn beloning of straf. Dus moet dit alles bij het eindoordeel in schatting gebracht worden.
B: (Sir 30:4) [b:Sir 30:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. "God zal niet tweemaal over hetzelfde oordelen" d. i. onder hetzelfde opzicht. Maar er is niets tegen, dat God onder verschillend opzicht tweemaal oordeelt.
2e Weerlegging. "God zal niet tweemaal over hetzelfde oordelen" d. i. onder hetzelfde opzicht. Maar er is niets tegen, dat God onder verschillend opzicht tweemaal oordeelt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Hoewel de beloning of straf van het lichaam afhankelijk is van de beloning of straf van de ziel, heeft toch de ziel, aangezien zij niet veranderlijk is, tenzij om iets bijkomstigs: van wege het lichaam, terstond na de scheiding van het lichaam haar onveranderlijke toestand, en ontvangt zij haar oordeel. Maar het lichaam blijft onderworpen aan verandering tot aan het einde der tijden. En daarom moet het dan zijn beloning of straf ontvangen bij het eindoordeel.
B: (John 17:3) [b:John 17:3] (2Cor 5:8) [b:2Cor 5:8]
3e Weerlegging. Hoewel de beloning of straf van het lichaam afhankelijk is van de beloning of straf van de ziel, heeft toch de ziel, aangezien zij niet veranderlijk is, tenzij om iets bijkomstigs: van wege het lichaam, terstond na de scheiding van het lichaam haar onveranderlijke toestand, en ontvangt zij haar oordeel. Maar het lichaam blijft onderworpen aan verandering tot aan het einde der tijden. En daarom moet het dan zijn beloning of straf ontvangen bij het eindoordeel.
B: (John 17:3) [b:John 17:3] (2Cor 5:8) [b:2Cor 5:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Strekt de oordeelsmacht van Christus zich uit tot de engelen?
IIIa q. 59 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de oordeelsmacht van Christus zich niet uitstrekt tot de engelen. De engelen immers, zowel de goede als de kwade zijn geoordeeld van het begin van de wereld af, toen sommigen door de zonde vielen, en de anderen in de gelukzaligheid werden bevestigd. Maar zij, die geoordeeld zijn, behoeven niet opnieuw geoordeeld te worden. Dus strekt zich de oordeelsmacht van Christus niet uit tot de engelen.
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de oordeelsmacht van Christus zich niet uitstrekt tot de engelen. De engelen immers, zowel de goede als de kwade zijn geoordeeld van het begin van de wereld af, toen sommigen door de zonde vielen, en de anderen in de gelukzaligheid werden bevestigd. Maar zij, die geoordeeld zijn, behoeven niet opnieuw geoordeeld te worden. Dus strekt zich de oordeelsmacht van Christus niet uit tot de engelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Het is niet dezelfde, die oordeelt en geoordeeld wordt. De engelen echter zullen komen om met Christus te oordelen, volgens het woord van *Mattheus* (25. 31): "Als de Zoon des mensen zal gekomen zijn in zijn heerlijkheid, en al de engelen met Hem." Dus zullen de engelen niet door Christus geoordeeld worden.
B: (Matt 25:31) [b:Matt 25:31]
Vervolgens. Het is niet dezelfde, die oordeelt en geoordeeld wordt. De engelen echter zullen komen om met Christus te oordelen, volgens het woord van *Mattheus* (25. 31): "Als de Zoon des mensen zal gekomen zijn in zijn heerlijkheid, en al de engelen met Hem." Dus zullen de engelen niet door Christus geoordeeld worden.
B: (Matt 25:31) [b:Matt 25:31]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 6 arg. 3
Vervolgens. De engelen staan boven de andere schepselen. Indien Christus dus de rechter is niet alleen van de mensen, maar ook van de engelen, dan zal Hij ook om dezelfde reden rechter zijn van alle schepselen. En dit schijnt vals te zijn, daar dit het eigene is van Gods voorzienigheid: vandaar wordt gezegd in het Boek Job (34.13): "Wien anders heeft Hij gesteld over de aarde, of wien heeft Hij geplaatst over de wereld, die Hij gemaakt heeft?" Dus is Christus niet de rechter der engels.
B: (Job 34:13) [b:Job 34:13]
Vervolgens. De engelen staan boven de andere schepselen. Indien Christus dus de rechter is niet alleen van de mensen, maar ook van de engelen, dan zal Hij ook om dezelfde reden rechter zijn van alle schepselen. En dit schijnt vals te zijn, daar dit het eigene is van Gods voorzienigheid: vandaar wordt gezegd in het Boek Job (34.13): "Wien anders heeft Hij gesteld over de aarde, of wien heeft Hij geplaatst over de wereld, die Hij gemaakt heeft?" Dus is Christus niet de rechter der engels.
B: (Job 34:13) [b:Job 34:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (6.3): "Of weet u niet, dat wij de engelen zullen oordelen?" De heiligen echter oordelen niet, tenzij op gezag van Christus. Dus veeleer nog heeft Christus de oordeelsmacht over de engelen.
B: (1Cor 6:3) [b:1Cor 6:3]
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (6.3): "Of weet u niet, dat wij de engelen zullen oordelen?" De heiligen echter oordelen niet, tenzij op gezag van Christus. Dus veeleer nog heeft Christus de oordeelsmacht over de engelen.
B: (1Cor 6:3) [b:1Cor 6:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 6 co.
Mijn antwoord. De engelen zijn onderworpen aan de oordeelsmacht van Christus, niet alleen omdat Hij God is, in zover Hij het Woord Gods is, maar ook omdat Hij mens is. En dit blijkt uit drie punten. — Vooreerst uit de nauwe verbondenheid van de aangenomen natuur met God, aangezien Hij, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreën (2. 16), "nooit engelen heeft aangenomen, maar het zaad van Abraham heeft aanvaard." En daarom is de ziel van Christus meer van de kracht van het Woord Gods vervuld, dan een der engelen. Vandaar dat zij ook de engelen verlicht, zoals Dionysius zegt. Dus heeft Hij ook over hen macht om te oordelen. — Ten tweede, omdat door de vernedering van het lijden de menselijke natuur in Christus verdiende verheven te worden boven de engelen; zóó, dat, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Philippensen (2. 10), "in de naam van Jesus alle knie zich buigt, van hen, die in de hemel, op de aarde en onder de aarde zijn." En derhalve heeft Christus de oordeelsmacht ook over alle engelen, de goede en de kwade. En als teken hiervan wordt in het Boek der Openbaring (7. 11) gezegd, dat "alle engelen rondom zijn troon stonden." — Ten derde, om die dingen, welke zij met betrekking tot de mensen verrichten, van wie Christus op bijzondere wijze het hoofd is. Daarom wordt in de Brief aan de Hebreën (1. 14) gezegd: "Allen zijn dienende geesten, gezonden ten dienste van hen, die de erfenis des heils ontvangen." Zij zijn nu onderworpen aan het oordeel van Christus, vooreerst wat betreft de schikking van wat door hen gedaan wordt. Hierover beschikt ook de mens Christus, wien de engelen dienen, zoals staat bij Mattheus (4. 11); en aan wien de duivelen vroegen, om in de zwijnen gezonden te worden, zoals gezegd wordt bij Mattheus (8. 31). Op de tweede plaats met betrekking tot de andere bijkomstige belooningen der goede engelen, als daar zijn de vreugden, die zij hebben over het heil der mensen, volgens het gezegde in Lucas (15. 10): "Er zal vreugde heerschen bij de engelen Gods over een zondaar, die boete doet." En ook met betrekking tot de bijkomstige straffen des duivels, waarmee zij hier gekweld worden, ofwel in de hel worden opgesloten. En ook dit komt toe aan de mens Christus. Vandaar wordt bij Marcus (1. 24) gezegd, dat de duivel riep: "Wat is er tussen ons en U, Jesus van Nazareth? Zijt Gij gekomen om ons vóór de tijd te verderven?" — Op de derde plaats met betrekking tot de wezenlijke belooning der goede engelen, welke de eeuwige gelukzaligheid is, en tot de wezenlijke straf der slechte engelen, welke de eeuwige verwerping is. Maar dit is gebeurd door Christus, in zover Hij het Woord Gods is, bij het begin van de wereld.
B: (Matt 4:11) [b:Matt 4:11] (Matt 8:31) [b:Matt 8:31] (Mark 1:24) [b:Mark 1:24] (Luke 15:10) [b:Luke 15:10] (Phil 2:10) [b:Phil 2:10] (Heb 1:14) [b:Heb 1:14] (Heb 2:16) [b:Heb 2:16]
Mijn antwoord. De engelen zijn onderworpen aan de oordeelsmacht van Christus, niet alleen omdat Hij God is, in zover Hij het Woord Gods is, maar ook omdat Hij mens is. En dit blijkt uit drie punten. — Vooreerst uit de nauwe verbondenheid van de aangenomen natuur met God, aangezien Hij, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreën (2. 16), "nooit engelen heeft aangenomen, maar het zaad van Abraham heeft aanvaard." En daarom is de ziel van Christus meer van de kracht van het Woord Gods vervuld, dan een der engelen. Vandaar dat zij ook de engelen verlicht, zoals Dionysius zegt. Dus heeft Hij ook over hen macht om te oordelen. — Ten tweede, omdat door de vernedering van het lijden de menselijke natuur in Christus verdiende verheven te worden boven de engelen; zóó, dat, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Philippensen (2. 10), "in de naam van Jesus alle knie zich buigt, van hen, die in de hemel, op de aarde en onder de aarde zijn." En derhalve heeft Christus de oordeelsmacht ook over alle engelen, de goede en de kwade. En als teken hiervan wordt in het Boek der Openbaring (7. 11) gezegd, dat "alle engelen rondom zijn troon stonden." — Ten derde, om die dingen, welke zij met betrekking tot de mensen verrichten, van wie Christus op bijzondere wijze het hoofd is. Daarom wordt in de Brief aan de Hebreën (1. 14) gezegd: "Allen zijn dienende geesten, gezonden ten dienste van hen, die de erfenis des heils ontvangen." Zij zijn nu onderworpen aan het oordeel van Christus, vooreerst wat betreft de schikking van wat door hen gedaan wordt. Hierover beschikt ook de mens Christus, wien de engelen dienen, zoals staat bij Mattheus (4. 11); en aan wien de duivelen vroegen, om in de zwijnen gezonden te worden, zoals gezegd wordt bij Mattheus (8. 31). Op de tweede plaats met betrekking tot de andere bijkomstige belooningen der goede engelen, als daar zijn de vreugden, die zij hebben over het heil der mensen, volgens het gezegde in Lucas (15. 10): "Er zal vreugde heerschen bij de engelen Gods over een zondaar, die boete doet." En ook met betrekking tot de bijkomstige straffen des duivels, waarmee zij hier gekweld worden, ofwel in de hel worden opgesloten. En ook dit komt toe aan de mens Christus. Vandaar wordt bij Marcus (1. 24) gezegd, dat de duivel riep: "Wat is er tussen ons en U, Jesus van Nazareth? Zijt Gij gekomen om ons vóór de tijd te verderven?" — Op de derde plaats met betrekking tot de wezenlijke belooning der goede engelen, welke de eeuwige gelukzaligheid is, en tot de wezenlijke straf der slechte engelen, welke de eeuwige verwerping is. Maar dit is gebeurd door Christus, in zover Hij het Woord Gods is, bij het begin van de wereld.
B: (Matt 4:11) [b:Matt 4:11] (Matt 8:31) [b:Matt 8:31] (Mark 1:24) [b:Mark 1:24] (Luke 15:10) [b:Luke 15:10] (Phil 2:10) [b:Phil 2:10] (Heb 1:14) [b:Heb 1:14] (Heb 2:16) [b:Heb 2:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Die redenering gaat uit van het oordeel, dat de wezenlijke beloning en de voornaamste straf betreft.
1e Weerlegging. Die redenering gaat uit van het oordeel, dat de wezenlijke beloning en de voornaamste straf betreft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, wordt de geestelijke mens, ofschoon "hij over alles oordeelt," toch geoordeeld door de Waarheid zelf. En daarom worden de engelen, ofschoon zij om het feit, dat zij geestelijk zijn, oordelen, toch door Christus geoordeeld, in zover Hij de Waarheid is.
2e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt, wordt de geestelijke mens, ofschoon "hij over alles oordeelt," toch geoordeeld door de Waarheid zelf. En daarom worden de engelen, ofschoon zij om het feit, dat zij geestelijk zijn, oordelen, toch door Christus geoordeeld, in zover Hij de Waarheid is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 59 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Christus heeft niet alleen het oordeel over de engelen, maar ook over het bestel van geheel de schepping. Want indien, zoals Augustinus zegt, het lagere volgens een zekere orde door God bestuurd wordt door middel van het hogere, dan moet men zeggen, dat alles wordt bestuurd door de ziel van Christus, die boven alle schepsel staat. Vandaar zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (2.5): "God heeft immers niet aan de engelen de toekomstige wereld onderworpen, die namelijk onderworpen is aan Hem, over wie wij spreken, dat wil zeggen aan Christus." En toch heeft God daarom geen ander aangesteld over de aarde, daar een en dezelfde God is en mens, de Heer Jesus Christus. Over het mysterie van zijn menswording is voor het ogenblik voldoende gezegd.
B: (Heb 2:5) [b:Heb 2:5]
3e Weerlegging. Christus heeft niet alleen het oordeel over de engelen, maar ook over het bestel van geheel de schepping. Want indien, zoals Augustinus zegt, het lagere volgens een zekere orde door God bestuurd wordt door middel van het hogere, dan moet men zeggen, dat alles wordt bestuurd door de ziel van Christus, die boven alle schepsel staat. Vandaar zegt de Apostel in de Brief aan de Hebreën (2.5): "God heeft immers niet aan de engelen de toekomstige wereld onderworpen, die namelijk onderworpen is aan Hem, over wie wij spreken, dat wil zeggen aan Christus." En toch heeft God daarom geen ander aangesteld over de aarde, daar een en dezelfde God is en mens, de Heer Jesus Christus. Over het mysterie van zijn menswording is voor het ogenblik voldoende gezegd.
B: (Heb 2:5) [b:Heb 2:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Over de Sacramenten (60-71)
- Q 60: Over de Sacramenten
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
Suppl q. 34 a. 3 co.[t:suppl q. 34 a. 3 co.]
IIIa q. 60 pr.
Na de geheimen beschouwd te hebben van het Mensgeworden Woord, moeten we over de Sacramenten van de Heilige Kerk, die hun werkdadigheid van het Mensgeworden Woord ontvangen, handelen.
Daartoe zullen we eerst de Sacramenten beschouwen in het algemeen, daarna ieder Sacrament in het bijzonder. In onze verhandeling over de Sacramenten in het algemeen, moeten we vijf vraagstukken behandelen:
1. Wat is een Sacrament?
2. De noodzakelijkheid van de Sacramenten.
3. De uitwerking van de Sacramenten.
4. De oorzaak van de Sacramenten.
5. Het getal van de Sacramenten.
Met betrekking tot het eerste vraagstuk stellen we acht vragen:
1. Is het Sacrament een teken?
2. Zijn alle heilige tekenen Sacramenten?
3. Betekent een Sacrament verschillende zaken, ofwel één zaak alleen?
4. Is het teken van een Sacrament iets stoffelijks?
5. Is het vereist, dat dit stoffelijk teken bepaald wordt?
6. Is het voor een Sacrament nodig woorden te gebruiken die het teken verklaren?
7. Worden daartoe geijkte uitdrukkingen vereist?
8. Mag men aan die woorden iets toevoegen of er iets van weg laten?
Suppl q. 34 a. 3 co.[t:suppl q. 34 a. 3 co.]
IIIa q. 60 pr.
Na de geheimen beschouwd te hebben van het Mensgeworden Woord, moeten we over de Sacramenten van de Heilige Kerk, die hun werkdadigheid van het Mensgeworden Woord ontvangen, handelen.
Daartoe zullen we eerst de Sacramenten beschouwen in het algemeen, daarna ieder Sacrament in het bijzonder. In onze verhandeling over de Sacramenten in het algemeen, moeten we vijf vraagstukken behandelen:
1. Wat is een Sacrament?
2. De noodzakelijkheid van de Sacramenten.
3. De uitwerking van de Sacramenten.
4. De oorzaak van de Sacramenten.
5. Het getal van de Sacramenten.
Met betrekking tot het eerste vraagstuk stellen we acht vragen:
1. Is het Sacrament een teken?
2. Zijn alle heilige tekenen Sacramenten?
3. Betekent een Sacrament verschillende zaken, ofwel één zaak alleen?
4. Is het teken van een Sacrament iets stoffelijks?
5. Is het vereist, dat dit stoffelijk teken bepaald wordt?
6. Is het voor een Sacrament nodig woorden te gebruiken die het teken verklaren?
7. Worden daartoe geijkte uitdrukkingen vereist?
8. Mag men aan die woorden iets toevoegen of er iets van weg laten?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Zijn alle heilige tekens Sacramenten?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 60 a. 2 s. c.
IIIa q. 66 a. 11 ad 2
IIIa q. 73 a. 2 arg. 2[t:iiia q. 60 a. 2 s. c.][t:iiia q. 66 a. 11 ad 2][t:iiia q. 73 a. 2 arg. 2]
IIIa q. 60 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het sacrament geen teken is. Het woord sacrament immers moet afgeleid worden van het woord sacreren, zoals geneesmiddel van genezen. Welnu, dat komt eerder toe aan een oorzaak dan aan een teken, en bijgevolg is een sacrament eerder een oorzaak dan een teken.
IIIa q. 60 a. 2 s. c.
IIIa q. 66 a. 11 ad 2
IIIa q. 73 a. 2 arg. 2[t:iiia q. 60 a. 2 s. c.][t:iiia q. 66 a. 11 ad 2][t:iiia q. 73 a. 2 arg. 2]
IIIa q. 60 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het sacrament geen teken is. Het woord sacrament immers moet afgeleid worden van het woord sacreren, zoals geneesmiddel van genezen. Welnu, dat komt eerder toe aan een oorzaak dan aan een teken, en bijgevolg is een sacrament eerder een oorzaak dan een teken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Het woord sacrament betekent iets geheimzinnigs, volgens de woorden uit het Boek Tobias (12, 7): “Het Sacrament van een koning verborgen houden is goed”, en uit de Brief aan de Efeziërs (3, 9): “En het bestel te doen zien van het heilsgeheim, dat van eeuwigheid verborgen was in God.” Welnu wat verborgen is, is strijdig met het wezen van het teken, want een teken is iets, wat buiten het beeld, dat het in onze zinnen voortbrengt, ook tot de kennis doet komen van iets anders, zoals blijkt uit hetgeen Augustinus schrijft in zijn Boek “Over de christelijke leer” (2e B., 1e H.). Een sacrament is dus geen teken.
B: (Eph 3:9) [b:Eph 3:9] (Tob 12:7) [b:Tob 12:7]
R: De doctrina Christiana - 2e B., 1e H.[2077|+0]
Vervolgens. Het woord sacrament betekent iets geheimzinnigs, volgens de woorden uit het Boek Tobias (12, 7): “Het Sacrament van een koning verborgen houden is goed”, en uit de Brief aan de Efeziërs (3, 9): “En het bestel te doen zien van het heilsgeheim, dat van eeuwigheid verborgen was in God.” Welnu wat verborgen is, is strijdig met het wezen van het teken, want een teken is iets, wat buiten het beeld, dat het in onze zinnen voortbrengt, ook tot de kennis doet komen van iets anders, zoals blijkt uit hetgeen Augustinus schrijft in zijn Boek “Over de christelijke leer” (2e B., 1e H.). Een sacrament is dus geen teken.
B: (Eph 3:9) [b:Eph 3:9] (Tob 12:7) [b:Tob 12:7]
R: De doctrina Christiana - 2e B., 1e H.[2077|+0]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Soms noemt men een eed ook sacrament. In de Decretalen toch (22, Kw. 3, 14e H.) lezen we: “De kinderen, die de jaren van verstand nog niet bereikt hebben, mogen niet gedwongen worden tot eedaflegging, en hij die eenmaal meinedig was, mag geen getuige meer zijn noch opgeroepen worden tot het sacrament d. i. tot de eedaflegging. Welnu een eed is geen teken. Dus is een sacrament geen teken.
Vervolgens. Soms noemt men een eed ook sacrament. In de Decretalen toch (22, Kw. 3, 14e H.) lezen we: “De kinderen, die de jaren van verstand nog niet bereikt hebben, mogen niet gedwongen worden tot eedaflegging, en hij die eenmaal meinedig was, mag geen getuige meer zijn noch opgeroepen worden tot het sacrament d. i. tot de eedaflegging. Welnu een eed is geen teken. Dus is een sacrament geen teken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Boek De Stad Gods (10e B., 5e H.): “Het zichtbaar offer is het Sacrament, dit is het heilig teken van het onzichtbaar offer.”
R: De Civitate Dei - 10e B., 5e H.[857|+0]
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Boek De Stad Gods (10e B., 5e H.): “Het zichtbaar offer is het Sacrament, dit is het heilig teken van het onzichtbaar offer.”
R: De Civitate Dei - 10e B., 5e H.[857|+0]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 1 co.
Mijn antwoord. Alles wat met iets anders in betrekking staat, hetzij dan ook op verschillende wijze, kan naar dat andere genoemd worden. Zo noemt men niet alleen een dier gezond met het oog op de gezondheid van het dier, het subject van de gezondheid, maar ook het geneesmiddel, in zover het de gezondheid voortbrengt; het dieet, in zover het de gezondheid bewaart, de urine, in zover zij er een teken van is. Zo ook wordt iets sacrament genoemd omdat het in zich een verborgen heiligheid bevat (en volgens die betekenis is een sacrament hetzelfde als een heilig geheim) ofwel omdat het zich tot die heiligheid verhoudt als een oorzaak of een teken, of hoe dan ook. We spreken hier echter voornamelijk over de sacramenten in zover ze zich tot iets anders verhouden als tekenen, en op die wijze heeft het sacrament het karakter van een teken.
Mijn antwoord. Alles wat met iets anders in betrekking staat, hetzij dan ook op verschillende wijze, kan naar dat andere genoemd worden. Zo noemt men niet alleen een dier gezond met het oog op de gezondheid van het dier, het subject van de gezondheid, maar ook het geneesmiddel, in zover het de gezondheid voortbrengt; het dieet, in zover het de gezondheid bewaart, de urine, in zover zij er een teken van is. Zo ook wordt iets sacrament genoemd omdat het in zich een verborgen heiligheid bevat (en volgens die betekenis is een sacrament hetzelfde als een heilig geheim) ofwel omdat het zich tot die heiligheid verhoudt als een oorzaak of een teken, of hoe dan ook. We spreken hier echter voornamelijk over de sacramenten in zover ze zich tot iets anders verhouden als tekenen, en op die wijze heeft het sacrament het karakter van een teken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De geneesmiddelen zijn de bewerkende oorzaak van de gezondheid, en daarom wordt alles wat naar de geneesmiddelen genoemd wordt, gezegd met betrekking tot een eerste werkende oorzaak; waarom dan ook een geneesmiddel een zeker oorzakelijkheidsverband insluit. De heiligheid echter, naar welke een sacrament benoemd wordt, wordt niet opgevat als een werkende oorzaak, doch eerder als een vormoorzaak of een eindoorzaak en daarom is het niet vereist, dat een sacrament altijd een oorzakelijkheidsverband aanduidt.
1e Weerlegging. De geneesmiddelen zijn de bewerkende oorzaak van de gezondheid, en daarom wordt alles wat naar de geneesmiddelen genoemd wordt, gezegd met betrekking tot een eerste werkende oorzaak; waarom dan ook een geneesmiddel een zeker oorzakelijkheidsverband insluit. De heiligheid echter, naar welke een sacrament benoemd wordt, wordt niet opgevat als een werkende oorzaak, doch eerder als een vormoorzaak of een eindoorzaak en daarom is het niet vereist, dat een sacrament altijd een oorzakelijkheidsverband aanduidt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Die bedenking gaat op, voor zover een sacrament hetzelfde is als een heilig geheim, want er wordt niet alleen gezegd, dat het geheim van God, maar ook van een koning iets heiligs en een sacrament is. Alles immers wat niet mocht geschonden worden, werd door de Ouden heilig en hoog heilig genoemd, zoals de versterkingen van een stad en de hoogwaardigheidsbekleders. En daarom worden goddelijke en menselijke geheimen, die niet mogen geschonden worden door ze aan eenieder te openbaren, heilige zaken of sacramenten genoemd.
2e Weerlegging. Die bedenking gaat op, voor zover een sacrament hetzelfde is als een heilig geheim, want er wordt niet alleen gezegd, dat het geheim van God, maar ook van een koning iets heiligs en een sacrament is. Alles immers wat niet mocht geschonden worden, werd door de Ouden heilig en hoog heilig genoemd, zoals de versterkingen van een stad en de hoogwaardigheidsbekleders. En daarom worden goddelijke en menselijke geheimen, die niet mogen geschonden worden door ze aan eenieder te openbaren, heilige zaken of sacramenten genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Ook de eed staat in betrekking met heilige zaken omdat hij iets heiligs tot getuige neemt. Overeenkomstig daarmee, zegt men, dat de eed een sacrament is, niet echter in dezelfde zin als hier over de sacramenten gesproken wordt. Ook niet in een dubbelzinnige betekenis, maar in een deels gelijke betekenis, dit is naar de verschillende verhoudingen naar één en hetzelfde, nl. tot een heilige zaak.
3e Weerlegging. Ook de eed staat in betrekking met heilige zaken omdat hij iets heiligs tot getuige neemt. Overeenkomstig daarmee, zegt men, dat de eed een sacrament is, niet echter in dezelfde zin als hier over de sacramenten gesproken wordt. Ook niet in een dubbelzinnige betekenis, maar in een deels gelijke betekenis, dit is naar de verschillende verhoudingen naar één en hetzelfde, nl. tot een heilige zaak.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Betekent een Sacrament maar één enkele zaak?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 60 a. 3 arg. 2
IIIa q. 60 a. 3 co.
IIIa q. 60 a. 4 arg. 1
IIIa q. 60 a. 6 co.[t:iiia q. 60 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 60 a. 3 co.][t:iiia q. 60 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 60 a. 6 co.]
IIIa q. 60 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat niet alle heilige tekens sacramenten zijn. Alle stoffelijke schepselen immers zijn tekenen van iets heiligs, want er staat geschreven in de Brief aan de Romeinen (1, 20): “Want zijn (Gods) onzichtbaar Wezen is bij enig nadenken uit het geschapene duidelijk te kennen.” Welnu men kan niet beweren, dat alle stoffelijke dingen sacramenten zijn. Dus zijn niet alle heilige tekens sacramenten.
B: (Rom 1:20) [b:Rom 1:20]
IIIa q. 60 a. 3 arg. 2
IIIa q. 60 a. 3 co.
IIIa q. 60 a. 4 arg. 1
IIIa q. 60 a. 6 co.[t:iiia q. 60 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 60 a. 3 co.][t:iiia q. 60 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 60 a. 6 co.]
IIIa q. 60 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat niet alle heilige tekens sacramenten zijn. Alle stoffelijke schepselen immers zijn tekenen van iets heiligs, want er staat geschreven in de Brief aan de Romeinen (1, 20): “Want zijn (Gods) onzichtbaar Wezen is bij enig nadenken uit het geschapene duidelijk te kennen.” Welnu men kan niet beweren, dat alle stoffelijke dingen sacramenten zijn. Dus zijn niet alle heilige tekens sacramenten.
B: (Rom 1:20) [b:Rom 1:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Alles wat in de oude wet geschiedde, was een voorafbeelding van Christus, die de Heilige van de Heiligen is. In de Ie Brief aan de Korintiërs lezen we immers (10, 11): “Dit alles nu overkwam hun als een voorafbeelding”, en in de Brief aan de Colossenzen (2, 17): “Deze dingen zijn slechts een schaduwbeeld van het toekomstige, maar de werkelijkheid is van Christus.” en toch waren niet al de daden van de Oudvaders uit het oude verbond, noch alle ceremoniën van de Wet sacramenten, maar enkel enige in het bijzonder, zoals bewezen werd in het IIe Deel (Kw. 101, Art. 4). Dus zijn niet alle heilige tekenen sacramenten.
B: (Dan 9:24) [b:Dan 9:24] (1Cor 10:11) [b:1Cor 10:11] (Col 2:17) [b:Col 2:17]
R: Ia-IIae q. 101 a. 4[t:ia-iiae q. 101 a. 4]
Vervolgens. Alles wat in de oude wet geschiedde, was een voorafbeelding van Christus, die de Heilige van de Heiligen is. In de Ie Brief aan de Korintiërs lezen we immers (10, 11): “Dit alles nu overkwam hun als een voorafbeelding”, en in de Brief aan de Colossenzen (2, 17): “Deze dingen zijn slechts een schaduwbeeld van het toekomstige, maar de werkelijkheid is van Christus.” en toch waren niet al de daden van de Oudvaders uit het oude verbond, noch alle ceremoniën van de Wet sacramenten, maar enkel enige in het bijzonder, zoals bewezen werd in het IIe Deel (Kw. 101, Art. 4). Dus zijn niet alle heilige tekenen sacramenten.
B: (Dan 9:24) [b:Dan 9:24] (1Cor 10:11) [b:1Cor 10:11] (Col 2:17) [b:Col 2:17]
R: Ia-IIae q. 101 a. 4[t:ia-iiae q. 101 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Ook in het nieuw Verbond worden veel zaken aangegeven als tekenen van iets heiligs, en toch zijn het geen sacramenten, zoals het besproeien met wijwater, de wijding van een altaar, en van de gelijke. Dus zijn niet alle tekenen van iets heiligs sacramenten.
Vervolgens. Ook in het nieuw Verbond worden veel zaken aangegeven als tekenen van iets heiligs, en toch zijn het geen sacramenten, zoals het besproeien met wijwater, de wijding van een altaar, en van de gelijke. Dus zijn niet alle tekenen van iets heiligs sacramenten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat een bepaling omkeerbaar is met het bepaalde. Welnu sommigen bepalen het sacrament als een teken van een heilige zaak, en dit wordt bevestigd door de woorden van Augustinus, die vroeger werden aangehaald (vorig Artikel) Dus is ieder teken van iets heiligs een sacrament.
R: q. 60 a. 1[t:iiia q. 60 a. 1]
Daartegenover staat echter, dat een bepaling omkeerbaar is met het bepaalde. Welnu sommigen bepalen het sacrament als een teken van een heilige zaak, en dit wordt bevestigd door de woorden van Augustinus, die vroeger werden aangehaald (vorig Artikel) Dus is ieder teken van iets heiligs een sacrament.
R: q. 60 a. 1[t:iiia q. 60 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 2 co.
Mijn antwoord. Tekenen worden eigenlijk door de mensen gebruikt, die immers door gekende zaken tot de kennis komen van onbekende. Het woord sacrament wordt dus in eigenlijke zin gebruikt om een teken aan te duiden van een heilige zaak, die de mens aanbelangt. Zoals we hier spreken over sacramenten, is een sacrament in eigenlijke zin een teken van een heilige zaak, in zover deze de mensen heiligt.
Mijn antwoord. Tekenen worden eigenlijk door de mensen gebruikt, die immers door gekende zaken tot de kennis komen van onbekende. Het woord sacrament wordt dus in eigenlijke zin gebruikt om een teken aan te duiden van een heilige zaak, die de mens aanbelangt. Zoals we hier spreken over sacramenten, is een sacrament in eigenlijke zin een teken van een heilige zaak, in zover deze de mensen heiligt.
Referenties naar deze alinea: 1
De werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de H. Eucharistie en de wijze van te Communie gaan ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De stoffelijke schepselen duiden iets heiligs aan, nl. de wijsheid en de goedheid van God, in zover ze in zichzelf heilig zijn, en niet in zover ze ons heiligen. Daarom kunnen ze geen sacramenten genoemd worden zoals we hier over sacramenten spreken.
1e Weerlegging. De stoffelijke schepselen duiden iets heiligs aan, nl. de wijsheid en de goedheid van God, in zover ze in zichzelf heilig zijn, en niet in zover ze ons heiligen. Daarom kunnen ze geen sacramenten genoemd worden zoals we hier over sacramenten spreken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Sommige dingen uit het Oude Verbond duiden de heiligheid van Christus aan, in zover Hij in zichzelf heilig is. Andere echter duiden Zijn heiligheid aan in zover wij erdoor geheiligd worden, zoals het slachten van het Paaslam de dood van Christus aanduidde, waardoor wij geheiligd worden. En zulke dingen worden eigenlijk sacramenten van de Oude Wet genoemd.
2e Weerlegging. Sommige dingen uit het Oude Verbond duiden de heiligheid van Christus aan, in zover Hij in zichzelf heilig is. Andere echter duiden Zijn heiligheid aan in zover wij erdoor geheiligd worden, zoals het slachten van het Paaslam de dood van Christus aanduidde, waardoor wij geheiligd worden. En zulke dingen worden eigenlijk sacramenten van de Oude Wet genoemd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De dingen worden genoemd naar hun einddoel en voleinding. Een geschiktheid is echter geen einddoel, maar een vervolmaking. En daarom zijn de dingen, die een geschiktheid tot de heiligheid aanduiden, geen sacramenten, waarover in de bedenking gesproken wordt, maar alleen die dingen, welke de voleinding aanduiden van de heiligheid van de mens.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 60 a. 3 arg. 3[t:iiia q. 60 a. 3 arg. 3]
3e Weerlegging. De dingen worden genoemd naar hun einddoel en voleinding. Een geschiktheid is echter geen einddoel, maar een vervolmaking. En daarom zijn de dingen, die een geschiktheid tot de heiligheid aanduiden, geen sacramenten, waarover in de bedenking gesproken wordt, maar alleen die dingen, welke de voleinding aanduiden van de heiligheid van de mens.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 60 a. 3 arg. 3[t:iiia q. 60 a. 3 arg. 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is een Sacrament altijd iets stoffelijks?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 60 a. 6 co.[t:iiia q. 60 a. 6 co.]
IIIa q. 60 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat een sacrament maar één enkele zaak betekent. Een teken immers, dat verschillende zaken betekent, is een dubbelzinnig teken, dat aanleiding geeft tot dwaling, zoals duidelijk is voor de dubbelzinnige woorden. Welnu deze dwaling moet uit de Christelijken godsdienst geweerd worden, volgens het gezegde uit de Brief aan de Colossenzen (2,8): “Past op dat niemand U meesleept door de wijsbegeerte of ijdele drogredenen.” Een sacrament betekent dus niet verschillende zaken.
B: (Col 2:8) [b:Col 2:8]
IIIa q. 60 a. 6 co.[t:iiia q. 60 a. 6 co.]
IIIa q. 60 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat een sacrament maar één enkele zaak betekent. Een teken immers, dat verschillende zaken betekent, is een dubbelzinnig teken, dat aanleiding geeft tot dwaling, zoals duidelijk is voor de dubbelzinnige woorden. Welnu deze dwaling moet uit de Christelijken godsdienst geweerd worden, volgens het gezegde uit de Brief aan de Colossenzen (2,8): “Past op dat niemand U meesleept door de wijsbegeerte of ijdele drogredenen.” Een sacrament betekent dus niet verschillende zaken.
B: (Col 2:8) [b:Col 2:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Zoals in het vorig artikel gezegd werd, betekent een sacrament iets heiligs, als een oorzaak van de heiligmaking van de mensen, nl. het bloed van Christus, volgens de Brief aan de Hebreeën (13, 12): “Daarom heeft ook Jezus buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door Zijn bloed.” Bijgevolg is een sacrament geen teken van verschillende zaken.
B: (Heb 13:12) [b:Heb 13:12]
R: q. 60 a. 2[t:iiia q. 60 a. 2]
Vervolgens. Zoals in het vorig artikel gezegd werd, betekent een sacrament iets heiligs, als een oorzaak van de heiligmaking van de mensen, nl. het bloed van Christus, volgens de Brief aan de Hebreeën (13, 12): “Daarom heeft ook Jezus buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door Zijn bloed.” Bijgevolg is een sacrament geen teken van verschillende zaken.
B: (Heb 13:12) [b:Heb 13:12]
R: q. 60 a. 2[t:iiia q. 60 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Hierboven (vorig Artikel, Antwoord op de 3e Bedenking) werd gezegd, dat een sacrament eigenlijk het doel zelf van de heilig making betekent. Welnu het doel van onze heiligmaking is het eeuwig leven, volgens de Brief aan de Romeinen (6, 22): “Gij plukt thans als vrucht de heiliging, het einde ervan is het eeuwig leven.” Een sacrament betekent dus maar één enkele zaak, nl. het eeuwig leven.
B: (Rom 6:22) [b:Rom 6:22]
R: q. 60 a. 2 ad 3[t:iiia q. 60 a. 2 ad 3]
Vervolgens. Hierboven (vorig Artikel, Antwoord op de 3e Bedenking) werd gezegd, dat een sacrament eigenlijk het doel zelf van de heilig making betekent. Welnu het doel van onze heiligmaking is het eeuwig leven, volgens de Brief aan de Romeinen (6, 22): “Gij plukt thans als vrucht de heiliging, het einde ervan is het eeuwig leven.” Een sacrament betekent dus maar één enkele zaak, nl. het eeuwig leven.
B: (Rom 6:22) [b:Rom 6:22]
R: q. 60 a. 2 ad 3[t:iiia q. 60 a. 2 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat het sacrament des Altaars twee zaken betekent, nl. het werkelijk Lichaam van Christus, en Zijn mystiek Lichaam. Dit is ook de mening van Augustinus in zijn Boek over de Sententiën van Prosper.
Daartegenover staat echter, dat het sacrament des Altaars twee zaken betekent, nl. het werkelijk Lichaam van Christus, en Zijn mystiek Lichaam. Dit is ook de mening van Augustinus in zijn Boek over de Sententiën van Prosper.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals (in het vorig Artikel) gezegd is, is een sacrament eigenlijk iets wat onze heiligmaking betekent. Welnu in onze heiligmaking kunnen we drie verschillende zaken onderscheiden, nl. de oorzaak zelf van onze heiligmaking, het lijden van Christus; de vorm van onze heiligmaking, de genade en de deugden; en het einddoel van onze heiligmaking, het eeuwig leven. Dit alles nu wordt door de sacramenten betekend. Bijgevolg is een sacrament zowel een herinneringsteken aan iets wat voorbij is, nl. het lijden van Christus, als een teken dat aantoont wat in ons door dit lijden volbracht wordt, nl. de genade, en een voorteken van de toekomende heerlijkheid.
R: q. 60 a. 2[t:iiia q. 60 a. 2]
Mijn antwoord. Zoals (in het vorig Artikel) gezegd is, is een sacrament eigenlijk iets wat onze heiligmaking betekent. Welnu in onze heiligmaking kunnen we drie verschillende zaken onderscheiden, nl. de oorzaak zelf van onze heiligmaking, het lijden van Christus; de vorm van onze heiligmaking, de genade en de deugden; en het einddoel van onze heiligmaking, het eeuwig leven. Dit alles nu wordt door de sacramenten betekend. Bijgevolg is een sacrament zowel een herinneringsteken aan iets wat voorbij is, nl. het lijden van Christus, als een teken dat aantoont wat in ons door dit lijden volbracht wordt, nl. de genade, en een voorteken van de toekomende heerlijkheid.
R: q. 60 a. 2[t:iiia q. 60 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Een teken is dubbelzinnig en geeft aanleiding tot dwaling, wanneer het verschillende dingen betekent, die met tot elkander geordend zijn. Wanneer echter een teken verschillende dingen betekent, die door hun onderlinge orde tot een eenheid herleid kunnen worden, dan is het geen dubbelzinnig teken, maar een duidelijk teken, zoals het woord mens de ziel en het lichaam betekent in zover ze beide de menselijke natuur samenstellen. Op dezelfde manier betekent een sacrament de drie genoemde dingen, voor zover ze door hun onderlinge orde iets ééns zijn.
1e Weerlegging. Een teken is dubbelzinnig en geeft aanleiding tot dwaling, wanneer het verschillende dingen betekent, die met tot elkander geordend zijn. Wanneer echter een teken verschillende dingen betekent, die door hun onderlinge orde tot een eenheid herleid kunnen worden, dan is het geen dubbelzinnig teken, maar een duidelijk teken, zoals het woord mens de ziel en het lichaam betekent in zover ze beide de menselijke natuur samenstellen. Op dezelfde manier betekent een sacrament de drie genoemde dingen, voor zover ze door hun onderlinge orde iets ééns zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Voor zover een sacrament iets betekent, dat heilig maakt, moet het het uitwerksel aanduiden dat besloten ligt in de heiligmaking als zodanig.
2e Weerlegging. Voor zover een sacrament iets betekent, dat heilig maakt, moet het het uitwerksel aanduiden dat besloten ligt in de heiligmaking als zodanig.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Tot het wezen van een sacrament volstaat het, dat het de volmaaktheid van de vorm betekent; het is niet vereist dat het enkel de volmaaktheid van het doel zou aanduiden.
3e Weerlegging. Tot het wezen van een sacrament volstaat het, dat het de volmaaktheid van de vorm betekent; het is niet vereist dat het enkel de volmaaktheid van het doel zou aanduiden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Worden er bepaalde stoffelijke dingen vereist tot de Sacramenten?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 60 a. 5 arg. 1
IIIa q. 61 a. 4 arg. 2[t:iiia q. 60 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 61 a. 4 arg. 2]
IIIa q. 60 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat een sacrament niet altijd iets stoffelijks is. De Wijsgeer immers zegt in het eerste Boek van zijn Eerste werk over de Redenering (29e H., nr 1), dat ieder uitwerksel een teken is van zijn oorzaak. Welnu zoals er stoffelijke uitwerkselen zijn, zo ook zijn er zuiver verstandelijke uitwerkselen, zoals de wetenschap een uitwerksel is van de bewijsvoering. Bijgevolg is niet ieder teken stoffelijk. Het volstaat echter om het begrip sacrament te verwezenlijken, dat het een teken is van iets heiligs, voor zover de mens daardoor geheiligd wordt, zoals vroeger werd aangetoond (2e Artikel). Het is dus niet vereist dat een sacrament een stoffelijk teken zijn zou.
R: q. 60 a. 2[t:iiia q. 60 a. 2]
IIIa q. 60 a. 5 arg. 1
IIIa q. 61 a. 4 arg. 2[t:iiia q. 60 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 61 a. 4 arg. 2]
IIIa q. 60 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat een sacrament niet altijd iets stoffelijks is. De Wijsgeer immers zegt in het eerste Boek van zijn Eerste werk over de Redenering (29e H., nr 1), dat ieder uitwerksel een teken is van zijn oorzaak. Welnu zoals er stoffelijke uitwerkselen zijn, zo ook zijn er zuiver verstandelijke uitwerkselen, zoals de wetenschap een uitwerksel is van de bewijsvoering. Bijgevolg is niet ieder teken stoffelijk. Het volstaat echter om het begrip sacrament te verwezenlijken, dat het een teken is van iets heiligs, voor zover de mens daardoor geheiligd wordt, zoals vroeger werd aangetoond (2e Artikel). Het is dus niet vereist dat een sacrament een stoffelijk teken zijn zou.
R: q. 60 a. 2[t:iiia q. 60 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De sacramenten behoren tot de eredienst of tot het rijk van God. Welnu stoffelijke zaken behoren niet tot de eredienst. Er wordt immers gezegd bij Johannes (4, 24): “God is een geest en wie Hem aanbidden, moeten in geest en Waarheid aanbidden”, en in de Brief aan de Romeinen (14, 17): “Het koninkrijk Gods bestaat niet in spijs en drank” Bijgevolg worden er geen stoffelijke zaken vereist voor de sacramenten.
B: (John 4:24, John 4:24) [b:John 4:24] (Rom 14:17) [b:Rom 14:17]
Vervolgens. De sacramenten behoren tot de eredienst of tot het rijk van God. Welnu stoffelijke zaken behoren niet tot de eredienst. Er wordt immers gezegd bij Johannes (4, 24): “God is een geest en wie Hem aanbidden, moeten in geest en Waarheid aanbidden”, en in de Brief aan de Romeinen (14, 17): “Het koninkrijk Gods bestaat niet in spijs en drank” Bijgevolg worden er geen stoffelijke zaken vereist voor de sacramenten.
B: (John 4:24, John 4:24) [b:John 4:24] (Rom 14:17) [b:Rom 14:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Augustinus verklaart in zijn Boek over de vrijen Wil (19e H.), dat de stoffelijke zaken de minste waarde hebben en dat de mens kan leven zoals het behoort zonder ze te bezitten. Welnu de sacramenten zijn vereist tot de zaligheid van de mensen, zoals verder wordt bewezen (Kw. 61) en zonder hen kan de mens niet leven zoals het behoort. De stoffelijke zaken zijn dus niet vereist tot de sacramenten.
R: q. 61 a. 1[t:iiia q. 61 a. 1]
Vervolgens. Augustinus verklaart in zijn Boek over de vrijen Wil (19e H.), dat de stoffelijke zaken de minste waarde hebben en dat de mens kan leven zoals het behoort zonder ze te bezitten. Welnu de sacramenten zijn vereist tot de zaligheid van de mensen, zoals verder wordt bewezen (Kw. 61) en zonder hen kan de mens niet leven zoals het behoort. De stoffelijke zaken zijn dus niet vereist tot de sacramenten.
R: q. 61 a. 1[t:iiia q. 61 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 4 s. c.
Daartegen echter staat wat Augustinus schrijft in zijn Verklaring van Johannes (80e Verhandeling): “Het Woord wordt bij het element gevoegd, en het Sacrament ontstaat.” En hij spreekt van een stoffelijk element, nl. van water. Bijgevolg zijn er stoffelijke zaken vereist tot de sacramenten.
Daartegen echter staat wat Augustinus schrijft in zijn Verklaring van Johannes (80e Verhandeling): “Het Woord wordt bij het element gevoegd, en het Sacrament ontstaat.” En hij spreekt van een stoffelijk element, nl. van water. Bijgevolg zijn er stoffelijke zaken vereist tot de sacramenten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 4 co.
Mijn antwoord. De goddelijke Wijsheid voorziet in alle zaken volgens hun eigen manier van zijn. Daarom zegt het Boek van de Wijsheid (8,1), dat Hij alles bestuurt met zachtheid. En Mattheus zegt ook (25, 15), dat Hij aan eenieder gaf volgens zijn bekwaamheid. Welnu, het ligt in de natuur van de mens door het stoffelijke te komen tot de kennis van het verstandelijke, en een teken is juist iets, waardoor men komt tot de kennis van iets anders; daar nu de heilige zaken, die door de sacramenten worden aangeduid, geestelijke en verstandelijke goederen zijn, waardoor de mens geheiligd wordt, daarom moet datgene wat het sacrament betekent, door stoffelijke zaken worden uitgewerkt. Zo ook worden in de Heilige Schrift de geestelijke dingen beschreven door gelijkenissen uit de zintuiglijk waarneembare wereld. Bijgevolg worden de stoffelijke zaken vereist tot de sacramenten, zoals Dyonisius bewijst in het eerste Hoofdstuk van zijn Boek over de Hemelse Hiërarchie.
B: (Matt 25:15) [b:Matt 25:15] (Wis 8:1) [b:Wis 8:1]
Mijn antwoord. De goddelijke Wijsheid voorziet in alle zaken volgens hun eigen manier van zijn. Daarom zegt het Boek van de Wijsheid (8,1), dat Hij alles bestuurt met zachtheid. En Mattheus zegt ook (25, 15), dat Hij aan eenieder gaf volgens zijn bekwaamheid. Welnu, het ligt in de natuur van de mens door het stoffelijke te komen tot de kennis van het verstandelijke, en een teken is juist iets, waardoor men komt tot de kennis van iets anders; daar nu de heilige zaken, die door de sacramenten worden aangeduid, geestelijke en verstandelijke goederen zijn, waardoor de mens geheiligd wordt, daarom moet datgene wat het sacrament betekent, door stoffelijke zaken worden uitgewerkt. Zo ook worden in de Heilige Schrift de geestelijke dingen beschreven door gelijkenissen uit de zintuiglijk waarneembare wereld. Bijgevolg worden de stoffelijke zaken vereist tot de sacramenten, zoals Dyonisius bewijst in het eerste Hoofdstuk van zijn Boek over de Hemelse Hiërarchie.
B: (Matt 25:15) [b:Matt 25:15] (Wis 8:1) [b:Wis 8:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Ieder wezen wordt voornamelijk genoemd en bepaald volgens wat er onmiddellijk en uiteraard aan toekomt en niet volgens wat eraan toekomt door zijn betrekking met iets anders. Welnu, het komt aan een zintuiglijk waarneembaar uitwerksel uiteraard toe, op te voeren tot de kennis van iets anders, voor zover het uiteraard en onmiddellijk kenbaar is, want al onze kennis heeft haar oorsprong in de zinnen. Het komt echter aan de verstandelijke uitwerkselen niet toe, ons op te voeren tot de kennis van iets anders, dan in zover ze door iets anders worden geopenbaard, dit is door zintuigelijk waarneembare dingen. Daarom worden op de eerste en voornaamste plaats die dingen tekenen genoemd, die onder de zinnen vallen, zoals Augustinus zegt in zijn Boek Over de Christelijke Leer (2e B., 1e H.), dat nl. een teken, buiten datgene, waardoor het onze zinnen aandoet, nog iets anders doet kennen. De verstandelijke uitwerkselen echter zijn geen tekenen, dan in zover ze door sommige tekenen geopenbaard worden. En op die manier worden sommige zaken, die niet zintuigelijk waarneembaar zijn, sacramenten genoemd, voor zover ze door sommige zintuigelijk waarneembare dingen worden aangeduid. Daarover zullen we later spreken (Kw. 63, Art. 1).
R: q. 63 a. 1 ad 2[t:iiia q. 63 a. 1 ad 2] q. 63 a. 3 ad 2[t:iiia q. 63 a. 3 ad 2] q. 73 a. 6[t:iiia q. 73 a. 6] q. 74 a. 1 ad 3[t:iiia q. 74 a. 1 ad 3]
1e Weerlegging. Ieder wezen wordt voornamelijk genoemd en bepaald volgens wat er onmiddellijk en uiteraard aan toekomt en niet volgens wat eraan toekomt door zijn betrekking met iets anders. Welnu, het komt aan een zintuiglijk waarneembaar uitwerksel uiteraard toe, op te voeren tot de kennis van iets anders, voor zover het uiteraard en onmiddellijk kenbaar is, want al onze kennis heeft haar oorsprong in de zinnen. Het komt echter aan de verstandelijke uitwerkselen niet toe, ons op te voeren tot de kennis van iets anders, dan in zover ze door iets anders worden geopenbaard, dit is door zintuigelijk waarneembare dingen. Daarom worden op de eerste en voornaamste plaats die dingen tekenen genoemd, die onder de zinnen vallen, zoals Augustinus zegt in zijn Boek Over de Christelijke Leer (2e B., 1e H.), dat nl. een teken, buiten datgene, waardoor het onze zinnen aandoet, nog iets anders doet kennen. De verstandelijke uitwerkselen echter zijn geen tekenen, dan in zover ze door sommige tekenen geopenbaard worden. En op die manier worden sommige zaken, die niet zintuigelijk waarneembaar zijn, sacramenten genoemd, voor zover ze door sommige zintuigelijk waarneembare dingen worden aangeduid. Daarover zullen we later spreken (Kw. 63, Art. 1).
R: q. 63 a. 1 ad 2[t:iiia q. 63 a. 1 ad 2] q. 63 a. 3 ad 2[t:iiia q. 63 a. 3 ad 2] q. 73 a. 6[t:iiia q. 73 a. 6] q. 74 a. 1 ad 3[t:iiia q. 74 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Het sacrament van het kruisoffer ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. De stoffelijke dingen behoren naar hun natuur noch tot de eredienst, noch tot het rijk van God; ze behoren er enkel toe in zover ze tekenen zijn van de geestelijke zaken, waarin het Godsrijk bestaat.
2e Weerlegging. De stoffelijke dingen behoren naar hun natuur noch tot de eredienst, noch tot het rijk van God; ze behoren er enkel toe in zover ze tekenen zijn van de geestelijke zaken, waarin het Godsrijk bestaat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Augustinus spreekt daar van de stoffelijke dingen naar hun eigen wezen, en niet in zover ze gebruikt worden om geestelijke dingen aan te duiden, die de grootste waarde hebben.
3e Weerlegging. Augustinus spreekt daar van de stoffelijke dingen naar hun eigen wezen, en niet in zover ze gebruikt worden om geestelijke dingen aan te duiden, die de grootste waarde hebben.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Worden er woorden vereist om het teken der Sacramenten te verklaren?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 90 a. 2 co.[t:iiia q. 90 a. 2 co.]
IIIa q. 60 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat er geen bepaalde zaken vereist worden tot de sacramenten. Die stoffelijke dingen immers zijn in de sacramenten vereist om iets aan te duiden, zoals hierboven is aangetoond (3e Artikel). Welnu er is niets op tegen, dat éénzelfde ding wordt aangeduid door verschillende stoffelijke tekenen, zoals in de Heilige Schrift God soms figuurlijk wordt aangeduid door steen of door leeuw, door zon of iets van de gelijks. Het kan dus gebeuren, dat verschillende zaken geschikt zijn voor één en hetzelfde sacrament, en bijgevolg zijn er geen bepaalde zaken vereist tot de sacramenten.
B: (2Kgs 22:2) [b:2Kgs 22:2] (Isa 31:4) [b:Isa 31:4] (Isa 60:19) [b:Isa 60:19] (Isa 60:20) [b:Isa 60:20] (Zech 3:9) [b:Zech 3:9] (Mal 4:2) (1Cor 10:4) [b:1Cor 10:4] (Rev 4:3) [b:Rev 4:3] (Rev 5:5) [b:Rev 5:5]
R: q. 60 a. 4[t:iiia q. 60 a. 4]
IIIa q. 90 a. 2 co.[t:iiia q. 90 a. 2 co.]
IIIa q. 60 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat er geen bepaalde zaken vereist worden tot de sacramenten. Die stoffelijke dingen immers zijn in de sacramenten vereist om iets aan te duiden, zoals hierboven is aangetoond (3e Artikel). Welnu er is niets op tegen, dat éénzelfde ding wordt aangeduid door verschillende stoffelijke tekenen, zoals in de Heilige Schrift God soms figuurlijk wordt aangeduid door steen of door leeuw, door zon of iets van de gelijks. Het kan dus gebeuren, dat verschillende zaken geschikt zijn voor één en hetzelfde sacrament, en bijgevolg zijn er geen bepaalde zaken vereist tot de sacramenten.
B: (2Kgs 22:2) [b:2Kgs 22:2] (Isa 31:4) [b:Isa 31:4] (Isa 60:19) [b:Isa 60:19] (Isa 60:20) [b:Isa 60:20] (Zech 3:9) [b:Zech 3:9] (Mal 4:2) (1Cor 10:4) [b:1Cor 10:4] (Rev 4:3) [b:Rev 4:3] (Rev 5:5) [b:Rev 5:5]
R: q. 60 a. 4[t:iiia q. 60 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 5 arg. 2
Vervolgens. De zaligheid van de ziel is meer nodig dan de gezondheid van het lichaam. Welnu om het lichaam te genezen, mag men het ene geneesmiddel gebruiken in plaats van het ander, als het ene ontbreekt. Dus mag men voor de sacramenten, die de geestelijke geneesmiddelen zijn en voorgeschreven werden voor de zaligheid van de ziel, zoveel te meer de ene zaak gebruiken in plaats van een ander, wanneer de eerste ontbreekt.
Vervolgens. De zaligheid van de ziel is meer nodig dan de gezondheid van het lichaam. Welnu om het lichaam te genezen, mag men het ene geneesmiddel gebruiken in plaats van het ander, als het ene ontbreekt. Dus mag men voor de sacramenten, die de geestelijke geneesmiddelen zijn en voorgeschreven werden voor de zaligheid van de ziel, zoveel te meer de ene zaak gebruiken in plaats van een ander, wanneer de eerste ontbreekt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Het past niet, dat het heil van de mens zou beperkt worden door de goddelijke wet, en vooral niet door de wet van Christus, die allen kwam zalig maken. Welnu in de staat van de natuurwet waren er geen bepaalde zaken vereist in de sacramenten, maar bepaalde eenieder ze zelf door een belofte, zoals blijkt uit de Genesis (28, 20 vv.), waar Jacob belooft tiende en zoenoffers aan God op te dragen. De vrijheid van de mens moet dus in de sacramenten niet beperkt worden tot het gebruik van één bepaalde zaak, vooral met in de Nieuwe Wet.
B: (Gen 28) [b:Gen 28]
Vervolgens. Het past niet, dat het heil van de mens zou beperkt worden door de goddelijke wet, en vooral niet door de wet van Christus, die allen kwam zalig maken. Welnu in de staat van de natuurwet waren er geen bepaalde zaken vereist in de sacramenten, maar bepaalde eenieder ze zelf door een belofte, zoals blijkt uit de Genesis (28, 20 vv.), waar Jacob belooft tiende en zoenoffers aan God op te dragen. De vrijheid van de mens moet dus in de sacramenten niet beperkt worden tot het gebruik van één bepaalde zaak, vooral met in de Nieuwe Wet.
B: (Gen 28) [b:Gen 28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 5 s. c.
Daartegenover echter staat wat de Heer zegt bij Johannes (3, 3): “zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij niet ingaan in het Koninkrijk Gods.”
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
Daartegenover echter staat wat de Heer zegt bij Johannes (3, 3): “zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij niet ingaan in het Koninkrijk Gods.”
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 5 co.
Mijn antwoord. In het gebruik van de sacramenten kunnen we twee zaken beschouwen, nl., de eredienst van God en de heiligmaking van de mens. Het eerste komt toe aan de mens met betrekking tot God, het tweede komt aan God toe met betrekking tot de mens. Welnu het komt niet aan iemand toe, datgene te bepalen wat in de macht ligt van een ander, maar alleen wat in zijn eigen macht ligt. En daar nu de heiligmaking van de mens in de macht ligt van de heiligmakende God, komt het aan de mens niet toe naar eigen oordeel te bepalen, welke zaken moeten gebruikt worden tot zijn heiligmaking, maar moet dit door goddelijke instelling bepaald worden. Daarom moet men voor de sacramenten van de Nieuwe Wet, waardoor de mens geheiligd wordt, volgens de woorden uit de In Brief aan de Korintiërs (6, 11): “Ge zijt rein gewassen, ge zijt geheiligd”, die zaken gebruiken die door goddelijke instelling bepaald zijn.
B: (1Cor 6:11) [b:1Cor 6:11]
Mijn antwoord. In het gebruik van de sacramenten kunnen we twee zaken beschouwen, nl., de eredienst van God en de heiligmaking van de mens. Het eerste komt toe aan de mens met betrekking tot God, het tweede komt aan God toe met betrekking tot de mens. Welnu het komt niet aan iemand toe, datgene te bepalen wat in de macht ligt van een ander, maar alleen wat in zijn eigen macht ligt. En daar nu de heiligmaking van de mens in de macht ligt van de heiligmakende God, komt het aan de mens niet toe naar eigen oordeel te bepalen, welke zaken moeten gebruikt worden tot zijn heiligmaking, maar moet dit door goddelijke instelling bepaald worden. Daarom moet men voor de sacramenten van de Nieuwe Wet, waardoor de mens geheiligd wordt, volgens de woorden uit de In Brief aan de Korintiërs (6, 11): “Ge zijt rein gewassen, ge zijt geheiligd”, die zaken gebruiken die door goddelijke instelling bepaald zijn.
B: (1Cor 6:11) [b:1Cor 6:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Hoewel eenzelfde zaak door verschillende tekenen kan worden aangeduid, toch komt het aan degene toe, die iets wil aanduiden, te bepalen welk teken hij daartoe zal gebruiken. Welnu, God is het die de geestelijke zaken wil aanduiden, te bepalen welk teken Hij daartoe zal gebruiken. Welnu, God is het die de geestelijke zaken wil aanduiden door stoffelijke dingen in de sacramenten, en door figuurlijke uitdrukkingen in de Heilige Schrift. En daarom zoals door het oordeel van de Heilige Geest bepaald is, door welke figuren de geestelijke dingen op zekere plaatsen van de Heilige Schrift worden aangeduid, zo ook moet het door goddelijke instelling worden bepaald, welke stoffelijke dingen als tekenen moeten worden aangewend in een bepaald sacrament.
1e Weerlegging. Hoewel eenzelfde zaak door verschillende tekenen kan worden aangeduid, toch komt het aan degene toe, die iets wil aanduiden, te bepalen welk teken hij daartoe zal gebruiken. Welnu, God is het die de geestelijke zaken wil aanduiden, te bepalen welk teken Hij daartoe zal gebruiken. Welnu, God is het die de geestelijke zaken wil aanduiden door stoffelijke dingen in de sacramenten, en door figuurlijke uitdrukkingen in de Heilige Schrift. En daarom zoals door het oordeel van de Heilige Geest bepaald is, door welke figuren de geestelijke dingen op zekere plaatsen van de Heilige Schrift worden aangeduid, zo ook moet het door goddelijke instelling worden bepaald, welke stoffelijke dingen als tekenen moeten worden aangewend in een bepaald sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. De stoffelijke dingen hebben van nature de kracht om de gezondheid van het lichaam te bewerken, en daarom is het van geen belang, wat men juist uitkiest, wanneer twee dingen dezelfde kracht hebben. Maar de stoffelijke zaken zijn niet geordend tot de zaligmaking, door een kracht die zij van nature zouden hebben, maar alleen door goddelijke instelling. En bijgevolg moest het door God bepaald worden, welke stoffelijke zaken men moest gebruiken in de sacramenten.
2e Weerlegging. De stoffelijke dingen hebben van nature de kracht om de gezondheid van het lichaam te bewerken, en daarom is het van geen belang, wat men juist uitkiest, wanneer twee dingen dezelfde kracht hebben. Maar de stoffelijke zaken zijn niet geordend tot de zaligmaking, door een kracht die zij van nature zouden hebben, maar alleen door goddelijke instelling. En bijgevolg moest het door God bepaald worden, welke stoffelijke zaken men moest gebruiken in de sacramenten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (19e B., 16e en 17e H.), komen de verschillende sacramenten overeen met de verschillende tijdvakken; zo ook worden door verschillende woorden verschillende tijde aangeduid, nl. het heden, het verleden en de toekomst. Zoals in de staat van de natuurwet de mensen alleen door innerlijke neiging er toe bewogen werden om God te dienen, en niet door een van buiten uit opgelegde wet, zo ook werd toen door een innerlijke beweging bepaald, welke stoffelijke zaken ze moesten gebruiken voor de eredienst van God. Later echter werd het nodig, ook een uiterlijke wet uit te vaardigen, zowel omdat de natuurwet verduisterd was door de zonde van de mensen, als om duidelijker te doen blijken de genade van Christus, waardoor het menselijk geslacht geheiligd wordt. En daarom moest ook bepaald worden, welke zaken moeten gebruikt worden voor de sacramenten; daardoor wordt echter de weg van de zaligheid niet nauwer gemaakt, omdat men de zaken, die moeten gebruikt worden voor de sacramenten, gewoonlijk bij de hand heeft, of met weinig moeite kan vinden.
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (19e B., 16e en 17e H.), komen de verschillende sacramenten overeen met de verschillende tijdvakken; zo ook worden door verschillende woorden verschillende tijde aangeduid, nl. het heden, het verleden en de toekomst. Zoals in de staat van de natuurwet de mensen alleen door innerlijke neiging er toe bewogen werden om God te dienen, en niet door een van buiten uit opgelegde wet, zo ook werd toen door een innerlijke beweging bepaald, welke stoffelijke zaken ze moesten gebruiken voor de eredienst van God. Later echter werd het nodig, ook een uiterlijke wet uit te vaardigen, zowel omdat de natuurwet verduisterd was door de zonde van de mensen, als om duidelijker te doen blijken de genade van Christus, waardoor het menselijk geslacht geheiligd wordt. En daarom moest ook bepaald worden, welke zaken moeten gebruikt worden voor de sacramenten; daardoor wordt echter de weg van de zaligheid niet nauwer gemaakt, omdat men de zaken, die moeten gebruikt worden voor de sacramenten, gewoonlijk bij de hand heeft, of met weinig moeite kan vinden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Worden in de Sacramenten bepaalde woorden vereist?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 60 a. 7 arg. 2
IIIa q. 61 a. 1 arg. 1
IIIa q. 83 a. 5 co.
IIIa q. 90 a. 2 co.[t:iiia q. 60 a. 7 arg. 2][t:iiia q. 61 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 83 a. 5 co.][t:iiia q. 90 a. 2 co.]
IIIa q. 60 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat er geen woorden vereist worden om het teken van de sacramenten te verklaren. Augustinus immers zegt in zijn werk Tegen Faustus (19e B., 16e H.): “Wat zijn alle stoffelijke Sacramenten anders dan zichtbare Woorden?” Daaruit blijkt, dat men, door in de sacramenten woorden toe te voegen aan de stoffelijke dingen, woorden zou toevoegen aan woorden. Welnu, dit is nutteloos, en bijgevolg worden er in de sacramenten naast de stoffelijke dingen geen woorden vereist.
IIIa q. 60 a. 7 arg. 2
IIIa q. 61 a. 1 arg. 1
IIIa q. 83 a. 5 co.
IIIa q. 90 a. 2 co.[t:iiia q. 60 a. 7 arg. 2][t:iiia q. 61 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 83 a. 5 co.][t:iiia q. 90 a. 2 co.]
IIIa q. 60 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat er geen woorden vereist worden om het teken van de sacramenten te verklaren. Augustinus immers zegt in zijn werk Tegen Faustus (19e B., 16e H.): “Wat zijn alle stoffelijke Sacramenten anders dan zichtbare Woorden?” Daaruit blijkt, dat men, door in de sacramenten woorden toe te voegen aan de stoffelijke dingen, woorden zou toevoegen aan woorden. Welnu, dit is nutteloos, en bijgevolg worden er in de sacramenten naast de stoffelijke dingen geen woorden vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Een sacrament is iets ééns. Welnu het is onmogelijk om met dingen, die tot verschillende soorten behoren, iets ééns te maken. Daar nu stoffelijke zaken en woorden tot verschillende soorten behoren, — stoffelijke zaken worden immers voortgebracht door de natuur, woorden daarentegen door de rede, daarom zijn er voor de sacramenten geen woorden vereist naast de stoffelijke tekenen.
Vervolgens. Een sacrament is iets ééns. Welnu het is onmogelijk om met dingen, die tot verschillende soorten behoren, iets ééns te maken. Daar nu stoffelijke zaken en woorden tot verschillende soorten behoren, — stoffelijke zaken worden immers voortgebracht door de natuur, woorden daarentegen door de rede, daarom zijn er voor de sacramenten geen woorden vereist naast de stoffelijke tekenen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 6 arg. 3
Vervolgens. De sacramenten van de Nieuwe Wet hebben de plaats ingenomen van die van de Oude Wet, want ze zijn ingesteld, nadat de andere waren afgeschaft, zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (19e B., 13e H.). Welnu voor de sacramenten van de Oude Wet werden er geen bepaalde woorden, vereist. Bijgevolg is het ook niet vereist voor de sacramenten van de Nieuwe Wet.
Vervolgens. De sacramenten van de Nieuwe Wet hebben de plaats ingenomen van die van de Oude Wet, want ze zijn ingesteld, nadat de andere waren afgeschaft, zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (19e B., 13e H.). Welnu voor de sacramenten van de Oude Wet werden er geen bepaalde woorden, vereist. Bijgevolg is het ook niet vereist voor de sacramenten van de Nieuwe Wet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 6 s. c.
Daartegenover echter staat wat de Apostel zegt in de Brief aan de Efeziërs (5, 25, 26): “Christus heeft de Kerk bemind. Hij heeft Zich voor haar overgeleverd, om haar te heiligen en te reinigen door het Waterbad, vergezeld van het woord.” En Augustinus zegt in zijn Verhandeling op Johannes (80e Verhand.): “Het woord wordt toegevoegd aan het element, en het sacrament ontstaat.”
B: (Eph 5:25) [b:Eph 5:25] (Eph 5:26) [b:Eph 5:26]
Daartegenover echter staat wat de Apostel zegt in de Brief aan de Efeziërs (5, 25, 26): “Christus heeft de Kerk bemind. Hij heeft Zich voor haar overgeleverd, om haar te heiligen en te reinigen door het Waterbad, vergezeld van het woord.” En Augustinus zegt in zijn Verhandeling op Johannes (80e Verhand.): “Het woord wordt toegevoegd aan het element, en het sacrament ontstaat.”
B: (Eph 5:25) [b:Eph 5:25] (Eph 5:26) [b:Eph 5:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 6 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd werd (in het 3e Artikel), worden de sacramenten gebruikt als tekenen tot heiligmaking van de mensen. Ze kunnen dus op drie wijzen beschouwd worden, en in elk van die drie opzichten is het passend, dat er woorden worden toegevoegd aan de stoffelijke tekenen. Men kan de sacramenten ten eerste beschouwen van de kant van de oorzaak van onze heiligmaking, het mensgeworden Woord, waarmede de sacramenten enigszins gelijkvormig zijn, omdat de woorden worden toegevoegd aan een stoffelijke zaak, zoals in het mysterie van de menswording, het Woord Gods verenigd werd met het stoffelijk vlees. De sacramenten kunnen ten tweede beschouwd worden van de kant van de mens, die geheiligd wordt, en bestaat uit ziel en lichaam. De sacramentele medicijn staat daartoe in verhouding, want door de zichtbare zaak raakt zij het lichaam aan, en door de woorden ontstaat het geloof in de ziel. Daarom zegt Augustinus in de verklaring van de woorden van Johannes (13, 13): “Reeds zijt ge rein door het woord, dat ik tot u gesproken heb”, het volgende “Waarvandaan komt die grote kracht van het water, Waardoor het het lichaam aanraakt en het hart reinigt, dan van de woorden, niet omdat ze uitgesproken worden, maar omdat ze geloofd worden?”. Ten van de de kan men ook de sacramenten beschouwen van de kant van de sacramentele betekenis. Welnu Augustinus zegt in zijn Boek Over de Christelijke Leer (2e B., 3e H.), dat de woorden de voornaamste tekenen zijn, die door de mensen gebruikt worden, want de woorden kunnen op verschillende wijze gebruikt worden om verschillende begrippen aan te duiden. Daarom kunnen wij met woorden het best uitdrukken wat we in de geest hebben opgenomen. Het was tot de volmaaktheid van de sacramentele betekenis vereist, dat de betekenis van de stoffelijke dingen door woorden zou bepaald worden. Het water immers kan zowel de reiniging aanduiden doordat het nat is, als de verfrissing doordat het koud is. Doch wanneer men zegt: “Ik doop u”, dan wordt het duidelijk dat het water in het Doopsel gebruikt wordt om een geestelijke reiniging aan te duiden.
R: q. 60 a. 2[t:iiia q. 60 a. 2] q. 60 a. 3[t:iiia q. 60 a. 3]
Mijn antwoord. Zoals gezegd werd (in het 3e Artikel), worden de sacramenten gebruikt als tekenen tot heiligmaking van de mensen. Ze kunnen dus op drie wijzen beschouwd worden, en in elk van die drie opzichten is het passend, dat er woorden worden toegevoegd aan de stoffelijke tekenen. Men kan de sacramenten ten eerste beschouwen van de kant van de oorzaak van onze heiligmaking, het mensgeworden Woord, waarmede de sacramenten enigszins gelijkvormig zijn, omdat de woorden worden toegevoegd aan een stoffelijke zaak, zoals in het mysterie van de menswording, het Woord Gods verenigd werd met het stoffelijk vlees. De sacramenten kunnen ten tweede beschouwd worden van de kant van de mens, die geheiligd wordt, en bestaat uit ziel en lichaam. De sacramentele medicijn staat daartoe in verhouding, want door de zichtbare zaak raakt zij het lichaam aan, en door de woorden ontstaat het geloof in de ziel. Daarom zegt Augustinus in de verklaring van de woorden van Johannes (13, 13): “Reeds zijt ge rein door het woord, dat ik tot u gesproken heb”, het volgende “Waarvandaan komt die grote kracht van het water, Waardoor het het lichaam aanraakt en het hart reinigt, dan van de woorden, niet omdat ze uitgesproken worden, maar omdat ze geloofd worden?”. Ten van de de kan men ook de sacramenten beschouwen van de kant van de sacramentele betekenis. Welnu Augustinus zegt in zijn Boek Over de Christelijke Leer (2e B., 3e H.), dat de woorden de voornaamste tekenen zijn, die door de mensen gebruikt worden, want de woorden kunnen op verschillende wijze gebruikt worden om verschillende begrippen aan te duiden. Daarom kunnen wij met woorden het best uitdrukken wat we in de geest hebben opgenomen. Het was tot de volmaaktheid van de sacramentele betekenis vereist, dat de betekenis van de stoffelijke dingen door woorden zou bepaald worden. Het water immers kan zowel de reiniging aanduiden doordat het nat is, als de verfrissing doordat het koud is. Doch wanneer men zegt: “Ik doop u”, dan wordt het duidelijk dat het water in het Doopsel gebruikt wordt om een geestelijke reiniging aan te duiden.
R: q. 60 a. 2[t:iiia q. 60 a. 2] q. 60 a. 3[t:iiia q. 60 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. De zichtbare dingen, die in de sacramenten gebruikt worden, noemt men Woorden in figuurlijke zin, in zover ze nl. deelhebben aan de betekende kracht die op de voornaamste plaats toekomt aan de woorden, zoals (in de Leerstelling) gezegd werd. En daarom is het geen nutteloze herhaling van dezelfde woorden, wanneer in de sacramenten woorden toegevoegd worden aan de zichtbare zaken, want het ene wordt bepaald door het andere, zoals (in de Leerstelling) werd aangetoond.
B: (John 15:3) [b:John 15:3]
1e Weerlegging. De zichtbare dingen, die in de sacramenten gebruikt worden, noemt men Woorden in figuurlijke zin, in zover ze nl. deelhebben aan de betekende kracht die op de voornaamste plaats toekomt aan de woorden, zoals (in de Leerstelling) gezegd werd. En daarom is het geen nutteloze herhaling van dezelfde woorden, wanneer in de sacramenten woorden toegevoegd worden aan de zichtbare zaken, want het ene wordt bepaald door het andere, zoals (in de Leerstelling) werd aangetoond.
B: (John 15:3) [b:John 15:3]
Referenties naar deze alinea: 1
Het sacrament van het kruisoffer ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Hoewel woorden en de andere stoffelijke dingen niet tot dezelfde soort behoren, wat hun natuur betreft, toch komen ze met elkander overeen in zover zij tekenen zijn, wat eerder toekomt aan de woorden dan aan de andere dingen. Op die manier worden de woorden en de dingen in de sacramenten in zekere zin iets ééns, omdat de betekenis van de dingen vervolledigd wordt door de woorden, zo (in de Leerstelling) gezegd werd.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 60 a. 7 co.
IIIa q. 60 a. 8 arg. 2
IIIa q. 86 a. 6 co.[t:iiia q. 60 a. 7 co.][t:iiia q. 60 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 86 a. 6 co.]
2e Weerlegging. Hoewel woorden en de andere stoffelijke dingen niet tot dezelfde soort behoren, wat hun natuur betreft, toch komen ze met elkander overeen in zover zij tekenen zijn, wat eerder toekomt aan de woorden dan aan de andere dingen. Op die manier worden de woorden en de dingen in de sacramenten in zekere zin iets ééns, omdat de betekenis van de dingen vervolledigd wordt door de woorden, zo (in de Leerstelling) gezegd werd.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 60 a. 7 co.
IIIa q. 60 a. 8 arg. 2
IIIa q. 86 a. 6 co.[t:iiia q. 60 a. 7 co.][t:iiia q. 60 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 86 a. 6 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus, moeten de sacramenten die iets aanduiden wat tegenwoordig is, verschillen van die, welke iets toekomstig aanduiden. Welnu de sacramenten van de oude wet waren een voorafbeelding van Christus, die komen zou, en daarom duidde ze niet zo duidelijk Christus aan als de sacramenten van de nieuwe wet, die uit Christus voortvloeien, en een zekere gelijkenis vertonen met Hem, zoals (in de Leerstelling) gezegd werd. En toch werden er in de eredienst van de oude wet woorden gebruikt, zowel door de priesters, die de bedienaars waren van de sacramenten, volgens het Boek van de Getallen (6, 23-24): “Zó zult gij de zonen van Israël zegenen, en gij zult tot hen zeggen: De Heer zegene u, enz.” als door degenen die gebruik maken van de sacramenten volgens Deuteronomium (26, 3): “Ik betuig heden vóór de Heer, uw God,” enz.
3e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus, moeten de sacramenten die iets aanduiden wat tegenwoordig is, verschillen van die, welke iets toekomstig aanduiden. Welnu de sacramenten van de oude wet waren een voorafbeelding van Christus, die komen zou, en daarom duidde ze niet zo duidelijk Christus aan als de sacramenten van de nieuwe wet, die uit Christus voortvloeien, en een zekere gelijkenis vertonen met Hem, zoals (in de Leerstelling) gezegd werd. En toch werden er in de eredienst van de oude wet woorden gebruikt, zowel door de priesters, die de bedienaars waren van de sacramenten, volgens het Boek van de Getallen (6, 23-24): “Zó zult gij de zonen van Israël zegenen, en gij zult tot hen zeggen: De Heer zegene u, enz.” als door degenen die gebruik maken van de sacramenten volgens Deuteronomium (26, 3): “Ik betuig heden vóór de Heer, uw God,” enz.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Mag men aan die woorden, die de vorm zijn der Sacramenten, iets toevoegen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 60 a. 8 arg. 2
IIIa q. 86 a. 6 co.[t:iiia q. 60 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 86 a. 6 co.]
IIIa q. 60 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat er in de sacramenten geen bepaalde woorden vereist worden. Zoals immers de Wijsgeer zegt in het 1e Boek van zijn werk Over het Oordeel (1e H., nr. 3), zijn de woorden niet dezelfde in alle talen. Welnu de zaligheid die men in de sacramenten zoekt, is dezelfde voor alle mensen. Bijgevolg worden er in de sacramenten geen bepaalde woorden vereist.
IIIa q. 60 a. 8 arg. 2
IIIa q. 86 a. 6 co.[t:iiia q. 60 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 86 a. 6 co.]
IIIa q. 60 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat er in de sacramenten geen bepaalde woorden vereist worden. Zoals immers de Wijsgeer zegt in het 1e Boek van zijn werk Over het Oordeel (1e H., nr. 3), zijn de woorden niet dezelfde in alle talen. Welnu de zaligheid die men in de sacramenten zoekt, is dezelfde voor alle mensen. Bijgevolg worden er in de sacramenten geen bepaalde woorden vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 7 arg. 2
Vervolgens. De woorden worden in de sacramenten vereist omdat het op de eerste plaats aan de woorden toekomt, iets anders te betekenen zoals (in het vorig Artikel) gezegd werd. Welnu de verschillende woorden kunnen dezelfde betekenis hebben. Bijgevolg worden er in de sacramenten geen bepaalde woorden vereist.
R: q. 60 a. 6[t:iiia q. 60 a. 6]
Vervolgens. De woorden worden in de sacramenten vereist omdat het op de eerste plaats aan de woorden toekomt, iets anders te betekenen zoals (in het vorig Artikel) gezegd werd. Welnu de verschillende woorden kunnen dezelfde betekenis hebben. Bijgevolg worden er in de sacramenten geen bepaalde woorden vereist.
R: q. 60 a. 6[t:iiia q. 60 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Wanneer iets veranderd wordt, dan komt het terecht in een andere soort. Welnu sommigen veranderen de woorden, zonder dat de uitwerking van de sacramenten daardoor verhinderd wordt; anders zouden de ongeletterde en de stotteraars, welke de sacramenten toedienen, dikwijls de uitwerking van de sacramenten verhinderen. Bijgevolg worden er in de sacramenten geen bepaalde woorden vereist.
Vervolgens. Wanneer iets veranderd wordt, dan komt het terecht in een andere soort. Welnu sommigen veranderen de woorden, zonder dat de uitwerking van de sacramenten daardoor verhinderd wordt; anders zouden de ongeletterde en de stotteraars, welke de sacramenten toedienen, dikwijls de uitwerking van de sacramenten verhinderen. Bijgevolg worden er in de sacramenten geen bepaalde woorden vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter dat de Heer bepaalde woorden gebruikt heeft in de consecratie van het Eucharistisch sacrament, zeggende: “Dit is mijn lichaam” (Mattheus, 26, 26). Ook heeft Hij aan zijn leerlingen bevolen, te dopen door bepaalde woorden te gebruiken, zeggende: “Gaat heen dan, onderwijst alle volken, en doopt ze in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.” (Mattheus, 28, 19)
B: (Matt 26:26) [b:Matt 26:26] (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Daartegenover staat echter dat de Heer bepaalde woorden gebruikt heeft in de consecratie van het Eucharistisch sacrament, zeggende: “Dit is mijn lichaam” (Mattheus, 26, 26). Ook heeft Hij aan zijn leerlingen bevolen, te dopen door bepaalde woorden te gebruiken, zeggende: “Gaat heen dan, onderwijst alle volken, en doopt ze in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.” (Mattheus, 28, 19)
B: (Matt 26:26) [b:Matt 26:26] (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 7 co.
Mijn antwoord. Zoals hierboven gezegd is (vorig Artikel, Antw.), worden de woorden in de sacramenten gelijkgesteld met de vorm, de stoffelijke zaken daarentegen met de stof. Welnu in alle dingen, die samengesteld zijn uit stof en vorm, is het bepalende beginsel de vorm. De vorm immers is als het doel en de voleinding van de stof. Daarom is voor het zijn van een wezen méér een bepaalde vorm vereist dan een bepaalde stof. Een bepaalde stof toch wordt maar vereist opdat ze zou aangepast zijn bij een bepaalde vorm. Daar er nu in de Sacramenten bepaalde stoffelijke dingen vereist worden, die als de stof zijn in de sacramenten, is het nog veel méér vereist, bepaalde woorden te gebruiken.
R: q. 60 a. 6 ad 2[t:iiia q. 60 a. 6 ad 2]
Mijn antwoord. Zoals hierboven gezegd is (vorig Artikel, Antw.), worden de woorden in de sacramenten gelijkgesteld met de vorm, de stoffelijke zaken daarentegen met de stof. Welnu in alle dingen, die samengesteld zijn uit stof en vorm, is het bepalende beginsel de vorm. De vorm immers is als het doel en de voleinding van de stof. Daarom is voor het zijn van een wezen méér een bepaalde vorm vereist dan een bepaalde stof. Een bepaalde stof toch wordt maar vereist opdat ze zou aangepast zijn bij een bepaalde vorm. Daar er nu in de Sacramenten bepaalde stoffelijke dingen vereist worden, die als de stof zijn in de sacramenten, is het nog veel méér vereist, bepaalde woorden te gebruiken.
R: q. 60 a. 6 ad 2[t:iiia q. 60 a. 6 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt in zijn Verklaring van Johannes (80e Verh., Trakt. 80, Tom. 9), werken de woorden iets uit in de sacramenten, niet omdat ze worden uitgesproken, d. i. omdat de uiterlijke klank van de woorden weerklinkt, maar omdat men ze gelooft, d. i. omdat men door het geloof de betekenis van de woorden aanneemt. Die is dezelfde in alle talen, hoewel de woorden niet dezelfde klank hebben. In welke taal dan ook die betekenis wordt uitgedrukt, komen de sacramenten tot stand.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 60 a. 8 co.[t:iiia q. 60 a. 8 co.]
1e Weerlegging. Zoals Augustinus zegt in zijn Verklaring van Johannes (80e Verh., Trakt. 80, Tom. 9), werken de woorden iets uit in de sacramenten, niet omdat ze worden uitgesproken, d. i. omdat de uiterlijke klank van de woorden weerklinkt, maar omdat men ze gelooft, d. i. omdat men door het geloof de betekenis van de woorden aanneemt. Die is dezelfde in alle talen, hoewel de woorden niet dezelfde klank hebben. In welke taal dan ook die betekenis wordt uitgedrukt, komen de sacramenten tot stand.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 60 a. 8 co.[t:iiia q. 60 a. 8 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Hoewel in ieder taal verschillende woorden dezelfde betekenis hebben, toch is er altijd een van die woorden, dat in een of andere taal op de voornaamste plaats en het meest gebruikt wordt om iets uit te drukken. Dit woord moet gebruikt worden om de betekenis van de sacramenten aan te duiden, zoals men onder de stoffelijke dingen datgene daartoe uitkiest, wat het meest gebruikt wordt voor de handeling, waardoor de uitwerking van het sacrament wordt aangeduid. Het water b. v. wordt het meest door de mensen gebruikt om het lichaam te reinigen, waardoor de geestelijke reiniging wordt aangeduid, en daarom wordt het water als stof gebruikt in het doopsel.
2e Weerlegging. Hoewel in ieder taal verschillende woorden dezelfde betekenis hebben, toch is er altijd een van die woorden, dat in een of andere taal op de voornaamste plaats en het meest gebruikt wordt om iets uit te drukken. Dit woord moet gebruikt worden om de betekenis van de sacramenten aan te duiden, zoals men onder de stoffelijke dingen datgene daartoe uitkiest, wat het meest gebruikt wordt voor de handeling, waardoor de uitwerking van het sacrament wordt aangeduid. Het water b. v. wordt het meest door de mensen gebruikt om het lichaam te reinigen, waardoor de geestelijke reiniging wordt aangeduid, en daarom wordt het water als stof gebruikt in het doopsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Wanneer iemand de sacramentele woorden moedwillig verminkt, dan heeft hij het inzicht niet om te doen wat de H. Kerk doet, en daarom zijn in dat geval de sacramenten ongeldig. Indien dat gebeurt bij vergissing of omdat men zich misspreekt, en de verminking Zó groot is, dat de betekenis van de woorden geheel verloren gaat, dan ook is er geen sacrament. Dit is meestal het geval wanneer men de wortel zelf van de woorden verandert, b. v. als men in de doopformule het woord mater (moeder) gebruikt in plaats van het woord pater (vader). Gaat door de verminking van de woorden de betekenis niet geheel verloren, dan is er een waar sacrament. En dit gebeurt meestal wanneer men het einde van de woorden verminkt, b. v. door te zeggen: “In nomine patrias et filias” (in plaats van: patris en: filii). Want ofschoon die verminkte woorden uit zichzelf geen betekenis hebben, toch hebben ze een betekenis verworven door het gebruik. En die betekenis blijft dezelfde, hoewel de klank van de woorden verandert. Het verschil tussen de verminking van de wortel of van het einde van de woorden komt hieruit voort, dat in het Latijn de verandering van de wortel de betekenis verandert; doch een verandering op het einde van de woorden verandert meestal het mede-betekende. In het Grieks echter verandert het mede-betekende ook wanneer men de wortel van de woorden verandert, nl. in de verbuigingen. Men moet er echter vooral op letten, in hoever de woorden verminkt worden want in beide gevallen kan die verminking zó gering zijn, dat ze de betekenis van de woorden niet wegneemt, of zó groot, dat ze het wel doet. Het ene geschiedt het meest door een verminking van de wortel van de woorden, het andere door een verminking op het einde van de woorden.
3e Weerlegging. Wanneer iemand de sacramentele woorden moedwillig verminkt, dan heeft hij het inzicht niet om te doen wat de H. Kerk doet, en daarom zijn in dat geval de sacramenten ongeldig. Indien dat gebeurt bij vergissing of omdat men zich misspreekt, en de verminking Zó groot is, dat de betekenis van de woorden geheel verloren gaat, dan ook is er geen sacrament. Dit is meestal het geval wanneer men de wortel zelf van de woorden verandert, b. v. als men in de doopformule het woord mater (moeder) gebruikt in plaats van het woord pater (vader). Gaat door de verminking van de woorden de betekenis niet geheel verloren, dan is er een waar sacrament. En dit gebeurt meestal wanneer men het einde van de woorden verminkt, b. v. door te zeggen: “In nomine patrias et filias” (in plaats van: patris en: filii). Want ofschoon die verminkte woorden uit zichzelf geen betekenis hebben, toch hebben ze een betekenis verworven door het gebruik. En die betekenis blijft dezelfde, hoewel de klank van de woorden verandert. Het verschil tussen de verminking van de wortel of van het einde van de woorden komt hieruit voort, dat in het Latijn de verandering van de wortel de betekenis verandert; doch een verandering op het einde van de woorden verandert meestal het mede-betekende. In het Grieks echter verandert het mede-betekende ook wanneer men de wortel van de woorden verandert, nl. in de verbuigingen. Men moet er echter vooral op letten, in hoever de woorden verminkt worden want in beide gevallen kan die verminking zó gering zijn, dat ze de betekenis van de woorden niet wegneemt, of zó groot, dat ze het wel doet. Het ene geschiedt het meest door een verminking van de wortel van de woorden, het andere door een verminking op het einde van de woorden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: UIs het Sacrament een teken?
IIIa q. 60 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat men niets mag toevoegen aan de woorden, die de vorm zijn van de sacramenten. De sacramentele woorden immers zijn niet minder nodig dan de woorden van de Heilige Schrift. Welnu het is verboden aan de woorden van de Heilige Schrift iets toe te voegen of er iets van weg te laten. We lezen immers in Deuteronomium (4, 2): “Gij zult niets toevoegen aan wat ik tot u gesproken heb, en gij zult er ook niets van weg laten”. En het Boek van de Openbaring zegt(22, 18-19): “Ik betuig aan ieder, die de woorden hoort van de profetie van dit boek: zo iemand er iets aan toevoegt, dan zal God hém toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven Werden. En zo iemand iets afneemt van de woorden van dit boek van de profetie, dan zal God hém afnemen van zijn deel van de hoornen van de Levens.” Het is dus duidelijk, dat men ook aan de vorm van de sacramenten niets mag toevoegen of er niets van weg mag laten.
B: (Deut 4:2) [b:Deut 4:2] (Rev 22:18) [b:Rev 22:18] (Rev 22:19) [b:Rev 22:19]
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat men niets mag toevoegen aan de woorden, die de vorm zijn van de sacramenten. De sacramentele woorden immers zijn niet minder nodig dan de woorden van de Heilige Schrift. Welnu het is verboden aan de woorden van de Heilige Schrift iets toe te voegen of er iets van weg te laten. We lezen immers in Deuteronomium (4, 2): “Gij zult niets toevoegen aan wat ik tot u gesproken heb, en gij zult er ook niets van weg laten”. En het Boek van de Openbaring zegt(22, 18-19): “Ik betuig aan ieder, die de woorden hoort van de profetie van dit boek: zo iemand er iets aan toevoegt, dan zal God hém toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven Werden. En zo iemand iets afneemt van de woorden van dit boek van de profetie, dan zal God hém afnemen van zijn deel van de hoornen van de Levens.” Het is dus duidelijk, dat men ook aan de vorm van de sacramenten niets mag toevoegen of er niets van weg mag laten.
B: (Deut 4:2) [b:Deut 4:2] (Rev 22:18) [b:Rev 22:18] (Rev 22:19) [b:Rev 22:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 8 arg. 2
Vervolgens. De woorden zijn voor de sacramenten als de vorm er van, zoals (in het vorig Artikel) gezegd werd. Welnu wanneer men aan een vorm iets toevoegt of er iets van weg laat, dan verandert de soort, zoals het ook gebeurt voor de getallen, zoals gezegd wordt in het 8e Boek van de Metafysica (7e B., 3e H., ne 8). Wanneer men dus iets toevoegt aan de vorm van de sacramenten of er iets van weg laat, dan is het niet meer hetzelfde sacrament.
R: q. 60 a. 6 ad 2[t:iiia q. 60 a. 6 ad 2] q. 60 a. 7[t:iiia q. 60 a. 7]
Vervolgens. De woorden zijn voor de sacramenten als de vorm er van, zoals (in het vorig Artikel) gezegd werd. Welnu wanneer men aan een vorm iets toevoegt of er iets van weg laat, dan verandert de soort, zoals het ook gebeurt voor de getallen, zoals gezegd wordt in het 8e Boek van de Metafysica (7e B., 3e H., ne 8). Wanneer men dus iets toevoegt aan de vorm van de sacramenten of er iets van weg laat, dan is het niet meer hetzelfde sacrament.
R: q. 60 a. 6 ad 2[t:iiia q. 60 a. 6 ad 2] q. 60 a. 7[t:iiia q. 60 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Zoals tot de vorm van de sacramenten een zeker getal uitspraken nodig is, zo ook is er een bepaalde volgorde vereist, alsook dat de woorden worden uitgesproken zonder onderbreking. Indien dus toevoeging of weglating de geldigheid van de sacramenten niet wegneemt, dan zal om dezelfde reden ook de verplaatsing van de woorden of het inschakelen van andere woorden die geldigheid niet wegnemen.
Vervolgens. Zoals tot de vorm van de sacramenten een zeker getal uitspraken nodig is, zo ook is er een bepaalde volgorde vereist, alsook dat de woorden worden uitgesproken zonder onderbreking. Indien dus toevoeging of weglating de geldigheid van de sacramenten niet wegneemt, dan zal om dezelfde reden ook de verplaatsing van de woorden of het inschakelen van andere woorden die geldigheid niet wegnemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 8 s. c.
Daartegenover echter staat, dat in de vorm van de sacramenten sommige woorden hier voorkomen, elders niet voorkomen. Zo doopt men in de Latijnse ritus door de woorden: “Ik doop u in de naam van de Vader, van de Zoon, en van de Heilige Geest.” In de Griekse ritus echter doopt men door de woorden: “De dienaar van Christus N... weze gedoopt in de naam van de Vader, enz.” en toch wordt het doopsel in beide gevallen op geldige wijze toegediend. Het is dus wel toegelaten iets aan de vorm van de sacramenten toe te voegen of er iets van weg te laten.
Daartegenover echter staat, dat in de vorm van de sacramenten sommige woorden hier voorkomen, elders niet voorkomen. Zo doopt men in de Latijnse ritus door de woorden: “Ik doop u in de naam van de Vader, van de Zoon, en van de Heilige Geest.” In de Griekse ritus echter doopt men door de woorden: “De dienaar van Christus N... weze gedoopt in de naam van de Vader, enz.” en toch wordt het doopsel in beide gevallen op geldige wijze toegediend. Het is dus wel toegelaten iets aan de vorm van de sacramenten toe te voegen of er iets van weg te laten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 8 co.
Mijn antwoord. In al de veranderingen, die aan de vorm van de sacramenten kunnen worden aangebracht, moeten we twee dingen beschouwen. Het eerste heeft betrekking op hem, die de woorden uitspreekt, en wiens inzicht vereist wordt voor de geldigheid van de sacramenten, zoals later zal worden aangetoond (64e Kw., Art. 8). Is het zijn bedoeling om, door iets toe te voegen of weg te laten, een andere ritus in te voeren die niet door de H. Kerk erkend wordt, dan is het sacrament ongeldig, want in dat geval heeft de bedienaar de bedoeling niet, om te doen wat de Kerk doet. Het tweede wat men moet beschouwen, heeft betrekking op de betekenis van de woorden. In de sacramenten immers bewerken de woorden datgene wat ze betekenen, zoals vroeger gezegd werd (vorig Artikel: 1e Antw.). Men moet dus nagaan of de vereiste betekenis van de woorden door de aangebrachte verandering wordt weggenomen, want in dat geval is het duidelijk, dat het sacrament ongeldig is. Daarom zegt Didymus in zijn Boek Over de Heilige Geest (2e B.; onder de werken, die aan Hieronymus worden toegeschreven): “Als iemand bij het dopen een van die namen moest weglaten (nl. van de Vader, de Zoon of de Heilige Geest) dan is het doopsel ongeldig”. Doch als men iets weglaat wat niet toebehoort tot de zelfstandigheid van de vorm, dan neemt die weglating de vereiste betekenis van de woorden niet weg, en verhindert dit niet de geldigheid van het sacrament. De Eucharistische vorm b. v. is: “Want dit is mijn lichaam”, moest men het woordje “want” overslaan, dan neemt men de vereiste betekenis van de woorden niet weg en wordt bijgevolg de geldigheid van het sacrament niet verhinderd, alhoewel hij die de woorden overslaat, kan zondigen door zorgeloosheid of misprijzen. Gaat het over een toevoeging, dan kan het ook gebeuren, dat men de betekenis wegneemt, zoals wanneer iemand moest zeggen: “ik doop u in de naam van de grotere Vader, en van de kleinere Zoon” zoals de Arianen deden. Zulke toevoeging maakt het sacrament dan ook ongeldig. Wanneer echter de toevoeging de vereiste betekenis niet wegneemt, dan blijft het sacrament geldig. Het komt er ook niet op aan, of er iets toegevoegd wordt in het begin, in het middenn, of op het einde van de woorden. Moest b. v. iemand zeggen: “Ik doop u in de naam van God de Vader almachtig, van de eniggeboren Zoon, en van de Heilige Geest de trooster”, dan zou het sacrament geldig zijn. En insgelijks wanneer iemand zegt: “Ik doop u in de naam van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest, en de gelukzalige Maagd helpe u dan is het een waarachtig doopsel. Moest echter iemand zeggen: “Ik doop u in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, en van de gelukzalige Maagd Maria”, dan zou het doopsel waarschijnlijk ongeldig zijn, want er staat geschreven in de 1e Brief aan de Korintiërs (1, 13): “Is Paulus soms voor u gekruisigd, of zijt ge in zijn naam gedoopt? Die woorden zouden hier toepasselijk zijn, als men het zo begreep, dat het doopsel wordt toegediend in de naam van de Heilige Maagd, op dezelfde wijze als in de naam van de Heilige Drievuldigheid, waardoor het doopsel kracht verkrijgt, want die betekenis zou strijdig zijn met het ware geloof en zou bijgevolg de geldigheid van het sacrament verhinderen. Wanneer men die toevoeging echter zo verstaat, dat de naam van de Heilige Maagd niets uitwerkt in het doopsel, maar opdat hare voorspraak de gedoopte helpen zou om de genade van het doopsel te bewaren, dan zou het doopsel geldig voltrokken worden.
R: q. 64 a. 8[t:iiia q. 64 a. 8] q. 60 a. 7 ad 1[t:iiia q. 60 a. 7 ad 1]
Mijn antwoord. In al de veranderingen, die aan de vorm van de sacramenten kunnen worden aangebracht, moeten we twee dingen beschouwen. Het eerste heeft betrekking op hem, die de woorden uitspreekt, en wiens inzicht vereist wordt voor de geldigheid van de sacramenten, zoals later zal worden aangetoond (64e Kw., Art. 8). Is het zijn bedoeling om, door iets toe te voegen of weg te laten, een andere ritus in te voeren die niet door de H. Kerk erkend wordt, dan is het sacrament ongeldig, want in dat geval heeft de bedienaar de bedoeling niet, om te doen wat de Kerk doet. Het tweede wat men moet beschouwen, heeft betrekking op de betekenis van de woorden. In de sacramenten immers bewerken de woorden datgene wat ze betekenen, zoals vroeger gezegd werd (vorig Artikel: 1e Antw.). Men moet dus nagaan of de vereiste betekenis van de woorden door de aangebrachte verandering wordt weggenomen, want in dat geval is het duidelijk, dat het sacrament ongeldig is. Daarom zegt Didymus in zijn Boek Over de Heilige Geest (2e B.; onder de werken, die aan Hieronymus worden toegeschreven): “Als iemand bij het dopen een van die namen moest weglaten (nl. van de Vader, de Zoon of de Heilige Geest) dan is het doopsel ongeldig”. Doch als men iets weglaat wat niet toebehoort tot de zelfstandigheid van de vorm, dan neemt die weglating de vereiste betekenis van de woorden niet weg, en verhindert dit niet de geldigheid van het sacrament. De Eucharistische vorm b. v. is: “Want dit is mijn lichaam”, moest men het woordje “want” overslaan, dan neemt men de vereiste betekenis van de woorden niet weg en wordt bijgevolg de geldigheid van het sacrament niet verhinderd, alhoewel hij die de woorden overslaat, kan zondigen door zorgeloosheid of misprijzen. Gaat het over een toevoeging, dan kan het ook gebeuren, dat men de betekenis wegneemt, zoals wanneer iemand moest zeggen: “ik doop u in de naam van de grotere Vader, en van de kleinere Zoon” zoals de Arianen deden. Zulke toevoeging maakt het sacrament dan ook ongeldig. Wanneer echter de toevoeging de vereiste betekenis niet wegneemt, dan blijft het sacrament geldig. Het komt er ook niet op aan, of er iets toegevoegd wordt in het begin, in het middenn, of op het einde van de woorden. Moest b. v. iemand zeggen: “Ik doop u in de naam van God de Vader almachtig, van de eniggeboren Zoon, en van de Heilige Geest de trooster”, dan zou het sacrament geldig zijn. En insgelijks wanneer iemand zegt: “Ik doop u in de naam van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest, en de gelukzalige Maagd helpe u dan is het een waarachtig doopsel. Moest echter iemand zeggen: “Ik doop u in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, en van de gelukzalige Maagd Maria”, dan zou het doopsel waarschijnlijk ongeldig zijn, want er staat geschreven in de 1e Brief aan de Korintiërs (1, 13): “Is Paulus soms voor u gekruisigd, of zijt ge in zijn naam gedoopt? Die woorden zouden hier toepasselijk zijn, als men het zo begreep, dat het doopsel wordt toegediend in de naam van de Heilige Maagd, op dezelfde wijze als in de naam van de Heilige Drievuldigheid, waardoor het doopsel kracht verkrijgt, want die betekenis zou strijdig zijn met het ware geloof en zou bijgevolg de geldigheid van het sacrament verhinderen. Wanneer men die toevoeging echter zo verstaat, dat de naam van de Heilige Maagd niets uitwerkt in het doopsel, maar opdat hare voorspraak de gedoopte helpen zou om de genade van het doopsel te bewaren, dan zou het doopsel geldig voltrokken worden.
R: q. 64 a. 8[t:iiia q. 64 a. 8] q. 60 a. 7 ad 1[t:iiia q. 60 a. 7 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Men mag aan de woorden van de Heilige Schrift niets toevoegen, wat de betekenis zou veranderen; doch om de Heilige Schrift te verklaren werd er door de leraren veel aan toegevoegd. Ook mag men niet beweren, dat wat men aan de Heilige Schrift toevoegt, tot de Schrift zelf behoort, want, dan zou men ze vervalsen. Zo ook zou het een vervalsing zijn, wanneer men beweerde dat sommige woorden, die tot de vorm van de sacramenten niet behoren, er een noodzakelijk bestanddeel van zijn.
1e Weerlegging. Men mag aan de woorden van de Heilige Schrift niets toevoegen, wat de betekenis zou veranderen; doch om de Heilige Schrift te verklaren werd er door de leraren veel aan toegevoegd. Ook mag men niet beweren, dat wat men aan de Heilige Schrift toevoegt, tot de Schrift zelf behoort, want, dan zou men ze vervalsen. Zo ook zou het een vervalsing zijn, wanneer men beweerde dat sommige woorden, die tot de vorm van de sacramenten niet behoren, er een noodzakelijk bestanddeel van zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. De woorden behoren tot de vorm van de sacramenten in zover ze de betekenis verduidelijken. Wanneer men dus woorden weglaat of toevoegt, die de betekenis volstrekt niet veranderen, dan blijft de natuur van het sacrament ongeschonden.
2e Weerlegging. De woorden behoren tot de vorm van de sacramenten in zover ze de betekenis verduidelijken. Wanneer men dus woorden weglaat of toevoegt, die de betekenis volstrekt niet veranderen, dan blijft de natuur van het sacrament ongeschonden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 60 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Wanneer de onderbreking het inzicht van de bedienaar doet verloren gaan, dan vervalt ook de geldigheid van het sacrament. niet echter wanneer de onderbreking noch het inzicht van de bedienaar, noch de betekenis van de woorden wegneemt. Hetzelfde mag gezegd worden van de plaatsing van de woorden; wordt de betekenis van de woorden er door weggenomen dan is het sacrament ongeldig zoals blijkt als men de sacramentele formule doet voorafgaan of doet volgen door een ontkenning. wordt door de verplaatsing de betekenis niet veranderd, dan blijft het sacrament geldig, omdat, zoals de wijsgeer zegt in het IIe Boek van zijn werk “Over het Oordeel” (10e H., nr 13), namen en woorden, die verplaatst worden, dezelfde betekenis behouden.
B: (1Cor 1:13) [b:1Cor 1:13]
3e Weerlegging. Wanneer de onderbreking het inzicht van de bedienaar doet verloren gaan, dan vervalt ook de geldigheid van het sacrament. niet echter wanneer de onderbreking noch het inzicht van de bedienaar, noch de betekenis van de woorden wegneemt. Hetzelfde mag gezegd worden van de plaatsing van de woorden; wordt de betekenis van de woorden er door weggenomen dan is het sacrament ongeldig zoals blijkt als men de sacramentele formule doet voorafgaan of doet volgen door een ontkenning. wordt door de verplaatsing de betekenis niet veranderd, dan blijft het sacrament geldig, omdat, zoals de wijsgeer zegt in het IIe Boek van zijn werk “Over het Oordeel” (10e H., nr 13), namen en woorden, die verplaatst worden, dezelfde betekenis behouden.
B: (1Cor 1:13) [b:1Cor 1:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 61: Over de noodzakelijkheid der Sacramenten
IIIa q. 61 pr.
Vervolgens moeten we handelen over de onontbeerlijkheid van de Sacramenten, en met betrekking daartoe stellen we vier vragen:
1. Zijn de Sacramenten nodig voor de zaligheid van de mensen?
2. Waren de Sacramenten nodig vóór de zonde?
3. Waren ze nodig na de zonde en vóór de komst van Christus?
4. Waren ze nodig na de komst van Christus?
Vervolgens moeten we handelen over de onontbeerlijkheid van de Sacramenten, en met betrekking daartoe stellen we vier vragen:
1. Zijn de Sacramenten nodig voor de zaligheid van de mensen?
2. Waren de Sacramenten nodig vóór de zonde?
3. Waren ze nodig na de zonde en vóór de komst van Christus?
4. Waren ze nodig na de komst van Christus?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Zijn de Sacramenten nodig tot de zaligheid der mensen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 60 a. 4 arg. 3
IIIa q. 61 a. 2 arg. 2[t:iiia q. 60 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 61 a. 2 arg. 2]
IIIa q. 61 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat de sacramenten niet nodig zijn tot de zaligheid van de mensen. De Apostel zegt immers in zijn Ie Brief aan Timotheus (4, 8): “De lichaamsoefening is van weinig nut”. Welnu het gebruik van de sacramenten behoort tot de lichamelijke werken, want de sacramenten worden voltrokken door de betekenis van de stoffelijke zaken en van de woorden, zoals gezegd werd (in de vorige Kwestie, Artikel 6). De mensen hebben dus de sacramenten niet nodig om zalig te worden.
B: (1Tim 4:8) [b:1Tim 4:8]
R: q. 60 a. 6[t:iiia q. 60 a. 6]
IIIa q. 60 a. 4 arg. 3
IIIa q. 61 a. 2 arg. 2[t:iiia q. 60 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 61 a. 2 arg. 2]
IIIa q. 61 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat de sacramenten niet nodig zijn tot de zaligheid van de mensen. De Apostel zegt immers in zijn Ie Brief aan Timotheus (4, 8): “De lichaamsoefening is van weinig nut”. Welnu het gebruik van de sacramenten behoort tot de lichamelijke werken, want de sacramenten worden voltrokken door de betekenis van de stoffelijke zaken en van de woorden, zoals gezegd werd (in de vorige Kwestie, Artikel 6). De mensen hebben dus de sacramenten niet nodig om zalig te worden.
B: (1Tim 4:8) [b:1Tim 4:8]
R: q. 60 a. 6[t:iiia q. 60 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De Apostel zegt in zijn IIe Brief aan de Korintiërs (12, 9), dat God tot hem sprak: “Mijn genade is u genoeg”. Welnu die genade zou niet genoeg zijn, wanneer de sacramenten nodig zijn tot de zaligheid, bijgevolg zijn de sacramenten niet nodig tot de zaligheid van de mensen.
B: (2Cor 12:9) [b:2Cor 12:9]
Vervolgens. De Apostel zegt in zijn IIe Brief aan de Korintiërs (12, 9), dat God tot hem sprak: “Mijn genade is u genoeg”. Welnu die genade zou niet genoeg zijn, wanneer de sacramenten nodig zijn tot de zaligheid, bijgevolg zijn de sacramenten niet nodig tot de zaligheid van de mensen.
B: (2Cor 12:9) [b:2Cor 12:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Wanneer een voldoende oorzaak gesteld is, wordt er niets anders tot het uitwerksel vereist. Welnu het lijden van Christus is een voldoende oorzaak voor onze zaligheid. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 10): “zo We met God zijn verzoend, door de dood van zijn Zoon, toen We nog vijanden Waren, hoeveel te meer zullen We gered worden door zijn Leven, nu We mei Hem zijn verzoend”. Bijgevolg zijn de sacramenten niet nodig tot de zaligheid van de mensen.
B: (Rom 5:10) [b:Rom 5:10]
Vervolgens. Wanneer een voldoende oorzaak gesteld is, wordt er niets anders tot het uitwerksel vereist. Welnu het lijden van Christus is een voldoende oorzaak voor onze zaligheid. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 10): “zo We met God zijn verzoend, door de dood van zijn Zoon, toen We nog vijanden Waren, hoeveel te meer zullen We gered worden door zijn Leven, nu We mei Hem zijn verzoend”. Bijgevolg zijn de sacramenten niet nodig tot de zaligheid van de mensen.
B: (Rom 5:10) [b:Rom 5:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in zijn Boek (Tegen Fausius) (19e B., 11e Art.): “Het is ónmogelijk de mensen te verenigen in eenzelfde godsdienst, noch in de Waren godsdienst, noch in een valse godsdienst, wanneer ze niet verenigd worden door een teken of door zichtbare Sacramenten”. Welnu voor de zaligheid van de mensen is het nodig ze te verenigen in dezelfde ware godsdienst. Bijgevolg zijn de sacramenten nodig tot de zaligheid van de mensen.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt in zijn Boek (Tegen Fausius) (19e B., 11e Art.): “Het is ónmogelijk de mensen te verenigen in eenzelfde godsdienst, noch in de Waren godsdienst, noch in een valse godsdienst, wanneer ze niet verenigd worden door een teken of door zichtbare Sacramenten”. Welnu voor de zaligheid van de mensen is het nodig ze te verenigen in dezelfde ware godsdienst. Bijgevolg zijn de sacramenten nodig tot de zaligheid van de mensen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 1 co.
Mijn antwoord. De sacramenten zijn nodig tot de zaligheid van de mensen om drie redenen. De eerste reden ligt in de natuur van de mens. Het is immers eigen aan de natuur van de mens, om door het stoffelijke en het zinnelijke geleid te worden tot het geestelijke en het verstandelijke. Welnu het komt aan de goddelijke Voorzienigheid toe, voor iedere zaak te zorgen, overeenkomstig haar eigen manier van zijn. Daarom paste het, dat de goddelijke Wijsheid aan de mens de modellen van zaligheid schonk onder stoffelijke en zinnelijk-waarneembare tekenen, die sacramenten genoemd worden. De tweede reden ligt in de staat van de mens, die zich door te zondigen, naar de gehechtheid onderwerpt aan de stoffelijke zaken. Welnu de geneesmiddelen moeten aangewend worden, daar waar de ziekte woedt. En daarom past het, dat God door stoffelijke tekenen aan de mens geestelijke geneesmiddelen schonk. Moest God immers geestelijke zaken zonder meer aan de mens hebben aangeboden, dan zou de geest van de mens — overgegeven aan het stoffelijke — ze niet hebben kunnen vatten. De van de de rede ligt in de aard van de menselijke handeling, die meer stoffelijke dingen tot voorwerp heeft. Het zou de mens te hard vallen zich volkomen af te trekken van alle stoffelijke handelingen, en daarom werden hem in de sacramenten stoffelijke handelingen voorgesteld, waardoor hij tot de zaligheid zou geoefend worden, opdat hij zó alle bijgelovige handelingen zou ontvluchten, die bestaan in de eredienst van de duivelen, en in het algemeen zou vermijden al wat schadelijk is voor zijn ziel, en wat het voorwerp is van de zondige daden. De mens wordt dus op die wijze door de instelling van de sacramenten overeenkomstig zijn natuur door het zintuigelijk waarneembare opgeleid, hij wordt erdoor vernederd en leert dat hij onderworpen is aan het stoffelijke, in zover hij door stoffelijke dingen geholpen wordt; hij wordt gevrijwaard tegen schadelijke handelingen, door de zaligende oefening van de sacramenten.
Mijn antwoord. De sacramenten zijn nodig tot de zaligheid van de mensen om drie redenen. De eerste reden ligt in de natuur van de mens. Het is immers eigen aan de natuur van de mens, om door het stoffelijke en het zinnelijke geleid te worden tot het geestelijke en het verstandelijke. Welnu het komt aan de goddelijke Voorzienigheid toe, voor iedere zaak te zorgen, overeenkomstig haar eigen manier van zijn. Daarom paste het, dat de goddelijke Wijsheid aan de mens de modellen van zaligheid schonk onder stoffelijke en zinnelijk-waarneembare tekenen, die sacramenten genoemd worden. De tweede reden ligt in de staat van de mens, die zich door te zondigen, naar de gehechtheid onderwerpt aan de stoffelijke zaken. Welnu de geneesmiddelen moeten aangewend worden, daar waar de ziekte woedt. En daarom past het, dat God door stoffelijke tekenen aan de mens geestelijke geneesmiddelen schonk. Moest God immers geestelijke zaken zonder meer aan de mens hebben aangeboden, dan zou de geest van de mens — overgegeven aan het stoffelijke — ze niet hebben kunnen vatten. De van de de rede ligt in de aard van de menselijke handeling, die meer stoffelijke dingen tot voorwerp heeft. Het zou de mens te hard vallen zich volkomen af te trekken van alle stoffelijke handelingen, en daarom werden hem in de sacramenten stoffelijke handelingen voorgesteld, waardoor hij tot de zaligheid zou geoefend worden, opdat hij zó alle bijgelovige handelingen zou ontvluchten, die bestaan in de eredienst van de duivelen, en in het algemeen zou vermijden al wat schadelijk is voor zijn ziel, en wat het voorwerp is van de zondige daden. De mens wordt dus op die wijze door de instelling van de sacramenten overeenkomstig zijn natuur door het zintuigelijk waarneembare opgeleid, hij wordt erdoor vernederd en leert dat hij onderworpen is aan het stoffelijke, in zover hij door stoffelijke dingen geholpen wordt; hij wordt gevrijwaard tegen schadelijke handelingen, door de zaligende oefening van de sacramenten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Lichaamsoefeningen zijn op zichzelf beschouwd niet zeer nuttig. De oefeningen echter, die geschiede in het gebruik van de sacramenten zijn niet lichamelijk, maar zijn enigszins geestelijk, nl. door hun betekenis en hun oorzakelijkheid.
1e Weerlegging. Lichaamsoefeningen zijn op zichzelf beschouwd niet zeer nuttig. De oefeningen echter, die geschiede in het gebruik van de sacramenten zijn niet lichamelijk, maar zijn enigszins geestelijk, nl. door hun betekenis en hun oorzakelijkheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De genade van God is een voldoende oorzaak voor de zaligheid van de mensen. God geeft echter hen de genade, overeenkomstig hun natuur, en daarom zijn de sacramenten voor de mensen nodig om de genade te verwerven.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 61 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 61 a. 2 arg. 1]
2e Weerlegging. De genade van God is een voldoende oorzaak voor de zaligheid van de mensen. God geeft echter hen de genade, overeenkomstig hun natuur, en daarom zijn de sacramenten voor de mensen nodig om de genade te verwerven.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 61 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 61 a. 2 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het lijden van Christus is een voldoende oorzaak van de zaligheid van de mensen, daaruit volgt echter niet, dat de sacramenten niet nodig zijn tot de zaligheid van de mensen, want ze werken hun invloed uit door de kracht van Christus lijden, en het lijden van Christus wordt op de mensen toegepast door de sacramenten, naar hetgeen geschreven staat in de Brief aan de Romeinen: (6, 3): “Wij allen, die gedoopt zijn tot de gemeenschap met Christus Jezus, zijn gedoopt tot de gemeenschap met Zijn dood.”
3e Weerlegging. Het lijden van Christus is een voldoende oorzaak van de zaligheid van de mensen, daaruit volgt echter niet, dat de sacramenten niet nodig zijn tot de zaligheid van de mensen, want ze werken hun invloed uit door de kracht van Christus lijden, en het lijden van Christus wordt op de mensen toegepast door de sacramenten, naar hetgeen geschreven staat in de Brief aan de Romeinen: (6, 3): “Wij allen, die gedoopt zijn tot de gemeenschap met Christus Jezus, zijn gedoopt tot de gemeenschap met Zijn dood.”
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Waren vóór de zonde de Sacramenten nodig voor de mens?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 80 a. 5 ad 2[t:iiia q. 80 a. 5 ad 2]
IIIa q. 61 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de sacramenten voor de mens niet nodig waren vóór de zonde. Zoals immers werd aangetoond (vorig Artikel, 2e Antw.), zijn de sacramenten nodig voor de mens om de genade te verwerven. Welnu, ook in de staat van de onschuld had de mens de genade nodig, zoals bewezen werd in het Eerste Deel (Kw. 85, art.4, 1e Ant.). Bijgevolg waren de sacramenten ook nodig vóór de zonde.
R: q. 61 a. 1 ad 2[t:iiia q. 61 a. 1 ad 2] I q. 95 a. 4[t:ia q. 95 a. 4] Ia-IIae q. 109 a. 2[t:ia-iiae q. 109 a. 2] Ia-IIae q. 114 a. 2[t:ia-iiae q. 114 a. 2]
IIIa q. 80 a. 5 ad 2[t:iiia q. 80 a. 5 ad 2]
IIIa q. 61 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de sacramenten voor de mens niet nodig waren vóór de zonde. Zoals immers werd aangetoond (vorig Artikel, 2e Antw.), zijn de sacramenten nodig voor de mens om de genade te verwerven. Welnu, ook in de staat van de onschuld had de mens de genade nodig, zoals bewezen werd in het Eerste Deel (Kw. 85, art.4, 1e Ant.). Bijgevolg waren de sacramenten ook nodig vóór de zonde.
R: q. 61 a. 1 ad 2[t:iiia q. 61 a. 1 ad 2] I q. 95 a. 4[t:ia q. 95 a. 4] Ia-IIae q. 109 a. 2[t:ia-iiae q. 109 a. 2] Ia-IIae q. 114 a. 2[t:ia-iiae q. 114 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De sacramenten zijn er nodig voor de mens, overeenkomstig met zijn natuur, zoals (in het vorig Artikel) gezegd werd. Welnu de natuur van de mens is dezelfde vóór en na de zonde. Bijgevolg had de mens ook vóór de zonde de sacramenten nodig.
R: q. 61 a. 1[t:iiia q. 61 a. 1]
Vervolgens. De sacramenten zijn er nodig voor de mens, overeenkomstig met zijn natuur, zoals (in het vorig Artikel) gezegd werd. Welnu de natuur van de mens is dezelfde vóór en na de zonde. Bijgevolg had de mens ook vóór de zonde de sacramenten nodig.
R: q. 61 a. 1[t:iiia q. 61 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Het huwelijk is een sacrament, volgens de woorden uit de Brief aan de Efeziërs (5, 32): “Dit geheim is groot; ik bedoel: zijn verhouding tot Christus en de Kerk”. Welnu het huwelijk werd ingesteld vóór de zonde, zoals we lezen in het Boek van de Schepping (2, 2 vv.). Bijgevolg waren de sacramenten nodig voor de mensen vóór de zonde.
B: (Gen 2) [b:Gen 2] (Eph 5:32) [b:Eph 5:32]
Vervolgens. Het huwelijk is een sacrament, volgens de woorden uit de Brief aan de Efeziërs (5, 32): “Dit geheim is groot; ik bedoel: zijn verhouding tot Christus en de Kerk”. Welnu het huwelijk werd ingesteld vóór de zonde, zoals we lezen in het Boek van de Schepping (2, 2 vv.). Bijgevolg waren de sacramenten nodig voor de mensen vóór de zonde.
B: (Gen 2) [b:Gen 2] (Eph 5:32) [b:Eph 5:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat geneesmiddelen niet nodig zijn dan voor de zieken, volgens de woorden van Maltheus (9, 12): “De gezonden hebben geen geneesheer nodig”. Welnu, de sacramenten zijn geestelijke geneesmiddelen die gebruikt worden tegen de wonde van de zonde. Dus waren ze niet nodig vóór de zonde.
B: (Matt 9:12) [b:Matt 9:12]
Daartegenover staat echter, dat geneesmiddelen niet nodig zijn dan voor de zieken, volgens de woorden van Maltheus (9, 12): “De gezonden hebben geen geneesheer nodig”. Welnu, de sacramenten zijn geestelijke geneesmiddelen die gebruikt worden tegen de wonde van de zonde. Dus waren ze niet nodig vóór de zonde.
B: (Matt 9:12) [b:Matt 9:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 2 co.
Mijn antwoord. De sacramenten waren niet nodig vóór de zonde in de staat van de onschuld. De reden daarvan is de rechtschapenheid van diens staat, waarin het hogere heerse over het lagere en er in het geheel niet aan onderworpen was. Zoals immers de geest onderworpen was aan God, zo waren de lagere krachten van de ziel onderworpen aan de geest, en het lichaam aan de ziel. Welnu het zou tegen die orde zijn, wanneer de ziel vervolmaakt werd ofwel op het gebied van de wetenschap, ofwel op dat van de genade, door middel van iets stoffelijks, zoals het gebeurt in de sacramenten. En daarom had de mens de sacramenten niet nodig in de staat van de onschuld; niet alleen in zover de sacramenten op genezing van de zonde berekend zijn, maar ook in zover ze op de volmaaktheid van de ziel berekend zijn.
Mijn antwoord. De sacramenten waren niet nodig vóór de zonde in de staat van de onschuld. De reden daarvan is de rechtschapenheid van diens staat, waarin het hogere heerse over het lagere en er in het geheel niet aan onderworpen was. Zoals immers de geest onderworpen was aan God, zo waren de lagere krachten van de ziel onderworpen aan de geest, en het lichaam aan de ziel. Welnu het zou tegen die orde zijn, wanneer de ziel vervolmaakt werd ofwel op het gebied van de wetenschap, ofwel op dat van de genade, door middel van iets stoffelijks, zoals het gebeurt in de sacramenten. En daarom had de mens de sacramenten niet nodig in de staat van de onschuld; niet alleen in zover de sacramenten op genezing van de zonde berekend zijn, maar ook in zover ze op de volmaaktheid van de ziel berekend zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. In de staat van de onschuld had de mens inderdaad de genade nodig: hij moest ze echter niet verkrijgen door stoffelijke tekenen, maar op geestelijke en onzichtbare wijze.
1e Weerlegging. In de staat van de onschuld had de mens inderdaad de genade nodig: hij moest ze echter niet verkrijgen door stoffelijke tekenen, maar op geestelijke en onzichtbare wijze.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. De natuur is dezelfde vóór en na de zonde, maar de staat van die natuur is niet dezelfde gebleven, want na de zonde heeft de ziel, ook voor de vervolmaking van haar hogere vermogens stoffelijke dingen nodig, wat in de staat van de onschuld niet nodig was.
2e Weerlegging. De natuur is dezelfde vóór en na de zonde, maar de staat van die natuur is niet dezelfde gebleven, want na de zonde heeft de ziel, ook voor de vervolmaking van haar hogere vermogens stoffelijke dingen nodig, wat in de staat van de onschuld niet nodig was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Het huwelijk werd ingesteld in de staat van de onschuld, niet als sacrament, maar als natuurfunctie. Het was echter een voorafbeelding van iets toekomstigs omtrent Christus en de Kerk, zoals alles wat voorafging een voorafbeelding was van Christus.
3e Weerlegging. Het huwelijk werd ingesteld in de staat van de onschuld, niet als sacrament, maar als natuurfunctie. Het was echter een voorafbeelding van iets toekomstigs omtrent Christus en de Kerk, zoals alles wat voorafging een voorafbeelding was van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Waren de Sacramenten nodig na de zonde en vóór Christus?
IIIa q. 61 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat er geen sacramenten nodig waren na de zonde en vóór Christus. Zoals immers gezegd werd (1e Artikel, 3e Antw.) wordt het lijden van Christus op de mensen toegepast door de sacramenten, en Zó verhoudt zich het lijden van Christus tot de sacramenten, zoals de oorzaak tot het uitwerksel. Welnu, de uitwerkselen gaan niet vooraf aan de oorzaak, en bijgevolg waren er geen sacramenten nodig vóór de komst van Christus.
Over het derde als volgt. Men beweert, dat er geen sacramenten nodig waren na de zonde en vóór Christus. Zoals immers gezegd werd (1e Artikel, 3e Antw.) wordt het lijden van Christus op de mensen toegepast door de sacramenten, en Zó verhoudt zich het lijden van Christus tot de sacramenten, zoals de oorzaak tot het uitwerksel. Welnu, de uitwerkselen gaan niet vooraf aan de oorzaak, en bijgevolg waren er geen sacramenten nodig vóór de komst van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De sacramenten moeten overeenkomen met de staat van het menselijk geslacht, zoals Augustinus zegt in zijn Boek “Tegen Faustus” (19e B., 16e en 17e H.). Welnu vanaf de zonde tot aan het herstel van Christus bleef de staat van het menselijk geslacht onveranderd. Het was dus niet nodig met betrekking tot de sacramenten iets te veranderen, en de Wet van Mozes hoefde er geen nieuwe in te stellen buiten die welke in de natuurwet bestonden.
Vervolgens. De sacramenten moeten overeenkomen met de staat van het menselijk geslacht, zoals Augustinus zegt in zijn Boek “Tegen Faustus” (19e B., 16e en 17e H.). Welnu vanaf de zonde tot aan het herstel van Christus bleef de staat van het menselijk geslacht onveranderd. Het was dus niet nodig met betrekking tot de sacramenten iets te veranderen, en de Wet van Mozes hoefde er geen nieuwe in te stellen buiten die welke in de natuurwet bestonden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Hoe meer iets het volmaakte nabijkomt, van de temeer moet het ermee overeenkomen. Welnu, de volmaaktheid van de menselijke zaligheid werd door Christus voltrokken, en de sacramenten der Oude Wet kwamen Christus meer nabij dan die welke vóór de wet bestonden. Ze moesten dus meer overeenkomen met de sacramenten van Christus. Welnu juist het tegendeel was het geval, zoals blijkt uit de voorspelling, dat het priesterschap van Christus zou zijn volgens de orde van Melchisedech, en niet volgens de orde van Aaron, zoals we lezen in de Brief aan de Hebreërs (7, 11). Het past dus niet dat er sacramenten waren vóór Christus.
B: (Heb 7:11) [b:Heb 7:11]
Vervolgens. Hoe meer iets het volmaakte nabijkomt, van de temeer moet het ermee overeenkomen. Welnu, de volmaaktheid van de menselijke zaligheid werd door Christus voltrokken, en de sacramenten der Oude Wet kwamen Christus meer nabij dan die welke vóór de wet bestonden. Ze moesten dus meer overeenkomen met de sacramenten van Christus. Welnu juist het tegendeel was het geval, zoals blijkt uit de voorspelling, dat het priesterschap van Christus zou zijn volgens de orde van Melchisedech, en niet volgens de orde van Aaron, zoals we lezen in de Brief aan de Hebreërs (7, 11). Het past dus niet dat er sacramenten waren vóór Christus.
B: (Heb 7:11) [b:Heb 7:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt in zijn Boek “Tegen Faustus”: “De eerste Sacramenten, die gevierd en onderhouden werden onder de Wet, waren voorafbeeldingen van Christus die komen zou”. Welnu voor de zaligheid van de mensen was het nodig dat de komst van Christus voorspeld werd, en bijgevolg was het nodig, dat er vóór Christus sacramenten werde ingesteld.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt in zijn Boek “Tegen Faustus”: “De eerste Sacramenten, die gevierd en onderhouden werden onder de Wet, waren voorafbeeldingen van Christus die komen zou”. Welnu voor de zaligheid van de mensen was het nodig dat de komst van Christus voorspeld werd, en bijgevolg was het nodig, dat er vóór Christus sacramenten werde ingesteld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 3 co.
Mijn antwoord. De sacramenten zijn nodig tot de zaligheid van de mensen, in zover ze stoffelijke tekenen zijn van onstoffelijke dingen, waardoor de mens geheiligd wordt. Welnu na de zonde kan niemand geheiligd worden dan door Christus “die God heeft aangewezen als zoenoffer door het geloof in zijn Bloed, om Zijn rechtvaardigheid te tonen, en zelf rechtvaardig te zijn, als Hij hem rechtvaardigt, die in Jezus gelooft.” Brief aan de Romeinen 3, 23-26). Daarom moesten er vóór de komst van Christus enkele zichtbare tekenen zijn, waardoor de mens zijn geloof zou belijde in de komst van de Verlosser, en die tekenen zijn de sacramenten. Daaruit blijkt dat er voor de komst van Christus enkele sacramenten moesten worden in gesteld.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25] (Rom 3:26) [b:Rom 3:26]
Mijn antwoord. De sacramenten zijn nodig tot de zaligheid van de mensen, in zover ze stoffelijke tekenen zijn van onstoffelijke dingen, waardoor de mens geheiligd wordt. Welnu na de zonde kan niemand geheiligd worden dan door Christus “die God heeft aangewezen als zoenoffer door het geloof in zijn Bloed, om Zijn rechtvaardigheid te tonen, en zelf rechtvaardig te zijn, als Hij hem rechtvaardigt, die in Jezus gelooft.” Brief aan de Romeinen 3, 23-26). Daarom moesten er vóór de komst van Christus enkele zichtbare tekenen zijn, waardoor de mens zijn geloof zou belijde in de komst van de Verlosser, en die tekenen zijn de sacramenten. Daaruit blijkt dat er voor de komst van Christus enkele sacramenten moesten worden in gesteld.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25] (Rom 3:26) [b:Rom 3:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het lijden van Christus is de doeloorzaak van de oude sacramenten, die juist werden ingesteld om er een voorafbeelding van te zijn. Welnu de doelroorzaak gaat het uitwerksel niet vooraf in de tijd maar alleen in het inzicht van degene die handelt. Het is dus niet ongepast, dat er enkele sacramenten waren vóór het lijden van Christus.
1e Weerlegging. Het lijden van Christus is de doeloorzaak van de oude sacramenten, die juist werden ingesteld om er een voorafbeelding van te zijn. Welnu de doelroorzaak gaat het uitwerksel niet vooraf in de tijd maar alleen in het inzicht van degene die handelt. Het is dus niet ongepast, dat er enkele sacramenten waren vóór het lijden van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De staat van het menselijk geslacht na de zonde en voor Christus kan op twee manieren beschouwd worden. Ten eerste in het licht van het geloof en zo beschouwd bleef hij onveranderd, want steeds werden de mensen rechtvaardig gemaakt door het geloof in de komst van Christus. Ten tweede kan die staat beschouwd worden volgens de grotere of mindere macht van de zonde, en volgens de uitdrukkelijke kennis, die men had van Christus. Want in de loop van de tijd begon de zonde meer en meer te heersen over de mensen, zozeer dat het menselijk verstand door de zonde beneveld werd en de mens, door de natuurwet alleen, niet meer kon leven zoals het behoort, maar er hem geboden moesten worden opgelegd in de geschreven Wet, en hem met die geboden enkele sacramenten van het geloof moesten geschonken worden. Ook moest in de loop van de tijden de geloofskennis op meer uitdrukkelijke wijze verklaard worden, want zoals Gregorius zegt (in zijn 16e Homilie op Ezechiël) “groeide de goddelijke kennis in de loop van de tijde aan”. En daarom moesten in de Oude Wet sommige sacramenten zijn van het geloof in de komst van Christus. Ze verhouden zich tot de sacramenten, die vóór de Wet bestonden, zoals het bepaalde zich verhoudt tot het onbepaalde. Vóór de Wet immers was het niet strikt bepaald welke sacramenten de mens moest gebruiken, zoals later onder de Wet, wanneer het nodig geworden was, zowel omdat de natuurwet verduisterd was, als omdat de betekenis van het geloof moest worden verduidelijkt, dat vóór de Wet bestond.
2e Weerlegging. De staat van het menselijk geslacht na de zonde en voor Christus kan op twee manieren beschouwd worden. Ten eerste in het licht van het geloof en zo beschouwd bleef hij onveranderd, want steeds werden de mensen rechtvaardig gemaakt door het geloof in de komst van Christus. Ten tweede kan die staat beschouwd worden volgens de grotere of mindere macht van de zonde, en volgens de uitdrukkelijke kennis, die men had van Christus. Want in de loop van de tijd begon de zonde meer en meer te heersen over de mensen, zozeer dat het menselijk verstand door de zonde beneveld werd en de mens, door de natuurwet alleen, niet meer kon leven zoals het behoort, maar er hem geboden moesten worden opgelegd in de geschreven Wet, en hem met die geboden enkele sacramenten van het geloof moesten geschonken worden. Ook moest in de loop van de tijden de geloofskennis op meer uitdrukkelijke wijze verklaard worden, want zoals Gregorius zegt (in zijn 16e Homilie op Ezechiël) “groeide de goddelijke kennis in de loop van de tijde aan”. En daarom moesten in de Oude Wet sommige sacramenten zijn van het geloof in de komst van Christus. Ze verhouden zich tot de sacramenten, die vóór de Wet bestonden, zoals het bepaalde zich verhoudt tot het onbepaalde. Vóór de Wet immers was het niet strikt bepaald welke sacramenten de mens moest gebruiken, zoals later onder de Wet, wanneer het nodig geworden was, zowel omdat de natuurwet verduisterd was, als omdat de betekenis van het geloof moest worden verduidelijkt, dat vóór de Wet bestond.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Het sacrament van Melchisedech, dat voor de Wet bestond, komt meer overeen met een sacrament van de Nieuwe Wet, wat de stof betreft, omdat nl. Melchisedech brood en wijn offerde, zoals we lezen in het Boek van de Schepping (14, 18), zoals ook het offer van de Nieuwe Wet voltrokken wordt door de offergave van brood en wijn. De sacramenten echter van de Mozaïsche Wet komen meer overeen met datgene wat door de sacramenten wordt aangeduid, nl. met het lijden van Christus, zoals duidelijk is voor het Paaslam, en van van de gelijke. De reden daarvan is de volgende: De sacramenten van de Nieuwe Wet komen in tijdsorde onmiddellijk na die van Mozes. Wanneer ze dan uiterlijk dezelfde bleven, zou het de schijn hebben, alsof zij niets anders waren dan de voortzetting ervan.
B: (Gen 14:18) [b:Gen 14:18]
3e Weerlegging. Het sacrament van Melchisedech, dat voor de Wet bestond, komt meer overeen met een sacrament van de Nieuwe Wet, wat de stof betreft, omdat nl. Melchisedech brood en wijn offerde, zoals we lezen in het Boek van de Schepping (14, 18), zoals ook het offer van de Nieuwe Wet voltrokken wordt door de offergave van brood en wijn. De sacramenten echter van de Mozaïsche Wet komen meer overeen met datgene wat door de sacramenten wordt aangeduid, nl. met het lijden van Christus, zoals duidelijk is voor het Paaslam, en van van de gelijke. De reden daarvan is de volgende: De sacramenten van de Nieuwe Wet komen in tijdsorde onmiddellijk na die van Mozes. Wanneer ze dan uiterlijk dezelfde bleven, zou het de schijn hebben, alsof zij niets anders waren dan de voortzetting ervan.
B: (Gen 14:18) [b:Gen 14:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Moesten er na de komst van Christus nog Sacramenten zijn?
IIIa q. 61 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat er na de komst van Christus geen sacramenten meer nodig waren. Wanneer immers de werkelijkheid daar is, mogen de tekenen verdwijnen. Welnu “de genade en de waarheid zijn door Christus gekomen” zoals we lezen bij Johannes (1, 17). Daar de sacramenten tekenen of beelden zijn van de waarheid, is het duidelijk, dat er na het lijden van Christus geen sacramenten meer nodig zijn.
B: (John 1:17) [b:John 1:17]
Over het vierde als volgt. Men beweert dat er na de komst van Christus geen sacramenten meer nodig waren. Wanneer immers de werkelijkheid daar is, mogen de tekenen verdwijnen. Welnu “de genade en de waarheid zijn door Christus gekomen” zoals we lezen bij Johannes (1, 17). Daar de sacramenten tekenen of beelden zijn van de waarheid, is het duidelijk, dat er na het lijden van Christus geen sacramenten meer nodig zijn.
B: (John 1:17) [b:John 1:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Vroeger werd bewezen (vorige Kwestie, 4e Artikel), dat de sacramenten uit verschillende elementen bestaan. Welnu de Apostel zegt in zijn Brief aan de Galaten (4, 3): “zo ook Waren wij toen We nog onmondig Waren, als slaven onderworpen aan de elementen van de wereld.” Welnu de volheid van de tijden is gekomen en wij zijn geen kinderen meer. Bijgevolg moeten we God niet dienen naar de beginselen van de wereld, door het gebruik van stoffelijke sacramenten.
B: (Gal 4:3) [b:Gal 4:3] (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
R: q. 60 a. 4[t:iiia q. 60 a. 4]
Vervolgens. Vroeger werd bewezen (vorige Kwestie, 4e Artikel), dat de sacramenten uit verschillende elementen bestaan. Welnu de Apostel zegt in zijn Brief aan de Galaten (4, 3): “zo ook Waren wij toen We nog onmondig Waren, als slaven onderworpen aan de elementen van de wereld.” Welnu de volheid van de tijden is gekomen en wij zijn geen kinderen meer. Bijgevolg moeten we God niet dienen naar de beginselen van de wereld, door het gebruik van stoffelijke sacramenten.
B: (Gal 4:3) [b:Gal 4:3] (Gal 4:4) [b:Gal 4:4]
R: q. 60 a. 4[t:iiia q. 60 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 4 arg. 3
Vervolgens. “Bij God is geen verandering noch schaduw van wisselvalligheid”, zoals we lezen in de Brief van Jacobus (1.17). Welnu het zou een blijk zijn van verandering van de goddelijke wil, wanneer God ten tijde van de genade aan de mensen andere sacramenten schonk dan vóór Christus. Bijgevolg moeten er na de komst van Christus geen andere sacramenten worden ingesteld.
B: (Jas 1:17) [b:Jas 1:17]
Vervolgens. “Bij God is geen verandering noch schaduw van wisselvalligheid”, zoals we lezen in de Brief van Jacobus (1.17). Welnu het zou een blijk zijn van verandering van de goddelijke wil, wanneer God ten tijde van de genade aan de mensen andere sacramenten schonk dan vóór Christus. Bijgevolg moeten er na de komst van Christus geen andere sacramenten worden ingesteld.
B: (Jas 1:17) [b:Jas 1:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Boek “Tegen Faustus” (19e B., 13e H.): “De sacramenten van de Oude Wet werden opgeschort omdat ze voleindigd waren, en andere werden in de plaats gesteld, met meer kracht, van groter nut, gemakkelijker om te volbrengen en minder in getal.”
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Boek “Tegen Faustus” (19e B., 13e H.): “De sacramenten van de Oude Wet werden opgeschort omdat ze voleindigd waren, en andere werden in de plaats gesteld, met meer kracht, van groter nut, gemakkelijker om te volbrengen en minder in getal.”
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals de oude Vaders zalig werden door het geloof in Christus, die komen moest, zo worden wij zalig door het geloof in Christus, die reeds geboren is en geleden heeft. Welnu de sacramenten zijn tekenen, waardoor wij getuigenis afleggen van het geloof, waardoor de mens rechtvaardig gemaakt wordt. De toekomende dingen moeten echter op een andere manier door tekenen worden aangeduid dan de voorbije of de tegenwoordige dingen. Augustinus immers zegt in zijn Boek “tegen Faustus” (19e B., 16e H.): “Dezelfde zaak wordt anders aangeduid wanneer ze nog moet gebeuren en wanneer ze reeds gebeurd is, zoals de woorden: Hij zal lijden en: Hij heeft geleden, anders luide.” En daarom moesten er in de Nieuwe Wet andere sacramenten zijn, die zouden aanduiden wat voorafgegaan was met betrekking tot Christus, naast de sacramenten van de Oude Wet die de toekomst voorspelde.
Mijn antwoord. Zoals de oude Vaders zalig werden door het geloof in Christus, die komen moest, zo worden wij zalig door het geloof in Christus, die reeds geboren is en geleden heeft. Welnu de sacramenten zijn tekenen, waardoor wij getuigenis afleggen van het geloof, waardoor de mens rechtvaardig gemaakt wordt. De toekomende dingen moeten echter op een andere manier door tekenen worden aangeduid dan de voorbije of de tegenwoordige dingen. Augustinus immers zegt in zijn Boek “tegen Faustus” (19e B., 16e H.): “Dezelfde zaak wordt anders aangeduid wanneer ze nog moet gebeuren en wanneer ze reeds gebeurd is, zoals de woorden: Hij zal lijden en: Hij heeft geleden, anders luide.” En daarom moesten er in de Nieuwe Wet andere sacramenten zijn, die zouden aanduiden wat voorafgegaan was met betrekking tot Christus, naast de sacramenten van de Oude Wet die de toekomst voorspelde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Dionysius zegt in zijn Boek Over de Kerkelijke Hiërarchie (5e H.): “De staat van de Nieuwe Wet houdt het midden tussen de Oude Wet, waarvan de beelden verwezenlijkt werden in de Nieuwe Wet, en de staat van de glorie, waar geheel de waarheid duidelijk en volkomen zal worden,geopenbaard.” Daarom zullen er in die staat geen sacramenten zijn. Nu echter, zolang we kennen in een wazige spiegel, zoals gezegd wordt in de 7e Brief aan de Korinthiërs (13, 12), moeten we door stoffelijke tekenen naar het geestelijke geleid worden, wat behoort tot het wezen van de sacramenten.
B: (1Cor 13:12) [b:1Cor 13:12]
1e Weerlegging. Dionysius zegt in zijn Boek Over de Kerkelijke Hiërarchie (5e H.): “De staat van de Nieuwe Wet houdt het midden tussen de Oude Wet, waarvan de beelden verwezenlijkt werden in de Nieuwe Wet, en de staat van de glorie, waar geheel de waarheid duidelijk en volkomen zal worden,geopenbaard.” Daarom zullen er in die staat geen sacramenten zijn. Nu echter, zolang we kennen in een wazige spiegel, zoals gezegd wordt in de 7e Brief aan de Korinthiërs (13, 12), moeten we door stoffelijke tekenen naar het geestelijke geleid worden, wat behoort tot het wezen van de sacramenten.
B: (1Cor 13:12) [b:1Cor 13:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. In zijn Brief aan de Galaten (4, 9) noemt de Apostel de sacramenten van de Oude Wet zwakke en onbeduidende elementen, omdat ze noch de genade bezaten, noch haar voortbrachten. Daarom zegt de Apostel, dat zij die deze sacramenten gebruikten, God dienden door de elementen dezer wereld, omdat ze niets anders waren dan elementen dezer wereld. Onze sacramenten echter bevatten de genade en brengen ze voort, en daarom gaat die reden hier niet op.
B: (Gal 4:9) [b:Gal 4:9]
2e Weerlegging. In zijn Brief aan de Galaten (4, 9) noemt de Apostel de sacramenten van de Oude Wet zwakke en onbeduidende elementen, omdat ze noch de genade bezaten, noch haar voortbrachten. Daarom zegt de Apostel, dat zij die deze sacramenten gebruikten, God dienden door de elementen dezer wereld, omdat ze niets anders waren dan elementen dezer wereld. Onze sacramenten echter bevatten de genade en brengen ze voort, en daarom gaat die reden hier niet op.
B: (Gal 4:9) [b:Gal 4:9]
Referenties naar deze alinea: 1
Het sacrament van het kruisoffer ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 61 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Een familievader heeft geen veranderlijk karakter, omdat hij voor verschillende tijden verschillende bevelen geeft aan zijn dienstvolk, en hetzelfde niet beveelt in de Winter en in de Zomer. Zo is het geen bewijs van Gods veranderlijkheid, wanneer Hij deze andere sacramenten instelt na de komst van Christus en andere onder de Wet; deze laatste immers waren een geschikte voorafbeelding van de genade, terwijl de eerste de tegenwoordige genade op geschikte wijze aanduiden.
3e Weerlegging. Een familievader heeft geen veranderlijk karakter, omdat hij voor verschillende tijden verschillende bevelen geeft aan zijn dienstvolk, en hetzelfde niet beveelt in de Winter en in de Zomer. Zo is het geen bewijs van Gods veranderlijkheid, wanneer Hij deze andere sacramenten instelt na de komst van Christus en andere onder de Wet; deze laatste immers waren een geschikte voorafbeelding van de genade, terwijl de eerste de tegenwoordige genade op geschikte wijze aanduiden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 62: Over het voornaamste uitwerksel der Sacramenten, nl. de genade
IIIa q. 62 pr.
Hierna moeten we handelen over de uitwerkselen van de Sacramenten.
Ten eerste over hun voornaamste uitwerksel, nl. de genade;
ten tweede over haar bijkomstig uitwerksel, nl. het merkteken.
Met betrekking tot het eerste stellen we zes vragen:
1. Zijn de Sacramenten van de Nieuwe Wet de oorzaak van de genade?
2. Voegt de Sacramentele genade iets toe aan de genade van de deugden en gaven?
3. Bevatten de Sacramenten de genade?
4. Is er in de Sacramenten een kracht om de genade voort te brengen?
5. Vloeit die kracht voort uit het lijden van Christus?
6. Brachten de Sacramenten van de Oude Wet ook de genade voort?
Hierna moeten we handelen over de uitwerkselen van de Sacramenten.
Ten eerste over hun voornaamste uitwerksel, nl. de genade;
ten tweede over haar bijkomstig uitwerksel, nl. het merkteken.
Met betrekking tot het eerste stellen we zes vragen:
1. Zijn de Sacramenten van de Nieuwe Wet de oorzaak van de genade?
2. Voegt de Sacramentele genade iets toe aan de genade van de deugden en gaven?
3. Bevatten de Sacramenten de genade?
4. Is er in de Sacramenten een kracht om de genade voort te brengen?
5. Vloeit die kracht voort uit het lijden van Christus?
6. Brachten de Sacramenten van de Oude Wet ook de genade voort?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Zijn de Sacramenten oorzaak der genade?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 62 a. 3 co.
IIIa q. 62 a. 4 co.
IIIa q. 62 a. 5 co.
IIIa q. 63 a. 6 arg. 2
IIIa q. 63 a. 6 co.
IIIa q. 64 a. 2 s. c.
IIIa q. 64 a. 2 co.
IIIa q. 64 a. 5 co.
IIIa q. 66 a. 2 co.
IIIa q. 71 a. 3 arg. 2
IIIa q. 78 a. 4 co.
IIIa q. 90 a. 2 arg. 2
Suppl q. 70 a. 3 co.[t:iiia q. 62 a. 3 co.][t:iiia q. 62 a. 4 co.][t:iiia q. 62 a. 5 co.][t:iiia q. 63 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 63 a. 6 co.][t:iiia q. 64 a. 2 s. c.][t:iiia q. 64 a. 2 co.][t:iiia q. 64 a. 5 co.][t:iiia q. 66 a. 2 co.][t:iiia q. 71 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 78 a. 4 co.][t:iiia q. 90 a. 2 arg. 2][t:suppl q. 70 a. 3 co.]
IIIa q. 62 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat de sacramenten de genade niet voortbrengen. Een teken immers is niet hetzelfde als een oorzaak, want een teken schijnt eerder een uitwerksel te zijn. Welnu een sacrament is een teken van de genade, en is er bijgevolg de oorzaak niet van.
IIIa q. 62 a. 3 co.
IIIa q. 62 a. 4 co.
IIIa q. 62 a. 5 co.
IIIa q. 63 a. 6 arg. 2
IIIa q. 63 a. 6 co.
IIIa q. 64 a. 2 s. c.
IIIa q. 64 a. 2 co.
IIIa q. 64 a. 5 co.
IIIa q. 66 a. 2 co.
IIIa q. 71 a. 3 arg. 2
IIIa q. 78 a. 4 co.
IIIa q. 90 a. 2 arg. 2
Suppl q. 70 a. 3 co.[t:iiia q. 62 a. 3 co.][t:iiia q. 62 a. 4 co.][t:iiia q. 62 a. 5 co.][t:iiia q. 63 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 63 a. 6 co.][t:iiia q. 64 a. 2 s. c.][t:iiia q. 64 a. 2 co.][t:iiia q. 64 a. 5 co.][t:iiia q. 66 a. 2 co.][t:iiia q. 71 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 78 a. 4 co.][t:iiia q. 90 a. 2 arg. 2][t:suppl q. 70 a. 3 co.]
IIIa q. 62 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat de sacramenten de genade niet voortbrengen. Een teken immers is niet hetzelfde als een oorzaak, want een teken schijnt eerder een uitwerksel te zijn. Welnu een sacrament is een teken van de genade, en is er bijgevolg de oorzaak niet van.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Het stoffelijke kan niet inwerken op het geestelijke, want de bewerker moet tot een verhevener natuur behoren dan het bewerkte, zoals Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping (12e B., 16e H.). Welnu het subject van de genade is de menselijke geest die iets geestelijks is. De sacramenten kunnen dus geen oorzaak zijn van de genade.
Vervolgens. Het stoffelijke kan niet inwerken op het geestelijke, want de bewerker moet tot een verhevener natuur behoren dan het bewerkte, zoals Augustinus zegt in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping (12e B., 16e H.). Welnu het subject van de genade is de menselijke geest die iets geestelijks is. De sacramenten kunnen dus geen oorzaak zijn van de genade.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Wat eigen is aan God, mag aan geen enkel schepsel worden toegeschreven. Welnu het is eigen aan God, de genade voort te brengen, volgens de woorden uit de psalm 83, 12: “God zal de genade en de glorie schenken.” Daar nu de sacramenten bestaan uit woorden en andere geschapen dingen, kunnen ze bijgevolg de genade niet voortbrengen.
B: (Ps 83:12) [b:Ps 83:12]
Vervolgens. Wat eigen is aan God, mag aan geen enkel schepsel worden toegeschreven. Welnu het is eigen aan God, de genade voort te brengen, volgens de woorden uit de psalm 83, 12: “God zal de genade en de glorie schenken.” Daar nu de sacramenten bestaan uit woorden en andere geschapen dingen, kunnen ze bijgevolg de genade niet voortbrengen.
B: (Ps 83:12) [b:Ps 83:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Verklaring van Johannes (80e Verhandeling): “Het water van het doopsel raakt het lichaam aan, en reinigt het hart.” Welnu het hart wordt alleen gereinigd door de genade. Bijgevolg brengt het doopsel de genade voort en zijn om dezelfde reden de andere sacramenten van de Heilige kerk de oorzaak van de genade.
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Verklaring van Johannes (80e Verhandeling): “Het water van het doopsel raakt het lichaam aan, en reinigt het hart.” Welnu het hart wordt alleen gereinigd door de genade. Bijgevolg brengt het doopsel de genade voort en zijn om dezelfde reden de andere sacramenten van de Heilige kerk de oorzaak van de genade.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 1 co.
Mijn antwoord. Men moet aannemen dat de sacramenten van de Nieuwe Wet op een of andere manier de genade vóórtbrengen. Het is immers duidelijk dat de mens door de sacramenten van de Nieuwe Wet in Christus opgenomen wordt, zoals de Apostel zegt over het doopsel, in zijn Brief aan de Galaten (3, 27): “Allen hebt ge u met Christus bekleed, omdat ge allen gedoopt zijt tot de gemeenschap met Christus.” Welnu de mens wordt geen lid van Christus dan door de genade. Sommigen echter beweren, dat de sacramenten de genade niet voortbrengen door een werking uit te oefenen, maar doordat God de genade in de ziel stort, wanneer de sacramenten gebruikt worden. En ze geven als voorbeeld iemand, die tegen een lode penning honderd pond krijgt, omdat de koning het Zó geregeld heeft. Die penning draagt er door zijn werking niets toe bij om zulke som gelds te krijgen, maar alleen de wil van de koning. Daarom zegt Bernardus in een preek Over het Laatste Avondmaal: “Een kanunnik wordt aangesteld door het boek, een abt door de staf, een bisschop door de ring, en op dezelfde wijze werden verschillende genade aan verschillende Sacramenten vastgehecht.” Bij enig nadenken blijkt echter dat er in die manier om de genade voort te brengen niets méér ligt dan een teken van de genade te zijn. Een lode penning immers is niets anders dan een teken van ’s konings bevel om aan dezen mens die som te schenken. Op dezelfde wijze is een boek een teken, waardoor wordt aangeduid dat iemand tot kanunnik benoemd wordt. Volgens die voorstelling zouden de sacramenten van de Nieuwe Wet niets méér zijn dan tekenen van de genade, hoewel uit het gezag van vele heiligen blijkt, dat de sacramenten van de Nieuwe Wet niet alleen de genade aanduiden, maar ze ook voortbrengen. We moeten dus een andere stelling houden. Er is nl. een dubbele werkende oorzaak, te weten, de hoofdoorzaak en de werktuigelijke oorzaak. De hoofdoorzaak werkt door de kracht van haar vorm, waaraan het uitwerksel gelijkvormig is, zoals vuur verwarmt door zijn gloed. Op die wijze kan niets de genade verwekken, dan God alleen, want de genade is niets anders dan een meegedeelde gelijkvormigheid aan de goddelijke natuur, volgens de woorden uit de IIe Brief van Petrus (1,4): “Hij heeft ons de meest kostbare en heerlijke beloften gedaan: dat ge door dit alles deelachtig zoudt worden aan Gods natuur.” Een werktuigelijke oorzaak echter werkt niet door de kracht van haar vorm, maar alleen door de beweging, waardoor ze bewogen wordt door de hoofdoorzaak; daarom is het uitwerksel niet gelijkvormig aan het werktuig, maar aan de hoofdoorzaak. Zo is een bed niet gelijkvormig aan de zaag; maar aan de kunstvaardigheid, die ligt in het verstand van de werkman. Op die wijze brengen de sacramenten van de Nieuwe Wet de genade voort. Ze worden immers op Gods bevel door de mensen gebruikt om de genade in hen voort te brengen. Daarom zegt Augustinus in zijn “Boek Tegen Faustus” (19 B., 19e H.) “Dit alles gebeurt en gaat voorbij (nl. de sacramentele handelingen); de kracht van God echter, die daardoor haar uitwerkselen voortbrengt blijft voortdurend.” Een werktuig toch is eigenlijk datgene, waarmede iemand iets voortbrengt. Daarom zegt de Apostel in zijn Brief aan Titus (3, 5): “Hij heeft ons verlost door het bad van Wedergeboorte.”
B: (Gal 3:27) [b:Gal 3:27]
Mijn antwoord. Men moet aannemen dat de sacramenten van de Nieuwe Wet op een of andere manier de genade vóórtbrengen. Het is immers duidelijk dat de mens door de sacramenten van de Nieuwe Wet in Christus opgenomen wordt, zoals de Apostel zegt over het doopsel, in zijn Brief aan de Galaten (3, 27): “Allen hebt ge u met Christus bekleed, omdat ge allen gedoopt zijt tot de gemeenschap met Christus.” Welnu de mens wordt geen lid van Christus dan door de genade. Sommigen echter beweren, dat de sacramenten de genade niet voortbrengen door een werking uit te oefenen, maar doordat God de genade in de ziel stort, wanneer de sacramenten gebruikt worden. En ze geven als voorbeeld iemand, die tegen een lode penning honderd pond krijgt, omdat de koning het Zó geregeld heeft. Die penning draagt er door zijn werking niets toe bij om zulke som gelds te krijgen, maar alleen de wil van de koning. Daarom zegt Bernardus in een preek Over het Laatste Avondmaal: “Een kanunnik wordt aangesteld door het boek, een abt door de staf, een bisschop door de ring, en op dezelfde wijze werden verschillende genade aan verschillende Sacramenten vastgehecht.” Bij enig nadenken blijkt echter dat er in die manier om de genade voort te brengen niets méér ligt dan een teken van de genade te zijn. Een lode penning immers is niets anders dan een teken van ’s konings bevel om aan dezen mens die som te schenken. Op dezelfde wijze is een boek een teken, waardoor wordt aangeduid dat iemand tot kanunnik benoemd wordt. Volgens die voorstelling zouden de sacramenten van de Nieuwe Wet niets méér zijn dan tekenen van de genade, hoewel uit het gezag van vele heiligen blijkt, dat de sacramenten van de Nieuwe Wet niet alleen de genade aanduiden, maar ze ook voortbrengen. We moeten dus een andere stelling houden. Er is nl. een dubbele werkende oorzaak, te weten, de hoofdoorzaak en de werktuigelijke oorzaak. De hoofdoorzaak werkt door de kracht van haar vorm, waaraan het uitwerksel gelijkvormig is, zoals vuur verwarmt door zijn gloed. Op die wijze kan niets de genade verwekken, dan God alleen, want de genade is niets anders dan een meegedeelde gelijkvormigheid aan de goddelijke natuur, volgens de woorden uit de IIe Brief van Petrus (1,4): “Hij heeft ons de meest kostbare en heerlijke beloften gedaan: dat ge door dit alles deelachtig zoudt worden aan Gods natuur.” Een werktuigelijke oorzaak echter werkt niet door de kracht van haar vorm, maar alleen door de beweging, waardoor ze bewogen wordt door de hoofdoorzaak; daarom is het uitwerksel niet gelijkvormig aan het werktuig, maar aan de hoofdoorzaak. Zo is een bed niet gelijkvormig aan de zaag; maar aan de kunstvaardigheid, die ligt in het verstand van de werkman. Op die wijze brengen de sacramenten van de Nieuwe Wet de genade voort. Ze worden immers op Gods bevel door de mensen gebruikt om de genade in hen voort te brengen. Daarom zegt Augustinus in zijn “Boek Tegen Faustus” (19 B., 19e H.) “Dit alles gebeurt en gaat voorbij (nl. de sacramentele handelingen); de kracht van God echter, die daardoor haar uitwerkselen voortbrengt blijft voortdurend.” Een werktuig toch is eigenlijk datgene, waarmede iemand iets voortbrengt. Daarom zegt de Apostel in zijn Brief aan Titus (3, 5): “Hij heeft ons verlost door het bad van Wedergeboorte.”
B: (Gal 3:27) [b:Gal 3:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De hoofdoorzaak mag eigenlijk geen teken genoemd worden van het uitwerksel, zelfs als het uitwerksel verborgen blijft en de hoofdoorzaak zintuigelijk-waarneembaar is en openbaar. De werktuigelijke oorzaak echter mag het teken genoemd worden van het verborgen uitwerksel, wanneer ze zelf openbaar is, want ze is niet alleen een oorzaak, maar ook in een zekere mate een uitwerksel, in zover ze bewogen wordt door de hoofdoorzaak. En op die wijze zijn de sacramenten van de Nieuwe Wet tegelijk een oorzaak en een teken; en daardoor brengen ze voort wat ze betekenen, zoals doorgaans gezegd wordt. Daaruit blijkt ook, dat ze volkomen beantwoorde aan het begrip Sacrament, want ze zijn geordend tot iets heiligs, niet alleen als een teken, maar ook als een oorzaak.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 69 a. 2 arg. 2
IIIa q. 69 a. 4 arg. 1
IIIa q. 69 a. 4 arg. 2
IIIa q. 84 a. 3 co.[t:iiia q. 69 a. 2 arg. 2][t:iiia q. 69 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 69 a. 4 arg. 2][t:iiia q. 84 a. 3 co.]
1e Weerlegging. De hoofdoorzaak mag eigenlijk geen teken genoemd worden van het uitwerksel, zelfs als het uitwerksel verborgen blijft en de hoofdoorzaak zintuigelijk-waarneembaar is en openbaar. De werktuigelijke oorzaak echter mag het teken genoemd worden van het verborgen uitwerksel, wanneer ze zelf openbaar is, want ze is niet alleen een oorzaak, maar ook in een zekere mate een uitwerksel, in zover ze bewogen wordt door de hoofdoorzaak. En op die wijze zijn de sacramenten van de Nieuwe Wet tegelijk een oorzaak en een teken; en daardoor brengen ze voort wat ze betekenen, zoals doorgaans gezegd wordt. Daaruit blijkt ook, dat ze volkomen beantwoorde aan het begrip Sacrament, want ze zijn geordend tot iets heiligs, niet alleen als een teken, maar ook als een oorzaak.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 69 a. 2 arg. 2
IIIa q. 69 a. 4 arg. 1
IIIa q. 69 a. 4 arg. 2
IIIa q. 84 a. 3 co.[t:iiia q. 69 a. 2 arg. 2][t:iiia q. 69 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 69 a. 4 arg. 2][t:iiia q. 84 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 4
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Het sacrament van het kruisoffer ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Een werktuig heeft een dubbele werking. Een werktuigelijke, waardoor het iets voortbrengt, niet door eigen kracht, maar door de kracht van de hoofdoorzaak. En een eigen werking, die eraan toekomt naar zijn eigen vorm. Zo kan een zaag het hout in stukken zagen, om haar scherpte, en ze kan een bed maken in zover ze het werktuig is van een timmerman. Ze oefent echter haar werktuigelijke werking niet uit, dan door eigen werking uit te oefenen: een zaag toch maakt een bed, door te zagen. Zo ook voltrekken de stoffelijke sacramenten door de eigen werking, die ze uitoefenen op de lichamen, die ze aanraken, de werktuigelijke werking in de ziel, door een kracht van God. Zo zal het water van het doopsel, door het lichaam te wassen door zijn eigen kracht, de zielen reinigen in zover het een werktuig is van de goddelijke kracht, want lichaam en ziel zijn één. Daarom zegt Augustinus (t. a. pl.): “Het Water raakt het lichaam aan, en reinigt het hart.”
B: (Titus 3:5) [b:Titus 3:5] (2Pet 1:4) [b:2Pet 1:4]
2e Weerlegging. Een werktuig heeft een dubbele werking. Een werktuigelijke, waardoor het iets voortbrengt, niet door eigen kracht, maar door de kracht van de hoofdoorzaak. En een eigen werking, die eraan toekomt naar zijn eigen vorm. Zo kan een zaag het hout in stukken zagen, om haar scherpte, en ze kan een bed maken in zover ze het werktuig is van een timmerman. Ze oefent echter haar werktuigelijke werking niet uit, dan door eigen werking uit te oefenen: een zaag toch maakt een bed, door te zagen. Zo ook voltrekken de stoffelijke sacramenten door de eigen werking, die ze uitoefenen op de lichamen, die ze aanraken, de werktuigelijke werking in de ziel, door een kracht van God. Zo zal het water van het doopsel, door het lichaam te wassen door zijn eigen kracht, de zielen reinigen in zover het een werktuig is van de goddelijke kracht, want lichaam en ziel zijn één. Daarom zegt Augustinus (t. a. pl.): “Het Water raakt het lichaam aan, en reinigt het hart.”
B: (Titus 3:5) [b:Titus 3:5] (2Pet 1:4) [b:2Pet 1:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Die bedenking gaat uit van datgene, wat de werkende hoofdoorzaak is van de sacramenten, wat eigen is aan God alleen, zoals (in de leerstelling) gezegd werd.
3e Weerlegging. Die bedenking gaat uit van datgene, wat de werkende hoofdoorzaak is van de sacramenten, wat eigen is aan God alleen, zoals (in de leerstelling) gezegd werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Voegt de sacramentele genade iets toe aan de genade der deugden en der gaven?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 72 a. 7 ad 3[t:iiia q. 72 a. 7 ad 3]
IIIa q. 62 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat de sacramentele genade aan de genade van de deugden en gaven niets toevoegt. Door de genade van de deugden en van de gaven wordt toch zoals blijkt uit hetgeen we in het tweede deel (I-II, 110e Kw., 3e en 4e Art.) zeiden, de ziel zowel in haar wezenheid als in haar vermogens, voldoende vervolmaakt. De genade echter is op de volmaaktheid van de ziel berekend en zo kan de sacramentele genade aan de genade van de gaven en van de deugden niets toevoegen.
R: Ia-IIae q. 110 a. 3[t:ia-iiae q. 110 a. 3] Ia-IIae q. 110 a. 4[t:ia-iiae q. 110 a. 4]
IIIa q. 72 a. 7 ad 3[t:iiia q. 72 a. 7 ad 3]
IIIa q. 62 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat de sacramentele genade aan de genade van de deugden en gaven niets toevoegt. Door de genade van de deugden en van de gaven wordt toch zoals blijkt uit hetgeen we in het tweede deel (I-II, 110e Kw., 3e en 4e Art.) zeiden, de ziel zowel in haar wezenheid als in haar vermogens, voldoende vervolmaakt. De genade echter is op de volmaaktheid van de ziel berekend en zo kan de sacramentele genade aan de genade van de gaven en van de deugden niets toevoegen.
R: Ia-IIae q. 110 a. 3[t:ia-iiae q. 110 a. 3] Ia-IIae q. 110 a. 4[t:ia-iiae q. 110 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De gebreken van de ziel zijn de gevolgen van de zonde. Daar er nu geen enkele zonde bestaat die niet met een of met andere deugd tegenstrijdig is zo worden door de genade van de gaven en van de deugden alle zonde voldoende uitgesloten en de sacramentele genade kan, daar ze ertoe geordend is de gebreken van de ziel te verwijderen, aan de genade van de deugden en van de gaven niets toevoegen.
Vervolgens. De gebreken van de ziel zijn de gevolgen van de zonde. Daar er nu geen enkele zonde bestaat die niet met een of met andere deugd tegenstrijdig is zo worden door de genade van de gaven en van de deugden alle zonde voldoende uitgesloten en de sacramentele genade kan, daar ze ertoe geordend is de gebreken van de ziel te verwijderen, aan de genade van de deugden en van de gaven niets toevoegen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Aristoteles houdt in zijn Metaphysici (8, 10) staan “dat met iets aan een vorm toe te voegen of er iets van weg te nemen zijn wezenheid gewijzigd wordt”. Indien dus de sacramentele genade aan de genade van de gaven en van de deugden iets toevoegt, dan volgt daaruit dat “genade” een dubbele betekenis heeft en wanneer we dan zeggen dat de sacramenten de genade verwekken, weten we ook niets met zekerheid.
Vervolgens. Aristoteles houdt in zijn Metaphysici (8, 10) staan “dat met iets aan een vorm toe te voegen of er iets van weg te nemen zijn wezenheid gewijzigd wordt”. Indien dus de sacramentele genade aan de genade van de gaven en van de deugden iets toevoegt, dan volgt daaruit dat “genade” een dubbele betekenis heeft en wanneer we dan zeggen dat de sacramenten de genade verwekken, weten we ook niets met zekerheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 2 s. c.
Daar is echter op tegen dat de sacramenten indien ze aan de genade van de deugden en van de gaven niets toevoegde, aan degene die de deugden en de gaven bezitten, vergeefs zouden worden uitgereikt. Onder Gods werking is er echter niets overbodig en zo is het klaar dat de sacramentele genade aan de genade van de deugden en van de gaven iets toevoegt.
Daar is echter op tegen dat de sacramenten indien ze aan de genade van de deugden en van de gaven niets toevoegde, aan degene die de deugden en de gaven bezitten, vergeefs zouden worden uitgereikt. Onder Gods werking is er echter niets overbodig en zo is het klaar dat de sacramentele genade aan de genade van de deugden en van de gaven iets toevoegt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 2 co.
Mijn antwoord. In het IIe deel hebben we aangetoond (I-II, 110e Kw., 3e en 4e Art.) dat de genade op zichzelf beschouwd de wezenheid van de ziel, in zover deze een afbeeldsel is van het goddelijk wezen, vervolmaakt. Daarbij komt nog, dat, net als uit de wezenheid van de ziel haar vermogens voortvloeien, zo ook uit de genade sommige volmaaktheden naar de vermogens van de ziel, die deugden en gaven genoemd worden en waardoor de vermogens vervolmaakt worden om te kunnen handelen, toevloeien. De sacramenten nu zijn op bijzondere uitwerkselen, waaraan het christelijke leven behoefte heeft, aangewezen; zo b. v. strekt het doopsel tot een geestelijke wedergeboorte waardoor de mens voor zijn ondeugden sterft en een lidmaat van Christus wordt, en dit is een bijzonder uitwerksel, dat van de verrichtingen van de zielsvermogens onderscheiden blijft. Zo gaat het er ook met de andere sacramenten toe. Zoals de deugden en gaven aan hetgeen gewoonlijk als genade wordt opgevat een volmaaktheid toevoegen die bepaald op de eigenste handelingen van de betrokken vermogens is aangewezen; zo ook voegt de sacramentele genade om het bereiken van het doel van het sacrament in de hand te werken, èn aan hetgeen gewoonlijk als genade wordt opgevat èn aan de deugden en gaven een bijzonder hulp toe. Zo kan dus gezegd worden dat de sacramentele genade aan de genade van de deugden en gaven iets toevoegt.
R: Ia-IIae q. 110 a. 3[t:ia-iiae q. 110 a. 3] Ia-IIae q. 110 a. 4[t:ia-iiae q. 110 a. 4]
Mijn antwoord. In het IIe deel hebben we aangetoond (I-II, 110e Kw., 3e en 4e Art.) dat de genade op zichzelf beschouwd de wezenheid van de ziel, in zover deze een afbeeldsel is van het goddelijk wezen, vervolmaakt. Daarbij komt nog, dat, net als uit de wezenheid van de ziel haar vermogens voortvloeien, zo ook uit de genade sommige volmaaktheden naar de vermogens van de ziel, die deugden en gaven genoemd worden en waardoor de vermogens vervolmaakt worden om te kunnen handelen, toevloeien. De sacramenten nu zijn op bijzondere uitwerkselen, waaraan het christelijke leven behoefte heeft, aangewezen; zo b. v. strekt het doopsel tot een geestelijke wedergeboorte waardoor de mens voor zijn ondeugden sterft en een lidmaat van Christus wordt, en dit is een bijzonder uitwerksel, dat van de verrichtingen van de zielsvermogens onderscheiden blijft. Zo gaat het er ook met de andere sacramenten toe. Zoals de deugden en gaven aan hetgeen gewoonlijk als genade wordt opgevat een volmaaktheid toevoegen die bepaald op de eigenste handelingen van de betrokken vermogens is aangewezen; zo ook voegt de sacramentele genade om het bereiken van het doel van het sacrament in de hand te werken, èn aan hetgeen gewoonlijk als genade wordt opgevat èn aan de deugden en gaven een bijzonder hulp toe. Zo kan dus gezegd worden dat de sacramentele genade aan de genade van de deugden en gaven iets toevoegt.
R: Ia-IIae q. 110 a. 3[t:ia-iiae q. 110 a. 3] Ia-IIae q. 110 a. 4[t:ia-iiae q. 110 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De genade van de deugden en van de gaven rust de wezenheid en de vermogens van de ziel, wat de algemene gang van de zielsverrichtingen betreft, voldoende toe; wanneer het echter om sommige heel bijzondere handelingen die in het christelijk leven vereist worden, gaat, dan heeft men de sacramentele genade nodig.
1e Weerlegging. De genade van de deugden en van de gaven rust de wezenheid en de vermogens van de ziel, wat de algemene gang van de zielsverrichtingen betreft, voldoende toe; wanneer het echter om sommige heel bijzondere handelingen die in het christelijk leven vereist worden, gaat, dan heeft men de sacramentele genade nodig.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Door deugden en gaven worden, wanneer het om het heden en de toekomst gaat, ondeugden en zonde voldoende uitgesloten; deugden en gaven verhinderen immers de zonde bij de mens. De mens wordt echter voor de verleden zonde, die, ook als de handeling reeds voorbij is, wat de schuld betreft bij blijven, aan de sacramenten een bijzonder geneesmiddel verstrekt. In de verhouding waarin het begrip “soort” staat tot het begrip “geslacht”, in dezelfde verhouding staat het begrip “sacramentele genade” tot het begrip “genade” naar de algemene betekenis van het woord. Zoals dus het woord “dier” wanneer men het op de mens en op het dier naar zijn algemene betekenis toepast niet dubbelzinnig gebruikt wordt, zo ook is het niet dubbelzinnig nu eens genade naar algemene betekenis van het woord, dan weer als sacramentele genade aan te wenden.
2e Weerlegging. Door deugden en gaven worden, wanneer het om het heden en de toekomst gaat, ondeugden en zonde voldoende uitgesloten; deugden en gaven verhinderen immers de zonde bij de mens. De mens wordt echter voor de verleden zonde, die, ook als de handeling reeds voorbij is, wat de schuld betreft bij blijven, aan de sacramenten een bijzonder geneesmiddel verstrekt. In de verhouding waarin het begrip “soort” staat tot het begrip “geslacht”, in dezelfde verhouding staat het begrip “sacramentele genade” tot het begrip “genade” naar de algemene betekenis van het woord. Zoals dus het woord “dier” wanneer men het op de mens en op het dier naar zijn algemene betekenis toepast niet dubbelzinnig gebruikt wordt, zo ook is het niet dubbelzinnig nu eens genade naar algemene betekenis van het woord, dan weer als sacramentele genade aan te wenden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Bevatten de Sacramenten der Nieuwe Wet de genade?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 64 a. 6 ad 3
IIIa q. 72 a. 3 ad 3
IIIa q. 78 a. 4 co.
IIIa q. 90 a. 2 arg. 2[t:iiia q. 64 a. 6 ad 3][t:iiia q. 72 a. 3 ad 3][t:iiia q. 78 a. 4 co.][t:iiia q. 90 a. 2 arg. 2]
IIIa q. 62 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat de sacramenten van de Nieuwe Wet de genade niet bevatten. Want de inhoud van iets wordt door hetgeen het inhoudt omvat. Welnu de genade hoort noch zoals in een subject, — het subject van de genade is immers niet het lichaam, maar wel de geest, — noch zoals in een vat bij de sacramenten thuis. Een vat toch is maar wat Aristoteles in zijn Physica (4, 4, nr 12) zegt een beweegbare plaats. Op een bepaalde plaats thuis te horen komt echter aan een bijkomstigheid niet toe en zo wordt dan ook de genade door de sacramenten van de Nieuwe Wet niet omvat.
IIIa q. 64 a. 6 ad 3
IIIa q. 72 a. 3 ad 3
IIIa q. 78 a. 4 co.
IIIa q. 90 a. 2 arg. 2[t:iiia q. 64 a. 6 ad 3][t:iiia q. 72 a. 3 ad 3][t:iiia q. 78 a. 4 co.][t:iiia q. 90 a. 2 arg. 2]
IIIa q. 62 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat de sacramenten van de Nieuwe Wet de genade niet bevatten. Want de inhoud van iets wordt door hetgeen het inhoudt omvat. Welnu de genade hoort noch zoals in een subject, — het subject van de genade is immers niet het lichaam, maar wel de geest, — noch zoals in een vat bij de sacramenten thuis. Een vat toch is maar wat Aristoteles in zijn Physica (4, 4, nr 12) zegt een beweegbare plaats. Op een bepaalde plaats thuis te horen komt echter aan een bijkomstigheid niet toe en zo wordt dan ook de genade door de sacramenten van de Nieuwe Wet niet omvat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De sacramenten werden ingesteld om de mensen de genade te geven. De genade echter kan, doordat ze een bijkomstigheid is, niet van het ene subject naar het andere overgaan en zo zoude de sacramenten tevergeefs de genade omvatten.
Vervolgens. De sacramenten werden ingesteld om de mensen de genade te geven. De genade echter kan, doordat ze een bijkomstigheid is, niet van het ene subject naar het andere overgaan en zo zoude de sacramenten tevergeefs de genade omvatten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Het geestelijke wordt, zelfs wanneer het daarin aanwezig is, door het lichamelijke niet omvat. Het lichaam omvat immers niet de ziel, maar wel de ziel het lichaam. Zo kan dus de genade, daar ze iets geestelijks is, door geen lichamelijk sacrament bevat worden.
Vervolgens. Het geestelijke wordt, zelfs wanneer het daarin aanwezig is, door het lichamelijke niet omvat. Het lichaam omvat immers niet de ziel, maar wel de ziel het lichaam. Zo kan dus de genade, daar ze iets geestelijks is, door geen lichamelijk sacrament bevat worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 3 s. c.
Daartegenover echter staat wat Hugo van S. Victor in zijn Boek Over de Sacramenten (1, 9; 2) beweert: “Door de wijding bevatten de Sacramenten de onzichtbare genade.”
Daartegenover echter staat wat Hugo van S. Victor in zijn Boek Over de Sacramenten (1, 9; 2) beweert: “Door de wijding bevatten de Sacramenten de onzichtbare genade.”
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 3 co.
Mijn antwoord. Iets kan op zeer uiteenlopende manieren in iets anders zijn. Gaat het nu om de genade, deze ligt op twee manieren in de sacramenten vervat. Vooreerst dan als een teken, het sacrament toch is het teken van de genade. Ten tweede als in haar oorzaak; zoals we reeds aantoonde (vorig Artikel) zijn immers de sacramenten van de Nieuwe Wet de werktuigelijke oorzaak van de genade. Daaruit volgt echter dat de genade niet zoals een uitwerksel in een evenredige oorzaak, als een gelijksoortig wezen in de sacramenten van de Nieuwe Wet bevat ligt; ja de sacramenten bieden niet eens een bestendigen vorm die, zoals met oorzaken die niet met hun uitwerksel gelijksoortig zijn het geval is, aan hun uitwerksel zou geëvenredigd zijn; zo geschiedt b. v. met al wat door de zon wordt voortgebracht. De genade integendeel ligt in de sacramenten als een werktuigelijke kracht die voorbijgaat en zoals we verder (volgend Artikel) nog zullen aantonen naar haar wezenheid onvolkomen is.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1] q. 62 a. 4[t:iiia q. 62 a. 4]
Mijn antwoord. Iets kan op zeer uiteenlopende manieren in iets anders zijn. Gaat het nu om de genade, deze ligt op twee manieren in de sacramenten vervat. Vooreerst dan als een teken, het sacrament toch is het teken van de genade. Ten tweede als in haar oorzaak; zoals we reeds aantoonde (vorig Artikel) zijn immers de sacramenten van de Nieuwe Wet de werktuigelijke oorzaak van de genade. Daaruit volgt echter dat de genade niet zoals een uitwerksel in een evenredige oorzaak, als een gelijksoortig wezen in de sacramenten van de Nieuwe Wet bevat ligt; ja de sacramenten bieden niet eens een bestendigen vorm die, zoals met oorzaken die niet met hun uitwerksel gelijksoortig zijn het geval is, aan hun uitwerksel zou geëvenredigd zijn; zo geschiedt b. v. met al wat door de zon wordt voortgebracht. De genade integendeel ligt in de sacramenten als een werktuigelijke kracht die voorbijgaat en zoals we verder (volgend Artikel) nog zullen aantonen naar haar wezenheid onvolkomen is.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1] q. 62 a. 4[t:iiia q. 62 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. De genade ligt noch zoals in een subject, noch, in zover dat vat een plaats is, zoals in een vat in de sacramenten. Wil men echter dat vat als een werktuig dat dient om een handeling te verrichten opvatten, dan ligt ze er wel in. Ezechiël (9, 1) zei immers: “Elk draagt een verderfelijk vat in zijn hande”.
B: (Ezek 9:1) [b:Ezek 9:1]
1e Weerlegging. De genade ligt noch zoals in een subject, noch, in zover dat vat een plaats is, zoals in een vat in de sacramenten. Wil men echter dat vat als een werktuig dat dient om een handeling te verrichten opvatten, dan ligt ze er wel in. Ezechiël (9, 1) zei immers: “Elk draagt een verderfelijk vat in zijn hande”.
B: (Ezek 9:1) [b:Ezek 9:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Alhoewel een bijkomstigheid niet van een subject naar een ander overgaat, gaat ze toch met bemiddeling van het werktuig enigermate van de oorzaak naar het subject over. Alleen hoort ze bij beide niet op dezelfde wijze maar bij elk van beide naar zijn eigen wezenheid thuis.
2e Weerlegging. Alhoewel een bijkomstigheid niet van een subject naar een ander overgaat, gaat ze toch met bemiddeling van het werktuig enigermate van de oorzaak naar het subject over. Alleen hoort ze bij beide niet op dezelfde wijze maar bij elk van beide naar zijn eigen wezenheid thuis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Het geestelijke dat volmaakt bij iets thuishoort, bevat het en wordt er niet zelf door omvat. De genade echter schuilt op voorbijgaande en onvolmaakte wijze in het sacrament en daarom is het niet ongepast te zeggen dat de sacramenten de genade bevatten.
3e Weerlegging. Het geestelijke dat volmaakt bij iets thuishoort, bevat het en wordt er niet zelf door omvat. De genade echter schuilt op voorbijgaande en onvolmaakte wijze in het sacrament en daarom is het niet ongepast te zeggen dat de sacramenten de genade bevatten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Schuilt erin de Sacramenten een kracht die van aard is om de genade te verwekken?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 62 a. 3 co.
IIIa q. 63 a. 2 co.
IIIa q. 64 a. 5 co.
IIIa q. 78 a. 4 co.
IIIa q. 84 a. 3 ad 3
IIIa q. 86 a. 6 arg. 3
Suppl q. 70 a. 3 co.[t:iiia q. 62 a. 3 co.][t:iiia q. 63 a. 2 co.][t:iiia q. 64 a. 5 co.][t:iiia q. 78 a. 4 co.][t:iiia q. 84 a. 3 ad 3][t:iiia q. 86 a. 6 arg. 3][t:suppl q. 70 a. 3 co.]
IIIa q. 62 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat er in de sacramenten geen kracht schuilt die bestand zij om de genade te verwekken. De kracht die de genade verwekt is een geestelijke kracht. Welnu in een lichaam kan geen geestelijke kracht zijn, hetzij deze het lichaam eigen zij, — elke kracht komt immers van de wezenheid voort en kan dus niet hoger reiken dan deze — hetzij het lichaam deze kracht van iets anders zou betrekken; wat van een ander ontvangen wordt, wordt immers naar de eigen wezenheid van diegene die krijgt ontvangen. Zo kan er dus voor de sacramenten van een kracht die de genade zou veroorzaken geen spraak zijn.
IIIa q. 62 a. 3 co.
IIIa q. 63 a. 2 co.
IIIa q. 64 a. 5 co.
IIIa q. 78 a. 4 co.
IIIa q. 84 a. 3 ad 3
IIIa q. 86 a. 6 arg. 3
Suppl q. 70 a. 3 co.[t:iiia q. 62 a. 3 co.][t:iiia q. 63 a. 2 co.][t:iiia q. 64 a. 5 co.][t:iiia q. 78 a. 4 co.][t:iiia q. 84 a. 3 ad 3][t:iiia q. 86 a. 6 arg. 3][t:suppl q. 70 a. 3 co.]
IIIa q. 62 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat er in de sacramenten geen kracht schuilt die bestand zij om de genade te verwekken. De kracht die de genade verwekt is een geestelijke kracht. Welnu in een lichaam kan geen geestelijke kracht zijn, hetzij deze het lichaam eigen zij, — elke kracht komt immers van de wezenheid voort en kan dus niet hoger reiken dan deze — hetzij het lichaam deze kracht van iets anders zou betrekken; wat van een ander ontvangen wordt, wordt immers naar de eigen wezenheid van diegene die krijgt ontvangen. Zo kan er dus voor de sacramenten van een kracht die de genade zou veroorzaken geen spraak zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Alles wat bestaat kan tot een bepaald geslacht en tot een bepaalde graad van goedheid herleid worden. Te zeggen tot welk geslacht van het wezen bewuste kracht moet herleid worden gaat echter, zoals blijkt wanneer men ze alle overschouwt, niet aan; te zeggen tot wel een graad van goedheid evenmin. Eén onder de geringste grade kan haar niet toekomen, de sacramenten toch zijn nodig ter zaligheid; en middelmatig goed is ze ook niet, dit zijn nl. de vermogens van de ziel die natuurlijke vermogens zijn; eindelijk hoort ze onder de voortreffelijkste goederen evenmin thuis, ze is immers noch de genade noch ook een verstandelijke kracht. In de sacramenten schuilt dus geen enkele kracht die genade zou verwekken.
Vervolgens. Alles wat bestaat kan tot een bepaald geslacht en tot een bepaalde graad van goedheid herleid worden. Te zeggen tot welk geslacht van het wezen bewuste kracht moet herleid worden gaat echter, zoals blijkt wanneer men ze alle overschouwt, niet aan; te zeggen tot wel een graad van goedheid evenmin. Eén onder de geringste grade kan haar niet toekomen, de sacramenten toch zijn nodig ter zaligheid; en middelmatig goed is ze ook niet, dit zijn nl. de vermogens van de ziel die natuurlijke vermogens zijn; eindelijk hoort ze onder de voortreffelijkste goederen evenmin thuis, ze is immers noch de genade noch ook een verstandelijke kracht. In de sacramenten schuilt dus geen enkele kracht die genade zou verwekken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Indien de sacramenten een van de gelijke kracht bergen, zou deze daar, dankzij een scheppende daad van God, aanwezig zijn. Het ware echter onredelijk als een zo voortreffelijk schepsel, zodra het sacrament tot stand gekomen is, ophield te bestaan. Zo ligt er dus geen kracht die de genade zou veroorzaken in de sacramenten opgesloten.
Vervolgens. Indien de sacramenten een van de gelijke kracht bergen, zou deze daar, dankzij een scheppende daad van God, aanwezig zijn. Het ware echter onredelijk als een zo voortreffelijk schepsel, zodra het sacrament tot stand gekomen is, ophield te bestaan. Zo ligt er dus geen kracht die de genade zou veroorzaken in de sacramenten opgesloten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 4 arg. 4
Vervolgens. Hetzelfde kan niet in verschillende dingen schuilen. Welnu tot de sacramenten dragen enerzijds zeer uiteenlopende bestanddelen, woorden nl. en stoffelijke dingen bij, terwijl anderzijds één en hetzelfde sacrament maar één enkele kracht kan bezorgen. Zo schuilt er dan in de sacramenten geen kracht.
Vervolgens. Hetzelfde kan niet in verschillende dingen schuilen. Welnu tot de sacramenten dragen enerzijds zeer uiteenlopende bestanddelen, woorden nl. en stoffelijke dingen bij, terwijl anderzijds één en hetzelfde sacrament maar één enkele kracht kan bezorgen. Zo schuilt er dan in de sacramenten geen kracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 4 s. c.
Daartegenover echter staat hetgeen S. Augustinus bij Johannes (80) zegt: “Waar komt in het water een van dergelijke kracht vandaan dat het bij de aanraking van het lichaam ook het hart reinigt?” — En de Heilige Beda zegt bij Lucas (10): “Door de aanraking van zijn allerzuiverste vlees heeft God aan de wateren de kracht van de Wedergeboorte geschonken.”
Daartegenover echter staat hetgeen S. Augustinus bij Johannes (80) zegt: “Waar komt in het water een van dergelijke kracht vandaan dat het bij de aanraking van het lichaam ook het hart reinigt?” — En de Heilige Beda zegt bij Lucas (10): “Door de aanraking van zijn allerzuiverste vlees heeft God aan de wateren de kracht van de Wedergeboorte geschonken.”
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 4 co.
Mijn antwoord. Voor hen die beweren dat de sacramenten door mede-aanwezigheid genade geven, bergen de sacramenten geen kracht die tot het uitwerksel van de sacramenten zou bijdragen; alleen zou er een goddelijke kracht het sacrament ter hulp staan en deze zou het sacramentele uitwerksel verwekken. Wanneer we echter zeggen dat het sacrament de werktuigelijke oorzaak is van de genade, dan is het noodzakelijk ook in het sacrament een werktuigelijke kracht, die er toe bestand is het sacramentele uitwerksel teweeg te brengen, te onderstellen. Die kracht nu is aan het werktuig geëvenredigd en staat tot de volkomen en volmaakte kracht van iets in dezelfde verhouding als een werktuig tot de bewerkende hoofdoorzaak. Een werktuig immers werkt zoals we bewezen hebben, (1e Artikel, dezer Kwestie) alleen in de mate waarin het door de hoofdoorzaak, die uit eigen kracht handelt, bewogen wordt. Zo komt het dan dat de kracht van de bewerkende oorzaak van duurzame aard en volkomen is; de werktuigelijke kracht integendeel gaat van het een naar het ander over en is, net als de beweging een onvolledige inwerking van de beweger op het bewogene daarstelt, onvolkomen.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1]
Mijn antwoord. Voor hen die beweren dat de sacramenten door mede-aanwezigheid genade geven, bergen de sacramenten geen kracht die tot het uitwerksel van de sacramenten zou bijdragen; alleen zou er een goddelijke kracht het sacrament ter hulp staan en deze zou het sacramentele uitwerksel verwekken. Wanneer we echter zeggen dat het sacrament de werktuigelijke oorzaak is van de genade, dan is het noodzakelijk ook in het sacrament een werktuigelijke kracht, die er toe bestand is het sacramentele uitwerksel teweeg te brengen, te onderstellen. Die kracht nu is aan het werktuig geëvenredigd en staat tot de volkomen en volmaakte kracht van iets in dezelfde verhouding als een werktuig tot de bewerkende hoofdoorzaak. Een werktuig immers werkt zoals we bewezen hebben, (1e Artikel, dezer Kwestie) alleen in de mate waarin het door de hoofdoorzaak, die uit eigen kracht handelt, bewogen wordt. Zo komt het dan dat de kracht van de bewerkende oorzaak van duurzame aard en volkomen is; de werktuigelijke kracht integendeel gaat van het een naar het ander over en is, net als de beweging een onvolledige inwerking van de beweger op het bewogene daarstelt, onvolkomen.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De geestelijke kracht kan, zoals mits redenering blijkt, niet als bijblijvende en volkomen kracht, in een lichaam schuilen. Niets belet echter dat een geestelijke kracht in zover een lichaam door een geestelijke zelfstandigheid kan bewogen worden om een geestelijk uitwerksel te bewerken, werktuigelijk, in een lichaam aanwezig zij. Zo bijvoorbeeld schuilt er in het zintuigelijk waarneembare woord zelf, juist omdat het van een geestesbegrip voortkomt, een zekere geestelijke kracht bestand om het verstand van de mens op te wekken. Welnu op dezelfde wijze is er in de sacramenten, aangezien ze door God tot een geestelijk uitwerksel worden aangewend, een geestelijke kracht aanwezig.
1e Weerlegging. De geestelijke kracht kan, zoals mits redenering blijkt, niet als bijblijvende en volkomen kracht, in een lichaam schuilen. Niets belet echter dat een geestelijke kracht in zover een lichaam door een geestelijke zelfstandigheid kan bewogen worden om een geestelijk uitwerksel te bewerken, werktuigelijk, in een lichaam aanwezig zij. Zo bijvoorbeeld schuilt er in het zintuigelijk waarneembare woord zelf, juist omdat het van een geestesbegrip voortkomt, een zekere geestelijke kracht bestand om het verstand van de mens op te wekken. Welnu op dezelfde wijze is er in de sacramenten, aangezien ze door God tot een geestelijk uitwerksel worden aangewend, een geestelijke kracht aanwezig.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Zoals de beweging, juist omdat ze een onvolkomen handeling is, strikt genomen niet bij een of ander geslacht thuishoort, toch evenals verandering tot hoedanigheid tot het geslacht van de volkomen handelingen herleid wordt, zo ook behoort de werktuigelijke kracht strikt genomen niet tot een bepaalde soort, maar wordt niettemin tot het geslacht en de soort van de volkomen kracht herleid.
2e Weerlegging. Zoals de beweging, juist omdat ze een onvolkomen handeling is, strikt genomen niet bij een of ander geslacht thuishoort, toch evenals verandering tot hoedanigheid tot het geslacht van de volkomen handelingen herleid wordt, zo ook behoort de werktuigelijke kracht strikt genomen niet tot een bepaalde soort, maar wordt niettemin tot het geslacht en de soort van de volkomen kracht herleid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Evenals wanneer het werktuig door de bewerkende hoofdoorzaak bewogen wordt de werktuigelijke kracht in het werktuig komt, evenzo krijgt het sacrament op grond van de zegening van Christus, zodra de bedienaar deze op het uit te werken sacrament toepast, de geestelijke kracht waarop het is aangewezen. Daarom zegt Augustinus in een preek Over Driekoningen: “Gij moet u niet verwonderen wanneer We zeggen dat Water, — een stoffelijke zelfstandigheid — ertoe komt de ziel te reinigen. Het komt tot in de ziel en treedt in al de binnenkamers van het geweten binnen, want is het water doordringend en dun, bij de zegening van Christus wordt het nog heel wat meer doordringend en dun, en gaat met doordringende dauw in de diepten van de ziel, de diepste lagen van het leven en de meest verborgen geheimen van de geest achterhalen.”
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 65 a. 3 co.[t:iiia q. 65 a. 3 co.]
3e Weerlegging. Evenals wanneer het werktuig door de bewerkende hoofdoorzaak bewogen wordt de werktuigelijke kracht in het werktuig komt, evenzo krijgt het sacrament op grond van de zegening van Christus, zodra de bedienaar deze op het uit te werken sacrament toepast, de geestelijke kracht waarop het is aangewezen. Daarom zegt Augustinus in een preek Over Driekoningen: “Gij moet u niet verwonderen wanneer We zeggen dat Water, — een stoffelijke zelfstandigheid — ertoe komt de ziel te reinigen. Het komt tot in de ziel en treedt in al de binnenkamers van het geweten binnen, want is het water doordringend en dun, bij de zegening van Christus wordt het nog heel wat meer doordringend en dun, en gaat met doordringende dauw in de diepten van de ziel, de diepste lagen van het leven en de meest verborgen geheimen van de geest achterhalen.”
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 65 a. 3 co.[t:iiia q. 65 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. Zoals dezelfde kracht van de bewerkende hoofdoorzaak zich in alle werktuigen, die in verhouding tot een bepaald uitwerksel als één geheel uitmaken, laat gelden zo ook schuilt, in zover uit woorden en zaken een sacrament ontstaat, in de woorden en in het stoffelijke bestanddeel en, éénzelfde sacramentele kracht.
4e Weerlegging. Zoals dezelfde kracht van de bewerkende hoofdoorzaak zich in alle werktuigen, die in verhouding tot een bepaald uitwerksel als één geheel uitmaken, laat gelden zo ook schuilt, in zover uit woorden en zaken een sacrament ontstaat, in de woorden en in het stoffelijke bestanddeel en, éénzelfde sacramentele kracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Betrekken de Sacramenten der Nieuwe Wet hun kracht van het lijden van Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 49 a. 1 ad 4
IIIa q. 62 a. 6 co.
IIIa q. 63 a. 1 co.
IIIa q. 63 a. 6 co.
IIIa q. 64 a. 1 ad 2
IIIa q. 64 a. 3 co.
IIIa q. 64 a. 5 arg. 2
IIIa q. 64 a. 7 co.
IIIa q. 65 a. 1 co.
IIIa q. 65 a. 3 co.
IIIa q. 66 a. 3 arg. 3
IIIa q. 66 a. 11 co.
IIIa q. 84 a. 7 arg. 4
IIIa q. 86 a. 6 arg. 3[t:iiia q. 49 a. 1 ad 4][t:iiia q. 62 a. 6 co.][t:iiia q. 63 a. 1 co.][t:iiia q. 63 a. 6 co.][t:iiia q. 64 a. 1 ad 2][t:iiia q. 64 a. 3 co.][t:iiia q. 64 a. 5 arg. 2][t:iiia q. 64 a. 7 co.][t:iiia q. 65 a. 1 co.][t:iiia q. 65 a. 3 co.][t:iiia q. 66 a. 3 arg. 3][t:iiia q. 66 a. 11 co.][t:iiia q. 84 a. 7 arg. 4][t:iiia q. 86 a. 6 arg. 3]
IIIa q. 62 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat de sacramenten van de Nieuwe Wet hun kracht niet van het lijden van Christus betrekken. De kracht van de sacramenten bestaat om in de ziel de genade waardoor deze op een geestelijke wijze zal leven te verwekken. Sint Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (19e Traktaat): “Zoals het in het begin bij God was geeft het Woord leven aan de zielen, doch het vleesgeworden Woord geeft het leven aan de lichamen.” Daar echter het lijden van Christus het lijden is van het vleesgeworden Woord kan het dan ook aan de sacramenten geen kracht verlenen.
IIIa q. 49 a. 1 ad 4
IIIa q. 62 a. 6 co.
IIIa q. 63 a. 1 co.
IIIa q. 63 a. 6 co.
IIIa q. 64 a. 1 ad 2
IIIa q. 64 a. 3 co.
IIIa q. 64 a. 5 arg. 2
IIIa q. 64 a. 7 co.
IIIa q. 65 a. 1 co.
IIIa q. 65 a. 3 co.
IIIa q. 66 a. 3 arg. 3
IIIa q. 66 a. 11 co.
IIIa q. 84 a. 7 arg. 4
IIIa q. 86 a. 6 arg. 3[t:iiia q. 49 a. 1 ad 4][t:iiia q. 62 a. 6 co.][t:iiia q. 63 a. 1 co.][t:iiia q. 63 a. 6 co.][t:iiia q. 64 a. 1 ad 2][t:iiia q. 64 a. 3 co.][t:iiia q. 64 a. 5 arg. 2][t:iiia q. 64 a. 7 co.][t:iiia q. 65 a. 1 co.][t:iiia q. 65 a. 3 co.][t:iiia q. 66 a. 3 arg. 3][t:iiia q. 66 a. 11 co.][t:iiia q. 84 a. 7 arg. 4][t:iiia q. 86 a. 6 arg. 3]
IIIa q. 62 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat de sacramenten van de Nieuwe Wet hun kracht niet van het lijden van Christus betrekken. De kracht van de sacramenten bestaat om in de ziel de genade waardoor deze op een geestelijke wijze zal leven te verwekken. Sint Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (19e Traktaat): “Zoals het in het begin bij God was geeft het Woord leven aan de zielen, doch het vleesgeworden Woord geeft het leven aan de lichamen.” Daar echter het lijden van Christus het lijden is van het vleesgeworden Woord kan het dan ook aan de sacramenten geen kracht verlenen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 5 arg. 2
Vervolgens. De kracht van de sacramenten komt voort van het geloof. S. Augustinus immers beweert in zijn werk Op Johannes (80e Traktaat) dat het Woord Gods niet omdat het gezegd maar wel omdat het geloofd wordt, het sacrament voltrekt. Ons geloof nu heeft niet alleen het lijden van Christus maar ook de andere geheimen zijner mensheid en vooral nog zijn goddelijkheid tot voorwerp. Zo lijken dan de sacramenten hun kracht niet vooral van het lijden van Christus te betrekken.
Vervolgens. De kracht van de sacramenten komt voort van het geloof. S. Augustinus immers beweert in zijn werk Op Johannes (80e Traktaat) dat het Woord Gods niet omdat het gezegd maar wel omdat het geloofd wordt, het sacrament voltrekt. Ons geloof nu heeft niet alleen het lijden van Christus maar ook de andere geheimen zijner mensheid en vooral nog zijn goddelijkheid tot voorwerp. Zo lijken dan de sacramenten hun kracht niet vooral van het lijden van Christus te betrekken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 5 arg. 3
Vervolgens. De sacramenten maken de mens rechtvaardig; Sint Paulus toch zegt in de Brief tot de Korintiërs (6, 11): “Gij zijt gereinigd, gij zijt gerechtvaardigd.” Welnu, de rechtvaardigmaking wordt aan de verrijzenis toegeschreven. De Apostel schrijft immers in de Brief tot de Romeinen (4, 25): “Om onze rechtvaardigmaking werd Hij opgewekt.” zo betrekken de sacramenten veeleer hun kracht van de verrijzenis dan van het lijden van Christus.
B: (Rom 4:25) [b:Rom 4:25] (1Cor 6:11) [b:1Cor 6:11]
Vervolgens. De sacramenten maken de mens rechtvaardig; Sint Paulus toch zegt in de Brief tot de Korintiërs (6, 11): “Gij zijt gereinigd, gij zijt gerechtvaardigd.” Welnu, de rechtvaardigmaking wordt aan de verrijzenis toegeschreven. De Apostel schrijft immers in de Brief tot de Romeinen (4, 25): “Om onze rechtvaardigmaking werd Hij opgewekt.” zo betrekken de sacramenten veeleer hun kracht van de verrijzenis dan van het lijden van Christus.
B: (Rom 4:25) [b:Rom 4:25] (1Cor 6:11) [b:1Cor 6:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter wat de glossa (S. Augustinus 120e Trakt. op Joann.) over wat in de Brief aan de Romeinen geschreven staat (5, 14): “Naar het voorbeeld van de overtreding van Adam...” zegt. “Uit de zijde van Christus die op het kruis sliep zijn de Sacramenten gevloeid en door deze Werd de heilige Kerk verlost.” zo betrekken de sacramenten dus hun kracht van het lijden van Christus.
B: (Rom 5:14) [b:Rom 5:14]
Daartegenover staat echter wat de glossa (S. Augustinus 120e Trakt. op Joann.) over wat in de Brief aan de Romeinen geschreven staat (5, 14): “Naar het voorbeeld van de overtreding van Adam...” zegt. “Uit de zijde van Christus die op het kruis sliep zijn de Sacramenten gevloeid en door deze Werd de heilige Kerk verlost.” zo betrekken de sacramenten dus hun kracht van het lijden van Christus.
B: (Rom 5:14) [b:Rom 5:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zoals werd aangetoond (eerste Artikel dezer Kwestie) is het als werktuigelijke oorzaak dat het sacrament de genade verwekt. Er zijn echter tweeërlei werktuigen; de een zijn van de hoofdoorzaak afgescheiden zo b. v. een stok; andere niet, zo b. v. een hand. Verder kan een werktuig dat bij de hoofdoorzaak aansluit een afgescheiden werktuig bewegen; zo b. v. wordt de stok door de hand bewogen. Voor de genade is de bewerkende hoofdoorzaak God zelf; de menselijkheid van Christus integendeel is voor God als een aangesloten werktuig, een sacrament eigenlijk als een afgescheiden werktuig. Daarom is het nodig dat de heilbewerkende kracht langs Christus’ menselijke natuur om, van zijn goddelijke natuur naar de sacramenten zou overvloeien. De sacramentele genade nu dient vooral hiertoe, om vooreerst de onvolmaaktheid welke de zonde, die wel als handeling maar niet wat de schuld betreft dadelijk voorbij is, te verdrijven, en verder om de ziel naar de eisen van het christelijke leven voor alles wat de goddelijke eredienst betreft toe te rusten. Uit hetgeen hierboven werd aangetoond (48e en 49e Kwestie) is het echter duidelijk dat Christus ons vooral door zijn lijden van onze zonde verlost heeft, ja hij heeft zulks niet enkel bewerkt en verdiend, maar Hij heeft ook genoegdoening voor ons geschonken. Verder heeft Hij ook “Zichzelf als offer en slachtoffer wegschenkend” (Eph. V, 2) door zijn lijden de ritus van de christelijken godsdienst ingesteld. Zo is het klaarblijkelijk dat de sacramenten van de Heilige Kerk hun kracht vooral van het lijden van Christus betrekken, en dat we bij het ontvangen van de sacramenten als het ware met die kracht worden uitgerust. Ook zijn, toen Hij aan het kruis hing, als teken van dit alles water en bloed uit de zijde van Christus gevloeid: water dat op het doopsel, bloed dat op de Eucharistie gewezen is; deze nu zijn de twee bijzonderste sacramenten.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1] q. 48 a. 1[t:iiia q. 48 a. 1] q. 48 a. 2[t:iiia q. 48 a. 2] q. 48 a. 6[t:iiia q. 48 a. 6] q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 49 a. 3[t:iiia q. 49 a. 3]
Mijn antwoord. Zoals werd aangetoond (eerste Artikel dezer Kwestie) is het als werktuigelijke oorzaak dat het sacrament de genade verwekt. Er zijn echter tweeërlei werktuigen; de een zijn van de hoofdoorzaak afgescheiden zo b. v. een stok; andere niet, zo b. v. een hand. Verder kan een werktuig dat bij de hoofdoorzaak aansluit een afgescheiden werktuig bewegen; zo b. v. wordt de stok door de hand bewogen. Voor de genade is de bewerkende hoofdoorzaak God zelf; de menselijkheid van Christus integendeel is voor God als een aangesloten werktuig, een sacrament eigenlijk als een afgescheiden werktuig. Daarom is het nodig dat de heilbewerkende kracht langs Christus’ menselijke natuur om, van zijn goddelijke natuur naar de sacramenten zou overvloeien. De sacramentele genade nu dient vooral hiertoe, om vooreerst de onvolmaaktheid welke de zonde, die wel als handeling maar niet wat de schuld betreft dadelijk voorbij is, te verdrijven, en verder om de ziel naar de eisen van het christelijke leven voor alles wat de goddelijke eredienst betreft toe te rusten. Uit hetgeen hierboven werd aangetoond (48e en 49e Kwestie) is het echter duidelijk dat Christus ons vooral door zijn lijden van onze zonde verlost heeft, ja hij heeft zulks niet enkel bewerkt en verdiend, maar Hij heeft ook genoegdoening voor ons geschonken. Verder heeft Hij ook “Zichzelf als offer en slachtoffer wegschenkend” (Eph. V, 2) door zijn lijden de ritus van de christelijken godsdienst ingesteld. Zo is het klaarblijkelijk dat de sacramenten van de Heilige Kerk hun kracht vooral van het lijden van Christus betrekken, en dat we bij het ontvangen van de sacramenten als het ware met die kracht worden uitgerust. Ook zijn, toen Hij aan het kruis hing, als teken van dit alles water en bloed uit de zijde van Christus gevloeid: water dat op het doopsel, bloed dat op de Eucharistie gewezen is; deze nu zijn de twee bijzonderste sacramenten.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1] q. 48 a. 1[t:iiia q. 48 a. 1] q. 48 a. 2[t:iiia q. 48 a. 2] q. 48 a. 6[t:iiia q. 48 a. 6] q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 49 a. 3[t:iiia q. 49 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Zoals het in het begin bij God was geeft het Woord als bewerkende hoofdoorzaak leven aan de zielen. Het vleesgeworden Woord en de geheimen die er in gewrocht werden dragen als werktuigelijke oorzaak tot het leven van de ziel bij. Tot het leven van het lichaam draagt het daarentegen niet alleen als werktuigelijke, maar zoals werd aangetoond (56e Kwestie, 1e Art., Antw. op de 3e Bedenking) ook enigszins als voorbeeldelijke oorzaak bij.
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
R: q. 56 a. 1 ad 3[t:iiia q. 56 a. 1 ad 3]
1e Weerlegging. Zoals het in het begin bij God was geeft het Woord als bewerkende hoofdoorzaak leven aan de zielen. Het vleesgeworden Woord en de geheimen die er in gewrocht werden dragen als werktuigelijke oorzaak tot het leven van de ziel bij. Tot het leven van het lichaam draagt het daarentegen niet alleen als werktuigelijke, maar zoals werd aangetoond (56e Kwestie, 1e Art., Antw. op de 3e Bedenking) ook enigszins als voorbeeldelijke oorzaak bij.
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
R: q. 56 a. 1 ad 3[t:iiia q. 56 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Lumen Gentium ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. De Brief aan de Efeziërs (3, 17) getuigt dat het door het geloof is dat Christus in ons woont, en daarom komt de kracht van Christus ons door het geloof ten goede. De kracht echter dankzij dewelke zonde vergeven worden komt inzonderheid van het lijden van Christus, en daarom worden de mensen vooral door het geloof aan zijn lijden van hun zonde bevrijd. De Brief aan de Romeinen (3, 25) zegt immers: “Die heeft God voorbeschikt tot een verzoeningsmiddel door het geloof in zijn bloed.” — En zo hebben de sacramenten kracht om zonde te vergeven door het geloof in het lijden van Christus.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 62 a. 6 arg. 1[t:iiia q. 62 a. 6 arg. 1]
2e Weerlegging. De Brief aan de Efeziërs (3, 17) getuigt dat het door het geloof is dat Christus in ons woont, en daarom komt de kracht van Christus ons door het geloof ten goede. De kracht echter dankzij dewelke zonde vergeven worden komt inzonderheid van het lijden van Christus, en daarom worden de mensen vooral door het geloof aan zijn lijden van hun zonde bevrijd. De Brief aan de Romeinen (3, 25) zegt immers: “Die heeft God voorbeschikt tot een verzoeningsmiddel door het geloof in zijn bloed.” — En zo hebben de sacramenten kracht om zonde te vergeven door het geloof in het lijden van Christus.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 62 a. 6 arg. 1[t:iiia q. 62 a. 6 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. De rechtvaardigmaking wordt op grond van haar doel, vernieuwing nl. van leven door de genade, aan de verrijzenis toegeschreven, op grond van de toestand waaruit ze ons verlost, wat nl. de kwijtschelding van schuld betreft, integendeel aan het lijden.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25] (Eph 3:17) [b:Eph 3:17]
3e Weerlegging. De rechtvaardigmaking wordt op grond van haar doel, vernieuwing nl. van leven door de genade, aan de verrijzenis toegeschreven, op grond van de toestand waaruit ze ons verlost, wat nl. de kwijtschelding van schuld betreft, integendeel aan het lijden.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25] (Eph 3:17) [b:Eph 3:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Gaven de Sacramenten der Oude Wet aan de genade het aanzijn?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 63 a. 1 ad 3[t:iiia q. 63 a. 1 ad 3]
IIIa q. 62 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert dat ook de sacramenten van de Oude Wet de genade verwekten. Zoals in het vorig artikel werd aangetoond betrekken de sacramenten van de Nieuwe Wet hun kracht van het geloof in het lijden van Christus. Het geloof in het lijden van Christus bestond echter evenzeer onder de Oude als onder de nieuwe wet; “Wij hebben toch dezelfde geest van geloof” zoals de 7e Brief aan de Korintiërs zegt (4, 13). Zoals dus de sacramenten van de nieuwe wet genade verwekken zo deden het ook de sacramenten van de oude wet.
B: (2Cor 4:13) [b:2Cor 4:13]
R: q. 62 a. 5 ad 2[t:iiia q. 62 a. 5 ad 2]
IIIa q. 63 a. 1 ad 3[t:iiia q. 63 a. 1 ad 3]
IIIa q. 62 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert dat ook de sacramenten van de Oude Wet de genade verwekten. Zoals in het vorig artikel werd aangetoond betrekken de sacramenten van de Nieuwe Wet hun kracht van het geloof in het lijden van Christus. Het geloof in het lijden van Christus bestond echter evenzeer onder de Oude als onder de nieuwe wet; “Wij hebben toch dezelfde geest van geloof” zoals de 7e Brief aan de Korintiërs zegt (4, 13). Zoals dus de sacramenten van de nieuwe wet genade verwekken zo deden het ook de sacramenten van de oude wet.
B: (2Cor 4:13) [b:2Cor 4:13]
R: q. 62 a. 5 ad 2[t:iiia q. 62 a. 5 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 6 arg. 2
Vervolgens. De Heiligmaking kan niet anders geschieden dan door de genade. Welnu, de mensen werden door de sacramenten van de oude wet geheiligd, er wordt immers in het Boek Leviticus (8, 31) gezegd: “Wanneer Mozes, Aaron en zijn zonen in hun gewaad geheiligd had.” De sacramenten van de Oude Wet lijken dus genade verleend te hebben.
B: (Lev 8:31) [b:Lev 8:31]
Vervolgens. De Heiligmaking kan niet anders geschieden dan door de genade. Welnu, de mensen werden door de sacramenten van de oude wet geheiligd, er wordt immers in het Boek Leviticus (8, 31) gezegd: “Wanneer Mozes, Aaron en zijn zonen in hun gewaad geheiligd had.” De sacramenten van de Oude Wet lijken dus genade verleend te hebben.
B: (Lev 8:31) [b:Lev 8:31]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 6 arg. 3
Vervolgens. In zijn Homelie op de Besnijdenis beweert Beda het volgende: “De besnijdenis verstrekte onder de oude wet dezelfde heiligbewerkende en lenigende hulp voor de wonde welke de erfzonde had toegebracht als onder het bewind van de veropenbaarde genade het doopsel.” Welnu, het doopsel geeft ons de genade. Dus verleende ook de besnijdenis de genade en om dezelfde rede de andere sacramenten van de Wet; zoals immers voor de sacramenten van de Nieuwe Wet het doopsel als een deur is, zo ook was voor de sacramenten van de Oude Wet de besnijdenis een deur. Daarna zegt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (5, 3) “Elk besnede mens houdt zich als plicht voor de gehele Wet na te komen.”
B: (Gal 5:3) [b:Gal 5:3]
Vervolgens. In zijn Homelie op de Besnijdenis beweert Beda het volgende: “De besnijdenis verstrekte onder de oude wet dezelfde heiligbewerkende en lenigende hulp voor de wonde welke de erfzonde had toegebracht als onder het bewind van de veropenbaarde genade het doopsel.” Welnu, het doopsel geeft ons de genade. Dus verleende ook de besnijdenis de genade en om dezelfde rede de andere sacramenten van de Wet; zoals immers voor de sacramenten van de Nieuwe Wet het doopsel als een deur is, zo ook was voor de sacramenten van de Oude Wet de besnijdenis een deur. Daarna zegt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (5, 3) “Elk besnede mens houdt zich als plicht voor de gehele Wet na te komen.”
B: (Gal 5:3) [b:Gal 5:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 6 s. c.
Daartegenover echter staat wat Sint Paulus in dezelfde Brief(4, 9) zegt: “Ge keert opnieuw tot de zwakke en schamele elementen” d. i. tot de wet die omdat ze enkel ten dele rechtvaardig maakt zwak genoemd wordt. De genade integendeel maakt op volmaakte wijze rechtvaardig. Zo verstrekten dus de sacramenten van de Oude Wet de genade niet.
B: (Gal 4:9) [b:Gal 4:9]
Daartegenover echter staat wat Sint Paulus in dezelfde Brief(4, 9) zegt: “Ge keert opnieuw tot de zwakke en schamele elementen” d. i. tot de wet die omdat ze enkel ten dele rechtvaardig maakt zwak genoemd wordt. De genade integendeel maakt op volmaakte wijze rechtvaardig. Zo verstrekten dus de sacramenten van de Oude Wet de genade niet.
B: (Gal 4:9) [b:Gal 4:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 6 co.
Mijn antwoord. Men kan niet houde staan dat de sacramenten van de Oude Wet door zichzelf d. i. uit eigen kracht de genade verstrekten, dan ware immers het lijden van Christus overbodig. In de Brief aan de Galaten (2, 21) wordt toch gezegd: “Als de wet rechtvaardig maakte, dan is Christus zonder rede gestorven.” Verder mag ook niet gezegd dat ze dankzij het lijden van Christus zouden de kracht hebben om de heiligmakende genade voort te brengen. We hebben immers bewezen (in het vorig Artikel) dat de kracht van Christus’ lijden ons én door het geloof én door de sacramenten ten goede komt. Dit echter op verschillende wijzen. De toepassing door het geloof vergt nl. een daad van de ziel, de toepassing daarentegen die geschiedt door de sacramenten, geschiedt door het gebruik van uiterlijke zaken. Welnu daar is niets op tegen dat wat in tijdsorde eerst later komt, in zover het in de daad welke de ziel stelt voorafgaat, voor en aleer het bestaat de ziel zou bewegen; zo toch beweegt het einddoel dat in tijdsorde eerst later komt, in zover het door haar gevat en begeerd wordt, de werkende oorzaak. Wat echter uiterlijke zaken betreft, deze kunnen door wat in nature niet bestaat niet bewogen worden, en in tijdsorde de werkende oorzaak niet zoals met de eindoorzaak gebeurt eerst later het aanzijn krijgen. Uit dit alles blijkt dus dat de kracht tot rechtvaardigmaking door het lijden van Christus — oorzaak van de menselijke gerechtigheid — wel naar behoren naar de sacramenten van de Nieuwe Wet maar niet naar de sacramenten van de Oude Wet toevloeien. Alleen werden de aartsvaders door het geloof in het lijden van Christus evengoed als wij gerechtvaardigd en van dit geloof waren de sacramenten van de Oude Wet, daar ze het lijden van Christus en ook de uitwerkselen ervan betekende, de belijdenis. Zo is het dan klaar dat de sacramenten van de Oude Wet in zichzelf geen kracht bezaten waardoor ze tot het geven van de heiligmakende genade konden bijdragen, alleen betekende ze het geloof waardoor men gerechtvaardigd werd.
B: (Gal 2:21) [b:Gal 2:21]
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Mijn antwoord. Men kan niet houde staan dat de sacramenten van de Oude Wet door zichzelf d. i. uit eigen kracht de genade verstrekten, dan ware immers het lijden van Christus overbodig. In de Brief aan de Galaten (2, 21) wordt toch gezegd: “Als de wet rechtvaardig maakte, dan is Christus zonder rede gestorven.” Verder mag ook niet gezegd dat ze dankzij het lijden van Christus zouden de kracht hebben om de heiligmakende genade voort te brengen. We hebben immers bewezen (in het vorig Artikel) dat de kracht van Christus’ lijden ons én door het geloof én door de sacramenten ten goede komt. Dit echter op verschillende wijzen. De toepassing door het geloof vergt nl. een daad van de ziel, de toepassing daarentegen die geschiedt door de sacramenten, geschiedt door het gebruik van uiterlijke zaken. Welnu daar is niets op tegen dat wat in tijdsorde eerst later komt, in zover het in de daad welke de ziel stelt voorafgaat, voor en aleer het bestaat de ziel zou bewegen; zo toch beweegt het einddoel dat in tijdsorde eerst later komt, in zover het door haar gevat en begeerd wordt, de werkende oorzaak. Wat echter uiterlijke zaken betreft, deze kunnen door wat in nature niet bestaat niet bewogen worden, en in tijdsorde de werkende oorzaak niet zoals met de eindoorzaak gebeurt eerst later het aanzijn krijgen. Uit dit alles blijkt dus dat de kracht tot rechtvaardigmaking door het lijden van Christus — oorzaak van de menselijke gerechtigheid — wel naar behoren naar de sacramenten van de Nieuwe Wet maar niet naar de sacramenten van de Oude Wet toevloeien. Alleen werden de aartsvaders door het geloof in het lijden van Christus evengoed als wij gerechtvaardigd en van dit geloof waren de sacramenten van de Oude Wet, daar ze het lijden van Christus en ook de uitwerkselen ervan betekende, de belijdenis. Zo is het dan klaar dat de sacramenten van de Oude Wet in zichzelf geen kracht bezaten waardoor ze tot het geven van de heiligmakende genade konden bijdragen, alleen betekende ze het geloof waardoor men gerechtvaardigd werd.
B: (Gal 2:21) [b:Gal 2:21]
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. De aartsvaders hadden het geloof in het toekomstig lijden van Christus, dat in zover de ziel het begreep kon rechtvaardig maken, wij echter hebben het geloof in het lijden van Christus dat reeds plaats had en dit laatste kan zoals gezegd werd (in het Artikel) door het reëel gebruik van de sacramenten rechtvaardig maken.
1e Weerlegging. De aartsvaders hadden het geloof in het toekomstig lijden van Christus, dat in zover de ziel het begreep kon rechtvaardig maken, wij echter hebben het geloof in het lijden van Christus dat reeds plaats had en dit laatste kan zoals gezegd werd (in het Artikel) door het reëel gebruik van de sacramenten rechtvaardig maken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Die heiligmaking was zinnebeeldig, men zei immers dat ze geheiligd werden omdat ze volgens de ritus van de Oude Wet, die er volkomen op gericht was het lijden van Christus te betekenen, volledig aan de goddelijke eredienst werden toegewijd.
2e Weerlegging. Die heiligmaking was zinnebeeldig, men zei immers dat ze geheiligd werden omdat ze volgens de ritus van de Oude Wet, die er volkomen op gericht was het lijden van Christus te betekenen, volledig aan de goddelijke eredienst werden toegewijd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 62 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Over de besnijdenis bestaan er verschillende opvattingen: enigen immers zeiden dat door de besnijdenis niet de genade gegeven maar enkel en alleen de zonde werd weggenomen. Dit echter kan niet, de mens toch wordt door niets anders van de zonde gereinigd dan door de genade. Zo immers schrijft de Apostel in de Brief aan de Romeinen (3, 24): “Ge wordt kosteloos gerechtvaardigd door zijn genade.” Daarom hebben anderen dan gezegd dat de genade wel in zover de besnijdenis de overblijfselen van de schuld verdrijft, maar niet in zover ze de positieve uitwerkselen van de genade zou voortbrengen, door de besnijdenis verleend wordt. Dit is alweer onjuist; door de besnijdenis wordt immers aan de kinderen macht gegeven om de hemelse glorie binnen te gaan; en dit is wel het laatste positieve uitwerksel van de genade. Daarbij komt nog dat, hoewel van de stoffelijke oorzaak uit gezien het tegendeel plaats grijpt, wanneer het om vormoorzaken gaat de stellige uitwerkselen van aard uit de berovige uitwerkselen vóór zijn, de vorm immers sluit alleen het gemis uit wanneer hij het subject informeert. Daarom dachten anderen dat de besnijdenis ook in zover zulks een stellig uitwerksel, het waardig maken tot het eeuwige leven nl., geldt, de genade verleende, niet echter in zover zulks het onderdrukken van de begeerlijkheid die tot zonde aanspoort betreft. Zo heb ik zelf een tijd lang gedacht maar wanneer ik beter toezag, toen heb ik begrepen dat zulks geen steek houdt; de kleinste genade is er immers toe bestand aan de begeerlijkheid weerstand te bieden en het eeuwige leven te verdienen. Het is dan ook beter te zeggen dat evenals de andere sacramenten van de Oude Wet, de besnijdenis enkel een teken was van het rechtvaardigmakend geloof. Zo zegt de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4, 11): “Abraham ontving het teken van de besnijdenis tot zegel van gerechtigheid van het geloof.” De genade werd dus, zoals verder zal aangeduid worden (70e Kw., 4e Art.) in zover ze een teken was van het toekomstige lijden van Christus, bij de besnijdenis toebedeeld.
B: (Rom. 4, 11) [b:Rom. 4, 11] (Rom. 3, 24) [b:Rom. 3, 24]
R: Summa Theologiae Tertia Pars q. 70 a. 4[t:iii q. 70 a. 4]
3e Weerlegging. Over de besnijdenis bestaan er verschillende opvattingen: enigen immers zeiden dat door de besnijdenis niet de genade gegeven maar enkel en alleen de zonde werd weggenomen. Dit echter kan niet, de mens toch wordt door niets anders van de zonde gereinigd dan door de genade. Zo immers schrijft de Apostel in de Brief aan de Romeinen (3, 24): “Ge wordt kosteloos gerechtvaardigd door zijn genade.” Daarom hebben anderen dan gezegd dat de genade wel in zover de besnijdenis de overblijfselen van de schuld verdrijft, maar niet in zover ze de positieve uitwerkselen van de genade zou voortbrengen, door de besnijdenis verleend wordt. Dit is alweer onjuist; door de besnijdenis wordt immers aan de kinderen macht gegeven om de hemelse glorie binnen te gaan; en dit is wel het laatste positieve uitwerksel van de genade. Daarbij komt nog dat, hoewel van de stoffelijke oorzaak uit gezien het tegendeel plaats grijpt, wanneer het om vormoorzaken gaat de stellige uitwerkselen van aard uit de berovige uitwerkselen vóór zijn, de vorm immers sluit alleen het gemis uit wanneer hij het subject informeert. Daarom dachten anderen dat de besnijdenis ook in zover zulks een stellig uitwerksel, het waardig maken tot het eeuwige leven nl., geldt, de genade verleende, niet echter in zover zulks het onderdrukken van de begeerlijkheid die tot zonde aanspoort betreft. Zo heb ik zelf een tijd lang gedacht maar wanneer ik beter toezag, toen heb ik begrepen dat zulks geen steek houdt; de kleinste genade is er immers toe bestand aan de begeerlijkheid weerstand te bieden en het eeuwige leven te verdienen. Het is dan ook beter te zeggen dat evenals de andere sacramenten van de Oude Wet, de besnijdenis enkel een teken was van het rechtvaardigmakend geloof. Zo zegt de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4, 11): “Abraham ontving het teken van de besnijdenis tot zegel van gerechtigheid van het geloof.” De genade werd dus, zoals verder zal aangeduid worden (70e Kw., 4e Art.) in zover ze een teken was van het toekomstige lijden van Christus, bij de besnijdenis toebedeeld.
B: (Rom. 4, 11) [b:Rom. 4, 11] (Rom. 3, 24) [b:Rom. 3, 24]
R: Summa Theologiae Tertia Pars q. 70 a. 4[t:iii q. 70 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 63: Over het merkteken der Sacramenten dat ook een van hun uitwerkselen is
IIIa q. 63 pr.
Verder dient een ander uitwerksel van de Sacramenten, het merkteken nl. beschouwd te worden; dienaangaande stellen we de zes volgende vragen.
1. wordt door de Sacramenten een merkteken in de ziel geprent?
2. Wat is dit merkteken?
3. Van wie komt dit merkteken?
4. Wien of wat doet het merkteken als subject aan?
5. Is het merkteken onuitwisbaar?
6. Prenten alle Sacramenten een merkteken in?
Verder dient een ander uitwerksel van de Sacramenten, het merkteken nl. beschouwd te worden; dienaangaande stellen we de zes volgende vragen.
1. wordt door de Sacramenten een merkteken in de ziel geprent?
2. Wat is dit merkteken?
3. Van wie komt dit merkteken?
4. Wien of wat doet het merkteken als subject aan?
5. Is het merkteken onuitwisbaar?
6. Prenten alle Sacramenten een merkteken in?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Wordt door de Sacramenten een merkteken in de ziel geprent?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 63 a. 2 co.
IIIa q. 63 a. 3 co.
IIIa q. 63 a. 3 ad 3
IIIa q. 65 a. 1 co.
Suppl q. 31 a. 3 ad 1[t:iiia q. 63 a. 2 co.][t:iiia q. 63 a. 3 co.][t:iiia q. 63 a. 3 ad 3][t:iiia q. 65 a. 1 co.][t:suppl q. 31 a. 3 ad 1]
IIIa q. 63 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Er wordt beweerd dat de sacramenten geen merkteken in de ziel prenten. Een merkteken is een onderscheidingsteken, welnu de voorbestemming, die, zij alleen degenen die lidmaat zijn van Christus en degenen die het niet zijn onderscheidt, brengt zoals in het eerste Deel (23e Kw., 2e Art.) bewezen werd, niets nieuws in degenen die voorbestemd worden maar wel en alleen in God die voorbestemt. Zegt de Apostel immers niet in de IIe Brief aan Timotheus (2, 19): “De hechte grondvest van God blijft staan met dit opschrift: “de Heer heeft de zijnen erkend.” zo prenten dus de sacramenten geen merkteken in de ziel.
B: (2Tim 2:19) [b:2Tim 2:19]
R: I q. 23 a. 2[t:ia q. 23 a. 2] q. 62 a. 6[t:iiia q. 62 a. 6]
IIIa q. 63 a. 2 co.
IIIa q. 63 a. 3 co.
IIIa q. 63 a. 3 ad 3
IIIa q. 65 a. 1 co.
Suppl q. 31 a. 3 ad 1[t:iiia q. 63 a. 2 co.][t:iiia q. 63 a. 3 co.][t:iiia q. 63 a. 3 ad 3][t:iiia q. 65 a. 1 co.][t:suppl q. 31 a. 3 ad 1]
IIIa q. 63 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Er wordt beweerd dat de sacramenten geen merkteken in de ziel prenten. Een merkteken is een onderscheidingsteken, welnu de voorbestemming, die, zij alleen degenen die lidmaat zijn van Christus en degenen die het niet zijn onderscheidt, brengt zoals in het eerste Deel (23e Kw., 2e Art.) bewezen werd, niets nieuws in degenen die voorbestemd worden maar wel en alleen in God die voorbestemt. Zegt de Apostel immers niet in de IIe Brief aan Timotheus (2, 19): “De hechte grondvest van God blijft staan met dit opschrift: “de Heer heeft de zijnen erkend.” zo prenten dus de sacramenten geen merkteken in de ziel.
B: (2Tim 2:19) [b:2Tim 2:19]
R: I q. 23 a. 2[t:ia q. 23 a. 2] q. 62 a. 6[t:iiia q. 62 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Het merkteken is een onderscheidingsteken. Sint Augustinus nu zegt in zijn Boek? Over de Christelijke Leer (2) dat “een teken iets is dat behalve tot het beeld dat het in onze zintuigen voortbrengt, ook tot de kennis doet komen van iets anders.” Daar is echter niets in de ziel dat een beeld kan vóórtbrengen in de zintuigen, en zo prenten de sacramenten dus geen merkteken in de ziel.
Vervolgens. Het merkteken is een onderscheidingsteken. Sint Augustinus nu zegt in zijn Boek? Over de Christelijke Leer (2) dat “een teken iets is dat behalve tot het beeld dat het in onze zintuigen voortbrengt, ook tot de kennis doet komen van iets anders.” Daar is echter niets in de ziel dat een beeld kan vóórtbrengen in de zintuigen, en zo prenten de sacramenten dus geen merkteken in de ziel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Zoals de sacramenten van de Oude Wet, zo ook onderscheiden de sacramenten van de Nieuwe Wet de gelovigen. De sacramenten van de Oude Wet prentten geen merkteken in de ziel, de Apostel noemt ze immers in de Brief aan de Hebreërs (9, 10): “geboden van vlees”. Zo prenten dan ook de sacramenten van de Nieuwe Wet geen merkteken in de ziel.
B: (Heb 9:10) [b:Heb 9:10]
Vervolgens. Zoals de sacramenten van de Oude Wet, zo ook onderscheiden de sacramenten van de Nieuwe Wet de gelovigen. De sacramenten van de Oude Wet prentten geen merkteken in de ziel, de Apostel noemt ze immers in de Brief aan de Hebreërs (9, 10): “geboden van vlees”. Zo prenten dan ook de sacramenten van de Nieuwe Wet geen merkteken in de ziel.
B: (Heb 9:10) [b:Heb 9:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 1 s. c.
Daartegenover echter staat wat de Apostel zegt in de tweede Brief aan de Korintiërs (1,21-22): “God is het die ons gezalfd heeft, die zijn zegel op ons geslagen heeft en het onderpand van de geest in onze harten gelegd heeft.” — Het merkteken nu bedraagt niets anders dan een zegeling. Zo prent God dus door de sacramenten een merkteken in de ziel.
B: (2Cor 1:21) [b:2Cor 1:21] (2Cor 1:22) [b:2Cor 1:22]
Daartegenover echter staat wat de Apostel zegt in de tweede Brief aan de Korintiërs (1,21-22): “God is het die ons gezalfd heeft, die zijn zegel op ons geslagen heeft en het onderpand van de geest in onze harten gelegd heeft.” — Het merkteken nu bedraagt niets anders dan een zegeling. Zo prent God dus door de sacramenten een merkteken in de ziel.
B: (2Cor 1:21) [b:2Cor 1:21] (2Cor 1:22) [b:2Cor 1:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals hierboven werd aangetoond (62e Kw., 5e Art.) zijn de sacramenten van de Nieuwe Wet op twee zaken gericht, van de zonde te genezen nl. en verder naar de regels van het christelijke leven de ziel in alles wat de eredienst van God betreft te vervolmaken. Welnu, het is de gewoonte wanneer iemand een ambt wordt opgedragen hem met de kentekenen van bewust ambt uit te rusten. Zo b. v. was het in de oudheid de gewoonte soldaten omdat hun een lichamelijke taak werd opgedragen, wanneer ze werden ingelijfd, een of ander lichamelijk kenteken toe te wijzen. Zo is het dan ook logisch dat de mensen aangezien hun door de sacramenten met het oog op de eredienst een geestelijk ambt wordt opgedragen, door bewuste sacramenten met een geestelijk merkteken zouden gekenmerkt worden. Daarbij schrijft Sint Augustinus in zijn Boek Tegen Parmenianus (lle H., 13): “Wanneer een soldaat die uit vrees de strijd ontvlucht was, om het krijgsteken in zijn lichaam verlegen bij de keizer om genade smeekt, op zijn verzoek vergiffenis bekomt, en terug naar de strijd trekt, wordt dan ooit het krijgsteken bij hem terug ingemerkt of wordt het niet veeleer na onderzoek andermaal goedgekeurd? En zouden christelijke sacramenten soms minder vast aan ons kleven dan dit lichamelijk teken?”
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Mijn antwoord. Zoals hierboven werd aangetoond (62e Kw., 5e Art.) zijn de sacramenten van de Nieuwe Wet op twee zaken gericht, van de zonde te genezen nl. en verder naar de regels van het christelijke leven de ziel in alles wat de eredienst van God betreft te vervolmaken. Welnu, het is de gewoonte wanneer iemand een ambt wordt opgedragen hem met de kentekenen van bewust ambt uit te rusten. Zo b. v. was het in de oudheid de gewoonte soldaten omdat hun een lichamelijke taak werd opgedragen, wanneer ze werden ingelijfd, een of ander lichamelijk kenteken toe te wijzen. Zo is het dan ook logisch dat de mensen aangezien hun door de sacramenten met het oog op de eredienst een geestelijk ambt wordt opgedragen, door bewuste sacramenten met een geestelijk merkteken zouden gekenmerkt worden. Daarbij schrijft Sint Augustinus in zijn Boek Tegen Parmenianus (lle H., 13): “Wanneer een soldaat die uit vrees de strijd ontvlucht was, om het krijgsteken in zijn lichaam verlegen bij de keizer om genade smeekt, op zijn verzoek vergiffenis bekomt, en terug naar de strijd trekt, wordt dan ooit het krijgsteken bij hem terug ingemerkt of wordt het niet veeleer na onderzoek andermaal goedgekeurd? En zouden christelijke sacramenten soms minder vast aan ons kleven dan dit lichamelijk teken?”
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Met het oog op de beloning van de toekomstige glorie worden de gelovige christenen met het teken van de goddelijke voorbestemming getekend, maar voor handelingen die met de huidige staat van de Kerk overeenkomen worden ze met een geestelijk teken dat hen wordt ingeprent toegerust, en dit is het merkteken.
1e Weerlegging. Met het oog op de beloning van de toekomstige glorie worden de gelovige christenen met het teken van de goddelijke voorbestemming getekend, maar voor handelingen die met de huidige staat van de Kerk overeenkomen worden ze met een geestelijk teken dat hen wordt ingeprent toegerust, en dit is het merkteken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Het merkteken dat de ziel wordt ingeprent is een teken omdat het door een zintuigelijk-waarneembaar sacrament wordt ingeprent. Zo b. v. kan iemand uit het feit dat hij met stoffelijk water gewassen werd weten dat hij met het merkteken van het doopsel gekenmerkt is. Dit echter mag men wel zeggen dat overdrachtelijk gesproken alles wat ons op iemand doet gelijken of van iemand onderscheidt, ook als het niet zintuigelijk-waarneembaar is, een merkteken of een zegel is. Zo wordt b. v. naar wat Sint Paulus in de Brief aan de Hebreërs (1,3) schrijft, gezegd dat Christus: “De beeltenis of het merkteken is van de zelfstandigheid van de Vaders.”
B: (Heb 1:3) [b:Heb 1:3]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 60 a. 4 ad 1[t:iiia q. 60 a. 4 ad 1]
2e Weerlegging. Het merkteken dat de ziel wordt ingeprent is een teken omdat het door een zintuigelijk-waarneembaar sacrament wordt ingeprent. Zo b. v. kan iemand uit het feit dat hij met stoffelijk water gewassen werd weten dat hij met het merkteken van het doopsel gekenmerkt is. Dit echter mag men wel zeggen dat overdrachtelijk gesproken alles wat ons op iemand doet gelijken of van iemand onderscheidt, ook als het niet zintuigelijk-waarneembaar is, een merkteken of een zegel is. Zo wordt b. v. naar wat Sint Paulus in de Brief aan de Hebreërs (1,3) schrijft, gezegd dat Christus: “De beeltenis of het merkteken is van de zelfstandigheid van de Vaders.”
B: (Heb 1:3) [b:Heb 1:3]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 60 a. 4 ad 1[t:iiia q. 60 a. 4 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Hierboven werd bewezen (62e Kw., 6e Artikel) dat de sacramenten dér Oude Wet in zichzelf geen kracht bezaten om een geestelijk uitwerksel te verwekken daarom ook moesten die sacramenten geen geestelijk merkteken inprenten; de lichamelijke besnijdenis welke de Apostel in de Brief aan de Romeinen een zegel noemt (4, 11) kon toen immers volstaan.
B: (Rom 4:11) [b:Rom 4:11]
R: q. 62 a. 6[t:iiia q. 62 a. 6]
3e Weerlegging. Hierboven werd bewezen (62e Kw., 6e Artikel) dat de sacramenten dér Oude Wet in zichzelf geen kracht bezaten om een geestelijk uitwerksel te verwekken daarom ook moesten die sacramenten geen geestelijk merkteken inprenten; de lichamelijke besnijdenis welke de Apostel in de Brief aan de Romeinen een zegel noemt (4, 11) kon toen immers volstaan.
B: (Rom 4:11) [b:Rom 4:11]
R: q. 62 a. 6[t:iiia q. 62 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is het merkteken een geestelijk vermogen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 63 a. 4 arg. 2
IIIa q. 63 a. 5 ad 1
IIIa q. 72 a. 5 arg. 2
IIIa q. 72 a. 5 co.
Suppl q. 31 a. 3 ad 1[t:iiia q. 63 a. 4 arg. 2][t:iiia q. 63 a. 5 ad 1][t:iiia q. 72 a. 5 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 5 co.][t:suppl q. 31 a. 3 ad 1]
IIIa q. 63 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Er wordt beweerd dat het merkteken geen geestelijk vermogen is. Een merkteken is hetzelfde als een beeld; waar wij in de Brief aan de Hebreërs (1,3) lezen van: “Het beeld van Gods zelfstandigheid”, biedt immers de Griekse tekst in plaats van “beeld”, “merkteken”. Een beeld nu behoort tot de vierde soort van hoedanigheden en verschilt dan ook van een vermogen dat in de tweede soort van hoedanigheden thuishoort. Zo is een merkteken geen geestelijk vermogen.
B: (Heb 1:3) [b:Heb 1:3]
IIIa q. 63 a. 4 arg. 2
IIIa q. 63 a. 5 ad 1
IIIa q. 72 a. 5 arg. 2
IIIa q. 72 a. 5 co.
Suppl q. 31 a. 3 ad 1[t:iiia q. 63 a. 4 arg. 2][t:iiia q. 63 a. 5 ad 1][t:iiia q. 72 a. 5 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 5 co.][t:suppl q. 31 a. 3 ad 1]
IIIa q. 63 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Er wordt beweerd dat het merkteken geen geestelijk vermogen is. Een merkteken is hetzelfde als een beeld; waar wij in de Brief aan de Hebreërs (1,3) lezen van: “Het beeld van Gods zelfstandigheid”, biedt immers de Griekse tekst in plaats van “beeld”, “merkteken”. Een beeld nu behoort tot de vierde soort van hoedanigheden en verschilt dan ook van een vermogen dat in de tweede soort van hoedanigheden thuishoort. Zo is een merkteken geen geestelijk vermogen.
B: (Heb 1:3) [b:Heb 1:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Dyonisius beweert in zijn Boek Over de Kerkelijke Hiërarchie (2e Kap.) dat “de goddelijke gelukzaligheid degene die het doopsel ontvangt wordt meegedeeld en hem haar eigen licht tot teken van zijn meegenieten geschonken wordt.” zo zou het merkteken dus een licht zijn. Het licht nu behoort tot de van de de soort van hoedanigheden en zo kan het merkteken, daar dit tot de tweede soort van hoedanigheden behoort, geen vermogen zijn.
Vervolgens. Dyonisius beweert in zijn Boek Over de Kerkelijke Hiërarchie (2e Kap.) dat “de goddelijke gelukzaligheid degene die het doopsel ontvangt wordt meegedeeld en hem haar eigen licht tot teken van zijn meegenieten geschonken wordt.” zo zou het merkteken dus een licht zijn. Het licht nu behoort tot de van de de soort van hoedanigheden en zo kan het merkteken, daar dit tot de tweede soort van hoedanigheden behoort, geen vermogen zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Door sommigen wordt het merkteken op de volgende manier bepaald: “Een merkteken is een heilig teken van gemeenschap in het geloof en van de heilige wijding die door de priester wordt toegediend.” Welnu, een teken behoort tot het geslacht van de betrekkingen, niet tot het geslacht van de vermogens, en zo is een merkteken dus geen geestelijk vermogen.
Vervolgens. Door sommigen wordt het merkteken op de volgende manier bepaald: “Een merkteken is een heilig teken van gemeenschap in het geloof en van de heilige wijding die door de priester wordt toegediend.” Welnu, een teken behoort tot het geslacht van de betrekkingen, niet tot het geslacht van de vermogens, en zo is een merkteken dus geen geestelijk vermogen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 2 arg. 4
Vervolgens. “Het vermogen is oorzaak en beginsel” zegt Aristoteles in zijn Metaph. (3, 17). Daar nu de hoedanigheid een teken te zijn, die in de bepaling aan “merkteken” wordt toegekend, meer aan een uitwerksel toekomt, zo kan een merkteken geen geestelijk vermogen zijn.
Vervolgens. “Het vermogen is oorzaak en beginsel” zegt Aristoteles in zijn Metaph. (3, 17). Daar nu de hoedanigheid een teken te zijn, die in de bepaling aan “merkteken” wordt toegekend, meer aan een uitwerksel toekomt, zo kan een merkteken geen geestelijk vermogen zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 2 s. c.
Daartegenover echter staat wat Aristoteles in zijn Ethica zegt (2, 4): “Er zijn in de ziel drie dingen: bedrijvig vermogen, hebbelijkheid en lijdend vermogen”. Het merkteken echter is geen lijdend vermogen, dit laatste immers gaat vlug voorbij terwijl daarentegen het merkteken zoals later (5e Artikel) zal worden aangetoond onuitwisbaar is. Een hebbelijkheid is het evenmin, een hebbelijkheid toch kan niet, én voor het goede én voor het kwade doen, het merkteken integendeel kan voor de twee dienen, de ene gebruiken het goed de anderen slecht. Met hebbelijkheden gaat dit niet aan, niemand kan een deugd ten kwade gebruiken, niemand kan een ondeugd ten goede gebruiken. Zo moeten we dan besluiten dat het merkteken een bedrijvig vermogen is.
R: q. 63 a. 5[t:iiia q. 63 a. 5]
Daartegenover echter staat wat Aristoteles in zijn Ethica zegt (2, 4): “Er zijn in de ziel drie dingen: bedrijvig vermogen, hebbelijkheid en lijdend vermogen”. Het merkteken echter is geen lijdend vermogen, dit laatste immers gaat vlug voorbij terwijl daarentegen het merkteken zoals later (5e Artikel) zal worden aangetoond onuitwisbaar is. Een hebbelijkheid is het evenmin, een hebbelijkheid toch kan niet, én voor het goede én voor het kwade doen, het merkteken integendeel kan voor de twee dienen, de ene gebruiken het goed de anderen slecht. Met hebbelijkheden gaat dit niet aan, niemand kan een deugd ten kwade gebruiken, niemand kan een ondeugd ten goede gebruiken. Zo moeten we dan besluiten dat het merkteken een bedrijvig vermogen is.
R: q. 63 a. 5[t:iiia q. 63 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 2 co.
Mijn antwoord. In het vorig Artikel hebben we beweerd dat, daar toch door de sacramenten de mensen worden aangesteld om zich naar de eisen van de christelijke godsdienst van de plichten van de eredienst te kwijten, de sacramenten van de Nieuwe Wet een merkteken inprenten. Daarom is het dat Dyonisius wanneer hij in zijn Boek Over de Kerkelijke Hiërarchie gezegd had (2 Kap.) dat: “God met een zeker teelde degene die het doopsel ontvangt aan Hem deelachtig maakt,” eraan toevoegde “God vergoddelijkt hem en deelt hem het goddelijke mee.” De eredienst nu komt hierop neer, het goddelijke te ontvangen of te verlenen. Tot beide is een vermogen van doen; om iets aan anderen te geven is nl. een bedrijvig vermogen, om iets te ontvangen een lijdend vermogen nodig. Zo bestaat dan het merkteken in een geestelijk vermogen dat op de goddelijke eredienst is afgericht. Alleen dient erop gewezen dat het geestelijk vermogen zoals hierboven, (vorige Kwestie, 4e Artikel) wanneer het om de kracht die in de sacramenten schuilt te doen was. Betoogd werd, van werkelijke aard is. Het merkteken van de sacramenten komt immers toe aan Gods bedienaars, een dienaar nu is zoals de Wijsgeer zegt in zijn Boek Over de Politiek (1,3) als een werktuig. Zo komt het dan dat evenals strikt gesproken de kracht van de sacramenten niet in een geslacht thuishoort maar er alleen toe herleid wordt, ze heeft toch een voorbijgaande en onvolkomen wezenheid, evenzo het merkteken, noch in een geslacht, noch in een soort kan ondergebracht maar alleen tot de tweede soort van hoedanigheden herleid wordt.
R: q. 63 a. 1[t:iiia q. 63 a. 1] q. 62 a. 4[t:iiia q. 62 a. 4]
Mijn antwoord. In het vorig Artikel hebben we beweerd dat, daar toch door de sacramenten de mensen worden aangesteld om zich naar de eisen van de christelijke godsdienst van de plichten van de eredienst te kwijten, de sacramenten van de Nieuwe Wet een merkteken inprenten. Daarom is het dat Dyonisius wanneer hij in zijn Boek Over de Kerkelijke Hiërarchie gezegd had (2 Kap.) dat: “God met een zeker teelde degene die het doopsel ontvangt aan Hem deelachtig maakt,” eraan toevoegde “God vergoddelijkt hem en deelt hem het goddelijke mee.” De eredienst nu komt hierop neer, het goddelijke te ontvangen of te verlenen. Tot beide is een vermogen van doen; om iets aan anderen te geven is nl. een bedrijvig vermogen, om iets te ontvangen een lijdend vermogen nodig. Zo bestaat dan het merkteken in een geestelijk vermogen dat op de goddelijke eredienst is afgericht. Alleen dient erop gewezen dat het geestelijk vermogen zoals hierboven, (vorige Kwestie, 4e Artikel) wanneer het om de kracht die in de sacramenten schuilt te doen was. Betoogd werd, van werkelijke aard is. Het merkteken van de sacramenten komt immers toe aan Gods bedienaars, een dienaar nu is zoals de Wijsgeer zegt in zijn Boek Over de Politiek (1,3) als een werktuig. Zo komt het dan dat evenals strikt gesproken de kracht van de sacramenten niet in een geslacht thuishoort maar er alleen toe herleid wordt, ze heeft toch een voorbijgaande en onvolkomen wezenheid, evenzo het merkteken, noch in een geslacht, noch in een soort kan ondergebracht maar alleen tot de tweede soort van hoedanigheden herleid wordt.
R: q. 63 a. 1[t:iiia q. 63 a. 1] q. 62 a. 4[t:iiia q. 62 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Een beeld is de omgrenzing van de hoegrootheid en komt bijgevolg enkel onder belichaamde dingen voor; waar het integendeel om iets geestelijks gaat spreekt men er in overdrachtelijke zin van. Welnu niets wordt behalve op grond van wat er mits strikt te spreken van gezegd wordt naar een bepaald geslacht of soort verwezen. Zo kan dan het merkteken, hoewel sommigen zulks doen, niet in de vierde soort van hoedanigheden worden ondergebracht.
1e Weerlegging. Een beeld is de omgrenzing van de hoegrootheid en komt bijgevolg enkel onder belichaamde dingen voor; waar het integendeel om iets geestelijks gaat spreekt men er in overdrachtelijke zin van. Welnu niets wordt behalve op grond van wat er mits strikt te spreken van gezegd wordt naar een bepaald geslacht of soort verwezen. Zo kan dan het merkteken, hoewel sommigen zulks doen, niet in de vierde soort van hoedanigheden worden ondergebracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. In de van derde soort van hoedanigheden horen enkel de zintuigelijke lijdende vermogens of zintuigelijke hoedanigheden thuis. Het merkteken nu is geen zintuigelijk-waarneembaar licht en daarom kan het niet zoals sommigen deden in de van de de soort van hoedanigheden worden ondergebracht.
2e Weerlegging. In de van derde soort van hoedanigheden horen enkel de zintuigelijke lijdende vermogens of zintuigelijke hoedanigheden thuis. Het merkteken nu is geen zintuigelijk-waarneembaar licht en daarom kan het niet zoals sommigen deden in de van de de soort van hoedanigheden worden ondergebracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De betrekking welke het begrip “teken” ons voor de geest roept moet op iets berusten. De betrekking nu van het teken dat we merkteken noemen kan niet aan de wezenheid van de ziel haar onmiddellijk rustpunt hebben, dan zou ze immers van nature uit bij iedere ziel voorkomen. Er moet dus aan de ziel iets worden toegekend, waarop bewuste betrekking zal berusten: en dit is de wezenheid van het merkteken. Zo zal het dan niet nodig zijn, zoals door sommigen gedaan werd, het merkteken in het geslacht van de betrekking onder te brengen.
3e Weerlegging. De betrekking welke het begrip “teken” ons voor de geest roept moet op iets berusten. De betrekking nu van het teken dat we merkteken noemen kan niet aan de wezenheid van de ziel haar onmiddellijk rustpunt hebben, dan zou ze immers van nature uit bij iedere ziel voorkomen. Er moet dus aan de ziel iets worden toegekend, waarop bewuste betrekking zal berusten: en dit is de wezenheid van het merkteken. Zo zal het dan niet nodig zijn, zoals door sommigen gedaan werd, het merkteken in het geslacht van de betrekking onder te brengen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. In verhouding tot het zintuigelijk-waarneembaar sacrament waardoor het wordt ingeprent beschouwd is het merkteken een teken; aan zich beschouwd is het echter zoals hierboven gezegd werd, (in de Leerstelling en in het vorig Artikel) een beginsel.
4e Weerlegging. In verhouding tot het zintuigelijk-waarneembaar sacrament waardoor het wordt ingeprent beschouwd is het merkteken een teken; aan zich beschouwd is het echter zoals hierboven gezegd werd, (in de Leerstelling en in het vorig Artikel) een beginsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Komt het sacramentele merkteken van Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 63 a. 4 s. c.
IIIa q. 63 a. 4 co.
IIIa q. 63 a. 5 arg. 2
IIIa q. 63 a. 5 co.
IIIa q. 63 a. 6 arg. 1
IIIa q. 64 a. 9 ad 3
IIIa q. 65 a. 3 ad 3
Suppl q. 40 a. 5 ad 2[t:iiia q. 63 a. 4 s. c.][t:iiia q. 63 a. 4 co.][t:iiia q. 63 a. 5 arg. 2][t:iiia q. 63 a. 5 co.][t:iiia q. 63 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 64 a. 9 ad 3][t:iiia q. 65 a. 3 ad 3][t:suppl q. 40 a. 5 ad 2]
IIIa q. 63 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat het sacramentele merkteken niet van Christus komt. In de Brief aan de Efeziërs (4, 30): “Bedroeft de Heilige Geest van God niet met Welke gij als met een zegel bezegeld zijt.” Het merkteken nu bedraagt onder meer een bezegeling. Zo moet dus het sacramentele merkteken meer aan de Heilige Geest dan wel aan Christus worden toegeschreven.
B: (Eph 4:30) [b:Eph 4:30]
IIIa q. 63 a. 4 s. c.
IIIa q. 63 a. 4 co.
IIIa q. 63 a. 5 arg. 2
IIIa q. 63 a. 5 co.
IIIa q. 63 a. 6 arg. 1
IIIa q. 64 a. 9 ad 3
IIIa q. 65 a. 3 ad 3
Suppl q. 40 a. 5 ad 2[t:iiia q. 63 a. 4 s. c.][t:iiia q. 63 a. 4 co.][t:iiia q. 63 a. 5 arg. 2][t:iiia q. 63 a. 5 co.][t:iiia q. 63 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 64 a. 9 ad 3][t:iiia q. 65 a. 3 ad 3][t:suppl q. 40 a. 5 ad 2]
IIIa q. 63 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat het sacramentele merkteken niet van Christus komt. In de Brief aan de Efeziërs (4, 30): “Bedroeft de Heilige Geest van God niet met Welke gij als met een zegel bezegeld zijt.” Het merkteken nu bedraagt onder meer een bezegeling. Zo moet dus het sacramentele merkteken meer aan de Heilige Geest dan wel aan Christus worden toegeschreven.
B: (Eph 4:30) [b:Eph 4:30]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Het merkteken heeft de natuur van het teken. Het teken van de genade echter wordt door de sacramenten gegeven, terwijl de genade zelf de ziel wordt ingestort, door de Heilige Drievuldigheid. Zo zegt men in de 83e psalm (12): “de Heer zal genade en glorie geven.” Het sacramenteel merkteken moet dus niet vooral aan Christus worden toegeschreven.
B: (Ps 83:12) [b:Ps 83:12]
Vervolgens. Het merkteken heeft de natuur van het teken. Het teken van de genade echter wordt door de sacramenten gegeven, terwijl de genade zelf de ziel wordt ingestort, door de Heilige Drievuldigheid. Zo zegt men in de 83e psalm (12): “de Heer zal genade en glorie geven.” Het sacramenteel merkteken moet dus niet vooral aan Christus worden toegeschreven.
B: (Ps 83:12) [b:Ps 83:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Daartoe wordt aan iemand het merkteken gegeven om hem van anderen te onderscheiden. De Heiligen nu worden van andere mensen onderscheiden door de liefde, die naar hetgeen Sint Augustinus schreef in zijn Boek Over de Heilige Drievuldigheid (15, 18) zij alleen weet onderscheid te maken tussen de zonen van het rijk en de zonen van het verderf. Daarom wordt nog in het Boek van de Openbaring (13, 16) gezegd: “De zonen van het verderf dragen het merkteken van het beest.” De liefde echter gaat niet op Christus maar veeleer op de Heilige Geest terug, de Apostel zegt immers in de Brief aan de Romeinen (5, 5): “De liefde van God werd in onze harten uitgestort door de Heilige Geest die ons gegeven werd.” Verder kan volgens dit woord uit de Brief aan de Korintiërs (13, 13): “De genade van onze Heer Jezus Christus en de liefde van God,” de liefde nog aan God de Vader toegeschreven. In elk geval moet het sacramentele merkteken dus niet aan Christus worden toegeschreven.
B: (Rom 5:5) [b:Rom 5:5] (2Cor 13:13) [b:2Cor 13:13] (Rev 13:16) [b:Rev 13:16] (Rev 13:17) [b:Rev 13:17]
Vervolgens. Daartoe wordt aan iemand het merkteken gegeven om hem van anderen te onderscheiden. De Heiligen nu worden van andere mensen onderscheiden door de liefde, die naar hetgeen Sint Augustinus schreef in zijn Boek Over de Heilige Drievuldigheid (15, 18) zij alleen weet onderscheid te maken tussen de zonen van het rijk en de zonen van het verderf. Daarom wordt nog in het Boek van de Openbaring (13, 16) gezegd: “De zonen van het verderf dragen het merkteken van het beest.” De liefde echter gaat niet op Christus maar veeleer op de Heilige Geest terug, de Apostel zegt immers in de Brief aan de Romeinen (5, 5): “De liefde van God werd in onze harten uitgestort door de Heilige Geest die ons gegeven werd.” Verder kan volgens dit woord uit de Brief aan de Korintiërs (13, 13): “De genade van onze Heer Jezus Christus en de liefde van God,” de liefde nog aan God de Vader toegeschreven. In elk geval moet het sacramentele merkteken dus niet aan Christus worden toegeschreven.
B: (Rom 5:5) [b:Rom 5:5] (2Cor 13:13) [b:2Cor 13:13] (Rev 13:16) [b:Rev 13:16] (Rev 13:17) [b:Rev 13:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 3 s. c.
Daar is echter op tegen dat sommigen het merkteken als volgt bepalen: “Een onderscheidingsteken door het eeuwige merkteken de redelijke ziel ingeprent die de geschapen Drievuldigheid op de scheppende en herscheppende Drievuldigheid doet gelijken en haar van degenen die door het geloof niet gelijk geworden zijn aan die Heilige Drievuldigheid onderscheidt.” — Het eeuwige merkteken nu is Christus, de Apostel zegt immers in de Brief aan de Hebreërs (1,3): “Daar hij de lichtglans is van zijn heerlijkheid en het afdruksel of merkteken van zijn Wezen.” Zo moet het merkteken strikt gesproken dus wel worden toegeschreven aan Christus.
B: (Heb 1:3) [b:Heb 1:3]
Daar is echter op tegen dat sommigen het merkteken als volgt bepalen: “Een onderscheidingsteken door het eeuwige merkteken de redelijke ziel ingeprent die de geschapen Drievuldigheid op de scheppende en herscheppende Drievuldigheid doet gelijken en haar van degenen die door het geloof niet gelijk geworden zijn aan die Heilige Drievuldigheid onderscheidt.” — Het eeuwige merkteken nu is Christus, de Apostel zegt immers in de Brief aan de Hebreërs (1,3): “Daar hij de lichtglans is van zijn heerlijkheid en het afdruksel of merkteken van zijn Wezen.” Zo moet het merkteken strikt gesproken dus wel worden toegeschreven aan Christus.
B: (Heb 1:3) [b:Heb 1:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 3 co.
Mijn antwoord. Hierboven (1e Artikel) hebben we aangetoond dat het merkteken eigenlijk een zegel is waardoor iemand gekenmerkt wordt als tot een of ander werk bestemd. Zo wordt een muntstuk om voor de ruilhandel te kunnen dienen van een teken voorzien, zo worden soldaten omdat ze voor het krijgsleven bestemd werden met een bijzonder teken gekenmerkt. Tot twee dingen nu wordt de gelovige bestemd: eerst en vooral om van de hemelse glorie te genieten en daarom wordt het zegel van de genade hem ingedrukt; zo zegt Ezechiël (9, 4): “Zet het thauteken op het voorhoofd van degenen die treuren en klagen.” en het Boek van de Openbaring (7, 3): “Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, voordat wij de dienaren van onze God met het zegel op hun voorhoofd zullen gemerkt hebben.” Verder wordt de gelovige aangesteld om wat tot de eredienst behoort te ontvangen of om het aan anderen uit te reiken; en daartoe wordt eigenlijk het sacramentele merkteken gebruikt, welnu, heel de christelijke eredienst valt van het Priesterschap van Christus af te leiden. Zo is het dan duidelijk dat het sacramenteel merkteken vooral het merkteken is van Christus aan wiens priesterschap, de gelovigen volgens de sacramentele merktekens gelijkvormig worden; deze toch zijn niets anders dan een deelgenootschap aan het priesterschap van Christus en die van Christus voortkomt.
B: (Ezek 9:4) [b:Ezek 9:4] (Rev 7:3) [b:Rev 7:3]
R: q. 63 a. 1[t:iiia q. 63 a. 1]
Mijn antwoord. Hierboven (1e Artikel) hebben we aangetoond dat het merkteken eigenlijk een zegel is waardoor iemand gekenmerkt wordt als tot een of ander werk bestemd. Zo wordt een muntstuk om voor de ruilhandel te kunnen dienen van een teken voorzien, zo worden soldaten omdat ze voor het krijgsleven bestemd werden met een bijzonder teken gekenmerkt. Tot twee dingen nu wordt de gelovige bestemd: eerst en vooral om van de hemelse glorie te genieten en daarom wordt het zegel van de genade hem ingedrukt; zo zegt Ezechiël (9, 4): “Zet het thauteken op het voorhoofd van degenen die treuren en klagen.” en het Boek van de Openbaring (7, 3): “Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, voordat wij de dienaren van onze God met het zegel op hun voorhoofd zullen gemerkt hebben.” Verder wordt de gelovige aangesteld om wat tot de eredienst behoort te ontvangen of om het aan anderen uit te reiken; en daartoe wordt eigenlijk het sacramentele merkteken gebruikt, welnu, heel de christelijke eredienst valt van het Priesterschap van Christus af te leiden. Zo is het dan duidelijk dat het sacramenteel merkteken vooral het merkteken is van Christus aan wiens priesterschap, de gelovigen volgens de sacramentele merktekens gelijkvormig worden; deze toch zijn niets anders dan een deelgenootschap aan het priesterschap van Christus en die van Christus voortkomt.
B: (Ezek 9:4) [b:Ezek 9:4] (Rev 7:3) [b:Rev 7:3]
R: q. 63 a. 1[t:iiia q. 63 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Cum heri ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. De Apostel spreekt hier van de bezegeling waardoor iemand voor de toekomstige hemelse glorie bestemd wordt; dit nu hebben we aan de genade te danken en deze wordt, omdat het uit liefde is dat God ons iets om niets schenkt — dit behoort tot de wezenheid zelf van de genade — aan de Heilige Geest toegeschreven. De Heilige Geest immers is liefde; en daarom wordt er in de 7e Brief aan de Korinthiërs (12, 4) gezegd: “Verscheidene gaven zijn er, doch er is maar één en dezelfde Geest.”
1e Weerlegging. De Apostel spreekt hier van de bezegeling waardoor iemand voor de toekomstige hemelse glorie bestemd wordt; dit nu hebben we aan de genade te danken en deze wordt, omdat het uit liefde is dat God ons iets om niets schenkt — dit behoort tot de wezenheid zelf van de genade — aan de Heilige Geest toegeschreven. De Heilige Geest immers is liefde; en daarom wordt er in de 7e Brief aan de Korinthiërs (12, 4) gezegd: “Verscheidene gaven zijn er, doch er is maar één en dezelfde Geest.”
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Wanneer men enkel met het uiterlijke sacrament rekening houdt is het sacramentele merkteken als een zaak; heeft men integendeel de laatste uitwerkselen op het oog, dan is het een teken. Zo kan men op tweeërlei wijze iets aan het merkteken toekennen; vooreerst in zover het een teken is, en dan is het merkteken het onzichtbare teken van de genade die in het sacrament gegeven wordt. Verder in zover het merkteken merkteken is, dan is het nl. een teken dat de gelijkenis inprent met een hogerstaande overheid, bij wie het gezag dat iemand wordt opgedragen berust. Zo worden soldaten die ingelijfd worden voor de oorlog, met een teken van hun aanvoerder getekend, waardoor ze enigermate op hem gelijken. Op die wijze nu ontvangen degenen die voor de christelijken eredienst waarvan Christus de stichter is bestemd worden, een merkteken waardoor ze aan Christus gelijkvormig worden, en daarom is het eigenlijk het merkteken van Christus.
B: (1Cor 12:4) [b:1Cor 12:4]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 60 a. 4 ad 1[t:iiia q. 60 a. 4 ad 1]
2e Weerlegging. Wanneer men enkel met het uiterlijke sacrament rekening houdt is het sacramentele merkteken als een zaak; heeft men integendeel de laatste uitwerkselen op het oog, dan is het een teken. Zo kan men op tweeërlei wijze iets aan het merkteken toekennen; vooreerst in zover het een teken is, en dan is het merkteken het onzichtbare teken van de genade die in het sacrament gegeven wordt. Verder in zover het merkteken merkteken is, dan is het nl. een teken dat de gelijkenis inprent met een hogerstaande overheid, bij wie het gezag dat iemand wordt opgedragen berust. Zo worden soldaten die ingelijfd worden voor de oorlog, met een teken van hun aanvoerder getekend, waardoor ze enigermate op hem gelijken. Op die wijze nu ontvangen degenen die voor de christelijken eredienst waarvan Christus de stichter is bestemd worden, een merkteken waardoor ze aan Christus gelijkvormig worden, en daarom is het eigenlijk het merkteken van Christus.
B: (1Cor 12:4) [b:1Cor 12:4]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 60 a. 4 ad 1[t:iiia q. 60 a. 4 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Door een merkteken wordt met het oog op het doel waarom het merkteken ontvangen wordt, de een van de anderen onderscheiden, zo zeiden we van het krijgsmerk (1e Art. dezer Kwestie) dat het met het oog op de oorlog een soldaat van de koning van een vijandelijke soldaat onderscheidt. Dit is ook het geval met het merkteken van de gelovigen waardoor de christen gelovige met het oog op het eeuwige leven of op de eredienst van de strijdende Kerk van de dienaren van de duivel onderscheiden worden. Het eerste nu geschiedt zoals de bedenking tegenwerpt door de liefde en de genade, het tweede echter door het sacramentele merkteken. Zo kan dan andersom het merkteken van het dier ofwel van de halsstarrige kwaadwilligheid waardoor sommigen op de eeuwige straf aangewezen zijn, ofwel van de belijdenis van een verboden eredienst verstaan worden.
R: q. 63 a. 1[t:iiia q. 63 a. 1]
3e Weerlegging. Door een merkteken wordt met het oog op het doel waarom het merkteken ontvangen wordt, de een van de anderen onderscheiden, zo zeiden we van het krijgsmerk (1e Art. dezer Kwestie) dat het met het oog op de oorlog een soldaat van de koning van een vijandelijke soldaat onderscheidt. Dit is ook het geval met het merkteken van de gelovigen waardoor de christen gelovige met het oog op het eeuwige leven of op de eredienst van de strijdende Kerk van de dienaren van de duivel onderscheiden worden. Het eerste nu geschiedt zoals de bedenking tegenwerpt door de liefde en de genade, het tweede echter door het sacramentele merkteken. Zo kan dan andersom het merkteken van het dier ofwel van de halsstarrige kwaadwilligheid waardoor sommigen op de eeuwige straf aangewezen zijn, ofwel van de belijdenis van een verboden eredienst verstaan worden.
R: q. 63 a. 1[t:iiia q. 63 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Doet het merkteken de vermogens der ziel als subject aan?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 63 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 63 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 63 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat het merkteken de vermogens van de ziel niet als subject aandoet. Het merkteken is een geschiktheid tot de genade. De genade echter doet, zoals in het IIe Deel (110e Kwestie, 4e Artikel) gezegd werd, de wezenheid van de ziel als subject aan. Zo is het merkteken in de wezenheid van de ziel, niet in de vermogens aanwezig.
R: Ia-IIae q. 110 a. 4[t:ia-iiae q. 110 a. 4]
IIIa q. 63 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 63 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 63 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat het merkteken de vermogens van de ziel niet als subject aandoet. Het merkteken is een geschiktheid tot de genade. De genade echter doet, zoals in het IIe Deel (110e Kwestie, 4e Artikel) gezegd werd, de wezenheid van de ziel als subject aan. Zo is het merkteken in de wezenheid van de ziel, niet in de vermogens aanwezig.
R: Ia-IIae q. 110 a. 4[t:ia-iiae q. 110 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Een vermogen van de ziel is subject ofwel van een hebbelijkheid ofwel van een geschiktheid. Doch zoals gezegd werd (2e Artikel dezer Kwestie) is het merkteken noch een hebbelijkheid noch een geschiktheid, maar veeleer een vermogen dat niets anders dan de wezenheid van de ziel kan als subject aandoen. Zo berust dus het merkteken niet in de vermogens van de ziel zoals in zijn subject, veeleer echter in de wezenheid van de ziel.
R: q. 63 a. 2[t:iiia q. 63 a. 2]
Vervolgens. Een vermogen van de ziel is subject ofwel van een hebbelijkheid ofwel van een geschiktheid. Doch zoals gezegd werd (2e Artikel dezer Kwestie) is het merkteken noch een hebbelijkheid noch een geschiktheid, maar veeleer een vermogen dat niets anders dan de wezenheid van de ziel kan als subject aandoen. Zo berust dus het merkteken niet in de vermogens van de ziel zoals in zijn subject, veeleer echter in de wezenheid van de ziel.
R: q. 63 a. 2[t:iiia q. 63 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 4 arg. 3
Vervolgens. De vermogens van de ziel worden in kennende en begerende vermogens ingedeeld. Het gaat echter niet aan te zeggen dat het merkteken enkel in een kennend of enkel in een begerend vermogen zou aanwezig zijn, — het merkteken is immers evenmin louter op kennis als louter op begeerte gewezen. — Het gaat evenmin aan te zeggen dat het in beide aanwezig is, een bijkomstigheid kan immers niet verschillende subjecten aandoen. Zodat dus het merkteken niet de vermogens van de ziel, doch veeleer de wezenheid zelf van de ziel als subject aandoet.
Vervolgens. De vermogens van de ziel worden in kennende en begerende vermogens ingedeeld. Het gaat echter niet aan te zeggen dat het merkteken enkel in een kennend of enkel in een begerend vermogen zou aanwezig zijn, — het merkteken is immers evenmin louter op kennis als louter op begeerte gewezen. — Het gaat evenmin aan te zeggen dat het in beide aanwezig is, een bijkomstigheid kan immers niet verschillende subjecten aandoen. Zodat dus het merkteken niet de vermogens van de ziel, doch veeleer de wezenheid zelf van de ziel als subject aandoet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, zoals in de hierboven gegeven bepaling van het merkteken werd aangeduid, dat het merkteken de redelijke ziel als een beeldenaar wordt ingeprent. Het beeld nu van de Heilige Drievuldigheid in de ziel wordt door de vermogens ontvangen en zo is het merkteken wel degelijk in de vermogens van de ziel aanwezig.
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3]
Daartegenover staat echter, zoals in de hierboven gegeven bepaling van het merkteken werd aangeduid, dat het merkteken de redelijke ziel als een beeldenaar wordt ingeprent. Het beeld nu van de Heilige Drievuldigheid in de ziel wordt door de vermogens ontvangen en zo is het merkteken wel degelijk in de vermogens van de ziel aanwezig.
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 4 co.
Mijn antwoord. Hierboven (vorig Artikel) hebben we aangetoond dat het merkteken een teken is waardoor de ziel gerechtigd wordt om iets wat tot de eredienst behoort te ontvangen of ook aan anderen te verlenen. De eredienst echter bestaat uit verschillende handelingen. Welnu, net zoals het de wezenheid is die op het zijn gewezen is, zo ook zijn het strikt gesproken de vermogens van de ziel die op het handelen gewezen zijn en daarom is het merkteken niet zoals in zijn subject in de wezenheid van de ziel, maar wel in haar vermogens aanwezig.
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3]
Mijn antwoord. Hierboven (vorig Artikel) hebben we aangetoond dat het merkteken een teken is waardoor de ziel gerechtigd wordt om iets wat tot de eredienst behoort te ontvangen of ook aan anderen te verlenen. De eredienst echter bestaat uit verschillende handelingen. Welnu, net zoals het de wezenheid is die op het zijn gewezen is, zo ook zijn het strikt gesproken de vermogens van de ziel die op het handelen gewezen zijn en daarom is het merkteken niet zoals in zijn subject in de wezenheid van de ziel, maar wel in haar vermogens aanwezig.
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Een subject wordt overeenkomstig hetgeen waartoe deze onmiddellijk, niet overeenkomstig hetgeen waartoe ze enkel middenllijk en onrechtstreeks geschikt maakt aan een bijkomstigheid toegekend. Het merkteken nu maakt geschikt tot alles wat de eredienst vergt; daar dit echter zonder de hulp van de genade niet kan op geschikte manier geschieden, — er wordt immers in het Evangelie van Sint Jan (4, 24) gezegd: “Degenen die God aanbidden moeten Hem aanbidden in geest van waarheid” — daarom geeft de goddelijke vrijgevigheid aan hen die het merkteken ontvangen genade, opdat ze wat hun werd opgedragen zouden op waardige wijze volvoeren. Daaruit volgt dan dat aan het merkteken eerder overeenkomstig de handelingen die bij de eredienst thuis hooien, dan wel overeenkomstig de genade een subject moet worden toegekend.
B: (John 4:24, John 4:24) [b:John 4:24]
1e Weerlegging. Een subject wordt overeenkomstig hetgeen waartoe deze onmiddellijk, niet overeenkomstig hetgeen waartoe ze enkel middenllijk en onrechtstreeks geschikt maakt aan een bijkomstigheid toegekend. Het merkteken nu maakt geschikt tot alles wat de eredienst vergt; daar dit echter zonder de hulp van de genade niet kan op geschikte manier geschieden, — er wordt immers in het Evangelie van Sint Jan (4, 24) gezegd: “Degenen die God aanbidden moeten Hem aanbidden in geest van waarheid” — daarom geeft de goddelijke vrijgevigheid aan hen die het merkteken ontvangen genade, opdat ze wat hun werd opgedragen zouden op waardige wijze volvoeren. Daaruit volgt dan dat aan het merkteken eerder overeenkomstig de handelingen die bij de eredienst thuis hooien, dan wel overeenkomstig de genade een subject moet worden toegekend.
B: (John 4:24, John 4:24) [b:John 4:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. De wezenheid van de ziel is het subject van het natuurlijk vermogen dat uit de beginselen van bewuste wezenheid ontspruit. Zulk vermogen echter is het merkteken niet maar veeleer is het een geestelijk vermogen dat van buiten komt, en daarom is het, dat, evenals de wezenheid van de ziel, waar voor een mens het natuurlijke leven vandaan komt, door de genade, waardoor de ziel op geestelijke wijze leeft, vervolmaakt wordt, evenzo het natuurlijk vermogen van de ziel door een geestelijk vermogen, door het merkteken nl. wordt vervolmaakt. Hebbelijkheid toch en geschiktheid gaan, daar ze op de handelingen waarvan de vermogens de beginselen zijn gewezen zijn, op de vermogens van de ziel terug. Om dezelfde reden dan moet alles wat tot de handeling bijdraagt aan een vermogen worden toegeschreven.
2e Weerlegging. De wezenheid van de ziel is het subject van het natuurlijk vermogen dat uit de beginselen van bewuste wezenheid ontspruit. Zulk vermogen echter is het merkteken niet maar veeleer is het een geestelijk vermogen dat van buiten komt, en daarom is het, dat, evenals de wezenheid van de ziel, waar voor een mens het natuurlijke leven vandaan komt, door de genade, waardoor de ziel op geestelijke wijze leeft, vervolmaakt wordt, evenzo het natuurlijk vermogen van de ziel door een geestelijk vermogen, door het merkteken nl. wordt vervolmaakt. Hebbelijkheid toch en geschiktheid gaan, daar ze op de handelingen waarvan de vermogens de beginselen zijn gewezen zijn, op de vermogens van de ziel terug. Om dezelfde reden dan moet alles wat tot de handeling bijdraagt aan een vermogen worden toegeschreven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Er werd getoond (in de Leerstelling) dat het merkteken op de eredienst gewezen is. Welnu, de eredienst is een belijdenis van het geloof door uiterlijke tekenen. Zo past het dan dat het merkteken het kenvermogen waarin het geloof is zou aandoen. Is het merkteken onuitwisbaar in de ziel aanwezig?
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 63 a. 5 co.[t:iiia q. 63 a. 5 co.]
3e Weerlegging. Er werd getoond (in de Leerstelling) dat het merkteken op de eredienst gewezen is. Welnu, de eredienst is een belijdenis van het geloof door uiterlijke tekenen. Zo past het dan dat het merkteken het kenvermogen waarin het geloof is zou aandoen. Is het merkteken onuitwisbaar in de ziel aanwezig?
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 63 a. 5 co.[t:iiia q. 63 a. 5 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Is het merkteken onuitwisbaar in de ziel aanwezig?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 63 a. 2 s. c.
IIIa q. 63 a. 6 arg. 1
IIIa q. 63 a. 6 s. c.
IIIa q. 64 a. 7 arg. 2
IIIa q. 66 a. 1 ad 1
IIIa q. 82 a. 8 co.[t:iiia q. 63 a. 2 s. c.][t:iiia q. 63 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 63 a. 6 s. c.][t:iiia q. 64 a. 7 arg. 2][t:iiia q. 66 a. 1 ad 1][t:iiia q. 82 a. 8 co.]
IIIa q. 63 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat het merkteken niet onuitwisbaar in de ziel geprent is. Hoe volmaakter een bijkomstigheid is zo vaster kleeft ze de zelfstandigheid aan. De genade echter is, daar toch het merkteken op de genade als op een verder doel gericht is, volmaakter dan het merkteken. Daar nu door de zonde de genade verloren gaat, zal zulks nog veel meer met het merkteken het geval zijn.
IIIa q. 63 a. 2 s. c.
IIIa q. 63 a. 6 arg. 1
IIIa q. 63 a. 6 s. c.
IIIa q. 64 a. 7 arg. 2
IIIa q. 66 a. 1 ad 1
IIIa q. 82 a. 8 co.[t:iiia q. 63 a. 2 s. c.][t:iiia q. 63 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 63 a. 6 s. c.][t:iiia q. 64 a. 7 arg. 2][t:iiia q. 66 a. 1 ad 1][t:iiia q. 82 a. 8 co.]
IIIa q. 63 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat het merkteken niet onuitwisbaar in de ziel geprent is. Hoe volmaakter een bijkomstigheid is zo vaster kleeft ze de zelfstandigheid aan. De genade echter is, daar toch het merkteken op de genade als op een verder doel gericht is, volmaakter dan het merkteken. Daar nu door de zonde de genade verloren gaat, zal zulks nog veel meer met het merkteken het geval zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Door het merkteken wordt iemand zoals gezegd wordt (1e en 2e Artikel dezer Kwestie) voor de goddelijke eredienst bestemd. Sommigen echter lopen, door van het geloof af te vallen. Van de goddelijke naar een tegenovergestelde eredienst over; voor zulke gaat dus het sacramentele merkteken verloren.
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3] q. 63 a. 4[t:iiia q. 63 a. 4]
Vervolgens. Door het merkteken wordt iemand zoals gezegd wordt (1e en 2e Artikel dezer Kwestie) voor de goddelijke eredienst bestemd. Sommigen echter lopen, door van het geloof af te vallen. Van de goddelijke naar een tegenovergestelde eredienst over; voor zulke gaat dus het sacramentele merkteken verloren.
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3] q. 63 a. 4[t:iiia q. 63 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Wanneer eens het doel waarom dit bestaat weggevallen is moet ook wat om dit doel bestond, wegvallen, anders toch zou het tevergeefs blijven voortbestaan. Zo b. v. zal omdat de voortplanting waarop het huwelijk gericht is, niet langer meer zal plaats hebben, na de verrijzenis het huwelijk wegvallen. In de hemel nu zal de uiterlijke eredienst waarop het merkteken is aangewezen moeten verdwijnen, in de hemel toch zullen geen zinnebeeldige daden gesteld worden, maar alles zal er naar volle waarheid geschiede. Zo blijft het sacramentele merkteken dus niet in eeuwigheid in de ziel, en is dan ook niet onuitwisbaar in de ziel geprent.
Vervolgens. Wanneer eens het doel waarom dit bestaat weggevallen is moet ook wat om dit doel bestond, wegvallen, anders toch zou het tevergeefs blijven voortbestaan. Zo b. v. zal omdat de voortplanting waarop het huwelijk gericht is, niet langer meer zal plaats hebben, na de verrijzenis het huwelijk wegvallen. In de hemel nu zal de uiterlijke eredienst waarop het merkteken is aangewezen moeten verdwijnen, in de hemel toch zullen geen zinnebeeldige daden gesteld worden, maar alles zal er naar volle waarheid geschiede. Zo blijft het sacramentele merkteken dus niet in eeuwigheid in de ziel, en is dan ook niet onuitwisbaar in de ziel geprent.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 5 s. c.
Daartegenover echter staat wat Sint Augustinus schrijft in zijn Boek Tegen Parmenianus (2, 3): “De christelijke sacramenten hechten niet minder vast dan een stoffelijk krijgsteken. Dit krijgsteken echter wordt nimmer vernieuwd maar als het eens erkend werd, wordt het in degene die na een misstap van de keizer genade krijgt andermaal goedgekeurd.” zo is het sacramentele merkteken dus onuitwisbaar.
Daartegenover echter staat wat Sint Augustinus schrijft in zijn Boek Tegen Parmenianus (2, 3): “De christelijke sacramenten hechten niet minder vast dan een stoffelijk krijgsteken. Dit krijgsteken echter wordt nimmer vernieuwd maar als het eens erkend werd, wordt het in degene die na een misstap van de keizer genade krijgt andermaal goedgekeurd.” zo is het sacramentele merkteken dus onuitwisbaar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 5 co.
Mijn antwoord. We hebben aangetoond (3e Artikel dezer Kwestie) dat het sacramentele merkteken in de gelovigen een deelgenootschap is aan Christus priesterschap, nl. dat waar Christus de macht van het geestelijk priesterschap naar volkomenheid bezit, de gelovigen Hem in zover gelijk worden dat ze wat de sacramenten en de goddelijke eredienst betreft enigermate aan bewuste geestelijke macht deelachtig worden. Daarom ook ware het ongepast als Christus het merkteken droeg; zijn priesterlijke macht staat immers tegenover het merkteken, zoals volkomenheid en volmaaktheid tegenover deelgenootschap. Het priesterschap echter van Christus is eeuwig, naar hetgeen in de 109e psalm staat: “Gij zijt priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech.” zo komt het dan dat ieder heiligmaking die door zijn priesterschap bewerkt wordt, zolang hetgeen geheiligd werd blijft voortbestaan, altijddurend is. Dit is overigens ook met de levenloze wezens het geval, de wijding b. v. van een kelk of van een altaar, blijft, zolang dit altaar of die kelk niet vernietigd wordt. Daar nu de ziel naar haar verstandelijk bestanddeel, waar het geloof schuilt, (vorig Artikel, Antw. op de 3e Bedenking) het subject is van het merkteken, volgt onomstootbaar dat, evenals het verstand altijddurend is en onbederfelijk, evenzo ook het merkteken de ziel onuitwisbaar blijft ingeprent.
B: (Ps 109:4) [b:Ps 109:4]
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3] q. 63 a. 4 ad 3[t:iiia q. 63 a. 4 ad 3]
Mijn antwoord. We hebben aangetoond (3e Artikel dezer Kwestie) dat het sacramentele merkteken in de gelovigen een deelgenootschap is aan Christus priesterschap, nl. dat waar Christus de macht van het geestelijk priesterschap naar volkomenheid bezit, de gelovigen Hem in zover gelijk worden dat ze wat de sacramenten en de goddelijke eredienst betreft enigermate aan bewuste geestelijke macht deelachtig worden. Daarom ook ware het ongepast als Christus het merkteken droeg; zijn priesterlijke macht staat immers tegenover het merkteken, zoals volkomenheid en volmaaktheid tegenover deelgenootschap. Het priesterschap echter van Christus is eeuwig, naar hetgeen in de 109e psalm staat: “Gij zijt priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech.” zo komt het dan dat ieder heiligmaking die door zijn priesterschap bewerkt wordt, zolang hetgeen geheiligd werd blijft voortbestaan, altijddurend is. Dit is overigens ook met de levenloze wezens het geval, de wijding b. v. van een kelk of van een altaar, blijft, zolang dit altaar of die kelk niet vernietigd wordt. Daar nu de ziel naar haar verstandelijk bestanddeel, waar het geloof schuilt, (vorig Artikel, Antw. op de 3e Bedenking) het subject is van het merkteken, volgt onomstootbaar dat, evenals het verstand altijddurend is en onbederfelijk, evenzo ook het merkteken de ziel onuitwisbaar blijft ingeprent.
B: (Ps 109:4) [b:Ps 109:4]
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3] q. 63 a. 4 ad 3[t:iiia q. 63 a. 4 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De genade en het merkteken zijn op een verschillende manier in de ziel aanwezig. De genade is immers in de ziel aanwezig zoals een vorm die in Antwoordde ziel een volkomen wezenheid heeft, het merkteken daarentegen overeenkomstig wat we hierboven hebben aangetoond (2e Art. dezer Kwestie) zoals een werktuigelijke kracht. Een volkomen zijnsvorm nu deelt in het subject dat hij aandoet de natuur van dit subject en, daar de ziel zolang ze op de wereld vertoeft, wat haar vrije wil betreft veranderlijk is, zo is de genade in de ziel eveneens veranderlijk. Een werktuigelijke kracht daarentegen deelt de natuur van de bewerkende hoofdoorzaak en daarom is het merkteken, niet dat het zo volmaakt is, maar wel om rede van de volmaaktheid van Christus’ priesterschap, waaruit het merkteken als werktuigelijke kracht voortvloeit, onuitwisbaar in de ziel aanwezig is.
R: q. 63 a. 2[t:iiia q. 63 a. 2]
1e Weerlegging. De genade en het merkteken zijn op een verschillende manier in de ziel aanwezig. De genade is immers in de ziel aanwezig zoals een vorm die in Antwoordde ziel een volkomen wezenheid heeft, het merkteken daarentegen overeenkomstig wat we hierboven hebben aangetoond (2e Art. dezer Kwestie) zoals een werktuigelijke kracht. Een volkomen zijnsvorm nu deelt in het subject dat hij aandoet de natuur van dit subject en, daar de ziel zolang ze op de wereld vertoeft, wat haar vrije wil betreft veranderlijk is, zo is de genade in de ziel eveneens veranderlijk. Een werktuigelijke kracht daarentegen deelt de natuur van de bewerkende hoofdoorzaak en daarom is het merkteken, niet dat het zo volmaakt is, maar wel om rede van de volmaaktheid van Christus’ priesterschap, waaruit het merkteken als werktuigelijke kracht voortvloeit, onuitwisbaar in de ziel aanwezig is.
R: q. 63 a. 2[t:iiia q. 63 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. De Heilige Augustinus zegt daarop in zijn Boek “Tegen de Donatisten” I: “Het doopsel blijft zelfs voor de geloofsverzakers niet in gebreke, Wanneer ze immers door de boetvaardigheid terugkomen wordt het doopsel niet vernieuwd. Zo is men dus van oordeel dat het niet kan verloren gaan.” De rede daarvan: omdat het merkteken zoals gezegd werd (Antw. op de 1e Bedenking) een werktuigelijke kracht is. Het wezen nu van een werktuig bestaat hierin dat het door een ander bewogen wordt, niet dat het zichzelf beweegt, dit toch komt enkel en alleen aan de wil toe. Daarom is het dan ook dat welke pogingen de wil ook in tegenovergestelde zin aanwendt, het merkteken door in de hoofdbeweging onbeweeglijk blijft, nimmer wegvalt.
2e Weerlegging. De Heilige Augustinus zegt daarop in zijn Boek “Tegen de Donatisten” I: “Het doopsel blijft zelfs voor de geloofsverzakers niet in gebreke, Wanneer ze immers door de boetvaardigheid terugkomen wordt het doopsel niet vernieuwd. Zo is men dus van oordeel dat het niet kan verloren gaan.” De rede daarvan: omdat het merkteken zoals gezegd werd (Antw. op de 1e Bedenking) een werktuigelijke kracht is. Het wezen nu van een werktuig bestaat hierin dat het door een ander bewogen wordt, niet dat het zichzelf beweegt, dit toch komt enkel en alleen aan de wil toe. Daarom is het dan ook dat welke pogingen de wil ook in tegenovergestelde zin aanwendt, het merkteken door in de hoofdbeweging onbeweeglijk blijft, nimmer wegvalt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Alhoewel na dit leven de uiterlijke eredienst niet blijft voortbestaan, toch blijft het doel van bewuste eredienst, en aar om blijft na dit leven het merkteken, de goede tot hun verheerlijking, de kwade tot hun schande bij. Zo ook blijft na de overwinning een krijgsteken degenen die overwonnen ten goede, degenen die integendeel overwonnen werden tot hun straf bij.
3e Weerlegging. Alhoewel na dit leven de uiterlijke eredienst niet blijft voortbestaan, toch blijft het doel van bewuste eredienst, en aar om blijft na dit leven het merkteken, de goede tot hun verheerlijking, de kwade tot hun schande bij. Zo ook blijft na de overwinning een krijgsteken degenen die overwonnen ten goede, degenen die integendeel overwonnen werden tot hun straf bij.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Prenten alle Sacramenten der Nieuwe Wet een merkteken in de ziel?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 68 a. 8 co.
IIIa q. 73 a. 1 arg. 2
IIIa q. 73 a. 3 co.
Suppl q. 31 a. 3 ad 1[t:iiia q. 68 a. 8 co.][t:iiia q. 73 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 73 a. 3 co.][t:suppl q. 31 a. 3 ad 1]
IIIa q. 63 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert dat alle sacramenten van de Nieuwe Wet een merkteken in de ziel prenten. Door alle sacramenten van de Nieuwe Wet hebben we deel aan het priesterschap van Christus. Welnu zoals gezegd werd (3de Art.) is het sacramentele merkteken niets anders dan een deelgenootschap aan het priesterschap van Christus. Zo wordt dus door alle sacramenten van de Nieuwe Wet een merkteken ingeprent.
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3] q. 63 a. 5[t:iiia q. 63 a. 5]
IIIa q. 68 a. 8 co.
IIIa q. 73 a. 1 arg. 2
IIIa q. 73 a. 3 co.
Suppl q. 31 a. 3 ad 1[t:iiia q. 68 a. 8 co.][t:iiia q. 73 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 73 a. 3 co.][t:suppl q. 31 a. 3 ad 1]
IIIa q. 63 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert dat alle sacramenten van de Nieuwe Wet een merkteken in de ziel prenten. Door alle sacramenten van de Nieuwe Wet hebben we deel aan het priesterschap van Christus. Welnu zoals gezegd werd (3de Art.) is het sacramentele merkteken niets anders dan een deelgenootschap aan het priesterschap van Christus. Zo wordt dus door alle sacramenten van de Nieuwe Wet een merkteken ingeprent.
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3] q. 63 a. 5[t:iiia q. 63 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Het merkteken staat tot de ziel waarin het aanwezig is, in dezelfde verhouding als tot de gewijde voorwerpen. Daar nu zoals we hierboven (62e Kw., 1e Art.) hebben aangetoond, door alle sacramenten van de Nieuwe Wet, de mens heiligmakende genade ontvangt, zo wordt door alle sacramenten van de Nieuwe Wet een merkteken ingeprent.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1]
Vervolgens. Het merkteken staat tot de ziel waarin het aanwezig is, in dezelfde verhouding als tot de gewijde voorwerpen. Daar nu zoals we hierboven (62e Kw., 1e Art.) hebben aangetoond, door alle sacramenten van de Nieuwe Wet, de mens heiligmakende genade ontvangt, zo wordt door alle sacramenten van de Nieuwe Wet een merkteken ingeprent.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Het merkteken is én een zaak én een teken. Welnu in ieder sacrament van de Nieuwe Wet is er iets louter zaak, iets louter teken en eindelijk nog iets én zaak én teken. Zo wordt door ieder sacrament van de Nieuwe Wet een merkteken ingeprent.
Vervolgens. Het merkteken is én een zaak én een teken. Welnu in ieder sacrament van de Nieuwe Wet is er iets louter zaak, iets louter teken en eindelijk nog iets én zaak én teken. Zo wordt door ieder sacrament van de Nieuwe Wet een merkteken ingeprent.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter dat de sacramenten waarvoor een merkteken wordt ingeprent, omdat, overeenkomstig wat we in het vorig Artikel schreven, het merkteken onuitwisbaar is, niet vernieuwd worden. Daar nu sommige sacramenten zoals met de biecht en het huwelijk het geval is wel vernieuwd worden, prenten niet alle sacramenten een merkteken in.
R: q. 63 a. 5[t:iiia q. 63 a. 5]
Daartegenover staat echter dat de sacramenten waarvoor een merkteken wordt ingeprent, omdat, overeenkomstig wat we in het vorig Artikel schreven, het merkteken onuitwisbaar is, niet vernieuwd worden. Daar nu sommige sacramenten zoals met de biecht en het huwelijk het geval is wel vernieuwd worden, prenten niet alle sacramenten een merkteken in.
R: q. 63 a. 5[t:iiia q. 63 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 6 co.
Mijn antwoord. In de 62e Kwestie (1e en 5e Artikel) hebben we bewezen dat de sacramenten van de Nieuwe Wet tot twee dingen moeten dienen, tot genezing van de zonde nl. en tot de goddelijke eredienst. Welnu alle sacramenten hebben dit gemeen, dat ze ons door het feit dat ze genade verstrekken, tegen de zonde uitrusten. Daarentegen zijn niet alle sacramenten rechtstreeks op de goddelijke eredienst aangewezen, dit toch blijkt duidelijk in het sacrament van de biecht waar de mens wel van zijn zonde verlost maar hem niets nieuws dat de eredienst betreft, verstrekt wordt, nl. alleen in zijn vorige staat hersteld. Een sacrament nu kan op drie manieren tot de eredienst bijdragen. Vooreerst, door zijn werking aan zich, ten tweede als bewerkende oorzaak, ten van de de als ontvangend subject. Zo maakt de Eucharistie door haar werking aan zich deel uit van de goddelijke eredienst, deze bestaat immers voor een aanzienlijk deel in het offer van de Heilige Kerk. Ook wordt door ditzelfde sacrament geen merkteken in de ziel geprent; in dit sacrament toch wordt de mens niet gemachtigd om naderhand in andere sacramenten iets te bewerken, maar veeleer is dit sacrament, zoals Dyonisius in zijn Boek Over de Kerkelijke Hiërarchie (3e Kap.) zegt, doel en voltooiing van alle andere sacramenten. Het bevat nl. Christus, in wie geen merkteken is, maar wel integendeel de volheid van het priesterschap. Het sacrament van het priesterschap daarentegen, gaat op hen die zich wat de sacramenten betreft als bewerkende oorzaak laten gelden terug; door dit sacrament worden mensen gemachtigd om aan anderen de sacramenten uit te reiken. Het sacrament van de Doopsels integendeel is op ontvangende subjecten aangewezen, door het doopsel erlangt immers een mens het vermogen om andere sacramenten te ontvangen. Zo wordt het doopsel de ingang tot alle sacramenten genoemd. Het vormsel eindelijk wordt zoals verder ten gepaste tijde zal blijken (72e Kwestie, 5e Artikel) in een zekere zin bij laatstgenoemde soort sacramenten ondergebracht. Zo wordt door deze drie sacramenten, door het doopsel nl. het vormsel en het priesterschap een merkteken ingeprent.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1] q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5] q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3]
Mijn antwoord. In de 62e Kwestie (1e en 5e Artikel) hebben we bewezen dat de sacramenten van de Nieuwe Wet tot twee dingen moeten dienen, tot genezing van de zonde nl. en tot de goddelijke eredienst. Welnu alle sacramenten hebben dit gemeen, dat ze ons door het feit dat ze genade verstrekken, tegen de zonde uitrusten. Daarentegen zijn niet alle sacramenten rechtstreeks op de goddelijke eredienst aangewezen, dit toch blijkt duidelijk in het sacrament van de biecht waar de mens wel van zijn zonde verlost maar hem niets nieuws dat de eredienst betreft, verstrekt wordt, nl. alleen in zijn vorige staat hersteld. Een sacrament nu kan op drie manieren tot de eredienst bijdragen. Vooreerst, door zijn werking aan zich, ten tweede als bewerkende oorzaak, ten van de de als ontvangend subject. Zo maakt de Eucharistie door haar werking aan zich deel uit van de goddelijke eredienst, deze bestaat immers voor een aanzienlijk deel in het offer van de Heilige Kerk. Ook wordt door ditzelfde sacrament geen merkteken in de ziel geprent; in dit sacrament toch wordt de mens niet gemachtigd om naderhand in andere sacramenten iets te bewerken, maar veeleer is dit sacrament, zoals Dyonisius in zijn Boek Over de Kerkelijke Hiërarchie (3e Kap.) zegt, doel en voltooiing van alle andere sacramenten. Het bevat nl. Christus, in wie geen merkteken is, maar wel integendeel de volheid van het priesterschap. Het sacrament van het priesterschap daarentegen, gaat op hen die zich wat de sacramenten betreft als bewerkende oorzaak laten gelden terug; door dit sacrament worden mensen gemachtigd om aan anderen de sacramenten uit te reiken. Het sacrament van de Doopsels integendeel is op ontvangende subjecten aangewezen, door het doopsel erlangt immers een mens het vermogen om andere sacramenten te ontvangen. Zo wordt het doopsel de ingang tot alle sacramenten genoemd. Het vormsel eindelijk wordt zoals verder ten gepaste tijde zal blijken (72e Kwestie, 5e Artikel) in een zekere zin bij laatstgenoemde soort sacramenten ondergebracht. Zo wordt door deze drie sacramenten, door het doopsel nl. het vormsel en het priesterschap een merkteken ingeprent.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1] q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5] q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Door alle sacramenten wordt de mens, daar hij toch een zekere invloed die door Christus wordt teweeg gebracht ondergaat, aan het priesterschap van Christus deelachtig. Niet alle sacramenten echter machtigen om iets dat de eredienst van Christus’ priesterschap betreft te bewerken of ook te ontvangen. Dit nu wordt vereist opdat een sacrament zou een merkteken inprenten.
1e Weerlegging. Door alle sacramenten wordt de mens, daar hij toch een zekere invloed die door Christus wordt teweeg gebracht ondergaat, aan het priesterschap van Christus deelachtig. Niet alle sacramenten echter machtigen om iets dat de eredienst van Christus’ priesterschap betreft te bewerken of ook te ontvangen. Dit nu wordt vereist opdat een sacrament zou een merkteken inprenten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Door alle sacramenten wordt een mens, in zover heiligheid reinheid van zonde meebrengt, geheiligd en dit hebben we aan de genade te danken. In sommige sacramenten echter die een merkteken inprenten, wordt de mens door een wijding waai door hij voor de goddelijke eredienst bestemd wordt geheiligd, en op die wijze worden zelfs levenloze wezens omdat ze tot de goddelijke eredienst worden aangewend geheiligd.
2e Weerlegging. Door alle sacramenten wordt een mens, in zover heiligheid reinheid van zonde meebrengt, geheiligd en dit hebben we aan de genade te danken. In sommige sacramenten echter die een merkteken inprenten, wordt de mens door een wijding waai door hij voor de goddelijke eredienst bestemd wordt geheiligd, en op die wijze worden zelfs levenloze wezens omdat ze tot de goddelijke eredienst worden aangewend geheiligd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 63 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Alhoewel een merkteken én zaak is én teken, toch is daarom nog niet alles wat én zaak is én teken ook merkteken. Wat echter én zaak is én teken zal verder bij de studie van de andere sacramenten verklaard worden (voor ieder sacrament in het bijzonder).
3e Weerlegging. Alhoewel een merkteken én zaak is én teken, toch is daarom nog niet alles wat én zaak is én teken ook merkteken. Wat echter én zaak is én teken zal verder bij de studie van de andere sacramenten verklaard worden (voor ieder sacrament in het bijzonder).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 64: Over de oorzaak der Sacramenten
IIIa q. 64 pr.
Verder moeten we de oorzaken van de Sacramenten, de insteller nl. en de bedienaars nagaan. Daarover dienen tien vragen gesteld:
1. Is het God alleen die innerlijk werkt in de Sacramenten?
2. Heeft God alleen de macht om Sacramenten in te stellen?
3. Welke macht had Christus met betrekking tot de Sacramenten?
4. Kon Christus die macht aan anderen mededelen?
5. Komt de bedieningsmacht in de Sacramenten ook aan bozen toe?
6. Zondigen boze bedienaars wanneer zij de Sacramenten uitreiken?
7. Kunnen engelen bedienaars zijn van de Sacramenten?
8. Is het opzet van de bedienaar nodig bij het toedienen van de Sacramenten
9. Moet de bedienaar het ware geloof belijde; en kan een ongelovige geen Sacramenten toedienen
10. Is er voor de Sacramenten een zuiver opzet van doen?
Verder moeten we de oorzaken van de Sacramenten, de insteller nl. en de bedienaars nagaan. Daarover dienen tien vragen gesteld:
1. Is het God alleen die innerlijk werkt in de Sacramenten?
2. Heeft God alleen de macht om Sacramenten in te stellen?
3. Welke macht had Christus met betrekking tot de Sacramenten?
4. Kon Christus die macht aan anderen mededelen?
5. Komt de bedieningsmacht in de Sacramenten ook aan bozen toe?
6. Zondigen boze bedienaars wanneer zij de Sacramenten uitreiken?
7. Kunnen engelen bedienaars zijn van de Sacramenten?
8. Is het opzet van de bedienaar nodig bij het toedienen van de Sacramenten
9. Moet de bedienaar het ware geloof belijde; en kan een ongelovige geen Sacramenten toedienen
10. Is er voor de Sacramenten een zuiver opzet van doen?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is het God alleen die innerlijk werkt in de Sacramenten?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 64 a. 2 s. c.
IIIa q. 64 a. 2 co.
IIIa q. 64 a. 3 co.
IIIa q. 64 a. 5 co.
IIIa q. 66 a. 5 arg. 1
IIIa q. 84 a. 3 ad 3
IIIa q. 84 a. 7 arg. 4[t:iiia q. 64 a. 2 s. c.][t:iiia q. 64 a. 2 co.][t:iiia q. 64 a. 3 co.][t:iiia q. 64 a. 5 co.][t:iiia q. 66 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 84 a. 3 ad 3][t:iiia q. 84 a. 7 arg. 4]
IIIa q. 64 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat niet alleen God doch ook de bedienaar innerlijk tot het uitwerksel van het sacrament bijdraagt. Het innerlijke uitwerksel van het sacrament bestaat om de mens van zijn zonde te reinigen en door de genade te verlichten. “Nu komt het echter, zoals blijkt uit hetgeen Dionysius zegt in zijn boek Over de Hemelreien, de bedienaars van de Kerk toe, te reinigen, te verlichten, te vervolmaken.” Zo draagt niet alleen God, maar ook de bedienaars van de heilige Kerk dragen innerlijk tot het uitwerksel van het sacrament bij.
IIIa q. 64 a. 2 s. c.
IIIa q. 64 a. 2 co.
IIIa q. 64 a. 3 co.
IIIa q. 64 a. 5 co.
IIIa q. 66 a. 5 arg. 1
IIIa q. 84 a. 3 ad 3
IIIa q. 84 a. 7 arg. 4[t:iiia q. 64 a. 2 s. c.][t:iiia q. 64 a. 2 co.][t:iiia q. 64 a. 3 co.][t:iiia q. 64 a. 5 co.][t:iiia q. 66 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 84 a. 3 ad 3][t:iiia q. 84 a. 7 arg. 4]
IIIa q. 64 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat niet alleen God doch ook de bedienaar innerlijk tot het uitwerksel van het sacrament bijdraagt. Het innerlijke uitwerksel van het sacrament bestaat om de mens van zijn zonde te reinigen en door de genade te verlichten. “Nu komt het echter, zoals blijkt uit hetgeen Dionysius zegt in zijn boek Over de Hemelreien, de bedienaars van de Kerk toe, te reinigen, te verlichten, te vervolmaken.” Zo draagt niet alleen God, maar ook de bedienaars van de heilige Kerk dragen innerlijk tot het uitwerksel van het sacrament bij.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Bij de uitreiking van de sacramenten worden smeekgebeden opgedragen. De gebeden van een rechtvaardige worden echter beter dan die van om het even wie verhoord. In het evangelie van St. Jan (9-31) staat immers geschreven: “Wie God eert en zijn Wil doet, die verhoort God.” Zo haalt dus hij die een sacrament van een waardig bedienaar ontvangt van eenzelfde sacrament meer vruchten in huis, en daaruit volgt dat met alleen God doch ook de bedienaar tot het innerlijke uitwerksel bij draagt.
B: (John 9:31, John 9:31) [b:John 9:31]
Vervolgens. Bij de uitreiking van de sacramenten worden smeekgebeden opgedragen. De gebeden van een rechtvaardige worden echter beter dan die van om het even wie verhoord. In het evangelie van St. Jan (9-31) staat immers geschreven: “Wie God eert en zijn Wil doet, die verhoort God.” Zo haalt dus hij die een sacrament van een waardig bedienaar ontvangt van eenzelfde sacrament meer vruchten in huis, en daaruit volgt dat met alleen God doch ook de bedienaar tot het innerlijke uitwerksel bij draagt.
B: (John 9:31, John 9:31) [b:John 9:31]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 1 arg. 3
Vervolgens. De mens staat hoger dan dé levenloze wezens. Welnu daar zijn levenloze wezens die tot het innerlijke uitwerksel bijdragen, “het Water immers raakt het lichaam aan en de ziel wordt gereinigd”, aldus de h. Augustinus op Joan. (80e Traktaat). Zo brengt dus de mens tot het innerlijke uitwerksel van het sacrament het zijne bij, en doet God niet alles alleen.
Vervolgens. De mens staat hoger dan dé levenloze wezens. Welnu daar zijn levenloze wezens die tot het innerlijke uitwerksel bijdragen, “het Water immers raakt het lichaam aan en de ziel wordt gereinigd”, aldus de h. Augustinus op Joan. (80e Traktaat). Zo brengt dus de mens tot het innerlijke uitwerksel van het sacrament het zijne bij, en doet God niet alles alleen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter wat St. Paulus zegt in zijn Brief aan de Romeinen (8/33): “God is het Die rechtvaardig maakt.” Daar nu het innerlijke uitwerksel van alle sacramenten op de rechtvaardigmaking neerkomt is het God alleen die het innerlijke uitwerksel van een sacrament bewerkt.
B: (Rom 8:33) [b:Rom 8:33]
Daartegenover staat echter wat St. Paulus zegt in zijn Brief aan de Romeinen (8/33): “God is het Die rechtvaardig maakt.” Daar nu het innerlijke uitwerksel van alle sacramenten op de rechtvaardigmaking neerkomt is het God alleen die het innerlijke uitwerksel van een sacrament bewerkt.
B: (Rom 8:33) [b:Rom 8:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 1 co.
Mijn antwoord. Een uitwerksel kan op tweeërlei wijze bewerkt worden, vooreerst door toedoen alleen van een bewerkende hoofdoorzaak en verder met behulp van een werktuigelijke oorzaak. Op de eerste manier bewerkt alleen God het innerlijke uitwerksel van de sacramenten, dit omdat alleen God de ziel waar het uitwerksel van het sacrament zich voordoet kan binnentreden, iets kan immers daar waar het niet eens is, niet rechtstreeks inwerken. Daarbij komt nog dat de genade, innerlijk uitwerksel van de sacramenten, zoals in het IIe Deel bewezen werd (I, II, Kw. 112, Art. 1.) van God alleen voortkomt, ja ook het merkteken, innerlijk uitwerksel van sommige sacramenten, is een werktuigelijke kracht die voortkomt van de bewerkende hoofdoorzaak die God is. Op de tweede manier, kan echter de mens in zover hij als bedienaar handelt tot het innerlijke uitwerksel van de sacramenten bijdragen; bedienaar zijn en werktuig zijn, komt immers zowat op hetzelfde neer, beide toch handelen alleen van buiten uit, maar het innerlijke uitwerksel, komt dankzij de kracht van de bewerkende oorzaak die God is tot stand.
R: Ia-IIae q. 112 a. 1[t:ia-iiae q. 112 a. 1]
Mijn antwoord. Een uitwerksel kan op tweeërlei wijze bewerkt worden, vooreerst door toedoen alleen van een bewerkende hoofdoorzaak en verder met behulp van een werktuigelijke oorzaak. Op de eerste manier bewerkt alleen God het innerlijke uitwerksel van de sacramenten, dit omdat alleen God de ziel waar het uitwerksel van het sacrament zich voordoet kan binnentreden, iets kan immers daar waar het niet eens is, niet rechtstreeks inwerken. Daarbij komt nog dat de genade, innerlijk uitwerksel van de sacramenten, zoals in het IIe Deel bewezen werd (I, II, Kw. 112, Art. 1.) van God alleen voortkomt, ja ook het merkteken, innerlijk uitwerksel van sommige sacramenten, is een werktuigelijke kracht die voortkomt van de bewerkende hoofdoorzaak die God is. Op de tweede manier, kan echter de mens in zover hij als bedienaar handelt tot het innerlijke uitwerksel van de sacramenten bijdragen; bedienaar zijn en werktuig zijn, komt immers zowat op hetzelfde neer, beide toch handelen alleen van buiten uit, maar het innerlijke uitwerksel, komt dankzij de kracht van de bewerkende oorzaak die God is tot stand.
R: Ia-IIae q. 112 a. 1[t:ia-iiae q. 112 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Mater Populi Fidelis ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Het zuiveringswerk dat de bedienaar van de heilige Kerk wordt toegeschreven reinigt niet van zonde. Zegt men nu dat de diakens reinigen, dan is het alleen inzover ze de onzuiveren ofwel uit de vergadering verdrijven ofwel door vrome vermaningen tot het ontvangen van de sacramenten voorbereiden. Zo ook wordt van de priesters gezegd dat zij het heilige volk verlichten niet door het genade in te storten, maar zoals blijkt uit hetgeen Dionysius op dezelfde plaats schrijft: “door sacramenten uit te reiken”.
1e Weerlegging. Het zuiveringswerk dat de bedienaar van de heilige Kerk wordt toegeschreven reinigt niet van zonde. Zegt men nu dat de diakens reinigen, dan is het alleen inzover ze de onzuiveren ofwel uit de vergadering verdrijven ofwel door vrome vermaningen tot het ontvangen van de sacramenten voorbereiden. Zo ook wordt van de priesters gezegd dat zij het heilige volk verlichten niet door het genade in te storten, maar zoals blijkt uit hetgeen Dionysius op dezelfde plaats schrijft: “door sacramenten uit te reiken”.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De smeekgebeden die bij de uitreiking van de sacramenten gedaan worden, worden God niet in naam van een afzonderlijk mens doch in naam van heel de heilige Kerk, wier gebeden God welgevallig zijn opgedragen. Het Evangelie van Mattheus (18/19) zegt immers: “Indien twee van u op de aarde overeenstemmen, om wat ook te vragen, zullen zij het van mijn Vader bekomen.” Niets belet echter dat de godsvrucht van een rechtvaardige iets daartoe zou bijdragen. Maar het eigenlijke uitwerksel van het sacrament wordt niet dankzij het gebed van de heilige kerk, of van een bedienaar, maar wel dankzij de verdiensten van het lijden van Christus, waarvan de kracht zoals het bewezen werd (Kw. 61, A. 5) in de sacramenten werkzaam is verkregen. Zo is het uitwerksel van een sacrament dus niet beter alleen omdat de bedienaar beter gesteld is, maar dankzij de godsvrucht van de bedienaar kan wel voor degene die het sacrament ontvangt iets meer verkregen worden; dit echter bewerkt niet de bedienaar maar hij verkrijgt dat God het bewerkt.
B: (Matt 18:19) [b:Matt 18:19]
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 67 a. 2 ad 1
IIIa q. 82 a. 6 arg. 2[t:iiia q. 67 a. 2 ad 1][t:iiia q. 82 a. 6 arg. 2]
2e Weerlegging. De smeekgebeden die bij de uitreiking van de sacramenten gedaan worden, worden God niet in naam van een afzonderlijk mens doch in naam van heel de heilige Kerk, wier gebeden God welgevallig zijn opgedragen. Het Evangelie van Mattheus (18/19) zegt immers: “Indien twee van u op de aarde overeenstemmen, om wat ook te vragen, zullen zij het van mijn Vader bekomen.” Niets belet echter dat de godsvrucht van een rechtvaardige iets daartoe zou bijdragen. Maar het eigenlijke uitwerksel van het sacrament wordt niet dankzij het gebed van de heilige kerk, of van een bedienaar, maar wel dankzij de verdiensten van het lijden van Christus, waarvan de kracht zoals het bewezen werd (Kw. 61, A. 5) in de sacramenten werkzaam is verkregen. Zo is het uitwerksel van een sacrament dus niet beter alleen omdat de bedienaar beter gesteld is, maar dankzij de godsvrucht van de bedienaar kan wel voor degene die het sacrament ontvangt iets meer verkregen worden; dit echter bewerkt niet de bedienaar maar hij verkrijgt dat God het bewerkt.
B: (Matt 18:19) [b:Matt 18:19]
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 67 a. 2 ad 1
IIIa q. 82 a. 6 arg. 2[t:iiia q. 67 a. 2 ad 1][t:iiia q. 82 a. 6 arg. 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Behalve op werktuigelijke wijze dragen levenloze dingen zoals in de Leerstelling gezegd werd, tot liet innerlijke uitwerksel niet bij; wat verder de mensen betreft, ook deze dragen zoals ook in de Leerstelling werd aangetoond, behalve door hun bediening tot het innerlijke uitwerksel van de sacramenten niet bij.
3e Weerlegging. Behalve op werktuigelijke wijze dragen levenloze dingen zoals in de Leerstelling gezegd werd, tot liet innerlijke uitwerksel niet bij; wat verder de mensen betreft, ook deze dragen zoals ook in de Leerstelling werd aangetoond, behalve door hun bediening tot het innerlijke uitwerksel van de sacramenten niet bij.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is de instelling der Sacramenten aan God alleen voorbehouden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 72 a. 1 arg. 1
IIIa q. 84 a. 3 ad 3[t:iiia q. 72 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 84 a. 3 ad 3]
IIIa q. 64 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat de sacramenten niet door God alleen werden ingesteld. Van alles wat door de goddelijke instelling werd ingevoerd, wordt in de heilige Schrift gewag gemaakt. Nu komt in de eredienst van de sacramenten allerlei voor, waarvan in de heilige Schrift geen spraak is, zo b.v. staat er niets over het chrisma waarmede de mensen gevormd worden, niets over de olie waarmede de priesters gezalfd worden; niets over veel andere dingen, woorden en handelingen die bij de sacramenten voorkomen. Zo werden dus de sacramenten niet door God alleen ingesteld.
IIIa q. 72 a. 1 arg. 1
IIIa q. 84 a. 3 ad 3[t:iiia q. 72 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 84 a. 3 ad 3]
IIIa q. 64 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat de sacramenten niet door God alleen werden ingesteld. Van alles wat door de goddelijke instelling werd ingevoerd, wordt in de heilige Schrift gewag gemaakt. Nu komt in de eredienst van de sacramenten allerlei voor, waarvan in de heilige Schrift geen spraak is, zo b.v. staat er niets over het chrisma waarmede de mensen gevormd worden, niets over de olie waarmede de priesters gezalfd worden; niets over veel andere dingen, woorden en handelingen die bij de sacramenten voorkomen. Zo werden dus de sacramenten niet door God alleen ingesteld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Sacramenten zijn tekenen, en stoffelijke dingen betekenen iets door hun natuur zelf. Nu gaat het niet aan te zeggen dat sommige tekenen God welgevallig zijn, andere integendeel niet; alles toch wat God gemaakt heeft keurt hij goed. Aan de duivelen is het echter eigen door sommige tekenen tot iets te worden aangetrokken, St. Augustinus zegt immers in zijn Boek de Stad Gods (21/6): “De duivelen worden zoals de dieren niet door voedsel maar zoals overigens voor geesten past met behulp van tekenen al naargelang de uiteenloop en de aard van dezen meebrengt door een of ander aantrekkelijks er toe aangelokt bij de schepselen te gaan inwonen; die schepselen echter hebben niet de duivelen zelf gemaakt maar God heeft ze gemaakt.” zo is het dus met noodzakelijk dat alleen God de sacramenten zou hebben ingesteld.
Vervolgens. Sacramenten zijn tekenen, en stoffelijke dingen betekenen iets door hun natuur zelf. Nu gaat het niet aan te zeggen dat sommige tekenen God welgevallig zijn, andere integendeel niet; alles toch wat God gemaakt heeft keurt hij goed. Aan de duivelen is het echter eigen door sommige tekenen tot iets te worden aangetrokken, St. Augustinus zegt immers in zijn Boek de Stad Gods (21/6): “De duivelen worden zoals de dieren niet door voedsel maar zoals overigens voor geesten past met behulp van tekenen al naargelang de uiteenloop en de aard van dezen meebrengt door een of ander aantrekkelijks er toe aangelokt bij de schepselen te gaan inwonen; die schepselen echter hebben niet de duivelen zelf gemaakt maar God heeft ze gemaakt.” zo is het dus met noodzakelijk dat alleen God de sacramenten zou hebben ingesteld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De apostelen waren op aarde de plaatsvervangers van God, daarom zegt de Apostel in zijn 2e Brief aan de Korintiërs (2, 10): “Want Wat ik zelf vergeven heb, indie ik althans iets te vergeven had, dat heb ik om uwentwil gedaan ten overstaan van Christus,” d. i. alsof Christus zelf vergeven had. Daaruit volgt dat de apostelen en hun opvolgers nieuwe sacramenten mogen instellen.
B: (2Cor 2:10) [b:2Cor 2:10]
Vervolgens. De apostelen waren op aarde de plaatsvervangers van God, daarom zegt de Apostel in zijn 2e Brief aan de Korintiërs (2, 10): “Want Wat ik zelf vergeven heb, indie ik althans iets te vergeven had, dat heb ik om uwentwil gedaan ten overstaan van Christus,” d. i. alsof Christus zelf vergeven had. Daaruit volgt dat de apostelen en hun opvolgers nieuwe sacramenten mogen instellen.
B: (2Cor 2:10) [b:2Cor 2:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 2 s. c.
Daartegenover echter staat dat, zoals blijkt wetten uitvaardigen, hij iets instelt die het macht en kracht geeft. Welnu, zoals werd aangetoond (Vorig Art. en Kw. 62, A. en 5) komt de kracht van de sacramenten van God alleen. Alleen dus God kan sacramenten instellen.
R: q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1] q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1]
Daartegenover echter staat dat, zoals blijkt wetten uitvaardigen, hij iets instelt die het macht en kracht geeft. Welnu, zoals werd aangetoond (Vorig Art. en Kw. 62, A. en 5) komt de kracht van de sacramenten van God alleen. Alleen dus God kan sacramenten instellen.
R: q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1] q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 2 co.
Mijn antwoord. De sacramenten bewerken werktuigelijk geestelijke uitwerkselen (zoals blijkt uit het vorig art.) en daarbij komt nog dat een werktuig zijn kracht van de bewerkende hoofd oorzaak betrekt. De sacramenten heb en echter een dubbele bewerkende oorzaak, een oorzaak nl. die het sacrament instelt en een oorzaak die het ingestelde sacrament gebruikt die het m. a. w. omwille van zijn uitwerkselen toedient. Nu an de kracht van het sacrament niet komen van diegene die het sacrament toedient; hij immers treedt enkel als bedienaar op. Zo moet dan besloten worden dat de kracht van het sacrament voortkomt van degene die het sacrament instelde en, daar de kracht van het sacrament alleen van God voortkomt, zo is het klaar dat alleen God insteller is van de sacramenten.
R: q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1] q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1]
Mijn antwoord. De sacramenten bewerken werktuigelijk geestelijke uitwerkselen (zoals blijkt uit het vorig art.) en daarbij komt nog dat een werktuig zijn kracht van de bewerkende hoofd oorzaak betrekt. De sacramenten heb en echter een dubbele bewerkende oorzaak, een oorzaak nl. die het sacrament instelt en een oorzaak die het ingestelde sacrament gebruikt die het m. a. w. omwille van zijn uitwerkselen toedient. Nu an de kracht van het sacrament niet komen van diegene die het sacrament toedient; hij immers treedt enkel als bedienaar op. Zo moet dan besloten worden dat de kracht van het sacrament voortkomt van degene die het sacrament instelde en, daar de kracht van het sacrament alleen van God voortkomt, zo is het klaar dat alleen God insteller is van de sacramenten.
R: q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1] q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Wat in de ritus van de sacramenten door mensen werd ingesteld is voor het wezen van een sacrament niet onontbeerlijk, maar wordt aangewend om de sacramenten meer plecht bij te zetten, de godsvrucht te bevorderen en ook bij degenen die het sacrament ontvangen de eerbied in de hand te werken. Wat integendeel voor het wezen van de sacramenten noodzakelijk is, werd door Christus, die tevens God en mens is, ingesteld. Hoewel nu dit alles niet door de Heilige Schrift werd overgeleverd, toch is het dankzij de overlevering van de Apostelen met wie ze in betrekking stond, aan de kerk bekend. Zo spreekt overigens ook de apostel in zijn Eerste Brief aan de Korintiërs (11/34): “De overige aangelegenheden zal ik regelen als ik kom.”
B: (1Cor 11:34) [b:1Cor 11:34]
1e Weerlegging. Wat in de ritus van de sacramenten door mensen werd ingesteld is voor het wezen van een sacrament niet onontbeerlijk, maar wordt aangewend om de sacramenten meer plecht bij te zetten, de godsvrucht te bevorderen en ook bij degenen die het sacrament ontvangen de eerbied in de hand te werken. Wat integendeel voor het wezen van de sacramenten noodzakelijk is, werd door Christus, die tevens God en mens is, ingesteld. Hoewel nu dit alles niet door de Heilige Schrift werd overgeleverd, toch is het dankzij de overlevering van de Apostelen met wie ze in betrekking stond, aan de kerk bekend. Zo spreekt overigens ook de apostel in zijn Eerste Brief aan de Korintiërs (11/34): “De overige aangelegenheden zal ik regelen als ik kom.”
B: (1Cor 11:34) [b:1Cor 11:34]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. De stoffelijke dingen hebben van natuur uit een zekere vaardigheid om geestelijke uitwerkselen te betekenen, doch die vaardigheid wordt door de goddelijke instelling voor een bijzondere betekenis aangewend. Dit is het overigens wat Hugo van S. Victor in zijn Boek: “De Sacramenten” zegt (1 /9/1): “Het sacrament krijgt zijn betekenis door zijn instelling.” Alleen heeft God voor wat in de sacramenten moest betekend worden sommige dingen boven andere uitverkoren, niet omdat de liefde alleen daarop zou gericht blijven, maar opdat de betekenis van de sacramenten beter zou worden te kennen gegeven.
2e Weerlegging. De stoffelijke dingen hebben van natuur uit een zekere vaardigheid om geestelijke uitwerkselen te betekenen, doch die vaardigheid wordt door de goddelijke instelling voor een bijzondere betekenis aangewend. Dit is het overigens wat Hugo van S. Victor in zijn Boek: “De Sacramenten” zegt (1 /9/1): “Het sacrament krijgt zijn betekenis door zijn instelling.” Alleen heeft God voor wat in de sacramenten moest betekend worden sommige dingen boven andere uitverkoren, niet omdat de liefde alleen daarop zou gericht blijven, maar opdat de betekenis van de sacramenten beter zou worden te kennen gegeven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De Apostelen en hun opvolgers zijn de plaatsvervangers van God in het bestuur van de heilige kerk die op het geloof en de sacramenten welke het belijdt werd gegrondvest. Zoals het hun dus niet geoorloofd is een andere kerk te stichten, zo mogen ze geen ander geloof overleveren en andere sacramenten instellen; er wordt immers gezegd dat de kerk van Christus uit de sacramenten, die, wanneer hij aan het kruis hing, uit de zijde van Christus vloeide, gevormd werd.
3e Weerlegging. De Apostelen en hun opvolgers zijn de plaatsvervangers van God in het bestuur van de heilige kerk die op het geloof en de sacramenten welke het belijdt werd gegrondvest. Zoals het hun dus niet geoorloofd is een andere kerk te stichten, zo mogen ze geen ander geloof overleveren en andere sacramenten instellen; er wordt immers gezegd dat de kerk van Christus uit de sacramenten, die, wanneer hij aan het kruis hing, uit de zijde van Christus vloeide, gevormd werd.
Referenties naar deze alinea: 2
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=Reconciliatio et paenitentia ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Had Christus als mens macht om het innerlijke uitwerksel der Sacramenten te bewerken?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 64 a. 4 co.
IIIa q. 64 a. 5 arg. 2
IIIa q. 64 a. 7 co.
IIIa q. 66 a. 6 co.
IIIa q. 72 a. 3 co.
IIIa q. 84 a. 5 ad 3[t:iiia q. 64 a. 4 co.][t:iiia q. 64 a. 5 arg. 2][t:iiia q. 64 a. 7 co.][t:iiia q. 66 a. 6 co.][t:iiia q. 72 a. 3 co.][t:iiia q. 84 a. 5 ad 3]
IIIa q. 64 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat Christus als mens macht had om het innerlijk uitwerksel van de sacramenten te bewerken. Johannes de Doper zegt in het Evangelie van St. Jan (1. 33): “Hij die mij zond om met water te dopen, die zei mij: Op wien gij de Geest zult zien nederdalen en boven hem rusten, die is het die in de Geest doopt.” Welnu, dopen in de H. Geest, is innerlijk de genade van de H. Geest verlenen; Bedenkingen de H. Geest immers daalde over Christus neder in zover hij mens, niet in zover hij God was. Als God toch, geeft Christus zelf de H. Geest. Zo had Christus dus als mens macht om het innerlijke uitwerksel van de sacramenten te bewerken.
B: (John 1:33, John 1:33) [b:John 1:33]
IIIa q. 64 a. 4 co.
IIIa q. 64 a. 5 arg. 2
IIIa q. 64 a. 7 co.
IIIa q. 66 a. 6 co.
IIIa q. 72 a. 3 co.
IIIa q. 84 a. 5 ad 3[t:iiia q. 64 a. 4 co.][t:iiia q. 64 a. 5 arg. 2][t:iiia q. 64 a. 7 co.][t:iiia q. 66 a. 6 co.][t:iiia q. 72 a. 3 co.][t:iiia q. 84 a. 5 ad 3]
IIIa q. 64 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat Christus als mens macht had om het innerlijk uitwerksel van de sacramenten te bewerken. Johannes de Doper zegt in het Evangelie van St. Jan (1. 33): “Hij die mij zond om met water te dopen, die zei mij: Op wien gij de Geest zult zien nederdalen en boven hem rusten, die is het die in de Geest doopt.” Welnu, dopen in de H. Geest, is innerlijk de genade van de H. Geest verlenen; Bedenkingen de H. Geest immers daalde over Christus neder in zover hij mens, niet in zover hij God was. Als God toch, geeft Christus zelf de H. Geest. Zo had Christus dus als mens macht om het innerlijke uitwerksel van de sacramenten te bewerken.
B: (John 1:33, John 1:33) [b:John 1:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 3 arg. 2
Vervolgens. In het Evangelie van Mattheus (9/6) zegt de Heer: “Ge moet weten dat de mensenzoon op aarde macht heeft om zonde te vergeven.” Vergeving van zonde is echter een innerlijk uitwerksel van de sacramenten. Zo bewerkt Christus dus als mens het innerlijke uitwerksel van de sacramenten.
B: (Matt 9:6) [b:Matt 9:6]
Vervolgens. In het Evangelie van Mattheus (9/6) zegt de Heer: “Ge moet weten dat de mensenzoon op aarde macht heeft om zonde te vergeven.” Vergeving van zonde is echter een innerlijk uitwerksel van de sacramenten. Zo bewerkt Christus dus als mens het innerlijke uitwerksel van de sacramenten.
B: (Matt 9:6) [b:Matt 9:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 3 arg. 3
Vervolgens. De instelling van de sacramenten gaat terug op degene die als de werking op de hoofdoorzaak het innerlijke uitwerksel van de sacramenten bewerkt. Daar we nu weten dat Christus de sacramenten instelde, zo is ook Hij het die innerlijk het uitwerksel van de sacramenten bewerkt.
Vervolgens. De instelling van de sacramenten gaat terug op degene die als de werking op de hoofdoorzaak het innerlijke uitwerksel van de sacramenten bewerkt. Daar we nu weten dat Christus de sacramenten instelde, zo is ook Hij het die innerlijk het uitwerksel van de sacramenten bewerkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 3 arg. 4
Vervolgens. Niemand kan, behalve wanneer hij uit eigen kracht het uitwerksel van het sacrament bewerkt, dit laatste zonder het sacrament verlenen. Welnu, Christus verleende het uitwerksel van het sacrament zonder het sacrament: Hij zei immers aan Magdalena “Uw zonde zijn U vergeven” (Luc. 7/48). Zo bewerkt Christus dus als mens het innerlijke uitwerksel van het sacrament.
B: (Luke 7:48) [b:Luke 7:48]
Vervolgens. Niemand kan, behalve wanneer hij uit eigen kracht het uitwerksel van het sacrament bewerkt, dit laatste zonder het sacrament verlenen. Welnu, Christus verleende het uitwerksel van het sacrament zonder het sacrament: Hij zei immers aan Magdalena “Uw zonde zijn U vergeven” (Luc. 7/48). Zo bewerkt Christus dus als mens het innerlijke uitwerksel van het sacrament.
B: (Luke 7:48) [b:Luke 7:48]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 3 arg. 5
Vervolgens. Wat uit eigen kracht de sacramenten tot stand brengt, is bewerkende oorzaak van het innerlijke uitwerksel. Doch de sacramenten betrekken hun kracht van het lijden van Christus en van de aanroeping van Zijn naam; zo schrijft toch de Apostel in zijn Eerste Brief aan de Korintiërs (1/13): “Werd soms Paulus voor u gekruisigd? Of werd ge in de naam van Paulus gedoopt?” Christus bewerkt dus wel degelijk als mens het innerlijke uitwerksel van de sacramenten.
B: (1Cor 1:13) [b:1Cor 1:13]
Vervolgens. Wat uit eigen kracht de sacramenten tot stand brengt, is bewerkende oorzaak van het innerlijke uitwerksel. Doch de sacramenten betrekken hun kracht van het lijden van Christus en van de aanroeping van Zijn naam; zo schrijft toch de Apostel in zijn Eerste Brief aan de Korintiërs (1/13): “Werd soms Paulus voor u gekruisigd? Of werd ge in de naam van Paulus gedoopt?” Christus bewerkt dus wel degelijk als mens het innerlijke uitwerksel van de sacramenten.
B: (1Cor 1:13) [b:1Cor 1:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus zegt in zijn Donatisten” (3/10/7), dat nl. in de sacramenten de geestelijke kracht op verborgen wijze werkt. Die goddelijke kracht nu, komt Christus als God, niet als mens toe en zo bewerkt Christus het innerlijke uitwerksel niet als mens doch als God.
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus zegt in zijn Donatisten” (3/10/7), dat nl. in de sacramenten de geestelijke kracht op verborgen wijze werkt. Die goddelijke kracht nu, komt Christus als God, niet als mens toe en zo bewerkt Christus het innerlijke uitwerksel niet als mens doch als God.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 3 co.
Mijn antwoord. Als God en als mens beide bewerkt Christus het innerlijke uitwerksel van de sacramenten; alleen doet Hij zulks niet in beide opzichten op dezelfde wijze. Als God treedt Hij nl. wat de sacramenten betreft als gezaghebbend op; als mens daarentegen draagt hij, als verdienende en bewerkende oorzaak weliswaar, maar dan alleen op werktuigelijke wijze, tot de innerlijke uitwerkselen van de sacramenten bij. We hebben immers aangetoond (Kw. 48-49), dat het lijden van Christus dat hem volgens zijn menselijke natuur toekomt, wel als verdienende en bewerkende oorzaak maar niet als bewerkende hoofdoorzaak op gezaghebbende wijze onze rechtvaardigheid bewerkt; dit doet het integendeel op werktuigelijke wijze; Christus menselijke natuur was, zoals hierboven werd aangeduid (Kw. 13, A. 2-3) voor zijn goddelijke natuur een werktuig. Daar het hier echter een werktuig geldt dat in de persoon van Christus met de godheid verbonden is, heeft het zoals blijkt uit hetgeen hierboven gezegd werd (A. 1 dezer Kwestie) wanneer het met de uiterlijke werktuigen, met de bedienaars van de heilige kerk nl. vergeleken wordt als een hoofdrol en hoger oorzakelijkheid waar te nemen. Zoals dus Christus als God, waar het de sacramenten geldt, met gezag optreedt, zo ook heeft Hij als mens een hogere bedieningsmacht, een macht nl. die op zijn waardigheid berust. Deze macht nu bedraagt vier verschillende dingen. Vooreerst zijn de verdiensten en de kracht van zijn lijden zoals hierboven werd aangeduid (Kw. 62, A. 5) in de sacramenten werkzaam en daar de kracht van het lijden van Christus ons door het geloof ten goede komt, er staat immers in de Brief aan de Romeinen (3/25): “Die God heeft voorbeschikt tot een verzoeningsmiddel door het geloof in zijn bloed.”, geloof dat we met de naam van Christus te aanroepen belijden, — zo komt ten tweede aan de waardigheidsmacht die Christus op stuk van sacramenten heeft, toe, dat deze in zijn naam zouden geheiligd worden. Daar verder de sacramenten aan Zijn instelling hun kracht te danken hebben, zo brengt Christus waardigheidsmacht mee dat hij die de sacramenten kracht gegeven heeft ze ook kan instellen, en daar toch een oorzaak niet van haar uitwerksel afhangt maar eerder andersom, zo bedraagt de waardigheidsmacht van Christus eindelijk ten vierde dat hij het uitwerksel van de sacramenten zonder het uiterlijk sacrament kan verlenen. Daarmee hebben we ook het antwoord op de bedenkingen gegeven, er ligt immers in hetgeen werd tegengeworpen zoals gezegd werd enige waarheid.
R: q. 48 a. 1[t:iiia q. 48 a. 1] q. 48 a. 6[t:iiia q. 48 a. 6] q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 13 a. 2[t:iiia q. 13 a. 2] q. 13 a. 3[t:iiia q. 13 a. 3] q. 19 a. 1[t:iiia q. 19 a. 1] q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1] q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Mijn antwoord. Als God en als mens beide bewerkt Christus het innerlijke uitwerksel van de sacramenten; alleen doet Hij zulks niet in beide opzichten op dezelfde wijze. Als God treedt Hij nl. wat de sacramenten betreft als gezaghebbend op; als mens daarentegen draagt hij, als verdienende en bewerkende oorzaak weliswaar, maar dan alleen op werktuigelijke wijze, tot de innerlijke uitwerkselen van de sacramenten bij. We hebben immers aangetoond (Kw. 48-49), dat het lijden van Christus dat hem volgens zijn menselijke natuur toekomt, wel als verdienende en bewerkende oorzaak maar niet als bewerkende hoofdoorzaak op gezaghebbende wijze onze rechtvaardigheid bewerkt; dit doet het integendeel op werktuigelijke wijze; Christus menselijke natuur was, zoals hierboven werd aangeduid (Kw. 13, A. 2-3) voor zijn goddelijke natuur een werktuig. Daar het hier echter een werktuig geldt dat in de persoon van Christus met de godheid verbonden is, heeft het zoals blijkt uit hetgeen hierboven gezegd werd (A. 1 dezer Kwestie) wanneer het met de uiterlijke werktuigen, met de bedienaars van de heilige kerk nl. vergeleken wordt als een hoofdrol en hoger oorzakelijkheid waar te nemen. Zoals dus Christus als God, waar het de sacramenten geldt, met gezag optreedt, zo ook heeft Hij als mens een hogere bedieningsmacht, een macht nl. die op zijn waardigheid berust. Deze macht nu bedraagt vier verschillende dingen. Vooreerst zijn de verdiensten en de kracht van zijn lijden zoals hierboven werd aangeduid (Kw. 62, A. 5) in de sacramenten werkzaam en daar de kracht van het lijden van Christus ons door het geloof ten goede komt, er staat immers in de Brief aan de Romeinen (3/25): “Die God heeft voorbeschikt tot een verzoeningsmiddel door het geloof in zijn bloed.”, geloof dat we met de naam van Christus te aanroepen belijden, — zo komt ten tweede aan de waardigheidsmacht die Christus op stuk van sacramenten heeft, toe, dat deze in zijn naam zouden geheiligd worden. Daar verder de sacramenten aan Zijn instelling hun kracht te danken hebben, zo brengt Christus waardigheidsmacht mee dat hij die de sacramenten kracht gegeven heeft ze ook kan instellen, en daar toch een oorzaak niet van haar uitwerksel afhangt maar eerder andersom, zo bedraagt de waardigheidsmacht van Christus eindelijk ten vierde dat hij het uitwerksel van de sacramenten zonder het uiterlijk sacrament kan verlenen. Daarmee hebben we ook het antwoord op de bedenkingen gegeven, er ligt immers in hetgeen werd tegengeworpen zoals gezegd werd enige waarheid.
R: q. 48 a. 1[t:iiia q. 48 a. 1] q. 48 a. 6[t:iiia q. 48 a. 6] q. 49 a. 1[t:iiia q. 49 a. 1] q. 13 a. 2[t:iiia q. 13 a. 2] q. 13 a. 3[t:iiia q. 13 a. 3] q. 19 a. 1[t:iiia q. 19 a. 1] q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1] q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 3 ad 1
Et per hoc N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
Et per hoc N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Kon Christus de macht die Hij wat de Sacramenten betreft had aan bedienaars meedelen?
IIIa q. 64 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat de macht die Hij wat de sacramenten betreft had, niet aan bedienaars zou kunnen mededelen. Zoals de heilige Augustinus tegen Maximianus (3/7) Iaat gelde “Was hij indie zulks kon en niet wou, bepaald nijdig”. Nijd nu was Christus volslagen onbekend, in Hem was immers de hoogste volheid van de liefde. Als Christus dus zijn macht aan de bedienaars niet meedeelde, dan is dit een teken dat zulks niet kon.
Over het vierde als volgt. Men beweert dat de macht die Hij wat de sacramenten betreft had, niet aan bedienaars zou kunnen mededelen. Zoals de heilige Augustinus tegen Maximianus (3/7) Iaat gelde “Was hij indie zulks kon en niet wou, bepaald nijdig”. Nijd nu was Christus volslagen onbekend, in Hem was immers de hoogste volheid van de liefde. Als Christus dus zijn macht aan de bedienaars niet meedeelde, dan is dit een teken dat zulks niet kon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 4 arg. 2
Vervolgens. In zijn 72e Traktaat op Johannes zegt Augustinus, bij de woorden: “Die zal nog groter werk verrichten” (14/12): “Laat zeggen dat de rechtvaardigmaking van een boze een groter werk is dan de schepping van hemel en aarde.” Welnu, Christus kon zijn leerlingen niet toerusten om hemel en aarde te scheppen, dus ook met om een boze rechtvaardig te maken. Aangezien nu de rechtvaardigmaking van een boze geschiedt dankzij de macht die Christus in de sacramenten heeft, zo is het ook duidelijk dat hij de macht die hij in de sacramenten had niet aan bedienaars kon mededelen.
B: (John 14:12) [b:John 14:12]
Vervolgens. In zijn 72e Traktaat op Johannes zegt Augustinus, bij de woorden: “Die zal nog groter werk verrichten” (14/12): “Laat zeggen dat de rechtvaardigmaking van een boze een groter werk is dan de schepping van hemel en aarde.” Welnu, Christus kon zijn leerlingen niet toerusten om hemel en aarde te scheppen, dus ook met om een boze rechtvaardig te maken. Aangezien nu de rechtvaardigmaking van een boze geschiedt dankzij de macht die Christus in de sacramenten heeft, zo is het ook duidelijk dat hij de macht die hij in de sacramenten had niet aan bedienaars kon mededelen.
B: (John 14:12) [b:John 14:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Op grond van de woorden uit Johannes (1/16): “Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen” past het dat de genade van Christus, hoofd van de heilige Kerk, naar anderen zou toevloeien. Welnu, dit kan niet aan anderen worden meegedeeld, anders toch zou de heilige Kerk een wangedrocht met allerhande koppen worden. Zo heeft Christus dus zijn macht niet aan bedienaars kunnen mededelen.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
Vervolgens. Op grond van de woorden uit Johannes (1/16): “Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen” past het dat de genade van Christus, hoofd van de heilige Kerk, naar anderen zou toevloeien. Welnu, dit kan niet aan anderen worden meegedeeld, anders toch zou de heilige Kerk een wangedrocht met allerhande koppen worden. Zo heeft Christus dus zijn macht niet aan bedienaars kunnen mededelen.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter dat bij de woorden van Johannes (1/33): “Ik kende hen niet.” de heilige Augustinus zegt dat Johannes niet wist dat de Heer de macht van het Doopsel zou bezitten en voor Hem alleen opeisen. Welnu als die macht niet mededeelbaar geweest was, dan zou Johannes daarvan kennis gehad hebben. Christus kon dus zijn macht aan bedienaars mededelen.
B: (John 1:31, John 1:31) [b:John 1:31]
Daartegenover staat echter dat bij de woorden van Johannes (1/33): “Ik kende hen niet.” de heilige Augustinus zegt dat Johannes niet wist dat de Heer de macht van het Doopsel zou bezitten en voor Hem alleen opeisen. Welnu als die macht niet mededeelbaar geweest was, dan zou Johannes daarvan kennis gehad hebben. Christus kon dus zijn macht aan bedienaars mededelen.
B: (John 1:31, John 1:31) [b:John 1:31]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals in het vorig artikel gezegd werd had Christus in de sacramenten een dubbele macht, een gezagsmacht die Hem naar zijn goddelijke natuur toekomt, en deze kan evenmin als de goddelijke wezenheid aan enig schepsel worden medegedeeld; verder ook een waardigheidsmacht die hem naar zijn menselijke natuur toekomt en die hij wel aan bedienaars kon mededelen. Zulke volheid van genade zou hij hun nl. gegeven hebben, dat hun verdiensten tot het uitwerksel van de sacramenten zou hebben bijgedragen, ja dat bij het aanroepen van hun naam de sacramenten zouden geheiligd worden, dat zij zelfs sacramenten zouden kunnen instellen, en zonder sacramentele ritus, alleen met zulks te bevelen, het uitwerksel van de sacramenten zouden kunnen tot stand brengen. Hoe krachtiger immers een werktuig dat bij de bewerkende hoofdoorzaak aansluit is, zo groter macht kan het, net als de hand aan een stok, aan een afgezonderd werktuig mededelen.
R: q. 64 a. 3[t:iiia q. 64 a. 3]
Mijn antwoord. Zoals in het vorig artikel gezegd werd had Christus in de sacramenten een dubbele macht, een gezagsmacht die Hem naar zijn goddelijke natuur toekomt, en deze kan evenmin als de goddelijke wezenheid aan enig schepsel worden medegedeeld; verder ook een waardigheidsmacht die hem naar zijn menselijke natuur toekomt en die hij wel aan bedienaars kon mededelen. Zulke volheid van genade zou hij hun nl. gegeven hebben, dat hun verdiensten tot het uitwerksel van de sacramenten zou hebben bijgedragen, ja dat bij het aanroepen van hun naam de sacramenten zouden geheiligd worden, dat zij zelfs sacramenten zouden kunnen instellen, en zonder sacramentele ritus, alleen met zulks te bevelen, het uitwerksel van de sacramenten zouden kunnen tot stand brengen. Hoe krachtiger immers een werktuig dat bij de bewerkende hoofdoorzaak aansluit is, zo groter macht kan het, net als de hand aan een stok, aan een afgezonderd werktuig mededelen.
R: q. 64 a. 3[t:iiia q. 64 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Uit nijd is het niet dat Christus zijn waardigheidsmacht aan de bedienaars van de heilige kerk niet mededeelde. Integendeel deed hij zulks tot meerdere eerbaarheid van de gelovigen, opdat ze nl. niet zouden hun hoop op de mensen stellen en opdat er niet op gevaar af verdeeldheid de kerk te brengen, allerlei sacramenten zouden ontstaan. Zo ging het er toch toe bij hen die zoals in de Eerste Brief aan de Korintiërs (1/12) te lezen staat, zeide: “Ik ben van Paulus” “Ik ben van Apollo” “Ik van Cephas”.
B: (1Cor 1:12) [b:1Cor 1:12]
1e Weerlegging. Uit nijd is het niet dat Christus zijn waardigheidsmacht aan de bedienaars van de heilige kerk niet mededeelde. Integendeel deed hij zulks tot meerdere eerbaarheid van de gelovigen, opdat ze nl. niet zouden hun hoop op de mensen stellen en opdat er niet op gevaar af verdeeldheid de kerk te brengen, allerlei sacramenten zouden ontstaan. Zo ging het er toch toe bij hen die zoals in de Eerste Brief aan de Korintiërs (1/12) te lezen staat, zeide: “Ik ben van Paulus” “Ik ben van Apollo” “Ik van Cephas”.
B: (1Cor 1:12) [b:1Cor 1:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Die bedenking geldt maar voor de gezagsmacht die Christus naar zijn Godheid toekomt, niettemin kan zijn waardigheidsmacht, wanneer zij met de macht van andere bedienaars vergeleken wordt, ook een gezagsmacht genoemd worden. Daarom zegt de Glossa op de woorden uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (1/13): Is Christus in stukken gedeeld? —: “Hij kon ook de macht over het doopsel aan diegenen geven, aan wie hij er de bediening van had toevertrouwd”.
B: (1Cor 1:13) [b:1Cor 1:13]
2e Weerlegging. Die bedenking geldt maar voor de gezagsmacht die Christus naar zijn Godheid toekomt, niettemin kan zijn waardigheidsmacht, wanneer zij met de macht van andere bedienaars vergeleken wordt, ook een gezagsmacht genoemd worden. Daarom zegt de Glossa op de woorden uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (1/13): Is Christus in stukken gedeeld? —: “Hij kon ook de macht over het doopsel aan diegenen geven, aan wie hij er de bediening van had toevertrouwd”.
B: (1Cor 1:13) [b:1Cor 1:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Om dit bezwaar, dat er nl. in de kerk allerlei hoofden zoude zijn te voorkomen, heeft Christus zijn waardigheidsmacht niet aan bedienaars willen meedelen. Als hij het echter wel gedaan had, dan zou Hij op de eerste plaats, de anderen alleen op de tweede plaats het hoofd geweest zijn.
3e Weerlegging. Om dit bezwaar, dat er nl. in de kerk allerlei hoofden zoude zijn te voorkomen, heeft Christus zijn waardigheidsmacht niet aan bedienaars willen meedelen. Als hij het echter wel gedaan had, dan zou Hij op de eerste plaats, de anderen alleen op de tweede plaats het hoofd geweest zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Kunnen de Sacramenten door boze bedienaars worden toegediend?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 64 a. 9 co.
IIIa q. 64 a. 9 co.
IIIa q. 67 a. 2 ad 1[t:iiia q. 64 a. 9 co.][t:iiia q. 64 a. 9 co.][t:iiia q. 67 a. 2 ad 1]
IIIa q. 64 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat de sacramenten niet door boze bedienaars kunnen worden toegediend. De sacramenten van de nieuwe wet bestaan om de mensen van hun zonde te reinigen en hun genade te geven. De bozen echter, daar ze onzuiver zijn kunnen anderen niet van hun zonde zuiveren. Er staat immers in Eccl. 34/4: “Wie zal gereinigd worden door een onreinen?” Daar ze verder de genade niet bezitten kunnen ze evenmin genade geven, niemand toch geeft wat hij niet bezit. Zo kunnen de sacramenten dus niet door boze bedienaars worden toegediend.
B: (Sir 34:4) [b:Sir 34:4]
IIIa q. 64 a. 9 co.
IIIa q. 64 a. 9 co.
IIIa q. 67 a. 2 ad 1[t:iiia q. 64 a. 9 co.][t:iiia q. 64 a. 9 co.][t:iiia q. 67 a. 2 ad 1]
IIIa q. 64 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat de sacramenten niet door boze bedienaars kunnen worden toegediend. De sacramenten van de nieuwe wet bestaan om de mensen van hun zonde te reinigen en hun genade te geven. De bozen echter, daar ze onzuiver zijn kunnen anderen niet van hun zonde zuiveren. Er staat immers in Eccl. 34/4: “Wie zal gereinigd worden door een onreinen?” Daar ze verder de genade niet bezitten kunnen ze evenmin genade geven, niemand toch geeft wat hij niet bezit. Zo kunnen de sacramenten dus niet door boze bedienaars worden toegediend.
B: (Sir 34:4) [b:Sir 34:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Zoals aangetoond werd (in het 3e art. dezer kw.) komt elke macht van de sacramenten van Christus. Welnu, daar ze de liefde waardoor de ledematen met het hoofd verbonden zijn niet bezitten zijn de bozen van Christus afgescheiden. In de Eerste Brief van ]oan. (4/16) staat immers: “Wie in de liefde ver- blijft, verblijft in God en God verblijft in Hem.” zo kunnen de sacramenten dus niet door boze bedienaars worden toegediend.
B: (1John 4:16) [b:1John 4:16]
R: q. 64 a. 3[t:iiia q. 64 a. 3] q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Vervolgens. Zoals aangetoond werd (in het 3e art. dezer kw.) komt elke macht van de sacramenten van Christus. Welnu, daar ze de liefde waardoor de ledematen met het hoofd verbonden zijn niet bezitten zijn de bozen van Christus afgescheiden. In de Eerste Brief van ]oan. (4/16) staat immers: “Wie in de liefde ver- blijft, verblijft in God en God verblijft in Hem.” zo kunnen de sacramenten dus niet door boze bedienaars worden toegediend.
B: (1John 4:16) [b:1John 4:16]
R: q. 64 a. 3[t:iiia q. 64 a. 3] q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Wanneer iets dat tot de geldigheid vereist was in gebreke blijft, komt het sacrament niet tot stand; zo bv. als de vereiste vorm of stof niet wordt aangewend. Welnu de bedienaar die voor een sacrament vereist wordt is degene die vrij blijft van zondesmet: we lezen toch in het boek Leviticus (21/17). Heeft iemand van uw zaad in de families een gebrek, dan zal hij aan God de broden niet aanbieden en hij zal tot het dienstwerk van de Heer niet naderen.” zo werkt dus het sacrament wanneer de bedienaar boos gesteld is, niets uit.
B: (Lev 21:17) [b:Lev 21:17] (Lev 21:18) [b:Lev 21:18]
Vervolgens. Wanneer iets dat tot de geldigheid vereist was in gebreke blijft, komt het sacrament niet tot stand; zo bv. als de vereiste vorm of stof niet wordt aangewend. Welnu de bedienaar die voor een sacrament vereist wordt is degene die vrij blijft van zondesmet: we lezen toch in het boek Leviticus (21/17). Heeft iemand van uw zaad in de families een gebrek, dan zal hij aan God de broden niet aanbieden en hij zal tot het dienstwerk van de Heer niet naderen.” zo werkt dus het sacrament wanneer de bedienaar boos gesteld is, niets uit.
B: (Lev 21:17) [b:Lev 21:17] (Lev 21:18) [b:Lev 21:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 5 s. c.
Daartegenover echter staat dat Augustinus zegt op die woorde van Johannes (1/33): “Op wien Gij de geest Gods zult zien enz...” (5e Trakt. op Joan.): “Want wat wist Johannes niet van de Christus? Dat de Heer de macht van het doopsel zou bezitten en voor Hem opeisen, maar dat Hij de bediening ervan zou doen overgaan op goede en slechten. Wat kan het U schelen of de bedienaar slecht is, als de Heer maar goed is?”
B: (John 1:33, John 1:33) [b:John 1:33]
Daartegenover echter staat dat Augustinus zegt op die woorde van Johannes (1/33): “Op wien Gij de geest Gods zult zien enz...” (5e Trakt. op Joan.): “Want wat wist Johannes niet van de Christus? Dat de Heer de macht van het doopsel zou bezitten en voor Hem opeisen, maar dat Hij de bediening ervan zou doen overgaan op goede en slechten. Wat kan het U schelen of de bedienaar slecht is, als de Heer maar goed is?”
B: (John 1:33, John 1:33) [b:John 1:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zoals bewezen werd (1e en 3e artikel dezer kw.) dragen de bedienaars van de heilige Kerk op werktuigelijke wijze tot de sacramenten bij, bedienaar en werktuig dekken immers als hetzelfde begrip. Hierboven ook (Kw. 62, A. 2,3) hebben we gezegd dat een werktuig niet naar eigen vorm en kracht maar wel overeenkomstig de kracht van hetgeen waardoor het bewogen wordt werkzaam is. Daarom is het zolang voor hetgeen tot de wezenheid zelf van het werktuig vereist wordt, een uitzondering wordt gemaakt, voor een werktuig als werktuig, van bijkomstig belang welke vorm of welke kracht het zelf bezit. Het doet er immers niet toe of bv. het lichaam van een geneesheer, dat nochtans het werktuig is van de ziel die geneeskunde kent, ziek dan wel gezond is, of een waterleiding uit lood dan wel uit zilver is. Zo kunnen dus de bedienaars van de heilige kerk ook als ze boos gesteld zijn, de sacramenten toedienen
R: q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1] q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1] q. 62 a. 4[t:iiia q. 62 a. 4]
Mijn antwoord. Zoals bewezen werd (1e en 3e artikel dezer kw.) dragen de bedienaars van de heilige Kerk op werktuigelijke wijze tot de sacramenten bij, bedienaar en werktuig dekken immers als hetzelfde begrip. Hierboven ook (Kw. 62, A. 2,3) hebben we gezegd dat een werktuig niet naar eigen vorm en kracht maar wel overeenkomstig de kracht van hetgeen waardoor het bewogen wordt werkzaam is. Daarom is het zolang voor hetgeen tot de wezenheid zelf van het werktuig vereist wordt, een uitzondering wordt gemaakt, voor een werktuig als werktuig, van bijkomstig belang welke vorm of welke kracht het zelf bezit. Het doet er immers niet toe of bv. het lichaam van een geneesheer, dat nochtans het werktuig is van de ziel die geneeskunde kent, ziek dan wel gezond is, of een waterleiding uit lood dan wel uit zilver is. Zo kunnen dus de bedienaars van de heilige kerk ook als ze boos gesteld zijn, de sacramenten toedienen
R: q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1] q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1] q. 62 a. 4[t:iiia q. 62 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Niet uit eigen kracht reinigen de bedienaars de mensen die tot de sacramenten naderen, en geven ze hun genade; uit eigen kracht doet zulks Christus hoewel met behulp van hen als van werktuigen. Zo wordt dan in degenen die de sacramenten ontvangen het uitwerksel niet door gelijkenis met de bedienaars, maar door gelijkmaking met Christus teweeggebracht.
1e Weerlegging. Niet uit eigen kracht reinigen de bedienaars de mensen die tot de sacramenten naderen, en geven ze hun genade; uit eigen kracht doet zulks Christus hoewel met behulp van hen als van werktuigen. Zo wordt dan in degenen die de sacramenten ontvangen het uitwerksel niet door gelijkenis met de bedienaars, maar door gelijkmaking met Christus teweeggebracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Door de liefde worden de ledematen van Christus, om het laatste leven te erlangen met het hoofd verbonden zoals immers Joan. In zijn Eerste Brief (3/14) zegt: “Blijft, wie niet bemint in de dood.” Iemand kam nu, zolang het maar op een of andere wijze met door hem bewogen te worden bij hem aansluit, met behulp van een levenloos werktuig dat van hem is afgescheiden, en geen deel uitmaakt van zijn lichaam, een of ander bewerken; zo arbeidt een werkman niet op dezelfde wijze met zijn handen als met een zaag. Welnu zo ook werkt Christus in de sacramenten met behulp van de goede als van de levende lede, met behulp van de kwade als van werktuigen die van het leven verstoken zijn.
B: (1John 3:14) [b:1John 3:14]
2e Weerlegging. Door de liefde worden de ledematen van Christus, om het laatste leven te erlangen met het hoofd verbonden zoals immers Joan. In zijn Eerste Brief (3/14) zegt: “Blijft, wie niet bemint in de dood.” Iemand kam nu, zolang het maar op een of andere wijze met door hem bewogen te worden bij hem aansluit, met behulp van een levenloos werktuig dat van hem is afgescheiden, en geen deel uitmaakt van zijn lichaam, een of ander bewerken; zo arbeidt een werkman niet op dezelfde wijze met zijn handen als met een zaag. Welnu zo ook werkt Christus in de sacramenten met behulp van de goede als van de levende lede, met behulp van de kwade als van werktuigen die van het leven verstoken zijn.
B: (1John 3:14) [b:1John 3:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Iets kan op een dubbele wijze voor de sacramenten noodzakelijk zijn; het kan namelijk tot het bestaan zelf van de sacramenten vandoen zijn, zodat wanneer het in gebreke blijft het sacrament niet bestaat, zo bv. wanneer de vereiste vorm of stof ontbreekt; het kan ook om een zekere welvoeglijkheid in de sacramenten vereist worden en op die wijze wordt gevergd dat de bedienaars van de sacramenten zouden goed gesteld zijn.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 64 a. 6 co.[t:iiia q. 64 a. 6 co.]
3e Weerlegging. Iets kan op een dubbele wijze voor de sacramenten noodzakelijk zijn; het kan namelijk tot het bestaan zelf van de sacramenten vandoen zijn, zodat wanneer het in gebreke blijft het sacrament niet bestaat, zo bv. wanneer de vereiste vorm of stof ontbreekt; het kan ook om een zekere welvoeglijkheid in de sacramenten vereist worden en op die wijze wordt gevergd dat de bedienaars van de sacramenten zouden goed gesteld zijn.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 64 a. 6 co.[t:iiia q. 64 a. 6 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Zondigen boze bedienaars bij het toedienen van de Sacramenten?
IIIa q. 64 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert dat boze bedienaars niet zondigen bij het toedienen van de sacramenten. Zoals men God dient in de sacramenten, zo ook doet men het door de werken van liefde; St. Paulus immers schrijft in zijn Brief aan de Hebreërs (13/16): “Verzuimt de weldadigheid en de onderlingen bijstand niet, want aan van de gelijke sacrificies heeft God welbehagen.” boze bedienaars nu zondigen met wanneer zij God door werken van liefde dienen maar wel in tegendeel moet men hun aanraden zulks te doen. De Profeet Daniël toch heeft gezegd (4/24): “Mijn raad zij u welgevallig en koop uw zonde af door aalmoezen.” zo zondigen boze bedienaars dus niet bij het toedienen van de sacramenten.
B: (Dan 4:24) [b:Dan 4:24] (Heb 13:16) [b:Heb 13:16]
Over het zesde als volgt. Men beweert dat boze bedienaars niet zondigen bij het toedienen van de sacramenten. Zoals men God dient in de sacramenten, zo ook doet men het door de werken van liefde; St. Paulus immers schrijft in zijn Brief aan de Hebreërs (13/16): “Verzuimt de weldadigheid en de onderlingen bijstand niet, want aan van de gelijke sacrificies heeft God welbehagen.” boze bedienaars nu zondigen met wanneer zij God door werken van liefde dienen maar wel in tegendeel moet men hun aanraden zulks te doen. De Profeet Daniël toch heeft gezegd (4/24): “Mijn raad zij u welgevallig en koop uw zonde af door aalmoezen.” zo zondigen boze bedienaars dus niet bij het toedienen van de sacramenten.
B: (Dan 4:24) [b:Dan 4:24] (Heb 13:16) [b:Heb 13:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Wie tot iemands zonde bijdraagt maakt zich aan dezelfde zonde plichtig. De Brief aan de Romeinen (1 /32) zegt immers: “Zij verdienen de dood, niet alleen degenen die de zonde bedrijven, doch ook diegenen die behagen vinden in wie ze doen.” Moesten nu boze bedienaars wanneer ze de sacramenten toedienen zondigen, dan zouden degenen die van hen de sacramenten ontvangen eveneens zondigen. Dit echter is onaannemelijk.
B: (Rom 1:32) [b:Rom 1:32]
Vervolgens. Wie tot iemands zonde bijdraagt maakt zich aan dezelfde zonde plichtig. De Brief aan de Romeinen (1 /32) zegt immers: “Zij verdienen de dood, niet alleen degenen die de zonde bedrijven, doch ook diegenen die behagen vinden in wie ze doen.” Moesten nu boze bedienaars wanneer ze de sacramenten toedienen zondigen, dan zouden degenen die van hen de sacramenten ontvangen eveneens zondigen. Dit echter is onaannemelijk.
B: (Rom 1:32) [b:Rom 1:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Niemand mag een radeloos geweten hebben, want aldus zou een mens, alsof hij de zonde niet kon ontkomen, tot wanhoop gebracht worden. Moesten nu boze bedienaars wanneer zij de sacramenten toedienen zondigen dan zouden ze radeloos zijn; soms immers zouden ze ook zondigen wanneer ze de sacramenten niet toedienen zo bv. wanneer hun ambt er hen toe verplicht het wel te doen. St. Paulus toch zegt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (9/16): “Wee mij, als ik niet predik, want het is een taak die mij opgelegd is”; — of nog wanneer gevaar dreigt, wanneer bv. een stervend kind aan een boos bedienaar ten doopsel aangeboden wordt. Zo zondigen boze bedienaars dus met wanneer zij de sacramenten toedienen.
B: (1Cor 9:16) [b:1Cor 9:16]
Vervolgens. Niemand mag een radeloos geweten hebben, want aldus zou een mens, alsof hij de zonde niet kon ontkomen, tot wanhoop gebracht worden. Moesten nu boze bedienaars wanneer zij de sacramenten toedienen zondigen dan zouden ze radeloos zijn; soms immers zouden ze ook zondigen wanneer ze de sacramenten niet toedienen zo bv. wanneer hun ambt er hen toe verplicht het wel te doen. St. Paulus toch zegt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (9/16): “Wee mij, als ik niet predik, want het is een taak die mij opgelegd is”; — of nog wanneer gevaar dreigt, wanneer bv. een stervend kind aan een boos bedienaar ten doopsel aangeboden wordt. Zo zondigen boze bedienaars dus met wanneer zij de sacramenten toedienen.
B: (1Cor 9:16) [b:1Cor 9:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter wat Dionysius zegt in zijn Boek over de Kerkelijke Hiërarchie I.: “Het is aan bozen niet geoorloofd symbolen, dit ruil zeggen sacramentele tekenen aan te raken. En in zijn Brief aan Demophilus zegt hij ook nog: “Ben zondaar die zich aan priesterlijk werk durft wagen, is roekeloos, hij vreest niet en schaamt zich niet het goddelijke buiten God om te volvoeren, denkend dat God niet weet wat hij van zichzelf weet, hij meent dat hij de vader die hij ten onrechte zijn vader noemt kon bedriegen, en hij durft het aan geilen laster, — gebed zal ik zulks niet noemen, — over de goddelijke tekenen uit te spreken.”
Daartegenover staat echter wat Dionysius zegt in zijn Boek over de Kerkelijke Hiërarchie I.: “Het is aan bozen niet geoorloofd symbolen, dit ruil zeggen sacramentele tekenen aan te raken. En in zijn Brief aan Demophilus zegt hij ook nog: “Ben zondaar die zich aan priesterlijk werk durft wagen, is roekeloos, hij vreest niet en schaamt zich niet het goddelijke buiten God om te volvoeren, denkend dat God niet weet wat hij van zichzelf weet, hij meent dat hij de vader die hij ten onrechte zijn vader noemt kon bedriegen, en hij durft het aan geilen laster, — gebed zal ik zulks niet noemen, — over de goddelijke tekenen uit te spreken.”
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 6 co.
Mijn antwoord. Aristoteles zegt in zijn Ethica (2,3) dat iemand die bij het handelen iets verkeerds doet, zondigt. Welnu het past dat de bedienaars bij het bedienen van de sacramenten zoude rechtvaardig bevonden worden, de bedienaars van God moeten immers op hem gelijken. Derhalve zegt het boek Leviticus (19, 2): “Weest heilig, omdat Ik heilig ben.” en het Boek Eccleciasticus (10, 2): “Zoals de rechters van een volk zijn, zo zijn ook zijn dienaars.” Daarom zondigen de bozen die de bediening van de kerk en van God waarnemen, elke twijfel is daaromtrent uitgesloten. Daar nu een van de gelijke zonde een oneerbiedigheid is en een onteering van de sacramenten, — aan zichvallen de sacramenten wel niet te onteren, maar de zondaar zelf onteert ze, — zo volgt daaruit dat een van de gelijke zonde van aard uit een doodzonde is.
B: (Lev 19:2) [b:Lev 19:2] (Sir 10:2) [b:Sir 10:2]
R: q. 64 a. 5 ad 3[t:iiia q. 64 a. 5 ad 3]
Mijn antwoord. Aristoteles zegt in zijn Ethica (2,3) dat iemand die bij het handelen iets verkeerds doet, zondigt. Welnu het past dat de bedienaars bij het bedienen van de sacramenten zoude rechtvaardig bevonden worden, de bedienaars van God moeten immers op hem gelijken. Derhalve zegt het boek Leviticus (19, 2): “Weest heilig, omdat Ik heilig ben.” en het Boek Eccleciasticus (10, 2): “Zoals de rechters van een volk zijn, zo zijn ook zijn dienaars.” Daarom zondigen de bozen die de bediening van de kerk en van God waarnemen, elke twijfel is daaromtrent uitgesloten. Daar nu een van de gelijke zonde een oneerbiedigheid is en een onteering van de sacramenten, — aan zichvallen de sacramenten wel niet te onteren, maar de zondaar zelf onteert ze, — zo volgt daaruit dat een van de gelijke zonde van aard uit een doodzonde is.
B: (Lev 19:2) [b:Lev 19:2] (Sir 10:2) [b:Sir 10:2]
R: q. 64 a. 5 ad 3[t:iiia q. 64 a. 5 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Werken van liefde worden niet door een wijding geheiligd, maar behoren als delen van bewuste rechtvaardigheid tot de heiligheid van de rechtvaardigheid. Daarom wordt een mens die God met de werken van liefde dient, als hij reeds rechtvaardig is, nog heiliger; is hij integendeel een zondaar, dan wordt hij erdoor tot de rechtvaardigheid voorbereid. De sacramenten echter hebben dankzij hun mystische wijding aan zich zelf iets heiligs, en daarom wordt er vooraf zoals bij zijn bediening past, in de bedienaar de heiligheid der rechtvaardigheid vereist. Zo handelt hij dus verkeer en zondigt wanneer hij in zonde zijn ambt waarneemt.
1e Weerlegging. Werken van liefde worden niet door een wijding geheiligd, maar behoren als delen van bewuste rechtvaardigheid tot de heiligheid van de rechtvaardigheid. Daarom wordt een mens die God met de werken van liefde dient, als hij reeds rechtvaardig is, nog heiliger; is hij integendeel een zondaar, dan wordt hij erdoor tot de rechtvaardigheid voorbereid. De sacramenten echter hebben dankzij hun mystische wijding aan zich zelf iets heiligs, en daarom wordt er vooraf zoals bij zijn bediening past, in de bedienaar de heiligheid der rechtvaardigheid vereist. Zo handelt hij dus verkeer en zondigt wanneer hij in zonde zijn ambt waarneemt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Hij die tot de sacramenten nadert ontvangt de sacramenten van de bedienaar van de heilige Kerk, niet in zover deze een bepaald persoon is, maar wel inzover hij een bedienaar is van de heilige Kerk. Daarom ook draagt hij zolang de heilige Kerk het toelaat, tot de zonde van degenen van wien hij een sacrament ontvangt niet bij. Wanneer de heilige Kerk het echter niet meer toelaat, wanneer zij bv. iemand ontzet of in de ban slaat of suspendeert dan zondigt, daar hij tot dies zonde bij draagt, hij die van een van de gelijken bedienaar een sacrament ontvangt.
2e Weerlegging. Hij die tot de sacramenten nadert ontvangt de sacramenten van de bedienaar van de heilige Kerk, niet in zover deze een bepaald persoon is, maar wel inzover hij een bedienaar is van de heilige Kerk. Daarom ook draagt hij zolang de heilige Kerk het toelaat, tot de zonde van degenen van wien hij een sacrament ontvangt niet bij. Wanneer de heilige Kerk het echter niet meer toelaat, wanneer zij bv. iemand ontzet of in de ban slaat of suspendeert dan zondigt, daar hij tot dies zonde bij draagt, hij die van een van de gelijken bedienaar een sacrament ontvangt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Degene die in staat van doodzonde verkeert is strikt gesproken wanneer zijn ambt hem verplicht sacramenten uit te reiken, niet radeloos. Hij kan immers over zijn zonde berouw hebben en op geoorloofde wijze het sacrament toedienen Onderstelt men echter dat hij wil in zonde blijven dan is het best mogelijk dat hij radeloos wordt. Nochtans zal hij wanneer er stervensgevaar dreigt niet zondigen met in de gevallen waar ook een leek mag dopen, het doopsel toe te dienen; zo blijkt toch dat hij zich niet als bedienaar van de heilige kerk aanstelt, maar alleen een mens die in gevaar verkeert ter hulp snelt. Voor de andere sacramenten, die niet zo onontbeerlijk zijn als het doopsel gaat zulks echter, zoals verder zal blijken (67e Kw., A. 3-4) niet op.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4] q. 62 a. 3[t:iiia q. 62 a. 3]
3e Weerlegging. Degene die in staat van doodzonde verkeert is strikt gesproken wanneer zijn ambt hem verplicht sacramenten uit te reiken, niet radeloos. Hij kan immers over zijn zonde berouw hebben en op geoorloofde wijze het sacrament toedienen Onderstelt men echter dat hij wil in zonde blijven dan is het best mogelijk dat hij radeloos wordt. Nochtans zal hij wanneer er stervensgevaar dreigt niet zondigen met in de gevallen waar ook een leek mag dopen, het doopsel toe te dienen; zo blijkt toch dat hij zich niet als bedienaar van de heilige kerk aanstelt, maar alleen een mens die in gevaar verkeert ter hulp snelt. Voor de andere sacramenten, die niet zo onontbeerlijk zijn als het doopsel gaat zulks echter, zoals verder zal blijken (67e Kw., A. 3-4) niet op.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4] q. 62 a. 3[t:iiia q. 62 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Kunnen Engelen Sacramenten toedienen?
IIIa q. 64 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat de engelen sacramenten kunnen toedienen Wat een lager bedienaar kan, dat kan ook een hoger Al wat bv. een diaken kan, dat kan ook een priester. Welnu de engelen staan zoals overigens blijkt uit wat Dionysius in zijn Boek over de Hemelse Hiërarchie IX zegt, hoger dan alle mensen. Kunnen dus mensen de sacramenten toedienen dan kunnen het nog veeleer de engelen.
Over het zevende als volgt. Men beweert dat de engelen sacramenten kunnen toedienen Wat een lager bedienaar kan, dat kan ook een hoger Al wat bv. een diaken kan, dat kan ook een priester. Welnu de engelen staan zoals overigens blijkt uit wat Dionysius in zijn Boek over de Hemelse Hiërarchie IX zegt, hoger dan alle mensen. Kunnen dus mensen de sacramenten toedienen dan kunnen het nog veeleer de engelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 7 arg. 2
Vervolgens. In het Evangelie van Mattheus (22, 30) worden de heiligen met de engelen van de hemel gelijkgesteld.” Welnu in de hemel zijn er heiligen die de sacramenten kunnen toedienen het sacramenteel merkteken is immers, zoals werd aangetoond (vorige Kw., 5e art.) onuitwisbaar. Zo kunnen dus ook de engelen sacramenten toedienen.
B: (Matt 22:30) [b:Matt 22:30]
R: q. 63 a. 5[t:iiia q. 63 a. 5]
Vervolgens. In het Evangelie van Mattheus (22, 30) worden de heiligen met de engelen van de hemel gelijkgesteld.” Welnu in de hemel zijn er heiligen die de sacramenten kunnen toedienen het sacramenteel merkteken is immers, zoals werd aangetoond (vorige Kw., 5e art.) onuitwisbaar. Zo kunnen dus ook de engelen sacramenten toedienen.
B: (Matt 22:30) [b:Matt 22:30]
R: q. 63 a. 5[t:iiia q. 63 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Er werd aan getoond (8e Kw., 7e Art.) dat de duivel het hoofd is van de bozen en de bozen zijn ledematen zijn. Welnu bozen kunnen de sacramenten toedienen dus ook de duivelen.
R: q. 8 a. 7[t:iiia q. 8 a. 7]
Vervolgens. Er werd aan getoond (8e Kw., 7e Art.) dat de duivel het hoofd is van de bozen en de bozen zijn ledematen zijn. Welnu bozen kunnen de sacramenten toedienen dus ook de duivelen.
R: q. 8 a. 7[t:iiia q. 8 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter wat de Brief aan de Hebreeërs zegt (5, 1): “Ieder hogepriester wordt uit de mensen genomen en in de plaats van de mensen aangesteld voor de eredienst aan God.” Welnu, engelen en duivelen zijn niet uit mensen en worden dus niet voor de eredienst van God d. i. voor de sacramenten aangesteld.
B: (Heb 5:1) [b:Heb 5:1]
Daartegenover staat echter wat de Brief aan de Hebreeërs zegt (5, 1): “Ieder hogepriester wordt uit de mensen genomen en in de plaats van de mensen aangesteld voor de eredienst aan God.” Welnu, engelen en duivelen zijn niet uit mensen en worden dus niet voor de eredienst van God d. i. voor de sacramenten aangesteld.
B: (Heb 5:1) [b:Heb 5:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 7 co.
Mijn antwoord. Hierboven toonden we aan (3e Art.) dat al de kracht van de sacramenten ons toevloeit uit het lijden van Christus, als mens; de mensen nu zijn hem in nature gelijk, de engelen geenszins. Door zijn lijden is hij immers zoals blijkt uit de Brief aan de Hebreeërs (2, 7): “voor een korte wijl beneden de engelen verlaagd geweest.” Daarom dan komt het de mensen, niet de engelen toe de sacramenten uit te reiken en er de bedienaars van te zijn. Men moet echter in acht nemen, dat God niet van de mate de sacramenten zijn kracht aanbond, dat hij zonder sacramenten de uitwerkselen van deze niet zou kunnen toebedelen; zo ook heeft hij niet van de mate zijn kracht aan de bedienaars van de heilige kerk meegedeeld, dat hij ook aan de engelen niet zou kunnen macht schenken om de sacramenten uit te reiken, ook zou dan, daar toch de goede engelen verkondigers zijn van de waarheid, de sacramentele bediening indien zij door goede engelen voltrokken werd geldig zijn; dan zou immers blijken dat het door Gods wil geschiedde; er wordt overigens gezegd dat sommige kerken door de bediening van de engelen gewijd weren. Moesten echter de duivelen die geesten zijn van de leugen een sacramentele bediening uitoefenen dan zou die bediening ongeldig zijn.
B: (Heb 2:9) [b:Heb 2:9]
R: q. 64 a. 3[t:iiia q. 64 a. 3] q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Mijn antwoord. Hierboven toonden we aan (3e Art.) dat al de kracht van de sacramenten ons toevloeit uit het lijden van Christus, als mens; de mensen nu zijn hem in nature gelijk, de engelen geenszins. Door zijn lijden is hij immers zoals blijkt uit de Brief aan de Hebreeërs (2, 7): “voor een korte wijl beneden de engelen verlaagd geweest.” Daarom dan komt het de mensen, niet de engelen toe de sacramenten uit te reiken en er de bedienaars van te zijn. Men moet echter in acht nemen, dat God niet van de mate de sacramenten zijn kracht aanbond, dat hij zonder sacramenten de uitwerkselen van deze niet zou kunnen toebedelen; zo ook heeft hij niet van de mate zijn kracht aan de bedienaars van de heilige kerk meegedeeld, dat hij ook aan de engelen niet zou kunnen macht schenken om de sacramenten uit te reiken, ook zou dan, daar toch de goede engelen verkondigers zijn van de waarheid, de sacramentele bediening indien zij door goede engelen voltrokken werd geldig zijn; dan zou immers blijken dat het door Gods wil geschiedde; er wordt overigens gezegd dat sommige kerken door de bediening van de engelen gewijd weren. Moesten echter de duivelen die geesten zijn van de leugen een sacramentele bediening uitoefenen dan zou die bediening ongeldig zijn.
B: (Heb 2:9) [b:Heb 2:9]
R: q. 64 a. 3[t:iiia q. 64 a. 3] q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Wat de mensen op minder volmaakte wijze, d. i. met zintuigelijk waarneembare sacramenten, die aan hun natuur aangepast zijn voltrekken, dat doen de engelen als hogere bedienaars op volmaakter manier, d. i. met te reinigen, te verlichten en te vervolmaken.
1e Weerlegging. Wat de mensen op minder volmaakte wijze, d. i. met zintuigelijk waarneembare sacramenten, die aan hun natuur aangepast zijn voltrekken, dat doen de engelen als hogere bedienaars op volmaakter manier, d. i. met te reinigen, te verlichten en te vervolmaken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. De heiligen die in de hemel zijn, zijn de engelen wat hun deelachtigheid aan de hemelse glorie betreft gelijk; naar de aard van hun natuur beschouwd, hebben ze echter geen gelijkenis met mekaar, en daardoor wat de sacramentele bediening betreft evenmin.
2e Weerlegging. De heiligen die in de hemel zijn, zijn de engelen wat hun deelachtigheid aan de hemelse glorie betreft gelijk; naar de aard van hun natuur beschouwd, hebben ze echter geen gelijkenis met mekaar, en daardoor wat de sacramentele bediening betreft evenmin.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Boze mensen hebben door die ze om hun kwaadwilligheid ledematen van de duivel zijn de macht niet om sacramenten toe te dienen. Onnodig dus te besluiten dat de duivel daar hij hun hoofd is, nog veeleer macht daartoe heeft.
3e Weerlegging. Boze mensen hebben door die ze om hun kwaadwilligheid ledematen van de duivel zijn de macht niet om sacramenten toe te dienen. Onnodig dus te besluiten dat de duivel daar hij hun hoofd is, nog veeleer macht daartoe heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Wordt voor de geldigheid van het Sacrament het opzet van de bedienaar vereist?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 60 a. 8 co.
IIIa q. 64 a. 9 arg. 1
IIIa q. 64 a. 9 arg. 1
IIIa q. 66 a. 8 ad 3[t:iiia q. 60 a. 8 co.][t:iiia q. 64 a. 9 arg. 1][t:iiia q. 64 a. 9 arg. 1][t:iiia q. 66 a. 8 ad 3]
IIIa q. 64 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert dat het opzet van de bedienaar voor de geldigheid van het sacrament niet vereist wordt. De bedienaar draagt als werktuigelijke kracht tot de sacramenten bij; hun werking nu wordt niet naar het opzet van het werktuig, maar wel naar het opzet van de hoofdbewerker voltrokken. Zo wordt het opzet van de bedienaar dus niet tot de geldigheid van het sacrament vereist.
IIIa q. 60 a. 8 co.
IIIa q. 64 a. 9 arg. 1
IIIa q. 64 a. 9 arg. 1
IIIa q. 66 a. 8 ad 3[t:iiia q. 60 a. 8 co.][t:iiia q. 64 a. 9 arg. 1][t:iiia q. 64 a. 9 arg. 1][t:iiia q. 66 a. 8 ad 3]
IIIa q. 64 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert dat het opzet van de bedienaar voor de geldigheid van het sacrament niet vereist wordt. De bedienaar draagt als werktuigelijke kracht tot de sacramenten bij; hun werking nu wordt niet naar het opzet van het werktuig, maar wel naar het opzet van de hoofdbewerker voltrokken. Zo wordt het opzet van de bedienaar dus niet tot de geldigheid van het sacrament vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Een mens kan het opzet van zijn evennaaste niet achterhalen. Indien echter het opzet van de bedienaar tot de geldigheid van het sacrament vereist werd, dan zou het een mens die tot de sacramenten nadert onmogelijk zijn te weten of wel degelijk een sacrament ontvangen heeft, en al dus zou vooral daar er enige sacramenten zijn, die, zoals verder zal bewezen worden (65e Kw., A. 3-4) vereist worden tot de zaligheid, aangaande zijn zaligheid geen zekerheid kunnen bezitten
R: q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Vervolgens. Een mens kan het opzet van zijn evennaaste niet achterhalen. Indien echter het opzet van de bedienaar tot de geldigheid van het sacrament vereist werd, dan zou het een mens die tot de sacramenten nadert onmogelijk zijn te weten of wel degelijk een sacrament ontvangen heeft, en al dus zou vooral daar er enige sacramenten zijn, die, zoals verder zal bewezen worden (65e Kw., A. 3-4) vereist worden tot de zaligheid, aangaande zijn zaligheid geen zekerheid kunnen bezitten
R: q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Een mens kan geen opzet hebben aangaande dingen hij niet bemerkt. Welnu het gebeurt dat degenen die de sacramenten toedienen door dat ze in gedachte met iets anders bezig waren niet eens letten op hetgeen ze zeggen of doen. Aldus zou gebrek aan opzet het sacrament niet voltrokken worden.
Vervolgens. Een mens kan geen opzet hebben aangaande dingen hij niet bemerkt. Welnu het gebeurt dat degenen die de sacramenten toedienen door dat ze in gedachte met iets anders bezig waren niet eens letten op hetgeen ze zeggen of doen. Aldus zou gebrek aan opzet het sacrament niet voltrokken worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter dat wat zonder op zet geschiedt toevallig is. Dit nu mag van de sacramentele werking niet gezegd worden, en zo wordt dus het inzicht van de bedienaar in de sacramenten vereist.
Daartegenover staat echter dat wat zonder op zet geschiedt toevallig is. Dit nu mag van de sacramentele werking niet gezegd worden, en zo wordt dus het inzicht van de bedienaar in de sacramenten vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 8 co.
Mijn antwoord. Wanneer iets tot verschillende doeleinde kan aangewend worden, moet het wanneer men alleen één doel wil bewerkstelligen op dat ene doel gericht worden. We nu wat men in de sacramenten volvoert kan op verschillende manieren worden aangewend: zo kan het wassen met water dat in het doopsel gebeurt op lichamelijke reinheid, op lichamelijke gezondheid, op spel... en op andere dingen meer aangewezen zijn. Daarom moet dan het wassen met water door het opzet van degene die wast op een enkel doel, op het sacramentele uitwerksel nl. gericht worden, en dit opzet wordt door de woorden die in de sacramenten uitgesproken worden bv. wanneer men zegt: “ik doop u in de naam van de Vader enz...”, uitgedrukt.
Mijn antwoord. Wanneer iets tot verschillende doeleinde kan aangewend worden, moet het wanneer men alleen één doel wil bewerkstelligen op dat ene doel gericht worden. We nu wat men in de sacramenten volvoert kan op verschillende manieren worden aangewend: zo kan het wassen met water dat in het doopsel gebeurt op lichamelijke reinheid, op lichamelijke gezondheid, op spel... en op andere dingen meer aangewezen zijn. Daarom moet dan het wassen met water door het opzet van degene die wast op een enkel doel, op het sacramentele uitwerksel nl. gericht worden, en dit opzet wordt door de woorden die in de sacramenten uitgesproken worden bv. wanneer men zegt: “ik doop u in de naam van de Vader enz...”, uitgedrukt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Een levenloos werktuig kan in verhouding tot zijn uitwerksel op geen opzet wijzen, maar dit opzet wordt door de beweging van de hoofdbeweger vervangen. Een levend werktuig daarentegen zo bv. een bedienaar wordt niet alleen bewogen maar beweegt ook inzover hij door zijn wil zijn ledematen tot handelen aanzet, enigermate zichzelf. Daarom wordt dan ook bij dit laatste werktuig een opzet vereist waardoor het zich, om te doen wat Christus en zijn Kerk doen, aan de hoofdbeweger onderwerpt.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 64 a. 10 arg. 1[t:iiia q. 64 a. 10 arg. 1]
1e Weerlegging. Een levenloos werktuig kan in verhouding tot zijn uitwerksel op geen opzet wijzen, maar dit opzet wordt door de beweging van de hoofdbeweger vervangen. Een levend werktuig daarentegen zo bv. een bedienaar wordt niet alleen bewogen maar beweegt ook inzover hij door zijn wil zijn ledematen tot handelen aanzet, enigermate zichzelf. Daarom wordt dan ook bij dit laatste werktuig een opzet vereist waardoor het zich, om te doen wat Christus en zijn Kerk doen, aan de hoofdbeweger onderwerpt.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 64 a. 10 arg. 1[t:iiia q. 64 a. 10 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Hier worden twee meningen verdedigd. Sommigen nl. zeggen dat er in de bedienaar een innerlijk opzet vereist wordt, en indie het ontbreekt dan zal het sacrament niet tot stand komen; bij kinderen echter die het opzet niet hebben het sacrament te ontvangen zou dit euvel door Christus, die innerlijk doopt worden goed gemaakt; bij volwassenen daarentegen die bet opzet hebben het sacrament te ontvangen zou door het geloof en door de godsvrucht aan dit euvel verholpen worden. Zolang het gaat om het laatste uitwerksel, om de rechtvaardigmaking en bevrijding van de zonde nl. kan een van de gelijke mening verdedigd worden, gaat het evenwel om een uitwerksel dat én ding is én sacrament, om het merkteken nl. dan kan, daar toch het merkteken en e door het sacrament wordt ingeprent, bewust tekort niet door de godsvrucht van degene die tot het sacrament nadert worden aangevuld. Daarom nu staan anderen een betere mening voor en zeggen, dat de bedienaar van de sacramenten handelt als vertegenwoordiger van de hele Kerk, van wie hij bedienaar is. In de woorden die hij uitspreekt wordt dan het opzet van de Kerk uitgesproken, en zolang door de bedienaar of door degene die het sacrament ontvangt niet het tegenovergestelde wordt uitgesproken, volstaat zulks voor de geldigheid van het sacrament.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 64 a. 9 ad 1[t:iiia q. 64 a. 9 ad 1]
2e Weerlegging. Hier worden twee meningen verdedigd. Sommigen nl. zeggen dat er in de bedienaar een innerlijk opzet vereist wordt, en indie het ontbreekt dan zal het sacrament niet tot stand komen; bij kinderen echter die het opzet niet hebben het sacrament te ontvangen zou dit euvel door Christus, die innerlijk doopt worden goed gemaakt; bij volwassenen daarentegen die bet opzet hebben het sacrament te ontvangen zou door het geloof en door de godsvrucht aan dit euvel verholpen worden. Zolang het gaat om het laatste uitwerksel, om de rechtvaardigmaking en bevrijding van de zonde nl. kan een van de gelijke mening verdedigd worden, gaat het evenwel om een uitwerksel dat én ding is én sacrament, om het merkteken nl. dan kan, daar toch het merkteken en e door het sacrament wordt ingeprent, bewust tekort niet door de godsvrucht van degene die tot het sacrament nadert worden aangevuld. Daarom nu staan anderen een betere mening voor en zeggen, dat de bedienaar van de sacramenten handelt als vertegenwoordiger van de hele Kerk, van wie hij bedienaar is. In de woorden die hij uitspreekt wordt dan het opzet van de Kerk uitgesproken, en zolang door de bedienaar of door degene die het sacrament ontvangt niet het tegenovergestelde wordt uitgesproken, volstaat zulks voor de geldigheid van het sacrament.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 64 a. 9 ad 1[t:iiia q. 64 a. 9 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 2
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Gestis Verbisque ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Alhoewel degene die over iets anders nadenkt geen daadwerkelijk opzet heeft toch heeft hij een sluimerend opzet, en is voor de geldigheid van het sacrament voldoende zo bijvoorbeeld wanneer een priester die zich voorbereidt om te dopen het opzet te doen wat de heilige Kerk doet, wordt hij daarna bij de uitoefening van die daad met andere gedachten bezig gehouden dan wordt toch uit kracht van het opzet, dat hij zich eerst voorgenomen had het sacrament voltrokken. Niettemin moet de bedienaar zich beijveren om ook het daadwerkelijk opzet te hebben. Alleen ligt dit niet volkomen in de macht van de mens, wanneer immers een mens zijn aandacht wil grondig op iets vestigen wordt deze zonder dat hij het wil, naar hetgeen de Psalm 39, 13 zegt: “mijn eigen hart heeft mij verlaten”, makkelijk door iets anders aangetrokken.
3e Weerlegging. Alhoewel degene die over iets anders nadenkt geen daadwerkelijk opzet heeft toch heeft hij een sluimerend opzet, en is voor de geldigheid van het sacrament voldoende zo bijvoorbeeld wanneer een priester die zich voorbereidt om te dopen het opzet te doen wat de heilige Kerk doet, wordt hij daarna bij de uitoefening van die daad met andere gedachten bezig gehouden dan wordt toch uit kracht van het opzet, dat hij zich eerst voorgenomen had het sacrament voltrokken. Niettemin moet de bedienaar zich beijveren om ook het daadwerkelijk opzet te hebben. Alleen ligt dit niet volkomen in de macht van de mens, wanneer immers een mens zijn aandacht wil grondig op iets vestigen wordt deze zonder dat hij het wil, naar hetgeen de Psalm 39, 13 zegt: “mijn eigen hart heeft mij verlaten”, makkelijk door iets anders aangetrokken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Wordt voor de geldigheid der Sacramenten bij de bedienaar het geloof vereist?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 67 a. 2 ad 1[t:iiia q. 67 a. 2 ad 1]
IIIa q. 64 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert dat voor de geldigheid van de sacramenten de bedienaar het geloof moet hebben. Zoals bewezen werd (in het vorig artikel) is het opzet van de bedienaar nodig tot de geldigheid van de sacramenten. Welnu naar hetgeen St. Augustinus zegt in zijn Boek “Tegen Julianus” (4, 3): “leidt het geloof het opzet.” Als dus in de bedienaar het ware geloof ontbreekt dan wordt het sacrament niet voltrokken.
R: q. 64 a. 8[t:iiia q. 64 a. 8] q. 64 a. 8[t:iiia q. 64 a. 8]
IIIa q. 67 a. 2 ad 1[t:iiia q. 67 a. 2 ad 1]
IIIa q. 64 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert dat voor de geldigheid van de sacramenten de bedienaar het geloof moet hebben. Zoals bewezen werd (in het vorig artikel) is het opzet van de bedienaar nodig tot de geldigheid van de sacramenten. Welnu naar hetgeen St. Augustinus zegt in zijn Boek “Tegen Julianus” (4, 3): “leidt het geloof het opzet.” Als dus in de bedienaar het ware geloof ontbreekt dan wordt het sacrament niet voltrokken.
R: q. 64 a. 8[t:iiia q. 64 a. 8] q. 64 a. 8[t:iiia q. 64 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 9 arg. 2
Vervolgens. Indien de bedienaar van de heilige Kerk het ware geloof niet heeft dan is hij een ketter. De ketters echter mogen de sacramenten niet toedienen Cyprianus zegt immers in zijn Brief tegen de Ketters (1, 12): “Alles wat door ketters gedaan wordt is vleeselijk, ijdel en vals; zo gunnen we dus niets goed geuren van hetgeen zij verrichten.” En Paus Leo schrijft in een Brief aan Leo-Augustus: “Het is klaarblijkelijk dat door de allerwreedste en waanzinnigste dwaasheid in Alexandrië alle licht omtrent de hemelse sacramenten uitgedoofd is; de opdracht van het offer liep ten einde, de heiligmaking door het chrisma verdween, en al de mysteriën werden aan de snode handen van de goddelozen onttrokken.” zo wordt dan in de bedienaar het ware geloof tot de geldigheid van de sacramenten vereist.
Vervolgens. Indien de bedienaar van de heilige Kerk het ware geloof niet heeft dan is hij een ketter. De ketters echter mogen de sacramenten niet toedienen Cyprianus zegt immers in zijn Brief tegen de Ketters (1, 12): “Alles wat door ketters gedaan wordt is vleeselijk, ijdel en vals; zo gunnen we dus niets goed geuren van hetgeen zij verrichten.” En Paus Leo schrijft in een Brief aan Leo-Augustus: “Het is klaarblijkelijk dat door de allerwreedste en waanzinnigste dwaasheid in Alexandrië alle licht omtrent de hemelse sacramenten uitgedoofd is; de opdracht van het offer liep ten einde, de heiligmaking door het chrisma verdween, en al de mysteriën werden aan de snode handen van de goddelozen onttrokken.” zo wordt dan in de bedienaar het ware geloof tot de geldigheid van de sacramenten vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 9 arg. 3
Vervolgens. Degenen die het ware geloof niet bezitten zijn door de banvloek van de heilige Kerk afgescheiden; er staat nl. in de tweede Brief van St. Jan (10): “Als iemand tot u komt en die leer niet meebrengt, ontvangt hem dan niet in huis, en zegt hem dan niet “wees gegroet”. En ook in de Brief aan Titus (3, 10): “Een ketter moet ge na de eerste of tweede vermaning vermijden.” Een ketter echter mag, omdat hij van de Kerk afgescheiden is, en het de Kerk toekomt de sacramenten uit te reiken, de sacramenten van de Kerk niet toedienen zo wordt dus tot de geldigheid van de sacramenten bij de bedienaar het ware geloof vereist.
B: (Titus 3:10) [b:Titus 3:10]
Vervolgens. Degenen die het ware geloof niet bezitten zijn door de banvloek van de heilige Kerk afgescheiden; er staat nl. in de tweede Brief van St. Jan (10): “Als iemand tot u komt en die leer niet meebrengt, ontvangt hem dan niet in huis, en zegt hem dan niet “wees gegroet”. En ook in de Brief aan Titus (3, 10): “Een ketter moet ge na de eerste of tweede vermaning vermijden.” Een ketter echter mag, omdat hij van de Kerk afgescheiden is, en het de Kerk toekomt de sacramenten uit te reiken, de sacramenten van de Kerk niet toedienen zo wordt dus tot de geldigheid van de sacramenten bij de bedienaar het ware geloof vereist.
B: (Titus 3:10) [b:Titus 3:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 9 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt tegen Petilianus (2, 47): “gedenk dat de zeden der boze mensen de sacramenten Gods, niet alsof ze dan niet zouden tot stand komen of minder heilig zijn, in de weg staan.”
Daartegenover staat echter hetgeen Augustinus zegt tegen Petilianus (2, 47): “gedenk dat de zeden der boze mensen de sacramenten Gods, niet alsof ze dan niet zouden tot stand komen of minder heilig zijn, in de weg staan.”
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 9 co.
Mijn antwoord. Zoals hierboven werd aangetoond (5e art. dezer Kw. en 1e en 2e art. van de 62e Kwestie) is de bedienaar wat de sacramenten betreft enkel en alleen werktuig, hij handelt nl niet uit eigen kracht, maar door de kracht van Christus. Welnu evenzeer als de liefde, ligt ook het geloof in de macht van de mens. Zo komt dan dat evenals tot de geldigheid van het sacrament niet vereist wordt dat de bedienaar zou in de liefde zijn, — ook zondaars kunnen immers zoals wij reeds hebben aangetoond (5e en 6e art. dezer kwestie) die sacramenten toedienen — evenzo tot de geldigheid van het sacrament het geloof niet vereist wordt. Een ongelovige kan dus, als de overige voorwaarde die tot de geldigheid vereist worden maar vervuld zijn, een waar sacrament toedienen.
R: q. 64 a. 5[t:iiia q. 64 a. 5] q. 64 a. 5[t:iiia q. 64 a. 5]
Mijn antwoord. Zoals hierboven werd aangetoond (5e art. dezer Kw. en 1e en 2e art. van de 62e Kwestie) is de bedienaar wat de sacramenten betreft enkel en alleen werktuig, hij handelt nl niet uit eigen kracht, maar door de kracht van Christus. Welnu evenzeer als de liefde, ligt ook het geloof in de macht van de mens. Zo komt dan dat evenals tot de geldigheid van het sacrament niet vereist wordt dat de bedienaar zou in de liefde zijn, — ook zondaars kunnen immers zoals wij reeds hebben aangetoond (5e en 6e art. dezer kwestie) die sacramenten toedienen — evenzo tot de geldigheid van het sacrament het geloof niet vereist wordt. Een ongelovige kan dus, als de overige voorwaarde die tot de geldigheid vereist worden maar vervuld zijn, een waar sacrament toedienen.
R: q. 64 a. 5[t:iiia q. 64 a. 5] q. 64 a. 5[t:iiia q. 64 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. Het kan voorvallen dat iemand het voor zekere punten van het geloof verkeerd voor heeft; maar daarom nog niet voor het sacrament dat hij toedient verkeerd denkt, bv. wanneer iemand denkt dat de eed altijd en overal verboden is, en niettemin aan de kracht van het doopsel met het oog op de zaligheid geloof hecht. Dergelijk ongeloof nu staat het opzet om een sacrament toe te dienen niet in de weg. Dwaalt iemand verder op geloofsgebied juist omtrent het sacrament zelf dat hij toedient, denkt hij bv. dat wat hij uiterlijk doet geen innerlijk uitwerksel heeft en weet hij daarbij dat de katholieke Kerk met wat uiterlijk gedaan wordt de bedoeling heeft werkelijk een sacrament toe te dienen dan kan hij in weerwil van zijn ongeloof toch het opzet hebben te doen wat de Kerk doet, en er zelf niet de minste waarde aan hechten. Een van de gelijk opzet volstaat voor de geldigheid; zoals hierboven werd aangetoond, (8e art. dezer kwestie) handelt immers de bedienaar van het sacrament in naam van de heele Kerk door wier geloof aangevuld wordt wat aan het geloof van de bedienaar ontbreekt.
R: q. 64 a. 8 ad 2[t:iiia q. 64 a. 8 ad 2]
1e Weerlegging. Het kan voorvallen dat iemand het voor zekere punten van het geloof verkeerd voor heeft; maar daarom nog niet voor het sacrament dat hij toedient verkeerd denkt, bv. wanneer iemand denkt dat de eed altijd en overal verboden is, en niettemin aan de kracht van het doopsel met het oog op de zaligheid geloof hecht. Dergelijk ongeloof nu staat het opzet om een sacrament toe te dienen niet in de weg. Dwaalt iemand verder op geloofsgebied juist omtrent het sacrament zelf dat hij toedient, denkt hij bv. dat wat hij uiterlijk doet geen innerlijk uitwerksel heeft en weet hij daarbij dat de katholieke Kerk met wat uiterlijk gedaan wordt de bedoeling heeft werkelijk een sacrament toe te dienen dan kan hij in weerwil van zijn ongeloof toch het opzet hebben te doen wat de Kerk doet, en er zelf niet de minste waarde aan hechten. Een van de gelijk opzet volstaat voor de geldigheid; zoals hierboven werd aangetoond, (8e art. dezer kwestie) handelt immers de bedienaar van het sacrament in naam van de heele Kerk door wier geloof aangevuld wordt wat aan het geloof van de bedienaar ontbreekt.
R: q. 64 a. 8 ad 2[t:iiia q. 64 a. 8 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Gestis Verbisque ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. Sommige ketters bewaren bij het uitreiken van de sacramenten niet de vorm van de heilige Kerk en dienen dan ook noch het sacrament noch het ding van het sacrament toe. Andere daarentegen bewaren de vorm van de heilige Kerk en dienen bijgevolg waarlijk het sacrament toe, het ding van het sacrament echter niet. Dit nu gebeurt wanneer ze waarlijk openbaar van de heilige Kerk afgescheiden zijn, zodat iemand door het feit dat hij van hen de sacramenten ontvangt zondigt; daardoor wordt dan verhinderd dat het sacrament zijn uitwerksel zou bereiken. Daarom is het dat St. Augustinus zegt in zijn Boek over het Geloof (Aan Petrus, 36e Hoofdstuk) “Ge moogt vast geloven zonder er enigszins aan te twijfelen dat degenen die buiten de Kerk gedoopt zijn als ze niet naar de heilige Kerk terugvoeren samen met hun doopsel ten onder gaan.” In dezelfde zin zegt verder Paus Leo “in Alexandrië is alle licht omtrent de sacramenten uitgedoofd” d. i. wat het ding van het sacrament betreft, niet wat het sacrament zelf aangaat. Cyprianus integendeel dacht dat ketters in geen geval de sacramenten kunnen toedienen met zijn mening op dat punt werd echter geen rekening gehouden. Zo komt het dat Augustinus in zijn Boek “Over het enige doopsel” tegen Petrilianus (13) zegt: “de martelaar Cyprianus wou de geldigheid van het doopsel door Vetters en schismatieken toegediend niet erkennen; hij heeft echter tot aan de triomf van zijn martelaarschap zo grote verdiensten ingezameld, dat bewuste schaduw voor het licht van de liefde waardoor hij uitstraalde moest opbreken, en had hij nog iets uit te boeten dan werd het met de zeis van het martelaarsschap weggemaaid.”
2e Weerlegging. Sommige ketters bewaren bij het uitreiken van de sacramenten niet de vorm van de heilige Kerk en dienen dan ook noch het sacrament noch het ding van het sacrament toe. Andere daarentegen bewaren de vorm van de heilige Kerk en dienen bijgevolg waarlijk het sacrament toe, het ding van het sacrament echter niet. Dit nu gebeurt wanneer ze waarlijk openbaar van de heilige Kerk afgescheiden zijn, zodat iemand door het feit dat hij van hen de sacramenten ontvangt zondigt; daardoor wordt dan verhinderd dat het sacrament zijn uitwerksel zou bereiken. Daarom is het dat St. Augustinus zegt in zijn Boek over het Geloof (Aan Petrus, 36e Hoofdstuk) “Ge moogt vast geloven zonder er enigszins aan te twijfelen dat degenen die buiten de Kerk gedoopt zijn als ze niet naar de heilige Kerk terugvoeren samen met hun doopsel ten onder gaan.” In dezelfde zin zegt verder Paus Leo “in Alexandrië is alle licht omtrent de sacramenten uitgedoofd” d. i. wat het ding van het sacrament betreft, niet wat het sacrament zelf aangaat. Cyprianus integendeel dacht dat ketters in geen geval de sacramenten kunnen toedienen met zijn mening op dat punt werd echter geen rekening gehouden. Zo komt het dat Augustinus in zijn Boek “Over het enige doopsel” tegen Petrilianus (13) zegt: “de martelaar Cyprianus wou de geldigheid van het doopsel door Vetters en schismatieken toegediend niet erkennen; hij heeft echter tot aan de triomf van zijn martelaarschap zo grote verdiensten ingezameld, dat bewuste schaduw voor het licht van de liefde waardoor hij uitstraalde moest opbreken, en had hij nog iets uit te boeten dan werd het met de zeis van het martelaarsschap weggemaaid.”
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. De macht om sacramenten toe te dienen komt zoals uit het voorgaande (vorige kwestie 5e art.) blijkt, uit het merkteken dat onuitwisbaar is, voort. Bijgevolg wordt aan iemand die door de Kerk gesuspendeerd of gebanvloekt of zelfs gedegradeerd wordt de macht om sacramenten toe te dienen niet ontnomen, hem wordt alleen verboden van die macht gebruik te maken. Hij dient dus wel het sacrament toe, maar wanneer hij zulks doet, dan zondigt hij en degene die het sacrament ontvangt eveneens, zo ontvangt hij dan ook, behalve wanneer hij door onwetendheid verontschuldigd wordt, de zaak van het sacrament niet.
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3]
3e Weerlegging. De macht om sacramenten toe te dienen komt zoals uit het voorgaande (vorige kwestie 5e art.) blijkt, uit het merkteken dat onuitwisbaar is, voort. Bijgevolg wordt aan iemand die door de Kerk gesuspendeerd of gebanvloekt of zelfs gedegradeerd wordt de macht om sacramenten toe te dienen niet ontnomen, hem wordt alleen verboden van die macht gebruik te maken. Hij dient dus wel het sacrament toe, maar wanneer hij zulks doet, dan zondigt hij en degene die het sacrament ontvangt eveneens, zo ontvangt hij dan ook, behalve wanneer hij door onwetendheid verontschuldigd wordt, de zaak van het sacrament niet.
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Moet de bedienaar der Sacramenten bij het toedienen van de Sacramenten het rechte opzet hebben?
IIIa q. 64 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert dat het rechte opzet van de bedienaar tot de geldigheid van de sacramenten vereist wordt. Hierboven werd bewezen (8e en 9e art.) dat de bedienaar hetzelfde opzet moet hebben als de Kerk. Welnu, het opzet van de heilige Kerk is altijd juist. Tot de geldigheid van de sacramenten wordt dus bij de bedienaar het rechte opzet vereist.
R: q. 64 a. 8 ad 1[t:iiia q. 64 a. 8 ad 1]
Over het tiende als volgt. Men beweert dat het rechte opzet van de bedienaar tot de geldigheid van de sacramenten vereist wordt. Hierboven werd bewezen (8e en 9e art.) dat de bedienaar hetzelfde opzet moet hebben als de Kerk. Welnu, het opzet van de heilige Kerk is altijd juist. Tot de geldigheid van de sacramenten wordt dus bij de bedienaar het rechte opzet vereist.
R: q. 64 a. 8 ad 1[t:iiia q. 64 a. 8 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 10 arg. 2
Vervolgens. Een boosaardig opzet is verderfelijker dan de bedoeling even maar wat te spelen. Welnu het opzet even wat te spelen doet het sacrament te niet, zo bv. als iemand het niet ernstig voor heeft, maar alleen om zich wat te vermaken iemand doopt. Zo zal dan een boosaardig opzet als bv. een mens te dopen om hem naderhand te vermoorde nog veel meer de geldigheid van het sacrament te niet doen.
Vervolgens. Een boosaardig opzet is verderfelijker dan de bedoeling even maar wat te spelen. Welnu het opzet even wat te spelen doet het sacrament te niet, zo bv. als iemand het niet ernstig voor heeft, maar alleen om zich wat te vermaken iemand doopt. Zo zal dan een boosaardig opzet als bv. een mens te dopen om hem naderhand te vermoorde nog veel meer de geldigheid van het sacrament te niet doen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 10 arg. 3
Vervolgens. Naar wat St. Lucas zegt in zijn Evangelie (11, 34): “Als uw oog niet deugt dan is ook heel uw lichaam duister”, maakt een boosaardig opzet het hele werk verderfelijk. Welnu St. Augustinus zegt in zijn Boek tegen Petilianus, dat: “de sacramenten van Christus door boze mensen niet kunnen bezoedeld worden.” Wanneer dus het opzet van de bedienaar verkeerd is, dan kan ook geen waar sacrament tot stand komen.
B: (Luke 11:34) [b:Luke 11:34]
Vervolgens. Naar wat St. Lucas zegt in zijn Evangelie (11, 34): “Als uw oog niet deugt dan is ook heel uw lichaam duister”, maakt een boosaardig opzet het hele werk verderfelijk. Welnu St. Augustinus zegt in zijn Boek tegen Petilianus, dat: “de sacramenten van Christus door boze mensen niet kunnen bezoedeld worden.” Wanneer dus het opzet van de bedienaar verkeerd is, dan kan ook geen waar sacrament tot stand komen.
B: (Luke 11:34) [b:Luke 11:34]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 10 s. c.
Daartegenover staat echter dat een boosaardig opzet zijn oorsprong heeft in de kwaadwilligheid van de bedienaar. Welnu de kwaadwilligheid van de bedienaar verhindert het sacrament niet tot stand te komen. Een boosaardig opzet dus evenmin.
Daartegenover staat echter dat een boosaardig opzet zijn oorsprong heeft in de kwaadwilligheid van de bedienaar. Welnu de kwaadwilligheid van de bedienaar verhindert het sacrament niet tot stand te komen. Een boosaardig opzet dus evenmin.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 10 co.
Mijn antwoord. Het opzet van de bedienaar kan om twee redenen verkeerd zijn. Vooreerst met betrekking tot het sacrament zelf, wanneer bv. iemand niet het opzet heeft het sacrament toe te dienen, maar alleen iets te doen om te gekken. Een dergelijk opzicht nu staat, vooral wanneer de bedienaar bewust opzet openbaar bekend maakt, de echtheid van het sacrament in de weg. Verder kan het opzet van de bedienaar om wat op het sacrament volgt verderfelijk zijn, zo hij bv. als een priester met opzet haar te misbruiken, aan een vrouw het doopsel wil toedienen, of nog als hij het lichaam van Christus wil consacreren om het daarna te kunnen bezweren. Omdat nu het eerste uitwerksel niet van het laatste afhankelijk is zo komt het dat een dergelijke boosaardigheid de geldigheid van het sacrament niet te niet doet: alleen zondigt de bedienaar met een van de gelijk opzicht in te voeren dodelijk.
Mijn antwoord. Het opzet van de bedienaar kan om twee redenen verkeerd zijn. Vooreerst met betrekking tot het sacrament zelf, wanneer bv. iemand niet het opzet heeft het sacrament toe te dienen, maar alleen iets te doen om te gekken. Een dergelijk opzicht nu staat, vooral wanneer de bedienaar bewust opzet openbaar bekend maakt, de echtheid van het sacrament in de weg. Verder kan het opzet van de bedienaar om wat op het sacrament volgt verderfelijk zijn, zo hij bv. als een priester met opzet haar te misbruiken, aan een vrouw het doopsel wil toedienen, of nog als hij het lichaam van Christus wil consacreren om het daarna te kunnen bezweren. Omdat nu het eerste uitwerksel niet van het laatste afhankelijk is zo komt het dat een dergelijke boosaardigheid de geldigheid van het sacrament niet te niet doet: alleen zondigt de bedienaar met een van de gelijk opzicht in te voeren dodelijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. De Kerk heeft het bij haar opzet én wat de voltrekking van het sacrament én wat het gebruik van het sacrament betreft juist voor; aan haar inzicht wat het eerste punt betreft valt dan de voltrekking van het sacrament, aan haar inzicht aangaande het tweede punt de verdienste te danken. Zo voltrekt dus een bedienaar die wat het eerste, niet wat het tweede punt betreft zijn opzet aan dat van de heilige Kerk aanpast wel het sacrament; maar het wordt hem niet tot verdienste aangerekend.
1e Weerlegging. De Kerk heeft het bij haar opzet én wat de voltrekking van het sacrament én wat het gebruik van het sacrament betreft juist voor; aan haar inzicht wat het eerste punt betreft valt dan de voltrekking van het sacrament, aan haar inzicht aangaande het tweede punt de verdienste te danken. Zo voltrekt dus een bedienaar die wat het eerste, niet wat het tweede punt betreft zijn opzet aan dat van de heilige Kerk aanpast wel het sacrament; maar het wordt hem niet tot verdienste aangerekend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. Het opzet spottend of speelsgewijze te handelen maakt om eerst vermelde reden (Leerst. van ’t artik.) die, zij tot het voltrekken van het sacrament noodzakelijk is, de zuiverheid van opzet mogelijk. Zo gaat een van de gelijke vergelijking niet op.
2e Weerlegging. Het opzet spottend of speelsgewijze te handelen maakt om eerst vermelde reden (Leerst. van ’t artik.) die, zij tot het voltrekken van het sacrament noodzakelijk is, de zuiverheid van opzet mogelijk. Zo gaat een van de gelijke vergelijking niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 64 a. 10 ad 3
3e Weerlegging. Een boosaardig opzet bederft het werk van degene die zich dit opzet voorneemt, niet van iemand anders. Daarom wordt dan door een verkeerd op zet hetgeen de bedienaar zelf wrocht in zover het zijn werk is, niet in zover het een werk is van Christus, van wien hij de bedienaar is, bedorven. Dit is overigens ook het geval wanneer een knecht met een boos opzet een aalmoes aan de armen uitreikt, en aldus hetgeen de meester met een goed opzet bevolen heeft, volbrengt.
3e Weerlegging. Een boosaardig opzet bederft het werk van degene die zich dit opzet voorneemt, niet van iemand anders. Daarom wordt dan door een verkeerd op zet hetgeen de bedienaar zelf wrocht in zover het zijn werk is, niet in zover het een werk is van Christus, van wien hij de bedienaar is, bedorven. Dit is overigens ook het geval wanneer een knecht met een boos opzet een aalmoes aan de armen uitreikt, en aldus hetgeen de meester met een goed opzet bevolen heeft, volbrengt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 65: Over het aantal Sacramenten
IIIa q. 65 pr.
Nu moeten we het aantal sacramenten nagaan. Daarover vallen vier zaken te bespreken.
1) Zijn er zeven sacramenten?
2) Hoe volgen ze elkander op?
3) Hoe staan ze tegenover elkander?
4) Zijn alle sacramenten voor de zaligheid onontbeerlijk?
Nu moeten we het aantal sacramenten nagaan. Daarover vallen vier zaken te bespreken.
1) Zijn er zeven sacramenten?
2) Hoe volgen ze elkander op?
3) Hoe staan ze tegenover elkander?
4) Zijn alle sacramenten voor de zaligheid onontbeerlijk?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Zijn er zeven Sacramenten?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 65 a. 2 co.
IIIa q. 66 a. 11 arg. 2
IIIa q. 72 a. 5 co.
IIIa q. 72 a. 5 co.
IIIa q. 72 a. 6 co.
IIIa q. 73 a. 1 arg. 1
IIIa q. 74 a. 4 arg. 3
IIIa q. 84 a. 6 arg. 3
IIIa q. 85 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 65 a. 2 co.][t:iiia q. 66 a. 11 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 5 co.][t:iiia q. 72 a. 5 co.][t:iiia q. 72 a. 6 co.][t:iiia q. 73 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 74 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 84 a. 6 arg. 3][t:iiia q. 85 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 65 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat er geen zeven sacramenten moeten zijn. De sacramenten betrekken hun doeltreffendheid van de goddelijke kracht en van het lijden van Christus. Welnu, er is maar één goddelijke kracht en er is maar één lijden van Christus, en er wordt toch in de Brief aan de Hebreeërs (10, 14) gezegd: "Door één enkele offerande, immers heeft hij voor eeuwig de geheiligden vervolmaakt." Zo is er dus maar een enkel sacrament van doen.
B: (Heb 10:14) [b:Heb 10:14]
IIIa q. 65 a. 2 co.
IIIa q. 66 a. 11 arg. 2
IIIa q. 72 a. 5 co.
IIIa q. 72 a. 5 co.
IIIa q. 72 a. 6 co.
IIIa q. 73 a. 1 arg. 1
IIIa q. 74 a. 4 arg. 3
IIIa q. 84 a. 6 arg. 3
IIIa q. 85 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 65 a. 2 co.][t:iiia q. 66 a. 11 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 5 co.][t:iiia q. 72 a. 5 co.][t:iiia q. 72 a. 6 co.][t:iiia q. 73 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 74 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 84 a. 6 arg. 3][t:iiia q. 85 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 65 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat er geen zeven sacramenten moeten zijn. De sacramenten betrekken hun doeltreffendheid van de goddelijke kracht en van het lijden van Christus. Welnu, er is maar één goddelijke kracht en er is maar één lijden van Christus, en er wordt toch in de Brief aan de Hebreeërs (10, 14) gezegd: "Door één enkele offerande, immers heeft hij voor eeuwig de geheiligden vervolmaakt." Zo is er dus maar een enkel sacrament van doen.
B: (Heb 10:14) [b:Heb 10:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Een sacrament wordt aangewend om de schade door de zonde aangericht ongedaan te maken. Die schade nu is tweevoudig: schade van straf en van schuld. Zo zou het dus voldoende zijn als er twee sacramenten waren.
Vervolgens. Een sacrament wordt aangewend om de schade door de zonde aangericht ongedaan te maken. Die schade nu is tweevoudig: schade van straf en van schuld. Zo zou het dus voldoende zijn als er twee sacramenten waren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Zoals uit Dionysius Kerkelijke Hiërarchie (4) blijkt zijn de sacramenten het werk der kerkelijke hiërarchie. Welnu, naar hij beweert zijn er drie hiërarchische werken, reiniging, verlichting en vervolmaking. Zo moeten er dus drie sacramenten zijn.
Vervolgens. Zoals uit Dionysius Kerkelijke Hiërarchie (4) blijkt zijn de sacramenten het werk der kerkelijke hiërarchie. Welnu, naar hij beweert zijn er drie hiërarchische werken, reiniging, verlichting en vervolmaking. Zo moeten er dus drie sacramenten zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 arg. 4
Vervolgens. St. Augustinus zegt in zijn boek "Tegen Faustus" (19,13): "De sacramenten der nieuwe wet zijn minder talrijk dan de sacramenten der oude wet." Welnu, in de oude wet kwamen er geen sacramenten voor die met het vormsel en het heilig oliesel overeenstemden. Zo moeten we die dus evenmin bij de sacramenten der nieuwe wet onderbrengen.
Vervolgens. St. Augustinus zegt in zijn boek "Tegen Faustus" (19,13): "De sacramenten der nieuwe wet zijn minder talrijk dan de sacramenten der oude wet." Welnu, in de oude wet kwamen er geen sacramenten voor die met het vormsel en het heilig oliesel overeenstemden. Zo moeten we die dus evenmin bij de sacramenten der nieuwe wet onderbrengen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 arg. 5
Vervolgens. Onkuisheid is zoals we het in het IIe deel (154e Kw., 3e Art.) aantoonden niet een onder de zwaarste zonden. Welnu, tegen andere zonden werden geen sacramenten als verweermiddel ingesteld. Zo moest dus evenmin het huwelijk als middel tegen de onkuisheid worden ingesteld.
R: Ia-IIae q. 74 a. 5[t:ia-iiae q. 74 a. 5] IIa-IIae q. 154 a. 3[t:iia-iiae q. 154 a. 3]
Vervolgens. Onkuisheid is zoals we het in het IIe deel (154e Kw., 3e Art.) aantoonden niet een onder de zwaarste zonden. Welnu, tegen andere zonden werden geen sacramenten als verweermiddel ingesteld. Zo moest dus evenmin het huwelijk als middel tegen de onkuisheid worden ingesteld.
R: Ia-IIae q. 74 a. 5[t:ia-iiae q. 74 a. 5] IIa-IIae q. 154 a. 3[t:iia-iiae q. 154 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 s. c. 1
Daartegenover staat echter dat er meer sacramenten zijn sacramenten toch zijn heilige tekens. In de heilige kerk nu worden ter heiligmaking allerhande heilige tekens, zoals wijwater de wijding van het altaar, en andere dergelijke aangewend. Zo zijn er dus meer dan zeven sacramenten.
Daartegenover staat echter dat er meer sacramenten zijn sacramenten toch zijn heilige tekens. In de heilige kerk nu worden ter heiligmaking allerhande heilige tekens, zoals wijwater de wijding van het altaar, en andere dergelijke aangewend. Zo zijn er dus meer dan zeven sacramenten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 s. c. 2
Vervolgens. Hugo van S Victor zegt in zijn boek "Over de Zeven Sacramenten van het Geloof" ( l, 12, 10) "dat de opdrachten de tienden en de offers de sacramenten paren der oude vet." Welnu het offer der heilige kerk is een sacrament en men noemt het Eucharistie. Zoo moeten dan ook de opdrachten en de tienden sacramenten genoemd worden.
Vervolgens. Hugo van S Victor zegt in zijn boek "Over de Zeven Sacramenten van het Geloof" ( l, 12, 10) "dat de opdrachten de tienden en de offers de sacramenten paren der oude vet." Welnu het offer der heilige kerk is een sacrament en men noemt het Eucharistie. Zoo moeten dan ook de opdrachten en de tienden sacramenten genoemd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 s. c. 3
Vervolgens. Er zijn drie soorten van zonden: de erfzonde, de doodzonde, de dagelijkse zonde. Tegen de erfzonde wordt het doopsel aangewend; tegen de doodzonde het sacrament der biecht. Zoo moet dus behalve de zeven sacramenten nog een ander sacrament zijn dat tegen de dagelijkse zonden kan worden aangewend.
Vervolgens. Er zijn drie soorten van zonden: de erfzonde, de doodzonde, de dagelijkse zonde. Tegen de erfzonde wordt het doopsel aangewend; tegen de doodzonde het sacrament der biecht. Zoo moet dus behalve de zeven sacramenten nog een ander sacrament zijn dat tegen de dagelijkse zonden kan worden aangewend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals werd aangetoond (62e Kwestie, 3e Art. en 63e Kwestie, 1e Art.) zijn de sacramenten der Heilige Kerk op twee dingen aangewezen, de mens voor alles wat Gods eredienst betreft, naar de eis van het christelijke leven, toe te rusten, en verder een geneesmiddel te zijn tegen de schade die door de zonden berokkend wordt. Om die beide doeleinden is het dan ook zeer redelijk zeven sacramenten te aanvaarden. Het geestelijke leven heeft immers, net zoals alle lichamelijke wezens gelijkvormigheid vertonen met geestelijke dingen, een zekere gelijkvormigheid met het leven van het lichaam. Wat nu het lichamelijke leven betreft wordt iemand op twee manieren vervolmaakt: Ten eerste in verhouding tot zichzelf en verder, daar toch de mens van natuur uit een maatschappelijk dier is, in verhouding tot de hele gemeenschap waarin hij leeft. Wat hemzelf betreft wint de mens op lichamelijk gebied op twee manieren aan volmaaktheid; vooreerst hoofdzakelijk door een zekere volmaaktheid van leven te bekomen, en verder op bijkomstige wijze door de hinderpalen tot het leven zoals ziekten en andere dergelijke meer, te verwijderen of te doen ophouden. Wat nu het eerste betreft wint het lichamelijke leven op drie manieren aan volmaaktheid: vooreerst door de geboorte, waardoor de mens begint te bestaan en te leven. Daartegenover staat het doopsel dat een geestelijke wedergeboorte is zoals overigens blijkt uit de Brief aan Titus (3, 5): "Hij heeft ons gered door een bad van wedergeboorte." Ten tweede door de wasdom van het lichaam, waardoor iemand tot volkomen grootte en kracht uitgroeit. Daartegenover staat in het geestelijke leven het vormsel waar de Heilige Geest ons tot sterkte gegeven wordt. Daarom werd overigens aan de leerlingen die reeds gedoopt waren (Lc. 24, 49) gezegd: "Blijft in de stad zitten tot gij met kracht uit de hoge bekleed wordt." Ten derde door de voeding waardoor leven en kracht in de mens bewaard worden. Daaraan beantwoordt in ons geestelijk leven de Eucharistie. Zo komt het dat St. Johannes (6, 54) zegt: "Indien gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn Bloed niet drinkt hebt gij geen leven in u." Dat nu zou voor de mens, als hij zowel in lichamelijk als in geestelijk opzicht een onlijdelijk leven had, volstaan; daar echter de mens dikwijls een lichamelijke of ook een geestelijke ziekte, de zonde, oploopt, daarom is genezing van ziekte voor de mens een behoefte. De genezing nu is alweer tweevoudig; er is nl. genezing die gezondheid terugschenkt en daarvoor hebben we volgens de 40e Psalm (5) "Genees mijn ziel want ik heb tegenover U gezondigd" in het geestelijke leven de biecht; er is ook genezing die door een aangepast regiem en door oefening de vroegere gezondheid weergeeft, en daartoe gebruiken we het Heilig Oliesel dat de overblijfselen der zonde vernietigt en de mens op de eindglorie voorbereidt. Daarom zegt St. Jacobus (5, 15): "en heeft hij gezondigd het zal hem vergeven worden." In verhouding tot de gemeenschap eindelijk wordt de mens op twee manieren vervolmaakt: ten eerste door de macht die hij ontvangt om over het volk te regeren en openbare ambten waar te nemen; daarvoor bestaat in het geestelijke leven het sacrament van het priesterschap; in de Brief aan de Hebreeërs lezen we toch (7, 27): "de priester draagt slachtoffers op niet alleen voor zichzelf maar ook voor de zonden van het volk." Ten tweede met het oog op de natuurlijke voortteling van het mensdom, dit nu geschiedt voor het lichamelijke evenzeer als voor het geestelijke door het huwelijk; het huwelijk immers is niet alleen een sacrament maar ook een natuurverrichting. Nog blijkt er hoeveel sacramenten er moeten zijn wanneer wij ze beschouwen in zover zij tegen de schade welke de zonde aanricht worden aangewend. Het doopsel immers wordt als een middel tegen het gemis aan geestelijk leven bedoeld; het vormsel als een middel tegen de zwakheid van de ziel, die aan degenen die juist geboren werden eigen is; de Eucharistie als een middel tegen de geneigdheid van de ziel tot de zonde; de biecht als een middel tegen de dadelijke zonde die na het doopsel bedreven werd; het Heilig Oliesel als een middel tegen de overblijfselen van de zonde die om reden van nalatigheid of onwetendheid niet voldoende door de biecht werden weggenomen; het priesterschap als een eenheidsband tegen de verstrooing der menigte; het huwelijk eindelijk als geneesmiddel tegen de persoonlijke begeerlijkheid en als behoedmiddel tegen ontvolking door de dood. Daar zijn er ook die het aantal sacramenten trachten door vergelijking of met aanpassing aan de deugden en aan de schade door schuld en straf van zonden berokkend te bepalen; zo beweren ze dat het doopsel aan het geloof beantwoordt en tegen de erfzonde wordt aangewend; het Heilig Oliesel aan de hoop en tegen de dagelijkse zonde wordt aangewend; de Eucharistie zou aan de liefde beantwoorden en tegen de straffen die om de boosheid te wachten staan worden aangewend; het priesterschap aan de voorzichtigheid en zou als middel tegen de onwetendheid bedoeld zijn; de biecht aan de rechtvaardigheid en zou een middel zijn tegen de doodzonde; het huwelijk aan de matigheid en zou een middel zijn tegen de begeerlijkheid; het vormsel zou aan de sterkte beantwoorden en tegen de zwakheid van wil moeten behoeden.
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5] q. 63 a. 1[t:iiia q. 63 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals werd aangetoond (62e Kwestie, 3e Art. en 63e Kwestie, 1e Art.) zijn de sacramenten der Heilige Kerk op twee dingen aangewezen, de mens voor alles wat Gods eredienst betreft, naar de eis van het christelijke leven, toe te rusten, en verder een geneesmiddel te zijn tegen de schade die door de zonden berokkend wordt. Om die beide doeleinden is het dan ook zeer redelijk zeven sacramenten te aanvaarden. Het geestelijke leven heeft immers, net zoals alle lichamelijke wezens gelijkvormigheid vertonen met geestelijke dingen, een zekere gelijkvormigheid met het leven van het lichaam. Wat nu het lichamelijke leven betreft wordt iemand op twee manieren vervolmaakt: Ten eerste in verhouding tot zichzelf en verder, daar toch de mens van natuur uit een maatschappelijk dier is, in verhouding tot de hele gemeenschap waarin hij leeft. Wat hemzelf betreft wint de mens op lichamelijk gebied op twee manieren aan volmaaktheid; vooreerst hoofdzakelijk door een zekere volmaaktheid van leven te bekomen, en verder op bijkomstige wijze door de hinderpalen tot het leven zoals ziekten en andere dergelijke meer, te verwijderen of te doen ophouden. Wat nu het eerste betreft wint het lichamelijke leven op drie manieren aan volmaaktheid: vooreerst door de geboorte, waardoor de mens begint te bestaan en te leven. Daartegenover staat het doopsel dat een geestelijke wedergeboorte is zoals overigens blijkt uit de Brief aan Titus (3, 5): "Hij heeft ons gered door een bad van wedergeboorte." Ten tweede door de wasdom van het lichaam, waardoor iemand tot volkomen grootte en kracht uitgroeit. Daartegenover staat in het geestelijke leven het vormsel waar de Heilige Geest ons tot sterkte gegeven wordt. Daarom werd overigens aan de leerlingen die reeds gedoopt waren (Lc. 24, 49) gezegd: "Blijft in de stad zitten tot gij met kracht uit de hoge bekleed wordt." Ten derde door de voeding waardoor leven en kracht in de mens bewaard worden. Daaraan beantwoordt in ons geestelijk leven de Eucharistie. Zo komt het dat St. Johannes (6, 54) zegt: "Indien gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn Bloed niet drinkt hebt gij geen leven in u." Dat nu zou voor de mens, als hij zowel in lichamelijk als in geestelijk opzicht een onlijdelijk leven had, volstaan; daar echter de mens dikwijls een lichamelijke of ook een geestelijke ziekte, de zonde, oploopt, daarom is genezing van ziekte voor de mens een behoefte. De genezing nu is alweer tweevoudig; er is nl. genezing die gezondheid terugschenkt en daarvoor hebben we volgens de 40e Psalm (5) "Genees mijn ziel want ik heb tegenover U gezondigd" in het geestelijke leven de biecht; er is ook genezing die door een aangepast regiem en door oefening de vroegere gezondheid weergeeft, en daartoe gebruiken we het Heilig Oliesel dat de overblijfselen der zonde vernietigt en de mens op de eindglorie voorbereidt. Daarom zegt St. Jacobus (5, 15): "en heeft hij gezondigd het zal hem vergeven worden." In verhouding tot de gemeenschap eindelijk wordt de mens op twee manieren vervolmaakt: ten eerste door de macht die hij ontvangt om over het volk te regeren en openbare ambten waar te nemen; daarvoor bestaat in het geestelijke leven het sacrament van het priesterschap; in de Brief aan de Hebreeërs lezen we toch (7, 27): "de priester draagt slachtoffers op niet alleen voor zichzelf maar ook voor de zonden van het volk." Ten tweede met het oog op de natuurlijke voortteling van het mensdom, dit nu geschiedt voor het lichamelijke evenzeer als voor het geestelijke door het huwelijk; het huwelijk immers is niet alleen een sacrament maar ook een natuurverrichting. Nog blijkt er hoeveel sacramenten er moeten zijn wanneer wij ze beschouwen in zover zij tegen de schade welke de zonde aanricht worden aangewend. Het doopsel immers wordt als een middel tegen het gemis aan geestelijk leven bedoeld; het vormsel als een middel tegen de zwakheid van de ziel, die aan degenen die juist geboren werden eigen is; de Eucharistie als een middel tegen de geneigdheid van de ziel tot de zonde; de biecht als een middel tegen de dadelijke zonde die na het doopsel bedreven werd; het Heilig Oliesel als een middel tegen de overblijfselen van de zonde die om reden van nalatigheid of onwetendheid niet voldoende door de biecht werden weggenomen; het priesterschap als een eenheidsband tegen de verstrooing der menigte; het huwelijk eindelijk als geneesmiddel tegen de persoonlijke begeerlijkheid en als behoedmiddel tegen ontvolking door de dood. Daar zijn er ook die het aantal sacramenten trachten door vergelijking of met aanpassing aan de deugden en aan de schade door schuld en straf van zonden berokkend te bepalen; zo beweren ze dat het doopsel aan het geloof beantwoordt en tegen de erfzonde wordt aangewend; het Heilig Oliesel aan de hoop en tegen de dagelijkse zonde wordt aangewend; de Eucharistie zou aan de liefde beantwoorden en tegen de straffen die om de boosheid te wachten staan worden aangewend; het priesterschap aan de voorzichtigheid en zou als middel tegen de onwetendheid bedoeld zijn; de biecht aan de rechtvaardigheid en zou een middel zijn tegen de doodzonde; het huwelijk aan de matigheid en zou een middel zijn tegen de begeerlijkheid; het vormsel zou aan de sterkte beantwoorden en tegen de zwakheid van wil moeten behoeden.
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5] q. 63 a. 1[t:iiia q. 63 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Eenzelfde bewerkende hoofdoorzaak gebruikt al naargelang haar werk vergt voor verschillende uitwerkselen verschillende werktuigen. Welnu, zo ook zijn in ons de goddelijke kracht en het lijden van Christus met behulp van verschillende sacramenten als van verschillende werktuigen werkzaam.
B: (Luke 24:49) [b:Luke 24:49] (John 6:54, John 6:54) [b:John 6:54] (Titus 3:5) [b:Titus 3:5]
1e Weerlegging. Eenzelfde bewerkende hoofdoorzaak gebruikt al naargelang haar werk vergt voor verschillende uitwerkselen verschillende werktuigen. Welnu, zo ook zijn in ons de goddelijke kracht en het lijden van Christus met behulp van verschillende sacramenten als van verschillende werktuigen werkzaam.
B: (Luke 24:49) [b:Luke 24:49] (John 6:54, John 6:54) [b:John 6:54] (Titus 3:5) [b:Titus 3:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Schuld en straf kunnen in verschillende soorten ingedeeld worden en met inachtneming van hun eigen aard en op grond van de verschillende levensstaten en gewoonten van de mens; welnu, om het laatste opzicht moeten zoals blijkt uit wat reeds gezegd werd de sacramenten vele zijn.
B: (Ps 40:5) [b:Ps 40:5] (Jas 5:15) [b:Jas 5:15]
2e Weerlegging. Schuld en straf kunnen in verschillende soorten ingedeeld worden en met inachtneming van hun eigen aard en op grond van de verschillende levensstaten en gewoonten van de mens; welnu, om het laatste opzicht moeten zoals blijkt uit wat reeds gezegd werd de sacramenten vele zijn.
B: (Ps 40:5) [b:Ps 40:5] (Jas 5:15) [b:Jas 5:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Bij hiërarchische handelingen komen én degenen die handelen én degenen die ontvangen én de handeling zelf in aanmerking. Degenen die handelen zijn de bedienaars der Heilige Kerk, daartoe werd het priesterschap ingesteld; degenen die ontvangen zijn zij die tot de sacramenten naderen, deze nu worden door het huwelijk voortgebracht. De handeling zelf wordt ingedeeld in reiniging, verlichting en vervolmaking. Reiniging echter kan alleen geen sacrament zijn der nieuwe wet dat de genade zou toebedelen, reiniging gaat immers eerder op sommige sacramenten alleen, zoals catechisatie en duivelbezwering terug. Reiniging en verlichting gaan integendeel wanneer ze samen zijn, naar Dionysius in zijn "Kerkelijke Hiërarchie" (3), op het doopsel terug en omdat de mens weleens hervalt, behoren ze op ondergeschikte wijze ook tot de biecht en tot het Heilig Oliesel. De vervolmaking eindelijk is, wat de zielesterkte m.a.w. de formele volmaaktheid betreft, het vormsel, wat het bereiken van het einddoel betreft, de Eucharistie weggelegd.
B: (Heb 7:27) [b:Heb 7:27]
3e Weerlegging. Bij hiërarchische handelingen komen én degenen die handelen én degenen die ontvangen én de handeling zelf in aanmerking. Degenen die handelen zijn de bedienaars der Heilige Kerk, daartoe werd het priesterschap ingesteld; degenen die ontvangen zijn zij die tot de sacramenten naderen, deze nu worden door het huwelijk voortgebracht. De handeling zelf wordt ingedeeld in reiniging, verlichting en vervolmaking. Reiniging echter kan alleen geen sacrament zijn der nieuwe wet dat de genade zou toebedelen, reiniging gaat immers eerder op sommige sacramenten alleen, zoals catechisatie en duivelbezwering terug. Reiniging en verlichting gaan integendeel wanneer ze samen zijn, naar Dionysius in zijn "Kerkelijke Hiërarchie" (3), op het doopsel terug en omdat de mens weleens hervalt, behoren ze op ondergeschikte wijze ook tot de biecht en tot het Heilig Oliesel. De vervolmaking eindelijk is, wat de zielesterkte m.a.w. de formele volmaaktheid betreft, het vormsel, wat het bereiken van het einddoel betreft, de Eucharistie weggelegd.
B: (Heb 7:27) [b:Heb 7:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. In het sacrament van het vormsel wordt tot versterking de volheid van de Heilige Geest gegeven, in het Heilig Oliesel daarentegen wordt de mens toegerust om onmiddellijk de hemelse glorie te verlangen, geen van beiden nu kon in het oude testament geschieden en daarom kon in het oude testament niets aan bewuste sacramenten beantwoorden. Niettemin waren echter om de verscheidenheid der offers en der plechtigheden onder de oude wet de sacramenten talrijker.
4e Weerlegging. In het sacrament van het vormsel wordt tot versterking de volheid van de Heilige Geest gegeven, in het Heilig Oliesel daarentegen wordt de mens toegerust om onmiddellijk de hemelse glorie te verlangen, geen van beiden nu kon in het oude testament geschieden en daarom kon in het oude testament niets aan bewuste sacramenten beantwoorden. Niettemin waren echter om de verscheidenheid der offers en der plechtigheden onder de oude wet de sacramenten talrijker.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 ad 5
Ad quintum Tegen de begeerlijkheid van het vlees moest er vooreerst omdat door die begeerlijkheid niet alleen de persoon maar zelfs de natuur bedorven wordt, en verder omdat de begeerlijkheid zo hevig is dat ze het verstand overweldigt, door een sacrament een bijzonder geneesmiddel worden aangewend.
Ad quintum Tegen de begeerlijkheid van het vlees moest er vooreerst omdat door die begeerlijkheid niet alleen de persoon maar zelfs de natuur bedorven wordt, en verder omdat de begeerlijkheid zo hevig is dat ze het verstand overweldigt, door een sacrament een bijzonder geneesmiddel worden aangewend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 ad 6
Ad sextum Wijwater en andere gewijde zaken zijn daar ze tot het uitwerksel der sacramenten, tot het geven van de genade nl. niet bijdragen, geen sacramenten, wel maken ze echter, doordien ze de beletselen wegnemen of ook bekwaam maken om het sacrament te voltrekken of te ontvangen, tot het ontvangen van de sacramenten geschikt. Zo wordt wijwater tegen de hinderlagen van de duivel en tegen de dagelijkse zonde aangewend, zo worden uit eerbied voor de heilige consecratie altaren en vaten gewijd.
Ad sextum Wijwater en andere gewijde zaken zijn daar ze tot het uitwerksel der sacramenten, tot het geven van de genade nl. niet bijdragen, geen sacramenten, wel maken ze echter, doordien ze de beletselen wegnemen of ook bekwaam maken om het sacrament te voltrekken of te ontvangen, tot het ontvangen van de sacramenten geschikt. Zo wordt wijwater tegen de hinderlagen van de duivel en tegen de dagelijkse zonde aangewend, zo worden uit eerbied voor de heilige consecratie altaren en vaten gewijd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 ad 7
Ad septimum Opdrachten en tienden waren evenzeer onder de natuurwet als onder Mozes verplichtend en zulks niet alleen om de bedienaars en de armen ter hulp te komen, maar ze werden zelfs zinnebeeldig aangewend en daarom juist waren het sacramenten; nu echter zijn ze geen zinnebeelden meer en daarom zijn ze thans ook geen sacramenten.
Ad septimum Opdrachten en tienden waren evenzeer onder de natuurwet als onder Mozes verplichtend en zulks niet alleen om de bedienaars en de armen ter hulp te komen, maar ze werden zelfs zinnebeeldig aangewend en daarom juist waren het sacramenten; nu echter zijn ze geen zinnebeelden meer en daarom zijn ze thans ook geen sacramenten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 1 ad 8
Ad octavum Tot vergiffenis van de dagelijkse zonde is geen instorting van genade nodig. Daar nu ieder sacrament der nieuwe wet genade instort, zo is er geen enkel sacrament der nieuwe wet rechtstreeks tegen de dagelijkse zonde, die overigens door sacramentaliën als bv. wijwater of iets dergelijk wordt weggenomen, ingesteld geworden. Sommigen beweren niettemin dat het Heilig Oliesel tegen de dagelijkse zonde werd ingesteld; daarover echter op tijd en stond.
Ad octavum Tot vergiffenis van de dagelijkse zonde is geen instorting van genade nodig. Daar nu ieder sacrament der nieuwe wet genade instort, zo is er geen enkel sacrament der nieuwe wet rechtstreeks tegen de dagelijkse zonde, die overigens door sacramentaliën als bv. wijwater of iets dergelijk wordt weggenomen, ingesteld geworden. Sommigen beweren niettemin dat het Heilig Oliesel tegen de dagelijkse zonde werd ingesteld; daarover echter op tijd en stond.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Volgen de Sacramenten mekaar naar de aangegeven volgorde naar behoren op?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 65 a. 3 co.
IIIa q. 84 a. 6 arg. 3[t:iiia q. 65 a. 3 co.][t:iiia q. 84 a. 6 arg. 3]
IIIa q. 65 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat naar de aangegeven volgorde de sacramenten elkaar niet naar behoren opvolgen. De Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 46): "Eerst komt het dierlijke daarna het geestelijke." Door het huwelijk nu wordt de mens door een eerste geboorte die dierlijk is tot het leven verwekt, door het Doopsel integendeel wordt de mens door een tweede geboorte die geestelijk is wedergeboren. Zo moet dus het huwelijk het Doopsel voorafgaan.
B: (1Cor 15:46) [b:1Cor 15:46]
IIIa q. 65 a. 3 co.
IIIa q. 84 a. 6 arg. 3[t:iiia q. 65 a. 3 co.][t:iiia q. 84 a. 6 arg. 3]
IIIa q. 65 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat naar de aangegeven volgorde de sacramenten elkaar niet naar behoren opvolgen. De Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 46): "Eerst komt het dierlijke daarna het geestelijke." Door het huwelijk nu wordt de mens door een eerste geboorte die dierlijk is tot het leven verwekt, door het Doopsel integendeel wordt de mens door een tweede geboorte die geestelijk is wedergeboren. Zo moet dus het huwelijk het Doopsel voorafgaan.
B: (1Cor 15:46) [b:1Cor 15:46]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Door het priesterschap krijgt iemand macht om de sacramentele handelingen te verrichten. Welnu om te handelen moet men eerst bestaan. Zo moet dus het Doopsel en het priesterschap de andere sacramenten voorafgaan.
Vervolgens. Door het priesterschap krijgt iemand macht om de sacramentele handelingen te verrichten. Welnu om te handelen moet men eerst bestaan. Zo moet dus het Doopsel en het priesterschap de andere sacramenten voorafgaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De Eucharistie is een geestelijk voedsel, het vormsel daarentegen bevordert de wasdom. Het voedsel nu is oorzaak van de wasdom en moet bijgevolg de wasdom voorafgaan. Zo moet dus de Eucharistie eerder dan het vormsel vermeld worden.
Vervolgens. De Eucharistie is een geestelijk voedsel, het vormsel daarentegen bevordert de wasdom. Het voedsel nu is oorzaak van de wasdom en moet bijgevolg de wasdom voorafgaan. Zo moet dus de Eucharistie eerder dan het vormsel vermeld worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 2 arg. 4
Vervolgens. De biecht bereidt de mens voor op de Eucharistie. Een voorbereiding nu komt voor de volmaaktheid. Zo moet dus de biecht de Eucharistie voorafgaan.
Vervolgens. De biecht bereidt de mens voor op de Eucharistie. Een voorbereiding nu komt voor de volmaaktheid. Zo moet dus de biecht de Eucharistie voorafgaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 2 arg. 5
Vervolgens. Wat het laatste doel meest nabij komt moet de laatste plaats bekleden. Daar nu het heilig oliesel onder al de sacramenten het dichtst bij het laatste doel nl. bij de gelukzaligheid komt, zo moet het in volgorde het laatst vermeld worden.
Vervolgens. Wat het laatste doel meest nabij komt moet de laatste plaats bekleden. Daar nu het heilig oliesel onder al de sacramenten het dichtst bij het laatste doel nl. bij de gelukzaligheid komt, zo moet het in volgorde het laatst vermeld worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 2 s. c.
In contrarium est quod communiter ordinantur ab omnibus sacramenta sicut dictum est.
In contrarium est quod communiter ordinantur ab omnibus sacramenta sicut dictum est.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 2 co.
Mijn antwoord. De reden waarom de sacramenten aldus geschikt worden blijkt uit het vorig artikel. Zoals immers de enkeling eerder dan de menigte bestaat, zo gaan de sacramenten die op de volmaaktheid van de enkeling zijn aangewezen, de sacramenten waarmede de volmaaktheid van de menigte bedoeld wordt vooraf. Zo worden dan, omdat ze op de volmaaktheid van de menigte gericht zijn, het priesterschap en het huwelijk laatst genoemd. Het huwelijk echter na het priesterschap omdat het minder aan het geestelijke leven, waartoe de sacramenten worden ingesteld, deelachtig maakt. Onder de sacramenten die op de volmaaktheid van de enkeling alleen zijn aangewezen, zijn natuurlijk diegene de eerste die op de volmaaktheid van het geestelijk leven gericht zijn; en daarna eerst komen degene die daar in ondergeschikte mate, om nl. zoals met de biecht en het heilig oliesel het geval is, noodlottige invloeden die zich laten gelden te verdrijven, op aansturen. Daarbij komt het heilig oliesel dat de genezing voltrekt natuurlijk na de biecht die de genezing inzet. Onder de drie overige is het klaarblijkelijk dat het Doopsel, geestelijke wedergeboorte, het eerst komt, daarna het vormsel dat op de formele volmaaktheid van de deugd is aangewezen en eindelijk de Eucharistie die tot de eindvolmaaktheid wordt aangewend.
R: q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1]
Mijn antwoord. De reden waarom de sacramenten aldus geschikt worden blijkt uit het vorig artikel. Zoals immers de enkeling eerder dan de menigte bestaat, zo gaan de sacramenten die op de volmaaktheid van de enkeling zijn aangewezen, de sacramenten waarmede de volmaaktheid van de menigte bedoeld wordt vooraf. Zo worden dan, omdat ze op de volmaaktheid van de menigte gericht zijn, het priesterschap en het huwelijk laatst genoemd. Het huwelijk echter na het priesterschap omdat het minder aan het geestelijke leven, waartoe de sacramenten worden ingesteld, deelachtig maakt. Onder de sacramenten die op de volmaaktheid van de enkeling alleen zijn aangewezen, zijn natuurlijk diegene de eerste die op de volmaaktheid van het geestelijk leven gericht zijn; en daarna eerst komen degene die daar in ondergeschikte mate, om nl. zoals met de biecht en het heilig oliesel het geval is, noodlottige invloeden die zich laten gelden te verdrijven, op aansturen. Daarbij komt het heilig oliesel dat de genezing voltrekt natuurlijk na de biecht die de genezing inzet. Onder de drie overige is het klaarblijkelijk dat het Doopsel, geestelijke wedergeboorte, het eerst komt, daarna het vormsel dat op de formele volmaaktheid van de deugd is aangewezen en eindelijk de Eucharistie die tot de eindvolmaaktheid wordt aangewend.
R: q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. In zover het huwelijk op het dierlijke leven gewezen is, is het een natuurverrichting, in de mate echter waarin het iets geestelijks is, is het een sacrament. En juist omdat het minst van al geestelijk is krijgt het de laatste plaats.
1e Weerlegging. In zover het huwelijk op het dierlijke leven gewezen is, is het een natuurverrichting, in de mate echter waarin het iets geestelijks is, is het een sacrament. En juist omdat het minst van al geestelijk is krijgt het de laatste plaats.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Opdat iets zich zou als bewerkende oorzaak laten gelden wordt verondersteld dat het volmaakter is, en daarom worden die sacramenten waardoor iemand in zich zelf vervolmaakt wordt, eerder vernoemd dan het priesterschap, waardoor iemand om andere te vervolmaken wordt aangesteld.
2e Weerlegging. Opdat iets zich zou als bewerkende oorzaak laten gelden wordt verondersteld dat het volmaakter is, en daarom worden die sacramenten waardoor iemand in zich zelf vervolmaakt wordt, eerder vernoemd dan het priesterschap, waardoor iemand om andere te vervolmaken wordt aangesteld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De voeding gaat als oorzaak de wasdom van het lichaam vooraf en volgt hem, daar ze toch de mens in zijn volmaakte grootte en kracht bewaart, ook op. Daarom dan mag zoals Dionysius doet in zijn Boek "Over de kerkelijke Hiërarchie" (3, 4) de Eucharistie vóór het vormsel vernoemd worden en ook zoals de Meester in het vierde boek van de Sententiën doet na het vormsel.
3e Weerlegging. De voeding gaat als oorzaak de wasdom van het lichaam vooraf en volgt hem, daar ze toch de mens in zijn volmaakte grootte en kracht bewaart, ook op. Daarom dan mag zoals Dionysius doet in zijn Boek "Over de kerkelijke Hiërarchie" (3, 4) de Eucharistie vóór het vormsel vernoemd worden en ook zoals de Meester in het vierde boek van de Sententiën doet na het vormsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. Dit ware een gegronde reden indien de biecht als voorbereiding tot de Eucharistie een noodzakelijke vereiste was. Thans houdt het echter geen stand. Want iemand die zonder doodzonde is heeft om ter heilige tafel te mogen naderen de biecht niet van doen, en zo wordt het duidelijk dat de biecht op bijkomstige wijze d.i. wanneer men de doodzonde veronderstelt tot de Eucharistie voorbereidt. Daarom staat er in het tweede boek der Parell. "Gij Heer, die de Heer zijt der rechtvaardigen hebt hun geen straf opgelegd."
4e Weerlegging. Dit ware een gegronde reden indien de biecht als voorbereiding tot de Eucharistie een noodzakelijke vereiste was. Thans houdt het echter geen stand. Want iemand die zonder doodzonde is heeft om ter heilige tafel te mogen naderen de biecht niet van doen, en zo wordt het duidelijk dat de biecht op bijkomstige wijze d.i. wanneer men de doodzonde veronderstelt tot de Eucharistie voorbereidt. Daarom staat er in het tweede boek der Parell. "Gij Heer, die de Heer zijt der rechtvaardigen hebt hun geen straf opgelegd."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 2 ad 5
Ad quintum Om die reden juist wordt het heilig oliesel onder de sacramenten die de volmaaktheid van de enkeling bevorderen het laatste opgesomd.
B: (2Chr 33:18) [b:2Chr 33:18]
Ad quintum Om die reden juist wordt het heilig oliesel onder de sacramenten die de volmaaktheid van de enkeling bevorderen het laatste opgesomd.
B: (2Chr 33:18) [b:2Chr 33:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is de Eucharistie het voornaamste Sacrament?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 63 a. 6 co.
IIIa q. 64 a. 6 ad 3
IIIa q. 66 a. 9 arg. 5
IIIa q. 67 a. 2 co.
IIIa q. 67 a. 2 ad 3
IIIa q. 67 a. 3 ad 3
IIIa q. 72 a. 2 arg. 2
IIIa q. 72 a. 9 arg. 1
IIIa q. 72 a. 12 arg. 1
IIIa q. 72 a. 12 ad 3
IIIa q. 78 a. 4 co.
IIIa q. 82 a. 1 ad 3[t:iiia q. 63 a. 6 co.][t:iiia q. 64 a. 6 ad 3][t:iiia q. 66 a. 9 arg. 5][t:iiia q. 67 a. 2 co.][t:iiia q. 67 a. 2 ad 3][t:iiia q. 67 a. 3 ad 3][t:iiia q. 72 a. 2 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 9 arg. 1][t:iiia q. 72 a. 12 arg. 1][t:iiia q. 72 a. 12 ad 3][t:iiia q. 78 a. 4 co.][t:iiia q. 82 a. 1 ad 3]
IIIa q. 65 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat de Eucharistie niet het voornaamste sacrament is. De belangen der gemeenschap komen zoals Aristoteles zegt in zijn Zedenleer (1, 2) voor de belangen van een enkeling. Welnu het huwelijk is door middel van de voortplanting op het algemene bestzijn van het menselijk geslacht berekend, de Eucharistie integendeel op het bestzijn van de enkeling. Zo is dus de Eucharistie niet het voornaamste sacrament.
IIIa q. 63 a. 6 co.
IIIa q. 64 a. 6 ad 3
IIIa q. 66 a. 9 arg. 5
IIIa q. 67 a. 2 co.
IIIa q. 67 a. 2 ad 3
IIIa q. 67 a. 3 ad 3
IIIa q. 72 a. 2 arg. 2
IIIa q. 72 a. 9 arg. 1
IIIa q. 72 a. 12 arg. 1
IIIa q. 72 a. 12 ad 3
IIIa q. 78 a. 4 co.
IIIa q. 82 a. 1 ad 3[t:iiia q. 63 a. 6 co.][t:iiia q. 64 a. 6 ad 3][t:iiia q. 66 a. 9 arg. 5][t:iiia q. 67 a. 2 co.][t:iiia q. 67 a. 2 ad 3][t:iiia q. 67 a. 3 ad 3][t:iiia q. 72 a. 2 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 9 arg. 1][t:iiia q. 72 a. 12 arg. 1][t:iiia q. 72 a. 12 ad 3][t:iiia q. 78 a. 4 co.][t:iiia q. 82 a. 1 ad 3]
IIIa q. 65 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat de Eucharistie niet het voornaamste sacrament is. De belangen der gemeenschap komen zoals Aristoteles zegt in zijn Zedenleer (1, 2) voor de belangen van een enkeling. Welnu het huwelijk is door middel van de voortplanting op het algemene bestzijn van het menselijk geslacht berekend, de Eucharistie integendeel op het bestzijn van de enkeling. Zo is dus de Eucharistie niet het voornaamste sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De voortreffelijkste sacramenten zijn diegene die door de waardigste bedienaars worden toegediend. Het vormsel nu en het priesterschap worden door de bisschop, die een hoger bedienaar is dan een eenvoudig priester, die de Eucharistie uitreikt, toegediend. Zo hebben beide eerstgenoemde sacramenten dan ook een hogere waardigheid.
Vervolgens. De voortreffelijkste sacramenten zijn diegene die door de waardigste bedienaars worden toegediend. Het vormsel nu en het priesterschap worden door de bisschop, die een hoger bedienaar is dan een eenvoudig priester, die de Eucharistie uitreikt, toegediend. Zo hebben beide eerstgenoemde sacramenten dan ook een hogere waardigheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Die sacramenten zijn de voornaamste die het krachtigst inwerken. Welnu sommige sacramenten, het doopsel nl. het vormsel en het priesterschap, prenten een merkteken in; de Eucharistie integendeel doet zulks niet. Zo zijn dus die sacramenten de voornaamste.
Vervolgens. Die sacramenten zijn de voornaamste die het krachtigst inwerken. Welnu sommige sacramenten, het doopsel nl. het vormsel en het priesterschap, prenten een merkteken in; de Eucharistie integendeel doet zulks niet. Zo zijn dus die sacramenten de voornaamste.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 3 arg. 4
Vervolgens. Dit waarvan iets anders afhankelijk is heeft meest waarde, en niet andersom. De Eucharistie nu is van het doopsel afhankelijk. Iemand kan immers zolang hij niet gedoopt is de Eucharistie niet ontvangen. Zo heeft dus het doopsel een grotere waarde dan de Eucharistie.
Vervolgens. Dit waarvan iets anders afhankelijk is heeft meest waarde, en niet andersom. De Eucharistie nu is van het doopsel afhankelijk. Iemand kan immers zolang hij niet gedoopt is de Eucharistie niet ontvangen. Zo heeft dus het doopsel een grotere waarde dan de Eucharistie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter wat Dionysius zegt in zijn Kerkelijke Hiërarchie (3): "Niemand kan de volmaaktheid van de hiërarchie binnen gaan zonder de allergoddelijkste Eucharistie." Zo heeft dus dit sacrament de voorrang boven alle andere.
Daartegenover staat echter wat Dionysius zegt in zijn Kerkelijke Hiërarchie (3): "Niemand kan de volmaaktheid van de hiërarchie binnen gaan zonder de allergoddelijkste Eucharistie." Zo heeft dus dit sacrament de voorrang boven alle andere.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 3 co.
Mijn antwoord. Volstrekt gesproken is de Eucharistie onder alle sacramenten het voornaamste; dit kan met drie redenen bewezen worden. Vooreerst op grond van wat het in zich bevat. In de Eucharistie is nl. Christus zelfstandig aanwezig. In de andere sacramenten integendeel schuilt er, zoals hierboven gezegd werd (62ste Kwestie, 3e en 4e Art.), enkel een werktuigelijke kracht die door Christus werd medegedeeld. Wat nu bij wezenheid bestaat, overtreft wat enkel bij deelgenootschap bestaat. Dit blijkt ten tweede nog wanneer we de betrekkingen die onder de sacramenten bestaan willen nagaan. Het is immers duidelijk dat het priesterschap op de wijding van de Eucharistie, het doopsel op het ontvangen van de Eucharistie berekend werd. Bij het vormsel verder wordt de mens, opdat hij zich niet uit menselijk opzicht aan de Eucharistie zou onttrekken, vervolmaakt. Door de biecht en het heilige oliesel wordt de mens voorbereid om de Eucharistie op waardige wijze te ontvangen. Het huwelijk zelf eindelijk heeft althans door zijn betekenis, in zover het nl. de vereniging van Christus met de kerk, eenheid die door de Eucharistie wordt voorgesteld, verzinnebeeldt, met de Eucharistie betrekking. Daarom zegt de apostel in zijn Brief aan de Efesïèrs (5, 32): "Dit geheimenis is groot, ik zeg dit met het oog op Christus en op de Kerk." Ten derde eindelijk doet insgelijks de ritus van de sacramenten dit uitkomen; bijna alle sacramenten worden immers in de Eucharistie voltooid. Dionysius zegt het immers in zijn "Kerkelijke hiërarchie" en het bewijs ligt voor de hand. Degene die priester gewijd worden nuttigen nl. het heilig brood, en diegene die gedoopt worden als ze reeds volwassen zijn insgelijks. Wat nu de overige sacramenten aangaat, deze kunnen op allerlei manieren met mekaar vergeleken worden; zo is wanneer het om de noodzakelijkheid gaat het doopsel het voornaamste sacrament; is het integendeel om hun volmaaktheid te doen dan komt eerst en vooral het priesterschap, het sacrament van het vormsel houdt de middenweg; de biecht en het heilig oliesel daarentegen zijn van mindere waarde dan de andere sacramenten, ze zijn immers zoals reeds gezegd werd (1e art. van deze kwestie) niet in volstrekte zin, maar als bij toeval, als geneesmiddelen tegen voorkomende kwalen op het christelijke leven berekend. Onder die laatste nochtans staat het heilig oliesel tot de biecht in dezelfde verhouding als het vormsel tot het doopsel; de biecht is nl. noodzakelijkst, het heilig oliesel integendeel het meest volmaakt van beiden.
R: q. 62 a. 4 ad 3[t:iiia q. 62 a. 4 ad 3] q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5] q. 65 a. 2[t:iiia q. 65 a. 2]
Mijn antwoord. Volstrekt gesproken is de Eucharistie onder alle sacramenten het voornaamste; dit kan met drie redenen bewezen worden. Vooreerst op grond van wat het in zich bevat. In de Eucharistie is nl. Christus zelfstandig aanwezig. In de andere sacramenten integendeel schuilt er, zoals hierboven gezegd werd (62ste Kwestie, 3e en 4e Art.), enkel een werktuigelijke kracht die door Christus werd medegedeeld. Wat nu bij wezenheid bestaat, overtreft wat enkel bij deelgenootschap bestaat. Dit blijkt ten tweede nog wanneer we de betrekkingen die onder de sacramenten bestaan willen nagaan. Het is immers duidelijk dat het priesterschap op de wijding van de Eucharistie, het doopsel op het ontvangen van de Eucharistie berekend werd. Bij het vormsel verder wordt de mens, opdat hij zich niet uit menselijk opzicht aan de Eucharistie zou onttrekken, vervolmaakt. Door de biecht en het heilige oliesel wordt de mens voorbereid om de Eucharistie op waardige wijze te ontvangen. Het huwelijk zelf eindelijk heeft althans door zijn betekenis, in zover het nl. de vereniging van Christus met de kerk, eenheid die door de Eucharistie wordt voorgesteld, verzinnebeeldt, met de Eucharistie betrekking. Daarom zegt de apostel in zijn Brief aan de Efesïèrs (5, 32): "Dit geheimenis is groot, ik zeg dit met het oog op Christus en op de Kerk." Ten derde eindelijk doet insgelijks de ritus van de sacramenten dit uitkomen; bijna alle sacramenten worden immers in de Eucharistie voltooid. Dionysius zegt het immers in zijn "Kerkelijke hiërarchie" en het bewijs ligt voor de hand. Degene die priester gewijd worden nuttigen nl. het heilig brood, en diegene die gedoopt worden als ze reeds volwassen zijn insgelijks. Wat nu de overige sacramenten aangaat, deze kunnen op allerlei manieren met mekaar vergeleken worden; zo is wanneer het om de noodzakelijkheid gaat het doopsel het voornaamste sacrament; is het integendeel om hun volmaaktheid te doen dan komt eerst en vooral het priesterschap, het sacrament van het vormsel houdt de middenweg; de biecht en het heilig oliesel daarentegen zijn van mindere waarde dan de andere sacramenten, ze zijn immers zoals reeds gezegd werd (1e art. van deze kwestie) niet in volstrekte zin, maar als bij toeval, als geneesmiddelen tegen voorkomende kwalen op het christelijke leven berekend. Onder die laatste nochtans staat het heilig oliesel tot de biecht in dezelfde verhouding als het vormsel tot het doopsel; de biecht is nl. noodzakelijkst, het heilig oliesel integendeel het meest volmaakt van beiden.
R: q. 62 a. 4 ad 3[t:iiia q. 62 a. 4 ad 3] q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5] q. 65 a. 2[t:iiia q. 65 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het huwelijk is op lichamelijk gebied op het algemeen bestzijn berekend, maar het geestelijk algemeen bestzijn van geheel de kerk wordt zelfstandig in de Eucharistie bevat.
B: (Eph 5:32) [b:Eph 5:32]
1e Weerlegging. Het huwelijk is op lichamelijk gebied op het algemeen bestzijn berekend, maar het geestelijk algemeen bestzijn van geheel de kerk wordt zelfstandig in de Eucharistie bevat.
B: (Eph 5:32) [b:Eph 5:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. 2. Door het vormsel en het priesterschap worden de christelijke gelovigen bijzondere ambten, die feitelijk van de taak van het hoofd deel uitmaken opgedragen. Daarom is het dan ook dat aan de bisschop die in de kerk als het hoofd is, toekomt bewuste sacramenten toe te dienen. Door de Eucharistie daarentegen wordt de mens niet een ambt opgedragen, maar dit sacrament is zoals gezegd werd (in de leerstelling), ’t einddoel van alle ambten.
2e Weerlegging. 2. Door het vormsel en het priesterschap worden de christelijke gelovigen bijzondere ambten, die feitelijk van de taak van het hoofd deel uitmaken opgedragen. Daarom is het dan ook dat aan de bisschop die in de kerk als het hoofd is, toekomt bewuste sacramenten toe te dienen. Door de Eucharistie daarentegen wordt de mens niet een ambt opgedragen, maar dit sacrament is zoals gezegd werd (in de leerstelling), ’t einddoel van alle ambten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Het merkteken, - we deden het hierboven uitkomen (63e Kwestie), — is een deelgenootschap aan het priesterschap van Christus, bijgevolg is het sacrament dat de mens met Christus verenigt van meer waarde dan een sacrament dat het merkteken van Christus inprent.
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3]
3e Weerlegging. Het merkteken, - we deden het hierboven uitkomen (63e Kwestie), — is een deelgenootschap aan het priesterschap van Christus, bijgevolg is het sacrament dat de mens met Christus verenigt van meer waarde dan een sacrament dat het merkteken van Christus inprent.
R: q. 63 a. 3[t:iiia q. 63 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Deze beschouwing steunt op de graden van onontbeerlijkheid; zoals immers het doopsel, daar het toch het meest onontbeerlijk is, het belangrijkste sacrament is, zo ook zijn het priesterschap en het vormsel, om het ambt waartoe ze machtigen, zo ook is het huwelijk, om zijn betekenis, boven de andere sacramenten verheven. Niets immers verhindert dat iets dat volstrekt gesproken niet voortreffelijker is dan iets anders, het in een bepaald opzicht wel zou zijn.
4e Weerlegging. Deze beschouwing steunt op de graden van onontbeerlijkheid; zoals immers het doopsel, daar het toch het meest onontbeerlijk is, het belangrijkste sacrament is, zo ook zijn het priesterschap en het vormsel, om het ambt waartoe ze machtigen, zo ook is het huwelijk, om zijn betekenis, boven de andere sacramenten verheven. Niets immers verhindert dat iets dat volstrekt gesproken niet voortreffelijker is dan iets anders, het in een bepaald opzicht wel zou zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Zijn alle Sacramenten voor onze zaligheid onontbeerlijk?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 64 a. 6 ad 3
IIIa q. 64 a. 8 arg. 2
IIIa q. 66 a. 2 arg. 3
IIIa q. 67 a. 3 ad 3
IIIa q. 68 a. 2 arg. 3
IIIa q. 72 a. 1 ad 3
IIIa q. 72 a. 2 arg. 2
IIIa q. 72 a. 9 arg. 1
IIIa q. 72 a. 12 arg. 1
IIIa q. 82 a. 1 ad 3[t:iiia q. 64 a. 6 ad 3][t:iiia q. 64 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 66 a. 2 arg. 3][t:iiia q. 67 a. 3 ad 3][t:iiia q. 68 a. 2 arg. 3][t:iiia q. 72 a. 1 ad 3][t:iiia q. 72 a. 2 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 9 arg. 1][t:iiia q. 72 a. 12 arg. 1][t:iiia q. 82 a. 1 ad 3]
IIIa q. 65 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat niet alle sacramenten voor onze zaligheid onontbeerlijk zijn. Wat niet onontbeerlijk is, is overtollig. Welnu, geen enkel sacrament is overtollig. God immers doet niets overtolligs. Zo zijn alle sacramenten voor onze zaligheid onontbeerlijk.
IIIa q. 64 a. 6 ad 3
IIIa q. 64 a. 8 arg. 2
IIIa q. 66 a. 2 arg. 3
IIIa q. 67 a. 3 ad 3
IIIa q. 68 a. 2 arg. 3
IIIa q. 72 a. 1 ad 3
IIIa q. 72 a. 2 arg. 2
IIIa q. 72 a. 9 arg. 1
IIIa q. 72 a. 12 arg. 1
IIIa q. 82 a. 1 ad 3[t:iiia q. 64 a. 6 ad 3][t:iiia q. 64 a. 8 arg. 2][t:iiia q. 66 a. 2 arg. 3][t:iiia q. 67 a. 3 ad 3][t:iiia q. 68 a. 2 arg. 3][t:iiia q. 72 a. 1 ad 3][t:iiia q. 72 a. 2 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 9 arg. 1][t:iiia q. 72 a. 12 arg. 1][t:iiia q. 82 a. 1 ad 3]
IIIa q. 65 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat niet alle sacramenten voor onze zaligheid onontbeerlijk zijn. Wat niet onontbeerlijk is, is overtollig. Welnu, geen enkel sacrament is overtollig. God immers doet niets overtolligs. Zo zijn alle sacramenten voor onze zaligheid onontbeerlijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Evenals Christus sprekende over het doopsel, gezegd heeft Joh. (3, 5): "Indien iemand niet uit water en de Heilige Geest wordt wedergeboren, kan hij het Godsrijk niet ingaan." Evenzo zei hij van de Eucharistie Joh. (6, 54): "Zo gij het vlees van de Mensenzoon niet eet, en zijn bloed niet drinkt hebt gij geen leven in u." Zo is dus de Eucharistie even onontheerlijk als het doopsel.
B: (John 3:5) [b:John 3:5] (John 6:54, John 6:54) [b:John 6:54]
Vervolgens. Evenals Christus sprekende over het doopsel, gezegd heeft Joh. (3, 5): "Indien iemand niet uit water en de Heilige Geest wordt wedergeboren, kan hij het Godsrijk niet ingaan." Evenzo zei hij van de Eucharistie Joh. (6, 54): "Zo gij het vlees van de Mensenzoon niet eet, en zijn bloed niet drinkt hebt gij geen leven in u." Zo is dus de Eucharistie even onontheerlijk als het doopsel.
B: (John 3:5) [b:John 3:5] (John 6:54, John 6:54) [b:John 6:54]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Iemand kan als hij in de onmogelijkheid verkeert en het niet uit misprijzen voor de godsdienst is, dat zo iets gebeurt, zonder het doopsel ontvangen te hebben zalig worden, later komen we daar overigens op terug (68e Kwest., 1e en 2e art.). Het misprijzen toch voor gelijk welk sacrament staat de zaligheid van de mens in de weg, en op dezelfde wijze zijn de sacramenten voor de zaligheid onontbeerlijk.
R: q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2]
Vervolgens. Iemand kan als hij in de onmogelijkheid verkeert en het niet uit misprijzen voor de godsdienst is, dat zo iets gebeurt, zonder het doopsel ontvangen te hebben zalig worden, later komen we daar overigens op terug (68e Kwest., 1e en 2e art.). Het misprijzen toch voor gelijk welk sacrament staat de zaligheid van de mens in de weg, en op dezelfde wijze zijn de sacramenten voor de zaligheid onontbeerlijk.
R: q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter dat kinderen door het doopsel alleen, zonder toedoen van de andere sacramenten, zalig worden.
Daartegenover staat echter dat kinderen door het doopsel alleen, zonder toedoen van de andere sacramenten, zalig worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 4 co.
Mijn antwoord. In verhouding tot het einddoel waar het hier om te doen is, kan met twee verschillende betekenissen van onontbeerlijkheid gesproken worden. Iets is nl. ten eerste wanneer zonder bewust middel aan te wenden het voorgenomen doel niet kan bereikt worden onontbeerlijk. Zo is er om in leven te blijven voedsel nodig, en dit is een volstrekte noodzakelijkheid. Iets is ten tweede nog onontbeerlijk wanneer anders het einddoel niet op behoorlijke wijze kan worden nagestreefd. Zo is bv. om een reis te ondernemen een paard van node; alleen is zulks geen volstrekte noodzakelijkheid. Op de eerste wijze nu zijn er drie sacramenten onontbeerlijk, waaronder twee voor de eenling, het doopsel nl. onvoorwaardelijk en volstrekt, de biecht alleen als men veronderstelt dat na het doopsel doodzonde bedreven werd; het priesterschap daarentegen is voor de Heilige Kerk onontbeerlijk, zoals het Boek der Spreuken aangeeft (11, 14): gaat immers waar geen bestuurder is een volk ten gronde. Op de tweede wijze eindelijk zijn de overige sacramenten onontbeerlijk het vormsel nl. vervolmaakt enigerwijze het doopsel, het Heilig Oliesel de biecht, terwijl door de voortplanting het huwelijk de maatschappij der Heilige Kerk in stand houdt.
Mijn antwoord. In verhouding tot het einddoel waar het hier om te doen is, kan met twee verschillende betekenissen van onontbeerlijkheid gesproken worden. Iets is nl. ten eerste wanneer zonder bewust middel aan te wenden het voorgenomen doel niet kan bereikt worden onontbeerlijk. Zo is er om in leven te blijven voedsel nodig, en dit is een volstrekte noodzakelijkheid. Iets is ten tweede nog onontbeerlijk wanneer anders het einddoel niet op behoorlijke wijze kan worden nagestreefd. Zo is bv. om een reis te ondernemen een paard van node; alleen is zulks geen volstrekte noodzakelijkheid. Op de eerste wijze nu zijn er drie sacramenten onontbeerlijk, waaronder twee voor de eenling, het doopsel nl. onvoorwaardelijk en volstrekt, de biecht alleen als men veronderstelt dat na het doopsel doodzonde bedreven werd; het priesterschap daarentegen is voor de Heilige Kerk onontbeerlijk, zoals het Boek der Spreuken aangeeft (11, 14): gaat immers waar geen bestuurder is een volk ten gronde. Op de tweede wijze eindelijk zijn de overige sacramenten onontbeerlijk het vormsel nl. vervolmaakt enigerwijze het doopsel, het Heilig Oliesel de biecht, terwijl door de voortplanting het huwelijk de maatschappij der Heilige Kerk in stand houdt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Opdat iets niet zou overtollig zijn, is het voldoende, dat het zou óf op de eerste óf op de tweede wijze onontbeerlijk zijn. Zo zijn dan zoals in de leerstelling blijkt alle sacramenten onontbeerlijk.
B: (Prov 11:14) [b:Prov 11:14]
1e Weerlegging. Opdat iets niet zou overtollig zijn, is het voldoende, dat het zou óf op de eerste óf op de tweede wijze onontbeerlijk zijn. Zo zijn dan zoals in de leerstelling blijkt alle sacramenten onontbeerlijk.
B: (Prov 11:14) [b:Prov 11:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Zoals St. Augustinus in zijn Commentaar op Joh. (26e traktaat) uitlegt moet dit woord van Christus van een geestelijk eten en niet alleen van een sacramenteel eten verstaan worden.
2e Weerlegging. Zoals St. Augustinus in zijn Commentaar op Joh. (26e traktaat) uitlegt moet dit woord van Christus van een geestelijk eten en niet alleen van een sacramenteel eten verstaan worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 65 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Alhoewel men met alle sacramenten te misprijzen tegen zijn zaligheid ingaat, kan er nog niet van misprijzen voor het sacrament sprake zijn, wanneer men er niet voor zorgt een sacrament dat voor de zaligheid niet onontbeerlijk is te ontvangen, anders toch zouden al degene die niet priester worden en het huwelijk niet aangaan de sacramenten misprijzen.
3e Weerlegging. Alhoewel men met alle sacramenten te misprijzen tegen zijn zaligheid ingaat, kan er nog niet van misprijzen voor het sacrament sprake zijn, wanneer men er niet voor zorgt een sacrament dat voor de zaligheid niet onontbeerlijk is te ontvangen, anders toch zouden al degene die niet priester worden en het huwelijk niet aangaan de sacramenten misprijzen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 66: Over het Doopsel
IIIa q. 66 pr.
Nu moeten we tot de beschouwing van iedere sacrament in het bijzonder overgaan. Zo zal het
ten eerste over het doopsel gaan,
ten tweede over het vormsel,
ten derde over de Eucharistie,
ten vierde over de biecht,
ten vijfde over het heilig oliesel,
ten zesde over het priesterschap,
ten zevende eindelijk over het huwelijk.
Twee dingen moeten in het doopsel besproken worden,
voor-eerst namelijk het doopsel zelf,
verder de voorbereiding tot het doopsel.
Wat nu het doopsel zelf betreft komen vier dingen ter beschouwing.
Ten eerste: Wat er tot het sacrament van het doopsel behoort.
Ten tweede: De bedienaar van het sacrament.
Ten derde: Degene die het sacrament ontvangen.
Ten vierde: Het uitwerksel van het sacrament.
Bij het eerste onder deze vier punten hebben we het over de twaalf volgende vraagstukken:
1. Is het doopsel een wassing?
2. Over de instelling van het doopsel.
3. Is water de eigenlijke stof van dit sacrament?
4. Wordt er zuiver en onvermengd water vereist?
5. Is de vereiste vorm van bewust sacrament: "Ik doop u in de naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes"?
6. Mag iemand gedoopt worden onder de volgende vorm: "Ik doop u in Christus naam"?
7. Wordt er voor de geldigheid van het doopsel een indompelen vereist?
8. Is een drievoudige indompeling onontbeerlijk?
9. Mag het doopsel een tweede maal worden toegediend?
10. Over de ritus van het doopsel.
11. Bestaan er verschillende soorten van doopsel?
12. Hoe staan ze tegenover elkaar?
Nu moeten we tot de beschouwing van iedere sacrament in het bijzonder overgaan. Zo zal het
ten eerste over het doopsel gaan,
ten tweede over het vormsel,
ten derde over de Eucharistie,
ten vierde over de biecht,
ten vijfde over het heilig oliesel,
ten zesde over het priesterschap,
ten zevende eindelijk over het huwelijk.
Twee dingen moeten in het doopsel besproken worden,
voor-eerst namelijk het doopsel zelf,
verder de voorbereiding tot het doopsel.
Wat nu het doopsel zelf betreft komen vier dingen ter beschouwing.
Ten eerste: Wat er tot het sacrament van het doopsel behoort.
Ten tweede: De bedienaar van het sacrament.
Ten derde: Degene die het sacrament ontvangen.
Ten vierde: Het uitwerksel van het sacrament.
Bij het eerste onder deze vier punten hebben we het over de twaalf volgende vraagstukken:
1. Is het doopsel een wassing?
2. Over de instelling van het doopsel.
3. Is water de eigenlijke stof van dit sacrament?
4. Wordt er zuiver en onvermengd water vereist?
5. Is de vereiste vorm van bewust sacrament: "Ik doop u in de naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes"?
6. Mag iemand gedoopt worden onder de volgende vorm: "Ik doop u in Christus naam"?
7. Wordt er voor de geldigheid van het doopsel een indompelen vereist?
8. Is een drievoudige indompeling onontbeerlijk?
9. Mag het doopsel een tweede maal worden toegediend?
10. Over de ritus van het doopsel.
11. Bestaan er verschillende soorten van doopsel?
12. Hoe staan ze tegenover elkaar?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is het doopsel een wassing?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 67 a. 6 ad 3
IIIa q. 68 a. 11 co.
IIIa q. 73 a. 1 arg. 2
IIIa q. 84 a. 1 arg. 3
IIIa q. 84 a. 1 s. c.
IIIa q. 84 a. 1 s. c.
IIIa q. 89 a. 2 co.
Suppl q. 42 a. 1 ad 5
Suppl q. 44 a. 1 ad 2[t:iiia q. 67 a. 6 ad 3][t:iiia q. 68 a. 11 co.][t:iiia q. 73 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 84 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 84 a. 1 s. c.][t:iiia q. 84 a. 1 s. c.][t:iiia q. 89 a. 2 co.][t:suppl q. 42 a. 1 ad 5][t:suppl q. 44 a. 1 ad 2]
IIIa q. 66 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat het doopsel eigenlijk niet in de wassing bestaat. Een lichamelijke wassing gaat voorbij, het doopsel echter blijft. Zo is het doopsel dus geen wassing, maar eerder “een wedergeboorte en een zegel, een bewaring en een verlichting.” Dit zegt St. Joannes Damascenus in zijn Boek “Over het Rechtzinnig geloof”. (4, 10)
IIIa q. 67 a. 6 ad 3
IIIa q. 68 a. 11 co.
IIIa q. 73 a. 1 arg. 2
IIIa q. 84 a. 1 arg. 3
IIIa q. 84 a. 1 s. c.
IIIa q. 84 a. 1 s. c.
IIIa q. 89 a. 2 co.
Suppl q. 42 a. 1 ad 5
Suppl q. 44 a. 1 ad 2[t:iiia q. 67 a. 6 ad 3][t:iiia q. 68 a. 11 co.][t:iiia q. 73 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 84 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 84 a. 1 s. c.][t:iiia q. 84 a. 1 s. c.][t:iiia q. 89 a. 2 co.][t:suppl q. 42 a. 1 ad 5][t:suppl q. 44 a. 1 ad 2]
IIIa q. 66 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat het doopsel eigenlijk niet in de wassing bestaat. Een lichamelijke wassing gaat voorbij, het doopsel echter blijft. Zo is het doopsel dus geen wassing, maar eerder “een wedergeboorte en een zegel, een bewaring en een verlichting.” Dit zegt St. Joannes Damascenus in zijn Boek “Over het Rechtzinnig geloof”. (4, 10)
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Hugo van St. Victor beweert in zijn boek "De Sacramenten" (2, 6, 1) dat het doopsel: "water is dat geheiligd wordt door het woord Gods en van de zonden reinigt." — Het water echter is niet de eigenlijke wassing, maar de wassing is het gebruik van water. Dus is het doopsel geen wassing.
Vervolgens. Hugo van St. Victor beweert in zijn boek "De Sacramenten" (2, 6, 1) dat het doopsel: "water is dat geheiligd wordt door het woord Gods en van de zonden reinigt." — Het water echter is niet de eigenlijke wassing, maar de wassing is het gebruik van water. Dus is het doopsel geen wassing.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 1 arg. 3
Vervolgens. St. Augustinus zegt in zijn Commentaar op Joan. (80e traktaat) : "Het woord komt even maar tot de stof en het sacrament ontstaat." — De stof echter van het doopsel is het water en zo is dus het doopsel in het water en niet in de wassing gelegen.
Vervolgens. St. Augustinus zegt in zijn Commentaar op Joan. (80e traktaat) : "Het woord komt even maar tot de stof en het sacrament ontstaat." — De stof echter van het doopsel is het water en zo is dus het doopsel in het water en niet in de wassing gelegen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen gezegd wordt, in Eccli. (34, 30): "Wie zich reinigt ter oorzaak van een dode en die opnieuw aanraakt, wat baat hem zijn reiniging." Zo is het doopsel dus wel de wassing zelf.
B: (Sir 34:30) [b:Sir 34:30]
Daartegenover staat echter hetgeen gezegd wordt, in Eccli. (34, 30): "Wie zich reinigt ter oorzaak van een dode en die opnieuw aanraakt, wat baat hem zijn reiniging." Zo is het doopsel dus wel de wassing zelf.
B: (Sir 34:30) [b:Sir 34:30]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 1 co.
Mijn antwoord. In het sacrament van het doopsel vallen drie verschillende dingen te onderscheiden, hetgeen namelijk enkel en alleen teken is, hetgeen zaak en teken is, en hetgeen enkel en alleen zaak is. Wat uitsluitend teken is, is wat uiterlijk te merken valt en teken is van het innerlijke uitwerksel; dit behoort immers tot het begrip van een teken. Wat nu de zintuigen uiterlijk aandoet is het water en het gebruik van water om de wassing. Daarom dachten sommigen dat het water zelf het sacrament is, wat Hugo van St. Victor overigens in zijn boek "Over de Sacramenten" (1, 9, 2), schijnt te willen bevestigen; in zijn algemene bepaling van het sacrament zegt hij namelijk dat het stoffelijk element het sacrament is en in zijn bepaling van het doopsel dat het sacrament het water is. Dit gaat echter niet aan; aangezien immers de sacramenten van de nieuwe wet de heiligmaking bewerken, zal het sacrament tot stand komen, daar waar de heiligmaking voltrokken wordt. Die heiligmaking nu wordt niet in het water voltrokken, maar in het water schuilt er een werktuigelijke heiligmakende kracht, die er niet blijft, maar de mens die subject is van de heiligmaking aandoet. Zo wordt dan het sacrament niet door het water alleen voltrokken maar wel door het gebruik dat de mens van het water maakt, en dit is ten slotte niets anders dan de wassing. Daarom zegt ook de Meester der Sententien (4° Sent., 3) dat het doopsel een uiterlijke wassing is van het lichaam die onder het uitspreken van bepaalde woorden verricht wordt. — Zaak en teken eindelijk is het merkteken van het doopsel dat door de uiterlijke wassing betekend wordt en zelf sacramenteel teken is van de innerlijke rechtvaardigheid die zij, zaak van het sacrament, dat wil zeggen hetgeen betekend wordt, niet hetgeen zelf iets te kennen geeft is.
Mijn antwoord. In het sacrament van het doopsel vallen drie verschillende dingen te onderscheiden, hetgeen namelijk enkel en alleen teken is, hetgeen zaak en teken is, en hetgeen enkel en alleen zaak is. Wat uitsluitend teken is, is wat uiterlijk te merken valt en teken is van het innerlijke uitwerksel; dit behoort immers tot het begrip van een teken. Wat nu de zintuigen uiterlijk aandoet is het water en het gebruik van water om de wassing. Daarom dachten sommigen dat het water zelf het sacrament is, wat Hugo van St. Victor overigens in zijn boek "Over de Sacramenten" (1, 9, 2), schijnt te willen bevestigen; in zijn algemene bepaling van het sacrament zegt hij namelijk dat het stoffelijk element het sacrament is en in zijn bepaling van het doopsel dat het sacrament het water is. Dit gaat echter niet aan; aangezien immers de sacramenten van de nieuwe wet de heiligmaking bewerken, zal het sacrament tot stand komen, daar waar de heiligmaking voltrokken wordt. Die heiligmaking nu wordt niet in het water voltrokken, maar in het water schuilt er een werktuigelijke heiligmakende kracht, die er niet blijft, maar de mens die subject is van de heiligmaking aandoet. Zo wordt dan het sacrament niet door het water alleen voltrokken maar wel door het gebruik dat de mens van het water maakt, en dit is ten slotte niets anders dan de wassing. Daarom zegt ook de Meester der Sententien (4° Sent., 3) dat het doopsel een uiterlijke wassing is van het lichaam die onder het uitspreken van bepaalde woorden verricht wordt. — Zaak en teken eindelijk is het merkteken van het doopsel dat door de uiterlijke wassing betekend wordt en zelf sacramenteel teken is van de innerlijke rechtvaardigheid die zij, zaak van het sacrament, dat wil zeggen hetgeen betekend wordt, niet hetgeen zelf iets te kennen geeft is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Wat in het doopsel uitsluitend teken is gaat voorbij, wat integendeel én zaak is én teken, het merkteken namelijk blijft, wat eindelijk uitsluitend zaak is, de innerlijke rechtvaardigheid namelijk blijft insgelijks. Alleen blijft het merkteken onuitwischbaar bestaan, we toonden het hierboven reeds aan (63° Kw., 5° art.), — terwijl daarentegen de rechtvaardigheid ook als ze blijft immer kan verloren gaan. — De heilige Joannes Damascenus nu heeft het doopsel niet naar hetgeen uiterlijk geschiedt en uitsluitend teken is bepaald, maar wel naar wat het innerlijk veroorzaakt. Zo sprak hij dan van twee eigenschappen die het merkteken toekomen, een zegel te zijn namelijk en te bewaren; het merkteken namelijk dat ook een zegel is behoudt, in zover er van buiten niets in de weg komt de ziel in het goede; in zijn bepaling spreekt hij ook van twee uitwerkselen die op de uiterste zaak van het sacrament teruggaan, van de wedergeboorte namelijk — door het doopsel begint immers de mens een nieuw leven van gerechtigheid, — en van de verlichting die vooral aan het geloof, waardoor de mens op geestelijke wijze begint te leven, te danken valt; *Profeet Abacuc* (2, 4) zegt namelijk: "de rechtvaardige leeft van zijn geloof." — Het doopsel is overigens in een zekere mate een geloofsbelijdenis, daarom ook spreekt men van geloofssacramenten. Dionysius heeft insgelijks het sacrament met betrekking tot de overige sacramenten bepaald, wanneer hij in zijn boek de "Kerkelijke Hierarchie" (2) zei: "dat het doopsel het beginsel is van de vrome verrichtingen ener sacramentele handeling, het maakt namelijk de dierlijk aangelegde mens er toe geschikt de overige sacramenten ten goede te ontvangen." — en op dezelfde wijze zegt Dionysius sprekend over de sacramenten en de hemelse glorie, laatste doel der sacramenten, dat "het doopsel ons de weg baant naar de hogere sferen der hemelse rust." — Ten derde zegt hij nog wanneer hij het heeft over de beginselen van ons geestelijk leven: "dat het doopsel ons brengt tot de heilige en goddelijke wedergeboorte."
R: q. 63 a. 5[t:iiia q. 63 a. 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 68 a. 9 arg. 2[t:iiia q. 68 a. 9 arg. 2]
1e Weerlegging. Wat in het doopsel uitsluitend teken is gaat voorbij, wat integendeel én zaak is én teken, het merkteken namelijk blijft, wat eindelijk uitsluitend zaak is, de innerlijke rechtvaardigheid namelijk blijft insgelijks. Alleen blijft het merkteken onuitwischbaar bestaan, we toonden het hierboven reeds aan (63° Kw., 5° art.), — terwijl daarentegen de rechtvaardigheid ook als ze blijft immer kan verloren gaan. — De heilige Joannes Damascenus nu heeft het doopsel niet naar hetgeen uiterlijk geschiedt en uitsluitend teken is bepaald, maar wel naar wat het innerlijk veroorzaakt. Zo sprak hij dan van twee eigenschappen die het merkteken toekomen, een zegel te zijn namelijk en te bewaren; het merkteken namelijk dat ook een zegel is behoudt, in zover er van buiten niets in de weg komt de ziel in het goede; in zijn bepaling spreekt hij ook van twee uitwerkselen die op de uiterste zaak van het sacrament teruggaan, van de wedergeboorte namelijk — door het doopsel begint immers de mens een nieuw leven van gerechtigheid, — en van de verlichting die vooral aan het geloof, waardoor de mens op geestelijke wijze begint te leven, te danken valt; *Profeet Abacuc* (2, 4) zegt namelijk: "de rechtvaardige leeft van zijn geloof." — Het doopsel is overigens in een zekere mate een geloofsbelijdenis, daarom ook spreekt men van geloofssacramenten. Dionysius heeft insgelijks het sacrament met betrekking tot de overige sacramenten bepaald, wanneer hij in zijn boek de "Kerkelijke Hierarchie" (2) zei: "dat het doopsel het beginsel is van de vrome verrichtingen ener sacramentele handeling, het maakt namelijk de dierlijk aangelegde mens er toe geschikt de overige sacramenten ten goede te ontvangen." — en op dezelfde wijze zegt Dionysius sprekend over de sacramenten en de hemelse glorie, laatste doel der sacramenten, dat "het doopsel ons de weg baant naar de hogere sferen der hemelse rust." — Ten derde zegt hij nog wanneer hij het heeft over de beginselen van ons geestelijk leven: "dat het doopsel ons brengt tot de heilige en goddelijke wedergeboorte."
R: q. 63 a. 5[t:iiia q. 63 a. 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 68 a. 9 arg. 2[t:iiia q. 68 a. 9 arg. 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zoals we in de leerstelling zeiden, moeten we ons hier niet naar de opvatting van Hugo van St. Victor schikken. Niettemin heeft hij, wanneer hij zegt dat het water het doopsel is, inzover gelijk dat het water het stoffelijk beginsel is van het doopsel en dan is zulks een benaming naar de oorzaak.
2e Weerlegging. Zoals we in de leerstelling zeiden, moeten we ons hier niet naar de opvatting van Hugo van St. Victor schikken. Niettemin heeft hij, wanneer hij zegt dat het water het doopsel is, inzover gelijk dat het water het stoffelijk beginsel is van het doopsel en dan is zulks een benaming naar de oorzaak.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Wanneer het woord tot de stof komt, komt het sacrament niet in de stof, maar in de mens die door wassing de stof ten nutte maakt, tot stand. Dit geeft overigens het woord dat, wanneer gezegd wordt "ik doop u... enz." tot de stof gericht wordt, duidelijk te kennen.
B: (Acts 2:4) [b:Acts 2:4] (Heb 10:38) [b:Heb 10:38]
3e Weerlegging. Wanneer het woord tot de stof komt, komt het sacrament niet in de stof, maar in de mens die door wassing de stof ten nutte maakt, tot stand. Dit geeft overigens het woord dat, wanneer gezegd wordt "ik doop u... enz." tot de stof gericht wordt, duidelijk te kennen.
B: (Acts 2:4) [b:Acts 2:4] (Heb 10:38) [b:Heb 10:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Werd het doopsel na het lijden van Christus ingesteld?
IIIa q. 66 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat het doopsel na het lijden van Christus werd ingesteld. Een oorzaak gaat haar uitwerkelijk voor. Welnu het lijden van Christus is het dat in de sacramenten der nieuwe wet de genade bewerkt, zo gaat dus het lijden van Christus de instelling van de sacramenten der nieuwe wet en vooral de instelling van het doopsel vooraf; de Apostel zegt toch in zijn Brief aan de Romeinen (6) : "Allen zoveel we gedoopt zijn in Christus Jezus werden gedoopt in zijn Dood, enz..."
B: (Rom 6:3) [b:Rom 6:3]
Over het tweede als volgt. Men beweert dat het doopsel na het lijden van Christus werd ingesteld. Een oorzaak gaat haar uitwerkelijk voor. Welnu het lijden van Christus is het dat in de sacramenten der nieuwe wet de genade bewerkt, zo gaat dus het lijden van Christus de instelling van de sacramenten der nieuwe wet en vooral de instelling van het doopsel vooraf; de Apostel zegt toch in zijn Brief aan de Romeinen (6) : "Allen zoveel we gedoopt zijn in Christus Jezus werden gedoopt in zijn Dood, enz..."
B: (Rom 6:3) [b:Rom 6:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De sacramenten der nieuwe wet hebben dankzij het bevel van Christus kracht ontvangen. Christus nu heeft zijn discipelen bevel gegeven om na zijn lijden en na zijn verrijzenis het doopsel toe te dienen; hij zei namelijk, zoals bij Mattheüs, laatste hoofdstuk, geschreven staat: "Gaat en onderwijst alle volkeren en doopt ze in de naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geestes. enz..." Zo werd dus het doopsel na het lijden van Christus ingesteld.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Vervolgens. De sacramenten der nieuwe wet hebben dankzij het bevel van Christus kracht ontvangen. Christus nu heeft zijn discipelen bevel gegeven om na zijn lijden en na zijn verrijzenis het doopsel toe te dienen; hij zei namelijk, zoals bij Mattheüs, laatste hoofdstuk, geschreven staat: "Gaat en onderwijst alle volkeren en doopt ze in de naam des Vaders, des Zoons, en des Heiligen Geestes. enz..." Zo werd dus het doopsel na het lijden van Christus ingesteld.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Het doopsel is een sacrament dat, zoals werd aangetoond (62e kw., 1e artikel) voor de zaligheid nodig is; zo kan het niet anders of zodra het werd ingesteld moeten de mensen verplicht geweest zijn het te ontvangen. Welnu, voor het lijden van Christus waren de mensen niet verplicht het doopsel te ontvangen; de besnijdenis in de plaats waarvan naderhand het doopsel gekomen is was namelijk nog ten volle van kracht. Zo werd dus het doopsel niet voor het lijden van Christus ingesteld.
R: q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Vervolgens. Het doopsel is een sacrament dat, zoals werd aangetoond (62e kw., 1e artikel) voor de zaligheid nodig is; zo kan het niet anders of zodra het werd ingesteld moeten de mensen verplicht geweest zijn het te ontvangen. Welnu, voor het lijden van Christus waren de mensen niet verplicht het doopsel te ontvangen; de besnijdenis in de plaats waarvan naderhand het doopsel gekomen is was namelijk nog ten volle van kracht. Zo werd dus het doopsel niet voor het lijden van Christus ingesteld.
R: q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen Sint Augustinus zegt in een sermoon over Driekoningen: "doordat Christus in de wateren gedompeld werd, waste het water alle zonden weg." Daar dit nu voor het lijden van Christus geschiedde, werd dus het doopsel voor het lijden van Christus ingesteld.
Daartegenover staat echter hetgeen Sint Augustinus zegt in een sermoon over Driekoningen: "doordat Christus in de wateren gedompeld werd, waste het water alle zonden weg." Daar dit nu voor het lijden van Christus geschiedde, werd dus het doopsel voor het lijden van Christus ingesteld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals werd aangetoond (62° Kw., 1° Art.) hebben de sacramenten bij hun instelling kracht ontvangen om de genade te verlenen. Zo lijkt een sacrament op het ogenblik dat het kracht ontvangt om een uitwerksel te bewerken, te worden ingesteld. Het doopsel nu erlangde bewuste kracht bij het doopsel van Christus en werd dus op dit ogenblik als sacrament ingesteld. Alleen werd de verplichting om van dit sacrament gebruik te maken, de mensen eerst na het lijden en na de verrijzenis van Christus bekend gemaakt, dit én omdat bij het lijden van Christus de zinnebeeldige sacramenten der oude wet voor het doopsel en de andere sacramenten der nieuwe wet opbraken, én omdat door het doopsel de mens aan Christus in zijn lijden en verrijzenis gelijkvormig wordt, Hij sterft namelijk voor de zonden en begint een nieuw leven van gerechtigheid. Daarom nu was het nodig dat Christus vooraleer aan de mensen de verplichting werd opgelegd Hem in zijn dood en verrijzenis gelijkvormig te worden zelf zou lijden en verrijzen.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals werd aangetoond (62° Kw., 1° Art.) hebben de sacramenten bij hun instelling kracht ontvangen om de genade te verlenen. Zo lijkt een sacrament op het ogenblik dat het kracht ontvangt om een uitwerksel te bewerken, te worden ingesteld. Het doopsel nu erlangde bewuste kracht bij het doopsel van Christus en werd dus op dit ogenblik als sacrament ingesteld. Alleen werd de verplichting om van dit sacrament gebruik te maken, de mensen eerst na het lijden en na de verrijzenis van Christus bekend gemaakt, dit én omdat bij het lijden van Christus de zinnebeeldige sacramenten der oude wet voor het doopsel en de andere sacramenten der nieuwe wet opbraken, én omdat door het doopsel de mens aan Christus in zijn lijden en verrijzenis gelijkvormig wordt, Hij sterft namelijk voor de zonden en begint een nieuw leven van gerechtigheid. Daarom nu was het nodig dat Christus vooraleer aan de mensen de verplichting werd opgelegd Hem in zijn dood en verrijzenis gelijkvormig te worden zelf zou lijden en verrijzen.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Reeds voor het lijden van Christus betrok het doopsel, daar het toch dit lijden voorafbeeldde, zijn kracht van het lijden van Christus. Niettemin gebeurde dit op een andere manier dan voor de sacramenten der oude wet; deze waren immers enkel voorafbeeldingen, terwijl het doopsel kracht had om door Christus zelf rechtvaardig te maken. Het valt namelijk aan de kracht van Christus te danken dat zijn lijden de zaligheid heeft kunnen bewerken.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 66 a. 9 ad 1[t:iiia q. 66 a. 9 ad 1]
1e Weerlegging. Reeds voor het lijden van Christus betrok het doopsel, daar het toch dit lijden voorafbeeldde, zijn kracht van het lijden van Christus. Niettemin gebeurde dit op een andere manier dan voor de sacramenten der oude wet; deze waren immers enkel voorafbeeldingen, terwijl het doopsel kracht had om door Christus zelf rechtvaardig te maken. Het valt namelijk aan de kracht van Christus te danken dat zijn lijden de zaligheid heeft kunnen bewerken.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 66 a. 9 ad 1[t:iiia q. 66 a. 9 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Het ging niet aan wanneer Christus de zinnebeelden, nu ze door zijn waarheid waren in vervulling gegaan, deed opbreken, andermaal de mensen met allerlei zinnebeelden te benauwen, daarom legde hij vóór zijn lijden het reeds ingestelde doopsel niet als verplichting op, maar Hij wat dat de mensen en vooral de Joden bij wie, zoals Augustinus in zijn "Boek tegen Faustus" (4, 2) zegt, alles er op zinnebeeldige wijze was toegegaan, er door het gebruik stilaan zouden aan wennen. Na zijn lijden en verrijzenis heeft Hij echter de verplichting van het doopsel niet alleen voor de Joden maar voor alle volkeren gehandhaafd, toen Hij zei: "Gaat en onderwijst alle volkeren."
2e Weerlegging. Het ging niet aan wanneer Christus de zinnebeelden, nu ze door zijn waarheid waren in vervulling gegaan, deed opbreken, andermaal de mensen met allerlei zinnebeelden te benauwen, daarom legde hij vóór zijn lijden het reeds ingestelde doopsel niet als verplichting op, maar Hij wat dat de mensen en vooral de Joden bij wie, zoals Augustinus in zijn "Boek tegen Faustus" (4, 2) zegt, alles er op zinnebeeldige wijze was toegegaan, er door het gebruik stilaan zouden aan wennen. Na zijn lijden en verrijzenis heeft Hij echter de verplichting van het doopsel niet alleen voor de Joden maar voor alle volkeren gehandhaafd, toen Hij zei: "Gaat en onderwijst alle volkeren."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De sacramenten zijn dan alleen verplichtend wanneer zij door een gebod worden aangeplicht. Dit nu geschiedde (zoals gezegd werd in de leerstelling) niet voor het lijden; wat de Heer vóór zijn lijden aan Nicodemus zei: "Indien iemand niet herboren wordt uit het water en de H. Geest, kan hij het rijk Gods niet ingaan" (3, 5) heeft immers meer betrekking tot de toekomst dan tot het tegenwoordige.
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
3e Weerlegging. De sacramenten zijn dan alleen verplichtend wanneer zij door een gebod worden aangeplicht. Dit nu geschiedde (zoals gezegd werd in de leerstelling) niet voor het lijden; wat de Heer vóór zijn lijden aan Nicodemus zei: "Indien iemand niet herboren wordt uit het water en de H. Geest, kan hij het rijk Gods niet ingaan" (3, 5) heeft immers meer betrekking tot de toekomst dan tot het tegenwoordige.
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is het water de eigenlijke stof van het doopsel?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 66 a. 4 s. c.
IIIa q. 72 a. 2 arg. 4
IIIa q. 73 a. 1 arg. 2
Suppl q. 42 a. 3 ad 1[t:iiia q. 66 a. 4 s. c.][t:iiia q. 72 a. 2 arg. 4][t:iiia q. 73 a. 1 arg. 2][t:suppl q. 42 a. 3 ad 1]
IIIa q. 66 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat het water niet de eigenlijke stof is van het doopsel. Dionysius en Damascenus zeggen, de eerste in de "Kerkelijke Hierarchie" (2) en de tweede in "Het rechtzinnig geloof" (4, 10), dat het doopsel licht schenkt. Welnu de verlichting komt eerst en vooral aan het vuur toe. Zo moet dus het doopsel, vooral door Joannes de Doper wanneer hij het doopsel van Christus voorspelde, gezegd hebben: Hij zal u roepen in de H. Geest en in vuur. (Matt. 3, 11) eerder door vuur dan wel door water worden toegediend.
B: (Matt 3:11) [b:Matt 3:11]
IIIa q. 66 a. 4 s. c.
IIIa q. 72 a. 2 arg. 4
IIIa q. 73 a. 1 arg. 2
Suppl q. 42 a. 3 ad 1[t:iiia q. 66 a. 4 s. c.][t:iiia q. 72 a. 2 arg. 4][t:iiia q. 73 a. 1 arg. 2][t:suppl q. 42 a. 3 ad 1]
IIIa q. 66 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat het water niet de eigenlijke stof is van het doopsel. Dionysius en Damascenus zeggen, de eerste in de "Kerkelijke Hierarchie" (2) en de tweede in "Het rechtzinnig geloof" (4, 10), dat het doopsel licht schenkt. Welnu de verlichting komt eerst en vooral aan het vuur toe. Zo moet dus het doopsel, vooral door Joannes de Doper wanneer hij het doopsel van Christus voorspelde, gezegd hebben: Hij zal u roepen in de H. Geest en in vuur. (Matt. 3, 11) eerder door vuur dan wel door water worden toegediend.
B: (Matt 3:11) [b:Matt 3:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Het doopsel verbeeldt reiniging van zonde. Welnu, daar zijn behalve water nog heel wat stoffen waarmee kan gewassen worden, aldus wijn, olie, en andere dergelijke, en bijgevolg kan het doopsel ook met die stoffen worden toegediend. Zo is het water dus niet de eigenlijke stof van het doopsel.
Vervolgens. Het doopsel verbeeldt reiniging van zonde. Welnu, daar zijn behalve water nog heel wat stoffen waarmee kan gewassen worden, aldus wijn, olie, en andere dergelijke, en bijgevolg kan het doopsel ook met die stoffen worden toegediend. Zo is het water dus niet de eigenlijke stof van het doopsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 3 arg. 3
Vervolgens. De sacramenten der kerk vloeiden zoals gezegd werd, 362° Kw., 5° art.) wanneer Hij aan het kruis hing, uit de zijde van Christus. Welnu daaruit vloeide niet alleen water maar ook bloed, en zo mag het doopsel dus ook met bloed worden toegediend; ja zelfs zou zulks meer met oorzaak en uitwerking van het doopsel overeenstemmen. In het Boek der Openbaring (1, 5) wordt immers gezegd: "Hij heeft onze zonden afgewassen met zijn bloed."
B: (Rev 1:5) [b:Rev 1:5]
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Vervolgens. De sacramenten der kerk vloeiden zoals gezegd werd, 362° Kw., 5° art.) wanneer Hij aan het kruis hing, uit de zijde van Christus. Welnu daaruit vloeide niet alleen water maar ook bloed, en zo mag het doopsel dus ook met bloed worden toegediend; ja zelfs zou zulks meer met oorzaak en uitwerking van het doopsel overeenstemmen. In het Boek der Openbaring (1, 5) wordt immers gezegd: "Hij heeft onze zonden afgewassen met zijn bloed."
B: (Rev 1:5) [b:Rev 1:5]
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 3 arg. 4
Vervolgens. St. Augustinus (36° Sermoen over het Tijdeigen) en de eerbiedwaardige Beda (87 Lucas, 3° Kapt.) zeggen dat Christus door de aanraking met zijn allerzuiverste vlees aan de wateren een levenwekkende en louterende kracht schonk. Welnu niet alle water komt van de Jordaan, waar Christus met zijn lichaam het water aanraakte, zo kan dus het doopsel niet met gelijk welk water worden toegediend, en daarom is het water als water niet de eigenlijke stof van het doopsel.
Vervolgens. St. Augustinus (36° Sermoen over het Tijdeigen) en de eerbiedwaardige Beda (87 Lucas, 3° Kapt.) zeggen dat Christus door de aanraking met zijn allerzuiverste vlees aan de wateren een levenwekkende en louterende kracht schonk. Welnu niet alle water komt van de Jordaan, waar Christus met zijn lichaam het water aanraakte, zo kan dus het doopsel niet met gelijk welk water worden toegediend, en daarom is het water als water niet de eigenlijke stof van het doopsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 3 arg. 5
Vervolgens. Moest het water aan zich de eigenlijke stof zijn van het doopsel, dan zou het om er mee te mogen dopen niet nodig zijn nog een en ander aan dat water te verrichten. Welnu, bij een plechtige doop wordt het water waarmede het doopsel moet geschieden bezworen en gezegend. Zo is dus het water aan zich niet de eigenlijke stof van het doopsel.
Vervolgens. Moest het water aan zich de eigenlijke stof zijn van het doopsel, dan zou het om er mee te mogen dopen niet nodig zijn nog een en ander aan dat water te verrichten. Welnu, bij een plechtige doop wordt het water waarmede het doopsel moet geschieden bezworen en gezegend. Zo is dus het water aan zich niet de eigenlijke stof van het doopsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 3 s. c.
Daartegenover echter staat dat de Heer bij Joannes (3, 5) zegt: "Indien iemand niet wedergeboren wordt uit het water en de H. Geest, dan kan hij het rijk Gods niet ingaan."
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
Daartegenover echter staat dat de Heer bij Joannes (3, 5) zegt: "Indien iemand niet wedergeboren wordt uit het water en de H. Geest, dan kan hij het rijk Gods niet ingaan."
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 3 co.
Mijn antwoord. Door goddelijke instelling is het water de eigenlijke stof van het doopsel. Dit is overigens ook redelijk. Van huis uit is immers het doopsel een wedergeboorte tot het geestelijke leven. Dit nu komt zeer goed met het gebruik van water overeen; het zaad toch waaruit alle levende wezens, planten en dieren worden voortgebracht is vochtig en deelt de natuur van het water. Daarom ook beweerden sommige wijsgeren dat het water het beginsel is van alle wezens. Ten tweede komen de eigenschappen van het water met het uitwerksel van het doopsel overeen. Het water wast en daarom is het geschikt om de reiniging van de zonden te kennen te geven en teweeg te brengen; door zijn koudheid doet het buitensporige warmte afnemen en aldus komt het het water toe dan haard van begeerlijkheid in bedwang te houden; dankzij zijn doorschijnendheid kan het water het licht ondervangen en ook daarom is het op het doopsel, in zover het een geloofssacrament is, aangewezen. Ten derde stelt het water de mysteries van Christus voor waardoor wij worden rechtvaardig gemaakt. Bij de woorden van Joannes (3, 5) : "Wie niet herboren wordt, enz..." zegt immers de H. Chrysostomus dat "de oude mens in het water als in een graf begraven wordt, dat ons hoofd wordt ondergedompeld, en dat de mens eerst verborgen daarna andermaal te voorschijn komt." Ten vierde is zulks redelijk omdat het water zo algemeen en in overvloed wordt aangetroffen, en dus, gezien zijn noodzakelijkheid, best bij dit sacrament past; water toch is overal makkelijk te krijgen.
Mijn antwoord. Door goddelijke instelling is het water de eigenlijke stof van het doopsel. Dit is overigens ook redelijk. Van huis uit is immers het doopsel een wedergeboorte tot het geestelijke leven. Dit nu komt zeer goed met het gebruik van water overeen; het zaad toch waaruit alle levende wezens, planten en dieren worden voortgebracht is vochtig en deelt de natuur van het water. Daarom ook beweerden sommige wijsgeren dat het water het beginsel is van alle wezens. Ten tweede komen de eigenschappen van het water met het uitwerksel van het doopsel overeen. Het water wast en daarom is het geschikt om de reiniging van de zonden te kennen te geven en teweeg te brengen; door zijn koudheid doet het buitensporige warmte afnemen en aldus komt het het water toe dan haard van begeerlijkheid in bedwang te houden; dankzij zijn doorschijnendheid kan het water het licht ondervangen en ook daarom is het op het doopsel, in zover het een geloofssacrament is, aangewezen. Ten derde stelt het water de mysteries van Christus voor waardoor wij worden rechtvaardig gemaakt. Bij de woorden van Joannes (3, 5) : "Wie niet herboren wordt, enz..." zegt immers de H. Chrysostomus dat "de oude mens in het water als in een graf begraven wordt, dat ons hoofd wordt ondergedompeld, en dat de mens eerst verborgen daarna andermaal te voorschijn komt." Ten vierde is zulks redelijk omdat het water zo algemeen en in overvloed wordt aangetroffen, en dus, gezien zijn noodzakelijkheid, best bij dit sacrament past; water toch is overal makkelijk te krijgen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Zelf te verlichten komt het vuur toe. Degene echter die gedoopt wordt verlicht niet maar wordt integendeel door het geloof, dat hij, zoals in de Brief aan de Romeinen (10, 17) staat, "kent door er te horen over spreken," verlicht, en daarom is water beter geschikt om te dopen dan vuur. Wordt er nu gezegd dat Christus zal dopen in de H. Geest en in vuur, dan moet dit van de H. Geest die, zoals beschreven staat in de Hand. der Apost. (2) in vurige tongen over de discipelen verscheen, verstaan worden. Zo legt het overigens de H. Hieronymus uit (in zijn commentaar op Matt.). Verder kan men door het vuur de beproeving verstaan en in die zin begrijpt het St. Joannes Chrysostomus (in zijn commentaar op Matt.), de beproeving reinigt namelijk van zonde en doet de begeerlijkheid afnemen. Ofwel kan men het begrijpen zoals de H. Hilarius (in zijn commentaar op Matt.) die zegt dat degene die in de H. Geest gedoopt worden door het vuur van het oordeel zullen verslonden worden.
1e Weerlegging. Zelf te verlichten komt het vuur toe. Degene echter die gedoopt wordt verlicht niet maar wordt integendeel door het geloof, dat hij, zoals in de Brief aan de Romeinen (10, 17) staat, "kent door er te horen over spreken," verlicht, en daarom is water beter geschikt om te dopen dan vuur. Wordt er nu gezegd dat Christus zal dopen in de H. Geest en in vuur, dan moet dit van de H. Geest die, zoals beschreven staat in de Hand. der Apost. (2) in vurige tongen over de discipelen verscheen, verstaan worden. Zo legt het overigens de H. Hieronymus uit (in zijn commentaar op Matt.). Verder kan men door het vuur de beproeving verstaan en in die zin begrijpt het St. Joannes Chrysostomus (in zijn commentaar op Matt.), de beproeving reinigt namelijk van zonde en doet de begeerlijkheid afnemen. Ofwel kan men het begrijpen zoals de H. Hilarius (in zijn commentaar op Matt.) die zegt dat degene die in de H. Geest gedoopt worden door het vuur van het oordeel zullen verslonden worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Wijn en olie worden gewoonlijk niet zoals water gebruikt om te wassen. Ook wassen die stoffen niet zo goed als water, na hun gebruik blijft er namelijk een zekere geur over. Eindelijk komen ze niet zo veelvuldig en zo overvloedig voor als water.
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
2e Weerlegging. Wijn en olie worden gewoonlijk niet zoals water gebruikt om te wassen. Ook wassen die stoffen niet zo goed als water, na hun gebruik blijft er namelijk een zekere geur over. Eindelijk komen ze niet zo veelvuldig en zo overvloedig voor als water.
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Uit Christus’ zijde vloeide water om te wassen, bloed om vrij te kopen en daarom is het bloed op de Eucharistie, het water daarentegen op het doopsel dat door de kracht van Christus’ Bloed vermag te reinigen aangewezen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 66 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 66 a. 4 arg. 3]
3e Weerlegging. Uit Christus’ zijde vloeide water om te wassen, bloed om vrij te kopen en daarom is het bloed op de Eucharistie, het water daarentegen op het doopsel dat door de kracht van Christus’ Bloed vermag te reinigen aangewezen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 66 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 66 a. 4 arg. 3]
Referenties naar deze alinea: 2
Haurietis aquas in gaudio ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. De kracht van Christus werd, niet alsof dit water aan dat van de Jordaan raakte, maar wel omdat het tot eenzelfde soort behoort aan alle water geschonken. Daarover nu zegt St. Augustinus in een sermoen over Driekoningen (36e over het tijdeigen): "De zegen die van het doopsel van de Verlosser voortkwam heeft als een geestelijke stroom alle beddingen en alle bronaderen vervuld."
B: (Rom 10:17) [b:Rom 10:17]
4e Weerlegging. De kracht van Christus werd, niet alsof dit water aan dat van de Jordaan raakte, maar wel omdat het tot eenzelfde soort behoort aan alle water geschonken. Daarover nu zegt St. Augustinus in een sermoen over Driekoningen (36e over het tijdeigen): "De zegen die van het doopsel van de Verlosser voortkwam heeft als een geestelijke stroom alle beddingen en alle bronaderen vervuld."
B: (Rom 10:17) [b:Rom 10:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 3 ad 5
Ad quintum De zegen die over het water gegeven wordt, is niet tot de geldigheid van het doopsel vereist, maar behoort tot de plechtigheid van het doopsel en moet dienen om de godsvrucht van de gelovigen aan te wakkeren en de duivels te beletten door hun sluwheid de uitwerkingen van het doopsel te verhinderen.
B: (Acts 2:3) [b:Acts 2:3]
Ad quintum De zegen die over het water gegeven wordt, is niet tot de geldigheid van het doopsel vereist, maar behoort tot de plechtigheid van het doopsel en moet dienen om de godsvrucht van de gelovigen aan te wakkeren en de duivels te beletten door hun sluwheid de uitwerkingen van het doopsel te verhinderen.
B: (Acts 2:3) [b:Acts 2:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Wordt voor de geldigheid van het doopsel zuiver water vereist?
IIIa q. 66 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat voor het doopsel geen zuiver water vereist wordt. Het water dat we gewoonlijk gebruiken is vooral wanneer het zeewater geldt dat, zoals de Wijsgeer in zijn Boek over de sterren (2, 3) aantoont, veel zand bevat geen zuiver water. Niettemin mag het doopsel met zeewater worden toegediend en zo wordt dus bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereist.
Over het vierde als volgt. Men beweert dat voor het doopsel geen zuiver water vereist wordt. Het water dat we gewoonlijk gebruiken is vooral wanneer het zeewater geldt dat, zoals de Wijsgeer in zijn Boek over de sterren (2, 3) aantoont, veel zand bevat geen zuiver water. Niettemin mag het doopsel met zeewater worden toegediend en zo wordt dus bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Bij een plechtig doopsel wordt het chrisma in het water gegoten. Welnu, dit neemt de zuiverheid en de onvermengdheid van het water weg. Zo wordt dan bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereist.
Vervolgens. Bij een plechtig doopsel wordt het chrisma in het water gegoten. Welnu, dit neemt de zuiverheid en de onvermengdheid van het water weg. Zo wordt dan bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Het water dat, wanneer Hij aan het kruis hing uit de zijde van Christus vloeide was, zoals gezegd werd (vorig artikel en 62° Kw., 5° art.) een teken van het doopsel. Dit water nu was, daar toch in een samengesteld lichaam als het lichaam van Christus de grondstoffen niet metterdaad enkelvoudig voorkomen, geen zuiver water. Zo wordt dus bij het doopsel geen zuiver water vereist.
R: q. 66 a. 3 ad 3[t:iiia q. 66 a. 3 ad 3]
Vervolgens. Het water dat, wanneer Hij aan het kruis hing uit de zijde van Christus vloeide was, zoals gezegd werd (vorig artikel en 62° Kw., 5° art.) een teken van het doopsel. Dit water nu was, daar toch in een samengesteld lichaam als het lichaam van Christus de grondstoffen niet metterdaad enkelvoudig voorkomen, geen zuiver water. Zo wordt dus bij het doopsel geen zuiver water vereist.
R: q. 66 a. 3 ad 3[t:iiia q. 66 a. 3 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 4 arg. 4
Vervolgens. Loogwater is lang geen zuiver water, het heeft immers eigenschappen die met water tegenstrijdig zijn zoals te verwarmen en te drogen. Niettemin mag het doopsel met loogwater, evenals ook met water uit badplaatsen waar solferige bronnen voorkomen worden toegediend; ja zelfs hindert het niet dat loogwater tussen de aschen doormoet. Zo wordt dus bij het doopsel geen onvermengd water vereist.
Vervolgens. Loogwater is lang geen zuiver water, het heeft immers eigenschappen die met water tegenstrijdig zijn zoals te verwarmen en te drogen. Niettemin mag het doopsel met loogwater, evenals ook met water uit badplaatsen waar solferige bronnen voorkomen worden toegediend; ja zelfs hindert het niet dat loogwater tussen de aschen doormoet. Zo wordt dus bij het doopsel geen onvermengd water vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 4 arg. 5
Vervolgens. Rozewater wordt net als alle chemische waters uit verschillende stoffen uit rozen gesublimeerd. Welnu met dergelijk water mag het doopsel worden toegediend; het mag immers toch met regenwater dat alleen een sublimaat van damp is. Daar nu dergelijk water niet zuiver en onvermengd is, zo is het dus duidelijk dat bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereist wordt.
Vervolgens. Rozewater wordt net als alle chemische waters uit verschillende stoffen uit rozen gesublimeerd. Welnu met dergelijk water mag het doopsel worden toegediend; het mag immers toch met regenwater dat alleen een sublimaat van damp is. Daar nu dergelijk water niet zuiver en onvermengd is, zo is het dus duidelijk dat bij het doopsel geen zuiver en onvermengd water vereist wordt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter dat, zoals in het vorige artikel gezegd werd water de eigenlijke stof is van het doopsel. Welnu, alleen zuiver en onvermengd water heeft de natuur van water. Zo wordt tot de geldigheid van het doopsel dus zuiver en onvermengd water vereist.
R: q. 66 a. 3[t:iiia q. 66 a. 3]
Daartegenover staat echter dat, zoals in het vorige artikel gezegd werd water de eigenlijke stof is van het doopsel. Welnu, alleen zuiver en onvermengd water heeft de natuur van water. Zo wordt tot de geldigheid van het doopsel dus zuiver en onvermengd water vereist.
R: q. 66 a. 3[t:iiia q. 66 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 4 co.
Mijn antwoord. Het water kan zijn zuiverheid en onvermengdheid op tweeërlei wijze verliezen. Ten eerste door vermenging met een andere stof, en ten tweede door verandering. Verder kunnen die beiden insgelijks op twee manieren tot stand komen, kunstmatig namelijk en natuurlijk. Nu kan de kunst de natuur niet bijhouden, de natuur schenkt immers een zelfstandige vorm, terwijl de kunst zulks niet vermag. Behalve wanneer men een eigenlijke bewerkende oorzaak met de stof waarop ze is aangewezen, aldus vuur en brandstof samenbrengt, of wanneer een mens door verrotting allerlei dieren in het leven roept, zijn namelijk alle kunstmatige vormen bijkomstigheden. Zo brengt dus een verandering die, hetzij door vermenging hetzij door een andere bewerking aan water geschiedt, geen wijziging in de natuur van dat water, en daarom mag, uitgezonderd wanneer water in zo bitter kleine hoeveelheid kunstmatig met iets anders vermengd wordt dat het mengsel eerder iets anders is dan wel water, met dergelijk water het doopsel worden toegediend. Slijk is echter eerder aarde dan water, wijn die met water gemengd werd, eerder wijn dan water; wat nu veranderingen die door toedoen van de natuur geschieden betreft, zulke verdrijven weleens de eigen natuur van het water, en dit gebeurt, wanneer de natuur in de zelfstandigheid van een samengesteld lichaam water verwerkt; zo wordt water, dat tot druivensap werd omgezet wijn, en behoudt dus niet langer de eigen natuur van het water. Soms echter geschiedt er een natuurverandering zonder dat daarom de soort veranderd wordt, en dit geschiedt evenzeer door verandering, zo bijvoorbeeld wanneer water door de zon verwarmd wordt, alswel door vermenging, zo bij voorbeeld vertroebelt de aanwezigheid van aarde het water van een stroom. We moeten dus besluiten dat alle water, hoe het ook moge veranderd worden, zolang de natuur van het eigenlijke water behouden blijft, voor het doopsel mag gebruikt worden. Wordt integendeel de natuur van het water prijsgegeven, dan kan er geen doopsel zijn.
Mijn antwoord. Het water kan zijn zuiverheid en onvermengdheid op tweeërlei wijze verliezen. Ten eerste door vermenging met een andere stof, en ten tweede door verandering. Verder kunnen die beiden insgelijks op twee manieren tot stand komen, kunstmatig namelijk en natuurlijk. Nu kan de kunst de natuur niet bijhouden, de natuur schenkt immers een zelfstandige vorm, terwijl de kunst zulks niet vermag. Behalve wanneer men een eigenlijke bewerkende oorzaak met de stof waarop ze is aangewezen, aldus vuur en brandstof samenbrengt, of wanneer een mens door verrotting allerlei dieren in het leven roept, zijn namelijk alle kunstmatige vormen bijkomstigheden. Zo brengt dus een verandering die, hetzij door vermenging hetzij door een andere bewerking aan water geschiedt, geen wijziging in de natuur van dat water, en daarom mag, uitgezonderd wanneer water in zo bitter kleine hoeveelheid kunstmatig met iets anders vermengd wordt dat het mengsel eerder iets anders is dan wel water, met dergelijk water het doopsel worden toegediend. Slijk is echter eerder aarde dan water, wijn die met water gemengd werd, eerder wijn dan water; wat nu veranderingen die door toedoen van de natuur geschieden betreft, zulke verdrijven weleens de eigen natuur van het water, en dit gebeurt, wanneer de natuur in de zelfstandigheid van een samengesteld lichaam water verwerkt; zo wordt water, dat tot druivensap werd omgezet wijn, en behoudt dus niet langer de eigen natuur van het water. Soms echter geschiedt er een natuurverandering zonder dat daarom de soort veranderd wordt, en dit geschiedt evenzeer door verandering, zo bijvoorbeeld wanneer water door de zon verwarmd wordt, alswel door vermenging, zo bij voorbeeld vertroebelt de aanwezigheid van aarde het water van een stroom. We moeten dus besluiten dat alle water, hoe het ook moge veranderd worden, zolang de natuur van het eigenlijke water behouden blijft, voor het doopsel mag gebruikt worden. Wordt integendeel de natuur van het water prijsgegeven, dan kan er geen doopsel zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De veranderingen welke zeewater en ook andere wateren die in onze streken voorkomen, ondergaan zijn niet zo groot dat ze de natuur van water zouden wegnemen, en daarom mag men met zulk water het doopsel toedienen.
1e Weerlegging. De veranderingen welke zeewater en ook andere wateren die in onze streken voorkomen, ondergaan zijn niet zo groot dat ze de natuur van water zouden wegnemen, en daarom mag men met zulk water het doopsel toedienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. De vermenging met chrisma neemt de natuur van water niet weg; ja behalve wanneer die afgekookte stoffen zozeer worden opgelost, dat de vloeistof voortaan meer vreemde stoffen dan wel water bedraagt, — en dit valt aan de vastheid te merken, — schiet water wanneer men er vlees of iets anders mee kookt er zijn natuur niet bij in. Ook mag, wanneer door die dikke vloeistof water wordt afgescheiden, of nog wanneer uit slik water gewonnen wordt, met dit water het doopsel worden toegediend; met slik echter mag men niet dopen.
2e Weerlegging. De vermenging met chrisma neemt de natuur van water niet weg; ja behalve wanneer die afgekookte stoffen zozeer worden opgelost, dat de vloeistof voortaan meer vreemde stoffen dan wel water bedraagt, — en dit valt aan de vastheid te merken, — schiet water wanneer men er vlees of iets anders mee kookt er zijn natuur niet bij in. Ook mag, wanneer door die dikke vloeistof water wordt afgescheiden, of nog wanneer uit slik water gewonnen wordt, met dit water het doopsel worden toegediend; met slik echter mag men niet dopen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Het water dat wanneer Hij aan het kruis hing, uit Christus zijde vloeide was niet zoals sommigen beweren een limfatische vloeistof, met dergelijk vocht mag immers evenmin als met het bloed van dieren, met wijn of met gelijk welk vocht dat uit planten gevloeid is, het doopsel worden toegediend. Uit het lichaam van Christus vloeide integendeel, om tegen de Manicheërs de werkelijkheid van Christus lichaam te betogen, op wonderbare wijze echt water met bloed vermengd. Uit dit water, een der vier grondstoffen, moest namelijk blijken dat het lichaam van Christus uit de vier grondstoffen, uit het bloed dat het lichaam van Christus, uit de vier lichaamsvochten was samengesteld.
3e Weerlegging. Het water dat wanneer Hij aan het kruis hing, uit Christus zijde vloeide was niet zoals sommigen beweren een limfatische vloeistof, met dergelijk vocht mag immers evenmin als met het bloed van dieren, met wijn of met gelijk welk vocht dat uit planten gevloeid is, het doopsel worden toegediend. Uit het lichaam van Christus vloeide integendeel, om tegen de Manicheërs de werkelijkheid van Christus lichaam te betogen, op wonderbare wijze echt water met bloed vermengd. Uit dit water, een der vier grondstoffen, moest namelijk blijken dat het lichaam van Christus uit de vier grondstoffen, uit het bloed dat het lichaam van Christus, uit de vier lichaamsvochten was samengesteld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. Met loogwater en met solferwater uit de badplaatsen, mag omdat dergelijke waters noch op natuurlijke, noch op kunstmatige wijze met andere stoffen vermengd worden, het doopsel worden toegediend. Alleen ondergaan ze met door die verschillende stoffen heen te vloeien een lichte wijziging.
4e Weerlegging. Met loogwater en met solferwater uit de badplaatsen, mag omdat dergelijke waters noch op natuurlijke, noch op kunstmatige wijze met andere stoffen vermengd worden, het doopsel worden toegediend. Alleen ondergaan ze met door die verschillende stoffen heen te vloeien een lichte wijziging.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 4 ad 5
Ad quintum Rozewater is opgelost rozenvocht, en zo mag daarmee niet gedoopt worden. Hetzelfde bezwaar geldt voor alchemisch water en voor wijn, echter niet voor regenwater; dit laatste toch is voor het grootste deel een sublimaat van damp, die op zijn beurt zelf van water voortkomt. Zo is in regenwater een minimum vermengde vloeistoffen aanwezig, die zij door de natuur die krachtiger ingrijpt dan welke kunstmatige bewerking ook, in echt water werden opgelost. Dit nu kan niet op kunstmatige wijze geschieden en zo biedt bijgevolg regenwater niet de eigenschappen van samengestelde lichamen. Van rozewater en van alchemische waters integendeel kan zulks niet worden gezegd.
Ad quintum Rozewater is opgelost rozenvocht, en zo mag daarmee niet gedoopt worden. Hetzelfde bezwaar geldt voor alchemisch water en voor wijn, echter niet voor regenwater; dit laatste toch is voor het grootste deel een sublimaat van damp, die op zijn beurt zelf van water voortkomt. Zo is in regenwater een minimum vermengde vloeistoffen aanwezig, die zij door de natuur die krachtiger ingrijpt dan welke kunstmatige bewerking ook, in echt water werden opgelost. Dit nu kan niet op kunstmatige wijze geschieden en zo biedt bijgevolg regenwater niet de eigenschappen van samengestelde lichamen. Van rozewater en van alchemische waters integendeel kan zulks niet worden gezegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Zijn de woorden "Ik doop u in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes" voor het doopsel een passende vorm?
IIIa q. 66 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat de woorden: "Ik doop u in de naam des Vaders, des Zoons en des heiligen Geestes" voor het doopsel geen passende vorm zijn. Een daad moet eerder aan de bewerkende hoofdoorzaak dan wel aan de bedienaar worden toegeschreven. In de sacramenten nu, werkt de bedienaar, zoals hierboven (64° Kw., 1° Art.) werd aangetoond enkel als een werktuig. Daar nu in het doopsel de bewerkende hoofdoorzaak Christus is, — we lezen toch in het Evangelie van Joan. (1, 33): "Op wie gij de Geest zult zien nederdalen, en rusten, die is het die in de heilige Geest doopt.", — zo past het niet dat de bedienaar zou zeggen: "Ik doop u"; daarbij komt nog dat in het woord: "Baptizo" het woordje "ik" reeds bevat ligt en zo wordt het hier dus zonder reden bijgevoegd.
B: (John 1:33, John 1:33) [b:John 1:33]
R: q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1]
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat de woorden: "Ik doop u in de naam des Vaders, des Zoons en des heiligen Geestes" voor het doopsel geen passende vorm zijn. Een daad moet eerder aan de bewerkende hoofdoorzaak dan wel aan de bedienaar worden toegeschreven. In de sacramenten nu, werkt de bedienaar, zoals hierboven (64° Kw., 1° Art.) werd aangetoond enkel als een werktuig. Daar nu in het doopsel de bewerkende hoofdoorzaak Christus is, — we lezen toch in het Evangelie van Joan. (1, 33): "Op wie gij de Geest zult zien nederdalen, en rusten, die is het die in de heilige Geest doopt.", — zo past het niet dat de bedienaar zou zeggen: "Ik doop u"; daarbij komt nog dat in het woord: "Baptizo" het woordje "ik" reeds bevat ligt en zo wordt het hier dus zonder reden bijgevoegd.
B: (John 1:33, John 1:33) [b:John 1:33]
R: q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Wanneer men juist met iets bezig is, is het overbodig uitdrukkelijk te zeggen wat men verricht; zo bijvoorbeeld dient iemand, als hij onderwijst niet te zeggen: "Ik onderwijs u." De Heer echter heeft op hetzelfde ogenblik het bevel gegeven te dopen en te onderwijzen. Hij zei namelijk bij Mt. (28, 19): Gaat en onderwijst alle volkeren... enz..." Zo is het dus overbodig in de vorm van het doopsel van de doophandeling melding te maken.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Vervolgens. Wanneer men juist met iets bezig is, is het overbodig uitdrukkelijk te zeggen wat men verricht; zo bijvoorbeeld dient iemand, als hij onderwijst niet te zeggen: "Ik onderwijs u." De Heer echter heeft op hetzelfde ogenblik het bevel gegeven te dopen en te onderwijzen. Hij zei namelijk bij Mt. (28, 19): Gaat en onderwijst alle volkeren... enz..." Zo is het dus overbodig in de vorm van het doopsel van de doophandeling melding te maken.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Hij die gedoopt wordt verstaat weleens de woorden niet, zo bijvoorbeeld een dove of een klein kind dat gedoopt wordt. Tot zulke is het dus overbodig te spreken; de Eccl. (32, 6) zegt immers: "Waar men u niet horen kan, daar moet je ook niet spreken." — Zo is het dan overbodig tot degenen die men doopt te zeggen: "Ik doop u."
B: (Sir 32:6) [b:Sir 32:6]
Vervolgens. Hij die gedoopt wordt verstaat weleens de woorden niet, zo bijvoorbeeld een dove of een klein kind dat gedoopt wordt. Tot zulke is het dus overbodig te spreken; de Eccl. (32, 6) zegt immers: "Waar men u niet horen kan, daar moet je ook niet spreken." — Zo is het dan overbodig tot degenen die men doopt te zeggen: "Ik doop u."
B: (Sir 32:6) [b:Sir 32:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 arg. 4
Vervolgens. Het kan gebeuren dat vele samen en wel door verschillenden gedoopt worden; zo gebeurde bijvoorbeeld wanneer de apostelen naar hetgeen in de Hand. der Apost. (2, 41) en 4, 4) geschreven staat op één dag drie duizend mensen doopten en op een andere dag vijf duizend. Zo moet de vorm van het doopsel niet tot het enkelvoud beperkt blijven, zo dat men zou zeggen: "Ik doop u" maar men mag evengoed zeggen: Wij dopen u".
B: (Acts 2) [b:Acts 2] (Acts 4) [b:Acts 4]
Vervolgens. Het kan gebeuren dat vele samen en wel door verschillenden gedoopt worden; zo gebeurde bijvoorbeeld wanneer de apostelen naar hetgeen in de Hand. der Apost. (2, 41) en 4, 4) geschreven staat op één dag drie duizend mensen doopten en op een andere dag vijf duizend. Zo moet de vorm van het doopsel niet tot het enkelvoud beperkt blijven, zo dat men zou zeggen: "Ik doop u" maar men mag evengoed zeggen: Wij dopen u".
B: (Acts 2) [b:Acts 2] (Acts 4) [b:Acts 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 arg. 5
Vervolgens. Het doopsel betrekt zijn kracht van het lijden van Christus. Welnu, daar het doopsel door de vorm geheiligd wordt, zo moet in de vorm van het doopsel, van het lijden van Christus melding gemaakt worden.
Vervolgens. Het doopsel betrekt zijn kracht van het lijden van Christus. Welnu, daar het doopsel door de vorm geheiligd wordt, zo moet in de vorm van het doopsel, van het lijden van Christus melding gemaakt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 arg. 6
Vervolgens. Een naam geeft de eigenschappen van iets te kennen. Welnu, bij de goddelijke personen zijn er, zoals overigens uit hetgeen we in het Eerste Deel (32e Kw., 3e Art.) zegden blijkt, drie persoonlijke eigenschappen. Zo moet men dus niet zeggen "in naam" maar wel : "in de namen".
R: I q. 32 a. 3[t:ia q. 32 a. 3]
Vervolgens. Een naam geeft de eigenschappen van iets te kennen. Welnu, bij de goddelijke personen zijn er, zoals overigens uit hetgeen we in het Eerste Deel (32e Kw., 3e Art.) zegden blijkt, drie persoonlijke eigenschappen. Zo moet men dus niet zeggen "in naam" maar wel : "in de namen".
R: I q. 32 a. 3[t:ia q. 32 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 arg. 7
Vervolgens. De persoon van God de Vader wordt niet enkel aangeduid door de naam: "Vader", maar ook door de naam: "Ongeborene" en "Voortbrenger". De persoon van de Zoon door "Woord", "Beeltenis", en "Voortgebrachte»; de H. Geest eindelijk kan men "Gave" of ook "Voortkomende liefde" noemen. Zo kan dus ook als men die namen gebruikt het doopsel worden toegediend.
Vervolgens. De persoon van God de Vader wordt niet enkel aangeduid door de naam: "Vader", maar ook door de naam: "Ongeborene" en "Voortbrenger". De persoon van de Zoon door "Woord", "Beeltenis", en "Voortgebrachte»; de H. Geest eindelijk kan men "Gave" of ook "Voortkomende liefde" noemen. Zo kan dus ook als men die namen gebruikt het doopsel worden toegediend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter wat de Heer gezegd heeft bij Mat. (28, 19): "Gaat en onderwijs alle volkeren, ze dopend in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes."
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Daartegenover staat echter wat de Heer gezegd heeft bij Mat. (28, 19): "Gaat en onderwijs alle volkeren, ze dopend in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes."
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 co.
Mijn antwoord. In de Brief aan de Ephesiërs (5, 26) staat geschreven dat het doopsel door zijn vorm "met n.l. de kerk met behulp van een bad van water in het woord des levens te reinigen" geheiligd wordt. En de heilige Augustinus, zegt in zijn Boek "Over het Doopsel tegen de Donatisten" (4, 5 en 6, 25) dat: "Het doopsel door de evangelische woorden geheiligd wordt." Daarom is het nodig dat de oorzaak van het doopsel in de vorm zou aangeduid worden. Het doopsel nu heeft een dubbele oorzaak, een hoofdoorzaak waarvan het zijn kracht betrekt, de heilige Drievuldigheid nl., en een werktuigelijke oorzaak, de bedienaar nl. die uiterlijk het sacrament toedient. Zo moet dan ook in de vorm van het doopsel van beiden gesproken worden; de bedienaar wordt nl. aangeduid, wanneer men zegt: "Ik doop", de hoofdoorzaak wanneer men zegt "in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes". En zo is dus de behoorlijke vorm van het doopsel: "Ik doop u in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes".
B: (Eph 5:26) [b:Eph 5:26]
Mijn antwoord. In de Brief aan de Ephesiërs (5, 26) staat geschreven dat het doopsel door zijn vorm "met n.l. de kerk met behulp van een bad van water in het woord des levens te reinigen" geheiligd wordt. En de heilige Augustinus, zegt in zijn Boek "Over het Doopsel tegen de Donatisten" (4, 5 en 6, 25) dat: "Het doopsel door de evangelische woorden geheiligd wordt." Daarom is het nodig dat de oorzaak van het doopsel in de vorm zou aangeduid worden. Het doopsel nu heeft een dubbele oorzaak, een hoofdoorzaak waarvan het zijn kracht betrekt, de heilige Drievuldigheid nl., en een werktuigelijke oorzaak, de bedienaar nl. die uiterlijk het sacrament toedient. Zo moet dan ook in de vorm van het doopsel van beiden gesproken worden; de bedienaar wordt nl. aangeduid, wanneer men zegt: "Ik doop", de hoofdoorzaak wanneer men zegt "in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes". En zo is dus de behoorlijke vorm van het doopsel: "Ik doop u in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes".
B: (Eph 5:26) [b:Eph 5:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De handeling wordt aan het werktuig als aan de onmiddellijk bewerkende oorzaak, aan de bewerkende hoofdoorzaak als aan hem, met wiens kracht het werktuig handelt toegeschreven. Zo wordt dan de bedienaar die de daad te dopen stelt, door de woorden "Ik doop u" naar behoren aangeduid; zo toch heeft de Heer zelf, zeggende "ze dopende enz." de bedienaar gemachtigd om te dopen. De hoofdoorzaak integendeel wordt met de woorden "in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes" aangeduid als zij uit wier naam het sacrament nawerkt; Christus doopt immers zonder de Vader noch zonder de heilige Geest. De Grieken echter kennen de daad te dopen niet aan de bedienaren toe, dit om die dwaling van de ouden, die de kracht van het doopsel aan degenen die doopten toeschreven en zeiden: "Ik ben van Paulus en ik ben van Cephas" te keer te gaan. Daarom zeggen ze dan: "dat deze dienaar van Christus gedoopt worde in de naam des Vaders enz." en omdat hier het werk van de bedienaar onder aanroeping van de heilige Drievuldigheid uitdrukkelijk wordt aangeduid, daarom wordt aldus het doopsel waarachtig toegediend. Dat nu in onze vorm het woordje "Ik" wordt ingelascht betreft niet de zelfstandigheid van de vorm, maar dit wordt alleen gedaan om het opzet meer klem bij te zetten.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 72 a. 4 ad 3[t:iiia q. 72 a. 4 ad 3]
1e Weerlegging. De handeling wordt aan het werktuig als aan de onmiddellijk bewerkende oorzaak, aan de bewerkende hoofdoorzaak als aan hem, met wiens kracht het werktuig handelt toegeschreven. Zo wordt dan de bedienaar die de daad te dopen stelt, door de woorden "Ik doop u" naar behoren aangeduid; zo toch heeft de Heer zelf, zeggende "ze dopende enz." de bedienaar gemachtigd om te dopen. De hoofdoorzaak integendeel wordt met de woorden "in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes" aangeduid als zij uit wier naam het sacrament nawerkt; Christus doopt immers zonder de Vader noch zonder de heilige Geest. De Grieken echter kennen de daad te dopen niet aan de bedienaren toe, dit om die dwaling van de ouden, die de kracht van het doopsel aan degenen die doopten toeschreven en zeiden: "Ik ben van Paulus en ik ben van Cephas" te keer te gaan. Daarom zeggen ze dan: "dat deze dienaar van Christus gedoopt worde in de naam des Vaders enz." en omdat hier het werk van de bedienaar onder aanroeping van de heilige Drievuldigheid uitdrukkelijk wordt aangeduid, daarom wordt aldus het doopsel waarachtig toegediend. Dat nu in onze vorm het woordje "Ik" wordt ingelascht betreft niet de zelfstandigheid van de vorm, maar dit wordt alleen gedaan om het opzet meer klem bij te zetten.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 72 a. 4 ad 3[t:iiia q. 72 a. 4 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Omdat een wassing met water tot allerlei doeleinden kan geschieden, daarom is het noodig in de woorden van de vorm te bepalen waartoe ze wordt aangewend. Dit gebeurt echter niet wanneer men zegt "In de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes", want in die naam moeten we feitelijk alles doen; zo staat er toch geschreven in de Brief aan de Colossenzen (3. 17). Daarom ook wordt, wanneer de daad te dopen niet, hetzij zoals bij de latijnen, hetzij zoals bij de grieken wordt uitgedrukt, het doopsel ongeldig toegediend. Paus Alexander de derde zegt immers (Van het doopsel en zijn uitwerksels, Decretaal "Si Quis") : "Indien men het kind driemaal in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes Amen. in het water dompelt, en niet zegt dopend ik doop u in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes Amen, dan is het kind niet gedoopt."
B: (1Cor 1:12) [b:1Cor 1:12]
2e Weerlegging. Omdat een wassing met water tot allerlei doeleinden kan geschieden, daarom is het noodig in de woorden van de vorm te bepalen waartoe ze wordt aangewend. Dit gebeurt echter niet wanneer men zegt "In de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes", want in die naam moeten we feitelijk alles doen; zo staat er toch geschreven in de Brief aan de Colossenzen (3. 17). Daarom ook wordt, wanneer de daad te dopen niet, hetzij zoals bij de latijnen, hetzij zoals bij de grieken wordt uitgedrukt, het doopsel ongeldig toegediend. Paus Alexander de derde zegt immers (Van het doopsel en zijn uitwerksels, Decretaal "Si Quis") : "Indien men het kind driemaal in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes Amen. in het water dompelt, en niet zegt dopend ik doop u in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes Amen, dan is het kind niet gedoopt."
B: (1Cor 1:12) [b:1Cor 1:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. De woorden die in de vorm van de sacramenten worden uitgesproken, worden dit niet alleen om iets te kennen te geven, maar ook om, in zover ze hun kracht van het "Woord" waardoor alles gemaakt werd betrekken, iets te weeg brengen. Daarom is het zelfs passend, niet alleen tot mensen die ze niet begrijpen, maar ook tot levenloze wezens te richten, zo bijvoorbeeld wanneer gezegd wordt: "Ik bezweer u, zout dat geschapen is."
B: (Col 3:17) [b:Col 3:17]
3e Weerlegging. De woorden die in de vorm van de sacramenten worden uitgesproken, worden dit niet alleen om iets te kennen te geven, maar ook om, in zover ze hun kracht van het "Woord" waardoor alles gemaakt werd betrekken, iets te weeg brengen. Daarom is het zelfs passend, niet alleen tot mensen die ze niet begrijpen, maar ook tot levenloze wezens te richten, zo bijvoorbeeld wanneer gezegd wordt: "Ik bezweer u, zout dat geschapen is."
B: (Col 3:17) [b:Col 3:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 ad 4
4e Weerlegging. Het gaat niet aan dat velen samen één mens zouden dopen; de menselijke daden worden immers als elk alles naar behoren doet overeenkomstig het aantal mensen die handelend optreden vermenigvuldigd, ook zouden indien twee mensen samen kwamen, en de eerste stom was, en de woorden niet kon uitspreken, terwijl de andere geen handen had, en de doopdaad niet kon stellen, dan zouden, indien de ene de woorden uitsprak en de andere doopte, beiden samen, niet het doopsel toedienen. Daarentegen kunnen wanneer er nood is velen samen gedoopt worden, elk van hen ontvangt immers maar één enkel doopsel. In dat geval moet echter gezegd worden: "Ik doop Ulieden." — dat brengt overigens geen wijziging in de vorm mee, het woordje "Ulieden" betekent immers niets anders dan U en U. Wat nu het woordje wij betreft, dat is niet hetzelfde als ik en ik, maar het betekent ik en gij, en zo is er hier wel vormverandering. Zo ook als men zegt: "Ik doop mij". Niemand mag dus zich zelf dopen, en daarom wilde, zoals in Innocentius de derde in de Decretaliën getuigt, Christus door Johannes gedoopt worden.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 82 a. 4 arg. 2[t:iiia q. 82 a. 4 arg. 2]
4e Weerlegging. Het gaat niet aan dat velen samen één mens zouden dopen; de menselijke daden worden immers als elk alles naar behoren doet overeenkomstig het aantal mensen die handelend optreden vermenigvuldigd, ook zouden indien twee mensen samen kwamen, en de eerste stom was, en de woorden niet kon uitspreken, terwijl de andere geen handen had, en de doopdaad niet kon stellen, dan zouden, indien de ene de woorden uitsprak en de andere doopte, beiden samen, niet het doopsel toedienen. Daarentegen kunnen wanneer er nood is velen samen gedoopt worden, elk van hen ontvangt immers maar één enkel doopsel. In dat geval moet echter gezegd worden: "Ik doop Ulieden." — dat brengt overigens geen wijziging in de vorm mee, het woordje "Ulieden" betekent immers niets anders dan U en U. Wat nu het woordje wij betreft, dat is niet hetzelfde als ik en ik, maar het betekent ik en gij, en zo is er hier wel vormverandering. Zo ook als men zegt: "Ik doop mij". Niemand mag dus zich zelf dopen, en daarom wilde, zoals in Innocentius de derde in de Decretaliën getuigt, Christus door Johannes gedoopt worden.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 82 a. 4 arg. 2[t:iiia q. 82 a. 4 arg. 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 ad 5
Ad quintum Al is het lijden van Christus ten opzichte van de bedienaar hoofdoorzaak, in de verhouding tot de heilige Drievuldigheid is het enkel werktuig, en daarom is het meer geraden aan de heilige Drievuldigheid, dan wel aan het lijden van Christus te herinneren.
Ad quintum Al is het lijden van Christus ten opzichte van de bedienaar hoofdoorzaak, in de verhouding tot de heilige Drievuldigheid is het enkel werktuig, en daarom is het meer geraden aan de heilige Drievuldigheid, dan wel aan het lijden van Christus te herinneren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 ad 6
Ad sextum Alhoewel de drie personen elk een verschillende persoonsnaam hebben, toch hebben ze maar één wezensnaam. Welnu, de goddelijke kracht die in het doopsel werkzaam is, gaat op de wezenheid terug, en daarom zegt men "in de naam" en niet "in de namen".
Ad sextum Alhoewel de drie personen elk een verschillende persoonsnaam hebben, toch hebben ze maar één wezensnaam. Welnu, de goddelijke kracht die in het doopsel werkzaam is, gaat op de wezenheid terug, en daarom zegt men "in de naam" en niet "in de namen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 5 ad 7
Ad septimum Zoals men, omdat dit gewoonlijk gebruikt wordt, om te wassen, bij het doopsel water gebruikt, zo ook gebruikt men in de vorm van het doopsel om de drie personen te kennen te geven de namen waarmee in een bepaalde taal doorgaans die personen worden aangeduid, en met andere namen wordt het sacrament ongeldig toegediend.
Ad septimum Zoals men, omdat dit gewoonlijk gebruikt wordt, om te wassen, bij het doopsel water gebruikt, zo ook gebruikt men in de vorm van het doopsel om de drie personen te kennen te geven de namen waarmee in een bepaalde taal doorgaans die personen worden aangeduid, en met andere namen wordt het sacrament ongeldig toegediend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Mag het doopsel in de naam van Christus worden toegediend?
IIIa q. 66 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert dat het doopsel in de naam van Christus mag worden toegediend. Zoals er maar één geloof is, zo is er ook, naar hetgeen in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5) gezegd wordt, maar één doopsel. Welnu in de Handelingen der Apostelen (8, 12) staat er geschreven, dat "mannen en vrouwen gedoopt werden in de naam van Christus." Zo mag men dus ook nog op onze dagen in de naam van Christus het doopsel toedienen.
B: (Acts 8:12) [b:Acts 8:12] (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
Over het zesde als volgt. Men beweert dat het doopsel in de naam van Christus mag worden toegediend. Zoals er maar één geloof is, zo is er ook, naar hetgeen in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5) gezegd wordt, maar één doopsel. Welnu in de Handelingen der Apostelen (8, 12) staat er geschreven, dat "mannen en vrouwen gedoopt werden in de naam van Christus." Zo mag men dus ook nog op onze dagen in de naam van Christus het doopsel toedienen.
B: (Acts 8:12) [b:Acts 8:12] (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 6 arg. 2
Vervolgens. In zijn Boek "Over de Heilige Geest" (13) zegt St. Ambrosius het volgende: "Zodra je Christus vernoemt, maakt je van de Vader die Christus zalfde, van de Zoon die gezalfd werd, en van de heilige Geest, door wie Christus gezalfd werd melding." — Welnu, het doopsel mag in de naam der heilige Drievuldigheid worden toegediend. Dus ook in de naam van Christus.
Vervolgens. In zijn Boek "Over de Heilige Geest" (13) zegt St. Ambrosius het volgende: "Zodra je Christus vernoemt, maakt je van de Vader die Christus zalfde, van de Zoon die gezalfd werd, en van de heilige Geest, door wie Christus gezalfd werd melding." — Welnu, het doopsel mag in de naam der heilige Drievuldigheid worden toegediend. Dus ook in de naam van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Paus Nikolaas de eerste, antwoordde in de Decretaliën (CIV° Antwoord, 4° dist. de consecr. cap. A. quodam) op een vraag van de Bulgaren het volgende: "Degenen die zoals we in de Handelingen der Apostelen lezen in naam der Heilige Drievuldigheid of enkel in naam van Christus gedoopt zijn, — dat komt immers na de H. Ambrosius zegt, overeen uit, — moeten niet herdoopt worden." — Welnu, indien die doopvorm het doopsel ongeldig maakte, dan zouden we moeten herdoopt worden. Zo mag het doopsel dus met deze vorm "Ik doop u in de naam van Christus" in de naam van Christus worden toegediend.
Vervolgens. Paus Nikolaas de eerste, antwoordde in de Decretaliën (CIV° Antwoord, 4° dist. de consecr. cap. A. quodam) op een vraag van de Bulgaren het volgende: "Degenen die zoals we in de Handelingen der Apostelen lezen in naam der Heilige Drievuldigheid of enkel in naam van Christus gedoopt zijn, — dat komt immers na de H. Ambrosius zegt, overeen uit, — moeten niet herdoopt worden." — Welnu, indien die doopvorm het doopsel ongeldig maakte, dan zouden we moeten herdoopt worden. Zo mag het doopsel dus met deze vorm "Ik doop u in de naam van Christus" in de naam van Christus worden toegediend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter wat Paus Pelagius in de Decretaliën (4° Dist. De consecr. Cap. Si revera.) aan Bisschop Gaudentius schreef: "Indien degenen die op plaatsen wonen die u nauw aan het hart liggen getuigen dat ze enkel in de naam des Heren gedoopt werden, dan meen ik dat ze zonder de minste twijfel, wanneer ze tot het katholiek geloof terug komen, moeten in naam der heilige Drievuldigheid herdoopt worden." Didymus zegt overigens in zijn Boek over de H. Geest (2° Boek): "Indien iemand zo verhard en zo verblind was, bij het doopsel een van de drie namen der heilige Drievuldigheid over te slaan, dan ware dit doopsel ongeldig."
Daartegenover staat echter wat Paus Pelagius in de Decretaliën (4° Dist. De consecr. Cap. Si revera.) aan Bisschop Gaudentius schreef: "Indien degenen die op plaatsen wonen die u nauw aan het hart liggen getuigen dat ze enkel in de naam des Heren gedoopt werden, dan meen ik dat ze zonder de minste twijfel, wanneer ze tot het katholiek geloof terug komen, moeten in naam der heilige Drievuldigheid herdoopt worden." Didymus zegt overigens in zijn Boek over de H. Geest (2° Boek): "Indien iemand zo verhard en zo verblind was, bij het doopsel een van de drie namen der heilige Drievuldigheid over te slaan, dan ware dit doopsel ongeldig."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 6 co.
Mijn antwoord. Zoals we in het tweede artikel dezer Kw. zeiden, betrekken de sacramenten hun kracht van hun instelling door Christus. Wordt dus iets van wat Christus omtrent de sacramenten bepaalde overgeslagen, dan hebben deze, behalve wanneer hij zelf die zijn macht niet aan bewuste sacramenten aanbond ontslaging geeft, geen kracht. Welnu, Christus heeft bevolen het doopsel onder aanroeping van de heilige Drievuldigheid toe te dienen, en bijgevolg neemt alles wat de aanroeping van de heilige Drievuldigheid onvolledig maakt, de geldigheid van het doopsel weg. Dat nu zoals de naam van de Vader de naam van de Zoon, de naam van één persoon, de naam van de andere personen, veronderstelt, doet niets ter zake; dat hij die maar één persoon vermeldt best kan omtrent alle drie een rechtzinnig geloof hebben, evenmin. Zoals immers voor een sacrament een zintuigelijk waarneembare stof vereist wordt, zo ook is er een zintuigelijke waarneembare vorm nodig. Zo kan dan, behalve wanneer de heilige Drievuldigheid met zintuigelijk waarneembare woorden vernoemd wordt, kennis van noch geloof aan de heilige Drievuldigheid, voor de kennis van het sacrament volstaan. Daarom was ook bij het doopsel van Christus, waar ons doopsel geheiligd werd, de heilige Drievuldigheid in zintuigelijk waarneembare tekenen, de Vader namelijk in de stem die sprak, de Zoon in de menselijke natuur, en de heilige Geest in een duif aanwezig.
R: q. 64 a. 3[t:iiia q. 64 a. 3]
Mijn antwoord. Zoals we in het tweede artikel dezer Kw. zeiden, betrekken de sacramenten hun kracht van hun instelling door Christus. Wordt dus iets van wat Christus omtrent de sacramenten bepaalde overgeslagen, dan hebben deze, behalve wanneer hij zelf die zijn macht niet aan bewuste sacramenten aanbond ontslaging geeft, geen kracht. Welnu, Christus heeft bevolen het doopsel onder aanroeping van de heilige Drievuldigheid toe te dienen, en bijgevolg neemt alles wat de aanroeping van de heilige Drievuldigheid onvolledig maakt, de geldigheid van het doopsel weg. Dat nu zoals de naam van de Vader de naam van de Zoon, de naam van één persoon, de naam van de andere personen, veronderstelt, doet niets ter zake; dat hij die maar één persoon vermeldt best kan omtrent alle drie een rechtzinnig geloof hebben, evenmin. Zoals immers voor een sacrament een zintuigelijk waarneembare stof vereist wordt, zo ook is er een zintuigelijke waarneembare vorm nodig. Zo kan dan, behalve wanneer de heilige Drievuldigheid met zintuigelijk waarneembare woorden vernoemd wordt, kennis van noch geloof aan de heilige Drievuldigheid, voor de kennis van het sacrament volstaan. Daarom was ook bij het doopsel van Christus, waar ons doopsel geheiligd werd, de heilige Drievuldigheid in zintuigelijk waarneembare tekenen, de Vader namelijk in de stem die sprak, de Zoon in de menselijke natuur, en de heilige Geest in een duif aanwezig.
R: q. 64 a. 3[t:iiia q. 64 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Op grond van een bijzondere openbaring van Christus, doopten in de primitieve Kerk de apostelen in naam van Christus. Aldus moest namelijk de naam van Christus, die door Joden en Heidenen gehaat werd, nu bij het doopsel de heilige Geest onder aanroeping van die naam gegeven werd, eerbiedwaardig worden.
1e Weerlegging. Op grond van een bijzondere openbaring van Christus, doopten in de primitieve Kerk de apostelen in naam van Christus. Aldus moest namelijk de naam van Christus, die door Joden en Heidenen gehaat werd, nu bij het doopsel de heilige Geest onder aanroeping van die naam gegeven werd, eerbiedwaardig worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. De heilige Ambrosius geeft de reden aan, waarom het bij de aanvang van de kerk paste, een dergelijke ontslaging te verlenen: de hele heilige Drievuldigheid, was nl. in de naam van Christus begrepen. Zo bewaarde men dus de vorm die Christus in het Evangelie had achtergelaten, op zijn minst met een begrijpelijke volkomenheid.
2e Weerlegging. De heilige Ambrosius geeft de reden aan, waarom het bij de aanvang van de kerk paste, een dergelijke ontslaging te verlenen: de hele heilige Drievuldigheid, was nl. in de naam van Christus begrepen. Zo bewaarde men dus de vorm die Christus in het Evangelie had achtergelaten, op zijn minst met een begrijpelijke volkomenheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Paus Nicolaas de I°, steunt bij zijn bevestiging op de twee hier even aangegeven gronden en bijgevolg ligt hier de oplossing in de twee vorige antwoorden besloten.
3e Weerlegging. Paus Nicolaas de I°, steunt bij zijn bevestiging op de twee hier even aangegeven gronden en bijgevolg ligt hier de oplossing in de twee vorige antwoorden besloten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Wordt de dompeling in het water voor de geldigheid van het doopsel vereist?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 73 a. 1 arg. 2[t:iiia q. 73 a. 1 arg. 2]
IIIa q. 66 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat de waterindompeling voor de geldigheid van het doopsel een vereiste is. In de Brief aan de Ephesiërs, (4, 6) staat er geschreven: "Daar is maar één geloof en één doopsel." Welnu, bij velen is de gewone manier van dopen de indompeling, en zo kan dus zonder indompeling het doopsel niet geldig worden toegediend.
B: (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
IIIa q. 73 a. 1 arg. 2[t:iiia q. 73 a. 1 arg. 2]
IIIa q. 66 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat de waterindompeling voor de geldigheid van het doopsel een vereiste is. In de Brief aan de Ephesiërs, (4, 6) staat er geschreven: "Daar is maar één geloof en één doopsel." Welnu, bij velen is de gewone manier van dopen de indompeling, en zo kan dus zonder indompeling het doopsel niet geldig worden toegediend.
B: (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 7 arg. 2
Vervolgens. De Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (6, 3) : "Of weet gij niet dat we allen die in Christus-Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? Begraven zijn we dan met Hem door het doopsel in de dood." Welnu, dit geschiedt door indompeling; op de woorden van Joannes : "Indien iemand niet uit het water en de heilige Geest wordt wedergeboren enz..." zegt immers de heilige Joannes Chrysostomus (Homil. 34) : "De oude mens wordt in het water dat zijn hoofd bedekt als in een graf begraven, en ondergedompeld blijft hij verborgen, tot hij als nieuw mens weer naar boven komt." Zo wordt dus voor het doopsel de indompeling vereist.
B: (John 3:5) [b:John 3:5] (Rom 6:3) [b:Rom 6:3] (Rom 6:4) [b:Rom 6:4]
Vervolgens. De Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (6, 3) : "Of weet gij niet dat we allen die in Christus-Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? Begraven zijn we dan met Hem door het doopsel in de dood." Welnu, dit geschiedt door indompeling; op de woorden van Joannes : "Indien iemand niet uit het water en de heilige Geest wordt wedergeboren enz..." zegt immers de heilige Joannes Chrysostomus (Homil. 34) : "De oude mens wordt in het water dat zijn hoofd bedekt als in een graf begraven, en ondergedompeld blijft hij verborgen, tot hij als nieuw mens weer naar boven komt." Zo wordt dus voor het doopsel de indompeling vereist.
B: (John 3:5) [b:John 3:5] (Rom 6:3) [b:Rom 6:3] (Rom 6:4) [b:Rom 6:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Indien zonder indompeling van het hele lichaam het doopsel mogelijk was, dan zou het om die reden ook volstaan, om het even welk lichaamsdeel met water te begieten. Welnu, dit is onmogelijk; de erfzonde toch waartegen het doopsel vooral werd ingesteld hoort in het hele lichaam thuis. Zo wordt dan bij het doopsel de indompeling vereist en is een besproeing zonder meer niet voldoende.
Vervolgens. Indien zonder indompeling van het hele lichaam het doopsel mogelijk was, dan zou het om die reden ook volstaan, om het even welk lichaamsdeel met water te begieten. Welnu, dit is onmogelijk; de erfzonde toch waartegen het doopsel vooral werd ingesteld hoort in het hele lichaam thuis. Zo wordt dan bij het doopsel de indompeling vereist en is een besproeing zonder meer niet voldoende.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter wat in de Brief aan de Hebreërs (10, 22) gezegd wordt : "Laten wij met een oprecht hart in een voldragen geloof vooruit treden, met een hart nl. dat van een boos geweten gereinigd werd en met een lichaam dat met zuiver water gewassen is."
B: (Heb 10:22) [b:Heb 10:22]
Daartegenover staat echter wat in de Brief aan de Hebreërs (10, 22) gezegd wordt : "Laten wij met een oprecht hart in een voldragen geloof vooruit treden, met een hart nl. dat van een boos geweten gereinigd werd en met een lichaam dat met zuiver water gewassen is."
B: (Heb 10:22) [b:Heb 10:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 7 co.
Mijn antwoord. Het water wordt in het sacrament van het doopsel gebruikt om het lichaam te wassen, en daardoor wordt de innerlijke rein-wassing van zonde betekend. De wassing met water kan echter niet alleen door indompeling maar ook door besproeiing en begieting geschieden, en zo kan het doopsel, — hoewel het veiliger is door indompeling te dopen, dit is immers de gebruikelijke manier, — volgens de woorden van de Profeet Ezechiël (36, 25) : "Ik zal over u zuiver water doen vloeien", niettemin ook door besproeiing en door begieting worden toegediend. Zo wordt bv. gezegd dat de gelukzalige Laurentius op die wijze het doopsel toediende. Dit geschiedt dan meestal om een dringende noodzakelijkheid : ofwel omdat een grote menigte moet gedoopt worden, zo bv. wordt in de Handelingen der Apostelen (2, 41 en 4, 4) gezegd dat op één dag het aantal gelovigen met 3.000 steeg, en op een andere dag met 5.000, — ofwel kan er ook naar aanleiding van schaarste van water nood zijn, of nog omdat de bedienaar niet krachtig genoeg is om de gedoopte te ondersteunen, of eindelijk ook omdat de dopeling uit hoofde van zwakheid zou gevaar lopen de indompeling te besterven. Zo mag dus gezegd worden dat de indompeling voor de geldigheid van het doopsel niet vereist wordt.
B: (Ezek 36:25) [b:Ezek 36:25] (Acts 2) [b:Acts 2]
Mijn antwoord. Het water wordt in het sacrament van het doopsel gebruikt om het lichaam te wassen, en daardoor wordt de innerlijke rein-wassing van zonde betekend. De wassing met water kan echter niet alleen door indompeling maar ook door besproeiing en begieting geschieden, en zo kan het doopsel, — hoewel het veiliger is door indompeling te dopen, dit is immers de gebruikelijke manier, — volgens de woorden van de Profeet Ezechiël (36, 25) : "Ik zal over u zuiver water doen vloeien", niettemin ook door besproeiing en door begieting worden toegediend. Zo wordt bv. gezegd dat de gelukzalige Laurentius op die wijze het doopsel toediende. Dit geschiedt dan meestal om een dringende noodzakelijkheid : ofwel omdat een grote menigte moet gedoopt worden, zo bv. wordt in de Handelingen der Apostelen (2, 41 en 4, 4) gezegd dat op één dag het aantal gelovigen met 3.000 steeg, en op een andere dag met 5.000, — ofwel kan er ook naar aanleiding van schaarste van water nood zijn, of nog omdat de bedienaar niet krachtig genoeg is om de gedoopte te ondersteunen, of eindelijk ook omdat de dopeling uit hoofde van zwakheid zou gevaar lopen de indompeling te besterven. Zo mag dus gezegd worden dat de indompeling voor de geldigheid van het doopsel niet vereist wordt.
B: (Ezek 36:25) [b:Ezek 36:25] (Acts 2) [b:Acts 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Wat alleen het bijkomstige betreft wijzigt de zelfstandigheid niet. Welnu, op grond van zijn geaardheid wordt voor het doopsel een lichamelijke wassing met water vereist, daarom toch wordt het doopsel overeenkomstig de woorden uit de Brief aan de Ephesiërs (5, 25): "Door haar met het woord des levens in een waterbad te reinigen.", een waterbad genoemd. Dat nu die wassing op die of gene manier geschiedt is voor het doopsel van bijkomstig belang, en daarom doet die verscheidenheid de eenheid van het doopsel lang niet te niet.
B: (Eph 5:26) [b:Eph 5:26]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 66 a. 8 co.[t:iiia q. 66 a. 8 co.]
1e Weerlegging. Wat alleen het bijkomstige betreft wijzigt de zelfstandigheid niet. Welnu, op grond van zijn geaardheid wordt voor het doopsel een lichamelijke wassing met water vereist, daarom toch wordt het doopsel overeenkomstig de woorden uit de Brief aan de Ephesiërs (5, 25): "Door haar met het woord des levens in een waterbad te reinigen.", een waterbad genoemd. Dat nu die wassing op die of gene manier geschiedt is voor het doopsel van bijkomstig belang, en daarom doet die verscheidenheid de eenheid van het doopsel lang niet te niet.
B: (Eph 5:26) [b:Eph 5:26]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 66 a. 8 co.[t:iiia q. 66 a. 8 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Door indompeling wordt Christus' begrafenis meer gelijkend weergegeven en daarom is die manier van dopen meer in zwang en verdient ze ook meer lof. Door de andere manieren waarop het doopsel wordt toegediend, wordt dit echter ook te kennen gegeven, maar niet zo uitdrukkelijk; om het even immers op welke wijze een wassing geschiedt, steeds wordt het lichaam van de mens of een deel ervan, zoals het lichaam van Christus bedekt werd met water overgoten.
2e Weerlegging. Door indompeling wordt Christus' begrafenis meer gelijkend weergegeven en daarom is die manier van dopen meer in zwang en verdient ze ook meer lof. Door de andere manieren waarop het doopsel wordt toegediend, wordt dit echter ook te kennen gegeven, maar niet zo uitdrukkelijk; om het even immers op welke wijze een wassing geschiedt, steeds wordt het lichaam van de mens of een deel ervan, zoals het lichaam van Christus bedekt werd met water overgoten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Het bijzonderste deel van het lichaam is, vooral wanneer het om de uiterlijke ledematen gaat, het hoofd, waar alle zintuigen, zo inwendige als uitwendige voorkomen. Wanneer bijgevolg om reden van gebrek aan water of om een andere reden niet het gehele lichaam kan gewassen worden, dan is het voldoende het hoofd, waar het beginsel van het zintuigelijke leven zich openbaart, te wassen. Ja, wordt de erfzonde door de lichaamsdelen die op de voortplanting aangewezen zijn overgemaakt, dan volgt nog niet dat die lichaamsdelen eerder dan het hoofd moeten gewassen worden: de voortzetting van de erfzonde in het nageslacht door de voortplanting wordt immers door het doopsel niet weggenomen, maar alleen wordt de ziel van de vlek en van de schuld van zonden die ze opliep bevrijd. Daarom dan moet vooral dit deel van het lichaam gewassen worden, waar de werking der ziel openbaar wordt, en werd onder de oude wet het geneesmiddel tegen de erfzonde aan het geslachtsdeel aangebracht, dan was zulks omdat Hij door wiens toedoen de erfzonde moest verdelgd worden, nog uit het geslacht van Abraham moest geboren worden. De besnijdenis toch, betekende naar hetgeen in de Brief aan de Romeinen (4, 11) geschreven staat het geloof in Abraham.
3e Weerlegging. Het bijzonderste deel van het lichaam is, vooral wanneer het om de uiterlijke ledematen gaat, het hoofd, waar alle zintuigen, zo inwendige als uitwendige voorkomen. Wanneer bijgevolg om reden van gebrek aan water of om een andere reden niet het gehele lichaam kan gewassen worden, dan is het voldoende het hoofd, waar het beginsel van het zintuigelijke leven zich openbaart, te wassen. Ja, wordt de erfzonde door de lichaamsdelen die op de voortplanting aangewezen zijn overgemaakt, dan volgt nog niet dat die lichaamsdelen eerder dan het hoofd moeten gewassen worden: de voortzetting van de erfzonde in het nageslacht door de voortplanting wordt immers door het doopsel niet weggenomen, maar alleen wordt de ziel van de vlek en van de schuld van zonden die ze opliep bevrijd. Daarom dan moet vooral dit deel van het lichaam gewassen worden, waar de werking der ziel openbaar wordt, en werd onder de oude wet het geneesmiddel tegen de erfzonde aan het geslachtsdeel aangebracht, dan was zulks omdat Hij door wiens toedoen de erfzonde moest verdelgd worden, nog uit het geslacht van Abraham moest geboren worden. De besnijdenis toch, betekende naar hetgeen in de Brief aan de Romeinen (4, 11) geschreven staat het geloof in Abraham.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Wordt er voor de geldigheid van het doopsel een driedubbele indompeling vereist?
IIIa q. 66 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert dat er voor de geldigheid van het doopsel, een driedubbele indompeling vereist wordt. De heilige Augustinus zegt (2 Hom. Aan de nieuw gedoopten) : "Het is niet zonder reden dat ge driemaal ingedompeld werd, gij hebt immers het doopsel in de naam van de heilige Drievuldigheid ontvangen. Met reden werd ge dus een derde maal ingedompeld, gij die in naam van Jezus-Christus die de derde dag van uit de doden is opgestaan, het doopsel ontvangen hebt. Die driedubbele indompeling verzinnebeeldt toch de begrafenis van de Heer, waardoor ge met Christus in het doopsel begraven zijt." Zo lijken dan voor het doopsel die beiden onmisbaar te zijn, dat namelijk in het doopsel de Drievuldigheid der personen zou worden te kennen gegeven, en dat we zouden aan de begraven Christus gelijkvormig worden.
Over het achtste als volgt. Men beweert dat er voor de geldigheid van het doopsel, een driedubbele indompeling vereist wordt. De heilige Augustinus zegt (2 Hom. Aan de nieuw gedoopten) : "Het is niet zonder reden dat ge driemaal ingedompeld werd, gij hebt immers het doopsel in de naam van de heilige Drievuldigheid ontvangen. Met reden werd ge dus een derde maal ingedompeld, gij die in naam van Jezus-Christus die de derde dag van uit de doden is opgestaan, het doopsel ontvangen hebt. Die driedubbele indompeling verzinnebeeldt toch de begrafenis van de Heer, waardoor ge met Christus in het doopsel begraven zijt." Zo lijken dan voor het doopsel die beiden onmisbaar te zijn, dat namelijk in het doopsel de Drievuldigheid der personen zou worden te kennen gegeven, en dat we zouden aan de begraven Christus gelijkvormig worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 8 arg. 2
Vervolgens. De sacramenten betrekken hun kracht van het bevel van Christus. Welnu, de driedubbele indompeling werd door Christus vereist. Paus Pelagius schrijft immers naar Bisschop Gaudentius: "Het Evangelisch gebod dat ons door de Heer God en zaligmaker Christus zelf werd aangeplicht, zegt ons dat we eenieder het heilig doopsel in naam der heilige Drievuldigheid met een driedubbele onderdompeling moeten toedienen." Zo is dus de driedubbele indompeling evenzeer als het dopen in naam der heilige Drievuldigheid voor de geldigheid nodig.
Vervolgens. De sacramenten betrekken hun kracht van het bevel van Christus. Welnu, de driedubbele indompeling werd door Christus vereist. Paus Pelagius schrijft immers naar Bisschop Gaudentius: "Het Evangelisch gebod dat ons door de Heer God en zaligmaker Christus zelf werd aangeplicht, zegt ons dat we eenieder het heilig doopsel in naam der heilige Drievuldigheid met een driedubbele onderdompeling moeten toedienen." Zo is dus de driedubbele indompeling evenzeer als het dopen in naam der heilige Drievuldigheid voor de geldigheid nodig.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Indien er geen driedubbele indompeling vereischt wordt, dan is iemand bij de eerste reeds gedoopt. En als men er dan een tweede en een derde indompeling bijvoegt, wordt hij een tweede maal en een derde maal gedoopt. Dit nu gaat niet aan, en zo is bij het sacrament van het doopsel een indompeling niet voldoende, maar voor de geldigheid wordt een driedubbele indompeling vereischt.
Vervolgens. Indien er geen driedubbele indompeling vereischt wordt, dan is iemand bij de eerste reeds gedoopt. En als men er dan een tweede en een derde indompeling bijvoegt, wordt hij een tweede maal en een derde maal gedoopt. Dit nu gaat niet aan, en zo is bij het sacrament van het doopsel een indompeling niet voldoende, maar voor de geldigheid wordt een driedubbele indompeling vereischt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter wat St. Gregorius aan Bisschop Leander schreef (Regist, 1, 41): "Niemand kan worden ten laste gelegd dat hij bij het dopen een of driemaal het kind in het water dompelt; de driedubbele indompeling herinnert ons immers aan de personen van de heilige Drievuldigheid, de ene indompeling daarentegen aan de eenheid van de godheid.
Daartegenover staat echter wat St. Gregorius aan Bisschop Leander schreef (Regist, 1, 41): "Niemand kan worden ten laste gelegd dat hij bij het dopen een of driemaal het kind in het water dompelt; de driedubbele indompeling herinnert ons immers aan de personen van de heilige Drievuldigheid, de ene indompeling daarentegen aan de eenheid van de godheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 8 co.
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd werd (antwoord op de 1e bedenking) wordt onvoorwaardelijk de wassing met water voor het doopsel vereist, ze is immers voor de geldigheid van het sacrament van node; de manier daarentegen waarop gewassen wordt, is van bijkomstig belang. Zo is het dan, wanneer we alleen de aard der dingen zelf in acht nemen, evenals Gregorius zegt, veroorloofd zowel één- als driemaal in te dompelen, door de ene indompeling worden immers de eenheid van Christus' dood en de eenheid der godheid te kennen gegeven, door de driedubbele indompeling daarentegen de drie dagen die Christus in het graf doorbracht, en ook de drie personen der heilige Drievuldigheid. Ook werd om verschillende redenen, overeenkomstig de besluiten der heilige kerk, nu eens de ene, dan weer de andere manier aangewend. Reeds bij de aanvang der kerk waren er immers mensen die over de heilige Drievuldigheid verkeerd dachten, en meenden dat Christus louter mens was, en dat men hem alleen om de verdiensten die hij vooral bij zijn dood heeft ingezameld mocht God en zo van God noemen. Zulken doopten dus niet in de naam der heilige Drievuldigheid, maar door een indompeling, ter herinnering aan de dood van Christus, en dit werd in de primitieve kerk afgekeurd. — Zo komt het dat in de wetgeving der apostelen (Can. 48 en 150) het volgende te lezen staat : "Als een priester of bisschop de driedubbele indompeling van het ene doopmysterie niet celebreert, maar integendeel bij het doopsel slechts eens indompelt, (sommigen zeggen immers dat aldus het doopsel in de dood van de Heer gegeven wordt,) dan moet hij worden afgesteld. De Heer heeft immers niet gezegd dat we moeten dopen in zijn dood, maar in de naam des Vaders en des Zoons, en des heiligen Geestes." — Daarna ontstond de dwaling van sommige scheurmakers en ketters die zeiden dat de mensen moeten herdoopt worden; dit vertelt St. Augustinus van de Donatisten in zijn Commentaar op St. Jan. (11e Trakt) Uit verfoeiing voor de dwaling werd dan in de kerkvergadering van Toledo (4, 5) beslist dat er voortaan maar één enkele indompeling zou geschieden. Daar leest men nl. het volgende : "Om de ergernis door de scheurmakers veroorzaakt te keer te gaan, en het kettersch misbruik van dit geloofspunt zullen wij het met één enkele indompeling stellen." Daar echter voor het ogenblik zo een reden niet meer bestaat, zo moet men bij het doopsel gewoonlijk de driedubbele indompeling gebruiken, en hij die op een andere manier zou dopen, zou, daar hij de ritus der heilige kerk niet zou in acht nemen, dodelijk zondigen; niettemin zou echter dit doopsel geldig zijn.
R: q. 66 a. 7 ad 1[t:iiia q. 66 a. 7 ad 1]
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd werd (antwoord op de 1e bedenking) wordt onvoorwaardelijk de wassing met water voor het doopsel vereist, ze is immers voor de geldigheid van het sacrament van node; de manier daarentegen waarop gewassen wordt, is van bijkomstig belang. Zo is het dan, wanneer we alleen de aard der dingen zelf in acht nemen, evenals Gregorius zegt, veroorloofd zowel één- als driemaal in te dompelen, door de ene indompeling worden immers de eenheid van Christus' dood en de eenheid der godheid te kennen gegeven, door de driedubbele indompeling daarentegen de drie dagen die Christus in het graf doorbracht, en ook de drie personen der heilige Drievuldigheid. Ook werd om verschillende redenen, overeenkomstig de besluiten der heilige kerk, nu eens de ene, dan weer de andere manier aangewend. Reeds bij de aanvang der kerk waren er immers mensen die over de heilige Drievuldigheid verkeerd dachten, en meenden dat Christus louter mens was, en dat men hem alleen om de verdiensten die hij vooral bij zijn dood heeft ingezameld mocht God en zo van God noemen. Zulken doopten dus niet in de naam der heilige Drievuldigheid, maar door een indompeling, ter herinnering aan de dood van Christus, en dit werd in de primitieve kerk afgekeurd. — Zo komt het dat in de wetgeving der apostelen (Can. 48 en 150) het volgende te lezen staat : "Als een priester of bisschop de driedubbele indompeling van het ene doopmysterie niet celebreert, maar integendeel bij het doopsel slechts eens indompelt, (sommigen zeggen immers dat aldus het doopsel in de dood van de Heer gegeven wordt,) dan moet hij worden afgesteld. De Heer heeft immers niet gezegd dat we moeten dopen in zijn dood, maar in de naam des Vaders en des Zoons, en des heiligen Geestes." — Daarna ontstond de dwaling van sommige scheurmakers en ketters die zeiden dat de mensen moeten herdoopt worden; dit vertelt St. Augustinus van de Donatisten in zijn Commentaar op St. Jan. (11e Trakt) Uit verfoeiing voor de dwaling werd dan in de kerkvergadering van Toledo (4, 5) beslist dat er voortaan maar één enkele indompeling zou geschieden. Daar leest men nl. het volgende : "Om de ergernis door de scheurmakers veroorzaakt te keer te gaan, en het kettersch misbruik van dit geloofspunt zullen wij het met één enkele indompeling stellen." Daar echter voor het ogenblik zo een reden niet meer bestaat, zo moet men bij het doopsel gewoonlijk de driedubbele indompeling gebruiken, en hij die op een andere manier zou dopen, zou, daar hij de ritus der heilige kerk niet zou in acht nemen, dodelijk zondigen; niettemin zou echter dit doopsel geldig zijn.
R: q. 66 a. 7 ad 1[t:iiia q. 66 a. 7 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. In het doopsel treedt de heilige Drievuldigheid als bewerkende hoofdoorzaak op. Welnu, de gelijkenis met de bewerkende hoofdoorzaak wordt een uitwerksel niet door bemiddeling van de stof, maar wel door de vorm ingestort. Zo wordt dan in het doopsel de heilige Drievuldigheid door de woorden van de vorm te kennen gegeven. Dat de heilige Drievuldigheid ook door het gebruik van de stof zou worden te kennen gegeven is niet nodig, dit geschiedt immers alleen tot meer duidelijkheid. Wat nu de dood van Christus betreft, ook deze wordt door een indompeling voldoende verzinnebeeld; het hoefde immers niet voor onze zaligheid, dat hij drie dagen zou begraven blijven; ja zelfs indien Christus maar een dag in het graf gebleven was, of een dag dood geweest was, zou zulks om onze verlossing te bewerken volstaan hebben; de drie dagen toch moesten zoals we het hierboven aantoonden (51e Kw., 4e art. en 53e Kw., 2e art.) alleen de waarachtigheid van Christus' dood klaarblijkelijk maken. Zo is het dan duidelijk dat de drievoudige indompeling, noch van de kant van de heilige Drievuldigheid, noch van de kant van het lijden van Christus tot de geldigheid van het sacrament van doen is.
R: q. 53 a. 2[t:iiia q. 53 a. 2]
1e Weerlegging. In het doopsel treedt de heilige Drievuldigheid als bewerkende hoofdoorzaak op. Welnu, de gelijkenis met de bewerkende hoofdoorzaak wordt een uitwerksel niet door bemiddeling van de stof, maar wel door de vorm ingestort. Zo wordt dan in het doopsel de heilige Drievuldigheid door de woorden van de vorm te kennen gegeven. Dat de heilige Drievuldigheid ook door het gebruik van de stof zou worden te kennen gegeven is niet nodig, dit geschiedt immers alleen tot meer duidelijkheid. Wat nu de dood van Christus betreft, ook deze wordt door een indompeling voldoende verzinnebeeld; het hoefde immers niet voor onze zaligheid, dat hij drie dagen zou begraven blijven; ja zelfs indien Christus maar een dag in het graf gebleven was, of een dag dood geweest was, zou zulks om onze verlossing te bewerken volstaan hebben; de drie dagen toch moesten zoals we het hierboven aantoonden (51e Kw., 4e art. en 53e Kw., 2e art.) alleen de waarachtigheid van Christus' dood klaarblijkelijk maken. Zo is het dan duidelijk dat de drievoudige indompeling, noch van de kant van de heilige Drievuldigheid, noch van de kant van het lijden van Christus tot de geldigheid van het sacrament van doen is.
R: q. 53 a. 2[t:iiia q. 53 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Paus Pelagius meent dat Christus, wanneer hij ons geboden heeft te dopen in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes, de driedubbele indompeling met behulp van iets dat er mee gelijk staat heeft voorgeschreven. Zoals we hierboven hebben aangewezen, (in antwoord op de 1e bedenking) geldt echter niet voor het gebruik van de stof dezelfde wet als voor de vorm.
2e Weerlegging. Paus Pelagius meent dat Christus, wanneer hij ons geboden heeft te dopen in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes, de driedubbele indompeling met behulp van iets dat er mee gelijk staat heeft voorgeschreven. Zoals we hierboven hebben aangewezen, (in antwoord op de 1e bedenking) geldt echter niet voor het gebruik van de stof dezelfde wet als voor de vorm.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Zoals we gezegd hebben (64° Kw., 8° art.) wordt ook het opzet van de doper voor het doopsel vereist, en daarom komt er om het opzet van de bedienaar der heilige kerk, met een driedubbele indompeling één doopsel toe te dienen, maar een doopsel tot stand; daarvandaan dat de heilige Hieronymus op de Brief aan de Ephesiërs het volgende schrijft: "Alhoewel men omwille van het mysterie der heilige Drievuldigheid driemaal ingedompeld wordt, toch is er maar één doopsel. Moest echter de bedienaar het opzet hebben bij iedere indompeling het doopsel toe te dienen, en moest hij bij iedere indompeling de formulier vernieuwen, dan zou hij, daar hij verschillende keren zou dopen, ook zondigen."
R: q. 64 a. 8[t:iiia q. 64 a. 8]
3e Weerlegging. Zoals we gezegd hebben (64° Kw., 8° art.) wordt ook het opzet van de doper voor het doopsel vereist, en daarom komt er om het opzet van de bedienaar der heilige kerk, met een driedubbele indompeling één doopsel toe te dienen, maar een doopsel tot stand; daarvandaan dat de heilige Hieronymus op de Brief aan de Ephesiërs het volgende schrijft: "Alhoewel men omwille van het mysterie der heilige Drievuldigheid driemaal ingedompeld wordt, toch is er maar één doopsel. Moest echter de bedienaar het opzet hebben bij iedere indompeling het doopsel toe te dienen, en moest hij bij iedere indompeling de formulier vernieuwen, dan zou hij, daar hij verschillende keren zou dopen, ook zondigen."
R: q. 64 a. 8[t:iiia q. 64 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Mag het doopsel hernieuwd worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 68 a. 8 co.
IIIa q. 69 a. 10 co.[t:iiia q. 68 a. 8 co.][t:iiia q. 69 a. 10 co.]
IIIa q. 66 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert dat het doopsel mag hernieuwd worden. Het doopsel werd tot reiniging van zonden ingesteld. Daar nu de mens in de zonden hervalt, zo mag het doopsel, aangezien toch de barmhartigheid van Christus tegen de schuld van de mens opweegt, nog veel vaker hernieuwd worden.
IIIa q. 68 a. 8 co.
IIIa q. 69 a. 10 co.[t:iiia q. 68 a. 8 co.][t:iiia q. 69 a. 10 co.]
IIIa q. 66 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert dat het doopsel mag hernieuwd worden. Het doopsel werd tot reiniging van zonden ingesteld. Daar nu de mens in de zonden hervalt, zo mag het doopsel, aangezien toch de barmhartigheid van Christus tegen de schuld van de mens opweegt, nog veel vaker hernieuwd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 9 arg. 2
Vervolgens. Joannes de Doper werd op een bijzondere manier door Christus geprezen, deze heeft namelijk van Joannes gezegd: "Onder degenen die uit vrouwen geboren zijn is geen grooter opgestaan dan Joannes de Doper." (Mat. 11, 11) Welnu, de mensen die door Joannes gedoopt werden, werden herdoopt; de Handelingen der Apostelen, stippen immers aan dat Paulus diegene die met het doopsel van Joannes gedoopt waren herdoopte. Zo moeten dus nog veel eerder diegenen, die door ketters of zondaars gedoopt werden, worden herdoopt.
B: (Matt 11:11) [b:Matt 11:11] (Acts 19:1-7) [b:Acts 19:1-7]
Vervolgens. Joannes de Doper werd op een bijzondere manier door Christus geprezen, deze heeft namelijk van Joannes gezegd: "Onder degenen die uit vrouwen geboren zijn is geen grooter opgestaan dan Joannes de Doper." (Mat. 11, 11) Welnu, de mensen die door Joannes gedoopt werden, werden herdoopt; de Handelingen der Apostelen, stippen immers aan dat Paulus diegene die met het doopsel van Joannes gedoopt waren herdoopte. Zo moeten dus nog veel eerder diegenen, die door ketters of zondaars gedoopt werden, worden herdoopt.
B: (Matt 11:11) [b:Matt 11:11] (Acts 19:1-7) [b:Acts 19:1-7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 9 arg. 3
Vervolgens. In de Kerkvergadering van Nicea (19 Can.) werd beslist dat degenen die van de Pauliniasten of van de Cataphrygers naar de katholieke Kerk overgingen volstrekt moesten worden herdoopt. Dezelfde reden nu, geldt ook voor andere ketters, degenen die namelijk door ketters gedoopt worden, moeten worden herdoopt.
Vervolgens. In de Kerkvergadering van Nicea (19 Can.) werd beslist dat degenen die van de Pauliniasten of van de Cataphrygers naar de katholieke Kerk overgingen volstrekt moesten worden herdoopt. Dezelfde reden nu, geldt ook voor andere ketters, degenen die namelijk door ketters gedoopt worden, moeten worden herdoopt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 9 arg. 4
Vervolgens. Het doopsel is voor de zaligheid noodzakelijk. Welnu soms wordt er getwijfeld of iemand wel degelijk gedoopt is, zulke moeten dan ook herdoopt worden.
Vervolgens. Het doopsel is voor de zaligheid noodzakelijk. Welnu soms wordt er getwijfeld of iemand wel degelijk gedoopt is, zulke moeten dan ook herdoopt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 9 arg. 5
Vervolgens. Zoals in de vorige kwestie (4e art.) werd aangetoond, is de Eucharistie een volmaakter sacrament dan het doopsel. Welnu, de Eucharistie mag meermalen ontvangen worden. Zo mag dus nog veel eerder het doopsel hernieuwd worden.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3]
Vervolgens. Zoals in de vorige kwestie (4e art.) werd aangetoond, is de Eucharistie een volmaakter sacrament dan het doopsel. Welnu, de Eucharistie mag meermalen ontvangen worden. Zo mag dus nog veel eerder het doopsel hernieuwd worden.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 9 s. c.
Daartegenover echter staat wat in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5) gezegd wordt: “Eén geloof, één doopsel.”
B: (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
Daartegenover echter staat wat in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5) gezegd wordt: “Eén geloof, één doopsel.”
B: (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 9 co.
Mijn antwoord. Het doopsel mag vooreerst niet hernieuwd worden, omdat het een geestelijke wedergeboorte is. Men sterft namelijk voor een vorig leven, en men begint een nieuw leven. Daarom zegt St. Jan (3, 5): "Indien iemand niet uit water en de heilige Geest wordt wedergeboren, kan hij het rijk der hemelen niet binnengaan." Welnu, een en dezelfde mens wordt maar eens geboren en bijgevolg kan het doopsel evenmin als de lichamelijke geboorte hernieuwd worden. Zo komt het dat Augustinus op de woorden bij St. Jan (3, 4): "Kan de mens dan terug in de schoot van zijn moeder gaan en andermaal geboren worden," het volgende schrijft (11e Tract. op St. Jan.): "op de wijze waarop Nicodemus de geboorte van het lichaam begrijpt, op die wijze moet gij de geboorte van de geest begrijpen; zoals men niet terug in de baarmoeder kan ingaan, zo kan het doopsel niet hernieuwd worden." Ten tweede omdat we gedoopt worden in de dood van Christus, waardoor we sterven voor de zonden, en tot een nieuw leven verrijzen. Welnu, Jezus-Christus is maar eenmaal gestorven. Daarom mag het doopsel dan ook niet hernieuwd worden. Daarvandaan dat de apostel in de brief aan de Hebreërs (6, 6) aan diegenen die het doopsel wilden vernieuwen zegt: "De Zoon van God wilt ge om u, andermaal kruisigen." En daarop zegt de glossa: "de ene dood van Christus heeft het ene doopsel gewijd." Ten derde, omdat het doopsel een merkteken inprent dat onuitwischbaar is en met een zekere wijding wordt toegediend. Bijgevolg wordt, evenmin als in de heilige kerk andere wijdingen vernieuwd worden, het doopsel vernieuwd. Dit is overigens de mening welke St. Augustinus zelf in zijn geschriften tegen Parinenianus (2, 13) toegedaan is: "Een krijgsteken wordt niet hernieuwd, welnu het sacrament van Christus kleeft niet minder aan de zielen vast dan het lichamelijk teken; we zien immers dat geloofsverzakers wanneer ze door boetvaardigheid terug in de kerk binnen treden van het doopsel niet geroofd geacht en niet herdoopt worden." Ten vierde, omdat het doopsel op bijzondere wijze tegen de erfzonde gericht is. Zoals nu de erfzonde niet kan vernieuwd worden, zo kan het dus het doopsel evenmin; in de brief aan de Romeinen staat immers geschreven (5, 18): "Evenals door de schuld van één op alle mensen de veroordeling gevallen is, zo ook komt door de gerechtigheid van Eén over alle mensen de rechtvaardigmaking die leven voortbrengt."
Mijn antwoord. Het doopsel mag vooreerst niet hernieuwd worden, omdat het een geestelijke wedergeboorte is. Men sterft namelijk voor een vorig leven, en men begint een nieuw leven. Daarom zegt St. Jan (3, 5): "Indien iemand niet uit water en de heilige Geest wordt wedergeboren, kan hij het rijk der hemelen niet binnengaan." Welnu, een en dezelfde mens wordt maar eens geboren en bijgevolg kan het doopsel evenmin als de lichamelijke geboorte hernieuwd worden. Zo komt het dat Augustinus op de woorden bij St. Jan (3, 4): "Kan de mens dan terug in de schoot van zijn moeder gaan en andermaal geboren worden," het volgende schrijft (11e Tract. op St. Jan.): "op de wijze waarop Nicodemus de geboorte van het lichaam begrijpt, op die wijze moet gij de geboorte van de geest begrijpen; zoals men niet terug in de baarmoeder kan ingaan, zo kan het doopsel niet hernieuwd worden." Ten tweede omdat we gedoopt worden in de dood van Christus, waardoor we sterven voor de zonden, en tot een nieuw leven verrijzen. Welnu, Jezus-Christus is maar eenmaal gestorven. Daarom mag het doopsel dan ook niet hernieuwd worden. Daarvandaan dat de apostel in de brief aan de Hebreërs (6, 6) aan diegenen die het doopsel wilden vernieuwen zegt: "De Zoon van God wilt ge om u, andermaal kruisigen." En daarop zegt de glossa: "de ene dood van Christus heeft het ene doopsel gewijd." Ten derde, omdat het doopsel een merkteken inprent dat onuitwischbaar is en met een zekere wijding wordt toegediend. Bijgevolg wordt, evenmin als in de heilige kerk andere wijdingen vernieuwd worden, het doopsel vernieuwd. Dit is overigens de mening welke St. Augustinus zelf in zijn geschriften tegen Parinenianus (2, 13) toegedaan is: "Een krijgsteken wordt niet hernieuwd, welnu het sacrament van Christus kleeft niet minder aan de zielen vast dan het lichamelijk teken; we zien immers dat geloofsverzakers wanneer ze door boetvaardigheid terug in de kerk binnen treden van het doopsel niet geroofd geacht en niet herdoopt worden." Ten vierde, omdat het doopsel op bijzondere wijze tegen de erfzonde gericht is. Zoals nu de erfzonde niet kan vernieuwd worden, zo kan het dus het doopsel evenmin; in de brief aan de Romeinen staat immers geschreven (5, 18): "Evenals door de schuld van één op alle mensen de veroordeling gevallen is, zo ook komt door de gerechtigheid van Eén over alle mensen de rechtvaardigmaking die leven voortbrengt."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. Het doopsel werkt zoals hierboven bewezen werd (2° Art. dezer Kw.) uit kracht van Christus lijden. Zoals dus toekomstige zonden de kracht van Christus lijden niet kunnen wegnemen, zo kunnen ze evenmin het doopsel dermate te niet doen, dat men zou moeten herdopen, maar de zonden die het uitwerksel van het doopsel in de weg staan worden door de biecht weggenomen.
B: (John 3:4) [b:John 3:4] (John 3:5) [b:John 3:5]
R: q. 66 a. 2 ad 1[t:iiia q. 66 a. 2 ad 1]
1e Weerlegging. Het doopsel werkt zoals hierboven bewezen werd (2° Art. dezer Kw.) uit kracht van Christus lijden. Zoals dus toekomstige zonden de kracht van Christus lijden niet kunnen wegnemen, zo kunnen ze evenmin het doopsel dermate te niet doen, dat men zou moeten herdopen, maar de zonden die het uitwerksel van het doopsel in de weg staan worden door de biecht weggenomen.
B: (John 3:4) [b:John 3:4] (John 3:5) [b:John 3:5]
R: q. 66 a. 2 ad 1[t:iiia q. 66 a. 2 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. Bij die woorden uit Sint Jan’s Evangelie (1, 31): "Ik kende hem niet." zegt de heilige Augustinus (5e Tract.): "Nadat Sint Jan het doopsel had toegediend, werd het andermaal toegediend, doch nadat een moordenaar het doopsel heeft toegediend, wordt het niet andermaal toegediend." Dit omdat Sint Jan zijn eigen doopsel toediende, een moordenaar daarentegen het doopsel van Christus. Het doopsel nu is zo heilig, dat het zelfs wanneer een moordenaar er de bedienaar van is, niet kan besmet worden.
B: (Rom 6:3) [b:Rom 6:3] (Rom 6:4) [b:Rom 6:4] (Rom 6:10) [b:Rom 6:10] (Heb 6:6) [b:Heb 6:6]
2e Weerlegging. Bij die woorden uit Sint Jan’s Evangelie (1, 31): "Ik kende hem niet." zegt de heilige Augustinus (5e Tract.): "Nadat Sint Jan het doopsel had toegediend, werd het andermaal toegediend, doch nadat een moordenaar het doopsel heeft toegediend, wordt het niet andermaal toegediend." Dit omdat Sint Jan zijn eigen doopsel toediende, een moordenaar daarentegen het doopsel van Christus. Het doopsel nu is zo heilig, dat het zelfs wanneer een moordenaar er de bedienaar van is, niet kan besmet worden.
B: (Rom 6:3) [b:Rom 6:3] (Rom 6:4) [b:Rom 6:4] (Rom 6:10) [b:Rom 6:10] (Heb 6:6) [b:Heb 6:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. De Pauliniasten en de Cataphrygers doopten niet in naam van de heilige Drievuldigheid. Zo komt het dat de heilige Paus Gregorius wanneer hij aan Bisschop Quirinus schreef (Regist. 9, 61) zei: "Die ketters, die niet in de naam van de heilige Drievuldigheid doopten, zijn er net als de Bonosianen en de Cataphrygers, die hetzelfde als de Pauliniasten geloofden, aan toe. Ze geloven namelijk niet dat Christus God is, maar denken dat hij enkel een mens was; ja zij menen met verkeerde denkbeelden dat de heilige Geest een zekere Montanus een boos mens is. Wanneer nu die ketters tot de heilige Kerk komen, worden ze gedoopt; vroeger is er immers, omdat ze het doopsel niet in naam van de heilige Drievuldigheid ontvangen hebben, zolang ze in hun ketterij bleven volharden, geen doopsel geweest." Er wordt echter in de kerkelijke wetten, (De Eccl. 52) ook op gewezen dat: "indien er onder bewuste ketters gevonden worden die met de belijdenis der heilige Drievuldigheid gedoopt werden, deze wanneer ze tot de katholieke Kerk overkomen, als gedoopten mogen ontvangen worden."
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 68 a. 7 arg. 2[t:iiia q. 68 a. 7 arg. 2]
3e Weerlegging. De Pauliniasten en de Cataphrygers doopten niet in naam van de heilige Drievuldigheid. Zo komt het dat de heilige Paus Gregorius wanneer hij aan Bisschop Quirinus schreef (Regist. 9, 61) zei: "Die ketters, die niet in de naam van de heilige Drievuldigheid doopten, zijn er net als de Bonosianen en de Cataphrygers, die hetzelfde als de Pauliniasten geloofden, aan toe. Ze geloven namelijk niet dat Christus God is, maar denken dat hij enkel een mens was; ja zij menen met verkeerde denkbeelden dat de heilige Geest een zekere Montanus een boos mens is. Wanneer nu die ketters tot de heilige Kerk komen, worden ze gedoopt; vroeger is er immers, omdat ze het doopsel niet in naam van de heilige Drievuldigheid ontvangen hebben, zolang ze in hun ketterij bleven volharden, geen doopsel geweest." Er wordt echter in de kerkelijke wetten, (De Eccl. 52) ook op gewezen dat: "indien er onder bewuste ketters gevonden worden die met de belijdenis der heilige Drievuldigheid gedoopt werden, deze wanneer ze tot de katholieke Kerk overkomen, als gedoopten mogen ontvangen worden."
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 68 a. 7 arg. 2[t:iiia q. 68 a. 7 arg. 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 9 ad 4
4e Weerlegging. Het Decreet van Alexander de IIIe zegt ons dat als er twijfel bestaat of iemand wel degelijk gedoopt is, deze moet gedoopt worden, alleen moeten dan de volgende woorden voorafgaan: "Indien je reeds gedoopt zijt, dan doop ik u niet; doch als je niet gedoopt zijt, dan doop ik u." Iets waarvan men niet weet dat het reeds geschied is, wordt immers niet vernieuwd.
B: (Rom 5:18) [b:Rom 5:18]
4e Weerlegging. Het Decreet van Alexander de IIIe zegt ons dat als er twijfel bestaat of iemand wel degelijk gedoopt is, deze moet gedoopt worden, alleen moeten dan de volgende woorden voorafgaan: "Indien je reeds gedoopt zijt, dan doop ik u niet; doch als je niet gedoopt zijt, dan doop ik u." Iets waarvan men niet weet dat het reeds geschied is, wordt immers niet vernieuwd.
B: (Rom 5:18) [b:Rom 5:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 9 ad 5
Ad quintum De beide sacramenten van het doopsel en van de Eucharistie, geven allebei de dood en het lijden des Heren te kennen, dit echter op verschillende wijze. Bij het doopsel wordt namelijk de dood van Christus herdacht, omdat de mens samen met Christus sterft om tot een nieuw leven te worden herboren. De Eucharistie daarentegen herinnert aan de dood van Christus, omdat overeenkomstig de woorden uit de Eerste brief aan de Corinthiërs (5, 7): "Christus ons paaslam is geslacht, laten wij dan feest vieren." de geslachtofferde Christus ons als paaslam aangeboden wordt. Omdat nu de mens maar eenmaal geboren wordt, maar zich integendeel dikwijls moet voeden, daarom wordt het doopsel maar één keer toegediend, de Eucharistie integendeel meermalen.
Ad quintum De beide sacramenten van het doopsel en van de Eucharistie, geven allebei de dood en het lijden des Heren te kennen, dit echter op verschillende wijze. Bij het doopsel wordt namelijk de dood van Christus herdacht, omdat de mens samen met Christus sterft om tot een nieuw leven te worden herboren. De Eucharistie daarentegen herinnert aan de dood van Christus, omdat overeenkomstig de woorden uit de Eerste brief aan de Corinthiërs (5, 7): "Christus ons paaslam is geslacht, laten wij dan feest vieren." de geslachtofferde Christus ons als paaslam aangeboden wordt. Omdat nu de mens maar eenmaal geboren wordt, maar zich integendeel dikwijls moet voeden, daarom wordt het doopsel maar één keer toegediend, de Eucharistie integendeel meermalen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Is de ritus die de heilige Kerk bij het doopsel gebruikt goed gekozen?
IIIa q. 66 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert dat de ritus die de heilige Kerk bij het doopsel gebruikt geen behoorlijke ritus is. De heilige Chrysostomus zegt dat het water van het doopsel nooit de kracht zou hebben de zonden van de gelovigen uit te wissen; moest dit water niet geheiligd geweest zijn door de aanraking met het lichaam des Heren. Welnu, dit geschiedde met het doopsel van Christus, dat op het feest van Driekoningen gevierd wordt. Zo zou dus de plechtigheid veeleer op het feest van Driekoningen dan op de vigilie van Pasen of Pinksteren moeten gevierd worden.
B: (Matt 3:15) [b:Matt 3:15]
Over het tiende als volgt. Men beweert dat de ritus die de heilige Kerk bij het doopsel gebruikt geen behoorlijke ritus is. De heilige Chrysostomus zegt dat het water van het doopsel nooit de kracht zou hebben de zonden van de gelovigen uit te wissen; moest dit water niet geheiligd geweest zijn door de aanraking met het lichaam des Heren. Welnu, dit geschiedde met het doopsel van Christus, dat op het feest van Driekoningen gevierd wordt. Zo zou dus de plechtigheid veeleer op het feest van Driekoningen dan op de vigilie van Pasen of Pinksteren moeten gevierd worden.
B: (Matt 3:15) [b:Matt 3:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 10 arg. 2
Vervolgens. Het gebruik van verschillende stoffen kan niet tot een en hetzelfde sacrament behoren. Welnu, tot het doopsel behoort de wassing met water. Zo is het dus ongepast degene die gedoopt wordt, eerst op de borst, dan tussen de schouders met heilige olie en verder nog met heilig Chrisma op het hoofd te balsamen.
Vervolgens. Het gebruik van verschillende stoffen kan niet tot een en hetzelfde sacrament behoren. Welnu, tot het doopsel behoort de wassing met water. Zo is het dus ongepast degene die gedoopt wordt, eerst op de borst, dan tussen de schouders met heilige olie en verder nog met heilig Chrisma op het hoofd te balsamen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 10 arg. 3
Vervolgens. Voor Christus Jezus bestaat er noch man noch vrouw, noch barbaar, noch Scyth en om eenzelfde reden evenmin andere dergelijke verschilpunten, zo zal nog veel minder het verschil van klederen op het geloof in Christus nawerken, en daarom past het niet de gelovigen een wit kleed te overhandigen.
B: (Gal 3:23) [b:Gal 3:23] (Col 3:11) [b:Col 3:11]
Vervolgens. Voor Christus Jezus bestaat er noch man noch vrouw, noch barbaar, noch Scyth en om eenzelfde reden evenmin andere dergelijke verschilpunten, zo zal nog veel minder het verschil van klederen op het geloof in Christus nawerken, en daarom past het niet de gelovigen een wit kleed te overhandigen.
B: (Gal 3:23) [b:Gal 3:23] (Col 3:11) [b:Col 3:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 10 arg. 4
Vervolgens. Het doopsel mag zonder al die ceremoniën worden toegediend. Zo blijkt dus alles wat even vernoemd werd overbodig te zijn, en bijgevolg ten onrechte door de heilige Kerk als ritus van het doopsel bepaald te zijn.
Vervolgens. Het doopsel mag zonder al die ceremoniën worden toegediend. Zo blijkt dus alles wat even vernoemd werd overbodig te zijn, en bijgevolg ten onrechte door de heilige Kerk als ritus van het doopsel bepaald te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 10 s. c.
Daartegenover staat echter dat de heilige Kerk door de heilige Geest die niets ongeregelds bewerkt geleid wordt.
Daartegenover staat echter dat de heilige Kerk door de heilige Geest die niets ongeregelds bewerkt geleid wordt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 10 co.
Mijn antwoord. In het doopsel wordt behalve wat tot de geldigheid nodig is, ook nog een en ander dat tot de plechtigheid van het sacrament bijdraagt verricht. Tot de geldigheid van het sacrament behoren de vorm die de hoofdoorzaak van het sacrament te kennen geeft, de bedienaar die werktuigelijke oorzaak is, en het gebruik van de stof, de afwassing met water namelijk die het bijzonderste uitwerksel van het sacrament te kennen geeft. Al het overige dat door de heilige Kerk als ritus van het doopsel wordt in acht genomen behoort eerder tot de plechtigheid van het sacrament, en wordt bij het toedienen van het sacrament om drie verschillende redenen gebruikt. Voor eerst om de godsvrucht van de geloovigen aan te wakkeren en het eerbied voor het sacrament in de hand te werken; moest immers de wassing met water eenvoudig en zonder enige plechtigheid geschieden dan zouden sommigen kunnen denken dat het alleen om een gewone wassing gaat. Ten tweede tot onderrichting van de geloovigen; eenvoudige mensen die niet geletterd zijn moeten namelijk met behulp van zichtbaar waarneembare tekenen bij voorbeeld met schilderijen en andere dergelijke onderwezen worden. Aldus worden ze door hetgeen in de sacramenten wordt afgedaan onderricht, of althans ertoe aangezet wat door die zintuigelijk waarneembare tekenen wordt te kennen gegeven, na te zoeken. Daarom dan, omdat het nodig is behalve het voornaamste uitwerksel van het sacrament omtrent het doopsel ook nog andere dingen te weten, is het goed dat die door uiterlijke tekenen worden te kennen gegeven. Ten derde nog, omdat door die gebeden en zegeningen en andere dergelijke de kracht van de duivel in zijn pogen om het sacramentele uitwerksel te verhinderen wordt in bedwang gehouden.
Mijn antwoord. In het doopsel wordt behalve wat tot de geldigheid nodig is, ook nog een en ander dat tot de plechtigheid van het sacrament bijdraagt verricht. Tot de geldigheid van het sacrament behoren de vorm die de hoofdoorzaak van het sacrament te kennen geeft, de bedienaar die werktuigelijke oorzaak is, en het gebruik van de stof, de afwassing met water namelijk die het bijzonderste uitwerksel van het sacrament te kennen geeft. Al het overige dat door de heilige Kerk als ritus van het doopsel wordt in acht genomen behoort eerder tot de plechtigheid van het sacrament, en wordt bij het toedienen van het sacrament om drie verschillende redenen gebruikt. Voor eerst om de godsvrucht van de geloovigen aan te wakkeren en het eerbied voor het sacrament in de hand te werken; moest immers de wassing met water eenvoudig en zonder enige plechtigheid geschieden dan zouden sommigen kunnen denken dat het alleen om een gewone wassing gaat. Ten tweede tot onderrichting van de geloovigen; eenvoudige mensen die niet geletterd zijn moeten namelijk met behulp van zichtbaar waarneembare tekenen bij voorbeeld met schilderijen en andere dergelijke onderwezen worden. Aldus worden ze door hetgeen in de sacramenten wordt afgedaan onderricht, of althans ertoe aangezet wat door die zintuigelijk waarneembare tekenen wordt te kennen gegeven, na te zoeken. Daarom dan, omdat het nodig is behalve het voornaamste uitwerksel van het sacrament omtrent het doopsel ook nog andere dingen te weten, is het goed dat die door uiterlijke tekenen worden te kennen gegeven. Ten derde nog, omdat door die gebeden en zegeningen en andere dergelijke de kracht van de duivel in zijn pogen om het sacramentele uitwerksel te verhinderen wordt in bedwang gehouden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. Christus werd zoals gezegd werd, (2° Art. dezer Kw.) op Driekoningen met het doopsel van Joannes gedoopt. De gelovigen nu worden niet met dit doopsel gedoopt, doch veeleer met het doopsel van Christus, dat zijn kracht van het lijden van Christus betrekt. In de Brief aan de Romeinen, (6, 3) lezen we toch: "Alwie gedoopt wordt in Christus Jezus wordt gedoopt in zijn dood." Het doopsel betrekt ook kracht van de heilige Geest, aldus Sint Jan (3, 5): "Indien iemand niet uit water en de heilige Geest wordt wedergeboren kan hij het rijk der hemelen niet binnengaan." Daarom dan wordt het plechtig doopsel in de heilige Kerk én op de vigilie van Paschen, wanneer men nl. Christus begrafenis en verrijzenis herdenkt, toegediend, — om die reden gaf de Heer na de verrijzenis aan zijn leerlingen het bevel te dopen, — én ook op de vigiliedag van Pinksteren, wanneer men nl. begint de plechtigheid van de heilige Geest te vieren. Zo komt het overigens dat de Apostelen op Pinksteren 3.000 mensen hebben gedoopt.
R: q. 39 a. 2[t:iiia q. 39 a. 2]
1e Weerlegging. Christus werd zoals gezegd werd, (2° Art. dezer Kw.) op Driekoningen met het doopsel van Joannes gedoopt. De gelovigen nu worden niet met dit doopsel gedoopt, doch veeleer met het doopsel van Christus, dat zijn kracht van het lijden van Christus betrekt. In de Brief aan de Romeinen, (6, 3) lezen we toch: "Alwie gedoopt wordt in Christus Jezus wordt gedoopt in zijn dood." Het doopsel betrekt ook kracht van de heilige Geest, aldus Sint Jan (3, 5): "Indien iemand niet uit water en de heilige Geest wordt wedergeboren kan hij het rijk der hemelen niet binnengaan." Daarom dan wordt het plechtig doopsel in de heilige Kerk én op de vigilie van Paschen, wanneer men nl. Christus begrafenis en verrijzenis herdenkt, toegediend, — om die reden gaf de Heer na de verrijzenis aan zijn leerlingen het bevel te dopen, — én ook op de vigiliedag van Pinksteren, wanneer men nl. begint de plechtigheid van de heilige Geest te vieren. Zo komt het overigens dat de Apostelen op Pinksteren 3.000 mensen hebben gedoopt.
R: q. 39 a. 2[t:iiia q. 39 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. Water wordt bij het doopsel gebruikt omdat het tot de zelfstandigheid van het sacrament behoort, olie en chrisma daarentegen om de plechtigheid op te luisteren; de gedoopte wordt nl. eerst als een goddelijke atleet met heilige olie op de borst en tussen de schouders gebalsemd. De H. Ambrosius zegt ten andere in zijn Boek over de Sacramenten (1, 2) dat: "De gedoopten evenals vuistvechters met olie worden ingestreken." en Innocentius de IIIe zegt in een decreet over de heilige zalving (kap. Cum. venisset) dat de gedoopte op de borst met olie wordt ingestreken, opdat hij door de gave van de heilige Geest onwetendheid en dwaling zou verwerpen en het ware geloof ontvangen; de rechtvaardige immers leeft van het geloof. Tussen de schouders wordt hij met olie bestreken, opdat hij door de genade van de heilige Geest nalatigheid en lauwheid zou overwinnen en goede werken beoefenen, zonder de werken toch is het geloof dood. Verder geschiedt die inbalseming ook opdat door het sacrament van het geloof reinheid van gedachten ons inborst, en werkkracht onze schouders zou kenmerken." Nog schrijft Rabanus Maurus het volgende (De Inst. Cleric., 1, 28): "Na het doopsel wordt de nieuw gedoopte aanstonds door de priester op het hoofd met het heilig chrisma getekend, en de priester spreekt een gebed over hem uit opdat hij aan het rijk van Christus zou deelachtig worden en naar Christus, een Christen zou genoemd worden." en eindelijk zegt de H. Ambrosius (De Sacram. 3, 1) : "Balsem wordt op zijn hoofd uitgestort omdat de wijsheid van de mens in het hoofd zetelt, en opdat hij aan iedereen die het vraagt zou kunnen rekenschap geven van zijn geloof."
2e Weerlegging. Water wordt bij het doopsel gebruikt omdat het tot de zelfstandigheid van het sacrament behoort, olie en chrisma daarentegen om de plechtigheid op te luisteren; de gedoopte wordt nl. eerst als een goddelijke atleet met heilige olie op de borst en tussen de schouders gebalsemd. De H. Ambrosius zegt ten andere in zijn Boek over de Sacramenten (1, 2) dat: "De gedoopten evenals vuistvechters met olie worden ingestreken." en Innocentius de IIIe zegt in een decreet over de heilige zalving (kap. Cum. venisset) dat de gedoopte op de borst met olie wordt ingestreken, opdat hij door de gave van de heilige Geest onwetendheid en dwaling zou verwerpen en het ware geloof ontvangen; de rechtvaardige immers leeft van het geloof. Tussen de schouders wordt hij met olie bestreken, opdat hij door de genade van de heilige Geest nalatigheid en lauwheid zou overwinnen en goede werken beoefenen, zonder de werken toch is het geloof dood. Verder geschiedt die inbalseming ook opdat door het sacrament van het geloof reinheid van gedachten ons inborst, en werkkracht onze schouders zou kenmerken." Nog schrijft Rabanus Maurus het volgende (De Inst. Cleric., 1, 28): "Na het doopsel wordt de nieuw gedoopte aanstonds door de priester op het hoofd met het heilig chrisma getekend, en de priester spreekt een gebed over hem uit opdat hij aan het rijk van Christus zou deelachtig worden en naar Christus, een Christen zou genoemd worden." en eindelijk zegt de H. Ambrosius (De Sacram. 3, 1) : "Balsem wordt op zijn hoofd uitgestort omdat de wijsheid van de mens in het hoofd zetelt, en opdat hij aan iedereen die het vraagt zou kunnen rekenschap geven van zijn geloof."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 10 ad 3
3e Weerlegging. Dit witte kleed wordt aan de gedoopten overhandigd, niet alsof hij geen andere klederen mocht dragen, maar als teken van de heerlijke verrijzenis waartoe de mensen door het doopsel worden wedergeboren; verder nog om de zuiverheid van leven die na het doopsel overeenkomstig wat geschreven staat in de Brief aan de Romeinen (6, 4) : "We moeten wandelen in een nieuwheid van leven", moet worden in acht genomen, te kennen te geven.
3e Weerlegging. Dit witte kleed wordt aan de gedoopten overhandigd, niet alsof hij geen andere klederen mocht dragen, maar als teken van de heerlijke verrijzenis waartoe de mensen door het doopsel worden wedergeboren; verder nog om de zuiverheid van leven die na het doopsel overeenkomstig wat geschreven staat in de Brief aan de Romeinen (6, 4) : "We moeten wandelen in een nieuwheid van leven", moet worden in acht genomen, te kennen te geven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 10 ad 4
4e Weerlegging. Wat tot de plechtigheid van het sacrament behoort, is hoewel het niet tot de geldigheid vereist wordt, daarom nog niet overbodig; het wordt namelijk, zoals in de leerstelling gezegd werd, tot een behoorlijker toedienen van het sacrament aangewend.
B: (John 3:5) [b:John 3:5] (Rom 6:3) [b:Rom 6:3]
4e Weerlegging. Wat tot de plechtigheid van het sacrament behoort, is hoewel het niet tot de geldigheid vereist wordt, daarom nog niet overbodig; het wordt namelijk, zoals in de leerstelling gezegd werd, tot een behoorlijker toedienen van het sacrament aangewend.
B: (John 3:5) [b:John 3:5] (Rom 6:3) [b:Rom 6:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 11: Worden er terecht drie verschillende doopsels onderscheiden? Namelijk doopsel van het water, doopsel van het bloed en doopsel van de Heilige Geest
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 66 a. 12 arg. 3
IIIa q. 66 a. 12 co.
IIIa q. 66 a. 12 co.
IIIa q. 68 a. 3 co.
IIIa q. 87 a. 1 ad 2[t:iiia q. 66 a. 12 arg. 3][t:iiia q. 66 a. 12 co.][t:iiia q. 66 a. 12 co.][t:iiia q. 68 a. 3 co.][t:iiia q. 87 a. 1 ad 2]
IIIa q. 66 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert dat er ten onrechte drie verschillende doopsels onderscheiden worden, nl. één doopsel van water, één van bloed en één van begeerte of van de heilige Geest. De Apostel zegt in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5) "Eén geloof, één doopsel." Welnu er is maar één geloof en zo moeten er dus geen drie doopsels onderscheiden worden.
B: (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
IIIa q. 66 a. 12 arg. 3
IIIa q. 66 a. 12 co.
IIIa q. 66 a. 12 co.
IIIa q. 68 a. 3 co.
IIIa q. 87 a. 1 ad 2[t:iiia q. 66 a. 12 arg. 3][t:iiia q. 66 a. 12 co.][t:iiia q. 66 a. 12 co.][t:iiia q. 68 a. 3 co.][t:iiia q. 87 a. 1 ad 2]
IIIa q. 66 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert dat er ten onrechte drie verschillende doopsels onderscheiden worden, nl. één doopsel van water, één van bloed en één van begeerte of van de heilige Geest. De Apostel zegt in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5) "Eén geloof, één doopsel." Welnu er is maar één geloof en zo moeten er dus geen drie doopsels onderscheiden worden.
B: (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 11 arg. 2
Vervolgens. Zoals uit de 65e Kw., 1e Art. blijkt is het doopsel een sacrament. Welnu, alleen het doopsel van water is een sacrament. Zo moet niet gerept worden van andere doopsel.
R: q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1]
Vervolgens. Zoals uit de 65e Kw., 1e Art. blijkt is het doopsel een sacrament. Welnu, alleen het doopsel van water is een sacrament. Zo moet niet gerept worden van andere doopsel.
R: q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 11 arg. 3
Vervolgens. De heilige Joannes Damascenus vermeldt in zijn boek (Over het rechtzinnig geloof, 4, 10) nog veel andere soorten van doopsel. Zo moeten er dus meer zijn dan de drie vermelde.
Vervolgens. De heilige Joannes Damascenus vermeldt in zijn boek (Over het rechtzinnig geloof, 4, 10) nog veel andere soorten van doopsel. Zo moeten er dus meer zijn dan de drie vermelde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 11 s. c.
Daartegenover echter staat dat de Glosse op die woorden uit de Brief aan de Hebreërs (6; 2) : "De leer der dopen" het volgende zegt : "De Apostel spreekt in het meervoud, omdat er drie doopsels zijn : het doopsel van water, van begeerte en van bloed."
B: (Heb 6:2) [b:Heb 6:2]
Daartegenover echter staat dat de Glosse op die woorden uit de Brief aan de Hebreërs (6; 2) : "De leer der dopen" het volgende zegt : "De Apostel spreekt in het meervoud, omdat er drie doopsels zijn : het doopsel van water, van begeerte en van bloed."
B: (Heb 6:2) [b:Heb 6:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 11 co.
Mijn antwoord. Zoals hierboven werd aangetoond (67° Kw., 5° art. en 66° Kw., 2° art.), betrekt het doopsel van water zijn kracht van het lijden van Christus. Men wordt namelijk door het doopsel aan de lijdende Christus gelijkvormig en verder van de eerste oorzaak de heilige Geest. Hoewel nu het uitwerksel van de eerste oorzaak afhangt, toch gaat de oorzaak het uitwerksel in kracht te boven, en is er lang niet afhankelijk van. Zo kan dus iemand zonder het doopsel van water te ontvangen, dankzij het lijden van Christus, wanneer hij namelijk met voor Christus de marteldood te onderstaan, aan dit lijden deelachtig wordt, het uitwerksel van het sacrament erlangen. Zo staat er overigens in het Boek der Veropenbaring (7, 14) : "Dezen zijn het die uit de groote verdrukking komen, hun klederen hebben zij gewassen en wit gemaakt in het bloed van het leven." Op dezelfde wijze nu kan iemand door toedoen van de H. Geest, wanneer namelijk zijn hart door de H. Geest bewogen wordt om te geloven, om God te beminnen en zich over zijn zonden te berouwen het uit- werksel van het doopsel niet alleen zonder het doopsel van water, maar ook zonder het doopsel van bloed ontvangen. Daarover zegt Isaías (4, 4): "De Heer zal vlekken der dochters van Sion wassen en het bloed van Jerusalem in een geest van oordeel en vurigheid uit zijn midden wegnemen." Zo worden die beiden doopsels in zover zij het doopsel vervangen, doopsel genoemd. Daarom zegt de H. Augustinus in het IIe Boek 22 "Over het Doopsel" tegen de Donatisten: "Het lijden kan soms de plaats van het doopsel innemen." Voor de heilige Cyprianus, was het geval van de rover aan wie gezegd werd "Vandaag zult ge met Mij zijn in het paradijs," een afdoend bewijs daarvan. Wat mij betreft hoemeer ik het beschouw, zoomeer kom ik tot het besluit, dat niet alleen het lijden om de naam van Christus, maar ook het geloof en de bekeering des harten, wanneer namelijk onveilige tijdsomstandigheden gelegenheid om tot het celebreren van de geheimenis des doopsels zijn toevlucht te nemen, niet gunnen, het doopsel kunnen vervangen.
B: (Isa 4:4) [b:Isa 4:4] (Rev 7:14) [b:Rev 7:14]
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Mijn antwoord. Zoals hierboven werd aangetoond (67° Kw., 5° art. en 66° Kw., 2° art.), betrekt het doopsel van water zijn kracht van het lijden van Christus. Men wordt namelijk door het doopsel aan de lijdende Christus gelijkvormig en verder van de eerste oorzaak de heilige Geest. Hoewel nu het uitwerksel van de eerste oorzaak afhangt, toch gaat de oorzaak het uitwerksel in kracht te boven, en is er lang niet afhankelijk van. Zo kan dus iemand zonder het doopsel van water te ontvangen, dankzij het lijden van Christus, wanneer hij namelijk met voor Christus de marteldood te onderstaan, aan dit lijden deelachtig wordt, het uitwerksel van het sacrament erlangen. Zo staat er overigens in het Boek der Veropenbaring (7, 14) : "Dezen zijn het die uit de groote verdrukking komen, hun klederen hebben zij gewassen en wit gemaakt in het bloed van het leven." Op dezelfde wijze nu kan iemand door toedoen van de H. Geest, wanneer namelijk zijn hart door de H. Geest bewogen wordt om te geloven, om God te beminnen en zich over zijn zonden te berouwen het uit- werksel van het doopsel niet alleen zonder het doopsel van water, maar ook zonder het doopsel van bloed ontvangen. Daarover zegt Isaías (4, 4): "De Heer zal vlekken der dochters van Sion wassen en het bloed van Jerusalem in een geest van oordeel en vurigheid uit zijn midden wegnemen." Zo worden die beiden doopsels in zover zij het doopsel vervangen, doopsel genoemd. Daarom zegt de H. Augustinus in het IIe Boek 22 "Over het Doopsel" tegen de Donatisten: "Het lijden kan soms de plaats van het doopsel innemen." Voor de heilige Cyprianus, was het geval van de rover aan wie gezegd werd "Vandaag zult ge met Mij zijn in het paradijs," een afdoend bewijs daarvan. Wat mij betreft hoemeer ik het beschouw, zoomeer kom ik tot het besluit, dat niet alleen het lijden om de naam van Christus, maar ook het geloof en de bekeering des harten, wanneer namelijk onveilige tijdsomstandigheden gelegenheid om tot het celebreren van de geheimenis des doopsels zijn toevlucht te nemen, niet gunnen, het doopsel kunnen vervangen.
B: (Isa 4:4) [b:Isa 4:4] (Rev 7:14) [b:Rev 7:14]
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 11 ad 1
1e Weerlegging. De twee andere doopsel zijn in het doopsel met water dat zijn kracht van het lijden van Christus en van de heilige Geest betrekt bevat. Zo wordt dan de eenheid van het doopsel niet weggenomen.
1e Weerlegging. De twee andere doopsel zijn in het doopsel met water dat zijn kracht van het lijden van Christus en van de heilige Geest betrekt bevat. Zo wordt dan de eenheid van het doopsel niet weggenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 11 ad 2
2e Weerlegging. Zoals reeds gezegd werd (60e Kw., 1e art.) is het sacrament een teken. Nu komen de andere doopsel wel wat het uitwerksel maar niet alsof ze tekens waren met het doopsel van water overeen. Zo zijn ze dus geen sacramenten.
R: q. 60 a. 1[t:iiia q. 60 a. 1]
2e Weerlegging. Zoals reeds gezegd werd (60e Kw., 1e art.) is het sacrament een teken. Nu komen de andere doopsel wel wat het uitwerksel maar niet alsof ze tekens waren met het doopsel van water overeen. Zo zijn ze dus geen sacramenten.
R: q. 60 a. 1[t:iiia q. 60 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 11 ad 3
3e Weerlegging. De heilige Joannes Damascenus heeft het over verschillende voorafbeeldingen van het doopsel, zoals de zondvloed, die om de verlossing van de geloovigen in de heilige Kerk, een teken was van ons doopsel; ook daar werden immers volgens de woorden uit de Eerste Brief van Petrus (3, 2) weinig mensen verlost in een ark. Nog spreekt hij van de doortocht van de rode zee die het doopsel voorafbeeldt omdat het een redding is uit de slavernij der zonden. Daarom zegt de apostel in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 2): "Allen werden in de wolk en in de zee gedoopt." Verder spreekt Joannes Damascenus ook van de verschillende wassingen die in het oude testament plaats grepen, en die het doopsel in zijn taak van zonden te reinigen voorafbeelden. Eindelijk spreekt hij nog van het doopsel van Joannes dat een voorbereiding was tot het doopsel van Christus.
B: (1Cor 10:2) [b:1Cor 10:2] (1Pet 3:20) [b:1Pet 3:20]
3e Weerlegging. De heilige Joannes Damascenus heeft het over verschillende voorafbeeldingen van het doopsel, zoals de zondvloed, die om de verlossing van de geloovigen in de heilige Kerk, een teken was van ons doopsel; ook daar werden immers volgens de woorden uit de Eerste Brief van Petrus (3, 2) weinig mensen verlost in een ark. Nog spreekt hij van de doortocht van de rode zee die het doopsel voorafbeeldt omdat het een redding is uit de slavernij der zonden. Daarom zegt de apostel in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 2): "Allen werden in de wolk en in de zee gedoopt." Verder spreekt Joannes Damascenus ook van de verschillende wassingen die in het oude testament plaats grepen, en die het doopsel in zijn taak van zonden te reinigen voorafbeelden. Eindelijk spreekt hij nog van het doopsel van Joannes dat een voorbereiding was tot het doopsel van Christus.
B: (1Cor 10:2) [b:1Cor 10:2] (1Pet 3:20) [b:1Pet 3:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 12: Is het doopsel van Bloed het voortreffelijkste doopsel binnen de drie doopsels?
IIIa q. 66 a. 12 arg. 1
Over het twaalfde als volgt. Men beweert dat het doopsel van bloed niet het voortreffelijkste is van de drie. Het doopsel met water prent een merkteken in, wat het doopsel van bloed niet doet. Zo is dus het doopsel van bloed niet voortreffelijker dan het doopsel met water.
Over het twaalfde als volgt. Men beweert dat het doopsel van bloed niet het voortreffelijkste is van de drie. Het doopsel met water prent een merkteken in, wat het doopsel van bloed niet doet. Zo is dus het doopsel van bloed niet voortreffelijker dan het doopsel met water.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 12 arg. 2
Vervolgens. Zonder het doopsel van begeerte dat door de liefde geschiedt, heeft het doopsel van bloed geen waarde. De Apostel schrijft immers in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (13, 3): "Zo ik mijn lichaam overgeef om het te laten verbranden, maar geen liefde heb, dan baat het mij niets." Integendeel is zonder het doopsel van bloed het doopsel van begeerte ook geldig, niet alleen immers de martelaren worden gered. Zo is dus het doopsel van bloed niet het voortreffelijkste.
B: (1Cor 13:3) [b:1Cor 13:3]
Vervolgens. Zonder het doopsel van begeerte dat door de liefde geschiedt, heeft het doopsel van bloed geen waarde. De Apostel schrijft immers in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (13, 3): "Zo ik mijn lichaam overgeef om het te laten verbranden, maar geen liefde heb, dan baat het mij niets." Integendeel is zonder het doopsel van bloed het doopsel van begeerte ook geldig, niet alleen immers de martelaren worden gered. Zo is dus het doopsel van bloed niet het voortreffelijkste.
B: (1Cor 13:3) [b:1Cor 13:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 12 arg. 3
Vervolgens. Evenals het doopsel met water, waaraan zoals gezegd werd het doopsel beantwoordt, zijn kracht van het lijden van Christus betrekt, evenzo betrekt het lijden van Christus zijn kracht van de heilige Geest. In de Brief aan de Hebreërs (9, 14) staat immers: "Het Bloed van Christus, die zich door toedoen van de heilige Geest, om ons aan God heeft opgeofferd, zal ons geweten van de werken des doods reinigen enz..." Zo heeft dus het doopsel van begeerte meer waarde dan het doopsel van bloed, en het doopsel van bloed is dan ook niet het voortreffelijkste.
B: (Heb 9:14) [b:Heb 9:14]
R: q. 66 a. 11[t:iiia q. 66 a. 11]
Vervolgens. Evenals het doopsel met water, waaraan zoals gezegd werd het doopsel beantwoordt, zijn kracht van het lijden van Christus betrekt, evenzo betrekt het lijden van Christus zijn kracht van de heilige Geest. In de Brief aan de Hebreërs (9, 14) staat immers: "Het Bloed van Christus, die zich door toedoen van de heilige Geest, om ons aan God heeft opgeofferd, zal ons geweten van de werken des doods reinigen enz..." Zo heeft dus het doopsel van begeerte meer waarde dan het doopsel van bloed, en het doopsel van bloed is dan ook niet het voortreffelijkste.
B: (Heb 9:14) [b:Heb 9:14]
R: q. 66 a. 11[t:iiia q. 66 a. 11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 12 s. c.
Daartegenover staat echter wat Augustinus in zijn boek Over de kerkelijke Dogmata (74) zegt, wanneer hij nl. onder verschillende doopsels een vergelijking instelt: "De gedoopte belijdt zijn geloof ten overstaan van de priester. De martelaren echter ten overstaan van de kerkvervolger. De ene wordt na die belijdenis met water besproeid, de andere met bloed. De ene erlangt bij de handenoplegging van de priester de H. Geest, de andere wordt zelf een tempel van de H. Geest."
Daartegenover staat echter wat Augustinus in zijn boek Over de kerkelijke Dogmata (74) zegt, wanneer hij nl. onder verschillende doopsels een vergelijking instelt: "De gedoopte belijdt zijn geloof ten overstaan van de priester. De martelaren echter ten overstaan van de kerkvervolger. De ene wordt na die belijdenis met water besproeid, de andere met bloed. De ene erlangt bij de handenoplegging van de priester de H. Geest, de andere wordt zelf een tempel van de H. Geest."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 12 co.
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd werd, worden het vergieten van zijn bloed om Christus en de innerlijke werking van de H. Geest, voorzover zij het uitwerksel van het doopsel van water, namelijk de rechtvaardiging van de mens teweeg brengen, doopsel genoemd. Het doopsel van water betrekt zoals we in het vorige artikel aantoonden, zijn kracht van het lijden van Christus en van de heilige Geest. Die beiden oorzaken nu zijn in de drie doopsels werkzaam, in het doopsel van bloed echter op buitengewone wijze. In het doopsel van water werkt het lijden van Christus immers door een zinnebeeldige voorstelling; in het doopsel van begeerte of van berouw, door een genegenheid der ziel; in het doopsel van bloed daarentegen door echte navolging. Wat verder de kracht van de heilige Geest betreft, deze werkt in het doopsel van water in het verborgen, in het doopsel van begeerte door een beweging des harten, maar in het doopsel van bloed, volgens de woorden uit het Evangelie van Sint Jan (15, 13) : "Grooter liefde heeft niemand dan deze : dat hij zijn leven aflegt voor zijn vrienden" door een bijzondere liefde-ijver.
B: (John 15:13, John 15:13) [b:John 15:13]
R: q. 66 a. 11[t:iiia q. 66 a. 11] q. 66 a. 11[t:iiia q. 66 a. 11]
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd werd, worden het vergieten van zijn bloed om Christus en de innerlijke werking van de H. Geest, voorzover zij het uitwerksel van het doopsel van water, namelijk de rechtvaardiging van de mens teweeg brengen, doopsel genoemd. Het doopsel van water betrekt zoals we in het vorige artikel aantoonden, zijn kracht van het lijden van Christus en van de heilige Geest. Die beiden oorzaken nu zijn in de drie doopsels werkzaam, in het doopsel van bloed echter op buitengewone wijze. In het doopsel van water werkt het lijden van Christus immers door een zinnebeeldige voorstelling; in het doopsel van begeerte of van berouw, door een genegenheid der ziel; in het doopsel van bloed daarentegen door echte navolging. Wat verder de kracht van de heilige Geest betreft, deze werkt in het doopsel van water in het verborgen, in het doopsel van begeerte door een beweging des harten, maar in het doopsel van bloed, volgens de woorden uit het Evangelie van Sint Jan (15, 13) : "Grooter liefde heeft niemand dan deze : dat hij zijn leven aflegt voor zijn vrienden" door een bijzondere liefde-ijver.
B: (John 15:13, John 15:13) [b:John 15:13]
R: q. 66 a. 11[t:iiia q. 66 a. 11] q. 66 a. 11[t:iiia q. 66 a. 11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 12 ad 1
1e Weerlegging. Het merkteken is één ding én sacrament. Nu zeggen we niet dat het doopsel van bloed als sacrament, wel dat het mits inachtneming van zijn uitwerking, de voorrang heeft.
1e Weerlegging. Het merkteken is één ding én sacrament. Nu zeggen we niet dat het doopsel van bloed als sacrament, wel dat het mits inachtneming van zijn uitwerking, de voorrang heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 12 ad 2
2e Weerlegging. Bloedvergieten heeft met het doopsel geen uitstaans wanneer het zonder liefde geschiedt. Daaruit volgt dat het doopsel van bloed het doopsel van begeerte insluit maar niet omgekeerd, en zo blijkt het volmaakter te zijn.
2e Weerlegging. Bloedvergieten heeft met het doopsel geen uitstaans wanneer het zonder liefde geschiedt. Daaruit volgt dat het doopsel van bloed het doopsel van begeerte insluit maar niet omgekeerd, en zo blijkt het volmaakter te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 66 a. 12 ad 3
3e Weerlegging. Het doopsel van bloed heeft niet alleen om Christus lijden, maar ook zoals we in de leerstelling zeiden, om de heilige Geest, de voorrang.
3e Weerlegging. Het doopsel van bloed heeft niet alleen om Christus lijden, maar ook zoals we in de leerstelling zeiden, om de heilige Geest, de voorrang.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 67: Over de bedienaars door wie het doopsel wordt toegediend
IIIa q. 67 pr.
Verder moet gesproken worden over de bedienaars door wie het doopsel wordt toegediend. Dienaangaande komen acht vragen ter bespreking.
1. Komt het aan de diakens toe het doopsel toe te dienen?
2. Komt het aan de priesters toe, ofwel enkel en alleen aan de bisschoppen?
3. Mag een leek het sacrament van het doopsel toedienen?
4. Mag een vrouw het doopsel toedienen?
5. Mag een ongedoopte het doopsel toedienen?
6. Mogen verschillende mensen samen, een en dezelfde mens dopen?
7. Is het nodig dat iemand de gedoopte, boven de doopvont houdt?
8. Is degene die de gedoopte uit de doopvont opneemt verplicht hem te onderrichten?
Verder moet gesproken worden over de bedienaars door wie het doopsel wordt toegediend. Dienaangaande komen acht vragen ter bespreking.
1. Komt het aan de diakens toe het doopsel toe te dienen?
2. Komt het aan de priesters toe, ofwel enkel en alleen aan de bisschoppen?
3. Mag een leek het sacrament van het doopsel toedienen?
4. Mag een vrouw het doopsel toedienen?
5. Mag een ongedoopte het doopsel toedienen?
6. Mogen verschillende mensen samen, een en dezelfde mens dopen?
7. Is het nodig dat iemand de gedoopte, boven de doopvont houdt?
8. Is degene die de gedoopte uit de doopvont opneemt verplicht hem te onderrichten?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Komt het aan de diakens toe het doopsel toe te dienen?
IIIa q. 67 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het aan de diakens toekomt het doopsel toe te dienen. Blijkens hetgeen bij Matt. (28, 19) staat: "Gaat en onderwijs alle volkeren, ze dopend enz." heeft de Heer het bevel het Evangelie te verkondigen en het doopsel toe te dienen samen gegeven. Welnu, de diakens komt het toe het evangelie te verkondigen. Dus komt het hun insgelijks toe het doopsel toe te dienen.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 67 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 67 a. 2 arg. 1]
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat het aan de diakens toekomt het doopsel toe te dienen. Blijkens hetgeen bij Matt. (28, 19) staat: "Gaat en onderwijs alle volkeren, ze dopend enz." heeft de Heer het bevel het Evangelie te verkondigen en het doopsel toe te dienen samen gegeven. Welnu, de diakens komt het toe het evangelie te verkondigen. Dus komt het hun insgelijks toe het doopsel toe te dienen.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 67 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 67 a. 2 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Volgens hetgeen Dionysius in zijn Boek "Over de Kerkelijke Hierarchie" (5) schrijft, komt het de diakens toe de mensen te zuiveren. Welnu, vooral door het doopsel worden de mensen van hun zonden gereinigd; de Brief aan de Ephesiërs, zegt immers (5, 26): "God reinigt ons in het Woord des levens, als in een waterbad." Zo hoort het dus de diakens toe het doopsel toe te dienen.
B: (Eph 5:26) [b:Eph 5:26]
Vervolgens. Volgens hetgeen Dionysius in zijn Boek "Over de Kerkelijke Hierarchie" (5) schrijft, komt het de diakens toe de mensen te zuiveren. Welnu, vooral door het doopsel worden de mensen van hun zonden gereinigd; de Brief aan de Ephesiërs, zegt immers (5, 26): "God reinigt ons in het Woord des levens, als in een waterbad." Zo hoort het dus de diakens toe het doopsel toe te dienen.
B: (Eph 5:26) [b:Eph 5:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Van de gelukzalige Laurentius wordt er verteld dat hij, toen hij nog diaken was, verschillende mensen gedoopt heeft. Zo is het dus wel degelijk het ambt van de diaken het doopsel toe te dienen.
Vervolgens. Van de gelukzalige Laurentius wordt er verteld dat hij, toen hij nog diaken was, verschillende mensen gedoopt heeft. Zo is het dus wel degelijk het ambt van de diaken het doopsel toe te dienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 1 s. c.
Daartegenover echter staat wat paus Gelasius bevolen heeft (9e Epist. 7 Kap.) en wat in de Decretaliën geboekt staat (CXIII Dist. 13 kap.): "We bevelen het dat de diakens de grenzen van hun macht niet zouden overschrijden en zonder verlof van een bisschop of van een priester mogen ze, behalve wanneer deze te ver verwijderd zijn en uiterste nood er toe dwingt, niet dopen.»
Daartegenover echter staat wat paus Gelasius bevolen heeft (9e Epist. 7 Kap.) en wat in de Decretaliën geboekt staat (CXIII Dist. 13 kap.): "We bevelen het dat de diakens de grenzen van hun macht niet zouden overschrijden en zonder verlof van een bisschop of van een priester mogen ze, behalve wanneer deze te ver verwijderd zijn en uiterste nood er toe dwingt, niet dopen.»
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 1 co.
Mijn antwoord. Net als de namen der hemelse koren ons, zoals Dyonisius in zijn Boek over de Kerkelijke Hierarchie (Kap. 7) zegt, hun eigenschappen en ambten te kennen geven, kunnen we uit de naam van de verschillende kerkelijke orden afleiden, wat aan iedere van hen toekomt. Het woord "Diaken" nu betekent "bedienaar". Het komt niet aan de diakens toe als hoofdbedienaars en alsof dit hun ambt was sacramenten toe te dienen, maar wel de hogere orden in het toedienen van de heilige sacramenten bij te staan. Zo komt het een diaken niet alsof dit zijn eigen ambt was toe het sacrament van het doopsel toe te dienen, maar alleen bij het toedienen van dit en andere sacramenten de hogere bedienaars bij te staan en te helpen. Daarom zegt de heilige Isidorus in een Brief aan Ludifredus: "De diaken moet de priester bij alles wat omtrent de sacramenten van Jezus Christus gedaan wordt, wat namelijk het doopsel, wat het chrisma, de pateen of ook de kelk betreft bijstaan en helpen."
Mijn antwoord. Net als de namen der hemelse koren ons, zoals Dyonisius in zijn Boek over de Kerkelijke Hierarchie (Kap. 7) zegt, hun eigenschappen en ambten te kennen geven, kunnen we uit de naam van de verschillende kerkelijke orden afleiden, wat aan iedere van hen toekomt. Het woord "Diaken" nu betekent "bedienaar". Het komt niet aan de diakens toe als hoofdbedienaars en alsof dit hun ambt was sacramenten toe te dienen, maar wel de hogere orden in het toedienen van de heilige sacramenten bij te staan. Zo komt het een diaken niet alsof dit zijn eigen ambt was toe het sacrament van het doopsel toe te dienen, maar alleen bij het toedienen van dit en andere sacramenten de hogere bedienaars bij te staan en te helpen. Daarom zegt de heilige Isidorus in een Brief aan Ludifredus: "De diaken moet de priester bij alles wat omtrent de sacramenten van Jezus Christus gedaan wordt, wat namelijk het doopsel, wat het chrisma, de pateen of ook de kelk betreft bijstaan en helpen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De diaken komt het toe in de Kerk het evangelie voor te lezen en het door catechizatie aan de gelovigen te verkondigen. Daarom zegt Dyonisius in zijn kerkelijke Hierarchie (kap. 3) dat de diakens macht hebben over de onzuiveren en daarmee bedoelt hij de catechumenen. Onderwijzen echter, dat is het evangelie uitleggen, komt eigenlijk toe aan de bisschoppen die, zoals Dyonisius in hetzelfde werk (5e kap.) zegt voor taak hebben te vervolmaken. Vervolmaken nu en onderrichten zijn een en hetzelfde. Daaruit volgt dus niet dat het aan de diakens toekomt het doopsel toe te dienen.
1e Weerlegging. De diaken komt het toe in de Kerk het evangelie voor te lezen en het door catechizatie aan de gelovigen te verkondigen. Daarom zegt Dyonisius in zijn kerkelijke Hierarchie (kap. 3) dat de diakens macht hebben over de onzuiveren en daarmee bedoelt hij de catechumenen. Onderwijzen echter, dat is het evangelie uitleggen, komt eigenlijk toe aan de bisschoppen die, zoals Dyonisius in hetzelfde werk (5e kap.) zegt voor taak hebben te vervolmaken. Vervolmaken nu en onderrichten zijn een en hetzelfde. Daaruit volgt dus niet dat het aan de diakens toekomt het doopsel toe te dienen.
Referenties naar deze alinea: 1
De betekenis van lagere bedieningen in de Heilige Liturgie ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Dionysius zegt in zijn Kerkelijke Hierarchie (2e Kap.) dat het doopsel niet alleen reinigt maar ook licht schenkt, en bijgevolg gaat dit het ambt van de diaken te boven; hem komt immers enkel toe, hetzij door de onzuiveren te verjagen, hetzij door ze tot het heilig doopsel voor te bereiden, te reinigen.
2e Weerlegging. Dionysius zegt in zijn Kerkelijke Hierarchie (2e Kap.) dat het doopsel niet alleen reinigt maar ook licht schenkt, en bijgevolg gaat dit het ambt van de diaken te boven; hem komt immers enkel toe, hetzij door de onzuiveren te verjagen, hetzij door ze tot het heilig doopsel voor te bereiden, te reinigen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Omdat het doopsel onontbeerlijk is, daarom wordt er de diaken toe gelaten wanneer de nood dringt en de hogere bedienaar afwezig is te dopen; dit blijkt overigens uit bovenvermeld beschikbaar van Gelasius, en op die wijze heeft de gelukzalige Laurentius als diaken het doopsel toegediend.
3e Weerlegging. Omdat het doopsel onontbeerlijk is, daarom wordt er de diaken toe gelaten wanneer de nood dringt en de hogere bedienaar afwezig is te dopen; dit blijkt overigens uit bovenvermeld beschikbaar van Gelasius, en op die wijze heeft de gelukzalige Laurentius als diaken het doopsel toegediend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Komt het de priesters toe het doopsel toe te dienen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 67 a. 3 arg. 1
IIIa q. 82 a. 9 arg. 2[t:iiia q. 67 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 82 a. 9 arg. 2]
IIIa q. 67 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat het niet aan de priesters, doch enkel en alleen aan de bisschoppen toekomt, het doopsel toe te dienen. Zoals in het vorige artikel gezegd werd, werd door eenzelfde bevel aangeplicht te dopen en te onderwijzen (Matt. 28, 19). Welnu, zoals Dyonisius in zijn Kerkelijke Hierarchie zegt (5° en 6° kap.) is onderwijzen dat met vervolmaken gelijk staat de taak van de bisschoppen.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
R: q. 67 a. 1 Arg. 1[t:iiia q. 67 a. 1 arg. 1] q. 73 a. 1 ad 2[t:iiia q. 73 a. 1 ad 2]
IIIa q. 67 a. 3 arg. 1
IIIa q. 82 a. 9 arg. 2[t:iiia q. 67 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 82 a. 9 arg. 2]
IIIa q. 67 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat het niet aan de priesters, doch enkel en alleen aan de bisschoppen toekomt, het doopsel toe te dienen. Zoals in het vorige artikel gezegd werd, werd door eenzelfde bevel aangeplicht te dopen en te onderwijzen (Matt. 28, 19). Welnu, zoals Dyonisius in zijn Kerkelijke Hierarchie zegt (5° en 6° kap.) is onderwijzen dat met vervolmaken gelijk staat de taak van de bisschoppen.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
R: q. 67 a. 1 Arg. 1[t:iiia q. 67 a. 1 arg. 1] q. 73 a. 1 ad 2[t:iiia q. 73 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Door het doopsel wordt iemand bij het christen volk opgenomen, taak die de vorst van dit volk is weggelegd. Welnu de bisschoppen zijn de prinsen der heilige kerk, en nemen de plaats van de apostelen in. Dit zegt de heilige Beda in een glossa op de woorden van St. Lucas 10° kap.; en daarbij zegt de psalmist (4, 17): "Als vorsten zult ge ze aanstellen over de hele aarde.» Zo is dopen dus de taak van de bisschoppen.
B: (Ps 44:17) [b:Ps 44:17] (Luke 10:1) [b:Luke 10:1]
Vervolgens. Door het doopsel wordt iemand bij het christen volk opgenomen, taak die de vorst van dit volk is weggelegd. Welnu de bisschoppen zijn de prinsen der heilige kerk, en nemen de plaats van de apostelen in. Dit zegt de heilige Beda in een glossa op de woorden van St. Lucas 10° kap.; en daarbij zegt de psalmist (4, 17): "Als vorsten zult ge ze aanstellen over de hele aarde.» Zo is dopen dus de taak van de bisschoppen.
B: (Ps 44:17) [b:Ps 44:17] (Luke 10:1) [b:Luke 10:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De heilige Isidorus zegt dat het aan de bisschoppen toekomt basilieken te consacreren, altaren te wijden en het chrisma te bereiden. De kerkelijke orden dienen ze toe, en de vrome maagden zegenen ze. Welnu, het sacrament des doopsels is meer nog dan dit alles en zo komt het veeleer aan de bisschoppen toe het doopsel toe te dienen.
Vervolgens. De heilige Isidorus zegt dat het aan de bisschoppen toekomt basilieken te consacreren, altaren te wijden en het chrisma te bereiden. De kerkelijke orden dienen ze toe, en de vrome maagden zegenen ze. Welnu, het sacrament des doopsels is meer nog dan dit alles en zo komt het veeleer aan de bisschoppen toe het doopsel toe te dienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, wat St. Isidorus zegt in zijn boek "Over de Ambten" (2, 24): "Het staat vast dat het doopsel enkel en alleen aan de priesters werd opgedragen."
Daartegenover staat echter, wat St. Isidorus zegt in zijn boek "Over de Ambten" (2, 24): "Het staat vast dat het doopsel enkel en alleen aan de priesters werd opgedragen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 2 co.
Mijn antwoord. De priesters worden zoals hierboven werd aangetoond (55° Kw., 3° art.) gewijd om het sacrament van Christus lichaam te voltrekken; dit is immers het sacrament van de kerkelijke eenheid. De apostel zegt namelijk in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 17) : "Dewijl dit slechts één brood is, zijn wij met velen slechts één lichaam, wij allen die deel hebben aan dit ene brood en aan de ene kelk." Door het doopsel nu wordt iemand in de kerkelijke eenheid ingelijfd en ontvangt aldus het recht tot de tafel des Heren te naderen. Zoals het dus de priester toekomt de Eucharistie te consacreren, — daar is toch het priesterschap op berekend, — zo ook komt het van ambtswege toe aan priesters te dopen; eenzelfde komt het immers toe een geheel uit te werken en een deel van dit geheel op te schikken.
B: (1Cor 10:17) [b:1Cor 10:17]
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3]
Mijn antwoord. De priesters worden zoals hierboven werd aangetoond (55° Kw., 3° art.) gewijd om het sacrament van Christus lichaam te voltrekken; dit is immers het sacrament van de kerkelijke eenheid. De apostel zegt namelijk in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 17) : "Dewijl dit slechts één brood is, zijn wij met velen slechts één lichaam, wij allen die deel hebben aan dit ene brood en aan de ene kelk." Door het doopsel nu wordt iemand in de kerkelijke eenheid ingelijfd en ontvangt aldus het recht tot de tafel des Heren te naderen. Zoals het dus de priester toekomt de Eucharistie te consacreren, — daar is toch het priesterschap op berekend, — zo ook komt het van ambtswege toe aan priesters te dopen; eenzelfde komt het immers toe een geheel uit te werken en een deel van dit geheel op te schikken.
B: (1Cor 10:17) [b:1Cor 10:17]
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Door de Heer werd aan de apostelen het dubbele ambt te onderwijzen en te dopen opgedragen. Nu nemen de bisschoppen wel de plaats van de apostelen in, maar hun taak nemen ze op tweevoudige wijze waar. De taak immers te onderwijzen heeft Christus hun opgedragen, opdat ze haar als eerste hun toegewezen werk zouden waarnemen en daarom zeiden de Apostelen in de Handelingen (6, 2): "Het betaamt niet dat wij het woord Gods om de bediening der tafel veronachtzamen." De taak integendeel te dopen, heeft hij de apostelen opgedragen om haar door anderen te laten waarnemen. Daarom zei de Apostel in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 17): "Want Christus zond mij niet om te dopen maar om het evangelie te verkondigen." De reden nu daarvan ligt hier, dat bij het doopsel de verdienste en de wijsheid van de bedienaar niets tot stand brengen, terwijl het er bij het predikambt zoals hierboven reeds werd aangetoond (64° Kw., 6° en 7° art.) anders toegaat. Hier kan men ook laten gelden dat Christus niet zelf gedoopt heeft, maar wel zijn leerlingen (Johannes 4, 2). Daardoor wordt echter nog niet uitgesloten dat ook de bisschoppen mogen dopen, want waar een mindere macht toe bestand is, zal ook een hogere macht toe bestand zijn. Daarvandaan dat de Apostel in zijn brieven ook zegt, dat hij sommige mensen gedoopt heeft.
B: (Acts 6:2) [b:Acts 6:2] (1Cor 1:14) [b:1Cor 1:14] (1Cor 1:16) [b:1Cor 1:16] (1Cor 1:17) [b:1Cor 1:17]
R: q. 64 a. 1 ad 2[t:iiia q. 64 a. 1 ad 2] q. 64 a. 5[t:iiia q. 64 a. 5] q. 64 a. 9[t:iiia q. 64 a. 9]
1e Weerlegging. Door de Heer werd aan de apostelen het dubbele ambt te onderwijzen en te dopen opgedragen. Nu nemen de bisschoppen wel de plaats van de apostelen in, maar hun taak nemen ze op tweevoudige wijze waar. De taak immers te onderwijzen heeft Christus hun opgedragen, opdat ze haar als eerste hun toegewezen werk zouden waarnemen en daarom zeiden de Apostelen in de Handelingen (6, 2): "Het betaamt niet dat wij het woord Gods om de bediening der tafel veronachtzamen." De taak integendeel te dopen, heeft hij de apostelen opgedragen om haar door anderen te laten waarnemen. Daarom zei de Apostel in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (1, 17): "Want Christus zond mij niet om te dopen maar om het evangelie te verkondigen." De reden nu daarvan ligt hier, dat bij het doopsel de verdienste en de wijsheid van de bedienaar niets tot stand brengen, terwijl het er bij het predikambt zoals hierboven reeds werd aangetoond (64° Kw., 6° en 7° art.) anders toegaat. Hier kan men ook laten gelden dat Christus niet zelf gedoopt heeft, maar wel zijn leerlingen (Johannes 4, 2). Daardoor wordt echter nog niet uitgesloten dat ook de bisschoppen mogen dopen, want waar een mindere macht toe bestand is, zal ook een hogere macht toe bestand zijn. Daarvandaan dat de Apostel in zijn brieven ook zegt, dat hij sommige mensen gedoopt heeft.
B: (Acts 6:2) [b:Acts 6:2] (1Cor 1:14) [b:1Cor 1:14] (1Cor 1:16) [b:1Cor 1:16] (1Cor 1:17) [b:1Cor 1:17]
R: q. 64 a. 1 ad 2[t:iiia q. 64 a. 1 ad 2] q. 64 a. 5[t:iiia q. 64 a. 5] q. 64 a. 9[t:iiia q. 64 a. 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. In iedere staat zijn mindere aangelegenheden op de lagere ambtenaren, de zwaardere daarentegen op meer vooraanstaande ambtenaren aangewezen. Het boek van de Uittocht (18, 22) zegt immers: "Al wat echter van meer belang mocht zijn, zullen zij voor u brengen en alleen het geringere zullen ze zelf beredderen". Daarom zullen de geringere ambtenaren zich met het geringe volk onledig houden. Meer vooraanstaanden integendeel komt het toe zich met de hogere standen in te laten. Door het doopsel nu verkrijgt iemand in de kristenheid amper de laatste plaats en daarom wordt het de geringere bedienaars der kerk, de priesters namelijk, die zoals de glossa zegt (Luc. 10) de plaats van de 72 leerlingen van Christus innemen overgelaten het doopsel toe te dienen.
B: (Exod 18:22) [b:Exod 18:22]
2e Weerlegging. In iedere staat zijn mindere aangelegenheden op de lagere ambtenaren, de zwaardere daarentegen op meer vooraanstaande ambtenaren aangewezen. Het boek van de Uittocht (18, 22) zegt immers: "Al wat echter van meer belang mocht zijn, zullen zij voor u brengen en alleen het geringere zullen ze zelf beredderen". Daarom zullen de geringere ambtenaren zich met het geringe volk onledig houden. Meer vooraanstaanden integendeel komt het toe zich met de hogere standen in te laten. Door het doopsel nu verkrijgt iemand in de kristenheid amper de laatste plaats en daarom wordt het de geringere bedienaars der kerk, de priesters namelijk, die zoals de glossa zegt (Luc. 10) de plaats van de 72 leerlingen van Christus innemen overgelaten het doopsel toe te dienen.
B: (Exod 18:22) [b:Exod 18:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Het doopsel is wat zoals we hierboven deden uitkomen (65° Kw., 3° art. in de leerstel. en in het antwoord op de 4° bedenk.), wanneer het om de noodzakelijkheid der sacramenten gaat, het voornaamste sacrament, wat echter de volmaaktheid betreft, zijn er andere sacramenten die voorgaan en aan de bisschoppen worden voorbehouden.
B: (Luke 10) [b:Luke 10]
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3]
3e Weerlegging. Het doopsel is wat zoals we hierboven deden uitkomen (65° Kw., 3° art. in de leerstel. en in het antwoord op de 4° bedenk.), wanneer het om de noodzakelijkheid der sacramenten gaat, het voornaamste sacrament, wat echter de volmaaktheid betreft, zijn er andere sacramenten die voorgaan en aan de bisschoppen worden voorbehouden.
B: (Luke 10) [b:Luke 10]
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Mag een leek het doopsel toedienen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 67 a. 7 arg. 2
IIIa q. 82 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 67 a. 7 arg. 2][t:iiia q. 82 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 67 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat een leek het doopsel niet mag toedienen. Dopen komt, zoals in het vorig artikel gezegd is aan de priesters toe. Welnu, wat van het priesterschap deel uitmaakt, mag niet aan diegenen die geen orden ontvangen hebben worden toevertrouwd. Zo mag dus een leek die de priesterorden niet ontvangen heeft, niet dopen.
R: q. 67 a. 2[t:iiia q. 67 a. 2]
IIIa q. 67 a. 7 arg. 2
IIIa q. 82 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 67 a. 7 arg. 2][t:iiia q. 82 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 67 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat een leek het doopsel niet mag toedienen. Dopen komt, zoals in het vorig artikel gezegd is aan de priesters toe. Welnu, wat van het priesterschap deel uitmaakt, mag niet aan diegenen die geen orden ontvangen hebben worden toevertrouwd. Zo mag dus een leek die de priesterorden niet ontvangen heeft, niet dopen.
R: q. 67 a. 2[t:iiia q. 67 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Dopen is van meer belang dan de sacramenten van het doopsel zoals catechiseren, duivel bezweren en het doopwater te zegenen voltrekken. Daar nu die dingen niet door leken maar enkel door priesters kunnen gedaan worden, zo mogen leken nog veel minder dopen.
Vervolgens. Dopen is van meer belang dan de sacramenten van het doopsel zoals catechiseren, duivel bezweren en het doopwater te zegenen voltrekken. Daar nu die dingen niet door leken maar enkel door priesters kunnen gedaan worden, zo mogen leken nog veel minder dopen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Het doopsel is even onontbeerlijk als de biecht. Een leek echter kan in de biecht de absolutie niet uitspreken, zo kan hij dus evenmin het doopsel toedienen.
Vervolgens. Het doopsel is even onontbeerlijk als de biecht. Een leek echter kan in de biecht de absolutie niet uitspreken, zo kan hij dus evenmin het doopsel toedienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 3 s. c.
Daartegenover echter staat, wat Paus Gelasius en St. Isidorus zeggen: "De leken der christenheid mogen wanneer de nood dringt dopen."
Daartegenover echter staat, wat Paus Gelasius en St. Isidorus zeggen: "De leken der christenheid mogen wanneer de nood dringt dopen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 3 co.
Mijn antwoord. Het strookt ten zeerste met de barmhartigheid van degenen, die alle mensen wil zaligmaken, dat ze voor wat voor de zaligheid onontbeerlijk is makkelijk zouden een uitweg vinden. Onder alle sacramenten nu is het doopsel, omdat het de wedergeboorte is tot het geestelijke leven, het meest onontbeerlijk; op geen andere manier kan immers kinderen worden ter hulp gekomen, en op geen andere manier kunnen volwassenen volledige kwijtschelding van zondeschuld en van zondestraf erlangen. Opdat dan een zo onontbeerlijk heilig middel voor de mens niet zou in gebreke blijven werd het zo ingesteld dat de stof van het doopsel makkelijk zou te vinden zijn, en dat, opdat de mens niet zou bij gebrek aan doopsel van zijn heil verstoken blijven, om het even wie, ook als hij niet gewijd is, als bedienaar van het doopsel mag optreden.
B: (1Tim 2:4) [b:1Tim 2:4]
Mijn antwoord. Het strookt ten zeerste met de barmhartigheid van degenen, die alle mensen wil zaligmaken, dat ze voor wat voor de zaligheid onontbeerlijk is makkelijk zouden een uitweg vinden. Onder alle sacramenten nu is het doopsel, omdat het de wedergeboorte is tot het geestelijke leven, het meest onontbeerlijk; op geen andere manier kan immers kinderen worden ter hulp gekomen, en op geen andere manier kunnen volwassenen volledige kwijtschelding van zondeschuld en van zondestraf erlangen. Opdat dan een zo onontbeerlijk heilig middel voor de mens niet zou in gebreke blijven werd het zo ingesteld dat de stof van het doopsel makkelijk zou te vinden zijn, en dat, opdat de mens niet zou bij gebrek aan doopsel van zijn heil verstoken blijven, om het even wie, ook als hij niet gewijd is, als bedienaar van het doopsel mag optreden.
B: (1Tim 2:4) [b:1Tim 2:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Om welvoeglijkheidsgronden en om de plechtigheid komt het een priester toe het doopsel toe te dienen. Dit is echter voor het sacrament niet onontbeerlijk en, moest een leek zonder dat het noodzakelijk is dopen, dan zou hij weliswaar zondigen, maar niet te min zou hij het doopsel toedienen, en degene die aldus gedoopt werd, moet niet herdoopt worden.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 67 a. 4 ad 3[t:iiia q. 67 a. 4 ad 3]
1e Weerlegging. Om welvoeglijkheidsgronden en om de plechtigheid komt het een priester toe het doopsel toe te dienen. Dit is echter voor het sacrament niet onontbeerlijk en, moest een leek zonder dat het noodzakelijk is dopen, dan zou hij weliswaar zondigen, maar niet te min zou hij het doopsel toedienen, en degene die aldus gedoopt werd, moet niet herdoopt worden.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 67 a. 4 ad 3[t:iiia q. 67 a. 4 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Die sacramentaliën van het doopsel, horen bij de plechtigheid, maar worden niet tot de geldigheid vereist. Daarom moet en mogen ze niet door een leek, maar alleen door een priester die het toekomt plechtig te dopen, volvoerd worden.
2e Weerlegging. Die sacramentaliën van het doopsel, horen bij de plechtigheid, maar worden niet tot de geldigheid vereist. Daarom moet en mogen ze niet door een leek, maar alleen door een priester die het toekomt plechtig te dopen, volvoerd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Zoals gezegd werd (65° Kw., 3° en 4° art.) is de biecht niet even onontbeerlijk als het doopsel. De absolutie van de priester kan immers in nood door het berouw vervangen worden en scheldt overigens niet alle straf kwijt; daarbij kan de absolutie voor kinderen niet gebruikt worden. Daarom valt dan ook de biecht niet met het doopsel, waarvan het uitwerksel door niets anders kan vervangen worden, gelijk te stellen.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
3e Weerlegging. Zoals gezegd werd (65° Kw., 3° en 4° art.) is de biecht niet even onontbeerlijk als het doopsel. De absolutie van de priester kan immers in nood door het berouw vervangen worden en scheldt overigens niet alle straf kwijt; daarbij kan de absolutie voor kinderen niet gebruikt worden. Daarom valt dan ook de biecht niet met het doopsel, waarvan het uitwerksel door niets anders kan vervangen worden, gelijk te stellen.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Mag een vrouw het doopsel toedienen?
IIIa q. 67 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat een vrouw het doopsel niet mag toedienen. In de kerkvergadering van Carthago (99° en 100° Can.) wordt gezegd: "Dat de vrouw hoe geleerd en hoe heilig ze ook weze, de mannen in de vergaderingen niet mag onderwijzen, en het niet mag op zich nemen ze te dopen." Zo is het dan ook aan een vrouw niet geoorloofd om het even op welke wijze het doopsel toe te dienen.
B: (1Cor 14:35) [b:1Cor 14:35]
Over het vierde als volgt. Men beweert dat een vrouw het doopsel niet mag toedienen. In de kerkvergadering van Carthago (99° en 100° Can.) wordt gezegd: "Dat de vrouw hoe geleerd en hoe heilig ze ook weze, de mannen in de vergaderingen niet mag onderwijzen, en het niet mag op zich nemen ze te dopen." Zo is het dan ook aan een vrouw niet geoorloofd om het even op welke wijze het doopsel toe te dienen.
B: (1Cor 14:35) [b:1Cor 14:35]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Het doopsel toedienen is het werk van een overste, en daarom moet men het doopsel van priesters, die ziellast hebben ontvangen. Vrouwen integendeel kan zulks niet toekomen; in de eerste Brief aan Timotheüs (2, 12) staat immers geschreven: "Aan de vrouw laat ik niet toe dat zij onderwijze, noch over de man heerse, maar ze moet zwijgen." Zo mag dus een vrouw niet het doopsel toedienen.
B: (1Tim 2:12) [b:1Tim 2:12]
Vervolgens. Het doopsel toedienen is het werk van een overste, en daarom moet men het doopsel van priesters, die ziellast hebben ontvangen. Vrouwen integendeel kan zulks niet toekomen; in de eerste Brief aan Timotheüs (2, 12) staat immers geschreven: "Aan de vrouw laat ik niet toe dat zij onderwijze, noch over de man heerse, maar ze moet zwijgen." Zo mag dus een vrouw niet het doopsel toedienen.
B: (1Tim 2:12) [b:1Tim 2:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Voor de geestelijke wedergeboorte is het doopsel hetzelfde als voor een kind de baarmoeder. Dit is toch hetgeen St. Augustinus bij de tekst: "kan de mens dan in de schoot van zijn moeder binnengaan en andermaal geboren worden?" aanstipt. Welnu, hij die doopt neemt veeleer het ambt van een vader waar, en dit past zeker niet voor een vrouw. Zo mag dus een vrouw niet het doopsel toedienen.
B: (John 3:4) [b:John 3:4]
Vervolgens. Voor de geestelijke wedergeboorte is het doopsel hetzelfde als voor een kind de baarmoeder. Dit is toch hetgeen St. Augustinus bij de tekst: "kan de mens dan in de schoot van zijn moeder binnengaan en andermaal geboren worden?" aanstipt. Welnu, hij die doopt neemt veeleer het ambt van een vader waar, en dit past zeker niet voor een vrouw. Zo mag dus een vrouw niet het doopsel toedienen.
B: (John 3:4) [b:John 3:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Paus Urbanus II in een brief aan een zekere Vitalis het volgende zegt: "Uw liefde heeft ons aangaande zeker geval geraadpleegd, daarop antwoorden we dat het doopsel wanneer het in een geval van dringende nood door een vrouw in naam der heilige Drievuldigheid wordt toegediend, geldig wordt toegediend."
Daartegenover staat echter, dat Paus Urbanus II in een brief aan een zekere Vitalis het volgende zegt: "Uw liefde heeft ons aangaande zeker geval geraadpleegd, daarop antwoorden we dat het doopsel wanneer het in een geval van dringende nood door een vrouw in naam der heilige Drievuldigheid wordt toegediend, geldig wordt toegediend."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 4 co.
Mijn antwoord. Blijkens wat Joannes in zijn Evangelie (1, 33) zegt: "Op wien gij de Geest zult zien nederdalen en boven hem zult zien rusten, die is het die in de heilige Geest doopt", is het vooral Christus die bij het doopsel werkzaam is. Welnu, in de Brief aan de Galaten (3, 28) zegt de Apostel: "In Christus Jezus bestaat geen onderscheid tussen man en vrouw." — Zoals dus een leek van het mannelijke geslacht als bedienaar van Christus het doopsel mag toedienen, zo mag het ook een vrouw. Daar echter zoals in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (11, 3) staat, het hoofd van de vrouw de man is, en het hoofd van de man Christus, zo past het dat wanneer er mannen aanwezig zijn een vrouw niet het doopsel toediene. Wanneer immers iemand uit de klerus aanwezig is, mag een leek het, en wanneer een priester aanwezig is, een lagere wijding evenmin. Een priester daarentegen, mag, daar het toch het ambt van een priester is te dopen, ook in het bijzijn van een bisschop dopen.
B: (John 1:33, John 1:33) [b:John 1:33] (Gal 3:28) [b:Gal 3:28] (Col 3) [b:Col 3]
Mijn antwoord. Blijkens wat Joannes in zijn Evangelie (1, 33) zegt: "Op wien gij de Geest zult zien nederdalen en boven hem zult zien rusten, die is het die in de heilige Geest doopt", is het vooral Christus die bij het doopsel werkzaam is. Welnu, in de Brief aan de Galaten (3, 28) zegt de Apostel: "In Christus Jezus bestaat geen onderscheid tussen man en vrouw." — Zoals dus een leek van het mannelijke geslacht als bedienaar van Christus het doopsel mag toedienen, zo mag het ook een vrouw. Daar echter zoals in de Eerste Brief aan de Korinthiërs (11, 3) staat, het hoofd van de vrouw de man is, en het hoofd van de man Christus, zo past het dat wanneer er mannen aanwezig zijn een vrouw niet het doopsel toediene. Wanneer immers iemand uit de klerus aanwezig is, mag een leek het, en wanneer een priester aanwezig is, een lagere wijding evenmin. Een priester daarentegen, mag, daar het toch het ambt van een priester is te dopen, ook in het bijzijn van een bisschop dopen.
B: (John 1:33, John 1:33) [b:John 1:33] (Gal 3:28) [b:Gal 3:28] (Col 3) [b:Col 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Alhoewel het een vrouw niet toegestaan wordt in het openbaar te onderwijzen, toch kan ze bij een privaat onderhoud iemand onderrichten of waarschuwen. Welnu, evenzo wordt haar niet toegestaan in het openbaar en met plechtigheid te dopen, maar niettemin mag ze in geval van nood het doopsel toedienen.
B: (1Cor 11:3) [b:1Cor 11:3]
1e Weerlegging. Alhoewel het een vrouw niet toegestaan wordt in het openbaar te onderwijzen, toch kan ze bij een privaat onderhoud iemand onderrichten of waarschuwen. Welnu, evenzo wordt haar niet toegestaan in het openbaar en met plechtigheid te dopen, maar niettemin mag ze in geval van nood het doopsel toedienen.
B: (1Cor 11:3) [b:1Cor 11:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Wanneer het doopsel zoals gewoonlijk gebeurt, plechtig gecelebreerd wordt, dan moet men het van een priester die zielelast draagt, of van iemand die hem vervangt, ontvangen. Wanneer er echter nood is, wordt zulks niet vereist en dan kan een vrouw het doopsel toedienen.
2e Weerlegging. Wanneer het doopsel zoals gewoonlijk gebeurt, plechtig gecelebreerd wordt, dan moet men het van een priester die zielelast draagt, of van iemand die hem vervangt, ontvangen. Wanneer er echter nood is, wordt zulks niet vereist en dan kan een vrouw het doopsel toedienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Bij de vleeselijke voortplanting werken man en vrouw overeenkomstig de kracht van elk van beider naturen samen, en daarom kan de vrouw bij de voortplanting geen werkend maar enkel een lijdend beginsel zijn. Bij de geestelijke voortplanting daarentegen, werkt geen van beiden uit eigen kracht, maar enkel als werktuig, door de kracht van Christus, namelijk. En daarom mogen in geval van nood man en vrouw op dezelfde manier dopen. Moest nu zonder noodzakelijkheid een vrouw het doopsel toedienen, dan zou, zoals we in het vorig artikel ook van de leken zeiden, die mens niet moeten herdoopt worden. Zij die doopt en al degenen die mee hielpen zouden echter, hetzij met van haar het doopsel te ontvangen, hetzij met iemand aan te bieden om hem door haar te laten dopen, zich aan zonden schuldig maken.
R: q. 67 a. 3 ad 1[t:iiia q. 67 a. 3 ad 1]
3e Weerlegging. Bij de vleeselijke voortplanting werken man en vrouw overeenkomstig de kracht van elk van beider naturen samen, en daarom kan de vrouw bij de voortplanting geen werkend maar enkel een lijdend beginsel zijn. Bij de geestelijke voortplanting daarentegen, werkt geen van beiden uit eigen kracht, maar enkel als werktuig, door de kracht van Christus, namelijk. En daarom mogen in geval van nood man en vrouw op dezelfde manier dopen. Moest nu zonder noodzakelijkheid een vrouw het doopsel toedienen, dan zou, zoals we in het vorig artikel ook van de leken zeiden, die mens niet moeten herdoopt worden. Zij die doopt en al degenen die mee hielpen zouden echter, hetzij met van haar het doopsel te ontvangen, hetzij met iemand aan te bieden om hem door haar te laten dopen, zich aan zonden schuldig maken.
R: q. 67 a. 3 ad 1[t:iiia q. 67 a. 3 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Mag een ongedoopte het doopsel toedienen?
IIIa q. 67 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat iemand die niet gedoopt is, het doopsel niet mag toedienen. Niemand geeft wat hij zelf niet heeft. Welnu, hij die niet gedoopt is heeft het doopsel niet, en kan het dus evenmin toedienen.
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat iemand die niet gedoopt is, het doopsel niet mag toedienen. Niemand geeft wat hij zelf niet heeft. Welnu, hij die niet gedoopt is heeft het doopsel niet, en kan het dus evenmin toedienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Het doopsel wordt door iemand alleen toegediend, voorzover hij in de heilige Kerk bedienaar is. Welnu, hij die niet gedoopt is behoort noch in werkelijkheid noch door het sacramentale leven tot de heilige Kerk en kan dus het doopsel niet toedienen.
Vervolgens. Het doopsel wordt door iemand alleen toegediend, voorzover hij in de heilige Kerk bedienaar is. Welnu, hij die niet gedoopt is behoort noch in werkelijkheid noch door het sacramentale leven tot de heilige Kerk en kan dus het doopsel niet toedienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Een sacrament toe te dienen, heeft heel wat meer te betekenen dan het te ontvangen. Welnu, een ongedoopte kan geen andere sacramenten ontvangen, en kan dus nog veel minder sacramenten toedienen.
Vervolgens. Een sacrament toe te dienen, heeft heel wat meer te betekenen dan het te ontvangen. Welnu, een ongedoopte kan geen andere sacramenten ontvangen, en kan dus nog veel minder sacramenten toedienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 5 s. c.
Daartegenover echter staat hetgeen Isidorus zegt: "De paus van Rome oordeelt dat het niet een mens is die doopt, maar dat de geest van God ook als een heiden het sacrament toedient, de genade van het doopsel verwekt." (Decreet. 4° Dist. Cap. Romanus.) Hij nu die gedoopt is, is geen heiden en zo mag ook een ongedoopte het sacrament van het doopsel toedienen.
Daartegenover echter staat hetgeen Isidorus zegt: "De paus van Rome oordeelt dat het niet een mens is die doopt, maar dat de geest van God ook als een heiden het sacrament toedient, de genade van het doopsel verwekt." (Decreet. 4° Dist. Cap. Romanus.) Hij nu die gedoopt is, is geen heiden en zo mag ook een ongedoopte het sacrament van het doopsel toedienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 5 co.
Mijn antwoord. Die kwestie heeft de H. Augustinus niet opgelost. In zijn boek "Tegen Parmenianus" (2, 13) zegt hij immers: "Iets heel anders is het te weten, of degenen die nooit Christen geweest zijn het doopsel mogen toedienen. Daarom zal men het niet aandurven dit zonder het gezag van een kerkvergadering, die alleen zo’n gewichtige zaak kan uitmaken, in te roepen, lichtvaardig bevestigen." Naderhand werd door de heilige Kerk bepaald dat niet gedoopten, zo heidenen als joden, als ze maar met die vorm die in de heilige kerk in gebruik is doopten, het sacrament van het doopsel kunnen toedienen. Op de volgende wijze antwoordde Paus Nicolaas de eerste op een vraag van de Bulgaren (Can. 104 Decreet. De Consecr. 4° Dist. 24 K. A quodam Judeao.) : "Gij zegt dat in uw vaderland veel mensen door een of andere van wien ge niet wist of hij heiden dan wel Christen was gedoopt werden, en ge vraagt me wat daarmee aangevangen. Als die mensen in de naam van de heilige Drievuldigheid gedoopt werden, dan moeten ze niet herdoopt worden; werd echter de vorm van de heilige Kerk niet in acht genomen, dan werd het sacrament van het doopsel niet eens toegediend." Zo valt dan te begrijpen dat Gregorius de tweede aan Bisschop Bonifacius schreef: "We bevelen, diegenen die zonder de vorm der heilige Kerk door heidenen gedoopt werden in naam der H. Drievuldigheid te herdopen." De reden daarvan is dat het, evenzeer als het voldoende is wat de stof betreft water te gebruiken, wat de bedienaar van het doopsel betreft, voldoende is dat deze een mens zij. Zo mag dus een ongedoopte in nood het doopsel toedienen. Wanneer nu twee ongedoopten elkaar zouden dopen, en een eerst zou dopen en daarna zelf van de andere het doopsel ontvangen, dan zouden beiden geldig gedoopt zijn, en niet alleen het sacrament maar ook het uitwerksel van het sacrament ontvangen. Moesten ze echter, wanneer geen nood dwingt aldus handelen, dan zouden beiden, de doper en de doopling dodelijk zondigen, en zo zou, alhoewel het sacrament zelf zou blijven bestaan, het uitwerksel van het doopsel verhinderd worden.
Mijn antwoord. Die kwestie heeft de H. Augustinus niet opgelost. In zijn boek "Tegen Parmenianus" (2, 13) zegt hij immers: "Iets heel anders is het te weten, of degenen die nooit Christen geweest zijn het doopsel mogen toedienen. Daarom zal men het niet aandurven dit zonder het gezag van een kerkvergadering, die alleen zo’n gewichtige zaak kan uitmaken, in te roepen, lichtvaardig bevestigen." Naderhand werd door de heilige Kerk bepaald dat niet gedoopten, zo heidenen als joden, als ze maar met die vorm die in de heilige kerk in gebruik is doopten, het sacrament van het doopsel kunnen toedienen. Op de volgende wijze antwoordde Paus Nicolaas de eerste op een vraag van de Bulgaren (Can. 104 Decreet. De Consecr. 4° Dist. 24 K. A quodam Judeao.) : "Gij zegt dat in uw vaderland veel mensen door een of andere van wien ge niet wist of hij heiden dan wel Christen was gedoopt werden, en ge vraagt me wat daarmee aangevangen. Als die mensen in de naam van de heilige Drievuldigheid gedoopt werden, dan moeten ze niet herdoopt worden; werd echter de vorm van de heilige Kerk niet in acht genomen, dan werd het sacrament van het doopsel niet eens toegediend." Zo valt dan te begrijpen dat Gregorius de tweede aan Bisschop Bonifacius schreef: "We bevelen, diegenen die zonder de vorm der heilige Kerk door heidenen gedoopt werden in naam der H. Drievuldigheid te herdopen." De reden daarvan is dat het, evenzeer als het voldoende is wat de stof betreft water te gebruiken, wat de bedienaar van het doopsel betreft, voldoende is dat deze een mens zij. Zo mag dus een ongedoopte in nood het doopsel toedienen. Wanneer nu twee ongedoopten elkaar zouden dopen, en een eerst zou dopen en daarna zelf van de andere het doopsel ontvangen, dan zouden beiden geldig gedoopt zijn, en niet alleen het sacrament maar ook het uitwerksel van het sacrament ontvangen. Moesten ze echter, wanneer geen nood dwingt aldus handelen, dan zouden beiden, de doper en de doopling dodelijk zondigen, en zo zou, alhoewel het sacrament zelf zou blijven bestaan, het uitwerksel van het doopsel verhinderd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De mens, die doopt, neemt enkel een uiterlijke bediening waar. Christus is het immers die innerlijk doopt, en daartoe kan Hij naar goeddunken alle mensen gebruiken. Zo kunnen dus ook ongedoopten dopen, paus Nicolaas zegt toch: "Het doopsel dat ze toedienen, behoort niet hen, maar Christus toe."
1e Weerlegging. De mens, die doopt, neemt enkel een uiterlijke bediening waar. Christus is het immers die innerlijk doopt, en daartoe kan Hij naar goeddunken alle mensen gebruiken. Zo kunnen dus ook ongedoopten dopen, paus Nicolaas zegt toch: "Het doopsel dat ze toedienen, behoort niet hen, maar Christus toe."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Alhoewel hij die niet gedoopt is noch op werkelijke, noch op sacramentale wijze tot de heilige Kerk behoort, kan hij nochtans, wanneer hij namelijk het opzet heeft te doen wat de heilige Kerk doet, en de vorm die in de heilige Kerk in zwang is, bij het doopsel nakomt, door zijn opzet en door de aangepastheid van zijn daad, lid zijn van de heilige Kerk. Op die wijze dan zal hij als bedienaar van Christus, die zijn macht evenmin als aan de sacramenten aan de gedoopten aanbond, handelen.
2e Weerlegging. Alhoewel hij die niet gedoopt is noch op werkelijke, noch op sacramentale wijze tot de heilige Kerk behoort, kan hij nochtans, wanneer hij namelijk het opzet heeft te doen wat de heilige Kerk doet, en de vorm die in de heilige Kerk in zwang is, bij het doopsel nakomt, door zijn opzet en door de aangepastheid van zijn daad, lid zijn van de heilige Kerk. Op die wijze dan zal hij als bedienaar van Christus, die zijn macht evenmin als aan de sacramenten aan de gedoopten aanbond, handelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. De andere sacramenten zijn niet even onontbeerlijk als het doopsel, en daarom wordt veeleer toegestaan dat een ongedoopte zou dopen, dan dat hij de andere sacramenten zou mogen ontvangen.
3e Weerlegging. De andere sacramenten zijn niet even onontbeerlijk als het doopsel, en daarom wordt veeleer toegestaan dat een ongedoopte zou dopen, dan dat hij de andere sacramenten zou mogen ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Kunnen verschillende mensen samen een en dezelfde mens dopen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 82 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 82 a. 2 arg. 1]
IIIa q. 67 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat verschillende mensen samen een en dezelfde mens kunnen dopen. De enkeling maakt deel uit van de gemeenschap en niet andersom, daarom kunnen verschillende mensen samen doen wat een enkeling alleen verricht, en niet andersom. Zo bijvoorbeeld kunnen velen samen een schip voortslepen, wat één niet kan. Daar nu een mens kan alleen dopen, kunnen ook verschillende mensen samen een en dezelfde mens dopen.
IIIa q. 82 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 82 a. 2 arg. 1]
IIIa q. 67 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat verschillende mensen samen een en dezelfde mens kunnen dopen. De enkeling maakt deel uit van de gemeenschap en niet andersom, daarom kunnen verschillende mensen samen doen wat een enkeling alleen verricht, en niet andersom. Zo bijvoorbeeld kunnen velen samen een schip voortslepen, wat één niet kan. Daar nu een mens kan alleen dopen, kunnen ook verschillende mensen samen een en dezelfde mens dopen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Het gaat moeilijker aan voor een en dezelfde bewerkende oorzaak op verschillende zaken invloed uit te oefenen, dan wel voor verschillende bewerkende oorzaken op eenzelfde gegeven in te werken. Welnu, daar een mens alleen verschillende mensen kan dopen, zo kunnen des te gemakkelijker verschillende mensen samen een en dezelfde mens dopen.
Vervolgens. Het gaat moeilijker aan voor een en dezelfde bewerkende oorzaak op verschillende zaken invloed uit te oefenen, dan wel voor verschillende bewerkende oorzaken op eenzelfde gegeven in te werken. Welnu, daar een mens alleen verschillende mensen kan dopen, zo kunnen des te gemakkelijker verschillende mensen samen een en dezelfde mens dopen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Het doopsel is een alleronontbeerlijkste sacrament. In sommige gevallen nu, kan het nodig zijn, dat verschillenden samen, een en dezelfde mens dopen; moesten bijvoorbeeld bij een klein kind dat in stervensnood verkeert, twee mensen aanwezig zijn, van wie de ene stom is en de andere armen noch benen heeft, dan zou terwijl de andere het water uitstort, de gebrekkige moeten de woorden uitspreken. Zo kunnen dus verschillende mensen samen een en dezelfde mens dopen.
Vervolgens. Het doopsel is een alleronontbeerlijkste sacrament. In sommige gevallen nu, kan het nodig zijn, dat verschillenden samen, een en dezelfde mens dopen; moesten bijvoorbeeld bij een klein kind dat in stervensnood verkeert, twee mensen aanwezig zijn, van wie de ene stom is en de andere armen noch benen heeft, dan zou terwijl de andere het water uitstort, de gebrekkige moeten de woorden uitspreken. Zo kunnen dus verschillende mensen samen een en dezelfde mens dopen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat waar een bewerkende oorzaak optreedt ook een daad voor handen is. Moesten dus verschillende samen een en hetzelfde doopsel toedienen, dan zouden er verschillende doopsel zijn; dat nu is in strijd met wat in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5) staat: "Eén geloof, één doopsel."
B: (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
Daartegenover staat echter, dat waar een bewerkende oorzaak optreedt ook een daad voor handen is. Moesten dus verschillende samen een en hetzelfde doopsel toedienen, dan zouden er verschillende doopsel zijn; dat nu is in strijd met wat in de Brief aan de Ephesiërs (4, 5) staat: "Eén geloof, één doopsel."
B: (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 6 co.
Mijn antwoord. Het sacrament van het doopsel betrekt zijn kracht vooral van de vorm, die de apostel in de Brief aan de Ephesiërs (5, 26): "Een levens-woord." noemt. Zo valt er dus na te gaan, welke vorm men zou gebruiken, indien verschillende mensen samen, een en hetzelfde doopsel toedienen. Moesten ze immers zeggen: wij dopen in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, dan zou naar sommigen zeggen het doopsel ongeldig zijn; dan zou men namelijk de vorm van de heilige kerk die aldus luidt : "Ik doop u in de naam des Vaders, des Zoons en des heiligen Geestes", niet meer gebruiken. Wanneer we echter nagaan welke vorm in de Grieksche kerk in gebruik is, dan gaat dit bezwaar niet op; men zou immers zoals de Grieken kunnen zeggen : "Laat de dienaar van Christus gedoopt worden in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes", wat nochtans meer van de gebruikelijke vorm verschilt dan : "Wij dopen u". We moeten er echter op wijzen dat de vorm : "Wij dopen u" het opzet met velen tot een en hetzelfde doopsel samen te werken te kennen geeft. Dit nu is in strijd met de bediening van het doopsel. De mens doopt namelijk enkel als bedienaar van Christus en in zijn plaats. Zoals er dus maar één Christus is, zo ook mag er maar één bedienaar zijn die Christus verbeeldt. Daarom zegt de Apostel uitdrukkelijk in zijn Brief aan de Ephesiërs (4, 5) : "Eén Heer, één geloof, één doopsel." en zo zou het tegenovergestelde opzet, de geldigheid van het sacrament in de weg staan. Moesten verder allebei zeggen "Ik doop u in de naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes", en allebei hun opzet individueel het doopsel toe te dienen, te kennen geven, het zou immers kunnen dat bij een twist elk van beide iemand zou trachten te dopen, dan is het duidelijk dat degene die het eerste de woorden zou uitspreken het sacrament van het doopsel zou toedienen, de andere daarentegen zou, alhoewel hij het recht zou hebben te dopen, niets doen en moest hij het aandurven de woorden uit te spreken, dan zou hij als wederdoper moeten gestraft worden. Moesten ze eindelijk beide juist terzelfder tijd de woorden uitspreken en eenzelfde mens in het water dompelen of besproeien, dan zouden ze, daar ze het doopsel op ongeregelde wijze zouden hebben toegediend en niet wegens wederdoop dienen gestraft te worden; beide toch zouden het opzet gehad hebben een ongedoopte te dopen en in de mate van het mogelijke zouden ook beide gedoopt hebben. Ook zouden ze niet twee sacramenten hebben toegediend maar Christus die een is en innerlijk doopt zou door beide bediening een sacrament hebben toegediend.
B: (Eph 5:26) [b:Eph 5:26]
Mijn antwoord. Het sacrament van het doopsel betrekt zijn kracht vooral van de vorm, die de apostel in de Brief aan de Ephesiërs (5, 26): "Een levens-woord." noemt. Zo valt er dus na te gaan, welke vorm men zou gebruiken, indien verschillende mensen samen, een en hetzelfde doopsel toedienen. Moesten ze immers zeggen: wij dopen in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, dan zou naar sommigen zeggen het doopsel ongeldig zijn; dan zou men namelijk de vorm van de heilige kerk die aldus luidt : "Ik doop u in de naam des Vaders, des Zoons en des heiligen Geestes", niet meer gebruiken. Wanneer we echter nagaan welke vorm in de Grieksche kerk in gebruik is, dan gaat dit bezwaar niet op; men zou immers zoals de Grieken kunnen zeggen : "Laat de dienaar van Christus gedoopt worden in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes", wat nochtans meer van de gebruikelijke vorm verschilt dan : "Wij dopen u". We moeten er echter op wijzen dat de vorm : "Wij dopen u" het opzet met velen tot een en hetzelfde doopsel samen te werken te kennen geeft. Dit nu is in strijd met de bediening van het doopsel. De mens doopt namelijk enkel als bedienaar van Christus en in zijn plaats. Zoals er dus maar één Christus is, zo ook mag er maar één bedienaar zijn die Christus verbeeldt. Daarom zegt de Apostel uitdrukkelijk in zijn Brief aan de Ephesiërs (4, 5) : "Eén Heer, één geloof, één doopsel." en zo zou het tegenovergestelde opzet, de geldigheid van het sacrament in de weg staan. Moesten verder allebei zeggen "Ik doop u in de naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes", en allebei hun opzet individueel het doopsel toe te dienen, te kennen geven, het zou immers kunnen dat bij een twist elk van beide iemand zou trachten te dopen, dan is het duidelijk dat degene die het eerste de woorden zou uitspreken het sacrament van het doopsel zou toedienen, de andere daarentegen zou, alhoewel hij het recht zou hebben te dopen, niets doen en moest hij het aandurven de woorden uit te spreken, dan zou hij als wederdoper moeten gestraft worden. Moesten ze eindelijk beide juist terzelfder tijd de woorden uitspreken en eenzelfde mens in het water dompelen of besproeien, dan zouden ze, daar ze het doopsel op ongeregelde wijze zouden hebben toegediend en niet wegens wederdoop dienen gestraft te worden; beide toch zouden het opzet gehad hebben een ongedoopte te dopen en in de mate van het mogelijke zouden ook beide gedoopt hebben. Ook zouden ze niet twee sacramenten hebben toegediend maar Christus die een is en innerlijk doopt zou door beide bediening een sacrament hebben toegediend.
B: (Eph 5:26) [b:Eph 5:26]
Referenties naar deze alinea: 1
Responsum ad dubium: over de geldigheid van de doop onder gebruikmaking van de formule "Wij dopen u in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest." ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Voor mensen die uit eigen kracht handelen kan die reden gelden. Nu dopen echter de mensen niet uit eigen kracht maar door de kracht van Christus die, omdat hij eeuwig is, door een enkele bedienaar zijn werk voltrekt.
B: (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
1e Weerlegging. Voor mensen die uit eigen kracht handelen kan die reden gelden. Nu dopen echter de mensen niet uit eigen kracht maar door de kracht van Christus die, omdat hij eeuwig is, door een enkele bedienaar zijn werk voltrekt.
B: (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Wanneer de nood dringt mag een mens verschillende mensen dopen met deze vorm: "Ik doop u lieden" zo bijvoorbeeld wanneer een ongeluk dreigt of doodsgevaar of iets dergelijks dat geen tijd overlaat om allen afzonderlijk te dopen voor handen is. Daardoor wordt echter de vorm van de H. Kerk niet gewijzigd; dit meervoud is immers enkel een herhaald enkelvoud, vooral daar ook bij Mattheus (28, 19) het meervoud gebruikt wordt: "Ze dopende... enz." Nu geldt echter voor de doper en de dopeling niet dezelfde reden; Christus toch die als hoofdbedienaar het doopsel toedient is enig, maar door het doopsel worden in de enige Christus velen verenigd.
2e Weerlegging. Wanneer de nood dringt mag een mens verschillende mensen dopen met deze vorm: "Ik doop u lieden" zo bijvoorbeeld wanneer een ongeluk dreigt of doodsgevaar of iets dergelijks dat geen tijd overlaat om allen afzonderlijk te dopen voor handen is. Daardoor wordt echter de vorm van de H. Kerk niet gewijzigd; dit meervoud is immers enkel een herhaald enkelvoud, vooral daar ook bij Mattheus (28, 19) het meervoud gebruikt wordt: "Ze dopende... enz." Nu geldt echter voor de doper en de dopeling niet dezelfde reden; Christus toch die als hoofdbedienaar het doopsel toedient is enig, maar door het doopsel worden in de enige Christus velen verenigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Zoals hierboven gezegd werd (66° Kw., 3° en 4° art.) bestaat de volkomenheid van het doopsel in de vorm van de woorden en in het gebruik van de stof. Daarom doopt noch hij die alleen de woorden uitspreekt, noch hij die de doopling onderdompelt. Wanneer bijgevolg de ene de woorden uitspreekt en de andere de doopling in het water dompelt, kan er geen enkele vorm voor de geldigheid van het doopsel voldoende zijn. Dan gaat het namelijk niet aan te zeggen: "Ik doop u" — hij toch die de woorden uitspreekt dompelt niet in, — en zo doopt hij ook niet. Het gaat evenmin aan te zeggen: "Wij dopen u", daar geen van beiden doopt. Gesteld immers, er zijn twee mensen, de ene schrijft een deel van een boek en de andere een ander deel, dan is het niet juist te zeggen: "Wij hebben dit boek geschreven", maar daar dan het geheel voor een deel ervan genomen wordt is dit een oneigenlijke uitdrukking.
R: q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1]
3e Weerlegging. Zoals hierboven gezegd werd (66° Kw., 3° en 4° art.) bestaat de volkomenheid van het doopsel in de vorm van de woorden en in het gebruik van de stof. Daarom doopt noch hij die alleen de woorden uitspreekt, noch hij die de doopling onderdompelt. Wanneer bijgevolg de ene de woorden uitspreekt en de andere de doopling in het water dompelt, kan er geen enkele vorm voor de geldigheid van het doopsel voldoende zijn. Dan gaat het namelijk niet aan te zeggen: "Ik doop u" — hij toch die de woorden uitspreekt dompelt niet in, — en zo doopt hij ook niet. Het gaat evenmin aan te zeggen: "Wij dopen u", daar geen van beiden doopt. Gesteld immers, er zijn twee mensen, de ene schrijft een deel van een boek en de andere een ander deel, dan is het niet juist te zeggen: "Wij hebben dit boek geschreven", maar daar dan het geheel voor een deel ervan genomen wordt is dit een oneigenlijke uitdrukking.
R: q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Wordt er vereist dat iemand de gedoopte zou uit de gewijde vont opnemen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 67 a. 8 co.[t:iiia q. 67 a. 8 co.]
IIIa q. 67 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat niet vereist wordt dat bij het doopsel iemand de gedoopte uit de gewijde font zou opnemen. Ons doopsel wordt door het doopsel van Christus geheiligd en is er gelijkvormig aan. Welnu, Christus werd door niemand uit het water opgenomen, maar zoals bij *Mattheus* (3, 16) gezegd wordt: "kwam Christus wanneer hij gedoopt was uit het water". Zo is het dus evenmin nodig dat er bij de andere doopsel iemand weze om de gedoopte uit de gewijde font op te nemen.
B: (Matt 3:16) [b:Matt 3:16]
IIIa q. 67 a. 8 co.[t:iiia q. 67 a. 8 co.]
IIIa q. 67 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat niet vereist wordt dat bij het doopsel iemand de gedoopte uit de gewijde font zou opnemen. Ons doopsel wordt door het doopsel van Christus geheiligd en is er gelijkvormig aan. Welnu, Christus werd door niemand uit het water opgenomen, maar zoals bij *Mattheus* (3, 16) gezegd wordt: "kwam Christus wanneer hij gedoopt was uit het water". Zo is het dus evenmin nodig dat er bij de andere doopsel iemand weze om de gedoopte uit de gewijde font op te nemen.
B: (Matt 3:16) [b:Matt 3:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Het doopsel is, zoals gezegd werd (3° art. dezer Kw.) een geestelijke wedergeboorte. Bij de lichamelijke voortplanting nu worden enkel een bedrijvig en lijdend beginsel, een vader en een moeder bijvoorbeeld vereist. Daar dus overeenkomstig wat St. Augustinus zegt (1° Zondag onder de oletaaf van Driekoningen) bij het doopsel degene die doopt de vader, en het water de moeder vervangt, zo blijkt ten volle dat er niemand vereist wordt om de doopling uit de gewijde font op te nemen.
R: q. 67 a. 3[t:iiia q. 67 a. 3]
Vervolgens. Het doopsel is, zoals gezegd werd (3° art. dezer Kw.) een geestelijke wedergeboorte. Bij de lichamelijke voortplanting nu worden enkel een bedrijvig en lijdend beginsel, een vader en een moeder bijvoorbeeld vereist. Daar dus overeenkomstig wat St. Augustinus zegt (1° Zondag onder de oletaaf van Driekoningen) bij het doopsel degene die doopt de vader, en het water de moeder vervangt, zo blijkt ten volle dat er niemand vereist wordt om de doopling uit de gewijde font op te nemen.
R: q. 67 a. 3[t:iiia q. 67 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 7 arg. 3
Vervolgens. In de sacramenten der heilige kerk mag niets tot lachen aanzetten. Welnu het zou belachelijk aandoen als volwassen dopelingen die zichzelf kunnen verhelpen en alleen uit de gewijde font stappen er door anderen werden uitgenomen. Zo wordt dus vooral bij het doopsel van volwassenen niet vereist dat iemand de gedoopte zou uit de gewijde font opnemen.
Vervolgens. In de sacramenten der heilige kerk mag niets tot lachen aanzetten. Welnu het zou belachelijk aandoen als volwassen dopelingen die zichzelf kunnen verhelpen en alleen uit de gewijde font stappen er door anderen werden uitgenomen. Zo wordt dus vooral bij het doopsel van volwassenen niet vereist dat iemand de gedoopte zou uit de gewijde font opnemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter wat Dionysius in zijn Boek: "De kerkelijke Hierarchie" zegt (2 k.) : "De priesters die de gedoopte aannemen dragen iemand op hem te onderrichten en te leiden."
Daartegenover staat echter wat Dionysius in zijn Boek: "De kerkelijke Hierarchie" zegt (2 k.) : "De priesters die de gedoopte aannemen dragen iemand op hem te onderrichten en te leiden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 7 co.
Mijn antwoord. De geestelijke wedergeboorte die bij het doopsel plaats grijpt mag enigszins bij de vleselijke voortplanting vergeleken worden. Daarom zegt de H. Petrus in zijn eerste Brief (2, 2) : "Verlangt als pasgeboren kindertjes naar geestelijke onvervalste melk." — Welnu, bij de opvoeding van het lichaam behoren een voedster en een leermeester. Zo wordt er ook bij de geestelijke wedergeboorte in het doopsel vereist dat iemand als voedster en leermeester optreedt om de nieuwgedoopte als nieuweling in het geloof, aangaande alles wat tot het geloof en het christelijk leven behoort, te onderrichten en op te voeden. Daarmee nu kunnen de prelaten van de heilige kerk die het met de algemene zorg voor het hele volk al vrij druk hebben zich niet inlaten; kinderen en nieuwelingen hebben immers behalve de algemene nog bijzondere zorgen nodig en daarom wordt vereist dat iemand de gedoopte uit de doopvont zou opnemen om hem te onderrichten en te beschermen. Dit is het overigens wat Dionysius in zijn Boek "De kerkelijke Hierarchie" zegt (7e cap.) : "De apostelen, onze leiders waren de gedachten en de mening toegedaan dat het paste de kinderen op te nemen, dat namelijk de natuurlijke ouders van het kind dit aan iemand dienden toe te vertrouwen die de godsdienst kent, en onder wiens leiding het als onder de hoede van een goddelijke vader die het bij zijn vrome zaligmaking zou ondersteunen, zou worden opgevoed."
B: (1Pet 2:2) [b:1Pet 2:2]
Mijn antwoord. De geestelijke wedergeboorte die bij het doopsel plaats grijpt mag enigszins bij de vleselijke voortplanting vergeleken worden. Daarom zegt de H. Petrus in zijn eerste Brief (2, 2) : "Verlangt als pasgeboren kindertjes naar geestelijke onvervalste melk." — Welnu, bij de opvoeding van het lichaam behoren een voedster en een leermeester. Zo wordt er ook bij de geestelijke wedergeboorte in het doopsel vereist dat iemand als voedster en leermeester optreedt om de nieuwgedoopte als nieuweling in het geloof, aangaande alles wat tot het geloof en het christelijk leven behoort, te onderrichten en op te voeden. Daarmee nu kunnen de prelaten van de heilige kerk die het met de algemene zorg voor het hele volk al vrij druk hebben zich niet inlaten; kinderen en nieuwelingen hebben immers behalve de algemene nog bijzondere zorgen nodig en daarom wordt vereist dat iemand de gedoopte uit de doopvont zou opnemen om hem te onderrichten en te beschermen. Dit is het overigens wat Dionysius in zijn Boek "De kerkelijke Hierarchie" zegt (7e cap.) : "De apostelen, onze leiders waren de gedachten en de mening toegedaan dat het paste de kinderen op te nemen, dat namelijk de natuurlijke ouders van het kind dit aan iemand dienden toe te vertrouwen die de godsdienst kent, en onder wiens leiding het als onder de hoede van een goddelijke vader die het bij zijn vrome zaligmaking zou ondersteunen, zou worden opgevoed."
B: (1Pet 2:2) [b:1Pet 2:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Christus werd niet gedoopt om zelf te worden wedergeboren, maar om anderen te doen wedergeboren worden. Daarom had hij ook na het doopsel zoals kinderen een opvoeder van doen.
1e Weerlegging. Christus werd niet gedoopt om zelf te worden wedergeboren, maar om anderen te doen wedergeboren worden. Daarom had hij ook na het doopsel zoals kinderen een opvoeder van doen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Bij de lichamelijke voortplanting worden strikt gesproken enkel een vader en een moeder vereist; opdat echter baren gemakkelijk zou plaatsvinden en de opvoeding van het kind naar behoren zou geschieden, worden ook een vroedvrouw, een voedster en een opvoeder gewenst. En de taak van dezen is het die hij, die het kind uit de gewijde font opneemt, waarneemt. Zo wordt deze dus niet tot de geldigheid vereist en mag iemand in geval van nood ook alleen dopen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 67 a. 8 ad 1[t:iiia q. 67 a. 8 ad 1]
2e Weerlegging. Bij de lichamelijke voortplanting worden strikt gesproken enkel een vader en een moeder vereist; opdat echter baren gemakkelijk zou plaatsvinden en de opvoeding van het kind naar behoren zou geschieden, worden ook een vroedvrouw, een voedster en een opvoeder gewenst. En de taak van dezen is het die hij, die het kind uit de gewijde font opneemt, waarneemt. Zo wordt deze dus niet tot de geldigheid vereist en mag iemand in geval van nood ook alleen dopen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 67 a. 8 ad 1[t:iiia q. 67 a. 8 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. De gedoopte wordt niet om reden van lichamelijke zwakheid door zijn peter uit de gewijde vond opgenomen, maar wel zoals hierboven in de leerstelling werd aangetoond, om reden van zijn geestelijke zwakheid.
3e Weerlegging. De gedoopte wordt niet om reden van lichamelijke zwakheid door zijn peter uit de gewijde vond opgenomen, maar wel zoals hierboven in de leerstelling werd aangetoond, om reden van zijn geestelijke zwakheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Zijn peter en meter verplicht degene die zij uit de gewijde vont opgenomen hebben te onderwijzen?
IIIa q. 67 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert dat iemand die een doopling uit de gewijde font opneemt niet verplicht is hem te onderwijzen. Niemand kan zonder zelf geletterd te zijn onderwijzen. Welnu, ook ongeletterde en eenvoudige lieden mogen iemand uit de gewijde font opnemen. Dus is hij die de gedoopte opneemt niet verplicht hem te onderwijzen.
Over het achtste als volgt. Men beweert dat iemand die een doopling uit de gewijde font opneemt niet verplicht is hem te onderwijzen. Niemand kan zonder zelf geletterd te zijn onderwijzen. Welnu, ook ongeletterde en eenvoudige lieden mogen iemand uit de gewijde font opnemen. Dus is hij die de gedoopte opneemt niet verplicht hem te onderwijzen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Een kind behoort eerder door zijn vader dan door een vreemdeling te worden onderwezen; zoals immers de Wijsgeer in Ethica (8, 12) zegt, krijgt het kind van zijn vader het aanschijn, het voedsel en de opvoeding. Indien nu degene die de gedoopte opneemt verplicht was hem te onderwijzen, dan zou het meer passen dat de vader naar het vlees zijn zoon uit de fontein opneemt dan wel iemand anders. Dit wordt echter, zoals in de Decretaliën te lezen staat (30, 1, 1) : "Pervenit et Dictum est" door het kerkelijk recht verboden.
Vervolgens. Een kind behoort eerder door zijn vader dan door een vreemdeling te worden onderwezen; zoals immers de Wijsgeer in Ethica (8, 12) zegt, krijgt het kind van zijn vader het aanschijn, het voedsel en de opvoeding. Indien nu degene die de gedoopte opneemt verplicht was hem te onderwijzen, dan zou het meer passen dat de vader naar het vlees zijn zoon uit de fontein opneemt dan wel iemand anders. Dit wordt echter, zoals in de Decretaliën te lezen staat (30, 1, 1) : "Pervenit et Dictum est" door het kerkelijk recht verboden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Verschillende mensen kunnen beter samen iemand onderwijzen dan iemand alleen. Wanneer men nu verplicht was de gedoopte die men heeft opgenomen ook te onderrichten, dan zou het beter zijn met verschillenden dan wel iemand op te nemen. In de Decretaliën van paus Leo (De Consecr., 4, 101) wordt echter het tegendeel gezegd: "Er mag maar één man of één vrouw zijn om iemand na het doopsel op te nemen."
Vervolgens. Verschillende mensen kunnen beter samen iemand onderwijzen dan iemand alleen. Wanneer men nu verplicht was de gedoopte die men heeft opgenomen ook te onderrichten, dan zou het beter zijn met verschillenden dan wel iemand op te nemen. In de Decretaliën van paus Leo (De Consecr., 4, 101) wordt echter het tegendeel gezegd: "Er mag maar één man of één vrouw zijn om iemand na het doopsel op te nemen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter wat Augustinus in een Sermoen over Paschen (VIII Beloken Paschen) zegt: "Ik herinner u er aan mannen of vrouwen die kinderen na het doopsel hebt opgenomen, dat je moet weten dat je bij God voor degenen die je uit de gewijde font hebt opgenomen verantwoordelijk bent."
Daartegenover staat echter wat Augustinus in een Sermoen over Paschen (VIII Beloken Paschen) zegt: "Ik herinner u er aan mannen of vrouwen die kinderen na het doopsel hebt opgenomen, dat je moet weten dat je bij God voor degenen die je uit de gewijde font hebt opgenomen verantwoordelijk bent."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 8 co.
Mijn antwoord. Eenieder is verplicht het ambt dat hij op zich genomen heeft waar te nemen. Welnu, we hebben gezegd dat degene die iemand uit de gewijde fontein opneemt de taak van opvoeder op zich laadt. Daarom is hij dan verplicht in geval van nood, zo bijvoorbeeld op die plaatsen en in die tijden waar de gedoopten onder de heidenen worden opgevoed voor zijn doopkind zorg te dragen. Worden ze integendeel onder katholieke christenen opgevoed, dan dienen ze niet zozeer die plicht in acht te nemen; dan mag immers verondersteld dat de ouders ijverig zullen hun kinderen met de waarheden van het geloof vertrouwd maken. Moesten ze echter om het even hoe het tegendeel ervaren, dan zouden ze in de mate van het mogelijke de zaligheid van hun geestelijke kinderen moeten bewerken.
R: q. 67 a. 7[t:iiia q. 67 a. 7]
Mijn antwoord. Eenieder is verplicht het ambt dat hij op zich genomen heeft waar te nemen. Welnu, we hebben gezegd dat degene die iemand uit de gewijde fontein opneemt de taak van opvoeder op zich laadt. Daarom is hij dan verplicht in geval van nood, zo bijvoorbeeld op die plaatsen en in die tijden waar de gedoopten onder de heidenen worden opgevoed voor zijn doopkind zorg te dragen. Worden ze integendeel onder katholieke christenen opgevoed, dan dienen ze niet zozeer die plicht in acht te nemen; dan mag immers verondersteld dat de ouders ijverig zullen hun kinderen met de waarheden van het geloof vertrouwd maken. Moesten ze echter om het even hoe het tegendeel ervaren, dan zouden ze in de mate van het mogelijke de zaligheid van hun geestelijke kinderen moeten bewerken.
R: q. 67 a. 7[t:iiia q. 67 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Daar waar voor het geloof gevaar dreigt zou degene die de gedoopte uit de gewijde font opneemt zoals Dionysius zegt (Kerk. Hier. 7), in de goddelijke wetenschappen moeten beslagen zijn. In streken echter waar, omdat de kinderen onder de katholieken opgevoed worden geen gevaar voor handen is wordt gelijk wie aangenomen om dit ambt waar te nemen; daar is immers alles wat tot het christelijk leven en tot het geloof behoort door allen openbaar gekend. Alleen mag, zoals in de kerkvergadering van Mainz verklaard werd, hij die niet gedoopt is de doopling niet opnemen. Dopen daarentegen mag een ongedoopte wel. De persoon die doopt toch is voor de geldigheid van het doopsel volstrekt onontbeerlijk, hij die integendeel opneemt is, zoals gezegd werd (in het vorig art. antw. op de 2° Bed.) niet vandoen.
R: q. 67 a. 7 ad 2[t:iiia q. 67 a. 7 ad 2]
1e Weerlegging. Daar waar voor het geloof gevaar dreigt zou degene die de gedoopte uit de gewijde font opneemt zoals Dionysius zegt (Kerk. Hier. 7), in de goddelijke wetenschappen moeten beslagen zijn. In streken echter waar, omdat de kinderen onder de katholieken opgevoed worden geen gevaar voor handen is wordt gelijk wie aangenomen om dit ambt waar te nemen; daar is immers alles wat tot het christelijk leven en tot het geloof behoort door allen openbaar gekend. Alleen mag, zoals in de kerkvergadering van Mainz verklaard werd, hij die niet gedoopt is de doopling niet opnemen. Dopen daarentegen mag een ongedoopte wel. De persoon die doopt toch is voor de geldigheid van het doopsel volstrekt onontbeerlijk, hij die integendeel opneemt is, zoals gezegd werd (in het vorig art. antw. op de 2° Bed.) niet vandoen.
R: q. 67 a. 7 ad 2[t:iiia q. 67 a. 7 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Zoals de geestelijke voortplanting van de lichamelijke verschilt, zo ook verschilt de geestelijke opvoeding van die van het lichaam; in de Brief aan de Hebreërs (12, 9) staat immers: "Voorts hebben de vaders van ons vlees ons gekastijd en wij hebben hen ontzien: zullen wij dan niet veel liever onderworpen zijn aan de Vader der geesten om in het leven te blijven." Daarom dan moet de geestelijke vader, behalve wanneer dringende noodzakelijkheid het anders vergt, een ander zijn dan die van het vlees.
B: (Heb 12:9) [b:Heb 12:9]
2e Weerlegging. Zoals de geestelijke voortplanting van de lichamelijke verschilt, zo ook verschilt de geestelijke opvoeding van die van het lichaam; in de Brief aan de Hebreërs (12, 9) staat immers: "Voorts hebben de vaders van ons vlees ons gekastijd en wij hebben hen ontzien: zullen wij dan niet veel liever onderworpen zijn aan de Vader der geesten om in het leven te blijven." Daarom dan moet de geestelijke vader, behalve wanneer dringende noodzakelijkheid het anders vergt, een ander zijn dan die van het vlees.
B: (Heb 12:9) [b:Heb 12:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 67 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Indien er geen voornaamste opvoeder was, zou er bij de opvoeding verwarring ontstaan, en daarom mag er bij het doopsel maar één zijn die als hoofdpersoon opneemt; anderen mogen hem echter hierbij terzijde staan.
3e Weerlegging. Indien er geen voornaamste opvoeder was, zou er bij de opvoeding verwarring ontstaan, en daarom mag er bij het doopsel maar één zijn die als hoofdpersoon opneemt; anderen mogen hem echter hierbij terzijde staan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 68: Over degenen die het doopsel ontvangen
IIIa q. 68 pr.
Verder moeten we ook spreken over diegenen die het doopsel ontvangen en dienaangaande vallen twaalf verschillende vragen te onderzoeken.
1) Ten eerste: Zijn alle mensen verplicht het doopsel te ontvangen?
2) Ten tweede: Kan iemand zonder het doopsel zalig worden?
3) Ten derde: Moet het doopsel soms niet worden uitgesteld?
4) Ten vierde: Moeten de zondaars gedoopt worden?
5) Ten vijfde: Moeten aan gedoopte zondaars werken van genoegdoening opgelegd worden?
6) Ten zesde: Wordt de belijdenis der zonden voor de geldigheid van het doopsel vereist?
7) Ten zevende: Moet de dopeling het opzet hebben zich te laten dopen?
8) Ten achtste: Wordt ook vanwege het doopsel geloof vereist?
9) Ten negende: Moeten kleine kinderen gedoopt worden?
10) Ten tiende: Moeten Joodse kinderen tegen de wil van hun ouders in gedoopt worden?
11) Ten elfde: Moeten sommige kinderen niet in de moederschoot zelf gedoopt worden?
12) Ten twaalfde: Moeten razende en krankzinnige mensen gedoopt worden?
Verder moeten we ook spreken over diegenen die het doopsel ontvangen en dienaangaande vallen twaalf verschillende vragen te onderzoeken.
1) Ten eerste: Zijn alle mensen verplicht het doopsel te ontvangen?
2) Ten tweede: Kan iemand zonder het doopsel zalig worden?
3) Ten derde: Moet het doopsel soms niet worden uitgesteld?
4) Ten vierde: Moeten de zondaars gedoopt worden?
5) Ten vijfde: Moeten aan gedoopte zondaars werken van genoegdoening opgelegd worden?
6) Ten zesde: Wordt de belijdenis der zonden voor de geldigheid van het doopsel vereist?
7) Ten zevende: Moet de dopeling het opzet hebben zich te laten dopen?
8) Ten achtste: Wordt ook vanwege het doopsel geloof vereist?
9) Ten negende: Moeten kleine kinderen gedoopt worden?
10) Ten tiende: Moeten Joodse kinderen tegen de wil van hun ouders in gedoopt worden?
11) Ten elfde: Moeten sommige kinderen niet in de moederschoot zelf gedoopt worden?
12) Ten twaalfde: Moeten razende en krankzinnige mensen gedoopt worden?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Zijn alle mensen verplicht het doopsel te ontvangen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 68 a. 2 arg. 3
IIIa q. 69 a. 2 co.[t:iiia q. 68 a. 2 arg. 3][t:iiia q. 69 a. 2 co.]
IIIa q. 68 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat niet alle mensen verplicht zijn het doopsel te ontvangen. De weg ter zaligheid werd door Christus niet enger gemaakt. Welnu, voor de komst van Christus konden de mensen zonder doopsel zalig worden. Dus ook nog na de komst van Christus.
IIIa q. 68 a. 2 arg. 3
IIIa q. 69 a. 2 co.[t:iiia q. 68 a. 2 arg. 3][t:iiia q. 69 a. 2 co.]
IIIa q. 68 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat niet alle mensen verplicht zijn het doopsel te ontvangen. De weg ter zaligheid werd door Christus niet enger gemaakt. Welnu, voor de komst van Christus konden de mensen zonder doopsel zalig worden. Dus ook nog na de komst van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Het doopsel werd vooral als geneesmiddel tegen de erfzonde ingesteld. Welnu iemand die gedoopt werd, heeft de erfzonde niet meer en kan haar dus niet aan zijn kinderen overmaken. Zo dienen dus de kinderen van gedoopten niet zelf gedoopt te worden.
Vervolgens. Het doopsel werd vooral als geneesmiddel tegen de erfzonde ingesteld. Welnu iemand die gedoopt werd, heeft de erfzonde niet meer en kan haar dus niet aan zijn kinderen overmaken. Zo dienen dus de kinderen van gedoopten niet zelf gedoopt te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Het doopsel wordt toegediend opdat we door de genade van de zonden zouden bevrijd worden. Welnu, zij die zonder doopsel van in de schoot hunner moeder geheiligd werden, verkregen ook vergiffenis van hun zonden. Zij zijn dus niet verplicht het doopsel te ontvangen.
Vervolgens. Het doopsel wordt toegediend opdat we door de genade van de zonden zouden bevrijd worden. Welnu, zij die zonder doopsel van in de schoot hunner moeder geheiligd werden, verkregen ook vergiffenis van hun zonden. Zij zijn dus niet verplicht het doopsel te ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen bij Joannes (3, 5) gezegd wordt: "Indien iemand niet uit het water en de heilige Geest wordt wedergeboren kan hij het rijk Gods niet ingaan." en in het boek der kerkelijke dogmata (k. 74) staat het volgende: "Wij geloven dat de weg ter zaligheid enkel voor degenen die gedoopt zijn openstaat."
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
Daartegenover staat echter hetgeen bij Joannes (3, 5) gezegd wordt: "Indien iemand niet uit het water en de heilige Geest wordt wedergeboren kan hij het rijk Gods niet ingaan." en in het boek der kerkelijke dogmata (k. 74) staat het volgende: "Wij geloven dat de weg ter zaligheid enkel voor degenen die gedoopt zijn openstaat."
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 1 co.
Mijn antwoord. De mensen zijn zeker verplicht tot datgene zonder hetwelk zij niet kunnen de zaligheid verwerven. Welnu, het is klaarblijkelijk dat niemand dit buiten Christus om aan kan. Daarom schrijft de apostel Paulus in zijn Brief aan de Romeinen (5, 18): "Zoals de veroordeling aller mensen gekomen is door het schelmstuk van één mens alleen, zo ook werd dankzij de gerechtigheid van één mens de levensrechtvaardiging voor allen bekomen." — Daartoe nu wordt het doopsel gegeven opdat iemand in het doopsel wedergeboren als lidmaat van Christus bij Hem zou worden ingelijfd. Daarom zegt de Brief aan de Galaten (3, 27): "Zoovelen in Christus gedoopt worden, hebben ook Christus aangedaan." Zo is het bijgevolg duidelijk dat allen tot het doopsel verplicht zijn en dat zonder doopsel voor de mensen geen zaligheid mogelijk is.
B: (Rom 5:18) [b:Rom 5:18] (Gal 3:27) [b:Gal 3:27]
Mijn antwoord. De mensen zijn zeker verplicht tot datgene zonder hetwelk zij niet kunnen de zaligheid verwerven. Welnu, het is klaarblijkelijk dat niemand dit buiten Christus om aan kan. Daarom schrijft de apostel Paulus in zijn Brief aan de Romeinen (5, 18): "Zoals de veroordeling aller mensen gekomen is door het schelmstuk van één mens alleen, zo ook werd dankzij de gerechtigheid van één mens de levensrechtvaardiging voor allen bekomen." — Daartoe nu wordt het doopsel gegeven opdat iemand in het doopsel wedergeboren als lidmaat van Christus bij Hem zou worden ingelijfd. Daarom zegt de Brief aan de Galaten (3, 27): "Zoovelen in Christus gedoopt worden, hebben ook Christus aangedaan." Zo is het bijgevolg duidelijk dat allen tot het doopsel verplicht zijn en dat zonder doopsel voor de mensen geen zaligheid mogelijk is.
B: (Rom 5:18) [b:Rom 5:18] (Gal 3:27) [b:Gal 3:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Nooit is iemand zelfs vóór de komst van Christus, zonder lidmaat te worden van zijn mystisch lichaam, zalig geworden, "daar is immers geen andere naam op aarde waardoor de mens kan zalig worden", zo staat namelijk in de Handelingen der Apostelen (4, 12). — Welnu, vóór de komst van Christus werden de mensen door het geloof aan zijn aanstaande komst bij Hem ingelijfd en het teken van hun geloof was op dit ogenblik de besnijdenis. Dat zegt overigens de apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4). Vooraleer echter de besnijdenis werd ingesteld werden de mensen naar het getuigenis van St. Gregorius (Moral. 4, 3) door het geloof alleen bij Christus ingelijfd; dit geschiedde dan bij de opdracht van offers waardoor de oudvaders hun geloof beleden. Ja zelfs, na de komst van Christus werden de mensen door het geloof bij Christus ingelijfd. In de Brief aan de Ephesiërs (3, 17) staat immers geschreven dat "Christus door het geloof in onze harten woont". Doch de mens geeft op een andere manier uiting aan het geloof aan iets dat reeds is, dan aan het geloof aan iets dat nog in de toekomst moet plaats grijpen; zo geeft men overigens ook door andere woorden het heden, het verleden en de toekomst te kennen. Is het sacrament van het doopsel dus niet altijd voor de zaligheid onontbeerlijk geweest, dan bleef toch immer het geloof onontbeerlijk. Het doopsel nu is het sacrament van het geloof.
B: (Acts 4:12) [b:Acts 4:12] (Rom 4:11) [b:Rom 4:11] (Eph 3:17) [b:Eph 3:17]
1e Weerlegging. Nooit is iemand zelfs vóór de komst van Christus, zonder lidmaat te worden van zijn mystisch lichaam, zalig geworden, "daar is immers geen andere naam op aarde waardoor de mens kan zalig worden", zo staat namelijk in de Handelingen der Apostelen (4, 12). — Welnu, vóór de komst van Christus werden de mensen door het geloof aan zijn aanstaande komst bij Hem ingelijfd en het teken van hun geloof was op dit ogenblik de besnijdenis. Dat zegt overigens de apostel in zijn Brief aan de Romeinen (4). Vooraleer echter de besnijdenis werd ingesteld werden de mensen naar het getuigenis van St. Gregorius (Moral. 4, 3) door het geloof alleen bij Christus ingelijfd; dit geschiedde dan bij de opdracht van offers waardoor de oudvaders hun geloof beleden. Ja zelfs, na de komst van Christus werden de mensen door het geloof bij Christus ingelijfd. In de Brief aan de Ephesiërs (3, 17) staat immers geschreven dat "Christus door het geloof in onze harten woont". Doch de mens geeft op een andere manier uiting aan het geloof aan iets dat reeds is, dan aan het geloof aan iets dat nog in de toekomst moet plaats grijpen; zo geeft men overigens ook door andere woorden het heden, het verleden en de toekomst te kennen. Is het sacrament van het doopsel dus niet altijd voor de zaligheid onontbeerlijk geweest, dan bleef toch immer het geloof onontbeerlijk. Het doopsel nu is het sacrament van het geloof.
B: (Acts 4:12) [b:Acts 4:12] (Rom 4:11) [b:Rom 4:11] (Eph 3:17) [b:Eph 3:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zoals in het tweede deel (I-II, 8e Kw. 3e art., antw. op de 2e bedenking) gezegd werd, worden degenen die gedoopt worden, door het doopsel naar de geest vernieuwd, het lichaam daarentegen blijft aan de oude zonden onderworpen. Daarom zegt de Brief aan de Romeinen (8, 10): "Het lichaam is dood aan de zonde, de geest leeft dank zij de gerechtigheid." Daardoor komt het dat St. Augustinus in zijn Boek "Tegen Julianus" (4, 17) bewijst dat "niet alles gedoopt werd wat in de mens is." — Welnu, het is duidelijk dat bij de lichamelijke voortplanting de mens zich niet naar de geest maar wel naar het vlees in het nageslacht voortzet. Daarom dan worden zijn kinderen met de erfzonde geboren en hebben ze het doopsel van node.
B: (Rom 8:10) [b:Rom 8:10]
2e Weerlegging. Zoals in het tweede deel (I-II, 8e Kw. 3e art., antw. op de 2e bedenking) gezegd werd, worden degenen die gedoopt worden, door het doopsel naar de geest vernieuwd, het lichaam daarentegen blijft aan de oude zonden onderworpen. Daarom zegt de Brief aan de Romeinen (8, 10): "Het lichaam is dood aan de zonde, de geest leeft dank zij de gerechtigheid." Daardoor komt het dat St. Augustinus in zijn Boek "Tegen Julianus" (4, 17) bewijst dat "niet alles gedoopt werd wat in de mens is." — Welnu, het is duidelijk dat bij de lichamelijke voortplanting de mens zich niet naar de geest maar wel naar het vlees in het nageslacht voortzet. Daarom dan worden zijn kinderen met de erfzonde geboren en hebben ze het doopsel van node.
B: (Rom 8:10) [b:Rom 8:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. De mensen die van in de moederschoot geheiligd werden kunnen de genade die van de erfzonde vrijmaakt, verwerven; daardoor krijgen zij echter nog niet het merkteken waardoor ze aan Christus gelijkvormig worden. Moet het dus nog gebeuren dat mensen van de moederschoot af geheiligd werden, dan ware het toch nog nodig hen, opdat ze door het ontvangen van het merkteken aan de andere leden van Christus zouden gelijkvormig worden, te dopen.
3e Weerlegging. De mensen die van in de moederschoot geheiligd werden kunnen de genade die van de erfzonde vrijmaakt, verwerven; daardoor krijgen zij echter nog niet het merkteken waardoor ze aan Christus gelijkvormig worden. Moet het dus nog gebeuren dat mensen van de moederschoot af geheiligd werden, dan ware het toch nog nodig hen, opdat ze door het ontvangen van het merkteken aan de andere leden van Christus zouden gelijkvormig worden, te dopen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Kan iemand zonder doopsel zalig worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 65 a. 4 arg. 3
IIIa q. 68 a. 3 co.
IIIa q. 68 a. 3 co.
IIIa q. 68 a. 3 co.
IIIa q. 69 a. 4 ad 2
IIIa q. 73 a. 3 co.
IIIa q. 73 a. 3 co.
IIIa q. 90 a. 2 ad 2[t:iiia q. 65 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 68 a. 3 co.][t:iiia q. 68 a. 3 co.][t:iiia q. 68 a. 3 co.][t:iiia q. 69 a. 4 ad 2][t:iiia q. 73 a. 3 co.][t:iiia q. 73 a. 3 co.][t:iiia q. 90 a. 2 ad 2]
IIIa q. 68 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat zonder doopsel niemand kan zalig worden. De Heer zegt bij Joannes (3, 5) : "Indien ge niet uit het water en de heilige Geest wordt wedergeboren, kunt ge het hemelrijk niet binnengaan." Welnu, zij alleen worden zalig die het rijk Gods ingaan. Zo kan dus niemand zonder het doopsel, waardoor hij in het water en de heilige Geest wordt wedergeboren, zalig worden.
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
IIIa q. 65 a. 4 arg. 3
IIIa q. 68 a. 3 co.
IIIa q. 68 a. 3 co.
IIIa q. 68 a. 3 co.
IIIa q. 69 a. 4 ad 2
IIIa q. 73 a. 3 co.
IIIa q. 73 a. 3 co.
IIIa q. 90 a. 2 ad 2[t:iiia q. 65 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 68 a. 3 co.][t:iiia q. 68 a. 3 co.][t:iiia q. 68 a. 3 co.][t:iiia q. 69 a. 4 ad 2][t:iiia q. 73 a. 3 co.][t:iiia q. 73 a. 3 co.][t:iiia q. 90 a. 2 ad 2]
IIIa q. 68 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat zonder doopsel niemand kan zalig worden. De Heer zegt bij Joannes (3, 5) : "Indien ge niet uit het water en de heilige Geest wordt wedergeboren, kunt ge het hemelrijk niet binnengaan." Welnu, zij alleen worden zalig die het rijk Gods ingaan. Zo kan dus niemand zonder het doopsel, waardoor hij in het water en de heilige Geest wordt wedergeboren, zalig worden.
B: (John 3:5) [b:John 3:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 2 arg. 2
Vervolgens. In het boek van de kerkelijke Dogmata (c. 74) vinden we het volgende: "Geen catechumeen kan, ook al sterft hij in goede werken, wanneer hij niet de marteldood sterft waardoor het sacrament van het doopsel voltrokken wordt, het eeuwige leven erlangen." Welnu, als iemand zonder doopsel zalig kan worden dan doet het ongetwijfeld vooral een catechumeen die goede werken volbrengt en die het geloof dat zich in werkdadige liefde openbaart, bezit. Zo kan dus zonder doopsel niemand zalig worden.
B: (Gal 5:6) [b:Gal 5:6]
Vervolgens. In het boek van de kerkelijke Dogmata (c. 74) vinden we het volgende: "Geen catechumeen kan, ook al sterft hij in goede werken, wanneer hij niet de marteldood sterft waardoor het sacrament van het doopsel voltrokken wordt, het eeuwige leven erlangen." Welnu, als iemand zonder doopsel zalig kan worden dan doet het ongetwijfeld vooral een catechumeen die goede werken volbrengt en die het geloof dat zich in werkdadige liefde openbaart, bezit. Zo kan dus zonder doopsel niemand zalig worden.
B: (Gal 5:6) [b:Gal 5:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Zoals hierboven werd aangetoond (63° Kw. 3° en 4° art.) is het sacrament van het doopsel voor de zaligheid onontbeerlijk. Iets zonder hetwelke iets anders niet kan zijn is immers zoals Aristoteles ergens in zijn Metaphysica zegt (6) onontbeerlijk. Zo kan dus zonder doopsel niemand de zaligheid ingaan.
R: q. 68 a. 1[t:iiia q. 68 a. 1] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Vervolgens. Zoals hierboven werd aangetoond (63° Kw. 3° en 4° art.) is het sacrament van het doopsel voor de zaligheid onontbeerlijk. Iets zonder hetwelke iets anders niet kan zijn is immers zoals Aristoteles ergens in zijn Metaphysica zegt (6) onontbeerlijk. Zo kan dus zonder doopsel niemand de zaligheid ingaan.
R: q. 68 a. 1[t:iiia q. 68 a. 1] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus op het Boek Leviticus (84° Kw.) zegt: "De onzichtbare heiligmaking heeft bij sommigen werkelijk plaatsgegrepen en is hun zonder zichtbare sacramenten ten goede gekomen. De zichtbare heiligmaking daarentegen die door zichtbare sacramenten gegeven wordt kan zonder de onzichtbare heiligmaking plaats grijpen, maar dan is ze ook vergeefs." Aangezien nu het sacrament des doopsel op de zichtbare heiligmaking is aangewezen, is het duidelijk dat iemand door de onzichtbare heiligmaking de zaligheid kan erlangen zonder het sacrament van het doopsel.
Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus op het Boek Leviticus (84° Kw.) zegt: "De onzichtbare heiligmaking heeft bij sommigen werkelijk plaatsgegrepen en is hun zonder zichtbare sacramenten ten goede gekomen. De zichtbare heiligmaking daarentegen die door zichtbare sacramenten gegeven wordt kan zonder de onzichtbare heiligmaking plaats grijpen, maar dan is ze ook vergeefs." Aangezien nu het sacrament des doopsel op de zichtbare heiligmaking is aangewezen, is het duidelijk dat iemand door de onzichtbare heiligmaking de zaligheid kan erlangen zonder het sacrament van het doopsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 2 co.
Mijn antwoord. Het sacrament van het doopsel kan op twee manieren ontbreken, vooreerst zo wat de werkelijke toediening als wat het verlangen betreft; dit gebeurt namelijk bij diegenen die niet gedoopt zijn en het ook niet willen worden; en dit behelst klaarblijkelijk bij degenen die over hun vrije wil beschikken misprijzen voor het doopsel. Ook kan, indien iemand op die manier het doopsel ontbreekt, deze de zaligheid niet erlangen; hij werd toch nog sacramenteel noch op geestelijke manier bij Christus, die alleen zaligheid verleent, ingelijfd. Verder kan het doopsel nog op een andere manier ontbreken, wanneer namelijk iemand wel de werkelijkheid, maar niet het verlangen ontbreekt; zo bij voorbeeld wanneer iemand verlangt gedoopt te worden doch toevallig, vooraleer het doopsel ontvangen te hebben, door de dood verrast wordt. Een dergelijk mens nu kan omdat hij het doopsel begeert, zonder werkelijk het doopsel ontvangen te hebben, de zaligheid erlangen. Die begeerte komt immers voort van het geloof dat door de liefde handelt en waardoor God de mens innerlijk heiligt. Gods macht nu ligt niet aan de band der zichtbare sacramenten. De heilige Ambrosius zegt overigens in zijn Boek "De dood van Valentinus" als hij over Valentinus spreekt die als catechumeen gestorven is: "Ik verloor degene die ik door het doopsel wilde wedergeboren doen worden; hij echter heeft de genade waarnaar hij verlangt niet verloren."
Mijn antwoord. Het sacrament van het doopsel kan op twee manieren ontbreken, vooreerst zo wat de werkelijke toediening als wat het verlangen betreft; dit gebeurt namelijk bij diegenen die niet gedoopt zijn en het ook niet willen worden; en dit behelst klaarblijkelijk bij degenen die over hun vrije wil beschikken misprijzen voor het doopsel. Ook kan, indien iemand op die manier het doopsel ontbreekt, deze de zaligheid niet erlangen; hij werd toch nog sacramenteel noch op geestelijke manier bij Christus, die alleen zaligheid verleent, ingelijfd. Verder kan het doopsel nog op een andere manier ontbreken, wanneer namelijk iemand wel de werkelijkheid, maar niet het verlangen ontbreekt; zo bij voorbeeld wanneer iemand verlangt gedoopt te worden doch toevallig, vooraleer het doopsel ontvangen te hebben, door de dood verrast wordt. Een dergelijk mens nu kan omdat hij het doopsel begeert, zonder werkelijk het doopsel ontvangen te hebben, de zaligheid erlangen. Die begeerte komt immers voort van het geloof dat door de liefde handelt en waardoor God de mens innerlijk heiligt. Gods macht nu ligt niet aan de band der zichtbare sacramenten. De heilige Ambrosius zegt overigens in zijn Boek "De dood van Valentinus" als hij over Valentinus spreekt die als catechumeen gestorven is: "Ik verloor degene die ik door het doopsel wilde wedergeboren doen worden; hij echter heeft de genade waarnaar hij verlangt niet verloren."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. In het eerste Boek der Koningen (16, 7) wordt gezegd: "De mens ziet enkel het uiterlijke, maar God doorgrondt het hart van de mens." Hij die verlangt door het water van het doopsel en de H. Geest te worden wedergeboren is in zijn hart, alhoewel nog niet naar het lichaam, wedergeboren; de Apostel zegt immers in de Brief aan de Romeinen (2, 29) "De besnijdenis van het hart bestaat door geest, niet door letter, bij hem die zijn lof niet uit mensen maar uit God haalt."
1e Weerlegging. In het eerste Boek der Koningen (16, 7) wordt gezegd: "De mens ziet enkel het uiterlijke, maar God doorgrondt het hart van de mens." Hij die verlangt door het water van het doopsel en de H. Geest te worden wedergeboren is in zijn hart, alhoewel nog niet naar het lichaam, wedergeboren; de Apostel zegt immers in de Brief aan de Romeinen (2, 29) "De besnijdenis van het hart bestaat door geest, niet door letter, bij hem die zijn lof niet uit mensen maar uit God haalt."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Niemand kan behalve wanneer hij van alle straf en van alle schuld bevrijd is, het eeuwige leven binnengaan; die algemene kwijtschelding nu gebeurt enkel bij het doopsel en bij de marteldood. Daarom zegt men dat aan de marteldood alle uitwerkingsselen van het doopsel voltrokken worden, dat men aldus van alle straf en van alle schuld bevrijd wordt. Als nu een catechumeen verlangt gedoopt te worden, en sterft zonder de gelegenheid gehad te hebben om zich te laten dopen, anders toch zou hij, daar zonder het geloof dat door de liefde handelt de werken tot niets strekken, in de beoefening van goede werken niet kunnen sterven, dan erlangt hij niet seffens de zaligheid des hemels, maar zal tot uitboeting van zijn vroegere zonden een en ander te verduren hebben. "Hij zal nl. als door het vuur zalig worden." zoals de Apostel in zijn eerste Brief aan de Korinthiërs (3, 15) zegt.
B: (1Kgs 16:7) [b:1Kgs 16:7] (Rom 2:29) [b:Rom 2:29]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 68 a. 3 co.[t:iiia q. 68 a. 3 co.]
2e Weerlegging. Niemand kan behalve wanneer hij van alle straf en van alle schuld bevrijd is, het eeuwige leven binnengaan; die algemene kwijtschelding nu gebeurt enkel bij het doopsel en bij de marteldood. Daarom zegt men dat aan de marteldood alle uitwerkingsselen van het doopsel voltrokken worden, dat men aldus van alle straf en van alle schuld bevrijd wordt. Als nu een catechumeen verlangt gedoopt te worden, en sterft zonder de gelegenheid gehad te hebben om zich te laten dopen, anders toch zou hij, daar zonder het geloof dat door de liefde handelt de werken tot niets strekken, in de beoefening van goede werken niet kunnen sterven, dan erlangt hij niet seffens de zaligheid des hemels, maar zal tot uitboeting van zijn vroegere zonden een en ander te verduren hebben. "Hij zal nl. als door het vuur zalig worden." zoals de Apostel in zijn eerste Brief aan de Korinthiërs (3, 15) zegt.
B: (1Kgs 16:7) [b:1Kgs 16:7] (Rom 2:29) [b:Rom 2:29]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 68 a. 3 co.[t:iiia q. 68 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Die onontbeerlijkheid moet aldus verstaan worden dat er voor de mens geen mogelijkheid is om zonder ten minste in zijn wil, het verlangen naar het doopsel te hebben zalig te worden. Dit beschouwt God dan als een werkelijk sacrament.
B: (1Cor 3:15) [b:1Cor 3:15]
3e Weerlegging. Die onontbeerlijkheid moet aldus verstaan worden dat er voor de mens geen mogelijkheid is om zonder ten minste in zijn wil, het verlangen naar het doopsel te hebben zalig te worden. Dit beschouwt God dan als een werkelijk sacrament.
B: (1Cor 3:15) [b:1Cor 3:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Behoort het doopsel soms te worden uitgesteld?
IIIa q. 68 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat het doopsel behoort te worden uitgesteld. Paus Leo (IV epist. 5° k.) zegt: "dat door de Paus twee tijdstippen, Pasen en Pinksteren nl., terecht Kw, 68, A. 3. voor het doopsel werden aangewezen. Wij vermanen u dus, geliefden, dat ge het doopsel op geen andere dagen zouden ontvangen." — Zo moet dus het doopsel niet onmiddellijk worden toegediend, maar tot die aangewezen tijdstippen worden uitgesteld.
Over het derde als volgt. Men beweert dat het doopsel behoort te worden uitgesteld. Paus Leo (IV epist. 5° k.) zegt: "dat door de Paus twee tijdstippen, Pasen en Pinksteren nl., terecht Kw, 68, A. 3. voor het doopsel werden aangewezen. Wij vermanen u dus, geliefden, dat ge het doopsel op geen andere dagen zouden ontvangen." — Zo moet dus het doopsel niet onmiddellijk worden toegediend, maar tot die aangewezen tijdstippen worden uitgesteld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 3 arg. 2
Vervolgens. In de akten van de kerkvergadering van Agde (35 can.) lezen we het volgende: "Indien Joden die weleens om hun boosheid tot hun braaksel terugkeren tot de katholieke wetten willen overkomen, moeten ze acht maanden lang als catechumeen aan het portaal van de kerk staan en indien men er dan van overtuigd is dat het bij hen meent is, mogen ze eindelijk de genade van het doopsel ontvangen."
Vervolgens. In de akten van de kerkvergadering van Agde (35 can.) lezen we het volgende: "Indien Joden die weleens om hun boosheid tot hun braaksel terugkeren tot de katholieke wetten willen overkomen, moeten ze acht maanden lang als catechumeen aan het portaal van de kerk staan en indien men er dan van overtuigd is dat het bij hen meent is, mogen ze eindelijk de genade van het doopsel ontvangen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 3 arg. 3
Vervolgens. "Heel de vrucht ervan komt, zoals Isaïas zegt (27, 9) hierop neer dat het van de zonden verlost." — Wanneer het doopsel lang wordt uitgesteld, kan men van meer zonden gereinigd worden, ja zelfs worden dan de zonden kleiner. Degene die na het doopsel zondigen, bedrijven immers volgens de Brief aan de Hebreërs (10, 29) zwaardere zonden: "Hoeveel ergere straf meent gij dat iemand verdient die het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd werd (dit bij het doopsel) vertrapt heeft?" Verder wist het doopsel wel de vroegere, maar niet de toekomende zonden af. Hoe langer dus het doopsel wordt uitgesteld, zo meer zonden worden er door vergeven. Zo dient dus het doopsel lang te worden uitgesteld.
B: (Isa 27:9) [b:Isa 27:9] (Heb 10:29) [b:Heb 10:29]
Vervolgens. "Heel de vrucht ervan komt, zoals Isaïas zegt (27, 9) hierop neer dat het van de zonden verlost." — Wanneer het doopsel lang wordt uitgesteld, kan men van meer zonden gereinigd worden, ja zelfs worden dan de zonden kleiner. Degene die na het doopsel zondigen, bedrijven immers volgens de Brief aan de Hebreërs (10, 29) zwaardere zonden: "Hoeveel ergere straf meent gij dat iemand verdient die het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd werd (dit bij het doopsel) vertrapt heeft?" Verder wist het doopsel wel de vroegere, maar niet de toekomende zonden af. Hoe langer dus het doopsel wordt uitgesteld, zo meer zonden worden er door vergeven. Zo dient dus het doopsel lang te worden uitgesteld.
B: (Isa 27:9) [b:Isa 27:9] (Heb 10:29) [b:Heb 10:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter wat in Eccl. 5, 8 gezegd wordt: "Stel niet uit om tot God te wenden en verdaag het niet voortdurend." Welnu, de volmaakte bekeering tot God geschiedt aan diegenen die door het doopsel in Christus worden wedergeboren. Zo behoort dus het doopsel niet voortdurend te worden uitgesteld.
B: (Sir 5:8) [b:Sir 5:8]
Daartegenover staat echter wat in Eccl. 5, 8 gezegd wordt: "Stel niet uit om tot God te wenden en verdaag het niet voortdurend." Welnu, de volmaakte bekeering tot God geschiedt aan diegenen die door het doopsel in Christus worden wedergeboren. Zo behoort dus het doopsel niet voortdurend te worden uitgesteld.
B: (Sir 5:8) [b:Sir 5:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 3 co.
Mijn antwoord. Wat dit betreft dient vooreerst onderscheid gemaakt tussen kinderen en volwassenen. Moeten ook kinderen gedoopt worden, dan behoort het doopsel niet uitgesteld. Bij hen valt immers ten eerste, niet een diepere godsdienstkennis noch ook een volmaaktere bekeering te verwachten; ten tweede is er altijd gevaar en er ligt geen ander middel dan het sacrament des doopsel in hun bereik. Gaat het daarentegen om volwassenen, deze kunnen zoals werd aangetoond in het vorig artikel, ook door het doopsel van begeerte geholpen worden. Daarom dan dient het sacrament van het doopsel aan de volwassenen niet aanstonds na hun bekeering te worden toegediend, maar het moet tot een bepaalde tijd worden uitgesteld. Dit vooreerst als voorbehoudsmiddel voor de heilige Kerk opdat ze namelijk door degenen die veinzend tot het sacrament van het doopsel naderen niet zou worden om de tuin geleid; in de eerste Brief van Joannes (4, 1) staat immers: "Geloof niet aan elken geest, maar keur die geesten of zij uit God zijn." — Welnu, degenen die tot het doopsel naderen beproeft men met enigen tijd hun geloof en zeden gade te slaan. Ten tweede, is dit uitstel voor het welzijn van de doopling van noode; er zal namelijk enige tijd verlopen vooraleer hij volledig aangaande het geloof ingelicht en in het christelijke leven geoefend is. Eindelijk, is dit uitstel ten derde nog nodig om eerbied voor het Sacrament in te boezemen; wanneer ze immers bij de grootste plechtigheden, Pasen namelijk en Pinksteren, tot het doopsel aangenomen worden, zullen ze met des te meer godsvrucht het doopsel ontvangen. Twee gevallen zijn er niettemin waar het doopsel niet mag worden uitgesteld. Vooreerst wanneer degenen die moeten gedoopt worden volmaakt in het geloof onderwezen zijn, en geschikt om het doopsel te ontvangen; zo doopte Philippus aanstonds de kamerling, Hand. der Apostelen (8) en doopte Petrus Cornelius en degenen die met hem samen waren, Hand. der Apostelen (10). — Ten tweede bij ziekte of in stervensgevaar. Daar vandaan dat Paus Leo (IV epist. 5° k.) zegt : "Zij die in stervensgevaar zijn of ziek of belegerd worden of vervolgd of een schipbreuk onderstaan hebben dienen wanneer het ook zij dadelijk gedoopt te worden." Indien echter iemand door de dood verrast wordt en, omdat hij de tijd opwacht door de H. Kerk bepaald, het doopsel niet kan ontvangen, dan zal hij toch hoewel, zoals in het vorig artikel gezegd werd "als door het vuur" verlost worden. Eindelijk zou iemand, behalve wanneer het niet anders kan en hij daartoe van de kerkelijke overheid verlof verkregen heeft, met nog langer uit te stellen dan de Kerk bepaald heeft, zondigen. Die zonde kan overigens door het berouw dat in sommige omstandigheden, zoals werd aangetoond (in de leerstelling van het vorig artikel) het doopsel vervangt, samen met andere zonden worden uitgewischt.
R: q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2] q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2] q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2] q. 68 a. 2 ad 2[t:iiia q. 68 a. 2 ad 2] q. 66 a. 11[t:iiia q. 66 a. 11]
Mijn antwoord. Wat dit betreft dient vooreerst onderscheid gemaakt tussen kinderen en volwassenen. Moeten ook kinderen gedoopt worden, dan behoort het doopsel niet uitgesteld. Bij hen valt immers ten eerste, niet een diepere godsdienstkennis noch ook een volmaaktere bekeering te verwachten; ten tweede is er altijd gevaar en er ligt geen ander middel dan het sacrament des doopsel in hun bereik. Gaat het daarentegen om volwassenen, deze kunnen zoals werd aangetoond in het vorig artikel, ook door het doopsel van begeerte geholpen worden. Daarom dan dient het sacrament van het doopsel aan de volwassenen niet aanstonds na hun bekeering te worden toegediend, maar het moet tot een bepaalde tijd worden uitgesteld. Dit vooreerst als voorbehoudsmiddel voor de heilige Kerk opdat ze namelijk door degenen die veinzend tot het sacrament van het doopsel naderen niet zou worden om de tuin geleid; in de eerste Brief van Joannes (4, 1) staat immers: "Geloof niet aan elken geest, maar keur die geesten of zij uit God zijn." — Welnu, degenen die tot het doopsel naderen beproeft men met enigen tijd hun geloof en zeden gade te slaan. Ten tweede, is dit uitstel voor het welzijn van de doopling van noode; er zal namelijk enige tijd verlopen vooraleer hij volledig aangaande het geloof ingelicht en in het christelijke leven geoefend is. Eindelijk, is dit uitstel ten derde nog nodig om eerbied voor het Sacrament in te boezemen; wanneer ze immers bij de grootste plechtigheden, Pasen namelijk en Pinksteren, tot het doopsel aangenomen worden, zullen ze met des te meer godsvrucht het doopsel ontvangen. Twee gevallen zijn er niettemin waar het doopsel niet mag worden uitgesteld. Vooreerst wanneer degenen die moeten gedoopt worden volmaakt in het geloof onderwezen zijn, en geschikt om het doopsel te ontvangen; zo doopte Philippus aanstonds de kamerling, Hand. der Apostelen (8) en doopte Petrus Cornelius en degenen die met hem samen waren, Hand. der Apostelen (10). — Ten tweede bij ziekte of in stervensgevaar. Daar vandaan dat Paus Leo (IV epist. 5° k.) zegt : "Zij die in stervensgevaar zijn of ziek of belegerd worden of vervolgd of een schipbreuk onderstaan hebben dienen wanneer het ook zij dadelijk gedoopt te worden." Indien echter iemand door de dood verrast wordt en, omdat hij de tijd opwacht door de H. Kerk bepaald, het doopsel niet kan ontvangen, dan zal hij toch hoewel, zoals in het vorig artikel gezegd werd "als door het vuur" verlost worden. Eindelijk zou iemand, behalve wanneer het niet anders kan en hij daartoe van de kerkelijke overheid verlof verkregen heeft, met nog langer uit te stellen dan de Kerk bepaald heeft, zondigen. Die zonde kan overigens door het berouw dat in sommige omstandigheden, zoals werd aangetoond (in de leerstelling van het vorig artikel) het doopsel vervangt, samen met andere zonden worden uitgewischt.
R: q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2] q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2] q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2] q. 68 a. 2 ad 2[t:iiia q. 68 a. 2 ad 2] q. 66 a. 11[t:iiia q. 66 a. 11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Wat Paus Leo de Grote aangaande die twee tijdstippen bevolen heeft, moet, behalve wanneer er doodsgevaar, dat bij kinderen steeds voorhanden is (zie de leerstelling), van de volwassenen verstaan worden.
B: (1John 4:1) [b:1John 4:1]
1e Weerlegging. Wat Paus Leo de Grote aangaande die twee tijdstippen bevolen heeft, moet, behalve wanneer er doodsgevaar, dat bij kinderen steeds voorhanden is (zie de leerstelling), van de volwassenen verstaan worden.
B: (1John 4:1) [b:1John 4:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Dit is een waarborg die de H. Kerk, opdat zij het geloof van de eenvoudige lieden, wanneer zij het niet oprecht menen niet zouden bederven, van Joodse bekeerlingen eist. De kerkvergadering voegt er echter aan toe: "Als er binnen die bepaalde tijd gevaar is van ziekte, moeten ze gauw gedoopt worden."
B: (Acts 8) [b:Acts 8] (Acts 10) [b:Acts 10]
2e Weerlegging. Dit is een waarborg die de H. Kerk, opdat zij het geloof van de eenvoudige lieden, wanneer zij het niet oprecht menen niet zouden bederven, van Joodse bekeerlingen eist. De kerkvergadering voegt er echter aan toe: "Als er binnen die bepaalde tijd gevaar is van ziekte, moeten ze gauw gedoopt worden."
B: (Acts 8) [b:Acts 8] (Acts 10) [b:Acts 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Door de genade neemt het doopsel niet alleen reeds bedreven zonden weg, maar het belet ook dat in de toekomst meerdere zonden zouden geschieden. Welnu men moet er vooral op bedacht zijn dat de mensen geen zonden zouden bedrijven, of dat ze minder zwaar zouden zondigen of van hun zonden zouden gereinigd worden. Daarom schrijft Joannes in zijn eerste Brief (2, 1): "Mijn kinderkens, dit schrijf ik u opdat ge niet zou zondigen. En zelfs als iemand gezondigd heeft, dan heeft hij een voorspreker bij de Vader, Jezus-Christus namelijk en Deze is verzoening voor onze zonden."
3e Weerlegging. Door de genade neemt het doopsel niet alleen reeds bedreven zonden weg, maar het belet ook dat in de toekomst meerdere zonden zouden geschieden. Welnu men moet er vooral op bedacht zijn dat de mensen geen zonden zouden bedrijven, of dat ze minder zwaar zouden zondigen of van hun zonden zouden gereinigd worden. Daarom schrijft Joannes in zijn eerste Brief (2, 1): "Mijn kinderkens, dit schrijf ik u opdat ge niet zou zondigen. En zelfs als iemand gezondigd heeft, dan heeft hij een voorspreker bij de Vader, Jezus-Christus namelijk en Deze is verzoening voor onze zonden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Behoren zondaars gedoopt te worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 69 a. 2 co.[t:iiia q. 69 a. 2 co.]
IIIa q. 68 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat zondaars behoren gedoopt te worden. — Bij Zacharias (13, 1) staat er: "Op dezen dag zal er een bron ontspringen in het huis van David voor degenen die Jeruzalem bewonen, tot reiniging voor de zondaars en voor de vrouwen die om de maandstonden onrein werden." Dit nu wordt van het sacrament van het doopsel verstaan en zo moet het sacrament van het doopsel dus ook aan de zondaars worden toegediend.
B: (Zech 13:1) [b:Zech 13:1]
IIIa q. 69 a. 2 co.[t:iiia q. 69 a. 2 co.]
IIIa q. 68 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat zondaars behoren gedoopt te worden. — Bij Zacharias (13, 1) staat er: "Op dezen dag zal er een bron ontspringen in het huis van David voor degenen die Jeruzalem bewonen, tot reiniging voor de zondaars en voor de vrouwen die om de maandstonden onrein werden." Dit nu wordt van het sacrament van het doopsel verstaan en zo moet het sacrament van het doopsel dus ook aan de zondaars worden toegediend.
B: (Zech 13:1) [b:Zech 13:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De Heer zegt bij Mt. (9, 12): "De gezonden hebben geen geneesheer nodig, maar wel de zieken." Welnu de zieken, dat zijn de zondaars, en aangezien het doopsel het geneesmiddel is dat door Christus, die toch een geestelijk geneesheer is, wordt aangewend, moet dus het doopsel ook aan de zondaars worden toegediend.
B: (Matt 9:12) [b:Matt 9:12]
Vervolgens. De Heer zegt bij Mt. (9, 12): "De gezonden hebben geen geneesheer nodig, maar wel de zieken." Welnu de zieken, dat zijn de zondaars, en aangezien het doopsel het geneesmiddel is dat door Christus, die toch een geestelijk geneesheer is, wordt aangewend, moet dus het doopsel ook aan de zondaars worden toegediend.
B: (Matt 9:12) [b:Matt 9:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Geen enkel hulpmiddel mag de zondaars onthouden worden. Welnu, door het merkteken dat na het doopsel in de ziel wordt achtergelaten, en dat een voorbereiding blijft tot de genade, worden de zondaars op geestelijke wijze geholpen. Zo moet dus het sacrament van het doopsel ook aan de zondaars worden toegediend.
Vervolgens. Geen enkel hulpmiddel mag de zondaars onthouden worden. Welnu, door het merkteken dat na het doopsel in de ziel wordt achtergelaten, en dat een voorbereiding blijft tot de genade, worden de zondaars op geestelijke wijze geholpen. Zo moet dus het sacrament van het doopsel ook aan de zondaars worden toegediend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen St. Augustinus zegt in zijn Boek: "De apostolische woorden" (15, 11): "Hij die u zonder uw toedoen geschapen heeft zal u niet zonder uw toedoen rechtvaardig maken." Wanneer toch een zondaar niet in de geschikte gesteltenis verkeert, kan hij Gods werking niet in de hand werken maar staat haar eerder in de weg. Zo zou dus het doopsel indien de mens die moet gedoopt worden niet in de vereiste gesteltenis was, niet tot de rechtvaardigmaking kunnen bijdragen.
Daartegenover staat echter hetgeen St. Augustinus zegt in zijn Boek: "De apostolische woorden" (15, 11): "Hij die u zonder uw toedoen geschapen heeft zal u niet zonder uw toedoen rechtvaardig maken." Wanneer toch een zondaar niet in de geschikte gesteltenis verkeert, kan hij Gods werking niet in de hand werken maar staat haar eerder in de weg. Zo zou dus het doopsel indien de mens die moet gedoopt worden niet in de vereiste gesteltenis was, niet tot de rechtvaardigmaking kunnen bijdragen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 4 co.
Mijn antwoord. Iemand kan op twee verschillende manieren zondaar zijn: ten eerste om de vlek en schuld van vorige zonden; aan zulke zondaars nu mag het doopsel worden toegediend; het doopsel werd immers vooral ingesteld opdat overeenkomstig de woorden uit de Brief aan de Ephesiërs (5, 26): "haar in het woord des levens als in een waterbad reinigende", de smet door de zonde veroorzaakt zou worden weggenomen. Ten tweede kan iemand nog zondaar genoemd worden omdat hij wil zondigen en het voornemen heeft in de zonden te volharden. Aan zulke zondaars mag integendeel het doopsel niet worden toegediend; dit ten eerste omdat de mens door het doopsel een lidmaat wordt van Christus. De Brief aan de Galaten (3, 27) zegt namelijk: "en allen die in Christus gedoopt zijn hebt gij Christus aangedaan." — Zoolang echter iemand wil voortgaan met zondigen kan hij niet met Christus verenigd worden; en ten tweede in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (6, 14) staat immers geschreven: "Wat kunnen gerechtigheid en ongerechtigheid wel gemeen hebben." St. Augustinus zegt overigens in zijn Boek: "De Boetvaardigheid" (50, 2): "Niemand die over zijn vrije wil beschikt kan zonder over het verleden berouw te hebben een nieuw leven beginnen." Ten tweede, omdat onder de werken van God en van de H. Kerk niets mag tevergeefs geschieden. Welnu iets blijft vruchteloos wanneer het doel waartoe het werd ingesteld niet bereikt wordt. Zo kan dan ook niemand die bij zijn voornemen te zondigen blijft, tegelijkertijd van zijn zonden gereinigd worden, want daartoe werd juist het doopsel ingesteld. Ten derde, omdat de sacramentale tekenen niet mogen om de tuin leiden; een teken leidt immers om de tuin wanneer het niet te kennen geeft wat het voorstelt. Wanneer nu iemand zich aanbiedt om in het doopsel gereinigd te worden, wordt een innerlijke geschiktheid om gereinigd te worden voorgesteld, en daar zulks zeker niet aan iemand die voornemens blijft in de zonde te volharden plaats grijpt, zo is het klaarblijkelijk dat aan zulke mensen het sacrament van het doopsel niet behoort te worden toegediend.
B: (Eph 5:26) [b:Eph 5:26]
Mijn antwoord. Iemand kan op twee verschillende manieren zondaar zijn: ten eerste om de vlek en schuld van vorige zonden; aan zulke zondaars nu mag het doopsel worden toegediend; het doopsel werd immers vooral ingesteld opdat overeenkomstig de woorden uit de Brief aan de Ephesiërs (5, 26): "haar in het woord des levens als in een waterbad reinigende", de smet door de zonde veroorzaakt zou worden weggenomen. Ten tweede kan iemand nog zondaar genoemd worden omdat hij wil zondigen en het voornemen heeft in de zonden te volharden. Aan zulke zondaars mag integendeel het doopsel niet worden toegediend; dit ten eerste omdat de mens door het doopsel een lidmaat wordt van Christus. De Brief aan de Galaten (3, 27) zegt namelijk: "en allen die in Christus gedoopt zijn hebt gij Christus aangedaan." — Zoolang echter iemand wil voortgaan met zondigen kan hij niet met Christus verenigd worden; en ten tweede in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (6, 14) staat immers geschreven: "Wat kunnen gerechtigheid en ongerechtigheid wel gemeen hebben." St. Augustinus zegt overigens in zijn Boek: "De Boetvaardigheid" (50, 2): "Niemand die over zijn vrije wil beschikt kan zonder over het verleden berouw te hebben een nieuw leven beginnen." Ten tweede, omdat onder de werken van God en van de H. Kerk niets mag tevergeefs geschieden. Welnu iets blijft vruchteloos wanneer het doel waartoe het werd ingesteld niet bereikt wordt. Zo kan dan ook niemand die bij zijn voornemen te zondigen blijft, tegelijkertijd van zijn zonden gereinigd worden, want daartoe werd juist het doopsel ingesteld. Ten derde, omdat de sacramentale tekenen niet mogen om de tuin leiden; een teken leidt immers om de tuin wanneer het niet te kennen geeft wat het voorstelt. Wanneer nu iemand zich aanbiedt om in het doopsel gereinigd te worden, wordt een innerlijke geschiktheid om gereinigd te worden voorgesteld, en daar zulks zeker niet aan iemand die voornemens blijft in de zonde te volharden plaats grijpt, zo is het klaarblijkelijk dat aan zulke mensen het sacrament van het doopsel niet behoort te worden toegediend.
B: (Eph 5:26) [b:Eph 5:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Deze woorden moeten van zondaars die het voornemen hebben uit de zonde op te staan verstaan worden.
B: (2Cor 6:14) [b:2Cor 6:14] (Gal 3:27) [b:Gal 3:27]
1e Weerlegging. Deze woorden moeten van zondaars die het voornemen hebben uit de zonde op te staan verstaan worden.
B: (2Cor 6:14) [b:2Cor 6:14] (Gal 3:27) [b:Gal 3:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. De geestelijke geneesheer, Christus, is op twee verschillende manieren werkzaam. Vooreerst innerlijk door Zichzelf, wanneer Hij namelijk de wil van de mens voorbereidt om het goede te doen en het kwade te vluchten; verder door zijn bedienaars, wanneer Hij namelijk uiterlijk de sacramenten toedient en aldus uiterlijk voltrekt wat reeds innerlijk begonnen was. Daarom behoort het doopsel niet, behalve aan die zondaars die enig teken van innerlijke bekeering geven, te worden toegediend; zo wordt immers ook een stoffelijk geneesmiddel enkel voorgeschreven wanneer men vaststelt dat een zieke enig teken van leven geeft.
2e Weerlegging. De geestelijke geneesheer, Christus, is op twee verschillende manieren werkzaam. Vooreerst innerlijk door Zichzelf, wanneer Hij namelijk de wil van de mens voorbereidt om het goede te doen en het kwade te vluchten; verder door zijn bedienaars, wanneer Hij namelijk uiterlijk de sacramenten toedient en aldus uiterlijk voltrekt wat reeds innerlijk begonnen was. Daarom behoort het doopsel niet, behalve aan die zondaars die enig teken van innerlijke bekeering geven, te worden toegediend; zo wordt immers ook een stoffelijk geneesmiddel enkel voorgeschreven wanneer men vaststelt dat een zieke enig teken van leven geeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Het doopsel is het sacrament van het geloof. Alleen is een dood geloof voor de zaligheid onvoldoende en kan er ook de grondslag niet van zijn; dit is enkel het levend geloof, dat zoals Augustinus in zijn Boek: "Het geloof en de werken" (16) zegt: "daar de liefde werkt, zo kan dan het sacrament van het doopsel, wanneer het met de wil te zondigen samengaat, geen zaligheid verwekken; dit maakt immers het levend geloof ongelijk; met het inprenten van het merkteken toch is iemand nog niet op de genade voorbereid zolang in hem de wil om te zondigen blijft voortbestaan." Naar het woord van St. Joannes Damascenus in "Het rechtzinnig geloof" (2, 30) "dwingt God immers niemand om deugdzaam te leven".
3e Weerlegging. Het doopsel is het sacrament van het geloof. Alleen is een dood geloof voor de zaligheid onvoldoende en kan er ook de grondslag niet van zijn; dit is enkel het levend geloof, dat zoals Augustinus in zijn Boek: "Het geloof en de werken" (16) zegt: "daar de liefde werkt, zo kan dan het sacrament van het doopsel, wanneer het met de wil te zondigen samengaat, geen zaligheid verwekken; dit maakt immers het levend geloof ongelijk; met het inprenten van het merkteken toch is iemand nog niet op de genade voorbereid zolang in hem de wil om te zondigen blijft voortbestaan." Naar het woord van St. Joannes Damascenus in "Het rechtzinnig geloof" (2, 30) "dwingt God immers niemand om deugdzaam te leven".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Moet men aan de zondaars die het doopsel ontvingen werken van genoegdoening opleggen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 68 a. 6 co.
IIIa q. 69 a. 2 co.
IIIa q. 69 a. 2 co.
IIIa q. 69 a. 3 co.[t:iiia q. 68 a. 6 co.][t:iiia q. 69 a. 2 co.][t:iiia q. 69 a. 2 co.][t:iiia q. 69 a. 3 co.]
IIIa q. 68 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. De gedoopte zondaars moeten werken van genoegdoening opgelegd worden. Het strookt met Gods rechtvaardigheid dat iemand voor iedere zonde die hij bedreven heeft gestraft wordt. De Prediker (12, 14) zegt immers : "God zal alles wat gebeurd is ten oordeel brengen." Welnu, de zondaars worden tot uitboeting van hun vroegere zonden werken van genoegdoening opgelegd. Zo moeten dus ook aan pas gedoopte zondaars werken van genoegdoening worden opgelegd.
B: (Eccl 12:14) [b:Eccl 12:14]
IIIa q. 68 a. 6 co.
IIIa q. 69 a. 2 co.
IIIa q. 69 a. 2 co.
IIIa q. 69 a. 3 co.[t:iiia q. 68 a. 6 co.][t:iiia q. 69 a. 2 co.][t:iiia q. 69 a. 2 co.][t:iiia q. 69 a. 3 co.]
IIIa q. 68 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. De gedoopte zondaars moeten werken van genoegdoening opgelegd worden. Het strookt met Gods rechtvaardigheid dat iemand voor iedere zonde die hij bedreven heeft gestraft wordt. De Prediker (12, 14) zegt immers : "God zal alles wat gebeurd is ten oordeel brengen." Welnu, de zondaars worden tot uitboeting van hun vroegere zonden werken van genoegdoening opgelegd. Zo moeten dus ook aan pas gedoopte zondaars werken van genoegdoening worden opgelegd.
B: (Eccl 12:14) [b:Eccl 12:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 5 arg. 2
Vervolgens. De zondaars die pas tot werken van gerechtigheid bekeerd werden, worden door de hun opgelegde werken van genoegdoening in de deugd geoefend, en zo worden de gelegenheden tot zonde van hen verwijderd. Voor de zonde voldoening schenken is immers zo goed als de oorzaak der zonde vernietigen en de zonde allen toegang ontzeggen. Welnu, dit is bij mensen die even gedoopt werden vooral noodig, en zo moeten dus aan de zondaars werken van genoegdoening worden opgelegd.
Vervolgens. De zondaars die pas tot werken van gerechtigheid bekeerd werden, worden door de hun opgelegde werken van genoegdoening in de deugd geoefend, en zo worden de gelegenheden tot zonde van hen verwijderd. Voor de zonde voldoening schenken is immers zo goed als de oorzaak der zonde vernietigen en de zonde allen toegang ontzeggen. Welnu, dit is bij mensen die even gedoopt werden vooral noodig, en zo moeten dus aan de zondaars werken van genoegdoening worden opgelegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Men moet evenzeer aan God als aan de evenmens zijn schuld uitkeren. Welnu wanneer iemand even gedoopt werd, dient hem te worden aangeplicht de schade, die hij wellicht zijn naaste berokkend heeft, te herstellen. Zo moet hem dus eveneens worden aangeplicht door werken van genoegdoening zijn schuld tegenover God te vereffenen.
Vervolgens. Men moet evenzeer aan God als aan de evenmens zijn schuld uitkeren. Welnu wanneer iemand even gedoopt werd, dient hem te worden aangeplicht de schade, die hij wellicht zijn naaste berokkend heeft, te herstellen. Zo moet hem dus eveneens worden aangeplicht door werken van genoegdoening zijn schuld tegenover God te vereffenen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter wat St. Ambrosius op de woorden uit de Brief aan de Romeinen (11, 29) zegt: "Nooit heeft God berouw over zijn genadegaven en zijn roeping", zegt: "God geeft bij het doopsel de genade zonder tranen noch weeklaag en zonder een of ander werk te vorderen; alleen geloof vraagt Hij en alles scheldt Hij om niets kwijt."
B: (Rom 11:29) [b:Rom 11:29]
Daartegenover staat echter wat St. Ambrosius op de woorden uit de Brief aan de Romeinen (11, 29) zegt: "Nooit heeft God berouw over zijn genadegaven en zijn roeping", zegt: "God geeft bij het doopsel de genade zonder tranen noch weeklaag en zonder een of ander werk te vorderen; alleen geloof vraagt Hij en alles scheldt Hij om niets kwijt."
B: (Rom 11:29) [b:Rom 11:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 5 co.
Mijn antwoord. De apostel Paulus zegt in de Brief aan de Romeinen (6, 3) het volgende: "Allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, zijn in zijn dood gedoopt. Door het doopsel toch zijn we met Hem in zijn dood begraven." en dit op zulke wijze dat de mens door het doopsel aan de dood van Christus deelachtig wordt. Uit hetgeen hierboven gezegd werd (49° Kw. en 48° Kw.) blijkt immers duidelijk dat de dood van Christus wat de zonde, en niet alleen de onze, maar die van de hele wereld betreft, zoals overigens in de eerste Brief van Johannes (2, 2) staat, genoegdoeningskracht te over had. Daarom dan moet men aan de nieuw-gedoopten geen werken van genoegdoening opleggen; dit ware immers alsof deze niet tot volledige genoegdoening voor de zonden van alle gedoopten bestand waren, voor het lijden en de dood van Christus een beleediging.
B: (Rom 6:3) [b:Rom 6:3] (Rom 6:4) [b:Rom 6:4] (1John 2:2) [b:1John 2:2]
R: q. 48 a. 2[t:iiia q. 48 a. 2] q. 48 a. 4[t:iiia q. 48 a. 4] q. 49 a. 3[t:iiia q. 49 a. 3]
Mijn antwoord. De apostel Paulus zegt in de Brief aan de Romeinen (6, 3) het volgende: "Allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, zijn in zijn dood gedoopt. Door het doopsel toch zijn we met Hem in zijn dood begraven." en dit op zulke wijze dat de mens door het doopsel aan de dood van Christus deelachtig wordt. Uit hetgeen hierboven gezegd werd (49° Kw. en 48° Kw.) blijkt immers duidelijk dat de dood van Christus wat de zonde, en niet alleen de onze, maar die van de hele wereld betreft, zoals overigens in de eerste Brief van Johannes (2, 2) staat, genoegdoeningskracht te over had. Daarom dan moet men aan de nieuw-gedoopten geen werken van genoegdoening opleggen; dit ware immers alsof deze niet tot volledige genoegdoening voor de zonden van alle gedoopten bestand waren, voor het lijden en de dood van Christus een beleediging.
B: (Rom 6:3) [b:Rom 6:3] (Rom 6:4) [b:Rom 6:4] (1John 2:2) [b:1John 2:2]
R: q. 48 a. 2[t:iiia q. 48 a. 2] q. 48 a. 4[t:iiia q. 48 a. 4] q. 49 a. 3[t:iiia q. 49 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. In zijn Boek: "Het doopsel der kinderen" (26, 7) zegt St. Augustinus het volgende: "Het doopsel vermag de gedoopten bij Christus als zijn ledematen in te lijven." Het doopsel van Christus nu had voldoende genoegdoeningskracht voor de zonden der gedoopten, zoals wat één lidmaat onderstaat voor de zonde van een ander lidmaat kan genoegdoening schenken. Daarom zegt Isaias (53, 4) : "Hij heeft waarlijk onze kwalen op zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen."
B: (Isa 53:4) [b:Isa 53:4]
1e Weerlegging. In zijn Boek: "Het doopsel der kinderen" (26, 7) zegt St. Augustinus het volgende: "Het doopsel vermag de gedoopten bij Christus als zijn ledematen in te lijven." Het doopsel van Christus nu had voldoende genoegdoeningskracht voor de zonden der gedoopten, zoals wat één lidmaat onderstaat voor de zonde van een ander lidmaat kan genoegdoening schenken. Daarom zegt Isaias (53, 4) : "Hij heeft waarlijk onze kwalen op zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen."
B: (Isa 53:4) [b:Isa 53:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Degenen die pas gedoopt werden behoren niet door lastig, maar door gemakkelijk werk in de rechtvaardigheid geoefend te worden; "aldus zullen ze dankzij de melk van gemakkelijke oefeningen tot volmaaktheid opgeleid worden", dat zegt namelijk de Glossa op de woorden van de Psalm (130, 4) : "Gelijk een gespeend kind bij zijn moeder is." — Zo komt het dan dat de Heer zijn nieuwbekeerde leerlingen overeenkomstig wat Mt. (9) geschreven heeft, van de vasten ontsloeg. Daarbij zegt Petrus in zijn eerste Brief (2, 2) : "Verlangt als pasgeboren kindertjes naar melk opdat ge daardoor tot zaligheid moogt opgroeien."
B: (Ps 130:2) [b:Ps 130:2] (Matt 9:14) [b:Matt 9:14] (Matt 9:15) [b:Matt 9:15] (1Pet 2:2) [b:1Pet 2:2]
2e Weerlegging. Degenen die pas gedoopt werden behoren niet door lastig, maar door gemakkelijk werk in de rechtvaardigheid geoefend te worden; "aldus zullen ze dankzij de melk van gemakkelijke oefeningen tot volmaaktheid opgeleid worden", dat zegt namelijk de Glossa op de woorden van de Psalm (130, 4) : "Gelijk een gespeend kind bij zijn moeder is." — Zo komt het dan dat de Heer zijn nieuwbekeerde leerlingen overeenkomstig wat Mt. (9) geschreven heeft, van de vasten ontsloeg. Daarbij zegt Petrus in zijn eerste Brief (2, 2) : "Verlangt als pasgeboren kindertjes naar melk opdat ge daardoor tot zaligheid moogt opgroeien."
B: (Ps 130:2) [b:Ps 130:2] (Matt 9:14) [b:Matt 9:14] (Matt 9:15) [b:Matt 9:15] (1Pet 2:2) [b:1Pet 2:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. De evenmens terug te geven wat men van hem ontvreemd heeft en voor gedane beleedigingen voldoening te schenken, is alleen ophouden met zondigen; dit juist, iemands goed te behouden of een verongelijkte geen bevrediging te schenken is immers zonde. Daarom moet dan ook aan gedoopte zondaars evenzeer worden opgelegd hun evennaaste voldoening te schenken als niet meer te zondigen; een of ander werk tot uitboeting van bedreven zonden te verrichten moet hun echter niet worden opgelegd.
3e Weerlegging. De evenmens terug te geven wat men van hem ontvreemd heeft en voor gedane beleedigingen voldoening te schenken, is alleen ophouden met zondigen; dit juist, iemands goed te behouden of een verongelijkte geen bevrediging te schenken is immers zonde. Daarom moet dan ook aan gedoopte zondaars evenzeer worden opgelegd hun evennaaste voldoening te schenken als niet meer te zondigen; een of ander werk tot uitboeting van bedreven zonden te verrichten moet hun echter niet worden opgelegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Zijn de zondaars verplicht wanneer ze willen het doopsel ontvangen hun zonden te belijden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIa-IIae q. 100 a. 2 arg. 1[t:iia-iiae q. 100 a. 2 arg. 1]
IIIa q. 68 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert dat zondaars die willen het doopsel ontvangen hun zonden moeten belijden. In het Evangelie van Mt. (3, 6) wordt verhaald dat velen door Joannes in de Jordaan gedoopt werden en hun zonden beleden. Welnu, het doopsel van Christus is volmaakter dan het doopsel van Joannes. Zo moeten dus degenen die met het doopsel van Christus gedoopt worden nog veel eerder hun zonden belijden.
B: (Matt 3:6) [b:Matt 3:6]
IIa-IIae q. 100 a. 2 arg. 1[t:iia-iiae q. 100 a. 2 arg. 1]
IIIa q. 68 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert dat zondaars die willen het doopsel ontvangen hun zonden moeten belijden. In het Evangelie van Mt. (3, 6) wordt verhaald dat velen door Joannes in de Jordaan gedoopt werden en hun zonden beleden. Welnu, het doopsel van Christus is volmaakter dan het doopsel van Joannes. Zo moeten dus degenen die met het doopsel van Christus gedoopt worden nog veel eerder hun zonden belijden.
B: (Matt 3:6) [b:Matt 3:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Het Boek der Spreuken (28, 13) zegt het volgende: "Hij die zijn zonden verborgen houdt kan niet rechtvaardig gemaakt worden; hij integendeel die zijn zonden belijdt en ze verlaat zal barmhartigheid verwerven." — Welnu, men wordt gedoopt om voor zijn zonden barmhartigheid te verkrijgen en zo moet hij die wil gedoopt worden zijn zonden belijden.
B: (Prov 28:13) [b:Prov 28:13]
Vervolgens. Het Boek der Spreuken (28, 13) zegt het volgende: "Hij die zijn zonden verborgen houdt kan niet rechtvaardig gemaakt worden; hij integendeel die zijn zonden belijdt en ze verlaat zal barmhartigheid verwerven." — Welnu, men wordt gedoopt om voor zijn zonden barmhartigheid te verkrijgen en zo moet hij die wil gedoopt worden zijn zonden belijden.
B: (Prov 28:13) [b:Prov 28:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Vóór het doopsel moet men boetvaardigheid doen. De Handel der Apostelen (2, 38) zeggen immers: "Laat iedereen van u boete doen en het doopsel ontvangen." Welnu, de belijdenis der zonden is een deel der boetvaardigheid. Zo wordt dus vóór het doopsel de belijdenis der zonden vereist.
B: (Acts 2:38) [b:Acts 2:38]
Vervolgens. Vóór het doopsel moet men boetvaardigheid doen. De Handel der Apostelen (2, 38) zeggen immers: "Laat iedereen van u boete doen en het doopsel ontvangen." Welnu, de belijdenis der zonden is een deel der boetvaardigheid. Zo wordt dus vóór het doopsel de belijdenis der zonden vereist.
B: (Acts 2:38) [b:Acts 2:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter dat de belijdenis der zonden al wenend moet geschieden. St. Augustinus zegt immers in zijn Boek: "Echte en valse boetvaardigheid" (14): "Al die verschillende zonden moeten beleden en beweend worden." — Welnu, de H. Ambrosius zegt dat "de genade Gods in het doopsel zonder tranen en zonder klachten verleend wordt." Zo moet men dus van de nieuwgedoopten geen zondenbelijdenis vorderen.
B: (Rom 11:29) [b:Rom 11:29]
Daartegenover staat echter dat de belijdenis der zonden al wenend moet geschieden. St. Augustinus zegt immers in zijn Boek: "Echte en valse boetvaardigheid" (14): "Al die verschillende zonden moeten beleden en beweend worden." — Welnu, de H. Ambrosius zegt dat "de genade Gods in het doopsel zonder tranen en zonder klachten verleend wordt." Zo moet men dus van de nieuwgedoopten geen zondenbelijdenis vorderen.
B: (Rom 11:29) [b:Rom 11:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 6 co.
Mijn antwoord. De belijdenis der zonden kan op tweeërlei wijze geschieden: ofwel als innerlijke belijdenis die aan God alleen gedaan wordt, en zulk een belijdenis wordt, opdat de mens aan zijn zonden zou denken en er over bedroefd is, vóór het doopsel geeist. Naar hetgeen St. Augustinus zelf zegt in zijn Boek: "De boetvaardigheid" (50, 2) gaat het immers niet aan een nieuw leven te beginnen zolang men over het verleden geen spijt heeft; — ofwel kan ze als uiterlijke belijdenis van zonden die voor een priester gedaan wordt geschieden. Welnu een dergelijke belijdenis wordt vóór het doopsel niet vereist. Een dergelijke belijdenis is immers ten eerste, daar ze ten overstaan van de persoon van de bedienaar geschiedt op het sacrament der biecht, dat niet vereist wordt vóór het doopsel, aangewezen; het doopsel toch is de poort die tot alle andere sacramenten toegang verleent. Ten tweede dient de uiterlijke belijdenis, die voor de priester gedaan wordt, tot ontslaging van zonden door de priester die dan als een genoegdoeningswerk oplegt. Dit nu moet, zoals we hierboven, in het vorig artikel nl., bewezen hebben, aan nieuwgedoopten niet worden opgelegd; ja zelfs hebben de nieuwgedoopten de vergiffenis van zonden door de sleutelmacht niet vandoen; alles toch wordt hun door het doopsel kwijtgescholden. Ten derde valt die nauwgezette belijdenis aan een mens het schaamtegevoel van de biechteling zwaar. Welnu aan nieuwgedoopten mag geen enkele uiterlijke straf worden opgelegd, en daarom wordt bij het doopsel geen bijzondere zondenbelijdenis vereist. Een algemene belijdenis integendeel kan ruim volstaan, en deze geschiedt wanneer de doopling overeenkomstig de ritus der Kerk aan de duivel en aan al zijn praalvertoon verzaakt. Aldus zegt overigens een Glosse op Mtt. (3) : "Aan het doopsel van Joannes werd de gedoopten om hun zonden te belijden en een beter leven te beloven een voorbeeld voorgehouden." Wil nu een doopling uit godsvrucht toch zijn zonden belijden, dan moet men, niet om hem werken van genoegdoening te kunnen opleggen, maar om hem, wat de zonden betreft die hij gewoonlijk bedrijft, een levensregel voor te houden, zijn belijdenis aanhoren.
R: q. 68 a. 5[t:iiia q. 68 a. 5]
Mijn antwoord. De belijdenis der zonden kan op tweeërlei wijze geschieden: ofwel als innerlijke belijdenis die aan God alleen gedaan wordt, en zulk een belijdenis wordt, opdat de mens aan zijn zonden zou denken en er over bedroefd is, vóór het doopsel geeist. Naar hetgeen St. Augustinus zelf zegt in zijn Boek: "De boetvaardigheid" (50, 2) gaat het immers niet aan een nieuw leven te beginnen zolang men over het verleden geen spijt heeft; — ofwel kan ze als uiterlijke belijdenis van zonden die voor een priester gedaan wordt geschieden. Welnu een dergelijke belijdenis wordt vóór het doopsel niet vereist. Een dergelijke belijdenis is immers ten eerste, daar ze ten overstaan van de persoon van de bedienaar geschiedt op het sacrament der biecht, dat niet vereist wordt vóór het doopsel, aangewezen; het doopsel toch is de poort die tot alle andere sacramenten toegang verleent. Ten tweede dient de uiterlijke belijdenis, die voor de priester gedaan wordt, tot ontslaging van zonden door de priester die dan als een genoegdoeningswerk oplegt. Dit nu moet, zoals we hierboven, in het vorig artikel nl., bewezen hebben, aan nieuwgedoopten niet worden opgelegd; ja zelfs hebben de nieuwgedoopten de vergiffenis van zonden door de sleutelmacht niet vandoen; alles toch wordt hun door het doopsel kwijtgescholden. Ten derde valt die nauwgezette belijdenis aan een mens het schaamtegevoel van de biechteling zwaar. Welnu aan nieuwgedoopten mag geen enkele uiterlijke straf worden opgelegd, en daarom wordt bij het doopsel geen bijzondere zondenbelijdenis vereist. Een algemene belijdenis integendeel kan ruim volstaan, en deze geschiedt wanneer de doopling overeenkomstig de ritus der Kerk aan de duivel en aan al zijn praalvertoon verzaakt. Aldus zegt overigens een Glosse op Mtt. (3) : "Aan het doopsel van Joannes werd de gedoopten om hun zonden te belijden en een beter leven te beloven een voorbeeld voorgehouden." Wil nu een doopling uit godsvrucht toch zijn zonden belijden, dan moet men, niet om hem werken van genoegdoening te kunnen opleggen, maar om hem, wat de zonden betreft die hij gewoonlijk bedrijft, een levensregel voor te houden, zijn belijdenis aanhoren.
R: q. 68 a. 5[t:iiia q. 68 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Bij het doopsel van Joannes werden de zonden niet vergeven, dit was immers een doopsel van boetvaardigheid. Zo was het dan passend dat zij die het doopsel wilden ontvangen, hun zonden zouden belijden, en overeenstemmig de aard der zonde, kregen ze werken van boetvaardigheid. Zo geldt bewuste reden dus niet voor dit geval.
B: (Matt 3:6) [b:Matt 3:6]
1e Weerlegging. Bij het doopsel van Joannes werden de zonden niet vergeven, dit was immers een doopsel van boetvaardigheid. Zo was het dan passend dat zij die het doopsel wilden ontvangen, hun zonden zouden belijden, en overeenstemmig de aard der zonde, kregen ze werken van boetvaardigheid. Zo geldt bewuste reden dus niet voor dit geval.
B: (Matt 3:6) [b:Matt 3:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Voor dopelingen kunnen de innerlijke belijdenis die aan God gedaan wordt, en de algemene uiterlijke belijdenis, opdat ze de rechten weg zouden uitgaan en barmhartigheid verwerven, volstaan. Een bijzondere uiterlijke belijdenis wordt, zoals we in de leerstelling zeiden, niet vereist.
2e Weerlegging. Voor dopelingen kunnen de innerlijke belijdenis die aan God gedaan wordt, en de algemene uiterlijke belijdenis, opdat ze de rechten weg zouden uitgaan en barmhartigheid verwerven, volstaan. Een bijzondere uiterlijke belijdenis wordt, zoals we in de leerstelling zeiden, niet vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. De Belijdenis is een deel van het Sacrament der Biecht, dat, zoals in de leerstelling staat, vóór het doopsel niet vereist wordt. De beoefening van de innerlijke deugd van boetvaardigheid is echter bij het doopsel wel vandoen.
B: (Rom 11:29) [b:Rom 11:29]
3e Weerlegging. De Belijdenis is een deel van het Sacrament der Biecht, dat, zoals in de leerstelling staat, vóór het doopsel niet vereist wordt. De beoefening van de innerlijke deugd van boetvaardigheid is echter bij het doopsel wel vandoen.
B: (Rom 11:29) [b:Rom 11:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Moet de dopeling het opzet hebben het doopsel te ontvangen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 68 a. 9 arg. 1
IIIa q. 68 a. 12 arg. 1[t:iiia q. 68 a. 9 arg. 1][t:iiia q. 68 a. 12 arg. 1]
IIIa q. 68 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat tot de geldigheid van het doopsel niet vereist wordt dat de dopeling zou het opzet hebben het sacrament van het doopsel te ontvangen. De dopeling blijft wanneer hij het doopsel ontvangt, lijdzaam. Welnu het opzet te hebben een of ander te verrichten of te ontvangen, gaat eerder op iemand terug die werkend optreedt, dan wel op iemand die lijdzaam blijft toezien en laat gebeuren. Zo wordt dus tot de geldigheid niet vereischt dat de dopeling zou het opzet hebben het doopsel te ontvangen.
IIIa q. 68 a. 9 arg. 1
IIIa q. 68 a. 12 arg. 1[t:iiia q. 68 a. 9 arg. 1][t:iiia q. 68 a. 12 arg. 1]
IIIa q. 68 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat tot de geldigheid van het doopsel niet vereist wordt dat de dopeling zou het opzet hebben het sacrament van het doopsel te ontvangen. De dopeling blijft wanneer hij het doopsel ontvangt, lijdzaam. Welnu het opzet te hebben een of ander te verrichten of te ontvangen, gaat eerder op iemand terug die werkend optreedt, dan wel op iemand die lijdzaam blijft toezien en laat gebeuren. Zo wordt dus tot de geldigheid niet vereischt dat de dopeling zou het opzet hebben het doopsel te ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Wanneer iets dat tot de geldigheid vereist wordt werd overgeslagen, moet men herdopen, zo bijvoorbeeld wanneer vergeten werd de H. Drievuldigheid aan te roepen; dit toch hebben we hierboven aangetoond (66° Kw., 6° art.). Welnu, iemand moet, wanneer hij niet het opzet had zich te laten dopen, niet herdoopt worden; anders toch zou eenieder, daar het niet immer vaststaat dat iemand wel degelijk dit opzet gehad heeft, kunnen aanvragen om wegens gebrek aan opzet andermaal gedoopt te worden. Zo wordt dus om het sacrament te ontvangen niet vereist dat men het opzet hebben zich te laten dopen.
R: q. 66 a. 9 ad 3[t:iiia q. 66 a. 9 ad 3]
Vervolgens. Wanneer iets dat tot de geldigheid vereist wordt werd overgeslagen, moet men herdopen, zo bijvoorbeeld wanneer vergeten werd de H. Drievuldigheid aan te roepen; dit toch hebben we hierboven aangetoond (66° Kw., 6° art.). Welnu, iemand moet, wanneer hij niet het opzet had zich te laten dopen, niet herdoopt worden; anders toch zou eenieder, daar het niet immer vaststaat dat iemand wel degelijk dit opzet gehad heeft, kunnen aanvragen om wegens gebrek aan opzet andermaal gedoopt te worden. Zo wordt dus om het sacrament te ontvangen niet vereist dat men het opzet hebben zich te laten dopen.
R: q. 66 a. 9 ad 3[t:iiia q. 66 a. 9 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Het doopsel is een geneesmiddel tegen de erfzonde. Welnu, als men geboren wordt loopt men zonder het te willen die zonde op. Zo vordert dus het doopsel tot de geldigheid geen opzet van wege de doopling.
Vervolgens. Het doopsel is een geneesmiddel tegen de erfzonde. Welnu, als men geboren wordt loopt men zonder het te willen die zonde op. Zo vordert dus het doopsel tot de geldigheid geen opzet van wege de doopling.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter dat volgens de ritus der H. Kerk de dopelingen moeten getuigen dat ze de H. Kerk om het doopsel vragen, en aldus hun opzet te willen gedoopt worden bekend maken.
Daartegenover staat echter dat volgens de ritus der H. Kerk de dopelingen moeten getuigen dat ze de H. Kerk om het doopsel vragen, en aldus hun opzet te willen gedoopt worden bekend maken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 7 co.
Mijn antwoord. Door het doopsel sterft de mens voor het oude leven der zonde en begint een nieuw leven te leven; aldus zegt nl. de Brief aan de Romeinen (6, 4): "Wij zijn dan door het doopsel met Christus in zijn dood begraven, opdat wij zoals Christus door de glorie van de Vader uit de doden werd opgewekt, evenzo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen." Volgens St. Augustinus nu, wordt er, opdat een mens voor het oude leven zou sterven, vereist dat hij, indien hij althans het gebruik heeft van zijn vrije wil, juist zoals hij over zijn verleden dient berouw te hebben, evenzo voornemens is een nieuw leven te beginnen. Welnu dit begin komt op het ontvangen van dit sacrament neer, en zo wordt dus van de kant van de gedoopte vereist dat hij wil het doopsel ontvangen of het opzet vormt het te ontvangen.
B: (Rom 6:4) [b:Rom 6:4]
Mijn antwoord. Door het doopsel sterft de mens voor het oude leven der zonde en begint een nieuw leven te leven; aldus zegt nl. de Brief aan de Romeinen (6, 4): "Wij zijn dan door het doopsel met Christus in zijn dood begraven, opdat wij zoals Christus door de glorie van de Vader uit de doden werd opgewekt, evenzo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen." Volgens St. Augustinus nu, wordt er, opdat een mens voor het oude leven zou sterven, vereist dat hij, indien hij althans het gebruik heeft van zijn vrije wil, juist zoals hij over zijn verleden dient berouw te hebben, evenzo voornemens is een nieuw leven te beginnen. Welnu dit begin komt op het ontvangen van dit sacrament neer, en zo wordt dus van de kant van de gedoopte vereist dat hij wil het doopsel ontvangen of het opzet vormt het te ontvangen.
B: (Rom 6:4) [b:Rom 6:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Bij de rechtvaardiging door het doopsel is er geen gedwongen maar wel een vrijwillige lijdzaamheid. Zo wordt dan het opzet om wat toegediend wordt te ontvangen vereist.
1e Weerlegging. Bij de rechtvaardiging door het doopsel is er geen gedwongen maar wel een vrijwillige lijdzaamheid. Zo wordt dan het opzet om wat toegediend wordt te ontvangen vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Indien een volwassen mens niet het opzet had gedoopt te worden, dan zou hij moeten herdoopt worden. Wanneer dit echter niet met zekerheid kan worden uitgemaakt, moet men bij het doopsel zeggen: "Indien je niet gedoopt zijt, dan doop ik u."
2e Weerlegging. Indien een volwassen mens niet het opzet had gedoopt te worden, dan zou hij moeten herdoopt worden. Wanneer dit echter niet met zekerheid kan worden uitgemaakt, moet men bij het doopsel zeggen: "Indien je niet gedoopt zijt, dan doop ik u."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Het doopsel wordt niet alleen tegen de erfzonde doch ook tegen de dadelijke zonden aangewend. Deze nu worden door toedoen van de wil en het opzet bedreven.
3e Weerlegging. Het doopsel wordt niet alleen tegen de erfzonde doch ook tegen de dadelijke zonden aangewend. Deze nu worden door toedoen van de wil en het opzet bedreven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Wordt tot de geldigheid van het doopsel vereist dat de dopeling zou geloven?
IIIa q. 68 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert dat de dopeling om geldig het doopsel te ontvangen, moet geloven. Het sacrament van het doopsel werd door Christus ingesteld. Welnu, wanneer Christus de vorm van het doopsel overmaakte, sprak Hij eerst van het geloof, daarna van het doopsel. Hij zei nl. (Mc. 16, 16): "Wie gelooft en gedoopt is zal zalig worden." — Wanneer iemand dus geen geloof heeft kan hij het sacrament van het doopsel niet ontvangen.
B: (Mark 16:16) [b:Mark 16:16]
Over het achtste als volgt. Men beweert dat de dopeling om geldig het doopsel te ontvangen, moet geloven. Het sacrament van het doopsel werd door Christus ingesteld. Welnu, wanneer Christus de vorm van het doopsel overmaakte, sprak Hij eerst van het geloof, daarna van het doopsel. Hij zei nl. (Mc. 16, 16): "Wie gelooft en gedoopt is zal zalig worden." — Wanneer iemand dus geen geloof heeft kan hij het sacrament van het doopsel niet ontvangen.
B: (Mark 16:16) [b:Mark 16:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Bij het toedienen van de heilige sacramenten doet de H. Kerk niets tevergeefs. Welnu, overeenkomstig de ritus der H. Kerk wordt hij die ten doop komt, over zijn geloof ondervraagd. Er wordt hem immers gevraagd: "Gelooft gij in God de Va- der, enz..." — Zo is dus het geloof een vereiste tot de geldigheid van het doopsel.
Vervolgens. Bij het toedienen van de heilige sacramenten doet de H. Kerk niets tevergeefs. Welnu, overeenkomstig de ritus der H. Kerk wordt hij die ten doop komt, over zijn geloof ondervraagd. Er wordt hem immers gevraagd: "Gelooft gij in God de Va- der, enz..." — Zo is dus het geloof een vereiste tot de geldigheid van het doopsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Om het doopsel te ontvangen moet men ook het opzet hebben het doopsel te ontvangen. Welnu, dit kan niet zonder het ware geloof; het doopsel toch is het sacrament van het ware geloof, want door het doopsel worden de mensen, zoals St. Augustinus in zijn boek: "Over het doopsel der kleinen» (c. 26) zegt, bij Christus ingelijfd. Dit laatste nu gaat zonder het geloof niet aan; in de Brief aan de Ephesiërs (3, 17) staat immers geschreven: "Christus woont in uw hart door het geloof». Zo kan dus hij die het ware geloof niet heeft het sacrament van het doopsel niet ontvangen.
B: (Eph 3:17) [b:Eph 3:17]
Vervolgens. Om het doopsel te ontvangen moet men ook het opzet hebben het doopsel te ontvangen. Welnu, dit kan niet zonder het ware geloof; het doopsel toch is het sacrament van het ware geloof, want door het doopsel worden de mensen, zoals St. Augustinus in zijn boek: "Over het doopsel der kleinen» (c. 26) zegt, bij Christus ingelijfd. Dit laatste nu gaat zonder het geloof niet aan; in de Brief aan de Ephesiërs (3, 17) staat immers geschreven: "Christus woont in uw hart door het geloof». Zo kan dus hij die het ware geloof niet heeft het sacrament van het doopsel niet ontvangen.
B: (Eph 3:17) [b:Eph 3:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 8 arg. 4
Vervolgens. Het ongeloof is, zoals in het tweede deel (2-2 KW. 10, 3e art.) staat, de zwaarste zonde. Welnu, zij die in hun zonden volharden, mogen niet gedoopt worden en zij die in het ongeloof volharden dus evenmin.
R: IIa-IIae q. 10 a. 3[t:iia-iiae q. 10 a. 3]
Vervolgens. Het ongeloof is, zoals in het tweede deel (2-2 KW. 10, 3e art.) staat, de zwaarste zonde. Welnu, zij die in hun zonden volharden, mogen niet gedoopt worden en zij die in het ongeloof volharden dus evenmin.
R: IIa-IIae q. 10 a. 3[t:iia-iiae q. 10 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter wat paus Gregorius aan bisschop Quirinus schreef (Register. 9, 61): "De oude overlevering der vaderen heeft ons geleerd dat als diegenen die bij de ketters in de naam der H. Drievuldigheid gedoopt worden naar de H. Kerk terugkeren, deze na een inbalsing met chrisma of na een handenoplegging, ook alleen na een geloofsbelijdenis, in de schoot der heilige kerk ontvangen worden." Indien nu het ware geloof voor de geldigheid van het doopsel nodig was, zou zulks niet kunnen. Zo wordt dan het ware geloof niet tot de geldigheid van het doopsel vereist.
Daartegenover staat echter wat paus Gregorius aan bisschop Quirinus schreef (Register. 9, 61): "De oude overlevering der vaderen heeft ons geleerd dat als diegenen die bij de ketters in de naam der H. Drievuldigheid gedoopt worden naar de H. Kerk terugkeren, deze na een inbalsing met chrisma of na een handenoplegging, ook alleen na een geloofsbelijdenis, in de schoot der heilige kerk ontvangen worden." Indien nu het ware geloof voor de geldigheid van het doopsel nodig was, zou zulks niet kunnen. Zo wordt dan het ware geloof niet tot de geldigheid van het doopsel vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 8 co.
Mijn antwoord. Zoals we hierboven hebben aangetoond (63° Kw. 6° art. en 69° Kw. 4° en 6° art.) verwekt het doopsel in de ziel een dubbel uitwerksel, het merkteken namelijk en de genade. Zo kan iets dus op een dubbele manier voor het doopsel vandoen zijn; vooreerst op zulke manier dat men anders de genade die het laatste uitwerksel van dit sacrament is, niet kan ontvangen, en dit gebeurt wanneer men niet het ware geloof bezit. De Brief aan de Romeinen (3, 22) zegt immers: "Door het geloof in Jezus-Christus is het dat we rechtvaardig gemaakt worden." — verder zódanig dat anders het merkteken niet in de ziel geprent wordt. Daartoe wordt echter, zolang het overige dat voor de geldigheid nodig is maar voltrokken wordt, het ware geloof noch in de doopling noch zelfs in de doper vereist. Het sacrament van het doopsel wordt immers niet door de rechtvaardigheid van de mens die het doopsel toedient of van hem die het ontvangt, maar door toedoen van de kracht van God, voltrokken.
B: (Rom 3:22) [b:Rom 3:22]
R: q. 63 a. 6[t:iiia q. 63 a. 6] q. 66 a. 9[t:iiia q. 66 a. 9]
Mijn antwoord. Zoals we hierboven hebben aangetoond (63° Kw. 6° art. en 69° Kw. 4° en 6° art.) verwekt het doopsel in de ziel een dubbel uitwerksel, het merkteken namelijk en de genade. Zo kan iets dus op een dubbele manier voor het doopsel vandoen zijn; vooreerst op zulke manier dat men anders de genade die het laatste uitwerksel van dit sacrament is, niet kan ontvangen, en dit gebeurt wanneer men niet het ware geloof bezit. De Brief aan de Romeinen (3, 22) zegt immers: "Door het geloof in Jezus-Christus is het dat we rechtvaardig gemaakt worden." — verder zódanig dat anders het merkteken niet in de ziel geprent wordt. Daartoe wordt echter, zolang het overige dat voor de geldigheid nodig is maar voltrokken wordt, het ware geloof noch in de doopling noch zelfs in de doper vereist. Het sacrament van het doopsel wordt immers niet door de rechtvaardigheid van de mens die het doopsel toedient of van hem die het ontvangt, maar door toedoen van de kracht van God, voltrokken.
B: (Rom 3:22) [b:Rom 3:22]
R: q. 63 a. 6[t:iiia q. 63 a. 6] q. 66 a. 9[t:iiia q. 66 a. 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. De Heer spreekt hier van het doopsel, voorzover het de mens met hulp van de heiligmakende genade ter zaligheid brengt. Dit nu gaat zonder het ware geloof niet aan, en daarom zegt de Heer uitdrukkelijk: "Hij die gelooft en gedoopt wordt zal zalig worden."
1e Weerlegging. De Heer spreekt hier van het doopsel, voorzover het de mens met hulp van de heiligmakende genade ter zaligheid brengt. Dit nu gaat zonder het ware geloof niet aan, en daarom zegt de Heer uitdrukkelijk: "Hij die gelooft en gedoopt wordt zal zalig worden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Blijkens de woorden van Isaias (27, 9): "Heel de vrucht ervan komt neer op een reiniging van zonden", wil de heilige Kerk de mensen dopen om hen van hun zonden te zuiveren. Daarom tracht ze van haar kant het doopsel enkel aan hen die het ware geloof hebben toe te dienen, anders toch is er geen vergiffenis van zonden mogelijk en daarom vraagt ze de dopelingen of ze wel degelijk geloven. Wanneer immers iemand zonder het ware geloof buiten de heilige Kerk het doopsel ontvangt, dan ontvangt hij het niet tot eigen zaligheid. Sint Augustinus zegt derhalve: (Van het doopsel; tegen de Donatisten, 4, 1) "De heilige Kerk die bij een paradijs mag vergeleken worden, maakt ons duidelijk dat men wel buiten haar schoot om het doopsel kan ontvangen, maar dat zonder haar toedoen niemand kan tot de gelukzaligheid komen en deze bezitten.
2e Weerlegging. Blijkens de woorden van Isaias (27, 9): "Heel de vrucht ervan komt neer op een reiniging van zonden", wil de heilige Kerk de mensen dopen om hen van hun zonden te zuiveren. Daarom tracht ze van haar kant het doopsel enkel aan hen die het ware geloof hebben toe te dienen, anders toch is er geen vergiffenis van zonden mogelijk en daarom vraagt ze de dopelingen of ze wel degelijk geloven. Wanneer immers iemand zonder het ware geloof buiten de heilige Kerk het doopsel ontvangt, dan ontvangt hij het niet tot eigen zaligheid. Sint Augustinus zegt derhalve: (Van het doopsel; tegen de Donatisten, 4, 1) "De heilige Kerk die bij een paradijs mag vergeleken worden, maakt ons duidelijk dat men wel buiten haar schoot om het doopsel kan ontvangen, maar dat zonder haar toedoen niemand kan tot de gelukzaligheid komen en deze bezitten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Iemand kan wat andere geloofswaarheden betreft dwalen en toch wat het doopsel betreft een rechtzinnig geloof bezitten. Zo kan het dan wel eens gebeuren dat hij het opzet heeft het sacrament van het doopsel te ontvangen. Moet hij er echter aangaande het doopsel verkeerde begrippen op na houden, dan zou het om het sacrament te kunnen ontvangen volstaan als hij het algemene opzet had het doopsel, zoals Christus het instelde en de kerk het toedient, te ontvangen.
B: (Isa 27:9) [b:Isa 27:9]
3e Weerlegging. Iemand kan wat andere geloofswaarheden betreft dwalen en toch wat het doopsel betreft een rechtzinnig geloof bezitten. Zo kan het dan wel eens gebeuren dat hij het opzet heeft het sacrament van het doopsel te ontvangen. Moet hij er echter aangaande het doopsel verkeerde begrippen op na houden, dan zou het om het sacrament te kunnen ontvangen volstaan als hij het algemene opzet had het doopsel, zoals Christus het instelde en de kerk het toedient, te ontvangen.
B: (Isa 27:9) [b:Isa 27:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 8 ad 4
4e Weerlegging. Men mag het doopsel evenmin aan degenen die in de zonde volharden als aan degenen die hun ongeloof niet willen vaarwel zeggen toedienen. Niettemin ontvangen zij echter, wanneer het hun toegediend wordt, het doopsel op geldige wijze; alleen komt het dan hun zaligheid niet ten goede.
4e Weerlegging. Men mag het doopsel evenmin aan degenen die in de zonde volharden als aan degenen die hun ongeloof niet willen vaarwel zeggen toedienen. Niettemin ontvangen zij echter, wanneer het hun toegediend wordt, het doopsel op geldige wijze; alleen komt het dan hun zaligheid niet ten goede.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Behoren kinderen gedoopt te worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 68 a. 12 ad 1[t:iiia q. 68 a. 12 ad 1]
IIIa q. 68 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert dat kinderen niet behoren gedoopt te worden. Hij die wil gedoopt worden moet zoals hierboven (in het 7e artikel) werd aangetoond het opzet hebben het doopsel te ontvangen. Welnu, kleine kinderen kunnen, daar ze het gebruik van hun vrije wil niet hebben, zo een opzet niet vormen. Zo kunnen ze dus ook het sacrament van het doopsel niet ontvangen.
R: q. 68 a. 7[t:iiia q. 68 a. 7]
IIIa q. 68 a. 12 ad 1[t:iiia q. 68 a. 12 ad 1]
IIIa q. 68 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert dat kinderen niet behoren gedoopt te worden. Hij die wil gedoopt worden moet zoals hierboven (in het 7e artikel) werd aangetoond het opzet hebben het doopsel te ontvangen. Welnu, kleine kinderen kunnen, daar ze het gebruik van hun vrije wil niet hebben, zo een opzet niet vormen. Zo kunnen ze dus ook het sacrament van het doopsel niet ontvangen.
R: q. 68 a. 7[t:iiia q. 68 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 9 arg. 2
Vervolgens. Het doopsel is, zoals in de 85e Kw. 1e art. gezegd wordt, het sacrament van het geloof. Welnu, kinderen hebben geen geloof; naar wat St. Augustinus in zijn 26e *Traktaat op Johannes* en in het "Boek der Voorbeschikking" C. 5 zegt, hangt immers het geloof van de vrije wilsbeschikking der gelovigen af. Het gaat evenmin aan te zeggen dat ze door het geloof der ouders verlost worden; meermalen toch zijn de ouders ongelovig zodat om dit ongeloof de kinderen nog meer zouden verworpen worden. Zo mogen dan kinderen niet gedoopt worden.
R: q. 39 a. 5[t:iiia q. 39 a. 5] q. 66 a. 1 ad 1[t:iiia q. 66 a. 1 ad 1]
Vervolgens. Het doopsel is, zoals in de 85e Kw. 1e art. gezegd wordt, het sacrament van het geloof. Welnu, kinderen hebben geen geloof; naar wat St. Augustinus in zijn 26e *Traktaat op Johannes* en in het "Boek der Voorbeschikking" C. 5 zegt, hangt immers het geloof van de vrije wilsbeschikking der gelovigen af. Het gaat evenmin aan te zeggen dat ze door het geloof der ouders verlost worden; meermalen toch zijn de ouders ongelovig zodat om dit ongeloof de kinderen nog meer zouden verworpen worden. Zo mogen dan kinderen niet gedoopt worden.
R: q. 39 a. 5[t:iiia q. 39 a. 5] q. 66 a. 1 ad 1[t:iiia q. 66 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 9 arg. 3
Vervolgens. St. Petrus zegt in zijn Eerste Brief (3, 21): "Het doopsel, niet het wassen van de onreinheid van het vlees maar wel de bede tot God om een goed geweten, redt de mensen." Kinderen nu hebben noch een goed noch een slecht geweten, ze hebben immers niet het gebruik van het verstand, en, daar ze niet verstaan, zo gaat het ook niet aan ze te ondervragen. Zo moeten kinderen dus niet gedoopt worden.
B: (1Pet 3:21) [b:1Pet 3:21]
Vervolgens. St. Petrus zegt in zijn Eerste Brief (3, 21): "Het doopsel, niet het wassen van de onreinheid van het vlees maar wel de bede tot God om een goed geweten, redt de mensen." Kinderen nu hebben noch een goed noch een slecht geweten, ze hebben immers niet het gebruik van het verstand, en, daar ze niet verstaan, zo gaat het ook niet aan ze te ondervragen. Zo moeten kinderen dus niet gedoopt worden.
B: (1Pet 3:21) [b:1Pet 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 9 s. c.
Daartegenover staat echter dat Dionysius in zijn kerkelijke Hiërarchie (C. 7) zegt: Onze goddelijke leiders, de apostelen, namelijk hebben goedgekeurd dat kinderen zouden ten doop gedragen worden.
Daartegenover staat echter dat Dionysius in zijn kerkelijke Hiërarchie (C. 7) zegt: Onze goddelijke leiders, de apostelen, namelijk hebben goedgekeurd dat kinderen zouden ten doop gedragen worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 9 co.
Mijn antwoord. St. Paulus zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 17): "Indien immers door de schuld van éénen de dood om die ene, t. t. z. om Adam geheerst heeft, dan zullen veel meer zij die de overvloedige genade en gave der gerechtigheid gekregen hebben, door de éénen Jezus-Christus in het leven heerschen." Kinderen betrekken nu van de zonde van Adam, de erfzonde; dit blijkt toch uit het feit dat ze aan de dood die, zoals de apostel op dezelfde plaats zegt, door de zonde van de eerste mens over alle mensen gekomen is, onderworpen zijn. Zo kunnen kinderen dus nog veel meer door Christus de genade erlangen om in het eeuwige leven te heerschen. Jezus-Christus immers zelf zegt bij Joannes (3, 5) : "Indien iemand niet uit water en de H. Geest wordt wedergeboren dan kan hij het rijk Gods niet binnengaan." Daarom is het wel nodig kinderen te dopen, opdat ze zoals ze door de schuld van Adam wanneer ze geboren werden, een veroordeling opliepen, evenzo door Christus, wanneer ze worden wedergeboren, de zaligheid zouden erlangen. Verder is het nog goed hun het doopsel toe te dienen opdat ze, in hun kinderjaren in het christelijke leven opgevoed, overeenkomstig die woorden uit het Boek der Spreuken (22, 6) "De jongeling volgt zijn eigen weg en zelfs als hij oud wordt, laat hij zich niet afleiden", later te beter zouden volharden. Die reden laat Dionysius ook in zijn Kerkelijke Hierarchie (7 c.) gelden.
B: (Prov 22:5) [b:Prov 22:5] (John 3:5) [b:John 3:5] (Rom 5:12) [b:Rom 5:12] (Rom 5:17) [b:Rom 5:17]
Mijn antwoord. St. Paulus zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 17): "Indien immers door de schuld van éénen de dood om die ene, t. t. z. om Adam geheerst heeft, dan zullen veel meer zij die de overvloedige genade en gave der gerechtigheid gekregen hebben, door de éénen Jezus-Christus in het leven heerschen." Kinderen betrekken nu van de zonde van Adam, de erfzonde; dit blijkt toch uit het feit dat ze aan de dood die, zoals de apostel op dezelfde plaats zegt, door de zonde van de eerste mens over alle mensen gekomen is, onderworpen zijn. Zo kunnen kinderen dus nog veel meer door Christus de genade erlangen om in het eeuwige leven te heerschen. Jezus-Christus immers zelf zegt bij Joannes (3, 5) : "Indien iemand niet uit water en de H. Geest wordt wedergeboren dan kan hij het rijk Gods niet binnengaan." Daarom is het wel nodig kinderen te dopen, opdat ze zoals ze door de schuld van Adam wanneer ze geboren werden, een veroordeling opliepen, evenzo door Christus, wanneer ze worden wedergeboren, de zaligheid zouden erlangen. Verder is het nog goed hun het doopsel toe te dienen opdat ze, in hun kinderjaren in het christelijke leven opgevoed, overeenkomstig die woorden uit het Boek der Spreuken (22, 6) "De jongeling volgt zijn eigen weg en zelfs als hij oud wordt, laat hij zich niet afleiden", later te beter zouden volharden. Die reden laat Dionysius ook in zijn Kerkelijke Hierarchie (7 c.) gelden.
B: (Prov 22:5) [b:Prov 22:5] (John 3:5) [b:John 3:5] (Rom 5:12) [b:Rom 5:12] (Rom 5:17) [b:Rom 5:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. De geestelijke wedergeboorte door het doopsel valt in een zekere zin bij de geboorte naar het vlees te vergelijken; zoals immers kinderen die in de baarmoeder verblijven door zichzelf geen voedsel kunnen innemen maar door het voedsel van de moeder in het leven behouden worden, zo ook worden kinderen die nog geen gebruik kunnen maken van hun verstandelijke vermogens, in de baarmoeder der heilige Kerk opgenomen en erlangen de zaligheid niet door zichzelf, maar door een daad van de heilige Kerk. Daarover zegt St. Augustinus in zijn Boek : "De vergiffenis der zondaars en hun verdienste" (1, 25) het volgende : "Onze Moeder de heilige Kerk geeft aan de kleine kinderen haar moederlijke mond om ze met de heilige geheimen vertrouwd te maken; met hun eigen hart kunnen ze immers nog niet tot hun rechtvaardiging geloven, noch met hun eigen mond hun geloof tot hun zaligheid belijden." — Indien ze dus terecht gelovigen genoemd worden omdat ze door de mensen die ze dragen enigszins het geloof belijden, waarom zouden ze dan niet evenzeer mogen, wanneer degenen die ze dragen getuigen dat ze aan Satan en de wereld verzaken, als berouwhebbend aanzien worden? Om dezelfde reden dan mag men zeggen dat ze, niet door een daad van hun eigen vrije wil — ze spartelen immers wel eens tegen en schreeuwen — maar door de daad van die mensen die ze ten doopsel dragen, het opzet hebben het doopsel te ontvangen.
1e Weerlegging. De geestelijke wedergeboorte door het doopsel valt in een zekere zin bij de geboorte naar het vlees te vergelijken; zoals immers kinderen die in de baarmoeder verblijven door zichzelf geen voedsel kunnen innemen maar door het voedsel van de moeder in het leven behouden worden, zo ook worden kinderen die nog geen gebruik kunnen maken van hun verstandelijke vermogens, in de baarmoeder der heilige Kerk opgenomen en erlangen de zaligheid niet door zichzelf, maar door een daad van de heilige Kerk. Daarover zegt St. Augustinus in zijn Boek : "De vergiffenis der zondaars en hun verdienste" (1, 25) het volgende : "Onze Moeder de heilige Kerk geeft aan de kleine kinderen haar moederlijke mond om ze met de heilige geheimen vertrouwd te maken; met hun eigen hart kunnen ze immers nog niet tot hun rechtvaardiging geloven, noch met hun eigen mond hun geloof tot hun zaligheid belijden." — Indien ze dus terecht gelovigen genoemd worden omdat ze door de mensen die ze dragen enigszins het geloof belijden, waarom zouden ze dan niet evenzeer mogen, wanneer degenen die ze dragen getuigen dat ze aan Satan en de wereld verzaken, als berouwhebbend aanzien worden? Om dezelfde reden dan mag men zeggen dat ze, niet door een daad van hun eigen vrije wil — ze spartelen immers wel eens tegen en schreeuwen — maar door de daad van die mensen die ze ten doopsel dragen, het opzet hebben het doopsel te ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. St. Augustinus schrijft aan bisschop Bonifacius (Tegen twee brieven van Pelagius, 1, 22) : "In de kerk van de Verlosser geloven de kinderen door anderen, zoals hun ook zonden vergeven worden die door anderen over hen werden gebracht." Zijn nu hun ouders ongelovig, dan staat zulks hun zaligheid niet in de weg: zoals immers Augustinus in dezelfde Brief zegt: "De kinderen worden om de geestelijke genade te ontvangen, niet zozeer door diegenen die ze in hun handen dragen, aangeboden, — hoewel ook dezen het wanneer ze gelovig zijn, doen, — als wel door de hele gemeenschap van de heiligen en gelovigen." — Men mag immers zeggen dat ze waarlijk door al degenen die er mede instemmen en die door hun liefde aan de mededeling van de heilige Geest deel hebben worden aangeboden. Het ongeloof der eigen ouders integendeel kan, zelfs indien ze na het doopsel het kind trachten te doen deel hebben aan de offergave der duivelen, aan het kind geen schade berokkenen; immers Augustinus zegt hier nog eens: "Kan het kind wanneer het eens door de wil van anderen werd wedergeboren, niet naderhand zolang het niet door eigen wil daarmee instemt, door de handen van andermans zonden gebonden worden?» Daarom zegt dan ook Ezechiel (18, 4): "Zoals de ziel van de vader me toebehoort, zo ook de ziel van de zoon, maar de ziel die zal gezondigd hebben zal sterven." — Wat bijgevolg het kind van Adam heeft overgeërfd wordt, omdat het kind nog geen afzonderlijk levende ziel was, door de genade van dit sacrament weggewassen. In tegendeel komt het geloof van één enkele en nog veel meer het geloof van de hele Kerk door de werking van de heilige Geest die de ledematen van de Kerk onderling verbindt en de goederen van de ene aan de andere mededeelt, hier het kleine kind ten goede.
B: (Ezek 18:4) [b:Ezek 18:4]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 68 a. 12 co.[t:iiia q. 68 a. 12 co.]
2e Weerlegging. St. Augustinus schrijft aan bisschop Bonifacius (Tegen twee brieven van Pelagius, 1, 22) : "In de kerk van de Verlosser geloven de kinderen door anderen, zoals hun ook zonden vergeven worden die door anderen over hen werden gebracht." Zijn nu hun ouders ongelovig, dan staat zulks hun zaligheid niet in de weg: zoals immers Augustinus in dezelfde Brief zegt: "De kinderen worden om de geestelijke genade te ontvangen, niet zozeer door diegenen die ze in hun handen dragen, aangeboden, — hoewel ook dezen het wanneer ze gelovig zijn, doen, — als wel door de hele gemeenschap van de heiligen en gelovigen." — Men mag immers zeggen dat ze waarlijk door al degenen die er mede instemmen en die door hun liefde aan de mededeling van de heilige Geest deel hebben worden aangeboden. Het ongeloof der eigen ouders integendeel kan, zelfs indien ze na het doopsel het kind trachten te doen deel hebben aan de offergave der duivelen, aan het kind geen schade berokkenen; immers Augustinus zegt hier nog eens: "Kan het kind wanneer het eens door de wil van anderen werd wedergeboren, niet naderhand zolang het niet door eigen wil daarmee instemt, door de handen van andermans zonden gebonden worden?» Daarom zegt dan ook Ezechiel (18, 4): "Zoals de ziel van de vader me toebehoort, zo ook de ziel van de zoon, maar de ziel die zal gezondigd hebben zal sterven." — Wat bijgevolg het kind van Adam heeft overgeërfd wordt, omdat het kind nog geen afzonderlijk levende ziel was, door de genade van dit sacrament weggewassen. In tegendeel komt het geloof van één enkele en nog veel meer het geloof van de hele Kerk door de werking van de heilige Geest die de ledematen van de Kerk onderling verbindt en de goederen van de ene aan de andere mededeelt, hier het kleine kind ten goede.
B: (Ezek 18:4) [b:Ezek 18:4]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 68 a. 12 co.[t:iiia q. 68 a. 12 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. Zoals het kind, wanneer het gedoopt wordt, niet door zichzelf maar door anderen gelooft, zo ook wordt het niet zelf ondervraagd, maar worden het anderen. Ondervraagd belijden zij dan in de plaats van het kind, dat door het sacrament van het geloof aan dit geloof deelachtig is, hun geloof in de Kerk. Wat nu een goed geweten betreft, dit ontvangt het kind niet voor zich als een daad, maar wel dankzij de heiligmakende genade als een hebbelijkheid.
3e Weerlegging. Zoals het kind, wanneer het gedoopt wordt, niet door zichzelf maar door anderen gelooft, zo ook wordt het niet zelf ondervraagd, maar worden het anderen. Ondervraagd belijden zij dan in de plaats van het kind, dat door het sacrament van het geloof aan dit geloof deelachtig is, hun geloof in de Kerk. Wat nu een goed geweten betreft, dit ontvangt het kind niet voor zich als een daad, maar wel dankzij de heiligmakende genade als een hebbelijkheid.
Referenties naar deze alinea: 1
Pastoralis actio ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Behoren joodse kinderen en kinderen van andere ongelovigen tegen de wil van hun ouders in gedoopt te worden?
IIIa q. 68 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Kinderen van Joden en van andere ongelovigen ook tegen de wil van hun ouders in dienen gedoopt te worden. Een mens dient meer tegen gevaar voor eeuwige dood dan wel tegen gevaar voor lichamelijke dood te worden toegerust. Welnu kinderen die in gevaar verkeren te sterven moet men zelfs dan als hun ouders tegenstribbelen ter hulp komen. Zo moet men dus nog veel meer, om ze zelfs als hun ouders niet willen, uit het gevaar voor eeuwige dood te redden, kinderen van ongelovigen door het doopsel ter hulp komen.
Over het tiende als volgt. Kinderen van Joden en van andere ongelovigen ook tegen de wil van hun ouders in dienen gedoopt te worden. Een mens dient meer tegen gevaar voor eeuwige dood dan wel tegen gevaar voor lichamelijke dood te worden toegerust. Welnu kinderen die in gevaar verkeren te sterven moet men zelfs dan als hun ouders tegenstribbelen ter hulp komen. Zo moet men dus nog veel meer, om ze zelfs als hun ouders niet willen, uit het gevaar voor eeuwige dood te redden, kinderen van ongelovigen door het doopsel ter hulp komen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 10 arg. 2
Vervolgens. Kinderen van slaven zijn insgelijks slaven en staan tot beschikking van hun meesters. Welnu de Joden en alle andere ongelovigen zijn de slaven van koningen en prinsen. Zo mogen dus prinsen zonder rechtsverkrachting de kinderen van Joden en andere ongelovigen laten dopen.
Vervolgens. Kinderen van slaven zijn insgelijks slaven en staan tot beschikking van hun meesters. Welnu de Joden en alle andere ongelovigen zijn de slaven van koningen en prinsen. Zo mogen dus prinsen zonder rechtsverkrachting de kinderen van Joden en andere ongelovigen laten dopen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 10 arg. 3
Vervolgens. God van Wien hij zijn ziel ontving behoort de mens meer toe dan wel zijn vader naar het vlees van wien hij zijn lichaam ontving. Zo is het dus niet onrechtvaardig kinderen van ongelovigen van hun ouders af te zonderen en God door het doopsel toe te wijden.
Vervolgens. God van Wien hij zijn ziel ontving behoort de mens meer toe dan wel zijn vader naar het vlees van wien hij zijn lichaam ontving. Zo is het dus niet onrechtvaardig kinderen van ongelovigen van hun ouders af te zonderen en God door het doopsel toe te wijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 10 s. c.
Daartegenover staat echter wat in de Decretaliën (45, 5) gezegd wordt en uit bepalingen van de kerkvergadering van Toulouse (4, 57) genomen werd: "De Synode schrijft voor voortaan niemand meer tot het geloof te dwingen; wanneer immers iemand niet wil, kan hij ook niet zalig worden. Maar opdat hij volkomen rechtvaardig zou gemaakt worden, is zijn toestemming van node.
Daartegenover staat echter wat in de Decretaliën (45, 5) gezegd wordt en uit bepalingen van de kerkvergadering van Toulouse (4, 57) genomen werd: "De Synode schrijft voor voortaan niemand meer tot het geloof te dwingen; wanneer immers iemand niet wil, kan hij ook niet zalig worden. Maar opdat hij volkomen rechtvaardig zou gemaakt worden, is zijn toestemming van node.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 10 co.
Mijn antwoord. Ofwel hebben kinderen van ongelovigen het gebruik der rede, ofwel hebben zij het niet. Hebben ze het gebruik van hun verstand, dan beginnen ze in alles wat het Goddelijke Recht of het natuurrecht betreft hun eigen meester te zijn, en mogen dan ook indien ze willen zelfs tegen de wil van hun ouders in, gedoopt worden zoals ze ten andere ook een huwelijk mogen aangaan. Daarom is het geoorloofd zulke kinderen over het doopsel te onderhouden en ze ertoe aan te zetten. — Hebben ze integendeel het gebruik van hun vrije wil niet, dan blijven ze overeenkomstig het natuurrecht zolang ze voor zichzelf niet kunnen instaan, onder de leiding van hun ouders, en daarom wordt gezegd dat onder de oude wet de kinderen door het geloof van hun ouders zalig worden. Zo ware het dan een vergrijp aan het natuurrecht, moesten zulke kinderen ook als hun ouders er zich tegen verzetten gedoopt worden, net zoals het tegen het natuurrecht indruist iemand die het gebruik van zijn verstand heeft hoewel hij niet wil te dopen. Het zou overigens gevaarlijk zijn op dergelijke wijze de kinderen van ongelovigen te dopen; zo gemakkelijk toch kunnen ze uit liefde tot hun ouders tot het ongeloof terugkeren. Het is dan ook in de heilige Kerk niet de gewoonte, kinderen, wanneer hun ouders zulks niet willen, te dopen.
Mijn antwoord. Ofwel hebben kinderen van ongelovigen het gebruik der rede, ofwel hebben zij het niet. Hebben ze het gebruik van hun verstand, dan beginnen ze in alles wat het Goddelijke Recht of het natuurrecht betreft hun eigen meester te zijn, en mogen dan ook indien ze willen zelfs tegen de wil van hun ouders in, gedoopt worden zoals ze ten andere ook een huwelijk mogen aangaan. Daarom is het geoorloofd zulke kinderen over het doopsel te onderhouden en ze ertoe aan te zetten. — Hebben ze integendeel het gebruik van hun vrije wil niet, dan blijven ze overeenkomstig het natuurrecht zolang ze voor zichzelf niet kunnen instaan, onder de leiding van hun ouders, en daarom wordt gezegd dat onder de oude wet de kinderen door het geloof van hun ouders zalig worden. Zo ware het dan een vergrijp aan het natuurrecht, moesten zulke kinderen ook als hun ouders er zich tegen verzetten gedoopt worden, net zoals het tegen het natuurrecht indruist iemand die het gebruik van zijn verstand heeft hoewel hij niet wil te dopen. Het zou overigens gevaarlijk zijn op dergelijke wijze de kinderen van ongelovigen te dopen; zo gemakkelijk toch kunnen ze uit liefde tot hun ouders tot het ongeloof terugkeren. Het is dan ook in de heilige Kerk niet de gewoonte, kinderen, wanneer hun ouders zulks niet willen, te dopen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. Voor de dood van het lichaam moet niemand tegen de burgerlijke wet in bevrijd worden; zo bij voorbeeld moet niemand, wanneer een ander door de rechter ter dood veroordeeld wordt, deze met geweld aan de dood zoeken te onttrekken. Om dezelfde reden nu moet niemand om een kind, wanneer het nog onder de hoede van zijn vader staat, voor het gevaar van de eeuwige dood te bevrijden, de orde van de natuurwet storen.
1e Weerlegging. Voor de dood van het lichaam moet niemand tegen de burgerlijke wet in bevrijd worden; zo bij voorbeeld moet niemand, wanneer een ander door de rechter ter dood veroordeeld wordt, deze met geweld aan de dood zoeken te onttrekken. Om dezelfde reden nu moet niemand om een kind, wanneer het nog onder de hoede van zijn vader staat, voor het gevaar van de eeuwige dood te bevrijden, de orde van de natuurwet storen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. De Joden zijn uit kracht van de burgerlijke wet de slaven van prinsen, maar deze sluit het natuurrecht niet uit.
2e Weerlegging. De Joden zijn uit kracht van de burgerlijke wet de slaven van prinsen, maar deze sluit het natuurrecht niet uit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 10 ad 3
3e Weerlegging. De mens is door zijn verstand waardoor hij God kan kennen naar God gekeerd. Daarom dan is het kind vooraleer het zijn verstand kan gebruiken, en dit uit kracht van de natuurwet, door bemiddeling van zijn ouders naar God gekeerd; aan de zorg van zijn ouders immers werd het toevertrouwd en naar zij bepalen dienen voor het kind alle godsdienstige aangelegenheden geregeld.
3e Weerlegging. De mens is door zijn verstand waardoor hij God kan kennen naar God gekeerd. Daarom dan is het kind vooraleer het zijn verstand kan gebruiken, en dit uit kracht van de natuurwet, door bemiddeling van zijn ouders naar God gekeerd; aan de zorg van zijn ouders immers werd het toevertrouwd en naar zij bepalen dienen voor het kind alle godsdienstige aangelegenheden geregeld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 11: Behoren sommige kinderen niet wanneer ze nog in de baarmoeder zijn gedoopt te worden?
IIIa q. 68 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert dat kinderen wanneer ze nog in de baarmoeder zijn mogen gedoopt worden. De apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (5, 15) : "De genadegift van Christus heeft meer tot de zaligheid, dan de zonde van Adam tot de veroordeling bijgedragen." Welnu de kinderen worden, wanneer ze nog in de schoot van hun moeder verblijven, om de zonde van Adam veroordeeld. Zo kunnen ze dus nog veel eerder door de genadegift van Christus verlost worden, en dit geschiedt door het doopsel. De kinderen die nog in de schoot van hun moeder verblijven mogen dus gedoopt worden.
B: (Rom 5:15) [b:Rom 5:15]
Over het elfde als volgt. Men beweert dat kinderen wanneer ze nog in de baarmoeder zijn mogen gedoopt worden. De apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (5, 15) : "De genadegift van Christus heeft meer tot de zaligheid, dan de zonde van Adam tot de veroordeling bijgedragen." Welnu de kinderen worden, wanneer ze nog in de schoot van hun moeder verblijven, om de zonde van Adam veroordeeld. Zo kunnen ze dus nog veel eerder door de genadegift van Christus verlost worden, en dit geschiedt door het doopsel. De kinderen die nog in de schoot van hun moeder verblijven mogen dus gedoopt worden.
B: (Rom 5:15) [b:Rom 5:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 11 arg. 2
Vervolgens. Zolang een kind in de schoot van zijn moeder blijft, is het iets van zijn moeder. Welnu, als de moeder gedoopt wordt, wordt ook alles wat in haar is gedoopt. Zo wordt dus het kind dat in de schoot van zijn moeder verblijft, wanneer zijn moeder gedoopt wordt, zelf insgelijks gedoopt.
Vervolgens. Zolang een kind in de schoot van zijn moeder blijft, is het iets van zijn moeder. Welnu, als de moeder gedoopt wordt, wordt ook alles wat in haar is gedoopt. Zo wordt dus het kind dat in de schoot van zijn moeder verblijft, wanneer zijn moeder gedoopt wordt, zelf insgelijks gedoopt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 11 arg. 3
Vervolgens. De eeuwige dood is erger dan de dood van het lichaam. Welnu tussen twee kwalen dient de minst erge gekozen. Indien dus het kind in de schoot van zijn moeder niet mocht gedoopt worden, dan ware het beter de moeder open te snijden en het kind met geweld uit de baarmoeder te halen en te dopen, dan het kind, omdat het zonder doopsel stierf, voor eeuwig te laten verdoemen.
Vervolgens. De eeuwige dood is erger dan de dood van het lichaam. Welnu tussen twee kwalen dient de minst erge gekozen. Indien dus het kind in de schoot van zijn moeder niet mocht gedoopt worden, dan ware het beter de moeder open te snijden en het kind met geweld uit de baarmoeder te halen en te dopen, dan het kind, omdat het zonder doopsel stierf, voor eeuwig te laten verdoemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 11 arg. 4
Vervolgens. Het gebeurt soms dat één deel van het kind eerst te voorschijn treedt; zo lezen we in het Boek der Schepping (38, 27) : "Wanneer Thamar moest baren, dan kwamen de kinderen te voorschijn, en de ene stak zijn hand uit waaraan de vroedvrouw een karmozijnen draad bond, zeggende: Deze zal het eerst te voorschijn treden. Maar toen deze de hand terugtrok kwam de andere te voorschijn." — In zulke omstandigheden nu is er soms gevaar van sterven en zo moet dan, zelfs wanneer het kind nog in de moederschoot verblijft, het deel van het lichaam dat te voorschijn komt gedoopt worden.
B: (Gen 38:27) [b:Gen 38:27]
Vervolgens. Het gebeurt soms dat één deel van het kind eerst te voorschijn treedt; zo lezen we in het Boek der Schepping (38, 27) : "Wanneer Thamar moest baren, dan kwamen de kinderen te voorschijn, en de ene stak zijn hand uit waaraan de vroedvrouw een karmozijnen draad bond, zeggende: Deze zal het eerst te voorschijn treden. Maar toen deze de hand terugtrok kwam de andere te voorschijn." — In zulke omstandigheden nu is er soms gevaar van sterven en zo moet dan, zelfs wanneer het kind nog in de moederschoot verblijft, het deel van het lichaam dat te voorschijn komt gedoopt worden.
B: (Gen 38:27) [b:Gen 38:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 11 s. c.
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in een brief aan Dardanus zegt (287 epist.): "Niemand kan vooraleer hij geboren werd wedergeboren worden." Het doopsel nu is een geestelijke wedergeboorte. Zo mag dus niemand vooraleer hij uit de schoot van zijn moeder tevoorschijn kwam gedoopt worden.
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in een brief aan Dardanus zegt (287 epist.): "Niemand kan vooraleer hij geboren werd wedergeboren worden." Het doopsel nu is een geestelijke wedergeboorte. Zo mag dus niemand vooraleer hij uit de schoot van zijn moeder tevoorschijn kwam gedoopt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 11 co.
Mijn antwoord. Tot de geldigheid van het doopsel wordt vereischt dat het lichaam van de doopling, zoals hierboven bewezen werd (66° Kw. 1° art.), op een of andere manier met water gewassen zou worden. Welnu het lichaam van een kind kan niet vooraleer het uit de schoot van zijn moeder geboren werd met water gewassen worden. Daartoe zou men immers moeten aannemen dat de doopwassing, waardoor het lichaam van de moeder gewassen wordt, ook de zoon die in het lichaam van zijn moeder verblijft aanraakt. Dit is echter onmogelijk; de ziel van het kind toch, op wiens zaligheid het doopsel berekend werd, is van de ziel van de moeder onderscheiden, ja ook het lichaam van een levend kind is reeds gevormd, en is bijgevolg insgelijks van het lichaam van de moeder onderscheiden. Daarom dan kan het doopsel dat aan de moeder wordt toegediend niet op het kroost dat in haar schoot verblijft overgaan. In zijn Boek "Tegen Julianus (6, 5) zegt Augustinus dan ook: "Indien wat de moeder in haar schoot ontvangt tot haar eigen lichaam behoorde en bijgevolg als een deel van haar eigen zelf beschouwd werd, dan zou het kind dat ze in de schoot draagt wanneer zijzelf reeds gedoopt is bij voorkomend levensgevaar niet gedoopt worden. Daar nu echter het kind wel gedoopt wordt, zo behoort het, ook als het nog in de schoot der moeder is, niet tot de moeder." Zo moet dus besloten worden, dat kinderen die nog in de schoot der moeder verblijven in geen enkele deel mogen gedoopt worden.
R: q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1]
Mijn antwoord. Tot de geldigheid van het doopsel wordt vereischt dat het lichaam van de doopling, zoals hierboven bewezen werd (66° Kw. 1° art.), op een of andere manier met water gewassen zou worden. Welnu het lichaam van een kind kan niet vooraleer het uit de schoot van zijn moeder geboren werd met water gewassen worden. Daartoe zou men immers moeten aannemen dat de doopwassing, waardoor het lichaam van de moeder gewassen wordt, ook de zoon die in het lichaam van zijn moeder verblijft aanraakt. Dit is echter onmogelijk; de ziel van het kind toch, op wiens zaligheid het doopsel berekend werd, is van de ziel van de moeder onderscheiden, ja ook het lichaam van een levend kind is reeds gevormd, en is bijgevolg insgelijks van het lichaam van de moeder onderscheiden. Daarom dan kan het doopsel dat aan de moeder wordt toegediend niet op het kroost dat in haar schoot verblijft overgaan. In zijn Boek "Tegen Julianus (6, 5) zegt Augustinus dan ook: "Indien wat de moeder in haar schoot ontvangt tot haar eigen lichaam behoorde en bijgevolg als een deel van haar eigen zelf beschouwd werd, dan zou het kind dat ze in de schoot draagt wanneer zijzelf reeds gedoopt is bij voorkomend levensgevaar niet gedoopt worden. Daar nu echter het kind wel gedoopt wordt, zo behoort het, ook als het nog in de schoot der moeder is, niet tot de moeder." Zo moet dus besloten worden, dat kinderen die nog in de schoot der moeder verblijven in geen enkele deel mogen gedoopt worden.
R: q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 11 ad 1
1e Weerlegging. De kinderen die nog in de moederschoot verblijven zagen nog het levenslicht niet en leefden nog niet met andere mensen mee. Zo kunnen ze dus de invloed van de mensen niet dermate ondergaan dat ze dankzij deze bediening tot hun zaligheid sacramenten zouden ontvangen. Gods werking die, omdat God overal aanwezig is, overal kan ingrijpen kunnen ze integendeel wel ondergaan en, zoals uit het feit dat de mensen van de schoot hunner moeder af geheiligd werden blijkt, kunnen ze door een bijzonder voorrecht de heiligmakende genade erlangen.
1e Weerlegging. De kinderen die nog in de moederschoot verblijven zagen nog het levenslicht niet en leefden nog niet met andere mensen mee. Zo kunnen ze dus de invloed van de mensen niet dermate ondergaan dat ze dankzij deze bediening tot hun zaligheid sacramenten zouden ontvangen. Gods werking die, omdat God overal aanwezig is, overal kan ingrijpen kunnen ze integendeel wel ondergaan en, zoals uit het feit dat de mensen van de schoot hunner moeder af geheiligd werden blijkt, kunnen ze door een bijzonder voorrecht de heiligmakende genade erlangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 11 ad 2
2e Weerlegging. Een innerlijk orgaan van de moeder is iets dat haar door samenhang en door natuurlijke vereniging van een deel met het geheel toebehoort; een kind integendeel dat in de schoot van de moeder verblijft behoort haar alleen toe zoals twee onderscheiden lichamen wanneer ze aan elkaar gehecht worden elkaar toebehooren. Zo hebben we hier een ander geval.
2e Weerlegging. Een innerlijk orgaan van de moeder is iets dat haar door samenhang en door natuurlijke vereniging van een deel met het geheel toebehoort; een kind integendeel dat in de schoot van de moeder verblijft behoort haar alleen toe zoals twee onderscheiden lichamen wanneer ze aan elkaar gehecht worden elkaar toebehooren. Zo hebben we hier een ander geval.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 11 ad 3
3e Weerlegging. Naar in de Brief aan de Romeinen (3, 8) staat, mag men het kwaad niet om goede gevolgen die het kan hebben bedrijven; zo mag dus niemand om een kind te dopen de moeder doden. Wanneer echter de moeder sterft en het kindje in haar schoot voortleeft dan moet men om het kindje te dopen haar opensnijden.
B: (Rom 3:8) [b:Rom 3:8]
3e Weerlegging. Naar in de Brief aan de Romeinen (3, 8) staat, mag men het kwaad niet om goede gevolgen die het kan hebben bedrijven; zo mag dus niemand om een kind te dopen de moeder doden. Wanneer echter de moeder sterft en het kindje in haar schoot voortleeft dan moet men om het kindje te dopen haar opensnijden.
B: (Rom 3:8) [b:Rom 3:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 11 ad 4
4e Weerlegging. Vooraleer het doopsel toe te dienen moet men, behalve in gevaar van sterven, wachten tot het kindje uit de moederschoot te voorschijn komt. Als nu het hoofd waar alle zintuigen in zetelen het eerst te voorschijn komt, dan moet het wanneer er gevaar dreigt gedoopt worden en dan dient het kind zelfs indien het daarna goed ter wereld komt, niet herdoopt te worden. Omdat echter in geen enkel uiterlijk lichaamsdeel de volkomenheid van het leven zo fel als in het hoofd aanwezig is, zijn sommigen om reden van twijfel de mening toegedaan dat, wanneer een ander deel van het lichaam gewassen werd, het kindje, indien het naderhand toch zonder ongevallen ter wereld komt, onder dezen vorm: "Indien ge niet gedoopt zijt dan doop ik u", moet herdoopt worden.
4e Weerlegging. Vooraleer het doopsel toe te dienen moet men, behalve in gevaar van sterven, wachten tot het kindje uit de moederschoot te voorschijn komt. Als nu het hoofd waar alle zintuigen in zetelen het eerst te voorschijn komt, dan moet het wanneer er gevaar dreigt gedoopt worden en dan dient het kind zelfs indien het daarna goed ter wereld komt, niet herdoopt te worden. Omdat echter in geen enkel uiterlijk lichaamsdeel de volkomenheid van het leven zo fel als in het hoofd aanwezig is, zijn sommigen om reden van twijfel de mening toegedaan dat, wanneer een ander deel van het lichaam gewassen werd, het kindje, indien het naderhand toch zonder ongevallen ter wereld komt, onder dezen vorm: "Indien ge niet gedoopt zijt dan doop ik u", moet herdoopt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 12: Dienen razende en krankzinnige mensen gedoopt te worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
Suppl q. 32 a. 3 arg. 2
Suppl q. 58 a. 3 ad 1[t:suppl q. 32 a. 3 arg. 2][t:suppl q. 58 a. 3 ad 1]
IIIa q. 68 a. 12 arg. 1
Over het twaalfde als volgt. Men beweert dat razende en krankzinnige mensen niet dienen gedoopt te worden. Om het doopsel te ontvangen moet men, zoals hierboven gezegd werd (7e art.) het opzet hebben zich te laten dopen. Razende en krankzinnige mensen nu kunnen, daar ze het gebruik van hun verstand niet hebben, evenmin een behoorlijk opzet hebben. Zo moeten ze dus niet gedoopt worden.
R: q. 68 a. 7[t:iiia q. 68 a. 7]
Suppl q. 32 a. 3 arg. 2
Suppl q. 58 a. 3 ad 1[t:suppl q. 32 a. 3 arg. 2][t:suppl q. 58 a. 3 ad 1]
IIIa q. 68 a. 12 arg. 1
Over het twaalfde als volgt. Men beweert dat razende en krankzinnige mensen niet dienen gedoopt te worden. Om het doopsel te ontvangen moet men, zoals hierboven gezegd werd (7e art.) het opzet hebben zich te laten dopen. Razende en krankzinnige mensen nu kunnen, daar ze het gebruik van hun verstand niet hebben, evenmin een behoorlijk opzet hebben. Zo moeten ze dus niet gedoopt worden.
R: q. 68 a. 7[t:iiia q. 68 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 12 arg. 2
Vervolgens. De mens overtreft de dieren alleen in zover hij verstand heeft. Razenden en krankzinnigen nu hebben niet het gebruik van hun verstand en vaak kan niet zoals bij kinderen verwacht worden dat het nog zal komen. Zo dienen dus razende en krankzinnige mensen evenmin als dieren gedoopt te worden.
Vervolgens. De mens overtreft de dieren alleen in zover hij verstand heeft. Razenden en krankzinnigen nu hebben niet het gebruik van hun verstand en vaak kan niet zoals bij kinderen verwacht worden dat het nog zal komen. Zo dienen dus razende en krankzinnige mensen evenmin als dieren gedoopt te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 12 arg. 3
Vervolgens. Bij razenden en krankzinnigen wordt het gebruik der rede meer gedwarsboomd dan bij slapenden, nochtans wordt over het algemeen het doopsel niet aan slapenden toegediend. Zo behoort het dus evenmin aan razenden en krankzinnigen gegeven te worden.
Vervolgens. Bij razenden en krankzinnigen wordt het gebruik der rede meer gedwarsboomd dan bij slapenden, nochtans wordt over het algemeen het doopsel niet aan slapenden toegediend. Zo behoort het dus evenmin aan razenden en krankzinnigen gegeven te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 12 s. c.
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Belijdenissen zegt (4, 4): "Een van mijn vrienden werd gedurende zijn ziekte, wanneer er geen hoop meer was dat hij zou herstellen zonder dat hij het zelf wist, gedoopt en niettemin had dit doopsel zijn uitwerking." Soms mag dus het doopsel aan mensen die niet het gebruik der reden hebben worden toegediend.
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Belijdenissen zegt (4, 4): "Een van mijn vrienden werd gedurende zijn ziekte, wanneer er geen hoop meer was dat hij zou herstellen zonder dat hij het zelf wist, gedoopt en niettemin had dit doopsel zijn uitwerking." Soms mag dus het doopsel aan mensen die niet het gebruik der reden hebben worden toegediend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 12 co.
Mijn antwoord. Onder razende en krankzinnige mensen dient te worden onderscheiden; daar zijn er immers sommigen die van hun geboorte af altijd zo gemaakt geweest zijn, ja nooit heldere ogenblikken hadden en dus bepaald blijken het gebruik van hun verstand niet te hebben. Van het doopsel van dergelijken moet hetzelfde gedacht worden als van kinderen die overeenkomstig wat hierboven in het 9e artikel gezegd werd in het geloof der heilige Kerk gedoopt worden. Daar zijn andere zwakken van geest die tot krankzinnigheid vervallen na eerst wat hun vermogens betreft gezond geweest te zijn en zulke mensen dienen overeenkomstig het verlangen dat ze, wanneer ze nog het gebruik van hun verstand hadden gekoesterd hebben, behandeld te worden. Wanneer het dus klaarblijkelijk is dat ze het opzet hadden het doopsel te ontvangen, dan moet het hun ook als ze reeds in bedenkelijke toestand verkeren, zelfs als ze tegenstribbelen worden toegediend. Degenen integendeel die voor hun ziekte nooit door het minste teken hebben laten blijken dat ze wilden gedoopt worden, behoren niet gedoopt te worden. Dan zijn er echter ook die, alhoewel ze van hun geboorte af razend en krankzinnig zijn, af en toe heldere ogenblikken hebben waarin ze gebruik kunnen maken van hun verstand. Zulken mogen, wanneer ze wenschen gedoopt te worden, ook al hervallen ze later in hun krankzinnigheid, het doopsel ontvangen: ja zelfs zou men hun, indien er gevaar dreigde, in die toestand het doopsel moeten toedienen. Is dit niet het geval, dan is het geraadzaam, opdat ze het sacrament met meer godsvrucht zouden kunnen ontvangen, te wachten tot ze weer eens helder van geest zijn, maar als ze in heldere ogenblikken niet de wensch uitdrukken het doopsel te ontvangen, dan behoren ze niet eens dat ze terug in hun verstomming gevallen zijn, gedoopt te worden. Eindelijk zijn er nog anderen die, alhoewel ze niet volkomen over hun verstand beschikken toch voldoende bewustzijn hebben om over hun zaligheid te kunnen nadenken en de kracht van het sacrament te begrijpen. Over zulken dan moet hetzelfde oordeel geveld worden als over degenen die wel bij hun verstand zijn en wanneer ze het verlangen, niet echter tegen hun wil in mogen gedoopt worden.
R: q. 68 a. 9 ad 2[t:iiia q. 68 a. 9 ad 2]
Mijn antwoord. Onder razende en krankzinnige mensen dient te worden onderscheiden; daar zijn er immers sommigen die van hun geboorte af altijd zo gemaakt geweest zijn, ja nooit heldere ogenblikken hadden en dus bepaald blijken het gebruik van hun verstand niet te hebben. Van het doopsel van dergelijken moet hetzelfde gedacht worden als van kinderen die overeenkomstig wat hierboven in het 9e artikel gezegd werd in het geloof der heilige Kerk gedoopt worden. Daar zijn andere zwakken van geest die tot krankzinnigheid vervallen na eerst wat hun vermogens betreft gezond geweest te zijn en zulke mensen dienen overeenkomstig het verlangen dat ze, wanneer ze nog het gebruik van hun verstand hadden gekoesterd hebben, behandeld te worden. Wanneer het dus klaarblijkelijk is dat ze het opzet hadden het doopsel te ontvangen, dan moet het hun ook als ze reeds in bedenkelijke toestand verkeren, zelfs als ze tegenstribbelen worden toegediend. Degenen integendeel die voor hun ziekte nooit door het minste teken hebben laten blijken dat ze wilden gedoopt worden, behoren niet gedoopt te worden. Dan zijn er echter ook die, alhoewel ze van hun geboorte af razend en krankzinnig zijn, af en toe heldere ogenblikken hebben waarin ze gebruik kunnen maken van hun verstand. Zulken mogen, wanneer ze wenschen gedoopt te worden, ook al hervallen ze later in hun krankzinnigheid, het doopsel ontvangen: ja zelfs zou men hun, indien er gevaar dreigde, in die toestand het doopsel moeten toedienen. Is dit niet het geval, dan is het geraadzaam, opdat ze het sacrament met meer godsvrucht zouden kunnen ontvangen, te wachten tot ze weer eens helder van geest zijn, maar als ze in heldere ogenblikken niet de wensch uitdrukken het doopsel te ontvangen, dan behoren ze niet eens dat ze terug in hun verstomming gevallen zijn, gedoopt te worden. Eindelijk zijn er nog anderen die, alhoewel ze niet volkomen over hun verstand beschikken toch voldoende bewustzijn hebben om over hun zaligheid te kunnen nadenken en de kracht van het sacrament te begrijpen. Over zulken dan moet hetzelfde oordeel geveld worden als over degenen die wel bij hun verstand zijn en wanneer ze het verlangen, niet echter tegen hun wil in mogen gedoopt worden.
R: q. 68 a. 9 ad 2[t:iiia q. 68 a. 9 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 12 ad 1
1e Weerlegging. Krankzinnigen die nooit gebruik van hun reden hadden en het ook nu niet hebben worden net zoals we hierboven voor de kinderen (9e art.) aantoonden, die door een daad van de heilige Kerk geloven en berouw hebben, uit kracht van het opzet van de Kerk gedoopt. Degenen integendeel die enige tijd het gebruik van het verstand hadden of nog hebben, moeten overeenkomstig het opzet dat ze, wanneer ze nog gezond waren, gehad hebben, gedoopt worden.
R: q. 68 a. 9[t:iiia q. 68 a. 9]
1e Weerlegging. Krankzinnigen die nooit gebruik van hun reden hadden en het ook nu niet hebben worden net zoals we hierboven voor de kinderen (9e art.) aantoonden, die door een daad van de heilige Kerk geloven en berouw hebben, uit kracht van het opzet van de Kerk gedoopt. Degenen integendeel die enige tijd het gebruik van het verstand hadden of nog hebben, moeten overeenkomstig het opzet dat ze, wanneer ze nog gezond waren, gehad hebben, gedoopt worden.
R: q. 68 a. 9[t:iiia q. 68 a. 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 12 ad 2
2e Weerlegging. Razende en krankzinnige mensen hebben alleen bij toeval niet het gebruik van hun verstand, omdat er namelijk in de lichamelijke organen enige stoornis voorhanden is, alsof ze zoals de redeloze wezens geen ziel hadden. Hier hebben we dus een ander geval.
2e Weerlegging. Razende en krankzinnige mensen hebben alleen bij toeval niet het gebruik van hun verstand, omdat er namelijk in de lichamelijke organen enige stoornis voorhanden is, alsof ze zoals de redeloze wezens geen ziel hadden. Hier hebben we dus een ander geval.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 68 a. 12 ad 3
3e Weerlegging. Slapende mensen dienen, behalve wanneer er gevaar is, niet gedoopt te worden. Is dit wel het geval dan moeten ze als ze vroeger de wensch het doopsel te ontvangen uitdrukten zoals we voor de krankzinnigen in de leerstelling zeiden, wel gedoopt worden. Dit nu was het geval van de vriend van St. Augustinus (Bel. 4, 4) die om doodsgevaar zonder bewustzijn gedoopt werd.
3e Weerlegging. Slapende mensen dienen, behalve wanneer er gevaar is, niet gedoopt te worden. Is dit wel het geval dan moeten ze als ze vroeger de wensch het doopsel te ontvangen uitdrukten zoals we voor de krankzinnigen in de leerstelling zeiden, wel gedoopt worden. Dit nu was het geval van de vriend van St. Augustinus (Bel. 4, 4) die om doodsgevaar zonder bewustzijn gedoopt werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 69: Over de uitwerkselen van het doopsel
IIIa q. 69 pr.
IIIa q. 69 pr. Thans zullen we de uitwerkselen van het doopsel bespreken. Desaangaande zouden we tien verschillende vragen moeten beantwoorden. Ten eerste: worden alle zonden door het doopsel weggenomen? Ten tweede: wordt de mens door het doopsel alle straf kwijtgescholden? Ten derde: neemt het doopsel de kwellingen die de mensen door de erfzonde opliepen weg? Ten vierde: worden de mensen door het doopsel met de heiligmakende genade en met de deugden begiftigd? Ten vijfde: welke zijn de uitwerkselen van de deugden ons door het doopsel geschonken? Ten zesde: erlangen ook kleine kinderen bij het doopsel genade en deugden? Ten zevende: wordt de deur des hemels door het doopsel voor de gedoopten opengezet? Ten achtste: heeft het doopsel in alle gedoopten hetzelfde uitwerksel? Ten negende: staat geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel in de weg? Ten tiende: erlangt het doopsel wanneer eens geveinsdheid voor oprechtheid opbreekt, zijn uitwerksel?
IIIa q. 69 pr. Thans zullen we de uitwerkselen van het doopsel bespreken. Desaangaande zouden we tien verschillende vragen moeten beantwoorden. Ten eerste: worden alle zonden door het doopsel weggenomen? Ten tweede: wordt de mens door het doopsel alle straf kwijtgescholden? Ten derde: neemt het doopsel de kwellingen die de mensen door de erfzonde opliepen weg? Ten vierde: worden de mensen door het doopsel met de heiligmakende genade en met de deugden begiftigd? Ten vijfde: welke zijn de uitwerkselen van de deugden ons door het doopsel geschonken? Ten zesde: erlangen ook kleine kinderen bij het doopsel genade en deugden? Ten zevende: wordt de deur des hemels door het doopsel voor de gedoopten opengezet? Ten achtste: heeft het doopsel in alle gedoopten hetzelfde uitwerksel? Ten negende: staat geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel in de weg? Ten tiende: erlangt het doopsel wanneer eens geveinsdheid voor oprechtheid opbreekt, zijn uitwerksel?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Worden alle zonden door het doopsel weggenomen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 69 a. 7 co.
IIIa q. 79 a. 3 arg. 2[t:iiia q. 69 a. 7 co.][t:iiia q. 79 a. 3 arg. 2]
IIIa q. 69 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat niet alle zonden door het doopsel worden weggenomen. Het doopsel is een geestelijke wedergeboorte die aan de lichamelijke geboorte beantwoordt. Door de lichamelijke geboorte nu wordt de mens enkel met de erfzonde belast. Zo zal dus door het doopsel enkel de erfzonde worden weggenomen.
IIIa q. 69 a. 7 co.
IIIa q. 79 a. 3 arg. 2[t:iiia q. 69 a. 7 co.][t:iiia q. 79 a. 3 arg. 2]
IIIa q. 69 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat niet alle zonden door het doopsel worden weggenomen. Het doopsel is een geestelijke wedergeboorte die aan de lichamelijke geboorte beantwoordt. Door de lichamelijke geboorte nu wordt de mens enkel met de erfzonde belast. Zo zal dus door het doopsel enkel de erfzonde worden weggenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Boetvaardigheid volstaat om vergiffenis van dadelijke zonde te erlangen. Welnu, voor het doopsel moeten de volwassenen boetewerken verrichten; er staat immers in de Handelingen der Apostelen (2, 38): "Doet boetvaardigheid en ontvang het heilig doopsel." Zo heeft dus het doopsel zelf geen invloed op de vergiffenis der zonde.
B: (Acts 2:38) [b:Acts 2:38]
Vervolgens. Boetvaardigheid volstaat om vergiffenis van dadelijke zonde te erlangen. Welnu, voor het doopsel moeten de volwassenen boetewerken verrichten; er staat immers in de Handelingen der Apostelen (2, 38): "Doet boetvaardigheid en ontvang het heilig doopsel." Zo heeft dus het doopsel zelf geen invloed op de vergiffenis der zonde.
B: (Acts 2:38) [b:Acts 2:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Voor uiteenlopende ziekten zijn uiteenlopende geneesmiddelen geëigend; wat de voeten geneest, geneest daarom nog niet de ogen, zoals de H. Hieronimus zegt. Welnu de erfzonde die door het doopsel wordt weggenomen behoort tot een ander soort van zonden dan de dadelijke zonden. Zo neemt dus het doopsel niet alle zonden weg.
B: (Mark 9:27) [b:Mark 9:27] (Mark 9:28) [b:Mark 9:28]
Vervolgens. Voor uiteenlopende ziekten zijn uiteenlopende geneesmiddelen geëigend; wat de voeten geneest, geneest daarom nog niet de ogen, zoals de H. Hieronimus zegt. Welnu de erfzonde die door het doopsel wordt weggenomen behoort tot een ander soort van zonden dan de dadelijke zonden. Zo neemt dus het doopsel niet alle zonden weg.
B: (Mark 9:27) [b:Mark 9:27] (Mark 9:28) [b:Mark 9:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 1 s. c.
Daartegenover echter staat wat profeet Ezechiël zegt: "Ik zal over u rein water storten en jij zult van al jouw ongerechtigheden gereinigd worden."
B: (Ezek 36:25) [b:Ezek 36:25]
Daartegenover echter staat wat profeet Ezechiël zegt: "Ik zal over u rein water storten en jij zult van al jouw ongerechtigheden gereinigd worden."
B: (Ezek 36:25) [b:Ezek 36:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 1 co.
Mijn antwoord. De apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (6, 3): "Wij allen die gedoopt werden in Jezus-Christus werden in zijn dood gedoopt." En hij voegt er aan toe: "Eveneens moet ook gij bedenken dat gij voor de zonde dood zijt, maar in God leeft, en Christus Jezus." — Daaruit volgt dat de mens door het doopsel voor het oude leven van zonde sterft en een nieuw leven van genade begint te leven. Welnu, elke zonde gaat op het oude leven terug. Zo besluiten we dus dat alle zonden door het doopsel worden weggenomen.
B: (Rom 6:3) [b:Rom 6:3] (Rom 6:11) [b:Rom 6:11]
Mijn antwoord. De apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (6, 3): "Wij allen die gedoopt werden in Jezus-Christus werden in zijn dood gedoopt." En hij voegt er aan toe: "Eveneens moet ook gij bedenken dat gij voor de zonde dood zijt, maar in God leeft, en Christus Jezus." — Daaruit volgt dat de mens door het doopsel voor het oude leven van zonde sterft en een nieuw leven van genade begint te leven. Welnu, elke zonde gaat op het oude leven terug. Zo besluiten we dus dat alle zonden door het doopsel worden weggenomen.
B: (Rom 6:3) [b:Rom 6:3] (Rom 6:11) [b:Rom 6:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 15) dat de kracht van Adams zonde niet zoveel uitwerkt als de kracht van de gaven van Jezus-Christus, die wij in het doopsel ontvangen: "Want om wille van zonde werden we veroordeeld maar na veel overtredingen worden we door de genade rechtvaardig gemaakt." Derhalve schrijft St. Augustinus in zijn Boek: "Het doopsel der kleine kinderen" (1, 15, 7): "Door de lichamelijke geboorte worden we enkel met de erfzonde belast, maar als de geest ons doet wedergeboren worden, dan krijgen we niet alleen vergiffenis van de erfzonde maar ook van alle andere vrijwillige zonden."
B: (Rom 5:15) [b:Rom 5:15] (Rom 5:16) [b:Rom 5:16]
1e Weerlegging. De apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (5, 15) dat de kracht van Adams zonde niet zoveel uitwerkt als de kracht van de gaven van Jezus-Christus, die wij in het doopsel ontvangen: "Want om wille van zonde werden we veroordeeld maar na veel overtredingen worden we door de genade rechtvaardig gemaakt." Derhalve schrijft St. Augustinus in zijn Boek: "Het doopsel der kleine kinderen" (1, 15, 7): "Door de lichamelijke geboorte worden we enkel met de erfzonde belast, maar als de geest ons doet wedergeboren worden, dan krijgen we niet alleen vergiffenis van de erfzonde maar ook van alle andere vrijwillige zonden."
B: (Rom 5:15) [b:Rom 5:15] (Rom 5:16) [b:Rom 5:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Behalve door de kracht van het lijden van Christus gaat het niet aan vergiffenis van zonden te bekomen; daarom zegt de apostel in de Brief aan de Hebreërs (9, 12): "Zonder bloedstorting wordt geen vergiffenis geschonken." Daaruit volgt dat, zonder geloof in het lijden van Christus en zonder het opzet er door het doopsel of door zich aan de sleutelmacht der Kerk te onderwerpen, aan deelachtig te worden, boetvaardigheid om vergiffenis te erlangen, niet volstaat.
B: (Heb 9:22) [b:Heb 9:22]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 69 a. 4 ad 2[t:iiia q. 69 a. 4 ad 2]
2e Weerlegging. Behalve door de kracht van het lijden van Christus gaat het niet aan vergiffenis van zonden te bekomen; daarom zegt de apostel in de Brief aan de Hebreërs (9, 12): "Zonder bloedstorting wordt geen vergiffenis geschonken." Daaruit volgt dat, zonder geloof in het lijden van Christus en zonder het opzet er door het doopsel of door zich aan de sleutelmacht der Kerk te onderwerpen, aan deelachtig te worden, boetvaardigheid om vergiffenis te erlangen, niet volstaat.
B: (Heb 9:22) [b:Heb 9:22]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 69 a. 4 ad 2[t:iiia q. 69 a. 4 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het voorgelegde bezwaar kan wel van bijzondere geneesmiddelen gelden, maar het doopsel werkt uit kracht van het lijden van Christus dat een voor alle zonden geldend geneesmiddel is. Zo worden dus door het doopsel alle zonden vergeven.
3e Weerlegging. Het voorgelegde bezwaar kan wel van bijzondere geneesmiddelen gelden, maar het doopsel werkt uit kracht van het lijden van Christus dat een voor alle zonden geldend geneesmiddel is. Zo worden dus door het doopsel alle zonden vergeven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Wordt de mens door het doopsel van alle straf ontslagen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 69 a. 7 co.
IIIa q. 79 a. 5 arg. 1[t:iiia q. 69 a. 7 co.][t:iiia q. 79 a. 5 arg. 1]
IIIa q. 69 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat door het doopsel de mens niet van alle straf ontslagen wordt. De apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (13, 1) : "Wat van God komt geschiedt met orde". Welnu de heilige Augustinus zegt in zijn Boek "De vrije wil" (3, 18) dat "de orde door de zonde gestoord enkel door de straf hersteld wordt". Zo wordt dus door het doopsel de straf voor voorgaande zonden niet weggenomen.
B: (Rom 13:1) [b:Rom 13:1]
IIIa q. 69 a. 7 co.
IIIa q. 79 a. 5 arg. 1[t:iiia q. 69 a. 7 co.][t:iiia q. 79 a. 5 arg. 1]
IIIa q. 69 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat door het doopsel de mens niet van alle straf ontslagen wordt. De apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (13, 1) : "Wat van God komt geschiedt met orde". Welnu de heilige Augustinus zegt in zijn Boek "De vrije wil" (3, 18) dat "de orde door de zonde gestoord enkel door de straf hersteld wordt". Zo wordt dus door het doopsel de straf voor voorgaande zonden niet weggenomen.
B: (Rom 13:1) [b:Rom 13:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De uitwerkselen van een sacrament hebben een zekere gelijkenis met het sacrament zelf; er werd immers hierboven (62e Kw. 1e art., antw. op de 1e Bedenk.) beweerd dat de sacramenten wat ze te kennen geven teweegbrengen. Welnu de wassing die bij het doopsel geschiedt biedt wel enige gelijkenis met het wegnemen van een vlek, maar zeker niet met het wegnemen van de zondestraffen. Zo wordt dus de zondestraffen door het doopsel niet weggenomen.
R: q. 62 a. 1 ad 1[t:iiia q. 62 a. 1 ad 1]
Vervolgens. De uitwerkselen van een sacrament hebben een zekere gelijkenis met het sacrament zelf; er werd immers hierboven (62e Kw. 1e art., antw. op de 1e Bedenk.) beweerd dat de sacramenten wat ze te kennen geven teweegbrengen. Welnu de wassing die bij het doopsel geschiedt biedt wel enige gelijkenis met het wegnemen van een vlek, maar zeker niet met het wegnemen van de zondestraffen. Zo wordt dus de zondestraffen door het doopsel niet weggenomen.
R: q. 62 a. 1 ad 1[t:iiia q. 62 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Als iemand van straf wordt vrijgesteld, dan is hij verder niets meer schuldig, en het zou onrechtvaardig zijn hem nog te straffen. Welnu, indien het doopsel van straf ontsloeg, dan zou het onrechtvaardig zijn een rover die even het doopsel ontvangen heeft, zelfs als hij te voren een moordaanslag begaan had op te knopen, en aldus zou door het doopsel de strengheid der menselijke tucht ontzenuwd worden. Dit nu zou ten zeerste ongepast zijn en zo wordt dus de straf voor de zonde door het doopsel niet weggenomen.
Vervolgens. Als iemand van straf wordt vrijgesteld, dan is hij verder niets meer schuldig, en het zou onrechtvaardig zijn hem nog te straffen. Welnu, indien het doopsel van straf ontsloeg, dan zou het onrechtvaardig zijn een rover die even het doopsel ontvangen heeft, zelfs als hij te voren een moordaanslag begaan had op te knopen, en aldus zou door het doopsel de strengheid der menselijke tucht ontzenuwd worden. Dit nu zou ten zeerste ongepast zijn en zo wordt dus de straf voor de zonde door het doopsel niet weggenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter wat Sint Ambrosius over de woorden van Sint Paulus in de Brief aan de Romeinen (11, 29) : "Want nooit heeft God over zijn genadegaven en zijn roeping berouw" zei dat namelijk. "bij het doopsel de genade van God alles vergeeft".
B: (Rom 11:29) [b:Rom 11:29]
Daartegenover staat echter wat Sint Ambrosius over de woorden van Sint Paulus in de Brief aan de Romeinen (11, 29) : "Want nooit heeft God over zijn genadegaven en zijn roeping berouw" zei dat namelijk. "bij het doopsel de genade van God alles vergeeft".
B: (Rom 11:29) [b:Rom 11:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals hierboven werd aangeduid (68e Kw. 5e art.) wordt door het doopsel iemand bij het lijden en de dood van Christus ingelijfd; in de Brief aan de Romeinen (6, 8) staat immers : "Indien we met Christus gestorven zijn, dan geloven we dat we eens samen met hem zullen leven." — Daaruit volgt echter dat het lijden van Christus aan de gedoopte als geneesmiddel, alsof hij namelijk zelf geleden had en gestorven was, wordt medegedeeld. Welnu zoals we hierboven (68e Kw., art. 5) aantoonden, kan het lijden van Christus als genoegdoening voor alle zonden van alle mensen volstaan. Zo wordt dus de gedoopte, net alsof hijzelf voor de verdienende straffen voldoende genoegdoening geschonken had, van alle straffen die hij door zijn zonden opliep ontslagen.
B: (Rom 6:8) [b:Rom 6:8]
R: q. 49 a. 3 ad 2[t:iiia q. 49 a. 3 ad 2] q. 68 a. 1[t:iiia q. 68 a. 1] q. 68 a. 4[t:iiia q. 68 a. 4] q. 68 a. 5[t:iiia q. 68 a. 5] q. 68 a. 5[t:iiia q. 68 a. 5]
Mijn antwoord. Zoals hierboven werd aangeduid (68e Kw. 5e art.) wordt door het doopsel iemand bij het lijden en de dood van Christus ingelijfd; in de Brief aan de Romeinen (6, 8) staat immers : "Indien we met Christus gestorven zijn, dan geloven we dat we eens samen met hem zullen leven." — Daaruit volgt echter dat het lijden van Christus aan de gedoopte als geneesmiddel, alsof hij namelijk zelf geleden had en gestorven was, wordt medegedeeld. Welnu zoals we hierboven (68e Kw., art. 5) aantoonden, kan het lijden van Christus als genoegdoening voor alle zonden van alle mensen volstaan. Zo wordt dus de gedoopte, net alsof hijzelf voor de verdienende straffen voldoende genoegdoening geschonken had, van alle straffen die hij door zijn zonden opliep ontslagen.
B: (Rom 6:8) [b:Rom 6:8]
R: q. 49 a. 3 ad 2[t:iiia q. 49 a. 3 ad 2] q. 68 a. 1[t:iiia q. 68 a. 1] q. 68 a. 4[t:iiia q. 68 a. 4] q. 68 a. 5[t:iiia q. 68 a. 5] q. 68 a. 5[t:iiia q. 68 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Daar de gedoopte als lidmaat van Christus, net alsof hij zelf die kwelling had onderstaan, deelgenoot wordt aan de kwelling van Christus’ lijden, zo wordt bijgevolg de gestoorde orde door de kwelling van Christus’ lijden hersteld.
1e Weerlegging. Daar de gedoopte als lidmaat van Christus, net alsof hij zelf die kwelling had onderstaan, deelgenoot wordt aan de kwelling van Christus’ lijden, zo wordt bijgevolg de gestoorde orde door de kwelling van Christus’ lijden hersteld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Het water wast niet alleen maar verfrist ook op; welnu net zoals de wassing het wegnemen van de schuld te kennen geeft, bewuste verfrissing kwijtschelding van straf te kennen.
2e Weerlegging. Het water wast niet alleen maar verfrist ook op; welnu net zoals de wassing het wegnemen van de schuld te kennen geeft, bewuste verfrissing kwijtschelding van straf te kennen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Bij straffen die door een menselijk vonnis bepaald worden, wordt niet alleen nagegaan in hoever een bepaald mens ten aanzien van God strafwaardig is, maar ook wat hij zoal aan de mensen die door zijn vergrijp verongelijkt en geërgerd werden, schuldig is. Daarom dan wordt een moordenaar ook wanneer hij door het doopsel van alle straf tegenover God ontslagen wordt, in verhouding tot de mensen nog schuldig geacht. Het is immers billijk dat hij hen die aan zijn vergrijp geërgerd werden thans door zijn straf zou stichten. Niettemin mag echter de prins uit vroomheid aan zulken de straf kwijtschelden.
3e Weerlegging. Bij straffen die door een menselijk vonnis bepaald worden, wordt niet alleen nagegaan in hoever een bepaald mens ten aanzien van God strafwaardig is, maar ook wat hij zoal aan de mensen die door zijn vergrijp verongelijkt en geërgerd werden, schuldig is. Daarom dan wordt een moordenaar ook wanneer hij door het doopsel van alle straf tegenover God ontslagen wordt, in verhouding tot de mensen nog schuldig geacht. Het is immers billijk dat hij hen die aan zijn vergrijp geërgerd werden thans door zijn straf zou stichten. Niettemin mag echter de prins uit vroomheid aan zulken de straf kwijtschelden.
Referenties naar deze alinea: 1
Accogliete, illustri Signori ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Neemt het doopsel de kwellingen die we om de erfzonde in het huidige leven moeten dragen weg?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 69 a. 3 co.
IIIa q. 69 a. 7 arg. 3[t:iiia q. 69 a. 3 co.][t:iiia q. 69 a. 7 arg. 3]
IIIa q. 69 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat dankzij het doopsel de straffen die ons in het tegenwoordige leven te wachten stonden dienen weg te vallen. In zijn *Brief aan de Romeinen* (5, 15) zegt de apostel dat: "de gave van Christus vermag meer dan de zonde van Adam". Welnu, door de zonde van Adam kwam zoals de apostel op dezelfde plaats zegt de dood en alle andere kwalen die we op deze wereld onderstaan in de wereld. Zo moest dus door toedoen van de gave van Christus die we bij het doopsel ontvangen de mens nog veel eerder van al die straffen worden vrijgesteld.
B: (Rom 5:12) [b:Rom 5:12] (Rom 5:15) [b:Rom 5:15]
IIIa q. 69 a. 3 co.
IIIa q. 69 a. 7 arg. 3[t:iiia q. 69 a. 3 co.][t:iiia q. 69 a. 7 arg. 3]
IIIa q. 69 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat dankzij het doopsel de straffen die ons in het tegenwoordige leven te wachten stonden dienen weg te vallen. In zijn *Brief aan de Romeinen* (5, 15) zegt de apostel dat: "de gave van Christus vermag meer dan de zonde van Adam". Welnu, door de zonde van Adam kwam zoals de apostel op dezelfde plaats zegt de dood en alle andere kwalen die we op deze wereld onderstaan in de wereld. Zo moest dus door toedoen van de gave van Christus die we bij het doopsel ontvangen de mens nog veel eerder van al die straffen worden vrijgesteld.
B: (Rom 5:12) [b:Rom 5:12] (Rom 5:15) [b:Rom 5:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Het doopsel neemt zoals hierboven werd aangeduid (1° art.) de erfzonde en de dadelijke zonden weg; ja het bevrijdt ons van dadelijke schuld en dientengevolge ook van de straf die erop volgt. Zo verlost het doopsel ons dus ook van alle kwalen die tot straf voor de erfzonde moeten dienen.
Vervolgens. Het doopsel neemt zoals hierboven werd aangeduid (1° art.) de erfzonde en de dadelijke zonden weg; ja het bevrijdt ons van dadelijke schuld en dientengevolge ook van de straf die erop volgt. Zo verlost het doopsel ons dus ook van alle kwalen die tot straf voor de erfzonde moeten dienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Wanneer eens een oorzaak weggenomen werd, blijven ook haar uitwerkingen achterwege. Welnu, de oorzaak van al de kwalen is de erfzonde die door het doopsel vergeven wordt, en zo dienen dan ook al die kwellingen niet te blijven.
Vervolgens. Wanneer eens een oorzaak weggenomen werd, blijven ook haar uitwerkingen achterwege. Welnu, de oorzaak van al de kwalen is de erfzonde die door het doopsel vergeven wordt, en zo dienen dan ook al die kwellingen niet te blijven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter wat de Glossa zegt op de woorden van de apostel (Rom. 6, 6): "Onze oude mens werd met Christus gebruikelijk opdat het lichaam der zonde zou vernietigd worden; niet echter op zulke wijze dat de begeerlijkheid van het vlees die in het lichaam woont en in de mens geboren wordt dadelijk wordt weggenomen en verder niet meer bestaat, maar zo dat wat naar aanleiding van de geboorte aanwezig is na de geestelijke dood geen schade meer kan berokkenen." Om dezelfde reden dan worden evenmin andere kwellingen door het doopsel weggenomen.
B: (Rom 6:6) [b:Rom 6:6]
Daartegenover staat echter wat de Glossa zegt op de woorden van de apostel (Rom. 6, 6): "Onze oude mens werd met Christus gebruikelijk opdat het lichaam der zonde zou vernietigd worden; niet echter op zulke wijze dat de begeerlijkheid van het vlees die in het lichaam woont en in de mens geboren wordt dadelijk wordt weggenomen en verder niet meer bestaat, maar zo dat wat naar aanleiding van de geboorte aanwezig is na de geestelijke dood geen schade meer kan berokkenen." Om dezelfde reden dan worden evenmin andere kwellingen door het doopsel weggenomen.
B: (Rom 6:6) [b:Rom 6:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 3 co.
Mijn antwoord. Het doopsel vermag wel alle kwalen van het tegenwoordige leven weg te nemen, maar niettemin doet het zulks niet in dit leven; eerst bij de opstanding, wanneer namelijk "het sterfelijke lichaam onsterfelijkheid zal aandoen" (I Cor., 15, 53) zullen die uit kracht van het doopsel van de rechtvaardigen weggenomen worden. Dit is ook zeer redelijk; vooreerst wordt immers door het doopsel de mens bij Christus ingelijfd en lidmaat van Christus, zoals hierboven bewezen wordt (68° Kw. 5° art., antwoord op de 1° Bed.). Daarom is het passend dat wat aan het hoofd gebeurt ook aan de ingelijfde ledematen zou geschieden. Welnu, Christus was van het begin van zijn ontvangenis af vol van genade en waarheid, maar had niettemin een lijdelijk lichaam dat na zijn lijden en dood tot een verheerlijkt bestaan verheven is. Daarvandaan dat een christen mens bij het doopsel voor zijn ziel genade erlangt, en een lijdelijk lichaam behoudt, om voor Jezus Christus te kunnen lijden; zo zal hij dan ook eenmaal tot een onlijdelijk bestaan verrijzen en daarom zegt de apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 11) : "hij die Jezus Christus van uit de doden opwekte zal ook uw stervend lichaam door zijn geest die in u woont levend maken" en verder zegt hij nog : "erfgenamen van God, mede-erfgenamen van Christus, althans indien we lijden met hem om ook met hem verheerlijkt te worden." — Ten tweede hoort dat ook zo omwille van de geestelijke strijd, opdat namelijk de mens bij zijn strijd tegen begeerlijkheid en driften de zegekroon zou behalen. Daarom zegt de Glossa op de woorden uit de Brief aan de Romeinen (6, 6) : "Opdat het lichaam van de zonde vernietigd worde". Indien de mens na het doopsel in leven blijft zal hij tegen begeerlijkheid moeten strijden en met de hulp van God zal hij haar beheersen. Zinnebeeldig wordt daarover in het Boek der Rechters (3, 1) gesproken : "Deze volkeren heeft de Heer om Israël naar de strijd te brengen en opdat hun zonen ook nog daarna zouden leren met hun vijanden strijden en zich de krijgskunst eigen maken, achtergelaten." — Ten derde was dit nog passend opdat de mens niet zou, om van de kwellingen van het tegenwoordige leven verlost te worden maar wel om de heerlijkheid van het eeuwige leven, tot het doopsel naderen. Daarvandaan dat de apostel in de eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 19) zegt : "Indien wij enkel in dit leven in Christus hopen, dan zijn we de ellendigste onder de mensen."
B: (Rom 8:11) [b:Rom 8:11] (Rom 8:17) [b:Rom 8:17] (1Cor 15:54) [b:1Cor 15:54]
R: q. 69 a. 3[t:iiia q. 69 a. 3] q. 68 a. 5[t:iiia q. 68 a. 5]
Mijn antwoord. Het doopsel vermag wel alle kwalen van het tegenwoordige leven weg te nemen, maar niettemin doet het zulks niet in dit leven; eerst bij de opstanding, wanneer namelijk "het sterfelijke lichaam onsterfelijkheid zal aandoen" (I Cor., 15, 53) zullen die uit kracht van het doopsel van de rechtvaardigen weggenomen worden. Dit is ook zeer redelijk; vooreerst wordt immers door het doopsel de mens bij Christus ingelijfd en lidmaat van Christus, zoals hierboven bewezen wordt (68° Kw. 5° art., antwoord op de 1° Bed.). Daarom is het passend dat wat aan het hoofd gebeurt ook aan de ingelijfde ledematen zou geschieden. Welnu, Christus was van het begin van zijn ontvangenis af vol van genade en waarheid, maar had niettemin een lijdelijk lichaam dat na zijn lijden en dood tot een verheerlijkt bestaan verheven is. Daarvandaan dat een christen mens bij het doopsel voor zijn ziel genade erlangt, en een lijdelijk lichaam behoudt, om voor Jezus Christus te kunnen lijden; zo zal hij dan ook eenmaal tot een onlijdelijk bestaan verrijzen en daarom zegt de apostel in zijn Brief aan de Romeinen (8, 11) : "hij die Jezus Christus van uit de doden opwekte zal ook uw stervend lichaam door zijn geest die in u woont levend maken" en verder zegt hij nog : "erfgenamen van God, mede-erfgenamen van Christus, althans indien we lijden met hem om ook met hem verheerlijkt te worden." — Ten tweede hoort dat ook zo omwille van de geestelijke strijd, opdat namelijk de mens bij zijn strijd tegen begeerlijkheid en driften de zegekroon zou behalen. Daarom zegt de Glossa op de woorden uit de Brief aan de Romeinen (6, 6) : "Opdat het lichaam van de zonde vernietigd worde". Indien de mens na het doopsel in leven blijft zal hij tegen begeerlijkheid moeten strijden en met de hulp van God zal hij haar beheersen. Zinnebeeldig wordt daarover in het Boek der Rechters (3, 1) gesproken : "Deze volkeren heeft de Heer om Israël naar de strijd te brengen en opdat hun zonen ook nog daarna zouden leren met hun vijanden strijden en zich de krijgskunst eigen maken, achtergelaten." — Ten derde was dit nog passend opdat de mens niet zou, om van de kwellingen van het tegenwoordige leven verlost te worden maar wel om de heerlijkheid van het eeuwige leven, tot het doopsel naderen. Daarvandaan dat de apostel in de eerste Brief aan de Korinthiërs (15, 19) zegt : "Indien wij enkel in dit leven in Christus hopen, dan zijn we de ellendigste onder de mensen."
B: (Rom 8:11) [b:Rom 8:11] (Rom 8:17) [b:Rom 8:17] (1Cor 15:54) [b:1Cor 15:54]
R: q. 69 a. 3[t:iiia q. 69 a. 3] q. 68 a. 5[t:iiia q. 68 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. De glossa op de woorden uit de Brief aan de Romeinen (6, 6) "opdat we voortaan aan de zonde niet meer zouden onderworpen zijn" zegt dat evenals iemand, wanneer hij een allerwreedste vijand gevangen neemt, deze niet aanstonds doodt maar hem enigen tijd in schande en lijden laat leven, evenzo Christus vooralsnog de kwelling om ze later helemaal te vernietigen, in boeien geklonken houdt.
B: (Judg 3:1) [b:Judg 3:1] (Judg 3:2) [b:Judg 3:2] (Rom 6:6) [b:Rom 6:6]
1e Weerlegging. De glossa op de woorden uit de Brief aan de Romeinen (6, 6) "opdat we voortaan aan de zonde niet meer zouden onderworpen zijn" zegt dat evenals iemand, wanneer hij een allerwreedste vijand gevangen neemt, deze niet aanstonds doodt maar hem enigen tijd in schande en lijden laat leven, evenzo Christus vooralsnog de kwelling om ze later helemaal te vernietigen, in boeien geklonken houdt.
B: (Judg 3:1) [b:Judg 3:1] (Judg 3:2) [b:Judg 3:2] (Rom 6:6) [b:Rom 6:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Op dezelfde plaats zegt de Glossa dat "er twee verschillende straffen van zonde bestaan, de hellestraf, namelijk, en de tijdelijke straf. De hellestraf heeft Christus te niet gedaan, zodat gedoopten en boetvaardige zielen voor haar niet meer moeten vrezen. De tijdelijke straf heeft hij niet volkomen weggenomen, maar honger en dorst, de dood en dergelijke straffen meer, blijven voortbestaan. Alleen heeft Christus hun rijk en hun heerschappij omvergeworpen, zodat de mens ze niet meer dient te vrezen en bij het eind der tijden zal Christus ze volkomen uitroeien".
B: (1Cor 15:19) [b:1Cor 15:19]
2e Weerlegging. Op dezelfde plaats zegt de Glossa dat "er twee verschillende straffen van zonde bestaan, de hellestraf, namelijk, en de tijdelijke straf. De hellestraf heeft Christus te niet gedaan, zodat gedoopten en boetvaardige zielen voor haar niet meer moeten vrezen. De tijdelijke straf heeft hij niet volkomen weggenomen, maar honger en dorst, de dood en dergelijke straffen meer, blijven voortbestaan. Alleen heeft Christus hun rijk en hun heerschappij omvergeworpen, zodat de mens ze niet meer dient te vrezen en bij het eind der tijden zal Christus ze volkomen uitroeien".
B: (1Cor 15:19) [b:1Cor 15:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. In het tweede deel (I-II, 81e Kw. 1e art.) werd aangetoond dat de erfzonde op de volgende manier wordt voortgezet; eerst heeft de mens de natuur bezoedeld, daarna heeft de natuur de mensen bezoedeld. Christus daarentegen is andersom te werk gegaan; eerst heeft hij nl. de personen of beter de mensen hersteld, later zal hij de natuur herstellen. Daarom neemt hij én de schuld weg van de erfzonde én de straf van de godsbeschouwing nl. te moeten verstoken blijven, met andere woorden alles wat op de persoon aangewezen is aanstonds na het doopsel van de mens weg. De kwelling uit het tegenwoordige leven integendeel zoals honger, dorst en dergelijke gaan op de natuur terug en worden, doordien de oorspronkelijke rechtvaardigheid ontbreekt, door de natuurbeginselen zelf veroorzaakt. Daarom dan zullen, tot bij het eind de natuur zelf door een heerlijke opstanding zal hersteld worden, dergelijke ongeregeldheden blijven voortbestaan.
B: (Rom 6:6) [b:Rom 6:6]
R: Ia-IIae q. 81 a. 1[t:ia-iiae q. 81 a. 1] q. 82 a. 1 ad 2[t:iiia q. 82 a. 1 ad 2]
3e Weerlegging. In het tweede deel (I-II, 81e Kw. 1e art.) werd aangetoond dat de erfzonde op de volgende manier wordt voortgezet; eerst heeft de mens de natuur bezoedeld, daarna heeft de natuur de mensen bezoedeld. Christus daarentegen is andersom te werk gegaan; eerst heeft hij nl. de personen of beter de mensen hersteld, later zal hij de natuur herstellen. Daarom neemt hij én de schuld weg van de erfzonde én de straf van de godsbeschouwing nl. te moeten verstoken blijven, met andere woorden alles wat op de persoon aangewezen is aanstonds na het doopsel van de mens weg. De kwelling uit het tegenwoordige leven integendeel zoals honger, dorst en dergelijke gaan op de natuur terug en worden, doordien de oorspronkelijke rechtvaardigheid ontbreekt, door de natuurbeginselen zelf veroorzaakt. Daarom dan zullen, tot bij het eind de natuur zelf door een heerlijke opstanding zal hersteld worden, dergelijke ongeregeldheden blijven voortbestaan.
B: (Rom 6:6) [b:Rom 6:6]
R: Ia-IIae q. 81 a. 1[t:ia-iiae q. 81 a. 1] q. 82 a. 1 ad 2[t:iiia q. 82 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Worden de mensen bij het doopsel met genade en deugden toegerust?
IIIa q. 69 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat bij het doopsel de mens niet met genade en deugden wordt toegerust. Zoals hierboven gezegd werd (62e Kw. 1e art., antwoord op de 1e bedenking) brengen de sacramenten teweeg wat ze te kennen geven. Welnu, de wassing die bij het doopsel geschiedt geeft wel de reiniging van de ziel van alle zonden, maar niet de instorting van genade en deugden te kennen. Zo blijken bij het doopsel noch genade noch deugden te worden ingestort.
R: q. 62 a. 1 ad 1[t:iiia q. 62 a. 1 ad 1]
Over het vierde als volgt. Men beweert dat bij het doopsel de mens niet met genade en deugden wordt toegerust. Zoals hierboven gezegd werd (62e Kw. 1e art., antwoord op de 1e bedenking) brengen de sacramenten teweeg wat ze te kennen geven. Welnu, de wassing die bij het doopsel geschiedt geeft wel de reiniging van de ziel van alle zonden, maar niet de instorting van genade en deugden te kennen. Zo blijken bij het doopsel noch genade noch deugden te worden ingestort.
R: q. 62 a. 1 ad 1[t:iiia q. 62 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Wat iemand reeds bezit dient hij niet meer te ontvangen. Welnu, sommige mensen naderen tot het doopsel wanneer ze reeds deugden bezitten en genade ontvingen. We lezen immers in de Hand. der Apostelen (10, 1) : "Er was te Cesarea een man Cornelius geheten, een honderdman uit de zogenaamde Stelischè krijgsbende, vroom en godvrezend". Die nu werd naderhand niettemin door Petrus gedoopt. Zo geeft dus het doopsel noch genade noch deugden.
B: (Acts 10:1) [b:Acts 10:1] (Acts 10:2) [b:Acts 10:2]
R: q. 62 a. 1 ad 1[t:iiia q. 62 a. 1 ad 1]
Vervolgens. Wat iemand reeds bezit dient hij niet meer te ontvangen. Welnu, sommige mensen naderen tot het doopsel wanneer ze reeds deugden bezitten en genade ontvingen. We lezen immers in de Hand. der Apostelen (10, 1) : "Er was te Cesarea een man Cornelius geheten, een honderdman uit de zogenaamde Stelischè krijgsbende, vroom en godvrezend". Die nu werd naderhand niettemin door Petrus gedoopt. Zo geeft dus het doopsel noch genade noch deugden.
B: (Acts 10:1) [b:Acts 10:1] (Acts 10:2) [b:Acts 10:2]
R: q. 62 a. 1 ad 1[t:iiia q. 62 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 4 arg. 3
Vervolgens. De deugd is een hebbelijkheid, een hoedanigheid dus, die niet licht wegvalt en waardoor de mens in staat is gemakkelijk en met welgevallen te handelen. Welnu, na het doopsel blijft in de mens een geneigdheid naar het kwaad voortbestaan waardoor de deugd wordt te niet gedaan en het bezwaarlijk aangaat het goede waarin ten slotte de deugd gelegen is te verrichten. Zo erlangt dus de mens bij het doopsel noch genade noch deugden.
Vervolgens. De deugd is een hebbelijkheid, een hoedanigheid dus, die niet licht wegvalt en waardoor de mens in staat is gemakkelijk en met welgevallen te handelen. Welnu, na het doopsel blijft in de mens een geneigdheid naar het kwaad voortbestaan waardoor de deugd wordt te niet gedaan en het bezwaarlijk aangaat het goede waarin ten slotte de deugd gelegen is te verrichten. Zo erlangt dus de mens bij het doopsel noch genade noch deugden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter wat de apostel in de Brief aan Titus zegt (3, 5): "Door een bad van wedergeboorte (d. i. door het doopsel) en door vernieuwing van de Heilige Geest die hij overvloedig over ons heeft uitgestort, heeft hij ons gered" d. i. zoals hier de Glossa zegt, tot vergiffenis van onze zonden en tot overvloed van onze deugden. Zo worden de genaden van de Heilige Geest en overvloedige deugden dus wel degelijk bij het doopsel geschonken.
B: (Titus 3:5) [b:Titus 3:5] (Titus 3:6) [b:Titus 3:6]
Daartegenover staat echter wat de apostel in de Brief aan Titus zegt (3, 5): "Door een bad van wedergeboorte (d. i. door het doopsel) en door vernieuwing van de Heilige Geest die hij overvloedig over ons heeft uitgestort, heeft hij ons gered" d. i. zoals hier de Glossa zegt, tot vergiffenis van onze zonden en tot overvloed van onze deugden. Zo worden de genaden van de Heilige Geest en overvloedige deugden dus wel degelijk bij het doopsel geschonken.
B: (Titus 3:5) [b:Titus 3:5] (Titus 3:6) [b:Titus 3:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 4 co.
Mijn antwoord. Sint Augustinus zegt in zijn Boek over "het doopsel der kinderen" (1, 26) dat het doopsel de mensen als ledematen bij Christus inlijft. Welnu, zoals Sint Jan zegt (1, 16) : "uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen", vloeien uit het hoofd dat Christus is in alle ledematen genaden en volmaaktheid van deugd over. Zo is het dus duidelijk dat door het doopsel de mens genade en deugden erlangt.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
Mijn antwoord. Sint Augustinus zegt in zijn Boek over "het doopsel der kinderen" (1, 26) dat het doopsel de mensen als ledematen bij Christus inlijft. Welnu, zoals Sint Jan zegt (1, 16) : "uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen", vloeien uit het hoofd dat Christus is in alle ledematen genaden en volmaaktheid van deugd over. Zo is het dus duidelijk dat door het doopsel de mens genade en deugden erlangt.
B: (John 1:16) [b:John 1:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Zoals het water dat bij het doopsel gebruikt wordt door de wassing het wegnemen van schuld, en door zijn verfrissende invloed bevrijding van straf te kennen geeft, zo ook verbeeldt dit water door zijn klaarheid de heerlijkheid van de genade en van de deugden.
1e Weerlegging. Zoals het water dat bij het doopsel gebruikt wordt door de wassing het wegnemen van schuld, en door zijn verfrissende invloed bevrijding van straf te kennen geeft, zo ook verbeeldt dit water door zijn klaarheid de heerlijkheid van de genade en van de deugden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Hierboven (1° art., antwoord op de 2° bedenking) hebben wij er reeds op gewezen dat iemand in zover hij uitdrukkelijk of impliciet verlangt het doopsel te ontvangen reeds voor het doopsel vergeving van zijn zonden kan bekomen. Niettemin grijpt echter wanneer hij eenmaal het doopsel ontvangt een volkomenere vergeving van zondestraf plaats. Zo ontvingen Cornelius en andere die op hem gelijken door het geloof in Christus en door uitdrukkelijk of impliciet het doopsel te ontvangen genade en deugden; wanneer ze echter naderhand gedoopt werden ontvingen ze een grotere overvloed aan genade en deugd. Daarom zegt de Glossa op die woorden van de Psalmist (22, 2): "Hij heeft mijn ziel met water gedrenkt" dat Hij ons in het doopsel door een vermeerdering van deugd en goede werken heeft opgevoed.
B: (Ps 22:2) [b:Ps 22:2]
R: q. 69 a. 1 ad 2[t:iiia q. 69 a. 1 ad 2] q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 80 a. 1 ad 3[t:iiia q. 80 a. 1 ad 3]
2e Weerlegging. Hierboven (1° art., antwoord op de 2° bedenking) hebben wij er reeds op gewezen dat iemand in zover hij uitdrukkelijk of impliciet verlangt het doopsel te ontvangen reeds voor het doopsel vergeving van zijn zonden kan bekomen. Niettemin grijpt echter wanneer hij eenmaal het doopsel ontvangt een volkomenere vergeving van zondestraf plaats. Zo ontvingen Cornelius en andere die op hem gelijken door het geloof in Christus en door uitdrukkelijk of impliciet het doopsel te ontvangen genade en deugden; wanneer ze echter naderhand gedoopt werden ontvingen ze een grotere overvloed aan genade en deugd. Daarom zegt de Glossa op die woorden van de Psalmist (22, 2): "Hij heeft mijn ziel met water gedrenkt" dat Hij ons in het doopsel door een vermeerdering van deugd en goede werken heeft opgevoed.
B: (Ps 22:2) [b:Ps 22:2]
R: q. 69 a. 1 ad 2[t:iiia q. 69 a. 1 ad 2] q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 80 a. 1 ad 3[t:iiia q. 80 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De tegenzin voor het goede en de geneigdheid tot het kwade vindt men bij gedoopten, niet alsof zij geen deugden bezaten maar wel om reden van hun begeerlijkheid die door het doopsel niet wordt weggenomen, terug. Zoals echter door het doopsel de begeerlijkheid opdat ze de mens niet zou beheersen verminderd wordt, zo ook worden bij de bewuste hinderpalen opdat ze de mens niet zouden de baas worden verzwakt.
3e Weerlegging. De tegenzin voor het goede en de geneigdheid tot het kwade vindt men bij gedoopten, niet alsof zij geen deugden bezaten maar wel om reden van hun begeerlijkheid die door het doopsel niet wordt weggenomen, terug. Zoals echter door het doopsel de begeerlijkheid opdat ze de mens niet zou beheersen verminderd wordt, zo ook worden bij de bewuste hinderpalen opdat ze de mens niet zouden de baas worden verzwakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Worden aan het doopsel terecht sommige daden toegeschreven, zoals opaname in hjristus, verlichting en vrichtbaarheid?
IIIa q. 69 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat als uitwerkingen van het doopsel geen daden aan dit sacrament zoals daar zijn de inlijving bij Christus, de verlichting en de bevruchting, dienen toegeschreven. Het doopsel mag overeenkomstig de woorden uit Sint Marcus (16, 16) : "Wie zal geloofd hebben en gedoopt zijn zal zalig worden" enkel indien ze geloven aan volwassenen worden toegediend. Welnu door het geloof wordt de mens bij Christus ingelijfd; de Brief aan de Ephesiërs zegt immers (3, 17) : "Laat Christus door het geloof in uw hart wonen". Zo wordt niemand zonder eerst bij Christus ingelijfd te zijn gedoopt en zo is bij Christus in te lijven dus geen uitwerking van het doopsel.
B: (Mark 16:16) [b:Mark 16:16] (Eph 3:17) [b:Eph 3:17]
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat als uitwerkingen van het doopsel geen daden aan dit sacrament zoals daar zijn de inlijving bij Christus, de verlichting en de bevruchting, dienen toegeschreven. Het doopsel mag overeenkomstig de woorden uit Sint Marcus (16, 16) : "Wie zal geloofd hebben en gedoopt zijn zal zalig worden" enkel indien ze geloven aan volwassenen worden toegediend. Welnu door het geloof wordt de mens bij Christus ingelijfd; de Brief aan de Ephesiërs zegt immers (3, 17) : "Laat Christus door het geloof in uw hart wonen". Zo wordt niemand zonder eerst bij Christus ingelijfd te zijn gedoopt en zo is bij Christus in te lijven dus geen uitwerking van het doopsel.
B: (Mark 16:16) [b:Mark 16:16] (Eph 3:17) [b:Eph 3:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Geschiedt verlichting door het onderwijs, overeenkomstig de Brief aan de Ephesiërs (3, 8) : "Aan mij, de allergeringste van alle heiligen is deze genade gegeven aan allen het licht te doen zien, enz..." Welnu, in het geloof wordt men nog vooraleer gedoopt te worden onderwezen. Zo is het dus geen uitwerksel van het doopsel.
B: (Eph 3:8) [b:Eph 3:8] (Eph 3:9) [b:Eph 3:9]
Vervolgens. Geschiedt verlichting door het onderwijs, overeenkomstig de Brief aan de Ephesiërs (3, 8) : "Aan mij, de allergeringste van alle heiligen is deze genade gegeven aan allen het licht te doen zien, enz..." Welnu, in het geloof wordt men nog vooraleer gedoopt te worden onderwezen. Zo is het dus geen uitwerksel van het doopsel.
B: (Eph 3:8) [b:Eph 3:8] (Eph 3:9) [b:Eph 3:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Vruchtbaarheid is op degene die zelf voortbrengt aangewezen. Door het doopsel worden wij integendeel geestelijk wijze voortgebracht en zo is dus vruchtbaarheid geen uitwerksel van het doopsel.
Vervolgens. Vruchtbaarheid is op degene die zelf voortbrengt aangewezen. Door het doopsel worden wij integendeel geestelijk wijze voortgebracht en zo is dus vruchtbaarheid geen uitwerksel van het doopsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Boek over "Het Doopsel der Kinderen" (1, 26) zegt: "Daartoe bestaat het doopsel om de mensen bij Christus in te lijven" en Dionysius zegt in zijn "Kerkelijke Hierarchie" (2): "Het doopsel brengt verlichting mede", en de Glossa op de tweeëntwintigste psalm (2): "Langs verfrisschend water heeft hij me heengeleid" zegt "dat de ziel om de dorheid der zonde onvruchtbaar door het doopsel vruchtbaar gemaakt wordt".
B: (Ps 22:2) [b:Ps 22:2]
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Boek over "Het Doopsel der Kinderen" (1, 26) zegt: "Daartoe bestaat het doopsel om de mensen bij Christus in te lijven" en Dionysius zegt in zijn "Kerkelijke Hierarchie" (2): "Het doopsel brengt verlichting mede", en de Glossa op de tweeëntwintigste psalm (2): "Langs verfrisschend water heeft hij me heengeleid" zegt "dat de ziel om de dorheid der zonde onvruchtbaar door het doopsel vruchtbaar gemaakt wordt".
B: (Ps 22:2) [b:Ps 22:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 5 co.
Mijn antwoord. Het doopsel doet de mens tot het geestelijke leven wedergeboren worden, iets wat alleen door toedoen van het gebed in Christus kan gebeuren. De apostel zegt immers in zijn Brief aan de Galaten (2, 20) : "Ik die nu in het vlees leef, ik leef in het geloof van de zoon van God." — Welnu, alleen voor de ledematen die met het hoofd waarvan ze gevoelen en beweging betrekken verenigd zijn is er leven, en daarom is het nodig dat de mens door het doopsel als lidmaat bij Christus zou worden ingelijfd. Zoals immers de ledematen van het natuurlijke hoofd gevoel en beweging betrekken, zo ook komen van het geestelijke hoofd dat Christus is, het geestelijk gevoel dat in kennis van de waarheid bestaat en de geestelijke beweging die onder invloed van de genade geschiedt naar Christus' ledematen. Daarom zegt Sint Jan (1, 14) : "Wij hebben hem gezien vol van genade en waarheid, en van zijn volheid hebben wij allen ontvangen." — Zo is het dan duidelijk dat door Christus de gedoopten in de kennis van de waarheid verlicht en met hun genade in te storten door Hem aan goede werken worden vruchtbaar gemaakt.
B: (John 1:14) [b:John 1:14] (John 1:16) [b:John 1:16] (Gal 2:20) [b:Gal 2:20]
Mijn antwoord. Het doopsel doet de mens tot het geestelijke leven wedergeboren worden, iets wat alleen door toedoen van het gebed in Christus kan gebeuren. De apostel zegt immers in zijn Brief aan de Galaten (2, 20) : "Ik die nu in het vlees leef, ik leef in het geloof van de zoon van God." — Welnu, alleen voor de ledematen die met het hoofd waarvan ze gevoelen en beweging betrekken verenigd zijn is er leven, en daarom is het nodig dat de mens door het doopsel als lidmaat bij Christus zou worden ingelijfd. Zoals immers de ledematen van het natuurlijke hoofd gevoel en beweging betrekken, zo ook komen van het geestelijke hoofd dat Christus is, het geestelijk gevoel dat in kennis van de waarheid bestaat en de geestelijke beweging die onder invloed van de genade geschiedt naar Christus' ledematen. Daarom zegt Sint Jan (1, 14) : "Wij hebben hem gezien vol van genade en waarheid, en van zijn volheid hebben wij allen ontvangen." — Zo is het dan duidelijk dat door Christus de gedoopten in de kennis van de waarheid verlicht en met hun genade in te storten door Hem aan goede werken worden vruchtbaar gemaakt.
B: (John 1:14) [b:John 1:14] (John 1:16) [b:John 1:16] (Gal 2:20) [b:Gal 2:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De volwassenen worden wanneer ze geloven eerst op geestelijke wijze bij Christus ingelijfd, en eerst daarna worden ze bij het doopsel als lichamelijke wijze, d. i. door het zichtbare sacrament waarnaar ze om geestelijk te kunnen worden ingelijfd reeds moesten verlangen, bij Christus ingelijfd.
1e Weerlegging. De volwassenen worden wanneer ze geloven eerst op geestelijke wijze bij Christus ingelijfd, en eerst daarna worden ze bij het doopsel als lichamelijke wijze, d. i. door het zichtbare sacrament waarnaar ze om geestelijk te kunnen worden ingelijfd reeds moesten verlangen, bij Christus ingelijfd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Een leeraar verlicht uiterlijk door middel van zijn onderwijs; God echter verlicht innerlijk door het doopsel met hun hart te stemmen om de leer van waarheid aan te nemen. Zo zegt dan ook Sint Jan (6, 45): "Bij de profeten staat geschreven: en alle mensen zullen bij God ter school gaan."
B: (John 6:45, John 6:45) [b:John 6:45]
2e Weerlegging. Een leeraar verlicht uiterlijk door middel van zijn onderwijs; God echter verlicht innerlijk door het doopsel met hun hart te stemmen om de leer van waarheid aan te nemen. Zo zegt dan ook Sint Jan (6, 45): "Bij de profeten staat geschreven: en alle mensen zullen bij God ter school gaan."
B: (John 6:45, John 6:45) [b:John 6:45]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Vruchtbaarheid waardoor iemand goede werken volbrengt, is een uitwerksel van het doopsel, niet vruchtbaarheid waardoor iemand andere mensen in Christus voortbrengt; zo toch zegt de apostel in zijn eerste Brief aan de Korinthiërs (4, 15): "Want in Christus Jezus heb ik u door het evangelie geteeld."
B: (1Cor 4:15) [b:1Cor 4:15]
3e Weerlegging. Vruchtbaarheid waardoor iemand goede werken volbrengt, is een uitwerksel van het doopsel, niet vruchtbaarheid waardoor iemand andere mensen in Christus voortbrengt; zo toch zegt de apostel in zijn eerste Brief aan de Korinthiërs (4, 15): "Want in Christus Jezus heb ik u door het evangelie geteeld."
B: (1Cor 4:15) [b:1Cor 4:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Ontvangen ook kleine kinderen bij het doopsel genade en deugden?
IIIa q. 69 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert dat kleine kinderen bij het doopsel met genade en deugden niet begiftigd worden. Genade en deugden gaan altijd met geloof en liefde gepaard. Welnu, zoals Sint Augustinus in zijn 98° Brief zegt, komt het geloof neer op de wil van hen die geloven en zo komt liefde neer op de wil van hen die beminnen. Kinderen nu hebben niet het gebruik van hun vrije wil en hebben bijgevolg noch geloof noch liefde. Zo worden dus de kinderen bij het doopsel niet met genade en deugden begiftigd.
Over het zesde als volgt. Men beweert dat kleine kinderen bij het doopsel met genade en deugden niet begiftigd worden. Genade en deugden gaan altijd met geloof en liefde gepaard. Welnu, zoals Sint Augustinus in zijn 98° Brief zegt, komt het geloof neer op de wil van hen die geloven en zo komt liefde neer op de wil van hen die beminnen. Kinderen nu hebben niet het gebruik van hun vrije wil en hebben bijgevolg noch geloof noch liefde. Zo worden dus de kinderen bij het doopsel niet met genade en deugden begiftigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Bij die woorden van Joannes (14, 12) "Degene die in Mij gelooft zal nog grotere werken verrichten" zegt de heilige Augustinus (72° tract. op Joan.) "Om een onrechtvaardige tot een rechtvaardige te maken moet Jezus Christus in die mens werken en hij ook moet meewerken." — Welnu, daar een kind niet het gebruik van zijn vrije wil heeft, kan het niet met Christus aan zijne rechtvaardiging meewerken, ja zelfs biedt het wel eens zoveel het kan weerstand. Zo wordt dus een kind niet door de genade en de deugden rechtvaardig gemaakt.
B: (John 14:12) [b:John 14:12]
Vervolgens. Bij die woorden van Joannes (14, 12) "Degene die in Mij gelooft zal nog grotere werken verrichten" zegt de heilige Augustinus (72° tract. op Joan.) "Om een onrechtvaardige tot een rechtvaardige te maken moet Jezus Christus in die mens werken en hij ook moet meewerken." — Welnu, daar een kind niet het gebruik van zijn vrije wil heeft, kan het niet met Christus aan zijne rechtvaardiging meewerken, ja zelfs biedt het wel eens zoveel het kan weerstand. Zo wordt dus een kind niet door de genade en de deugden rechtvaardig gemaakt.
B: (John 14:12) [b:John 14:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 6 arg. 3
Vervolgens. In zijn Brief aan de Romeinen (4) zegt Sint Paulus het volgende: "Uit kracht van Gods genadebesluit wordt het geloof aan hem die geen goede werken verricht, maar in Hem die de goddeloze kan rechtvaardig maken gelooft, als gerechtigheid aangerekend." Welnu een klein kind gelooft niet in degene die de onrechtvaardige rechtvaardig maakt en ontvangt dus ook noch de heiligmakende genade, noch de deugden.
B: (Rom 4:5) [b:Rom 4:5]
Vervolgens. In zijn Brief aan de Romeinen (4) zegt Sint Paulus het volgende: "Uit kracht van Gods genadebesluit wordt het geloof aan hem die geen goede werken verricht, maar in Hem die de goddeloze kan rechtvaardig maken gelooft, als gerechtigheid aangerekend." Welnu een klein kind gelooft niet in degene die de onrechtvaardige rechtvaardig maakt en ontvangt dus ook noch de heiligmakende genade, noch de deugden.
B: (Rom 4:5) [b:Rom 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 6 arg. 4
Vervolgens. Wat met een vleselijk opzet gedaan wordt kan geen geestelijk uitwerksel erlangen. Welnu, soms gebeurt het dat kinderen om een vleselijk opzet opdat ze namelijk zouden lichamelijk gezond worden, ten doop gedragen worden. Zodus verkrijgen ze noch genade noch deugden.
Vervolgens. Wat met een vleselijk opzet gedaan wordt kan geen geestelijk uitwerksel erlangen. Welnu, soms gebeurt het dat kinderen om een vleselijk opzet opdat ze namelijk zouden lichamelijk gezond worden, ten doop gedragen worden. Zodus verkrijgen ze noch genade noch deugden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus in zijn "Enchiridion" (52° c.) schrijft: "Wanneer de kinderen worden wedergeboren sterven ze voor de zonde die ze, toen ze geboren werden hadden opgelopen", zo geldt dan van hen wat gezegd werd: "Door het doopsel werden we met Jezus Christus in zijn dood begraven (en men voegt er aan toe) : opdat, zoals Christus door de glorie van de Vader uit de doden is opgestaan, zo ook wij in een nieuw leven zouden omwandelen." — Welnu, nieuwheid van leven wordt ons door de genade en door de deugden gegeven en zo erlangen dus kinderen bij het doopsel degelijk de genade en de deugden.
Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus in zijn "Enchiridion" (52° c.) schrijft: "Wanneer de kinderen worden wedergeboren sterven ze voor de zonde die ze, toen ze geboren werden hadden opgelopen", zo geldt dan van hen wat gezegd werd: "Door het doopsel werden we met Jezus Christus in zijn dood begraven (en men voegt er aan toe) : opdat, zoals Christus door de glorie van de Vader uit de doden is opgestaan, zo ook wij in een nieuw leven zouden omwandelen." — Welnu, nieuwheid van leven wordt ons door de genade en door de deugden gegeven en zo erlangen dus kinderen bij het doopsel degelijk de genade en de deugden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 6 co.
Mijn antwoord. Oudere godgeleerden hebben beweerd dat door het doopsel aan kinderen niet de genade en de deugden, maar enkel het merkteken uit kracht waarvan ze, wanneer ze eens tot de jaren van verstand gekomen zijn, genade en deugden erlangen, geschonken wordt. Die stelling nu houdt geen stand en wel om twee redenen: vooreerst, omdat kinderen evenzeer als volwassenen door het doopsel ledematen van Christus worden; zo moeten hun dan van het hoofd genade en deugden toevloeien. Ten tweede, omdat volgens die zienswijze kinderen die gauw na het doopsel sterven de eeuwige zaligheid niet zouden erlangen, de apostel zegt immers in de Brief aan de Romeinen (6, 23): "De genade van God is het eeuwige leven"; zo zou dan het doopsel hun zaligheid niet ten goede komen. Die dwaling komt overigens hiervandaan dat zulken niet wisten de hebbelijkheid en de daad uit elkaar te houden. Daar ze namelijk vaststelden dat na het doopsel kinderen nog geen daden van deugd stellen, zo besloten ze dat na het doopsel kinderen nog niet de deugd bezitten; die onbekwaamheid tot handelen komt echter niet bij gebrek aan hebbelijkheden maar wel naar aanleiding van hinderpalen vanwege het lichaam; zo ook worden slapenden hoewel ze deugdzame hebbelijkheden bezitten door de slaap weerhouden daden te stellen.
B: (Rom 6:23) [b:Rom 6:23]
Mijn antwoord. Oudere godgeleerden hebben beweerd dat door het doopsel aan kinderen niet de genade en de deugden, maar enkel het merkteken uit kracht waarvan ze, wanneer ze eens tot de jaren van verstand gekomen zijn, genade en deugden erlangen, geschonken wordt. Die stelling nu houdt geen stand en wel om twee redenen: vooreerst, omdat kinderen evenzeer als volwassenen door het doopsel ledematen van Christus worden; zo moeten hun dan van het hoofd genade en deugden toevloeien. Ten tweede, omdat volgens die zienswijze kinderen die gauw na het doopsel sterven de eeuwige zaligheid niet zouden erlangen, de apostel zegt immers in de Brief aan de Romeinen (6, 23): "De genade van God is het eeuwige leven"; zo zou dan het doopsel hun zaligheid niet ten goede komen. Die dwaling komt overigens hiervandaan dat zulken niet wisten de hebbelijkheid en de daad uit elkaar te houden. Daar ze namelijk vaststelden dat na het doopsel kinderen nog geen daden van deugd stellen, zo besloten ze dat na het doopsel kinderen nog niet de deugd bezitten; die onbekwaamheid tot handelen komt echter niet bij gebrek aan hebbelijkheden maar wel naar aanleiding van hinderpalen vanwege het lichaam; zo ook worden slapenden hoewel ze deugdzame hebbelijkheden bezitten door de slaap weerhouden daden te stellen.
B: (Rom 6:23) [b:Rom 6:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. I. Geloof en liefde zijn in de wil van de mens gelegen, zo nochtans dat de hebbelijkheid van bewuste en andere deugden het vermogen van de wil dat bij kinderen voorkomt, noodig heeft, terwijl de daad van die of gene deugd vanwege de wil een daad vergt, en deze komt niet bij kinderen voor. Op die wijze dan mag Sint Augustinus in zijn 98° Brief zeggen: "Alhoewel het kleine kind niet gelovig wordt door een geloof dat zou in de wil bestaan, toch wordt het gelovig door het geloofssacrament dat de hebbelijkheid te geloven teweegbrengt."
1e Weerlegging. I. Geloof en liefde zijn in de wil van de mens gelegen, zo nochtans dat de hebbelijkheid van bewuste en andere deugden het vermogen van de wil dat bij kinderen voorkomt, noodig heeft, terwijl de daad van die of gene deugd vanwege de wil een daad vergt, en deze komt niet bij kinderen voor. Op die wijze dan mag Sint Augustinus in zijn 98° Brief zeggen: "Alhoewel het kleine kind niet gelovig wordt door een geloof dat zou in de wil bestaan, toch wordt het gelovig door het geloofssacrament dat de hebbelijkheid te geloven teweegbrengt."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. De woorden van Sint Augustinus in zijn Boek: De Liefde, III° tract. op de 1°ʳ Brief van Joannes: "Niemand wordt door water en de Heilige Geest wedergeboren behalve wanneer hij het zelf wil", moeten van volwassenen, niet van kinderen begrepen worden, en dat de mens niet zonder mee te werken door Christus wordt rechtvaardig gemaakt, evenzo. Dat eindelijk "kleine kinderen, wanneer ze moeten gedoopt worden, zo goed als ze kunnen tegenspartelen, dat dient hun niet kwalijk genomen; ze weten immers zo weinig wat ze doen dat het is alsof ze het niet deden" zoals Sint Augustinus in zijn Boek "De Aanwezigheid Gods" en in zijn "Brief aan Dardanus" (287° Brief) zegt.
2e Weerlegging. De woorden van Sint Augustinus in zijn Boek: De Liefde, III° tract. op de 1°ʳ Brief van Joannes: "Niemand wordt door water en de Heilige Geest wedergeboren behalve wanneer hij het zelf wil", moeten van volwassenen, niet van kinderen begrepen worden, en dat de mens niet zonder mee te werken door Christus wordt rechtvaardig gemaakt, evenzo. Dat eindelijk "kleine kinderen, wanneer ze moeten gedoopt worden, zo goed als ze kunnen tegenspartelen, dat dient hun niet kwalijk genomen; ze weten immers zo weinig wat ze doen dat het is alsof ze het niet deden" zoals Sint Augustinus in zijn Boek "De Aanwezigheid Gods" en in zijn "Brief aan Dardanus" (287° Brief) zegt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Volgens Sint Augustinus (De apostolische Waarheden) geeft de heilige Kerk aan kleine kinderen de voeten van andere mensen om te gaan, het hart van andere mensen om te geloven, en de tong van andere mensen om het geloof te belijden. Zo komt het dan dat die kleine kinderen niet door een eigen daad, maar door het geloof van de Kerk dat hun wordt medegedeeld geloven en dankzij de kracht van dit geloof erlangen ze genade en deugden.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 71 a. 1 ad 2[t:iiia q. 71 a. 1 ad 2]
3e Weerlegging. Volgens Sint Augustinus (De apostolische Waarheden) geeft de heilige Kerk aan kleine kinderen de voeten van andere mensen om te gaan, het hart van andere mensen om te geloven, en de tong van andere mensen om het geloof te belijden. Zo komt het dan dat die kleine kinderen niet door een eigen daad, maar door het geloof van de Kerk dat hun wordt medegedeeld geloven en dankzij de kracht van dit geloof erlangen ze genade en deugden.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 71 a. 1 ad 2[t:iiia q. 71 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 6 ad 4
4e Weerlegging. Het vleselijk opzet van de mensen die kinderen ten doop dragen doet niets ter zake; de schuld van de ene kan immers de andere zolang hij niet toestemt niet hinderen. Waar vandaan dat de heilige Augustinus zegt (98° Brief aan Bonifacius) : "Maak u niet bezorgd over het feit dat sommige mensen, niet omdat ze denken dat de geestelijke genade ze zal doen tot het eeuwige leven wedergeboren worden, maar wel omdat ze denken dat dit een geneesmiddel is om de gezondheid te bewaren of te verkrijgen hun kinderen laten dopen. Dit staat toch, alhoewel ze niet met dit opzet door hun ouders worden ten doop gedragen de wedergeboorte van die kinderen niet in de weg."
4e Weerlegging. Het vleselijk opzet van de mensen die kinderen ten doop dragen doet niets ter zake; de schuld van de ene kan immers de andere zolang hij niet toestemt niet hinderen. Waar vandaan dat de heilige Augustinus zegt (98° Brief aan Bonifacius) : "Maak u niet bezorgd over het feit dat sommige mensen, niet omdat ze denken dat de geestelijke genade ze zal doen tot het eeuwige leven wedergeboren worden, maar wel omdat ze denken dat dit een geneesmiddel is om de gezondheid te bewaren of te verkrijgen hun kinderen laten dopen. Dit staat toch, alhoewel ze niet met dit opzet door hun ouders worden ten doop gedragen de wedergeboorte van die kinderen niet in de weg."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Wordt door het doopsel de deur van het hemelrijk voor de gedoopten opengesteld?
IIIa q. 69 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat niet het openzetten van de deur des hemels voor gedoopten het uitwerksel is van hun doopsel. Wat reeds open is dient niet meer te worden opengedaan. Welnu, de deur van de hemel werd door het lijden van Christus opengezet; daarom wordt dan ook in het Boek der Openbaring (4, 1) gezegd: "Daarna zag ik een grote deur in de hemel openstaan". Dat de deur des hemels openstaat is dus geen uitwerksel van het doopsel.
B: (Rev 4:1) [b:Rev 4:1]
Over het zevende als volgt. Men beweert dat niet het openzetten van de deur des hemels voor gedoopten het uitwerksel is van hun doopsel. Wat reeds open is dient niet meer te worden opengedaan. Welnu, de deur van de hemel werd door het lijden van Christus opengezet; daarom wordt dan ook in het Boek der Openbaring (4, 1) gezegd: "Daarna zag ik een grote deur in de hemel openstaan". Dat de deur des hemels openstaat is dus geen uitwerksel van het doopsel.
B: (Rev 4:1) [b:Rev 4:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Van de tijd van zijn instelling af heeft het doopsel immer zijn uitwerking bereikt. Welnu, het doopsel werd reeds voor het lijden van Christus (Joann. 3) toegediend en, moesten die mensen en op dit ogenblik gestorven zijn, dan zouden ze, daar Christus overeenkomstig de woorden van de Profeet Micheas (2, 3): "Voor hen is hij opgeklommen en de weg heeft hij voor hen gebaand", de eerste er binnen gegaan is, de deur des hemels niet zijn binnengegaan. Zo is dus het openen van de deur des hemels niet een uitwerking van het doopsel.
B: (Mic 2:13) [b:Mic 2:13] (John 3:22) [b:John 3:22] (John 3:26, John 3:26) [b:John 3:26]
Vervolgens. Van de tijd van zijn instelling af heeft het doopsel immer zijn uitwerking bereikt. Welnu, het doopsel werd reeds voor het lijden van Christus (Joann. 3) toegediend en, moesten die mensen en op dit ogenblik gestorven zijn, dan zouden ze, daar Christus overeenkomstig de woorden van de Profeet Micheas (2, 3): "Voor hen is hij opgeklommen en de weg heeft hij voor hen gebaand", de eerste er binnen gegaan is, de deur des hemels niet zijn binnengegaan. Zo is dus het openen van de deur des hemels niet een uitwerking van het doopsel.
B: (Mic 2:13) [b:Mic 2:13] (John 3:22) [b:John 3:22] (John 3:26, John 3:26) [b:John 3:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 7 arg. 3
Vervolgens. De gedoopten zijn evenzeer als andere mensen aan de dood en aan alle andere ellenden van het tegenwoordige leven onderworpen; hierboven (3e art. dezer Kw.) werd het overigens aangetoond. Welnu, voor iemand die nog aan straf onderworpen is staat de deur des hemels niet open, dit blijkt volkomen uit het feit dat er zielen in het vagevuur verblijven. Zo is dus het openen van de deur des hemels geen uitwerksel van het doopsel.
R: q. 69 a. 3[t:iiia q. 69 a. 3]
Vervolgens. De gedoopten zijn evenzeer als andere mensen aan de dood en aan alle andere ellenden van het tegenwoordige leven onderworpen; hierboven (3e art. dezer Kw.) werd het overigens aangetoond. Welnu, voor iemand die nog aan straf onderworpen is staat de deur des hemels niet open, dit blijkt volkomen uit het feit dat er zielen in het vagevuur verblijven. Zo is dus het openen van de deur des hemels geen uitwerksel van het doopsel.
R: q. 69 a. 3[t:iiia q. 69 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter wat Beda bij L.c. (3, 21) "De hemel ging open" zegt: "Hier wordt de kracht van het doopsel waardoor de deur des hemels voor iemand die gedoopt is opengaat aangetoond."
B: (Luke 3:21) [b:Luke 3:21]
Daartegenover staat echter wat Beda bij L.c. (3, 21) "De hemel ging open" zegt: "Hier wordt de kracht van het doopsel waardoor de deur des hemels voor iemand die gedoopt is opengaat aangetoond."
B: (Luke 3:21) [b:Luke 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 7 co.
Mijn antwoord. De deur des hemels te openen komt neer op het wegnemen van de beletselen waardoor iemand verhinderd wordt het hemelrijk binnen te gaan. Welnu, deze beletselen zijn niets anders dan zondeschuld en zondestraf, en, aangezien het doopsel zoals wij hierboven (1e en 2e art. dezer Kw.) hebben aangetoond, alle straf en alle schuld wegneemt, zo dient besloten dat het hemelrijk open te zetten één onder de uitwerkselen van het doopsel is.
R: q. 69 a. 1[t:iiia q. 69 a. 1] q. 69 a. 2[t:iiia q. 69 a. 2]
Mijn antwoord. De deur des hemels te openen komt neer op het wegnemen van de beletselen waardoor iemand verhinderd wordt het hemelrijk binnen te gaan. Welnu, deze beletselen zijn niets anders dan zondeschuld en zondestraf, en, aangezien het doopsel zoals wij hierboven (1e en 2e art. dezer Kw.) hebben aangetoond, alle straf en alle schuld wegneemt, zo dient besloten dat het hemelrijk open te zetten één onder de uitwerkselen van het doopsel is.
R: q. 69 a. 1[t:iiia q. 69 a. 1] q. 69 a. 2[t:iiia q. 69 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Het doopsel opent de deur van het rijk des hemels in deze zin dat het de gedoopten aan het lijden van Christus deelachtig maakt en de kracht van het lijden aan hen toepast.
1e Weerlegging. Het doopsel opent de deur van het rijk des hemels in deze zin dat het de gedoopten aan het lijden van Christus deelachtig maakt en de kracht van het lijden aan hen toepast.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Wanneer het lijden van Christus nog niet in werkelijkheid voltrokken was doch enkel in het geloof van degenen die geloofden, bestond, werd door het doopsel overeenkomstig bewust geloof het opengaan van de deur des hemels niet in werkelijkheid maar enkel voor de toekomst bewerkstelligd; zo moesten dan de gedoopten die op dit ogenblik stierven, wachten, doch ze hadden zekerheid dat ze eens de hemel zouden binnengaan.
2e Weerlegging. Wanneer het lijden van Christus nog niet in werkelijkheid voltrokken was doch enkel in het geloof van degenen die geloofden, bestond, werd door het doopsel overeenkomstig bewust geloof het opengaan van de deur des hemels niet in werkelijkheid maar enkel voor de toekomst bewerkstelligd; zo moesten dan de gedoopten die op dit ogenblik stierven, wachten, doch ze hadden zekerheid dat ze eens de hemel zouden binnengaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. De gedoopte is niet door persoonlijke schuld maar wel om de toestand waarin zijn natuur verkeert aan de dood en aan de ellenden van het tegenwoordige leven onderworpen. Zo is het dan voor hem geen beletsel om, wanneer zijn ziel door de dood van zijn lichaam gescheiden wordt, de hemel binnen te gaan; dan is immers reeds alles wat aan de natuur verschuldigd was uitbetaald.
3e Weerlegging. De gedoopte is niet door persoonlijke schuld maar wel om de toestand waarin zijn natuur verkeert aan de dood en aan de ellenden van het tegenwoordige leven onderworpen. Zo is het dan voor hem geen beletsel om, wanneer zijn ziel door de dood van zijn lichaam gescheiden wordt, de hemel binnen te gaan; dan is immers reeds alles wat aan de natuur verschuldigd was uitbetaald.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Heeft het doopsel bij alle mensen hetzelfde uitwerksel?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 90 a. 2 ad 2[t:iiia q. 90 a. 2 ad 2]
IIIa q. 69 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert dat het doopsel niet bij alle mensen hetzelfde uitwerksel heeft. Het doopsel heeft als uitwerksel zonde schuld weg te nemen; bij sommigen heeft het zwaarder schuld kwijt te schelden dan bij anderen; bij kleine kinderen bijvoorbeeld wordt enkel de erfzonde vergeven; bij volwassenen integendeel ook dadelijke zonden en zulks naar elks geval in meerdere of mindere mate. Zo heeft dus het doopsel niet bij alle mensen hetzelfde uitwerksel.
IIIa q. 90 a. 2 ad 2[t:iiia q. 90 a. 2 ad 2]
IIIa q. 69 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert dat het doopsel niet bij alle mensen hetzelfde uitwerksel heeft. Het doopsel heeft als uitwerksel zonde schuld weg te nemen; bij sommigen heeft het zwaarder schuld kwijt te schelden dan bij anderen; bij kleine kinderen bijvoorbeeld wordt enkel de erfzonde vergeven; bij volwassenen integendeel ook dadelijke zonden en zulks naar elks geval in meerdere of mindere mate. Zo heeft dus het doopsel niet bij alle mensen hetzelfde uitwerksel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Het doopsel schenkt aan de mensen genade en deugd. Welnu, na het doopsel, blijken sommige mensen meer genade en meer deugdvolmaaktheid te hebben dan andere. Zo heeft dus het doopsel niet bij alle mensen hetzelfde uitwerksel.
Vervolgens. Het doopsel schenkt aan de mensen genade en deugd. Welnu, na het doopsel, blijken sommige mensen meer genade en meer deugdvolmaaktheid te hebben dan andere. Zo heeft dus het doopsel niet bij alle mensen hetzelfde uitwerksel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 8 arg. 3
Vervolgens. De natuur wordt zoals de stof door de vorm, door de genade vervolmaakt. Welnu, de vorm wordt overeenkomstig haar gestalte door de stof opgenomen. Aangezien nu bij sommigen ja ook onder kinderen de natuur een betere aanleg heeft dan bij anderen, zo moet ook de ene meer genade ontvangen dan de andere.
Vervolgens. De natuur wordt zoals de stof door de vorm, door de genade vervolmaakt. Welnu, de vorm wordt overeenkomstig haar gestalte door de stof opgenomen. Aangezien nu bij sommigen ja ook onder kinderen de natuur een betere aanleg heeft dan bij anderen, zo moet ook de ene meer genade ontvangen dan de andere.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 8 arg. 4
Vervolgens. Sommige mensen erlangen bij het doopsel niet alleen geestelijke zaligheid, maar zoals Constantijn die door het doopsel van zijn melaatsheid bevrijd werd, ook de gezondheid van het lichaam. Welnu, niet alle zieken erlangen bij het doopsel de gezondheid van het lichaam. Zo heeft dus het doopsel bij alle mensen niet hetzelfde uitwerksel.
Vervolgens. Sommige mensen erlangen bij het doopsel niet alleen geestelijke zaligheid, maar zoals Constantijn die door het doopsel van zijn melaatsheid bevrijd werd, ook de gezondheid van het lichaam. Welnu, niet alle zieken erlangen bij het doopsel de gezondheid van het lichaam. Zo heeft dus het doopsel bij alle mensen niet hetzelfde uitwerksel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter wat Sint Paulus in zijn Brief aan de Ephesiërs (4, 5) schrijft: "Eén geloof, één doopsel". Een dezelfde oorzaak nu heeft dezelfde uitwerkselen. Zo heeft dus het doopsel bij alle mensen dezelfde uitwerkingen.
B: (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
Daartegenover staat echter wat Sint Paulus in zijn Brief aan de Ephesiërs (4, 5) schrijft: "Eén geloof, één doopsel". Een dezelfde oorzaak nu heeft dezelfde uitwerkselen. Zo heeft dus het doopsel bij alle mensen dezelfde uitwerkingen.
B: (Eph 4:5) [b:Eph 4:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 8 co.
Mijn antwoord. Het doopsel heeft een dubbel uitwerksel, één dat uit de wezenheid van het doopsel volgt en één dat alleen toevallig voorkomt. Het wezenlijke uitwerksel is dit waartoe het doopsel werd ingesteld, om namelijk de mensen te doen tot het geestelijk leven wedergeboren worden en dit uitwerksel is bij alle mensen die met éénzelfde gesteltenis het doopsel ontvangen, hetzelfde. Aangezien nu kinderen allemaal met dezelfde gemoedsgesteltenis tot het doopsel naderen, — ze worden immers in het geloof der Kerk en niet om hun persoonlijk geloof gedoopt, — zo erlangen ze bij het doopsel allen hetzelfde uitwerksel. Volwassenen daarentegen die met een persoonlijk geloof het doopsel ontvangen hebben niet allen dezelfde gesteltenis, de enen toch ontvangen het sacrament met meer godsvrucht dan de anderen, en daarom ontvangen ze ook meer of minder genade van hun wedergeboorte. Zo ook zal iemand, hoewel het vuur aan zich beschouwd naar overal dezelfde warmte uitzendt, naar gelang hij meer of minder dicht bij het vuur komt ook meer of minder warmte ontvangen. Verder is het toevallig uitwerksel van het doopsel dat waartoe het doopsel niet werd ingesteld maar dat door Gods macht op wondere wijze wordt uitgewerkt. De Glossa op die woorden van Sint Paulus (Rom. 6, 6) "Opdat we geen slaven der zonde meer zouden zijn" zegt immers: "dat de wet der zonde in onze ledematen zou uitgedoofd worden, dit wordt, behalve misschien mits een onuitsprekelijk mirakel van de Schepper bij het doopsel niet bekomen". Ook worden dergelijke uitwerkselen, zelfs als zij het doopsel met dezelfde godsvrucht ontvangen, door de gedoopten niet op dezelfde wijze ontvangen maar de goddelijke Voorzienigheid reikt die overeenkomstig haar raadsbesluiten uit.
Mijn antwoord. Het doopsel heeft een dubbel uitwerksel, één dat uit de wezenheid van het doopsel volgt en één dat alleen toevallig voorkomt. Het wezenlijke uitwerksel is dit waartoe het doopsel werd ingesteld, om namelijk de mensen te doen tot het geestelijk leven wedergeboren worden en dit uitwerksel is bij alle mensen die met éénzelfde gesteltenis het doopsel ontvangen, hetzelfde. Aangezien nu kinderen allemaal met dezelfde gemoedsgesteltenis tot het doopsel naderen, — ze worden immers in het geloof der Kerk en niet om hun persoonlijk geloof gedoopt, — zo erlangen ze bij het doopsel allen hetzelfde uitwerksel. Volwassenen daarentegen die met een persoonlijk geloof het doopsel ontvangen hebben niet allen dezelfde gesteltenis, de enen toch ontvangen het sacrament met meer godsvrucht dan de anderen, en daarom ontvangen ze ook meer of minder genade van hun wedergeboorte. Zo ook zal iemand, hoewel het vuur aan zich beschouwd naar overal dezelfde warmte uitzendt, naar gelang hij meer of minder dicht bij het vuur komt ook meer of minder warmte ontvangen. Verder is het toevallig uitwerksel van het doopsel dat waartoe het doopsel niet werd ingesteld maar dat door Gods macht op wondere wijze wordt uitgewerkt. De Glossa op die woorden van Sint Paulus (Rom. 6, 6) "Opdat we geen slaven der zonde meer zouden zijn" zegt immers: "dat de wet der zonde in onze ledematen zou uitgedoofd worden, dit wordt, behalve misschien mits een onuitsprekelijk mirakel van de Schepper bij het doopsel niet bekomen". Ook worden dergelijke uitwerkselen, zelfs als zij het doopsel met dezelfde godsvrucht ontvangen, door de gedoopten niet op dezelfde wijze ontvangen maar de goddelijke Voorzienigheid reikt die overeenkomstig haar raadsbesluiten uit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. De kleinste genade van het doopsel is voldoende om alle zonden weg te nemen. Dat nu bij de een meer en bij de ander minder zonden vergeven worden volgt niet uit een mindere of meerdere kracht van het doopsel, maar uit de gesteltenis van het subject; bij elk immers neemt het doopsel alle zonden die het aantreft weg.
B: (Rom 6:6) [b:Rom 6:6]
1e Weerlegging. De kleinste genade van het doopsel is voldoende om alle zonden weg te nemen. Dat nu bij de een meer en bij de ander minder zonden vergeven worden volgt niet uit een mindere of meerdere kracht van het doopsel, maar uit de gesteltenis van het subject; bij elk immers neemt het doopsel alle zonden die het aantreft weg.
B: (Rom 6:6) [b:Rom 6:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Dat onder gedoopten bij de enen meer genade blijkt voort te komen dan bij de anderen kan twee oorzaken hebben. Vooreerst kan dit hieruit voortkomen dat de ene dank zij zijn godsvrucht meer genade erlangt dan de andere; ten tweede kan het ook dat, zelfs wanneer beiden dezelfde genade ontvingen, beiden bewuste genade niet op dezelfde wijze te baat nemen, dat namelijk de ene met meer ijver tracht in de deugd vorderingen te maken terwijl de andere door zijn nalatigheid aan bewuste genade te kort komt.
2e Weerlegging. Dat onder gedoopten bij de enen meer genade blijkt voort te komen dan bij de anderen kan twee oorzaken hebben. Vooreerst kan dit hieruit voortkomen dat de ene dank zij zijn godsvrucht meer genade erlangt dan de andere; ten tweede kan het ook dat, zelfs wanneer beiden dezelfde genade ontvingen, beiden bewuste genade niet op dezelfde wijze te baat nemen, dat namelijk de ene met meer ijver tracht in de deugd vorderingen te maken terwijl de andere door zijn nalatigheid aan bewuste genade te kort komt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. De verscheidenheid van natuur aanleg bij de mensen is geen uitvloeisel van verscheidenheid wat hun ziel die bij het doopsel hernieuwd wordt betreft, — in soort en bijgevolg ook in vorm komen immers alle mensen overeen, — maar dit verschil gaat op verscheidenheid van lichaamsgesteldheid terug. Bij de engelen integendeel gaat het anders toe, en daarom wordt bij de engelen de genade overeenkomstig hun natuurlijke aanleg uitgereikt; van de mensen geldt dit echter niet.
3e Weerlegging. De verscheidenheid van natuur aanleg bij de mensen is geen uitvloeisel van verscheidenheid wat hun ziel die bij het doopsel hernieuwd wordt betreft, — in soort en bijgevolg ook in vorm komen immers alle mensen overeen, — maar dit verschil gaat op verscheidenheid van lichaamsgesteldheid terug. Bij de engelen integendeel gaat het anders toe, en daarom wordt bij de engelen de genade overeenkomstig hun natuurlijke aanleg uitgereikt; van de mensen geldt dit echter niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 8 ad 4
4e Weerlegging. Aan zich is lichamelijke gezondheid geen uitwerksel van het doopsel maar wel een middel van de goddelijke Voorzienigheid.
4e Weerlegging. Aan zich is lichamelijke gezondheid geen uitwerksel van het doopsel maar wel een middel van de goddelijke Voorzienigheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Staat geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel in de weg?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 79 a. 8 arg. 2[t:iiia q. 79 a. 8 arg. 2]
IIIa q. 69 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert dat de geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel niet in de weg staat. De apostel zegt in zijn *Brief aan de Galaten* (3, 27): "Allen die in Christus gedoopt zijn hebben Christus aangedaan." Welnu, al degenen die het doopsel van Christus ontvangen, worden door Christus gedoopt. Zo doen dus allen Christus aan, wat hetzelfde is als het uitwerksel van het doopsel te ontvangen, en zo blijkt geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel niet in de weg te staan.
B: (Gal 3:27) [b:Gal 3:27]
IIIa q. 79 a. 8 arg. 2[t:iiia q. 79 a. 8 arg. 2]
IIIa q. 69 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert dat de geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel niet in de weg staat. De apostel zegt in zijn *Brief aan de Galaten* (3, 27): "Allen die in Christus gedoopt zijn hebben Christus aangedaan." Welnu, al degenen die het doopsel van Christus ontvangen, worden door Christus gedoopt. Zo doen dus allen Christus aan, wat hetzelfde is als het uitwerksel van het doopsel te ontvangen, en zo blijkt geveinsdheid de uitwerkselen van het doopsel niet in de weg te staan.
B: (Gal 3:27) [b:Gal 3:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 9 arg. 2
Vervolgens. Bij het doopsel is 't de goddelijke kracht die de wil van de mens kan naar het goed keren die werkzaam optreedt. Welnu, de uitwerkselen van een werkende oorzaak kunnen niet door hetgeen door die oorzaak kan worden weggenomen verhinderd worden.
Vervolgens. Bij het doopsel is 't de goddelijke kracht die de wil van de mens kan naar het goed keren die werkzaam optreedt. Welnu, de uitwerkselen van een werkende oorzaak kunnen niet door hetgeen door die oorzaak kan worden weggenomen verhinderd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 9 arg. 3
Vervolgens. Het uitwerksel van het doopsel is de genade waarmee de zonde in strijd is. Sommige zonden nu zijn veel zwaarder dan geveinsdheid en niettemin wordt niet gezegd dat die andere zonden het uitwerksel van het doopsel in de weg staan. Zo is dus evenmin geveinsdheid voor de uitwerkselen van het doopsel een hinderpaal.
Vervolgens. Het uitwerksel van het doopsel is de genade waarmee de zonde in strijd is. Sommige zonden nu zijn veel zwaarder dan geveinsdheid en niettemin wordt niet gezegd dat die andere zonden het uitwerksel van het doopsel in de weg staan. Zo is dus evenmin geveinsdheid voor de uitwerkselen van het doopsel een hinderpaal.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 9 s. c.
Daartegenover staat echter wat het Boek der Wijsheid leert (1, 5): "De H. Geest die tuchtigt vlucht geveinsdheid." Welnu, juist de H. Geest is het uitwerksel van het doopsel. Zo staat dus geveinsdheid het uitwerksel van het geloof in de weg.
B: (Wis 1:5) [b:Wis 1:5]
Daartegenover staat echter wat het Boek der Wijsheid leert (1, 5): "De H. Geest die tuchtigt vlucht geveinsdheid." Welnu, juist de H. Geest is het uitwerksel van het doopsel. Zo staat dus geveinsdheid het uitwerksel van het geloof in de weg.
B: (Wis 1:5) [b:Wis 1:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 9 co.
Mijn antwoord. De heilige Joannes Damascenus zegt in zijn boek "Het waarachtig Geloof" (2, 30) "God dwingt er niemand toe rechtvaardig te worden"; opdat dus iemand door het doopsel zou worden rechtvaardig gemaakt, wordt er vereist dat hij de wil hebben het doopsel alsmede zijn uitwerkingen te ontvangen. Er wordt immers gezegd dat iemand veinzt wanneer zijn wil het doopsel of zijn uitwerkingen wederspreekt. Iemand kan nu zoals Sint Augustinus in zijn boek "Het Doopsel en de Donatisten" (1, 4 en 7, 35) zegt, op vier verschillende manieren veinzen: ten eerste als hij niet gelooft, het doopsel toch is het sacrament des geloofs; ten tweede als hij het sacrament misprijst; ten derde wanneer het sacrament niet op behoorlijke wijze gevierd wordt d. i. wanneer de ritus der kerk niet wordt in acht genomen; ten vierde eindelijk wanneer iemand het sacrament zonder godsvrucht ontvangt. Zo volgt daaruit dat geveinsdheid het uitwerking van het sacrament in de weg staat.
Mijn antwoord. De heilige Joannes Damascenus zegt in zijn boek "Het waarachtig Geloof" (2, 30) "God dwingt er niemand toe rechtvaardig te worden"; opdat dus iemand door het doopsel zou worden rechtvaardig gemaakt, wordt er vereist dat hij de wil hebben het doopsel alsmede zijn uitwerkingen te ontvangen. Er wordt immers gezegd dat iemand veinzt wanneer zijn wil het doopsel of zijn uitwerkingen wederspreekt. Iemand kan nu zoals Sint Augustinus in zijn boek "Het Doopsel en de Donatisten" (1, 4 en 7, 35) zegt, op vier verschillende manieren veinzen: ten eerste als hij niet gelooft, het doopsel toch is het sacrament des geloofs; ten tweede als hij het sacrament misprijst; ten derde wanneer het sacrament niet op behoorlijke wijze gevierd wordt d. i. wanneer de ritus der kerk niet wordt in acht genomen; ten vierde eindelijk wanneer iemand het sacrament zonder godsvrucht ontvangt. Zo volgt daaruit dat geveinsdheid het uitwerking van het sacrament in de weg staat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. Gedoopt worden in Christus kan op tweeërlei wijze verstaan worden. Vooreerst kan men in gelijkvormigheid aan Christus gedoopt worden. Zo worden de gelovigen door het geloof en door de liefde aan Christus gelijkvormig en doen door de genade Christus aan. Ten tweede wordt men nog in Christus gedoopt in zover men het sacrament van Christus ontvangt. Op die wijze nu doen alle dooplingen door de gelijkheid die het merkteken inprent, niet door de gelijkheid der genade, Christus aan.
1e Weerlegging. Gedoopt worden in Christus kan op tweeërlei wijze verstaan worden. Vooreerst kan men in gelijkvormigheid aan Christus gedoopt worden. Zo worden de gelovigen door het geloof en door de liefde aan Christus gelijkvormig en doen door de genade Christus aan. Ten tweede wordt men nog in Christus gedoopt in zover men het sacrament van Christus ontvangt. Op die wijze nu doen alle dooplingen door de gelijkheid die het merkteken inprent, niet door de gelijkheid der genade, Christus aan.
Referenties naar deze alinea: 1
Enkele vragen over de mogelijke deelname aan de sacramenten van doopsel en huwelijk door transseksuele en homoaffectieve personen ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. Wanneer God de wil van een mens van het kwade ten goede keert, dan is er bij die mens geen geveinsdheid meer. Dit doet God echter niet altijd; het sacrament werd immers niet ingesteld opdat iemand die veinst weder zou oprecht worden, maar wel opdat oprechte mensen door het doopsel zouden worden rechtvaardig gemaakt.
2e Weerlegging. Wanneer God de wil van een mens van het kwade ten goede keert, dan is er bij die mens geen geveinsdheid meer. Dit doet God echter niet altijd; het sacrament werd immers niet ingesteld opdat iemand die veinst weder zou oprecht worden, maar wel opdat oprechte mensen door het doopsel zouden worden rechtvaardig gemaakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. Iemand veinst wanneer hij doet of hij iets wil en het feitelijk niet wil. Elk nu die tot het doopsel nadert betuigt daardoor dat hij werkelijk in Christus gelooft, dat hij het sacrament vereert, dat hij aan Christus wil gelijkvormig worden en uit de zonde wil opstaan. Wanneer echter een mens niettemin blijft aan een of andere zonde hechten en aldus het doopsel ontvangt, dan veinzt hij en ontvangt het doopsel zonder godsvrucht. Alleen dient zulks van een doodszonde die de genade uitsluit, niet van een dagelijkse verstaan te worden, en zo sluit hier geveinsdheid enigszins alle zonden in.
3e Weerlegging. Iemand veinst wanneer hij doet of hij iets wil en het feitelijk niet wil. Elk nu die tot het doopsel nadert betuigt daardoor dat hij werkelijk in Christus gelooft, dat hij het sacrament vereert, dat hij aan Christus wil gelijkvormig worden en uit de zonde wil opstaan. Wanneer echter een mens niettemin blijft aan een of andere zonde hechten en aldus het doopsel ontvangt, dan veinzt hij en ontvangt het doopsel zonder godsvrucht. Alleen dient zulks van een doodszonde die de genade uitsluit, niet van een dagelijkse verstaan te worden, en zo sluit hier geveinsdheid enigszins alle zonden in.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Ontvangt het doopsel, wanneer de geveinsdheid voor oprechtheid opbreekt, zijn uitwerksel?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 79 a. 8 arg. 2[t:iiia q. 79 a. 8 arg. 2]
IIIa q. 69 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert dat wanneer de geveinsdheid wegvalt het doopsel zijn uitwerking niet erlangt. Een dood werk dat dan ook zonder liefde verricht werd, kan nimmer herleven. Welnu, hij die al veinzend het doopsel ontvangt, ontvangt het zonder liefde en zo kan dus dit sacrament nooit dermate herleven dat het zou genade verwekken.
IIIa q. 79 a. 8 arg. 2[t:iiia q. 79 a. 8 arg. 2]
IIIa q. 69 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert dat wanneer de geveinsdheid wegvalt het doopsel zijn uitwerking niet erlangt. Een dood werk dat dan ook zonder liefde verricht werd, kan nimmer herleven. Welnu, hij die al veinzend het doopsel ontvangt, ontvangt het zonder liefde en zo kan dus dit sacrament nooit dermate herleven dat het zou genade verwekken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 10 arg. 2
Vervolgens. Geveinsdheid haalt het, aangezien het het uitwerksel van het doopsel kan beletten op het doopsel. Welnu, het sterkere wordt niet door het minder sterke overwonnen. Zo kan dus de zonde van geveinsdheid niet door het doopsel dat juist om geveinsdheid van zijn uitwerksel blijft verstoken worden weggenomen, en zo kan het doopsel zijn uitwerksel, vergiffenis van alle zonden, niet teweeg brengen.
Vervolgens. Geveinsdheid haalt het, aangezien het het uitwerksel van het doopsel kan beletten op het doopsel. Welnu, het sterkere wordt niet door het minder sterke overwonnen. Zo kan dus de zonde van geveinsdheid niet door het doopsel dat juist om geveinsdheid van zijn uitwerksel blijft verstoken worden weggenomen, en zo kan het doopsel zijn uitwerksel, vergiffenis van alle zonden, niet teweeg brengen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 10 arg. 3
Vervolgens. Het gebeurt dat iemand met geveinsdheid het doopsel ontvangt en naderhand nog vele zonden bedrijft die niet door het doopsel worden weggenomen; het doopsel vergeeft immers niet de zonden die we nog zullen bedrijven, maar alleen de reeds bedreven zonden. Zulk een doopsel kan dus nooit zijn uitwerksel, vergiffenis van alle zonden, erlangen.
Vervolgens. Het gebeurt dat iemand met geveinsdheid het doopsel ontvangt en naderhand nog vele zonden bedrijft die niet door het doopsel worden weggenomen; het doopsel vergeeft immers niet de zonden die we nog zullen bedrijven, maar alleen de reeds bedreven zonden. Zulk een doopsel kan dus nooit zijn uitwerksel, vergiffenis van alle zonden, erlangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 10 s. c.
Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus in zijn Boek "Het doopsel en de Donatisten" (1, 12) schrijft: "het doopsel begint eerst tot de zaligheid bij te dragen wanneer alle geveinsdheid die, zolang het hart van de mens in boosheid of heiligschennis bleef volharden, de vergiffenis der zonden onmogelijk maakte, door een oprechte biecht wordt weggenomen."
Daartegenover staat echter wat Sint Augustinus in zijn Boek "Het doopsel en de Donatisten" (1, 12) schrijft: "het doopsel begint eerst tot de zaligheid bij te dragen wanneer alle geveinsdheid die, zolang het hart van de mens in boosheid of heiligschennis bleef volharden, de vergiffenis der zonden onmogelijk maakte, door een oprechte biecht wordt weggenomen."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 10 co.
Mijn antwoord. Zoals hierboven werd aangeduid (66e Kw. 9e art.) is het doopsel een geestelijke wedergeboorte. Wanneer nu een schepsel geboren wordt, krijgt het samen met de vorm ook het uitwerksel van de vorm. Alleen gebeurt zulks niet wanneer er een beletsel is, maar zodra dit wegvalt kan bewuste vorm van het voortgebrachte schepsel weer zijn uitwerksel bewerkstelligen. Zo wordt een lichaam zodra het ontstaat, behalve wanneer er iets in de weg komt, door de kracht van zijn zwaarte naar de grond getrokken. Valt dit beletsel weg, dan wordt het lichaam weer aanstonds door de grond aangetrokken. Welnu, wanneer iemand gedoopt wordt, krijgt hij het merkteken als vorm en ook het eigen uitwerksel van dit merkteken, genade namelijk, waardoor alle zonden vergeven worden; alleen wordt dit uitwerksel weleens door geveinsdheid verhinderd en zo is het dan nodig dat die hinderpaal, opdat het doopsel zijn uitwerksel zou kunnen verwekken, door de biecht zou worden van kant gezet.
R: q. 66 a. 9[t:iiia q. 66 a. 9]
Mijn antwoord. Zoals hierboven werd aangeduid (66e Kw. 9e art.) is het doopsel een geestelijke wedergeboorte. Wanneer nu een schepsel geboren wordt, krijgt het samen met de vorm ook het uitwerksel van de vorm. Alleen gebeurt zulks niet wanneer er een beletsel is, maar zodra dit wegvalt kan bewuste vorm van het voortgebrachte schepsel weer zijn uitwerksel bewerkstelligen. Zo wordt een lichaam zodra het ontstaat, behalve wanneer er iets in de weg komt, door de kracht van zijn zwaarte naar de grond getrokken. Valt dit beletsel weg, dan wordt het lichaam weer aanstonds door de grond aangetrokken. Welnu, wanneer iemand gedoopt wordt, krijgt hij het merkteken als vorm en ook het eigen uitwerksel van dit merkteken, genade namelijk, waardoor alle zonden vergeven worden; alleen wordt dit uitwerksel weleens door geveinsdheid verhinderd en zo is het dan nodig dat die hinderpaal, opdat het doopsel zijn uitwerksel zou kunnen verwekken, door de biecht zou worden van kant gezet.
R: q. 66 a. 9[t:iiia q. 66 a. 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. Het sacrament van het doopsel is het werk van God en niet van de mensen en daarom kan het doopsel, zelfs bij iemand die het met geveinsdheid en zonder liefde ontvangt inwerken.
1e Weerlegging. Het sacrament van het doopsel is het werk van God en niet van de mensen en daarom kan het doopsel, zelfs bij iemand die het met geveinsdheid en zonder liefde ontvangt inwerken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. De geveinsdheid wordt niet door het doopsel maar wel door een volgende biecht weggenomen, en zodra dit gebeurde neemt het doopsel de schuld en de straf voor alle zonden die het doopsel voorafgingen en bij het toedienen van het doopsel nog bestonden, weg. Derhalve zegt Sint Augustinus in zijn Boek "Het doopsel en de Donatisten" (1, 12) : "Alles wat nog aan zonden overschoot verdwijnt, de dag van gisteren, het uur en het ogenblik voor het doopsel, dit alles verdwijnt, doch daarna begint men de schuld van nieuwe zonden te dragen." — Zo werken dan het doopsel en de biecht samen opdat het doopsel zijn uitwerksel erlangen, het doopsel als een oorzaak die door zichzelf werkt, de biecht daarentegen als een toevallige oorzaak die met de hinderpalen weg te nemen dit uitwerksel teweeg brengt.
2e Weerlegging. De geveinsdheid wordt niet door het doopsel maar wel door een volgende biecht weggenomen, en zodra dit gebeurde neemt het doopsel de schuld en de straf voor alle zonden die het doopsel voorafgingen en bij het toedienen van het doopsel nog bestonden, weg. Derhalve zegt Sint Augustinus in zijn Boek "Het doopsel en de Donatisten" (1, 12) : "Alles wat nog aan zonden overschoot verdwijnt, de dag van gisteren, het uur en het ogenblik voor het doopsel, dit alles verdwijnt, doch daarna begint men de schuld van nieuwe zonden te dragen." — Zo werken dan het doopsel en de biecht samen opdat het doopsel zijn uitwerksel erlangen, het doopsel als een oorzaak die door zichzelf werkt, de biecht daarentegen als een toevallige oorzaak die met de hinderpalen weg te nemen dit uitwerksel teweeg brengt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 69 a. 10 ad 3
3e Weerlegging. Het uitwerksel van het doopsel neemt niet de zonden die de mens nog zal bedrijven, maar wel de reeds bedreven en tegenwoordige zonden weg. Wanneer dus de geveinsdheid ophoudt, worden ook de zonden die later bedreven werden, hoewel niet door het doopsel maar door de biecht vergeven. Alleen wordt de straf voor dergelijke zonden niet zoals voor de zonden die het doopsel voorafgingen, volkomen weggenomen.
3e Weerlegging. Het uitwerksel van het doopsel neemt niet de zonden die de mens nog zal bedrijven, maar wel de reeds bedreven en tegenwoordige zonden weg. Wanneer dus de geveinsdheid ophoudt, worden ook de zonden die later bedreven werden, hoewel niet door het doopsel maar door de biecht vergeven. Alleen wordt de straf voor dergelijke zonden niet zoals voor de zonden die het doopsel voorafgingen, volkomen weggenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 70: Over de besnijdenis
IIIa q. 70 pr.
Thans zullen we spreken over wat tot het doopsel voorbereidt, en
vooreerst over de voorbereiding die het doopsel voorafging, namelijk over de besnijdenis,
ten tweede over de voorbereiding die het doopsel vergezelt, over de catechisatie en de duivelbezwering, namelijk.
Vier verschillende zaken moeten wat het eerste punt betreft onderzocht worden:
Ten eerste: was de besnijdenis een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel?
Ten tweede: over haar instelling;
Ten derde: over haar ritus;
Ten vierde: over haar uitwerkingen.
Thans zullen we spreken over wat tot het doopsel voorbereidt, en
vooreerst over de voorbereiding die het doopsel voorafging, namelijk over de besnijdenis,
ten tweede over de voorbereiding die het doopsel vergezelt, over de catechisatie en de duivelbezwering, namelijk.
Vier verschillende zaken moeten wat het eerste punt betreft onderzocht worden:
Ten eerste: was de besnijdenis een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel?
Ten tweede: over haar instelling;
Ten derde: over haar ritus;
Ten vierde: over haar uitwerkingen.
Referenties naar deze alinea: 1
Allatea Sunt ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: De Besnijdenis die in het Oude Testament het doopsel voorafging
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 70 a. 2 arg. 1
IIIa q. 70 a. 2 co.
IIIa q. 70 a. 3 arg. 1
IIIa q. 71 a. 1 co.[t:iiia q. 70 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 70 a. 2 co.][t:iiia q. 70 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 71 a. 1 co.]
IIIa q. 70 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat de besnijdenis niet een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel was. Iedere voorafbeelding moet een zekere gelijkenis met wat het voorstelt bieden. Welnu, de besnijdenis heeft niet de minste gelijkenis met het doopsel. Zo was dus de besnijdenis niet een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel.
IIIa q. 70 a. 2 arg. 1
IIIa q. 70 a. 2 co.
IIIa q. 70 a. 3 arg. 1
IIIa q. 71 a. 1 co.[t:iiia q. 70 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 70 a. 2 co.][t:iiia q. 70 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 71 a. 1 co.]
IIIa q. 70 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat de besnijdenis niet een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel was. Iedere voorafbeelding moet een zekere gelijkenis met wat het voorstelt bieden. Welnu, de besnijdenis heeft niet de minste gelijkenis met het doopsel. Zo was dus de besnijdenis niet een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Wanneer de apostel van de aartsvaders spreekt, dan zegt hij in de eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 2) het volgende: "Allen werden ze in de wolk en in de zee gedoopt"; hij zegt niet dat ze in de besnijdenis gedoopt zijn, en zo waren dus de beschutting door de wolkkolom en de doortocht van de Rode Zee een grotere voorbereiding tot en voorafbeelding van het doopsel dan wel de besnijdenis.
B: (1Cor 10:2) [b:1Cor 10:2]
Vervolgens. Wanneer de apostel van de aartsvaders spreekt, dan zegt hij in de eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 2) het volgende: "Allen werden ze in de wolk en in de zee gedoopt"; hij zegt niet dat ze in de besnijdenis gedoopt zijn, en zo waren dus de beschutting door de wolkkolom en de doortocht van de Rode Zee een grotere voorbereiding tot en voorafbeelding van het doopsel dan wel de besnijdenis.
B: (1Cor 10:2) [b:1Cor 10:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Hierboven werd er gezegd (38° Kw., art. 1, antw. op de 1° Bed., en art. 3) dat het doopsel van Joannes een voorbereiding was tot het doopsel van Christus. Welnu, indien ook de besnijdenis een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel van Christus was, dan was het doopsel van Joannes overbodig, wat niet kan. Zo was de besnijdenis niet een voorbereiding tot en voorafbeelding van het doopsel.
R: q. 38 a. 1 ad 1[t:iiia q. 38 a. 1 ad 1] q. 38 a. 3[t:iiia q. 38 a. 3]
Vervolgens. Hierboven werd er gezegd (38° Kw., art. 1, antw. op de 1° Bed., en art. 3) dat het doopsel van Joannes een voorbereiding was tot het doopsel van Christus. Welnu, indien ook de besnijdenis een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel van Christus was, dan was het doopsel van Joannes overbodig, wat niet kan. Zo was de besnijdenis niet een voorbereiding tot en voorafbeelding van het doopsel.
R: q. 38 a. 1 ad 1[t:iiia q. 38 a. 1 ad 1] q. 38 a. 3[t:iiia q. 38 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter wat de apostel in zijn Brief aan de Colossenzen (2, 11) zegt: "Gij zijt besneden niet met een besnijdenis die met de handen verricht werd en waardoor gij het vleselijk lichaam hebt uitgedaan, maar ge zijt besneden met de besnijdenis van Christus en in zijn doopsel begraven."
B: (Col 2:11) [b:Col 2:11] (Col 2:12) [b:Col 2:12]
Daartegenover staat echter wat de apostel in zijn Brief aan de Colossenzen (2, 11) zegt: "Gij zijt besneden niet met een besnijdenis die met de handen verricht werd en waardoor gij het vleselijk lichaam hebt uitgedaan, maar ge zijt besneden met de besnijdenis van Christus en in zijn doopsel begraven."
B: (Col 2:11) [b:Col 2:11] (Col 2:12) [b:Col 2:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 1 co.
Mijn antwoord. Het doopsel is het sacrament van het geloof; er is immers een geloofsbelijdenis toe vandoen en de mens wordt erdoor lid van de gemeenschap der gelovigen. Wij nu hebben overeenkomstig de woorden van de apostel in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (4, 13): "Wij geloven met dezelfde geest van geloof" hetzelfde geloof als de aartsvaders. Welnu, de besnijdenis was een geloofsbelijdenis, daarom zegt de apostel in de Brief aan de Romeinen (4, 11): "Abraham ontving de besnijdenis als een geloofszegel". En zo werden de Israëlieten door de besnijdenis lid van de gemeenschap der gelovigen. Duidelijk is het dus dat de besnijdenis een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel was; alles was immers bij de aartsvaders voorafbeelding van het toekomende, zoals ook hun geloof op het toekomende was aangewezen (dit staat namelijk in de Eerste Brief aan de Korinthiërs, 10, 11).
B: (Rom. 4:11) [b:Rom. 4:11] (1Cor 10:11) [b:1Cor 10:11] (2Cor 4:13) [b:2Cor 4:13]
Mijn antwoord. Het doopsel is het sacrament van het geloof; er is immers een geloofsbelijdenis toe vandoen en de mens wordt erdoor lid van de gemeenschap der gelovigen. Wij nu hebben overeenkomstig de woorden van de apostel in de Tweede Brief aan de Korinthiërs (4, 13): "Wij geloven met dezelfde geest van geloof" hetzelfde geloof als de aartsvaders. Welnu, de besnijdenis was een geloofsbelijdenis, daarom zegt de apostel in de Brief aan de Romeinen (4, 11): "Abraham ontving de besnijdenis als een geloofszegel". En zo werden de Israëlieten door de besnijdenis lid van de gemeenschap der gelovigen. Duidelijk is het dus dat de besnijdenis een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel was; alles was immers bij de aartsvaders voorafbeelding van het toekomende, zoals ook hun geloof op het toekomende was aangewezen (dit staat namelijk in de Eerste Brief aan de Korinthiërs, 10, 11).
B: (Rom. 4:11) [b:Rom. 4:11] (1Cor 10:11) [b:1Cor 10:11] (2Cor 4:13) [b:2Cor 4:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De besnijdenis vertoonde wat haar geestelijk uitwerksel betreft gelijkenis met het doopsel, want, zoals door de besnijdenis iets van ons vlees werd weggesneden, zo ook wordt door het doopsel de mens van het vleselijke leven bevrijd.
1e Weerlegging. De besnijdenis vertoonde wat haar geestelijk uitwerksel betreft gelijkenis met het doopsel, want, zoals door de besnijdenis iets van ons vlees werd weggesneden, zo ook wordt door het doopsel de mens van het vleselijke leven bevrijd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. De beschutting door de rookkolom en de doortocht van de Rode zee waren voorafbeeldingen van ons doopsel, waardoor we uit het water, door de Rode Zee voorgesteld en uit de Heilige Geest, door de rookkolom te kennen gegeven, worden wedergeboren. Hiermee ging echter niet zoals met het doopsel een geloofsbelijdenis gepaard en daarom waren die twee zaken enkel en alleen afbeeldingen, geen sacramenten. De besnijdenis echter was ook een sacrament dat tot het doopsel voorbereidde; alleen veraanschouwelijkte het wat het uiterlijke betreft het doopsel minder duidelijk dan de rookkolom en de doortocht van de Rode Zee, en daarom spreekt de apostel meer van die zaken dan van de besnijdenis.
2e Weerlegging. De beschutting door de rookkolom en de doortocht van de Rode zee waren voorafbeeldingen van ons doopsel, waardoor we uit het water, door de Rode Zee voorgesteld en uit de Heilige Geest, door de rookkolom te kennen gegeven, worden wedergeboren. Hiermee ging echter niet zoals met het doopsel een geloofsbelijdenis gepaard en daarom waren die twee zaken enkel en alleen afbeeldingen, geen sacramenten. De besnijdenis echter was ook een sacrament dat tot het doopsel voorbereidde; alleen veraanschouwelijkte het wat het uiterlijke betreft het doopsel minder duidelijk dan de rookkolom en de doortocht van de Rode Zee, en daarom spreekt de apostel meer van die zaken dan van de besnijdenis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het doopsel van Joannes was wat de uitoefening van dit ambt aangaat, een voorbereiding tot het doopsel van Christus, maar de besnijdenis was zulk zoals in de leerstelling gezegd wordt, wat de geloofsbelijdenis die bij het doopsel vereist wordt, betreft.
3e Weerlegging. Het doopsel van Joannes was wat de uitoefening van dit ambt aangaat, een voorbereiding tot het doopsel van Christus, maar de besnijdenis was zulk zoals in de leerstelling gezegd wordt, wat de geloofsbelijdenis die bij het doopsel vereist wordt, betreft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Was de besnijdenis een voorbereiding tot en een voorafbeelding van het doopsel?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 70 a. 3 arg. 1
IIIa q. 70 a. 3 co.[t:iiia q. 70 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 70 a. 3 co.]
IIIa q. 70 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat de besnijdenis niet naar behoren werd ingesteld. Zoals hierboven gezegd werd (vorig artikel) greep bij de besnijdenis een geloofsbelijdenis plaats. Welnu, sedert de zonde van de eerste mens kan niemand zonder geloof in het lijden van Christus zalig worden. In de Brief aan de Romeinen (3, 25) staat immers: "Dien heeft God door het geloof in zijn Bloed tot een verzoeningsmiddel voorbeschikt." Zo moest dus de besnijdenis aanstonds na de zonde van de eerste mens en niet ten tijde van Abraham worden ingesteld.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
R: q. 70 a. 1[t:iiia q. 70 a. 1]
IIIa q. 70 a. 3 arg. 1
IIIa q. 70 a. 3 co.[t:iiia q. 70 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 70 a. 3 co.]
IIIa q. 70 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat de besnijdenis niet naar behoren werd ingesteld. Zoals hierboven gezegd werd (vorig artikel) greep bij de besnijdenis een geloofsbelijdenis plaats. Welnu, sedert de zonde van de eerste mens kan niemand zonder geloof in het lijden van Christus zalig worden. In de Brief aan de Romeinen (3, 25) staat immers: "Dien heeft God door het geloof in zijn Bloed tot een verzoeningsmiddel voorbeschikt." Zo moest dus de besnijdenis aanstonds na de zonde van de eerste mens en niet ten tijde van Abraham worden ingesteld.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
R: q. 70 a. 1[t:iiia q. 70 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Door de besnijdenis beleed de mens zijn gehechtheid aan de oude wet, door het doopsel daarentegen zijn gehechtheid aan de nieuwe wet. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Galaten (8, 3): "En ik betuig aan elke mens die besneden is dat hij verplicht is de gehele wet na te komen." Welnu, die oude wet werd niet ten tijde van Abraham, maar veeleer ten tijde van Mozes aan het volk gegeven. Zo werd dus de besnijdenis niet naar behoren ten tijde van Abraham ingesteld.
B: (Gal 5:3) [b:Gal 5:3]
Vervolgens. Door de besnijdenis beleed de mens zijn gehechtheid aan de oude wet, door het doopsel daarentegen zijn gehechtheid aan de nieuwe wet. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Galaten (8, 3): "En ik betuig aan elke mens die besneden is dat hij verplicht is de gehele wet na te komen." Welnu, die oude wet werd niet ten tijde van Abraham, maar veeleer ten tijde van Mozes aan het volk gegeven. Zo werd dus de besnijdenis niet naar behoren ten tijde van Abraham ingesteld.
B: (Gal 5:3) [b:Gal 5:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De besnijdenis was een voorafbeelding van en voorbereiding tot het doopsel. Welnu, het doopsel wordt, zoals bij Mt. (28, 19) staat: "Gaat en onderwijst alle volkeren, ze dopende" aan alle volkeren bekend gemaakt. Zo diende dus de besnijdenis niet voor het Joodse volk alleen, maar voor alle volkeren ingesteld.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Vervolgens. De besnijdenis was een voorafbeelding van en voorbereiding tot het doopsel. Welnu, het doopsel wordt, zoals bij Mt. (28, 19) staat: "Gaat en onderwijst alle volkeren, ze dopende" aan alle volkeren bekend gemaakt. Zo diende dus de besnijdenis niet voor het Joodse volk alleen, maar voor alle volkeren ingesteld.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 2 arg. 4
Vervolgens. De vleselijke besnijdenis moet evenals de voorafbeelding en het voorafgebeelde aan de geestelijke besnijdenis beantwoorden. De geestelijke besnijdenis die door Christus geschiedt is voor de twee kunnen ingesteld, omdat in Christus zoals in de Brief aan de Galaten (3, 28) geschreven staat noch man noch vrouw bestaat. De besnijdenis echter kan enkel aan mannen gegeven worden en werd dus niet behoorlijk ingesteld.
B: (Gal. 3, 28) [b:Gal. 3, 28]
Vervolgens. De vleselijke besnijdenis moet evenals de voorafbeelding en het voorafgebeelde aan de geestelijke besnijdenis beantwoorden. De geestelijke besnijdenis die door Christus geschiedt is voor de twee kunnen ingesteld, omdat in Christus zoals in de Brief aan de Galaten (3, 28) geschreven staat noch man noch vrouw bestaat. De besnijdenis echter kan enkel aan mannen gegeven worden en werd dus niet behoorlijk ingesteld.
B: (Gal. 3, 28) [b:Gal. 3, 28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter wat in het Scheppingsboek (17, 10) geschreven staat, dat namelijk: "de besnijdenis door God, wiens werken volmaakt zijn werd ingesteld".
B: (Gen 17, 10, Gen. 17, 10 vv) [b:Gen 17, 10] (Deut 32:4) [b:Deut 32:4]
Daartegenover staat echter wat in het Scheppingsboek (17, 10) geschreven staat, dat namelijk: "de besnijdenis door God, wiens werken volmaakt zijn werd ingesteld".
B: (Gen 17, 10, Gen. 17, 10 vv) [b:Gen 17, 10] (Deut 32:4) [b:Deut 32:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals hierboven gezegd werd (in het vorig artikel) was de besnijdenis, omdat ze een geloofsbelijdenis was in Christus, hetgeen ook bij het doopsel geschiedt, een voorbereiding tot het doopsel. Welnu, onder de aartsvaders was Abraham de eerste die de belofte van de geboorte van Christus ontving; hem werd namelijk gezegd (Scheppingsboek, 22, 18) "Alle volkeren der aarde zullen in uw zaad gezegend worden." Het eerst ook heeft hij zich overeenkomstig het gebod dat hij van God gekregen had: "trek uit uw land en uw maagschap", van de gemeenschap der ongelovigen afgescheiden, en daarom was het volkomen redelijk de besnijdenis ten tijde van Abraham in te stellen.
B: (Gen 13:1) [b:Gen 13:1] (Gen 22:18) [b:Gen 22:18]
R: q. 70 a. 1[t:iiia q. 70 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals hierboven gezegd werd (in het vorig artikel) was de besnijdenis, omdat ze een geloofsbelijdenis was in Christus, hetgeen ook bij het doopsel geschiedt, een voorbereiding tot het doopsel. Welnu, onder de aartsvaders was Abraham de eerste die de belofte van de geboorte van Christus ontving; hem werd namelijk gezegd (Scheppingsboek, 22, 18) "Alle volkeren der aarde zullen in uw zaad gezegend worden." Het eerst ook heeft hij zich overeenkomstig het gebod dat hij van God gekregen had: "trek uit uw land en uw maagschap", van de gemeenschap der ongelovigen afgescheiden, en daarom was het volkomen redelijk de besnijdenis ten tijde van Abraham in te stellen.
B: (Gen 13:1) [b:Gen 13:1] (Gen 22:18) [b:Gen 22:18]
R: q. 70 a. 1[t:iiia q. 70 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Aanstonds na de zonde van de eerste mens waren het geloof en de natuurlijke rede nog gaaf, de wetenschap van Adam bracht hem immers wat goddelijke aangelegenheden betreft volkomen op de hoogte. Daarom was het dan ook niet nodig tekenen van geloof en heil in te stellen; toen wist toch iedere mens overeenkomstig zijn verlangen zijn geloof op een andere wijze te belijden. Ten tijde van Abraham integendeel had het geloof afgenomen, velen hadden zich aan afgodendienst overgegeven; ja de natuurlijke rede zelf was naar aanleiding van het toenemen van de begeerlijkheid dermate verzwakt dat de mens zich aan de natuur vergreeep. Zo was het volkomen redelijk, opdat de mensen het geloof zouden belijden, en opdat hun begeerlijkheid zou afnemen, op dit ogenblik noch vroeger noch later, de besnijdenis in te stellen.
1e Weerlegging. Aanstonds na de zonde van de eerste mens waren het geloof en de natuurlijke rede nog gaaf, de wetenschap van Adam bracht hem immers wat goddelijke aangelegenheden betreft volkomen op de hoogte. Daarom was het dan ook niet nodig tekenen van geloof en heil in te stellen; toen wist toch iedere mens overeenkomstig zijn verlangen zijn geloof op een andere wijze te belijden. Ten tijde van Abraham integendeel had het geloof afgenomen, velen hadden zich aan afgodendienst overgegeven; ja de natuurlijke rede zelf was naar aanleiding van het toenemen van de begeerlijkheid dermate verzwakt dat de mens zich aan de natuur vergreeep. Zo was het volkomen redelijk, opdat de mensen het geloof zouden belijden, en opdat hun begeerlijkheid zou afnemen, op dit ogenblik noch vroeger noch later, de besnijdenis in te stellen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Wettelijke voorschriften mochten enkel aan een volk dat reeds in gemeenschap leefde gegeven worden; de wet toch bestaat zoals we in het tweede deel zeiden (90° Kw. 2° artikel) om het algemeen welzijn. Welnu, de gemeenschap der geloovigen moest door een zintuigelijk waarneembaar teken dat zoals St. Augustinus tegen Faustus (19, 11) zegt om de mensen in één godsdienst te verenigen noodzakelijk is, worden samengebracht, en daarom diende de besnijdenis nog vóór de wet te worden gegeven. De aartsvaders die leefden vóór de wet hebben namelijk hun families door vaderlijke vermaningen in geloofszaken onderwezen. Derhalve zegt de Heer van Abraham (Scheppingsboek, 18, 19): "Ik weet dat hij zijn kinderen en zijn huis na hem bevelen zal de weg des Heren te bewandelen."
B: (Gen 18:19) [b:Gen 18:19]
R: Ia-IIae q. 90 a. 2[t:ia-iiae q. 90 a. 2]
2e Weerlegging. Wettelijke voorschriften mochten enkel aan een volk dat reeds in gemeenschap leefde gegeven worden; de wet toch bestaat zoals we in het tweede deel zeiden (90° Kw. 2° artikel) om het algemeen welzijn. Welnu, de gemeenschap der geloovigen moest door een zintuigelijk waarneembaar teken dat zoals St. Augustinus tegen Faustus (19, 11) zegt om de mensen in één godsdienst te verenigen noodzakelijk is, worden samengebracht, en daarom diende de besnijdenis nog vóór de wet te worden gegeven. De aartsvaders die leefden vóór de wet hebben namelijk hun families door vaderlijke vermaningen in geloofszaken onderwezen. Derhalve zegt de Heer van Abraham (Scheppingsboek, 18, 19): "Ik weet dat hij zijn kinderen en zijn huis na hem bevelen zal de weg des Heren te bewandelen."
B: (Gen 18:19) [b:Gen 18:19]
R: Ia-IIae q. 90 a. 2[t:ia-iiae q. 90 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Het doopsel omvat de volmaaktheid van het heil waarop God, zoals geschreven staat in de eerste Brief aan Timotheüs (2, 4): "God wil alle mensen zalig maken" alle mensen verzocht, en daarom wordt het doopsel aangeboden aan alle volkeren. De besnijdenis integendeel behelsde niet de volmaaktheid van het heil, maar was alleen een voorafbeelding van de zaligheid die door Christus, die uit het Joodse volk geboren was, moest geschieden en daarom werd de besnijdenis enkel en alleen aan het Joodse volk gegeven.
B: (1Tim 2:4) [b:1Tim 2:4]
3e Weerlegging. Het doopsel omvat de volmaaktheid van het heil waarop God, zoals geschreven staat in de eerste Brief aan Timotheüs (2, 4): "God wil alle mensen zalig maken" alle mensen verzocht, en daarom wordt het doopsel aangeboden aan alle volkeren. De besnijdenis integendeel behelsde niet de volmaaktheid van het heil, maar was alleen een voorafbeelding van de zaligheid die door Christus, die uit het Joodse volk geboren was, moest geschieden en daarom werd de besnijdenis enkel en alleen aan het Joodse volk gegeven.
B: (1Tim 2:4) [b:1Tim 2:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. De besnijdenis werd als een teken van het geloof van Abraham, die geloofde dat hij vader van de beloofde Christus zou worden, ingesteld, en daarom moest de besnijdenis enkel aan de mannen gegeven worden. De erfzonde immers wordt, zoals we hierboven in het tweede deel (81e Kw. 8e art.) bewezen hebben, door de vader, niet door de moeder overgemaakt en de besnijdenis was tegen de erfzonde ingesteld. Het doopsel integendeel sluit de kracht van Christus in die voor alle mensen een algemene oorzaak van heil en van vergiffenis van alle zonden is.
R: Ia-IIae q. 81 a. 5[t:ia-iiae q. 81 a. 5]
4e Weerlegging. De besnijdenis werd als een teken van het geloof van Abraham, die geloofde dat hij vader van de beloofde Christus zou worden, ingesteld, en daarom moest de besnijdenis enkel aan de mannen gegeven worden. De erfzonde immers wordt, zoals we hierboven in het tweede deel (81e Kw. 8e art.) bewezen hebben, door de vader, niet door de moeder overgemaakt en de besnijdenis was tegen de erfzonde ingesteld. Het doopsel integendeel sluit de kracht van Christus in die voor alle mensen een algemene oorzaak van heil en van vergiffenis van alle zonden is.
R: Ia-IIae q. 81 a. 5[t:ia-iiae q. 81 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Werd de ritus der besnijdenis naar behoren bepaald?
IIIa q. 70 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat de ritus van de besnijdenis niet naar behoren bepaald werd. De besnijdenis was, zoals hierboven gezegd is (1° en 2° art.) een geloofsbelijdenis. Welnu het geloof gaat op het bevattingsvermogen van de mens, waarvan de werking vooral in het hoofd gebeurt, terug. Zo diende dus het teken der besnijdenis veeleer aan het hoofd dan wel aan het geslachtslid te worden aangebracht.
R: q. 70 a. 1[t:iiia q. 70 a. 1] q. 70 a. 2[t:iiia q. 70 a. 2]
Over het derde als volgt. Men beweert dat de ritus van de besnijdenis niet naar behoren bepaald werd. De besnijdenis was, zoals hierboven gezegd is (1° en 2° art.) een geloofsbelijdenis. Welnu het geloof gaat op het bevattingsvermogen van de mens, waarvan de werking vooral in het hoofd gebeurt, terug. Zo diende dus het teken der besnijdenis veeleer aan het hoofd dan wel aan het geslachtslid te worden aangebracht.
R: q. 70 a. 1[t:iiia q. 70 a. 1] q. 70 a. 2[t:iiia q. 70 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Bij het toedienen van de Sacramenten dienen zaken aangewend die van dagelijks gebruik zijn zoals water om te wassen, en brood om te voeden. Welnu om te snijden worden veeleer ijzeren messen dan wel stenen messen gebruikt. Zo moet dus de besnijdenis niet met stenen messen geschieden.
Vervolgens. Bij het toedienen van de Sacramenten dienen zaken aangewend die van dagelijks gebruik zijn zoals water om te wassen, en brood om te voeden. Welnu om te snijden worden veeleer ijzeren messen dan wel stenen messen gebruikt. Zo moet dus de besnijdenis niet met stenen messen geschieden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Zoals het doopsel als geneesmiddel tegen de erfzonde werd ingesteld, zo ook volgens de H. Beda de besnijdenis. Welnu het doopsel wordt, opdat er om de erfzonde voor de kinderen die zonder doopsel sterven geen gevaar voor verdoemenis zou zijn, niet tot de achtste dag uitgesteld en soms wordt het integendeel later dan de achtste dag toegediend. Zo diende men voor de besnijdenis niet de achtste dag uit te kiezen, maar nu eens had men zulks moeten vervroegen en dan weer eens verdagen.
Vervolgens. Zoals het doopsel als geneesmiddel tegen de erfzonde werd ingesteld, zo ook volgens de H. Beda de besnijdenis. Welnu het doopsel wordt, opdat er om de erfzonde voor de kinderen die zonder doopsel sterven geen gevaar voor verdoemenis zou zijn, niet tot de achtste dag uitgesteld en soms wordt het integendeel later dan de achtste dag toegediend. Zo diende men voor de besnijdenis niet de achtste dag uit te kiezen, maar nu eens had men zulks moeten vervroegen en dan weer eens verdagen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter hetgeen de apostel in de brief aan de Romeinen zegt (4, 11): "en hij ontving het teken der besnijdenis"; daarop beschrijft de glossa de ritus der besnijdenis.
B: (Rom 4:11) [b:Rom 4:11]
Daartegenover staat echter hetgeen de apostel in de brief aan de Romeinen zegt (4, 11): "en hij ontving het teken der besnijdenis"; daarop beschrijft de glossa de ritus der besnijdenis.
B: (Rom 4:11) [b:Rom 4:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 3 co.
Mijn antwoord. In het vorige artikel zeiden we reeds dat de besnijdenis een geloofsteken is door God ingesteld en dat Gods wijsheid oneindig is. Welnu behoorlijke tekens te bepalen is het werk der wijsheid. Zo moeten wij dan aannemen dat de ritus der besnijdenis naar behoren werd ingesteld.
B: (Ps 146:5) [b:Ps 146:5]
R: q. 70 a. 2[t:iiia q. 70 a. 2]
Mijn antwoord. In het vorige artikel zeiden we reeds dat de besnijdenis een geloofsteken is door God ingesteld en dat Gods wijsheid oneindig is. Welnu behoorlijke tekens te bepalen is het werk der wijsheid. Zo moeten wij dan aannemen dat de ritus der besnijdenis naar behoren werd ingesteld.
B: (Ps 146:5) [b:Ps 146:5]
R: q. 70 a. 2[t:iiia q. 70 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het was volkomen redelijk de besnijdenis aan het geslachtslid toe te brengen, voor-eerst omdat ze een geloofsteken was waardoor Abraham geloofde dat Christus uit zijn zaad zou geboren worden; ten tweede, omdat ze een geneesmiddel was tegen de erfzonde die door de voortplanting wordt overgemaakt; ten derde, omdat ze op de verzwakking van de vleselijke begeerlijkheid, die daar om de hevigheid van de wulpsche lust woedt, berekend is.
1e Weerlegging. Het was volkomen redelijk de besnijdenis aan het geslachtslid toe te brengen, voor-eerst omdat ze een geloofsteken was waardoor Abraham geloofde dat Christus uit zijn zaad zou geboren worden; ten tweede, omdat ze een geneesmiddel was tegen de erfzonde die door de voortplanting wordt overgemaakt; ten derde, omdat ze op de verzwakking van de vleselijke begeerlijkheid, die daar om de hevigheid van de wulpsche lust woedt, berekend is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Stenen messen waren bij de besnijdenis niet onontbeerlijk en werden dan ook niet door een goddelijk gebod voorgeschreven; ja gewoonlijk gebruikten zelfs de Joden om te besnijden niet stenen messen en ook nu doen ze het niet. Alleen kan men in de Bijbel lezen dat sommige heugelijke besnijdenissen met stenen messen geschied zijn; zo staat er in het Boek van de Uittocht (4, 25) : "Sephora nam een scherpe steen en besneed de voorhuid van haar zoon." Ook staat er bij Josue (5, 2) : "Neem stenen messen en besnijd de zonen van Israël voor de tweede keer." — Dit was een voorafbeelding van de geestelijke besnijdenis die door Christus moest gedaan worden, en daarvan wordt in de eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 4) gezegd : "en die rots was Christus".
B: (Exod 4:25) [b:Exod 4:25] (Josh 5:2) [b:Josh 5:2] (1Cor 10:4) [b:1Cor 10:4]
2e Weerlegging. Stenen messen waren bij de besnijdenis niet onontbeerlijk en werden dan ook niet door een goddelijk gebod voorgeschreven; ja gewoonlijk gebruikten zelfs de Joden om te besnijden niet stenen messen en ook nu doen ze het niet. Alleen kan men in de Bijbel lezen dat sommige heugelijke besnijdenissen met stenen messen geschied zijn; zo staat er in het Boek van de Uittocht (4, 25) : "Sephora nam een scherpe steen en besneed de voorhuid van haar zoon." Ook staat er bij Josue (5, 2) : "Neem stenen messen en besnijd de zonen van Israël voor de tweede keer." — Dit was een voorafbeelding van de geestelijke besnijdenis die door Christus moest gedaan worden, en daarvan wordt in de eerste Brief aan de Korinthiërs (10, 4) gezegd : "en die rots was Christus".
B: (Exod 4:25) [b:Exod 4:25] (Josh 5:2) [b:Josh 5:2] (1Cor 10:4) [b:1Cor 10:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De besnijdenis moest om reden van een mystische betekenis op de achtste dag geschieden; ten eerste, omdat de geestelijke besnijdenis door Christus op de achtste dag, tijd van zijn verrijzenis, wanneer Christus namelijk de uitverkorenen niet alleen van de schuld, maar ook van alle straf zou verlossen, zou volbracht worden; ten tweede omdat het kindje vóór de achtste dag nog te zwak was; derhalve werd in het Boek Leviticus (22, 27) het volgende opgelegd: "Wanneer een rund, schaap of geit, geboren wordt, zal het zeven dagen onder de uier van zijn moeder blijven; maar de achtste dag en daarna zal het de Heer kunnen geofferd worden." — Wanneer die achtste dag aangebroken was, moest de besnijdenis geschieden, zodat wie het uitstelde zich ook op de sabbat aan zonde schuldig maakte. Zo staat bijvoorbeeld bij Joa. (7, 23) dat "de mens om de wet van Mozes na te komen op de sabbat de besnijdenis ontvangt." — Alleen was die achtste dag niet tot de geldigheid vereist, want, als men die achtste dag liet voorbijgaan, dan mocht men daarna toch nog besnijden. Zelfs zijn er die zeggen dat die dag om stervensgevaar mocht vervroegd worden. Dienaangaande heeft men echter noch door het gezag der H. Schrift, noch door de gewoonten der Joden zekerheid. Beter is het dus met Hugo van St. Viktor te zeggen dat men de datum niet mocht vervroegen. Ook zegt de Glossa op dit vers der Spreuken (4, 3) : "Ik was de enige zoon van mijn moeder", dat de andere zoon van Bersabe, daar deze vóór de achtste dag gestorven was, geen naam kreeg en dus evenmin besneden werd, niet diende in aanmerking te komen.
B: (Lev 22:27) [b:Lev 22:27]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 70 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 70 a. 4 arg. 3]
3e Weerlegging. De besnijdenis moest om reden van een mystische betekenis op de achtste dag geschieden; ten eerste, omdat de geestelijke besnijdenis door Christus op de achtste dag, tijd van zijn verrijzenis, wanneer Christus namelijk de uitverkorenen niet alleen van de schuld, maar ook van alle straf zou verlossen, zou volbracht worden; ten tweede omdat het kindje vóór de achtste dag nog te zwak was; derhalve werd in het Boek Leviticus (22, 27) het volgende opgelegd: "Wanneer een rund, schaap of geit, geboren wordt, zal het zeven dagen onder de uier van zijn moeder blijven; maar de achtste dag en daarna zal het de Heer kunnen geofferd worden." — Wanneer die achtste dag aangebroken was, moest de besnijdenis geschieden, zodat wie het uitstelde zich ook op de sabbat aan zonde schuldig maakte. Zo staat bijvoorbeeld bij Joa. (7, 23) dat "de mens om de wet van Mozes na te komen op de sabbat de besnijdenis ontvangt." — Alleen was die achtste dag niet tot de geldigheid vereist, want, als men die achtste dag liet voorbijgaan, dan mocht men daarna toch nog besnijden. Zelfs zijn er die zeggen dat die dag om stervensgevaar mocht vervroegd worden. Dienaangaande heeft men echter noch door het gezag der H. Schrift, noch door de gewoonten der Joden zekerheid. Beter is het dus met Hugo van St. Viktor te zeggen dat men de datum niet mocht vervroegen. Ook zegt de Glossa op dit vers der Spreuken (4, 3) : "Ik was de enige zoon van mijn moeder", dat de andere zoon van Bersabe, daar deze vóór de achtste dag gestorven was, geen naam kreeg en dus evenmin besneden werd, niet diende in aanmerking te komen.
B: (Lev 22:27) [b:Lev 22:27]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 70 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 70 a. 4 arg. 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Gaf de besnijdenis de heiligmakende genade?
IIIa q. 70 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat de besnijdenis niet de heiligmakende genade verleende. De Apostel zegt in de Brief aan de Galaten (2, 21) "Als de rechtvaardigheid door de wet kwam, dan zou Jezus-Christus vruchteloos dit is zonder reden gestorven zijn." Welnu, de besnijdenis verplichtte tot het nakomen van heel de wet. Deshalve staat er in de Brief aan de Galaten (5, 3) geschreven : "Ik betuig wederom aan iedere mens die besneden is dat hij verplicht is de gehele wet na te komen." Als er dus door de besnijdenis rechtvaardigheid kwam zou Christus zonder reden gestorven zijn. Dat kan echter niet en zo gaf dus de besnijdenis niet heiligmakende genade, die de zonde zou kwijtgescholden hebben.
B: (Gal 2:21) [b:Gal 2:21] (Gal 5:3) [b:Gal 5:3]
Over het vierde als volgt. Men beweert dat de besnijdenis niet de heiligmakende genade verleende. De Apostel zegt in de Brief aan de Galaten (2, 21) "Als de rechtvaardigheid door de wet kwam, dan zou Jezus-Christus vruchteloos dit is zonder reden gestorven zijn." Welnu, de besnijdenis verplichtte tot het nakomen van heel de wet. Deshalve staat er in de Brief aan de Galaten (5, 3) geschreven : "Ik betuig wederom aan iedere mens die besneden is dat hij verplicht is de gehele wet na te komen." Als er dus door de besnijdenis rechtvaardigheid kwam zou Christus zonder reden gestorven zijn. Dat kan echter niet en zo gaf dus de besnijdenis niet heiligmakende genade, die de zonde zou kwijtgescholden hebben.
B: (Gal 2:21) [b:Gal 2:21] (Gal 5:3) [b:Gal 5:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Vóór de instelling van de besnijdenis volstond het geloof tot de rechtvaardiging. Sint Gregorius zegt immers in zijn "Moralia" (4, 3) : "Wat het water van het doopsel in ons doet, dat deed ten tijde van de aartsvaders bij de kinderen het geloof." Welnu de kracht van het geloof is niet door het voorschrift van de besnijdenis verzwakt en zo maakt dus alleen het geloof, niet echter de besnijdenis de kinderen rechtvaardig.
Vervolgens. Vóór de instelling van de besnijdenis volstond het geloof tot de rechtvaardiging. Sint Gregorius zegt immers in zijn "Moralia" (4, 3) : "Wat het water van het doopsel in ons doet, dat deed ten tijde van de aartsvaders bij de kinderen het geloof." Welnu de kracht van het geloof is niet door het voorschrift van de besnijdenis verzwakt en zo maakt dus alleen het geloof, niet echter de besnijdenis de kinderen rechtvaardig.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 4 arg. 3
Vervolgens. In het Boek Josue (5, 3) wordt verteld dat het volk in de woestijn geboren, veertig jaar lang onbesneden bleef. Indien nu de erfzonde door de besnijdenis weggenomen werd, dan zou moeten besloten worden dat al degenen die in de woestijn gestorven zijn, zowel volwassenen als kinderen, verdoemd werden. Verder kan dezelfde verdenking gemaakt worden voor de kinderen die vóór de achtste dag stierven. De besnijdenis moest immers zoals in het vorig artikel gezegd werd, niet vervoegd worden.
B: (Josh 5:5) [b:Josh 5:5] (Josh 5:6) [b:Josh 5:6]
R: q. 70 a. 3 ad 3[t:iiia q. 70 a. 3 ad 3]
Vervolgens. In het Boek Josue (5, 3) wordt verteld dat het volk in de woestijn geboren, veertig jaar lang onbesneden bleef. Indien nu de erfzonde door de besnijdenis weggenomen werd, dan zou moeten besloten worden dat al degenen die in de woestijn gestorven zijn, zowel volwassenen als kinderen, verdoemd werden. Verder kan dezelfde verdenking gemaakt worden voor de kinderen die vóór de achtste dag stierven. De besnijdenis moest immers zoals in het vorig artikel gezegd werd, niet vervoegd worden.
B: (Josh 5:5) [b:Josh 5:5] (Josh 5:6) [b:Josh 5:6]
R: q. 70 a. 3 ad 3[t:iiia q. 70 a. 3 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 4 arg. 4
Vervolgens. Behalve de zonde is er niets dat de mens belet de hemel binnen te gaan. Welnu, degenen die vóór het lijden van Christus besneden werden konden de hemel niet binnengaan, en zo worden door de besnijdenis de mensen niet van zonde bevrijd.
Vervolgens. Behalve de zonde is er niets dat de mens belet de hemel binnen te gaan. Welnu, degenen die vóór het lijden van Christus besneden werden konden de hemel niet binnengaan, en zo worden door de besnijdenis de mensen niet van zonde bevrijd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 4 arg. 5
Vervolgens. De erfzonde wordt samen met de dadelijke zonden vergeven; St. Augustinus zegt immers dat het voor God een belediging is enkel een halve vergiffenis te verwachten. — Welnu, nergens staat er te lezen dat de besnijdenis vergiffenis van dadelijke zonden meebrengt. Zo werd dus evenmin de erfzonde door de besnijdenis weggenomen.
Vervolgens. De erfzonde wordt samen met de dadelijke zonden vergeven; St. Augustinus zegt immers dat het voor God een belediging is enkel een halve vergiffenis te verwachten. — Welnu, nergens staat er te lezen dat de besnijdenis vergiffenis van dadelijke zonden meebrengt. Zo werd dus evenmin de erfzonde door de besnijdenis weggenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in een Brief aan Valerius tegen Julianus zegt: "Van de tijd af dat de besnijdenis, zegel van rechtvaardiging door het geloof in God, werd ingesteld zuiverde zij de kinderen van de erfzonde net zoals het doopsel van zijn instelling af de vernieuwing van de mens in de hand werkte."
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in een Brief aan Valerius tegen Julianus zegt: "Van de tijd af dat de besnijdenis, zegel van rechtvaardiging door het geloof in God, werd ingesteld zuiverde zij de kinderen van de erfzonde net zoals het doopsel van zijn instelling af de vernieuwing van de mens in de hand werkte."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 4 co.
Mijn antwoord. Over het algemeen nemen allen aan dat de besnijdenis de erfzonde wegnam. Alleen beweerden sommigen dat niet genade gegeven, maar alleen de zonde weggenomen werd, en zo dacht er de Meester der Sententiën in zijn Sententiën (4, 1) en in zijn commentaar op de Brief aan de Romeinen (4) over. Dit kan echter niet; de genade alleen toch is, zoals de Apostel in de Brief aan de Romeinen (3, 24) zegt: "om niets worden wij door zijn genade rechtvaardig gemaakt", bij machte de schuld van de zonde weg te nemen. Daarom dan zeiden nog anderen dat de besnijdenis de mensen wel wat de vergiffenis van schuld betrof, niet echter wat de stellige uitwerkselen aanging, met genade begiftigde. Dit zeiden ze om aldus niet gedwongen te worden toe te geven, dat de genade, door de besnijdenis bekomen, om de geboden der wet na te komen volstond, en dus de komst van Christus overbodig was. Ook dit kan men echter niet staande houden. Vooreerst omdat de besnijdenis werkelijk aan de kinderen macht verleende om op hun tijd in de hemelse glorie binnen te gaan, wat toch het laatste uitwerksel van de genade is; ten tweede omdat van de vormelijke oorzaak uit beschouwd, — van de stoffelijke oorzaak uit bekeken is het immers andersom, — stellige uitwerkselen berovige uitwerkselen voorafgaan, de vorm toch sluit alleen met het subject te informeren de beroving uit. Zo is dan een derde mening ontstaan waarnaar de genade der besnijdenis wel een stellig uitwerksel, iemand namelijk het eeuwige leven waardig te maken voor gevolg had, maar de andere stellige uitwerkselen niet zouden worden medegedeeld. Die genade was immers niet krachtig genoeg om de begeerlijkheid te onderdrukken en de voorschriften der wet te doen nakomen zonder in doodzonde te vallen. Dit nu was vroeger ook mijne zienswijze, maar wanneer ik dichter heb toegezien, toen kwam ze me verkeerd voor; elke genade, hoe klein ook, volstaat immers om de begeerlijkheid in bedwang te houden en elke doodzonde die met te zoeken aan de voorschriften van de wet te ontkomen bedreven wordt te ontvluchten, de zwakste liefde toch bemint God vuriger dan gierigheid duizend goud- of zilverstukken. Zo moet dan gezegd dat de besnijdenis, hoewel op een andere wijze dan het doopsel, de genade met al haar uitwerk-selen verleende. Bij het doopsel namelijk erlangt men de genade, in zover het doopsel een werktuig is van het lijden van Christus dat reeds plaats had, door de kracht zelf van het doopsel; bij de besnijdenis integendeel wordt de genade niet uit kracht van de besnijdenis, maar door het geloof in het lijden van Christus, waarvan het teken juist de besnijdenis was verkregen; de mens namelijk die besneden werd beleed dat hij, de volwassene door zichzelf, de kinderen door bemiddeling van een ander een dergelijk geloof aanvaarden. Daarop zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (4, 11) : "Abraham ontving tot zegel van de rechtvaardigheid van het geloof het teken van de besnijdenis.", de rechtvaardigmaking immers werd door het geloof dat betekend werd, niet door de besnijdenis die het geloof te kennen gaf, bewerkt. Daarbij werkt uit kracht van het lijden van Christus het doopsel, niet de besnijdenis, op werktuigelijke wijze zijn uitwerksel uit, en daarom prent het doopsel een merkteken in waardoor de mens bij Christus wordt ingelijfd, en geeft het ook meer genade dan de besnijdenis; iets wat reeds is, is toch meer waard dan iets wat nog dient opgewacht.
B: (Rom 3:2) [b:Rom 3:2] (Rom 4:11) [b:Rom 4:11]
Mijn antwoord. Over het algemeen nemen allen aan dat de besnijdenis de erfzonde wegnam. Alleen beweerden sommigen dat niet genade gegeven, maar alleen de zonde weggenomen werd, en zo dacht er de Meester der Sententiën in zijn Sententiën (4, 1) en in zijn commentaar op de Brief aan de Romeinen (4) over. Dit kan echter niet; de genade alleen toch is, zoals de Apostel in de Brief aan de Romeinen (3, 24) zegt: "om niets worden wij door zijn genade rechtvaardig gemaakt", bij machte de schuld van de zonde weg te nemen. Daarom dan zeiden nog anderen dat de besnijdenis de mensen wel wat de vergiffenis van schuld betrof, niet echter wat de stellige uitwerkselen aanging, met genade begiftigde. Dit zeiden ze om aldus niet gedwongen te worden toe te geven, dat de genade, door de besnijdenis bekomen, om de geboden der wet na te komen volstond, en dus de komst van Christus overbodig was. Ook dit kan men echter niet staande houden. Vooreerst omdat de besnijdenis werkelijk aan de kinderen macht verleende om op hun tijd in de hemelse glorie binnen te gaan, wat toch het laatste uitwerksel van de genade is; ten tweede omdat van de vormelijke oorzaak uit beschouwd, — van de stoffelijke oorzaak uit bekeken is het immers andersom, — stellige uitwerkselen berovige uitwerkselen voorafgaan, de vorm toch sluit alleen met het subject te informeren de beroving uit. Zo is dan een derde mening ontstaan waarnaar de genade der besnijdenis wel een stellig uitwerksel, iemand namelijk het eeuwige leven waardig te maken voor gevolg had, maar de andere stellige uitwerkselen niet zouden worden medegedeeld. Die genade was immers niet krachtig genoeg om de begeerlijkheid te onderdrukken en de voorschriften der wet te doen nakomen zonder in doodzonde te vallen. Dit nu was vroeger ook mijne zienswijze, maar wanneer ik dichter heb toegezien, toen kwam ze me verkeerd voor; elke genade, hoe klein ook, volstaat immers om de begeerlijkheid in bedwang te houden en elke doodzonde die met te zoeken aan de voorschriften van de wet te ontkomen bedreven wordt te ontvluchten, de zwakste liefde toch bemint God vuriger dan gierigheid duizend goud- of zilverstukken. Zo moet dan gezegd dat de besnijdenis, hoewel op een andere wijze dan het doopsel, de genade met al haar uitwerk-selen verleende. Bij het doopsel namelijk erlangt men de genade, in zover het doopsel een werktuig is van het lijden van Christus dat reeds plaats had, door de kracht zelf van het doopsel; bij de besnijdenis integendeel wordt de genade niet uit kracht van de besnijdenis, maar door het geloof in het lijden van Christus, waarvan het teken juist de besnijdenis was verkregen; de mens namelijk die besneden werd beleed dat hij, de volwassene door zichzelf, de kinderen door bemiddeling van een ander een dergelijk geloof aanvaarden. Daarop zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (4, 11) : "Abraham ontving tot zegel van de rechtvaardigheid van het geloof het teken van de besnijdenis.", de rechtvaardigmaking immers werd door het geloof dat betekend werd, niet door de besnijdenis die het geloof te kennen gaf, bewerkt. Daarbij werkt uit kracht van het lijden van Christus het doopsel, niet de besnijdenis, op werktuigelijke wijze zijn uitwerksel uit, en daarom prent het doopsel een merkteken in waardoor de mens bij Christus wordt ingelijfd, en geeft het ook meer genade dan de besnijdenis; iets wat reeds is, is toch meer waard dan iets wat nog dient opgewacht.
B: (Rom 3:2) [b:Rom 3:2] (Rom 4:11) [b:Rom 4:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Indien de besnijdenis ons op een andere manier dan door het geloof in het lijden van Christus rechtvaardig maakte, dan zou deze bedenking opgaan.
1e Weerlegging. Indien de besnijdenis ons op een andere manier dan door het geloof in het lijden van Christus rechtvaardig maakte, dan zou deze bedenking opgaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Zowel vóór als na de instelling van de besnijdenis was het enkel en alleen het geloof in de komende Christus dat kinderen en volwassenen rechtvaardig maakte. Alleen eiste God vóór de besnijdenis, daar toen de gelovigen nog niet een afzonderlijke gemeenschap uitmaakten die van de ongelovigen afgescheiden de ene God vereerden, geen teken tot belijdenis van dit geloof. Waarschijnlijk is het niettemin dat, net zoals volwassenen voor zichzelf gebeden en offers opdroegen, gelovige ouders God voor hun kleine kinderen baden, vooral als er gevaar was van sterven, ofwel daarbij een of ander zegen, alweer een veropenbaring van het geloof dus, gebruikten.
B: (Ps 118, Ps 118:72) [b:Ps 118]
2e Weerlegging. Zowel vóór als na de instelling van de besnijdenis was het enkel en alleen het geloof in de komende Christus dat kinderen en volwassenen rechtvaardig maakte. Alleen eiste God vóór de besnijdenis, daar toen de gelovigen nog niet een afzonderlijke gemeenschap uitmaakten die van de ongelovigen afgescheiden de ene God vereerden, geen teken tot belijdenis van dit geloof. Waarschijnlijk is het niettemin dat, net zoals volwassenen voor zichzelf gebeden en offers opdroegen, gelovige ouders God voor hun kleine kinderen baden, vooral als er gevaar was van sterven, ofwel daarbij een of ander zegen, alweer een veropenbaring van het geloof dus, gebruikten.
B: (Ps 118, Ps 118:72) [b:Ps 118]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Wanneer het volk dat in de woestijn verbleef het gebod der besnijdenis niet vervulde, was het te verontschuldigen; het wist immers nooit wanneer de kampen zouden moeten opgebroken worden en zoals St. Jan Damascenus zegt (Het waarachtig geloof, 4, 25) "was het, daar ze van alle andere volkeren afgescheiden leefden, niet nodig op dit ogenblik een ander scheidingsteken te hebben." St. Augustinus beweert echter (commentaar op Josue, 6) dat "zij die zulks uit misprijzen over het hoofd zagen ongehoorzaam waren." Niettemin is er geen enkele onbesnedene in de woestijn gestorven; in de 104° psalm (37) staat er immers "dat in hun stammen geen zieken waren", zij alleen stierven in de woestijn die men in Egypte besneden had. Wanneer nu iemand zonder besnijdenis stierf, moet over hem geoordeeld zoals over diegenen die vóór de instelling van de besnijdenis stierven en van kinderen die toen de wet reeds in voege was vóór de achtste dag dient hetzelfde gezegd te worden.
B: (Rom 4:11) [b:Rom 4:11]
3e Weerlegging. Wanneer het volk dat in de woestijn verbleef het gebod der besnijdenis niet vervulde, was het te verontschuldigen; het wist immers nooit wanneer de kampen zouden moeten opgebroken worden en zoals St. Jan Damascenus zegt (Het waarachtig geloof, 4, 25) "was het, daar ze van alle andere volkeren afgescheiden leefden, niet nodig op dit ogenblik een ander scheidingsteken te hebben." St. Augustinus beweert echter (commentaar op Josue, 6) dat "zij die zulks uit misprijzen over het hoofd zagen ongehoorzaam waren." Niettemin is er geen enkele onbesnedene in de woestijn gestorven; in de 104° psalm (37) staat er immers "dat in hun stammen geen zieken waren", zij alleen stierven in de woestijn die men in Egypte besneden had. Wanneer nu iemand zonder besnijdenis stierf, moet over hem geoordeeld zoals over diegenen die vóór de instelling van de besnijdenis stierven en van kinderen die toen de wet reeds in voege was vóór de achtste dag dient hetzelfde gezegd te worden.
B: (Rom 4:11) [b:Rom 4:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. Bij de besnijdenis werd alleen de persoon de erfzonde kwijtgescholden, voor de natuur van de mens integendeel bleef immer de hemel ontoegankelijk en eerst door het lijden van Christus zou zulks veranderen. Zo verleende Christus het doopsel met de macht om in de hemel te komen en, moest na het lijden van Christus, de besnijdenis nog van kracht geweest zijn, dan zou zij de mensen in de hemel brengen.
4e Weerlegging. Bij de besnijdenis werd alleen de persoon de erfzonde kwijtgescholden, voor de natuur van de mens integendeel bleef immer de hemel ontoegankelijk en eerst door het lijden van Christus zou zulks veranderen. Zo verleende Christus het doopsel met de macht om in de hemel te komen en, moest na het lijden van Christus, de besnijdenis nog van kracht geweest zijn, dan zou zij de mensen in de hemel brengen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 70 a. 4 ad 5
Ad quintum Wanneer volwassenen besneden werden verkregen zij vergiffenis niet alleen van de erfzonde maar ook van alle dagelijkse zonden; alleen werden ze niet zoals bij het doopsel, van alle straf vrijgesteld, daar immers erlangt men meer genade.
Ad quintum Wanneer volwassenen besneden werden verkregen zij vergiffenis niet alleen van de erfzonde maar ook van alle dagelijkse zonden; alleen werden ze niet zoals bij het doopsel, van alle straf vrijgesteld, daar immers erlangt men meer genade.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 71: Over de voorbereidselen die tot het doopsel vereist worden
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
Suppl q. 29 a. 1 ad 1[t:suppl q. 29 a. 1 ad 1]
IIIa q. 71 pr.
Thans moeten we ook nog over de voorbereidselen tot het doopsel spreken en dienaangaande moeten vier verschillende zaken behandeld worden.
Ten eerste: moet de catechismus vóór het doopsel worden aangeleerd?
Ten tweede: dient de duivelbezwering het doopsel vooraf te gaan?
Ten derde: wat bij de catechisering en bij de duivelbezwering verricht wordt, heeft het enkel een zinnebeeldige betekenis of werkt het ook iets uit?
Ten vierde: behoren bewuste catechisering en duivelbezwering door de priesters gedaan te worden?
Suppl q. 29 a. 1 ad 1[t:suppl q. 29 a. 1 ad 1]
IIIa q. 71 pr.
Thans moeten we ook nog over de voorbereidselen tot het doopsel spreken en dienaangaande moeten vier verschillende zaken behandeld worden.
Ten eerste: moet de catechismus vóór het doopsel worden aangeleerd?
Ten tweede: dient de duivelbezwering het doopsel vooraf te gaan?
Ten derde: wat bij de catechisering en bij de duivelbezwering verricht wordt, heeft het enkel een zinnebeeldige betekenis of werkt het ook iets uit?
Ten vierde: behoren bewuste catechisering en duivelbezwering door de priesters gedaan te worden?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Dient de catechisering het doopsel vooraf te gaan?
IIIa q. 71 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat de catechisering het doopsel niet dient vooraf te gaan. Door het doopsel worden de mensen tot het geestelijke leven wedergeboren. Welnu, eerst ontvangt de mens het leven, daarna het onderwijs. Zo behoort dus de mens niet eerst onderwezen en daarna gedoopt te worden.
Over het eerste als volgt. Men beweert dat de catechisering het doopsel niet dient vooraf te gaan. Door het doopsel worden de mensen tot het geestelijke leven wedergeboren. Welnu, eerst ontvangt de mens het leven, daarna het onderwijs. Zo behoort dus de mens niet eerst onderwezen en daarna gedoopt te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Het doopsel wordt niet alleen aan volwassenen maar ook aan kinderen, die, omdat ze nog niet het gebruik van hun verstand hebben, een onderwijs kunnen ontvangen toegediend. Zo is het dus ongerijmd ze te onderwijzen.
Vervolgens. Het doopsel wordt niet alleen aan volwassenen maar ook aan kinderen, die, omdat ze nog niet het gebruik van hun verstand hebben, een onderwijs kunnen ontvangen toegediend. Zo is het dus ongerijmd ze te onderwijzen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Bij de voorbereiding moet de catechumeen zijn geloof belijden. Welnu, kinderen kunnen niet door zichzelf het geloof belijden en anderen kunnen het evenmin voor hen; niemand kan immers een ander tot iets verplichten, en daarbij weet niemand of die kinderen later, wanneer ze eens tot wettelijke ouderdom zullen gekomen zijn, het geloof zullen aanhangen. Zo dient dus de catechisering niet het doopsel vooraf te gaan.
Vervolgens. Bij de voorbereiding moet de catechumeen zijn geloof belijden. Welnu, kinderen kunnen niet door zichzelf het geloof belijden en anderen kunnen het evenmin voor hen; niemand kan immers een ander tot iets verplichten, en daarbij weet niemand of die kinderen later, wanneer ze eens tot wettelijke ouderdom zullen gekomen zijn, het geloof zullen aanhangen. Zo dient dus de catechisering niet het doopsel vooraf te gaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter wat Rabanus in zijn "Priestervorming" (1, 23) zegt: Vóór het doopsel moet de mens, opdat hij als catechumeen de eerste vereisten van het geloof zou leren kennen, onderricht worden."
Daartegenover staat echter wat Rabanus in zijn "Priestervorming" (1, 23) zegt: Vóór het doopsel moet de mens, opdat hij als catechumeen de eerste vereisten van het geloof zou leren kennen, onderricht worden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 1 co.
Mijn antwoord. Zoals hierboven in de vorige kwestie (1° art.) gezegd werd, is het doopsel het sacrament van het christelijk geloof. Opdat nu iemand het geloof zou ontvangen, wordt daartoe vereist dat hij in het geloof zou onderwezen worden; in de brief aan de Romeinen (10, 14) staat immers: "Hoe zouden zij in Hem geloven als zij van Hem niet gehoord hebben? en hoe zouden zij horen, als niemand predikt?" Daarom is het dan nodig vóór het doopsel te onderrichten. De Heer zelf heeft overigens, wanneer Hij aan zijn discipelen het bevel gaf het doopsel toe te dienen, dit door de waarschuwing de mensen eerst te onderwijzen: "Gaat en onderwijst alle volkeren, ze dopend..." doen voorafgaan.
B: (Rom 10:14) [b:Rom 10:14]
R: q. 70 a. 1[t:iiia q. 70 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals hierboven in de vorige kwestie (1° art.) gezegd werd, is het doopsel het sacrament van het christelijk geloof. Opdat nu iemand het geloof zou ontvangen, wordt daartoe vereist dat hij in het geloof zou onderwezen worden; in de brief aan de Romeinen (10, 14) staat immers: "Hoe zouden zij in Hem geloven als zij van Hem niet gehoord hebben? en hoe zouden zij horen, als niemand predikt?" Daarom is het dan nodig vóór het doopsel te onderrichten. De Heer zelf heeft overigens, wanneer Hij aan zijn discipelen het bevel gaf het doopsel toe te dienen, dit door de waarschuwing de mensen eerst te onderwijzen: "Gaat en onderwijst alle volkeren, ze dopend..." doen voorafgaan.
B: (Rom 10:14) [b:Rom 10:14]
R: q. 70 a. 1[t:iiia q. 70 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Het leven der genade waartoe de mens door het doopsel wordt wedergeboren veronderstelt het leven van een redelijke natuur die aan kennis kan deelachtig gemaakt worden.
1e Weerlegging. Het leven der genade waartoe de mens door het doopsel wordt wedergeboren veronderstelt het leven van een redelijke natuur die aan kennis kan deelachtig gemaakt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. In de 59e kw. 6e art. 3e antwoord, hebben we gezegd dat onze moeder de H. Kerk aan kindertjes die moeten gedoopt worden de voeten van andere mensen geeft om tot het doopsel te naderen en het hart van andere mensen om te geloven; welnu zover leent ze hen ook andermans oren om te horen en andermans verstand om onderwezen te worden. Zo is het dan dezelfde reden die er ons toe noopt onderwezen te worden en gedoopt te worden.
R: q. 69 a. 6 ad 3[t:iiia q. 69 a. 6 ad 3]
2e Weerlegging. In de 59e kw. 6e art. 3e antwoord, hebben we gezegd dat onze moeder de H. Kerk aan kindertjes die moeten gedoopt worden de voeten van andere mensen geeft om tot het doopsel te naderen en het hart van andere mensen om te geloven; welnu zover leent ze hen ook andermans oren om te horen en andermans verstand om onderwezen te worden. Zo is het dan dezelfde reden die er ons toe noopt onderwezen te worden en gedoopt te worden.
R: q. 69 a. 6 ad 3[t:iiia q. 69 a. 6 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Degene die in de plaats van het kind antwoordt "Ik geloof» voorspelt niet dat het kind later, wanneer het de jaren van verstand zal bereikt hebben werkelijk zal geloven; anders toch zou hij zeggen "het zal geloven". — Hij die het kind vertegenwoordigt belijdt integendeel het geloof van de H. Kerk, waardoor het kind het sacrament van het geloof ontvangt en de verplichtingen er van door bemiddeling van iemand anders op zich neemt. Onredelijk is het immers niet dat iemand zich door bemiddeling van een ander mens tot hetgeen voor de zaligheid onontbeerlijk is zou verplichten. Evenzo belooft de peter die voor het kind antwoordt te doen wat hij kan opdat het kind zou geloven; alleen zou zulks voor volwassenen die het gebruik van hun verstand hebben, niet volstaan.
3e Weerlegging. Degene die in de plaats van het kind antwoordt "Ik geloof» voorspelt niet dat het kind later, wanneer het de jaren van verstand zal bereikt hebben werkelijk zal geloven; anders toch zou hij zeggen "het zal geloven". — Hij die het kind vertegenwoordigt belijdt integendeel het geloof van de H. Kerk, waardoor het kind het sacrament van het geloof ontvangt en de verplichtingen er van door bemiddeling van iemand anders op zich neemt. Onredelijk is het immers niet dat iemand zich door bemiddeling van een ander mens tot hetgeen voor de zaligheid onontbeerlijk is zou verplichten. Evenzo belooft de peter die voor het kind antwoordt te doen wat hij kan opdat het kind zou geloven; alleen zou zulks voor volwassenen die het gebruik van hun verstand hebben, niet volstaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Dient de duivelbezwering het doopsel vooraf te gaan?
IIIa q. 71 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat de duivelbezwering het doopsel niet dient vooraf te gaan. De duivelbezwering wordt tegen bezeten aangewend. Welnu niet alle dopelingen verkeren in die toestand. Zo dient dus de duivelbezwering het doopsel niet vooraf te gaan.
Over het tweede als volgt. Men beweert dat de duivelbezwering het doopsel niet dient vooraf te gaan. De duivelbezwering wordt tegen bezeten aangewend. Welnu niet alle dopelingen verkeren in die toestand. Zo dient dus de duivelbezwering het doopsel niet vooraf te gaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Zolang de mens aan de zonde onderworpen blijft, heeft de duivel macht over hem; Joannes zegt immers (8, 34): "Wie zonde bedrijft is slaaf van de zonde." Welnu, het doopsel bevrijdt ons van de zonde. Zo dienen dus de mensen vóór het doopsel niet bezworen te worden.
B: (John 8:34, John 8:34) [b:John 8:34]
Vervolgens. Zolang de mens aan de zonde onderworpen blijft, heeft de duivel macht over hem; Joannes zegt immers (8, 34): "Wie zonde bedrijft is slaaf van de zonde." Welnu, het doopsel bevrijdt ons van de zonde. Zo dienen dus de mensen vóór het doopsel niet bezworen te worden.
B: (John 8:34, John 8:34) [b:John 8:34]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Om de kracht van de duivel te stuiten gebruikt men wijwater. Overbodig is het dus daar nog de duivelbezwering bij te voegen.
Vervolgens. Om de kracht van de duivel te stuiten gebruikt men wijwater. Overbodig is het dus daar nog de duivelbezwering bij te voegen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter wat Paus Celestinus zegt (2° epist. 9° hoofdstuk): "Kinderen of jongelingen die het sacrament der wedergeboorte willen ontvangen moeten vooraleer ze tot de bron des levens mogen naderen door duivelbezweringen en inblazingen van de priesters, van de onreine geest verlost worden."
Daartegenover staat echter wat Paus Celestinus zegt (2° epist. 9° hoofdstuk): "Kinderen of jongelingen die het sacrament der wedergeboorte willen ontvangen moeten vooraleer ze tot de bron des levens mogen naderen door duivelbezweringen en inblazingen van de priesters, van de onreine geest verlost worden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 2 co.
Mijn antwoord. Als iemand wijs is en een werk wil ten uitvoer brengen, dan begint hij eerst met de hinderpalen uit de weg te ruimen. Daarom zegt de profeet Jeremias (4, 3) : "Bereidt u een nieuw land voor en zaait niet onder de doornen." De duivel nu is de vijand van de zaligheid die de mens bij het doopsel erlangt, en wanneer de mens aan de erfzonde of aan de dadelijke zonde onderworpen is heeft de duivel macht over hem. Bijgevolg moeten, opdat ze de zaligheid van de mens niet zouden verhinderen, vóór het doopsel eerst de duivels verdreven worden en die uitdrijving wordt door inblazingen afgebeeld. Verder versperren de zegening en de handenoplegging, opdat hij niet zou kunnen terugkeren, de weg aan de uitgedreven geest. Het zout daarentegen dat in de mond gelegd wordt en het inwrijven van neus en oren met speeksel verzinnebeelden dat de oren de geloofsleer ontvangen, dat de neus haar goedkeurt en dat de mond die leer zal belijden. Eindelijk geeft de instrijking met olie te kennen dat de mens voortaan ertoe zal bestand zijn de duivelen te bevechten.
B: (Jer 4:3) [b:Jer 4:3]
Mijn antwoord. Als iemand wijs is en een werk wil ten uitvoer brengen, dan begint hij eerst met de hinderpalen uit de weg te ruimen. Daarom zegt de profeet Jeremias (4, 3) : "Bereidt u een nieuw land voor en zaait niet onder de doornen." De duivel nu is de vijand van de zaligheid die de mens bij het doopsel erlangt, en wanneer de mens aan de erfzonde of aan de dadelijke zonde onderworpen is heeft de duivel macht over hem. Bijgevolg moeten, opdat ze de zaligheid van de mens niet zouden verhinderen, vóór het doopsel eerst de duivels verdreven worden en die uitdrijving wordt door inblazingen afgebeeld. Verder versperren de zegening en de handenoplegging, opdat hij niet zou kunnen terugkeren, de weg aan de uitgedreven geest. Het zout daarentegen dat in de mond gelegd wordt en het inwrijven van neus en oren met speeksel verzinnebeelden dat de oren de geloofsleer ontvangen, dat de neus haar goedkeurt en dat de mond die leer zal belijden. Eindelijk geeft de instrijking met olie te kennen dat de mens voortaan ertoe zal bestand zijn de duivelen te bevechten.
B: (Jer 4:3) [b:Jer 4:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De bezetenen zijn diegenen die innerlijk onder de werking van de duivel in hen lijden. Alhoewel nu niet allen die het doopsel ontvangen lichamelijk door de duivel gekweld worden, toch zijn alle ongedoopten ten minste door de schuld van de erfzonde onder de macht van de duivel.
1e Weerlegging. De bezetenen zijn diegenen die innerlijk onder de werking van de duivel in hen lijden. Alhoewel nu niet allen die het doopsel ontvangen lichamelijk door de duivel gekweld worden, toch zijn alle ongedoopten ten minste door de schuld van de erfzonde onder de macht van de duivel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Door de mens van zijn zonden te zuiveren, bevrijdt het doopsel de mens uit de klauwen van de duivel die hem van de hemelse glorie wil onthouden. Welnu, de duivelbezwering vernietigt de macht van de duivel die de mens zou willen beletten het doopsel te ontvangen.
2e Weerlegging. Door de mens van zijn zonden te zuiveren, bevrijdt het doopsel de mens uit de klauwen van de duivel die hem van de hemelse glorie wil onthouden. Welnu, de duivelbezwering vernietigt de macht van de duivel die de mens zou willen beletten het doopsel te ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Wijwater wordt tegen uiterlijke aanvechtingen van de duivel aangewend, de duivelbezwering daarentegen tegen zijn innerlijke aanvechtingen. Zo worden dan degenen die bezworen worden, daar zij innerlijk door iemand bezeten worden, bezeten genoemd. Ook mag gezegd worden dat, net zoals na het doopsel de biecht een nieuwe redplank is, — het doopsel wordt immers niet hernieuwd, — zo ook wijwater, omdat de duivelbezwering van het doopsel niet hernieuwd wordt, tegen de aanvechtingen van de duivel een tweede geneesmiddel is.
3e Weerlegging. Wijwater wordt tegen uiterlijke aanvechtingen van de duivel aangewend, de duivelbezwering daarentegen tegen zijn innerlijke aanvechtingen. Zo worden dan degenen die bezworen worden, daar zij innerlijk door iemand bezeten worden, bezeten genoemd. Ook mag gezegd worden dat, net zoals na het doopsel de biecht een nieuwe redplank is, — het doopsel wordt immers niet hernieuwd, — zo ook wijwater, omdat de duivelbezwering van het doopsel niet hernieuwd wordt, tegen de aanvechtingen van de duivel een tweede geneesmiddel is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Werkt de duivelbezwering iets bepaalds uit?
IIIa q. 71 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat wat bij de duivelbezwering geschiedt niets uitwerkt, maar alleen als zinnebeeld bedoeld wordt. Indien een kind vóór het doopsel en na de duivelbezwering komt te sterven, dan wordt het niet zalig. Welnu, alles wat omtrent de Sacramenten geschiedt, moest als uitwerksel de zaligheid bewerken. De H. Mattheus zegt immers in zijn *Evangelie* (16, 16): "Wie gelooft en gedoopt wordt, zal zalig worden." Zo werkt dus wat bij de duivelbezwering geschiedt niets uit, maar heeft enkel een zinnebeeldige betekenis.
B: (Mark 16:16) [b:Mark 16:16]
Over het derde als volgt. Men beweert dat wat bij de duivelbezwering geschiedt niets uitwerkt, maar alleen als zinnebeeld bedoeld wordt. Indien een kind vóór het doopsel en na de duivelbezwering komt te sterven, dan wordt het niet zalig. Welnu, alles wat omtrent de Sacramenten geschiedt, moest als uitwerksel de zaligheid bewerken. De H. Mattheus zegt immers in zijn *Evangelie* (16, 16): "Wie gelooft en gedoopt wordt, zal zalig worden." Zo werkt dus wat bij de duivelbezwering geschiedt niets uit, maar heeft enkel een zinnebeeldige betekenis.
B: (Mark 16:16) [b:Mark 16:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De sacramenten der nieuwe wet zijn zoals hierboven gezegd werd (62° Kw. art. 1, par. 2) teken en oorzaak, moest dus wat bij de duivelbezweering gedaan wordt iets uitwerken, dan zou daaruit volgen dat de duivelbezweering een sacrament is.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1]
Vervolgens. De sacramenten der nieuwe wet zijn zoals hierboven gezegd werd (62° Kw. art. 1, par. 2) teken en oorzaak, moest dus wat bij de duivelbezweering gedaan wordt iets uitwerken, dan zou daaruit volgen dat de duivelbezweering een sacrament is.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Zoals de duivelbezwering op het doopsel berekend is, zo is wat bij de duivelbezwering gedaan wordt op het uitwerksel van het doopsel berekend. Welnu, geschiktheid tot iets moet de vormelijke volmaaktheid voorafgaan, de vorm kan immers enkel in een geschikte stof ontvangen worden. — Daaruit zou echter volgen dat niemand, zonder eerst bezworen geweest te zijn het uitwerksel van het doopsel kan erlangen; dit nu is volkomen vals en zo heeft dus wat bij de duivelbezwering gedaan wordt geen uitwerksel.
Vervolgens. Zoals de duivelbezwering op het doopsel berekend is, zo is wat bij de duivelbezwering gedaan wordt op het uitwerksel van het doopsel berekend. Welnu, geschiktheid tot iets moet de vormelijke volmaaktheid voorafgaan, de vorm kan immers enkel in een geschikte stof ontvangen worden. — Daaruit zou echter volgen dat niemand, zonder eerst bezworen geweest te zijn het uitwerksel van het doopsel kan erlangen; dit nu is volkomen vals en zo heeft dus wat bij de duivelbezwering gedaan wordt geen uitwerksel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 3 arg. 4
Vervolgens. Zoals sommige handelingen van de duivelbezwering vóór het doopsel plaats grijpen, zo ook geschieden sommige na het doopsel; zo b. v. balsemt de priester de dopeling tussen de schouders met chrisma in. Welnu wat na het doopsel geschiedt werkt niets uit; moest dit immers iets uitwerken dan zou het doopsel onvolmaakt zijn. Zo werkt dus wat bij de duivelbezwering vóór het doopsel geschiedt evenmin iets uit.
Vervolgens. Zoals sommige handelingen van de duivelbezwering vóór het doopsel plaats grijpen, zo ook geschieden sommige na het doopsel; zo b. v. balsemt de priester de dopeling tussen de schouders met chrisma in. Welnu wat na het doopsel geschiedt werkt niets uit; moest dit immers iets uitwerken dan zou het doopsel onvolmaakt zijn. Zo werkt dus wat bij de duivelbezwering vóór het doopsel geschiedt evenmin iets uit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Boek "Het Symbolum" (1, 1) zegt: "Over de kinderen worden, om de duivel die de mens bedrogen heeft te verjagen inblazingen en bezweringen gedaan." De H. Kerk doet immers niets zonder reden. Zo wordt dus door die inblazingen de kracht van de duivelen gestuit.
Daartegenover staat echter wat St. Augustinus in zijn Boek "Het Symbolum" (1, 1) zegt: "Over de kinderen worden, om de duivel die de mens bedrogen heeft te verjagen inblazingen en bezweringen gedaan." De H. Kerk doet immers niets zonder reden. Zo wordt dus door die inblazingen de kracht van de duivelen gestuit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 3 co.
Mijn antwoord. Sommigen beweerden dat de duivelbezwering niets kan uitwerken, maar enkel iets voorafbeeldt. Welnu, zo een opvatting is volkomen verkeerd; de H. Kerk spreekt immers bij de duivelbezweringen om de duivel te verdrijven op gebiedende wijze; zo b.v. wanneer ze zegt: "Vermaledijde duivel, ga van hier uit". — Daarom moet dan ook gezegd worden dat de duivelbezwering een uitwerking heeft die van hetgeen bij het doopsel geschiedt verschilt; bij het doopsel krijgt de mens nl. de genade tot vergiffenis van zijn zonden, bij de duivelbezwering integendeel worden de twee hinderpalen om de heiligmakende ge- nade te ontvangen uit de weg geruimd. — Het eene beletsel is uiterlijk, dat nl. de duivel de zaligheid van de mens tracht te verhinderen, en deze hinderpaal wordt zoals uit hetgeen St. Augustinus gezegd heeft blijkt, door de inblazingen, waardoor de kracht van de duivel gestuit wordt, weggenomen; hij kan nl. niet meer beletten dat de mens het doopsel zou ontvangen. Niettemin heeft de duivel een zekere macht over de mens, de mens toch is nog schuldig, en heeft totdat hij helemaal door het doopsel zal gezuiverd zijn, nog straf voor zijn zonden uit te boeten, zegt de H. Cyprianus. Daarom dat de kwaadwilligheid van de duivel tot aan het doopsel kan blijven voortbestaan, doch dat hij bij het doopsel alle kracht verliest. Het tweede beletsel is een innerlijk beletsel dat door de besmetting van de erfzonde de wil van de mens van de zaligende mysteriën afzondert. Daarvandaan dat Rabanus Maurus in zijn "Priestervorming" (1, 27) zegt: "De Wijsheid van God en zijn goddelijke kracht verlossen de catechumeen door het geheimzinnig speeksel en door de handenoplegging van de priester; zo gaan zijn neusgaten open en kunnen ze ruiken, zijn oren gaan open en nemen de geboden Gods waar, zijn innerlijke zintuigen eindelijk gaan in het binnenste van zijn hart open om het geloof te belijden."
Mijn antwoord. Sommigen beweerden dat de duivelbezwering niets kan uitwerken, maar enkel iets voorafbeeldt. Welnu, zo een opvatting is volkomen verkeerd; de H. Kerk spreekt immers bij de duivelbezweringen om de duivel te verdrijven op gebiedende wijze; zo b.v. wanneer ze zegt: "Vermaledijde duivel, ga van hier uit". — Daarom moet dan ook gezegd worden dat de duivelbezwering een uitwerking heeft die van hetgeen bij het doopsel geschiedt verschilt; bij het doopsel krijgt de mens nl. de genade tot vergiffenis van zijn zonden, bij de duivelbezwering integendeel worden de twee hinderpalen om de heiligmakende ge- nade te ontvangen uit de weg geruimd. — Het eene beletsel is uiterlijk, dat nl. de duivel de zaligheid van de mens tracht te verhinderen, en deze hinderpaal wordt zoals uit hetgeen St. Augustinus gezegd heeft blijkt, door de inblazingen, waardoor de kracht van de duivel gestuit wordt, weggenomen; hij kan nl. niet meer beletten dat de mens het doopsel zou ontvangen. Niettemin heeft de duivel een zekere macht over de mens, de mens toch is nog schuldig, en heeft totdat hij helemaal door het doopsel zal gezuiverd zijn, nog straf voor zijn zonden uit te boeten, zegt de H. Cyprianus. Daarom dat de kwaadwilligheid van de duivel tot aan het doopsel kan blijven voortbestaan, doch dat hij bij het doopsel alle kracht verliest. Het tweede beletsel is een innerlijk beletsel dat door de besmetting van de erfzonde de wil van de mens van de zaligende mysteriën afzondert. Daarvandaan dat Rabanus Maurus in zijn "Priestervorming" (1, 27) zegt: "De Wijsheid van God en zijn goddelijke kracht verlossen de catechumeen door het geheimzinnig speeksel en door de handenoplegging van de priester; zo gaan zijn neusgaten open en kunnen ze ruiken, zijn oren gaan open en nemen de geboden Gods waar, zijn innerlijke zintuigen eindelijk gaan in het binnenste van zijn hart open om het geloof te belijden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. De duivelbezwering neemt de schuld waarvoor de mens na de dood gestraft wordt niet weg, alleen neemt ze de beletselen die de vergiffenis door het sacrament zouden verhinderen weg, en zo werkt dus na de dood zonder het doopsel de duivelbezwering niets uit. Praepositivus zegt echter dat kinderen die vóór het doopsel sterven als ze reeds de duivelbezwering ontvangen hebben, minder duisternis zullen te verduren hebben, maar daarmee zijn wij het niet eens; die duisternis toch is niets anders dan het verstoken blijven van de goddelijke beschouwing, waar van minder en meer niet kan sprake zijn.
1e Weerlegging. De duivelbezwering neemt de schuld waarvoor de mens na de dood gestraft wordt niet weg, alleen neemt ze de beletselen die de vergiffenis door het sacrament zouden verhinderen weg, en zo werkt dus na de dood zonder het doopsel de duivelbezwering niets uit. Praepositivus zegt echter dat kinderen die vóór het doopsel sterven als ze reeds de duivelbezwering ontvangen hebben, minder duisternis zullen te verduren hebben, maar daarmee zijn wij het niet eens; die duisternis toch is niets anders dan het verstoken blijven van de goddelijke beschouwing, waar van minder en meer niet kan sprake zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Tot het wezen van een sacrament behoort genade, die toch het bijzonderste uitwerksel van een sacrament is, van schuld ontslaat of bij de mens een gebrek komt goed maken, te verwekken. Dit alles nu geschiedt niet bij de duivelbezwering, deze immers beoogt enkel de beletselen weg te nemen. Daarom is de duivelbezwering geen sacrament maar enkel een sacramentaal.
2e Weerlegging. Tot het wezen van een sacrament behoort genade, die toch het bijzonderste uitwerksel van een sacrament is, van schuld ontslaat of bij de mens een gebrek komt goed maken, te verwekken. Dit alles nu geschiedt niet bij de duivelbezwering, deze immers beoogt enkel de beletselen weg te nemen. Daarom is de duivelbezwering geen sacrament maar enkel een sacramentaal.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De gesteltenis die om de genade van het doopsel te ontvangen vereischt wordt komt neer op geloof en een goed opzet, ofwel indien de dopeling nog een kind is, bij de H. Kerk. Welnu wat bij de duivelbezwering geschiedt is er op berekend de beletselen tot de genade weg te nemen en daarom kan men ook zonder duivelbezwering de uitwerkselen van het doopsel erlangen. Niettemin mag ze, behalve wanneer er gevaar van sterven is, niet worden achterwege gelaten. Wanneer dan dit gevaar geweken is moet, om de toediening van het doopsel overal éénvormig te houden, wat nog ontbrak worden aangevuld. Na het doopsel aan te vullen is immers niet overbodig; want zoals de uitwerkselen van het doopsel vooraleer het doopsel te ontvangen, kunnen verhinderd worden zo ook kunnen die uitwerkselen eens dat men reeds het doopsel ontvangen heeft, belet worden.
3e Weerlegging. De gesteltenis die om de genade van het doopsel te ontvangen vereischt wordt komt neer op geloof en een goed opzet, ofwel indien de dopeling nog een kind is, bij de H. Kerk. Welnu wat bij de duivelbezwering geschiedt is er op berekend de beletselen tot de genade weg te nemen en daarom kan men ook zonder duivelbezwering de uitwerkselen van het doopsel erlangen. Niettemin mag ze, behalve wanneer er gevaar van sterven is, niet worden achterwege gelaten. Wanneer dan dit gevaar geweken is moet, om de toediening van het doopsel overal éénvormig te houden, wat nog ontbrak worden aangevuld. Na het doopsel aan te vullen is immers niet overbodig; want zoals de uitwerkselen van het doopsel vooraleer het doopsel te ontvangen, kunnen verhinderd worden zo ook kunnen die uitwerkselen eens dat men reeds het doopsel ontvangen heeft, belet worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Onder de ceremoniën die na het doopsel geschieden zijn er die niet alleen iets verbeelden maar ook iets uitwerken; zo b.v. bewerkt de instrijking met olie op het hoofd het behoud van de genade van het doopsel; andere dingen bewerken niets maar verzinnebeelden enkel iets, zo b.v. wanneer men de dopeling om nieuwheid van leven te verbeelden een nieuw kleed aantrekt.
4e Weerlegging. Onder de ceremoniën die na het doopsel geschieden zijn er die niet alleen iets verbeelden maar ook iets uitwerken; zo b.v. bewerkt de instrijking met olie op het hoofd het behoud van de genade van het doopsel; andere dingen bewerken niets maar verzinnebeelden enkel iets, zo b.v. wanneer men de dopeling om nieuwheid van leven te verbeelden een nieuw kleed aantrekt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Behoren de catechisering en duivelbezwering door priesters gedaan te worden?
IIIa q. 71 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat het niet aan priesters voorbehouden is de doopling te onderrichten en te bezweren. Alles wat omtrent onzuivere personen geschiedt is, zoals Dionysius in het V° kap. van zijn *Kerkelijke Hierarchie* zegt, het werk van mindere bedienaars. Welnu de catechumenen die in de catechismus onderricht worden en de bezetenen die bij de duivelbezwering verlost worden horen, zoals Dionysius op dezelfde plaats zegt, onder de onzuivere personen. Zo is te catechiseren en te bezweren dus niet het ambt van de priesters maar wel van mindere bedienaars.
Over het vierde als volgt. Men beweert dat het niet aan priesters voorbehouden is de doopling te onderrichten en te bezweren. Alles wat omtrent onzuivere personen geschiedt is, zoals Dionysius in het V° kap. van zijn *Kerkelijke Hierarchie* zegt, het werk van mindere bedienaars. Welnu de catechumenen die in de catechismus onderricht worden en de bezetenen die bij de duivelbezwering verlost worden horen, zoals Dionysius op dezelfde plaats zegt, onder de onzuivere personen. Zo is te catechiseren en te bezweren dus niet het ambt van de priesters maar wel van mindere bedienaars.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De catechumenen worden aan de hand van de H. Schrift die in de Kerk door mindere bedienaars voorgelezen wordt in geloofszaken onderricht. Zoals immers het Oude Testament door de lezers wordt voorgelezen, zo wordt het Nieuwe Testament door onderdiakens en diakens voorgelezen, en daarom komt het aan de bedienaars toe te catechiseren. Wat nu de duivelbezwe-ring betreft ook deze blijkt aan mindere bedienaars toe te komen; Isidorus zegt immers in zijn Brief aan Ludefridus: "Aan de bezweerders komt het toe de bezwering uit het hoofd te kennen en bezetenen en catechumenen gedurende de bezwering de handen op te leggen." Zo behoort dus de priester noch te catechiseren noch te bezweren.
Vervolgens. De catechumenen worden aan de hand van de H. Schrift die in de Kerk door mindere bedienaars voorgelezen wordt in geloofszaken onderricht. Zoals immers het Oude Testament door de lezers wordt voorgelezen, zo wordt het Nieuwe Testament door onderdiakens en diakens voorgelezen, en daarom komt het aan de bedienaars toe te catechiseren. Wat nu de duivelbezwe-ring betreft ook deze blijkt aan mindere bedienaars toe te komen; Isidorus zegt immers in zijn Brief aan Ludefridus: "Aan de bezweerders komt het toe de bezwering uit het hoofd te kennen en bezetenen en catechumenen gedurende de bezwering de handen op te leggen." Zo behoort dus de priester noch te catechiseren noch te bezweren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Te onderrichten is hetzelfde als te catechiseren en komt op een soort van vervolmaking neer. Dit nu is, zoals Dionysius in zijn Kerkelijke Hierarchie (5) zegt het ambt van de bisschop. Zo behoort dus de priester niet te catechiseren.
Vervolgens. Te onderrichten is hetzelfde als te catechiseren en komt op een soort van vervolmaking neer. Dit nu is, zoals Dionysius in zijn Kerkelijke Hierarchie (5) zegt het ambt van de bisschop. Zo behoort dus de priester niet te catechiseren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter wat Paus Nicolaas in zijn Catechismus (over de wijding, 4e dist.) schrijft: "De priesters van iedere kerk mogen diegenen die moeten gedoopt worden onderrichten." En de H. Gregorius zegt in zijn 29e homelie op de Evangelie: "Wat doen de priesters door de kracht der duivelbezwering wanneer ze aan de gelovigen de handen opleggen anders dan de duivel te verdrijven?"
Daartegenover staat echter wat Paus Nicolaas in zijn Catechismus (over de wijding, 4e dist.) schrijft: "De priesters van iedere kerk mogen diegenen die moeten gedoopt worden onderrichten." En de H. Gregorius zegt in zijn 29e homelie op de Evangelie: "Wat doen de priesters door de kracht der duivelbezwering wanneer ze aan de gelovigen de handen opleggen anders dan de duivel te verdrijven?"
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 4 co.
Mijn antwoord. De mindere bedienaar is voor de priester, zoals de naam zelf van bedienaar aanduidt, wat een bijkomstige en werktuigelijke bewerkende oorzaak voor de bewerkende hoofd-oorzaak is. De bijkomstige oorzaak werkt namelijk zonder de hoofd-oorzaak niets uit, maar werkt samen met de hoofd-oorzaak, en hoe groter werking, zo groter de werktuigelijke oorzaken of bedienaars. Het werk van de priester nu is het grootste, zelf dient hij immers de sacramenten toe en bereidt ze niet alleen voor. Daarom behoren de waardigste bedienaars, zoals de diakens, de priesters bij het toedienen van de sacramenten bij te staan; de H. Isidorus zegt namelijk op dezelfde plaats dat de diaken de priesters moet bijstaan en alles wat omtrent de sacramenten moet gedaan worden moet bijbrengen; zo bijvoorbeeld dient hij bij het doopsel het H. Chrisma, de pateen en de kelk bij te brengen. De bedienaars van mindere rang daarentegen mogen de priesters enkel bij de voorbereiding van de toediening van de sacramenten helpen; zo bijvoorbeeld de lezers als ze catechiseren en de bezweerders als ze bezweren.
Mijn antwoord. De mindere bedienaar is voor de priester, zoals de naam zelf van bedienaar aanduidt, wat een bijkomstige en werktuigelijke bewerkende oorzaak voor de bewerkende hoofd-oorzaak is. De bijkomstige oorzaak werkt namelijk zonder de hoofd-oorzaak niets uit, maar werkt samen met de hoofd-oorzaak, en hoe groter werking, zo groter de werktuigelijke oorzaken of bedienaars. Het werk van de priester nu is het grootste, zelf dient hij immers de sacramenten toe en bereidt ze niet alleen voor. Daarom behoren de waardigste bedienaars, zoals de diakens, de priesters bij het toedienen van de sacramenten bij te staan; de H. Isidorus zegt namelijk op dezelfde plaats dat de diaken de priesters moet bijstaan en alles wat omtrent de sacramenten moet gedaan worden moet bijbrengen; zo bijvoorbeeld dient hij bij het doopsel het H. Chrisma, de pateen en de kelk bij te brengen. De bedienaars van mindere rang daarentegen mogen de priesters enkel bij de voorbereiding van de toediening van de sacramenten helpen; zo bijvoorbeeld de lezers als ze catechiseren en de bezweerders als ze bezweren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Bij die onzuivere personen hebben de mindere bedienaars een werktuigelijke bediening, de priesters daarentegen het hoofdwerk te verrichten.
1e Weerlegging. Bij die onzuivere personen hebben de mindere bedienaars een werktuigelijke bediening, de priesters daarentegen het hoofdwerk te verrichten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Aan lezers en bezweerders komt het hoewel niet als aan bijzondere bedienaars, maar als aan mensen die de priesters ter zijde staan, toe te catechiseren en te bezweren.
2e Weerlegging. Aan lezers en bezweerders komt het hoewel niet als aan bijzondere bedienaars, maar als aan mensen die de priesters ter zijde staan, toe te catechiseren en te bezweren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 71 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Het onderricht van de gelovigen is niet overal hetzelfde; het ene moet de mensen bekeren, en dit komt volgens Dionysius in zijn *Kerkelijke Hierarchie* (2) aan de bisschoppen toe en kan door om het even welke priester of om het even welke gelovige verstrekt worden. Het tweede soort van onderricht waardoor iemand de geloofswaarheden leert kennen en hoe hij zich bij het ontvangen van de sacramenten te gedragen heeft, komt in hoofdzaak aan de priesters en op bijkomstige wijze aan mindere bedienaars toe. Het derde soort van onderricht over het christelijke leven is op de peeters van het doopsel aangewezen. Het vierde soort van onderricht eindelijk waardoor men de mysteriën van het geloof en de volmaaktheid van het christelijke leven dieper nagaat is de bisschoppen weggelegd.
3e Weerlegging. Het onderricht van de gelovigen is niet overal hetzelfde; het ene moet de mensen bekeren, en dit komt volgens Dionysius in zijn *Kerkelijke Hierarchie* (2) aan de bisschoppen toe en kan door om het even welke priester of om het even welke gelovige verstrekt worden. Het tweede soort van onderricht waardoor iemand de geloofswaarheden leert kennen en hoe hij zich bij het ontvangen van de sacramenten te gedragen heeft, komt in hoofdzaak aan de priesters en op bijkomstige wijze aan mindere bedienaars toe. Het derde soort van onderricht over het christelijke leven is op de peeters van het doopsel aangewezen. Het vierde soort van onderricht eindelijk waardoor men de mysteriën van het geloof en de volmaaktheid van het christelijke leven dieper nagaat is de bisschoppen weggelegd.
Referenties naar deze alinea: 1
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Over het Vormsel (72)
- Q 72: Over het Vormsel
IIIa q. 72 pr.
Verder moeten we ook het Sacrament van het vormsel nader onderzoeken. Dienaangaande komen twaalf verschillende zaken ter sprake.
1. Is het vormsel een Sacrament?
2. Over de stof van het vormsel.
3. Is het voor de geldigheid van dit Sacrament noodig dat het chrisma eerst door de bisschop zou gewijd worden?
4. Over de vorm van het vormsel.
5. Of het vormsel een merkteken inprint?
6. Of het merkteken van het vormsel dit van het doopsel onderstelt?
7. Of het vormsel genade verleent?
8. Wie moet het Sacrament van het vormsel ontvangen?
9. Waar moet het Sacrament van het vormsel toegediend worden?
10. Moet iemand de vormeling vasthouden?
11. Wordt dit Sacrament enkel door de bisschoppen gegeven?
12. Over de ritus van dit Sacrament.
Verder moeten we ook het Sacrament van het vormsel nader onderzoeken. Dienaangaande komen twaalf verschillende zaken ter sprake.
1. Is het vormsel een Sacrament?
2. Over de stof van het vormsel.
3. Is het voor de geldigheid van dit Sacrament noodig dat het chrisma eerst door de bisschop zou gewijd worden?
4. Over de vorm van het vormsel.
5. Of het vormsel een merkteken inprint?
6. Of het merkteken van het vormsel dit van het doopsel onderstelt?
7. Of het vormsel genade verleent?
8. Wie moet het Sacrament van het vormsel ontvangen?
9. Waar moet het Sacrament van het vormsel toegediend worden?
10. Moet iemand de vormeling vasthouden?
11. Wordt dit Sacrament enkel door de bisschoppen gegeven?
12. Over de ritus van dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is het vormsel een Sacrament?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 72 a. 2 co.
IIIa q. 72 a. 4 co.
IIIa q. 72 a. 5 co.
IIIa q. 72 a. 5 co.
IIIa q. 72 a. 6 co.
IIIa q. 72 a. 7 co.
IIIa q. 72 a. 8 co.
IIIa q. 72 a. 9 arg. 2
IIIa q. 72 a. 9 co.
IIIa q. 72 a. 10 co.
IIIa q. 73 a. 1 arg. 1
IIIa q. 79 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 72 a. 2 co.][t:iiia q. 72 a. 4 co.][t:iiia q. 72 a. 5 co.][t:iiia q. 72 a. 5 co.][t:iiia q. 72 a. 6 co.][t:iiia q. 72 a. 7 co.][t:iiia q. 72 a. 8 co.][t:iiia q. 72 a. 9 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 9 co.][t:iiia q. 72 a. 10 co.][t:iiia q. 73 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 79 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 72 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat het vormsel niet een sacrament is. De sacramenten betreffen zoals hierboven bewezen werd, hun macht van de goddelijke instelling. Welnu nergens lezen we in de Heilige Schrift dat Christus het vormsel zou ingesteld hebben. Zo is dus het vormsel niet een sacrament.
R: q. 64 a. 2[t:iiia q. 64 a. 2]
IIIa q. 72 a. 2 co.
IIIa q. 72 a. 4 co.
IIIa q. 72 a. 5 co.
IIIa q. 72 a. 5 co.
IIIa q. 72 a. 6 co.
IIIa q. 72 a. 7 co.
IIIa q. 72 a. 8 co.
IIIa q. 72 a. 9 arg. 2
IIIa q. 72 a. 9 co.
IIIa q. 72 a. 10 co.
IIIa q. 73 a. 1 arg. 1
IIIa q. 79 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 72 a. 2 co.][t:iiia q. 72 a. 4 co.][t:iiia q. 72 a. 5 co.][t:iiia q. 72 a. 5 co.][t:iiia q. 72 a. 6 co.][t:iiia q. 72 a. 7 co.][t:iiia q. 72 a. 8 co.][t:iiia q. 72 a. 9 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 9 co.][t:iiia q. 72 a. 10 co.][t:iiia q. 73 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 79 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 72 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert dat het vormsel niet een sacrament is. De sacramenten betreffen zoals hierboven bewezen werd, hun macht van de goddelijke instelling. Welnu nergens lezen we in de Heilige Schrift dat Christus het vormsel zou ingesteld hebben. Zo is dus het vormsel niet een sacrament.
R: q. 64 a. 2[t:iiia q. 64 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De sacramenten der nieuwe wet werden in het oude testament voorafgebeeld. Derhalve zegt de Apostel in zijn *Ie Brief aan de Korinthiërs* (10, 2): "Allen werden in de wolk en in de zee in Mozes gedoopt: en allen hebben dezelfde geestelijke spijs gegeten en dezelfde geestelijke drank gedronken." Welnu, het vormsel werd niet in het oude testament voorafgebeeld. Zo is dus het vormsel niet een sacrament.
B: (1Cor 10:2-4) [b:1Cor 10:2-4]
Vervolgens. De sacramenten der nieuwe wet werden in het oude testament voorafgebeeld. Derhalve zegt de Apostel in zijn *Ie Brief aan de Korinthiërs* (10, 2): "Allen werden in de wolk en in de zee in Mozes gedoopt: en allen hebben dezelfde geestelijke spijs gegeten en dezelfde geestelijke drank gedronken." Welnu, het vormsel werd niet in het oude testament voorafgebeeld. Zo is dus het vormsel niet een sacrament.
B: (1Cor 10:2-4) [b:1Cor 10:2-4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 1 arg. 3
Vervolgens. De sacramenten zijn tot zaligheid van de mensen ingesteld. Welnu, de mensen kunnen zonder het vormsel zalig worden, kinderen immers die gedoopt zijn en zonder vormsel sterven worden gered. Zo is dus het vormsel geen sacrament.
Vervolgens. De sacramenten zijn tot zaligheid van de mensen ingesteld. Welnu, de mensen kunnen zonder het vormsel zalig worden, kinderen immers die gedoopt zijn en zonder vormsel sterven worden gered. Zo is dus het vormsel geen sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Door alle Sacramenten der Heilige Kerk worden de mensen gelijkvormig aan Christus die er de insteller van is. Welnu, door het vormsel wordt de mens niet gelijkvormig aan Christus die immers niet gevormd werd. Zo is dus het vormsel niet een sacrament.
Vervolgens. Door alle Sacramenten der Heilige Kerk worden de mensen gelijkvormig aan Christus die er de insteller van is. Welnu, door het vormsel wordt de mens niet gelijkvormig aan Christus die immers niet gevormd werd. Zo is dus het vormsel niet een sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter wat paus Melchiades aan de bisschoppen van Spanje schreef: "Ge hebt me gevraagd welk het grootste sacrament is: de handenoplegging van de bisschop of het vormsel? — die twee sacramenten zijn grote sacramenten."
Daartegenover staat echter wat paus Melchiades aan de bisschoppen van Spanje schreef: "Ge hebt me gevraagd welk het grootste sacrament is: de handenoplegging van de bisschop of het vormsel? — die twee sacramenten zijn grote sacramenten."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 1 co.
Mijn antwoord. De sacramenten der nieuwe wet zijn op speciale uitwerkingen van de genade berekend, en daarom werd voor iedere bijzondere uitwerking van de genade een afzonderlijk sacrament ingesteld. Daar nu zintuigelijke en lichamelijke zaken met geestelijke en verstandszaken gelijkenis bieden, zo kunnen we ertoe komen te weten wanneer een bijzondere genade nodig is, uit hetgeen we bij het lichamelijke leven gewaar werden. Welnu, duidelijk is het dat wanneer de mens lichamelijk tot volmaakt mensentype uitgroeit en als mens volmaakte menselijke handelingen weet te stellen dit voor hem een volmaaktheid is. Daarom zegt de Apostel in zijn 1ste Brief aan de Korinthiërs (13, 11): "Toen ik man werd, legde ik het kinderlijke af." En zo, bestaat dan behalve de geboorte waardoor we het lichamelijke leven ontvangen, ook nog de lichaamsgroei waardoor iemand tot volkomen lichaamsvolmaaktheid uitgroeit. Op de zelfde wijze nu, hoewel in geestelijke zin, erlangt de mens door het doopsel het geestelijke leven, en dit is een geestelijke wedergeboorte; bij het vormsel daarentegen ontvangt hij als een volmaakte ouderdom in het geestelijke leven. Daarom zegt Paus Melchiades dat "de Heilige Geest, die door een zaligende nederdaling, over de wateren van het doopsel nederdaalde, aan dit water de kracht gegeven heeft om ons helemaal te zuiveren; bij het vormsel daarentegen laat de Heilige Geest ons in genade toenemen. In het doopsel worden we terug tot het leven geboren, na het doopsel worden we tot de strijd uitgerust; in het doopsel worden we gezuiverd, na het doopsel worden we versterkt". Zo is het dus duidelijk dat het vormsel een bijzonder sacrament is.
B: (1Cor 13:11) [b:1Cor 13:11]
Mijn antwoord. De sacramenten der nieuwe wet zijn op speciale uitwerkingen van de genade berekend, en daarom werd voor iedere bijzondere uitwerking van de genade een afzonderlijk sacrament ingesteld. Daar nu zintuigelijke en lichamelijke zaken met geestelijke en verstandszaken gelijkenis bieden, zo kunnen we ertoe komen te weten wanneer een bijzondere genade nodig is, uit hetgeen we bij het lichamelijke leven gewaar werden. Welnu, duidelijk is het dat wanneer de mens lichamelijk tot volmaakt mensentype uitgroeit en als mens volmaakte menselijke handelingen weet te stellen dit voor hem een volmaaktheid is. Daarom zegt de Apostel in zijn 1ste Brief aan de Korinthiërs (13, 11): "Toen ik man werd, legde ik het kinderlijke af." En zo, bestaat dan behalve de geboorte waardoor we het lichamelijke leven ontvangen, ook nog de lichaamsgroei waardoor iemand tot volkomen lichaamsvolmaaktheid uitgroeit. Op de zelfde wijze nu, hoewel in geestelijke zin, erlangt de mens door het doopsel het geestelijke leven, en dit is een geestelijke wedergeboorte; bij het vormsel daarentegen ontvangt hij als een volmaakte ouderdom in het geestelijke leven. Daarom zegt Paus Melchiades dat "de Heilige Geest, die door een zaligende nederdaling, over de wateren van het doopsel nederdaalde, aan dit water de kracht gegeven heeft om ons helemaal te zuiveren; bij het vormsel daarentegen laat de Heilige Geest ons in genade toenemen. In het doopsel worden we terug tot het leven geboren, na het doopsel worden we tot de strijd uitgerust; in het doopsel worden we gezuiverd, na het doopsel worden we versterkt". Zo is het dus duidelijk dat het vormsel een bijzonder sacrament is.
B: (1Cor 13:11) [b:1Cor 13:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Aangaande de instelling van dit sacrament bestaan er twee verschillende meningen. Sommigen zeiden dat dit sacrament noch door Christus noch door de Apostelen, maar later in de loop der tijden op een kerkvergadering werd ingesteld. Anderen beweren dat de Apostelen het vormsel hebben ingesteld. — Dit kan echter niet, een nieuw sacrament in te stellen komt immers enkel en alleen aan de waardigheidsmacht die alleen Christus bezit toe. Daarom moet dan gezegd worden dat Christus dit sacrament met het te beloven, maar niet door het feitelijk te hebben aangeleerd of overgeleverd, heeft ingesteld. Zo staat er toch in het Evangelie van Joannes (16, 7) : "Want als ik niet heen ging zou de Helper niet tot U komen; doch als ik ga zal ik Hem tot U zenden." — Gebeurde nu dit alles op zo een manier, dan is zulks omdat dit sacrament de volheid van de Heilige Geest, die niet vóór de verrijzenis en de hemelvaart van Christus kon gegeven worden, verleende. De Heilige Joannes (7, 39) zegt overigens : "Want de Geest was er nog niet omdat Jezus nog niet verheerlijkt was."
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 72 a. 2 arg. 1
IIIa q. 72 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 72 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 72 a. 2 arg. 1]
1e Weerlegging. Aangaande de instelling van dit sacrament bestaan er twee verschillende meningen. Sommigen zeiden dat dit sacrament noch door Christus noch door de Apostelen, maar later in de loop der tijden op een kerkvergadering werd ingesteld. Anderen beweren dat de Apostelen het vormsel hebben ingesteld. — Dit kan echter niet, een nieuw sacrament in te stellen komt immers enkel en alleen aan de waardigheidsmacht die alleen Christus bezit toe. Daarom moet dan gezegd worden dat Christus dit sacrament met het te beloven, maar niet door het feitelijk te hebben aangeleerd of overgeleverd, heeft ingesteld. Zo staat er toch in het Evangelie van Joannes (16, 7) : "Want als ik niet heen ging zou de Helper niet tot U komen; doch als ik ga zal ik Hem tot U zenden." — Gebeurde nu dit alles op zo een manier, dan is zulks omdat dit sacrament de volheid van de Heilige Geest, die niet vóór de verrijzenis en de hemelvaart van Christus kon gegeven worden, verleende. De Heilige Joannes (7, 39) zegt overigens : "Want de Geest was er nog niet omdat Jezus nog niet verheerlijkt was."
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 72 a. 2 arg. 1
IIIa q. 72 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 72 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 72 a. 2 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Omdat het vormsel het sacrament is van de volkomenheid der genade, daarom is er in het oude testament niets dat aan dit sacrament beantwoord; de oude wet heeft immers, zoals in de Brief aan de Hebreërs (7, 19) staat, niets tot volmaaktheid gebracht.
B: (John 7:39, John 7:39) [b:John 7:39] (John 16:7) [b:John 16:7]
2e Weerlegging. Omdat het vormsel het sacrament is van de volkomenheid der genade, daarom is er in het oude testament niets dat aan dit sacrament beantwoord; de oude wet heeft immers, zoals in de Brief aan de Hebreërs (7, 19) staat, niets tot volmaaktheid gebracht.
B: (John 7:39, John 7:39) [b:John 7:39] (John 16:7) [b:John 16:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Hierboven hebben we in het 4e Artikel der 65e Kwestie bewezen dat alle sacramenten enigermate voor de zaligheid onontbeerlijk zijn; sommige sacramenten zijn nl. volstrekt onontbeerlijk, zodat men zonder die niet kan zalig worden, andere helpen ons om beter onze zaligheid te erlangen, en op die wijze is het vormsel, alhoewel men ook, behalve als men dit sacrament uit misprijzen verwaarloost, zonder vormsel kan zalig worden, voor de zaligheid onontbeerlijk.
B: (Heb 7:19) [b:Heb 7:19]
R: q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
3e Weerlegging. Hierboven hebben we in het 4e Artikel der 65e Kwestie bewezen dat alle sacramenten enigermate voor de zaligheid onontbeerlijk zijn; sommige sacramenten zijn nl. volstrekt onontbeerlijk, zodat men zonder die niet kan zalig worden, andere helpen ons om beter onze zaligheid te erlangen, en op die wijze is het vormsel, alhoewel men ook, behalve als men dit sacrament uit misprijzen verwaarloost, zonder vormsel kan zalig worden, voor de zaligheid onontbeerlijk.
B: (Heb 7:19) [b:Heb 7:19]
R: q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Degenen die het vormsel, sacrament van genadevolkomenheid, ontvangen, worden gelijkvormig gemaakt aan Christus; vanaf het eerste ogenblik van zijn ontvangst was Hij immers, zoals Joannes zegt (1, 14) vol van genade en waarheid. Die volkomenheid van genade nu werd bij het doopsel van Christus, wanneer de Heilige Geest onder een stoffelijke vorm over hem nederdaalde, aan de mensen bekend gemaakt. Daarom zegt Sint Lucas (4, 1): "Jezus vol van de Heilige Geest kwam terug van de Jordaan." Het strookte immers niet met zijn waardigheid dat Hij die de insteller was van de genade, de volkomenheid van die genade door dit sacrament zou ontvangen.
4e Weerlegging. Degenen die het vormsel, sacrament van genadevolkomenheid, ontvangen, worden gelijkvormig gemaakt aan Christus; vanaf het eerste ogenblik van zijn ontvangst was Hij immers, zoals Joannes zegt (1, 14) vol van genade en waarheid. Die volkomenheid van genade nu werd bij het doopsel van Christus, wanneer de Heilige Geest onder een stoffelijke vorm over hem nederdaalde, aan de mensen bekend gemaakt. Daarom zegt Sint Lucas (4, 1): "Jezus vol van de Heilige Geest kwam terug van de Jordaan." Het strookte immers niet met zijn waardigheid dat Hij die de insteller was van de genade, de volkomenheid van die genade door dit sacrament zou ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is chrisma voor het vormsel de geschikte stof?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 72 a. 4 co.
IIIa q. 72 a. 9 arg. 2
IIIa q. 72 a. 10 co.
IIIa q. 72 a. 12 arg. 3[t:iiia q. 72 a. 4 co.][t:iiia q. 72 a. 9 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 10 co.][t:iiia q. 72 a. 12 arg. 3]
IIIa q. 72 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat voor het vormsel het chrisma niet de geschikte stof is. In het vorige Artikel werd gezegd dat Christus wanneer Hij de Heilige Geest aan zijn leerlingen beloofde dit sacrament heeft ingesteld. Welnu de Heilige Geest heeft Hij gezonden zonder iemand met chrisma te zalven. Ja zelfs de Apostelen dienden dit sacrament zonder chrisma alleen door handenoplegging toe. Er staat immers in de Hand. der Apostelen (8, 17) geschreven: "Toen legden zij hun de handen op en ze ontvingen de Heilige Geest." — Zo is dus, daar voor de geldigheid van het sacrament de stof onontbeerlijk is, niet het chrisma de stof van het vormsel.
B: (Acts 8:17) [b:Acts 8:17]
R: q. 72 a. 1 ad 1[t:iiia q. 72 a. 1 ad 1] q. 72 a. 1 ad 1[t:iiia q. 72 a. 1 ad 1]
IIIa q. 72 a. 4 co.
IIIa q. 72 a. 9 arg. 2
IIIa q. 72 a. 10 co.
IIIa q. 72 a. 12 arg. 3[t:iiia q. 72 a. 4 co.][t:iiia q. 72 a. 9 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 10 co.][t:iiia q. 72 a. 12 arg. 3]
IIIa q. 72 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert dat voor het vormsel het chrisma niet de geschikte stof is. In het vorige Artikel werd gezegd dat Christus wanneer Hij de Heilige Geest aan zijn leerlingen beloofde dit sacrament heeft ingesteld. Welnu de Heilige Geest heeft Hij gezonden zonder iemand met chrisma te zalven. Ja zelfs de Apostelen dienden dit sacrament zonder chrisma alleen door handenoplegging toe. Er staat immers in de Hand. der Apostelen (8, 17) geschreven: "Toen legden zij hun de handen op en ze ontvingen de Heilige Geest." — Zo is dus, daar voor de geldigheid van het sacrament de stof onontbeerlijk is, niet het chrisma de stof van het vormsel.
B: (Acts 8:17) [b:Acts 8:17]
R: q. 72 a. 1 ad 1[t:iiia q. 72 a. 1 ad 1] q. 72 a. 1 ad 1[t:iiia q. 72 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Zoals hierboven in het 4° artikel der 65° kwestie gezegd werd, wordt het doopsel in zekere zin door het vormsel vervolmaakt, en zo moet er, daar toch het volmaakte op hetgeen vervolmaakt gelijkt, tussen beide gelijkenis bestaan. Welnu, voor het doopsel is de stof water, een eenvoudige zaak dus, en zo is het chrisma uit olie en balsem vervaardigd, voor het vormsel niet een geschikte stof.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 72 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 72 a. 4 arg. 3]
Vervolgens. Zoals hierboven in het 4° artikel der 65° kwestie gezegd werd, wordt het doopsel in zekere zin door het vormsel vervolmaakt, en zo moet er, daar toch het volmaakte op hetgeen vervolmaakt gelijkt, tussen beide gelijkenis bestaan. Welnu, voor het doopsel is de stof water, een eenvoudige zaak dus, en zo is het chrisma uit olie en balsem vervaardigd, voor het vormsel niet een geschikte stof.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 72 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 72 a. 4 arg. 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Olie wordt om te zalven als stof van het vormsel gebruikt. Nu kunnen echter verschillende oliën gebruikt worden, zo bijvoorbeeld die uit noten of ook nog uit andere zaken getrokken en zo mag men nog andere olie dan olijfolie gebruiken.
Vervolgens. Olie wordt om te zalven als stof van het vormsel gebruikt. Nu kunnen echter verschillende oliën gebruikt worden, zo bijvoorbeeld die uit noten of ook nog uit andere zaken getrokken en zo mag men nog andere olie dan olijfolie gebruiken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 2 arg. 4
Vervolgens. In het 3° Artikel der 66° Kwestie werd gezegd dat water, dat overal zo gemakkelijk te vinden is, de stof is van het doopsel. Olijfolie integendeel valt niet zo gemakkelijk overal te vinden en balsem nog veel minder. Zo is dus het chrisma dat uit die stoffen bestaat voor het vormsel geen geschikte stof.
R: q. 66 a. 3[t:iiia q. 66 a. 3]
Vervolgens. In het 3° Artikel der 66° Kwestie werd gezegd dat water, dat overal zo gemakkelijk te vinden is, de stof is van het doopsel. Olijfolie integendeel valt niet zo gemakkelijk overal te vinden en balsem nog veel minder. Zo is dus het chrisma dat uit die stoffen bestaat voor het vormsel geen geschikte stof.
R: q. 66 a. 3[t:iiia q. 66 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter wat de Heilige Gregorius zegt: "Priesters mogen de gedoopte kinderen niet met het Heilig chrisma op het voorhoofd vormen." Zo is dus het chrisma wel degelijk de stof van dit sacrament.
Daartegenover staat echter wat de Heilige Gregorius zegt: "Priesters mogen de gedoopte kinderen niet met het Heilig chrisma op het voorhoofd vormen." Zo is dus het chrisma wel degelijk de stof van dit sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 2 co.
Mijn antwoord. Het chrisma is voor dit sacrament een geschikte stof. Zoals we immers in het vorig Artikel zeiden, wordt in dit sacrament de volkomenheid van de Heilige Geest tot geestelijke kracht, die van de volmaakte wasdom deel uitmaakt, gegeven. Wanneer toch de mens tot zijn volmaakte wasdom gekomen is begint hij, terwijl hij vroeger afzonderlijk en als voor zichzelf leefde, met andere mensen in betrekking te treden. Welnu de genade van de Heilige Geest wordt door de olie verzinnebeeld; daarvandaan dat men zegt dat Christus om reden van de volkomenheid van de Heilige Geest die Hij bezat met vreugdeolie bestreken was. Zo is dus olie voor dit sacrament een geschikte stof; alleen wordt er om de goede geur die de andere mensen dan ruiken balsem mee vermengd. Daarom zegt de Apostel in de IIe Brief aan de Korinthiërs (2, 15) : "Wij zijn voor God de goede geur van Christus", en alhoewel veel andere zaken welriekend zijn, toch wordt, omdat deze een allerbeste geur heeft en omdat hij het bederf tegengaat, balsem gebruikt. Zo zegt dan ook Eccli. (24, 21) : "Mijn geur is onvermengde balsem."
B: (Ps 44:8) [b:Ps 44:8] (2Cor 2:15) [b:2Cor 2:15] (Sir 24:21) [b:Sir 24:21]
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1]
Mijn antwoord. Het chrisma is voor dit sacrament een geschikte stof. Zoals we immers in het vorig Artikel zeiden, wordt in dit sacrament de volkomenheid van de Heilige Geest tot geestelijke kracht, die van de volmaakte wasdom deel uitmaakt, gegeven. Wanneer toch de mens tot zijn volmaakte wasdom gekomen is begint hij, terwijl hij vroeger afzonderlijk en als voor zichzelf leefde, met andere mensen in betrekking te treden. Welnu de genade van de Heilige Geest wordt door de olie verzinnebeeld; daarvandaan dat men zegt dat Christus om reden van de volkomenheid van de Heilige Geest die Hij bezat met vreugdeolie bestreken was. Zo is dus olie voor dit sacrament een geschikte stof; alleen wordt er om de goede geur die de andere mensen dan ruiken balsem mee vermengd. Daarom zegt de Apostel in de IIe Brief aan de Korinthiërs (2, 15) : "Wij zijn voor God de goede geur van Christus", en alhoewel veel andere zaken welriekend zijn, toch wordt, omdat deze een allerbeste geur heeft en omdat hij het bederf tegengaat, balsem gebruikt. Zo zegt dan ook Eccli. (24, 21) : "Mijn geur is onvermengde balsem."
B: (Ps 44:8) [b:Ps 44:8] (2Cor 2:15) [b:2Cor 2:15] (Sir 24:21) [b:Sir 24:21]
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Door de waardigheidsmacht die Christus over de sacramenten bezit heeft hij aan zijn Apostelen zonder sacrament de zaak van het sacrament, de volheid van de Heilige Geest namelijk, gegeven; zij bezitten immers naar het woord van Sint Paulus (Rom. 8, 23): "De eerstelingen van de Geest". Nochtans werd ook aan de Apostelen wanneer ze de Heilige Geest ontvingen iets zintuigelijk-waarneembaars, dat met de stof van dit sacrament gelijkenis bood, gegeven. Wanneer namelijk de Heilige Geest in de vorm van vuur boven hen verscheen, gaf zulks, alhoewel het vuur meer bedrijvig optreedt dan olie die, omdat ze stof is en voedsel voor het vuur, lijdzaam blijft, hetzelfde als olie te kennen. Dit hoorde overigens ook zo want het waren de Apostelen die de genade van de Heilige Geest aan de andere mensen moesten meedelen. — De vorm van een tong waaronder de Heilige Geest op de Apostelen nederdaalde gaf verder hetzelfde als balsem te kennen; de tong stelt ons immers door de spraak, balsem integendeel door zijn geur met andere mensen in betrekking. Welnu, als geloofsleeraren waren de Apostelen vol van de Heilige Geest, de gelovigen integendeel als degenen die door hun goede werken anderen zouden stichten. — De volheid van de Heilige Geest daalde ook op de gelovigen zoals bij de handenoplegging of onder de prediking der Apostelen, juist op dezelfde wijze als bij het begin met de Apostelen gebeurd was, onder waarneembare tekenen neder. Daarom zegt de Heilige Petrus in de Handelingen (11, 15): "Toen ik begon te spreken viel de Heilige Geest over hen evenals ook over ons in het begin", en daarom was er daar, waar de goddelijke kracht op mirakuleuze wijze zintuigelijk-waarneembare dingen bewerkte, geen zintuigelijk-waarneembare stof nodig. Niettemin gebruikten echter de Apostelen over het algemeen wanneer ze dit sacrament wilden toedienen, en die zichtbare tekenen niet door God werden veroorzaakt, chrisma. Dyonisius zegt ons immers in zijn "Kerkelijke Hierarchie" (4): "Er bestaat een handeling die ons volkomenheid geeft; onze leiders, de Apostelen namelijk, noemen haar mysterie van het Chrisma."
B: (Rom 8:23) [b:Rom 8:23]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 72 a. 4 ad 1[t:iiia q. 72 a. 4 ad 1]
1e Weerlegging. Door de waardigheidsmacht die Christus over de sacramenten bezit heeft hij aan zijn Apostelen zonder sacrament de zaak van het sacrament, de volheid van de Heilige Geest namelijk, gegeven; zij bezitten immers naar het woord van Sint Paulus (Rom. 8, 23): "De eerstelingen van de Geest". Nochtans werd ook aan de Apostelen wanneer ze de Heilige Geest ontvingen iets zintuigelijk-waarneembaars, dat met de stof van dit sacrament gelijkenis bood, gegeven. Wanneer namelijk de Heilige Geest in de vorm van vuur boven hen verscheen, gaf zulks, alhoewel het vuur meer bedrijvig optreedt dan olie die, omdat ze stof is en voedsel voor het vuur, lijdzaam blijft, hetzelfde als olie te kennen. Dit hoorde overigens ook zo want het waren de Apostelen die de genade van de Heilige Geest aan de andere mensen moesten meedelen. — De vorm van een tong waaronder de Heilige Geest op de Apostelen nederdaalde gaf verder hetzelfde als balsem te kennen; de tong stelt ons immers door de spraak, balsem integendeel door zijn geur met andere mensen in betrekking. Welnu, als geloofsleeraren waren de Apostelen vol van de Heilige Geest, de gelovigen integendeel als degenen die door hun goede werken anderen zouden stichten. — De volheid van de Heilige Geest daalde ook op de gelovigen zoals bij de handenoplegging of onder de prediking der Apostelen, juist op dezelfde wijze als bij het begin met de Apostelen gebeurd was, onder waarneembare tekenen neder. Daarom zegt de Heilige Petrus in de Handelingen (11, 15): "Toen ik begon te spreken viel de Heilige Geest over hen evenals ook over ons in het begin", en daarom was er daar, waar de goddelijke kracht op mirakuleuze wijze zintuigelijk-waarneembare dingen bewerkte, geen zintuigelijk-waarneembare stof nodig. Niettemin gebruikten echter de Apostelen over het algemeen wanneer ze dit sacrament wilden toedienen, en die zichtbare tekenen niet door God werden veroorzaakt, chrisma. Dyonisius zegt ons immers in zijn "Kerkelijke Hierarchie" (4): "Er bestaat een handeling die ons volkomenheid geeft; onze leiders, de Apostelen namelijk, noemen haar mysterie van het Chrisma."
B: (Rom 8:23) [b:Rom 8:23]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 72 a. 4 ad 1[t:iiia q. 72 a. 4 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Het doopsel is er op berekend zonder meer het geestelijke leven te schenken, en daarom wordt daartoe een enkelvoudige stof gebruikt. Het vormsel daarentegen schenkt ons de volheid van de Heilige Geest, wiens werking naar de woorden uit het Boek der Wijsheid (7, 22) veelzijdig is: "In de Wijsheid is een geest van verstand, heilig, enig en veelzijdig." En Sint Paulus schrijft in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 4): Verscheidene gaven zijn er, doch er is maar één en dezelfde geest. Zo moet dus ook de stof van dit sacrament uit verschillende zaken samengesteld zijn.
B: (Acts 11:15) [b:Acts 11:15]
2e Weerlegging. Het doopsel is er op berekend zonder meer het geestelijke leven te schenken, en daarom wordt daartoe een enkelvoudige stof gebruikt. Het vormsel daarentegen schenkt ons de volheid van de Heilige Geest, wiens werking naar de woorden uit het Boek der Wijsheid (7, 22) veelzijdig is: "In de Wijsheid is een geest van verstand, heilig, enig en veelzijdig." En Sint Paulus schrijft in zijn Eerste Brief aan de Korinthiërs (12, 4): Verscheidene gaven zijn er, doch er is maar één en dezelfde geest. Zo moet dus ook de stof van dit sacrament uit verschillende zaken samengesteld zijn.
B: (Acts 11:15) [b:Acts 11:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De eigenschappen van de olie waardoor men de Heilige Geest wil te kennen geven vinden we beter in olijfolie dan in andere oliën terug. De olijfboom met zijn groene bladeren verzinnebeeldt nl. de kracht en de barmhartigheid van de Heilige Geest. Daarbij wordt als men van olie spreekt, gewoonlijk olijfolie bedoeld, en daar waar ze te vinden is wordt meestal ook olijfolie gebruikt. Andere vloeistoffen integendeel noemt men alleen olie in de mate waarin ze op olijfolie gelijken, en worden enkel daar gebruikt waar olijfolie ontbreekt. Daarom dan wordt bij het vormsel zoals tevens ook bij de andere sacramenten alleen olijfolie gebruikt.
3e Weerlegging. De eigenschappen van de olie waardoor men de Heilige Geest wil te kennen geven vinden we beter in olijfolie dan in andere oliën terug. De olijfboom met zijn groene bladeren verzinnebeeldt nl. de kracht en de barmhartigheid van de Heilige Geest. Daarbij wordt als men van olie spreekt, gewoonlijk olijfolie bedoeld, en daar waar ze te vinden is wordt meestal ook olijfolie gebruikt. Andere vloeistoffen integendeel noemt men alleen olie in de mate waarin ze op olijfolie gelijken, en worden enkel daar gebruikt waar olijfolie ontbreekt. Daarom dan wordt bij het vormsel zoals tevens ook bij de andere sacramenten alleen olijfolie gebruikt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. Het doopsel is voor de zaligheid volstrekt onontbeerlijk en daarom dient de stof van het doopsel overal te vinden te zijn. Voor het vormsel daarentegen was het, daar het sacrament niet even onontbeerlijk is, voldoende dat de stof naar alle werelddelen kan worden overgevoerd.
B: (1Cor 12:4) [b:1Cor 12:4] (Wis 7:22) [b:Wis 7:22]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 72 a. 12 arg. 1[t:iiia q. 72 a. 12 arg. 1]
4e Weerlegging. Het doopsel is voor de zaligheid volstrekt onontbeerlijk en daarom dient de stof van het doopsel overal te vinden te zijn. Voor het vormsel daarentegen was het, daar het sacrament niet even onontbeerlijk is, voldoende dat de stof naar alle werelddelen kan worden overgevoerd.
B: (1Cor 12:4) [b:1Cor 12:4] (Wis 7:22) [b:Wis 7:22]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 72 a. 12 arg. 1[t:iiia q. 72 a. 12 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is het voor de geldigheid van dit Sacrament nodig dat het chrisma eerst door de bisschop zou gewijd worden?
IIIa q. 72 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert dat tot de geldigheid van dit sacrament niet vereischt wordt dat het Chrisma eerst door de bisschop zou gewijd worden. Het doopsel dat ons volledige vergiffenis van zonden schenkt, is niet minder krachtig dan het vormsel. Welnu, alhoewel het water vóór het vormsel gewijd wordt, wordt zulks voor de geldigheid niet vereischt, in nood toch mag die wijding worden overgeslagen. Zo wordt dus evenmin hier tot de geldigheid vereischt dat het Chrisma eerst door de bisschop zou worden gewijd.
Over het derde als volgt. Men beweert dat tot de geldigheid van dit sacrament niet vereischt wordt dat het Chrisma eerst door de bisschop zou gewijd worden. Het doopsel dat ons volledige vergiffenis van zonden schenkt, is niet minder krachtig dan het vormsel. Welnu, alhoewel het water vóór het vormsel gewijd wordt, wordt zulks voor de geldigheid niet vereischt, in nood toch mag die wijding worden overgeslagen. Zo wordt dus evenmin hier tot de geldigheid vereischt dat het Chrisma eerst door de bisschop zou worden gewijd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Hetzelfde moet niet tweemaal gewijd worden. Welnu, de stof van het sacrament wordt bij de toediening zelf, door de vorm der woorden waardoor de mensen de sacramenten ont- vangen, geheiligd. Daarvandaan dat de Heilige Augustinus zegt (80e Traktaat op Joannes) : "Het woord wordt met het element verenigd, en het sacrament ontstaat." Zo moet dus het chrisma niet vooraleer men het sacrament toedient gewijd worden.
Vervolgens. Hetzelfde moet niet tweemaal gewijd worden. Welnu, de stof van het sacrament wordt bij de toediening zelf, door de vorm der woorden waardoor de mensen de sacramenten ont- vangen, geheiligd. Daarvandaan dat de Heilige Augustinus zegt (80e Traktaat op Joannes) : "Het woord wordt met het element verenigd, en het sacrament ontstaat." Zo moet dus het chrisma niet vooraleer men het sacrament toedient gewijd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 3 arg. 3
Vervolgens. De wijdingen die omtrent de sacramenten geschieden zijn er op berekend genade te verlenen. Welnu, zintuigelijk-waarneembare stof uit olie en balsem kan geen genade ontvangen. Zo behoort dus die stof niet gewijd te worden.
Vervolgens. De wijdingen die omtrent de sacramenten geschieden zijn er op berekend genade te verlenen. Welnu, zintuigelijk-waarneembare stof uit olie en balsem kan geen genade ontvangen. Zo behoort dus die stof niet gewijd te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter dat paus Innocentius het volgende zegt (De Consecr. Dist. IV, Cap. 119, Presbyteris) : "Het is de priesters toegelaten, wanneer ze dopen, de dopelingen met het chrisma dat door de bisschop gewijd werd te zalven. Alleen mogen ze niet op het voorhoofd balsemen, dit blijft immers de bisschoppen wanneer ze de Heilige Geest geven voorbehouden." Dit nu geschiedt bij het vormsel en zo dient dus bij dit sacrament chrisma dat door de bisschop gewijd werd gebruikt te worden.
Daartegenover staat echter dat paus Innocentius het volgende zegt (De Consecr. Dist. IV, Cap. 119, Presbyteris) : "Het is de priesters toegelaten, wanneer ze dopen, de dopelingen met het chrisma dat door de bisschop gewijd werd te zalven. Alleen mogen ze niet op het voorhoofd balsemen, dit blijft immers de bisschoppen wanneer ze de Heilige Geest geven voorbehouden." Dit nu geschiedt bij het vormsel en zo dient dus bij dit sacrament chrisma dat door de bisschop gewijd werd gebruikt te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 3 co.
Mijn antwoord. De heiligmaking die door de sacramenten geschiedt, heeft, zoals we in het 3e Artikel der 64e Kwestie zeiden, haar oorsprong in Christus. Nochtans er moet op gewezen worden dat Christus sommige sacramenten, die een zintuigelijk-waarneembare stof hadden het doopsel namelijk en de Eucharistie, heeft toegediend, en zo heeft die stof door het gebruik dat Christus er van maakte de noodige geschiktheid gekregen om bij de sacramenten als stof te dienen. Daarom zegt Chrysostomus in zijn Commentaar op Mt. (3) : "De wateren zouden bij het doopsel nooit de kracht gehad hebben de gelovigen van hun zonden te reinigen waren ze niet door de aanraking van Christus’ lichaam geheiligd geworden." Evenzo heeft Christus, wanneer Hij het brood nam en ook wanneer Hij de kelk nam, zoals bij Mattheus (26) en Lucas (22) staat, zelf gezegend. Daarom dan wordt niet tot de geldigheid vereist dat de elementen zouden gezegend worden, de zegen van Christus zelf is hier immers voldoende. Als dit alles niettemin gezegend wordt, dan is het niet omdat het nodig is, maar wel om alles meer plechtigheid bij te zetten. Jezus-Christus echter heeft om geen afbreuk te doen aan de onzichtbare wijding, waardoor Hij boven al zijn gezellen (Ps. 44-10) gezegend was, voor zichzelf nooit zichtbare wijdingen willen gebruiken, en daarom moet het Chrisma evenals ook de olie voor de zieken vooraleer men ze gebruikt, gezegend worden.
B: (Ps 44:8) [b:Ps 44:8] (Matt 3:15) [b:Matt 3:15] (Matt 26:26) [b:Matt 26:26] (Matt 26:27) [b:Matt 26:27] (Luke 22:19) [b:Luke 22:19] (Luke 22:20) [b:Luke 22:20]
R: q. 64 a. 3[t:iiia q. 64 a. 3]
Mijn antwoord. De heiligmaking die door de sacramenten geschiedt, heeft, zoals we in het 3e Artikel der 64e Kwestie zeiden, haar oorsprong in Christus. Nochtans er moet op gewezen worden dat Christus sommige sacramenten, die een zintuigelijk-waarneembare stof hadden het doopsel namelijk en de Eucharistie, heeft toegediend, en zo heeft die stof door het gebruik dat Christus er van maakte de noodige geschiktheid gekregen om bij de sacramenten als stof te dienen. Daarom zegt Chrysostomus in zijn Commentaar op Mt. (3) : "De wateren zouden bij het doopsel nooit de kracht gehad hebben de gelovigen van hun zonden te reinigen waren ze niet door de aanraking van Christus’ lichaam geheiligd geworden." Evenzo heeft Christus, wanneer Hij het brood nam en ook wanneer Hij de kelk nam, zoals bij Mattheus (26) en Lucas (22) staat, zelf gezegend. Daarom dan wordt niet tot de geldigheid vereist dat de elementen zouden gezegend worden, de zegen van Christus zelf is hier immers voldoende. Als dit alles niettemin gezegend wordt, dan is het niet omdat het nodig is, maar wel om alles meer plechtigheid bij te zetten. Jezus-Christus echter heeft om geen afbreuk te doen aan de onzichtbare wijding, waardoor Hij boven al zijn gezellen (Ps. 44-10) gezegend was, voor zichzelf nooit zichtbare wijdingen willen gebruiken, en daarom moet het Chrisma evenals ook de olie voor de zieken vooraleer men ze gebruikt, gezegend worden.
B: (Ps 44:8) [b:Ps 44:8] (Matt 3:15) [b:Matt 3:15] (Matt 26:26) [b:Matt 26:26] (Matt 26:27) [b:Matt 26:27] (Luke 22:19) [b:Luke 22:19] (Luke 22:20) [b:Luke 22:20]
R: q. 64 a. 3[t:iiia q. 64 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. De eerste tegenwerping werd reeds door de leerstelling weerlegd.
1e Weerlegging. De eerste tegenwerping werd reeds door de leerstelling weerlegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Die twee wijdingen van het chrisma zijn niet op hetzelfde aangewezen; zoals immers een werktuig op dubbele wijze werktuigelijke kracht ontvangt, wanneer het namelijk eigenlijk werktuig wordt en wanneer het door de hoofdoorzaak tot zijn uitwerksel bewogen wordt, zo ook heeft de stof van het sacrament een dubbele wijding van doen, een waardoor ze de eigenlijke stof van het sacrament wordt, een andere waardoor ze in werking treedt.
2e Weerlegging. Die twee wijdingen van het chrisma zijn niet op hetzelfde aangewezen; zoals immers een werktuig op dubbele wijze werktuigelijke kracht ontvangt, wanneer het namelijk eigenlijk werktuig wordt en wanneer het door de hoofdoorzaak tot zijn uitwerksel bewogen wordt, zo ook heeft de stof van het sacrament een dubbele wijding van doen, een waardoor ze de eigenlijke stof van het sacrament wordt, een andere waardoor ze in werking treedt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Een stoffelijk lichaam kan niet als subject der genade, maar wel, zoals we hierboven in het 1° en 3° artikel der 62° kwestie zeiden, als werktuig der genade genade ontvangen, en daarom wordt de stof van de sacramenten door Christus of door de bisschop, die in de plaats van Christus optreedt, gezegend.
R: q. 62 a. 3[t:iiia q. 62 a. 3]
3e Weerlegging. Een stoffelijk lichaam kan niet als subject der genade, maar wel, zoals we hierboven in het 1° en 3° artikel der 62° kwestie zeiden, als werktuig der genade genade ontvangen, en daarom wordt de stof van de sacramenten door Christus of door de bisschop, die in de plaats van Christus optreedt, gezegend.
R: q. 62 a. 3[t:iiia q. 62 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Zijn de woorden : "Ik teken u met het teken van het kruis enz." voor het vormsel wel een geschikte vorm?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 72 a. 7 co.
IIIa q. 72 a. 9 arg. 2
IIIa q. 72 a. 9 co.
IIIa q. 72 a. 10 co.[t:iiia q. 72 a. 7 co.][t:iiia q. 72 a. 9 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 9 co.][t:iiia q. 72 a. 10 co.]
IIIa q. 72 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat de woorden "Ik teken u met het teken van het kruis en ik vorm u met het chrisma der zaligheid in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes", voor het vormsel niet een geschikte vorm zijn. Het gebruik van de sacramenten is van Christus en de Apostelen tot ons gekomen. Welnu Christus heeft die vorm niet ingesteld, en de Apostelen hebben hem niet gebruikt. Zo past een dergelijke vorm dus niet voor het vormsel.
IIIa q. 72 a. 7 co.
IIIa q. 72 a. 9 arg. 2
IIIa q. 72 a. 9 co.
IIIa q. 72 a. 10 co.[t:iiia q. 72 a. 7 co.][t:iiia q. 72 a. 9 arg. 2][t:iiia q. 72 a. 9 co.][t:iiia q. 72 a. 10 co.]
IIIa q. 72 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert dat de woorden "Ik teken u met het teken van het kruis en ik vorm u met het chrisma der zaligheid in de naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes", voor het vormsel niet een geschikte vorm zijn. Het gebruik van de sacramenten is van Christus en de Apostelen tot ons gekomen. Welnu Christus heeft die vorm niet ingesteld, en de Apostelen hebben hem niet gebruikt. Zo past een dergelijke vorm dus niet voor het vormsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Indien dit sacrament voor allen hetzelfde is, dan moet het ook voor allen dezelfde vorm hebben. Alles betrekt immers zijn eenheid en zijn wezenheid van zijn vorm. Welnu de vorm van het vormsel is niet overal dezelfde; sommigen immers zeggen: "Ik vorm u met het chrisma der heiligmaking" en zo is bewuste vorm voor het vormsel dus niet geschikt.
Vervolgens. Indien dit sacrament voor allen hetzelfde is, dan moet het ook voor allen dezelfde vorm hebben. Alles betrekt immers zijn eenheid en zijn wezenheid van zijn vorm. Welnu de vorm van het vormsel is niet overal dezelfde; sommigen immers zeggen: "Ik vorm u met het chrisma der heiligmaking" en zo is bewuste vorm voor het vormsel dus niet geschikt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 4 arg. 3
Vervolgens. In het 2e Artikel werd gezegd dat net als er tussen de volmaaktheid en hetgeen er te vervolmaken valt gelijkenis bestaat, het vormsel met het doopsel moet gelijkenis vertonen. Welnu in de vorm van het doopsel wordt noch van het merkteken noch, alhoewel de mens door het doopsel, zoals de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen 6 schrijft, samen met Christus sterft, van het kruis van Christus, noch van de zaligheid, melding gemaakt, en toch is het doopsel voor de zaligheid onontbeerlijk. In de vorm van het doopsel wordt immers van de persoon die doopt gesproken. Men zegt namelijk "Ik doop u"; welnu in de vorm van het vormsel wordt het tegendeel uitgedrukt, en zo is dus bewuste vorm niet passend.
B: (Rom 6:3-8) [b:Rom 6:3-8]
R: q. 72 a. 2 Arg. 2[t:iiia q. 72 a. 2 arg. 2]
Vervolgens. In het 2e Artikel werd gezegd dat net als er tussen de volmaaktheid en hetgeen er te vervolmaken valt gelijkenis bestaat, het vormsel met het doopsel moet gelijkenis vertonen. Welnu in de vorm van het doopsel wordt noch van het merkteken noch, alhoewel de mens door het doopsel, zoals de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen 6 schrijft, samen met Christus sterft, van het kruis van Christus, noch van de zaligheid, melding gemaakt, en toch is het doopsel voor de zaligheid onontbeerlijk. In de vorm van het doopsel wordt immers van de persoon die doopt gesproken. Men zegt namelijk "Ik doop u"; welnu in de vorm van het vormsel wordt het tegendeel uitgedrukt, en zo is dus bewuste vorm niet passend.
B: (Rom 6:3-8) [b:Rom 6:3-8]
R: q. 72 a. 2 Arg. 2[t:iiia q. 72 a. 2 arg. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 4 s. c.
Daartegen echter staat het gezag der Heilige Kerk die deze vorm heeft goedgekeurd.
Daartegen echter staat het gezag der Heilige Kerk die deze vorm heeft goedgekeurd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 4 co.
Mijn antwoord. Bewuste vorm past volkomen bij dit sacrament. Zoals immers de vorm der dingen uit de natuurlijke orde elk van deze zijn eigen aard schenkt, zo ook moet de vorm der sacramenten alles wat in de natuur van een bepaald sacrament ligt te kennen geven. Zoals nu uit het voorgaande, uit het 1e Artikel namelijk blijkt, wordt in dit sacrament om de mens voor de geestelijke strijd uit te rusten, de Heilige Geest geschonken. Daarom dan dienen voor dit sacrament drie bestanddelen in de vorm te worden te kennen gegeven. Het eerste is de oorzaak die ons de volheid der geestelijke sterkte geeft, de Heilige Geest namelijk, en deze wordt wanneer we zeggen: "In de naam des Vaders des Zoons en des Heiligen Geestes" vermeld; het tweede is de geestelijke kracht die de mens met behulp van die zintuigelijk-waarneembare stof tot zijn zaligheid gegeven wordt, en deze wordt vermeld wanneer gezegd wordt: "Ik vorm u met het chrisma der zaligheid". Het derde eindelijk is het teken dat, zoals bij lichamelijke strijd soldaten met het teken van hun oversten getekend worden, aan de strijder gegeven wordt. Daarom dan wordt gezegd: "Ik teken u met het teken van het kruis", waardoor namelijk, zoals in de Brief aan de Colossenzen (2, 14) geschreven staat, onze koning overwonnen heeft.
B: (Col 2:15) [b:Col 2:15]
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 72 a. 2[t:iiia q. 72 a. 2]
Mijn antwoord. Bewuste vorm past volkomen bij dit sacrament. Zoals immers de vorm der dingen uit de natuurlijke orde elk van deze zijn eigen aard schenkt, zo ook moet de vorm der sacramenten alles wat in de natuur van een bepaald sacrament ligt te kennen geven. Zoals nu uit het voorgaande, uit het 1e Artikel namelijk blijkt, wordt in dit sacrament om de mens voor de geestelijke strijd uit te rusten, de Heilige Geest geschonken. Daarom dan dienen voor dit sacrament drie bestanddelen in de vorm te worden te kennen gegeven. Het eerste is de oorzaak die ons de volheid der geestelijke sterkte geeft, de Heilige Geest namelijk, en deze wordt wanneer we zeggen: "In de naam des Vaders des Zoons en des Heiligen Geestes" vermeld; het tweede is de geestelijke kracht die de mens met behulp van die zintuigelijk-waarneembare stof tot zijn zaligheid gegeven wordt, en deze wordt vermeld wanneer gezegd wordt: "Ik vorm u met het chrisma der zaligheid". Het derde eindelijk is het teken dat, zoals bij lichamelijke strijd soldaten met het teken van hun oversten getekend worden, aan de strijder gegeven wordt. Daarom dan wordt gezegd: "Ik teken u met het teken van het kruis", waardoor namelijk, zoals in de Brief aan de Colossenzen (2, 14) geschreven staat, onze koning overwonnen heeft.
B: (Col 2:15) [b:Col 2:15]
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 72 a. 2[t:iiia q. 72 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Zoals hierboven in het 2e Artikel dezer kwestie (Antw. op de eerste bedenking) werd voorgehouden, werd soms door de apostelen de volheid van de Heilige Geest met wonderbare tekenen van God, die de genade van het sacrament zonder sacrament kan schenken, uitgereikt. In dergelijke gevallen was noch de gewone vorm noch de gewone stof voor dit sacrament onontbeerlijk. Het gebeurde echter ook dat de apostelen als bedienaars het sacrament toedienden, en dan gebruikten ze de stof en de vorm die Christus had ingesteld; de apostelen namen immers bij de bediening van de sacramenten veel in acht dat meestal niet in de Heilige Schrift staat opgetekend. Daarvandaan dat Dionysius bij het einde van zijn kerkelijke hiërarchie het volgende zegt: "Het is de Schriftuurverklaarders niet toegelaten de heiligmakende aanroepingen waardoor de sacramenten tot stand komen openbaar te maken, dit zo wat haar mystieke kracht als wat haar uitwerkselen, die Gods kracht er door verwerkt, betreft; integendeel moeten onze overleveringen in het geheim en zonder praalvertoon onderwezen worden. Daarvan zegt de apostel in de 1ste brief aan de Korinthiërs (11, 34) : "De overige zaken zal ik regelen als ik kom."
B: (1Cor 11:34) [b:1Cor 11:34]
R: q. 72 a. 2 ad 1[t:iiia q. 72 a. 2 ad 1]
1e Weerlegging. Zoals hierboven in het 2e Artikel dezer kwestie (Antw. op de eerste bedenking) werd voorgehouden, werd soms door de apostelen de volheid van de Heilige Geest met wonderbare tekenen van God, die de genade van het sacrament zonder sacrament kan schenken, uitgereikt. In dergelijke gevallen was noch de gewone vorm noch de gewone stof voor dit sacrament onontbeerlijk. Het gebeurde echter ook dat de apostelen als bedienaars het sacrament toedienden, en dan gebruikten ze de stof en de vorm die Christus had ingesteld; de apostelen namen immers bij de bediening van de sacramenten veel in acht dat meestal niet in de Heilige Schrift staat opgetekend. Daarvandaan dat Dionysius bij het einde van zijn kerkelijke hiërarchie het volgende zegt: "Het is de Schriftuurverklaarders niet toegelaten de heiligmakende aanroepingen waardoor de sacramenten tot stand komen openbaar te maken, dit zo wat haar mystieke kracht als wat haar uitwerkselen, die Gods kracht er door verwerkt, betreft; integendeel moeten onze overleveringen in het geheim en zonder praalvertoon onderwezen worden. Daarvan zegt de apostel in de 1ste brief aan de Korinthiërs (11, 34) : "De overige zaken zal ik regelen als ik kom."
B: (1Cor 11:34) [b:1Cor 11:34]
R: q. 72 a. 2 ad 1[t:iiia q. 72 a. 2 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Heiligheid is de oorzaak onzer zaligheid en daarom komt te zeggen "chrisma der zaligheid" op hetzelfde neer als te zeggen "chrisma der heiligmaking".
2e Weerlegging. Heiligheid is de oorzaak onzer zaligheid en daarom komt te zeggen "chrisma der zaligheid" op hetzelfde neer als te zeggen "chrisma der heiligmaking".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Het doopsel is de wedergeboorte tot het geestelijke leven waardoor de mens in zichzelf leeft, en daarom spreekt men in de vorm van het doopsel slechts van een enkele daad die met de heiligmaking van de mens betrekking heeft. Het vormsel integendeel is er niet alleen op berekend de mens in zichzelf te heiligen, maar ook en vooral hem tot de uitwendige strijd die hij zal moeten doorstaan uit te rusten. Daarom dan wordt niet alleen van de innerlijke heiligmaking gesproken zoals geschiedt bij de woorden: "Ik vorm u met het chrisma der zaligheid", maar ook van het teken des kruises, waardoor de mens uitwendig wordt uitgerust tot de geestelijke strijd. Dit nu wordt uitgedrukt, wanneer men zegt: "Ik teken u met het teken van het kruis". Verder kunnen in het woord: "dopen" dat wassing betekent, de stof die het wassende water is, en het uitwerksel begrepen worden nl. de zaligheid. In het woord "Ik vorm u" integendeel liggen stof en uitwerksel niet besloten, en daarom dienen ze nog te worden te kennen gegeven. Hierboven zeiden we ook dat het voor de geldigheid van het doopsel niet vereist wordt, het ligt immers in het Latijn reeds in de eerste persoon van het werkwoord besloten, en wordt dan ook alleen om het opzet duidelijk te kennen te geven eraan toegevoegd, bij het vormsel daarentegen is zulks daar, zoals we in het 11e Artikel zullen aantonen, het vormsel alleen door hoogstaande bedienaars wordt toegediend, niet zo noodzakelijk.
R: q. 66 a. 5 ad 1[t:iiia q. 66 a. 5 ad 1] q. 72 a. 11[t:iiia q. 72 a. 11]
3e Weerlegging. Het doopsel is de wedergeboorte tot het geestelijke leven waardoor de mens in zichzelf leeft, en daarom spreekt men in de vorm van het doopsel slechts van een enkele daad die met de heiligmaking van de mens betrekking heeft. Het vormsel integendeel is er niet alleen op berekend de mens in zichzelf te heiligen, maar ook en vooral hem tot de uitwendige strijd die hij zal moeten doorstaan uit te rusten. Daarom dan wordt niet alleen van de innerlijke heiligmaking gesproken zoals geschiedt bij de woorden: "Ik vorm u met het chrisma der zaligheid", maar ook van het teken des kruises, waardoor de mens uitwendig wordt uitgerust tot de geestelijke strijd. Dit nu wordt uitgedrukt, wanneer men zegt: "Ik teken u met het teken van het kruis". Verder kunnen in het woord: "dopen" dat wassing betekent, de stof die het wassende water is, en het uitwerksel begrepen worden nl. de zaligheid. In het woord "Ik vorm u" integendeel liggen stof en uitwerksel niet besloten, en daarom dienen ze nog te worden te kennen gegeven. Hierboven zeiden we ook dat het voor de geldigheid van het doopsel niet vereist wordt, het ligt immers in het Latijn reeds in de eerste persoon van het werkwoord besloten, en wordt dan ook alleen om het opzet duidelijk te kennen te geven eraan toegevoegd, bij het vormsel daarentegen is zulks daar, zoals we in het 11e Artikel zullen aantonen, het vormsel alleen door hoogstaande bedienaars wordt toegediend, niet zo noodzakelijk.
R: q. 66 a. 5 ad 1[t:iiia q. 66 a. 5 ad 1] q. 72 a. 11[t:iiia q. 72 a. 11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Prent het Sacrament van het vormsel de ziel een merkteken in?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 72 a. 10 co.[t:iiia q. 72 a. 10 co.]
IIIa q. 72 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat het sacrament van het vormsel de ziel geen merkteken inprint. Een merkteken is een onderscheidingsteken. Welnu, het vormsel onderscheidt een gevormde niet van de ongelovigen, dit toch geschiedt door het doopsel. Evenmin onderscheidt het een gevormde van andere gelovigen; dit sacrament immers rust de mens uit tot de geestelijke strijd, die alle gelovigen aangaat. Zo wordt dus door dit sacrament geen merkteken ingeprent.
IIIa q. 72 a. 10 co.[t:iiia q. 72 a. 10 co.]
IIIa q. 72 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert dat het sacrament van het vormsel de ziel geen merkteken inprint. Een merkteken is een onderscheidingsteken. Welnu, het vormsel onderscheidt een gevormde niet van de ongelovigen, dit toch geschiedt door het doopsel. Evenmin onderscheidt het een gevormde van andere gelovigen; dit sacrament immers rust de mens uit tot de geestelijke strijd, die alle gelovigen aangaat. Zo wordt dus door dit sacrament geen merkteken ingeprent.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Hierboven werd gezegd dat het merkteken een geestelijk vermogen is (in het 2° Artikel der 63° Kwestie). Een vermogen nu is van bedrijvenden of van lijdenden aard. Een bedrijvig vermogen wordt de mens door het sacrament van het priesterschap geschonken. Een lijdend of ontvangend vermogen daarentegen door het sacrament van het doopsel. Zo kan dus het sacrament van het vormsel niet meer een tweede merkteken inprinten.
R: q. 63 a. 2[t:iiia q. 63 a. 2]
Vervolgens. Hierboven werd gezegd dat het merkteken een geestelijk vermogen is (in het 2° Artikel der 63° Kwestie). Een vermogen nu is van bedrijvenden of van lijdenden aard. Een bedrijvig vermogen wordt de mens door het sacrament van het priesterschap geschonken. Een lijdend of ontvangend vermogen daarentegen door het sacrament van het doopsel. Zo kan dus het sacrament van het vormsel niet meer een tweede merkteken inprinten.
R: q. 63 a. 2[t:iiia q. 63 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Bij de besnijdenis die een lichamelijk merkteken is, wordt geen geestelijk merkteken ingeprent. Welnu, bij het vormsel wordt, wanneer de mens op het voorhoofd door het teken van het heilig Kruis getekend wordt, een lichamelijk merkteken ingeprent. Zo wordt dus door dit sacrament geen geestelijk merkteken ingeprent.
Vervolgens. Bij de besnijdenis die een lichamelijk merkteken is, wordt geen geestelijk merkteken ingeprent. Welnu, bij het vormsel wordt, wanneer de mens op het voorhoofd door het teken van het heilig Kruis getekend wordt, een lichamelijk merkteken ingeprent. Zo wordt dus door dit sacrament geen geestelijk merkteken ingeprent.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter dat elk sacrament dat niet mag worden hernieuwd een merkteken inprint. Welnu het vormsel wordt niet hernieuwd. Paus Gregorius zegt (III, 4. Briev. aan Bonifacius) immers dat "de mens die door de bisschop gevormd wordt niet andermaal mag gevormd worden". Zo print dus het vormsel een merkteken in.
Daartegenover staat echter dat elk sacrament dat niet mag worden hernieuwd een merkteken inprint. Welnu het vormsel wordt niet hernieuwd. Paus Gregorius zegt (III, 4. Briev. aan Bonifacius) immers dat "de mens die door de bisschop gevormd wordt niet andermaal mag gevormd worden". Zo print dus het vormsel een merkteken in.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zoals we hierboven in de 63e Kwestie, 1e Artikel gezegd hebben is het merkteken een geestelijk vermogen dat ons in staat stelt vrome daden te stellen. Hierboven zeiden we reeds in het eerste Artikel dezer kwestie dat, evenals in het christelijk leven het doopsel een geestelijke wedergeboorte is, evenzo het vormsel op een geestelijke wasdom, waardoor de mens tot de volkomenheid van het geestelijk leven uitgroeit, neerkomt. Bij vergelijking met het lichamelijke leven blijkt immers al dadelijk dat een mens wanneer hij even geboren werd anders te werk gaat dan wanneer hij reeds de mannenjaren heeft bereikt. Daarom dan wordt door het sacrament van het vormsel aan de mens een geestelijke macht geschonken om sommige daden te stellen die hij, alleen met de krachten die hem bij het doopsel gegeven werden, niet had kunnen stellen. Bij het doopsel toch krijgt de mens macht om hetgeen, in zover hij aan zich beschouwd wordt, voor zijn zaligheid noodig is, te kunnen doen; bij het vormsel daarentegen krijgt hij macht om tegen de vijanden van het geloof te strijden. Dit blijkt overigens uit het leven van de Apostelen, die vóór de komst van de Heilige Geest in het Cenakel met bidden volhielden, en naderhand buiten kwamen en niet meer vreesden in het openbaar, ja zelfs tegenover de vijanden van het christelijk geloof, dit geloof te belijden. Zo is het dan zeker dat door dit sacrament van het vormsel een merkteken wordt ingeprent.
B: (Acts 1:13) [b:Acts 1:13] (Acts 1:14) [b:Acts 1:14]
R: q. 63 a. 2[t:iiia q. 63 a. 2] q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1] q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals we hierboven in de 63e Kwestie, 1e Artikel gezegd hebben is het merkteken een geestelijk vermogen dat ons in staat stelt vrome daden te stellen. Hierboven zeiden we reeds in het eerste Artikel dezer kwestie dat, evenals in het christelijk leven het doopsel een geestelijke wedergeboorte is, evenzo het vormsel op een geestelijke wasdom, waardoor de mens tot de volkomenheid van het geestelijk leven uitgroeit, neerkomt. Bij vergelijking met het lichamelijke leven blijkt immers al dadelijk dat een mens wanneer hij even geboren werd anders te werk gaat dan wanneer hij reeds de mannenjaren heeft bereikt. Daarom dan wordt door het sacrament van het vormsel aan de mens een geestelijke macht geschonken om sommige daden te stellen die hij, alleen met de krachten die hem bij het doopsel gegeven werden, niet had kunnen stellen. Bij het doopsel toch krijgt de mens macht om hetgeen, in zover hij aan zich beschouwd wordt, voor zijn zaligheid noodig is, te kunnen doen; bij het vormsel daarentegen krijgt hij macht om tegen de vijanden van het geloof te strijden. Dit blijkt overigens uit het leven van de Apostelen, die vóór de komst van de Heilige Geest in het Cenakel met bidden volhielden, en naderhand buiten kwamen en niet meer vreesden in het openbaar, ja zelfs tegenover de vijanden van het christelijk geloof, dit geloof te belijden. Zo is het dan zeker dat door dit sacrament van het vormsel een merkteken wordt ingeprent.
B: (Acts 1:13) [b:Acts 1:13] (Acts 1:14) [b:Acts 1:14]
R: q. 63 a. 2[t:iiia q. 63 a. 2] q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1] q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De geestelijke strijd tegen onzichtbare vijanden moet door iedereen gestreden worden, maar de strijd tegen zichtbare vijanden, tegen de vervolgers der Heilige Kerk, met namelijk openlijk de naam van Christus te belijden, is voor gevormde christenen, die geestelijker wijze reeds tot de rijpheid der mannenjaren gekomen zijn, weggelegd. Sint Joannes zegt immers in zijn *I^{en} Brief* (2, 14) : "Ik heb u geschreven, jongelingen, omdat ge sterk zijt en het woord Gods in u blijft en gij de boze overwonnen hebt." Zo is dus het merkteken van het vormsel een teken niet om gelovigen uit ongelovigen te onderkennen, maar om degenen die in geestelijk opzicht reeds volwassen zijn uit degenen tot wie het woord uit de *I^{en} Brief* van Sint Petrus (2, 2) : "als pasgeboren kinderkens" gericht werd, te onderkennen.
B: (1Pet 2:2) [b:1Pet 2:2] (1John 2:14) [b:1John 2:14]
1e Weerlegging. De geestelijke strijd tegen onzichtbare vijanden moet door iedereen gestreden worden, maar de strijd tegen zichtbare vijanden, tegen de vervolgers der Heilige Kerk, met namelijk openlijk de naam van Christus te belijden, is voor gevormde christenen, die geestelijker wijze reeds tot de rijpheid der mannenjaren gekomen zijn, weggelegd. Sint Joannes zegt immers in zijn *I^{en} Brief* (2, 14) : "Ik heb u geschreven, jongelingen, omdat ge sterk zijt en het woord Gods in u blijft en gij de boze overwonnen hebt." Zo is dus het merkteken van het vormsel een teken niet om gelovigen uit ongelovigen te onderkennen, maar om degenen die in geestelijk opzicht reeds volwassen zijn uit degenen tot wie het woord uit de *I^{en} Brief* van Sint Petrus (2, 2) : "als pasgeboren kinderkens" gericht werd, te onderkennen.
B: (1Pet 2:2) [b:1Pet 2:2] (1John 2:14) [b:1John 2:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Iedere sacrament is een geloofsbelijdenis. Zoals nu een gedoopte geestelijke macht ontvangt om zijn geloof door het ontvangen van de andere sacramenten te belijden, zo ontvangt de gevormde macht om het geloof van Christus door zijn woorden openlijk en van ambtswege te belijden.
2e Weerlegging. Iedere sacrament is een geloofsbelijdenis. Zoals nu een gedoopte geestelijke macht ontvangt om zijn geloof door het ontvangen van de andere sacramenten te belijden, zo ontvangt de gevormde macht om het geloof van Christus door zijn woorden openlijk en van ambtswege te belijden.
Referenties naar deze alinea: 1
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. De sacramenten der Oude Wet noemde men, omdat ze in de ziel niets teweegbrachten, sacramenten van vleselijke rechtvaardigheid (Hebreërs, 9, 10). En daarom werd bij de besnijdenis in het vlees en niet in de ziel een merkteken ingeprent. Bij het vormsel daarentegen wordt, omdat het een sacrament der Nieuwe Wet is, samen met het vleselijke merkteken ook een geestelijk ingeprent.
B: (Heb 9:10) [b:Heb 9:10]
3e Weerlegging. De sacramenten der Oude Wet noemde men, omdat ze in de ziel niets teweegbrachten, sacramenten van vleselijke rechtvaardigheid (Hebreërs, 9, 10). En daarom werd bij de besnijdenis in het vlees en niet in de ziel een merkteken ingeprent. Bij het vormsel daarentegen wordt, omdat het een sacrament der Nieuwe Wet is, samen met het vleselijke merkteken ook een geestelijk ingeprent.
B: (Heb 9:10) [b:Heb 9:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Veronderstelt het merkteken van het vormsel ook het merkteken van het doopsel?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 72 a. 7 arg. 1
IIIa q. 72 a. 10 arg. 2[t:iiia q. 72 a. 7 arg. 1][t:iiia q. 72 a. 10 arg. 2]
IIIa q. 72 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert dat het merkteken van het vormsel niet noodzakelijk het merkteken van het doopsel veronderstelt. Het sacrament van het vormsel is er op berekend het geloof in Christus openlijk te doen belijden. Velen echter hebben vóór het doopsel, wanneer ze voor het geloof hun bloed vergoten, hun geloof openlijk beleden. Zo veronderstelt het merkteken van het vormsel dus niet noodzakelijk het merkteken van het doopsel.
IIIa q. 72 a. 7 arg. 1
IIIa q. 72 a. 10 arg. 2[t:iiia q. 72 a. 7 arg. 1][t:iiia q. 72 a. 10 arg. 2]
IIIa q. 72 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert dat het merkteken van het vormsel niet noodzakelijk het merkteken van het doopsel veronderstelt. Het sacrament van het vormsel is er op berekend het geloof in Christus openlijk te doen belijden. Velen echter hebben vóór het doopsel, wanneer ze voor het geloof hun bloed vergoten, hun geloof openlijk beleden. Zo veronderstelt het merkteken van het vormsel dus niet noodzakelijk het merkteken van het doopsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Te meer daar we in het Evangelie van Sint Jan (4, 2) lezen dat Christus niet zelf doopte, maar wel zijn leerlingen, staat nergens geschreven dat de Apostelen gedoopt werden. In weerwil daarvan werden ze naderhand bij de komst van de Heiligen Geest gevormd en zo mogen dus ook andere mensen vooraleer ze gedoopt worden gevormd.
B: (John 4:2) [b:John 4:2]
Vervolgens. Te meer daar we in het Evangelie van Sint Jan (4, 2) lezen dat Christus niet zelf doopte, maar wel zijn leerlingen, staat nergens geschreven dat de Apostelen gedoopt werden. In weerwil daarvan werden ze naderhand bij de komst van de Heiligen Geest gevormd en zo mogen dus ook andere mensen vooraleer ze gedoopt worden gevormd.
B: (John 4:2) [b:John 4:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 6 arg. 3
Vervolgens. In de Hand. (10, 44) staat geschreven dat "Sint Petrus nog aan het spreken was wanneer de Heilige Geest nederdaalde op degenen die naar zijn woord luisterden... en ze hoorden hen talen spreken." — Sint Petrus nu wilde dat men die mensen zou dopen. Zo kan dan ook dezelfde reden gelden om andere mensen eerst te vormen en naderhand te dopen.
B: (Acts 10:44-48) [b:Acts 10:44-48]
Vervolgens. In de Hand. (10, 44) staat geschreven dat "Sint Petrus nog aan het spreken was wanneer de Heilige Geest nederdaalde op degenen die naar zijn woord luisterden... en ze hoorden hen talen spreken." — Sint Petrus nu wilde dat men die mensen zou dopen. Zo kan dan ook dezelfde reden gelden om andere mensen eerst te vormen en naderhand te dopen.
B: (Acts 10:44-48) [b:Acts 10:44-48]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter wat Rabanus Maurus in zijn "Boek over de vorming der geestelijken" (1, 31) zegt: "De bisschop geeft dan eindelijk aan de gedoopte de Heilige Geest door handenoplegging opdat hij door de Heilige Geest zou gesterkt worden om zijn geloof te belijden."
Daartegenover staat echter wat Rabanus Maurus in zijn "Boek over de vorming der geestelijken" (1, 31) zegt: "De bisschop geeft dan eindelijk aan de gedoopte de Heilige Geest door handenoplegging opdat hij door de Heilige Geest zou gesterkt worden om zijn geloof te belijden."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 6 co.
Mijn antwoord. Het merkteken van het vormsel onderstelt noodzakelijk het merkteken van het doopsel, zodat degene die, zonder vooraf het doopsel ontvangen te hebben, zou gevormd worden, niets zou ontvangen, maar na het doopsel andermaal zou moeten gevormd worden. De reden daarvan is dat, zoals uit het 1e artikel dezer kwestie blijkt, het vormsel tot het doopsel in dezelfde verhouding staat als wasdom tot geboorte. Het ligt immers voor de hand dat niemand vooraleer geboren te zijn tot rijpheid zou uitgroeien. Welnu, evenzo kan niemand zonder eerst gedoopt te zijn het sacrament van het vormsel ontvangen.
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1]
Mijn antwoord. Het merkteken van het vormsel onderstelt noodzakelijk het merkteken van het doopsel, zodat degene die, zonder vooraf het doopsel ontvangen te hebben, zou gevormd worden, niets zou ontvangen, maar na het doopsel andermaal zou moeten gevormd worden. De reden daarvan is dat, zoals uit het 1e artikel dezer kwestie blijkt, het vormsel tot het doopsel in dezelfde verhouding staat als wasdom tot geboorte. Het ligt immers voor de hand dat niemand vooraleer geboren te zijn tot rijpheid zou uitgroeien. Welnu, evenzo kan niemand zonder eerst gedoopt te zijn het sacrament van het vormsel ontvangen.
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. De goddelijke almacht ligt niet aan de band van – noch is beperkt door de sacramentale werking; net zoals God immers zonder het sacrament van het doopsel zonden kan vergeven, kan Hij ook zonder het sacrament van het vormsel die geestelijke kracht, die bestand maakt om in het openbaar het geloof van Christus te belijden, schenken. Alleen kan niemand, evenmin als het aangaat zonder verlangen naar het doopsel, het uitwerksel van het doopsel verkrijgen, zonder de begeerte het vormsel te ontvangen, het uitwerksel van het vormsel erlangen, en die begeerte kan ongetwijfeld vooraleer gedoopt te zijn aanwezig zijn.
1e Weerlegging. De goddelijke almacht ligt niet aan de band van – noch is beperkt door de sacramentale werking; net zoals God immers zonder het sacrament van het doopsel zonden kan vergeven, kan Hij ook zonder het sacrament van het vormsel die geestelijke kracht, die bestand maakt om in het openbaar het geloof van Christus te belijden, schenken. Alleen kan niemand, evenmin als het aangaat zonder verlangen naar het doopsel, het uitwerksel van het doopsel verkrijgen, zonder de begeerte het vormsel te ontvangen, het uitwerksel van het vormsel erlangen, en die begeerte kan ongetwijfeld vooraleer gedoopt te zijn aanwezig zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Sint Augustinus zegt aan Seleucianus in zijn 108° Brief op woorden van Sint Jan (13, 10): "Wie een bad genomen heeft moet enkel zijn voeten wassen", dat "we daardoor weten dat Petrus en de andere leerlingen door Christus gedoopt werden of door het doopsel van Joannes, zoals sommigen beweren of wat meer aannemelijk is door het doopsel van Christus; om het doopsel te kunnen toedienen had Hij immers gedoopte bedienaars nodig.»
B: (John 13:10) [b:John 13:10]
2e Weerlegging. Sint Augustinus zegt aan Seleucianus in zijn 108° Brief op woorden van Sint Jan (13, 10): "Wie een bad genomen heeft moet enkel zijn voeten wassen", dat "we daardoor weten dat Petrus en de andere leerlingen door Christus gedoopt werden of door het doopsel van Joannes, zoals sommigen beweren of wat meer aannemelijk is door het doopsel van Christus; om het doopsel te kunnen toedienen had Hij immers gedoopte bedienaars nodig.»
B: (John 13:10) [b:John 13:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Degenen die de prediking van Sint Petrus bijwoonden verkregen wel op wonderbare wijze de uitwerkselen van het vormsel, maar zeker niet het sacrament van het vormsel. Het uitwerksel van het vormsel kan immers wel zoals we in het 2e en 4e Artikel dezer Kwestie (Antw. op de 1e Bedenking) zeiden vóór het doopsel aan iemand verleend worden, maar niet het sacrament van het vormsel zelf. Zoals immers het uitwerksel van het vormsel dat geestelijke kracht is het uitwerksel van het doopsel, de rechtvaardiging namelijk onderstelt, zo ook onderstelt het sacrament van het vormsel het sacrament van het doopsel.
3e Weerlegging. Degenen die de prediking van Sint Petrus bijwoonden verkregen wel op wonderbare wijze de uitwerkselen van het vormsel, maar zeker niet het sacrament van het vormsel. Het uitwerksel van het vormsel kan immers wel zoals we in het 2e en 4e Artikel dezer Kwestie (Antw. op de 1e Bedenking) zeiden vóór het doopsel aan iemand verleend worden, maar niet het sacrament van het vormsel zelf. Zoals immers het uitwerksel van het vormsel dat geestelijke kracht is het uitwerksel van het doopsel, de rechtvaardiging namelijk onderstelt, zo ook onderstelt het sacrament van het vormsel het sacrament van het doopsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Wordt door het vormsel de heiligmakende genade geschonken?
IIIa q. 72 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat door dit sacrament de heiligmakende genade niet geschonken wordt. De heiligmakende genade is een geneesmiddel tegen de zonde. Welnu, in het vorige Artikel werd er gezegd dat het vormsel enkel aan degenen die gedoopt en dus van alle schuld gereinigd zijn wordt toe gediend. Zo verleent dus dit sacrament niet de heiligmakende genade.
R: q. 72 a. 6[t:iiia q. 72 a. 6]
Over het zevende als volgt. Men beweert dat door dit sacrament de heiligmakende genade niet geschonken wordt. De heiligmakende genade is een geneesmiddel tegen de zonde. Welnu, in het vorige Artikel werd er gezegd dat het vormsel enkel aan degenen die gedoopt en dus van alle schuld gereinigd zijn wordt toe gediend. Zo verleent dus dit sacrament niet de heiligmakende genade.
R: q. 72 a. 6[t:iiia q. 72 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 7 arg. 2
Vervolgens. De zondaars hebben om rechtvaardig gemaakt te worden vooral de heiligmakende genade nodig. Welnu, moest dit sacrament de heiligmakende genade schenken, dan zou het aan de zondaars dienen te worden uitgereikt. Dit nu is niet het geval.
Vervolgens. De zondaars hebben om rechtvaardig gemaakt te worden vooral de heiligmakende genade nodig. Welnu, moest dit sacrament de heiligmakende genade schenken, dan zou het aan de zondaars dienen te worden uitgereikt. Dit nu is niet het geval.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Daar de heiligmakende genade immers op hetzelfde uitwerkingssel berekend is, zo is er ook maar één soort van heiligmakende genade. Welnu, twee vormen van éénzelfde soort kunnen niet bij éénzelfde subject thuis behoren en zo kan, daar de heiligmakende genade door het doopsel gegeven wordt, deze niet meer door het vormsel, dat alleen aan gedoopten wordt toegediend, geschonken worden.
Vervolgens. Daar de heiligmakende genade immers op hetzelfde uitwerkingssel berekend is, zo is er ook maar één soort van heiligmakende genade. Welnu, twee vormen van éénzelfde soort kunnen niet bij éénzelfde subject thuis behoren en zo kan, daar de heiligmakende genade door het doopsel gegeven wordt, deze niet meer door het vormsel, dat alleen aan gedoopten wordt toegediend, geschonken worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter wat Paus Melchiades in zijn Brief aan de Spaanse bisschoppen schrijft: "Bij het doopsel geeft de Heilige Geest volkomenheid om rein te kunnen leven, maar bij het vormsel geeft Hij na de heiligmakende genade wasdom."
Daartegenover staat echter wat Paus Melchiades in zijn Brief aan de Spaanse bisschoppen schrijft: "Bij het doopsel geeft de Heilige Geest volkomenheid om rein te kunnen leven, maar bij het vormsel geeft Hij na de heiligmakende genade wasdom."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 7 co.
Mijn antwoord. Zoals in het eerste, tweede en derde Artikel dezer kwestie gezegd wordt, wordt de Heilige Geest evenals Hij op Pinksterdag aan de apostelen tot geestelijke kracht gegeven werd (Hand. 2) aan de gedoopte geschonken. Ja, ook de apostelen schonken de Heilige Geest door handenoplegging. Welnu, in het 1e deel der 63e kwestie, 3e artikel, toonden we reeds aan dat de zending of schenking van de Heilige Geest niet zonder heiligmakende genade geschiedt. Zo is het dus duidelijk dat door dit sacrament heiligmakende genade gegeven wordt.
B: (Acts 2) [b:Acts 2] (Acts 8:17) [b:Acts 8:17]
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 72 a. 4[t:iiia q. 72 a. 4] I q. 43 a. 3[t:ia q. 43 a. 3]
Mijn antwoord. Zoals in het eerste, tweede en derde Artikel dezer kwestie gezegd wordt, wordt de Heilige Geest evenals Hij op Pinksterdag aan de apostelen tot geestelijke kracht gegeven werd (Hand. 2) aan de gedoopte geschonken. Ja, ook de apostelen schonken de Heilige Geest door handenoplegging. Welnu, in het 1e deel der 63e kwestie, 3e artikel, toonden we reeds aan dat de zending of schenking van de Heilige Geest niet zonder heiligmakende genade geschiedt. Zo is het dus duidelijk dat door dit sacrament heiligmakende genade gegeven wordt.
B: (Acts 2) [b:Acts 2] (Acts 8:17) [b:Acts 8:17]
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 72 a. 4[t:iiia q. 72 a. 4] I q. 43 a. 3[t:ia q. 43 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Het eerste uitwerksel der heiligmakende genade is het wegnemen van zondeschuld. Maar ze heeft ook nog andere uitwerkselen. Ze is er immers op berekend om overeenkomstig de woorden van de Apostel in de Brief aan de Romeinen (6, 23) : "De genade van God is het eeuwig leven", de mens langs alle graden tot het eeuwig leven te brengen. Daarom werd volgens de IIe Brief aan de Korinthiërs (12, 9) ook aan Sint Paulus gezegd : "Mijn genade zij u genoeg" en van zichzelf getuigt Sint Paulus in de Ie Brief aan de Korinthiërs (15, 60) : "Door de genade Gods ben ik wat ik ben". Zo wordt dan de heiligmakende genade niet alleen tot vergiffenis van schuld, maar ook om in rechtvaardiging toe te nemen en te versterken, verleend en op die wijze is het dat de heiligmakende genade door dit sacrament gegeven wordt.
B: (1Cor 15:10) [b:1Cor 15:10] (2Cor 12:9) [b:2Cor 12:9]
1e Weerlegging. Het eerste uitwerksel der heiligmakende genade is het wegnemen van zondeschuld. Maar ze heeft ook nog andere uitwerkselen. Ze is er immers op berekend om overeenkomstig de woorden van de Apostel in de Brief aan de Romeinen (6, 23) : "De genade van God is het eeuwig leven", de mens langs alle graden tot het eeuwig leven te brengen. Daarom werd volgens de IIe Brief aan de Korinthiërs (12, 9) ook aan Sint Paulus gezegd : "Mijn genade zij u genoeg" en van zichzelf getuigt Sint Paulus in de Ie Brief aan de Korinthiërs (15, 60) : "Door de genade Gods ben ik wat ik ben". Zo wordt dan de heiligmakende genade niet alleen tot vergiffenis van schuld, maar ook om in rechtvaardiging toe te nemen en te versterken, verleend en op die wijze is het dat de heiligmakende genade door dit sacrament gegeven wordt.
B: (1Cor 15:10) [b:1Cor 15:10] (2Cor 12:9) [b:2Cor 12:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Zoals de naam zelf van dit sacrament te kennen geeft, wordt dit sacrament gegeven om hetgeen reeds vroeger bestond verder te vormen, en daarom mag het enkel gegeven worden aan mensen die reeds de genade bezitten. Zo mag het aan degenen die niet gedoopt zijn evenmin als aan zondaars die volwassen zijn, wanneer ze niet door boetvaardigheid gezuiverd werden, gegeven worden, en daarom zegt de kerkvergadering van Orléans (De Cons. Dist. 5. Cap. 5. Ut Jejuni): "Degenen die het sacrament van het vormsel willen ontvangen moeten nuchter zijn, men moet ze ervan verwittigen dat ze eerst moeten biechten om met een zuiver gemoed de gaven van de H. Geest te ontvangen." Door dit sacrament worden dan de uitwerkselen van de biecht en van het doopsel vervolmaakt; door de genade van dit sacrament ontvangt immers een mens die berouw heeft volledige vergiffenis van zijn zonden, en wanneer een volwassen mens zich van zijn zondigen staat niet bewust is, of wanneer hij hoewel zonder te veinzen zonder voldoende berouw tot dit sacrament nadert, ontvangt hij vergiffenis van zijn zonden.
2e Weerlegging. Zoals de naam zelf van dit sacrament te kennen geeft, wordt dit sacrament gegeven om hetgeen reeds vroeger bestond verder te vormen, en daarom mag het enkel gegeven worden aan mensen die reeds de genade bezitten. Zo mag het aan degenen die niet gedoopt zijn evenmin als aan zondaars die volwassen zijn, wanneer ze niet door boetvaardigheid gezuiverd werden, gegeven worden, en daarom zegt de kerkvergadering van Orléans (De Cons. Dist. 5. Cap. 5. Ut Jejuni): "Degenen die het sacrament van het vormsel willen ontvangen moeten nuchter zijn, men moet ze ervan verwittigen dat ze eerst moeten biechten om met een zuiver gemoed de gaven van de H. Geest te ontvangen." Door dit sacrament worden dan de uitwerkselen van de biecht en van het doopsel vervolmaakt; door de genade van dit sacrament ontvangt immers een mens die berouw heeft volledige vergiffenis van zijn zonden, en wanneer een volwassen mens zich van zijn zondigen staat niet bewust is, of wanneer hij hoewel zonder te veinzen zonder voldoende berouw tot dit sacrament nadert, ontvangt hij vergiffenis van zijn zonden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Zoals hierboven in het 2e artikel der 62e Kw. gezegd werd, voegt de sacramentale genade aan de heiligmakende genade iets toe dat bestand is de bijzondere uitwerkselen waartoe het sacrament werd ingesteld teweeg te brengen. Als we nu de heiligmakende genade naar haar gewone betekenis beschouwen, dan geeft het vormsel niet een andere genade dan het doopsel, maar wel doet het de heiligmakende genade die reeds vroeger bestond toenemen; beschouwen we echter de bijzondere genade die door het vormsel gegeven wordt, dan mogen we zeggen dat hier wel degelijk een bijzondere genade gegeven wordt.
R: q. 62 a. 2[t:iiia q. 62 a. 2]
3e Weerlegging. Zoals hierboven in het 2e artikel der 62e Kw. gezegd werd, voegt de sacramentale genade aan de heiligmakende genade iets toe dat bestand is de bijzondere uitwerkselen waartoe het sacrament werd ingesteld teweeg te brengen. Als we nu de heiligmakende genade naar haar gewone betekenis beschouwen, dan geeft het vormsel niet een andere genade dan het doopsel, maar wel doet het de heiligmakende genade die reeds vroeger bestond toenemen; beschouwen we echter de bijzondere genade die door het vormsel gegeven wordt, dan mogen we zeggen dat hier wel degelijk een bijzondere genade gegeven wordt.
R: q. 62 a. 2[t:iiia q. 62 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Dient dit Sacrament aan alle mensen te worden gegeven?
IIIa q. 72 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert dat dit sacrament niet aan alle mensen dient gegeven te worden. Zoals in het eerste en vierde artikel gezegd werd geeft dit sacrament een zekere voorrang. Welnu, die voorrang kan niet van alle mensen het aandeel zijn en zo dient dus dit sacrament niet aan alle mensen gegeven te worden.
R: q. 72 a. 11 ad 2[t:iiia q. 72 a. 11 ad 2]
Over het achtste als volgt. Men beweert dat dit sacrament niet aan alle mensen dient gegeven te worden. Zoals in het eerste en vierde artikel gezegd werd geeft dit sacrament een zekere voorrang. Welnu, die voorrang kan niet van alle mensen het aandeel zijn en zo dient dus dit sacrament niet aan alle mensen gegeven te worden.
R: q. 72 a. 11 ad 2[t:iiia q. 72 a. 11 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Door dit sacrament groeit iemand geestelijkerwijze tot mannenrijpheid uit. Welnu, die mannenrijpheid kan niet aan kinderen toekomen en zo mogen dus zeker niet kinderen gevormd worden.
Vervolgens. Door dit sacrament groeit iemand geestelijkerwijze tot mannenrijpheid uit. Welnu, die mannenrijpheid kan niet aan kinderen toekomen en zo mogen dus zeker niet kinderen gevormd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Paus Melchiades zegt in dienzelfde Brief: "Na het doopsel worden we tot de strijd gevormd". Welnu, vrouwen mogen niet oorlogvoeren; uit hoofde van haar kunne zijn ze immers te zwak. Zo dient dus dit sacrament evenmin aan vrouwen gegeven te worden.
Vervolgens. Paus Melchiades zegt in dienzelfde Brief: "Na het doopsel worden we tot de strijd gevormd". Welnu, vrouwen mogen niet oorlogvoeren; uit hoofde van haar kunne zijn ze immers te zwak. Zo dient dus dit sacrament evenmin aan vrouwen gegeven te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 8 arg. 4
Vervolgens. Paus Melchiades zegt immers op diezelfde plaats: "Alhoewel het voor degenen die sterven voldoende is de weldaden der wedergeboorte te ontvangen, toch is het voor diegenen die voort blijven leven noodzakelijk de hulpmiddelen welke het vormsel bergt te verkrijgen; het vormsel rust immers de mens toe en leidt hem op om met de wereld slaags te worden. Hij integendeel die na het doopsel, na de onschuld verworven te hebben in zuiverheid naar het andere leven overgaat, die wordt, daar hij na de dood niet meer kan zondigen door de dood gevormd." Degenen die in gevaar zijn van sterven moeten dus niet gevormd worden. En zo dient dus het vormsel niet aan alle mensen toegediend te worden.
Vervolgens. Paus Melchiades zegt immers op diezelfde plaats: "Alhoewel het voor degenen die sterven voldoende is de weldaden der wedergeboorte te ontvangen, toch is het voor diegenen die voort blijven leven noodzakelijk de hulpmiddelen welke het vormsel bergt te verkrijgen; het vormsel rust immers de mens toe en leidt hem op om met de wereld slaags te worden. Hij integendeel die na het doopsel, na de onschuld verworven te hebben in zuiverheid naar het andere leven overgaat, die wordt, daar hij na de dood niet meer kan zondigen door de dood gevormd." Degenen die in gevaar zijn van sterven moeten dus niet gevormd worden. En zo dient dus het vormsel niet aan alle mensen toegediend te worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in de Hand. der Apost. (2, 2) dat "de heilige Geest wanneer Hij kwam heel het huis vervulde"; door dit huis nu wordt de heilige Kerk verzinnebeeld en naderhand wordt gezegd dat "allen vervuld werden met de H. Geest". — Welnu, het doel van het vormsel is allen met de H. Geest te vervullen. En zo moet dus het vormsel aan alle gloovigen die van de heilige Kerk deel uitmaken gegeven worden.
B: (Acts 2:2) [b:Acts 2:2]
Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in de Hand. der Apost. (2, 2) dat "de heilige Geest wanneer Hij kwam heel het huis vervulde"; door dit huis nu wordt de heilige Kerk verzinnebeeld en naderhand wordt gezegd dat "allen vervuld werden met de H. Geest". — Welnu, het doel van het vormsel is allen met de H. Geest te vervullen. En zo moet dus het vormsel aan alle gloovigen die van de heilige Kerk deel uitmaken gegeven worden.
B: (Acts 2:2) [b:Acts 2:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 8 co.
Mijn antwoord. Door dit sacrament wordt de mens geestelijkerwijze tot volmaakte wasdom gebracht. Welnu, de bedoeling van de natuur is dat allen die naar het lichaam geboren worden, tot lichamelijke volkomenheid zouden uitgroeien, alleen wordt zulks omdat het lichaam vergankelijk is en door de dood kan verrast worden, weleens verhinderd. Veel meer echter is het Gods verlangen dat allen zouden tot volmaaktheid komen, de natuur toch heeft die neiging alleen omdat God ze haar meedeelt. Daarom zegt het Boek Deuteronomius (32, 4) : "Al Gods werken zijn volmaakt". De ziel nu die geestelijkerwijze geboren wordt en ook op geestelijke wijze kan tot volmaaktheid uitgroeien is onsterfelijk, en evenzeer als ze bij een grijsaard kan geestelijk geboren worden, kan ze in de kinderen op jongelingsjaren de volmaakten wasdom bereiken. De leeftijden van het lichaam immers staan het zieleleven niet in de weg, en daarom dient bewust sacrament aan alle mensen te worden toegediend.
B: (Deut 32:4) [b:Deut 32:4]
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1]
Mijn antwoord. Door dit sacrament wordt de mens geestelijkerwijze tot volmaakte wasdom gebracht. Welnu, de bedoeling van de natuur is dat allen die naar het lichaam geboren worden, tot lichamelijke volkomenheid zouden uitgroeien, alleen wordt zulks omdat het lichaam vergankelijk is en door de dood kan verrast worden, weleens verhinderd. Veel meer echter is het Gods verlangen dat allen zouden tot volmaaktheid komen, de natuur toch heeft die neiging alleen omdat God ze haar meedeelt. Daarom zegt het Boek Deuteronomius (32, 4) : "Al Gods werken zijn volmaakt". De ziel nu die geestelijkerwijze geboren wordt en ook op geestelijke wijze kan tot volmaaktheid uitgroeien is onsterfelijk, en evenzeer als ze bij een grijsaard kan geestelijk geboren worden, kan ze in de kinderen op jongelingsjaren de volmaakten wasdom bereiken. De leeftijden van het lichaam immers staan het zieleleven niet in de weg, en daarom dient bewust sacrament aan alle mensen te worden toegediend.
B: (Deut 32:4) [b:Deut 32:4]
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Dit sacrament geeft ons niet in zover een mens met andere mensen in betrekking komt maar in zover de mens zelf er waardiger door wordt, een zekere waardigheid; een man is immers meer waard dan een kind.
1e Weerlegging. Dit sacrament geeft ons niet in zover een mens met andere mensen in betrekking komt maar in zover de mens zelf er waardiger door wordt, een zekere waardigheid; een man is immers meer waard dan een kind.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. In de leerstelling zeiden we dat de leeftijd van het lichaam de ziel niet kan hinderen. Zo kan dan een mens ook als hij nog een kind is de volheid van zijn geestelijke wasdom bereiken. Daarvandaan dat er in het Boek der Wijsheid (4, 8) staat: "Een eerbiedwaardige ouderdom wordt niet naar de levensduur en het aantal jaren geschat." En zo komt het dat veel mensen reeds toen ze nog kinderen waren door de kracht van de H. Geest met sterkte voor Christus gestreden hebben en zelfs hun bloed voor hem hebben vergoten.
B: (Wis 4:8) [b:Wis 4:8]
2e Weerlegging. In de leerstelling zeiden we dat de leeftijd van het lichaam de ziel niet kan hinderen. Zo kan dan een mens ook als hij nog een kind is de volheid van zijn geestelijke wasdom bereiken. Daarvandaan dat er in het Boek der Wijsheid (4, 8) staat: "Een eerbiedwaardige ouderdom wordt niet naar de levensduur en het aantal jaren geschat." En zo komt het dat veel mensen reeds toen ze nog kinderen waren door de kracht van de H. Geest met sterkte voor Christus gestreden hebben en zelfs hun bloed voor hem hebben vergoten.
B: (Wis 4:8) [b:Wis 4:8]
Referenties naar deze alinea: 1
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. De heilige Joannes Chrysostomus zegt in zijn Homelie op de Machabeërs dat "er voor wereldse gevechten een zekere leeftijd, schoonheid en voortreffelijkheid nodig zijn, en dat daarom aan slaven, vrouwen, kinderen en ouderlingen verboden wordt wapens te dragen. Bij hemelse gevechten daarentegen is het strijdperk voor iedereen, voor elke leeftijd, en voor elke kunne toegankelijk". In zijn Homelie over de geestelijke strijd zegt verder dezelfde kerkvader: "dat in de ogen van God ook de vrouwelijke kunne strijdt. Vele vrouwen immers hebben met mannelijke kracht de geestelijke strijd gestreden; sommige onder haar hebben nl. evenals de mannen door die innerlijke kracht het martelaarschap ondergaan en anderen hebben zelfs de mannen in heldhaftigheid overtroffen." Daarom dan moet dit sacrament ook aan de vrouwen worden toegediend.
3e Weerlegging. De heilige Joannes Chrysostomus zegt in zijn Homelie op de Machabeërs dat "er voor wereldse gevechten een zekere leeftijd, schoonheid en voortreffelijkheid nodig zijn, en dat daarom aan slaven, vrouwen, kinderen en ouderlingen verboden wordt wapens te dragen. Bij hemelse gevechten daarentegen is het strijdperk voor iedereen, voor elke leeftijd, en voor elke kunne toegankelijk". In zijn Homelie over de geestelijke strijd zegt verder dezelfde kerkvader: "dat in de ogen van God ook de vrouwelijke kunne strijdt. Vele vrouwen immers hebben met mannelijke kracht de geestelijke strijd gestreden; sommige onder haar hebben nl. evenals de mannen door die innerlijke kracht het martelaarschap ondergaan en anderen hebben zelfs de mannen in heldhaftigheid overtroffen." Daarom dan moet dit sacrament ook aan de vrouwen worden toegediend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 8 ad 4
4e Weerlegging. Zoals in de leerstelling gezegd werd is de ziel waarop geestelijke wasdom is aangewezen onstoffelijk, en daarom moet, opdat ze bij de verrijzenis als volmaakte mensen zouden opstaan, ook aan stervenden dit sacrament worden toegediend. In de Brief aan de Ephesiërs (4, 13) staat immers: "Tot wij allen tot volwassen mannen uitgroeien, tot we namelijk de gestelde maat van de volkome Christus bereiken." Daarvandaan dat Hugo van Sint Viktor in zijn Boek over de sacramenten zegt (2, 7, 3): "Het zou gevaarlijk zijn zonder gevormd te zijn uit dit leven naar het andere over te gaan"; dit niet alsof men, behalve indien men dit sacrament misprezen had daardoor zou verdoemd zijn maar omdat men aldus in zijn volmaaktheid zou schade lijden. Zo zullen dus kleine kinderen die sterven na gevormd te zijn daar ze hier ook groote genade krijgen hiernamaals groter glorie erlangen en zo moet dus de bedenking in die zin begrepen worden dat het vormsel, in zover zij tegen de moeilijkheden van het tegenwoordige leven niet meer te strijden hebben, voor stervenden niet onontbeerlijk is.
B: (Eph 4:13) [b:Eph 4:13]
4e Weerlegging. Zoals in de leerstelling gezegd werd is de ziel waarop geestelijke wasdom is aangewezen onstoffelijk, en daarom moet, opdat ze bij de verrijzenis als volmaakte mensen zouden opstaan, ook aan stervenden dit sacrament worden toegediend. In de Brief aan de Ephesiërs (4, 13) staat immers: "Tot wij allen tot volwassen mannen uitgroeien, tot we namelijk de gestelde maat van de volkome Christus bereiken." Daarvandaan dat Hugo van Sint Viktor in zijn Boek over de sacramenten zegt (2, 7, 3): "Het zou gevaarlijk zijn zonder gevormd te zijn uit dit leven naar het andere over te gaan"; dit niet alsof men, behalve indien men dit sacrament misprezen had daardoor zou verdoemd zijn maar omdat men aldus in zijn volmaaktheid zou schade lijden. Zo zullen dus kleine kinderen die sterven na gevormd te zijn daar ze hier ook groote genade krijgen hiernamaals groter glorie erlangen en zo moet dus de bedenking in die zin begrepen worden dat het vormsel, in zover zij tegen de moeilijkheden van het tegenwoordige leven niet meer te strijden hebben, voor stervenden niet onontbeerlijk is.
B: (Eph 4:13) [b:Eph 4:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Moet dit Sacrament op het voorhoofd van de mens worden toegediend?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 72 a. 10 co.[t:iiia q. 72 a. 10 co.]
IIIa q. 72 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert dat dit sacrament niet op het voorhoofd moet worden toegediend. Dit sacrament moet zoals hierboven in het 4e artikel der 65e Kw. gezegd werd, het doopsel vervolmaken. Welnu, het doopsel wordt over het hele lichaam gegeven; zo moet dus het sacrament van het vormsel niet alleen op het voorhoofd gegeven worden.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
IIIa q. 72 a. 10 co.[t:iiia q. 72 a. 10 co.]
IIIa q. 72 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert dat dit sacrament niet op het voorhoofd moet worden toegediend. Dit sacrament moet zoals hierboven in het 4e artikel der 65e Kw. gezegd werd, het doopsel vervolmaken. Welnu, het doopsel wordt over het hele lichaam gegeven; zo moet dus het sacrament van het vormsel niet alleen op het voorhoofd gegeven worden.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 9 arg. 2
Vervolgens. Dit sacrament wordt, zoals in het 1e en 2e artikel gezegd werd, tot geestelijke kracht gegeven. Welnu, de geestelijke sterkte zetelt vooral in het hart. Zo moet dus dit sacrament eerder op het hart dan op het voorhoofd gegeven worden.
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 72 a. 2[t:iiia q. 72 a. 2] q. 72 a. 4[t:iiia q. 72 a. 4]
Vervolgens. Dit sacrament wordt, zoals in het 1e en 2e artikel gezegd werd, tot geestelijke kracht gegeven. Welnu, de geestelijke sterkte zetelt vooral in het hart. Zo moet dus dit sacrament eerder op het hart dan op het voorhoofd gegeven worden.
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 72 a. 2[t:iiia q. 72 a. 2] q. 72 a. 4[t:iiia q. 72 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 9 arg. 3
Vervolgens. Dit sacrament wordt opdat hij vrijuit het geloof van Christus zou belijden aan de mens gegeven. Welnu, door de mond is het dat we ter zaligheid ons geloof belijden, zo zegt toch Sint Paulus in zijn Brief aan de Romeinen (10, 10). — Zo zou dus dit sacrament eerder op de mond dan wel op het voorhoofd dienen gegeven te worden.
B: (Rom 10:10) [b:Rom 10:10]
Vervolgens. Dit sacrament wordt opdat hij vrijuit het geloof van Christus zou belijden aan de mens gegeven. Welnu, door de mond is het dat we ter zaligheid ons geloof belijden, zo zegt toch Sint Paulus in zijn Brief aan de Romeinen (10, 10). — Zo zou dus dit sacrament eerder op de mond dan wel op het voorhoofd dienen gegeven te worden.
B: (Rom 10:10) [b:Rom 10:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 9 s. c.
Daartegenover staat echter dat Rabanus Maurus in zijn Boek over de vorming des priesters (1, 30) zegt: "De priester balsemt de gedoopte met het heilig chrisma op het hoofd, maar de bisschop doet het op het voorhoofd."
Daartegenover staat echter dat Rabanus Maurus in zijn Boek over de vorming des priesters (1, 30) zegt: "De priester balsemt de gedoopte met het heilig chrisma op het hoofd, maar de bisschop doet het op het voorhoofd."
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 9 co.
Mijn antwoord. In het eerste, tweede en vierde art. dezer kwestie hebben we gezien dat, opdat hij zelfs midden zijn vijanden met kracht het geloof in Christus zou belijden, in dit sacrament de mens de H. Geest tot sterkte bij de geestelijke strijd ontvangt. Daarom is het goed de mens op het voorhoofd met behulp van chrisma met het teken van het heilige kruis te tekenen, en zulks om twee redenen. Vooreerst, omdat hij dan evenals een soldaat met het teken van zijn overste, met het teken van het heilige kruis getekend wordt. Daarbij moet dit teken zichtbaar en in het oog lopend zijn. Onder alle ledematen nu van het menselijk lichaam is het voorhoofd daar het zeer zelden gedekt wordt meest zichtbaar, en daarom wordt de gevormde opdat hij zoals de apostelen, zij die zich eerst in het cenakel verborgen hielden, na de H. Geest ontvangen te hebben deden, in het openbaar zou tonen dat hij christen is, op het voorhoofd met chrisma gebalsemd. Ten tweede, opdat iemand door vrees en schande kan worden weerhouden de naam van Christus te belijden. Welnu, die beide gevoelens worden omdat de verbeelding in het hoofd zetelt en ook omdat de levensgeesten uit het hart rechtstreeks naar het voorhoofd oprijzen, op het voorhoofd meest merkbaar. Daarvandaan dat schaamte ons doet blozen, en dat vrees ons, zoals Aristoteles in zijn Ethica (IV) zegt, doet verbleken. Zo wordt men dan, opdat men de naam van Christus zou belijden en noch uit vrees noch uit schaamte zou achteruitdeinzen, bij het vormsel op het voorhoofd gebalsemd.
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 72 a. 4[t:iiia q. 72 a. 4]
Mijn antwoord. In het eerste, tweede en vierde art. dezer kwestie hebben we gezien dat, opdat hij zelfs midden zijn vijanden met kracht het geloof in Christus zou belijden, in dit sacrament de mens de H. Geest tot sterkte bij de geestelijke strijd ontvangt. Daarom is het goed de mens op het voorhoofd met behulp van chrisma met het teken van het heilige kruis te tekenen, en zulks om twee redenen. Vooreerst, omdat hij dan evenals een soldaat met het teken van zijn overste, met het teken van het heilige kruis getekend wordt. Daarbij moet dit teken zichtbaar en in het oog lopend zijn. Onder alle ledematen nu van het menselijk lichaam is het voorhoofd daar het zeer zelden gedekt wordt meest zichtbaar, en daarom wordt de gevormde opdat hij zoals de apostelen, zij die zich eerst in het cenakel verborgen hielden, na de H. Geest ontvangen te hebben deden, in het openbaar zou tonen dat hij christen is, op het voorhoofd met chrisma gebalsemd. Ten tweede, opdat iemand door vrees en schande kan worden weerhouden de naam van Christus te belijden. Welnu, die beide gevoelens worden omdat de verbeelding in het hoofd zetelt en ook omdat de levensgeesten uit het hart rechtstreeks naar het voorhoofd oprijzen, op het voorhoofd meest merkbaar. Daarvandaan dat schaamte ons doet blozen, en dat vrees ons, zoals Aristoteles in zijn Ethica (IV) zegt, doet verbleken. Zo wordt men dan, opdat men de naam van Christus zou belijden en noch uit vrees noch uit schaamte zou achteruitdeinzen, bij het vormsel op het voorhoofd gebalsemd.
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 72 a. 4[t:iiia q. 72 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. Door het doopsel worden we tot het geestelijk leven wedergeboren en, dit gaat op de hele mens terug. Bij het vormsel daarentegen worden we door de strijd gesterkt, en het teken daarvan dragen we op een goed zichtbare plaats, op het voorhoofd.
1e Weerlegging. Door het doopsel worden we tot het geestelijk leven wedergeboren en, dit gaat op de hele mens terug. Bij het vormsel daarentegen worden we door de strijd gesterkt, en het teken daarvan dragen we op een goed zichtbare plaats, op het voorhoofd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. Het beginsel van de sterkte ligt in het hart, doch het teken der sterkte komt op het voorhoofd tot uiting. Zo zegt Ezechiël (3, 8): "Ik heb uw voorhoofd sterker gemaakt dan het hunne". Daarom is het sacrament der Eucharistie omdat overeenkomstig die woorden uit de 103e psalm: "Het brood versterkt het hart van de mens", dit sacrament de mens in zichzelf versterkt, op het hart aangewezen. Bij het vormsel daarentegen moet een teken van sterkte tegenover andere mensen gegeven worden en daarom wordt het teken op het voorhoofd aangebracht.
2e Weerlegging. Het beginsel van de sterkte ligt in het hart, doch het teken der sterkte komt op het voorhoofd tot uiting. Zo zegt Ezechiël (3, 8): "Ik heb uw voorhoofd sterker gemaakt dan het hunne". Daarom is het sacrament der Eucharistie omdat overeenkomstig die woorden uit de 103e psalm: "Het brood versterkt het hart van de mens", dit sacrament de mens in zichzelf versterkt, op het hart aangewezen. Bij het vormsel daarentegen moet een teken van sterkte tegenover andere mensen gegeven worden en daarom wordt het teken op het voorhoofd aangebracht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. Dit sacrament wordt niet alleen om het geloof te belijden, — dit gebeurt immers ook bij het doopsel, — maar om het met onversaagdheid te belijden gegeven, en daarom dient dat niet op de mond maar op het voorhoofd, waar de driften die een onversaagde geloofsbelijdenis in de weg staan tot uiting komen, gegeven te worden.
B: (Ps 103:15) [b:Ps 103:15] (Ezek 3:8) [b:Ezek 3:8]
3e Weerlegging. Dit sacrament wordt niet alleen om het geloof te belijden, — dit gebeurt immers ook bij het doopsel, — maar om het met onversaagdheid te belijden gegeven, en daarom dient dat niet op de mond maar op het voorhoofd, waar de driften die een onversaagde geloofsbelijdenis in de weg staan tot uiting komen, gegeven te worden.
B: (Ps 103:15) [b:Ps 103:15] (Ezek 3:8) [b:Ezek 3:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Moet degene die gevormd wordt door iemand worden vastgehouden?
IIIa q. 72 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert dat niemand de vormeling dient vast te houden. Dit sacrament wordt niet alleen aan kinderen maar ook aan volwassenen gegeven. Welnu, volwassenen kunnen reeds op eigen benen staan en het zou belachelijk zijn, als ze door een ander werden vastgehouden.
Over het tiende als volgt. Men beweert dat niemand de vormeling dient vast te houden. Dit sacrament wordt niet alleen aan kinderen maar ook aan volwassenen gegeven. Welnu, volwassenen kunnen reeds op eigen benen staan en het zou belachelijk zijn, als ze door een ander werden vastgehouden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 10 arg. 2
Vervolgens. Hij die reeds tot de kerk behoort mag vrij naar het hoofd der kerk, naar de bisschop namelijk toegaan. Welnu, dit sacrament wordt enkel aan degenen die reeds lid zijn gegeven. Zo is het dus overbodig om dit sacrament te ontvangen door iemand anders aan de bisschop te worden voorgesteld.
R: q. 72 a. 6[t:iiia q. 72 a. 6]
Vervolgens. Hij die reeds tot de kerk behoort mag vrij naar het hoofd der kerk, naar de bisschop namelijk toegaan. Welnu, dit sacrament wordt enkel aan degenen die reeds lid zijn gegeven. Zo is het dus overbodig om dit sacrament te ontvangen door iemand anders aan de bisschop te worden voorgesteld.
R: q. 72 a. 6[t:iiia q. 72 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 10 arg. 3
Vervolgens. Dit sacrament wordt tot geestelijke versterking gegeven. Welnu, volgens hetgeen in het Boek der Spreuken (31, 10) geschreven staat: "Wie zal een sterke vrouw vinden?" hebben over het algemeen mannen meer kracht dan vrouwen. Zo mag op zijn minst niet veroorloofd worden dat een vrouw een man bij het vormsel zou vasthouden.
B: (Prov 31:10) [b:Prov 31:10]
Vervolgens. Dit sacrament wordt tot geestelijke versterking gegeven. Welnu, volgens hetgeen in het Boek der Spreuken (31, 10) geschreven staat: "Wie zal een sterke vrouw vinden?" hebben over het algemeen mannen meer kracht dan vrouwen. Zo mag op zijn minst niet veroorloofd worden dat een vrouw een man bij het vormsel zou vasthouden.
B: (Prov 31:10) [b:Prov 31:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 10 s. c.
Daartegenover staat echter wat paus Innocentius de Eerste in de Decr. XXX, 4. Si quis zei: "Indien één der gehuwden de zoon of de dochter van de andere bij de doopvont of het vormsel bijstaat, enz..." Zoals dus iemand bij het doopsel door een ander uit de doopvont wordt opgenomen, zo ook moet men bij het vormsel door een ander worden vastgehouden.
Daartegenover staat echter wat paus Innocentius de Eerste in de Decr. XXX, 4. Si quis zei: "Indien één der gehuwden de zoon of de dochter van de andere bij de doopvont of het vormsel bijstaat, enz..." Zoals dus iemand bij het doopsel door een ander uit de doopvont wordt opgenomen, zo ook moet men bij het vormsel door een ander worden vastgehouden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 10 co.
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd werd, wordt dit sacrament de mens tot geestelijke kracht toegediend. Welnu, evenals een mens die even geboren is een opvoeder nodig heeft om in alles wat het behoud van het leven aangaat onderwezen te worden, — Sint Paulus zegt immers in de Brief aan de Hebreërs (12, 9): "Voorts hebben de vaders van ons vlees ons gekastijd en wij hebben hen ontzien," — evenzo hebben zij die tot de strijd worden uitverkoren om in alles wat de strijd aanbelangt onderwezen te worden opleiders nodig, en daarom worden er in de legers om de andere soldaten te besturen aanvoerders en honderdmannen aangesteld. Op dezelfde wijze nu wordt ook degene die bewust een sacrament moet ontvangen, alsof hij door hem in alles wat de geestelijke strijd betreft moest worden onderricht, door een ander vastgehouden. Dit geschiedt echter ook omdat dit sacrament een mens, zoals in het 2°, 4° en 5° artikel dezer kwestie gezegd wordt, de volheid van zijn geestelijke wasdom geeft, zodat hij die tot dit sacrament nadert alsof hij geestelijkerwijze nog onbeholpen en klein was, daarbij ondersteund wordt.
B: (Heb 12:9) [b:Heb 12:9]
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 72 a. 4[t:iiia q. 72 a. 4] q. 72 a. 9[t:iiia q. 72 a. 9] q. 72 a. 2[t:iiia q. 72 a. 2] q. 72 a. 5[t:iiia q. 72 a. 5]
Mijn antwoord. Zoals in het vorige artikel gezegd werd, wordt dit sacrament de mens tot geestelijke kracht toegediend. Welnu, evenals een mens die even geboren is een opvoeder nodig heeft om in alles wat het behoud van het leven aangaat onderwezen te worden, — Sint Paulus zegt immers in de Brief aan de Hebreërs (12, 9): "Voorts hebben de vaders van ons vlees ons gekastijd en wij hebben hen ontzien," — evenzo hebben zij die tot de strijd worden uitverkoren om in alles wat de strijd aanbelangt onderwezen te worden opleiders nodig, en daarom worden er in de legers om de andere soldaten te besturen aanvoerders en honderdmannen aangesteld. Op dezelfde wijze nu wordt ook degene die bewust een sacrament moet ontvangen, alsof hij door hem in alles wat de geestelijke strijd betreft moest worden onderricht, door een ander vastgehouden. Dit geschiedt echter ook omdat dit sacrament een mens, zoals in het 2°, 4° en 5° artikel dezer kwestie gezegd wordt, de volheid van zijn geestelijke wasdom geeft, zodat hij die tot dit sacrament nadert alsof hij geestelijkerwijze nog onbeholpen en klein was, daarbij ondersteund wordt.
B: (Heb 12:9) [b:Heb 12:9]
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1] q. 72 a. 4[t:iiia q. 72 a. 4] q. 72 a. 9[t:iiia q. 72 a. 9] q. 72 a. 2[t:iiia q. 72 a. 2] q. 72 a. 5[t:iiia q. 72 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. Alhoewel degene die gevormd moet worden, kan wat het lichaam betreft een volwassen man zijn, is hij het in geestelijk opzicht in geen geval.
1e Weerlegging. Alhoewel degene die gevormd moet worden, kan wat het lichaam betreft een volwassen man zijn, is hij het in geestelijk opzicht in geen geval.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. Degene die gedoopt is, is wel lid van de heilige Kerk, maar is nog niet in het christelijk leven opgenomen. Daarom wordt hij aan de bisschop, aanvoerder van het christelijk leger, door iemand die er reeds deel van uitmaakt voorgesteld. Niemand mag immers, zolang hij niet zelf gevormd is, een ander bij het vormsel vasthouden.
2e Weerlegging. Degene die gedoopt is, is wel lid van de heilige Kerk, maar is nog niet in het christelijk leven opgenomen. Daarom wordt hij aan de bisschop, aanvoerder van het christelijk leger, door iemand die er reeds deel van uitmaakt voorgesteld. Niemand mag immers, zolang hij niet zelf gevormd is, een ander bij het vormsel vasthouden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 10 ad 3
3e Weerlegging. De Brief aan de Galaten (3, 28) zegt dat: "in Christus Jezus noch mannen noch vrouwen bestaan" en daarom doet het er niet toe of een man dan wel een vrouw iemand bij het vormsel vasthoudt.
3e Weerlegging. De Brief aan de Galaten (3, 28) zegt dat: "in Christus Jezus noch mannen noch vrouwen bestaan" en daarom doet het er niet toe of een man dan wel een vrouw iemand bij het vormsel vasthoudt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 11: Mag alleen een bisschop het Sacrament van het vormsel toedienen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 72 a. 4 ad 3[t:iiia q. 72 a. 4 ad 3]
IIIa q. 72 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert dat de bisschop niet de enige bedienaar is die het vormsel mag toedienen. Gregorius schrijft aan bisschop Januarius het volgende: "Wij hebben vernomen dat sommigen door het feit dat we aan priesters verboden hebben de gedoopten met chrisma te zalven geërgerd werden. Daarbij handelden wij nochtans overeenkomstig de oude gewoonten in de heilige Kerk. Indien nu die maatregel sommige mensen bedroefd dan laten we toe dat daar waar geen bisschop aanwezig is een priester de gedoopte zou met chrisma op het voorhoofd zalven.» Welnu, wat tot de geldigheid der sacramenten vereist wordt mag niet om ergernis te voorkomen worden achterwege gelaten. Zo is het dus niet nodig dat het sacrament door een bisschop zou worden toegediend.
IIIa q. 72 a. 4 ad 3[t:iiia q. 72 a. 4 ad 3]
IIIa q. 72 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert dat de bisschop niet de enige bedienaar is die het vormsel mag toedienen. Gregorius schrijft aan bisschop Januarius het volgende: "Wij hebben vernomen dat sommigen door het feit dat we aan priesters verboden hebben de gedoopten met chrisma te zalven geërgerd werden. Daarbij handelden wij nochtans overeenkomstig de oude gewoonten in de heilige Kerk. Indien nu die maatregel sommige mensen bedroefd dan laten we toe dat daar waar geen bisschop aanwezig is een priester de gedoopte zou met chrisma op het voorhoofd zalven.» Welnu, wat tot de geldigheid der sacramenten vereist wordt mag niet om ergernis te voorkomen worden achterwege gelaten. Zo is het dus niet nodig dat het sacrament door een bisschop zou worden toegediend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 11 arg. 2
Vervolgens. Daar men door het doopsel zo wat de schuld als wat de straf betreft volkomen vergiffenis verkrijgt van alle zonden, — hetgeen bij het vormsel niet geschiedt, — zo is het doopsel van grotere kracht dan het vormsel. Welnu, van ambtswege mag iedere priester het doopsel toedienen, ja zelfs in geval van nood mag zelfs iemand die niet gewijd is het doopsel toedienen. Zo is het dus niet nodig dat dit sacrament door een bisschop zou worden toegediend.
Vervolgens. Daar men door het doopsel zo wat de schuld als wat de straf betreft volkomen vergiffenis verkrijgt van alle zonden, — hetgeen bij het vormsel niet geschiedt, — zo is het doopsel van grotere kracht dan het vormsel. Welnu, van ambtswege mag iedere priester het doopsel toedienen, ja zelfs in geval van nood mag zelfs iemand die niet gewijd is het doopsel toedienen. Zo is het dus niet nodig dat dit sacrament door een bisschop zou worden toegediend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 11 arg. 3
Vervolgens. De kruin van het hoofd, waar volgens de geneesheren de rede dit is de rede in enge zin of het denkvermogen zetelt, is een waardiger deel dan wel het voorhoofd waar de verbeelding zetelt. Welnu, op de kruin mag een gewone priester de gedoopten met het heilig chrisma zalven. Dit mag hij dus nog veel eerder, wat aan het sacrament van het vormsel eigen is, op het voorhoofd doen.
Vervolgens. De kruin van het hoofd, waar volgens de geneesheren de rede dit is de rede in enge zin of het denkvermogen zetelt, is een waardiger deel dan wel het voorhoofd waar de verbeelding zetelt. Welnu, op de kruin mag een gewone priester de gedoopten met het heilig chrisma zalven. Dit mag hij dus nog veel eerder, wat aan het sacrament van het vormsel eigen is, op het voorhoofd doen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 11 s. c.
Daartegenover staat echter wat paus Eugenius in zijn 3° brief zegt: "Het sacrament der handopleging is eerbiedwaardiger, want het kan enkel door de bisschoppen worden toegediend; we lezen toch dat het ten tijde van de apostelen door niemand anders dan door de apostelen werd toegediend. Zo mag het dus ook door niemand anders dan door degenen die de apostelen vervangen worden toegediend. Wordt integendeel anders te werk gegaan, dan is het ongeldig en onvruchtbaar en zal nimmer onder de sacramenten der heilige Kerk gerekend worden." Zo moet dus dit sacrament dat het sacrament der handopleging is door een bisschop worden toegediend.
Daartegenover staat echter wat paus Eugenius in zijn 3° brief zegt: "Het sacrament der handopleging is eerbiedwaardiger, want het kan enkel door de bisschoppen worden toegediend; we lezen toch dat het ten tijde van de apostelen door niemand anders dan door de apostelen werd toegediend. Zo mag het dus ook door niemand anders dan door degenen die de apostelen vervangen worden toegediend. Wordt integendeel anders te werk gegaan, dan is het ongeldig en onvruchtbaar en zal nimmer onder de sacramenten der heilige Kerk gerekend worden." Zo moet dus dit sacrament dat het sacrament der handopleging is door een bisschop worden toegediend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 11 co.
Mijn antwoord. De uiterste bekroning van een werk wordt immer een voortreffelijk en onderlegd deskundige voorbehouden; zoals immers de voorbereiding van het materiaal aan mindere werklieden wordt toegewezen, zo ook zal een hoger aangeschreven werkman de vorm uitwerken, maar de opperste werkman is diegene voor wie hetgeen vervaardigd wordt overeenkomstig zijn doel bestemd wordt. Zo bij voorbeeld worden brieven die door een notaris werden opgesteld door de heer onderschreven. Welnu, zij die in Jezus-Christus geloven zijn enigermate een goddelijk werk; in de eerste Brief aan de Korinthiërs (3, 9) staat toch geschreven: "Gij zijt Gods gebouw". — "Ook zijn de gelovigen, zoals ten andere ook in de tweede Brief aan de Korinthiërs (3, 3) gezegd wordt, een brief die door de Geest Gods geschreven werd." Welnu, dit sacrament van het vormsel is als de eindbekroning van het doopsel zodat de mens door het doopsel als een goddelijk gebouw opgetrokken en als een geestelijke brief geschreven wordt, maar door het vormsel wordt dit gebouw in een tempel van de Heilige Geest herschapen, en die brief met het teken van het heilig kruis onderschreven. Daarom dan wordt de bediening van dit sacrament aan de bisschoppen die in de heilige Kerk de hoogste plaatsen bekleeden voorbehouden. In de primitieve kerk werd immers dit sacrament, door de handenoplegging der apostelen toegediend, zoals in de Hand. 8, staat. Welnu de bisschoppen hebben de plaats van de apostelen ingenomen. Daarvandaan dat Paus Urbanus zegt: "Alle gelovigen moeten om volmaakte christenen te kunnen worden na het doopsel door de handenoplegging der bisschoppen de H. Geest ontvangen."
B: (Acts 8) [b:Acts 8] (1Cor 3:9) [b:1Cor 3:9] (2Cor 3:2) [b:2Cor 3:2] (2Cor 3:3) [b:2Cor 3:3]
Mijn antwoord. De uiterste bekroning van een werk wordt immer een voortreffelijk en onderlegd deskundige voorbehouden; zoals immers de voorbereiding van het materiaal aan mindere werklieden wordt toegewezen, zo ook zal een hoger aangeschreven werkman de vorm uitwerken, maar de opperste werkman is diegene voor wie hetgeen vervaardigd wordt overeenkomstig zijn doel bestemd wordt. Zo bij voorbeeld worden brieven die door een notaris werden opgesteld door de heer onderschreven. Welnu, zij die in Jezus-Christus geloven zijn enigermate een goddelijk werk; in de eerste Brief aan de Korinthiërs (3, 9) staat toch geschreven: "Gij zijt Gods gebouw". — "Ook zijn de gelovigen, zoals ten andere ook in de tweede Brief aan de Korinthiërs (3, 3) gezegd wordt, een brief die door de Geest Gods geschreven werd." Welnu, dit sacrament van het vormsel is als de eindbekroning van het doopsel zodat de mens door het doopsel als een goddelijk gebouw opgetrokken en als een geestelijke brief geschreven wordt, maar door het vormsel wordt dit gebouw in een tempel van de Heilige Geest herschapen, en die brief met het teken van het heilig kruis onderschreven. Daarom dan wordt de bediening van dit sacrament aan de bisschoppen die in de heilige Kerk de hoogste plaatsen bekleeden voorbehouden. In de primitieve kerk werd immers dit sacrament, door de handenoplegging der apostelen toegediend, zoals in de Hand. 8, staat. Welnu de bisschoppen hebben de plaats van de apostelen ingenomen. Daarvandaan dat Paus Urbanus zegt: "Alle gelovigen moeten om volmaakte christenen te kunnen worden na het doopsel door de handenoplegging der bisschoppen de H. Geest ontvangen."
B: (Acts 8) [b:Acts 8] (1Cor 3:9) [b:1Cor 3:9] (2Cor 3:2) [b:2Cor 3:2] (2Cor 3:3) [b:2Cor 3:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 11 ad 1
1e Weerlegging. In de H. Kerk komt de volheid der macht aan de Paus toe en daarom mag hij wat feitelijk aan waardiger bedienaars toekomt aan mindere bedienaars opdragen. Zo heeft hij aan priesters de macht geschonken om, hoewel zulks aan de bisschoppen toekomt, de mindere orden toe te dienen. Zo ook heeft de H. Gregorius op grond van bewuste volmacht aan gewone priesters verlof gegeven om, tot er geen aanleiding tot ergernis meer zou zijn, het vormsel toe te dienen.
1e Weerlegging. In de H. Kerk komt de volheid der macht aan de Paus toe en daarom mag hij wat feitelijk aan waardiger bedienaars toekomt aan mindere bedienaars opdragen. Zo heeft hij aan priesters de macht geschonken om, hoewel zulks aan de bisschoppen toekomt, de mindere orden toe te dienen. Zo ook heeft de H. Gregorius op grond van bewuste volmacht aan gewone priesters verlof gegeven om, tot er geen aanleiding tot ergernis meer zou zijn, het vormsel toe te dienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 11 ad 2
2e Weerlegging. Wanneer het om de verdrijving van het kwaad gaat is het doopsel krachtiger dan het vormsel; het doopsel immers is een geestelijke wedergeboorte die een overgang van niet-zijn tot zijn teweeg brengt. Gaat het echter om vorderingen in het goede, dan vermag het vormsel meer; het betekent namelijk een geestelijke groei van onvolmaaktheid tot volmaaktheid en daarom moet dit sacrament aan de waardigste bedienaars voorbehouden blijven.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 72 a. 8 arg. 1[t:iiia q. 72 a. 8 arg. 1]
2e Weerlegging. Wanneer het om de verdrijving van het kwaad gaat is het doopsel krachtiger dan het vormsel; het doopsel immers is een geestelijke wedergeboorte die een overgang van niet-zijn tot zijn teweeg brengt. Gaat het echter om vorderingen in het goede, dan vermag het vormsel meer; het betekent namelijk een geestelijke groei van onvolmaaktheid tot volmaaktheid en daarom moet dit sacrament aan de waardigste bedienaars voorbehouden blijven.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 72 a. 8 arg. 1[t:iiia q. 72 a. 8 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 11 ad 3
3e Weerlegging. In zijn Boek over de vorming der priesters (1, 31) zegt Rabanus Maurus het volgende: "De gedoopte wordt door de priester met chrisma op de kruin, en door de bisschop op het voorhoofd getekend. De eerste zalving geeft te kennen dat de H. Geest op hem nederdaalt om hem te wijden en dit huis van God in te zegenen; in het tweede geval integendeel betekent die zalving dat de zeven gaven van de H. Geest de mensen met volkomenheid van heiligheid, wetenschap en deugd gegeven worden." Zo blijft dus dit sacrament, niet omdat het de zalving van een waardiger lichaamsdeel geldt, maar wel omdat het uitwerksel van dit sacrament voortreffelijker is, aan de bisschoppen voorbehouden.
3e Weerlegging. In zijn Boek over de vorming der priesters (1, 31) zegt Rabanus Maurus het volgende: "De gedoopte wordt door de priester met chrisma op de kruin, en door de bisschop op het voorhoofd getekend. De eerste zalving geeft te kennen dat de H. Geest op hem nederdaalt om hem te wijden en dit huis van God in te zegenen; in het tweede geval integendeel betekent die zalving dat de zeven gaven van de H. Geest de mensen met volkomenheid van heiligheid, wetenschap en deugd gegeven worden." Zo blijft dus dit sacrament, niet omdat het de zalving van een waardiger lichaamsdeel geldt, maar wel omdat het uitwerksel van dit sacrament voortreffelijker is, aan de bisschoppen voorbehouden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 12: Werd de ritus van dit Sacrament naar behoren ingesteld?
IIIa q. 72 a. 12 arg. 1
Over het twaalfde als volgt. Men beweert dat de ritus van dit sacrament niet naar behoren werd ingesteld. - 1. Het doopsel is, zoals in het 4 art. der 65° kw. gezegd werd meer onontbeerlijk dan het vormsel. Welnu, het doopsel wordt op bepaalde tijdstippen met Pasen nl. en met Pinksteren toegediend. Zo moet dus ook voor het vormsel een tijdstip bepaald worden.
R: q. 72 a. 2 ad 4[t:iiia q. 72 a. 2 ad 4] q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Over het twaalfde als volgt. Men beweert dat de ritus van dit sacrament niet naar behoren werd ingesteld. - 1. Het doopsel is, zoals in het 4 art. der 65° kw. gezegd werd meer onontbeerlijk dan het vormsel. Welnu, het doopsel wordt op bepaalde tijdstippen met Pasen nl. en met Pinksteren toegediend. Zo moet dus ook voor het vormsel een tijdstip bepaald worden.
R: q. 72 a. 2 ad 4[t:iiia q. 72 a. 2 ad 4] q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 12 arg. 2
Vervolgens. Dit sacrament vraagt net zoals het doopsel zo bij de bedienaar als bij de vormeling godsvrucht. Welnu bij het doopsel wordt niet vereist dat de bedienaar en de dopeling zouden nuchter zijn. Zo heeft dus de kerkvergadering van Orléans ten onrechte voorgeschreven dat men alleen nuchter het vormsel zou ontvangen en de kerkvergadering van Meaux dat de bisschoppen alleen nuchter door handoplegging den H. Geest zouden geven.
Vervolgens. Dit sacrament vraagt net zoals het doopsel zo bij de bedienaar als bij de vormeling godsvrucht. Welnu bij het doopsel wordt niet vereist dat de bedienaar en de dopeling zouden nuchter zijn. Zo heeft dus de kerkvergadering van Orléans ten onrechte voorgeschreven dat men alleen nuchter het vormsel zou ontvangen en de kerkvergadering van Meaux dat de bisschoppen alleen nuchter door handoplegging den H. Geest zouden geven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 12 arg. 3
Vervolgens. Het chrisma is, zoals hierboven in het 72e art. gezegd werd, een teken van de volheid van den H. Geest. Welnu, zoals in de Hand. der apostelen (2) geschreven staat, werd op Pinksteren de volheid van de H. Geest aan de gelovigen gegeven. Zo moet dus het chrisma veeleer op Pinksteren dan wel op Witte Donderdag voorbereid en gewijd worden.
R: q. 72 a. 2[t:iiia q. 72 a. 2]
Vervolgens. Het chrisma is, zoals hierboven in het 72e art. gezegd werd, een teken van de volheid van den H. Geest. Welnu, zoals in de Hand. der apostelen (2) geschreven staat, werd op Pinksteren de volheid van de H. Geest aan de gelovigen gegeven. Zo moet dus het chrisma veeleer op Pinksteren dan wel op Witte Donderdag voorbereid en gewijd worden.
R: q. 72 a. 2[t:iiia q. 72 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 12 s. c.
Daartegenover staan echter de gebruiken die in de H. Kerk. die toch door den H. Geest bestuurd wordt, in voege zijn.
Daartegenover staan echter de gebruiken die in de H. Kerk. die toch door den H. Geest bestuurd wordt, in voege zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 12 co.
Mijn antwoord. De Heer Jezus zegt bij Mt. (18, 20) "Waar twee of drie samen in mijn naam vergaderd zijn, daar ben Ik te midden van hen." Daarom moet men aannemen dat de verordeningen der H. Kerk door de wijsheid van Christus werden ingegeven en zo is het ook zeker dat de ritus die door de H. Kerk bij dit en bij andere sacramenten wordt in acht genomen op behoorlijke wijze werd ingesteld.
Mijn antwoord. De Heer Jezus zegt bij Mt. (18, 20) "Waar twee of drie samen in mijn naam vergaderd zijn, daar ben Ik te midden van hen." Daarom moet men aannemen dat de verordeningen der H. Kerk door de wijsheid van Christus werden ingegeven en zo is het ook zeker dat de ritus die door de H. Kerk bij dit en bij andere sacramenten wordt in acht genomen op behoorlijke wijze werd ingesteld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 12 ad 1
1e Weerlegging. Paus Melchiades zegt het volgende: "Die twee sacramenten, het doopsel en heili vormsel zijn zo nauw met elkander verbonden dat beide behalve door de dood niet van elkander kunnen gescheiden worden en dat het ene niet kan worden toegediend zonder het andere." Daarom werd om plechtig het doopsel toe te dienen en om dit sacrament toe te dienen eenzelfde tijd bepaald. Daar echter dit sacrament alleen door de bisschoppen die niet altijd daar waar priesters dopen kunnen aanwezig zijn wordt toegediend, zo is in het dagelijkse leven nodig gebleken het vormseI soms lot later tijd uit te stellen.
1e Weerlegging. Paus Melchiades zegt het volgende: "Die twee sacramenten, het doopsel en heili vormsel zijn zo nauw met elkander verbonden dat beide behalve door de dood niet van elkander kunnen gescheiden worden en dat het ene niet kan worden toegediend zonder het andere." Daarom werd om plechtig het doopsel toe te dienen en om dit sacrament toe te dienen eenzelfde tijd bepaald. Daar echter dit sacrament alleen door de bisschoppen die niet altijd daar waar priesters dopen kunnen aanwezig zijn wordt toegediend, zo is in het dagelijkse leven nodig gebleken het vormseI soms lot later tijd uit te stellen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 12 ad 2
2e Weerlegging. Van dit verbod worden zoals we in de statuten van de kerkvergadering van Meaux lezen de zieken en degenen die in doodsgevaar zijn ontslagen. Daarom ook wordt om reden van de grote menigte mensen die moet gevormd worden en ook uit vrees voor ongevallen, toegelaten dit sacrament zelfs als de mensen niet nuchter zijn toe te dienen en te ontvangen. Het gaat immers niet aan dat de bisschop die alleen gemachtigd is om het toe te dienen vooral in een groot bisdom binnen een zo beperkte tijd zoveel mensen zou vormen. Waar echter dit voorschrift kan worden nagekomen is het beter dit sacrament nuchter toe te dienen en te ontvangen.
2e Weerlegging. Van dit verbod worden zoals we in de statuten van de kerkvergadering van Meaux lezen de zieken en degenen die in doodsgevaar zijn ontslagen. Daarom ook wordt om reden van de grote menigte mensen die moet gevormd worden en ook uit vrees voor ongevallen, toegelaten dit sacrament zelfs als de mensen niet nuchter zijn toe te dienen en te ontvangen. Het gaat immers niet aan dat de bisschop die alleen gemachtigd is om het toe te dienen vooral in een groot bisdom binnen een zo beperkte tijd zoveel mensen zou vormen. Waar echter dit voorschrift kan worden nagekomen is het beter dit sacrament nuchter toe te dienen en te ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 72 a. 12 ad 3
3e Weerlegging. Paus Martinus deed in de kerkvergadering beslissen dat het chrisma altijd moest gewijd worden; daar echter het plechtige doopsel met de vigilie van Pasen wordt toegediend en men daartoe chrisma nodig heeft, zo werd beslist opdat het zou kunnen over heel het bisdom uitgedeeld worden het chrisma twee dagen op voorhand door de bisschop te laten wijden. Witte Donderdag is immers, daar de H. Eucharistie waar alle sacramenten zoals hierboven in het 3 art. der 65° kw. gezegd werd enigszins op gericht zijn, op deze dag werd ingesteld, om de stof van de Sacramenten te wijden een uitstekende dag.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3]
3e Weerlegging. Paus Martinus deed in de kerkvergadering beslissen dat het chrisma altijd moest gewijd worden; daar echter het plechtige doopsel met de vigilie van Pasen wordt toegediend en men daartoe chrisma nodig heeft, zo werd beslist opdat het zou kunnen over heel het bisdom uitgedeeld worden het chrisma twee dagen op voorhand door de bisschop te laten wijden. Witte Donderdag is immers, daar de H. Eucharistie waar alle sacramenten zoals hierboven in het 3 art. der 65° kw. gezegd werd enigszins op gericht zijn, op deze dag werd ingesteld, om de stof van de Sacramenten te wijden een uitstekende dag.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Over de Eucharistie (73-83)
- Q 73: Over het Sacrament der Eucharistie op zich genomen
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 80 a. 1 co.
IIIa q. 80 a. 10 arg. 2
Suppl q. 30 a. 1 co.[t:iiia q. 80 a. 1 co.][t:iiia q. 80 a. 10 arg. 2][t:suppl q. 30 a. 1 co.]
IIIa q. 73 pr.
Wij moeten nu gaan handelen over het Sacrament der Eucharistie; en wel
ten eerste over het Sacrament zelf;
ten tweede over de stof;
ten derde over de vorm;
ten vierde over de uitwerkselen;
ten vijfde over de ontvangers van dit Sacrament;
ten zesde over de bedienaar;
ten zevende over de ritus.
Omtrent het eerste punt stellen wij zes vragen:
1. Is de Eucharistie een sacrament?
2. Is zij één of meerdere sacramenten?
3. Is zij voor ons heil noodzakelijk?
4. Over hare benamingen.
5. Over haar instelling.
6. Over haar voorafbeeldingen.
IIIa q. 80 a. 1 co.
IIIa q. 80 a. 10 arg. 2
Suppl q. 30 a. 1 co.[t:iiia q. 80 a. 1 co.][t:iiia q. 80 a. 10 arg. 2][t:suppl q. 30 a. 1 co.]
IIIa q. 73 pr.
Wij moeten nu gaan handelen over het Sacrament der Eucharistie; en wel
ten eerste over het Sacrament zelf;
ten tweede over de stof;
ten derde over de vorm;
ten vierde over de uitwerkselen;
ten vijfde over de ontvangers van dit Sacrament;
ten zesde over de bedienaar;
ten zevende over de ritus.
Omtrent het eerste punt stellen wij zes vragen:
1. Is de Eucharistie een sacrament?
2. Is zij één of meerdere sacramenten?
3. Is zij voor ons heil noodzakelijk?
4. Over hare benamingen.
5. Over haar instelling.
6. Over haar voorafbeeldingen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is de Eucharistie een Sacrament?
IIIa q. 73 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de Eucharistie geen sacrament is. Op hetzelfde doel immers moeten niet twee sacramenten gericht zijn, daar ieder sacrament voldoende kracht heeft om zijn eigen uitwerksel voort te brengen. Gegeven dus dat op de volmaaktheid gericht is zowel het vormsel als de Eucharistie, gelijk Dionysius zegt, schijnt te volgen, dat de Eucharistie geen sacrament is, want het vormsel is een sacrament, zoals boven werd uiteengezet (vorige Kw. 1° Art. en 65° Kw. 1° Art.).
R: q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1] q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1]
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de Eucharistie geen sacrament is. Op hetzelfde doel immers moeten niet twee sacramenten gericht zijn, daar ieder sacrament voldoende kracht heeft om zijn eigen uitwerksel voort te brengen. Gegeven dus dat op de volmaaktheid gericht is zowel het vormsel als de Eucharistie, gelijk Dionysius zegt, schijnt te volgen, dat de Eucharistie geen sacrament is, want het vormsel is een sacrament, zoals boven werd uiteengezet (vorige Kw. 1° Art. en 65° Kw. 1° Art.).
R: q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1] q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Bij de sacramenten van de Nieuwe Wet bewerkt het zintuigelijk zichtbare het onzichtbare uitwerksel van het sacrament, zoals de afwassing met water het merkteken van het doopsel en de geestelijke afwassing bewerkt, gelijk boven gezegd is (63° Kw. 6° Art.; 66° Kw. 1°, 3°, 7° Art.). Maar de gedaanten van brood en wijn, die het zintuigelijk zichtbare in dit Sacrament zijn, bewerken noch het waarachtig Lichaam van Christus, dat werkelijkheid en sacrament is, noch het mystiek Lichaam, dat alleen werkelijkheid is in de Eucharistie. Dus schijnt de Eucharistie geen sacrament van de Nieuwe Wet te zijn.
R: q. 63 a. 6[t:iiia q. 63 a. 6] q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1] q. 66 a. 3[t:iiia q. 66 a. 3] q. 66 a. 7[t:iiia q. 66 a. 7]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 73 a. 3 co.[t:iiia q. 73 a. 3 co.]
Vervolgens. Bij de sacramenten van de Nieuwe Wet bewerkt het zintuigelijk zichtbare het onzichtbare uitwerksel van het sacrament, zoals de afwassing met water het merkteken van het doopsel en de geestelijke afwassing bewerkt, gelijk boven gezegd is (63° Kw. 6° Art.; 66° Kw. 1°, 3°, 7° Art.). Maar de gedaanten van brood en wijn, die het zintuigelijk zichtbare in dit Sacrament zijn, bewerken noch het waarachtig Lichaam van Christus, dat werkelijkheid en sacrament is, noch het mystiek Lichaam, dat alleen werkelijkheid is in de Eucharistie. Dus schijnt de Eucharistie geen sacrament van de Nieuwe Wet te zijn.
R: q. 63 a. 6[t:iiia q. 63 a. 6] q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1] q. 66 a. 3[t:iiia q. 66 a. 3] q. 66 a. 7[t:iiia q. 66 a. 7]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 73 a. 3 co.[t:iiia q. 73 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 1 arg. 3
Vervolgens. De sacramenten van de Nieuwe Wet, die een stof hebben, komen tot stand door het gebruik van de stof, zoals het doopsel door de afwassing en het vormsel door het tekenen met de balsem. Indien dus de Eucharistie een sacrament was, zou zij tot stand komen door het gebruik van de stof, niet door de consecratie ervan; dit evenwel blijkt vals te zijn, want de vorm van dit Sacrament zijn de woorden, die bij de consecratie van de stof gezegd worden, zoals later zal worden aangetoond (78e Kw. 1e Art.). Dus is de Eucharistie geen sacrament.
R: q. 78 a. 1[t:iiia q. 78 a. 1]
Vervolgens. De sacramenten van de Nieuwe Wet, die een stof hebben, komen tot stand door het gebruik van de stof, zoals het doopsel door de afwassing en het vormsel door het tekenen met de balsem. Indien dus de Eucharistie een sacrament was, zou zij tot stand komen door het gebruik van de stof, niet door de consecratie ervan; dit evenwel blijkt vals te zijn, want de vorm van dit Sacrament zijn de woorden, die bij de consecratie van de stof gezegd worden, zoals later zal worden aangetoond (78e Kw. 1e Art.). Dus is de Eucharistie geen sacrament.
R: q. 78 a. 1[t:iiia q. 78 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in een collecte gezegd wordt: "Moge dit Uw Sacrament ons niet strafschuldig maken".
Daartegenover staat echter, dat in een collecte gezegd wordt: "Moge dit Uw Sacrament ons niet strafschuldig maken".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 1 co.
Mijn antwoord. De sacramenten der Kerk zijn er op gericht om de mens te helpen in het geestelijk leven. Het geestelijk leven echter heeft overeenkomst met het lichamelijk leven, omdat de lichamelijke dingen afbeeldingen zijn van de geestelijke dingen. Nu is het duidelijk, dat voor het lichamelijk leven niet alleen een geboorte vereist wordt, waardoor de mens het leven ontvangt, en groei, waardoor de mens tot volkomenheid van leven geraakt, maar ook voedsel, waardoor de mens in het leven bewaard blijft. Derhalve is er voor het geestelijk leven niet alleen het doopsel nodig als geestelijke geboorte en het vormsel als geestelijke groei, maar ook het sacrament der Eucharistie als geestelijk voedsel.
Mijn antwoord. De sacramenten der Kerk zijn er op gericht om de mens te helpen in het geestelijk leven. Het geestelijk leven echter heeft overeenkomst met het lichamelijk leven, omdat de lichamelijke dingen afbeeldingen zijn van de geestelijke dingen. Nu is het duidelijk, dat voor het lichamelijk leven niet alleen een geboorte vereist wordt, waardoor de mens het leven ontvangt, en groei, waardoor de mens tot volkomenheid van leven geraakt, maar ook voedsel, waardoor de mens in het leven bewaard blijft. Derhalve is er voor het geestelijk leven niet alleen het doopsel nodig als geestelijke geboorte en het vormsel als geestelijke groei, maar ook het sacrament der Eucharistie als geestelijk voedsel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Er is een dubbele volmaaktheid: de een is in de mens zelf en tot haar geraakt men door de groei; deze volmaaktheid komt toe aan het vormsel. De andere verkrijgt de mens door toevoeging van iets van buiten af, dat de mens in stand houdt, zoals door toevoeging van voedsel, kleding e.d.; deze volmaaktheid komt toe aan de Eucharistie, die een geestelijk voedsel is.
1e Weerlegging. Er is een dubbele volmaaktheid: de een is in de mens zelf en tot haar geraakt men door de groei; deze volmaaktheid komt toe aan het vormsel. De andere verkrijgt de mens door toevoeging van iets van buiten af, dat de mens in stand houdt, zoals door toevoeging van voedsel, kleding e.d.; deze volmaaktheid komt toe aan de Eucharistie, die een geestelijk voedsel is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Dat het doopwater een geestelijk uitwerksel tot stand brengt, komt niet van het water zelf maar van de kracht van de H. Geest, die in het water is: bij Joannes (5. 4): "Een engel des Heren daalde van tijd tot tijd" enz. zegt dan ook Chrysostomus: "In de dopelingen werkt niet het water zonder meer, nee, slechts wanneer het de genade van de H. Geest in zich heeft opgenomen, delgt het alle zonden uit». Zoals nu de kracht van de H. Geest zich verhoudt tot het doopwater, zo verhoudt zich het waarachtig Lichaam van Christus tot de gedaanten van brood en wijn. Daarom werken de gedaanten van brood en wijn niets uit tenzij door de kracht van het waarachtig Lichaam van Christus.
B: (John 5:4) [b:John 5:4]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 67 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 67 a. 2 arg. 1]
2e Weerlegging. Dat het doopwater een geestelijk uitwerksel tot stand brengt, komt niet van het water zelf maar van de kracht van de H. Geest, die in het water is: bij Joannes (5. 4): "Een engel des Heren daalde van tijd tot tijd" enz. zegt dan ook Chrysostomus: "In de dopelingen werkt niet het water zonder meer, nee, slechts wanneer het de genade van de H. Geest in zich heeft opgenomen, delgt het alle zonden uit». Zoals nu de kracht van de H. Geest zich verhoudt tot het doopwater, zo verhoudt zich het waarachtig Lichaam van Christus tot de gedaanten van brood en wijn. Daarom werken de gedaanten van brood en wijn niets uit tenzij door de kracht van het waarachtig Lichaam van Christus.
B: (John 5:4) [b:John 5:4]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 67 a. 2 arg. 1[t:iiia q. 67 a. 2 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Een sacrament heeft zijn naam hiervandaan, dat het iets sacrums, iets heiligs bevat. Nu kan iets op twee manieren heilig zijn nl. op zich en in verhouding tot iets anders. De Eucharistie (en hierdoor verschilt zij van de andere sacramenten met een zintuigelijk waarneembare stof) bevat op zich iets heiligs nl. Christus Zelf; het doopwater daarentegen bevat iets heiligs in verhouding tot iets anders. t.w. een heiligende kracht; en hetzelfde geldt van het vormsel e.d. En daarom komt het Sacrament der Eucharistie tot stand bij de consecratie van de stof: de andere sacramenten echter komen tot stand, als de stof op de te heiligen mens wordt toegepast. En hieruit volgt nog een ander verschil. Bij het Sacrament der Eucharistie bevindt zich datgene, wat werkelijkheid en sacrament is, in de stof zelf; datgene echter, wat alleen werkelijkheid is, bevindt zich in de ontvanger nl. de meegedeelde genade. Bij het doopsel daarentegen zijn beide in de ontvanger: zowel het merkteken, dat werkelijkheid en sacrament is, als de zondenvergevende genade, die alleen werkelijkheid is. En hetzelfde geldt van de andere sacramenten.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 73 a. 2 arg. 3
IIIa q. 74 a. 7 co.[t:iiia q. 73 a. 2 arg. 3][t:iiia q. 74 a. 7 co.]
3e Weerlegging. Een sacrament heeft zijn naam hiervandaan, dat het iets sacrums, iets heiligs bevat. Nu kan iets op twee manieren heilig zijn nl. op zich en in verhouding tot iets anders. De Eucharistie (en hierdoor verschilt zij van de andere sacramenten met een zintuigelijk waarneembare stof) bevat op zich iets heiligs nl. Christus Zelf; het doopwater daarentegen bevat iets heiligs in verhouding tot iets anders. t.w. een heiligende kracht; en hetzelfde geldt van het vormsel e.d. En daarom komt het Sacrament der Eucharistie tot stand bij de consecratie van de stof: de andere sacramenten echter komen tot stand, als de stof op de te heiligen mens wordt toegepast. En hieruit volgt nog een ander verschil. Bij het Sacrament der Eucharistie bevindt zich datgene, wat werkelijkheid en sacrament is, in de stof zelf; datgene echter, wat alleen werkelijkheid is, bevindt zich in de ontvanger nl. de meegedeelde genade. Bij het doopsel daarentegen zijn beide in de ontvanger: zowel het merkteken, dat werkelijkheid en sacrament is, als de zondenvergevende genade, die alleen werkelijkheid is. En hetzelfde geldt van de andere sacramenten.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 73 a. 2 arg. 3
IIIa q. 74 a. 7 co.[t:iiia q. 73 a. 2 arg. 3][t:iiia q. 74 a. 7 co.]
Referenties naar deze alinea: 3
De werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de H. Eucharistie en de wijze van te Communie gaan ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is de Eucharistie één Sacrament of meerdere
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 73 a. 4 arg. 1
IIIa q. 78 a. 6 arg. 2
IIIa q. 78 a. 6 ad 2
IIIa q. 80 a. 12 arg. 2[t:iiia q. 73 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 78 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 78 a. 6 ad 2][t:iiia q. 80 a. 12 arg. 2]
IIIa q. 73 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de Eucharistie niet één sacrament is, maar meerdere. In een collecte toch wordt gezegd: "Wij bidden, Heer, mogen de sacramenten, die wij hebben ontvangen, ons reinigen»: wat gezegd wordt met het oog op de Eucharistie. Dus is de Eucharistie niet één sacrament, maar meerdere.
IIIa q. 73 a. 4 arg. 1
IIIa q. 78 a. 6 arg. 2
IIIa q. 78 a. 6 ad 2
IIIa q. 80 a. 12 arg. 2[t:iiia q. 73 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 78 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 78 a. 6 ad 2][t:iiia q. 80 a. 12 arg. 2]
IIIa q. 73 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de Eucharistie niet één sacrament is, maar meerdere. In een collecte toch wordt gezegd: "Wij bidden, Heer, mogen de sacramenten, die wij hebben ontvangen, ons reinigen»: wat gezegd wordt met het oog op de Eucharistie. Dus is de Eucharistie niet één sacrament, maar meerdere.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Het is onmogelijk, dat bij vermenigvuldiging van het geslacht de soort niet vermenigvuldigd wordt, zodat b.v. één mens verschillende dieren zou zijn. Nu is, gelijk boven werd gezegd (60° Kw. 1° Art.), het geslacht, waartoe het sacrament behoort, het teken. Gegeven dus dat er in de Eucharistie meerdere tekenen zijn nl. die van brood en wijn, schijnt te volgen, dat er ook meerdere Sacramenten in zijn.
R: q. 60 a. 1[t:iiia q. 60 a. 1]
Vervolgens. Het is onmogelijk, dat bij vermenigvuldiging van het geslacht de soort niet vermenigvuldigd wordt, zodat b.v. één mens verschillende dieren zou zijn. Nu is, gelijk boven werd gezegd (60° Kw. 1° Art.), het geslacht, waartoe het sacrament behoort, het teken. Gegeven dus dat er in de Eucharistie meerdere tekenen zijn nl. die van brood en wijn, schijnt te volgen, dat er ook meerdere Sacramenten in zijn.
R: q. 60 a. 1[t:iiia q. 60 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Dit sacrament komt tot stand bij de consecratie van de stof, zoals gezegd is (1° Art. 3° Antw.). Welnu, in dit sacrament is er een dubbele consecratie van de stof. Dus is er ook een dubbel sacrament.
R: q. 73 a. 1 ad 3[t:iiia q. 73 a. 1 ad 3]
Vervolgens. Dit sacrament komt tot stand bij de consecratie van de stof, zoals gezegd is (1° Art. 3° Antw.). Welnu, in dit sacrament is er een dubbele consecratie van de stof. Dus is er ook een dubbel sacrament.
R: q. 73 a. 1 ad 3[t:iiia q. 73 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10. 17): "Hoewel velen vormen wij één brood en één lichaam, wij allen, die deel hebben aan één brood en aan één kelk". Hieruit blijkt dat de Eucharistie het sacrament is van de kerkelijke eenheid. Nu gelijkt een sacrament op de werkelijkheid, waarvan het een sacrament is. Dus is de Eucharistie één sacrament.
B: (1Cor 10:17) [b:1Cor 10:17]
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10. 17): "Hoewel velen vormen wij één brood en één lichaam, wij allen, die deel hebben aan één brood en aan één kelk". Hieruit blijkt dat de Eucharistie het sacrament is van de kerkelijke eenheid. Nu gelijkt een sacrament op de werkelijkheid, waarvan het een sacrament is. Dus is de Eucharistie één sacrament.
B: (1Cor 10:17) [b:1Cor 10:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals in de Metaphysica gezegd wordt, noemt men iets één, niet alleen wanneer het ondeelbaar of aaneengesloten is, maar ook wanneer het volkomen is; zo zegt men: één huis en één mens. Op deze laatste wijze is iets één, als het zijn volledigheid bereikt door de aanwezigheid van alles wat tot zijn doel vereist wordt, zoals een mens volledig is bij aanwezigheid van alle voor de zielswerkingen benodigde ledematen, en een huis bij aanwezigheid van alle voor de bewoonbaarheid benodigde delen. En zo is ook dit Sacrament één. Want het is gericht op onze geestelijke voeding, welke overeenkomst heeft met de lichamelijke. Voor de lichamelijke voeding nu zijn twee zaken vereist, namelijk spijs als vast voedsel en drank als vloeibaar voedsel. En dus vindt dit Sacrament ook zijn volledigheid in de aanwezigheid van twee zaken, namelijk een geestelijke spijs en een geestelijke drank, volgens Joannes (6. 56): "Mijn Vlees is waarlijk spijs en Mijn Bloed is waarlijk drank". Dus is dit Sacrament naar de stof genomen wel veelvuldig, maar naar vorm en volkomenheid is het één.
Mijn antwoord. Zoals in de Metaphysica gezegd wordt, noemt men iets één, niet alleen wanneer het ondeelbaar of aaneengesloten is, maar ook wanneer het volkomen is; zo zegt men: één huis en één mens. Op deze laatste wijze is iets één, als het zijn volledigheid bereikt door de aanwezigheid van alles wat tot zijn doel vereist wordt, zoals een mens volledig is bij aanwezigheid van alle voor de zielswerkingen benodigde ledematen, en een huis bij aanwezigheid van alle voor de bewoonbaarheid benodigde delen. En zo is ook dit Sacrament één. Want het is gericht op onze geestelijke voeding, welke overeenkomst heeft met de lichamelijke. Voor de lichamelijke voeding nu zijn twee zaken vereist, namelijk spijs als vast voedsel en drank als vloeibaar voedsel. En dus vindt dit Sacrament ook zijn volledigheid in de aanwezigheid van twee zaken, namelijk een geestelijke spijs en een geestelijke drank, volgens Joannes (6. 56): "Mijn Vlees is waarlijk spijs en Mijn Bloed is waarlijk drank". Dus is dit Sacrament naar de stof genomen wel veelvuldig, maar naar vorm en volkomenheid is het één.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. In dezelfde collecte wordt eerst in het meervoud gezegd: "Mogen de Sacramenten, die wij hebben ontvangen, ons reinigen" en heet het later in het enkelvoud: "Moge dit Uw Sacrament ons niet strafschuldig maken", waardoor wordt aangegeven dat dit Sacrament op een bepaalde manier veelvuldig is, maar volstrekt genomen één.
1e Weerlegging. In dezelfde collecte wordt eerst in het meervoud gezegd: "Mogen de Sacramenten, die wij hebben ontvangen, ons reinigen" en heet het later in het enkelvoud: "Moge dit Uw Sacrament ons niet strafschuldig maken", waardoor wordt aangegeven dat dit Sacrament op een bepaalde manier veelvuldig is, maar volstrekt genomen één.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Brood en wijn zijn naar de stof verschillende tekenen, maar naar vorm en volkomenheid zijn zij één, voorzover zij één maaltijd vormen.
2e Weerlegging. Brood en wijn zijn naar de stof verschillende tekenen, maar naar vorm en volkomenheid zijn zij één, voorzover zij één maaltijd vormen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Uit het feit, dat er in dit sacrament een dubbele consecratie plaats heeft, kan men alleen afleiden, dat dit sacrament, zoals gezegd is (in de Leerst.), naar de stof veelvuldig is.
3e Weerlegging. Uit het feit, dat er in dit sacrament een dubbele consecratie plaats heeft, kan men alleen afleiden, dat dit sacrament, zoals gezegd is (in de Leerst.), naar de stof veelvuldig is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is dit Sacrament voor ons heil noodzakelijk?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIa-IIae q. 100 a. 2 arg. 1
IIIa q. 74 a. 4 arg. 3
IIIa q. 79 a. 1 ad 1
IIIa q. 80 a. 1 ad 3
IIIa q. 80 a. 11 arg. 2[t:iia-iiae q. 100 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 74 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 79 a. 1 ad 1][t:iiia q. 80 a. 1 ad 3][t:iiia q. 80 a. 11 arg. 2]
IIIa q. 73 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat dit Sacrament voor ons heil noodzakelijk is. De Heer toch zegt bij Joannes (6. 54): "Tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn Bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben". Welnu, in dit Sacrament wordt het Vlees van Christus gegeten en Zijn Bloed gedronken. Dus bestaat er in het geestelijk leven geen heil voor de mens tenzij door dit Sacrament.
B: (John 6:54, John 6:54) [b:John 6:54]
IIa-IIae q. 100 a. 2 arg. 1
IIIa q. 74 a. 4 arg. 3
IIIa q. 79 a. 1 ad 1
IIIa q. 80 a. 1 ad 3
IIIa q. 80 a. 11 arg. 2[t:iia-iiae q. 100 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 74 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 79 a. 1 ad 1][t:iiia q. 80 a. 1 ad 3][t:iiia q. 80 a. 11 arg. 2]
IIIa q. 73 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat dit Sacrament voor ons heil noodzakelijk is. De Heer toch zegt bij Joannes (6. 54): "Tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn Bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben". Welnu, in dit Sacrament wordt het Vlees van Christus gegeten en Zijn Bloed gedronken. Dus bestaat er in het geestelijk leven geen heil voor de mens tenzij door dit Sacrament.
B: (John 6:54, John 6:54) [b:John 6:54]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Dit Sacrament is een geestelijk voedsel. Nu is het lichamelijk voedsel noodzakelijk voor het lichamelijk heil. Dus is ook dit Sacrament noodzakelijk voor het geestelijk heil.
Vervolgens. Dit Sacrament is een geestelijk voedsel. Nu is het lichamelijk voedsel noodzakelijk voor het lichamelijk heil. Dus is ook dit Sacrament noodzakelijk voor het geestelijk heil.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Zoals het doopsel het sacrament is van het lijden des Heren, waarbuiten geen heil mogelijk is, zo ook de Eucharistie: de Apostel zegt immers in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 26): "Zo dikwijls gij dat brood zult eten en de kelk zult drinken, zult gij de dood des Heren verkondigen, tot dat Hij komt". Zoals derhalve het doopsel noodzakelijk is voor ons heil, zo ook dit sacrament.
B: (1Cor 11:26) [b:1Cor 11:26]
Vervolgens. Zoals het doopsel het sacrament is van het lijden des Heren, waarbuiten geen heil mogelijk is, zo ook de Eucharistie: de Apostel zegt immers in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 26): "Zo dikwijls gij dat brood zult eten en de kelk zult drinken, zult gij de dood des Heren verkondigen, tot dat Hij komt". Zoals derhalve het doopsel noodzakelijk is voor ons heil, zo ook dit sacrament.
B: (1Cor 11:26) [b:1Cor 11:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus aan Bonifacius schrijft: "Denkt ook niet, dat de kinderen het leven niet kunnen verwerven, omdat zij verstoken blijven van het Lichaam en Bloed des Heren".
Daartegenover staat echter, dat Augustinus aan Bonifacius schrijft: "Denkt ook niet, dat de kinderen het leven niet kunnen verwerven, omdat zij verstoken blijven van het Lichaam en Bloed des Heren".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 3 co.
Mijn antwoord. In dit Sacrament moet men twee dingen beschouwen t.w. het Sacrament zelf en de door het Sacrament betekende werkelijkheid. Nu is er gezegd (1° Art. 2° Bed.; 2° Art. in de Tegenbed.), dat de door het Sacrament betekende werkelijkheid de eenheid van het mystiek Lichaam is, waarbuiten geen heilsmogelijkheid bestaat: er is immers geen toegang tot het heil buiten de Kerk, evenmin als in de zondvloed buiten de ark van Noë, die een voorafbeelding is van de Kerk, zoals men leest in de Eerste Brief van Petrus (3. 21, 22). Maar het is mogelijk, gelijk boven is gezegd (68° Kw. 2° Art.) aan de door een sacrament betekende werkelijkheid deelachtig te worden vóór de ontvangst van het sacrament, door de begeerte om het sacrament te ontvangen. Derhalve kan de mens vóór de ontvangst van dit Sacrament het heil verwerven door de begeerte om dit Sacrament te ontvangen: zoals ook vóór het doopsel door de begeerte naar het doopsel, gelijk gezegd is (68° Kw. 2° Art.). Evenwel is er een dubbel onderscheid. Vooreerst is het doopsel het beginpunt van het geestelijk leven en de poort van de sacramenten. De Eucharistie echter is als de voltooiing van het geestelijk leven en het doel van alle sacramenten, zoals gezegd is (63° Kw. 6° Art.): immers vormen de door alle andere sacramenten bewerkte heiligingen een voorbereiding tot de ontvangst of de voltrekking van de Eucharistie. Daarom is de ontvangst van het doopsel noodzakelijk om het geestelijk leven te beginnen, terwijl de ontvangst van de Eucharistie noodzakelijk is voor de voltooiing ervan, niet voor het zonder meer verwerven ervan; voor dit laatste is voldoende haar in begeerte te bezitten, zoals het doel bezeten wordt in begeerte en bedoeling. En ander onderscheid is, dat de mens door het doopsel gericht wordt op de Eucharistie. En daarom worden de kinderen door het feit alleen van het doopsel door de Kerk gericht op de Eucharistie. Dit houdt in dat, evenals zij geloven door het geloof van de Kerk, zij ook de Eucharistie begeren door de bedoeling van de Kerk en zij zodoende aan de betekende werkelijkheid deelachtig worden. Maar op het doopsel worden zij niet gericht door een voorafgaand sacrament. En daarom kunnen vóór de ontvangst van het doopsel alleen de volwassenen, niet echter de kinderen, het doopsel in eniger zin in hun begeerte bezitten. Derhalve kunnen zij aan de betekende werkelijkheid slechts deelachtig worden door de ontvangst van het sacrament. Daarom is dit Sacrament niet op dezelfde wijze noodzakelijk voor ons heil als het doopsel.
B: (1Pet 3:20) [b:1Pet 3:20] (1Pet 3:21) [b:1Pet 3:21]
R: q. 73 a. 1 Arg. 2[t:iiia q. 73 a. 1 arg. 2] q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2] q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2] q. 63 a. 6[t:iiia q. 63 a. 6]
Mijn antwoord. In dit Sacrament moet men twee dingen beschouwen t.w. het Sacrament zelf en de door het Sacrament betekende werkelijkheid. Nu is er gezegd (1° Art. 2° Bed.; 2° Art. in de Tegenbed.), dat de door het Sacrament betekende werkelijkheid de eenheid van het mystiek Lichaam is, waarbuiten geen heilsmogelijkheid bestaat: er is immers geen toegang tot het heil buiten de Kerk, evenmin als in de zondvloed buiten de ark van Noë, die een voorafbeelding is van de Kerk, zoals men leest in de Eerste Brief van Petrus (3. 21, 22). Maar het is mogelijk, gelijk boven is gezegd (68° Kw. 2° Art.) aan de door een sacrament betekende werkelijkheid deelachtig te worden vóór de ontvangst van het sacrament, door de begeerte om het sacrament te ontvangen. Derhalve kan de mens vóór de ontvangst van dit Sacrament het heil verwerven door de begeerte om dit Sacrament te ontvangen: zoals ook vóór het doopsel door de begeerte naar het doopsel, gelijk gezegd is (68° Kw. 2° Art.). Evenwel is er een dubbel onderscheid. Vooreerst is het doopsel het beginpunt van het geestelijk leven en de poort van de sacramenten. De Eucharistie echter is als de voltooiing van het geestelijk leven en het doel van alle sacramenten, zoals gezegd is (63° Kw. 6° Art.): immers vormen de door alle andere sacramenten bewerkte heiligingen een voorbereiding tot de ontvangst of de voltrekking van de Eucharistie. Daarom is de ontvangst van het doopsel noodzakelijk om het geestelijk leven te beginnen, terwijl de ontvangst van de Eucharistie noodzakelijk is voor de voltooiing ervan, niet voor het zonder meer verwerven ervan; voor dit laatste is voldoende haar in begeerte te bezitten, zoals het doel bezeten wordt in begeerte en bedoeling. En ander onderscheid is, dat de mens door het doopsel gericht wordt op de Eucharistie. En daarom worden de kinderen door het feit alleen van het doopsel door de Kerk gericht op de Eucharistie. Dit houdt in dat, evenals zij geloven door het geloof van de Kerk, zij ook de Eucharistie begeren door de bedoeling van de Kerk en zij zodoende aan de betekende werkelijkheid deelachtig worden. Maar op het doopsel worden zij niet gericht door een voorafgaand sacrament. En daarom kunnen vóór de ontvangst van het doopsel alleen de volwassenen, niet echter de kinderen, het doopsel in eniger zin in hun begeerte bezitten. Derhalve kunnen zij aan de betekende werkelijkheid slechts deelachtig worden door de ontvangst van het sacrament. Daarom is dit Sacrament niet op dezelfde wijze noodzakelijk voor ons heil als het doopsel.
B: (1Pet 3:20) [b:1Pet 3:20] (1Pet 3:21) [b:1Pet 3:21]
R: q. 73 a. 1 Arg. 2[t:iiia q. 73 a. 1 arg. 2] q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2] q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2] q. 63 a. 6[t:iiia q. 63 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 2
Ecclesia de Eucharistia ->=geentekst=Mysterium Fidei ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Terecht zegt Augustinus in zijn uitleg op de genoemde tekst van Joannes: "Met deze spijs en drank" nl. van Zijn Vlees en Bloed, "wil Hij verstaan hebben de gemeenschap met Zijn Lichaam en ledematen d.i. de Kerk, Zijn heilige gelovigen, die zijn voorbeschikt, geroepen, gerechtvaardigd en gezaligd". Zeer juist zegt hij dan ook elders: "Niemand mag er ook maar enigszins aan twijfelen, dat alle gelovigen deel krijgen aan het Lichaam en Bloed des Heren, wanneer zij in het doopsel ledematen worden van Zijn Lichaam: buiten de gemeenschap van dat brood en die kelk blijft er geen één, die behoort tot de eenheid van het Lichaam van Christus, ook al zou hij van deze wereld scheiden vóór hij van dat brood gegeten en van die kelk gedronken heeft".
B: (John 6:54, John 6:54) [b:John 6:54] (1Cor 10:17) [b:1Cor 10:17]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 80 a. 11 co.[t:iiia q. 80 a. 11 co.]
1e Weerlegging. Terecht zegt Augustinus in zijn uitleg op de genoemde tekst van Joannes: "Met deze spijs en drank" nl. van Zijn Vlees en Bloed, "wil Hij verstaan hebben de gemeenschap met Zijn Lichaam en ledematen d.i. de Kerk, Zijn heilige gelovigen, die zijn voorbeschikt, geroepen, gerechtvaardigd en gezaligd". Zeer juist zegt hij dan ook elders: "Niemand mag er ook maar enigszins aan twijfelen, dat alle gelovigen deel krijgen aan het Lichaam en Bloed des Heren, wanneer zij in het doopsel ledematen worden van Zijn Lichaam: buiten de gemeenschap van dat brood en die kelk blijft er geen één, die behoort tot de eenheid van het Lichaam van Christus, ook al zou hij van deze wereld scheiden vóór hij van dat brood gegeten en van die kelk gedronken heeft".
B: (John 6:54, John 6:54) [b:John 6:54] (1Cor 10:17) [b:1Cor 10:17]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 80 a. 11 co.[t:iiia q. 80 a. 11 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Dit is het verschil tussen het lichamelijk en het geestelijk voedsel, dat het lichamelijk voedsel overgaat in de zelfstandigheid van degene, die wordt gevoed: waaruit volgt, dat het de mens niet tot levensonderhoud kan strekken, wanneer het niet in werkelijkheid wordt ontvangen. Maar het geestelijk voedsel doet de mens in zich overgaan, overeenkomstig het verhaal van Augustinus, dat hij de stem van Christus meende te horen, die hem zei: "Gij zult Mij niet in u veranderen, zoals gij doet met de spijs van uw lichaam, maar gij zult in Mij veranderd worden". Nu kan iemand in Christus veranderd worden en in Hem worden ingelijfd door de begeerte van zijn geest, ook zonder de ontvangst van dit Sacrament. En daarom gaat de vergelijking niet op.
2e Weerlegging. Dit is het verschil tussen het lichamelijk en het geestelijk voedsel, dat het lichamelijk voedsel overgaat in de zelfstandigheid van degene, die wordt gevoed: waaruit volgt, dat het de mens niet tot levensonderhoud kan strekken, wanneer het niet in werkelijkheid wordt ontvangen. Maar het geestelijk voedsel doet de mens in zich overgaan, overeenkomstig het verhaal van Augustinus, dat hij de stem van Christus meende te horen, die hem zei: "Gij zult Mij niet in u veranderen, zoals gij doet met de spijs van uw lichaam, maar gij zult in Mij veranderd worden". Nu kan iemand in Christus veranderd worden en in Hem worden ingelijfd door de begeerte van zijn geest, ook zonder de ontvangst van dit Sacrament. En daarom gaat de vergelijking niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Het doopsel is het sacrament van de dood en het lijden van Christus, voorzover de mens in Christus herboren wordt door de kracht van Zijn lijden. Maar de Eucharistie is het sacrament van het lijden van Christus, voorzover de mens tot volmaaktheid geraakt door de vereniging met Christus, die voor ons geleden heeft. En daarom heet het doopsel het "sacrament des geloofs": het geloof toch is de grondslag van het geestelijk leven; maar de Eucharistie heet het "sacrament der liefde": de liefde immers is de "band der volmaaktheid", zoals gezegd wordt in de Brief aan de Colossensen (3.14).
B: (Col 3:14) [b:Col 3:14]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 78 a. 3 arg. 6[t:iiia q. 78 a. 3 arg. 6]
3e Weerlegging. Het doopsel is het sacrament van de dood en het lijden van Christus, voorzover de mens in Christus herboren wordt door de kracht van Zijn lijden. Maar de Eucharistie is het sacrament van het lijden van Christus, voorzover de mens tot volmaaktheid geraakt door de vereniging met Christus, die voor ons geleden heeft. En daarom heet het doopsel het "sacrament des geloofs": het geloof toch is de grondslag van het geestelijk leven; maar de Eucharistie heet het "sacrament der liefde": de liefde immers is de "band der volmaaktheid", zoals gezegd wordt in de Brief aan de Colossensen (3.14).
B: (Col 3:14) [b:Col 3:14]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 78 a. 3 arg. 6[t:iiia q. 78 a. 3 arg. 6]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Doet men redelijk door dit Sacrament meerdere namen te geven?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 80 a. 12 arg. 3
IIIa q. 83 a. 4 co.[t:iiia q. 80 a. 12 arg. 3][t:iiia q. 83 a. 4 co.]
IIIa q. 73 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat men onredelijk doet door dit sacrament meerdere namen te geven. Namen immers moeten beantwoorden aan zaken. Nu is dit sacrament één, zoals gezegd is (2e art.). Derhalve moet men er geen meerdere namen aan geven.
R: q. 73 a. 2[t:iiia q. 73 a. 2]
IIIa q. 80 a. 12 arg. 3
IIIa q. 83 a. 4 co.[t:iiia q. 80 a. 12 arg. 3][t:iiia q. 83 a. 4 co.]
IIIa q. 73 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat men onredelijk doet door dit sacrament meerdere namen te geven. Namen immers moeten beantwoorden aan zaken. Nu is dit sacrament één, zoals gezegd is (2e art.). Derhalve moet men er geen meerdere namen aan geven.
R: q. 73 a. 2[t:iiia q. 73 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Het is onredelijk een soort te benoemen naar iets, dat aan heel het geslacht gemeen is. Nu is de Eucharistie een der sacramenten van de Nieuwe Wet. En aan die alle is het gemeen de genade mee te delen, hetgeen wordt uitgedrukt door de naam Eucharistie, wat hetzelfde is als goede genade. Alle sacramenten komen ons ook te hulp op de weg van dit leven, wat opgesloten ligt in het woord reispenning. In alle sacramenten gebeurt ook iets heiligs, wat opgesloten ligt in het woord sacrificie (Offer) d.i. heilig gebeuren. En door alle sacramenten hebben de gelovigen onder elkaar gemeenschap, hetgeen wordt uitgedrukt door de Griekse naam synaxis en de Latijnse naam communio of te wel Communie. Het is dus onredelijk die namen alleen voor dit Sacrament te bezigen.
Vervolgens. Het is onredelijk een soort te benoemen naar iets, dat aan heel het geslacht gemeen is. Nu is de Eucharistie een der sacramenten van de Nieuwe Wet. En aan die alle is het gemeen de genade mee te delen, hetgeen wordt uitgedrukt door de naam Eucharistie, wat hetzelfde is als goede genade. Alle sacramenten komen ons ook te hulp op de weg van dit leven, wat opgesloten ligt in het woord reispenning. In alle sacramenten gebeurt ook iets heiligs, wat opgesloten ligt in het woord sacrificie (Offer) d.i. heilig gebeuren. En door alle sacramenten hebben de gelovigen onder elkaar gemeenschap, hetgeen wordt uitgedrukt door de Griekse naam synaxis en de Latijnse naam communio of te wel Communie. Het is dus onredelijk die namen alleen voor dit Sacrament te bezigen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 4 arg. 3
Vervolgens. De naam hostie komt op hetzelfde neer als de naam offer. Aangezien dus dit sacrament niet in de eigenlijke zin offer genoemd wordt, kan men ook niet in de eigenlijke zin spreken van hostie.
Vervolgens. De naam hostie komt op hetzelfde neer als de naam offer. Aangezien dus dit sacrament niet in de eigenlijke zin offer genoemd wordt, kan men ook niet in de eigenlijke zin spreken van hostie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter het woordgebruik de gelovigen.
Daartegenover staat echter het woordgebruik de gelovigen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 4 co.
Mijn antwoord. Dit Sacrament heeft een drievoudige betekenis. Eén betekenis heeft het met betrekking tot het verleden, voorzover het namelijk een gedachtenis is aan ’s Heren lijden, dat een waar offer was, zoals boven is gezegd (48° Kw. 3° Art.). En als zodanig heet het een offer. Een tweede betekenis heeft het met betrekking tot iets tegenwoordigs, te weten de kerkelijke eenheid, waarin de mensen door dit Sacrament worden verenigd. En als zodanig spreekt men van communio, communie of synaxis: Damascenus immers zegt "(de eucharistie) wordt communie genoemd, omdat wij door haar met Christus in verbinding treden, communiceren, en omdat wij door haar deel hebben aan Zijn vlees en Zijn godheid, en omdat wij door haar in verbinding treden, communiceren en verenigd worden met elkaar". Een derde betekenis heeft dit Sacrament met betrekking tot de toekomst, voorzover het namelijk wijst op het toekomstig bezit van God in het vaderland. En als zodanig heet het reispenning, omdat het de weg daarheen voor ons mogelijk maakt. Als zodanig heet het ook eucharistie, dat wil zeggen goede genade, want "de genade Gods is het eeuwige leven", zoals gezegd wordt in de brief aan de Romeinen (6. 23) en Christus wordt erin vervat, die "vol van genade" is. Dan heeft het in het grieks nog de naam van metalepsis, dat wil zeggen aanneming: want, zoals Damascenus zegt, "door dit sacrament nemen wij de godheid van de Zoon aan".
R: q. 48 a. 3[t:iiia q. 48 a. 3]
Mijn antwoord. Dit Sacrament heeft een drievoudige betekenis. Eén betekenis heeft het met betrekking tot het verleden, voorzover het namelijk een gedachtenis is aan ’s Heren lijden, dat een waar offer was, zoals boven is gezegd (48° Kw. 3° Art.). En als zodanig heet het een offer. Een tweede betekenis heeft het met betrekking tot iets tegenwoordigs, te weten de kerkelijke eenheid, waarin de mensen door dit Sacrament worden verenigd. En als zodanig spreekt men van communio, communie of synaxis: Damascenus immers zegt "(de eucharistie) wordt communie genoemd, omdat wij door haar met Christus in verbinding treden, communiceren, en omdat wij door haar deel hebben aan Zijn vlees en Zijn godheid, en omdat wij door haar in verbinding treden, communiceren en verenigd worden met elkaar". Een derde betekenis heeft dit Sacrament met betrekking tot de toekomst, voorzover het namelijk wijst op het toekomstig bezit van God in het vaderland. En als zodanig heet het reispenning, omdat het de weg daarheen voor ons mogelijk maakt. Als zodanig heet het ook eucharistie, dat wil zeggen goede genade, want "de genade Gods is het eeuwige leven", zoals gezegd wordt in de brief aan de Romeinen (6. 23) en Christus wordt erin vervat, die "vol van genade" is. Dan heeft het in het grieks nog de naam van metalepsis, dat wil zeggen aanneming: want, zoals Damascenus zegt, "door dit sacrament nemen wij de godheid van de Zoon aan".
R: q. 48 a. 3[t:iiia q. 48 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Er is niets op tegen dat één ding meerdere namen heeft naar gelang zijn verschillende eigenschappen of uitwerkingen.
1e Weerlegging. Er is niets op tegen dat één ding meerdere namen heeft naar gelang zijn verschillende eigenschappen of uitwerkingen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Wat gemeen is aan alle sacramenten, wordt aan dit bij uitstek toegekend, vanwege zijn bijzondere volmaaktheid.
B: (Rom 6:23) [b:Rom 6:23]
2e Weerlegging. Wat gemeen is aan alle sacramenten, wordt aan dit bij uitstek toegekend, vanwege zijn bijzondere volmaaktheid.
B: (Rom 6:23) [b:Rom 6:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Dit Sacrament heet offer als uitbeeldend het lijden van Christus. En men zegt hostie, omdat het in zich Christus bevat, die de "zoete hostie» is, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Ephesiërs (5. 2).
3e Weerlegging. Dit Sacrament heet offer als uitbeeldend het lijden van Christus. En men zegt hostie, omdat het in zich Christus bevat, die de "zoete hostie» is, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Ephesiërs (5. 2).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Was de instelling van dit Sacrament passend?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 80 a. 12 arg. 3
IIIa q. 83 a. 2 ad 3[t:iiia q. 80 a. 12 arg. 3][t:iiia q. 83 a. 2 ad 3]
IIIa q. 73 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de instelling van dit Sacrament niet passend was. Want zoals de Wijsgeer zegt "voeden wij ons met dezelfde dingen, waaruit we zijn». Nu ontvangen wij, volgens het woord van Dionysius, het geestelijk zijn door het doopsel, dat een geestelijke wedergeboorte is. Dus worden wij ook door het doopsel gevoed. Het was dus niet nodig dit Sacrament als een geestelijk voedsel in te stellen.
IIIa q. 80 a. 12 arg. 3
IIIa q. 83 a. 2 ad 3[t:iiia q. 80 a. 12 arg. 3][t:iiia q. 83 a. 2 ad 3]
IIIa q. 73 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de instelling van dit Sacrament niet passend was. Want zoals de Wijsgeer zegt "voeden wij ons met dezelfde dingen, waaruit we zijn». Nu ontvangen wij, volgens het woord van Dionysius, het geestelijk zijn door het doopsel, dat een geestelijke wedergeboorte is. Dus worden wij ook door het doopsel gevoed. Het was dus niet nodig dit Sacrament als een geestelijk voedsel in te stellen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Door dit Sacrament worden de mensen met Christus verenigd als de ledematen met het hoofd. Maar Christus is het hoofd van alle mensen, ook van hen die geweest zijn vanaf het begin der wereld, zoals boven is gezegd (8e Kw. 3e en 6e Art.). Dus had de instelling van dit Sacrament niet verschoven moeten worden tot aan het Avondmaal des Heren.
R: q. 8 a. 3[t:iiia q. 8 a. 3] q. 8 a. 6[t:iiia q. 8 a. 6]
Vervolgens. Door dit Sacrament worden de mensen met Christus verenigd als de ledematen met het hoofd. Maar Christus is het hoofd van alle mensen, ook van hen die geweest zijn vanaf het begin der wereld, zoals boven is gezegd (8e Kw. 3e en 6e Art.). Dus had de instelling van dit Sacrament niet verschoven moeten worden tot aan het Avondmaal des Heren.
R: q. 8 a. 3[t:iiia q. 8 a. 3] q. 8 a. 6[t:iiia q. 8 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Men zegt, dat dit sacrament de herdenking is. Heren lijden, volgens Lucas (22. 19): "Doet dit te Mijner gedachtenis". Welnu de herinnering gaat over wat verleden is. Dus had dit sacrament niet ingesteld moeten worden vóór het lijden van Christus.
B: (Matt 26) [b:Matt 26] (Luke 22:19) [b:Luke 22:19]
Vervolgens. Men zegt, dat dit sacrament de herdenking is. Heren lijden, volgens Lucas (22. 19): "Doet dit te Mijner gedachtenis". Welnu de herinnering gaat over wat verleden is. Dus had dit sacrament niet ingesteld moeten worden vóór het lijden van Christus.
B: (Matt 26) [b:Matt 26] (Luke 22:19) [b:Luke 22:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 5 arg. 4
Vervolgens. Door het doopsel wordt men gericht op de Eucharistie, die alleen aan gedoopten gegeven mag worden. Nu is het doopsel ingesteld na Christus’ lijden en verrijzenis, zoals blijkt uit Mattheus (28. 19). Dus was het onredelijk dat dit sacrament werd ingesteld vóór Christus’ lijden.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Vervolgens. Door het doopsel wordt men gericht op de Eucharistie, die alleen aan gedoopten gegeven mag worden. Nu is het doopsel ingesteld na Christus’ lijden en verrijzenis, zoals blijkt uit Mattheus (28. 19). Dus was het onredelijk dat dit sacrament werd ingesteld vóór Christus’ lijden.
B: (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, dat dit sacrament ingesteld is door Christus, van wie bij Marcus (7. 37) gezegd wordt: "Hij heeft alles wèl gedaan".
B: (Mark 7:37) [b:Mark 7:37]
Daartegenover staat echter, dat dit sacrament ingesteld is door Christus, van wie bij Marcus (7. 37) gezegd wordt: "Hij heeft alles wèl gedaan".
B: (Mark 7:37) [b:Mark 7:37]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 5 co.
Mijn antwoord. Dit Sacrament is terecht ingesteld tijdens het Avondmaal, toen Christus Zich voor het laatst te samen met Zijn leerlingen bevond. En wel vooreerst om datgene, wat dit Sacrament bevat. Christus Zelf toch is in de Eucharistie sacramenteel bevat. En daarom heeft Christus, toen Hij op het punt stond in eigen gedaante van de leerlingen te scheiden, Zichzelf in sacramentale gedaante aan hen achtergelaten, zoals in afwezigheid van de keizer diens beeld ter verering wordt uitgesteld. Eusebius zegt dan ook: "Daar Hij het door Hem aangenomen Lichaam van onze ogen ging wegnemen en de hemel ging binnenvoeren, was het nodig, dat Hij ons op de dag van het Avondmaal het Sacrament van Zijn Lichaam en Bloed consecreerde, opdat altijd daar in mysterie zou vereerd worden wat eens tot losprijs werd opgedragen".
Vervolgens, omdat zonder het geloof in het lijden van Christus er nooit heilsmogelijkheid is geweest, naar het gezegde van de Brief aan de Romeinen (3. 25): "Dien God heeft gesteld tot Verzoener door het geloof in Zijn Bloed». Daarom moest er ten alle tijde bij de mensen een afbeelding zijn van 's Heren lijden. Het voornaamste sacrament daarvan in het Oude Verbond was het paaslam: daarom zegt ook de Apostel in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 7): "Ons Paaslam, Christus, is geslacht». In het Nieuwe Verbond volgde daarop het Sacrament der Eucharistie, dat een herinnering is aan het voorbije lijden, zoals het andere een voorafbeelding was van het toekomstige. En daarom was het redelijk om op het ogenblik, dat het lijden ging beginnen, na viering van het vroegere sacrament het nieuwe Sacrament in te stellen, zoals Paus Leo zegt.
Ten derde, omdat wat op het laatst gezegd wordt, vooral door scheidende vrienden, méér in het geheugen wordt opgenomen: in het bijzonder, omdat dan de genegenheid voor vrienden vuriger wordt, terwijl immers datgene, wat méér onze genegenheid heeft, dieper in onze ziel wordt ingeprent. Omdat derhalve, zoals de zalige Paus Alexander zegt "onder de offers niets groters kan zijn dan het Lichaam en Bloed van Christus en geen offerande voornamer kan zijn dan deze», heeft de Heer dit Sacrament ingesteld op het laatste ogenblik, toen Hij van Zijn leerlingen wegging, opdat het des te groter verering zou genieten. En dit zegt Augustinus: "Onze Heiland heeft, om ons des te sterker te overtuigen van de hoogheid van dit geheim, het op het laatste ogenblik willen indrukken in de harten en het geheugen der leerlingen, die Hij ging verlaten voor het lijden».
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25] (1Cor 5:7) [b:1Cor 5:7]
Mijn antwoord. Dit Sacrament is terecht ingesteld tijdens het Avondmaal, toen Christus Zich voor het laatst te samen met Zijn leerlingen bevond. En wel vooreerst om datgene, wat dit Sacrament bevat. Christus Zelf toch is in de Eucharistie sacramenteel bevat. En daarom heeft Christus, toen Hij op het punt stond in eigen gedaante van de leerlingen te scheiden, Zichzelf in sacramentale gedaante aan hen achtergelaten, zoals in afwezigheid van de keizer diens beeld ter verering wordt uitgesteld. Eusebius zegt dan ook: "Daar Hij het door Hem aangenomen Lichaam van onze ogen ging wegnemen en de hemel ging binnenvoeren, was het nodig, dat Hij ons op de dag van het Avondmaal het Sacrament van Zijn Lichaam en Bloed consecreerde, opdat altijd daar in mysterie zou vereerd worden wat eens tot losprijs werd opgedragen".
Vervolgens, omdat zonder het geloof in het lijden van Christus er nooit heilsmogelijkheid is geweest, naar het gezegde van de Brief aan de Romeinen (3. 25): "Dien God heeft gesteld tot Verzoener door het geloof in Zijn Bloed». Daarom moest er ten alle tijde bij de mensen een afbeelding zijn van 's Heren lijden. Het voornaamste sacrament daarvan in het Oude Verbond was het paaslam: daarom zegt ook de Apostel in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 7): "Ons Paaslam, Christus, is geslacht». In het Nieuwe Verbond volgde daarop het Sacrament der Eucharistie, dat een herinnering is aan het voorbije lijden, zoals het andere een voorafbeelding was van het toekomstige. En daarom was het redelijk om op het ogenblik, dat het lijden ging beginnen, na viering van het vroegere sacrament het nieuwe Sacrament in te stellen, zoals Paus Leo zegt.
Ten derde, omdat wat op het laatst gezegd wordt, vooral door scheidende vrienden, méér in het geheugen wordt opgenomen: in het bijzonder, omdat dan de genegenheid voor vrienden vuriger wordt, terwijl immers datgene, wat méér onze genegenheid heeft, dieper in onze ziel wordt ingeprent. Omdat derhalve, zoals de zalige Paus Alexander zegt "onder de offers niets groters kan zijn dan het Lichaam en Bloed van Christus en geen offerande voornamer kan zijn dan deze», heeft de Heer dit Sacrament ingesteld op het laatste ogenblik, toen Hij van Zijn leerlingen wegging, opdat het des te groter verering zou genieten. En dit zegt Augustinus: "Onze Heiland heeft, om ons des te sterker te overtuigen van de hoogheid van dit geheim, het op het laatste ogenblik willen indrukken in de harten en het geheugen der leerlingen, die Hij ging verlaten voor het lijden».
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25] (1Cor 5:7) [b:1Cor 5:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. "Wij voeden ons met dezelfde dingen, waaruit wij zijn», maar die niet op dezelfde wijze tot ons komen. Want datgene, waaruit wij zijn, komt tot ons door de geboorte: datgene echter, waarmee wij ons voeden, komt tot ons door het eten. Daarom ook: zoals wij door het doopsel herboren worden in Christus, zo eten wij door de Eucharistie Christus.
1e Weerlegging. "Wij voeden ons met dezelfde dingen, waaruit wij zijn», maar die niet op dezelfde wijze tot ons komen. Want datgene, waaruit wij zijn, komt tot ons door de geboorte: datgene echter, waarmee wij ons voeden, komt tot ons door het eten. Daarom ook: zoals wij door het doopsel herboren worden in Christus, zo eten wij door de Eucharistie Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. De Eucharistie is het volmaakte sacrament van des Heren lijden, omdat het Christus zelf bevat, die voor ons heeft geleden. En daarom kon het niet ingesteld worden vóór de menswording: toen was het de tijd voor de sacramenten, die slechts voorafbeeldingen waren van des Heren lijden.
2e Weerlegging. De Eucharistie is het volmaakte sacrament van des Heren lijden, omdat het Christus zelf bevat, die voor ons heeft geleden. En daarom kon het niet ingesteld worden vóór de menswording: toen was het de tijd voor de sacramenten, die slechts voorafbeeldingen waren van des Heren lijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Dit sacrament werd tijdens het Avondmaal ingesteld om in de toekomst een herdenking te zijn van des Heren lijden, als dit zou hebben plaats gehad. Daarom zegt Hij tekenend: "Zo dikwijls gij dit zult doen", sprekend over de toekomst.
3e Weerlegging. Dit sacrament werd tijdens het Avondmaal ingesteld om in de toekomst een herdenking te zijn van des Heren lijden, als dit zou hebben plaats gehad. Daarom zegt Hij tekenend: "Zo dikwijls gij dit zult doen", sprekend over de toekomst.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 5 ad 4
4e Weerlegging. De instelling komt overeen met de orde der bedoeling. Nu is het sacrament der Eucharistie wel later dan het doopsel wat betreft de ontvangst, maar het is eerder naar bedoeling. En dus moest het eerder worden ingesteld. Men kan ook zeggen dat het doopsel al ingesteld was bij Christus’ eigen doop. Daarom waren er ook al sommigen met Christus’ doopsel gedoopt, zoals te lezen is bij Joannes (3. 22).
4e Weerlegging. De instelling komt overeen met de orde der bedoeling. Nu is het sacrament der Eucharistie wel later dan het doopsel wat betreft de ontvangst, maar het is eerder naar bedoeling. En dus moest het eerder worden ingesteld. Men kan ook zeggen dat het doopsel al ingesteld was bij Christus’ eigen doop. Daarom waren er ook al sommigen met Christus’ doopsel gedoopt, zoals te lezen is bij Joannes (3. 22).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Was het paaslam de voornaamste voorafbeelding van dit Sacrament?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 60 a. 4 ad 1
IIIa q. 80 a. 4 co.[t:iiia q. 60 a. 4 ad 1][t:iiia q. 80 a. 4 co.]
IIIa q. 73 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het paaslam niet de voornaamste voorafbeelding was van dit sacrament. Christus toch wordt "priester volgens de wijze van Melchisedech" genoemd, omdat Melchisedech, "brood en wijn opdragend", het offer van Christus heeft voorafgebeeld. Nu maakt de uitdrukkelijkheid van de gelijkenis, dat het een naar het ander wordt benoemd. Dus schijnt de offerande van Melchisedech de voornaamste voorafbeelding van dit sacrament te zijn geweest.
B: (Ps 109:4) [b:Ps 109:4]
IIIa q. 60 a. 4 ad 1
IIIa q. 80 a. 4 co.[t:iiia q. 60 a. 4 ad 1][t:iiia q. 80 a. 4 co.]
IIIa q. 73 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het paaslam niet de voornaamste voorafbeelding was van dit sacrament. Christus toch wordt "priester volgens de wijze van Melchisedech" genoemd, omdat Melchisedech, "brood en wijn opdragend", het offer van Christus heeft voorafgebeeld. Nu maakt de uitdrukkelijkheid van de gelijkenis, dat het een naar het ander wordt benoemd. Dus schijnt de offerande van Melchisedech de voornaamste voorafbeelding van dit sacrament te zijn geweest.
B: (Ps 109:4) [b:Ps 109:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 6 arg. 2
Vervolgens. De doortocht door de Rode Zee was een voorafbeelding van het doopsel, volgens de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10. 2): "Allen zijn gedoopt in de wolk en in de zee». Nu ging de slachting van het paaslam vooraf aan de doortocht door de Rode Zee, terwijl daarop volgde het manna, zoals de Eucharistie volgt op het doopsel. Dus is het manna een meer uitdrukkelijke voorafbeelding van dit sacrament dan het paaslam.
B: (1Cor 10:2) [b:1Cor 10:2]
Vervolgens. De doortocht door de Rode Zee was een voorafbeelding van het doopsel, volgens de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10. 2): "Allen zijn gedoopt in de wolk en in de zee». Nu ging de slachting van het paaslam vooraf aan de doortocht door de Rode Zee, terwijl daarop volgde het manna, zoals de Eucharistie volgt op het doopsel. Dus is het manna een meer uitdrukkelijke voorafbeelding van dit sacrament dan het paaslam.
B: (1Cor 10:2) [b:1Cor 10:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 6 arg. 3
Vervolgens. De krachtdadigheid van dit Sacrament ligt voornamelijk hierin, dat het ons binnenvoert in het rijk der hemelen, als een soort reispenning. Maar dit werd het meest van al voorafgebeeld in het sacrament der verzoening, als "de hogepriester eenmaal in het jaar met bloed binnentrad in het heilige der heiligen», zoals de Apostel bewijst in de Brief aan de Hebreeën (9e hoofdstuk). Dus schijnt dat offer een meer uitdrukkelijke voorafbeelding te zijn geweest van dit Sacrament dan het paaslam.
B: (Heb 9) [b:Heb 9]
Vervolgens. De krachtdadigheid van dit Sacrament ligt voornamelijk hierin, dat het ons binnenvoert in het rijk der hemelen, als een soort reispenning. Maar dit werd het meest van al voorafgebeeld in het sacrament der verzoening, als "de hogepriester eenmaal in het jaar met bloed binnentrad in het heilige der heiligen», zoals de Apostel bewijst in de Brief aan de Hebreeën (9e hoofdstuk). Dus schijnt dat offer een meer uitdrukkelijke voorafbeelding te zijn geweest van dit Sacrament dan het paaslam.
B: (Heb 9) [b:Heb 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Apostel in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 7-8) zegt: "Ons Paaslam, Christus, is geslacht. Laat ons dan feestmaal houden in ongedeesde broden van oprechtheid en waarheid".
B: (1Cor 5:7) [b:1Cor 5:7] (1Cor 5:8) [b:1Cor 5:8]
Daartegenover staat echter, dat de Apostel in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 7-8) zegt: "Ons Paaslam, Christus, is geslacht. Laat ons dan feestmaal houden in ongedeesde broden van oprechtheid en waarheid".
B: (1Cor 5:7) [b:1Cor 5:7] (1Cor 5:8) [b:1Cor 5:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 6 co.
Mijn antwoord. In dit Sacrament kunnen wij drie dingen beschouwen t. w. datgene wat alleen sacrament is nl. brood en wijn; en datgene wat werkelijkheid en sacrament is nl. het waarachtig Lichaam van Christus; en datgene wat alleen werkelijkheid is nl. het uitwerksel van dit Sacrament. Wat betreft datgene wat alleen sacrament is, was de voornaamste voorafbeelding van dit Sacrament de offerande van Melchisedech, die "brood en wijn opdroeg". Wat echter betreft de in dit Sacrament bevatten Christus, die voor ons geleden heeft, waren de voornaamste voorafbeeldingen al de offers van het Oude Verbond en vooral het offer der verzoening, dat de grootste plechtigheid had. Wat echter het uitwerksel betreft, was zijn voornaamste voorafbeelding het manna, dat, zoals in het Boek der Wijsheid (16. 20) wordt gezegd "allen zoeten smaak in zich had", gelijk ook de genade van dit Sacrament in alle opzichten de ziel versterkt. Maar het paaslam was een voorafbeelding van dit Sacrament wat betreft alle drie punten te zamen. Wat het eerste betreft, daar het immers met ongedesemde broden werd gegeten volgens het Boek van de Uittocht (12. 8): "Zij zullen het vlees eten en de ongedesemde broden». Wat het tweede betreft, daar het geslacht werd door heel de menigte van de zonen Israëls op de veertien dag van de maan: hetgeen een voorafbeelding was van het lijden van Christus, die om Zijn onschuld Lam genoemd wordt. Wat het uitwerksel betreft, daar door het bloed van het paaslam de zonen Israëls beschermd zijn tegen de verderfengel en uitgevoerd zijn uit de Egyptische slavernij. En op deze manier wordt als voornaamste voorafbeelding van dit Sacrament het paaslam aangegeven, daar het er nl. een voorafbeelding van is onder alle opzichten te zamen.
B: (Wis 16:20) [b:Wis 16:20]
Mijn antwoord. In dit Sacrament kunnen wij drie dingen beschouwen t. w. datgene wat alleen sacrament is nl. brood en wijn; en datgene wat werkelijkheid en sacrament is nl. het waarachtig Lichaam van Christus; en datgene wat alleen werkelijkheid is nl. het uitwerksel van dit Sacrament. Wat betreft datgene wat alleen sacrament is, was de voornaamste voorafbeelding van dit Sacrament de offerande van Melchisedech, die "brood en wijn opdroeg". Wat echter betreft de in dit Sacrament bevatten Christus, die voor ons geleden heeft, waren de voornaamste voorafbeeldingen al de offers van het Oude Verbond en vooral het offer der verzoening, dat de grootste plechtigheid had. Wat echter het uitwerksel betreft, was zijn voornaamste voorafbeelding het manna, dat, zoals in het Boek der Wijsheid (16. 20) wordt gezegd "allen zoeten smaak in zich had", gelijk ook de genade van dit Sacrament in alle opzichten de ziel versterkt. Maar het paaslam was een voorafbeelding van dit Sacrament wat betreft alle drie punten te zamen. Wat het eerste betreft, daar het immers met ongedesemde broden werd gegeten volgens het Boek van de Uittocht (12. 8): "Zij zullen het vlees eten en de ongedesemde broden». Wat het tweede betreft, daar het geslacht werd door heel de menigte van de zonen Israëls op de veertien dag van de maan: hetgeen een voorafbeelding was van het lijden van Christus, die om Zijn onschuld Lam genoemd wordt. Wat het uitwerksel betreft, daar door het bloed van het paaslam de zonen Israëls beschermd zijn tegen de verderfengel en uitgevoerd zijn uit de Egyptische slavernij. En op deze manier wordt als voornaamste voorafbeelding van dit Sacrament het paaslam aangegeven, daar het er nl. een voorafbeelding van is onder alle opzichten te zamen.
B: (Wis 16:20) [b:Wis 16:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 73 a. 6 ad arg.
En hieruit blijkt het antwoord op de bedenkingen.
B: (Exod 12:8) [b:Exod 12:8]
En hieruit blijkt het antwoord op de bedenkingen.
B: (Exod 12:8) [b:Exod 12:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 74: Over de stof van dit Sacrament
IIIa q. 74 pr.
Vervolgens dient de stof van dit Sacrament te worden beschouwd. En wel
ten eerste de soort van de stof;
ten tweede de verandering van brood en wijn in het Lichaam van Christus;
ten derde de zijnswijze van het Lichaam van Christus in dit Sacrament;
ten vierde de bijkomstigheden van brood en wijn, die in dit Sacrament overblijven.
Omtrent het eerste punt stellen wij acht vragen:
1. Is brood en wijn de stof van dit Sacrament?
2. Is er voor de stof van dit Sacrament een bepaalde hoeveelheid vereist?
3. Is de stof van dit Sacrament tarwebrood?
4. Is het ongedesemd of gedesemd brood?
5. Is de stof van dit Sacrament wijn van de wijnstok?
6. Moet er water bijgemengd worden?
7. Is het water noodzakelijk voor dit Sacrament?
8. Over de hoeveelheid van het bijgevoegde water.
Vervolgens dient de stof van dit Sacrament te worden beschouwd. En wel
ten eerste de soort van de stof;
ten tweede de verandering van brood en wijn in het Lichaam van Christus;
ten derde de zijnswijze van het Lichaam van Christus in dit Sacrament;
ten vierde de bijkomstigheden van brood en wijn, die in dit Sacrament overblijven.
Omtrent het eerste punt stellen wij acht vragen:
1. Is brood en wijn de stof van dit Sacrament?
2. Is er voor de stof van dit Sacrament een bepaalde hoeveelheid vereist?
3. Is de stof van dit Sacrament tarwebrood?
4. Is het ongedesemd of gedesemd brood?
5. Is de stof van dit Sacrament wijn van de wijnstok?
6. Moet er water bijgemengd worden?
7. Is het water noodzakelijk voor dit Sacrament?
8. Over de hoeveelheid van het bijgevoegde water.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is de stof van dit Sacrament brood en wijn?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 74 a. 3 co.
IIIa q. 76 a. 1 arg. 2
IIIa q. 76 a. 2 ad 1
IIIa q. 76 a. 6 arg. 1
IIIa q. 79 a. 1 arg. 3
IIIa q. 79 a. 1 co.
IIIa q. 80 a. 12 arg. 3
IIIa q. 80 a. 12 arg. 3
IIIa q. 82 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 74 a. 3 co.][t:iiia q. 76 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 76 a. 2 ad 1][t:iiia q. 76 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 79 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 79 a. 1 co.][t:iiia q. 80 a. 12 arg. 3][t:iiia q. 80 a. 12 arg. 3][t:iiia q. 82 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 74 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de stof van dit Sacrament niet brood en wijn is. Dit Sacrament toch moet ’s Heren lijden volmaakter uitbeelden dan de sacramenten van de Oude Wet. Maar het vlees van dieren, dat de stof was van de sacramenten van de Oude Wet, geeft op een meer uitdrukkelijke wijze Christus’ lijden weer dan brood en wijn. Dus moet de stof van dit Sacrament eerder vlees van dieren dan brood en wijn zijn.
IIIa q. 74 a. 3 co.
IIIa q. 76 a. 1 arg. 2
IIIa q. 76 a. 2 ad 1
IIIa q. 76 a. 6 arg. 1
IIIa q. 79 a. 1 arg. 3
IIIa q. 79 a. 1 co.
IIIa q. 80 a. 12 arg. 3
IIIa q. 80 a. 12 arg. 3
IIIa q. 82 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 74 a. 3 co.][t:iiia q. 76 a. 1 arg. 2][t:iiia q. 76 a. 2 ad 1][t:iiia q. 76 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 79 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 79 a. 1 co.][t:iiia q. 80 a. 12 arg. 3][t:iiia q. 80 a. 12 arg. 3][t:iiia q. 82 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 74 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de stof van dit Sacrament niet brood en wijn is. Dit Sacrament toch moet ’s Heren lijden volmaakter uitbeelden dan de sacramenten van de Oude Wet. Maar het vlees van dieren, dat de stof was van de sacramenten van de Oude Wet, geeft op een meer uitdrukkelijke wijze Christus’ lijden weer dan brood en wijn. Dus moet de stof van dit Sacrament eerder vlees van dieren dan brood en wijn zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Dit sacrament moet overal gevierd worden. Maar in vele landen wordt geen brood gevonden en in sommige wordt geen wijn gevonden. Dus is brood en wijn geen geschikte stof voor dit sacrament.
Vervolgens. Dit sacrament moet overal gevierd worden. Maar in vele landen wordt geen brood gevonden en in sommige wordt geen wijn gevonden. Dus is brood en wijn geen geschikte stof voor dit sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Dit sacrament komt toe aan gezonden en zieken. Maar wijn is voor sommige zieken schadelijk. Dus schijnt wijn niet de gewenste stof voor dit sacrament te zijn.
Vervolgens. Dit sacrament komt toe aan gezonden en zieken. Maar wijn is voor sommige zieken schadelijk. Dus schijnt wijn niet de gewenste stof voor dit sacrament te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Paus Alexander zegt: "Bij de opdracht der sacramenten mogen alleen brood en met water vermengde wijn ten offer worden opgedragen".
Daartegenover staat echter, dat Paus Alexander zegt: "Bij de opdracht der sacramenten mogen alleen brood en met water vermengde wijn ten offer worden opgedragen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 1 co.
Mijn antwoord. Met betrekking tot de stof van dit Sacrament is door sommigen op verschillende wijzen gedwaald. Eenigen toch, Artotyriten genaamd, zoals Augustinus zegt, "dragen" in dit Sacrament, "brood en kaas op, onder de bewering dat de eerste mensen offeranden hebben gedaan van de voortbrengselen van bodem en schapen". Anderen echter, namelijk de Cataphrygiërs en de Pepurianen "heeten hun eucharistie te voltrekken met het bloed van een kind, dat zij langs overal aangebrachte kleine wondjes uit zijn lichaam trekken, met meel vermengen, er dan brood van makend". Sommigen evenwel, Watermensen genaamd, dragen in dit Sacrament, onder het voorwendsel van matigheid, alleen water op. Al deze en dergelijke dwalingen worden uitgesloten door het feit, dat Christus dit Sacrament onder de gedaante van brood en wijn heeft ingesteld, zoals blijkt bij Mattheus (26. 26). En dus is brood en wijn de geschikte stof van dit Sacrament. En dit met reden. En wel vooreerst met het oog op het gebruik van dit Sacrament, dat bestaat in eten. Zoals men immers in het sacrament van het doopsel water neemt om het te gebruiken voor de geestelijke afwassing, omdat de lichamelijke afwassing gewoonlijk gebeurt met water, zo neemt men ook in dit Sacrament brood en wijn, het gewone voedsel der mensen, om het te gebruiken voor de geestelijke spijziging. Ten tweede met het oog op het lijden van Christus, waarin het Bloed van het Lichaam werd gescheiden. Daarom wordt in dit Sacrament, dat de herinnering is van ’s Heren lijden, afzonderlijk brood ontvangen als Sacrament van het Lichaam en wijn als Sacrament van het Bloed. Ten derde met het oog op het uitwerksel in iedere ontvanger afzonderlijk genomen. Dit Sacrament toch, zoals Ambrosius zegt, "strekt tot behoud van lichaam en ziel»; en daarom wordt het "Vlees van Christus» onder de gedaante van brood "voor het heil van het lichaam, het Bloed echter» onder de gedaante van wijn "voor het heil van de ziel opgedragen», overeenkomstig het gezegde van het Boek Leviticus (17. 14) dat "in het bloed de ziel is» van het dier. Ten vierde met het oog op het uitwerksel voor de hele Kerk, die samengesteld is uit meerdere gelovigen, zoals "het brood vervaardigd wordt uit meerdere graankorrels en de wijn voortvloeit uit meerdere druiven», volgens het woord van de Glossa op de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10. 17): "Hoewel velen zijn wij één lichaam», enz.
Mijn antwoord. Met betrekking tot de stof van dit Sacrament is door sommigen op verschillende wijzen gedwaald. Eenigen toch, Artotyriten genaamd, zoals Augustinus zegt, "dragen" in dit Sacrament, "brood en kaas op, onder de bewering dat de eerste mensen offeranden hebben gedaan van de voortbrengselen van bodem en schapen". Anderen echter, namelijk de Cataphrygiërs en de Pepurianen "heeten hun eucharistie te voltrekken met het bloed van een kind, dat zij langs overal aangebrachte kleine wondjes uit zijn lichaam trekken, met meel vermengen, er dan brood van makend". Sommigen evenwel, Watermensen genaamd, dragen in dit Sacrament, onder het voorwendsel van matigheid, alleen water op. Al deze en dergelijke dwalingen worden uitgesloten door het feit, dat Christus dit Sacrament onder de gedaante van brood en wijn heeft ingesteld, zoals blijkt bij Mattheus (26. 26). En dus is brood en wijn de geschikte stof van dit Sacrament. En dit met reden. En wel vooreerst met het oog op het gebruik van dit Sacrament, dat bestaat in eten. Zoals men immers in het sacrament van het doopsel water neemt om het te gebruiken voor de geestelijke afwassing, omdat de lichamelijke afwassing gewoonlijk gebeurt met water, zo neemt men ook in dit Sacrament brood en wijn, het gewone voedsel der mensen, om het te gebruiken voor de geestelijke spijziging. Ten tweede met het oog op het lijden van Christus, waarin het Bloed van het Lichaam werd gescheiden. Daarom wordt in dit Sacrament, dat de herinnering is van ’s Heren lijden, afzonderlijk brood ontvangen als Sacrament van het Lichaam en wijn als Sacrament van het Bloed. Ten derde met het oog op het uitwerksel in iedere ontvanger afzonderlijk genomen. Dit Sacrament toch, zoals Ambrosius zegt, "strekt tot behoud van lichaam en ziel»; en daarom wordt het "Vlees van Christus» onder de gedaante van brood "voor het heil van het lichaam, het Bloed echter» onder de gedaante van wijn "voor het heil van de ziel opgedragen», overeenkomstig het gezegde van het Boek Leviticus (17. 14) dat "in het bloed de ziel is» van het dier. Ten vierde met het oog op het uitwerksel voor de hele Kerk, die samengesteld is uit meerdere gelovigen, zoals "het brood vervaardigd wordt uit meerdere graankorrels en de wijn voortvloeit uit meerdere druiven», volgens het woord van de Glossa op de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10. 17): "Hoewel velen zijn wij één lichaam», enz.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Al beeldt het vlees van gedode dieren meer uitdrukkelijk het lijden van Christus uit, is het toch minder geschikt voor het gewone gebruik van dit sacrament en voor de uitbeelding van de kerkelijke eenheid.
B: (Matt 26) [b:Matt 26]
1e Weerlegging. Al beeldt het vlees van gedode dieren meer uitdrukkelijk het lijden van Christus uit, is het toch minder geschikt voor het gewone gebruik van dit sacrament en voor de uitbeelding van de kerkelijke eenheid.
B: (Matt 26) [b:Matt 26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Hoewel tarwe en wijn niet in alle landen groeien, kunnen zij toch gemakkelijk naar alle landen vervoerd worden in die hoeveelheid, welke voldoende is voor het gebruik van dit sacrament. Mocht er één ontbreken, dan is het niet geoorloofd daarom het een zonder het ander te consacreren, want dan zou het geen volkomen offer zijn.
2e Weerlegging. Hoewel tarwe en wijn niet in alle landen groeien, kunnen zij toch gemakkelijk naar alle landen vervoerd worden in die hoeveelheid, welke voldoende is voor het gebruik van dit sacrament. Mocht er één ontbreken, dan is het niet geoorloofd daarom het een zonder het ander te consacreren, want dan zou het geen volkomen offer zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Wijn, in geringe hoeveelheid genomen, kan een zieke niet erg schaden. Trouwens, gesteld dat men daarvoor vreest: zoals later gezegd zal worden (80° Kw. 12° Art.), is het niet nodig, dat iedere, die het Lichaam van Christus ontvangt, ook het Bloed ontvangt.
B: (Lev 17:14) [b:Lev 17:14] (1Cor 11:20) [b:1Cor 11:20]
R: q. 80 a. 12[t:iiia q. 80 a. 12]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 60 a. 4 ad 1[t:iiia q. 60 a. 4 ad 1]
3e Weerlegging. Wijn, in geringe hoeveelheid genomen, kan een zieke niet erg schaden. Trouwens, gesteld dat men daarvoor vreest: zoals later gezegd zal worden (80° Kw. 12° Art.), is het niet nodig, dat iedere, die het Lichaam van Christus ontvangt, ook het Bloed ontvangt.
B: (Lev 17:14) [b:Lev 17:14] (1Cor 11:20) [b:1Cor 11:20]
R: q. 80 a. 12[t:iiia q. 80 a. 12]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 60 a. 4 ad 1[t:iiia q. 60 a. 4 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is er voor de stof van dit Sacrament een bepaalde hoeveelheid van brood en wijn vereist?
IIIa q. 74 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat er voor de stof van dit Sacrament een bepaalde hoeveelheid van brood en wijn is vereist. De uitwerkselen van de genade zijn immers niet minder geordend dan de uitwerkselen van de natuur. Nu wordt in *De Anima* gezegd: "Alle natuurdingen hebben een eindpunt en een vaste maat van grootte en groei». Dus wordt nog veel meer in dit Sacrament, dat *Eucharistie* d.i. goede genade heet, een bepaalde hoeveelheid brood en wijn vereist.
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat er voor de stof van dit Sacrament een bepaalde hoeveelheid van brood en wijn is vereist. De uitwerkselen van de genade zijn immers niet minder geordend dan de uitwerkselen van de natuur. Nu wordt in *De Anima* gezegd: "Alle natuurdingen hebben een eindpunt en een vaste maat van grootte en groei». Dus wordt nog veel meer in dit Sacrament, dat *Eucharistie* d.i. goede genade heet, een bepaalde hoeveelheid brood en wijn vereist.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Aan de bedienaren van de Kerk is door Christus geen macht gegeven tot handelingen, die strekken tot bespotting van het geloof en van de sacramenten daarvan, overeenkomstig het woord van de *Tweede Brief aan de Corinthiërs* (10. 8): "Naar de volmacht, die God mij gegeven heeft tot opbouw en niet tot afbraak». Nu zou het strekken tot bespotting van het Sacrament, als een priester al het brood wilde consacreren dat op de markt verkocht wordt en al de wijn in de wijnkelder. Dus heeft hij daartoe geen vermogen.
B: (2Cor 10:8) [b:2Cor 10:8]
Vervolgens. Aan de bedienaren van de Kerk is door Christus geen macht gegeven tot handelingen, die strekken tot bespotting van het geloof en van de sacramenten daarvan, overeenkomstig het woord van de *Tweede Brief aan de Corinthiërs* (10. 8): "Naar de volmacht, die God mij gegeven heeft tot opbouw en niet tot afbraak». Nu zou het strekken tot bespotting van het Sacrament, als een priester al het brood wilde consacreren dat op de markt verkocht wordt en al de wijn in de wijnkelder. Dus heeft hij daartoe geen vermogen.
B: (2Cor 10:8) [b:2Cor 10:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Als iemand gedoopt wordt in de zee, wordt niet al het water van de zee door de vorm van het doopsel geheiligd, maar alleen dat water waarmee het lichaam van de dopeling wordt afgewassen. Dus kan ook in dit sacrament de overtollige hoeveelheid brood niet geconsacreerd worden.
Vervolgens. Als iemand gedoopt wordt in de zee, wordt niet al het water van de zee door de vorm van het doopsel geheiligd, maar alleen dat water waarmee het lichaam van de dopeling wordt afgewassen. Dus kan ook in dit sacrament de overtollige hoeveelheid brood niet geconsacreerd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat veel tegenovergesteld is aan weinig en groot aan klein. Nu is er geen zo kleine hoeveelheid brood en wijn, dat zij niet geconsacreerd zou kunnen worden. Dus is er ook geen zo grote, dat zij niet geconsacreerd zou kunnen worden.
Daartegenover staat echter, dat veel tegenovergesteld is aan weinig en groot aan klein. Nu is er geen zo kleine hoeveelheid brood en wijn, dat zij niet geconsacreerd zou kunnen worden. Dus is er ook geen zo grote, dat zij niet geconsacreerd zou kunnen worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 2 co.
Mijn antwoord. Sommigen hebben beweerd, dat de priester een ontzaglijke hoeveelheid brood of wijn niet zou kunnen consecreren, b. v. al het brood, dat op de markt verkocht wordt of al de wijn, die in het vat is. Maar dit schijnt niet juist te zijn. Bij alle dingen immers, die een stof hebben, wordt de stofbepalende maatstaf genomen naar de richting op het doel, zoals de stof van een zaag ijzer is, opdat zij tot zagen geschikt zij. Nu is het doel van dit Sacrament het gebruik der gelovigen. Dus moet de hoeveelheid stof van dit Sacrament bepaald worden naar verhouding tot het gebruik der gelovigen. Evenwel kan zij niet bepaald worden naar verhouding tot het gebruik der ogenblikkelijk aanwezige gelovigen: anders zou een priester met weinig parochianen niet in staat zijn vele hosties te consecreren. Dus schiet over dat de stof van dit Sacrament bepaald wordt naar verhouding tot het gebruik der gelovigen zonder meer. Nu is het getal der gelovigen onbepaald. Dus kan men niet zeggen, dat de hoeveelheid stof van dit Sacrament bepaald is.
Mijn antwoord. Sommigen hebben beweerd, dat de priester een ontzaglijke hoeveelheid brood of wijn niet zou kunnen consecreren, b. v. al het brood, dat op de markt verkocht wordt of al de wijn, die in het vat is. Maar dit schijnt niet juist te zijn. Bij alle dingen immers, die een stof hebben, wordt de stofbepalende maatstaf genomen naar de richting op het doel, zoals de stof van een zaag ijzer is, opdat zij tot zagen geschikt zij. Nu is het doel van dit Sacrament het gebruik der gelovigen. Dus moet de hoeveelheid stof van dit Sacrament bepaald worden naar verhouding tot het gebruik der gelovigen. Evenwel kan zij niet bepaald worden naar verhouding tot het gebruik der ogenblikkelijk aanwezige gelovigen: anders zou een priester met weinig parochianen niet in staat zijn vele hosties te consecreren. Dus schiet over dat de stof van dit Sacrament bepaald wordt naar verhouding tot het gebruik der gelovigen zonder meer. Nu is het getal der gelovigen onbepaald. Dus kan men niet zeggen, dat de hoeveelheid stof van dit Sacrament bepaald is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Bij een natuurding heeft de stof altijd een bepaalde hoogte van haar verhouding tot een bepaalde vorm. Maar het getal der gelovigen, op wier gebruik dit sacrament is gericht, is onbepaald. Dus gaat de vergelijking niet op.
1e Weerlegging. Bij een natuurding heeft de stof altijd een bepaalde hoogte van haar verhouding tot een bepaalde vorm. Maar het getal der gelovigen, op wier gebruik dit sacrament is gericht, is onbepaald. Dus gaat de vergelijking niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. De macht van de bedienaars der Kerk is op twee dingen gericht: vooreerst op het eigen uitwerksel, ten tweede op het doel van het uitwerksel. Nu heeft het tweede het eerste niet op. En daarom, als een priester de wil heeft het Lichaam van Christus met het oog op een slecht doel te consacreren b.v. ter bespotting of om te vergiftigen, zondigt hij wegens het gewilde slechte doel, maar voltrekt hij toch het Sacrament wegens de hem gegeven macht.
2e Weerlegging. De macht van de bedienaars der Kerk is op twee dingen gericht: vooreerst op het eigen uitwerksel, ten tweede op het doel van het uitwerksel. Nu heeft het tweede het eerste niet op. En daarom, als een priester de wil heeft het Lichaam van Christus met het oog op een slecht doel te consacreren b.v. ter bespotting of om te vergiftigen, zondigt hij wegens het gewilde slechte doel, maar voltrekt hij toch het Sacrament wegens de hem gegeven macht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Het sacrament van het doopsel wordt voltrokken bij het gebruik van de stof. En daarom wordt door de vorm van het doopsel niet méér water geheiligd dan ten gebruikte komt. Maar dit sacrament wordt voltrokken bij de consecratie van de stof. En daarom gaat de vergelijking niet op.
3e Weerlegging. Het sacrament van het doopsel wordt voltrokken bij het gebruik van de stof. En daarom wordt door de vorm van het doopsel niet méér water geheiligd dan ten gebruikte komt. Maar dit sacrament wordt voltrokken bij de consecratie van de stof. En daarom gaat de vergelijking niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Wordt er voor de stof van dit Sacrament tarwebrood vereist?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 74 a. 4 co.
IIIa q. 74 a. 5 s. c.
IIIa q. 74 a. 5 co.
IIIa q. 74 a. 5 ad 2[t:iiia q. 74 a. 4 co.][t:iiia q. 74 a. 5 s. c.][t:iiia q. 74 a. 5 co.][t:iiia q. 74 a. 5 ad 2]
IIIa q. 74 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat er voor de stof van dit Sacrament geen tarwebrood wordt vereist. Dit Sacrament immers is een herinneringsteken aan des Heren lijden. Nu is met des Heren lijden meer overeenkomstig gerstebrood, dat harder is en waarmee Hij ook de menigten op de berg heeft gespijzigd, zoals gezegd wordt bij Joannes (6. 9), dan tarwebrood. Dus is tarwebrood niet de eigen stof van dit Sacrament.
B: (John 6) [b:John 6]
IIIa q. 74 a. 4 co.
IIIa q. 74 a. 5 s. c.
IIIa q. 74 a. 5 co.
IIIa q. 74 a. 5 ad 2[t:iiia q. 74 a. 4 co.][t:iiia q. 74 a. 5 s. c.][t:iiia q. 74 a. 5 co.][t:iiia q. 74 a. 5 ad 2]
IIIa q. 74 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat er voor de stof van dit Sacrament geen tarwebrood wordt vereist. Dit Sacrament immers is een herinneringsteken aan des Heren lijden. Nu is met des Heren lijden meer overeenkomstig gerstebrood, dat harder is en waarmee Hij ook de menigten op de berg heeft gespijzigd, zoals gezegd wordt bij Joannes (6. 9), dan tarwebrood. Dus is tarwebrood niet de eigen stof van dit Sacrament.
B: (John 6) [b:John 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Bij de natuurdingen is de uiterlijke vorm een teken van de soort. Nu zijn er sommige korens, die in uiterlijke vorm gelijken op de tarwekorrel, zoals mais en spelt, van welke laatste men dan ook op sommige plaatsen brood maakt voor het gebruik van dit Sacrament. Dus is tarwebrood niet de eigen stof van dit Sacrament.
Vervolgens. Bij de natuurdingen is de uiterlijke vorm een teken van de soort. Nu zijn er sommige korens, die in uiterlijke vorm gelijken op de tarwekorrel, zoals mais en spelt, van welke laatste men dan ook op sommige plaatsen brood maakt voor het gebruik van dit Sacrament. Dus is tarwebrood niet de eigen stof van dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Vermenging doet de soort ophouden. Nu vindt men haast geen tarwemeel, dat niet met ander koren vermengd is, tenzij het apart bereid wordt met daarvoor uitgekozen graankorrels. Dus schijnt tarwebrood niet de eigen stof van dit Sacrament te zijn.
Vervolgens. Vermenging doet de soort ophouden. Nu vindt men haast geen tarwemeel, dat niet met ander koren vermengd is, tenzij het apart bereid wordt met daarvoor uitgekozen graankorrels. Dus schijnt tarwebrood niet de eigen stof van dit Sacrament te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 3 arg. 4
Vervolgens. Wat bedorven is, schijnt tot een andere soort te behoren. Welnu, sommigen voltrekken de Eucharistie met bedorven brood, dat (bij gevolg) geen tarwebrood meer schijnt te zijn. Dus schijnt dat brood niet de eigen stof van dit Sacrament te zijn.
Vervolgens. Wat bedorven is, schijnt tot een andere soort te behoren. Welnu, sommigen voltrekken de Eucharistie met bedorven brood, dat (bij gevolg) geen tarwebrood meer schijnt te zijn. Dus schijnt dat brood niet de eigen stof van dit Sacrament te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in dit sacrament Christus bevat is, die Zichzelf in Joannes (12. 24-25) vergelijkt met de korrel van het koren zeggende: "De korrel van het koren, die in de aarde valt, blijft alleen, tenzij ze sterft». Dus is brood van koren of te wel van tarwe de stof van dit sacrament.
B: (John 12:24, John 12:24) [b:John 12:24]
Daartegenover staat echter, dat in dit sacrament Christus bevat is, die Zichzelf in Joannes (12. 24-25) vergelijkt met de korrel van het koren zeggende: "De korrel van het koren, die in de aarde valt, blijft alleen, tenzij ze sterft». Dus is brood van koren of te wel van tarwe de stof van dit sacrament.
B: (John 12:24, John 12:24) [b:John 12:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 3 co.
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (1° Art.; 60° Kw. 7° Art. 2° Antw.), neemt men met het oog op het gebruik van de sacramenten die stof, welke bij de mensen meer algemeen voor het overeenkomstig doel gebruikt wordt. Nu wordt van alle broodsoorten door de mensen het meest algemeen gebruik gemaakt van tarwebrood: want de andere broodsoorten schijnen ingevoerd te zijn bij gebrek aan deze. En daarom gelooft men ook, dat Christus met dit soort van brood dit Sacrament heeft ingesteld. Dit broodsoort is ook meer versterkend voor de mens: en op die manier is het een geschikter teken van het uitwerksel van dit Sacrament. En dus is tarwebrood de eigen stof van dit Sacrament.
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals gezegd is (1° Art.; 60° Kw. 7° Art. 2° Antw.), neemt men met het oog op het gebruik van de sacramenten die stof, welke bij de mensen meer algemeen voor het overeenkomstig doel gebruikt wordt. Nu wordt van alle broodsoorten door de mensen het meest algemeen gebruik gemaakt van tarwebrood: want de andere broodsoorten schijnen ingevoerd te zijn bij gebrek aan deze. En daarom gelooft men ook, dat Christus met dit soort van brood dit Sacrament heeft ingesteld. Dit broodsoort is ook meer versterkend voor de mens: en op die manier is het een geschikter teken van het uitwerksel van dit Sacrament. En dus is tarwebrood de eigen stof van dit Sacrament.
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Gerstebrood is geschikt om de hardheid van de Oude Wet te betekenen. En vanwege de hardheid van dit brood; én om wat gezegd wordt door Augustinus: "Het merg van de gerst, door een zeer taai vlies bedekt, betekent ofwel de Wet, die zó gegeven was, dat in haar het levend zielevoedsel was bedekt onder lichamelijke sacramenten, ofwel het volk, nog niet bevrijd van de vleselijke begeerten, die als een vlies over hun hart hingen". Dit sacrament behoort daarentegen tot het "zoete juk" van Christus, en tot de reeds geopenbaarde waarheid en tot een geestelijk volk. En dus zou gerstebrood niet de geschikte stof voor dit sacrament zijn.
R: q. 83[t:iiia q. 83]
1e Weerlegging. Gerstebrood is geschikt om de hardheid van de Oude Wet te betekenen. En vanwege de hardheid van dit brood; én om wat gezegd wordt door Augustinus: "Het merg van de gerst, door een zeer taai vlies bedekt, betekent ofwel de Wet, die zó gegeven was, dat in haar het levend zielevoedsel was bedekt onder lichamelijke sacramenten, ofwel het volk, nog niet bevrijd van de vleselijke begeerten, die als een vlies over hun hart hingen". Dit sacrament behoort daarentegen tot het "zoete juk" van Christus, en tot de reeds geopenbaarde waarheid en tot een geestelijk volk. En dus zou gerstebrood niet de geschikte stof voor dit sacrament zijn.
R: q. 83[t:iiia q. 83]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De voortbrenger brengt iets voort in gelijkheid van soort: soms echter ontstaat er tussen voortbrenger en voortgebrachte een ongelijkheid in bijkomstigheden, hetzij vanwege de stof, hetzij vanwege de zwakheid van de voortbrengingskracht. En daarom: als er sommige korens zijn, die uit tarwezaad voortgebracht kunnen worden, zoals uit in slechte grond gezaaide korrels wit koren groeit, dan kan van dergelijk koren vervaardigd brood stof zijn voor dit Sacrament. Maar dit schijnt niet het geval te zijn met gerst, noch met spelt, noch ook met maïs, dat toch het meest van al op tarwe gelijkt. De gelijkenis in uiterlijke vorm schijnt bij deze eerder op verwantschap dan op eenheid van soort te wijzen, zoals uit de gelijkenis in uiterlijke vorm blijkt, dat hond en wolf verwant zijn van soort, niet dat ze één zijn van soort. En dus kan uit dergelijke korens, die volstrekt niet uit tarwezaad kunnen voortkomen, niet het brood vervaardigd worden, dat vereiste stof is voor dit Sacrament.
2e Weerlegging. De voortbrenger brengt iets voort in gelijkheid van soort: soms echter ontstaat er tussen voortbrenger en voortgebrachte een ongelijkheid in bijkomstigheden, hetzij vanwege de stof, hetzij vanwege de zwakheid van de voortbrengingskracht. En daarom: als er sommige korens zijn, die uit tarwezaad voortgebracht kunnen worden, zoals uit in slechte grond gezaaide korrels wit koren groeit, dan kan van dergelijk koren vervaardigd brood stof zijn voor dit Sacrament. Maar dit schijnt niet het geval te zijn met gerst, noch met spelt, noch ook met maïs, dat toch het meest van al op tarwe gelijkt. De gelijkenis in uiterlijke vorm schijnt bij deze eerder op verwantschap dan op eenheid van soort te wijzen, zoals uit de gelijkenis in uiterlijke vorm blijkt, dat hond en wolf verwant zijn van soort, niet dat ze één zijn van soort. En dus kan uit dergelijke korens, die volstrekt niet uit tarwezaad kunnen voortkomen, niet het brood vervaardigd worden, dat vereiste stof is voor dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Een kleine vermenging doet de soort niet ophouden: de kleine hoeveelheid toch wordt in zekere zin opgeslorpt door de grote. En daarom: indien een geringe hoeveelheid ander koren gemengd wordt bij een veel grotere hoeveelheid tarwe, dan kan er brood van vervaardigd worden, dat stof is voor dit Sacrament. Een sterke vermenging echter, b.v. van een gelijke of vrijwel gelijke hoeveelheid, doet de soort ophouden. En dus is daaruit vervaardigd brood geen geschikte stof voor dit Sacrament.
3e Weerlegging. Een kleine vermenging doet de soort niet ophouden: de kleine hoeveelheid toch wordt in zekere zin opgeslorpt door de grote. En daarom: indien een geringe hoeveelheid ander koren gemengd wordt bij een veel grotere hoeveelheid tarwe, dan kan er brood van vervaardigd worden, dat stof is voor dit Sacrament. Een sterke vermenging echter, b.v. van een gelijke of vrijwel gelijke hoeveelheid, doet de soort ophouden. En dus is daaruit vervaardigd brood geen geschikte stof voor dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Soms is het bederf van het brood zo groot, dat het zijn soort verliest: zoals wanneer het uit elkaar valt en de smaak, de kleur en andere bijkomstigheden veranderen. Zulk een stof kan men niet consecreren tot het Lichaam van Christus. Soms echter is het bederf niet zo groot, dat de soort ophoudt, maar is er een zekere overgang naar het bederf, zoals een wijziging in de smaak verraadt. En dergelijk brood kan men consecreren tot het Lichaam van Christus, maar die dat doet begaat zonde wegens oneerbiedigheid tegenover het Sacrament. Daar stijfsel van bedorven tarwe komt, kan daarvan vervaardigd brood wel niet het Lichaam van Christus worden, hoewel sommigen het tegenovergestelde zeggen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 74 a. 4 ad 4[t:iiia q. 74 a. 4 ad 4]
4e Weerlegging. Soms is het bederf van het brood zo groot, dat het zijn soort verliest: zoals wanneer het uit elkaar valt en de smaak, de kleur en andere bijkomstigheden veranderen. Zulk een stof kan men niet consecreren tot het Lichaam van Christus. Soms echter is het bederf niet zo groot, dat de soort ophoudt, maar is er een zekere overgang naar het bederf, zoals een wijziging in de smaak verraadt. En dergelijk brood kan men consecreren tot het Lichaam van Christus, maar die dat doet begaat zonde wegens oneerbiedigheid tegenover het Sacrament. Daar stijfsel van bedorven tarwe komt, kan daarvan vervaardigd brood wel niet het Lichaam van Christus worden, hoewel sommigen het tegenovergestelde zeggen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 74 a. 4 ad 4[t:iiia q. 74 a. 4 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Moet dit Sacrament met ongedesemd brood worden voltrokken?
IIIa q. 74 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat dit Sacrament niet met ongedesemd brood moet worden voltrokken. We moeten immers in dit Sacrament Christus' instelling nabootsen. Nu schijnt Christus dit Sacrament met gedesemd brood te hebben ingesteld, want, zoals men leest in het Boek van de Uittocht (12e hoofdstuk), begonnen de Joden overeenkomstig de Wet ongedesemd brood te gebruiken op de Paasdag, die op de veertiende dag van de maan gevierd wordt; Christus echter heeft dit Sacrament ingesteld tijdens het Avondmaal, dat Hij "vóór de Paasdag» vierde, zoals staat in Joannes (13. 1, 4). Dus moeten ook wij dit Sacrament met gedesemd brood vieren.
B: (Exod 12) [b:Exod 12] (John 13:1) [b:John 13:1] (John 13:4) [b:John 13:4]
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat dit Sacrament niet met ongedesemd brood moet worden voltrokken. We moeten immers in dit Sacrament Christus' instelling nabootsen. Nu schijnt Christus dit Sacrament met gedesemd brood te hebben ingesteld, want, zoals men leest in het Boek van de Uittocht (12e hoofdstuk), begonnen de Joden overeenkomstig de Wet ongedesemd brood te gebruiken op de Paasdag, die op de veertiende dag van de maan gevierd wordt; Christus echter heeft dit Sacrament ingesteld tijdens het Avondmaal, dat Hij "vóór de Paasdag» vierde, zoals staat in Joannes (13. 1, 4). Dus moeten ook wij dit Sacrament met gedesemd brood vieren.
B: (Exod 12) [b:Exod 12] (John 13:1) [b:John 13:1] (John 13:4) [b:John 13:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De wetsvoorschriften moet men niet onderhouden in de tijd der genade. Nu was het gebruik van ongedesemd brood een wettelijke plechtigheid, zoals blijkt in het Boek van de Uittocht (12e hoofdstuk). Dus moeten wij in dit genadesacrament geen gebruik maken van ongedesemd brood.
B: (Exod 12) [b:Exod 12]
Vervolgens. De wetsvoorschriften moet men niet onderhouden in de tijd der genade. Nu was het gebruik van ongedesemd brood een wettelijke plechtigheid, zoals blijkt in het Boek van de Uittocht (12e hoofdstuk). Dus moeten wij in dit genadesacrament geen gebruik maken van ongedesemd brood.
B: (Exod 12) [b:Exod 12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Gelijk boven is gezegd (73e Kw. 3e Art. 3e Antw.), is de Eucharistie het "Sacrament der Liefde", zoals het doopsel het sacrament des geloofs is. Nu wordt de vurigheid van de liefde betekend door dees, zoals blijkt uit de Glossa bij het gezegde van Mattheus (13. 33) : "Het rijk der hemelen is gelijk aan dees". Dus moet dit Sacrament voltrokken worden met gedeest brood.
B: (Matt 13:33) [b:Matt 13:33]
R: q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1] q. 73 a. 3[t:iiia q. 73 a. 3]
Vervolgens. Gelijk boven is gezegd (73e Kw. 3e Art. 3e Antw.), is de Eucharistie het "Sacrament der Liefde", zoals het doopsel het sacrament des geloofs is. Nu wordt de vurigheid van de liefde betekend door dees, zoals blijkt uit de Glossa bij het gezegde van Mattheus (13. 33) : "Het rijk der hemelen is gelijk aan dees". Dus moet dit Sacrament voltrokken worden met gedeest brood.
B: (Matt 13:33) [b:Matt 13:33]
R: q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1] q. 73 a. 3[t:iiia q. 73 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 4 arg. 4
Vervolgens. Ongedeemd en gedeemd zijn bijkomstigheden van het brood, waardoor de soort niet verandert. Nu maakt men bij de stof van het doopsel geenerlei onderscheid tussen bijkomstigheden van het water b.v. of het zout of zoet, warm of koud is. Dus moet men in dit Sacrament geen onderscheid maken of het brood ongedeemd of gedeemd is.
Vervolgens. Ongedeemd en gedeemd zijn bijkomstigheden van het brood, waardoor de soort niet verandert. Nu maakt men bij de stof van het doopsel geenerlei onderscheid tussen bijkomstigheden van het water b.v. of het zout of zoet, warm of koud is. Dus moet men in dit Sacrament geen onderscheid maken of het brood ongedeemd of gedeemd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in een Extra de priester gestraft wordt, “ die het gewaagd mocht hebben de eucharistische plechtigheden te vieren met gedeest brood en een houten beker ”.
Daartegenover staat echter, dat in een Extra de priester gestraft wordt, “ die het gewaagd mocht hebben de eucharistische plechtigheden te vieren met gedeest brood en een houten beker ”.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 4 co.
Mijn antwoord. Met betrekking tot de stof van dit Sacrament kunnen twee dingen beschouwd worden t. w. wat noodzakelijk en wat passend is. Gelijk gezegd (vorig Artikel), is het noodzakelijk, dat het tarwebrood is, zonder hetwelk het Sacrament niet wordt voltrokken. Het is echter niet noodzakelijk voor het Sacrament, dat het ongedesemd of gedesemd is, want met beide kan het voltrokken worden. Passend is het echter, dat iedereen bij de viering van het Sacrament de ritus van zijn eigen Kerk in acht neemt. Op dit punt hebben de Kerken verschillende gewoonten. Want Gregorius zegt: "De Romeinse Kerk draagt ongedesemde broden op, omdat de Heer zonder enige vermenging het Vlees heeft aangenomen. Maar de overige Kerken dragen gedesemd brood op, daar het Woord des Vaders Vlees heeft aangedaan, zoals ook de deesem gemengd wordt met het meel». Derhalve, zoals in de Latijnse Kerk een priester zondigt, als hij de Mis leest met gedesemd brood, zo zou in de Griekse Kerk een Griekse priester zondigen, als hij de Mis las met ongedesemd brood en dus de ritus van zijn Kerk met voeten trad. Evenwel is de gewoonte om de Mis te lezen met ongedesemd brood redelijker. Vooreerst om de instelling van Christus, die dit Sacrament heeft ingesteld "op de eerste dag van de ongedesemde broden», zoals te vinden is bij Mattheus (26. 17) en Marcus (14. 12) en Lucas (22. 7), op welke dag er volstrekt geen gedesemd brood in de huizen der Joden aanwezig mocht zijn, zoals staat in het Boek van de Uittocht (12. 15, 19). Ten tweede, omdat het brood in strikte zin het Sacrament is van het Lichaam van Christus, dat zonder bederf is ontvangen — méér dan van Zijn Godheid, zoals later zal blijken (76' Kw. 1° Artikel 1° Antwoord.). Ten derde, omdat dit brood beter overeenkomt met de oprechtheid van de gelovigen, welke voor het gebruik van dit Sacrament wordt vereist volgens de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 7-8): "Ons Paaslam, Christus, is geslacht: laat ons dan feestmaal houden met ongedesemde broden van oprechtheid en waarheid» Toch heeft genoemde gewoonte van de Grieken een zekere redelijkheid: en om de betekenis, die Gregorius aanraakt: en om afschuw uit te drukken voor de ketterij van de Nazarenen, die wetsvoorschriften met het Evangelie vermengden.
R: q. 74 a. 3[t:iiia q. 74 a. 3] q. 76 a. 1 ad 1[t:iiia q. 76 a. 1 ad 1]
Mijn antwoord. Met betrekking tot de stof van dit Sacrament kunnen twee dingen beschouwd worden t. w. wat noodzakelijk en wat passend is. Gelijk gezegd (vorig Artikel), is het noodzakelijk, dat het tarwebrood is, zonder hetwelk het Sacrament niet wordt voltrokken. Het is echter niet noodzakelijk voor het Sacrament, dat het ongedesemd of gedesemd is, want met beide kan het voltrokken worden. Passend is het echter, dat iedereen bij de viering van het Sacrament de ritus van zijn eigen Kerk in acht neemt. Op dit punt hebben de Kerken verschillende gewoonten. Want Gregorius zegt: "De Romeinse Kerk draagt ongedesemde broden op, omdat de Heer zonder enige vermenging het Vlees heeft aangenomen. Maar de overige Kerken dragen gedesemd brood op, daar het Woord des Vaders Vlees heeft aangedaan, zoals ook de deesem gemengd wordt met het meel». Derhalve, zoals in de Latijnse Kerk een priester zondigt, als hij de Mis leest met gedesemd brood, zo zou in de Griekse Kerk een Griekse priester zondigen, als hij de Mis las met ongedesemd brood en dus de ritus van zijn Kerk met voeten trad. Evenwel is de gewoonte om de Mis te lezen met ongedesemd brood redelijker. Vooreerst om de instelling van Christus, die dit Sacrament heeft ingesteld "op de eerste dag van de ongedesemde broden», zoals te vinden is bij Mattheus (26. 17) en Marcus (14. 12) en Lucas (22. 7), op welke dag er volstrekt geen gedesemd brood in de huizen der Joden aanwezig mocht zijn, zoals staat in het Boek van de Uittocht (12. 15, 19). Ten tweede, omdat het brood in strikte zin het Sacrament is van het Lichaam van Christus, dat zonder bederf is ontvangen — méér dan van Zijn Godheid, zoals later zal blijken (76' Kw. 1° Artikel 1° Antwoord.). Ten derde, omdat dit brood beter overeenkomt met de oprechtheid van de gelovigen, welke voor het gebruik van dit Sacrament wordt vereist volgens de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 7-8): "Ons Paaslam, Christus, is geslacht: laat ons dan feestmaal houden met ongedesemde broden van oprechtheid en waarheid» Toch heeft genoemde gewoonte van de Grieken een zekere redelijkheid: en om de betekenis, die Gregorius aanraakt: en om afschuw uit te drukken voor de ketterij van de Nazarenen, die wetsvoorschriften met het Evangelie vermengden.
R: q. 74 a. 3[t:iiia q. 74 a. 3] q. 76 a. 1 ad 1[t:iiia q. 76 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Zoals men leest in het Boek van de Uittocht (12. 7, 18), begon de Paasplechtigheid vanaf de namiddag van de veertien dag der maan. En toen heeft Christus, na slachting van het paaslam, dit Sacrament ingesteld. Daarom zegt Joannes van deze dag dat hij voorafging aan de nog volgende Paasdag, terwijl de drie andere evangelisten hem noemen “de eerste dag van de ongedeesemde broden”, waarop in de huizen der Joden geen gedeesemd brood gevonden werd, zoals gezegd is (in de Leerst.). Hierover is vollediger bescheid gedaan in het tractaat over ’s Heren lijden (46° Kw. 9° Art. 1° Antw.).
B: (Exod 12:15) [b:Exod 12:15] (Exod 12:19) [b:Exod 12:19] (Matt 26:17) [b:Matt 26:17] (Mark 14:12) [b:Mark 14:12] (Luke 22:7) [b:Luke 22:7] (1Cor 5:7) [b:1Cor 5:7]
R: q. 46 a. 9 ad 1[t:iiia q. 46 a. 9 ad 1]
1e Weerlegging. Zoals men leest in het Boek van de Uittocht (12. 7, 18), begon de Paasplechtigheid vanaf de namiddag van de veertien dag der maan. En toen heeft Christus, na slachting van het paaslam, dit Sacrament ingesteld. Daarom zegt Joannes van deze dag dat hij voorafging aan de nog volgende Paasdag, terwijl de drie andere evangelisten hem noemen “de eerste dag van de ongedeesemde broden”, waarop in de huizen der Joden geen gedeesemd brood gevonden werd, zoals gezegd is (in de Leerst.). Hierover is vollediger bescheid gedaan in het tractaat over ’s Heren lijden (46° Kw. 9° Art. 1° Antw.).
B: (Exod 12:15) [b:Exod 12:15] (Exod 12:19) [b:Exod 12:19] (Matt 26:17) [b:Matt 26:17] (Mark 14:12) [b:Mark 14:12] (Luke 22:7) [b:Luke 22:7] (1Cor 5:7) [b:1Cor 5:7]
R: q. 46 a. 9 ad 1[t:iiia q. 46 a. 9 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Zij die de Eucharistie vieren met ongedeesemd brood bedoelen niet de plechtigheden van de Wet in acht te nemen maar zich aan te passen aan de instelling van Christus. En daarom judaïseren zij niet. Anders zouden ook zij, die de Mis lezen met gedeesemd brood, judaïseren: de Joden immers droegen gedeesemd brood als eerstelingen op.
2e Weerlegging. Zij die de Eucharistie vieren met ongedeesemd brood bedoelen niet de plechtigheden van de Wet in acht te nemen maar zich aan te passen aan de instelling van Christus. En daarom judaïseren zij niet. Anders zouden ook zij, die de Mis lezen met gedeesemd brood, judaïseren: de Joden immers droegen gedeesemd brood als eerstelingen op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De dezem betekent liefde wegens een van zijn uitwerkingsselen, daar namelijk het brood er smakelijker en groter door wordt. Maar hij betekent bederf op grond zelf van zijn soort.
B: (Exod 12) [b:Exod 12]
3e Weerlegging. De dezem betekent liefde wegens een van zijn uitwerkingsselen, daar namelijk het brood er smakelijker en groter door wordt. Maar hij betekent bederf op grond zelf van zijn soort.
B: (Exod 12) [b:Exod 12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. Daar deze iets bedorven heeft en dit Sacrament, zoals gezegd is (3° Art. 4° Antw.), niet met bedorven brood voltrokken kan worden, wordt bij het brood méér gelet op het verschil van ongedeesemd of gedeesemd dan bij het doopwater op het verschil van warm en koud. Het bederf van de deesem kon immers zó groot zijn, dat het Sacrament er niet mee tot stand zou kunnen komen.
R: q. 74 a. 3 ad 4[t:iiia q. 74 a. 3 ad 4]
4e Weerlegging. Daar deze iets bedorven heeft en dit Sacrament, zoals gezegd is (3° Art. 4° Antw.), niet met bedorven brood voltrokken kan worden, wordt bij het brood méér gelet op het verschil van ongedeesemd of gedeesemd dan bij het doopwater op het verschil van warm en koud. Het bederf van de deesem kon immers zó groot zijn, dat het Sacrament er niet mee tot stand zou kunnen komen.
R: q. 74 a. 3 ad 4[t:iiia q. 74 a. 3 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Is wijn van den wijnstok de eigen stof van dit Sacrament?
IIIa q. 74 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat wijn van de wijnstok niet de eigen stof van dit Sacrament is. Zoals immers water de stof is van het doopsel, zo is wijn de stof van dit Sacrament. Welnu het doopsel kan plaats hebben met alle water. Dus kan ook dit Sacrament voltrokken worden met alle wijn b.v. met wijn van granaatappels of van moerbeien: vooral daar de wijnstok in sommige landen niet groeit.
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat wijn van de wijnstok niet de eigen stof van dit Sacrament is. Zoals immers water de stof is van het doopsel, zo is wijn de stof van dit Sacrament. Welnu het doopsel kan plaats hebben met alle water. Dus kan ook dit Sacrament voltrokken worden met alle wijn b.v. met wijn van granaatappels of van moerbeien: vooral daar de wijnstok in sommige landen niet groeit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Azijn is een soort van wijn, dat verkregen wordt van de wijnstok, zoals Isidorus zegt. Maar dit Sacrament kan niet voltrokken worden met azijn. Dus schijnt wijn van de wijnstok niet de eigen stof van dit Sacrament te zijn.
Vervolgens. Azijn is een soort van wijn, dat verkregen wordt van de wijnstok, zoals Isidorus zegt. Maar dit Sacrament kan niet voltrokken worden met azijn. Dus schijnt wijn van de wijnstok niet de eigen stof van dit Sacrament te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Zoals van de wijnstok geklaarde wijn verkregen wordt, zo ook onrijp sap en most. Maar hiermee kan dit Sacrament niet worden voltrokken, overeenkomstig het te lezen in de Zesde Synode: "Wij hebben vernomen, dat in sommige kerken de priesters bij het als offer opgedragen druiven voegen en dan heide aan het volk uitdelen. Wij bevelen derhalve, dat geen enkele priester dit in het vervolg nog doe». En Paus Julius berispt hen, die "zo juist uitgeperste wijn in het Sacrament van ’s Heren kelk opdragen". Dus schijnt wijn van de wijnstok niet de eigen stof van dit Sacrament te zijn.
Vervolgens. Zoals van de wijnstok geklaarde wijn verkregen wordt, zo ook onrijp sap en most. Maar hiermee kan dit Sacrament niet worden voltrokken, overeenkomstig het te lezen in de Zesde Synode: "Wij hebben vernomen, dat in sommige kerken de priesters bij het als offer opgedragen druiven voegen en dan heide aan het volk uitdelen. Wij bevelen derhalve, dat geen enkele priester dit in het vervolg nog doe». En Paus Julius berispt hen, die "zo juist uitgeperste wijn in het Sacrament van ’s Heren kelk opdragen". Dus schijnt wijn van de wijnstok niet de eigen stof van dit Sacrament te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, dat, zoals de Heer Zichzelf heeft vergeleken met de tarwekorrel, Hij Zichzelf óók heeft vergeleken met de wijnstok, zeggend: "Ik ben de ware wijnstok". (Joan. 15, 1). Nu is alleen tarwebrood stof van dit Sacrament. Dus is alleen wijn van de wijnstok de eigen stof van dit Sacrament.
B: (John 15:1) [b:John 15:1]
R: q. 74 a. 3[t:iiia q. 74 a. 3]
Daartegenover staat echter, dat, zoals de Heer Zichzelf heeft vergeleken met de tarwekorrel, Hij Zichzelf óók heeft vergeleken met de wijnstok, zeggend: "Ik ben de ware wijnstok". (Joan. 15, 1). Nu is alleen tarwebrood stof van dit Sacrament. Dus is alleen wijn van de wijnstok de eigen stof van dit Sacrament.
B: (John 15:1) [b:John 15:1]
R: q. 74 a. 3[t:iiia q. 74 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 5 co.
Mijn antwoord. Alleen met wijn van de wijnstok kan dit Sacrament worden voltrokken. Vooreerst om de instelling van Christus, die met wijn van de wijnstok dit Sacrament heeft ingesteld, zoals blijkt uit hetgeen Hij zelf met het oog op de instelling van dit Sacrament zegt: "Voorwaar, Ik zal niet meer drinken van dit gewas van de wijnstok". (Luc. 22. 18). — Ten tweede, omdat, gelijk gezegd (3° Art.), voor de stof van de sacramenten datgene genomen wordt, wat in strikten zin en algemeen van die soort is. Nu wordt in strikten zin wijn genoemd, wat van de wijnstok verkregen wordt: andere dranken daarentegen worden wijn genoemd om een zekere gelijkenis met de wijn van de wijnstok. — Ten derde, omdat de wijn van de wijnstok méér overeenkomt met het uitwerksel van dit Sacrament, dat geestelijke blijdschap is: want er is geschreven dat "de wijn 's mensen hart verblijdt». (Ps. 103. 15).
B: (Ps 103:15) [b:Ps 103:15] (Matt 26:29) [b:Matt 26:29]
R: q. 74 a. 3[t:iiia q. 74 a. 3]
Mijn antwoord. Alleen met wijn van de wijnstok kan dit Sacrament worden voltrokken. Vooreerst om de instelling van Christus, die met wijn van de wijnstok dit Sacrament heeft ingesteld, zoals blijkt uit hetgeen Hij zelf met het oog op de instelling van dit Sacrament zegt: "Voorwaar, Ik zal niet meer drinken van dit gewas van de wijnstok". (Luc. 22. 18). — Ten tweede, omdat, gelijk gezegd (3° Art.), voor de stof van de sacramenten datgene genomen wordt, wat in strikten zin en algemeen van die soort is. Nu wordt in strikten zin wijn genoemd, wat van de wijnstok verkregen wordt: andere dranken daarentegen worden wijn genoemd om een zekere gelijkenis met de wijn van de wijnstok. — Ten derde, omdat de wijn van de wijnstok méér overeenkomt met het uitwerksel van dit Sacrament, dat geestelijke blijdschap is: want er is geschreven dat "de wijn 's mensen hart verblijdt». (Ps. 103. 15).
B: (Ps 103:15) [b:Ps 103:15] (Matt 26:29) [b:Matt 26:29]
R: q. 74 a. 3[t:iiia q. 74 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Die dranken worden niet in strikte zin, maar om een gelijkheid wijn genoemd. Echte wijn kan, zoveel als voor dit sacrament nodig is, naar die landen vervoerd worden, waar de wijnstok niet groeit.
1e Weerlegging. Die dranken worden niet in strikte zin, maar om een gelijkheid wijn genoemd. Echte wijn kan, zoveel als voor dit sacrament nodig is, naar die landen vervoerd worden, waar de wijnstok niet groeit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Wijn wordt azijn door bederf: daarom gaat azijn niet terug over in wijn, zoals gezegd wordt in de Metaphysica. Derhalve, zoals dit Sacrament niet kan voltrokken worden met geheel bedorven brood, kan het ook niet voltrokken worden met azijn. Wel met wijn, die op het punt staat in azijn over te gaan, evenals met brood, dat op weg is naar het bederf, hoewel degene, die zo de Eucharistie voltrekt, zonde doet, gelijk boven gezegd is (3° Art. 4° Antw.).
R: q. 74 a. 3[t:iiia q. 74 a. 3]
2e Weerlegging. Wijn wordt azijn door bederf: daarom gaat azijn niet terug over in wijn, zoals gezegd wordt in de Metaphysica. Derhalve, zoals dit Sacrament niet kan voltrokken worden met geheel bedorven brood, kan het ook niet voltrokken worden met azijn. Wel met wijn, die op het punt staat in azijn over te gaan, evenals met brood, dat op weg is naar het bederf, hoewel degene, die zo de Eucharistie voltrekt, zonde doet, gelijk boven gezegd is (3° Art. 4° Antw.).
R: q. 74 a. 3[t:iiia q. 74 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Onrijp sap is in het ontstaansproces en heeft daarom nog niet de soort van wijn. En derhalve kan daarmee dit Sacrament niet worden voltrokken. Most echter heeft al de soort van wijn, want zijn zoetheid wijst er op, dat hij heeft gewerkt, hetgeen het "laatste uitwerksel van de natuurlijke warmte is», zoals gezegd wordt in de Metereologica. Daarom kan met most dit Sacrament worden voltrokken. Evenwel moet men geen hele druiven bij dit Sacrament voegen, want dan zou er, behalve wijn, nog iets anders zijn. Ook wordt verboden juist uitgeperste wijn in de kelk op te dragen: dit immers is niet passend vanwege de onzuiverheid van de most. In geval van noodzaak kan het echter gebeuren, want dezelfde Paus Julius zegt: "Mocht het nodig zijn, dan pers men de wijntros in de kelk uit».
3e Weerlegging. Onrijp sap is in het ontstaansproces en heeft daarom nog niet de soort van wijn. En derhalve kan daarmee dit Sacrament niet worden voltrokken. Most echter heeft al de soort van wijn, want zijn zoetheid wijst er op, dat hij heeft gewerkt, hetgeen het "laatste uitwerksel van de natuurlijke warmte is», zoals gezegd wordt in de Metereologica. Daarom kan met most dit Sacrament worden voltrokken. Evenwel moet men geen hele druiven bij dit Sacrament voegen, want dan zou er, behalve wijn, nog iets anders zijn. Ook wordt verboden juist uitgeperste wijn in de kelk op te dragen: dit immers is niet passend vanwege de onzuiverheid van de most. In geval van noodzaak kan het echter gebeuren, want dezelfde Paus Julius zegt: "Mocht het nodig zijn, dan pers men de wijntros in de kelk uit».
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Moet er water bij de wijn gevoegd worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 74 a. 7 co.[t:iiia q. 74 a. 7 co.]
IIIa q. 74 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat er geen water bij de wijn gevoegd moet worden. Immers, het Offer van Christus werd voorafgebeeld door de offerande van Melchisedech, van wie men alleen maar kan lezen (Schepp. 14. 18), dat hij "brood en wijn" heeft opgedragen. Dus schijnt in dit Sacrament geen water bijgevoegd te moeten worden.
B: (Gen 14:18) [b:Gen 14:18]
IIIa q. 74 a. 7 co.[t:iiia q. 74 a. 7 co.]
IIIa q. 74 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat er geen water bij de wijn gevoegd moet worden. Immers, het Offer van Christus werd voorafgebeeld door de offerande van Melchisedech, van wie men alleen maar kan lezen (Schepp. 14. 18), dat hij "brood en wijn" heeft opgedragen. Dus schijnt in dit Sacrament geen water bijgevoegd te moeten worden.
B: (Gen 14:18) [b:Gen 14:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Verschillende sacramenten hebben verschillende stoffen. Nu is water de stof van het doopsel. Dus moet het niet bij de stof van dit sacrament gebruikt worden.
Vervolgens. Verschillende sacramenten hebben verschillende stoffen. Nu is water de stof van het doopsel. Dus moet het niet bij de stof van dit sacrament gebruikt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Brood en wijn zijn de stof van dit sacrament. Welnu bij het brood wordt niets bijgevoegd. Dus moet er ook niets aan de wijn worden toegevoegd.
Vervolgens. Brood en wijn zijn de stof van dit sacrament. Welnu bij het brood wordt niets bijgevoegd. Dus moet er ook niets aan de wijn worden toegevoegd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Paus Alexander schrijft: "Bij de opdracht der Sacramenten, welke bij de Misplechtigheden aan de Heer worden opgedragen, mogen alleen brood en met water vermengde wijn ten Offer worden opgedragen".
B: (Eph 1) [b:Eph 1]
Daartegenover staat echter, dat Paus Alexander schrijft: "Bij de opdracht der Sacramenten, welke bij de Misplechtigheden aan de Heer worden opgedragen, mogen alleen brood en met water vermengde wijn ten Offer worden opgedragen".
B: (Eph 1) [b:Eph 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 6 co.
Mijn antwoord. Met de wijn, die in dit Sacrament wordt opgedragen, moet water worden vermengd. Vooreerst om de instelling. Men meent immers niet ten onrechte, dat de Heer dit Sacrament heeft ingesteld met wijn, waarin water was vermengd, overeenkomstig de gewoonte van dat land: vandaar ook dat in het Boek der Spreuken (9. 5) gezegd wordt: "Drinkt de wijn, die ik u gemengd heb. — Ten tweede, omdat dit beter schikt voor de uitbeelding van 's Heren lijden. Daarom zegt Paus Alexander: "In de kelk des Heren moet niet alleen wijn of alleen water opgedragen worden, maar beide gemengd: beide toch zijn volgens de Schrift uit Christus' zijde bij Zijn lijden voortgevloeid". — Ten derde, omdat dit beter schikt tot uitbeelding van het uitwerksel van dit Sacrament nl. de vereniging van het christen volk met Christus: want, zoals Paus Julius zegt: "Wij zien, dat met het water het volk bedoeld wordt en dat de wijn het Bloed van Christus aangeeft. Wanneer dus in de kelk de wijn met het water wordt gemengd, wordt Christus met het volk verenigd". — Ten vierde, omdat dit goed uitkomt met het laatste uitwerksel van dit Sakrament nl. de toegang tot het eeuwig leven. Daarom zegt Ambrosius: "Het water stroomt in de kelk en schiet op ten eeuwigen leven".
B: (Prov 9:5) [b:Prov 9:5] (Eph 1) [b:Eph 1]
Mijn antwoord. Met de wijn, die in dit Sacrament wordt opgedragen, moet water worden vermengd. Vooreerst om de instelling. Men meent immers niet ten onrechte, dat de Heer dit Sacrament heeft ingesteld met wijn, waarin water was vermengd, overeenkomstig de gewoonte van dat land: vandaar ook dat in het Boek der Spreuken (9. 5) gezegd wordt: "Drinkt de wijn, die ik u gemengd heb. — Ten tweede, omdat dit beter schikt voor de uitbeelding van 's Heren lijden. Daarom zegt Paus Alexander: "In de kelk des Heren moet niet alleen wijn of alleen water opgedragen worden, maar beide gemengd: beide toch zijn volgens de Schrift uit Christus' zijde bij Zijn lijden voortgevloeid". — Ten derde, omdat dit beter schikt tot uitbeelding van het uitwerksel van dit Sacrament nl. de vereniging van het christen volk met Christus: want, zoals Paus Julius zegt: "Wij zien, dat met het water het volk bedoeld wordt en dat de wijn het Bloed van Christus aangeeft. Wanneer dus in de kelk de wijn met het water wordt gemengd, wordt Christus met het volk verenigd". — Ten vierde, omdat dit goed uitkomt met het laatste uitwerksel van dit Sakrament nl. de toegang tot het eeuwig leven. Daarom zegt Ambrosius: "Het water stroomt in de kelk en schiet op ten eeuwigen leven".
B: (Prov 9:5) [b:Prov 9:5] (Eph 1) [b:Eph 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Gelijk Ambrosius terzelfder plaatse zegt, is het Offer van Christus niet alleen voorafgebeeld door de offerande van Melchisedech, maar ook door het water, dat in de woestijn uit de rots vloeide, volgens het gezegde van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10. 4): "Zij dronken van de geestelijke rots, die hen volgde".
B: (1Cor 10:4) [b:1Cor 10:4]
1e Weerlegging. Gelijk Ambrosius terzelfder plaatse zegt, is het Offer van Christus niet alleen voorafgebeeld door de offerande van Melchisedech, maar ook door het water, dat in de woestijn uit de rots vloeide, volgens het gezegde van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10. 4): "Zij dronken van de geestelijke rots, die hen volgde".
B: (1Cor 10:4) [b:1Cor 10:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. In het doopsel wordt water gebruikt ter afwassing. In dit sacrament echter ter verkwikking, volgens het psalmvers: "Met wateren van verkwikking heeft Hij mij grootgebracht". (Ps. 22. 2).
B: (Ps 22:3) [b:Ps 22:3]
2e Weerlegging. In het doopsel wordt water gebruikt ter afwassing. In dit sacrament echter ter verkwikking, volgens het psalmvers: "Met wateren van verkwikking heeft Hij mij grootgebracht". (Ps. 22. 2).
B: (Ps 22:3) [b:Ps 22:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Brood wordt vervaardigd uit water en meel. Als er daarom bij de wijn water wordt gedaan, is geen van beide zonder water.
3e Weerlegging. Brood wordt vervaardigd uit water en meel. Als er daarom bij de wijn water wordt gedaan, is geen van beide zonder water.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Is de vermenging met water noodzakelijk voor dit Sacrament?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 78 a. 1 ad 2
IIIa q. 83 a. 6 ad 4[t:iiia q. 78 a. 1 ad 2][t:iiia q. 83 a. 6 ad 4]
IIIa q. 74 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de vermenging met water noodzakelijk is voor dit Sacrament. Cyprianus zegt immers: "Dus is de kelk des Heren niet water alleen of wijn alleen, maar een mengsel van beide, op dezelfde manier als ook het Lichaam des Heren niet meel alleen kan zijn, maar een verbinding van beide" d. i. van meel en water. Nu is de bijmenging van water bij het meel noodzakelijk voor dit Sacrament. Dus om dezelfde reden ook de bijmenging van water bij de wijn.
IIIa q. 78 a. 1 ad 2
IIIa q. 83 a. 6 ad 4[t:iiia q. 78 a. 1 ad 2][t:iiia q. 83 a. 6 ad 4]
IIIa q. 74 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de vermenging met water noodzakelijk is voor dit Sacrament. Cyprianus zegt immers: "Dus is de kelk des Heren niet water alleen of wijn alleen, maar een mengsel van beide, op dezelfde manier als ook het Lichaam des Heren niet meel alleen kan zijn, maar een verbinding van beide" d. i. van meel en water. Nu is de bijmenging van water bij het meel noodzakelijk voor dit Sacrament. Dus om dezelfde reden ook de bijmenging van water bij de wijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Tijdens het lijden des Heren, waarvan dit sacrament de herinnering is, "stroomde er uit Zijn zijde bloed", maar ook "water". (Joan. 19. 34). Nu is de wijn, die het sacrament is van het bloed, noodzakelijk voor dit sacrament. Dus om dezelfde reden ook het water.
Vervolgens. Tijdens het lijden des Heren, waarvan dit sacrament de herinnering is, "stroomde er uit Zijn zijde bloed", maar ook "water". (Joan. 19. 34). Nu is de wijn, die het sacrament is van het bloed, noodzakelijk voor dit sacrament. Dus om dezelfde reden ook het water.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Als het water niet noodzakelijk was voor dit Sacrament, zou het er niet op aankomen wat voor water bij dit Sacrament wordt gedaan: en zo zou er rozenwater bij gedaan kunnen worden, of ieder ander dergelijk water. Dat is echter tegen het gebruik van de Kerk. Dus is het water noodzakelijk voor dit Sacrament.
Vervolgens. Als het water niet noodzakelijk was voor dit Sacrament, zou het er niet op aankomen wat voor water bij dit Sacrament wordt gedaan: en zo zou er rozenwater bij gedaan kunnen worden, of ieder ander dergelijk water. Dat is echter tegen het gebruik van de Kerk. Dus is het water noodzakelijk voor dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Cyprianus zegt: "Als iemand van onze voorgangers uit onwetendheid of argeloosheid dit niet in acht heeft genomen" nl. om in dit sacrament water bij de wijn te mengen, "dan kan men zijn argeloosheid vergeven". Dat zou niet het geval kunnen zijn, als het water noodzakelijk was voor het sacrament zoals de wijn of het brood. Dus is de bijmenging van water niet noodzakelijk voor het sacrament.
Daartegenover staat echter, dat Cyprianus zegt: "Als iemand van onze voorgangers uit onwetendheid of argeloosheid dit niet in acht heeft genomen" nl. om in dit sacrament water bij de wijn te mengen, "dan kan men zijn argeloosheid vergeven". Dat zou niet het geval kunnen zijn, als het water noodzakelijk was voor het sacrament zoals de wijn of het brood. Dus is de bijmenging van water niet noodzakelijk voor het sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 7 co.
Mijn antwoord. Het oordeel over het teken moet geveld worden op grond van het betekende. Nu moet de toevoeging van het water bij de wijn betekenen, dat de gelovigen aan dit sacrament deelnemen, voorzover dat door het bij de wijn gemengd water het met Christus verenigd volk wordt betekend, zoals gezegd is (vorig artikel). Ook het feit, dat uit de zijde van de aan het kruis hangende Christus water is gevloeid, heeft op hetzelfde betrekking, want door het water werd betekend de afwassing van de zonden, die geschiedde door het lijden van Christus. Welnu, boven is gezegd (73° Kw. 1° artikel 3° antwoord), dat dit sacrament tot stand komt bij de consecratie van de stof, terwijl het gebruik ervan door de gelovigen niet noodzakelijk is voor het sacrament, maar iets gevolgelijks is van het sacrament. Dus volgt, dat de toevoeging van het water niet noodzakelijk is voor het sacrament.
R: q. 74 a. 6[t:iiia q. 74 a. 6] q. 73 a. 1 ad 3[t:iiia q. 73 a. 1 ad 3]
Mijn antwoord. Het oordeel over het teken moet geveld worden op grond van het betekende. Nu moet de toevoeging van het water bij de wijn betekenen, dat de gelovigen aan dit sacrament deelnemen, voorzover dat door het bij de wijn gemengd water het met Christus verenigd volk wordt betekend, zoals gezegd is (vorig artikel). Ook het feit, dat uit de zijde van de aan het kruis hangende Christus water is gevloeid, heeft op hetzelfde betrekking, want door het water werd betekend de afwassing van de zonden, die geschiedde door het lijden van Christus. Welnu, boven is gezegd (73° Kw. 1° artikel 3° antwoord), dat dit sacrament tot stand komt bij de consecratie van de stof, terwijl het gebruik ervan door de gelovigen niet noodzakelijk is voor het sacrament, maar iets gevolgelijks is van het sacrament. Dus volgt, dat de toevoeging van het water niet noodzakelijk is voor het sacrament.
R: q. 74 a. 6[t:iiia q. 74 a. 6] q. 73 a. 1 ad 3[t:iiia q. 73 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Dat woord van Cyprianus is te verstaan in de zin, waarin men zegt, dat iets niet mogelijk is, als het niet mogelijk is op passende wijze. En zo slaat die vergelijking op wat behoren te geschieden, niet op wat noodzakelijk is: water immers is wezenlijk aan brood maar niet aan wijn.
1e Weerlegging. Dat woord van Cyprianus is te verstaan in de zin, waarin men zegt, dat iets niet mogelijk is, als het niet mogelijk is op passende wijze. En zo slaat die vergelijking op wat behoren te geschieden, niet op wat noodzakelijk is: water immers is wezenlijk aan brood maar niet aan wijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. De bloeduitstorting was onmiddellijk iets van het lijden zelf van Christus: het is immers volgens de natuur van het menselijk lichaam, dat er bloed uitstroomt, als het gewond is. Maar de uitstorting van water was niet iets noodzakelijks van het lijden, maar moest het uitwerksel aanwijzen, namelijk de afwassing van de zonden en verfrissing tegen het vuur van de begeerlijkheid. En daarom wordt in dat sacrament het water niet afzonderlijk naast de wijn opgedragen (zoals de wijn afzonderlijk naast het brood wordt opgedragen) maar vermengd met de wijn, opdat daaruit blijke, dat de wijn op zich iets van het sacrament is als zijnde iets noodzakelijks ervan, terwijl het water slechts in verbinding met de wijn er deel van uitmaakt.
2e Weerlegging. De bloeduitstorting was onmiddellijk iets van het lijden zelf van Christus: het is immers volgens de natuur van het menselijk lichaam, dat er bloed uitstroomt, als het gewond is. Maar de uitstorting van water was niet iets noodzakelijks van het lijden, maar moest het uitwerksel aanwijzen, namelijk de afwassing van de zonden en verfrissing tegen het vuur van de begeerlijkheid. En daarom wordt in dat sacrament het water niet afzonderlijk naast de wijn opgedragen (zoals de wijn afzonderlijk naast het brood wordt opgedragen) maar vermengd met de wijn, opdat daaruit blijke, dat de wijn op zich iets van het sacrament is als zijnde iets noodzakelijks ervan, terwijl het water slechts in verbinding met de wijn er deel van uitmaakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Omdat de bijmenging van het water bij de wijn niet noodzakelijk is voor het Sacrament, komt het er, wat dat betreft, niet op aan, wat voor water bij de wijn wordt gemengd, natuurlijk of kunstmatig, zoals rozenwater. Maar als het gaat om wat voor het Sacrament behoorlijk is, dan zondigt hij, die een ander dan natuurlijk en echt water toevoegt: uit de zijde van de aan het kruis hangende Christus is immers echt water gevloeid (geen slijm, zoals sommigen beweren), opdat zou blijken, dat het Lichaam van Christus echt was samengesteld uit de vier elementen, gelijk uit het bloed, dat er uit stroomde bleek, dat het was samengesteld uit de vier vochten, volgens het gezegde van Innocentius III. Omdat daarentegen de bijvoeging van water bij het meel noodzakelijk is voor dit Sacrament, aangezien daardoor de broodzelfstandigheid tot stand komt, daarom zou het Sacrament niet voltrokken kunnen worden met meel, waarin rozenwater vermengd was of welke andere vloeistof dan ook buiten echt water, en wel omdat dat geen echt brood zou zijn.
3e Weerlegging. Omdat de bijmenging van het water bij de wijn niet noodzakelijk is voor het Sacrament, komt het er, wat dat betreft, niet op aan, wat voor water bij de wijn wordt gemengd, natuurlijk of kunstmatig, zoals rozenwater. Maar als het gaat om wat voor het Sacrament behoorlijk is, dan zondigt hij, die een ander dan natuurlijk en echt water toevoegt: uit de zijde van de aan het kruis hangende Christus is immers echt water gevloeid (geen slijm, zoals sommigen beweren), opdat zou blijken, dat het Lichaam van Christus echt was samengesteld uit de vier elementen, gelijk uit het bloed, dat er uit stroomde bleek, dat het was samengesteld uit de vier vochten, volgens het gezegde van Innocentius III. Omdat daarentegen de bijvoeging van water bij het meel noodzakelijk is voor dit Sacrament, aangezien daardoor de broodzelfstandigheid tot stand komt, daarom zou het Sacrament niet voltrokken kunnen worden met meel, waarin rozenwater vermengd was of welke andere vloeistof dan ook buiten echt water, en wel omdat dat geen echt brood zou zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Moet het water in grote hoeveelheid worden toegevoegd?
IIIa q. 74 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat het water in grote hoeveelheid moet worden toegevoegd. Want zoals uit de zijde van Christus het bloed op zichtbare wijze uitstroomde, zo ook het water: daarom wordt er gezegd bij Joannes (19. 35): "Die het gezien heeft, heeft getuigenis afgelegd». Nu zou het water in dit Sacrament niet zichtbaar zijn, als het niet in grote hoeveelheid werd toegevoegd. Dus moet het water in grote hoeveelheid worden toegevoegd.
B: (John 19:35, John 19:35) [b:John 19:35]
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat het water in grote hoeveelheid moet worden toegevoegd. Want zoals uit de zijde van Christus het bloed op zichtbare wijze uitstroomde, zo ook het water: daarom wordt er gezegd bij Joannes (19. 35): "Die het gezien heeft, heeft getuigenis afgelegd». Nu zou het water in dit Sacrament niet zichtbaar zijn, als het niet in grote hoeveelheid werd toegevoegd. Dus moet het water in grote hoeveelheid worden toegevoegd.
B: (John 19:35, John 19:35) [b:John 19:35]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Een geringe hoeveelheid water bij veel wijn gedaan lost op. Wat echter opgelost is, is niet meer. Dus komt het in dit Sacrament op hetzelfde neer weinig water bij te voegen of niets bij te voegen. Welnu, het is niet geoorloofd om niets bij te voegen. Dus is het niet geoorloofd om weinig bij te voegen.
Vervolgens. Een geringe hoeveelheid water bij veel wijn gedaan lost op. Wat echter opgelost is, is niet meer. Dus komt het in dit Sacrament op hetzelfde neer weinig water bij te voegen of niets bij te voegen. Welnu, het is niet geoorloofd om niets bij te voegen. Dus is het niet geoorloofd om weinig bij te voegen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Als het voldoende zou zijn weinig bij te voegen, zou het bijgevolg ook genoeg zijn, als een druppel water in een heel vat werd gedaan. Maar dit schijnt belachelijk. Dus is het niet voldoende een geringe hoeveelheid bij te voegen.
Vervolgens. Als het voldoende zou zijn weinig bij te voegen, zou het bijgevolg ook genoeg zijn, als een druppel water in een heel vat werd gedaan. Maar dit schijnt belachelijk. Dus is het niet voldoende een geringe hoeveelheid bij te voegen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in een Extra gezegd wordt: "In uw streken is een verderfelijk misbruik ingeburgerd, en wel om bij het Offer een grotere hoeveelheid van water dan van wijn te gebruiken, terwijl volgens de redelijke gewoonte van de hele Kerk er méér wijn dan water bij gebruikt moet worden".
Daartegenover staat echter, dat in een Extra gezegd wordt: "In uw streken is een verderfelijk misbruik ingeburgerd, en wel om bij het Offer een grotere hoeveelheid van water dan van wijn te gebruiken, terwijl volgens de redelijke gewoonte van de hele Kerk er méér wijn dan water bij gebruikt moet worden".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 8 co.
Mijn antwoord. Met betrekking tot het bij de wijn gevoegde water zijn er, zoals Innocentius III zegt, drie meningen. Sommigen immers zeggen, dat het bij de wijn gevoegde water op zich blijft bestaan, als de wijn in het Bloed is veranderd. Maar deze mening kan volstrekt niet volgehouden worden. Want in het Sacrament des Altaars is er na de consecratie alleen maar het Lichaam en Bloed van Christus, zoals Ambrosius zegt: "Vóór de zegening spreekt men van een andere soort, na de zegening wordt het Lichaam aangewezen". Anders zou het ook niet met goddelijke eer vereerd worden. — Daarom hebben anderen gezegd dat, evenals de wijn veranderd wordt in het Bloed, zo ook het water veranderd wordt in het water, dat uit de zijde van Christus stroomde. Maar dit kan niet redelijkerwijze worden gezegd. Want op deze manier zou het water afzonderlijk naast de wijn geconsecreerd worden, zoals de wijn naast het brood. Waarschijnlijker daarom is, zoals dezelfde Paus zegt, de mening van anderen, die leren, dat het water veranderd wordt in de wijn en de wijn in het Bloed. Dit echter zou onmogelijk zijn, als niet een zo geringe hoeveelheid water werd bijgedaan, dat het kon veranderen in wijn. En daarom is het altijd veiliger weinig water toe te voegen, vooral als de wijn zwak is, want als men zoveel water zou toevoegen, dat de soort van wijn zou ophouden, werd de voltrekking van het Sacrament onmogelijk. Paus Julius berispt dan ook zekere mensen, die "een linnen, in most ingedoopte doek, het hele jaar door bewaren en op het ogenblik van het offer een deel ervan met water nat maken en zo offeren».
Mijn antwoord. Met betrekking tot het bij de wijn gevoegde water zijn er, zoals Innocentius III zegt, drie meningen. Sommigen immers zeggen, dat het bij de wijn gevoegde water op zich blijft bestaan, als de wijn in het Bloed is veranderd. Maar deze mening kan volstrekt niet volgehouden worden. Want in het Sacrament des Altaars is er na de consecratie alleen maar het Lichaam en Bloed van Christus, zoals Ambrosius zegt: "Vóór de zegening spreekt men van een andere soort, na de zegening wordt het Lichaam aangewezen". Anders zou het ook niet met goddelijke eer vereerd worden. — Daarom hebben anderen gezegd dat, evenals de wijn veranderd wordt in het Bloed, zo ook het water veranderd wordt in het water, dat uit de zijde van Christus stroomde. Maar dit kan niet redelijkerwijze worden gezegd. Want op deze manier zou het water afzonderlijk naast de wijn geconsecreerd worden, zoals de wijn naast het brood. Waarschijnlijker daarom is, zoals dezelfde Paus zegt, de mening van anderen, die leren, dat het water veranderd wordt in de wijn en de wijn in het Bloed. Dit echter zou onmogelijk zijn, als niet een zo geringe hoeveelheid water werd bijgedaan, dat het kon veranderen in wijn. En daarom is het altijd veiliger weinig water toe te voegen, vooral als de wijn zwak is, want als men zoveel water zou toevoegen, dat de soort van wijn zou ophouden, werd de voltrekking van het Sacrament onmogelijk. Paus Julius berispt dan ook zekere mensen, die "een linnen, in most ingedoopte doek, het hele jaar door bewaren en op het ogenblik van het offer een deel ervan met water nat maken en zo offeren».
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Voor de betekenis van dit Sacrament is voldoende, dat het water zichtbaar is, wanneer het bij de wijn wordt gedaan: na de vermenging behoeft het niet zichtbaar te zijn.
1e Weerlegging. Voor de betekenis van dit Sacrament is voldoende, dat het water zichtbaar is, wanneer het bij de wijn wordt gedaan: na de vermenging behoeft het niet zichtbaar te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Als er helemaal geen water werd toegevoegd, zou de betekenis volkomen wegvallen; wanneer evenwel het water in wijn verandert, wordt betekend dat het volk bij Christus wordt ingelijfd.
2e Weerlegging. Als er helemaal geen water werd toegevoegd, zou de betekenis volkomen wegvallen; wanneer evenwel het water in wijn verandert, wordt betekend dat het volk bij Christus wordt ingelijfd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 74 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Water in het vat erbij gedaan zou niet volstaan voor de betekenis van dit sacrament: daarvoor is nodig, dat het water bij de wijn wordt gedaan bij de viering zelf van het sacrament.
3e Weerlegging. Water in het vat erbij gedaan zou niet volstaan voor de betekenis van dit sacrament: daarvoor is nodig, dat het water bij de wijn wordt gedaan bij de viering zelf van het sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 75: Over de verandering van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus
IIIa q. 75 pr.
Nu moeten we gaan handelen over de verandering van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus. Hieromtrent stellen wij acht vragen:
1. Is in dit Sacrament het Lichaam van Christus in werkelijkheid tegenwoordig?
2. Blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn?
3. Wordt na de consecratie van dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood vernietigd of in de oorspronkelijke stof opgelost?
4. Kan het brood veranderen in het Lichaam van Christus?
5. Blijven in dit Sacrament de bijkomstigheden van het brood en de wijn?
6. Blijft de zelfstandigheidsvorm van het brood?
7. Gebeurt deze verandering in één ogenblik?
8. Is deze zin juist: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus?
Nu moeten we gaan handelen over de verandering van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus. Hieromtrent stellen wij acht vragen:
1. Is in dit Sacrament het Lichaam van Christus in werkelijkheid tegenwoordig?
2. Blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn?
3. Wordt na de consecratie van dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood vernietigd of in de oorspronkelijke stof opgelost?
4. Kan het brood veranderen in het Lichaam van Christus?
5. Blijven in dit Sacrament de bijkomstigheden van het brood en de wijn?
6. Blijft de zelfstandigheidsvorm van het brood?
7. Gebeurt deze verandering in één ogenblik?
8. Is deze zin juist: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is in dit Sacrament het Lichaam van Christus in werkelijkheid tegenwoordig of alleen maar in afbeelding of teken?
IIIa q. 75 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat in dit Sacrament het Lichaam van Christus niet in werkelijkheid tegenwoordig is maar alleen in afbeelding of teken. Bij Joannes (6, 54, 61, 64) leest men immers, dat, toen de Heer gezegd had: "Tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn Bloed drinkt», enz. "velen van Zijn leerlingen, dit horende, zeiden: Dit woord is hard», waarop Hij tot hen: "De Geest is het die levend maakt, het Vlees dient tot niets». Als zeide hij, volgens de uitleg van Augustinus: "Versta geestelijk wat ik gesproken heb. Niet dit Lichaam, dat gij ziet, zult gij eten, noch zult gij drinken dat Bloed, dat door Mijn kruisigers zal worden vergoten. Ik heb u een Sakrament aanbevolen. Geestelijk begrepen zal dit u levend maken: het Vlees echter dient tot niets".
B: (Ps 4) [b:Ps 4] (Ps 98:9) [b:Ps 98:9] (John 6:54, John 6:54) [b:John 6:54]
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat in dit Sacrament het Lichaam van Christus niet in werkelijkheid tegenwoordig is maar alleen in afbeelding of teken. Bij Joannes (6, 54, 61, 64) leest men immers, dat, toen de Heer gezegd had: "Tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn Bloed drinkt», enz. "velen van Zijn leerlingen, dit horende, zeiden: Dit woord is hard», waarop Hij tot hen: "De Geest is het die levend maakt, het Vlees dient tot niets». Als zeide hij, volgens de uitleg van Augustinus: "Versta geestelijk wat ik gesproken heb. Niet dit Lichaam, dat gij ziet, zult gij eten, noch zult gij drinken dat Bloed, dat door Mijn kruisigers zal worden vergoten. Ik heb u een Sakrament aanbevolen. Geestelijk begrepen zal dit u levend maken: het Vlees echter dient tot niets".
B: (Ps 4) [b:Ps 4] (Ps 98:9) [b:Ps 98:9] (John 6:54, John 6:54) [b:John 6:54]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De Heer zegt bij Mattheus (28. 20): "Zie, Ik ben bij u alle dagen tot aan de voleinding der tijden", hetgeen door Augustinus aldus wordt uitgelegd: "Tot het eind der tijden is de Heer daarboven, hoewel toch ook hier de waarheid des Heren met ons is. Want het Lichaam, waarin Hij is verrezen, is noodzakelijk op één plaats, maar Zijn waarheid is overal verspreid". Dus is het Lichaam des Heren niet in werkelijkheid in dit sacrament tegenwoordig, maar alleen in teken.
B: (Matt 28:20) [b:Matt 28:20]
Vervolgens. De Heer zegt bij Mattheus (28. 20): "Zie, Ik ben bij u alle dagen tot aan de voleinding der tijden", hetgeen door Augustinus aldus wordt uitgelegd: "Tot het eind der tijden is de Heer daarboven, hoewel toch ook hier de waarheid des Heren met ons is. Want het Lichaam, waarin Hij is verrezen, is noodzakelijk op één plaats, maar Zijn waarheid is overal verspreid". Dus is het Lichaam des Heren niet in werkelijkheid in dit sacrament tegenwoordig, maar alleen in teken.
B: (Matt 28:20) [b:Matt 28:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Geen enkel lichaam kan tegelijk op meerdere plaatsen aanwezig zijn, daar dit zelfs aan een engel niet toekomt: op die manier zou het ook wel overal kunnen zijn. Welnu het Lichaam van Christus is een werkelijk lichaam en wel tegenwoordig in de hemel. Dus schijnt het niet in werkelijkheid in het Sacrament des Altaars tegenwoordig te zijn maar alleen in teken.
Vervolgens. Geen enkel lichaam kan tegelijk op meerdere plaatsen aanwezig zijn, daar dit zelfs aan een engel niet toekomt: op die manier zou het ook wel overal kunnen zijn. Welnu het Lichaam van Christus is een werkelijk lichaam en wel tegenwoordig in de hemel. Dus schijnt het niet in werkelijkheid in het Sacrament des Altaars tegenwoordig te zijn maar alleen in teken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 1 arg. 4
Vervolgens. De sacramenten van de Kerk zijn gericht op het nut van de gelovigen. Nu wordt, volgens Gregorius, de hoofdman berispt, omdat "hij de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus zocht". Ook de Apostelen waren verhinderd de H. Geest te ontvangen door hun gehechtheid aan Zijn lichamelijke tegenwoordigheid, gelijk Augustinus zegt bij Joannes (16.7): "Als Ik niet wegga, zal de Trooster niet tot u komen". Dus is Christus niet tegenwoordig in dit Sacrament met Zijn lichamelijke tegenwoordigheid.
B: (John 16:7) [b:John 16:7]
Vervolgens. De sacramenten van de Kerk zijn gericht op het nut van de gelovigen. Nu wordt, volgens Gregorius, de hoofdman berispt, omdat "hij de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus zocht". Ook de Apostelen waren verhinderd de H. Geest te ontvangen door hun gehechtheid aan Zijn lichamelijke tegenwoordigheid, gelijk Augustinus zegt bij Joannes (16.7): "Als Ik niet wegga, zal de Trooster niet tot u komen". Dus is Christus niet tegenwoordig in dit Sacrament met Zijn lichamelijke tegenwoordigheid.
B: (John 16:7) [b:John 16:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Hilarius zegt: "Over de werkelijkheid van Christus’ Vlees en Bloed is geen twijfel meer mogelijk. Nu immers is, en volgens ’s Heren verzekering en volgens ons geloof, Zijn Vlees waarlijk spijs en Zijn Bloed waarlijk drank". Ambrosius zegt ook: "Zoals de Heer Jesus Christus de waarachtige Zoon van God is, zo is datgene, wat we ontvangen, ook het waarachtig Vlees van Christus en onze drank is Zijn waarachtig Bloed".
Daartegenover staat echter, dat Hilarius zegt: "Over de werkelijkheid van Christus’ Vlees en Bloed is geen twijfel meer mogelijk. Nu immers is, en volgens ’s Heren verzekering en volgens ons geloof, Zijn Vlees waarlijk spijs en Zijn Bloed waarlijk drank". Ambrosius zegt ook: "Zoals de Heer Jesus Christus de waarachtige Zoon van God is, zo is datgene, wat we ontvangen, ook het waarachtig Vlees van Christus en onze drank is Zijn waarachtig Bloed".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 1 co.
Mijn antwoord. Dat het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is, kan men niet met de zintuigen achterhalen maar alleen door het geloof, dat steunt op Gods gezag. Bij Lucas (22.19): "Dit is Mijn Lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd", zegt Cyrillus dan ook: "Twijfel er niet aan, of dit wel waar is, maar neem liever de woorden van de Verlosser in geloof aan: want, daar Hij de Waarheid is, liegt Hij niet". Die werkelijke tegenwoordigheid past vooreerst bij de volmaaktheid van de Nieuwe Wet. De offers toch van de Oude Wet bevatten het waarachtig Offer van Christus' lijden alleen maar in afbeelding, volgens het woord van de Brief aan de Hebreën (10. 1): "De Wet is de afschaduwing van de toekomstige goederen, niet de werkelijkheid zelf van de dingen". Daarom moest het door Christus ingestelde Offer van de Nieuwe Wet iets méér hebben: het moest namelijk de Christus, die voor ons geleden heeft, in werkelijkheid bevatten, niet alleen in teken of afbeelding. Dientengevolge is dit Sacrament, dat Christus Zelf naar werkelijkheid bevat, zoals Dionysius zegt, "de voltooiing van al de andere sacramenten", die slechts een mededeling van Christus' kracht in zich dragen. Ten tweede komt zij overeen met de liefde van Christus, die Hem voor ons heil een waarachtig Lichaam van onze natuur heeft doen aannemen. En omdat het nu het meest eigen is aan de vriendschap om "samen te leven met zijn vrienden" zoals de Wijsgeer zegt, belooft Hij ons Zijn lichamelijke tegenwoordigheid als beloning: "Waar het Lichaam zal zijn, daar zullen ook de arenden zich verzamelen". (Matth. 24. 28). In de tussentijd echter berooft Hij ons niet van Zijn lichamelijke tegenwoordigheid in deze ballingschap, maar verbindt Hij ons aan Zich in dit Sacrament door de waarachtigheid van Zijn Lichaam en Bloed. Daarom zegt Hij zelf: "Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem". (Joan. 6. 57). Zodat dit Sacrament een teken is van overgrote liefde en een opwekking van onze hoop, wegens een zo innige vereniging van Christus met ons. Ten derde komt zij overeen met de volmaaktheid van het geloof, dat zich over de Godheid maar ook over de mensheid van Christus uitstrekt, volgens Joannes (14, 1): "Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij". Daar nu het geloof over onzichtbare zaken gaat, geeft Christus, die ons Zijn Godheid onzichtbaar voorhoudt, ons ook in dit Sacrament Zijn Vlees op onzichtbare wijze. Geen aandacht slaande op deze punten hebben sommigen beweerd dat het Lichaam en Bloed van Christus niet in dit Sacrament aanwezig is tenzij in teken. Hetgeen als ketters verworpen dient te worden, zijnde in strijd met de woorden van Christus. Daarom heeft men ook de eerste uitvinder van deze dwaling, Berengarius, gedwongen zijn dwaling te herroepen en de door het geloof geleerde waarheid te belijden.
B: (Luke 22:19) [b:Luke 22:19]
Mijn antwoord. Dat het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is, kan men niet met de zintuigen achterhalen maar alleen door het geloof, dat steunt op Gods gezag. Bij Lucas (22.19): "Dit is Mijn Lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd", zegt Cyrillus dan ook: "Twijfel er niet aan, of dit wel waar is, maar neem liever de woorden van de Verlosser in geloof aan: want, daar Hij de Waarheid is, liegt Hij niet". Die werkelijke tegenwoordigheid past vooreerst bij de volmaaktheid van de Nieuwe Wet. De offers toch van de Oude Wet bevatten het waarachtig Offer van Christus' lijden alleen maar in afbeelding, volgens het woord van de Brief aan de Hebreën (10. 1): "De Wet is de afschaduwing van de toekomstige goederen, niet de werkelijkheid zelf van de dingen". Daarom moest het door Christus ingestelde Offer van de Nieuwe Wet iets méér hebben: het moest namelijk de Christus, die voor ons geleden heeft, in werkelijkheid bevatten, niet alleen in teken of afbeelding. Dientengevolge is dit Sacrament, dat Christus Zelf naar werkelijkheid bevat, zoals Dionysius zegt, "de voltooiing van al de andere sacramenten", die slechts een mededeling van Christus' kracht in zich dragen. Ten tweede komt zij overeen met de liefde van Christus, die Hem voor ons heil een waarachtig Lichaam van onze natuur heeft doen aannemen. En omdat het nu het meest eigen is aan de vriendschap om "samen te leven met zijn vrienden" zoals de Wijsgeer zegt, belooft Hij ons Zijn lichamelijke tegenwoordigheid als beloning: "Waar het Lichaam zal zijn, daar zullen ook de arenden zich verzamelen". (Matth. 24. 28). In de tussentijd echter berooft Hij ons niet van Zijn lichamelijke tegenwoordigheid in deze ballingschap, maar verbindt Hij ons aan Zich in dit Sacrament door de waarachtigheid van Zijn Lichaam en Bloed. Daarom zegt Hij zelf: "Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem". (Joan. 6. 57). Zodat dit Sacrament een teken is van overgrote liefde en een opwekking van onze hoop, wegens een zo innige vereniging van Christus met ons. Ten derde komt zij overeen met de volmaaktheid van het geloof, dat zich over de Godheid maar ook over de mensheid van Christus uitstrekt, volgens Joannes (14, 1): "Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij". Daar nu het geloof over onzichtbare zaken gaat, geeft Christus, die ons Zijn Godheid onzichtbaar voorhoudt, ons ook in dit Sacrament Zijn Vlees op onzichtbare wijze. Geen aandacht slaande op deze punten hebben sommigen beweerd dat het Lichaam en Bloed van Christus niet in dit Sacrament aanwezig is tenzij in teken. Hetgeen als ketters verworpen dient te worden, zijnde in strijd met de woorden van Christus. Daarom heeft men ook de eerste uitvinder van deze dwaling, Berengarius, gedwongen zijn dwaling te herroepen en de door het geloof geleerde waarheid te belijden.
B: (Luke 22:19) [b:Luke 22:19]
Referenties naar deze alinea: 1
Mysterium Fidei ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. In deze uitspraak hebben genoemde ketters een aanleiding voor hun dwaling gevonden, door een verkeerd begrijpen van Augustinus' woorden. Immers, als Augustinus zegt: "Niet dit Lichaam, dat gij ziet, zult gij eten", bedoelt hij niet de waarachtigheid van het Lichaam van Christus uit te sluiten, maar alleen het eten ervan onder de gedaante, waarin Hij door hen gezien werd. En als hij er aan toevoegt: "Ik heb u een sacrament aanbevolen, geestelijk begrepen zal het u levend maken", bedoelt hij niet dat het Lichaam van Christus in dit sacrament alleen in mystieke zin aanwezig is, neen, hij zegt "geestelijk" d. i. onzichtbaar en door de kracht van de Geest. Vandaar dat hij in zijn uitleg van het gezegde: "Het Vlees dient tot niets" schrijft: "Nl. op de wijze, waarop zij de zaak verstonden. Zij verstonden immers, dat men het Vlees moet eten, zoals vlees van een dood lichaam wordt afgescheurd of in de slagerij wordt verkocht, niet zoals het levend gemaakt wordt door de Geest. Komt de Geest bij het Vlees, dan dient het tot allerhand: want als het Vlees tot niets zou dienen, dan zou het Woord geen Vlees worden om onder ons te wonen".
B: (Heb 10:1) [b:Heb 10:1]
1e Weerlegging. In deze uitspraak hebben genoemde ketters een aanleiding voor hun dwaling gevonden, door een verkeerd begrijpen van Augustinus' woorden. Immers, als Augustinus zegt: "Niet dit Lichaam, dat gij ziet, zult gij eten", bedoelt hij niet de waarachtigheid van het Lichaam van Christus uit te sluiten, maar alleen het eten ervan onder de gedaante, waarin Hij door hen gezien werd. En als hij er aan toevoegt: "Ik heb u een sacrament aanbevolen, geestelijk begrepen zal het u levend maken", bedoelt hij niet dat het Lichaam van Christus in dit sacrament alleen in mystieke zin aanwezig is, neen, hij zegt "geestelijk" d. i. onzichtbaar en door de kracht van de Geest. Vandaar dat hij in zijn uitleg van het gezegde: "Het Vlees dient tot niets" schrijft: "Nl. op de wijze, waarop zij de zaak verstonden. Zij verstonden immers, dat men het Vlees moet eten, zoals vlees van een dood lichaam wordt afgescheurd of in de slagerij wordt verkocht, niet zoals het levend gemaakt wordt door de Geest. Komt de Geest bij het Vlees, dan dient het tot allerhand: want als het Vlees tot niets zou dienen, dan zou het Woord geen Vlees worden om onder ons te wonen".
B: (Heb 10:1) [b:Heb 10:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Dat woord van Augustinus en al dergelijke woorden zijn te verstaan van het Lichaam van Christus, zoals het in eigen gedaante wordt gezien, in dezelfde zin, waarin de Heer zelf zegt: "Mij zult gij niet altijd bij u hebben». (Matth. 26. 11). Maar onzichtbaar onder de gedaanten van dit Sacrament is Hij overal waar dit Sacrament wordt voltrokken.
B: (Matt 24:28) [b:Matt 24:28] (John 6:57, John 6:57) [b:John 6:57]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 75 a. 4 co.[t:iiia q. 75 a. 4 co.]
2e Weerlegging. Dat woord van Augustinus en al dergelijke woorden zijn te verstaan van het Lichaam van Christus, zoals het in eigen gedaante wordt gezien, in dezelfde zin, waarin de Heer zelf zegt: "Mij zult gij niet altijd bij u hebben». (Matth. 26. 11). Maar onzichtbaar onder de gedaanten van dit Sacrament is Hij overal waar dit Sacrament wordt voltrokken.
B: (Matt 24:28) [b:Matt 24:28] (John 6:57, John 6:57) [b:John 6:57]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 75 a. 4 co.[t:iiia q. 75 a. 4 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het Lichaam van Christus is niet op dezelfde wijze in het Sacrament als een lichaam, dat door zijn afmetingen aan een plaats is aangepast, in een plaats is, maar op een bijzondere wijze, die eigen is aan dat Sacrament. Daarom zeggen wij, dat het Lichaam van Christus op verschillende altaren is, niet als op verschillende plaatsen, maar als "in Sacrament». Daaronder verstaan wij niet, dat het Lichaam van Christus daar alleen maar is als in teken, hoewel de sacramenten tot het geslacht van het teken behoren, maar dat het Lichaam van Christus daar is, gelijk we zeiden, volgens de eigen wijze van dit Sacrament.
B: (John 14:1) [b:John 14:1]
3e Weerlegging. Het Lichaam van Christus is niet op dezelfde wijze in het Sacrament als een lichaam, dat door zijn afmetingen aan een plaats is aangepast, in een plaats is, maar op een bijzondere wijze, die eigen is aan dat Sacrament. Daarom zeggen wij, dat het Lichaam van Christus op verschillende altaren is, niet als op verschillende plaatsen, maar als "in Sacrament». Daaronder verstaan wij niet, dat het Lichaam van Christus daar alleen maar is als in teken, hoewel de sacramenten tot het geslacht van het teken behoren, maar dat het Lichaam van Christus daar is, gelijk we zeiden, volgens de eigen wijze van dit Sacrament.
B: (John 14:1) [b:John 14:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Deze redenering betrekt zich op de tegenwoordigheid van het Lichaam van Christus als tegenwoordig op lichaamswijze, d.w.z. als in de eigen zichtbare gedaante, niet als geestelijk tegenwoordig, d.w.z. onzichtbaar, op geesteswijze en door de kracht van de Geest. Daarom zegt Augustinus: "Als gij» de woorden van Christus over Zijn Vlees "geestelijk verstaat, zijn zij u Geest en Leven; verstaat gij ze vleselijk, dan zijn ze ook Geest en Leven, maar niet voor u».
4e Weerlegging. Deze redenering betrekt zich op de tegenwoordigheid van het Lichaam van Christus als tegenwoordig op lichaamswijze, d.w.z. als in de eigen zichtbare gedaante, niet als geestelijk tegenwoordig, d.w.z. onzichtbaar, op geesteswijze en door de kracht van de Geest. Daarom zegt Augustinus: "Als gij» de woorden van Christus over Zijn Vlees "geestelijk verstaat, zijn zij u Geest en Leven; verstaat gij ze vleselijk, dan zijn ze ook Geest en Leven, maar niet voor u».
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en den wijn?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 75 a. 3 arg. 1
IIIa q. 75 a. 3 co.
IIIa q. 75 a. 4 co.
IIIa q. 75 a. 6 s. c.
IIIa q. 75 a. 6 co.
IIIa q. 76 a. 5 arg. 2
IIIa q. 76 a. 8 arg. 3
IIIa q. 77 a. 1 co.
IIIa q. 77 a. 4 arg. 1
IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 78 a. 5 arg. 1
IIIa q. 83 a. 4 arg. 9[t:iiia q. 75 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 75 a. 3 co.][t:iiia q. 75 a. 4 co.][t:iiia q. 75 a. 6 s. c.][t:iiia q. 75 a. 6 co.][t:iiia q. 76 a. 5 arg. 2][t:iiia q. 76 a. 8 arg. 3][t:iiia q. 77 a. 1 co.][t:iiia q. 77 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 78 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 83 a. 4 arg. 9]
IIIa q. 75 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn blijft. Damascenus zegt immers: "Omdat het de mensen gewoonte is brood en wijn te eten, heeft Hij daaraan de Godheid verbonden, ze makend tot Zijn Lichaam en Bloed». En verderop: "Het brood der communie is niet brood zonder méér, maar brood verenigd met de Godheid». Nu is een verbinding iets, dat geschiedt tussen daadwerkelijk bestaande dingen. Dus zijn het brood en de wijn in dit Sacrament te zamen met het Lichaam en Bloed van Christus.
IIIa q. 75 a. 3 arg. 1
IIIa q. 75 a. 3 co.
IIIa q. 75 a. 4 co.
IIIa q. 75 a. 6 s. c.
IIIa q. 75 a. 6 co.
IIIa q. 76 a. 5 arg. 2
IIIa q. 76 a. 8 arg. 3
IIIa q. 77 a. 1 co.
IIIa q. 77 a. 4 arg. 1
IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 78 a. 5 arg. 1
IIIa q. 83 a. 4 arg. 9[t:iiia q. 75 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 75 a. 3 co.][t:iiia q. 75 a. 4 co.][t:iiia q. 75 a. 6 s. c.][t:iiia q. 75 a. 6 co.][t:iiia q. 76 a. 5 arg. 2][t:iiia q. 76 a. 8 arg. 3][t:iiia q. 77 a. 1 co.][t:iiia q. 77 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 78 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 83 a. 4 arg. 9]
IIIa q. 75 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn blijft. Damascenus zegt immers: "Omdat het de mensen gewoonte is brood en wijn te eten, heeft Hij daaraan de Godheid verbonden, ze makend tot Zijn Lichaam en Bloed». En verderop: "Het brood der communie is niet brood zonder méér, maar brood verenigd met de Godheid». Nu is een verbinding iets, dat geschiedt tussen daadwerkelijk bestaande dingen. Dus zijn het brood en de wijn in dit Sacrament te zamen met het Lichaam en Bloed van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De sacramenten van de Kerk moeten onderling overeenstemmen. Welnu, in de andere sacramenten blijft de zelfstandigheid van de stof, zoals in het doopsel de zelfstandigheid van het water en in het vormsel de zelfstandigheid van de balsem. Dus blijft ook in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn.
Vervolgens. De sacramenten van de Kerk moeten onderling overeenstemmen. Welnu, in de andere sacramenten blijft de zelfstandigheid van de stof, zoals in het doopsel de zelfstandigheid van het water en in het vormsel de zelfstandigheid van de balsem. Dus blijft ook in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Men gebruikt voor dit Sacrament brood en wijn om de kerkelijke eenheid te beduiden, inzover: "het ééne brood uit vele graankorrels en de ééne wijn uit vele druiven ontstaat», zoals Augustinus zegt. Welnu, dat komt toe aan de zelfstandigheid zelf van het brood en de wijn. Dus blijft de zelfstandigheid van het brood en de wijn in dit Sacrament.
Vervolgens. Men gebruikt voor dit Sacrament brood en wijn om de kerkelijke eenheid te beduiden, inzover: "het ééne brood uit vele graankorrels en de ééne wijn uit vele druiven ontstaat», zoals Augustinus zegt. Welnu, dat komt toe aan de zelfstandigheid zelf van het brood en de wijn. Dus blijft de zelfstandigheid van het brood en de wijn in dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: "Hoewel men de gedaante van brood en wijn ziet, moet men toch geloven, dat er na de consecratie niets is dan het Vlees en het Bloed van Christus».
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: "Hoewel men de gedaante van brood en wijn ziet, moet men toch geloven, dat er na de consecratie niets is dan het Vlees en het Bloed van Christus».
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 2 co.
Mijn antwoord. Sommigen hebben beweerd, dat in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn blijft. Doch deze bewering kan geen stand houden. En wel vooreerst, omdat door haar te niet wordt gedaan de waarachtigheid van dit Sacrament, welke inhoudt dat het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig is. Dit Lichaam is er nl. niet vóór de consecratie. Nu kan iets niet ergens aanwezig zijn, waar het eerst niet was, tenzij door plaatsverwisseling of door verandering van een ander ding in dat iets, zoals in een huis, waar geen vuur was, vuur begint te zijn of wel door dat het daarheen wordt gebracht ofwel door dat het daar wordt verwekt. Het is evenwel duidelijk, dat het Lichaam van Christus niet begint te zijn in dit Sacrament door plaatselijke beweging. Ten eerste, omdat het dan op zou houden in de hemel te zijn: immers wat zich plaatselijk voortbeweegt komt pas in een nieuwe plaats door de oude te verlaten. Ten tweede, omdat een plaatselijk zich voortbewegend lichaam altijd alle tussenliggende plaatsen doorloopt, hetgeen hier niet gezegd kan worden. Ten derde, omdat één beweging van een zich plaatselijk voortbewegend lichaam onmogelijk terzelfdertijd op meerdere plaatsen kan eindigen, terwijl het Lichaam van Christus toch tegelijk op meerdere plaatsen in dit Sacrament aanwezig begint te zijn. En daarom schiet over, dat het Lichaam van Christus op geen andere wijze in dit Sacrament aanwezig kan komen dan doordat de zelfstandigheid van het brood erin verandert. Wat nu in iets verandert, is er niet meer na de verandering. We houden dus over, dat, bij handhaving van de waarachtigheid van dit Sacrament, de zelfstandigheid van het brood na de consecratie niet kan blijven. De tweede reden is, dat deze bewering in strijd is met de vorm van het Sacrament, waarin gezegd wordt: "Dit is Mijn Lichaam», hetgeen niet waar zou zijn, als de zelfstandigheid van het brood er zou blijven: nooit toch is de zelfstandigheid van het brood het Lichaam van Christus. Veeleer zou men dan moeten zeggen: "Hier is Mijn Lichaam». De derde reden is, dat het in strijd zou zijn met de aan dit Sacrament bewezen vereering, indien er een zelfstandigheid aanwezig was, die geen goddelijke eer kon ontvangen. De vierde reden is, dat het zou strijden met de ritus van de Kerk, volgens welke het niet geoorloofd is na lichamelijke spijs nog het Lichaam van Christus te nuttigen, terwijl het toch wel geoorloofd is na één geconsecreerde hostie nog een andere te nuttigen. Derhalve is deze bewering als kettersch te vermijden.
Mijn antwoord. Sommigen hebben beweerd, dat in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn blijft. Doch deze bewering kan geen stand houden. En wel vooreerst, omdat door haar te niet wordt gedaan de waarachtigheid van dit Sacrament, welke inhoudt dat het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig is. Dit Lichaam is er nl. niet vóór de consecratie. Nu kan iets niet ergens aanwezig zijn, waar het eerst niet was, tenzij door plaatsverwisseling of door verandering van een ander ding in dat iets, zoals in een huis, waar geen vuur was, vuur begint te zijn of wel door dat het daarheen wordt gebracht ofwel door dat het daar wordt verwekt. Het is evenwel duidelijk, dat het Lichaam van Christus niet begint te zijn in dit Sacrament door plaatselijke beweging. Ten eerste, omdat het dan op zou houden in de hemel te zijn: immers wat zich plaatselijk voortbeweegt komt pas in een nieuwe plaats door de oude te verlaten. Ten tweede, omdat een plaatselijk zich voortbewegend lichaam altijd alle tussenliggende plaatsen doorloopt, hetgeen hier niet gezegd kan worden. Ten derde, omdat één beweging van een zich plaatselijk voortbewegend lichaam onmogelijk terzelfdertijd op meerdere plaatsen kan eindigen, terwijl het Lichaam van Christus toch tegelijk op meerdere plaatsen in dit Sacrament aanwezig begint te zijn. En daarom schiet over, dat het Lichaam van Christus op geen andere wijze in dit Sacrament aanwezig kan komen dan doordat de zelfstandigheid van het brood erin verandert. Wat nu in iets verandert, is er niet meer na de verandering. We houden dus over, dat, bij handhaving van de waarachtigheid van dit Sacrament, de zelfstandigheid van het brood na de consecratie niet kan blijven. De tweede reden is, dat deze bewering in strijd is met de vorm van het Sacrament, waarin gezegd wordt: "Dit is Mijn Lichaam», hetgeen niet waar zou zijn, als de zelfstandigheid van het brood er zou blijven: nooit toch is de zelfstandigheid van het brood het Lichaam van Christus. Veeleer zou men dan moeten zeggen: "Hier is Mijn Lichaam». De derde reden is, dat het in strijd zou zijn met de aan dit Sacrament bewezen vereering, indien er een zelfstandigheid aanwezig was, die geen goddelijke eer kon ontvangen. De vierde reden is, dat het zou strijden met de ritus van de Kerk, volgens welke het niet geoorloofd is na lichamelijke spijs nog het Lichaam van Christus te nuttigen, terwijl het toch wel geoorloofd is na één geconsecreerde hostie nog een andere te nuttigen. Derhalve is deze bewering als kettersch te vermijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. God heeft Zijn Godheid, d.i. Zijn goddelijke kracht, verbonden aan het brood en de wijn, niet om ze te laten blijven in dit Sacrament, maar om er Zijn Lichaam en Bloed van te maken.
1e Weerlegging. God heeft Zijn Godheid, d.i. Zijn goddelijke kracht, verbonden aan het brood en de wijn, niet om ze te laten blijven in dit Sacrament, maar om er Zijn Lichaam en Bloed van te maken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. In de andere sacramenten is niet Christus Zelf werkelijk tegenwoordig zoals in dit Sacrament. Daarom blijft in de andere sacramenten de zelfstandigheid van de stof, maar in dit Sacrament niet.
2e Weerlegging. In de andere sacramenten is niet Christus Zelf werkelijk tegenwoordig zoals in dit Sacrament. Daarom blijft in de andere sacramenten de zelfstandigheid van de stof, maar in dit Sacrament niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De gedaanten, die, zoals later gezegd zal worden (deze Kw. 5° Art.), in dit Sacrament blijven, volstaan voor de betekenis van dit Sacrament: door de bijkomstigheden immers kent men de aard van de zelfstandigheid.
R: q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
3e Weerlegging. De gedaanten, die, zoals later gezegd zal worden (deze Kw. 5° Art.), in dit Sacrament blijven, volstaan voor de betekenis van dit Sacrament: door de bijkomstigheden immers kent men de aard van de zelfstandigheid.
R: q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Wordt na de consecratie van dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood vernietigd of in de oorspronkelijke stof opgelost?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 75 a. 6 s. c.
IIIa q. 76 a. 8 arg. 3[t:iiia q. 75 a. 6 s. c.][t:iiia q. 76 a. 8 arg. 3]
IIIa q. 75 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat na de consecratie van dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood wordt vernietigd of in de oorspronkelijke stof opgelost. Iets stoffelijks moet immers ergens zijn. Welnu, de zelfstandigheid van het brood, die iets stoffelijks is, blijft niet in dit Sacrament, gelijk gezegd is (vorig artikel), terwijl men ook niet een of andere plaats aan kan wijzen, waar ze zou zijn. Na de consecratie is zij dus niet iets. Derhalve is zij ófwel vernietigd ófwel in de oorspronkelijke stof opgelost.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2]
IIIa q. 75 a. 6 s. c.
IIIa q. 76 a. 8 arg. 3[t:iiia q. 75 a. 6 s. c.][t:iiia q. 76 a. 8 arg. 3]
IIIa q. 75 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat na de consecratie van dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood wordt vernietigd of in de oorspronkelijke stof opgelost. Iets stoffelijks moet immers ergens zijn. Welnu, de zelfstandigheid van het brood, die iets stoffelijks is, blijft niet in dit Sacrament, gelijk gezegd is (vorig artikel), terwijl men ook niet een of andere plaats aan kan wijzen, waar ze zou zijn. Na de consecratie is zij dus niet iets. Derhalve is zij ófwel vernietigd ófwel in de oorspronkelijke stof opgelost.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Wat uitgangspunt in een verandering is, blijft niet over tenzij misschien in het vermogen van de stof, zoals wanneer uit lucht vuur wordt, de vorm van de lucht hoogstens overblijft in het vermogen van de stof en insgelijks, wanneer uit wit zwart ontstaat. Nu verhoudt zich in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn als uitgangspunt, het Lichaam en Bloed van Christus daarentegen als eindpunt; want Ambrosius zegt: "Vóór de zegening spreekt men van een andere soort, nà de zegening wordt het Lichaam beduid». Dus blijft na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet over, tenzij misschien opgelost in haar stof.
Vervolgens. Wat uitgangspunt in een verandering is, blijft niet over tenzij misschien in het vermogen van de stof, zoals wanneer uit lucht vuur wordt, de vorm van de lucht hoogstens overblijft in het vermogen van de stof en insgelijks, wanneer uit wit zwart ontstaat. Nu verhoudt zich in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn als uitgangspunt, het Lichaam en Bloed van Christus daarentegen als eindpunt; want Ambrosius zegt: "Vóór de zegening spreekt men van een andere soort, nà de zegening wordt het Lichaam beduid». Dus blijft na de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet over, tenzij misschien opgelost in haar stof.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Van twee als ja en neen tegenovergestelde zinnen moet er één waar zijn. Welnu, deze is vals: na de consecratie is de zelfstandigheid van het brood en de wijn iets. Dus is deze waar: de zelfstandigheid van het brood en de wijn is niets.
Vervolgens. Van twee als ja en neen tegenovergestelde zinnen moet er één waar zijn. Welnu, deze is vals: na de consecratie is de zelfstandigheid van het brood en de wijn iets. Dus is deze waar: de zelfstandigheid van het brood en de wijn is niets.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: "God is geen oorzaak van in het niet verdwijnen". Welnu, dit sacrament komt door goddelijke kracht tot stand. Dus wordt in dit sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet vernietigd.
R: q. 83[t:iiia q. 83]
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: "God is geen oorzaak van in het niet verdwijnen". Welnu, dit sacrament komt door goddelijke kracht tot stand. Dus wordt in dit sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet vernietigd.
R: q. 83[t:iiia q. 83]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 3 co.
Mijn antwoord. Daar de zelfstandigheid van het brood en de wijn in dit Sacrament niet blijft, hebben sommigen, het voor onmogelijk houdend, dat de zelfstandigheid van het brood en de wijn verandert in het Lichaam en Bloed van Christus, beweerd, dat genoemde zelfstandigheid door de consecratie in de oorspronkelijke stof wordt opgelost ofwel wordt vernietigd. De oorspronkelijke stof, waarin samengestelde lichamen kunnen worden opgelost, zijn de vier elementen: er kan immers geen sprake zijn van een oplossing in de oerstof, zóó dat deze zonder vorm zou bestaan, want de stof kan niet zonder vorm. Daar evenwel na de consecratie onder de gedaanten van het Sacrament niets aanwezig is dan het Lichaam en Bloed, zou men moeten zeggen, dat de elementen, waarin de zelfstandigheid van het brood en de wijn zijn opgelost, zich plaatselijk verwijderen. Hetgeen zintuigelijk zou worden opgemerkt. Bovendien blijft de zelfstandigheid van het brood en de wijn tot het laatste ogenblik van de consecratie. Op het laatste ogenblik van de consecratie echter is er reeds de zelfstandigheid van het Lichaam of van het Bloed van Christus, zoals op het laatste ogenblik van een voortbrengingsproces de vorm reeds aanwezig is. Dus kan men geen ogenblik aanwijzen, waarin de oorspronkelijke stof aanwezig zou zijn. Het gaat immers niet aan te zeggen, dat de zelfstandigheid van het brood en de wijn langzamerhand in de oorspronkelijke stof wordt opgelost of geleidelijk zich van de plaats der gedachten verwijdert. Want als dit begon te gebeuren op het laatste ogenblik van de consecratie, dan zou onder een of ander deel van de hostie noch de zelfstandigheid van het brood noch het Lichaam van Christus aanwezig zijn, hetgeen onaannemelijk is. Dit schijnen zij zelf overwogen te hebben. En daarom hebben zij in hun bewering ruimte gelaten voor iets anders nl. voor de vernietiging. Maar ook dit is uitgesloten. Want men kan geen enkele manier aanwijzen, waarop het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig komt, buiten de verandering van de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus: deze verandering echter heeft niet plaats in geval, dat het brood wordt vernietigd of in de oorspronkelijke stof wordt opgelost. Ook kan men niet aanwijzen, wat de oorzaak zou zijn van een dergelijke oplossing of vernietiging: het uitwerksel toch van het Sacrament wordt betekend door de vorm; maar geen van beide wordt betekend door deze woorden van de vorm: "Dit is mijn Lichaam». Dus blijkt de aangegeven bewering vals te zijn.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2]
Mijn antwoord. Daar de zelfstandigheid van het brood en de wijn in dit Sacrament niet blijft, hebben sommigen, het voor onmogelijk houdend, dat de zelfstandigheid van het brood en de wijn verandert in het Lichaam en Bloed van Christus, beweerd, dat genoemde zelfstandigheid door de consecratie in de oorspronkelijke stof wordt opgelost ofwel wordt vernietigd. De oorspronkelijke stof, waarin samengestelde lichamen kunnen worden opgelost, zijn de vier elementen: er kan immers geen sprake zijn van een oplossing in de oerstof, zóó dat deze zonder vorm zou bestaan, want de stof kan niet zonder vorm. Daar evenwel na de consecratie onder de gedaanten van het Sacrament niets aanwezig is dan het Lichaam en Bloed, zou men moeten zeggen, dat de elementen, waarin de zelfstandigheid van het brood en de wijn zijn opgelost, zich plaatselijk verwijderen. Hetgeen zintuigelijk zou worden opgemerkt. Bovendien blijft de zelfstandigheid van het brood en de wijn tot het laatste ogenblik van de consecratie. Op het laatste ogenblik van de consecratie echter is er reeds de zelfstandigheid van het Lichaam of van het Bloed van Christus, zoals op het laatste ogenblik van een voortbrengingsproces de vorm reeds aanwezig is. Dus kan men geen ogenblik aanwijzen, waarin de oorspronkelijke stof aanwezig zou zijn. Het gaat immers niet aan te zeggen, dat de zelfstandigheid van het brood en de wijn langzamerhand in de oorspronkelijke stof wordt opgelost of geleidelijk zich van de plaats der gedachten verwijdert. Want als dit begon te gebeuren op het laatste ogenblik van de consecratie, dan zou onder een of ander deel van de hostie noch de zelfstandigheid van het brood noch het Lichaam van Christus aanwezig zijn, hetgeen onaannemelijk is. Dit schijnen zij zelf overwogen te hebben. En daarom hebben zij in hun bewering ruimte gelaten voor iets anders nl. voor de vernietiging. Maar ook dit is uitgesloten. Want men kan geen enkele manier aanwijzen, waarop het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig komt, buiten de verandering van de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus: deze verandering echter heeft niet plaats in geval, dat het brood wordt vernietigd of in de oorspronkelijke stof wordt opgelost. Ook kan men niet aanwijzen, wat de oorzaak zou zijn van een dergelijke oplossing of vernietiging: het uitwerksel toch van het Sacrament wordt betekend door de vorm; maar geen van beide wordt betekend door deze woorden van de vorm: "Dit is mijn Lichaam». Dus blijkt de aangegeven bewering vals te zijn.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Na de consecratie blijft de zelfstandigheid van het brood of de wijn niet onder de gedaanten van het sacrament noch ergens anders. Daaruit volgt evenwel niet, dat zij wordt vernietigd: zij wordt immers veranderd in het Lichaam van Christus. Vergelijk dat ook niet volgt: de lucht, waaruit vuur is ontstaan, is noch hier noch daar, dus is zij vernietigd.
1e Weerlegging. Na de consecratie blijft de zelfstandigheid van het brood of de wijn niet onder de gedaanten van het sacrament noch ergens anders. Daaruit volgt evenwel niet, dat zij wordt vernietigd: zij wordt immers veranderd in het Lichaam van Christus. Vergelijk dat ook niet volgt: de lucht, waaruit vuur is ontstaan, is noch hier noch daar, dus is zij vernietigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De vorm, die uitgangspunt is, verandert niet in een andere vorm, nee, de ene vorm volgt de andere in het subject op: het is om die reden, dat de eerste vorm slechts overblijft in het vermogen van de stof. Maar hier verandert de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus, zoals boven gezegd is. (in de Leerst.; vorig Art.). Dus gaat de redenering niet op.
2e Weerlegging. De vorm, die uitgangspunt is, verandert niet in een andere vorm, nee, de ene vorm volgt de andere in het subject op: het is om die reden, dat de eerste vorm slechts overblijft in het vermogen van de stof. Maar hier verandert de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus, zoals boven gezegd is. (in de Leerst.; vorig Art.). Dus gaat de redenering niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. We geven toe, dat na de consecratie deze zin vals is: de zelfstandigheid van het brood is iets. Maar datgene, waarin de zelfstandigheid van het brood veranderd is, is iets. En dus is de zelfstandigheid van het brood niet vernietigd.
3e Weerlegging. We geven toe, dat na de consecratie deze zin vals is: de zelfstandigheid van het brood is iets. Maar datgene, waarin de zelfstandigheid van het brood veranderd is, is iets. En dus is de zelfstandigheid van het brood niet vernietigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Kan het brood veranderen in het Lichaam van Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 75 a. 6 s. c.
IIIa q. 76 a. 8 arg. 3
IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 77 a. 5 co.[t:iiia q. 75 a. 6 s. c.][t:iiia q. 76 a. 8 arg. 3][t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 77 a. 5 co.]
IIIa q. 75 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het brood niet kan veranderen in het Lichaam van Christus. Bij elke verandering immers moet er een subject zijn, dat eerst in vermogen is en later in akt: in de Physica wordt immers gezegd: "Beweging is de akt van iets, dat in vermogen is.» Men kan evenwel geen enkel subject aanwijzen voor de zelfstandigheid van het brood en het Lichaam van Christus: want het hoort tot het wezen van een zelfstandigheid, dat zij "niet in een subject is», zoals in de Praedicamenta wordt gezegd. Dus kan het niet zijn, dat de gehele zelfstandigheid van het brood verandert in het Lichaam van Christus.
IIIa q. 75 a. 6 s. c.
IIIa q. 76 a. 8 arg. 3
IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 77 a. 5 co.[t:iiia q. 75 a. 6 s. c.][t:iiia q. 76 a. 8 arg. 3][t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 77 a. 5 co.]
IIIa q. 75 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat het brood niet kan veranderen in het Lichaam van Christus. Bij elke verandering immers moet er een subject zijn, dat eerst in vermogen is en later in akt: in de Physica wordt immers gezegd: "Beweging is de akt van iets, dat in vermogen is.» Men kan evenwel geen enkel subject aanwijzen voor de zelfstandigheid van het brood en het Lichaam van Christus: want het hoort tot het wezen van een zelfstandigheid, dat zij "niet in een subject is», zoals in de Praedicamenta wordt gezegd. Dus kan het niet zijn, dat de gehele zelfstandigheid van het brood verandert in het Lichaam van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De vorm van datgene, waarin iets verandert, begint te zijn in de stof van datgene, wat daarin verandert: wanneer lucht verandert in vuur, dat eerst niet bestond, begint de vorm van vuur in de stof van de lucht te zijn en wanneer voedsel verandert in een eerst niet bestaande mens, begint de vorm van de mens in de stof van het voedsel te zijn. Als dus het brood verandert in het Lichaam van Christus moet de vorm van het Lichaam van Christus in de stof van het brood komen — hetgeen vals is. Dus verandert het brood niet in het Lichaam van Christus.
Vervolgens. De vorm van datgene, waarin iets verandert, begint te zijn in de stof van datgene, wat daarin verandert: wanneer lucht verandert in vuur, dat eerst niet bestond, begint de vorm van vuur in de stof van de lucht te zijn en wanneer voedsel verandert in een eerst niet bestaande mens, begint de vorm van de mens in de stof van het voedsel te zijn. Als dus het brood verandert in het Lichaam van Christus moet de vorm van het Lichaam van Christus in de stof van het brood komen — hetgeen vals is. Dus verandert het brood niet in het Lichaam van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Nooit verandert iets in datgene wat er op zich van verschilt: witheid wordt nooit zwartheid, maar het subject van witheid wordt subject van zwartheid, zoals gezegd wordt in de Physica. Zoals echter twee tegenovergestelde vormen op zich verschillen (als beginselen van het vormelijk verschil), zo zijn ook twee getekende stoffen op zich verschillend (als beginselen van de stoffelijke verdeling). Dus kan deze stof van het brood niet worden tot deze stof, waardoor het Lichaam van Christus wordt vereenigd. En dus kan de zelfstandigheid van dit brood niet veranderen in de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus.
Vervolgens. Nooit verandert iets in datgene wat er op zich van verschilt: witheid wordt nooit zwartheid, maar het subject van witheid wordt subject van zwartheid, zoals gezegd wordt in de Physica. Zoals echter twee tegenovergestelde vormen op zich verschillen (als beginselen van het vormelijk verschil), zo zijn ook twee getekende stoffen op zich verschillend (als beginselen van de stoffelijke verdeling). Dus kan deze stof van het brood niet worden tot deze stof, waardoor het Lichaam van Christus wordt vereenigd. En dus kan de zelfstandigheid van dit brood niet veranderen in de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Eusebius Emesenus zegt: "Het zij u niet ongehoord en onmogelijk, dat aardse en vergankelijke dingen in de zelfstandigheid van Christus veranderen".
Daartegenover staat echter, dat Eusebius Emesenus zegt: "Het zij u niet ongehoord en onmogelijk, dat aardse en vergankelijke dingen in de zelfstandigheid van Christus veranderen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 4 co.
Mijn antwoord. Overeenkomstig het boven gezegde (2e Art.), staat vast dat, aangezien in dit Sacrament aanwezig is het waarachtig Lichaam van Christus en dit niet aanwezig komt door plaatselijke beweging — daar het er ook niet aanwezig is als in een plaats, zoals uit het gezegde blijkt (1e Art. 3e Antw.) —, dit Lichaam er begint te zijn, doordat de zelfstandigheid van het brood erin verandert. Deze verandering evenwel is niet gelijk aan de veranderingen in de natuur: zij is geheel bovennatuurlijk, door Gods kracht alleen bewerkt. Daarom zegt Ambrosius: "Het is klaar, dat het baren van de Maagd geschiedde buiten de orde der natuur. Welnu wat wij consecreren is het Lichaam uit de Maagd. Wat zoekt gij dan de orde der natuur in Christus' Lichaam, terwijl juist buiten de natuur de Heer Jesus is gebaard door de Maagd?" En bij de tekst van Joannes (6. 64): "De woorden, die Ik tot u gesproken heb" nl. over dit Sacrament, "zijn Geest en Leven", zegt Chrysostomus: "D. w. z. zijn geestelijk, zij hebben niets vleselijks noch natuurlijke gevolgen, maar zijn uitgeheven boven alle noodzakelijkheid op aarde, boven de wetten hier gesteld". Het is immers duidelijk, dat elke werkoorzaak werkt, voorzover zij in akt is. Nu is elke geschapen werkoorzaak in haar akt bepaald, daar zij tot een bepaald geslacht en soort behoort. Daarom betrekt zich de werking van een geschapen werkoorzaak altijd op een bepaalde akt. De bepaling echter van een ding in zijn actueel zijn is door zijn vorm. Dientengevolge kan geen enkele natuurlijke of geschapen werkoorzaak tot iets anders werken dan tot een verandering van vorm. Daarom is elke verandering naar de vorm. God echter is een oneindige akt, zoals in het Eerste Deel is uiteengezet (7e Kw. 1e Art.; 25e Kw. 2e Art.). En daarom strekt Zijn werking zich uit over de gehele natuur van het zijnde. Derhalve kan Hij niet alleen een verandering naar de vorm tot stand brengen, zóó dat in hetzelfde subject verschillende vormen elkaar opvolgen, maar ook een verandering van het hele zijnde, zóó dat de gehele zelfstandigheid van dit ding verandert in de gehele zelfstandigheid van dat ding. Dit nu gebeurt door Gods kracht in dit Sacrament. Want de gehele zelfstandigheid van het brood verandert in de gehele zelfstandigheid van het Lichaam van Christus en de gehele zelfstandigheid van de wijn in de gehele zelfstandigheid van het Bloed van Christus. Dus is deze verandering niet naar de vorm maar naar de zelfstandigheid. En zij valt niet onder de soorten van de natuurlijke verandering, maar kan met een eigen naam zelfstandigheidsverandering genoemd worden.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 1 ad 2[t:iiia q. 75 a. 1 ad 2] I q. 7 a. 1[t:ia q. 7 a. 1] q. 26 a. 2[t:iiia q. 26 a. 2]
Mijn antwoord. Overeenkomstig het boven gezegde (2e Art.), staat vast dat, aangezien in dit Sacrament aanwezig is het waarachtig Lichaam van Christus en dit niet aanwezig komt door plaatselijke beweging — daar het er ook niet aanwezig is als in een plaats, zoals uit het gezegde blijkt (1e Art. 3e Antw.) —, dit Lichaam er begint te zijn, doordat de zelfstandigheid van het brood erin verandert. Deze verandering evenwel is niet gelijk aan de veranderingen in de natuur: zij is geheel bovennatuurlijk, door Gods kracht alleen bewerkt. Daarom zegt Ambrosius: "Het is klaar, dat het baren van de Maagd geschiedde buiten de orde der natuur. Welnu wat wij consecreren is het Lichaam uit de Maagd. Wat zoekt gij dan de orde der natuur in Christus' Lichaam, terwijl juist buiten de natuur de Heer Jesus is gebaard door de Maagd?" En bij de tekst van Joannes (6. 64): "De woorden, die Ik tot u gesproken heb" nl. over dit Sacrament, "zijn Geest en Leven", zegt Chrysostomus: "D. w. z. zijn geestelijk, zij hebben niets vleselijks noch natuurlijke gevolgen, maar zijn uitgeheven boven alle noodzakelijkheid op aarde, boven de wetten hier gesteld". Het is immers duidelijk, dat elke werkoorzaak werkt, voorzover zij in akt is. Nu is elke geschapen werkoorzaak in haar akt bepaald, daar zij tot een bepaald geslacht en soort behoort. Daarom betrekt zich de werking van een geschapen werkoorzaak altijd op een bepaalde akt. De bepaling echter van een ding in zijn actueel zijn is door zijn vorm. Dientengevolge kan geen enkele natuurlijke of geschapen werkoorzaak tot iets anders werken dan tot een verandering van vorm. Daarom is elke verandering naar de vorm. God echter is een oneindige akt, zoals in het Eerste Deel is uiteengezet (7e Kw. 1e Art.; 25e Kw. 2e Art.). En daarom strekt Zijn werking zich uit over de gehele natuur van het zijnde. Derhalve kan Hij niet alleen een verandering naar de vorm tot stand brengen, zóó dat in hetzelfde subject verschillende vormen elkaar opvolgen, maar ook een verandering van het hele zijnde, zóó dat de gehele zelfstandigheid van dit ding verandert in de gehele zelfstandigheid van dat ding. Dit nu gebeurt door Gods kracht in dit Sacrament. Want de gehele zelfstandigheid van het brood verandert in de gehele zelfstandigheid van het Lichaam van Christus en de gehele zelfstandigheid van de wijn in de gehele zelfstandigheid van het Bloed van Christus. Dus is deze verandering niet naar de vorm maar naar de zelfstandigheid. En zij valt niet onder de soorten van de natuurlijke verandering, maar kan met een eigen naam zelfstandigheidsverandering genoemd worden.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 1 ad 2[t:iiia q. 75 a. 1 ad 2] I q. 7 a. 1[t:ia q. 7 a. 1] q. 26 a. 2[t:iiia q. 26 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Deze opmerking gaat uit van de verandering naar de vorm: aan de vorm immers is het eigen in een stof of subject te zijn. Maar zij is niet van toepassing op de verandering van de gehele zelfstandigheid. Daar deze zelfstandigheidsverandering een zekere orde inhoudt van de zelfstandigheden, waarvan de ene in de andere verandert, vindt zij haar subject in beide zelfstandigheden, zoals orde en getal.
B: (John 6:64, John 6:64) [b:John 6:64]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 75 a. 5 ad 4[t:iiia q. 75 a. 5 ad 4]
1e Weerlegging. Deze opmerking gaat uit van de verandering naar de vorm: aan de vorm immers is het eigen in een stof of subject te zijn. Maar zij is niet van toepassing op de verandering van de gehele zelfstandigheid. Daar deze zelfstandigheidsverandering een zekere orde inhoudt van de zelfstandigheden, waarvan de ene in de andere verandert, vindt zij haar subject in beide zelfstandigheden, zoals orde en getal.
B: (John 6:64, John 6:64) [b:John 6:64]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 75 a. 5 ad 4[t:iiia q. 75 a. 5 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Ook deze opwerping gaat uit van de verandering naar de vorm, want, zoals gezegd is (1° Antw.), moet een vorm in een stof of subject zijn. Maar zij is niet van toepassing op de verandering van de gehele zelfstandigheid, waaraan men geen subject kan toekennen.
2e Weerlegging. Ook deze opwerping gaat uit van de verandering naar de vorm, want, zoals gezegd is (1° Antw.), moet een vorm in een stof of subject zijn. Maar zij is niet van toepassing op de verandering van de gehele zelfstandigheid, waaraan men geen subject kan toekennen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Door de kracht van een eindige werkoorzaak kan een vorm niet in een vorm veranderen noch een stof in een stof. Maar door de kracht van een oneindige werkoorzaak, wiens werking zich uitstrekt over het gehele zijnde, kan een dergelijke verandering tot stand komen: aan beide vormen en aan beide stoffen immers is gemeen de natuur van zijnde; de Maker van het zijnde kan wat aan zijn in de ander gevonden wordt veranderen in wat aan zijn in de ander gevonden wordt, met wegneming van het oorspronkelijke verschil.
3e Weerlegging. Door de kracht van een eindige werkoorzaak kan een vorm niet in een vorm veranderen noch een stof in een stof. Maar door de kracht van een oneindige werkoorzaak, wiens werking zich uitstrekt over het gehele zijnde, kan een dergelijke verandering tot stand komen: aan beide vormen en aan beide stoffen immers is gemeen de natuur van zijnde; de Maker van het zijnde kan wat aan zijn in de ander gevonden wordt veranderen in wat aan zijn in de ander gevonden wordt, met wegneming van het oorspronkelijke verschil.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Blijven in dit Sacrament de bijkomstigheden van het brood en de wijn?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 75 a. 2 ad 3
IIIa q. 75 a. 6 arg. 1
IIIa q. 75 a. 6 co.
IIIa q. 75 a. 8 co.
IIIa q. 76 a. 1 ad 3
IIIa q. 77 a. 1 ad 1
IIIa q. 82 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 75 a. 2 ad 3][t:iiia q. 75 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 75 a. 6 co.][t:iiia q. 75 a. 8 co.][t:iiia q. 76 a. 1 ad 3][t:iiia q. 77 a. 1 ad 1][t:iiia q. 82 a. 4 arg. 3]
IIIa q. 75 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de bijkomstigheden van het brood en de wijn in dit Sacrament niet blijven. Bij verdwijning immers van het eerdere verdwijnt ook het latere. Weinu, de zelfstandigheid is natuurlijkerwijs eerder dan de bijkomstigheid, zoals in de *Metaphysica* wordt bewezen. Daar derhalve na de consecratie in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood niet blijft, schijnt het onmogelijk, dat zijn bijkomstigheden blijven.
IIIa q. 75 a. 2 ad 3
IIIa q. 75 a. 6 arg. 1
IIIa q. 75 a. 6 co.
IIIa q. 75 a. 8 co.
IIIa q. 76 a. 1 ad 3
IIIa q. 77 a. 1 ad 1
IIIa q. 82 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 75 a. 2 ad 3][t:iiia q. 75 a. 6 arg. 1][t:iiia q. 75 a. 6 co.][t:iiia q. 75 a. 8 co.][t:iiia q. 76 a. 1 ad 3][t:iiia q. 77 a. 1 ad 1][t:iiia q. 82 a. 4 arg. 3]
IIIa q. 75 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat de bijkomstigheden van het brood en de wijn in dit Sacrament niet blijven. Bij verdwijning immers van het eerdere verdwijnt ook het latere. Weinu, de zelfstandigheid is natuurlijkerwijs eerder dan de bijkomstigheid, zoals in de *Metaphysica* wordt bewezen. Daar derhalve na de consecratie in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood niet blijft, schijnt het onmogelijk, dat zijn bijkomstigheden blijven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 5 arg. 2
Vervolgens. In het Sacrament der Waarheid mag geen sprake zijn van misleiding. Nu oordelen wij over de zelfstandigheid door de bijkomstigheden. Hieruit volgt, dat het menselijk oordeel zou misleid worden, als de zelfstandigheid van het brood niet bleef, terwijl de bijkomstigheden wel bleven. Dus is het niet passend, dat dit in dit Sacrament gebeurt.
Vervolgens. In het Sacrament der Waarheid mag geen sprake zijn van misleiding. Nu oordelen wij over de zelfstandigheid door de bijkomstigheden. Hieruit volgt, dat het menselijk oordeel zou misleid worden, als de zelfstandigheid van het brood niet bleef, terwijl de bijkomstigheden wel bleven. Dus is het niet passend, dat dit in dit Sacrament gebeurt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Hoewel het geloof niet onderworpen is aan de rede, is het toch niet tegen de rede, maar staat het er boven, zoals in het begin van dit Werk gezegd is (I. 1° Kw. 6° Art. 2° Antw.; 8° Art.). Nu heeft onze rede haar oorsprong bij de zinnen. Dus mag ons geloof niet tegen de zinnen zijn, in die voege dat onze zinnen oordelen, dat iets brood is en ons geloof aanneemt, dat het de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus is. Dus is het niet passend, dat in dit Sacrament de bijkomstigheden van het brood, die aan de zinnen voorliggen, blijven en de zelfstandigheid van het brood niet blijft.
R: I q. 1 a. 6 ad 2[t:ia q. 1 a. 6 ad 2] q. 75 a. 8[t:iiia q. 75 a. 8]
Vervolgens. Hoewel het geloof niet onderworpen is aan de rede, is het toch niet tegen de rede, maar staat het er boven, zoals in het begin van dit Werk gezegd is (I. 1° Kw. 6° Art. 2° Antw.; 8° Art.). Nu heeft onze rede haar oorsprong bij de zinnen. Dus mag ons geloof niet tegen de zinnen zijn, in die voege dat onze zinnen oordelen, dat iets brood is en ons geloof aanneemt, dat het de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus is. Dus is het niet passend, dat in dit Sacrament de bijkomstigheden van het brood, die aan de zinnen voorliggen, blijven en de zelfstandigheid van het brood niet blijft.
R: I q. 1 a. 6 ad 2[t:ia q. 1 a. 6 ad 2] q. 75 a. 8[t:iiia q. 75 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 5 arg. 4
Vervolgens. Wat na de verandering blijft, schijnt het subject van de verandering te zijn. Indien dus de bijkomstigheden van het brood na de verandering blijven, schijnen de bijkomstigheden zelf het subject van de verandering te zijn. Hetgeen onmogelijk is, want "een bijkomstigheid heeft geen bijkomstigheid". Dus mogen in dit Sacrament de bijkomstigheden van het brood en de wijn niet blijven.
Vervolgens. Wat na de verandering blijft, schijnt het subject van de verandering te zijn. Indien dus de bijkomstigheden van het brood na de verandering blijven, schijnen de bijkomstigheden zelf het subject van de verandering te zijn. Hetgeen onmogelijk is, want "een bijkomstigheid heeft geen bijkomstigheid". Dus mogen in dit Sacrament de bijkomstigheden van het brood en de wijn niet blijven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: "Wij vereren onder de zichtbare gedaanten van brood en wijn onzichtbare dingen, nl. het Vlees en het Bloed».
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: "Wij vereren onder de zichtbare gedaanten van brood en wijn onzichtbare dingen, nl. het Vlees en het Bloed».
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zintuigelijk blijkt, dat na de consecratie alle bijkomstigheden van het brood en de wijn blijven. En dat is iets redelijks en geschiedt door Gods Voorzienigheid. Vooreerst omdat het voor de mensen niet iets gewoons, maar iets weerzinwekkends is het vlees van een mens te eten en zijn bloed te drinken. En daarom wordt ons het Vlees en het Bloed van Christus te nuttigen gegeven onder de gedaanten van het algemeen door de mensen gebruikte voedsel brood en wijn. — Ten tweede, opdat dit sacrament niet door de ongelovigen zou bespot worden, hetgeen zou gebeuren, als wij onze Heer in Zijn eigen gedaante zouden eten. — Ten derde, opdat de onzichtbare nuttiging van het Lichaam en Bloed van onze Heer onze geloofsverdienste ten goede kome.
Mijn antwoord. Zintuigelijk blijkt, dat na de consecratie alle bijkomstigheden van het brood en de wijn blijven. En dat is iets redelijks en geschiedt door Gods Voorzienigheid. Vooreerst omdat het voor de mensen niet iets gewoons, maar iets weerzinwekkends is het vlees van een mens te eten en zijn bloed te drinken. En daarom wordt ons het Vlees en het Bloed van Christus te nuttigen gegeven onder de gedaanten van het algemeen door de mensen gebruikte voedsel brood en wijn. — Ten tweede, opdat dit sacrament niet door de ongelovigen zou bespot worden, hetgeen zou gebeuren, als wij onze Heer in Zijn eigen gedaante zouden eten. — Ten derde, opdat de onzichtbare nuttiging van het Lichaam en Bloed van onze Heer onze geloofsverdienste ten goede kome.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Zoals gezegd wordt in De Causis, hangt het uitwerksel meer af van de eerste dan van de tweede oorzaak. En daarom kan het door de kracht van God, die aller eerste oorzaak is, gebeuren, dat het latere blijft bij opheffing van het eerdere.
1e Weerlegging. Zoals gezegd wordt in De Causis, hangt het uitwerksel meer af van de eerste dan van de tweede oorzaak. En daarom kan het door de kracht van God, die aller eerste oorzaak is, gebeuren, dat het latere blijft bij opheffing van het eerdere.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. In dit Sacrament is geen sprake van misleiding. Want de bijkomstigheden, die door de zinnen beoordeeld worden, zijn er naar waarheid. Van zijn kant wordt het verstand, dat tot eigen voorwerp de zelfstandigheid heeft, zoals in De Anima gezegd wordt, door het geloof voor misleiding bewaard.
2e Weerlegging. In dit Sacrament is geen sprake van misleiding. Want de bijkomstigheden, die door de zinnen beoordeeld worden, zijn er naar waarheid. Van zijn kant wordt het verstand, dat tot eigen voorwerp de zelfstandigheid heeft, zoals in De Anima gezegd wordt, door het geloof voor misleiding bewaard.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Zo blijkt ook het antwoord op de derde bedenking. Want het geloof is niet tegen de zinnen, maar gaat over iets, waarover de zinnen zich niet uitstrekken.
3e Weerlegging. Zo blijkt ook het antwoord op de derde bedenking. Want het geloof is niet tegen de zinnen, maar gaat over iets, waarover de zinnen zich niet uitstrekken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 5 ad 4
4e Weerlegging. Deze verandering heeft geen subject in de eigenlijke betekenis van het woord, zoals gezegd is (4° Art. 1° Antw.). Wel hebben de blijvende bijkomstigheden een gelijkenis met een subject.
R: q. 75 a. 4 ad 1[t:iiia q. 75 a. 4 ad 1]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 17 a. 2 ad 3[t:iiia q. 17 a. 2 ad 3]
4e Weerlegging. Deze verandering heeft geen subject in de eigenlijke betekenis van het woord, zoals gezegd is (4° Art. 1° Antw.). Wel hebben de blijvende bijkomstigheden een gelijkenis met een subject.
R: q. 75 a. 4 ad 1[t:iiia q. 75 a. 4 ad 1]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 17 a. 2 ad 3[t:iiia q. 17 a. 2 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheidsvorm van het brood?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 77 a. 1 co.
IIIa q. 77 a. 3 arg. 2
IIIa q. 77 a. 6 co.[t:iiia q. 77 a. 1 co.][t:iiia q. 77 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 77 a. 6 co.]
IIIa q. 75 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheidsvorm van het brood blijft. Er is immers gezegd (vorig artikel), dat na de consecratie de bijkomstigheden blijven. Welnu, daar het brood iets kunstmatigs is, is ook zijn vorm een bijkomstigheid. Dus blijft hij na de consecratie.
R: q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
IIIa q. 77 a. 1 co.
IIIa q. 77 a. 3 arg. 2
IIIa q. 77 a. 6 co.[t:iiia q. 77 a. 1 co.][t:iiia q. 77 a. 3 arg. 2][t:iiia q. 77 a. 6 co.]
IIIa q. 75 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheidsvorm van het brood blijft. Er is immers gezegd (vorig artikel), dat na de consecratie de bijkomstigheden blijven. Welnu, daar het brood iets kunstmatigs is, is ook zijn vorm een bijkomstigheid. Dus blijft hij na de consecratie.
R: q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 6 arg. 2
Vervolgens. De vorm van Christus’ Lichaam is de ziel: want in de Anima wordt gezegd, dat de ziel is "de daadwerkelijkheid van een natuurlijk lichaam, dat in vermogen het leven heeft». Nu kan niet beweerd worden, dat de zelfstandigheidsvorm van het brood verandert in Christus’ Ziel. Dus blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheidsvorm van het brood.
Vervolgens. De vorm van Christus’ Lichaam is de ziel: want in de Anima wordt gezegd, dat de ziel is "de daadwerkelijkheid van een natuurlijk lichaam, dat in vermogen het leven heeft». Nu kan niet beweerd worden, dat de zelfstandigheidsvorm van het brood verandert in Christus’ Ziel. Dus blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheidsvorm van het brood.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 6 arg. 3
Vervolgens. De eigen werking van een ding volgt zijn zelfstandigheidsvorm. Welnu het blijvende in dit Sacrament voedt en stelt elke werking, die het brood zou stellen, als het bestond. Dus blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheidsvorm van het brood.
Vervolgens. De eigen werking van een ding volgt zijn zelfstandigheidsvorm. Welnu het blijvende in dit Sacrament voedt en stelt elke werking, die het brood zou stellen, als het bestond. Dus blijft in dit Sacrament na de consecratie de zelfstandigheidsvorm van het brood.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de zelfstandigheid van het brood behoort tot de zelfstandigheid van het brood. Nu verandert de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus. Dus de zelfstandigheid van het brood blijft niet.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 3[t:iiia q. 75 a. 3] q. 75 a. 4[t:iiia q. 75 a. 4]
Daartegenover staat echter, dat de zelfstandigheid van het brood behoort tot de zelfstandigheid van het brood. Nu verandert de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus. Dus de zelfstandigheid van het brood blijft niet.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 3[t:iiia q. 75 a. 3] q. 75 a. 4[t:iiia q. 75 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 6 co.
Mijn antwoord. Sommigen hebben beweerd, dat na de consecratie niet alleen de bijkomstigheden van het brood maar ook zijn zelfstandigheidsvorm blijft. Maar dit is onmogelijk. Vooreerst, omdat als de zelfstandigheidsvorm zou blijven, er niets van het brood zou veranderen in het Lichaam van Christus buiten de stof. Dit zou ten gevolge hebben, dat het niet in het gehele Lichaam van Christus maar in de stof ervan zou veranderen. Hetgeen in strijd is met de vorm van het Sacrament, waarin gezegd wordt: "Dit is Mijn Lichaam". — Ten tweede, omdat, als de zelfstandigheidsvorm van het brood zou blijven, deze zou blijven ófwel in een stof ófwel gescheiden van alle stof. Het eerste is uitgesloten. Want zou hij in de stof van het brood blijven, dan bleef de gehele zelfstandigheid van het brood, hetgeen tegen het vroeger gezegde is (2e Art.). In een andere stof echter kan hij niet blijven, want de eigen vorm is slechts in de eigen stof. Zou hij evenwel blijven gescheiden van alle stof, dan zou hij zonder meer een daadwerkelijk door het verstand kenbare en tevens kennende vorm zijn, want alle van stof afgescheiden vormen zijn zo. — Ten derde zou het niet passend zijn voor dit Sacrament. Want in dit Sacrament blijven de bijkomstigheden van het brood, opdat het Lichaam van Christus onder haar en niet onder eigen gedaante zou gezien worden, zoals boven gezegd is (5e Art.). Dus moet men zeggen, dat de zelfstandigheidsvorm van het brood niet blijft.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
Mijn antwoord. Sommigen hebben beweerd, dat na de consecratie niet alleen de bijkomstigheden van het brood maar ook zijn zelfstandigheidsvorm blijft. Maar dit is onmogelijk. Vooreerst, omdat als de zelfstandigheidsvorm zou blijven, er niets van het brood zou veranderen in het Lichaam van Christus buiten de stof. Dit zou ten gevolge hebben, dat het niet in het gehele Lichaam van Christus maar in de stof ervan zou veranderen. Hetgeen in strijd is met de vorm van het Sacrament, waarin gezegd wordt: "Dit is Mijn Lichaam". — Ten tweede, omdat, als de zelfstandigheidsvorm van het brood zou blijven, deze zou blijven ófwel in een stof ófwel gescheiden van alle stof. Het eerste is uitgesloten. Want zou hij in de stof van het brood blijven, dan bleef de gehele zelfstandigheid van het brood, hetgeen tegen het vroeger gezegde is (2e Art.). In een andere stof echter kan hij niet blijven, want de eigen vorm is slechts in de eigen stof. Zou hij evenwel blijven gescheiden van alle stof, dan zou hij zonder meer een daadwerkelijk door het verstand kenbare en tevens kennende vorm zijn, want alle van stof afgescheiden vormen zijn zo. — Ten derde zou het niet passend zijn voor dit Sacrament. Want in dit Sacrament blijven de bijkomstigheden van het brood, opdat het Lichaam van Christus onder haar en niet onder eigen gedaante zou gezien worden, zoals boven gezegd is (5e Art.). Dus moet men zeggen, dat de zelfstandigheidsvorm van het brood niet blijft.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Er is niets op tegen dat op kunstmatige wijze iets ontstaat, waarvan de vorm geen bijkomstigheid is maar een zelfstandigheidsvorm, zoals op kunstmatige wijze kikvorsen en slangen kunnen worden voortgebracht. Zulke een vorm immers brengt de kunst niet uit eigen kracht maar uit kracht van de natuurbeginselen voort. En op deze wijze brengt zij de zelfstandigheidsvorm van het brood voort, uit kracht van het vuur, waardoor de uit meel en water toebereide stof wordt gebakken.
1e Weerlegging. Er is niets op tegen dat op kunstmatige wijze iets ontstaat, waarvan de vorm geen bijkomstigheid is maar een zelfstandigheidsvorm, zoals op kunstmatige wijze kikvorsen en slangen kunnen worden voortgebracht. Zulke een vorm immers brengt de kunst niet uit eigen kracht maar uit kracht van de natuurbeginselen voort. En op deze wijze brengt zij de zelfstandigheidsvorm van het brood voort, uit kracht van het vuur, waardoor de uit meel en water toebereide stof wordt gebakken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. De ziel is de vorm van het lichaam, waardoor dit al de opeenvolgende graden van het volledige zijn ontvangt d.w.z. het zijn, het stof-zijn, het bezield-zijn enz. De vorm van het brood verandert dus in de vorm van het Lichaam van Christus, voorzover deze het stof-zijn geeft, niet echter voorzover deze het door zo'n ziel bezield-zijn geeft.
2e Weerlegging. De ziel is de vorm van het lichaam, waardoor dit al de opeenvolgende graden van het volledige zijn ontvangt d.w.z. het zijn, het stof-zijn, het bezield-zijn enz. De vorm van het brood verandert dus in de vorm van het Lichaam van Christus, voorzover deze het stof-zijn geeft, niet echter voorzover deze het door zo'n ziel bezield-zijn geeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Sommige werkingen van het brood komen daaraan toe op grond van de bijkomstigheden, zoals inwerken op de zinnen. Deze werkingen vindt men na de consecratie in de gedaanten van het brood vanwege de blijvende bijkomstigheden zelf. — Sommige werkingen echter komen toe aan het brood op grond ofwel van de stof, zoals het veranderen in iets, ofwel op grond van de zelfstandigheidsvorm, zoals de werkingen eigen aan de soort brood b.v. dat het 's mensen hart versterkt (Ps. 103. 15). Zulke werkingen vindt men in dit Sacrament, niet vanwege een blijvende vorm of stof, maar als op wonderdadige wijze aan de bijkomstigheden zelf gegeven, zoals later gezegd zal worden (77° Kw. 3° Art. 2° en 3° Antw.; 5° en 6° Art.).
R: q. 77 a. 3 ad 2[t:iiia q. 77 a. 3 ad 2] q. 77 a. 3 ad 3[t:iiia q. 77 a. 3 ad 3] q. 77 a. 5[t:iiia q. 77 a. 5] q. 77 a. 6[t:iiia q. 77 a. 6]
3e Weerlegging. Sommige werkingen van het brood komen daaraan toe op grond van de bijkomstigheden, zoals inwerken op de zinnen. Deze werkingen vindt men na de consecratie in de gedaanten van het brood vanwege de blijvende bijkomstigheden zelf. — Sommige werkingen echter komen toe aan het brood op grond ofwel van de stof, zoals het veranderen in iets, ofwel op grond van de zelfstandigheidsvorm, zoals de werkingen eigen aan de soort brood b.v. dat het 's mensen hart versterkt (Ps. 103. 15). Zulke werkingen vindt men in dit Sacrament, niet vanwege een blijvende vorm of stof, maar als op wonderdadige wijze aan de bijkomstigheden zelf gegeven, zoals later gezegd zal worden (77° Kw. 3° Art. 2° en 3° Antw.; 5° en 6° Art.).
R: q. 77 a. 3 ad 2[t:iiia q. 77 a. 3 ad 2] q. 77 a. 3 ad 3[t:iiia q. 77 a. 3 ad 3] q. 77 a. 5[t:iiia q. 77 a. 5] q. 77 a. 6[t:iiia q. 77 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Gebeurt deze verandering in één ogenblik of gebeurt ze geleidelijk?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 78 a. 2 co.
IIIa q. 78 a. 4 arg. 3
IIIa q. 78 a. 5 arg. 1[t:iiia q. 78 a. 2 co.][t:iiia q. 78 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 78 a. 5 arg. 1]
IIIa q. 75 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat deze verandering niet in één ogenblik gebeurt, maar dat ze geleidelijk gebeurt. Bij deze verandering immers is er eerst de zelfstandigheid van het brood en daarna de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. Beide zijn dus niet in één ogenblik maar in twee ogenblikken. Nu ligt er altijd een tijd tussen twee ogenblikken. Dus moet deze verandering gebeuren volgens de opeenvolging van de tijd, die er ligt tussen het laatste ogenblik, dat er het brood is en het eerste ogenblik, dat er het lichaam van Christus is.
IIIa q. 78 a. 2 co.
IIIa q. 78 a. 4 arg. 3
IIIa q. 78 a. 5 arg. 1[t:iiia q. 78 a. 2 co.][t:iiia q. 78 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 78 a. 5 arg. 1]
IIIa q. 75 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat deze verandering niet in één ogenblik gebeurt, maar dat ze geleidelijk gebeurt. Bij deze verandering immers is er eerst de zelfstandigheid van het brood en daarna de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. Beide zijn dus niet in één ogenblik maar in twee ogenblikken. Nu ligt er altijd een tijd tussen twee ogenblikken. Dus moet deze verandering gebeuren volgens de opeenvolging van de tijd, die er ligt tussen het laatste ogenblik, dat er het brood is en het eerste ogenblik, dat er het lichaam van Christus is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Bij elke verandering is er een worden en een geworden zijn. Deze twee echter zijn niet tegelijk, want wat wordt, is nog niet, wat echter geworden is, is reeds. Dus is er bij deze verandering een eerder en een later. Derhalve is zij noodzakelijkerwijs niet ogenblikkelijk maar geleidelijk.
Vervolgens. Bij elke verandering is er een worden en een geworden zijn. Deze twee echter zijn niet tegelijk, want wat wordt, is nog niet, wat echter geworden is, is reeds. Dus is er bij deze verandering een eerder en een later. Derhalve is zij noodzakelijkerwijs niet ogenblikkelijk maar geleidelijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Ambrosius zegt, dat dit Sacrament "tot stand komt door Christus’ woorden". Welnu Christus’ woorden worden geleidelijk uitgesproken. Dus gebeurt deze verandering geleidelijk.
R: De Sacramentis, [2092|+91]
Vervolgens. Ambrosius zegt, dat dit Sacrament "tot stand komt door Christus’ woorden". Welnu Christus’ woorden worden geleidelijk uitgesproken. Dus gebeurt deze verandering geleidelijk.
R: De Sacramentis, [2092|+91]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, dat deze verandering tot stand komt door een oneindige kracht, waaraan het eigen is plotseling te werken.
Daartegenover staat echter, dat deze verandering tot stand komt door een oneindige kracht, waaraan het eigen is plotseling te werken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 7 co.
Mijn antwoord. Een verandering kan ogenblikkelijk zijn om drie redenen. Een eerste reden kan liggen bij de vorm, die het eindpunt van de verandering is. Want is er een vorm, die meer of minder toelaat, dan komt hij geleidelijk in het subject, zoals gezondheid. Dientengevolge heeft de invoering in de stof van een zelfstandigheidsvorm, die geen meer en minder toelaat, plotseling plaats. — Een andere reden kan liggen bij het subject. Dit wordt somtijds geleidelijk voor de ontvangst van de vorm geschikt gemaakt: daarom wordt water geleidelijk warm. Wanneer het subject evenwel de laatste geschiktheid voor de vorm reeds bezit, ontvangt het hem plotseling, zoals het doorschijnende plotseling verlicht wordt. — Een derde reden kan liggen bij de werkoorzaak, die een oneindige kracht kan hebben, zodat zij in staat is de stof onmiddellijk voor de vorm geschikt te maken. Zoals men leest bij Marcus (7. 34-35) dat, toen Christus gezegd had: "Ephpheta d.i. open u, onmiddellijk zijn opengegaan de oren van die mens en de band van zijn tong is losgemaakt". Om genoemde drie redenen dan is de verandering, waarover wij spreken, ogenblikkelijk. Vooreerst namelijk, omdat de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, die het eindpunt van deze verandering is, noch meer noch minder toelaat. — Ten tweede, omdat er bij deze verandering geen subject is, dat geleidelijk geschikt gemaakt zou worden. — Ten derde, omdat zij bewerkt wordt door Gods oneindige kracht.
B: (Mark 7:34) [b:Mark 7:34]
Mijn antwoord. Een verandering kan ogenblikkelijk zijn om drie redenen. Een eerste reden kan liggen bij de vorm, die het eindpunt van de verandering is. Want is er een vorm, die meer of minder toelaat, dan komt hij geleidelijk in het subject, zoals gezondheid. Dientengevolge heeft de invoering in de stof van een zelfstandigheidsvorm, die geen meer en minder toelaat, plotseling plaats. — Een andere reden kan liggen bij het subject. Dit wordt somtijds geleidelijk voor de ontvangst van de vorm geschikt gemaakt: daarom wordt water geleidelijk warm. Wanneer het subject evenwel de laatste geschiktheid voor de vorm reeds bezit, ontvangt het hem plotseling, zoals het doorschijnende plotseling verlicht wordt. — Een derde reden kan liggen bij de werkoorzaak, die een oneindige kracht kan hebben, zodat zij in staat is de stof onmiddellijk voor de vorm geschikt te maken. Zoals men leest bij Marcus (7. 34-35) dat, toen Christus gezegd had: "Ephpheta d.i. open u, onmiddellijk zijn opengegaan de oren van die mens en de band van zijn tong is losgemaakt". Om genoemde drie redenen dan is de verandering, waarover wij spreken, ogenblikkelijk. Vooreerst namelijk, omdat de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, die het eindpunt van deze verandering is, noch meer noch minder toelaat. — Ten tweede, omdat er bij deze verandering geen subject is, dat geleidelijk geschikt gemaakt zou worden. — Ten derde, omdat zij bewerkt wordt door Gods oneindige kracht.
B: (Mark 7:34) [b:Mark 7:34]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Sommigen gaven niet zonder meer toe, dat er altijd een tijd ligt tussen twee ogenblikken. Zij zeggen namelijk, dat dit waar is voor twee ogenblikken, die zich op dezelfde beweging betrekken, maar niet voor twee ogenblikken, die zich op verschillende dingen betrekken. Daarom ligt er geen tijd tussen het ogenblik, dat het eind van de rust, en het ander ogenblik, dat het begin van de beweging meet. Evenwel vergissen zij zich hierin. Want de eenheid van tijd en van ogenblik, of ook de veelheid daarvan, wordt niet afgemeten naar willekeurig welke bewegingen, maar naar de eerste beweging van de hemel, die de maat is van alle beweging en rust. Daarom geven anderen het toe voor de tijd, die een van de hemelbeweging afhankelijke beweging meet. Maar er zijn sommige bewegingen, die niet afhangen van de hemelbeweging en er ook niet door gemeten worden, zoals in het Eerste Deel (53e Kw. 3e Art.) gezegd is over de bewegingen der engelen. Daarom ligt er geen tijd tussen twee ogenblikken, die aan dergelijke bewegingen beantwoorden. Evenwel is dit niet van toepassing op ons geval. Want, hoewel de onderhavige verandering op zich geen betrekking heeft met de hemelbeweging, volgt zij toch het uitspreken der woorden, dat noodzakelijkerwijs door de hemelbeweging wordt gemeten. Daarom ligt er noodzakelijkerwijs een tijd tussen elke twee in deze verandering aangegeven ogenblikken. Derhalve zeggen sommigen, dat het laatste ogenblik van het brood en het eerste ogenblik van het Lichaam van Christus twee zijn met betrekking tot de gemeten dingen, maar één met betrekking tot de metende tijd, zoals, wanneer twee lijnen elkaar raken, er twee punten zijn van de kant van de twee lijnen, maar één punt van de kant van de omringende plaats. Evenwel gaat deze vergelijking niet op. Want ogenblik en tijd zijn voor afzonderlijke bewegingen geen innerlijke maat, zoals lijn en punt voor lichamen: zij zijn slechts uiterlijke maat zoals plaats voor lichamen. Daarom zeggen anderen, dat het in werkelijkheid één ogenblik is, maar dat het er twee zijn naar verstandsonderscheid. Evenwel zou hieruit volgen, dat werkelijk tegenovergestelde dingen tegelijk zouden zijn. Verstandsonderscheid verandert immers niets aan de werkelijkheid. Derhalve moet men zeggen, dat deze verandering, gelijk gezegd is (3° Art.), tot stand komt door de woorden van Christus, welke door de priester worden uitgesproken, met die verstande, dat het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden het eerste ogenblik is van de aanwezigheid van Christus' Lichaam in dit Sacrament, terwijl gedurende de gehele voorafgaande tijd de zelfstandigheid van het brood daarin aanwezig is. In dezen tijd kan men zich geen ogenblik denken, dat onmiddellijk aan het laatste voorafgaat: de tijd immers is niet samengesteld uit zich opeenvolgende ogenblikken, zoals bewezen wordt in de Physica. Daarom kan men wel het eerste ogenblik aangeven van het Lichaam van Christus, niet echter het laatste ogenblik van de zelfstandigheid van het brood, wel weer de laatste tijd daarvan. Hetzelfde vindt men bij de veranderingen in de natuur, zoals blijkt bij de Wijsgeer.
R: I q. 53 a. 3[t:ia q. 53 a. 3]
1e Weerlegging. Sommigen gaven niet zonder meer toe, dat er altijd een tijd ligt tussen twee ogenblikken. Zij zeggen namelijk, dat dit waar is voor twee ogenblikken, die zich op dezelfde beweging betrekken, maar niet voor twee ogenblikken, die zich op verschillende dingen betrekken. Daarom ligt er geen tijd tussen het ogenblik, dat het eind van de rust, en het ander ogenblik, dat het begin van de beweging meet. Evenwel vergissen zij zich hierin. Want de eenheid van tijd en van ogenblik, of ook de veelheid daarvan, wordt niet afgemeten naar willekeurig welke bewegingen, maar naar de eerste beweging van de hemel, die de maat is van alle beweging en rust. Daarom geven anderen het toe voor de tijd, die een van de hemelbeweging afhankelijke beweging meet. Maar er zijn sommige bewegingen, die niet afhangen van de hemelbeweging en er ook niet door gemeten worden, zoals in het Eerste Deel (53e Kw. 3e Art.) gezegd is over de bewegingen der engelen. Daarom ligt er geen tijd tussen twee ogenblikken, die aan dergelijke bewegingen beantwoorden. Evenwel is dit niet van toepassing op ons geval. Want, hoewel de onderhavige verandering op zich geen betrekking heeft met de hemelbeweging, volgt zij toch het uitspreken der woorden, dat noodzakelijkerwijs door de hemelbeweging wordt gemeten. Daarom ligt er noodzakelijkerwijs een tijd tussen elke twee in deze verandering aangegeven ogenblikken. Derhalve zeggen sommigen, dat het laatste ogenblik van het brood en het eerste ogenblik van het Lichaam van Christus twee zijn met betrekking tot de gemeten dingen, maar één met betrekking tot de metende tijd, zoals, wanneer twee lijnen elkaar raken, er twee punten zijn van de kant van de twee lijnen, maar één punt van de kant van de omringende plaats. Evenwel gaat deze vergelijking niet op. Want ogenblik en tijd zijn voor afzonderlijke bewegingen geen innerlijke maat, zoals lijn en punt voor lichamen: zij zijn slechts uiterlijke maat zoals plaats voor lichamen. Daarom zeggen anderen, dat het in werkelijkheid één ogenblik is, maar dat het er twee zijn naar verstandsonderscheid. Evenwel zou hieruit volgen, dat werkelijk tegenovergestelde dingen tegelijk zouden zijn. Verstandsonderscheid verandert immers niets aan de werkelijkheid. Derhalve moet men zeggen, dat deze verandering, gelijk gezegd is (3° Art.), tot stand komt door de woorden van Christus, welke door de priester worden uitgesproken, met die verstande, dat het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden het eerste ogenblik is van de aanwezigheid van Christus' Lichaam in dit Sacrament, terwijl gedurende de gehele voorafgaande tijd de zelfstandigheid van het brood daarin aanwezig is. In dezen tijd kan men zich geen ogenblik denken, dat onmiddellijk aan het laatste voorafgaat: de tijd immers is niet samengesteld uit zich opeenvolgende ogenblikken, zoals bewezen wordt in de Physica. Daarom kan men wel het eerste ogenblik aangeven van het Lichaam van Christus, niet echter het laatste ogenblik van de zelfstandigheid van het brood, wel weer de laatste tijd daarvan. Hetzelfde vindt men bij de veranderingen in de natuur, zoals blijkt bij de Wijsgeer.
R: I q. 53 a. 3[t:ia q. 53 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Bij ogenblikkelijke veranderingen is het worden en het geworden zijn tegelijk, zoals tegelijk zijn het verlicht worden en het verlicht zijn. Daarbij spreekt men immers van geworden zijn, voor zover iets reeds is: van worden echter, voorzover iets eerst nog niet was.
2e Weerlegging. Bij ogenblikkelijke veranderingen is het worden en het geworden zijn tegelijk, zoals tegelijk zijn het verlicht worden en het verlicht zijn. Daarbij spreekt men immers van geworden zijn, voor zover iets reeds is: van worden echter, voorzover iets eerst nog niet was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Gelijk gezegd is (1° Antw.), gebeurt deze verandering in het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden: want dan wordt de betekenis der woorden, die bij de vormen van de sacramenten uitwerkende kracht heeft, voltooid. En daarom volgt niet, dat deze verandering een geleidelijke is.
R: III q. 75 a. 7 ad 1[t:iiia q. 75 a. 7 ad 1]
3e Weerlegging. Gelijk gezegd is (1° Antw.), gebeurt deze verandering in het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden: want dan wordt de betekenis der woorden, die bij de vormen van de sacramenten uitwerkende kracht heeft, voltooid. En daarom volgt niet, dat deze verandering een geleidelijke is.
R: III q. 75 a. 7 ad 1[t:iiia q. 75 a. 7 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Is deze zin juist: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 75 a. 5 arg. 3
IIIa q. 77 a. 5 co.[t:iiia q. 75 a. 5 arg. 3][t:iiia q. 77 a. 5 co.]
IIIa q. 75 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat deze zin vals is: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus. Immers datgene, waaruit iets wordt, is altijd datgene wat iets wordt, maar niet omgekeerd: wij zeggen immers, dat uit het witte iets zwarts wordt en dat het witte zwart wordt; maar hoewel wij zeggen, dat een mens zwart wordt, zeggen wij niet, dat uit een mens iets zwarts wordt, zoals blijkt in de Physica. Indien men dus naar waarheid kan zeggen, dat uit het brood het Lichaam van Christus wordt, dan kan men ook naar waarheid zeggen, dat het brood het Lichaam van Christus wordt. Dit schijnt echter onjuist te zijn, want het brood is geen subject van wording, maar het uitgangspunt ervan. Dus kan men niet naar waarheid zeggen, dat uit het brood het Lichaam van Christus wordt.
IIIa q. 75 a. 5 arg. 3
IIIa q. 77 a. 5 co.[t:iiia q. 75 a. 5 arg. 3][t:iiia q. 77 a. 5 co.]
IIIa q. 75 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat deze zin vals is: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus. Immers datgene, waaruit iets wordt, is altijd datgene wat iets wordt, maar niet omgekeerd: wij zeggen immers, dat uit het witte iets zwarts wordt en dat het witte zwart wordt; maar hoewel wij zeggen, dat een mens zwart wordt, zeggen wij niet, dat uit een mens iets zwarts wordt, zoals blijkt in de Physica. Indien men dus naar waarheid kan zeggen, dat uit het brood het Lichaam van Christus wordt, dan kan men ook naar waarheid zeggen, dat het brood het Lichaam van Christus wordt. Dit schijnt echter onjuist te zijn, want het brood is geen subject van wording, maar het uitgangspunt ervan. Dus kan men niet naar waarheid zeggen, dat uit het brood het Lichaam van Christus wordt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Worden eindigt in zijn of in geworden zijn. Welnu, nooit is deze zin juist: Het brood is het Lichaam van Christus, of: Het brood is het Lichaam van Christus geworden, of ook: Het brood zal het Lichaam van Christus zijn. Dus schijnt ook deze zin niet juist te zijn: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus.
Vervolgens. Worden eindigt in zijn of in geworden zijn. Welnu, nooit is deze zin juist: Het brood is het Lichaam van Christus, of: Het brood is het Lichaam van Christus geworden, of ook: Het brood zal het Lichaam van Christus zijn. Dus schijnt ook deze zin niet juist te zijn: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Elk ding, waaruit iets wordt, verandert in datgene, wat eruit wordt. Nu schijnt deze zin vals te zijn: Het brood verandert in het Lichaam van Christus, want deze verandering schijnt méér wonderbaar te zijn dan de schepping, waarbij men toch niet zegt, dat het niet-zijnde verandert in een zijnde. Dus schijnt ook deze zin vals te zijn: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus.
Vervolgens. Elk ding, waaruit iets wordt, verandert in datgene, wat eruit wordt. Nu schijnt deze zin vals te zijn: Het brood verandert in het Lichaam van Christus, want deze verandering schijnt méér wonderbaar te zijn dan de schepping, waarbij men toch niet zegt, dat het niet-zijnde verandert in een zijnde. Dus schijnt ook deze zin vals te zijn: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 8 arg. 4
Vervolgens. Datgene, waaruit iets wordt, kan dat zijn. Welnu, deze zin is vals: Het brood kan het Lichaam van Christus zijn. Dus is ook deze zin vals: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus.
Vervolgens. Datgene, waaruit iets wordt, kan dat zijn. Welnu, deze zin is vals: Het brood kan het Lichaam van Christus zijn. Dus is ook deze zin vals: Uit het brood wordt het Lichaam van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: "Waar de consecratie bij komt, daar wordt uit het brood het Lichaam van Christus».
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: "Waar de consecratie bij komt, daar wordt uit het brood het Lichaam van Christus».
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 8 co.
Mijn antwoord. Deze verandering van het brood in het Lichaam van Christus komt in enig opzicht overeen met de schepping en met de natuurlijke verandering, en verschilt ook in enig opzicht van beide. Aan deze drie immers is gemeen de orde van de uitersten, d.w.z. dat het ene na het andere is — bij de schepping namelijk is het zijn na het niet-zijn, in dit Sacrament het Lichaam van Christus na de zelfstandigheid van het brood, bij de natuurlijke verandering het witte na het zwarte of het vuur na de lucht — en dat genoemde uitersten niet tegelijk zijn. De verandering, waarover we nu spreken, komt echter hierin overeen met de schepping, dat er bij geen van beide een aan de uitersten gemeenschappelijk subject is. Het tegenovergestelde hiervan vindt men bij elke natuurlijke verandering. Daarentegen komt deze verandering met de natuurlijke verandering in twee opzichten overeen, zij het met enig verschil. Vooreerst hierin, dat bij beide het ene uiterste overgaat in het andere, namelijk het brood in het Lichaam van Christus en de lucht in vuur; het niet-zijnde gaat echter niet over in een zijnde. Evenwel gebeurt dit aan beide zijden niet op gelijke wijze. Want in dit Sacrament gaat de gehele zelfstandigheid van het brood over in het gehele Lichaam van Christus: bij de natuurlijke verandering daarentegen krijgt de stof van het ene de vorm van het andere na verlies van eigen vorm. Ten tweede komen zij hierin overeen, dat aan beide zijden iets hetzelfde blijft, hetgeen niet gebeurt bij de schepping. Maar met een verschil: bij de natuurlijke verandering immers blijft dezelfde stof of hetzelfde subject; in dit Sacrament daarentegen blijven dezelfde bijkomstigheden. Uit het bovenstaande kan men nu afleiden, hoe men zich in deze zaken moet uitdrukken. Immers, daar in geen van de drie voornoemde gevallen de uitersten tegelijk zijn, kan men in geen daarvan het ene uiterste uitzonderen van het andere met een zelfstandig gebruikt woord en in de tegenwoordige tijd: wij zeggen immers niet: Het niet-zijnde is een zijnde, of: Het brood is het Lichaam van Christus, of: De lucht is vuur, het witte is het zwarte. Maar om de orde der uitersten kunnen wij in alle gevallen het voorzetsel uit gebruiken, waardoor een orde wordt betekend. We kunnen immers in waren en eigenlijke zin zeggen, dat uit het niet-zijnde een zijnde wordt en uit het brood het Lichaam van Christus en uit de lucht vuur en uit het witte het zwarte. Daar echter bij de schepping het ene uiterste niet overgaat in het andere, kunnen wij bij de schepping het woord verandering niet gebruiken, zeggende, dat het niet-zijnde verandert in een zijnde. Wel kunnen wij dit woord gebruiken bij dit Sacrament en ook bij de natuurlijke verandering. Daar echter in dit Sacrament de gehele zelfstandigheid van het ene veranderd wordt in de gehele zelfstandigheid van het andere, wordt deze verandering met een aparte eigen naam zelfstandigheidsverandering genoemd. Daar men vervolgens bij deze verandering geen subject kan aanwijzen, is bij haar geen enkele uitdrukking toelaatbaar, die bij de natuurlijke verandering op grond van het subject van toepassing is. Vooreerst is het duidelijk, dat het vermogen tot het tegenovergestelde het subject volgt, op grond waarvan gezegd wordt, dat het witte iets zwarts kan zijn of de lucht vuur kan zijn. De laatste zin evenwel is niet zo eigenlijk als de eerste: het subject immers van het witte, waarin het vermogen is tot zwartheid, is de gehele zelfstandigheid van het witte, daar de witheid geen deel van het witte is; het subject echter van de vorm van de lucht is een deel van de lucht; als men dus zegt: De lucht kan vuur zijn, is de uitdrukking slechts juist op grond van een deel (Synecdoche). Bij deze verandering daarentegen, en hetzelfde geldt van de schepping, wordt bij gebrek aan subject niet gezegd dat het ene uiterste het andere kan zijn, zoals dat het niet-zijnde een zijnde kan zijn, of dat het brood het Lichaam van Christus kan zijn. Om dezelfde reden kan men niet in eigenlijke zin zeggen, dat van het niet-zijnde een zijnde wordt, of van het brood het Lichaam van Christus: dat voorzetsel van geeft immers een medezelfstandige oorzaak aan, welke medezelfstandigheid van de uitersten bij natuurlijke veranderingen gevonden wordt in de eenheid van subject. Steeds om dezelfde reden is te verwerpen, dat het brood het Lichaam van Christus zal zijn, of dat het Lichaam van Christus wordt, zoals bij de schepping te verwerpen is, dat het niet-zijnde een zijnde zal zijn, of dat het niet-zijnde een zijnde wordt: deze zegswijze immers is toepasselijk op natuurlijke veranderingen op grond van het subject b.v. als wij zeggen, dat het witte iets zwarts wordt, of dat het witte iets zwarts zal zijn. Daar echter in dit Sacrament na de verandering iets hetzelfde blijft namelijk de bijkomstigheden van het brood, zoals boven gezegd is (5e Artikel), kunnen enkele van deze uitdrukkingen b.v. dat het brood het Lichaam van Christus wordt, of dat het brood het Lichaam van Christus zal zijn, of dat van het brood het Lichaam van Christus wordt bij wijze van benadering worden aanvaard, met die verstande namelijk dat men met het woord brood niet de zelfstandigheid van het brood bedoelt maar in het algemeen datgene, wat vervat is onder de gedaanten van brood, waaronder eerst de zelfstandigheid van het brood en later het Lichaam van Christus vervat is.
R: q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
Mijn antwoord. Deze verandering van het brood in het Lichaam van Christus komt in enig opzicht overeen met de schepping en met de natuurlijke verandering, en verschilt ook in enig opzicht van beide. Aan deze drie immers is gemeen de orde van de uitersten, d.w.z. dat het ene na het andere is — bij de schepping namelijk is het zijn na het niet-zijn, in dit Sacrament het Lichaam van Christus na de zelfstandigheid van het brood, bij de natuurlijke verandering het witte na het zwarte of het vuur na de lucht — en dat genoemde uitersten niet tegelijk zijn. De verandering, waarover we nu spreken, komt echter hierin overeen met de schepping, dat er bij geen van beide een aan de uitersten gemeenschappelijk subject is. Het tegenovergestelde hiervan vindt men bij elke natuurlijke verandering. Daarentegen komt deze verandering met de natuurlijke verandering in twee opzichten overeen, zij het met enig verschil. Vooreerst hierin, dat bij beide het ene uiterste overgaat in het andere, namelijk het brood in het Lichaam van Christus en de lucht in vuur; het niet-zijnde gaat echter niet over in een zijnde. Evenwel gebeurt dit aan beide zijden niet op gelijke wijze. Want in dit Sacrament gaat de gehele zelfstandigheid van het brood over in het gehele Lichaam van Christus: bij de natuurlijke verandering daarentegen krijgt de stof van het ene de vorm van het andere na verlies van eigen vorm. Ten tweede komen zij hierin overeen, dat aan beide zijden iets hetzelfde blijft, hetgeen niet gebeurt bij de schepping. Maar met een verschil: bij de natuurlijke verandering immers blijft dezelfde stof of hetzelfde subject; in dit Sacrament daarentegen blijven dezelfde bijkomstigheden. Uit het bovenstaande kan men nu afleiden, hoe men zich in deze zaken moet uitdrukken. Immers, daar in geen van de drie voornoemde gevallen de uitersten tegelijk zijn, kan men in geen daarvan het ene uiterste uitzonderen van het andere met een zelfstandig gebruikt woord en in de tegenwoordige tijd: wij zeggen immers niet: Het niet-zijnde is een zijnde, of: Het brood is het Lichaam van Christus, of: De lucht is vuur, het witte is het zwarte. Maar om de orde der uitersten kunnen wij in alle gevallen het voorzetsel uit gebruiken, waardoor een orde wordt betekend. We kunnen immers in waren en eigenlijke zin zeggen, dat uit het niet-zijnde een zijnde wordt en uit het brood het Lichaam van Christus en uit de lucht vuur en uit het witte het zwarte. Daar echter bij de schepping het ene uiterste niet overgaat in het andere, kunnen wij bij de schepping het woord verandering niet gebruiken, zeggende, dat het niet-zijnde verandert in een zijnde. Wel kunnen wij dit woord gebruiken bij dit Sacrament en ook bij de natuurlijke verandering. Daar echter in dit Sacrament de gehele zelfstandigheid van het ene veranderd wordt in de gehele zelfstandigheid van het andere, wordt deze verandering met een aparte eigen naam zelfstandigheidsverandering genoemd. Daar men vervolgens bij deze verandering geen subject kan aanwijzen, is bij haar geen enkele uitdrukking toelaatbaar, die bij de natuurlijke verandering op grond van het subject van toepassing is. Vooreerst is het duidelijk, dat het vermogen tot het tegenovergestelde het subject volgt, op grond waarvan gezegd wordt, dat het witte iets zwarts kan zijn of de lucht vuur kan zijn. De laatste zin evenwel is niet zo eigenlijk als de eerste: het subject immers van het witte, waarin het vermogen is tot zwartheid, is de gehele zelfstandigheid van het witte, daar de witheid geen deel van het witte is; het subject echter van de vorm van de lucht is een deel van de lucht; als men dus zegt: De lucht kan vuur zijn, is de uitdrukking slechts juist op grond van een deel (Synecdoche). Bij deze verandering daarentegen, en hetzelfde geldt van de schepping, wordt bij gebrek aan subject niet gezegd dat het ene uiterste het andere kan zijn, zoals dat het niet-zijnde een zijnde kan zijn, of dat het brood het Lichaam van Christus kan zijn. Om dezelfde reden kan men niet in eigenlijke zin zeggen, dat van het niet-zijnde een zijnde wordt, of van het brood het Lichaam van Christus: dat voorzetsel van geeft immers een medezelfstandige oorzaak aan, welke medezelfstandigheid van de uitersten bij natuurlijke veranderingen gevonden wordt in de eenheid van subject. Steeds om dezelfde reden is te verwerpen, dat het brood het Lichaam van Christus zal zijn, of dat het Lichaam van Christus wordt, zoals bij de schepping te verwerpen is, dat het niet-zijnde een zijnde zal zijn, of dat het niet-zijnde een zijnde wordt: deze zegswijze immers is toepasselijk op natuurlijke veranderingen op grond van het subject b.v. als wij zeggen, dat het witte iets zwarts wordt, of dat het witte iets zwarts zal zijn. Daar echter in dit Sacrament na de verandering iets hetzelfde blijft namelijk de bijkomstigheden van het brood, zoals boven gezegd is (5e Artikel), kunnen enkele van deze uitdrukkingen b.v. dat het brood het Lichaam van Christus wordt, of dat het brood het Lichaam van Christus zal zijn, of dat van het brood het Lichaam van Christus wordt bij wijze van benadering worden aanvaard, met die verstande namelijk dat men met het woord brood niet de zelfstandigheid van het brood bedoelt maar in het algemeen datgene, wat vervat is onder de gedaanten van brood, waaronder eerst de zelfstandigheid van het brood en later het Lichaam van Christus vervat is.
R: q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. I. Datgene, waaruit iets wordt, houdt soms met het ene uiterste van de verandering tevens het subject in, zoals wanneer men zegt: Uit het witte wordt iets zwarts. Soms echter houdt het alleen het ene aan het andere tegenovergestelde uiterste in, zoals wanneer men zegt: Uit de morgen wordt de dag. En in dat geval is het niet juist, dat het ene het andere wordt d.w.z. dat de morgen de dag wordt. En zo kan men ook in ons geval in de eigenlijke zin zeggen dat uit het brood het Lichaam van Christus wordt, niet echter dat het brood het Lichaam van Christus wordt, tenzij naar een zekere gelijkenis, zoals gezegd is (in de Leerst.).
1e Weerlegging. I. Datgene, waaruit iets wordt, houdt soms met het ene uiterste van de verandering tevens het subject in, zoals wanneer men zegt: Uit het witte wordt iets zwarts. Soms echter houdt het alleen het ene aan het andere tegenovergestelde uiterste in, zoals wanneer men zegt: Uit de morgen wordt de dag. En in dat geval is het niet juist, dat het ene het andere wordt d.w.z. dat de morgen de dag wordt. En zo kan men ook in ons geval in de eigenlijke zin zeggen dat uit het brood het Lichaam van Christus wordt, niet echter dat het brood het Lichaam van Christus wordt, tenzij naar een zekere gelijkenis, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Datgene waaruit iets wordt, zal soms dat zijn, als het namelijk een subject inhoudt. En daarom gaat de vergelijking niet op, aangezien deze verandering geen subject heeft.
2e Weerlegging. Datgene waaruit iets wordt, zal soms dat zijn, als het namelijk een subject inhoudt. En daarom gaat de vergelijking niet op, aangezien deze verandering geen subject heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Bij deze verandering zijn er meer moeilijkheden dan bij de schepping, waarbij men alleen deze moeilijkheid heeft, dat iets uit niets wordt, wat tenslotte tot de eigen voortbrengingswijze van de eerste oorzaak behoort, welke niets anders veronderstelt. Maar bij deze verandering heeft men niet alleen de moeilijkheid, dat dit gehele verandert in dat gehele, zóó dat er niets van het eerste overblijft, hetgeen niet tot de gewone voortbrengingswijze van enige oorzaak behoort, maar bovendien deze moeilijkheid, dat de bijkomstigheden blijven na het verdwijnen van de zelfstandigheid en nog vele andere, waarover wij verderop zullen handelen (77° Kw.). Desondanks staande is het woord verandering in dit Sacrament toelaatbaar en niet bij de schepping, gelijk gezegd is (in de Leerst.).
R: q. 77[t:iiia q. 77]
3e Weerlegging. Bij deze verandering zijn er meer moeilijkheden dan bij de schepping, waarbij men alleen deze moeilijkheid heeft, dat iets uit niets wordt, wat tenslotte tot de eigen voortbrengingswijze van de eerste oorzaak behoort, welke niets anders veronderstelt. Maar bij deze verandering heeft men niet alleen de moeilijkheid, dat dit gehele verandert in dat gehele, zóó dat er niets van het eerste overblijft, hetgeen niet tot de gewone voortbrengingswijze van enige oorzaak behoort, maar bovendien deze moeilijkheid, dat de bijkomstigheden blijven na het verdwijnen van de zelfstandigheid en nog vele andere, waarover wij verderop zullen handelen (77° Kw.). Desondanks staande is het woord verandering in dit Sacrament toelaatbaar en niet bij de schepping, gelijk gezegd is (in de Leerst.).
R: q. 77[t:iiia q. 77]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 75 a. 8 ad 4
4e Weerlegging. Gelijk gezegd (in de Leerst.), vindt men een vermogen alleen bij een subject, dat bij deze verandering niet gedacht kan worden. Derhalve is het onjuist, dat het brood het Lichaam van Christus kan zijn: deze verandering gebeurt immers niet krachtens het ontvangvermogen van het schepsel, maar uitsluitend door het werkvermogen van de Schepper.
4e Weerlegging. Gelijk gezegd (in de Leerst.), vindt men een vermogen alleen bij een subject, dat bij deze verandering niet gedacht kan worden. Derhalve is het onjuist, dat het brood het Lichaam van Christus kan zijn: deze verandering gebeurt immers niet krachtens het ontvangvermogen van het schepsel, maar uitsluitend door het werkvermogen van de Schepper.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 76: Over de wijze, waarop Christus in dit Sacrament tegenwoordig is
IIIa q. 76 pr.
Nu moeten wij gaan handelen over de wijze, waarop Christus in dit Sacrament tegenwoordig is. Hieromtrent stellen wij acht vragen.
1. Is de hele Christus in dit Sacrament tegenwoordig?
2. Is de hele Christus onder de beide gedaanten van dit Sacrament tegenwoordig?
3. Is de hele Christus onder elk deel van de gedaanten tegenwoordig?
4. Zijn de hele afmetingen van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig?
5. Is het Lichaam van Christus in dit Sacrament op plaatselijke wijze tegenwoordig?
6. Verandert het Lichaam van Christus van plaats bij plaatsverandering van hostie of kelk na de consecratie?
7. Kan het Lichaam van Christus in dit Sacrament door enig oog gezien worden?
8. Blijft het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig, als het zich op wonderbaarlijke wijze vertoont onder de gedaante van een kind of van vlees?
Nu moeten wij gaan handelen over de wijze, waarop Christus in dit Sacrament tegenwoordig is. Hieromtrent stellen wij acht vragen.
1. Is de hele Christus in dit Sacrament tegenwoordig?
2. Is de hele Christus onder de beide gedaanten van dit Sacrament tegenwoordig?
3. Is de hele Christus onder elk deel van de gedaanten tegenwoordig?
4. Zijn de hele afmetingen van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig?
5. Is het Lichaam van Christus in dit Sacrament op plaatselijke wijze tegenwoordig?
6. Verandert het Lichaam van Christus van plaats bij plaatsverandering van hostie of kelk na de consecratie?
7. Kan het Lichaam van Christus in dit Sacrament door enig oog gezien worden?
8. Blijft het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig, als het zich op wonderbaarlijke wijze vertoont onder de gedaante van een kind of van vlees?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is de hele Christus in dit Sacrament vervat?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 76 a. 2 co.
IIIa q. 76 a. 4 s. c.
IIIa q. 76 a. 4 co.
IIIa q. 76 a. 5 ad 1
IIIa q. 78 a. 3 arg. 1
IIIa q. 79 a. 5 co.[t:iiia q. 76 a. 2 co.][t:iiia q. 76 a. 4 s. c.][t:iiia q. 76 a. 4 co.][t:iiia q. 76 a. 5 ad 1][t:iiia q. 78 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 79 a. 5 co.]
IIIa q. 76 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat niet de hele Christus in dit Sacrament is vervat. Want Christus begint in dit Sacrament tegenwoordig te zijn door de verandering van het brood en de wijn. Nu is het duidelijk, dat het brood en de wijn niet kunnen veranderen in de Godheid van Christus en ook niet in Zijn ziel. Gezien dus dat Christus uit drie zelfstandigheden bestaat t.w. uit de Godheid, de ziel en het lichaam, gelijk boven is uiteengezet (2° Kw. 5° Art.; 5° Kw. 1° en 3° Art.), schijnt de hele Christus in dit Sacrament niet tegenwoordig te zijn.
R: q. 2 a. 5[t:iiia q. 2 a. 5] q. 5 a. 1[t:iiia q. 5 a. 1] q. 5 a. 3[t:iiia q. 5 a. 3]
IIIa q. 76 a. 2 co.
IIIa q. 76 a. 4 s. c.
IIIa q. 76 a. 4 co.
IIIa q. 76 a. 5 ad 1
IIIa q. 78 a. 3 arg. 1
IIIa q. 79 a. 5 co.[t:iiia q. 76 a. 2 co.][t:iiia q. 76 a. 4 s. c.][t:iiia q. 76 a. 4 co.][t:iiia q. 76 a. 5 ad 1][t:iiia q. 78 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 79 a. 5 co.]
IIIa q. 76 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat niet de hele Christus in dit Sacrament is vervat. Want Christus begint in dit Sacrament tegenwoordig te zijn door de verandering van het brood en de wijn. Nu is het duidelijk, dat het brood en de wijn niet kunnen veranderen in de Godheid van Christus en ook niet in Zijn ziel. Gezien dus dat Christus uit drie zelfstandigheden bestaat t.w. uit de Godheid, de ziel en het lichaam, gelijk boven is uiteengezet (2° Kw. 5° Art.; 5° Kw. 1° en 3° Art.), schijnt de hele Christus in dit Sacrament niet tegenwoordig te zijn.
R: q. 2 a. 5[t:iiia q. 2 a. 5] q. 5 a. 1[t:iiia q. 5 a. 1] q. 5 a. 3[t:iiia q. 5 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Christus is in dit Sacrament tegenwoordig om er het voedsel van de gelovigen te zijn, dat bestaat in spijs en drank, zoals boven is gezegd (74° Kw. 1° Art.). Nu zegt de Heer bij Johannes (6. 56): "Mijn Vlees is waarlijk spijs en Mijn Bloed is waarlijk drank". Dus is alleen het Vlees en het Bloed van Christus in dit Sacrament vervat. Maar er zijn nog vele andere delen van het Lichaam van Christus, zoals spieren, beenderen e.d. Dus is niet de hele Christus in dit Sacrament vervat.
B: (John 6:56, John 6:56) [b:John 6:56]
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1]
Vervolgens. Christus is in dit Sacrament tegenwoordig om er het voedsel van de gelovigen te zijn, dat bestaat in spijs en drank, zoals boven is gezegd (74° Kw. 1° Art.). Nu zegt de Heer bij Johannes (6. 56): "Mijn Vlees is waarlijk spijs en Mijn Bloed is waarlijk drank". Dus is alleen het Vlees en het Bloed van Christus in dit Sacrament vervat. Maar er zijn nog vele andere delen van het Lichaam van Christus, zoals spieren, beenderen e.d. Dus is niet de hele Christus in dit Sacrament vervat.
B: (John 6:56, John 6:56) [b:John 6:56]
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Een groter lichaam kan niet in zijn geheel vervat zijn onder de afmeting van een kleine hoeveelheid. Nu is de afmeting van het geconsacreerde brood en de geconsacreerde wijn veel geringer dan de afmeting van het Lichaam van Christus. Dus kan het niet zijn, dat de hele Christus in dit Sacrament tegenwoordig is.
Vervolgens. Een groter lichaam kan niet in zijn geheel vervat zijn onder de afmeting van een kleine hoeveelheid. Nu is de afmeting van het geconsacreerde brood en de geconsacreerde wijn veel geringer dan de afmeting van het Lichaam van Christus. Dus kan het niet zijn, dat de hele Christus in dit Sacrament tegenwoordig is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: "in dit sacrament is Christus".
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: "in dit sacrament is Christus".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 1 co.
Mijn antwoord. Volgens het katholiek geloof moet volstrekt beleden worden, dat de hele Christus in dit Sacrament tegenwoordig is. Men dient evenwel te weten, dat iets van Christus op een van de twee volgende manieren in dit Sacrament tegenwoordig is: ofwel als het ware uit de kracht van het Sacrament, ofwel uit natuurlijke verbondenheid. Uit de kracht van het Sacrament is onder de gedaanten van dit Sacrament tegenwoordig datgene, waarin onmiddellijk de voorafbestaande zelfstandigheid van het brood en de wijn veranderd wordt, zoals wordt aangegeven door de woorden van de vorm, die in dit evenals in de andere Sacramenten werkdadig zijn: dus door de woorden: "Dit is Mijn Lichaam, Dit is Mijn Bloed". Uit natuurlijke verbondenheid daarentegen is in dit Sacrament tegenwoordig datgene, wat in de werkelijkheid verbonden is met het eindpunt van voornoemde verandering. Want wanneer twee dingen in de werkelijkheid met elkaar verbonden zijn, moet het ene zijn, waar het andere is: immers dingen, die in de werkelijkheid verbonden zijn, worden slechts door een werking van de geest gescheiden.
Mijn antwoord. Volgens het katholiek geloof moet volstrekt beleden worden, dat de hele Christus in dit Sacrament tegenwoordig is. Men dient evenwel te weten, dat iets van Christus op een van de twee volgende manieren in dit Sacrament tegenwoordig is: ofwel als het ware uit de kracht van het Sacrament, ofwel uit natuurlijke verbondenheid. Uit de kracht van het Sacrament is onder de gedaanten van dit Sacrament tegenwoordig datgene, waarin onmiddellijk de voorafbestaande zelfstandigheid van het brood en de wijn veranderd wordt, zoals wordt aangegeven door de woorden van de vorm, die in dit evenals in de andere Sacramenten werkdadig zijn: dus door de woorden: "Dit is Mijn Lichaam, Dit is Mijn Bloed". Uit natuurlijke verbondenheid daarentegen is in dit Sacrament tegenwoordig datgene, wat in de werkelijkheid verbonden is met het eindpunt van voornoemde verandering. Want wanneer twee dingen in de werkelijkheid met elkaar verbonden zijn, moet het ene zijn, waar het andere is: immers dingen, die in de werkelijkheid verbonden zijn, worden slechts door een werking van de geest gescheiden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Omdat de verandering van het brood en de wijn haar eindpunt niet heeft in de Godheid of in de Ziel van Christus, is bijgevolg de Godheid en de Ziel in dit Sacrament niet tegenwoordig uit de kracht van het Sacrament, maar uit verbondenheid in de werkelijkheid. Daar immers de Godheid het aangenomen Lichaam nooit heeft afgelegd, moet de Godheid overal zijn, waar het Lichaam is. En daarom moet in dit Sacrament de Godheid van Christus tegenwoordig zijn als verbonden met het Lichaam. Daarom leest men ook in de Geloofsbelijdenis van Ephese: "Wij worden deelachtig aan het Lichaam en Bloed van Christus, terwijl wij het ontvangen niet als gewoon vlees, noch als het vee van een man, die geheiligd is en met het Woord is verbonden volgens eenheid voor waardigheid, maar als waarlijk levendmakend en het eigen geworden Vlees van het Woord Zelf". De Ziel echter is eens in werkelijkheid gescheiden geweest van het Lichaam, zoals boven is gezegd (50° Kw. 5° Art.). Indien derhalve in die drie dagen van dood zijn dit Sacrament zou zijn gevierd, dan was de Ziel niet erin tegenwoordig geweest, noch uit kracht van het Sacrament noch uit verbondenheid in de werkelijkheid. Doch daar "Christus verrijzend uit de doden niet meer sterft", zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (6. 9), is Zijn Ziel voortaan altijd in de werkelijkheid met het Lichaam verbonden. En dus is in dit Sacrament het Lichaam van Christus tegenwoordig uit de kracht van het Sacrament, maar de Ziel uit verbondenheid in de werkelijkheid.
R: q. 50 a. 5[t:iiia q. 50 a. 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 74 a. 4 co.
IIIa q. 76 a. 2 arg. 2
IIIa q. 76 a. 2 co.
IIIa q. 81 a. 4 ad 3[t:iiia q. 74 a. 4 co.][t:iiia q. 76 a. 2 arg. 2][t:iiia q. 76 a. 2 co.][t:iiia q. 81 a. 4 ad 3]
1e Weerlegging. Omdat de verandering van het brood en de wijn haar eindpunt niet heeft in de Godheid of in de Ziel van Christus, is bijgevolg de Godheid en de Ziel in dit Sacrament niet tegenwoordig uit de kracht van het Sacrament, maar uit verbondenheid in de werkelijkheid. Daar immers de Godheid het aangenomen Lichaam nooit heeft afgelegd, moet de Godheid overal zijn, waar het Lichaam is. En daarom moet in dit Sacrament de Godheid van Christus tegenwoordig zijn als verbonden met het Lichaam. Daarom leest men ook in de Geloofsbelijdenis van Ephese: "Wij worden deelachtig aan het Lichaam en Bloed van Christus, terwijl wij het ontvangen niet als gewoon vlees, noch als het vee van een man, die geheiligd is en met het Woord is verbonden volgens eenheid voor waardigheid, maar als waarlijk levendmakend en het eigen geworden Vlees van het Woord Zelf". De Ziel echter is eens in werkelijkheid gescheiden geweest van het Lichaam, zoals boven is gezegd (50° Kw. 5° Art.). Indien derhalve in die drie dagen van dood zijn dit Sacrament zou zijn gevierd, dan was de Ziel niet erin tegenwoordig geweest, noch uit kracht van het Sacrament noch uit verbondenheid in de werkelijkheid. Doch daar "Christus verrijzend uit de doden niet meer sterft", zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (6. 9), is Zijn Ziel voortaan altijd in de werkelijkheid met het Lichaam verbonden. En dus is in dit Sacrament het Lichaam van Christus tegenwoordig uit de kracht van het Sacrament, maar de Ziel uit verbondenheid in de werkelijkheid.
R: q. 50 a. 5[t:iiia q. 50 a. 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 74 a. 4 co.
IIIa q. 76 a. 2 arg. 2
IIIa q. 76 a. 2 co.
IIIa q. 81 a. 4 ad 3[t:iiia q. 74 a. 4 co.][t:iiia q. 76 a. 2 arg. 2][t:iiia q. 76 a. 2 co.][t:iiia q. 81 a. 4 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 4
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Wat de gedaante van brood betreft, is in dit Sacrament uit de kracht van het Sacrament niet alleen het Vlees maar heel het Lichaam van Christus vervat d.i. de beenderen en de spieren e.d. Dit blijkt uit de vorm van het Sacrament, waarin niet gezegd wordt: "Dit is Mijn Vlees", maar: "Dit is Mijn Lichaam". Wanneer dus de Heer zegt: "Mijn Vlees is waarlijk spijs" (Joan. 6, 56), staat er Vlees in plaats van het hele Lichaam, omdat vlees volgens de gewoonte van de mensen méér voor voedsel geschikt lijkt: de mensen immers eten gewoonlijk het vlees der dieren, niet de beenderen e.d.
B: (Rom 6:9) [b:Rom 6:9]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 78 a. 2 co.[t:iiia q. 78 a. 2 co.]
2e Weerlegging. Wat de gedaante van brood betreft, is in dit Sacrament uit de kracht van het Sacrament niet alleen het Vlees maar heel het Lichaam van Christus vervat d.i. de beenderen en de spieren e.d. Dit blijkt uit de vorm van het Sacrament, waarin niet gezegd wordt: "Dit is Mijn Vlees", maar: "Dit is Mijn Lichaam". Wanneer dus de Heer zegt: "Mijn Vlees is waarlijk spijs" (Joan. 6, 56), staat er Vlees in plaats van het hele Lichaam, omdat vlees volgens de gewoonte van de mensen méér voor voedsel geschikt lijkt: de mensen immers eten gewoonlijk het vlees der dieren, niet de beenderen e.d.
B: (Rom 6:9) [b:Rom 6:9]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 78 a. 2 co.[t:iiia q. 78 a. 2 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Zoals gezegd is (75° Kw. 5° Art.), blijven na de verandering van het brood in het Lichaam van Christus en van de wijn in het Bloed de bijkomstigheden van beide over. Dus is het duidelijk, dat de afmetingen van het brood en de wijn niet veranderen in de afmetingen van het Lichaam van Christus, maar de zelfstandigheid in de zelfstandigheid. En daarom is de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus of van het Bloed in dit Sacrament tegenwoordig uit de kracht van het Sacrament, maar niet de afmetingen van het Lichaam of het Bloed van Christus. Hieruit blijkt dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is op de wijze van een zelfstandigheid en niet op de wijze van een hoogte. Nu wordt de eigen heelheid van een zelfstandigheid vervat in, om het even, een grote of kleine hoogte: zoals de hele natuur van lucht in veel of weinig lucht en de hele mensennatuur in een grote of kleine mens. Daarom is ook de hele zelfstandigheid van het Lichaam van Christus en van het Bloed na de consecratie in dit Sacrament vervat, gelijk er vóór de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn vervat werd.
B: (John 6:56, John 6:56) [b:John 6:56]
R: q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 76 a. 3 co.
IIIa q. 76 a. 3 ad 2
IIIa q. 76 a. 5 co.
IIIa q. 76 a. 7 co.[t:iiia q. 76 a. 3 co.][t:iiia q. 76 a. 3 ad 2][t:iiia q. 76 a. 5 co.][t:iiia q. 76 a. 7 co.]
3e Weerlegging. Zoals gezegd is (75° Kw. 5° Art.), blijven na de verandering van het brood in het Lichaam van Christus en van de wijn in het Bloed de bijkomstigheden van beide over. Dus is het duidelijk, dat de afmetingen van het brood en de wijn niet veranderen in de afmetingen van het Lichaam van Christus, maar de zelfstandigheid in de zelfstandigheid. En daarom is de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus of van het Bloed in dit Sacrament tegenwoordig uit de kracht van het Sacrament, maar niet de afmetingen van het Lichaam of het Bloed van Christus. Hieruit blijkt dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is op de wijze van een zelfstandigheid en niet op de wijze van een hoogte. Nu wordt de eigen heelheid van een zelfstandigheid vervat in, om het even, een grote of kleine hoogte: zoals de hele natuur van lucht in veel of weinig lucht en de hele mensennatuur in een grote of kleine mens. Daarom is ook de hele zelfstandigheid van het Lichaam van Christus en van het Bloed na de consecratie in dit Sacrament vervat, gelijk er vóór de consecratie de zelfstandigheid van het brood en de wijn vervat werd.
B: (John 6:56, John 6:56) [b:John 6:56]
R: q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 76 a. 3 co.
IIIa q. 76 a. 3 ad 2
IIIa q. 76 a. 5 co.
IIIa q. 76 a. 7 co.[t:iiia q. 76 a. 3 co.][t:iiia q. 76 a. 3 ad 2][t:iiia q. 76 a. 5 co.][t:iiia q. 76 a. 7 co.]
Referenties naar deze alinea: 2
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is de hele Christus onder beide gedaanten van dit Sacrament?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 76 a. 4 arg. 3
IIIa q. 78 a. 3 arg. 1
IIIa q. 78 a. 6 ad 1
IIIa q. 79 a. 1 ad 3
IIIa q. 79 a. 5 co.
IIIa q. 80 a. 12 ad 3
IIIa q. 81 a. 4 ad 2[t:iiia q. 76 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 78 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 78 a. 6 ad 1][t:iiia q. 79 a. 1 ad 3][t:iiia q. 79 a. 5 co.][t:iiia q. 80 a. 12 ad 3][t:iiia q. 81 a. 4 ad 2]
IIIa q. 76 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de hele Christus niet vervat is onder beide gedaanten van dit Sacrament. Dit Sacrament is immers op het heil van de gelovigen gericht, niet door de kracht van de gedaanten maar door de kracht van wat onder de gedaanten is vervat: de gedaanten waren toch al vóór de consecratie, vanwaar de kracht van dit Sacrament afkomstig is. Indien er dus niets vervat is onder de ene gedaante, wat niet onder de andere vervat is en de hele Christus onder beide is, schijnt een van beide gedaanten in dit Sacrament overbodig te zijn.
IIIa q. 76 a. 4 arg. 3
IIIa q. 78 a. 3 arg. 1
IIIa q. 78 a. 6 ad 1
IIIa q. 79 a. 1 ad 3
IIIa q. 79 a. 5 co.
IIIa q. 80 a. 12 ad 3
IIIa q. 81 a. 4 ad 2[t:iiia q. 76 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 78 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 78 a. 6 ad 1][t:iiia q. 79 a. 1 ad 3][t:iiia q. 79 a. 5 co.][t:iiia q. 80 a. 12 ad 3][t:iiia q. 81 a. 4 ad 2]
IIIa q. 76 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de hele Christus niet vervat is onder beide gedaanten van dit Sacrament. Dit Sacrament is immers op het heil van de gelovigen gericht, niet door de kracht van de gedaanten maar door de kracht van wat onder de gedaanten is vervat: de gedaanten waren toch al vóór de consecratie, vanwaar de kracht van dit Sacrament afkomstig is. Indien er dus niets vervat is onder de ene gedaante, wat niet onder de andere vervat is en de hele Christus onder beide is, schijnt een van beide gedaanten in dit Sacrament overbodig te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Er is gezegd (1° Art. 1° Antw.), dat onder de naam Vlees alle andere delen van het Lichaam zijn vervat zoals beenderen, spieren e. d. Nu is het bloed een van de delen van het menselijk lichaam, zoals blijkt bij Aristoteles. Als dus het Bloed van Christus vervat is onder de gedaante van brood, evenals de andere delen eronder zijn vervat, moest het Bloed niet afzonderlijk geconsacreerd worden, evenmin als ieder ander deel van het Lichaam afzonderlijk wordt geconsacreerd.
R: q. 76 a. 1 ad 1[t:iiia q. 76 a. 1 ad 1]
Vervolgens. Er is gezegd (1° Art. 1° Antw.), dat onder de naam Vlees alle andere delen van het Lichaam zijn vervat zoals beenderen, spieren e. d. Nu is het bloed een van de delen van het menselijk lichaam, zoals blijkt bij Aristoteles. Als dus het Bloed van Christus vervat is onder de gedaante van brood, evenals de andere delen eronder zijn vervat, moest het Bloed niet afzonderlijk geconsacreerd worden, evenmin als ieder ander deel van het Lichaam afzonderlijk wordt geconsacreerd.
R: q. 76 a. 1 ad 1[t:iiia q. 76 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Wat reeds gebeurd is, kan niet opnieuw gebeuren. Nu is het Lichaam van Christus reeds begonnen in dit Sacrament tegenwoordig te zijn door de consecratie van het brood. Dus kan het niet opnieuw beginnen tegenwoordig te zijn door de consecratie van de wijn. Derhalve zal onder de gedaante van wijn niet het Lichaam van Christus vervat zijn en bijgevolg niet de hele Christus. Dus is niet onder beide gedaanten de hele Christus vervat.
Vervolgens. Wat reeds gebeurd is, kan niet opnieuw gebeuren. Nu is het Lichaam van Christus reeds begonnen in dit Sacrament tegenwoordig te zijn door de consecratie van het brood. Dus kan het niet opnieuw beginnen tegenwoordig te zijn door de consecratie van de wijn. Derhalve zal onder de gedaante van wijn niet het Lichaam van Christus vervat zijn en bijgevolg niet de hele Christus. Dus is niet onder beide gedaanten de hele Christus vervat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij het woord *kelk* in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 25) de Glossa zegt, dat "onder beide gedaanten" d. i. van brood en van wijn "hetzelfde genutigd wordt". En dus schijnt onder beide gedaanten de hele Christus tegenwoordig te zijn.
B: (1Cor 11:25) [b:1Cor 11:25]
Daartegenover staat echter, dat bij het woord *kelk* in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 25) de Glossa zegt, dat "onder beide gedaanten" d. i. van brood en van wijn "hetzelfde genutigd wordt". En dus schijnt onder beide gedaanten de hele Christus tegenwoordig te zijn.
B: (1Cor 11:25) [b:1Cor 11:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 2 co.
Mijn antwoord. Overeenkomstig het boven gezegde (1e Art.) dient allerzekerst gehouden te worden, dat onder beide gedaanten van het Sacrament de hele Christus tegenwoordig is, maar niet op gelijke wijze. Want onder de gedaante van brood is het Lichaam van Christus uit de kracht van het Sacrament, het Bloed echter uit verbondenheid in de werkelijkheid, zoals boven (1e Art. 1e Antw.) gezegd is van de Ziel en de Godheid: thans is immers het Bloed van Christus niet gescheiden van Zijn Lichaam, zoals dit het geval is geweest ten tijde van het lijden en de dood. Indien daarom toen dit Sacrament zou zijn gevierd, zou onder de gedaante van brood het Lichaam van Christus zonder het Bloed zijn geweest en onder de gedaante van wijn het Bloed zonder het Lichaam: zoals het was in de werkelijkheid.
R: q. 76 a. 1[t:iiia q. 76 a. 1] q. 76 a. 1 ad 1[t:iiia q. 76 a. 1 ad 1]
Mijn antwoord. Overeenkomstig het boven gezegde (1e Art.) dient allerzekerst gehouden te worden, dat onder beide gedaanten van het Sacrament de hele Christus tegenwoordig is, maar niet op gelijke wijze. Want onder de gedaante van brood is het Lichaam van Christus uit de kracht van het Sacrament, het Bloed echter uit verbondenheid in de werkelijkheid, zoals boven (1e Art. 1e Antw.) gezegd is van de Ziel en de Godheid: thans is immers het Bloed van Christus niet gescheiden van Zijn Lichaam, zoals dit het geval is geweest ten tijde van het lijden en de dood. Indien daarom toen dit Sacrament zou zijn gevierd, zou onder de gedaante van brood het Lichaam van Christus zonder het Bloed zijn geweest en onder de gedaante van wijn het Bloed zonder het Lichaam: zoals het was in de werkelijkheid.
R: q. 76 a. 1[t:iiia q. 76 a. 1] q. 76 a. 1 ad 1[t:iiia q. 76 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Hoewel de hele Christus onder beide gedaanten tegenwoordig is, heeft dit toch zijn reden. Want vooreerst is dit dienstig tot afbeelding van het lijden, waarbij het Bloed gescheiden was van het Lichaam. Vandaar dat in de vorm van de consecratie van het Bloed, melding wordt gemaakt van het vergieten van dat Bloed. Ten tweede is dit nuttig voor het gebruik van dit Sacrament: dat namelijk aan de gelovigen afzonderlijk het Lichaam van Christus tot spijs en het Bloed tot drank wordt gegeven. Ten derde met betrekking tot het uitwerksel: naar wat boven (74° Kw. 1° Art.) gezegd is, dat "het Lichaam wordt gegeven tot heil van het lichaam, het Bloed tot heil van de ziel".
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 79 a. 1 co.
IIIa q. 80 a. 12 arg. 2
IIIa q. 83 a. 1 co.[t:iiia q. 79 a. 1 co.][t:iiia q. 80 a. 12 arg. 2][t:iiia q. 83 a. 1 co.]
1e Weerlegging. Hoewel de hele Christus onder beide gedaanten tegenwoordig is, heeft dit toch zijn reden. Want vooreerst is dit dienstig tot afbeelding van het lijden, waarbij het Bloed gescheiden was van het Lichaam. Vandaar dat in de vorm van de consecratie van het Bloed, melding wordt gemaakt van het vergieten van dat Bloed. Ten tweede is dit nuttig voor het gebruik van dit Sacrament: dat namelijk aan de gelovigen afzonderlijk het Lichaam van Christus tot spijs en het Bloed tot drank wordt gegeven. Ten derde met betrekking tot het uitwerksel: naar wat boven (74° Kw. 1° Art.) gezegd is, dat "het Lichaam wordt gegeven tot heil van het lichaam, het Bloed tot heil van de ziel".
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 79 a. 1 co.
IIIa q. 80 a. 12 arg. 2
IIIa q. 83 a. 1 co.[t:iiia q. 79 a. 1 co.][t:iiia q. 80 a. 12 arg. 2][t:iiia q. 83 a. 1 co.]
Referenties naar deze alinea: 2
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Bij het lijden van Christus, waarvan dit Sacrament de herinnering is, zijn de andere delen van het Lichaam niet van elkaar gescheiden zoals het Bloed, maar bleef het Lichaam in zijn geheel: zoals men leest in het Boek van de Uittocht (12. 46): "Gij zult geen been ervan verbrijzelen". Daarom wordt in dit Sacrament het Bloed en het Lichaam afzonderlijk geconsacreerd, maar gebeurt dat niet met de andere delen onderling.
B: (Exod 12:46) [b:Exod 12:46]
2e Weerlegging. Bij het lijden van Christus, waarvan dit Sacrament de herinnering is, zijn de andere delen van het Lichaam niet van elkaar gescheiden zoals het Bloed, maar bleef het Lichaam in zijn geheel: zoals men leest in het Boek van de Uittocht (12. 46): "Gij zult geen been ervan verbrijzelen". Daarom wordt in dit Sacrament het Bloed en het Lichaam afzonderlijk geconsacreerd, maar gebeurt dat niet met de andere delen onderling.
B: (Exod 12:46) [b:Exod 12:46]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals gezegd is (in de Leerst.), is het Lichaam van Christus onder de gedaante van wijn niet uit kracht van het Sacrament maar uit verbondenheid in de werkelijkheid. Daarom komt door de consecratie van de wijn het Lichaam er niet op zich maar door verbondenheid.
3e Weerlegging. Zoals gezegd is (in de Leerst.), is het Lichaam van Christus onder de gedaante van wijn niet uit kracht van het Sacrament maar uit verbondenheid in de werkelijkheid. Daarom komt door de consecratie van de wijn het Lichaam er niet op zich maar door verbondenheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is de hele Christus tegenwoordig onder elk deel van de gedaanten van brood en wijn?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 76 a. 4 arg. 1
IIIa q. 76 a. 4 s. c.
IIIa q. 76 a. 5 co.
IIIa q. 76 a. 7 co.
IIIa q. 77 a. 7 co.
IIIa q. 78 a. 3 arg. 1[t:iiia q. 76 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 76 a. 4 s. c.][t:iiia q. 76 a. 5 co.][t:iiia q. 76 a. 7 co.][t:iiia q. 77 a. 7 co.][t:iiia q. 78 a. 3 arg. 1]
IIIa q. 76 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de hele Christus niet tegenwoordig is onder elk deel van de gedaanten van brood en wijn. Deze gedaanten kunnen immers tot in het oneindige worden verdeeld. Indien dus de hele Christus onder elk deel van de genoemde gedaanten tegenwoordig was, zou volgen, dat Hij oneindig maal in dit sacrament tegenwoordig was. Dit is onmogelijk: het oneindige toch strijdt niet alleen met de natuur, maar ook met de genade.
IIIa q. 76 a. 4 arg. 1
IIIa q. 76 a. 4 s. c.
IIIa q. 76 a. 5 co.
IIIa q. 76 a. 7 co.
IIIa q. 77 a. 7 co.
IIIa q. 78 a. 3 arg. 1[t:iiia q. 76 a. 4 arg. 1][t:iiia q. 76 a. 4 s. c.][t:iiia q. 76 a. 5 co.][t:iiia q. 76 a. 7 co.][t:iiia q. 77 a. 7 co.][t:iiia q. 78 a. 3 arg. 1]
IIIa q. 76 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de hele Christus niet tegenwoordig is onder elk deel van de gedaanten van brood en wijn. Deze gedaanten kunnen immers tot in het oneindige worden verdeeld. Indien dus de hele Christus onder elk deel van de genoemde gedaanten tegenwoordig was, zou volgen, dat Hij oneindig maal in dit sacrament tegenwoordig was. Dit is onmogelijk: het oneindige toch strijdt niet alleen met de natuur, maar ook met de genade.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Daar het Lichaam van Christus organisch is, heeft het delen op bepaalde afstand van elkaar: tot het wezen immers van een organisch lichaam hoort een bepaalde onderlinge afstand van de afzonderlijke delen zoals tussen oog en oog en tussen oog en oor. Maar dit zou onmogelijk zijn, indien onder elk deel van de gedaanten de hele Christus tegenwoordig was: want dan moest elk deel zijn onder elk deel; en op die manier zou het ene deel zijn, waar het andere was. Dus kan de hele Christus niet tegenwoordig zijn onder elk deel van de hostie of van de in de kelk vervatte wijn.
Vervolgens. Daar het Lichaam van Christus organisch is, heeft het delen op bepaalde afstand van elkaar: tot het wezen immers van een organisch lichaam hoort een bepaalde onderlinge afstand van de afzonderlijke delen zoals tussen oog en oog en tussen oog en oor. Maar dit zou onmogelijk zijn, indien onder elk deel van de gedaanten de hele Christus tegenwoordig was: want dan moest elk deel zijn onder elk deel; en op die manier zou het ene deel zijn, waar het andere was. Dus kan de hele Christus niet tegenwoordig zijn onder elk deel van de hostie of van de in de kelk vervatte wijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Het Lichaam van Christus behoudt altijd de waarachtige natuur van een lichaam en verandert nooit in een geest. Nu behoort het tot het wezen van een lichaam, dat het is "een hoegrootheid met bepaalde ligging", zoals blijkt in de Praedica menta. Maar tot het wezen van deze hoegrootheid behoort het, dat de verschillende delen zich bevinden in verschillende delen van de plaats. Dus schijnt het onmogelijk te zijn, dat de hele Christus tegenwoordig is onder elk deel van de gedaanten.
Vervolgens. Het Lichaam van Christus behoudt altijd de waarachtige natuur van een lichaam en verandert nooit in een geest. Nu behoort het tot het wezen van een lichaam, dat het is "een hoegrootheid met bepaalde ligging", zoals blijkt in de Praedica menta. Maar tot het wezen van deze hoegrootheid behoort het, dat de verschillende delen zich bevinden in verschillende delen van de plaats. Dus schijnt het onmogelijk te zijn, dat de hele Christus tegenwoordig is onder elk deel van de gedaanten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "Allen afzonderlijk ontvangen de Heer Christus: en in de afzonderlijke gedeelten is Hij geheel, Hij wordt niet minder in de afzonderlijke gedeelten, maar geeft Zich er geheel".
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "Allen afzonderlijk ontvangen de Heer Christus: en in de afzonderlijke gedeelten is Hij geheel, Hij wordt niet minder in de afzonderlijke gedeelten, maar geeft Zich er geheel".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 3 co.
Mijn antwoord. Uit het boven gezegde (1e Art. 3e Antw.) blijkt dat, omdat in dit Sacrament de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus tegenwoordig is uit kracht van het Sacrament, de meetbare hoegrootheid echter uit kracht van verbondenheid in de werkelijkheid, het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is op de wijze van een zelfstandigheid d. i. op de wijze, waarop een zelfstandigheid onder de afmetingen is: niet echter op de wijze van afmetingen, d. i. niet op die wijze, waarop de meetbare hoogte van een lichaam onder de meetbare hoogte van een plaats is. Nu is het duidelijk, dat de hele natuur van een zelfstandigheid tegenwoordig is onder elk deel van de afmetingen: zoals onder elk deel van lucht de hele natuur van lucht en onder elk deel van brood de hele natuur van brood is. En dit onverschillig of de afmetingen metterdaad zijn verdeeld, zoals wanneer lucht wordt verdeeld of brood wordt gesneden, of metterdaad onverdeeld, in vermogen echter verdeelbaar zijn. En dus is het duidelijk, dat de hele Christus tegenwoordig is onder elk deel van de gedaante van brood, ook wanneer de hostie heel blijft — niet alleen wanneer zij gebroken wordt, zoals sommigen zeggen onder aanvoering van het voorbeeld van het in de spiegel verschijnende beeld, dat éénig verschijnt in de spiegel, als deze heel is, maar dat bij breking van de spiegel zo vaak verschijnt als er delen zijn. Die vergelijking gaat niet helemaal op. Want de vermenigvuldiging van dergelijke beelden heeft in de gebroken spiegel plaats tengevolge van de verschillende weerkaatsingen op de verschillende delen van de spiegel: maar hier is er slechts één consecratie als oorzaak van de tegenwoordigheid van het Lichaam van Christus in het Sacrament.
R: q. 76 a. 1 ad 3[t:iiia q. 76 a. 1 ad 3]
Mijn antwoord. Uit het boven gezegde (1e Art. 3e Antw.) blijkt dat, omdat in dit Sacrament de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus tegenwoordig is uit kracht van het Sacrament, de meetbare hoegrootheid echter uit kracht van verbondenheid in de werkelijkheid, het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is op de wijze van een zelfstandigheid d. i. op de wijze, waarop een zelfstandigheid onder de afmetingen is: niet echter op de wijze van afmetingen, d. i. niet op die wijze, waarop de meetbare hoogte van een lichaam onder de meetbare hoogte van een plaats is. Nu is het duidelijk, dat de hele natuur van een zelfstandigheid tegenwoordig is onder elk deel van de afmetingen: zoals onder elk deel van lucht de hele natuur van lucht en onder elk deel van brood de hele natuur van brood is. En dit onverschillig of de afmetingen metterdaad zijn verdeeld, zoals wanneer lucht wordt verdeeld of brood wordt gesneden, of metterdaad onverdeeld, in vermogen echter verdeelbaar zijn. En dus is het duidelijk, dat de hele Christus tegenwoordig is onder elk deel van de gedaante van brood, ook wanneer de hostie heel blijft — niet alleen wanneer zij gebroken wordt, zoals sommigen zeggen onder aanvoering van het voorbeeld van het in de spiegel verschijnende beeld, dat éénig verschijnt in de spiegel, als deze heel is, maar dat bij breking van de spiegel zo vaak verschijnt als er delen zijn. Die vergelijking gaat niet helemaal op. Want de vermenigvuldiging van dergelijke beelden heeft in de gebroken spiegel plaats tengevolge van de verschillende weerkaatsingen op de verschillende delen van de spiegel: maar hier is er slechts één consecratie als oorzaak van de tegenwoordigheid van het Lichaam van Christus in het Sacrament.
R: q. 76 a. 1 ad 3[t:iiia q. 76 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het getal volgt de verdeling. Zolang derhalve de hoogtehoed metterdaad onverdeeld blijft, is de zelfstandigheid van een zaak niet meerdere malen onder de eigen afmetingen noch het Lichaam van Christus onder de afmetingen van het brood. En bijgevolg ook niet oneindig maal, maar zoveel maal, als er delen worden gemaakt.
1e Weerlegging. Het getal volgt de verdeling. Zolang derhalve de hoogtehoed metterdaad onverdeeld blijft, is de zelfstandigheid van een zaak niet meerdere malen onder de eigen afmetingen noch het Lichaam van Christus onder de afmetingen van het brood. En bijgevolg ook niet oneindig maal, maar zoveel maal, als er delen worden gemaakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Die bepaalde afstand van de delen in een organisch lichaam berust op zijn meetbare hoogte: de natuur zelf van de zelfstandigheid gaat echter nog aan de meetbare hoogte vooral. En omdat nu de verandering van de zelfstandigheid van het brood haar onmiddellijke eindpunt vindt in de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, op wier wijze het Lichaam van Christus eigenlijk en onmiddellijk in dit Sacrament tegenwoordig is, daarom is genoemde afstand van de delen wel in het waarachtig Lichaam van Christus op zich, maar verhoudt dit zich niet tot dit Sacrament volgens die afstand maar volgens de wijze van zijn zelfstandigheid, gelijk gezegd is (in de Leerst. en 1e Art. en 3e Antw.).
R: q. 76 a. 1 ad 3[t:iiia q. 76 a. 1 ad 3]
2e Weerlegging. Die bepaalde afstand van de delen in een organisch lichaam berust op zijn meetbare hoogte: de natuur zelf van de zelfstandigheid gaat echter nog aan de meetbare hoogte vooral. En omdat nu de verandering van de zelfstandigheid van het brood haar onmiddellijke eindpunt vindt in de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, op wier wijze het Lichaam van Christus eigenlijk en onmiddellijk in dit Sacrament tegenwoordig is, daarom is genoemde afstand van de delen wel in het waarachtig Lichaam van Christus op zich, maar verhoudt dit zich niet tot dit Sacrament volgens die afstand maar volgens de wijze van zijn zelfstandigheid, gelijk gezegd is (in de Leerst. en 1e Art. en 3e Antw.).
R: q. 76 a. 1 ad 3[t:iiia q. 76 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Die redenering gaat uit van de natuur, welke een lichaam heeft volgens zijn meetbare hoogte. Maar er is gezegd (in de Leerst. en 2e Antw.), dat het Lichaam van Christus zich niet tot dit Sacrament verhoudt volgens zijn meetbare hoogte maar volgens zijn zelfstandigheid, zoals gezegd is (t.a.p.).
3e Weerlegging. Die redenering gaat uit van de natuur, welke een lichaam heeft volgens zijn meetbare hoogte. Maar er is gezegd (in de Leerst. en 2e Antw.), dat het Lichaam van Christus zich niet tot dit Sacrament verhoudt volgens zijn meetbare hoogte maar volgens zijn zelfstandigheid, zoals gezegd is (t.a.p.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Is de hele meetbare hoegrootheid van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 76 a. 5 arg. 3
IIIa q. 76 a. 5 ad 3
IIIa q. 81 a. 3 ad 3[t:iiia q. 76 a. 5 arg. 3][t:iiia q. 76 a. 5 ad 3][t:iiia q. 81 a. 3 ad 3]
IIIa q. 76 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de hele meetbare hoogte van het Lichaam van Christus niet in dit Sacrament tegenwoordig is. Er is immers gezegd (3e Art.), dat het hele Lichaam van Christus vervat is onder elk deel van de geconsacreerde hostie. Nu is geen enkele meetbare hoogte in haar geheel vervat in een of ander geheel en in elk deel ervan. Dus is het onmogelijk, dat de hele meetbare hoogte van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is.
R: q. 76 a. 3[t:iiia q. 76 a. 3]
IIIa q. 76 a. 5 arg. 3
IIIa q. 76 a. 5 ad 3
IIIa q. 81 a. 3 ad 3[t:iiia q. 76 a. 5 arg. 3][t:iiia q. 76 a. 5 ad 3][t:iiia q. 81 a. 3 ad 3]
IIIa q. 76 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de hele meetbare hoogte van het Lichaam van Christus niet in dit Sacrament tegenwoordig is. Er is immers gezegd (3e Art.), dat het hele Lichaam van Christus vervat is onder elk deel van de geconsacreerde hostie. Nu is geen enkele meetbare hoogte in haar geheel vervat in een of ander geheel en in elk deel ervan. Dus is het onmogelijk, dat de hele meetbare hoogte van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is.
R: q. 76 a. 3[t:iiia q. 76 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Twee meetbare hoogheden kunnen onmogelijk samen zijn, óók niet als de ene afzonderlijk bestaat en de andere in een natuurlijk lichaam is, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Nu blijft in dit Sacrament de meetbare hoogte van het brood, zoals zintuigelijk vaststaat. Dus is er niet de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus.
Vervolgens. Twee meetbare hoogheden kunnen onmogelijk samen zijn, óók niet als de ene afzonderlijk bestaat en de andere in een natuurlijk lichaam is, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Nu blijft in dit Sacrament de meetbare hoogte van het brood, zoals zintuigelijk vaststaat. Dus is er niet de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Wanneer twee ongelijke meetbare hoegrootheden naast elkaar geplaatst worden, steekt de grotere buiten de kleinere uit. Nu is de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus veel groter dan de meetbare hoogte van de geconsacreerde hostie, volgens elke afmeting. Indien dus in dit Sacrament de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus tezamen is met de andere meetbare hoogte van de hostie, zal de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus uitsteken buiten de hoogte van de hostie. Maar zij is niet zonder de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. Dus zal de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus in dit Sacrament buiten de gedaante van het brood zijn. Dit is echter onaannemelijk, want de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus is in dit Sacrament alleen maar door de consecratie van het brood, gelijk gezegd is (2° Art.). Dus kan onmogelijk de hele hoogte van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig zijn.
R: q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2]
Vervolgens. Wanneer twee ongelijke meetbare hoegrootheden naast elkaar geplaatst worden, steekt de grotere buiten de kleinere uit. Nu is de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus veel groter dan de meetbare hoogte van de geconsacreerde hostie, volgens elke afmeting. Indien dus in dit Sacrament de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus tezamen is met de andere meetbare hoogte van de hostie, zal de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus uitsteken buiten de hoogte van de hostie. Maar zij is niet zonder de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. Dus zal de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus in dit Sacrament buiten de gedaante van het brood zijn. Dit is echter onaannemelijk, want de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus is in dit Sacrament alleen maar door de consecratie van het brood, gelijk gezegd is (2° Art.). Dus kan onmogelijk de hele hoogte van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig zijn.
R: q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de meetbare hoogte van een lichaam naar het zijn niet gescheiden wordt van zijn zelfstandigheid. Nu is in dat Sacrament de hele zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, zoals boven is aangetoond (1° en 3° Art.). Dus is in dit Sacrament de hele meetbare hoogte van het Lichaam van Christus.
R: q. 76 a. 1[t:iiia q. 76 a. 1] q. 76 a. 3[t:iiia q. 76 a. 3]
Daartegenover staat echter, dat de meetbare hoogte van een lichaam naar het zijn niet gescheiden wordt van zijn zelfstandigheid. Nu is in dat Sacrament de hele zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, zoals boven is aangetoond (1° en 3° Art.). Dus is in dit Sacrament de hele meetbare hoogte van het Lichaam van Christus.
R: q. 76 a. 1[t:iiia q. 76 a. 1] q. 76 a. 3[t:iiia q. 76 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (1° Art.), is iets van Christus in dit Sacrament op een van de volgende twee manieren tegenwoordig: ofwel uit de kracht van het Sacrament ofwel uit natuurlijke verbondenheid. De meetbare hoogte van het Lichaam van Christus is niet in dit Sacrament tegenwoordig uit de kracht van het Sacrament. Uit de kracht immers van het Sacrament is in dit Sacrament tegenwoordig datgene, waarin de verandering haar onmiddellijke eindpunt heeft. De verandering nu, die in dit Sacrament plaats vindt, heeft haar onmiddellijke eindpunt in de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, niet in de afmetingen ervan. Hetgeen blijkt uit het feit, dat na de de consecratie de meetbare hoogte blijft, terwijl alleen de zelfstandigheid van het brood verdwijnt. — Daar evenwel de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus niet ontdaan wordt van de meetbare hoogte en van de andere bijkomstigheden, daarom zijn in dit Sacrament uit kracht van verbondenheid in de werkelijkheid de hele meetbare hoogte van het Lichaam van Christus en al de andere bijkomstigheden ervan tegenwoordig.
R: q. 76 a. 1[t:iiia q. 76 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven is gezegd (1° Art.), is iets van Christus in dit Sacrament op een van de volgende twee manieren tegenwoordig: ofwel uit de kracht van het Sacrament ofwel uit natuurlijke verbondenheid. De meetbare hoogte van het Lichaam van Christus is niet in dit Sacrament tegenwoordig uit de kracht van het Sacrament. Uit de kracht immers van het Sacrament is in dit Sacrament tegenwoordig datgene, waarin de verandering haar onmiddellijke eindpunt heeft. De verandering nu, die in dit Sacrament plaats vindt, heeft haar onmiddellijke eindpunt in de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, niet in de afmetingen ervan. Hetgeen blijkt uit het feit, dat na de de consecratie de meetbare hoogte blijft, terwijl alleen de zelfstandigheid van het brood verdwijnt. — Daar evenwel de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus niet ontdaan wordt van de meetbare hoogte en van de andere bijkomstigheden, daarom zijn in dit Sacrament uit kracht van verbondenheid in de werkelijkheid de hele meetbare hoogte van het Lichaam van Christus en al de andere bijkomstigheden ervan tegenwoordig.
R: q. 76 a. 1[t:iiia q. 76 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De zijnswijze van elk ding wordt bepaald naar wat op zich eraan toekomt, niet naar wat er toevallig aan is: zoals een lichaam in het oog is als wit, niet als zoet, hoewel een en hetzelfde lichaam wit en zoet is. Daarom is ook de zoetheid in het oog op de wijze van de witheid en niet op de wijze van de zoetheid. Omdat derhalve uit de kracht van dit sacrament op het altaar de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus tegenwoordig is, terwijl de meetbare hoogte ervan aldaar aanwezig is door verbondenheid en als het ware toevallig, daarom is de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus in dit sacrament niet op haar eigen wijze tegenwoordig d. i. geheel in het geheel en volgens afzonderlijke delen in de afzonderlijke delen, maar op de wijze van de zelfstandigheid, wier natuur geheel is in het geheel en geheel in elk deel.
1e Weerlegging. De zijnswijze van elk ding wordt bepaald naar wat op zich eraan toekomt, niet naar wat er toevallig aan is: zoals een lichaam in het oog is als wit, niet als zoet, hoewel een en hetzelfde lichaam wit en zoet is. Daarom is ook de zoetheid in het oog op de wijze van de witheid en niet op de wijze van de zoetheid. Omdat derhalve uit de kracht van dit sacrament op het altaar de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus tegenwoordig is, terwijl de meetbare hoogte ervan aldaar aanwezig is door verbondenheid en als het ware toevallig, daarom is de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus in dit sacrament niet op haar eigen wijze tegenwoordig d. i. geheel in het geheel en volgens afzonderlijke delen in de afzonderlijke delen, maar op de wijze van de zelfstandigheid, wier natuur geheel is in het geheel en geheel in elk deel.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Twee meetbare hoogten kunnen niet natuurlijkerwijs te zamen in hetzelfde zijn, zóó dat elk van beide aanwezig is volgens de eigen wijze van de meetbare hoogte. Maar in dit Sacrament is de meetbare hoogte van het brood op haar eigen wijze tegenwoordig d. i. volgens een zekere aanmeting: de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus is er echter niet aldus tegenwoordig maar op de wijze van de zelfstandigheid, gelijk gezegd is (1° Antw.).
2e Weerlegging. Twee meetbare hoogten kunnen niet natuurlijkerwijs te zamen in hetzelfde zijn, zóó dat elk van beide aanwezig is volgens de eigen wijze van de meetbare hoogte. Maar in dit Sacrament is de meetbare hoogte van het brood op haar eigen wijze tegenwoordig d. i. volgens een zekere aanmeting: de meetbare hoogte van het Lichaam van Christus is er echter niet aldus tegenwoordig maar op de wijze van de zelfstandigheid, gelijk gezegd is (1° Antw.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De meetbare hoogte van het Lichaam van Christus is in dit Sacrament niet tegenwoordig op de wijze van aanmeting, welke eigen is aan de hoogte, waaraan toekomt dat de grotere hoogte buiten de andere uitsteekt, maar zij is er tegenwoordig op de reeds gezegde wijze (1° en 2° Antw.).
3e Weerlegging. De meetbare hoogte van het Lichaam van Christus is in dit Sacrament niet tegenwoordig op de wijze van aanmeting, welke eigen is aan de hoogte, waaraan toekomt dat de grotere hoogte buiten de andere uitsteekt, maar zij is er tegenwoordig op de reeds gezegde wijze (1° en 2° Antw.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Is het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig op plaatselijke wijze?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 76 a. 6 co.
IIIa q. 76 a. 6 ad 2
IIIa q. 81 a. 1 ad 2
IIIa q. 81 a. 3 co.[t:iiia q. 76 a. 6 co.][t:iiia q. 76 a. 6 ad 2][t:iiia q. 81 a. 1 ad 2][t:iiia q. 81 a. 3 co.]
IIIa q. 76 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is op plaatselijke wijze. Immers, ergens tegenwoordig zijn op uitsluitende of omgrensde wijze is een deel van op een plaats zijn. Nu schijnt het Lichaam van Christus op uitsluitende wijze in dit Sacrament tegenwoordig te zijn: want het is zó op de plaats van de gedaanten van brood en wijn, dat het niet op een andere plaats van het altaar is. Het schijnt er ook op omgrensde wijze te zijn, daar het zó door de oppervlakte van de geconsacreerde hostie wordt bevat, dat het er niet buiten uitsteekt noch omgekeerd. Dus is het Lichaam van Christus in dit Sacrament op plaatselijke wijze tegenwoordig.
IIIa q. 76 a. 6 co.
IIIa q. 76 a. 6 ad 2
IIIa q. 81 a. 1 ad 2
IIIa q. 81 a. 3 co.[t:iiia q. 76 a. 6 co.][t:iiia q. 76 a. 6 ad 2][t:iiia q. 81 a. 1 ad 2][t:iiia q. 81 a. 3 co.]
IIIa q. 76 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is op plaatselijke wijze. Immers, ergens tegenwoordig zijn op uitsluitende of omgrensde wijze is een deel van op een plaats zijn. Nu schijnt het Lichaam van Christus op uitsluitende wijze in dit Sacrament tegenwoordig te zijn: want het is zó op de plaats van de gedaanten van brood en wijn, dat het niet op een andere plaats van het altaar is. Het schijnt er ook op omgrensde wijze te zijn, daar het zó door de oppervlakte van de geconsacreerde hostie wordt bevat, dat het er niet buiten uitsteekt noch omgekeerd. Dus is het Lichaam van Christus in dit Sacrament op plaatselijke wijze tegenwoordig.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 5 arg. 2
Vervolgens. De plaats van de gedaante van het brood is niet leeg: de natuur immers laat geen leegte toe. Er is ook niet de zelfstandigheid van het brood, gelijk boven is aangetoond (75° Kw. 2° Art.), maar alleen het Lichaam van Christus. Dus vult het Lichaam van Christus die plaats. Maar alles wat een plaats vult is er op plaatselijke wijze. Dus is het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig op plaatselijke wijze.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2]
Vervolgens. De plaats van de gedaante van het brood is niet leeg: de natuur immers laat geen leegte toe. Er is ook niet de zelfstandigheid van het brood, gelijk boven is aangetoond (75° Kw. 2° Art.), maar alleen het Lichaam van Christus. Dus vult het Lichaam van Christus die plaats. Maar alles wat een plaats vult is er op plaatselijke wijze. Dus is het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig op plaatselijke wijze.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Zoals gezegd is (4° Art.), is in dit Sacrament het Lichaam van Christus tegenwoordig met zijn meetbare hoogte van het al zijn bijkomstigheden. Nu is in een plaats een bijkomstigheid van het lichaam: vandaar ook dat waar meegeteld wordt onder de negen geslachten van de bijkomstigheden. Dus is het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig op plaatselijke wijze.
R: q. 76 a. 4[t:iiia q. 76 a. 4]
Vervolgens. Zoals gezegd is (4° Art.), is in dit Sacrament het Lichaam van Christus tegenwoordig met zijn meetbare hoogte van het al zijn bijkomstigheden. Nu is in een plaats een bijkomstigheid van het lichaam: vandaar ook dat waar meegeteld wordt onder de negen geslachten van de bijkomstigheden. Dus is het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig op plaatselijke wijze.
R: q. 76 a. 4[t:iiia q. 76 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de plaats en het geplaatste gelijk moeten zijn, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Maar de plaats, waar dit Sacrament is, is veel kleiner dan het Lichaam van Christus. Dus is het Lichaam van Christus niet in dit Sacrament tegenwoordig als in een plaats.
Daartegenover staat echter, dat de plaats en het geplaatste gelijk moeten zijn, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Maar de plaats, waar dit Sacrament is, is veel kleiner dan het Lichaam van Christus. Dus is het Lichaam van Christus niet in dit Sacrament tegenwoordig als in een plaats.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 5 co.
Mijn antwoord. Gelijk reeds gezegd is (1° Art. 3° Antw.; 3° Art.), is het Lichaam van Christus niet in dit Sacrament tegenwoordig volgens de eigen wijze van de meetbare hoogte, maar veeleer volgens de wijze van de zelfstandigheid. Elk geplaatst lichaam nu is in de plaats volgens de wijze van de meetbare hoogte, voorzover het namelijk aangemeten is aan de plaats volgens zijn meetbare hoogte. Hieruit volgt, dat het Lichaam van Christus niet in dit Sacrament tegenwoordig is als in een plaats maar op de wijze van de zelfstandigheid: d. i. op die wijze, waarop de zelfstandigheid vervat is onder de afmetingen. Want de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus volgt in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood op. Evenals daarom de zelfstandigheid van het brood niet tegenwoordig was onder de afmetingen op plaatselijke wijze maar op de wijze van de zelfstandigheid, zo ook niet de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. Evenwel is de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus niet het subject van die afmetingen, zoals de zelfstandigheid van het brood dat was. En daarom was het brood er op plaatselijke wijze door zijn afmetingen, omdat het zich betrok op de plaats door middel van zijn eigen afmetingen. Daarentegen betrekt de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus zich op die plaats door middel van de afmetingen van iets anders: zóó dat integendeel de eigen afmetingen van het Lichaam van Christus zich op die plaats betrekken door middel van de zelfstandigheid. Iets wat tegen het wezen is van een geplaatst lichaam. Dus is op geen enkele wijze het Lichaam van Christus in dit Sacrament plaatselijk tegenwoordig.
R: q. 76 a. 1 ad 3[t:iiia q. 76 a. 1 ad 3] q. 76 a. 3[t:iiia q. 76 a. 3]
Mijn antwoord. Gelijk reeds gezegd is (1° Art. 3° Antw.; 3° Art.), is het Lichaam van Christus niet in dit Sacrament tegenwoordig volgens de eigen wijze van de meetbare hoogte, maar veeleer volgens de wijze van de zelfstandigheid. Elk geplaatst lichaam nu is in de plaats volgens de wijze van de meetbare hoogte, voorzover het namelijk aangemeten is aan de plaats volgens zijn meetbare hoogte. Hieruit volgt, dat het Lichaam van Christus niet in dit Sacrament tegenwoordig is als in een plaats maar op de wijze van de zelfstandigheid: d. i. op die wijze, waarop de zelfstandigheid vervat is onder de afmetingen. Want de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus volgt in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood op. Evenals daarom de zelfstandigheid van het brood niet tegenwoordig was onder de afmetingen op plaatselijke wijze maar op de wijze van de zelfstandigheid, zo ook niet de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. Evenwel is de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus niet het subject van die afmetingen, zoals de zelfstandigheid van het brood dat was. En daarom was het brood er op plaatselijke wijze door zijn afmetingen, omdat het zich betrok op de plaats door middel van zijn eigen afmetingen. Daarentegen betrekt de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus zich op die plaats door middel van de afmetingen van iets anders: zóó dat integendeel de eigen afmetingen van het Lichaam van Christus zich op die plaats betrekken door middel van de zelfstandigheid. Iets wat tegen het wezen is van een geplaatst lichaam. Dus is op geen enkele wijze het Lichaam van Christus in dit Sacrament plaatselijk tegenwoordig.
R: q. 76 a. 1 ad 3[t:iiia q. 76 a. 1 ad 3] q. 76 a. 3[t:iiia q. 76 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Het Lichaam van Christus is niet in dit Sacrament op uitsluitende wijze tegenwoordig: zóó toch zou het nergens anders zijn dan op dit altaar, waar dit Sacrament wordt voltrokken; terwijl het daarentegen in de hemel in eigen gedaante tegenwoordig is en op vele andere altaren onder de gedaante van het Sacrament. Eveneens blijkt het niet op omgrensde wijze in dit Sacrament tegenwoordig te zijn: het is er immers niet volgens de aanmeting van de eigen hoogte, gelijk gezegd is (in de Leerst.). Dat het niet buiten de oppervlakte van het Sacrament noch in een ander deel van het altaar is, komt niet van een aldaar op uitsluitende of omgrensde wijze tegenwoordig zijn maar van het feit, dat het daar aanwezig begon te zijn door de consecratie en door de verandering van het brood en de wijn, gelijk boven gezegd is (1° Art.; 75° Kw. 2° Art. vv.).
R: q. 76 a. 1[t:iiia q. 76 a. 1] q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
1e Weerlegging. Het Lichaam van Christus is niet in dit Sacrament op uitsluitende wijze tegenwoordig: zóó toch zou het nergens anders zijn dan op dit altaar, waar dit Sacrament wordt voltrokken; terwijl het daarentegen in de hemel in eigen gedaante tegenwoordig is en op vele andere altaren onder de gedaante van het Sacrament. Eveneens blijkt het niet op omgrensde wijze in dit Sacrament tegenwoordig te zijn: het is er immers niet volgens de aanmeting van de eigen hoogte, gelijk gezegd is (in de Leerst.). Dat het niet buiten de oppervlakte van het Sacrament noch in een ander deel van het altaar is, komt niet van een aldaar op uitsluitende of omgrensde wijze tegenwoordig zijn maar van het feit, dat het daar aanwezig begon te zijn door de consecratie en door de verandering van het brood en de wijn, gelijk boven gezegd is (1° Art.; 75° Kw. 2° Art. vv.).
R: q. 76 a. 1[t:iiia q. 76 a. 1] q. 15 a. 2[t:iiia q. 15 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Die plaats, waarin het Lichaam van Christus is, is niet leeg. Toch wordt zij niet gevuld door de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, die er niet op plaatselijke wijze tegenwoordig is, gelijk gezegd is (in de Leerst.). Zij is gevuld door de gedaanten van de Sacramenten, welke een plaats kunnen vullen ofwel door haar natuur van afmetingen, of althans op wonderbare wijze, zoals zij ook op wonderbare wijze op zichzelf bestaan op zelfstandigheidsmanier.
2e Weerlegging. Die plaats, waarin het Lichaam van Christus is, is niet leeg. Toch wordt zij niet gevuld door de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, die er niet op plaatselijke wijze tegenwoordig is, gelijk gezegd is (in de Leerst.). Zij is gevuld door de gedaanten van de Sacramenten, welke een plaats kunnen vullen ofwel door haar natuur van afmetingen, of althans op wonderbare wijze, zoals zij ook op wonderbare wijze op zichzelf bestaan op zelfstandigheidsmanier.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. De bijkomstigheden van het Lichaam van Christus zijn in dit Sacrament, zoals boven gezegd is (4° Art.), volgens verbondenheid in de werkelijkheid. Daarom zijn die bijkomstigheden van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig, welke er innerlijk aan toekomen. Op een plaats zijn is echter een bijkomstigheid met betrekking tot de uitwendige omgeving. Daarom is het niet noodzakelijk, dat Christus in dit Sacrament tegenwoordig is als in een plaats.
R: q. 76 a. 4[t:iiia q. 76 a. 4]
3e Weerlegging. De bijkomstigheden van het Lichaam van Christus zijn in dit Sacrament, zoals boven gezegd is (4° Art.), volgens verbondenheid in de werkelijkheid. Daarom zijn die bijkomstigheden van het Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig, welke er innerlijk aan toekomen. Op een plaats zijn is echter een bijkomstigheid met betrekking tot de uitwendige omgeving. Daarom is het niet noodzakelijk, dat Christus in dit Sacrament tegenwoordig is als in een plaats.
R: q. 76 a. 4[t:iiia q. 76 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Is het Lichaam van Christus in dit Sacrament veranderlijk?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 76 a. 8 arg. 1[t:iiia q. 76 a. 8 arg. 1]
IIIa q. 76 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament veranderlijk is. De wijsgeer zegt immers dat "wanneer wij van plaats veranderen, van plaats verandert wat in ons is". Hetgeen ook waar is van de geestelijke zelfstandigheid van de ziel. Nu is Christus in dit Sacrament, zoals boven is aangetoond (74° Kw. 1° Art.). Dus verandert Hij van plaats, wanneer dat van plaats verandert.
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1]
IIIa q. 76 a. 8 arg. 1[t:iiia q. 76 a. 8 arg. 1]
IIIa q. 76 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament veranderlijk is. De wijsgeer zegt immers dat "wanneer wij van plaats veranderen, van plaats verandert wat in ons is". Hetgeen ook waar is van de geestelijke zelfstandigheid van de ziel. Nu is Christus in dit Sacrament, zoals boven is aangetoond (74° Kw. 1° Art.). Dus verandert Hij van plaats, wanneer dat van plaats verandert.
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 6 arg. 2
Vervolgens. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Van het paaslam nu, dat een voorafbeelding van dit sacrament was, "bleef niets over tot de volgende dag", zoals bevolen wordt in het Boek van de Uittocht (12. 10). Dus zal er ook niets meer van het Lichaam van Christus zijn, indien dit sacrament tot de volgende dag bewaard wordt. En dus is het niet onveranderlijk in dit sacrament.
B: (Exod 12:10) [b:Exod 12:10]
Vervolgens. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Van het paaslam nu, dat een voorafbeelding van dit sacrament was, "bleef niets over tot de volgende dag", zoals bevolen wordt in het Boek van de Uittocht (12. 10). Dus zal er ook niets meer van het Lichaam van Christus zijn, indien dit sacrament tot de volgende dag bewaard wordt. En dus is het niet onveranderlijk in dit sacrament.
B: (Exod 12:10) [b:Exod 12:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Indien het Lichaam van Christus tot de volgende dag in dit Sacrament blijft, zal het op gelijke wijze heel de volgende tijd blijven: men kan immers niet zeggen, dat het ophoudt er te zijn bij ophouden van de gedaanten, want het zijn van het Lichaam van Christus hangt niet af van die gedaanten. Nu blijft Christus niet de hele toekomstige tijd in dit Sacrament. Dus schijnt Hij terstond op de volgende dag of na korte tijd op te houden in dit Sacrament te zijn. En dus schijnt Christus in dit Sacrament veranderlijk te zijn.
Vervolgens. Indien het Lichaam van Christus tot de volgende dag in dit Sacrament blijft, zal het op gelijke wijze heel de volgende tijd blijven: men kan immers niet zeggen, dat het ophoudt er te zijn bij ophouden van de gedaanten, want het zijn van het Lichaam van Christus hangt niet af van die gedaanten. Nu blijft Christus niet de hele toekomstige tijd in dit Sacrament. Dus schijnt Hij terstond op de volgende dag of na korte tijd op te houden in dit Sacrament te zijn. En dus schijnt Christus in dit Sacrament veranderlijk te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat eenzelfde ding onmogelijk kan veranderen en onveranderd blijven: zóó toch zouden als ja en nee tegenovergestelde beweringen van hetzelfde ding bewaarheid worden. Welnu, het Lichaam van Christus blijft in de hemel in onveranderlijke rust. Dus is het niet veranderlijk in dit Sacrament.
Daartegenover staat echter, dat eenzelfde ding onmogelijk kan veranderen en onveranderd blijven: zóó toch zouden als ja en nee tegenovergestelde beweringen van hetzelfde ding bewaarheid worden. Welnu, het Lichaam van Christus blijft in de hemel in onveranderlijke rust. Dus is het niet veranderlijk in dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 6 co.
Mijn antwoord. Wanneer iets één is naar subject en veelvoudig naar zijn, is er niets op tegen, dat het in enig opzicht verandert en in een ander opzicht onveranderd blijft: zoals het voor een lichaam iets anders is wit te zijn, iets anders groot te zijn; vandaar kan het veranderen wat de witheid betreft en onveranderd blijven wat de grootte betreft. Voor Christus nu is het niet hetzelfde op Zich te zijn en te zijn in het Sacrament: want, als wij zeggen, dat Hij in het Sacrament is, geven wij een verhouding van Hem tot het Sacrament aan. Volgens dit zijn dan verandert Christus niet op Zich van plaats maar alleen door iets anders. Want Christus is niet in dit Sacrament als op een plaats, zoals vroeger gezegd is (5° Art.) : wat nu niet in een plaats is verandert niet op zich van plaats maar alleen bij plaatsverandering van datgene, waarin het is. En evenmin verandert Hij op Zich, naar het zijn, dat Hij in dit Sacrament heeft, door enig andere verandering: b.v. wat betreft, dat Hij ophoudt in dit Sacrament te zijn. Datgene immers, wat uit zich een onvergankelijk zijn heeft, kan niet beginsel van vergaan zijn, maar houdt op te zijn in iets, wanneer dit vergaat; zoals God, Wiens zijn onvergankelijk en onsterfelijk is, ophoudt in een of ander vergankelijk schepsel te zijn, doordat dit vergankelijk schepsel ophoudt te zijn. Op deze wijze dan houdt Christus, omdat Hij een onvergankelijk en onsterfelijk zijn heeft, op in dit Sacrament te zijn, niet doordat Hijzelf ophoudt te zijn noch door eigen plaatsverandering, gelijk uit het gezegde blijkt, maar alleen doordat de gedaanten van dit Sacrament ophouden te zijn. Zo blijkt dat, op zich gesproken, Christus onveranderlijk is in dit Sacrament.
R: q. 76 a. 5[t:iiia q. 76 a. 5]
Mijn antwoord. Wanneer iets één is naar subject en veelvoudig naar zijn, is er niets op tegen, dat het in enig opzicht verandert en in een ander opzicht onveranderd blijft: zoals het voor een lichaam iets anders is wit te zijn, iets anders groot te zijn; vandaar kan het veranderen wat de witheid betreft en onveranderd blijven wat de grootte betreft. Voor Christus nu is het niet hetzelfde op Zich te zijn en te zijn in het Sacrament: want, als wij zeggen, dat Hij in het Sacrament is, geven wij een verhouding van Hem tot het Sacrament aan. Volgens dit zijn dan verandert Christus niet op Zich van plaats maar alleen door iets anders. Want Christus is niet in dit Sacrament als op een plaats, zoals vroeger gezegd is (5° Art.) : wat nu niet in een plaats is verandert niet op zich van plaats maar alleen bij plaatsverandering van datgene, waarin het is. En evenmin verandert Hij op Zich, naar het zijn, dat Hij in dit Sacrament heeft, door enig andere verandering: b.v. wat betreft, dat Hij ophoudt in dit Sacrament te zijn. Datgene immers, wat uit zich een onvergankelijk zijn heeft, kan niet beginsel van vergaan zijn, maar houdt op te zijn in iets, wanneer dit vergaat; zoals God, Wiens zijn onvergankelijk en onsterfelijk is, ophoudt in een of ander vergankelijk schepsel te zijn, doordat dit vergankelijk schepsel ophoudt te zijn. Op deze wijze dan houdt Christus, omdat Hij een onvergankelijk en onsterfelijk zijn heeft, op in dit Sacrament te zijn, niet doordat Hijzelf ophoudt te zijn noch door eigen plaatsverandering, gelijk uit het gezegde blijkt, maar alleen doordat de gedaanten van dit Sacrament ophouden te zijn. Zo blijkt dat, op zich gesproken, Christus onveranderlijk is in dit Sacrament.
R: q. 76 a. 5[t:iiia q. 76 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Die redenering betrekt zich op de plaatsverandering door iets anders, zoals bij onze plaatsverandering ook van plaats verandert wat in ons is. Maar dit gebeurt niet op dezelfde wijze met dingen, die op zich in een plaats kunnen zijn zoals lichamen, én met dingen, die op zich niet in een plaats kunnen zijn zoals vormen en geestelijke zelfstandigheden. Tot die wijze kan herleid worden wat wij van Christus zeggen, dat Hij namelijk, volgens het zijn, dat Hij heeft in dit Sacrament, waarin Hij niet is als in een plaats, door iets anders van plaats verandert.
1e Weerlegging. Die redenering betrekt zich op de plaatsverandering door iets anders, zoals bij onze plaatsverandering ook van plaats verandert wat in ons is. Maar dit gebeurt niet op dezelfde wijze met dingen, die op zich in een plaats kunnen zijn zoals lichamen, én met dingen, die op zich niet in een plaats kunnen zijn zoals vormen en geestelijke zelfstandigheden. Tot die wijze kan herleid worden wat wij van Christus zeggen, dat Hij namelijk, volgens het zijn, dat Hij heeft in dit Sacrament, waarin Hij niet is als in een plaats, door iets anders van plaats verandert.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Door deze redenering schijnen sommigen gedreven te zijn geweest bewerende, dat het Lichaam van Christus niet in dit Sacrament blijft, als het tot de volgende dag bewaard wordt. Tegen hen zegt Cyrillus: "Er zijn sommige dwazen, die zeggen, dat de mystieke zegening haar heilige uitwerking verliest, wanneer er enige resten overblijven tot de volgende dag. Het hoogheilige Lichaam van Christus zal immers niet veranderen, maar de kracht der zegening en de levendmakende genade is er altijd in". Zoals ook alle andere consecraties onveranderlijk voortduren bij voortduring van het geconsacreerde. — De werkelijkheid beantwoordt wel aan de voorafbeelding, maar deze kan haar niet evenaren.
R: q. 76 a. 5[t:iiia q. 76 a. 5]
2e Weerlegging. Door deze redenering schijnen sommigen gedreven te zijn geweest bewerende, dat het Lichaam van Christus niet in dit Sacrament blijft, als het tot de volgende dag bewaard wordt. Tegen hen zegt Cyrillus: "Er zijn sommige dwazen, die zeggen, dat de mystieke zegening haar heilige uitwerking verliest, wanneer er enige resten overblijven tot de volgende dag. Het hoogheilige Lichaam van Christus zal immers niet veranderen, maar de kracht der zegening en de levendmakende genade is er altijd in". Zoals ook alle andere consecraties onveranderlijk voortduren bij voortduring van het geconsacreerde. — De werkelijkheid beantwoordt wel aan de voorafbeelding, maar deze kan haar niet evenaren.
R: q. 76 a. 5[t:iiia q. 76 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Het Lichaam van Christus blijft in dit Sacrament niet alleen tot de volgende dag maar ook daarna, zolang de sacramentale gedaanten voortduren. Verdwijnen deze, dan houdt het Lichaam van Christus eronder op, niet omdat het Lichaam van Christus ervan zou afhangen, maar omdat de betrekking van het Lichaam van Christus tot die gedaanten verdwijnt. Op gelijke wijze als God ophoudt de Heer te zijn van een verdwijnend schepsel.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 77 a. 8 co.
IIIa q. 80 a. 3 co.[t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 77 a. 8 co.][t:iiia q. 80 a. 3 co.]
3e Weerlegging. Het Lichaam van Christus blijft in dit Sacrament niet alleen tot de volgende dag maar ook daarna, zolang de sacramentale gedaanten voortduren. Verdwijnen deze, dan houdt het Lichaam van Christus eronder op, niet omdat het Lichaam van Christus ervan zou afhangen, maar omdat de betrekking van het Lichaam van Christus tot die gedaanten verdwijnt. Op gelijke wijze als God ophoudt de Heer te zijn van een verdwijnend schepsel.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 77 a. 8 co.
IIIa q. 80 a. 3 co.[t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 77 a. 8 co.][t:iiia q. 80 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 2
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Kan het Lichaam van Christus, zoals het in dit Sacrament is, door enig oog, althans door het verheerlijkt oog, gezien worden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 80 a. 4 ad 4[t:iiia q. 80 a. 4 ad 4]
IIIa q. 76 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat het Lichaam van Christus, zoals het in dit Sacrament is, door enig oog, althans door het verheerlijkt oog, gezien kan worden. Want ons oog wordt verhinderd het in dit Sacrament tegenwoordige Lichaam van Christus te zien door de sacramentale gedaanten, die het bedekken. Maar het verheerlijkt oog kan door niets verhinderd worden de lichamen, welke dan ook, te zien, zoals zij zijn. Dus kan het verheerlijkt oog het Lichaam van Christus zien, zoals het in dit Sacrament is.
IIIa q. 80 a. 4 ad 4[t:iiia q. 80 a. 4 ad 4]
IIIa q. 76 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat het Lichaam van Christus, zoals het in dit Sacrament is, door enig oog, althans door het verheerlijkt oog, gezien kan worden. Want ons oog wordt verhinderd het in dit Sacrament tegenwoordige Lichaam van Christus te zien door de sacramentale gedaanten, die het bedekken. Maar het verheerlijkt oog kan door niets verhinderd worden de lichamen, welke dan ook, te zien, zoals zij zijn. Dus kan het verheerlijkt oog het Lichaam van Christus zien, zoals het in dit Sacrament is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 7 arg. 2
Vervolgens. De verheerlijkte lichamen der heiligen zullen “ gelijkvormig zijn aan het Lichaam der heerlijkheid van Christus ”, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Philippensen (3. 21). Nu ziet het oog van Christus zichzelf, zoals het in dit Sacrament is. Dus kan op gelijke wijze ieder ander verheerlijkt oog het zien.
B: (Phil 3:21) [b:Phil 3:21]
Vervolgens. De verheerlijkte lichamen der heiligen zullen “ gelijkvormig zijn aan het Lichaam der heerlijkheid van Christus ”, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Philippensen (3. 21). Nu ziet het oog van Christus zichzelf, zoals het in dit Sacrament is. Dus kan op gelijke wijze ieder ander verheerlijkt oog het zien.
B: (Phil 3:21) [b:Phil 3:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 7 arg. 3
Vervolgens. De heiligen zullen bij de verrijzenis “aan de engelen gelijk” zijn, zoals gezegd wordt bij Lucas (20. 36). Welnu, de engelen zien het Lichaam van Christus, zoals het in dit Sacrament is, want men vindt zelfs dat duivels dit Sacrament eer bewijzen en vrezen. Op gelijke wijze dus kan het verheerlijkt oog het zien, zoals het in dit Sacrament is.
B: (Luke 20:36) [b:Luke 20:36]
Vervolgens. De heiligen zullen bij de verrijzenis “aan de engelen gelijk” zijn, zoals gezegd wordt bij Lucas (20. 36). Welnu, de engelen zien het Lichaam van Christus, zoals het in dit Sacrament is, want men vindt zelfs dat duivels dit Sacrament eer bewijzen en vrezen. Op gelijke wijze dus kan het verheerlijkt oog het zien, zoals het in dit Sacrament is.
B: (Luke 20:36) [b:Luke 20:36]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter dat een en hetzelfde ding niet tegelijkertijd door dezelfde gezien kan worden onder verschillende gedaanten. Nu ziet het verheerlijkt oog voortdurend Christus, zoals Hij in eigen gedaante is: volgens het woord van Isaïas (33. 17): "Zij zullen de Koning in Zijn glorie zien". Dus schijnt het Christus niet te zien, zoals Hij onder de gedaante van dit Sacrament is.
B: (Isa 33:17) [b:Isa 33:17]
Daartegenover staat echter dat een en hetzelfde ding niet tegelijkertijd door dezelfde gezien kan worden onder verschillende gedaanten. Nu ziet het verheerlijkt oog voortdurend Christus, zoals Hij in eigen gedaante is: volgens het woord van Isaïas (33. 17): "Zij zullen de Koning in Zijn glorie zien". Dus schijnt het Christus niet te zien, zoals Hij onder de gedaante van dit Sacrament is.
B: (Isa 33:17) [b:Isa 33:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 7 co.
Mijn antwoord. Er is een dubbel oog: nl. het lichamelijke, het eigenlijk gezegde; en het verstandelijke, dat overdrachtelijk aldus wordt genoemd. Nu kan door geen enkel lichamelijk oog het Lichaam van Christus gezien worden, zoals het in dit Sacrament is. Vooreerst omdat een zichtbaar lichaam door zijn bijkomstigheden het midden verandert. De bijkomstigheden echter van het Lichaam van Christus zijn in dit Sacrament door tussenkomst van de zelfstandigheid: zóó dat de bijkomstigheden van het Lichaam van Christus geen onmiddellijke betrekking hebben noch met dit Sacrament noch met de omringende lichamen. En derhalve kunnen zij het midden niet veranderen, opdat zij zóó door enig lichamelijk oog zouden kunnen worden gezien. Ten tweede omdat, gelijk boven gezegd is (1° Art. 3° Antw.; 3° Art.), het Lichaam van Christus in dit Sacrament is op de wijze van de zelfstandigheid. De zelfstandigheid nu is als zoodanig niet zichtbaar voor een lichamelijk oog, zij valt niet onder enig zintuig, noch onder de verbeelding, maar alleen onder het verstand, waarvan het voorwerp is "het wat iets is», gelijk gezegd wordt in De Anima. Daarom is, eigenlijk gesproken, het Lichaam van Christus, volgens de zijnswijze, die het in dit Sacrament heeft, noch voor het zintuig noch voor de verbeelding waarneembaar: maar alleen voor het verstand, dat het geestelijk oog genoemd wordt. Het wordt echter op verschillende wijze door de verschillende verstanden waargenomen. Omdat immers de zijnswijze, waarop Christus in dit Sacrament is, volstrekt bovennatuurlijk is, is Hij door een bovennatuurlijk verstand nl. het goddelijke in Zich zichtbaar: en gevolgelijk ook zo door het gezaligd verstand van een engel of mens, die krachtens een deelname aan de scherpte van het goddelijk verstand het bovennatuurlijke ziet door het gezicht van de goddelijke wezenheid. Door het verstand echter van de mens op aarde kan Hij alleen maar gezien worden door het geloof zoals ook het overige bovennatuurlijke. Zelfs het engelenverstand is volgens zijn natuurlijke krachten niet voldoende om dit te aanschouwen. Daarom kunnen de duivels met hun verstand Christus in dit Sacrament niet zien tenzij door het geloof, waaraan zij niet vrijwillig toegeven, maar waartoe zij overtuigd worden door de klaarblijkelijkheid van de tekenen, zoals gezegd wordt in de Brief van Jacobus (2. 19), dat "de duivels geloven en beven".
R: q. 76 a. 1 ad 3[t:iiia q. 76 a. 1 ad 3] q. 76 a. 3[t:iiia q. 76 a. 3]
Mijn antwoord. Er is een dubbel oog: nl. het lichamelijke, het eigenlijk gezegde; en het verstandelijke, dat overdrachtelijk aldus wordt genoemd. Nu kan door geen enkel lichamelijk oog het Lichaam van Christus gezien worden, zoals het in dit Sacrament is. Vooreerst omdat een zichtbaar lichaam door zijn bijkomstigheden het midden verandert. De bijkomstigheden echter van het Lichaam van Christus zijn in dit Sacrament door tussenkomst van de zelfstandigheid: zóó dat de bijkomstigheden van het Lichaam van Christus geen onmiddellijke betrekking hebben noch met dit Sacrament noch met de omringende lichamen. En derhalve kunnen zij het midden niet veranderen, opdat zij zóó door enig lichamelijk oog zouden kunnen worden gezien. Ten tweede omdat, gelijk boven gezegd is (1° Art. 3° Antw.; 3° Art.), het Lichaam van Christus in dit Sacrament is op de wijze van de zelfstandigheid. De zelfstandigheid nu is als zoodanig niet zichtbaar voor een lichamelijk oog, zij valt niet onder enig zintuig, noch onder de verbeelding, maar alleen onder het verstand, waarvan het voorwerp is "het wat iets is», gelijk gezegd wordt in De Anima. Daarom is, eigenlijk gesproken, het Lichaam van Christus, volgens de zijnswijze, die het in dit Sacrament heeft, noch voor het zintuig noch voor de verbeelding waarneembaar: maar alleen voor het verstand, dat het geestelijk oog genoemd wordt. Het wordt echter op verschillende wijze door de verschillende verstanden waargenomen. Omdat immers de zijnswijze, waarop Christus in dit Sacrament is, volstrekt bovennatuurlijk is, is Hij door een bovennatuurlijk verstand nl. het goddelijke in Zich zichtbaar: en gevolgelijk ook zo door het gezaligd verstand van een engel of mens, die krachtens een deelname aan de scherpte van het goddelijk verstand het bovennatuurlijke ziet door het gezicht van de goddelijke wezenheid. Door het verstand echter van de mens op aarde kan Hij alleen maar gezien worden door het geloof zoals ook het overige bovennatuurlijke. Zelfs het engelenverstand is volgens zijn natuurlijke krachten niet voldoende om dit te aanschouwen. Daarom kunnen de duivels met hun verstand Christus in dit Sacrament niet zien tenzij door het geloof, waaraan zij niet vrijwillig toegeven, maar waartoe zij overtuigd worden door de klaarblijkelijkheid van de tekenen, zoals gezegd wordt in de Brief van Jacobus (2. 19), dat "de duivels geloven en beven".
R: q. 76 a. 1 ad 3[t:iiia q. 76 a. 1 ad 3] q. 76 a. 3[t:iiia q. 76 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Ons lichamelijk oog wordt door de sacramentale gedaanten verhinderd het eronder tegenwoordige Lichaam van Christus te zien, niet alleen als door een bedekking, zoals wij verhinderd worden te zien al wat door enig lichamelijk omhulsel is bedekt, maar omdat het Lichaam van Christus tot het midden, dat dit Sacrament omringt, geen betrekking heeft door tussenkomst van de eigen bijkomstigheden maar door tussenkomst van de sacramentale gedaanten.
B: (Jas 2:19) [b:Jas 2:19]
1e Weerlegging. Ons lichamelijk oog wordt door de sacramentale gedaanten verhinderd het eronder tegenwoordige Lichaam van Christus te zien, niet alleen als door een bedekking, zoals wij verhinderd worden te zien al wat door enig lichamelijk omhulsel is bedekt, maar omdat het Lichaam van Christus tot het midden, dat dit Sacrament omringt, geen betrekking heeft door tussenkomst van de eigen bijkomstigheden maar door tussenkomst van de sacramentale gedaanten.
B: (Jas 2:19) [b:Jas 2:19]
Referenties naar deze alinea: 1
Het sacrament van het kruisoffer ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Het lichamelijke oog van Christus ziet zichzelf in dit Sacrament tegenwoordig: maar het kan niet de wijze van zijn zien, waarop het in dit Sacrament is: dat hoort bij het verstand. Een ander verheerlijkt oog staat hier echter niet mee gelijk: want het oog van Christus is zelf ook in dit Sacrament, iets waarin een ander verheerlijkt oog er niet aan gelijkvormig is.
2e Weerlegging. Het lichamelijke oog van Christus ziet zichzelf in dit Sacrament tegenwoordig: maar het kan niet de wijze van zijn zien, waarop het in dit Sacrament is: dat hoort bij het verstand. Een ander verheerlijkt oog staat hier echter niet mee gelijk: want het oog van Christus is zelf ook in dit Sacrament, iets waarin een ander verheerlijkt oog er niet aan gelijkvormig is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. De goede of kwade engel kan niet iets zien met een lichamelijk oog maar alleen met een verstandelijk oog. Dus gaat de vergelijking niet op, zoals uit het gezegd (in de Leerst.) blijkt.
3e Weerlegging. De goede of kwade engel kan niet iets zien met een lichamelijk oog maar alleen met een verstandelijk oog. Dus gaat de vergelijking niet op, zoals uit het gezegd (in de Leerst.) blijkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Wanneer in dit Sacrament op wonderbare wijze vlees of een kind verschijnt, is er dan het waarachtig Lichaam van Christus?
IIIa q. 76 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert dat, wanneer in dit Sacrament op wonderbare wijze vlees of een kind verschijnt, er niet het waarachtig Lichaam van Christus is. Het Lichaam van Christus houdt immers in dit Sacrament op, wanneer de sacramentale gedaanten ophouden, zoals gezegd is (6e Artikel). Welnu, wanneer vlees of een kind verschijnt, houden de sacramentale gedaanten op. Dus is er dan niet het waarachtig Lichaam van Christus.
R: q. 76 a. 6[t:iiia q. 76 a. 6]
Over het achtste als volgt. Men beweert dat, wanneer in dit Sacrament op wonderbare wijze vlees of een kind verschijnt, er niet het waarachtig Lichaam van Christus is. Het Lichaam van Christus houdt immers in dit Sacrament op, wanneer de sacramentale gedaanten ophouden, zoals gezegd is (6e Artikel). Welnu, wanneer vlees of een kind verschijnt, houden de sacramentale gedaanten op. Dus is er dan niet het waarachtig Lichaam van Christus.
R: q. 76 a. 6[t:iiia q. 76 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Telkens als het Lichaam van Christus ergens is, is het er ofwel in eigen gedaante ofwel onder de gedaante van het Sacrament. Wanneer nu dergelijke verschijningen plaats hebben, is het duidelijk, dat Christus daar niet is in eigen gedaante: in dit Sacrament toch wordt de hele Christus vervat, die ongeschonden blijft in de vorm, waarin Hij ten hemel is gestegen, terwijl datgene wat op wonderbare wijze in dit Sacrament verschijnt nu eens als een weinig vlees, dan weer als een klein kind gezien wordt. Het is ook duidelijk, dat Hij er niet is onder de gedaante van het Sacrament, welke de gedaante is van brood en wijn. Dus schijnt het Lichaam van Christus er volstrekt niet te zijn.
Vervolgens. Telkens als het Lichaam van Christus ergens is, is het er ofwel in eigen gedaante ofwel onder de gedaante van het Sacrament. Wanneer nu dergelijke verschijningen plaats hebben, is het duidelijk, dat Christus daar niet is in eigen gedaante: in dit Sacrament toch wordt de hele Christus vervat, die ongeschonden blijft in de vorm, waarin Hij ten hemel is gestegen, terwijl datgene wat op wonderbare wijze in dit Sacrament verschijnt nu eens als een weinig vlees, dan weer als een klein kind gezien wordt. Het is ook duidelijk, dat Hij er niet is onder de gedaante van het Sacrament, welke de gedaante is van brood en wijn. Dus schijnt het Lichaam van Christus er volstrekt niet te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Het Lichaam van Christus begint in dit Sacrament tegenwoordig te zijn door de consecratie en de verandering, zoals boven gezegd is (1° Art.; 75° Kw. 2° Art. vv.). Het op wonderbare wijze verschijnende vlees of bloed is evenwel niet geconsacreerd noch veranderd in het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus. Dus is het Lichaam of Bloed van Christus niet onder deze gedaanten.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 3[t:iiia q. 75 a. 3] q. 75 a. 4[t:iiia q. 75 a. 4]
Vervolgens. Het Lichaam van Christus begint in dit Sacrament tegenwoordig te zijn door de consecratie en de verandering, zoals boven gezegd is (1° Art.; 75° Kw. 2° Art. vv.). Het op wonderbare wijze verschijnende vlees of bloed is evenwel niet geconsacreerd noch veranderd in het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus. Dus is het Lichaam of Bloed van Christus niet onder deze gedaanten.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 3[t:iiia q. 75 a. 3] q. 75 a. 4[t:iiia q. 75 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter, dat na zo'n verschijning dezelfde eerbied aan het verschenen wordt bewezen, als eerst werd bewezen. Dit echter zou niet gebeuren, indien Christus, aan wie wij goddelijke eer bewijzen, daar niet in waarheid was. Dus is Christus in dit Sacrament ook na zo'n verschijning.
Daartegenover staat echter, dat na zo'n verschijning dezelfde eerbied aan het verschenen wordt bewezen, als eerst werd bewezen. Dit echter zou niet gebeuren, indien Christus, aan wie wij goddelijke eer bewijzen, daar niet in waarheid was. Dus is Christus in dit Sacrament ook na zo'n verschijning.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 8 co.
Mijn antwoord. Op twee manieren gebeurt een dergelijke verschijning, waardoor soms in dit Sacrament op wonderbare wijze vlees of bloed of ook een kind wordt gezien. Soms toch gebeurt dan iets bij de toeschouwers, wier ogen zo veranderd worden, als zagen zij in de buitenwereld duidelijk bloed of een kind, hoewel er helemaal geen verandering plaats heeft in het Sacrament. En dat schijnt het geval te zijn, wanneer de een het ziet onder de gedaante van vlees of van een kind, terwijl de anderen het zien onder de gedaante van brood zoals eerst; of wanneer dezelfde persoon het een ogenblik onder de gedaante van vlees of van een kind ziet en daarna onder de gedaante van brood. Dit heeft niets uit te staan met bedrog, zoals optreedt bij de kunsten van tovenaars: zulk een beeld immers wordt van Godswege in het oog gevormd om een waarheid uit te beelden, opdat namelijk moge blijken, dat het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is, zoals Christus ook zonder bedrog aan de leerlingen, die naar Emmaus gingen, is verschenen. Want Augustinus zegt, dat "wanneer ons veinzen op een of andere betekenis doelt, het geen leugen is maar een beeld van de waarheid». En omdat op deze wijze geen enkele verandering plaats grijpt aan de kant van het Sacrament, is het duidelijk, dat na zo'n verschijning Christus niet ophoudt in dit Sacrament tegenwoordig te zijn. Soms echter gebeurt zo'n verschijning, niet eenvoudig door een verandering in de toeschouwers, maar zo dat de gedaante, welke gezien wordt, werkelijk in de buitenwereld bestaat. En dit schijnt het geval te zijn, wanneer zij onder die gedaante door allen wordt gezien en niet een ogenblik maar lange tijd zo voortduurt. En in dit geval zeggen sommigen, dat het de eigen gedaante van het Lichaam van Christus is. Het geeft geen moeilijkheid, dat er soms niet de hele Christus wordt gezien, maar een stuk van Zijn Vlees of dat Hij niet in de gedaante van een jonge man maar in het uiterlijk van een kind wordt gezien: het is immers in de macht van een verheerlijkt lichaam, zoals later gezegd zal worden (Suppl. 85° Kw. 2° Art. 3° Antw.; 3° Art.), om door een niet verheerlijkt oog ofwel in zijn geheel ofwel naar een deel en in zijn eigen of in een vreemde gedaante gezien te worden. Maar dit is niet aannemelijk. Vooreerst omdat het Lichaam van Christus in eigen gedaante alleen maar in één plaats gezien kan worden, waar het op uitsluitende wijze is vervat. Daar het derhalve in eigen gedaante gezien en aanbeden wordt in de hemel, wordt het niet in eigen gedaante in dit Sacrament gezien. — Ten tweede omdat een verheerlijkt lichaam, dat verschijnt naar willekeur, na de verschijning naar willekeur verdwijnt: zoals gezegd wordt in Lucas (24. 31), dat de Heer "uit de ogen der leerlingen verdween". Wat echter in dit Sacrament onder de gedaante van Vlees verschijnt, blijft lange tijd, ja men leest soms, dat het is opgesloten en volgens de uitspraak van een groot aantal bisschoppen in de pixis is bewaard, en het zou schandelijk zijn dit te denken van Christus in eigen gedaante. Daarom moet men zeggen, dat met voortduring van de eerst aanwezige afmetingen er op wonderbare wijze een verandering plaats heeft in de andere bijkomstigheden b.v. in de uiterlijke vorm en in de kleur e. d., zo dat vlees of bloed of ook een kind gezien wordt. En evenals boven gezegd is, is dit geen bedrog: want het gebeurt "tot uitbeelding van een waarheid" om namelijk door deze wonderbare verschijning aan te tonen, dat in dit Sacrament het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus is. En zo blijkt dat, aangezien de afmetingen, die de ondergrond van de andere bijkomstigheden zijn, zoals later zal worden gezegd (77° Kw. 2° Art.), blijven, ook het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament blijft.
R: q. 77 a. 2[t:iiia q. 77 a. 2]
Mijn antwoord. Op twee manieren gebeurt een dergelijke verschijning, waardoor soms in dit Sacrament op wonderbare wijze vlees of bloed of ook een kind wordt gezien. Soms toch gebeurt dan iets bij de toeschouwers, wier ogen zo veranderd worden, als zagen zij in de buitenwereld duidelijk bloed of een kind, hoewel er helemaal geen verandering plaats heeft in het Sacrament. En dat schijnt het geval te zijn, wanneer de een het ziet onder de gedaante van vlees of van een kind, terwijl de anderen het zien onder de gedaante van brood zoals eerst; of wanneer dezelfde persoon het een ogenblik onder de gedaante van vlees of van een kind ziet en daarna onder de gedaante van brood. Dit heeft niets uit te staan met bedrog, zoals optreedt bij de kunsten van tovenaars: zulk een beeld immers wordt van Godswege in het oog gevormd om een waarheid uit te beelden, opdat namelijk moge blijken, dat het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament tegenwoordig is, zoals Christus ook zonder bedrog aan de leerlingen, die naar Emmaus gingen, is verschenen. Want Augustinus zegt, dat "wanneer ons veinzen op een of andere betekenis doelt, het geen leugen is maar een beeld van de waarheid». En omdat op deze wijze geen enkele verandering plaats grijpt aan de kant van het Sacrament, is het duidelijk, dat na zo'n verschijning Christus niet ophoudt in dit Sacrament tegenwoordig te zijn. Soms echter gebeurt zo'n verschijning, niet eenvoudig door een verandering in de toeschouwers, maar zo dat de gedaante, welke gezien wordt, werkelijk in de buitenwereld bestaat. En dit schijnt het geval te zijn, wanneer zij onder die gedaante door allen wordt gezien en niet een ogenblik maar lange tijd zo voortduurt. En in dit geval zeggen sommigen, dat het de eigen gedaante van het Lichaam van Christus is. Het geeft geen moeilijkheid, dat er soms niet de hele Christus wordt gezien, maar een stuk van Zijn Vlees of dat Hij niet in de gedaante van een jonge man maar in het uiterlijk van een kind wordt gezien: het is immers in de macht van een verheerlijkt lichaam, zoals later gezegd zal worden (Suppl. 85° Kw. 2° Art. 3° Antw.; 3° Art.), om door een niet verheerlijkt oog ofwel in zijn geheel ofwel naar een deel en in zijn eigen of in een vreemde gedaante gezien te worden. Maar dit is niet aannemelijk. Vooreerst omdat het Lichaam van Christus in eigen gedaante alleen maar in één plaats gezien kan worden, waar het op uitsluitende wijze is vervat. Daar het derhalve in eigen gedaante gezien en aanbeden wordt in de hemel, wordt het niet in eigen gedaante in dit Sacrament gezien. — Ten tweede omdat een verheerlijkt lichaam, dat verschijnt naar willekeur, na de verschijning naar willekeur verdwijnt: zoals gezegd wordt in Lucas (24. 31), dat de Heer "uit de ogen der leerlingen verdween". Wat echter in dit Sacrament onder de gedaante van Vlees verschijnt, blijft lange tijd, ja men leest soms, dat het is opgesloten en volgens de uitspraak van een groot aantal bisschoppen in de pixis is bewaard, en het zou schandelijk zijn dit te denken van Christus in eigen gedaante. Daarom moet men zeggen, dat met voortduring van de eerst aanwezige afmetingen er op wonderbare wijze een verandering plaats heeft in de andere bijkomstigheden b.v. in de uiterlijke vorm en in de kleur e. d., zo dat vlees of bloed of ook een kind gezien wordt. En evenals boven gezegd is, is dit geen bedrog: want het gebeurt "tot uitbeelding van een waarheid" om namelijk door deze wonderbare verschijning aan te tonen, dat in dit Sacrament het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus is. En zo blijkt dat, aangezien de afmetingen, die de ondergrond van de andere bijkomstigheden zijn, zoals later zal worden gezegd (77° Kw. 2° Art.), blijven, ook het waarachtig Lichaam van Christus in dit Sacrament blijft.
R: q. 77 a. 2[t:iiia q. 77 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Na zo'n verschijning blijven soms de sacramentale gedaanten helemaal gelijk, soms blijven zij gelijk naar wat het voornaamste in haar is, zoals gezegd is (in de Leerst.).
1e Weerlegging. Na zo'n verschijning blijven soms de sacramentale gedaanten helemaal gelijk, soms blijven zij gelijk naar wat het voornaamste in haar is, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Zoals gezegd is (t.a.p.), wordt bij dergelijke verschijningen de eigen gedaante van Christus niet gezien, maar veeleer een op wonderbare wijze in de ogen der toeschouwers of in de sacramentale gedaanten zelf gevormd beeld, zoals gezegd is (t.a.p.).
B: (Luke 24:31) [b:Luke 24:31]
2e Weerlegging. Zoals gezegd is (t.a.p.), wordt bij dergelijke verschijningen de eigen gedaante van Christus niet gezien, maar veeleer een op wonderbare wijze in de ogen der toeschouwers of in de sacramentale gedaanten zelf gevormd beeld, zoals gezegd is (t.a.p.).
B: (Luke 24:31) [b:Luke 24:31]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 76 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. De afmetingen van het geconsecreerde brood en de geconsecreerde wijn blijven, terwijl er ter harer opzichte op wonderbare wijze een verandering plaats heeft wat de andere bijkomstigheden betreft, zoals gezegd is (t.a.p.).
3e Weerlegging. De afmetingen van het geconsecreerde brood en de geconsecreerde wijn blijven, terwijl er ter harer opzichte op wonderbare wijze een verandering plaats heeft wat de andere bijkomstigheden betreft, zoals gezegd is (t.a.p.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 77: Over de bijkomstigheden die in dit Sacrament overblijven
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 75 a. 8 ad 3[t:iiia q. 75 a. 8 ad 3]
IIIa q. 77 pr.
Vervolgens dient gehandeld te worden over de bijkomstigheden, die in dit Sacrament overblijven. Hieromtrent stellen wij acht vragen.
1. Zijn de bijkomstigheden, die overblijven, zonder subject?
2. Is de meetbare hoogte van de andere bijkomstigheden?
3. Kunnen dergelijke bijkomstigheden een buitenstaand lichaam veranderen?
4. Kunnen zij vergaan?
5. Kan er iets uit ontstaan?
6. Kunnen zij voeden?
7. Over de breking van het geconsacreerde brood.
8. Kan er iets bij de geconsacreerde wijn gemengd worden?
IIIa q. 75 a. 8 ad 3[t:iiia q. 75 a. 8 ad 3]
IIIa q. 77 pr.
Vervolgens dient gehandeld te worden over de bijkomstigheden, die in dit Sacrament overblijven. Hieromtrent stellen wij acht vragen.
1. Zijn de bijkomstigheden, die overblijven, zonder subject?
2. Is de meetbare hoogte van de andere bijkomstigheden?
3. Kunnen dergelijke bijkomstigheden een buitenstaand lichaam veranderen?
4. Kunnen zij vergaan?
5. Kan er iets uit ontstaan?
6. Kunnen zij voeden?
7. Over de breking van het geconsacreerde brood.
8. Kan er iets bij de geconsacreerde wijn gemengd worden?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Blijven de bijkomstigheden in dit Sacrament over zonder subject?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 77 a. 3 arg. 1
IIIa q. 77 a. 3 co.
IIIa q. 77 a. 4 co.
IIIa q. 77 a. 8 arg. 1[t:iiia q. 77 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 77 a. 3 co.][t:iiia q. 77 a. 4 co.][t:iiia q. 77 a. 8 arg. 1]
IIIa q. 77 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de bijkomstigheden in dit Sacrament niet overblijven zonder subject. In dit Sacrament der waarheid toch moet niets ongeordends of bedrieglijks zijn. Dat nu bijkomstigheden zonder subject zijn, is tegen de orde der dingen, welke God de natuur heeft ingedrukt. Het schijnt ook op een zekere bedrieglijkheid neer te komen: want de bijkomstigheden zijn tekenen van de natuur van het subject. Dus zijn de bijkomstigheden in dit Sacrament niet zonder subject.
IIIa q. 77 a. 3 arg. 1
IIIa q. 77 a. 3 co.
IIIa q. 77 a. 4 co.
IIIa q. 77 a. 8 arg. 1[t:iiia q. 77 a. 3 arg. 1][t:iiia q. 77 a. 3 co.][t:iiia q. 77 a. 4 co.][t:iiia q. 77 a. 8 arg. 1]
IIIa q. 77 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de bijkomstigheden in dit Sacrament niet overblijven zonder subject. In dit Sacrament der waarheid toch moet niets ongeordends of bedrieglijks zijn. Dat nu bijkomstigheden zonder subject zijn, is tegen de orde der dingen, welke God de natuur heeft ingedrukt. Het schijnt ook op een zekere bedrieglijkheid neer te komen: want de bijkomstigheden zijn tekenen van de natuur van het subject. Dus zijn de bijkomstigheden in dit Sacrament niet zonder subject.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Zelfs door een wonder kan het niet gebeuren, dat de begripsbepaling van een ding van dat ding gescheiden wordt of dat aan één ding de begripsbepaling van iets anders toekomt b.v. dat een mens, mens blijvend, een redeloos dier zou zijn. Dit toch zou tot gevolg hebben, dat als ja en nee tegenovergestelde dingen tegelijk zouden zijn: want "wat de naam van een ding beteekent", kent is de begripsbepaling", zoals gezegd wordt in de Metaphysica. Nu behoort het tot de begripsbepaling van de bijkomstigheid, dat zij in het subject is: daarentegen tot de begripsbepaling van de zelfstandigheid, dat zij op zich bestaat, niet in een subject. Dus kan het niet door een wonder gebeuren, dat in dit Sacrament de bijkomstigheden zonder subject zijn.
Vervolgens. Zelfs door een wonder kan het niet gebeuren, dat de begripsbepaling van een ding van dat ding gescheiden wordt of dat aan één ding de begripsbepaling van iets anders toekomt b.v. dat een mens, mens blijvend, een redeloos dier zou zijn. Dit toch zou tot gevolg hebben, dat als ja en nee tegenovergestelde dingen tegelijk zouden zijn: want "wat de naam van een ding beteekent", kent is de begripsbepaling", zoals gezegd wordt in de Metaphysica. Nu behoort het tot de begripsbepaling van de bijkomstigheid, dat zij in het subject is: daarentegen tot de begripsbepaling van de zelfstandigheid, dat zij op zich bestaat, niet in een subject. Dus kan het niet door een wonder gebeuren, dat in dit Sacrament de bijkomstigheden zonder subject zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 1 arg. 3
Vervolgens. De bijkomstigheid wordt vereenigd door het subject. Als dus de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject overblijven, zullen zij niet vereenigd maar algemeen zijn. Dit blijkt vals te zijn, want zó zouden zij niet zintuigelijk maar slechts verstandelijk kenbaar zijn.
Vervolgens. De bijkomstigheid wordt vereenigd door het subject. Als dus de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject overblijven, zullen zij niet vereenigd maar algemeen zijn. Dit blijkt vals te zijn, want zó zouden zij niet zintuigelijk maar slechts verstandelijk kenbaar zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 1 arg. 4
Vervolgens. De bijkomstigheden krijgen door de consecratie van dit Sacrament niet een of andere samengesteldheid. Nu waren zij vóór de consecratie niet samengesteld noch uit stof en vorm, noch uit waardoor iets is en wat iets is. Dus zijn zij ook na de consecratie niet samengesteld op een van deze twee manieren. Dit is echter onaannemelijk: want zo zouden zij enkelvoudiger zijn dan de engelen; terwijl toch deze bijkomstigheden van zintuigelijke aard zijn. Dus blijven de bijkomstigheden in dit Sacrament niet over zonder subject.
Vervolgens. De bijkomstigheden krijgen door de consecratie van dit Sacrament niet een of andere samengesteldheid. Nu waren zij vóór de consecratie niet samengesteld noch uit stof en vorm, noch uit waardoor iets is en wat iets is. Dus zijn zij ook na de consecratie niet samengesteld op een van deze twee manieren. Dit is echter onaannemelijk: want zo zouden zij enkelvoudiger zijn dan de engelen; terwijl toch deze bijkomstigheden van zintuigelijke aard zijn. Dus blijven de bijkomstigheden in dit Sacrament niet over zonder subject.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Gregorius zegt, dat "de sacramentale gedaanten de namen zijn van die dingen, die eerst waren nl. van het brood en de wijn». Daar derhalve de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet blijven, schijnen genoemde gedaanten zonder subject te zijn.
Daartegenover staat echter, dat Gregorius zegt, dat "de sacramentale gedaanten de namen zijn van die dingen, die eerst waren nl. van het brood en de wijn». Daar derhalve de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet blijven, schijnen genoemde gedaanten zonder subject te zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 1 co.
Mijn antwoord. De bijkomstigheden van het brood en de wijn, wier voortbestaan na de consecratie in dit Sacrament zintuigelijk wordt vastgesteld, vinden geen subject in de zelfstandigheid van het brood en de wijn, die immers niet blijft, zoals boven is aangetoond (75° Kw. 2° Art.). Ook niet in de zelfstandigheidsvorm, die evenmin blijft (t.a.p. 6° Art.) en, als hij zou blijven, toch niet subject zou kunnen zijn, zoals blijkt bij Boëtius. Ook is het duidelijk, dat deze bijkomstigheden geen subject vinden in de zelfstandigheid van het Lichaam en Bloed van Christus: want de zelfstandigheid van het menselijk lichaam kan onmogelijk deze bijkomstigheden dragen; het Lichaam van Christus, verheerlijkt en onlijdbaar als het is, kan ook niet zo worden veranderd, dat het dergelijke hoedanigheden aanneemt. Maar sommigen zeggen, dat zij een subject vinden in de omringende lucht. Doch ook dat is onmogelijk. Vooreerst omdat de lucht deze bijkomstigheden niet kan opnemen. — Ten tweede omdat deze bijkomstigheden niet zijn, waar de lucht is. Veeleer wijkt de lucht, als deze gedaanten van plaats veranderen. — Ten derde omdat "bijkomstigheden niet overgaan van subject tot subject": nl. zo dat één en dezelfde bijkomstigheid eerst in het ene subject is en daarna in een ander. Een bijkomstigheid immers wordt tot deze bijkomstigheid door het subject. En daarom kan zij niet, zichzelf blijvend, nu eens in dit subject, dan weer in een ander zijn. — Ten vierde omdat de lucht, die niet van haar eigen bijkomstigheden wordt beroofd, tegelijk haar eigen en vreemde bijkomstigheden zou hebben. — Men kan ook niet zeggen, dat dit door een wonder gebeurt uit kracht van de consecratie: want de woorden van de consecratie, die buiten het betekende niets uitwerken, betekenen dit niet. Dus blijft er niets anders over dan dat de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject voortbestaan. Hetgeen door Gods kracht mogelijk is. Daar immers het uitwerksel méér van de eerste oorzaak dan van de tweede oorzaak afhangt, kan God, die de eerste oorzaak is van de zelfstandigheid en van de bijkomstigheid, door Zijn oneindige kracht de bijkomstigheid in het zijn bewaren bij wegvallen van de zelfstandigheid, waardoor zij als door de eigen oorzaak in het zijn werd bewaard: gelijk Hij ook de andere uitwerkselen van de natuurlijke oorzaken zonder de natuurlijke oorzaken kan voortbrengen, zoals Hij een menselijk Lichaam in de schoot der Maagd "zonder het zaad van een man heeft gevormd".
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 6[t:iiia q. 75 a. 6]
Mijn antwoord. De bijkomstigheden van het brood en de wijn, wier voortbestaan na de consecratie in dit Sacrament zintuigelijk wordt vastgesteld, vinden geen subject in de zelfstandigheid van het brood en de wijn, die immers niet blijft, zoals boven is aangetoond (75° Kw. 2° Art.). Ook niet in de zelfstandigheidsvorm, die evenmin blijft (t.a.p. 6° Art.) en, als hij zou blijven, toch niet subject zou kunnen zijn, zoals blijkt bij Boëtius. Ook is het duidelijk, dat deze bijkomstigheden geen subject vinden in de zelfstandigheid van het Lichaam en Bloed van Christus: want de zelfstandigheid van het menselijk lichaam kan onmogelijk deze bijkomstigheden dragen; het Lichaam van Christus, verheerlijkt en onlijdbaar als het is, kan ook niet zo worden veranderd, dat het dergelijke hoedanigheden aanneemt. Maar sommigen zeggen, dat zij een subject vinden in de omringende lucht. Doch ook dat is onmogelijk. Vooreerst omdat de lucht deze bijkomstigheden niet kan opnemen. — Ten tweede omdat deze bijkomstigheden niet zijn, waar de lucht is. Veeleer wijkt de lucht, als deze gedaanten van plaats veranderen. — Ten derde omdat "bijkomstigheden niet overgaan van subject tot subject": nl. zo dat één en dezelfde bijkomstigheid eerst in het ene subject is en daarna in een ander. Een bijkomstigheid immers wordt tot deze bijkomstigheid door het subject. En daarom kan zij niet, zichzelf blijvend, nu eens in dit subject, dan weer in een ander zijn. — Ten vierde omdat de lucht, die niet van haar eigen bijkomstigheden wordt beroofd, tegelijk haar eigen en vreemde bijkomstigheden zou hebben. — Men kan ook niet zeggen, dat dit door een wonder gebeurt uit kracht van de consecratie: want de woorden van de consecratie, die buiten het betekende niets uitwerken, betekenen dit niet. Dus blijft er niets anders over dan dat de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject voortbestaan. Hetgeen door Gods kracht mogelijk is. Daar immers het uitwerksel méér van de eerste oorzaak dan van de tweede oorzaak afhangt, kan God, die de eerste oorzaak is van de zelfstandigheid en van de bijkomstigheid, door Zijn oneindige kracht de bijkomstigheid in het zijn bewaren bij wegvallen van de zelfstandigheid, waardoor zij als door de eigen oorzaak in het zijn werd bewaard: gelijk Hij ook de andere uitwerkselen van de natuurlijke oorzaken zonder de natuurlijke oorzaken kan voortbrengen, zoals Hij een menselijk Lichaam in de schoot der Maagd "zonder het zaad van een man heeft gevormd".
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 6[t:iiia q. 75 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Er is niets op tegen dat iets een bepaalde orde heeft gekregen volgens de gewone wet van de natuur, terwijl het toch een tegengestelde orde heeft gekregen volgens een bijzonder voorrecht van de genade, zoals blijkt in de opwekking van doden en in het ziend maken van blinden: gelijk ook in het menselijk leven aan sommigen door een bijzonder voorrecht enige dingen tegen de gewone wet worden toegestaan. Op die manier dan zijn, om de boven aangehaalde redenen (75° Kw. 5° Art.), de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject, al wil de gewone wet van de natuur, dat de bijkomstigheid in een subject is.
R: q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
1e Weerlegging. Er is niets op tegen dat iets een bepaalde orde heeft gekregen volgens de gewone wet van de natuur, terwijl het toch een tegengestelde orde heeft gekregen volgens een bijzonder voorrecht van de genade, zoals blijkt in de opwekking van doden en in het ziend maken van blinden: gelijk ook in het menselijk leven aan sommigen door een bijzonder voorrecht enige dingen tegen de gewone wet worden toegestaan. Op die manier dan zijn, om de boven aangehaalde redenen (75° Kw. 5° Art.), de bijkomstigheden in dit Sacrament zonder subject, al wil de gewone wet van de natuur, dat de bijkomstigheid in een subject is.
R: q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Daar het zijnde geen geslacht is, is het uitgesloten, dat "zijn" de wezenheid van de zelfstandigheid of van de bijkomstigheid is. Dus is de begripsbepaling van de zelfstandigheid niet: "een zijnde op zich zonder subject", noch de begripsbepaling van de bijkomstigheid: "een zijnde in een subject", nee, maar aan de watheid of wezenheid van de zelfstandigheid "komt het toe het zijn niet in een subject te hebben"; aan de watheid of wezenheid echter van de bijkomstigheid: "komt het toe het zijn in een subject te hebben". Nu wordt in dit Sacrament aan de bijkomstigheden niet gegeven, dat zij uit de kracht van haar wezenheid zijn zonder subject maar uit Gods instandhoudende kracht. En daarom houden zij niet op bijkomstigheden te zijn, omdat de begripsbepaling van de bijkomstigheid niet van haar wordt gescheiden en de begripsbepaling van de zelfstandigheid niet op haar toepasbaar is.
2e Weerlegging. Daar het zijnde geen geslacht is, is het uitgesloten, dat "zijn" de wezenheid van de zelfstandigheid of van de bijkomstigheid is. Dus is de begripsbepaling van de zelfstandigheid niet: "een zijnde op zich zonder subject", noch de begripsbepaling van de bijkomstigheid: "een zijnde in een subject", nee, maar aan de watheid of wezenheid van de zelfstandigheid "komt het toe het zijn niet in een subject te hebben"; aan de watheid of wezenheid echter van de bijkomstigheid: "komt het toe het zijn in een subject te hebben". Nu wordt in dit Sacrament aan de bijkomstigheden niet gegeven, dat zij uit de kracht van haar wezenheid zijn zonder subject maar uit Gods instandhoudende kracht. En daarom houden zij niet op bijkomstigheden te zijn, omdat de begripsbepaling van de bijkomstigheid niet van haar wordt gescheiden en de begripsbepaling van de zelfstandigheid niet op haar toepasbaar is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Deze bijkomstigheden hebben het vereenvoudigd zijn gekregen in de zelfstandigheid van het brood en de wijn; wanneer deze is veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus, blijven door Gods kracht de bijkomstigheden in dat vereenvoudigd zijn, wat zij eerst hadden. En zo zijn ze eenlingen en zijn zij zintuigelijk kenbaar.
3e Weerlegging. Deze bijkomstigheden hebben het vereenvoudigd zijn gekregen in de zelfstandigheid van het brood en de wijn; wanneer deze is veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus, blijven door Gods kracht de bijkomstigheden in dat vereenvoudigd zijn, wat zij eerst hadden. En zo zijn ze eenlingen en zijn zij zintuigelijk kenbaar.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Toen de zelfstandigheid van het brood en de wijn er nog was, hadden deze bijkomstigheden zelf niet het zijn evenmin als andere bijkomstigheden: haar zelfstandigheid had een dergelijk zijn door haar, zoals de sneeuw wit is door de witheid. Maar na de consecratie hebben de bijkomstigheden, die overblijven, zelf het zijn. En zo zijn ze samengesteld uit zijn en wat is, zoals in het Eerste Deel van de engelen is gezegd (I. 50° Kw. 2° Art. 3° Antw.; 75° Kw. 5° Art. 4° Antw.). Bovendien hebben ze nog de samenstelling van de delen harer hoogheid.
R: I q. 50 a. 2 ad 3[t:ia q. 50 a. 2 ad 3]
4e Weerlegging. Toen de zelfstandigheid van het brood en de wijn er nog was, hadden deze bijkomstigheden zelf niet het zijn evenmin als andere bijkomstigheden: haar zelfstandigheid had een dergelijk zijn door haar, zoals de sneeuw wit is door de witheid. Maar na de consecratie hebben de bijkomstigheden, die overblijven, zelf het zijn. En zo zijn ze samengesteld uit zijn en wat is, zoals in het Eerste Deel van de engelen is gezegd (I. 50° Kw. 2° Art. 3° Antw.; 75° Kw. 5° Art. 4° Antw.). Bovendien hebben ze nog de samenstelling van de delen harer hoogheid.
R: I q. 50 a. 2 ad 3[t:ia q. 50 a. 2 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is in dit Sacrament de meetbare hoegrootheid van het brood en den wijn het subject van de andere bijkomstigheden?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 76 a. 8 co.[t:iiia q. 76 a. 8 co.]
IIIa q. 77 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat in dit Sacrament de meetbare hoegrootheid niet het subject is van de andere bijkomstigheden. Hamers een bijkomstigheid heeft geen bijkomstigheid: want geen enkele vorm kan subject zijn, daar "subiici" d. i. "onderstaan" tot de eigenaardigheid van de stof behoort. Nu is de meetbare hoegrootheid een bijkomstigheid. Dus kan de meetbare hoegrootheid niet het subject van de andere bijkomstigheden zijn.
IIIa q. 76 a. 8 co.[t:iiia q. 76 a. 8 co.]
IIIa q. 77 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat in dit Sacrament de meetbare hoegrootheid niet het subject is van de andere bijkomstigheden. Hamers een bijkomstigheid heeft geen bijkomstigheid: want geen enkele vorm kan subject zijn, daar "subiici" d. i. "onderstaan" tot de eigenaardigheid van de stof behoort. Nu is de meetbare hoegrootheid een bijkomstigheid. Dus kan de meetbare hoegrootheid niet het subject van de andere bijkomstigheden zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Gelijk de hoogheid wordt vereenlingd door de zelfstandigheid, zo ook de andere bijkomstigheden. Indien derhalve de meetbare hoogheid van het brood en de wijn vereenlingd blijft volgens het zijn, dat zij eerst had en waarin zij wordt bewaard, dan blijven op dezelfde wijze ook de andere bijkomstigheden vereenlingd volgens het zijn, dat zij eerst in de zelfstandigheid hadden. Dus zijn zij niet als in haar subject in de meetbare hoogte: want iedere bijkomstigheid wordt vereenlingd door haar subject.
Vervolgens. Gelijk de hoogheid wordt vereenlingd door de zelfstandigheid, zo ook de andere bijkomstigheden. Indien derhalve de meetbare hoogheid van het brood en de wijn vereenlingd blijft volgens het zijn, dat zij eerst had en waarin zij wordt bewaard, dan blijven op dezelfde wijze ook de andere bijkomstigheden vereenlingd volgens het zijn, dat zij eerst in de zelfstandigheid hadden. Dus zijn zij niet als in haar subject in de meetbare hoogte: want iedere bijkomstigheid wordt vereenlingd door haar subject.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Onder de andere overblijvende bijkomstigheden van het brood en de wijn stelt men ook zintuigelijk vast het ijle en het dichte. Deze kunnen niet in de zonder stof bestaande meetbare hoogte zijn: want ijl is, wat weinig stof heeft onder grote afmetingen, terwijl dicht is, wat veel stof heeft onder kleine afmetingen, zoals in de *Physica* gezegd wordt. Dus schijnt de meetbare hoogte niet het subject te kunnen zijn van de overblijvende bijkomstigheden.
Vervolgens. Onder de andere overblijvende bijkomstigheden van het brood en de wijn stelt men ook zintuigelijk vast het ijle en het dichte. Deze kunnen niet in de zonder stof bestaande meetbare hoogte zijn: want ijl is, wat weinig stof heeft onder grote afmetingen, terwijl dicht is, wat veel stof heeft onder kleine afmetingen, zoals in de *Physica* gezegd wordt. Dus schijnt de meetbare hoogte niet het subject te kunnen zijn van de overblijvende bijkomstigheden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 2 arg. 4
Vervolgens. Een van het subject gescheiden hoogte scheidt een wiskundige hoogte te zijn, welke geen subject is van zintuigelijk kenbare hoedanigheden. Daar derhalve de in dit Sacrament overblijvende bijkomstigheden zintuigelijk kenbaar zijn, schijnen zij niet haar subject te kunnen vinden in dit Sacrament in de hoogte van het brood en de wijn, die na de consecratie overblijft.
Vervolgens. Een van het subject gescheiden hoogte scheidt een wiskundige hoogte te zijn, welke geen subject is van zintuigelijk kenbare hoedanigheden. Daar derhalve de in dit Sacrament overblijvende bijkomstigheden zintuigelijk kenbaar zijn, schijnen zij niet haar subject te kunnen vinden in dit Sacrament in de hoogte van het brood en de wijn, die na de consecratie overblijft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat hoedanigheden niet verdeelbaar zijn tenzij om iets anders, namelijk vanwege het subject. Nu worden de in dit Sacrament overblijvende hoedanigheden door verdeling van de meetbare hoogtehoed verdeeld, zoals zintuigelijk blijkt. Dus is de meetbare hoogtehoed het subject van de in dit Sacrament overblijvende bijkomstigheden.
Daartegenover staat echter, dat hoedanigheden niet verdeelbaar zijn tenzij om iets anders, namelijk vanwege het subject. Nu worden de in dit Sacrament overblijvende hoedanigheden door verdeling van de meetbare hoogtehoed verdeeld, zoals zintuigelijk blijkt. Dus is de meetbare hoogtehoed het subject van de in dit Sacrament overblijvende bijkomstigheden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 2 co.
Mijn antwoord. Men moet zeggen, dat de andere bijkomstigheden, die in dit Sacrament overblijven, haar subject vinden in de overblijvende meetbare hoogte van het brood en de wijn. En wel vooreerst, omdat zintuigelijk blijkt, dat er iets hoegroots aanwezig is, van kleur en andere bijkomstigheden voorzien, terwijl in dergelijke dingen de zinnen zich niet bedriegen. — Ten tweede, omdat de eerste bepaling van de stof de meetbare hoogte is: vandaar dat Plato als eerste onderscheidingen van de stof groot en klein stelde. En omdat het eerste subject de stof is, zijn bijgevolg alle andere bijkomstigheden op het subject betrokken door tussenkomst van de meetbare hoogte, zoals ook als eerste subject van de kleur de oppervlakte wordt genoemd: reden waarom sommigen de afmetingen tot de zelfstandigheden van de lichamen hebben gemaakt, zoals gezegd wordt in de Metaphysica. Daar nu, bij het wegvallen van het subject, de bijkomstigheden overblijven volgens het zijn, dat zij eerst bezaten, blijven bij gevolg alle bijkomstigheden rusten op de meetbare hoogte. — Ten derde, omdat op een of andere wijze beginsel van vereenling moet zijn, wat als subject van enige bijkomstigheden wordt opgegeven. Het behoort namelijk tot het wezen van het vereenlende, dat het niet in meerdere kan zijn. En dat heeft plaats op twee manieren. Ofwel omdat het niet in staat is in iets te zijn en op deze manier zijn de afgescheiden onstoffelijke vormen, welke op zich bestaan, ook door zich zelf vereenlengd. Ofwel omdat een zelfstandige of bijkomstige vorm wel in staat is in iets te zijn, maar niet in meerdere, zoals deze witheid, die in dit lichaam is. Wat dan het eerste aangaat, is de stof het eenlingmakende beginsel van alle gedragen vormen, want weliswaar zijn dergelijke vormen op zich in staat in iets te zijn als in een subject, maar zodra een van haar wordt ontvangen in de stof, die niet in iets anders is, kan ook die vorm zelf, zo bestaande, niet in iets anders zijn. Wat echter het tweede aangaat, moet men zeggen, dat het eenlingmakende beginsel de meetbare hoogte is. Immers hierdoor is iets in staat om maar in één ding te zijn, doordat dit onverdeeld is in zich en afgedeeld van alle andere dingen. Welnu, de verdeling komt aan de zelfstandigheid toe krachtens de hoogte, zoals in de *Physica* gezegd wordt. En dus is voor zulke vormen de meetbare hoogte zichtbaar en beginsel van vereenliging, inzover namelijk een veelvoud van vormen in een veelvoud van stofdelen is. Daarom heeft de meetbare hoogte zichtbaar zelf op zich zelf een zekere vereenliging, zóó dat wij ons meerdere lijnen kunnen verbeelden, verschillend alleen door de ligging, die tot het begrip van deze hoogte behoeft; aan de afmeting immers komt toe ligging-hebbende hoogte te zijn. Derhalve kan de meetbare hoogte een toepasselijke en bijkomstige eigenschap hebben dan omgekeerd.
Mijn antwoord. Men moet zeggen, dat de andere bijkomstigheden, die in dit Sacrament overblijven, haar subject vinden in de overblijvende meetbare hoogte van het brood en de wijn. En wel vooreerst, omdat zintuigelijk blijkt, dat er iets hoegroots aanwezig is, van kleur en andere bijkomstigheden voorzien, terwijl in dergelijke dingen de zinnen zich niet bedriegen. — Ten tweede, omdat de eerste bepaling van de stof de meetbare hoogte is: vandaar dat Plato als eerste onderscheidingen van de stof groot en klein stelde. En omdat het eerste subject de stof is, zijn bijgevolg alle andere bijkomstigheden op het subject betrokken door tussenkomst van de meetbare hoogte, zoals ook als eerste subject van de kleur de oppervlakte wordt genoemd: reden waarom sommigen de afmetingen tot de zelfstandigheden van de lichamen hebben gemaakt, zoals gezegd wordt in de Metaphysica. Daar nu, bij het wegvallen van het subject, de bijkomstigheden overblijven volgens het zijn, dat zij eerst bezaten, blijven bij gevolg alle bijkomstigheden rusten op de meetbare hoogte. — Ten derde, omdat op een of andere wijze beginsel van vereenling moet zijn, wat als subject van enige bijkomstigheden wordt opgegeven. Het behoort namelijk tot het wezen van het vereenlende, dat het niet in meerdere kan zijn. En dat heeft plaats op twee manieren. Ofwel omdat het niet in staat is in iets te zijn en op deze manier zijn de afgescheiden onstoffelijke vormen, welke op zich bestaan, ook door zich zelf vereenlengd. Ofwel omdat een zelfstandige of bijkomstige vorm wel in staat is in iets te zijn, maar niet in meerdere, zoals deze witheid, die in dit lichaam is. Wat dan het eerste aangaat, is de stof het eenlingmakende beginsel van alle gedragen vormen, want weliswaar zijn dergelijke vormen op zich in staat in iets te zijn als in een subject, maar zodra een van haar wordt ontvangen in de stof, die niet in iets anders is, kan ook die vorm zelf, zo bestaande, niet in iets anders zijn. Wat echter het tweede aangaat, moet men zeggen, dat het eenlingmakende beginsel de meetbare hoogte is. Immers hierdoor is iets in staat om maar in één ding te zijn, doordat dit onverdeeld is in zich en afgedeeld van alle andere dingen. Welnu, de verdeling komt aan de zelfstandigheid toe krachtens de hoogte, zoals in de *Physica* gezegd wordt. En dus is voor zulke vormen de meetbare hoogte zichtbaar en beginsel van vereenliging, inzover namelijk een veelvoud van vormen in een veelvoud van stofdelen is. Daarom heeft de meetbare hoogte zichtbaar zelf op zich zelf een zekere vereenliging, zóó dat wij ons meerdere lijnen kunnen verbeelden, verschillend alleen door de ligging, die tot het begrip van deze hoogte behoeft; aan de afmeting immers komt toe ligging-hebbende hoogte te zijn. Derhalve kan de meetbare hoogte een toepasselijke en bijkomstige eigenschap hebben dan omgekeerd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Op zich kan een bijkomstigheid niet het subject zijn van een andere bijkomstigheid, daar zij niet op zich is. Maar zijnde in iets anders wordt de ene bijkomstigheid subject van de andere genoemd, voorzover de ene bijkomstigheid in het subject wordt ontvangen door tussenkomst van de andere, zoals de oppervlakte het subject van de kleur wordt genoemd. Wanneer dus aan een bijkomstigheid van Godswege gegeven wordt op zich te zijn, kan zij ook op zich subject zijn van een andere bijkomstigheid.
1e Weerlegging. Op zich kan een bijkomstigheid niet het subject zijn van een andere bijkomstigheid, daar zij niet op zich is. Maar zijnde in iets anders wordt de ene bijkomstigheid subject van de andere genoemd, voorzover de ene bijkomstigheid in het subject wordt ontvangen door tussenkomst van de andere, zoals de oppervlakte het subject van de kleur wordt genoemd. Wanneer dus aan een bijkomstigheid van Godswege gegeven wordt op zich te zijn, kan zij ook op zich subject zijn van een andere bijkomstigheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Ook toen zij nog in de zelfstandigheid van het brood waren, werden de andere bijkomstigheden vereenigd door tussenkomst van de meetbare hoogte, gelijk gezegd is (in de Leerst.). En daarom is de meetbare hoogte eerder subject van de andere overblijvende bijkomstigheden dan omgekeerd.
2e Weerlegging. Ook toen zij nog in de zelfstandigheid van het brood waren, werden de andere bijkomstigheden vereenigd door tussenkomst van de meetbare hoogte, gelijk gezegd is (in de Leerst.). En daarom is de meetbare hoogte eerder subject van de andere overblijvende bijkomstigheden dan omgekeerd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Het ijle en het dichte zijn hoedanigheden, die aan de lichamen toekomen, voorzover deze veel of weinig stof hebben onder de afmetingen: zoals ook alle andere bijkomstigheden eraan toekomen uit kracht van samenstellende beginselen de zelfstandigheid. En zoals nu, bij het wegvallen van de zelfstandigheid, door Gods kracht de andere bijkomstigheden in stand worden gehouden, zo worden ook, bij het wegvallen van de stof, door Gods kracht die hoedanigheden in stand gehouden, welke aan de stof toekomen, zoals het ijle en het dichte.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 77 a. 7 ad 1[t:iiia q. 77 a. 7 ad 1]
3e Weerlegging. Het ijle en het dichte zijn hoedanigheden, die aan de lichamen toekomen, voorzover deze veel of weinig stof hebben onder de afmetingen: zoals ook alle andere bijkomstigheden eraan toekomen uit kracht van samenstellende beginselen de zelfstandigheid. En zoals nu, bij het wegvallen van de zelfstandigheid, door Gods kracht de andere bijkomstigheden in stand worden gehouden, zo worden ook, bij het wegvallen van de stof, door Gods kracht die hoedanigheden in stand gehouden, welke aan de stof toekomen, zoals het ijle en het dichte.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 77 a. 7 ad 1[t:iiia q. 77 a. 7 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. De wiskundige hoogte ziet niet af van verstandelijk kenbare maar van zintuigelijk kenbare stof, zoals gezegd wordt in de Metaphysica. Nu wordt stof zintuigelijk kenbaar genoemd, als zij zintuigelijk kenbare hoedanigheden in zich heeft. Dus is het duidelijk, dat de in dit Sacrament zonder subject overblijvende meetbare hoogte niet een wiskundige hoogte is.
4e Weerlegging. De wiskundige hoogte ziet niet af van verstandelijk kenbare maar van zintuigelijk kenbare stof, zoals gezegd wordt in de Metaphysica. Nu wordt stof zintuigelijk kenbaar genoemd, als zij zintuigelijk kenbare hoedanigheden in zich heeft. Dus is het duidelijk, dat de in dit Sacrament zonder subject overblijvende meetbare hoogte niet een wiskundige hoogte is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Kunnen de in dit Sacrament overblijvende gedaanten iets buiten haar veranderen
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 77 a. 4 co.
IIIa q. 77 a. 5 ad 2
IIIa q. 77 a. 8 co.[t:iiia q. 77 a. 4 co.][t:iiia q. 77 a. 5 ad 2][t:iiia q. 77 a. 8 co.]
IIIa q. 77 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de in dit Sacrament overblijvende gedaanten niet iets buiten haar kunnen veranderen. In de Metaphysica wordt immers bewezen, dat vormen in de stof ontstaan door vormen in de stof, niet door vormen zonder stof, aangezien het gelijke het gelijke voortbrengt. Nu zijn de sacramentale gedaanten gedaanten zonder stof, daar zij overblijven zonder subject, zoals uit het gezegde blijkt (1e Art.). Dus kunnen zij niet een buitenliggende stof veranderen door er een vorm in te brengen.
R: q. 77 a. 1[t:iiia q. 77 a. 1]
IIIa q. 77 a. 4 co.
IIIa q. 77 a. 5 ad 2
IIIa q. 77 a. 8 co.[t:iiia q. 77 a. 4 co.][t:iiia q. 77 a. 5 ad 2][t:iiia q. 77 a. 8 co.]
IIIa q. 77 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat de in dit Sacrament overblijvende gedaanten niet iets buiten haar kunnen veranderen. In de Metaphysica wordt immers bewezen, dat vormen in de stof ontstaan door vormen in de stof, niet door vormen zonder stof, aangezien het gelijke het gelijke voortbrengt. Nu zijn de sacramentale gedaanten gedaanten zonder stof, daar zij overblijven zonder subject, zoals uit het gezegde blijkt (1e Art.). Dus kunnen zij niet een buitenliggende stof veranderen door er een vorm in te brengen.
R: q. 77 a. 1[t:iiia q. 77 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Wanneer de handeling van de eerste werker ophoudt, moet ook de handeling van het werktuig ophouden, zoals, wanneer de werkman rust, de hamer stil ligt. Nu werken alle bijkomstigheden werktuigelijk in de kracht van de zelfstandige vorm als hoofdwerker. Daar derhalve in dit Sacrament de zelfstandige vorm van het brood en de wijn niet blijft, zoals boven is aangetoond (75° Kw. 6° Art.), schijnen de overblijvende bijkomstige vormen niet te kunnen werken tot verandering van de buitenliggende stof.
R: q. 75 a. 6[t:iiia q. 75 a. 6]
Vervolgens. Wanneer de handeling van de eerste werker ophoudt, moet ook de handeling van het werktuig ophouden, zoals, wanneer de werkman rust, de hamer stil ligt. Nu werken alle bijkomstigheden werktuigelijk in de kracht van de zelfstandige vorm als hoofdwerker. Daar derhalve in dit Sacrament de zelfstandige vorm van het brood en de wijn niet blijft, zoals boven is aangetoond (75° Kw. 6° Art.), schijnen de overblijvende bijkomstige vormen niet te kunnen werken tot verandering van de buitenliggende stof.
R: q. 75 a. 6[t:iiia q. 75 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Niets werkt boven zijn eigen soort, daar het uitwerksel niet voornamer kan zijn dan de oorzaak. Nu zijn de sacramentale gedaanten alle bijkomstigheden. Dus kunnen zij de buitenliggende stof niet veranderen, minstens niet tot een zelfstandigheidsvorm.
Vervolgens. Niets werkt boven zijn eigen soort, daar het uitwerksel niet voornamer kan zijn dan de oorzaak. Nu zijn de sacramentale gedaanten alle bijkomstigheden. Dus kunnen zij de buitenliggende stof niet veranderen, minstens niet tot een zelfstandigheidsvorm.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter dat, als zij de buitenliggende lichamen niet konden veranderen, zij niet zintuigelijk waargenomen zouden kunnen worden: immers wordt iets zintuigelijk waargenomen doordat het zintuig door het zintuigelijk waarneembare voorwerp veranderd wordt, gelijk gezegd wordt in De Anima.
Daartegenover staat echter dat, als zij de buitenliggende lichamen niet konden veranderen, zij niet zintuigelijk waargenomen zouden kunnen worden: immers wordt iets zintuigelijk waargenomen doordat het zintuig door het zintuigelijk waarneembare voorwerp veranderd wordt, gelijk gezegd wordt in De Anima.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 3 co.
Mijn antwoord. Omdat elk ding werkt, voorzover het een daadwerkelijk zijnde is, verhoudt elk ding zich tot het werken, zoals het zich verhoudt tot het zijn. Daar derhalve, volgens het vroeger gezegde (1° Art. 3° Antw.), aan de sacramentale gedaanten door Gods kracht gegeven is om te blijven in haar zijn, dat zij bezaten, toen de zelfstandigheid van het brood en de wijn nog bestond, blijven zij bijgevolg ook in haar werken. Alle werking dus, welke zij tijdens het bestaan van het brood en de wijn konden volvoeren, kunnen zij ook volvoeren, wanneer de zelfstandigheid van het brood en de wijn overgaat in het Lichaam en Bloed van Christus. Daarom lijdt het geen twijfel, dat zij buitenliggende lichamen kunnen veranderen.
R: q. 77 a. 1[t:iiia q. 77 a. 1]
Mijn antwoord. Omdat elk ding werkt, voorzover het een daadwerkelijk zijnde is, verhoudt elk ding zich tot het werken, zoals het zich verhoudt tot het zijn. Daar derhalve, volgens het vroeger gezegde (1° Art. 3° Antw.), aan de sacramentale gedaanten door Gods kracht gegeven is om te blijven in haar zijn, dat zij bezaten, toen de zelfstandigheid van het brood en de wijn nog bestond, blijven zij bijgevolg ook in haar werken. Alle werking dus, welke zij tijdens het bestaan van het brood en de wijn konden volvoeren, kunnen zij ook volvoeren, wanneer de zelfstandigheid van het brood en de wijn overgaat in het Lichaam en Bloed van Christus. Daarom lijdt het geen twijfel, dat zij buitenliggende lichamen kunnen veranderen.
R: q. 77 a. 1[t:iiia q. 77 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Al zijn de sacramentale gedaanten vormen, die zonder stof bestaan, toch behouden zij hetzelfde zijn, dat zij eerst in de stof hadden. Naar haar zijn dus staan zij gelijk met vormen, die in de stof zijn.
1e Weerlegging. Al zijn de sacramentale gedaanten vormen, die zonder stof bestaan, toch behouden zij hetzelfde zijn, dat zij eerst in de stof hadden. Naar haar zijn dus staan zij gelijk met vormen, die in de stof zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. De werking van de bijkomstige vorm hangt zo van de werking van de zelfstandige vorm af, als het zijn van de bijkomigheid afhangt van het zijn van de zelfstandigheid. Zoals daarom door Gods kracht aan de sacramentale gedaanten gegeven wordt zonder de zelfstandigheid te kunnen zijn, zo wordt haar ook gegeven zonder de zelfstandige vorm te kunnen werken, door Gods kracht, van wie als van de eerste Werker alle werking én van zelfstandige vorm én van bijkomstige vorm afhangt.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 75 a. 6 ad 3[t:iiia q. 75 a. 6 ad 3]
2e Weerlegging. De werking van de bijkomstige vorm hangt zo van de werking van de zelfstandige vorm af, als het zijn van de bijkomigheid afhangt van het zijn van de zelfstandigheid. Zoals daarom door Gods kracht aan de sacramentale gedaanten gegeven wordt zonder de zelfstandigheid te kunnen zijn, zo wordt haar ook gegeven zonder de zelfstandige vorm te kunnen werken, door Gods kracht, van wie als van de eerste Werker alle werking én van zelfstandige vorm én van bijkomstige vorm afhangt.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 75 a. 6 ad 3[t:iiia q. 75 a. 6 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De verandering, die uitloopt op de zelfstandige vorm, geschiedt niet onmiddellijk door de zelfstandige vorm maar door tussenkomst van werkdadige en lijdende hoedanigheden, die in de kracht van de zelfstandige vorm werken. Deze werktuigelijke kracht nu wordt door Gods kracht in de sacramentale gedaante zo in stand gehouden, als zij eerst was. Derhalve kunnen zij werktuigelijk werken tot de zelfstandige vorm: op die wijze immers kan iets boven zijn soort werken, niet als door eigen kracht maar door de kracht van de hoofdwerker.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 75 a. 6 ad 3
IIIa q. 79 a. 2 ad 3[t:iiia q. 75 a. 6 ad 3][t:iiia q. 79 a. 2 ad 3]
3e Weerlegging. De verandering, die uitloopt op de zelfstandige vorm, geschiedt niet onmiddellijk door de zelfstandige vorm maar door tussenkomst van werkdadige en lijdende hoedanigheden, die in de kracht van de zelfstandige vorm werken. Deze werktuigelijke kracht nu wordt door Gods kracht in de sacramentale gedaante zo in stand gehouden, als zij eerst was. Derhalve kunnen zij werktuigelijk werken tot de zelfstandige vorm: op die wijze immers kan iets boven zijn soort werken, niet als door eigen kracht maar door de kracht van de hoofdwerker.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 75 a. 6 ad 3
IIIa q. 79 a. 2 ad 3[t:iiia q. 75 a. 6 ad 3][t:iiia q. 79 a. 2 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Kunnen de sacramentele gedaanten vergaan?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 77 a. 8 co.
IIIa q. 80 a. 3 co.
IIIa q. 83 a. 6 ad 7[t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 77 a. 8 co.][t:iiia q. 80 a. 3 co.][t:iiia q. 83 a. 6 ad 7]
IIIa q. 77 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de sacramentale gedaanten niet kunnen vergaan. Vergaan toch heeft plaats, doordat de vorm van de stof gescheiden wordt. Welnu, de stof van het brood blijft niet in dit Sacrament, zoals uit het boven substantialis et accidentalis. gezegde blijkt (75° Kw. 4° en 8° Art.). Dus kunnen deze gedaanten niet vergaan.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2]
IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 77 a. 5 co.
IIIa q. 77 a. 8 co.
IIIa q. 80 a. 3 co.
IIIa q. 83 a. 6 ad 7[t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 77 a. 5 co.][t:iiia q. 77 a. 8 co.][t:iiia q. 80 a. 3 co.][t:iiia q. 83 a. 6 ad 7]
IIIa q. 77 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de sacramentale gedaanten niet kunnen vergaan. Vergaan toch heeft plaats, doordat de vorm van de stof gescheiden wordt. Welnu, de stof van het brood blijft niet in dit Sacrament, zoals uit het boven substantialis et accidentalis. gezegde blijkt (75° Kw. 4° en 8° Art.). Dus kunnen deze gedaanten niet vergaan.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Geen enkele vorm vergaat tenzij door iets anders, t.w. door het vergaan van het subject: daarom zijn op zich bestaande vormen onvergankelijk, zoals blijkt bij de geestelijke zelfstandigheden. Nu zijn de sacramentale gedaanten vormen zonder subject. Dus kunnen zij niet vergaan.
Vervolgens. Geen enkele vorm vergaat tenzij door iets anders, t.w. door het vergaan van het subject: daarom zijn op zich bestaande vormen onvergankelijk, zoals blijkt bij de geestelijke zelfstandigheden. Nu zijn de sacramentale gedaanten vormen zonder subject. Dus kunnen zij niet vergaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Als zij vergaan, dan zal dat op natuurlijke wijze of door een wonder geschieden. Welnu, niet op natuurlijke wijze, want men kan hier niet een of ander subject van vergaan aanwijzen, dat zou blijven na het vergaan. Evenmin door een wonder, want de in dit Sacrament optredende wonderen gebeuren door de kracht van de consecratie, waardoor de sacramentale gedaanten in stand worden gehouden; iets is echter niet oorzaak van behoud en tevens van vergaan. Dus kunnen de sacramentale gedaanten op geen enkele wijze vergaan.
Vervolgens. Als zij vergaan, dan zal dat op natuurlijke wijze of door een wonder geschieden. Welnu, niet op natuurlijke wijze, want men kan hier niet een of ander subject van vergaan aanwijzen, dat zou blijven na het vergaan. Evenmin door een wonder, want de in dit Sacrament optredende wonderen gebeuren door de kracht van de consecratie, waardoor de sacramentale gedaanten in stand worden gehouden; iets is echter niet oorzaak van behoud en tevens van vergaan. Dus kunnen de sacramentale gedaanten op geen enkele wijze vergaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat men zintuigelijk bemerkt hoe geconsacreerde hosties bederven en vergaan.
Daartegenover staat echter, dat men zintuigelijk bemerkt hoe geconsacreerde hosties bederven en vergaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 4 co.
Mijn antwoord. Het vergaan is de verandering van het zijn in het niet-zijn. Welnu, boven is gezegd (3° Art.), dat de sacramentale gedaanten hetzelfde zijn behouden, als zij bezaten, toen de zelfstandigheid van het brood en de wijn er nog was. Zoals dus het zijn van deze bijkomstigheden kon vergaan tijdens het bestaan van de zelfstandigheid van het brood en de wijn, zo kan het ook vergaan, wanneer die zelfstandigheid verdwijnt. Nu konden deze bijkomstigheden eerst op een dubbele wijze vergaan: en wel op zich en vervolgens door iets anders. Op zich d.w.z. door verandering van de hoedanigheden en door vermeerdering of vermindering van de hoogte: weliswaar niet op de wijze van vermeerdering of vermindering, die men alleen aantreft bij levende lichamen, waartoe de zelfstandigheid van brood en wijn niet behoort, maar door toevoeging of verdeling, want, zoals in de Metaphysica gezegd wordt, bij verdeling vergaat de ene afmeting en ontstaan er twee, terwijl er daarentegen door toevoeging uit twee één ontstaat. En het is duidelijk, dat op die wijze deze bijkomstigheden na de consecratie kunnen vergaan: immers kan de overblijvende meetbare hoogte zelf verdeling en toevoeging ondergaan, terwijl zij ook, daar zij het subject is van zintuigelijk waarneembare hoedanigheden, zoals gezegd is (2° Art.), het subject van de verandering daarom kan zijn b.v. als de kleur of de smaak van brood en wijn verandert. Bovendien konden zij door iets anders vergaan d. i. door het vergaan van het subject. En op deze wijze kunnen zij ook na de consecratie vergaan. Want hoewel het subject niet blijft, blijft toch het zijn, dat deze bijkomstigheden in het subject bezaten en dat eigen en aangepast is aan het subject. En dus kan dit zijn door toedoen van een tegengestelden werker vergaan, juist zoals de zelfstandigheid van brood en wijn verging: deze verging trouwens niet, als er geen verandering in de bijkomstigheden voorafging. Men moet evenwel een onderscheid maken tussen de beide genoemde wijzen van vergaan. Want uit het feit, dat in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn wordt opgevolgd door het Lichaam en Bloed van Christus, valt af te leiden, dat, als er aan de kant van de bijkomstigheden een verandering plaats heeft, welke niet voldoende zou zijn geweest voor het vergaan van het brood en de wijn, het Lichaam en Bloed van Christus tengevolge van zo'n verandering niet ophoudt in dit Sacrament tegenwoordig te zijn: om het even of er een verandering plaats heeft in de hoedanigheid b.v. als de kleur of de smaak van het brood en de wijn een weinig verandert, dan wel in de hoegrootheid, zoals wanneer het brood of de wijn in zulke delen wordt verdeeld, dat de natuur van brood of wijn er nog in behouden blijft. — Als er echter zo'n grote verandering plaats heeft, dat de zelfstandigheid van het brood of van de wijn zou zijn vergaan, blijft het Lichaam en Bloed van Christus niet in dit Sacrament En dit geldt zoowel van de hoedanigheden, zoals wanneer de kleur en de smaak en de andere hoedanigheden van het brood en de wijn in zulk een mate veranderen, als de natuur van het brood en de wijn volstrekt niet zou toelaten; als ook van de hoegrootheid b.v. wanneer het brood tot stof wordt vermalen of de wijn in allerkleinste deeltjes werd verdeeld, zóó dat de soort van brood en wijn niet gehandhaafd bleef.
R: q. 77 a. 3[t:iiia q. 77 a. 3] q. 77 a. 1[t:iiia q. 77 a. 1]
Mijn antwoord. Het vergaan is de verandering van het zijn in het niet-zijn. Welnu, boven is gezegd (3° Art.), dat de sacramentale gedaanten hetzelfde zijn behouden, als zij bezaten, toen de zelfstandigheid van het brood en de wijn er nog was. Zoals dus het zijn van deze bijkomstigheden kon vergaan tijdens het bestaan van de zelfstandigheid van het brood en de wijn, zo kan het ook vergaan, wanneer die zelfstandigheid verdwijnt. Nu konden deze bijkomstigheden eerst op een dubbele wijze vergaan: en wel op zich en vervolgens door iets anders. Op zich d.w.z. door verandering van de hoedanigheden en door vermeerdering of vermindering van de hoogte: weliswaar niet op de wijze van vermeerdering of vermindering, die men alleen aantreft bij levende lichamen, waartoe de zelfstandigheid van brood en wijn niet behoort, maar door toevoeging of verdeling, want, zoals in de Metaphysica gezegd wordt, bij verdeling vergaat de ene afmeting en ontstaan er twee, terwijl er daarentegen door toevoeging uit twee één ontstaat. En het is duidelijk, dat op die wijze deze bijkomstigheden na de consecratie kunnen vergaan: immers kan de overblijvende meetbare hoogte zelf verdeling en toevoeging ondergaan, terwijl zij ook, daar zij het subject is van zintuigelijk waarneembare hoedanigheden, zoals gezegd is (2° Art.), het subject van de verandering daarom kan zijn b.v. als de kleur of de smaak van brood en wijn verandert. Bovendien konden zij door iets anders vergaan d. i. door het vergaan van het subject. En op deze wijze kunnen zij ook na de consecratie vergaan. Want hoewel het subject niet blijft, blijft toch het zijn, dat deze bijkomstigheden in het subject bezaten en dat eigen en aangepast is aan het subject. En dus kan dit zijn door toedoen van een tegengestelden werker vergaan, juist zoals de zelfstandigheid van brood en wijn verging: deze verging trouwens niet, als er geen verandering in de bijkomstigheden voorafging. Men moet evenwel een onderscheid maken tussen de beide genoemde wijzen van vergaan. Want uit het feit, dat in dit Sacrament de zelfstandigheid van het brood en de wijn wordt opgevolgd door het Lichaam en Bloed van Christus, valt af te leiden, dat, als er aan de kant van de bijkomstigheden een verandering plaats heeft, welke niet voldoende zou zijn geweest voor het vergaan van het brood en de wijn, het Lichaam en Bloed van Christus tengevolge van zo'n verandering niet ophoudt in dit Sacrament tegenwoordig te zijn: om het even of er een verandering plaats heeft in de hoedanigheid b.v. als de kleur of de smaak van het brood en de wijn een weinig verandert, dan wel in de hoegrootheid, zoals wanneer het brood of de wijn in zulke delen wordt verdeeld, dat de natuur van brood of wijn er nog in behouden blijft. — Als er echter zo'n grote verandering plaats heeft, dat de zelfstandigheid van het brood of van de wijn zou zijn vergaan, blijft het Lichaam en Bloed van Christus niet in dit Sacrament En dit geldt zoowel van de hoedanigheden, zoals wanneer de kleur en de smaak en de andere hoedanigheden van het brood en de wijn in zulk een mate veranderen, als de natuur van het brood en de wijn volstrekt niet zou toelaten; als ook van de hoegrootheid b.v. wanneer het brood tot stof wordt vermalen of de wijn in allerkleinste deeltjes werd verdeeld, zóó dat de soort van brood en wijn niet gehandhaafd bleef.
R: q. 77 a. 3[t:iiia q. 77 a. 3] q. 77 a. 1[t:iiia q. 77 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Tot het vergaan behoort uiteraard, dat het zijn van een ding wordt weggenomen. Voorzover dus het zijn van een vorm in de stof is, wordt gevolgd door het vergaan de vorm van de stof gescheiden. Indien dit zijn evenwel niet in de stof was, maar toch geleek op het zijn in de stof, dan kon het door vergaan weggenomen worden, al bestond er dan geen stof: zoals in het Sacrament gebeurt, gelijk uit het gezegde blijkt (in de Leerst.).
1e Weerlegging. Tot het vergaan behoort uiteraard, dat het zijn van een ding wordt weggenomen. Voorzover dus het zijn van een vorm in de stof is, wordt gevolgd door het vergaan de vorm van de stof gescheiden. Indien dit zijn evenwel niet in de stof was, maar toch geleek op het zijn in de stof, dan kon het door vergaan weggenomen worden, al bestond er dan geen stof: zoals in het Sacrament gebeurt, gelijk uit het gezegde blijkt (in de Leerst.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Hoewel de sacramentale gedaanten vormen zijn, die zich niet in de stof bevinden, hebben zij toch het zijn dat zij eerst in de stof hadden.
2e Weerlegging. Hoewel de sacramentale gedaanten vormen zijn, die zich niet in de stof bevinden, hebben zij toch het zijn dat zij eerst in de stof hadden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Dat vergaan van de gedaanten is niet iets van een wonder, maar iets natuurlijks: het veronderstelt echter het wonder dat geschied is in de consecratie, namelijk dat die sacramentale gedaanten het zijn behouden, dat zij eerst in het subject bezaten. Vergelijk dat met de blinde, eenmaal door een wonder genezen, natuurlijkerwijs ziet.
3e Weerlegging. Dat vergaan van de gedaanten is niet iets van een wonder, maar iets natuurlijks: het veronderstelt echter het wonder dat geschied is in de consecratie, namelijk dat die sacramentale gedaanten het zijn behouden, dat zij eerst in het subject bezaten. Vergelijk dat met de blinde, eenmaal door een wonder genezen, natuurlijkerwijs ziet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Kan uit de sacramentele gedaanten iets ontstaan?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 75 a. 6 ad 3
IIIa q. 77 a. 6 co.
IIIa q. 77 a. 8 ad 2
IIIa q. 83 a. 6 ad 7[t:iiia q. 75 a. 6 ad 3][t:iiia q. 77 a. 6 co.][t:iiia q. 77 a. 8 ad 2][t:iiia q. 83 a. 6 ad 7]
IIIa q. 77 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat uit de sacramentale gedaanten niets kan ontstaan. Immers alles wat ontstaat (door verandering), ontstaat uit een stof: want uit het niets ontstaat niets (door verandering), hoewel uit het niets wel iets wordt door schepping. Nu is er onder de sacramentale gedaanten geen stof tenzij van het Lichaam van Christus, dat onvergankelijk is. Dus kan uit de sacramentale gedaanten niets ontstaan.
IIIa q. 75 a. 6 ad 3
IIIa q. 77 a. 6 co.
IIIa q. 77 a. 8 ad 2
IIIa q. 83 a. 6 ad 7[t:iiia q. 75 a. 6 ad 3][t:iiia q. 77 a. 6 co.][t:iiia q. 77 a. 8 ad 2][t:iiia q. 83 a. 6 ad 7]
IIIa q. 77 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat uit de sacramentale gedaanten niets kan ontstaan. Immers alles wat ontstaat (door verandering), ontstaat uit een stof: want uit het niets ontstaat niets (door verandering), hoewel uit het niets wel iets wordt door schepping. Nu is er onder de sacramentale gedaanten geen stof tenzij van het Lichaam van Christus, dat onvergankelijk is. Dus kan uit de sacramentale gedaanten niets ontstaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Dingen, die niet van hetzelfde geslacht zijn, kunnen niet uit elkaar worden: uit witheid wordt geen lijn. Welnu, de bijkomstigheid en de zelfstandigheid verschillen in geslacht. Gegeven dus dat de sacramentale gedaanten bijkomstig zijn, schijnt er geen zelfstandigheid uit te kunnen ontstaan.
Vervolgens. Dingen, die niet van hetzelfde geslacht zijn, kunnen niet uit elkaar worden: uit witheid wordt geen lijn. Welnu, de bijkomstigheid en de zelfstandigheid verschillen in geslacht. Gegeven dus dat de sacramentale gedaanten bijkomstig zijn, schijnt er geen zelfstandigheid uit te kunnen ontstaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Als er een stoffelijke zelfstandigheid uit ontstaat, zal deze niet zonder een bijkomstigheid zijn. Wanneer er dus uit de sacramentale gedaanten een stoffelijke zelfstandigheid ontstaat, moet uit een bijkomstigheid een zelfstandigheid en een bijkomstigheid ontstaan, dus twee uit één, hetgeen onmogelijk is. Dus is het onmogelijk, dat er uit de sacramentale gedaanten een stoffelijke zelfstandigheid ontstaat.
Vervolgens. Als er een stoffelijke zelfstandigheid uit ontstaat, zal deze niet zonder een bijkomstigheid zijn. Wanneer er dus uit de sacramentale gedaanten een stoffelijke zelfstandigheid ontstaat, moet uit een bijkomstigheid een zelfstandigheid en een bijkomstigheid ontstaan, dus twee uit één, hetgeen onmogelijk is. Dus is het onmogelijk, dat er uit de sacramentale gedaanten een stoffelijke zelfstandigheid ontstaat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter het zintuigelijk waarneembare feit, dat uit de sacramentale gedaanten iets ontstaat: as, wanneer zij verbrand worden; wormen, als zij bederven; stof, als zij geheel en al verbrijzeld worden.
Daartegenover staat echter het zintuigelijk waarneembare feit, dat uit de sacramentale gedaanten iets ontstaat: as, wanneer zij verbrand worden; wormen, als zij bederven; stof, als zij geheel en al verbrijzeld worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 5 co.
Mijn antwoord. Daar "het vergaan van het ene het ontstaan van het andere is», zoals in De Generatione gezegd wordt, moet er iets ontstaan uit de sacramentale gedaanten, wanneer deze, gelijk gezegd is (4° Art.), vergaan. Immers vergaan zij niet zóó, dat ze volkomen verdwijnen als door vernietiging, maar worden zij klaarblijkelijk door iets zintuigelijk waarneembaars opgevolgd. Het is echter moeilijk in te zien, hoe er iets uit ontstaan kan. Want het is duidelijk, dat er niets ontstaat uit het daar waarachtig tegenwoordige Lichaam en Bloed van Christus, daar dit onvergankelijk is. Als nu de zelfstandigheid van het brood en de wijn in dit Sacrament zou blijven, of de stof ervan, zou men gemakkelijk kunnen opgeven, dat uit dat brood en die wijn het zintuigelijk waarneembare opvolgende ding ontstaat, zoals sommigen hebben beweerd. Maar deze veronderstelling is onjuist, zoals boven is uiteengezet (75° Kw. 2°, 4°, 8° Art.). Daarom hebben sommigen gezegd, dat het nieuw wordende niet uit de sacramentale gedaanten maar uit de omringende lucht ontstaat. — Dit echter blijkt op velerlei wijzen onmogelijk te zijn. Vooreerst omdat iets ontstaat uit datgene, wat van tevoren aan het veranderen en vergaan blijkt te zijn. Nu is er in de omringende lucht van tevoren niets gebleken van een veranderen en vergaan. Dus is het niet uit haar, dat wormen of as ontstaan. — Ten tweede omdat de natuur van de lucht niet zóó is, dat er uit haar langs dergelijke veranderingen dergelijke dingen ontstaan. — Ten derde omdat het kan voorkomen, dat geconsecrateerde hosties in grote hoeveelheid verbrand worden of bederven, terwijl het niet mogelijk zou zijn, dat er zóveel aardestof uit de lucht ontstond zonder een grote en zeer duidelijk zintuigelijk waarneembare samenspuiting van lucht. — Ten vierde omdat hetzelfde kan gebeuren bij een onmiddellijke omgeving van harde voorwerpen b.v. van ijzer of stenen: en deze zijn onveranderd na het ontstaan van bovengenoemde dingen. — Dus kan deze bewering geen stand houden, in strijd als zij is met wat zintuigelijk blijkt. Daarom hebben anderen gezegd, dat de zelfstandigheid van het brood en de wijn terugkeert, juist wanneer de gedaanten vergaan; op die manier ontstaan as, wormen e. d. uit de terugkerende zelfstandigheid van het brood en de wijn. Maar deze stelling schijnt niet mogelijk. Vooreerst omdat, als de zelfstandigheid van het brood en de wijn veranderd is in het Lichaam en Bloed, zoals boven is uiteengezet (75° Kw. 2°, 4° Art.), de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet kan terugkeren, tenzij het Lichaam en Bloed van Christus wederom veranderd is in de zelfstandigheid van het brood en de wijn, hetgeen onmogelijk is: op dezelfde wijze als na een verandering van lucht in vuur de lucht niet kan terugkeren, tenzij het vuur wederom in lucht verandert. Indien echter de zelfstandigheid van het brood en de wijn is vernietigd, dan kan zij niet wederom terugkeren, want wat in het niet is vervallen komt niet als een en hetzelfde ding terug: hoogstens zou men kunnen zeggen, dat genoemde zelfstandigheid terugkeert, voorzover God een andere nieuwe zelfstandigheid schept in de plaats van de eerste. — Ten tweede schijnt dit onmogelijk te zijn, omdat men niet kan aangeven, wanneer de zelfstandigheid van het brood terugkeert. — Want uit het boven gezegde (vorig art.; 76° Kw. 6° Art. 3° Antw.) is het duidelijk, dat, zolang de gedaanten van het brood en de wijn blijven, óók blijven het Lichaam en Bloed van Christus, welke, volgens het vroeger aangetoonde (75° Kw. 2° Art.), in dit Sacrament niet samengaan met de zelfstandigheid van het brood en de wijn. Dus kan de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet terugkeren, zolang de sacramentale gedaanten blijven. Evenmin ook wanneer zij ophouden: dan toch zou de zelfstandigheid van het brood en de wijn zonder de eigen bijkomstigheden zijn, hetgeen onmogelijk is. — Hoogstens zou men kunnen zeggen, dat precies op het laatste ogenblik van het vergaan der gedaanten, wel niet de zelfstandigheid van het brood en de wijn terugkeert (immers in datzelfde ogenblik hebben de uit de gedaanten ontstane zelfstandigheden voor het eerst het zijn), maar dan toch de stof van het brood en de wijn, die strikt genomen eerder nieuw geschapen dan terugkerend zou moeten heeten. In die zin zou voornoemde stelling gehandhaafd kunnen worden. Daar het evenwel niet redelijk schijnt te beweren, dat er in dit Sacrament een wonder plaats heeft tenzij krachtens de consecratie, welke geen geschapen worden of terugkeren van de stof bewerkt, lijkt het beter te zeggen, dat in de consecratie zelf door een wonder aan de meetbare hoogte van het brood en de wijn gegeven wordt het eerste subject te zijn van de volgende vormen. Dit nu is eigen aan de stof. In aansluiting daarop wordt dan ook aan gezegde meetbare hoogte alles gegeven, wat bij de stof thuis hoort. Al wat daarom uit de stof van het brood zou kunnen ontstaan, gesteld dat deze aanwezig was, kan niet minder uit genoemde meetbare hoogte van het brood en de wijn ontstaan, niet door een nieuw wonder maar krachtens het vroeger gebeurde wonder.
R: q. 77 a. 4[t:iiia q. 77 a. 4] q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 4[t:iiia q. 75 a. 4] q. 75 a. 8[t:iiia q. 75 a. 8] q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 4[t:iiia q. 75 a. 4] q. 77 a. 4[t:iiia q. 77 a. 4] q. 76 a. 6 ad 3[t:iiia q. 76 a. 6 ad 3] q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2]
Mijn antwoord. Daar "het vergaan van het ene het ontstaan van het andere is», zoals in De Generatione gezegd wordt, moet er iets ontstaan uit de sacramentale gedaanten, wanneer deze, gelijk gezegd is (4° Art.), vergaan. Immers vergaan zij niet zóó, dat ze volkomen verdwijnen als door vernietiging, maar worden zij klaarblijkelijk door iets zintuigelijk waarneembaars opgevolgd. Het is echter moeilijk in te zien, hoe er iets uit ontstaan kan. Want het is duidelijk, dat er niets ontstaat uit het daar waarachtig tegenwoordige Lichaam en Bloed van Christus, daar dit onvergankelijk is. Als nu de zelfstandigheid van het brood en de wijn in dit Sacrament zou blijven, of de stof ervan, zou men gemakkelijk kunnen opgeven, dat uit dat brood en die wijn het zintuigelijk waarneembare opvolgende ding ontstaat, zoals sommigen hebben beweerd. Maar deze veronderstelling is onjuist, zoals boven is uiteengezet (75° Kw. 2°, 4°, 8° Art.). Daarom hebben sommigen gezegd, dat het nieuw wordende niet uit de sacramentale gedaanten maar uit de omringende lucht ontstaat. — Dit echter blijkt op velerlei wijzen onmogelijk te zijn. Vooreerst omdat iets ontstaat uit datgene, wat van tevoren aan het veranderen en vergaan blijkt te zijn. Nu is er in de omringende lucht van tevoren niets gebleken van een veranderen en vergaan. Dus is het niet uit haar, dat wormen of as ontstaan. — Ten tweede omdat de natuur van de lucht niet zóó is, dat er uit haar langs dergelijke veranderingen dergelijke dingen ontstaan. — Ten derde omdat het kan voorkomen, dat geconsecrateerde hosties in grote hoeveelheid verbrand worden of bederven, terwijl het niet mogelijk zou zijn, dat er zóveel aardestof uit de lucht ontstond zonder een grote en zeer duidelijk zintuigelijk waarneembare samenspuiting van lucht. — Ten vierde omdat hetzelfde kan gebeuren bij een onmiddellijke omgeving van harde voorwerpen b.v. van ijzer of stenen: en deze zijn onveranderd na het ontstaan van bovengenoemde dingen. — Dus kan deze bewering geen stand houden, in strijd als zij is met wat zintuigelijk blijkt. Daarom hebben anderen gezegd, dat de zelfstandigheid van het brood en de wijn terugkeert, juist wanneer de gedaanten vergaan; op die manier ontstaan as, wormen e. d. uit de terugkerende zelfstandigheid van het brood en de wijn. Maar deze stelling schijnt niet mogelijk. Vooreerst omdat, als de zelfstandigheid van het brood en de wijn veranderd is in het Lichaam en Bloed, zoals boven is uiteengezet (75° Kw. 2°, 4° Art.), de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet kan terugkeren, tenzij het Lichaam en Bloed van Christus wederom veranderd is in de zelfstandigheid van het brood en de wijn, hetgeen onmogelijk is: op dezelfde wijze als na een verandering van lucht in vuur de lucht niet kan terugkeren, tenzij het vuur wederom in lucht verandert. Indien echter de zelfstandigheid van het brood en de wijn is vernietigd, dan kan zij niet wederom terugkeren, want wat in het niet is vervallen komt niet als een en hetzelfde ding terug: hoogstens zou men kunnen zeggen, dat genoemde zelfstandigheid terugkeert, voorzover God een andere nieuwe zelfstandigheid schept in de plaats van de eerste. — Ten tweede schijnt dit onmogelijk te zijn, omdat men niet kan aangeven, wanneer de zelfstandigheid van het brood terugkeert. — Want uit het boven gezegde (vorig art.; 76° Kw. 6° Art. 3° Antw.) is het duidelijk, dat, zolang de gedaanten van het brood en de wijn blijven, óók blijven het Lichaam en Bloed van Christus, welke, volgens het vroeger aangetoonde (75° Kw. 2° Art.), in dit Sacrament niet samengaan met de zelfstandigheid van het brood en de wijn. Dus kan de zelfstandigheid van het brood en de wijn niet terugkeren, zolang de sacramentale gedaanten blijven. Evenmin ook wanneer zij ophouden: dan toch zou de zelfstandigheid van het brood en de wijn zonder de eigen bijkomstigheden zijn, hetgeen onmogelijk is. — Hoogstens zou men kunnen zeggen, dat precies op het laatste ogenblik van het vergaan der gedaanten, wel niet de zelfstandigheid van het brood en de wijn terugkeert (immers in datzelfde ogenblik hebben de uit de gedaanten ontstane zelfstandigheden voor het eerst het zijn), maar dan toch de stof van het brood en de wijn, die strikt genomen eerder nieuw geschapen dan terugkerend zou moeten heeten. In die zin zou voornoemde stelling gehandhaafd kunnen worden. Daar het evenwel niet redelijk schijnt te beweren, dat er in dit Sacrament een wonder plaats heeft tenzij krachtens de consecratie, welke geen geschapen worden of terugkeren van de stof bewerkt, lijkt het beter te zeggen, dat in de consecratie zelf door een wonder aan de meetbare hoogte van het brood en de wijn gegeven wordt het eerste subject te zijn van de volgende vormen. Dit nu is eigen aan de stof. In aansluiting daarop wordt dan ook aan gezegde meetbare hoogte alles gegeven, wat bij de stof thuis hoort. Al wat daarom uit de stof van het brood zou kunnen ontstaan, gesteld dat deze aanwezig was, kan niet minder uit genoemde meetbare hoogte van het brood en de wijn ontstaan, niet door een nieuw wonder maar krachtens het vroeger gebeurde wonder.
R: q. 77 a. 4[t:iiia q. 77 a. 4] q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 4[t:iiia q. 75 a. 4] q. 75 a. 8[t:iiia q. 75 a. 8] q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 4[t:iiia q. 75 a. 4] q. 77 a. 4[t:iiia q. 77 a. 4] q. 76 a. 6 ad 3[t:iiia q. 76 a. 6 ad 3] q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Wel is er daar geen stof, waaruit iets kan ontstaan, maar de meetbare hoogte vervult de rol van de stof, gelijk gezegd is (in de Leerst.).
1e Weerlegging. Wel is er daar geen stof, waaruit iets kan ontstaan, maar de meetbare hoogte vervult de rol van de stof, gelijk gezegd is (in de Leerst.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Deze sacramentale gedaanten zijn weliswaar bijkomstigheden, maar zij hebben de daadwerkelijkheid en de kracht van de zelfstandigheid (t.a.p. en 3e Art.).
R: q. 77 a. 3[t:iiia q. 77 a. 3]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 77 a. 8 co.[t:iiia q. 77 a. 8 co.]
2e Weerlegging. Deze sacramentale gedaanten zijn weliswaar bijkomstigheden, maar zij hebben de daadwerkelijkheid en de kracht van de zelfstandigheid (t.a.p. en 3e Art.).
R: q. 77 a. 3[t:iiia q. 77 a. 3]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 77 a. 8 co.[t:iiia q. 77 a. 8 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. De meetbare hoogtehoed van het brood en de wijn behoudt haar eigen natuur en krijgt door een wonder de kracht en het eigene van de zelfstandigheid. En daarom kan zij in beide overgaan d.w.z. in de zelfstandigheid en de bijkomstigheid.
3e Weerlegging. De meetbare hoogtehoed van het brood en de wijn behoudt haar eigen natuur en krijgt door een wonder de kracht en het eigene van de zelfstandigheid. En daarom kan zij in beide overgaan d.w.z. in de zelfstandigheid en de bijkomstigheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Kunnen de sacramentele gedaanten voeden
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 75 a. 6 ad 3[t:iiia q. 75 a. 6 ad 3]
IIIa q. 77 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de sacramentale gedaanten niet kunnen voeden. Want Ambrosius zegt: "Dit brood gaat niet over in het lichaam, neen, het is eeuwiglevendmakend brood, dat het wezen van onze ziel onderhoudt". Maar al wat voedt gaat in het lichaam over. Dus dit brood voedt niet. En hetzelfde geldt van de wijn.
IIIa q. 75 a. 6 ad 3[t:iiia q. 75 a. 6 ad 3]
IIIa q. 77 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de sacramentale gedaanten niet kunnen voeden. Want Ambrosius zegt: "Dit brood gaat niet over in het lichaam, neen, het is eeuwiglevendmakend brood, dat het wezen van onze ziel onderhoudt". Maar al wat voedt gaat in het lichaam over. Dus dit brood voedt niet. En hetzelfde geldt van de wijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Zoals in De Generatione gezegd wordt, "voeden wij ons met dezelfde dingen, waaruit we zijn". Nu zijn de sacramentale gedaanten bijkomstigheden, waaruit de mens niet bestaat: de bijkomstigheid immers is geen deel van de zelfstandigheid. Dus schijnen de sacramentale gedaanten niet te kunnen voeden.
Vervolgens. Zoals in De Generatione gezegd wordt, "voeden wij ons met dezelfde dingen, waaruit we zijn". Nu zijn de sacramentale gedaanten bijkomstigheden, waaruit de mens niet bestaat: de bijkomstigheid immers is geen deel van de zelfstandigheid. Dus schijnen de sacramentale gedaanten niet te kunnen voeden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 6 arg. 3
Vervolgens. De Wijsgeer zegt dat "het eten ons voedt, voorzover het een zelfstandigheid is, maar ons doet groeien, voorzover het een hoegrootheid heeft". Nu zijn de sacramentale gedaanten geen zelfstandigheid. Dus kunnen zij niet voeden.
Vervolgens. De Wijsgeer zegt dat "het eten ons voedt, voorzover het een zelfstandigheid is, maar ons doet groeien, voorzover het een hoegrootheid heeft". Nu zijn de sacramentale gedaanten geen zelfstandigheid. Dus kunnen zij niet voeden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Apostel (1 Cor. 11. 21), over dit Sacrament handelend, zegt: "De een lijdt honger, terwijl de ander dronken is", waarbij de Glossa opmerkt, dat "hij diegenen op het oog heeft, die, na de viering van het heilig Geheim en de consecratie van het brood en de wijn, hun eigen offergaven opeisten en voor zich alleen gebruikten, zonder aan anderen mee te delen, hetgeen tot gevolg had, dat ze er zelf dronken van werden". Dit echter zou niet kunnen gebeuren, als de sacramentale gedaanten niet zouden voeden. Dus voeden de sacramentale gedaanten.
B: (1Cor 11:21) [b:1Cor 11:21]
Daartegenover staat echter, dat de Apostel (1 Cor. 11. 21), over dit Sacrament handelend, zegt: "De een lijdt honger, terwijl de ander dronken is", waarbij de Glossa opmerkt, dat "hij diegenen op het oog heeft, die, na de viering van het heilig Geheim en de consecratie van het brood en de wijn, hun eigen offergaven opeisten en voor zich alleen gebruikten, zonder aan anderen mee te delen, hetgeen tot gevolg had, dat ze er zelf dronken van werden". Dit echter zou niet kunnen gebeuren, als de sacramentale gedaanten niet zouden voeden. Dus voeden de sacramentale gedaanten.
B: (1Cor 11:21) [b:1Cor 11:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 6 co.
Mijn antwoord. Dit vraagstuk heeft geen moeilijkheid na de oplossing van het vorige vraagstuk. Zoals immers in De Anima gezegd wordt, voedt de spijs doordat ze overgaat in de zelfstandigheid van hem, die gevoed wordt. Nu is gezegd (5° Art.), dat de sacramentale gedaanten kunnen overgaan in een zelfstandigheid, die er uit ontstaat. Maar evengoed als ze kunnen overgaan in as of wormen, kunnen zij ook overgaan in het menselijk lichaam. En dus is het zonneklaar, dat zij kunnen voeden. De bewering van sommigen, dat zij niet echt voeden door een overgaan in het menselijk lichaam, maar dat zij door een inwerking op de zintuigen verkwikken en versterken op de wijze, waarop de mens versterkt wordt door de geur van spijs en dronken raakt door de geur van wijn, blijkt zintuigelijk valsch te zijn. Zoo'n verkwikking immers is niet langen tijd voldoende voor een mens, wiens lichaam tengevolge van de voortdurende afname herstelling behoeft. En toch zou de mens het er langen tijd op uithouden, als hij in grote hoeveelheid geconsacreerde hosties en wijn nuttigde. Evenmin kan het gezegde van sommigen standhouden, dat namelijk de sacramentale gedaanten voeden door de zelfstandigheidsvorm, welke zou blijven. En omdat hij niet blijft, zoals boven is uiteengezet (75° Kw. 6° Art.). En omdat het niet de act van de vorm is te voeden, maar meer van de stof, die, terwijl de vorm van het voedsel verdwijnt, de vorm van de gevoede aanneemt. Weshalve in De Anima gezegd wordt, dat het voedsel in het begin anders is, op het eind echter gelijk.
R: q. 77 a. 5[t:iiia q. 77 a. 5] q. 75 a. 6[t:iiia q. 75 a. 6]
Mijn antwoord. Dit vraagstuk heeft geen moeilijkheid na de oplossing van het vorige vraagstuk. Zoals immers in De Anima gezegd wordt, voedt de spijs doordat ze overgaat in de zelfstandigheid van hem, die gevoed wordt. Nu is gezegd (5° Art.), dat de sacramentale gedaanten kunnen overgaan in een zelfstandigheid, die er uit ontstaat. Maar evengoed als ze kunnen overgaan in as of wormen, kunnen zij ook overgaan in het menselijk lichaam. En dus is het zonneklaar, dat zij kunnen voeden. De bewering van sommigen, dat zij niet echt voeden door een overgaan in het menselijk lichaam, maar dat zij door een inwerking op de zintuigen verkwikken en versterken op de wijze, waarop de mens versterkt wordt door de geur van spijs en dronken raakt door de geur van wijn, blijkt zintuigelijk valsch te zijn. Zoo'n verkwikking immers is niet langen tijd voldoende voor een mens, wiens lichaam tengevolge van de voortdurende afname herstelling behoeft. En toch zou de mens het er langen tijd op uithouden, als hij in grote hoeveelheid geconsacreerde hosties en wijn nuttigde. Evenmin kan het gezegde van sommigen standhouden, dat namelijk de sacramentale gedaanten voeden door de zelfstandigheidsvorm, welke zou blijven. En omdat hij niet blijft, zoals boven is uiteengezet (75° Kw. 6° Art.). En omdat het niet de act van de vorm is te voeden, maar meer van de stof, die, terwijl de vorm van het voedsel verdwijnt, de vorm van de gevoede aanneemt. Weshalve in De Anima gezegd wordt, dat het voedsel in het begin anders is, op het eind echter gelijk.
R: q. 77 a. 5[t:iiia q. 77 a. 5] q. 75 a. 6[t:iiia q. 75 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Men kan na de consecratie in dit Sacrament op twee wijzen van brood spreken. Vooreerst kunnen zo genoemd worden de gedaanten van brood, die de naam van de vroegere zelfstandigheid behouden, gelijk Gregorius zegt. Vervolgens kan brood genoemd worden het Lichaam zelf van Christus, dat het mystieke brood is, "uit de hemel nederdalend". Wanneer dan Ambrosius zegt, dat "dit brood niet overgaat in het lichaam", neemt hij het brood in de tweede zin: het Lichaam van Christus gaat nl. niet over in het lichaam van de mens, maar voedt zijn geest. Maar hij spreekt niet van het brood in de eerste zin.
1e Weerlegging. Men kan na de consecratie in dit Sacrament op twee wijzen van brood spreken. Vooreerst kunnen zo genoemd worden de gedaanten van brood, die de naam van de vroegere zelfstandigheid behouden, gelijk Gregorius zegt. Vervolgens kan brood genoemd worden het Lichaam zelf van Christus, dat het mystieke brood is, "uit de hemel nederdalend". Wanneer dan Ambrosius zegt, dat "dit brood niet overgaat in het lichaam", neemt hij het brood in de tweede zin: het Lichaam van Christus gaat nl. niet over in het lichaam van de mens, maar voedt zijn geest. Maar hij spreekt niet van het brood in de eerste zin.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Alhoewel de sacramentale gedaanten niet datgene zijn, waaruit het lichaam van de mens bestaat, gaan zij toch daarin over, gelijk gezegd is (in de Leerst.).
2e Weerlegging. Alhoewel de sacramentale gedaanten niet datgene zijn, waaruit het lichaam van de mens bestaat, gaan zij toch daarin over, gelijk gezegd is (in de Leerst.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Al zijn de sacramentale gedaanten geen zelfstandigheid, ze hebben toch de kracht van een zelfstandigheid, gelijk gezegd is (3° Art. 3° Antw.; 5° Art. 2° Antw.).
3e Weerlegging. Al zijn de sacramentale gedaanten geen zelfstandigheid, ze hebben toch de kracht van een zelfstandigheid, gelijk gezegd is (3° Art. 3° Antw.; 5° Art. 2° Antw.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Worden de sacramentele gedaanten in dit Sacrament gebroken?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 78 a. 5 co.[t:iiia q. 78 a. 5 co.]
IIIa q. 77 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de sacramentale gedaanten in dit Sacrament niet worden gebroken. De Wijsgeer zegt immers, dat de lichamen breekbaar genoemd worden om reden van een bepaalde schikking van de poriën. Daarvan kan men echter niet spreken bij de sacramentale gedaanten. Dus kunnen de sacramentale gedaanten niet worden gebroken.
IIIa q. 78 a. 5 co.[t:iiia q. 78 a. 5 co.]
IIIa q. 77 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat de sacramentale gedaanten in dit Sacrament niet worden gebroken. De Wijsgeer zegt immers, dat de lichamen breekbaar genoemd worden om reden van een bepaalde schikking van de poriën. Daarvan kan men echter niet spreken bij de sacramentale gedaanten. Dus kunnen de sacramentale gedaanten niet worden gebroken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Het breken gaat gepaard met een geluid. Nu zijn de sacramentale gedaanten niet geluidgevend, want de Wijsgeer zegt, dat het geluidgevende ding een hard lichaam met geringe oppervlakte is. Dus worden de sacramentale gedaanten niet gebroken.
Vervolgens. Het breken gaat gepaard met een geluid. Nu zijn de sacramentale gedaanten niet geluidgevend, want de Wijsgeer zegt, dat het geluidgevende ding een hard lichaam met geringe oppervlakte is. Dus worden de sacramentale gedaanten niet gebroken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Gebroken worden en gekauwd worden schijnen aan dezelfde zaak toe te komen. Wat nu gegeten wordt is het waarachtig Lichaam van Christus, volgens het woord van Joannes (6. 55, 57): "Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt". Dus is het het Lichaam van Christus, dat gebroken en gekauwd wordt. Vandaar dat in de Geloofsbelijdenis van Berengarius gezegd wordt: "In overeenstemming met de heilige Roomsche Kerk belijd ik met hart en tong, dat het brood en de wijn, die op het altaar geplaatst worden, na de consecratie het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus zijn, hetwelk door de handen der priesters wordt aangeraakt en gebroken en door de tanden der gelovigen wordt stuk gemalen". Dus moet men het breken niet toeschrijven aan de sacramentale gedaanten.
B: (John 6:57, John 6:57) [b:John 6:57]
Vervolgens. Gebroken worden en gekauwd worden schijnen aan dezelfde zaak toe te komen. Wat nu gegeten wordt is het waarachtig Lichaam van Christus, volgens het woord van Joannes (6. 55, 57): "Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt". Dus is het het Lichaam van Christus, dat gebroken en gekauwd wordt. Vandaar dat in de Geloofsbelijdenis van Berengarius gezegd wordt: "In overeenstemming met de heilige Roomsche Kerk belijd ik met hart en tong, dat het brood en de wijn, die op het altaar geplaatst worden, na de consecratie het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus zijn, hetwelk door de handen der priesters wordt aangeraakt en gebroken en door de tanden der gelovigen wordt stuk gemalen". Dus moet men het breken niet toeschrijven aan de sacramentale gedaanten.
B: (John 6:57, John 6:57) [b:John 6:57]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, dat het breken gebeurt door de verdeling van het hooggroote. Welnu, hier wordt geen enkel hoog groot ding verdeeld, tenzij de sacramentale gedaanten: immers niet het Lichaam van Christus, dat onvergankelijk is, noch de zelfstandigheid van het brood, die niet blijft. Dus worden de sacramentale gedaanten gebroken.
Daartegenover staat echter, dat het breken gebeurt door de verdeling van het hooggroote. Welnu, hier wordt geen enkel hoog groot ding verdeeld, tenzij de sacramentale gedaanten: immers niet het Lichaam van Christus, dat onvergankelijk is, noch de zelfstandigheid van het brood, die niet blijft. Dus worden de sacramentale gedaanten gebroken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 7 co.
Mijn antwoord. Bij de Ouden waren hieromtrent veel verschillende meningen. Want sommigen hebben beweerd, dat er in dit Sacrament geen breking was volgens de werkelijke toedracht van de zaak maar alleen volgens het zien van de toeschouwers. — Maar dat is onhoudbaar. In dit Sacrament der waarheid immers bedriegen de zinnen zich niet in die dingen, waarin aan hen het oordeel toekomt: en daartoe hoort ook het breken, waardoor vele worden uit één: deze zijn algemeen-zintuigelijk-waarneembaarheden, zoals blijkt in De Anima. Daarom hebben anderen verklaard, dat er een echte breking optrad, maar zonder subject. — Doch ook dit weerspreekt de zinnen. Er doet zich immers in dit Sacrament duidelijk iets hoe-groots voor, dat eerst één is en later in delen is verdeeld: dat moet het subject van de breking zijn. Nu kan men niet beweren, dat het waarachtig Lichaam van Christus in zichzelf wordt gebroken. Vooreerst omdat het onvergankelijk en onverdeelbaar is. — Ten tweede omdat het in zijn geheel onder elk deel is, zoals boven is uiteengezet (76e Kw. 3e Art.), hetgeen tegen het begrip van het gebrokene is. Dus schiet over, dat de breking haar subject heeft in de meetbare hoogte, juist zoals de andere bijkomstigheden. En zoals de sacramenteele gedaanten het Sacrament zijn van het waarachtig Lichaam van Christus, zo is de breking van deze gedaanten het Sacrament van ’s Heren lijden, dat in het waarachtig Lichaam van Christus was.
R: q. 76 a. 3[t:iiia q. 76 a. 3]
Mijn antwoord. Bij de Ouden waren hieromtrent veel verschillende meningen. Want sommigen hebben beweerd, dat er in dit Sacrament geen breking was volgens de werkelijke toedracht van de zaak maar alleen volgens het zien van de toeschouwers. — Maar dat is onhoudbaar. In dit Sacrament der waarheid immers bedriegen de zinnen zich niet in die dingen, waarin aan hen het oordeel toekomt: en daartoe hoort ook het breken, waardoor vele worden uit één: deze zijn algemeen-zintuigelijk-waarneembaarheden, zoals blijkt in De Anima. Daarom hebben anderen verklaard, dat er een echte breking optrad, maar zonder subject. — Doch ook dit weerspreekt de zinnen. Er doet zich immers in dit Sacrament duidelijk iets hoe-groots voor, dat eerst één is en later in delen is verdeeld: dat moet het subject van de breking zijn. Nu kan men niet beweren, dat het waarachtig Lichaam van Christus in zichzelf wordt gebroken. Vooreerst omdat het onvergankelijk en onverdeelbaar is. — Ten tweede omdat het in zijn geheel onder elk deel is, zoals boven is uiteengezet (76e Kw. 3e Art.), hetgeen tegen het begrip van het gebrokene is. Dus schiet over, dat de breking haar subject heeft in de meetbare hoogte, juist zoals de andere bijkomstigheden. En zoals de sacramenteele gedaanten het Sacrament zijn van het waarachtig Lichaam van Christus, zo is de breking van deze gedaanten het Sacrament van ’s Heren lijden, dat in het waarachtig Lichaam van Christus was.
R: q. 76 a. 3[t:iiia q. 76 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Zoals in de sacramentale gedaanten het ijle en het dichte blijft, gelijk boven gezegd is (2° Art. 3° Antw.), zo blijft er ook de poreusheid in en bijgevolg de breekbaarheid.
R: q. 77 a. 2 ad 3[t:iiia q. 77 a. 2 ad 3]
1e Weerlegging. Zoals in de sacramentale gedaanten het ijle en het dichte blijft, gelijk boven gezegd is (2° Art. 3° Antw.), zo blijft er ook de poreusheid in en bijgevolg de breekbaarheid.
R: q. 77 a. 2 ad 3[t:iiia q. 77 a. 2 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. De dichtheid gaat gepaard met hardheid. Daar dus in de sacramentale gedaanten de dichtheid blijft, blijft er bijgevolg ook de hardheid in en gevolgelijk ook het geluidgeven.
2e Weerlegging. De dichtheid gaat gepaard met hardheid. Daar dus in de sacramentale gedaanten de dichtheid blijft, blijft er bijgevolg ook de hardheid in en gevolgelijk ook het geluidgeven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Wat in eigen gedaante wordt gegeten, dat wordt ook in eigen gedaante gebroken en gekauwd. Het Lichaam van Christus wordt echter niet in eigen gedaante gegeten maar in sacramentale gedaante. Bij het woord van Joannes (6. 64): "Het Vlees dient tot niets" zegt dan ook Augustinus: "Dit is te verstaan met het oog op hen, die er een vleeselijk begrip aan hechten. Zij verstonden namelijk het Vlees in de zin, waarin vlees van een dood lichaam wordt afgescheurd of in de slagerij wordt verkocht". Daarom wordt het Lichaam van Christus ook niet in zichzelf gebroken maar alleen volgens de sacramentale gedaante. En in die zin moet men de Geloofsbelijdenis van Berengarius verstaan: dat namelijk het breken en het vermalen met de tanden betrokken wordt op de sacramentale gedaante, waaronder het Lichaam van Christus waarachtig tegenwoordig is.
3e Weerlegging. Wat in eigen gedaante wordt gegeten, dat wordt ook in eigen gedaante gebroken en gekauwd. Het Lichaam van Christus wordt echter niet in eigen gedaante gegeten maar in sacramentale gedaante. Bij het woord van Joannes (6. 64): "Het Vlees dient tot niets" zegt dan ook Augustinus: "Dit is te verstaan met het oog op hen, die er een vleeselijk begrip aan hechten. Zij verstonden namelijk het Vlees in de zin, waarin vlees van een dood lichaam wordt afgescheurd of in de slagerij wordt verkocht". Daarom wordt het Lichaam van Christus ook niet in zichzelf gebroken maar alleen volgens de sacramentale gedaante. En in die zin moet men de Geloofsbelijdenis van Berengarius verstaan: dat namelijk het breken en het vermalen met de tanden betrokken wordt op de sacramentale gedaante, waaronder het Lichaam van Christus waarachtig tegenwoordig is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Kan er een vloeistof gemengd worden bij de geconsecreerde wijn?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 80 a. 3 co.
IIIa q. 83 a. 6 ad 4[t:iiia q. 80 a. 3 co.][t:iiia q. 83 a. 6 ad 4]
IIIa q. 77 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat er geen vloeistof gemengd kan worden bij de geconsecreerde wijn. Want al wat bij iets gemengd wordt, neemt de hoedanigheid daarvan aan. Welnu, geen enkele vloeistof kan de hoedanigheid van de sacramentale gedaanten aannemen, daar deze bijkomstigheden zonder subject zijn, zoals gezegd is (1° Art.). Dus schijnt geen enkele vloeistof bij de sacramentale gedaante van wijn gemengd te kunnen worden.
R: q. 77 a. 1[t:iiia q. 77 a. 1]
IIIa q. 80 a. 3 co.
IIIa q. 83 a. 6 ad 4[t:iiia q. 80 a. 3 co.][t:iiia q. 83 a. 6 ad 4]
IIIa q. 77 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat er geen vloeistof gemengd kan worden bij de geconsecreerde wijn. Want al wat bij iets gemengd wordt, neemt de hoedanigheid daarvan aan. Welnu, geen enkele vloeistof kan de hoedanigheid van de sacramentale gedaanten aannemen, daar deze bijkomstigheden zonder subject zijn, zoals gezegd is (1° Art.). Dus schijnt geen enkele vloeistof bij de sacramentale gedaante van wijn gemengd te kunnen worden.
R: q. 77 a. 1[t:iiia q. 77 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Als er een vloeistof onder die gedaante vermengd wordt, moet daaruit iets eens ontstaan. Maar er kan niet iets eens ontstaan uit de zelfstandige vloeistof en de bijkomstige sacramentale gedaante, noch uit de vloeistof en het Bloed van Christus, dat vanwege zijn onvergankelijkheid evenmin toevoeging als vermindering toelaat. Dus kan er geen vloeistof bij de geconsacreerde wijn gemengd worden.
Vervolgens. Als er een vloeistof onder die gedaante vermengd wordt, moet daaruit iets eens ontstaan. Maar er kan niet iets eens ontstaan uit de zelfstandige vloeistof en de bijkomstige sacramentale gedaante, noch uit de vloeistof en het Bloed van Christus, dat vanwege zijn onvergankelijkheid evenmin toevoeging als vermindering toelaat. Dus kan er geen vloeistof bij de geconsacreerde wijn gemengd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Als er een vloeistof bij de geconsacreerde wijn gemengd wordt, schijnt zij zelf geconsacreerd te worden, zoals water, dat bij gewijd water gemengd wordt, zelf gewijd wordt. Nu is geconsacreerde wijn het waarachtig Bloed van Christus. Dus zou ook de gemengde vloeistof het Bloed van Christus zijn. En zo zou het Bloed van Christus op een andere wijze worden dan door consecratie, hetgeen niet aan te nemen is. Derhalve kan er geen vloeistof onder de geconsacreerde wijn vermengd worden.
Vervolgens. Als er een vloeistof bij de geconsacreerde wijn gemengd wordt, schijnt zij zelf geconsacreerd te worden, zoals water, dat bij gewijd water gemengd wordt, zelf gewijd wordt. Nu is geconsacreerde wijn het waarachtig Bloed van Christus. Dus zou ook de gemengde vloeistof het Bloed van Christus zijn. En zo zou het Bloed van Christus op een andere wijze worden dan door consecratie, hetgeen niet aan te nemen is. Derhalve kan er geen vloeistof onder de geconsacreerde wijn vermengd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 8 arg. 4
Vervolgens. Als er van twee één volkomen vergaat, krijgt men geen mengsel, zoals in De Generatione gezegd wordt. Maar bij elke bijmenging van een andere vloeistof schijnt de sacramentale gedaante van wijn te vergaan met het gevolg, dat het Bloed van Christus ophoudt eronder aanwezig te zijn. Zoowel omdat groot en klein onderscheidingen zijn van de hoegrootheid en haar tot een andere maken. Alsook omdat de bijgemengde vloeistof, geen beletsel ontmoetend, zich overal over het geheel schijnt te verspreiden: en zo houdt er het Bloed van Christus op, daar dit er niet tegelijk kan zijn met een andere zelfstandigheid. Dus kan er geen vloeistof onder de geconsacreerde wijn vermengd worden.
Vervolgens. Als er van twee één volkomen vergaat, krijgt men geen mengsel, zoals in De Generatione gezegd wordt. Maar bij elke bijmenging van een andere vloeistof schijnt de sacramentale gedaante van wijn te vergaan met het gevolg, dat het Bloed van Christus ophoudt eronder aanwezig te zijn. Zoowel omdat groot en klein onderscheidingen zijn van de hoegrootheid en haar tot een andere maken. Alsook omdat de bijgemengde vloeistof, geen beletsel ontmoetend, zich overal over het geheel schijnt te verspreiden: en zo houdt er het Bloed van Christus op, daar dit er niet tegelijk kan zijn met een andere zelfstandigheid. Dus kan er geen vloeistof onder de geconsacreerde wijn vermengd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter, dat zintuigelijk blijkt, hoe na de consecratie, even goed als ervoor, een andere vloeistof bij de wijn kan gemengd worden.
Daartegenover staat echter, dat zintuigelijk blijkt, hoe na de consecratie, even goed als ervoor, een andere vloeistof bij de wijn kan gemengd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 8 co.
Mijn antwoord. Wat in dit vraagstuk de waarheid is, is duidelijk uit het voorgaande. Er is immers boven gezegd (3° Art.; 5° Art. 2° Antw.), dat de in dit Sacrament overblijvende gedaanten, die door de kracht van de consecratie de wijze van zijn van de zelfstandigheid krijgen, op dezelfde manier ook de wijze van werken en lijden daarvan krijgen, in die zin nl. dat ze kunnen werken en lijden, alwat de zelfstandigheid, gesteld dat zij daar aanwezig was, zou werken en lijden. Nu is het duidelijk, dat, als daar de zelfstandigheid van de wijn was, er een andere vloeistof mee kon vermengd worden. Het gevolg van zo'n vermenging zou evenwel verschillend zijn, naar gelang van de vorm van de vloeistof en ook naar gelang van de hoeveelheid. Want als er een vloeistof zou bijgemengd worden in zulk een hoeveelheid, dat zij zich overal door de wijn kan verspreiden, dan zou het geheel gemengd zijn. Wat nu uit twee samengemengd is, is geen van de beide samengemengden: deze gaan integendeel met hun tweeën in een derde, uit hen samengesteld, over. Dus zou bijgevolg de eerst aanwezige wijn niet blijven, als de bijgemengde vloeistof van een andere soort zou zijn. — Mocht de toegevoegde vloeistof van dezelfde soort zijn b.v. als er bij de wijn wijn gemengd werd, dan zou wel dezelfde soort blijven maar niet deze afzonderlijke wijn. Dienaangaande geeft de verscheidenheid van de bijkomstigheden uitkomst b.v. als de ene wijn wit zou zijn en de andere rood. Wanneer echter de toegevoegde vloeistof zo gering zou zijn, dat zij zich niet over het geheel kan verspreiden, dan zou niet de hele wijn gemengd zijn, maar een deel ervan. Dit zou niet in zijn afzonderlijkheid voort blijven bestaan vanwege de vermenging van een andere stof. Maar het zou in soort gelijk blijven, niet alleen wanneer de geringe hoeveelheid bijgemengde vloeistof van dezelfde soort zou zijn, maar ook wanneer zij van een andere soort mocht zijn: een druppel water immers, bij een grote hoeveelheid wijn gemengd, gaat tot de soort van wijn over, zoals in De Generatione gezegd wordt. Nu is het uit het vroeger gezegde duidelijk (4° Art.; 76° Kw. 6° Art. 3° Antw.), dat het Lichaam en Bloed van Christus zolang in dit Sacrament blijven, als die gedaanten in haar afzonderlijkheid blijven: immers dit brood en deze wijn worden geconsecreerd. Indien er dus zo'n sterke vermenging, met welke andere vloeistof dan ook, plaats heeft, dat de bewuste vloeistof overal in de geconsecreerde wijn terecht komt en er een mengsel ontstaat, dan zal dit een nieuw afzonderlijk iets zijn en zal het Bloed van Christus er niet blijven. Maar indien de toevoeging van een vloeistof zo gering is, dat die vloeistof zich niet over het geheel kan verspreiden maar slechts over een deel van de gedaanten, dan zal het Bloed van Christus onder dat deel van de geconsecreerde wijn ophouden maar onder het overige deel blijven.
R: q. 77 a. 3[t:iiia q. 77 a. 3] q. 77 a. 5 ad 2[t:iiia q. 77 a. 5 ad 2] q. 77 a. 4[t:iiia q. 77 a. 4] q. 76 a. 6 ad 3[t:iiia q. 76 a. 6 ad 3]
Mijn antwoord. Wat in dit vraagstuk de waarheid is, is duidelijk uit het voorgaande. Er is immers boven gezegd (3° Art.; 5° Art. 2° Antw.), dat de in dit Sacrament overblijvende gedaanten, die door de kracht van de consecratie de wijze van zijn van de zelfstandigheid krijgen, op dezelfde manier ook de wijze van werken en lijden daarvan krijgen, in die zin nl. dat ze kunnen werken en lijden, alwat de zelfstandigheid, gesteld dat zij daar aanwezig was, zou werken en lijden. Nu is het duidelijk, dat, als daar de zelfstandigheid van de wijn was, er een andere vloeistof mee kon vermengd worden. Het gevolg van zo'n vermenging zou evenwel verschillend zijn, naar gelang van de vorm van de vloeistof en ook naar gelang van de hoeveelheid. Want als er een vloeistof zou bijgemengd worden in zulk een hoeveelheid, dat zij zich overal door de wijn kan verspreiden, dan zou het geheel gemengd zijn. Wat nu uit twee samengemengd is, is geen van de beide samengemengden: deze gaan integendeel met hun tweeën in een derde, uit hen samengesteld, over. Dus zou bijgevolg de eerst aanwezige wijn niet blijven, als de bijgemengde vloeistof van een andere soort zou zijn. — Mocht de toegevoegde vloeistof van dezelfde soort zijn b.v. als er bij de wijn wijn gemengd werd, dan zou wel dezelfde soort blijven maar niet deze afzonderlijke wijn. Dienaangaande geeft de verscheidenheid van de bijkomstigheden uitkomst b.v. als de ene wijn wit zou zijn en de andere rood. Wanneer echter de toegevoegde vloeistof zo gering zou zijn, dat zij zich niet over het geheel kan verspreiden, dan zou niet de hele wijn gemengd zijn, maar een deel ervan. Dit zou niet in zijn afzonderlijkheid voort blijven bestaan vanwege de vermenging van een andere stof. Maar het zou in soort gelijk blijven, niet alleen wanneer de geringe hoeveelheid bijgemengde vloeistof van dezelfde soort zou zijn, maar ook wanneer zij van een andere soort mocht zijn: een druppel water immers, bij een grote hoeveelheid wijn gemengd, gaat tot de soort van wijn over, zoals in De Generatione gezegd wordt. Nu is het uit het vroeger gezegde duidelijk (4° Art.; 76° Kw. 6° Art. 3° Antw.), dat het Lichaam en Bloed van Christus zolang in dit Sacrament blijven, als die gedaanten in haar afzonderlijkheid blijven: immers dit brood en deze wijn worden geconsecreerd. Indien er dus zo'n sterke vermenging, met welke andere vloeistof dan ook, plaats heeft, dat de bewuste vloeistof overal in de geconsecreerde wijn terecht komt en er een mengsel ontstaat, dan zal dit een nieuw afzonderlijk iets zijn en zal het Bloed van Christus er niet blijven. Maar indien de toevoeging van een vloeistof zo gering is, dat die vloeistof zich niet over het geheel kan verspreiden maar slechts over een deel van de gedaanten, dan zal het Bloed van Christus onder dat deel van de geconsecreerde wijn ophouden maar onder het overige deel blijven.
R: q. 77 a. 3[t:iiia q. 77 a. 3] q. 77 a. 5 ad 2[t:iiia q. 77 a. 5 ad 2] q. 77 a. 4[t:iiia q. 77 a. 4] q. 76 a. 6 ad 3[t:iiia q. 76 a. 6 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Innocentius III zegt dat "de bijkomstigheden schijnen over te gaan in de toegevoegde wijn, want als er water toegevoegd werd, zou het de smaak van de wijn overnemen. Het geval is dus, dat de bijkomstigheden het subject veranderen, zoals het ook voorkomt, dat het subject de bijkomstigheden verandert. De natuur wijkt blijkbaar voor het wonder en er werkt een kracht, die alle gewone regel te boven gaat". Dit moet men echter niet zó verstaan, alsof een en dezelfde bijkomstigheid eerst in de wijn is vóór de consecratie en daarna in de toegevoegde wijn is: nee, die verandering gebeurt door inwerking. Want de overblijvende bijkomstigheden van de wijn behouden de werkdadigheid van de zelfstandigheid, volgens het boven gezegde (in de Leerst.): en zo gaan ze op de toegevoegde vloeistof over, voorzover zij deze veranderen.
1e Weerlegging. Innocentius III zegt dat "de bijkomstigheden schijnen over te gaan in de toegevoegde wijn, want als er water toegevoegd werd, zou het de smaak van de wijn overnemen. Het geval is dus, dat de bijkomstigheden het subject veranderen, zoals het ook voorkomt, dat het subject de bijkomstigheden verandert. De natuur wijkt blijkbaar voor het wonder en er werkt een kracht, die alle gewone regel te boven gaat". Dit moet men echter niet zó verstaan, alsof een en dezelfde bijkomstigheid eerst in de wijn is vóór de consecratie en daarna in de toegevoegde wijn is: nee, die verandering gebeurt door inwerking. Want de overblijvende bijkomstigheden van de wijn behouden de werkdadigheid van de zelfstandigheid, volgens het boven gezegde (in de Leerst.): en zo gaan ze op de toegevoegde vloeistof over, voorzover zij deze veranderen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. De aan de geconsacreerde wijn toegevoegde vloeistof vermengt zich geenszins met de zelfstandigheid van het Bloed van Christus. Zij vermengt zich met de sacramentale gedaante, met die verstande evenwel, dat bij de vermenging de genoemde gedaante geheel of gedeeltelijk vergaat, op de wijze, waarop volgens het boven gezegde (5° Art.) uit die geboorte iets kan ontstaan. Vergaat zij geheel, dan blijft er geen enkele moeilijkheid over, omdat in dat geval het geheel overal hetzelfde wordt. Vergaat zij echter gedeeltelijk, dan zal men één afmeting hebben volgens aaneengeslotenheid van de hoogte van zijn natuur aangaat.
R: q. 77 a. 5[t:iiia q. 77 a. 5]
2e Weerlegging. De aan de geconsacreerde wijn toegevoegde vloeistof vermengt zich geenszins met de zelfstandigheid van het Bloed van Christus. Zij vermengt zich met de sacramentale gedaante, met die verstande evenwel, dat bij de vermenging de genoemde gedaante geheel of gedeeltelijk vergaat, op de wijze, waarop volgens het boven gezegde (5° Art.) uit die geboorte iets kan ontstaan. Vergaat zij geheel, dan blijft er geen enkele moeilijkheid over, omdat in dat geval het geheel overal hetzelfde wordt. Vergaat zij echter gedeeltelijk, dan zal men één afmeting hebben volgens aaneengeslotenheid van de hoogte van zijn natuur aangaat.
R: q. 77 a. 5[t:iiia q. 77 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Innocentius III zegt, "gaat, in het geval dat er na de consecratie van de kelk andere wijn in de kelk wordt gedaan, deze nieuwe wijn niet in het Bloed over, noch vermengt hij zich met het Bloed: maar, zich vermengend met de bijkomstigheden van de eerst aanwezige wijn, omstroomt hij van alle kanten het onder haar verborgen Lichaam, zonder dat dit daardoor bevochtigd wordt". Dat geldt, wanneer de vermenging met een vreemde vloeistof niet zó sterk is, dat het Bloed over het geheel ophoudt. Dan heet zij "van alle kanten te omstroomen", niet alsof zij het Bloed van Christus volgens de eigen afmetingen ervan raakt, maar alleen volgens de sacramentale afmetingen, waaronder het is vervat. — De vergelijking met het wijwater gaat niet op, want die wijding bewerkt geen enkele verandering inzake de zelfstandigheid van het water, in tegenstelling met wat de consecratie van de wijn doet.
3e Weerlegging. Zoals Innocentius III zegt, "gaat, in het geval dat er na de consecratie van de kelk andere wijn in de kelk wordt gedaan, deze nieuwe wijn niet in het Bloed over, noch vermengt hij zich met het Bloed: maar, zich vermengend met de bijkomstigheden van de eerst aanwezige wijn, omstroomt hij van alle kanten het onder haar verborgen Lichaam, zonder dat dit daardoor bevochtigd wordt". Dat geldt, wanneer de vermenging met een vreemde vloeistof niet zó sterk is, dat het Bloed over het geheel ophoudt. Dan heet zij "van alle kanten te omstroomen", niet alsof zij het Bloed van Christus volgens de eigen afmetingen ervan raakt, maar alleen volgens de sacramentale afmetingen, waaronder het is vervat. — De vergelijking met het wijwater gaat niet op, want die wijding bewerkt geen enkele verandering inzake de zelfstandigheid van het water, in tegenstelling met wat de consecratie van de wijn doet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 77 a. 8 ad 4
4e Weerlegging. Sommigen hebben beweerd dat, hoe gering ook de bijmenging van de vreemde vloeistof is, de zelfstandigheid van het Bloed van Christus over het geheel ophoudt. En dat wel om de aangegeven reden. Maar deze is niet dwingend. Want groot en klein maken de meetbare hoogte tot een andere, niet in haar wezen, maar volgens de bepalende maat. Ook de andere reden gaat niet op: de toegevoegde vloeistof kan zo weinig zijn, dat zij reeds door haar geringheid verhinderd wordt zich over het geheel te verspreiden; maar verder wordt zij hierin ook verhinderd door de afmetingen, die, al zijn zij dan zonder subject, toch een andere vloeistof tegenhouden, niet minder dan de zelfstandigheid, wanneer deze aanwezig was, volgens het vroeger gezegde (in de Leerst.).
4e Weerlegging. Sommigen hebben beweerd dat, hoe gering ook de bijmenging van de vreemde vloeistof is, de zelfstandigheid van het Bloed van Christus over het geheel ophoudt. En dat wel om de aangegeven reden. Maar deze is niet dwingend. Want groot en klein maken de meetbare hoogte tot een andere, niet in haar wezen, maar volgens de bepalende maat. Ook de andere reden gaat niet op: de toegevoegde vloeistof kan zo weinig zijn, dat zij reeds door haar geringheid verhinderd wordt zich over het geheel te verspreiden; maar verder wordt zij hierin ook verhinderd door de afmetingen, die, al zijn zij dan zonder subject, toch een andere vloeistof tegenhouden, niet minder dan de zelfstandigheid, wanneer deze aanwezig was, volgens het vroeger gezegde (in de Leerst.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 78: Over de vorm van dit Sacrament
IIIa q. 78 pr.
Vervolgens dient de vorm van dit Sacrament te worden beschouwd. Hieromtrent stellen wij zes vragen.
1. Wat is de vorm van dit Sacrament?
2. Is de vorm van de consecratie van het brood geschikt?
3. Is de vorm van de consecratie van het Bloed geschikt?
4. Over de kracht van de twee vormen.
5. Over de waarheid van het erin gezegde.
6. Over de vergelijking van de ene vorm met de andere.
Vervolgens dient de vorm van dit Sacrament te worden beschouwd. Hieromtrent stellen wij zes vragen.
1. Wat is de vorm van dit Sacrament?
2. Is de vorm van de consecratie van het brood geschikt?
3. Is de vorm van de consecratie van het Bloed geschikt?
4. Over de kracht van de twee vormen.
5. Over de waarheid van het erin gezegde.
6. Over de vergelijking van de ene vorm met de andere.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is de vorm van dit Sacrament: Dit is Mijn Lichaam, en: Dit is de kelk van Mijn Bloed?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 73 a. 1 arg. 3
IIIa q. 78 a. 2 co.
IIIa q. 78 a. 2 ad 4
IIIa q. 82 a. 1 co.[t:iiia q. 73 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 78 a. 2 co.][t:iiia q. 78 a. 2 ad 4][t:iiia q. 82 a. 1 co.]
IIIa q. 78 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de vorm van dit Sacrament niet is: "Dit is Mijn Lichaam", en: "Dit is de kelk van Mijn Bloed". Immers schijnen tot de vorm van het Sacrament die woorden te behoren, waardoor Christus Zijn Lichaam en Bloed heeft geconsacreerd. Welnu, Christus heeft eerst het brood genomen en het gezegend en daarna pas gezegd: "Neemt en eet: Dit is Mijn Lichaam", zoals men vindt bij Mattheus (26. 26); en hetzelfde heeft Hij met de kelk gedaan. Dus zijn genoemde woorden niet de vorm van dit Sacrament.
B: (Matt 26:26) [b:Matt 26:26]
IIIa q. 73 a. 1 arg. 3
IIIa q. 78 a. 2 co.
IIIa q. 78 a. 2 ad 4
IIIa q. 82 a. 1 co.[t:iiia q. 73 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 78 a. 2 co.][t:iiia q. 78 a. 2 ad 4][t:iiia q. 82 a. 1 co.]
IIIa q. 78 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de vorm van dit Sacrament niet is: "Dit is Mijn Lichaam", en: "Dit is de kelk van Mijn Bloed". Immers schijnen tot de vorm van het Sacrament die woorden te behoren, waardoor Christus Zijn Lichaam en Bloed heeft geconsacreerd. Welnu, Christus heeft eerst het brood genomen en het gezegend en daarna pas gezegd: "Neemt en eet: Dit is Mijn Lichaam", zoals men vindt bij Mattheus (26. 26); en hetzelfde heeft Hij met de kelk gedaan. Dus zijn genoemde woorden niet de vorm van dit Sacrament.
B: (Matt 26:26) [b:Matt 26:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Eusebius Emesenus zegt, dat "de onzichtbare Priester zichtbare dingen van deze wereld in Zijn Lichaam verandert, zeggende: Neemt en eet, Dit is Mijn Lichaam". Dus schijnt dit hele gezegde tot de vorm van het Sacrament te behoren. En hetzelfde geldt van de woorden, die het Bloed betreffen.
Vervolgens. Eusebius Emesenus zegt, dat "de onzichtbare Priester zichtbare dingen van deze wereld in Zijn Lichaam verandert, zeggende: Neemt en eet, Dit is Mijn Lichaam". Dus schijnt dit hele gezegde tot de vorm van het Sacrament te behoren. En hetzelfde geldt van de woorden, die het Bloed betreffen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 1 arg. 3
Vervolgens. In de vorm van het doopsel wordt de persoon en de handeling van de bedienaar uitgedrukt met de woorden: "Ik doop in". Nu wordt er in de aangegeven woorden volstrekt geen melding gemaakt van de persoon van de bedienaar noch van zijn handeling. Dus is dat geen geschikte vorm van het sacrament.
Vervolgens. In de vorm van het doopsel wordt de persoon en de handeling van de bedienaar uitgedrukt met de woorden: "Ik doop in". Nu wordt er in de aangegeven woorden volstrekt geen melding gemaakt van de persoon van de bedienaar noch van zijn handeling. Dus is dat geen geschikte vorm van het sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 1 arg. 4
Vervolgens. De vorm van een sacrament volstaat voor het tot stand komen van het sacrament: daarom is het mogelijk, dat het sacrament van het doopsel weleens wordt voltrokken door de woorden van de vorm alleen, met weglating van alle andere. Indien dus genoemde woorden de vorm van dit Sacrament zijn, schijnt het mogelijk, dat dit Sacrament weleens wordt voltrokken door deze woorden alleen, met weglating van alle andere, die in de Mis gezegd worden. Dit echter schijnt vals te zijn: immers bij weglating van de andere woorden zouden genoemde woorden verstaan worden volgens de persoon van de priester, die ze uitspreekt — in wiens lichaam en bloed het brood en de wijn niet veranderd worden. Dus zijn genoemde woorden niet de vorm van dit Sacrament.
Vervolgens. De vorm van een sacrament volstaat voor het tot stand komen van het sacrament: daarom is het mogelijk, dat het sacrament van het doopsel weleens wordt voltrokken door de woorden van de vorm alleen, met weglating van alle andere. Indien dus genoemde woorden de vorm van dit Sacrament zijn, schijnt het mogelijk, dat dit Sacrament weleens wordt voltrokken door deze woorden alleen, met weglating van alle andere, die in de Mis gezegd worden. Dit echter schijnt vals te zijn: immers bij weglating van de andere woorden zouden genoemde woorden verstaan worden volgens de persoon van de priester, die ze uitspreekt — in wiens lichaam en bloed het brood en de wijn niet veranderd worden. Dus zijn genoemde woorden niet de vorm van dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: "De consecratie gebeurt door de woorden en uitdrukkingen van de Heer Jesus. Want in al de andere woorden, die gesproken worden, wordt aan God lof gebracht en wordt met smeekgebed gevraagd voor het volk, voor de koningen, voor allen. Maar als het Sacrament wordt voltrokken, dan gebruikt de priester niet meer zijn eigen woorden, maar gebruikt hij de woorden van Christus. Dus is het het woord van Christus, dat het Sacrament voltrekt".
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: "De consecratie gebeurt door de woorden en uitdrukkingen van de Heer Jesus. Want in al de andere woorden, die gesproken worden, wordt aan God lof gebracht en wordt met smeekgebed gevraagd voor het volk, voor de koningen, voor allen. Maar als het Sacrament wordt voltrokken, dan gebruikt de priester niet meer zijn eigen woorden, maar gebruikt hij de woorden van Christus. Dus is het het woord van Christus, dat het Sacrament voltrekt".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 1 co.
Mijn antwoord. Dit Sacrament verschilt van de andere sacramenten in twee opzichten. Vooreerst voorzover dit Sacrament voltrokken wordt bij de consecratie van de stof, terwijl de andere sacramenten voltrokken worden bij het gebruik van de geconsecreerde stof. — Ten tweede voorzover de consecratie van de stof bij de andere sacramenten alleen maar bestaat in een zekere zegening, waardoor de geconsecreerde stof een soort geestelijke werktuigelijke kracht ontvangt, die door de bedienaar, het bezielde werktuig, naar de onbezielde werktuigen kan toevloeien. Maar bij dit Sacrament bestaat de consecratie van de stof in een wonderbare verandering van de zelfstandigheid, die alleen door God tot stand gebracht kan worden. Daarom heeft de bedienaar bij het tot stand brengen van dit Sacrament geen andere handeling dan het uitspreken van de woorden. En omdat nu de vorm moet passen bij het ding, daarom verschilt de vorm van dit Sacrament in twee opzichten van de vormen der andere sacramenten. Vooreerst voorzover de vormen van de andere sacramenten het gebruik van de stof aangeven b.v. het dopen of het tekenen, terwijl de vorm van dit Sacrament alleen maar de consecratie van de stof, die een zelfstandigheidsverandering is, aangeeft, met de woorden: "Dit is Mijn Lichaam" of "Dit is de kelk van Mijn Bloed". — Ten tweede voorzover de vormen van de andere sacramenten worden uitgesproken in de persoon van de bedienaar, hetzij als handelend b.v. bij de woorden: "Ik doop u" of "Ik vorm u", hetzij als bevelend, zoals bij het sacrament van het priesterschap wordt gezegd: "Ontvang de macht" enz., hetzij als smeekend, zoals wanneer bij het sacrament van het laatste oliesel wordt gezegd: "Door deze zalfving en onze tusschenkomst" enz. Maar de vorm van dit Sacrament wordt gebezigd in de persoon van Christus Zelf, die spreekt, opdat zo te verstaan gegeven worde, dat de bedienaar bij het tot stand brengen van dit Sacrament niets doet dan alleen maar de woorden van Christus bezigen.
Mijn antwoord. Dit Sacrament verschilt van de andere sacramenten in twee opzichten. Vooreerst voorzover dit Sacrament voltrokken wordt bij de consecratie van de stof, terwijl de andere sacramenten voltrokken worden bij het gebruik van de geconsecreerde stof. — Ten tweede voorzover de consecratie van de stof bij de andere sacramenten alleen maar bestaat in een zekere zegening, waardoor de geconsecreerde stof een soort geestelijke werktuigelijke kracht ontvangt, die door de bedienaar, het bezielde werktuig, naar de onbezielde werktuigen kan toevloeien. Maar bij dit Sacrament bestaat de consecratie van de stof in een wonderbare verandering van de zelfstandigheid, die alleen door God tot stand gebracht kan worden. Daarom heeft de bedienaar bij het tot stand brengen van dit Sacrament geen andere handeling dan het uitspreken van de woorden. En omdat nu de vorm moet passen bij het ding, daarom verschilt de vorm van dit Sacrament in twee opzichten van de vormen der andere sacramenten. Vooreerst voorzover de vormen van de andere sacramenten het gebruik van de stof aangeven b.v. het dopen of het tekenen, terwijl de vorm van dit Sacrament alleen maar de consecratie van de stof, die een zelfstandigheidsverandering is, aangeeft, met de woorden: "Dit is Mijn Lichaam" of "Dit is de kelk van Mijn Bloed". — Ten tweede voorzover de vormen van de andere sacramenten worden uitgesproken in de persoon van de bedienaar, hetzij als handelend b.v. bij de woorden: "Ik doop u" of "Ik vorm u", hetzij als bevelend, zoals bij het sacrament van het priesterschap wordt gezegd: "Ontvang de macht" enz., hetzij als smeekend, zoals wanneer bij het sacrament van het laatste oliesel wordt gezegd: "Door deze zalfving en onze tusschenkomst" enz. Maar de vorm van dit Sacrament wordt gebezigd in de persoon van Christus Zelf, die spreekt, opdat zo te verstaan gegeven worde, dat de bedienaar bij het tot stand brengen van dit Sacrament niets doet dan alleen maar de woorden van Christus bezigen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Hierover zijn vele meningen. Sommigen immers hebben beweerd, dat Christus, die een voorrang van bediening in zake de sacramenten bezat, zonder een enkel woord als vorm dit Sacrament heeft voltrokken en dat Hij daarna de woorden heeft gezegd, waarmee anderen later zouden consecreren. Dat schijnt de bedoeling te zijn van de woorden van Innocentius III, die zegt: "Zonder twijfel kan men beweren, dat Christus door goddelijke kracht de Eucharistie heeft voltrokken en dat Hij daarna de vorm heeft uitgesproken, die het nageslacht zou dienen tot zegenspreuk". Maar hiertegen zijn heel duidelijk de woorden van het Evangelie, in welke gezegd wordt, dat Christus zegende, wat met woorden moet zijn gebeurd. Voornoemde woorden van Innocentius zijn daarom méér bij wijze van gissing dan als beslissende uitspraak naar voren gebracht. — Sommigen hebben dan beweerd, dat die zegening gebeurd is met enige andere, ons onbekende, woorden. Maar ook dat kan geen stand houden, omdat de zegening van de consecratie nu voltrokken wordt door het verhaal van wat toen is geschied; gesteld dus dat door deze woorden de consecratie toen niet heeft plaats gehad, dan ook nu niet. — Daarom hebben anderen gezegd, dat die zegening heeft plaats gehad met juist dezelfde woorden als nu, maar dat Christus ze tweemaal heeft gesproken, eerst zacht om te consecreren, daarna luidop om ons te leren. Doch ook dat kan geen stand houden, want de priester consecreert door deze woorden uit te spreken, niet als door Christus bij een geheime zegening gebezigd, maar als openlijk gezegd. Gegeven dus dat deze woorden geen kracht hebben dan alleen maar uit het gebruik ervan door Christus, schijnt ook Christus geconsecreerd te hebben door het luidop uitspreken van deze woorden. — Anderen dan ook hebben gezegd, dat de evangelisten bij het verhalen niet altijd dezelfde orde in acht hebben genomen, als waarin de dingen gebeurd zijn, zoals blijkt bij Augustinus. Men kan zich daarom de orde der gebeurtenissen aldus uitgedrukt denken: "Het brood nemende zegende Hij het, zeggende: "Dit is Mijn Lichaam», en daarna brak Hij het en gaf Hij het aan Zijn leerlingen». Men kan evenwel dezelfde zin krijgen, óók zonder verandering van de woorden van het Evangelie. Want dit deelwoord "zeggende» geeft een zekere gelijktijdigheid aan van de gesproken woorden met datgene wat voorafgaat. Nu is het niet nodig deze gelijktijdigheid alleen maar te verstaan ten opzichte van het laatst uitgesproken woord, alsof Christus die woorden heeft gesproken, toen Hij ronddeelde: men kan de gelijktijdigheid ook verstaan ten opzichte van alles wat voorafging, zodat de zin wordt: Terwijl Hij zegende, brak en aan Zijn leerlingen gaf, zeide Hij deze woorden: "Neemt» enz.
1e Weerlegging. Hierover zijn vele meningen. Sommigen immers hebben beweerd, dat Christus, die een voorrang van bediening in zake de sacramenten bezat, zonder een enkel woord als vorm dit Sacrament heeft voltrokken en dat Hij daarna de woorden heeft gezegd, waarmee anderen later zouden consecreren. Dat schijnt de bedoeling te zijn van de woorden van Innocentius III, die zegt: "Zonder twijfel kan men beweren, dat Christus door goddelijke kracht de Eucharistie heeft voltrokken en dat Hij daarna de vorm heeft uitgesproken, die het nageslacht zou dienen tot zegenspreuk". Maar hiertegen zijn heel duidelijk de woorden van het Evangelie, in welke gezegd wordt, dat Christus zegende, wat met woorden moet zijn gebeurd. Voornoemde woorden van Innocentius zijn daarom méér bij wijze van gissing dan als beslissende uitspraak naar voren gebracht. — Sommigen hebben dan beweerd, dat die zegening gebeurd is met enige andere, ons onbekende, woorden. Maar ook dat kan geen stand houden, omdat de zegening van de consecratie nu voltrokken wordt door het verhaal van wat toen is geschied; gesteld dus dat door deze woorden de consecratie toen niet heeft plaats gehad, dan ook nu niet. — Daarom hebben anderen gezegd, dat die zegening heeft plaats gehad met juist dezelfde woorden als nu, maar dat Christus ze tweemaal heeft gesproken, eerst zacht om te consecreren, daarna luidop om ons te leren. Doch ook dat kan geen stand houden, want de priester consecreert door deze woorden uit te spreken, niet als door Christus bij een geheime zegening gebezigd, maar als openlijk gezegd. Gegeven dus dat deze woorden geen kracht hebben dan alleen maar uit het gebruik ervan door Christus, schijnt ook Christus geconsecreerd te hebben door het luidop uitspreken van deze woorden. — Anderen dan ook hebben gezegd, dat de evangelisten bij het verhalen niet altijd dezelfde orde in acht hebben genomen, als waarin de dingen gebeurd zijn, zoals blijkt bij Augustinus. Men kan zich daarom de orde der gebeurtenissen aldus uitgedrukt denken: "Het brood nemende zegende Hij het, zeggende: "Dit is Mijn Lichaam», en daarna brak Hij het en gaf Hij het aan Zijn leerlingen». Men kan evenwel dezelfde zin krijgen, óók zonder verandering van de woorden van het Evangelie. Want dit deelwoord "zeggende» geeft een zekere gelijktijdigheid aan van de gesproken woorden met datgene wat voorafgaat. Nu is het niet nodig deze gelijktijdigheid alleen maar te verstaan ten opzichte van het laatst uitgesproken woord, alsof Christus die woorden heeft gesproken, toen Hij ronddeelde: men kan de gelijktijdigheid ook verstaan ten opzichte van alles wat voorafging, zodat de zin wordt: Terwijl Hij zegende, brak en aan Zijn leerlingen gaf, zeide Hij deze woorden: "Neemt» enz.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Deze woorden "Neemt en eet» geven het gebruik aan van de geconsacreerde stof, dat niet tot het wezen van dit Sacrament behoort, zoals boven is uiteengezet (74° Kw. 7° Art.). Daarom behoren deze woorden ook niet tot het wezen van de vorm. Omdat echter het gebruik van de geconsacreerde stof een zekere volkomenheid van het Sacrament inhoudt, zoals de werking van een ding niet zijn eerste maar zijn tweede volkomenheid is, daarom wordt door al die woorden tezamen heel de volkomenheid van dit Sacrament uitgedrukt: en op die manier heeft Eusebius bedoeld, dat door deze woorden het Sacrament voltrokken wordt wat betreft zijn eerste én tweede volkomenheid.
R: q. 74 a. 7[t:iiia q. 74 a. 7]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 83 a. 4 ad 2[t:iiia q. 83 a. 4 ad 2]
2e Weerlegging. Deze woorden "Neemt en eet» geven het gebruik aan van de geconsacreerde stof, dat niet tot het wezen van dit Sacrament behoort, zoals boven is uiteengezet (74° Kw. 7° Art.). Daarom behoren deze woorden ook niet tot het wezen van de vorm. Omdat echter het gebruik van de geconsacreerde stof een zekere volkomenheid van het Sacrament inhoudt, zoals de werking van een ding niet zijn eerste maar zijn tweede volkomenheid is, daarom wordt door al die woorden tezamen heel de volkomenheid van dit Sacrament uitgedrukt: en op die manier heeft Eusebius bedoeld, dat door deze woorden het Sacrament voltrokken wordt wat betreft zijn eerste én tweede volkomenheid.
R: q. 74 a. 7[t:iiia q. 74 a. 7]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 83 a. 4 ad 2[t:iiia q. 83 a. 4 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Bij het sacrament des doopsels verricht de bedienaar een handeling met betrekking tot het gebruik van de stof, dat tot het wezen van het sacrament behoort. Dit laatste is echter niet het geval in dit sacrament en dus gaat de vergelijking niet op.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 78 a. 5 arg. 1[t:iiia q. 78 a. 5 arg. 1]
3e Weerlegging. Bij het sacrament des doopsels verricht de bedienaar een handeling met betrekking tot het gebruik van de stof, dat tot het wezen van het sacrament behoort. Dit laatste is echter niet het geval in dit sacrament en dus gaat de vergelijking niet op.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 78 a. 5 arg. 1[t:iiia q. 78 a. 5 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. Sommigen hebben beweerd, dat dit sacrament niet kan voltrokken worden door het uitspreken van de genoemde woorden met weglating van de andere, vooral van die, welke in de canon van de Mis staan. Maar dit blijkt onjuist te zijn, zowel uit de boven aangehaalde woorden van Ambrosius (in de Tegenbed.), alsook omdat de canon van de Mis niet bij allen en in alle tijden dezelfde is, maar er door verschillende mensen verschillende toevoegingen zijn gedaan. Derhalve moet men zeggen, dat wanneer de priester alleen maar de genoemde woorden zou uitspreken met de bedoeling dit sacrament te voltrekken, dit sacrament zou voltrokken worden, omdat de bedoeling zou maken, dat deze woorden de zin zouden hebben van gezegd te worden in de persoon van Christus, ook al zou dit niet aangegeven worden door de voorafgaande woorden; maar de priester, die zo dit sacrament voltrok, zou zwaar zondigen wegens niet onderhouden van de ritus van de Kerk. De vergelijking met het doopsel gaat niet op, omdat het doopsel een noodzakelijk sacrament is, terwijl in de afwezigheid van dit sacrament het geestelijk eten kan voorzien, zoals Augustinus zegt.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 83 a. 4 ad 2[t:iiia q. 83 a. 4 ad 2]
4e Weerlegging. Sommigen hebben beweerd, dat dit sacrament niet kan voltrokken worden door het uitspreken van de genoemde woorden met weglating van de andere, vooral van die, welke in de canon van de Mis staan. Maar dit blijkt onjuist te zijn, zowel uit de boven aangehaalde woorden van Ambrosius (in de Tegenbed.), alsook omdat de canon van de Mis niet bij allen en in alle tijden dezelfde is, maar er door verschillende mensen verschillende toevoegingen zijn gedaan. Derhalve moet men zeggen, dat wanneer de priester alleen maar de genoemde woorden zou uitspreken met de bedoeling dit sacrament te voltrekken, dit sacrament zou voltrokken worden, omdat de bedoeling zou maken, dat deze woorden de zin zouden hebben van gezegd te worden in de persoon van Christus, ook al zou dit niet aangegeven worden door de voorafgaande woorden; maar de priester, die zo dit sacrament voltrok, zou zwaar zondigen wegens niet onderhouden van de ritus van de Kerk. De vergelijking met het doopsel gaat niet op, omdat het doopsel een noodzakelijk sacrament is, terwijl in de afwezigheid van dit sacrament het geestelijk eten kan voorzien, zoals Augustinus zegt.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 83 a. 4 ad 2[t:iiia q. 83 a. 4 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is dit een geschikte vorm van de consecratie van het brood: Dit is Mijn Lichaam?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 78 a. 3 co.[t:iiia q. 78 a. 3 co.]
IIIa q. 78 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat dit niet een geschikte vorm van de consecratie van het brood is: "Dit is Mijn Lichaam". Door de vorm van een sacrament moet immers het uitwerksel van het sacrament worden uitgedrukt. Nu is het uitwerksel, dat bij de consecratie van het brood tot stand komt, de verandering van de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus, welke verandering beter uitgedrukt wordt door het woord "wordt" dan door het woord "is". Dus moest in de vorm van de consecratie gezegd worden: "Dit wordt Mijn Lichaam".
IIIa q. 78 a. 3 co.[t:iiia q. 78 a. 3 co.]
IIIa q. 78 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat dit niet een geschikte vorm van de consecratie van het brood is: "Dit is Mijn Lichaam". Door de vorm van een sacrament moet immers het uitwerksel van het sacrament worden uitgedrukt. Nu is het uitwerksel, dat bij de consecratie van het brood tot stand komt, de verandering van de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus, welke verandering beter uitgedrukt wordt door het woord "wordt" dan door het woord "is". Dus moest in de vorm van de consecratie gezegd worden: "Dit wordt Mijn Lichaam".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Ambrosius zegt: "Het woord van Christus voltrekt dit Sacrament. Welk woord van Christus? Datgene waardoor alle dingen gemaakt zijn. De Heer beval en de hemelen en de aarde zijn gemaakt". Dus zou het ook voor de vorm van dit Sacrament geschikter zijn, als de bevelende wijs werd gebruikt b.v. als er gezegd werd: "Dit zij Mijn Lichaam".
Vervolgens. Ambrosius zegt: "Het woord van Christus voltrekt dit Sacrament. Welk woord van Christus? Datgene waardoor alle dingen gemaakt zijn. De Heer beval en de hemelen en de aarde zijn gemaakt". Dus zou het ook voor de vorm van dit Sacrament geschikter zijn, als de bevelende wijs werd gebruikt b.v. als er gezegd werd: "Dit zij Mijn Lichaam".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Het onderwerp van deze zin houdt het veranderende ding in, terwijl het gezegde het eindpunt van de verandering inhoudt. Zoals nu datgene bepaald is, waarop de verandering uitloopt (de verandering immers loopt alleen maar uit op het Lichaam van Christus), zo is ook het veranderde ding bepaald (immers alleen het brood verandert in het Lichaam van Christus). Zoals derhalve in het gezegde een naamwoord wordt gebruikt, zo moest ook bij het onderwerp een naamwoord gebruikt worden door b.v. te zeggen: "Dit brood is Mijn Lichaam".
Vervolgens. Het onderwerp van deze zin houdt het veranderende ding in, terwijl het gezegde het eindpunt van de verandering inhoudt. Zoals nu datgene bepaald is, waarop de verandering uitloopt (de verandering immers loopt alleen maar uit op het Lichaam van Christus), zo is ook het veranderde ding bepaald (immers alleen het brood verandert in het Lichaam van Christus). Zoals derhalve in het gezegde een naamwoord wordt gebruikt, zo moest ook bij het onderwerp een naamwoord gebruikt worden door b.v. te zeggen: "Dit brood is Mijn Lichaam".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 2 arg. 4
Vervolgens. Datgene, waarin de verandering eindigt, heeft een bepaalde natuur (het is immers een Lichaam), maar het behoort ook tot een bepaalde Persoon. Zoals er derhalve "Lichaam" gezegd wordt om de natuur aan te geven, zo moest er ook om de Persoon aan te geven gezegd worden: "Dit is het Lichaam van Christus".
Vervolgens. Datgene, waarin de verandering eindigt, heeft een bepaalde natuur (het is immers een Lichaam), maar het behoort ook tot een bepaalde Persoon. Zoals er derhalve "Lichaam" gezegd wordt om de natuur aan te geven, zo moest er ook om de Persoon aan te geven gezegd worden: "Dit is het Lichaam van Christus".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 2 arg. 5
Vervolgens. In de woorden van de vorm moet niet iets gezegd worden, wat niet tot het wezen ervan behoort. Dus is het verkeerd, dat in sommige boeken de toevoeging "want" gedaan wordt, welke niet tot het wezen van de vorm behoort.
Vervolgens. In de woorden van de vorm moet niet iets gezegd worden, wat niet tot het wezen ervan behoort. Dus is het verkeerd, dat in sommige boeken de toevoeging "want" gedaan wordt, welke niet tot het wezen van de vorm behoort.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij het consacreren deze vorm heeft gebruikt, zoals blijkt bij Mattheus (26. 26).
B: (Matt 26:26) [b:Matt 26:26]
Daartegenover staat echter, dat de Heer bij het consacreren deze vorm heeft gebruikt, zoals blijkt bij Mattheus (26. 26).
B: (Matt 26:26) [b:Matt 26:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 2 co.
Mijn antwoord. Dit is een geschikte vorm van de consecratie van het brood. Er is immers gezegd (vorig Art.), dat deze consecratie bestaat in de verandering van de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus. Nu moet de vorm van een sacrament betekenen datgene, wat in het sacrament wordt uitgewerkt. Daarom moet ook de vorm van de consecratie van het brood juist de verandering betekenen van het brood in het Lichaam van Christus, bij welke verandering men op drie zaken moet letten t.w. op de verandering zelf, het eindpunt en het uitgangspunt. De verandering kan op twee manieren beschouwd worden: vooreerst als in wording, vervolgens als in geworden zijn. Nu moest in dezen vorm de verandering niet worden betekend als in wording maar als in geworden zijn: op de eerste plaats, omdat deze verandering niet geleidelijk geschiedt zoals boven is gezegd (75° Kw. 7° Art.), maar ineens; en bij zulke veranderingen is worden niets anders dan geworden zijn. Ten tweede omdat de sacramenteele vormen op dezelfde wijze het uitwerksel van het sacrament uitbeelden als kunstvormen het werkstuk van de kunst uitbeelden. Nu is de kunstvorm de gelijkenis van het uiteindelijk werkstuk, waarop zich de bedoeling van de kunstenaar richt, zoals b.v. de kunstvorm in het verstand van de bouwer voornamelijk de vorm is van het afgebouwde huis en slechts gevolgelijk van de aanbouw. Daarom moet ook in de onderhavige vorm de verandering worden aangegeven als in geworden zijn, want daarop richt zich de bedoeling. — En omdat de verandering zelf in dezen vorm wordt aangegeven als in geworden zijn, moeten de uitersten van de verandering zóó betekend worden, als zij zich bevinden bij het geworden zijn van de verandering. Dan echter heeft het eindpunt zijn eigen zelfstandige natuur, het uitgangspunt evenwel blijft niet volgens zijn eigen zelfstandigheid maar slechts volgens de bijkomstigheden, waardoor het zintuigelijk waarneembaar is, en naar zintuigelijke indruk kan bepaald worden. Derhalve wordt het uitgangspunt van de verandering terecht aangegeven met het aanwijzend voornaamwoord, dat zich betrekt op de blijvende zintuigelijk waarneembare bijkomstigheden, terwijl het eindpunt wordt aangegeven met een naam, die de natuur betekent van datgene, waarin de verandering plaats heeft t.w. het gehele Lichaam van Christus, niet alleen Zijn Vlees, zoals gezegd is (76° Kw. 1° Art. 2° Antw.). Dus is deze vorm zeer geschikt: "Dit is Mijn Lichaam".
R: q. 78 a. 1[t:iiia q. 78 a. 1] q. 75 a. 7[t:iiia q. 75 a. 7] q. 76 a. 1 ad 2[t:iiia q. 76 a. 1 ad 2]
Mijn antwoord. Dit is een geschikte vorm van de consecratie van het brood. Er is immers gezegd (vorig Art.), dat deze consecratie bestaat in de verandering van de zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus. Nu moet de vorm van een sacrament betekenen datgene, wat in het sacrament wordt uitgewerkt. Daarom moet ook de vorm van de consecratie van het brood juist de verandering betekenen van het brood in het Lichaam van Christus, bij welke verandering men op drie zaken moet letten t.w. op de verandering zelf, het eindpunt en het uitgangspunt. De verandering kan op twee manieren beschouwd worden: vooreerst als in wording, vervolgens als in geworden zijn. Nu moest in dezen vorm de verandering niet worden betekend als in wording maar als in geworden zijn: op de eerste plaats, omdat deze verandering niet geleidelijk geschiedt zoals boven is gezegd (75° Kw. 7° Art.), maar ineens; en bij zulke veranderingen is worden niets anders dan geworden zijn. Ten tweede omdat de sacramenteele vormen op dezelfde wijze het uitwerksel van het sacrament uitbeelden als kunstvormen het werkstuk van de kunst uitbeelden. Nu is de kunstvorm de gelijkenis van het uiteindelijk werkstuk, waarop zich de bedoeling van de kunstenaar richt, zoals b.v. de kunstvorm in het verstand van de bouwer voornamelijk de vorm is van het afgebouwde huis en slechts gevolgelijk van de aanbouw. Daarom moet ook in de onderhavige vorm de verandering worden aangegeven als in geworden zijn, want daarop richt zich de bedoeling. — En omdat de verandering zelf in dezen vorm wordt aangegeven als in geworden zijn, moeten de uitersten van de verandering zóó betekend worden, als zij zich bevinden bij het geworden zijn van de verandering. Dan echter heeft het eindpunt zijn eigen zelfstandige natuur, het uitgangspunt evenwel blijft niet volgens zijn eigen zelfstandigheid maar slechts volgens de bijkomstigheden, waardoor het zintuigelijk waarneembaar is, en naar zintuigelijke indruk kan bepaald worden. Derhalve wordt het uitgangspunt van de verandering terecht aangegeven met het aanwijzend voornaamwoord, dat zich betrekt op de blijvende zintuigelijk waarneembare bijkomstigheden, terwijl het eindpunt wordt aangegeven met een naam, die de natuur betekent van datgene, waarin de verandering plaats heeft t.w. het gehele Lichaam van Christus, niet alleen Zijn Vlees, zoals gezegd is (76° Kw. 1° Art. 2° Antw.). Dus is deze vorm zeer geschikt: "Dit is Mijn Lichaam".
R: q. 78 a. 1[t:iiia q. 78 a. 1] q. 75 a. 7[t:iiia q. 75 a. 7] q. 76 a. 1 ad 2[t:iiia q. 76 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Worden is niet het laatste uitwerksel van deze consecratie; dat is geworden zijn, zoals gezegd is (in de Leerst.) en daarom moet veeleer dat in de vorm uitgedrukt worden.
1e Weerlegging. Worden is niet het laatste uitwerksel van deze consecratie; dat is geworden zijn, zoals gezegd is (in de Leerst.) en daarom moet veeleer dat in de vorm uitgedrukt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Het woord van God heeft gewerkt bij de schepping der dingen en werkt ook in deze consecratie, maar niet op gelijke wijze; want hier werkt het als een uitwerkende oorzaak en tevens sacramenteel, d.w.z. volgens de draagkracht van de betekenis, en daarom moet in dit woord het laatste uitwerksel van de consecratie betekend worden door een zelfstandig naamwoord, de aangevende wijs en de tegenwoordige tijd. Bij de schepping der dingen echter heeft het alleen als een uitwerkende oorzaak gewerkt, wat gebeurt door het bevel Zijner Wijsheid; en daarom wordt bij de schepping der dingen het goddelijk woord uitgedrukt in de bevelende wijs, zoals in het Boek der Schepping (1. 3): "Het worde licht; en het licht is geworden".
2e Weerlegging. Het woord van God heeft gewerkt bij de schepping der dingen en werkt ook in deze consecratie, maar niet op gelijke wijze; want hier werkt het als een uitwerkende oorzaak en tevens sacramenteel, d.w.z. volgens de draagkracht van de betekenis, en daarom moet in dit woord het laatste uitwerksel van de consecratie betekend worden door een zelfstandig naamwoord, de aangevende wijs en de tegenwoordige tijd. Bij de schepping der dingen echter heeft het alleen als een uitwerkende oorzaak gewerkt, wat gebeurt door het bevel Zijner Wijsheid; en daarom wordt bij de schepping der dingen het goddelijk woord uitgedrukt in de bevelende wijs, zoals in het Boek der Schepping (1. 3): "Het worde licht; en het licht is geworden".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Het uitgangspunt behoudt bij het geworden zijn van de verandering zijn eigen zelfstandige natuur niet, zoals dit wel het geval is met het eindpunt. En dus gaat de vergelijking niet op.
3e Weerlegging. Het uitgangspunt behoudt bij het geworden zijn van de verandering zijn eigen zelfstandige natuur niet, zoals dit wel het geval is met het eindpunt. En dus gaat de vergelijking niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. Door dat voornaamwoord: "Mijn", dat de eerste persoon aanwijst, d.w.z. de persoon van de spreker, wordt voldoende uitgedrukt de Persoon van Christus, waarin deze woorden worden gesproken, zoals gezegd is (vorig Art.).
B: (Gen 1:3) [b:Gen 1:3]
R: q. 78 a. 1[t:iiia q. 78 a. 1]
4e Weerlegging. Door dat voornaamwoord: "Mijn", dat de eerste persoon aanwijst, d.w.z. de persoon van de spreker, wordt voldoende uitgedrukt de Persoon van Christus, waarin deze woorden worden gesproken, zoals gezegd is (vorig Art.).
B: (Gen 1:3) [b:Gen 1:3]
R: q. 78 a. 1[t:iiia q. 78 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 2 ad 5
Ad quintum Dit voegwoord "want" wordt er in deze vorm bij gezegd volgens het gebruik van de Romeinse Kerk, dat afkomstig is van de H. Apostel Petrus; de opzet is om het verband uit te drukken met de voorafgaande woorden; daarom hoort het ook niet bij de vorm evenmin als de woorden, die aan de vorm voorafgaan.
Ad quintum Dit voegwoord "want" wordt er in deze vorm bij gezegd volgens het gebruik van de Romeinse Kerk, dat afkomstig is van de H. Apostel Petrus; de opzet is om het verband uit te drukken met de voorafgaande woorden; daarom hoort het ook niet bij de vorm evenmin als de woorden, die aan de vorm voorafgaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is dit een geschikte vorm van de consecratie van de wijn: Dit is de Kelk van Mijn Bloed?
IIIa q. 78 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat dit niet een geschikte vorm is van de consecratie van de wijn: "Dat is de kelk van Mijn Bloed, van het Nieuw en eeuwig Testament, het geheim des geloofs, dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden". Want zoals het brood verandert in het Lichaam van Christus uit kracht van de consecratie, zo ook de wijn in het Bloed van Christus, gelijk uit het bovenstaande blijkt (76e Kw. 1e, 2e Art.). Nu wordt in de vorm van de consecratie van het brood rechtstreeks gesproken van het Lichaam van Christus en zonder bijvoeging van iets anders. Dus wordt in deze vorm ten onrechte onrechtstreeks gesproken van het Bloed van Christus en wordt er in rechtstreekse vorm iets bijgezet van de kelk, aldus: "Dit is de kelk van Mijn Bloed".
R: q. 76 a. 1[t:iiia q. 76 a. 1] q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2] q. 76 a. 3[t:iiia q. 76 a. 3]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat dit niet een geschikte vorm is van de consecratie van de wijn: "Dat is de kelk van Mijn Bloed, van het Nieuw en eeuwig Testament, het geheim des geloofs, dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden". Want zoals het brood verandert in het Lichaam van Christus uit kracht van de consecratie, zo ook de wijn in het Bloed van Christus, gelijk uit het bovenstaande blijkt (76e Kw. 1e, 2e Art.). Nu wordt in de vorm van de consecratie van het brood rechtstreeks gesproken van het Lichaam van Christus en zonder bijvoeging van iets anders. Dus wordt in deze vorm ten onrechte onrechtstreeks gesproken van het Bloed van Christus en wordt er in rechtstreekse vorm iets bijgezet van de kelk, aldus: "Dit is de kelk van Mijn Bloed".
R: q. 76 a. 1[t:iiia q. 76 a. 1] q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2] q. 76 a. 3[t:iiia q. 76 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De woorden bij de consecratie van het brood gesproken hebben geen grotere kracht dan die welke worden gesproken bij de consecratie van de wijn, daar ze alle twee woorden van Christus zijn. Nu is de consecratie van het brood af, zoodra er gezegd is: "Dit is Mijn Lichaam". Dus is ook de consecratie van het Bloed af, zoodra er gezegd is: "Dit is de kelk van Mijn Bloed"; en derhalve schijnen de nog volgende woorden niet tot het wezen van de vorm te behoren, temeer omdat zij zich betrekken op de eigenschappen van dit sacrament.
Vervolgens. De woorden bij de consecratie van het brood gesproken hebben geen grotere kracht dan die welke worden gesproken bij de consecratie van de wijn, daar ze alle twee woorden van Christus zijn. Nu is de consecratie van het brood af, zoodra er gezegd is: "Dit is Mijn Lichaam". Dus is ook de consecratie van het Bloed af, zoodra er gezegd is: "Dit is de kelk van Mijn Bloed"; en derhalve schijnen de nog volgende woorden niet tot het wezen van de vorm te behoren, temeer omdat zij zich betrekken op de eigenschappen van dit sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Het Nieuw Testament schijnt iets te zijn van innerlijke inspraken, zoals hieruit blijkt dat de Apostel (Hebr. 8, 8, 10) de woorden van Jeremias (31, 31, 33) aanhaalt: "Ik zal over het huis van Israël een Nieuw Testament voltrekken... doordat Ik Mijn wetten in hun harten geef". Een sacrament wordt daarentegen uitwendig zichtbaar voltrokken. Dus wordt verkeerdelijk in de vorm van dit Sacrament gezegd: "van het Nieuw Testament".
B: (Heb 8:8) [b:Heb 8:8]
Vervolgens. Het Nieuw Testament schijnt iets te zijn van innerlijke inspraken, zoals hieruit blijkt dat de Apostel (Hebr. 8, 8, 10) de woorden van Jeremias (31, 31, 33) aanhaalt: "Ik zal over het huis van Israël een Nieuw Testament voltrekken... doordat Ik Mijn wetten in hun harten geef". Een sacrament wordt daarentegen uitwendig zichtbaar voltrokken. Dus wordt verkeerdelijk in de vorm van dit Sacrament gezegd: "van het Nieuw Testament".
B: (Heb 8:8) [b:Heb 8:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 arg. 4
Vervolgens. Iets wordt nieuw genoemd, omdat het dicht bij het begin van zijn bestaan is. Maar het eeuwige heeft geen begin van zijn bestaan. Dus wordt verkeerdelijk gezegd: "van het Nieuw en eeuwig", hetgeen een tegenspraak schijnt in te houden.
Vervolgens. Iets wordt nieuw genoemd, omdat het dicht bij het begin van zijn bestaan is. Maar het eeuwige heeft geen begin van zijn bestaan. Dus wordt verkeerdelijk gezegd: "van het Nieuw en eeuwig", hetgeen een tegenspraak schijnt in te houden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 arg. 5
Vervolgens. Men moet de aanleidingen tot dwaling van de mensen wegnemen, volgens Isaïas (57, 14): "Verwijderd de stenen des aanstoot van de weg van Mijn volk». Nu hebben sommigen gedwaald door te denken, dat het Lichaam en Bloed van Christus alleen maar op mystieke wijze in dit Sacrament tegenwoordig is. Dus wordt in dezen vorm verkeerdelijk gezegd: "het geheim des geloofs".
B: (Isa 57:14) [b:Isa 57:14]
Vervolgens. Men moet de aanleidingen tot dwaling van de mensen wegnemen, volgens Isaïas (57, 14): "Verwijderd de stenen des aanstoot van de weg van Mijn volk». Nu hebben sommigen gedwaald door te denken, dat het Lichaam en Bloed van Christus alleen maar op mystieke wijze in dit Sacrament tegenwoordig is. Dus wordt in dezen vorm verkeerdelijk gezegd: "het geheim des geloofs".
B: (Isa 57:14) [b:Isa 57:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 arg. 6
Vervolgens. Zoals boven gezegd is (73° Kw. 3° Art. 3° Antw.; 74° Kw. 4° Art. 3° Antw.), is de Eucharistie het "Sacrament van de liefde", gelijk het doopsel "het sacrament van het geloof" is. Dus moet in deze vorm eerder gesproken worden van de liefde dan van het geloof.
R: q. 73 a. 3 ad 3[t:iiia q. 73 a. 3 ad 3]
Vervolgens. Zoals boven gezegd is (73° Kw. 3° Art. 3° Antw.; 74° Kw. 4° Art. 3° Antw.), is de Eucharistie het "Sacrament van de liefde", gelijk het doopsel "het sacrament van het geloof" is. Dus moet in deze vorm eerder gesproken worden van de liefde dan van het geloof.
R: q. 73 a. 3 ad 3[t:iiia q. 73 a. 3 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 arg. 7
Vervolgens. Dit Sacrament is in zijn geheel, zowel wat het Lichaam als wat het Bloed betreft, een herinnering aan het lijden des Heren, volgens de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11.26): "Zo dikwijls gij dit brood zult eten en de leek zult drinken, zult gij de dood des Heren verkondigen". Dus had in de vorm van de consecratie van het Bloed niet méér melding gemaakt moeten worden van het lijden des Heren en de vruchten ervan dan in de consecratie van het Lichaam, temeer daar de Heer gezegd heeft (Luc. 22.19): "Dit is Mijn Lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd".
B: (Luke 22:19) [b:Luke 22:19] (1Cor 11:26) [b:1Cor 11:26]
Vervolgens. Dit Sacrament is in zijn geheel, zowel wat het Lichaam als wat het Bloed betreft, een herinnering aan het lijden des Heren, volgens de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11.26): "Zo dikwijls gij dit brood zult eten en de leek zult drinken, zult gij de dood des Heren verkondigen". Dus had in de vorm van de consecratie van het Bloed niet méér melding gemaakt moeten worden van het lijden des Heren en de vruchten ervan dan in de consecratie van het Lichaam, temeer daar de Heer gezegd heeft (Luc. 22.19): "Dit is Mijn Lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd".
B: (Luke 22:19) [b:Luke 22:19] (1Cor 11:26) [b:1Cor 11:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 arg. 8
Vervolgens. Het lijden van Christus was, zoals boven is uiteengezet (48° Kw. 2° Art.; 49° Kw. 3° Art.), op zich voldoende om allen ten voordeel te strekken en het was feitelijk voldoende voor velen. Dus had moeten gezegd worden: "dat vergoten zal worden voor allen" of "voor velen", zonder de toevoeging: "voor u".
R: q. 48 a. 2[t:iiia q. 48 a. 2] q. 49 a. 3[t:iiia q. 49 a. 3]
Vervolgens. Het lijden van Christus was, zoals boven is uiteengezet (48° Kw. 2° Art.; 49° Kw. 3° Art.), op zich voldoende om allen ten voordeel te strekken en het was feitelijk voldoende voor velen. Dus had moeten gezegd worden: "dat vergoten zal worden voor allen" of "voor velen", zonder de toevoeging: "voor u".
R: q. 48 a. 2[t:iiia q. 48 a. 2] q. 49 a. 3[t:iiia q. 49 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 arg. 9
Vervolgens. De woorden, waarmee dit Sacrament wordt voltrokken, ontlenen hun kracht aan de instelling door Christus. Nu verhaalt geen enkele evangelist, dat Christus al deze woorden heeft gezegd. Dus is dit niet een geschikte vorm van de consecratie van de wijn.
Vervolgens. De woorden, waarmee dit Sacrament wordt voltrokken, ontlenen hun kracht aan de instelling door Christus. Nu verhaalt geen enkele evangelist, dat Christus al deze woorden heeft gezegd. Dus is dit niet een geschikte vorm van de consecratie van de wijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Kerk, door de Apostelen onderwezen, deze vorm gebruikt bij de consecratie van de wijn.
Daartegenover staat echter, dat de Kerk, door de Apostelen onderwezen, deze vorm gebruikt bij de consecratie van de wijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 co.
Mijn antwoord. Met betrekking tot dezen vorm zijn er twee meningen. Sommigen immers hebben beweerd, dat tot het wezen van dezen vorm alleen maar de woorden behoren: "Dit is de kelk van Mijn Bloed", niet echter de volgende. Maar dit schijnt onjuist, want de volgende woorden zijn een nadere bepaling van het gezegde d. i. van het Bloed van Christus; dus behoren zij tot de volledigheid van het gesprokene. Daarom wordt door anderen juister gezegd, dat al wat volgt tot het wezen van de vorm behoort, tot aan de later komende woorden: "Zoo-dikwijls gij dit doen zult", wat op het gebruik van dit Sacrament slaat en daarom niet tot het wezen van de vorm behoort. Vandaar dat de priester al deze woorden uitspreekt onder denzelfden ritus en dezelfde handeling d.w.z. terwijl hij de kelk vasthoudt. Bij Lucas (22. 20) worden ook de latere woorden vermengd met de voorafgaande, als er gezegd wordt: "Deze kelk is het Nieuwe Verbond in Mijn Bloed". Men moet dus zeggen dat al de genoemde woorden tot het wezen van de vorm behoren, maar dat door de eerste woorden nl.: "Dit is de kelk van Mijn Bloed" de verandering zelf van de wijn in het Bloed wordt betekend, zoals gezegd is (vorig Art.) van de vorm van de consecratie van het brood, terwijl door de volgende woorden de kracht wordt aangegeven van het Bloed, dat vergoten werd bij het lijden, hetwelk in dit Sacrament werkt en op drie doeleinden is gericht. En wel vooreerst en voornamelijk op het verwerven van de eeuwige erfenis, volgens het woord van de Brief aan de Hebreën (10.19): "Vertrouwend tot het Heilige te zullen binnengaan door het Bloed van Christus"; en om dit aan te geven wordt er gezegd: "van het Nieuw en eeuwig Testament". Ten tweede op de gerechtigheid van de genade, die is door het geloof, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (3. 25, 26): "Dien God gesteld heeft tot Verzoener door het geloof in Zijn Bloed; opdat Hijzelf rechtvaardig zij en hem rechtvaardige, die uit het geloof is in Jesus Christus"; en met betrekking tot dit wordt er bijgevoegd: "het geheim des geloofs". Ten derde op het wegnemen van de beletselen voor de beide voorgaande doeleinden d. w. z. de zonden, volgens het woord van de Brief aan de Hebreën (9. 14): "Het Bloed van Christus ... zal ons geweten reinigen van de dode werken" d. i. van de zonden; en met betrekking tot dit wordt er bijgevoegd: "Dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden".
R: q. 78 a. 2[t:iiia q. 78 a. 2]
Mijn antwoord. Met betrekking tot dezen vorm zijn er twee meningen. Sommigen immers hebben beweerd, dat tot het wezen van dezen vorm alleen maar de woorden behoren: "Dit is de kelk van Mijn Bloed", niet echter de volgende. Maar dit schijnt onjuist, want de volgende woorden zijn een nadere bepaling van het gezegde d. i. van het Bloed van Christus; dus behoren zij tot de volledigheid van het gesprokene. Daarom wordt door anderen juister gezegd, dat al wat volgt tot het wezen van de vorm behoort, tot aan de later komende woorden: "Zoo-dikwijls gij dit doen zult", wat op het gebruik van dit Sacrament slaat en daarom niet tot het wezen van de vorm behoort. Vandaar dat de priester al deze woorden uitspreekt onder denzelfden ritus en dezelfde handeling d.w.z. terwijl hij de kelk vasthoudt. Bij Lucas (22. 20) worden ook de latere woorden vermengd met de voorafgaande, als er gezegd wordt: "Deze kelk is het Nieuwe Verbond in Mijn Bloed". Men moet dus zeggen dat al de genoemde woorden tot het wezen van de vorm behoren, maar dat door de eerste woorden nl.: "Dit is de kelk van Mijn Bloed" de verandering zelf van de wijn in het Bloed wordt betekend, zoals gezegd is (vorig Art.) van de vorm van de consecratie van het brood, terwijl door de volgende woorden de kracht wordt aangegeven van het Bloed, dat vergoten werd bij het lijden, hetwelk in dit Sacrament werkt en op drie doeleinden is gericht. En wel vooreerst en voornamelijk op het verwerven van de eeuwige erfenis, volgens het woord van de Brief aan de Hebreën (10.19): "Vertrouwend tot het Heilige te zullen binnengaan door het Bloed van Christus"; en om dit aan te geven wordt er gezegd: "van het Nieuw en eeuwig Testament". Ten tweede op de gerechtigheid van de genade, die is door het geloof, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (3. 25, 26): "Dien God gesteld heeft tot Verzoener door het geloof in Zijn Bloed; opdat Hijzelf rechtvaardig zij en hem rechtvaardige, die uit het geloof is in Jesus Christus"; en met betrekking tot dit wordt er bijgevoegd: "het geheim des geloofs". Ten derde op het wegnemen van de beletselen voor de beide voorgaande doeleinden d. w. z. de zonden, volgens het woord van de Brief aan de Hebreën (9. 14): "Het Bloed van Christus ... zal ons geweten reinigen van de dode werken" d. i. van de zonden; en met betrekking tot dit wordt er bijgevoegd: "Dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden".
R: q. 78 a. 2[t:iiia q. 78 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Het gezegde: "Dit is de kelk van Mijn Bloed" is een oneigenlijke uitdrukking en kan tweevoudig verstaan worden. Vooreerst als een naamsverwisseling, waardoor datgene, wat iets inhoudt, gezet wordt in plaats van de inhoud, zodat de zin is: "Dit is Mijn Bloed vervat in de kelk", waarvan hier melding wordt gemaakt, omdat in dit Sacrament het Bloed van Christus geconsacreerd wordt als drank van de gelovigen, hetgeen niet gegeven is met het begrip "Bloed", weshalve dit moest worden aangeduid door een voor dergelijk gebruik bestemd vaatwerk. Ten tweede kan het verstaan worden in overdrachtelijke zin, inzover namelijk door de kelk vergelijkenderwijs verstaan wordt het lijden van Christus, dat gelijk een kelk dronken maakt, volgens het woord van de Klaagliederen (3. 15): "Hij heeft mij vervuld met droefenissen, dronken gemaakt met alsem"; waarom ook de Heer Zelf Zijn lijden een kelk noemt zeggende (Matth. 26. 39): "Laat deze kelk aan Mij voorbijgaan"; zodat de zin is: "Dit is de kelk van Mijn lijden", waarvan melding wordt gemaakt bij het afzonderlijk naast het Lichaam geconsacreerde Bloed, omdat de scheiding, welke het Bloed scheidde van het Lichaam, plaats vond door het lijden.
B: (Luke 22:20) [b:Luke 22:20]
1e Weerlegging. Het gezegde: "Dit is de kelk van Mijn Bloed" is een oneigenlijke uitdrukking en kan tweevoudig verstaan worden. Vooreerst als een naamsverwisseling, waardoor datgene, wat iets inhoudt, gezet wordt in plaats van de inhoud, zodat de zin is: "Dit is Mijn Bloed vervat in de kelk", waarvan hier melding wordt gemaakt, omdat in dit Sacrament het Bloed van Christus geconsacreerd wordt als drank van de gelovigen, hetgeen niet gegeven is met het begrip "Bloed", weshalve dit moest worden aangeduid door een voor dergelijk gebruik bestemd vaatwerk. Ten tweede kan het verstaan worden in overdrachtelijke zin, inzover namelijk door de kelk vergelijkenderwijs verstaan wordt het lijden van Christus, dat gelijk een kelk dronken maakt, volgens het woord van de Klaagliederen (3. 15): "Hij heeft mij vervuld met droefenissen, dronken gemaakt met alsem"; waarom ook de Heer Zelf Zijn lijden een kelk noemt zeggende (Matth. 26. 39): "Laat deze kelk aan Mij voorbijgaan"; zodat de zin is: "Dit is de kelk van Mijn lijden", waarvan melding wordt gemaakt bij het afzonderlijk naast het Lichaam geconsacreerde Bloed, omdat de scheiding, welke het Bloed scheidde van het Lichaam, plaats vond door het lijden.
B: (Luke 22:20) [b:Luke 22:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Omdat, zoals gezegd is (in het vorig Antwoord; 76' Kw. 2° Art. 1° Antwoord), het afzonderlijk geconsacreerde Bloed uitdrukkelijk het lijden van Christus verbeeldt, daarom wordt bij de consecratie van het Bloed melding gemaakt van het uitwerksel van het lijden en gebeurt dit niet bij de consecratie van het Lichaam, dat het onderwerp is van het lijden, hetgeen ook door 's Heren woord wordt aangegeven: "Dat voor u zal worden overgeleverd", als Hij zei: "Dat voor u aan het lijden zal worden onderworpen".
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25] (Rom 3:26) [b:Rom 3:26] (Heb 9:14) [b:Heb 9:14] (Heb 10:19) [b:Heb 10:19]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 83 a. 2 ad 2[t:iiia q. 83 a. 2 ad 2]
2e Weerlegging. Omdat, zoals gezegd is (in het vorig Antwoord; 76' Kw. 2° Art. 1° Antwoord), het afzonderlijk geconsacreerde Bloed uitdrukkelijk het lijden van Christus verbeeldt, daarom wordt bij de consecratie van het Bloed melding gemaakt van het uitwerksel van het lijden en gebeurt dit niet bij de consecratie van het Lichaam, dat het onderwerp is van het lijden, hetgeen ook door 's Heren woord wordt aangegeven: "Dat voor u zal worden overgeleverd", als Hij zei: "Dat voor u aan het lijden zal worden onderworpen".
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25] (Rom 3:26) [b:Rom 3:26] (Heb 9:14) [b:Heb 9:14] (Heb 10:19) [b:Heb 10:19]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 83 a. 2 ad 2[t:iiia q. 83 a. 2 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Een testament is de beschikking over een erfenis. Nu heeft God beschikt de hemelse erfenis aan de mensen te geven door de kracht van het Bloed van Jezus Christus, want, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreën (9. 16): "Waar een testament is, daar moet de dood van de erflater tussen beide treden". Het Bloed van Christus is echter op twee manieren aan de mensen gegeven. Vooreerst in voorafbeelding, wat behoort tot het Oude Testament; en daarom besluit de Apostel op die plaats aldus: "Daarom is ook het eerste Testament niet zonder bloed ingewijd", hetgeen hieruit blijkt, dat in het Boek van de Uittocht (24. 7, 8) gezegd wordt: "Nadat Mozes al de geboden van de Wet had voorgelezen, besprenkelde hij het gehele volk zeggende: Dit is het Bloed van het Testament, dat God u heeft nagelaten". Vervolgens is het in werkelijkheid gegeven, wat behoort tot het Nieuwe Testament; en dat laat de Apostel op die plaats voorafgaan, als hij zegt: "Daarom is (Christus) de Middelaar van een Nieuw Testament, opdat, door tussenkomst van zijn dood, zij die geroepen zijn de belofte ontvangen van een eeuwige erfenis". Er wordt derhalve gezegd: "Dit is het Bloed van het Nieuw Testament", omdat het niet meer in voorafbeelding maar in werkelijkheid wordt gegeven; vandaar dat er bijgevoegd wordt: "Dat voor u zal worden vergoten". — De inwendige inspraken dan komen voort uit de kracht van dit Bloed, aangezien wij door het lijden van Christus gerechtvaardigd worden.
3e Weerlegging. Een testament is de beschikking over een erfenis. Nu heeft God beschikt de hemelse erfenis aan de mensen te geven door de kracht van het Bloed van Jezus Christus, want, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Hebreën (9. 16): "Waar een testament is, daar moet de dood van de erflater tussen beide treden". Het Bloed van Christus is echter op twee manieren aan de mensen gegeven. Vooreerst in voorafbeelding, wat behoort tot het Oude Testament; en daarom besluit de Apostel op die plaats aldus: "Daarom is ook het eerste Testament niet zonder bloed ingewijd", hetgeen hieruit blijkt, dat in het Boek van de Uittocht (24. 7, 8) gezegd wordt: "Nadat Mozes al de geboden van de Wet had voorgelezen, besprenkelde hij het gehele volk zeggende: Dit is het Bloed van het Testament, dat God u heeft nagelaten". Vervolgens is het in werkelijkheid gegeven, wat behoort tot het Nieuwe Testament; en dat laat de Apostel op die plaats voorafgaan, als hij zegt: "Daarom is (Christus) de Middelaar van een Nieuw Testament, opdat, door tussenkomst van zijn dood, zij die geroepen zijn de belofte ontvangen van een eeuwige erfenis". Er wordt derhalve gezegd: "Dit is het Bloed van het Nieuw Testament", omdat het niet meer in voorafbeelding maar in werkelijkheid wordt gegeven; vandaar dat er bijgevoegd wordt: "Dat voor u zal worden vergoten". — De inwendige inspraken dan komen voort uit de kracht van dit Bloed, aangezien wij door het lijden van Christus gerechtvaardigd worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Dit Testament is "Nieuw" wat betreft het feitelijk gegeven worden; het heet echter "eeuwig" om reden van de eeuwige verordening Gods en ook om reden van de eeuwige erfenis, waarover door dit Testament wordt beschikt: ook de Persoon zelf van Christus, door wiens Bloed het Testament wordt beschikt, is eeuwig.
B: (Lam 3:15) [b:Lam 3:15] (Matt 26:39) [b:Matt 26:39]
4e Weerlegging. Dit Testament is "Nieuw" wat betreft het feitelijk gegeven worden; het heet echter "eeuwig" om reden van de eeuwige verordening Gods en ook om reden van de eeuwige erfenis, waarover door dit Testament wordt beschikt: ook de Persoon zelf van Christus, door wiens Bloed het Testament wordt beschikt, is eeuwig.
B: (Lam 3:15) [b:Lam 3:15] (Matt 26:39) [b:Matt 26:39]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 ad 5
Ad quintum Hier wordt gesproken van "geheim", niet om de werkelijkheid uit te sluiten, maar om de verborgenheid aan te geven; het Bloed van Christus is immers op een verborgen wijze in dit Sacrament tegenwoordig en het lijden van Christus was op een verborgen wijze in het Oude Testament voorafgebeeld.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 83 a. 4 co.[t:iiia q. 83 a. 4 co.]
Ad quintum Hier wordt gesproken van "geheim", niet om de werkelijkheid uit te sluiten, maar om de verborgenheid aan te geven; het Bloed van Christus is immers op een verborgen wijze in dit Sacrament tegenwoordig en het lijden van Christus was op een verborgen wijze in het Oude Testament voorafgebeeld.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 83 a. 4 co.[t:iiia q. 83 a. 4 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 ad 6
Ad sextum Er wordt gezegd "geheim des geloofs" d.i. zoveel als voorwerp van geloof, want alleen door het geloof wordt gehouden, dat het Bloed van Christus in werkelijkheid in dit Sacrament tegenwoordig is. Het lijden van Christus rechtvaardigt ook door het geloof. — Het doopsel echter wordt het "sacrament des geloofs" genoemd als een belijdenis van geloof. Dit daarentegen is het "Sacrament der liefde" als uitbeelding en bewerker daarvan.
B: (Exod 24:7) [b:Exod 24:7] (Exod 24:8) [b:Exod 24:8] (Heb 9:16) [b:Heb 9:16] (Heb 9:16) [b:Heb 9:16]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 80 a. 3 arg. 2[t:iiia q. 80 a. 3 arg. 2]
Ad sextum Er wordt gezegd "geheim des geloofs" d.i. zoveel als voorwerp van geloof, want alleen door het geloof wordt gehouden, dat het Bloed van Christus in werkelijkheid in dit Sacrament tegenwoordig is. Het lijden van Christus rechtvaardigt ook door het geloof. — Het doopsel echter wordt het "sacrament des geloofs" genoemd als een belijdenis van geloof. Dit daarentegen is het "Sacrament der liefde" als uitbeelding en bewerker daarvan.
B: (Exod 24:7) [b:Exod 24:7] (Exod 24:8) [b:Exod 24:8] (Heb 9:16) [b:Heb 9:16] (Heb 9:16) [b:Heb 9:16]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 80 a. 3 arg. 2[t:iiia q. 80 a. 3 arg. 2]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 ad 7
Ad septimum Zoals gezegd is (2e Antw.), is het afzonderlijk naast het Lichaam geconsacreerde Bloed een uitdrukkelijke afbeelding van het lijden van Christus en daarom wordt bij de consecratie van het Bloed melding gemaakt van het lijden van Christus en de vruchten ervan en gebeurt dit niet bij de consecratie van het Lichaam.
B: (Rom 9:15) [b:Rom 9:15]
Ad septimum Zoals gezegd is (2e Antw.), is het afzonderlijk naast het Lichaam geconsacreerde Bloed een uitdrukkelijke afbeelding van het lijden van Christus en daarom wordt bij de consecratie van het Bloed melding gemaakt van het lijden van Christus en de vruchten ervan en gebeurt dit niet bij de consecratie van het Lichaam.
B: (Rom 9:15) [b:Rom 9:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 ad 8
Ad octavum Het Bloed van het lijden van Christus is niet alleen werkdadig onder de uitverkoren Joden, aan wie het bloed van het Oud Testament is gegeven, maar ook onder de heidenen; en niet alleen onder de dit Sacrament voltrekkende priesters en de andere ontvangers, maar ook onder degenen, voor wie het wordt opgedragen. En daarom zegt Hij bepaaldelijk "voor u" Joden, en "voor velen" d. i. de heidenen; of "voor u", die ervan eten, en "voor velen", voor wie het wordt opgedragen.
Ad octavum Het Bloed van het lijden van Christus is niet alleen werkdadig onder de uitverkoren Joden, aan wie het bloed van het Oud Testament is gegeven, maar ook onder de heidenen; en niet alleen onder de dit Sacrament voltrekkende priesters en de andere ontvangers, maar ook onder degenen, voor wie het wordt opgedragen. En daarom zegt Hij bepaaldelijk "voor u" Joden, en "voor velen" d. i. de heidenen; of "voor u", die ervan eten, en "voor velen", voor wie het wordt opgedragen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 3 ad 9
Ad nonum De evangelisten bedoelden niet de vormen van de sacramenten mee te delen (deze moesten in de beginnende Kerk verborgen blijven, zoals Dionysius zegt), maar de geschiedenis van Christus te verhalen. En toch kunnen bijna al de onderhavige woorden uit de verschillende Schriftuurplaatsen gehaald worden. Want het gezegde: "Dit is de kelk" vindt men in Lucas (22. 20) en in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 25); bij Mattheus (26. 28) wordt verder gezegd: "Dit is Mijn Bloed van het Nieuw Testament, dat voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden". De toevoeging "van het eeuwig" en ook: "geheim des geloofs" heeft men uit de Overlevering des Heren, die door de Apostelen tot de Kerk is gekomen, volgens het woord van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 23): "Ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd".
Ad nonum De evangelisten bedoelden niet de vormen van de sacramenten mee te delen (deze moesten in de beginnende Kerk verborgen blijven, zoals Dionysius zegt), maar de geschiedenis van Christus te verhalen. En toch kunnen bijna al de onderhavige woorden uit de verschillende Schriftuurplaatsen gehaald worden. Want het gezegde: "Dit is de kelk" vindt men in Lucas (22. 20) en in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 25); bij Mattheus (26. 28) wordt verder gezegd: "Dit is Mijn Bloed van het Nieuw Testament, dat voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van de zonden". De toevoeging "van het eeuwig" en ook: "geheim des geloofs" heeft men uit de Overlevering des Heren, die door de Apostelen tot de Kerk is gekomen, volgens het woord van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 23): "Ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Is er in de genoemde woorden van de vormen een geschapen kracht, die de consecratie bewerkt?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 78 a. 5 co.
IIIa q. 82 a. 1 arg. 1
IIIa q. 82 a. 1 co.[t:iiia q. 78 a. 5 co.][t:iiia q. 82 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 82 a. 1 co.]
IIIa q. 78 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat er in de genoemde woorden van de vormen geen geschapen kracht is, die de consecratie bewerkt. Damascenus zegt immers: "Alleen door de kracht van de H. Geest geschiedt de verandering van het brood in het Lichaam van Christus". Nu is de kracht van de H. Geest een ongeschapen kracht. Dus komt dit Sacrament niet tot stand door enige geschapen kracht van deze woorden.
IIIa q. 78 a. 5 co.
IIIa q. 82 a. 1 arg. 1
IIIa q. 82 a. 1 co.[t:iiia q. 78 a. 5 co.][t:iiia q. 82 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 82 a. 1 co.]
IIIa q. 78 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat er in de genoemde woorden van de vormen geen geschapen kracht is, die de consecratie bewerkt. Damascenus zegt immers: "Alleen door de kracht van de H. Geest geschiedt de verandering van het brood in het Lichaam van Christus". Nu is de kracht van de H. Geest een ongeschapen kracht. Dus komt dit Sacrament niet tot stand door enige geschapen kracht van deze woorden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Wonderwerken geschieden niet door een of andere geschapen kracht, maar alleen door de kracht Gods, gelijk in het Eerste Deel (110° Kw. 4° Art.) is uiteengezet. Welnu, de verandering van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus is geen minder wonderwerk dan de schepping der dingen of ook dan de vorming van het Lichaam van Christus in de schoot van de Maagd, gebeurtenissen, die niet door een of andere geschapen kracht hebben kunnen plaats vinden. Dus wordt ook dit Sacrament niet geconsacreerd door een geschapen kracht van de genoemde woorden.
R: I q. 110 a. 4[t:ia q. 110 a. 4]
Vervolgens. Wonderwerken geschieden niet door een of andere geschapen kracht, maar alleen door de kracht Gods, gelijk in het Eerste Deel (110° Kw. 4° Art.) is uiteengezet. Welnu, de verandering van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus is geen minder wonderwerk dan de schepping der dingen of ook dan de vorming van het Lichaam van Christus in de schoot van de Maagd, gebeurtenissen, die niet door een of andere geschapen kracht hebben kunnen plaats vinden. Dus wordt ook dit Sacrament niet geconsacreerd door een geschapen kracht van de genoemde woorden.
R: I q. 110 a. 4[t:ia q. 110 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Genoemde woorden zijn niet enkelvoudig maar een samenstel van vele; ook worden zij niet tegelijk maar na elkaar uitgesproken. Maar de genoemde verandering gebeurt, zoals boven is gezegd (75° Kw. 7° Art.), in één ogenblik, waarom ze moet gebeuren door een enkelvoudige kracht. Dus gebeurt ze niet door kracht van deze woorden.
R: q. 75 a. 7[t:iiia q. 75 a. 7]
Vervolgens. Genoemde woorden zijn niet enkelvoudig maar een samenstel van vele; ook worden zij niet tegelijk maar na elkaar uitgesproken. Maar de genoemde verandering gebeurt, zoals boven is gezegd (75° Kw. 7° Art.), in één ogenblik, waarom ze moet gebeuren door een enkelvoudige kracht. Dus gebeurt ze niet door kracht van deze woorden.
R: q. 75 a. 7[t:iiia q. 75 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: "Als er zulk een kracht is in de woorden van de Heer Jesus, dat hetgeen niet was, begon te zijn, hoeveel te meer kunnen zij dan bewerken, dat hetgeen was, is en verandert in iets anders? Zo dan is datgene, wat vóór de consecratie brood was, na de consecratie het Lichaam van Christus, want de woorden van Christus doen het geschapene veranderen".
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: "Als er zulk een kracht is in de woorden van de Heer Jesus, dat hetgeen niet was, begon te zijn, hoeveel te meer kunnen zij dan bewerken, dat hetgeen was, is en verandert in iets anders? Zo dan is datgene, wat vóór de consecratie brood was, na de consecratie het Lichaam van Christus, want de woorden van Christus doen het geschapene veranderen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 4 co.
Mijn antwoord. Sommigen hebben gezegd, dat er geen enkele geschapen kracht is in de genoemde woorden voor het bewerken van de zelfstandigheidsverandering, noch ook in de andere sacramentale vormen of in de sacramenten zelf voor het tot stand brengen van de uitwerkselen der sacramenten — een mening, die zoals boven is uiteengezet (62° Kw. 1° Art.), in strijd is met de uitlatingen van de heiligen en bovendien te kort doet aan de waardigheid van de sacramenten van de Nieuwe Wet. Aangezien derhalve dit sacrament nog waardiger is dan de overige, zoals boven gezegd is (65° Kw. 3° Art.), is de gevolgtrekking te maken, dat in de tot de vorm van dit sacrament behorende woorden een zekere geschapen kracht is, die de verandering van dit sacrament bewerkt, wel te verstaan een werktuigelijke kracht, zoals ook in de andere sacramenten, gelijk boven gezegd is (62° Kw. 3° en 4° Art.). Daar immers deze woorden in de persoon van Christus worden uitgesproken, hebben zij, tengevolge van Zijn bevel, een van Christus komende werktuigelijke kracht, zoals ook Zijn andere daden of woorden een werktuigelijke heilskracht bezitten, gelijk boven gezegd is (68° Kw. 6° Art.; 56° Kw. 1° Art. 3° Antw.).
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1] q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 62 a. 3[t:iiia q. 62 a. 3] q. 62 a. 4[t:iiia q. 62 a. 4] q. 48 a. 6[t:iiia q. 48 a. 6] q. 56 a. 1 ad 3[t:iiia q. 56 a. 1 ad 3]
Mijn antwoord. Sommigen hebben gezegd, dat er geen enkele geschapen kracht is in de genoemde woorden voor het bewerken van de zelfstandigheidsverandering, noch ook in de andere sacramentale vormen of in de sacramenten zelf voor het tot stand brengen van de uitwerkselen der sacramenten — een mening, die zoals boven is uiteengezet (62° Kw. 1° Art.), in strijd is met de uitlatingen van de heiligen en bovendien te kort doet aan de waardigheid van de sacramenten van de Nieuwe Wet. Aangezien derhalve dit sacrament nog waardiger is dan de overige, zoals boven gezegd is (65° Kw. 3° Art.), is de gevolgtrekking te maken, dat in de tot de vorm van dit sacrament behorende woorden een zekere geschapen kracht is, die de verandering van dit sacrament bewerkt, wel te verstaan een werktuigelijke kracht, zoals ook in de andere sacramenten, gelijk boven gezegd is (62° Kw. 3° en 4° Art.). Daar immers deze woorden in de persoon van Christus worden uitgesproken, hebben zij, tengevolge van Zijn bevel, een van Christus komende werktuigelijke kracht, zoals ook Zijn andere daden of woorden een werktuigelijke heilskracht bezitten, gelijk boven gezegd is (68° Kw. 6° Art.; 56° Kw. 1° Art. 3° Antw.).
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1] q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 62 a. 3[t:iiia q. 62 a. 3] q. 62 a. 4[t:iiia q. 62 a. 4] q. 48 a. 6[t:iiia q. 48 a. 6] q. 56 a. 1 ad 3[t:iiia q. 56 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Wanneer er gezegd wordt, dat alleen door de kracht van de H. Geest het brood verandert in het Lichaam van Christus, wordt niet uitgesloten de werktuigelijke kracht, die in de vorm van dit Sacrament is, evenmin als, wanneer gezegd wordt: "Alleen de smid maakt het mes», de kracht van de hamer wordt uitgesloten.
1e Weerlegging. Wanneer er gezegd wordt, dat alleen door de kracht van de H. Geest het brood verandert in het Lichaam van Christus, wordt niet uitgesloten de werktuigelijke kracht, die in de vorm van dit Sacrament is, evenmin als, wanneer gezegd wordt: "Alleen de smid maakt het mes», de kracht van de hamer wordt uitgesloten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Wonderwerken kan geen enkel schepsel tot stand brengen als hoofdoorzaak, maar wel als werktuigelijke oorzaak, gelijk de aanraking van Christus’ hand de melaatse genas. Op deze wijze dan veranderen de woorden van Christus het brood in het Lichaam van Christus. Zo iets kon niet gebeuren bij de ontvangenis van Christus’ Lichaam, toen Christus’ Lichaam gevormd werd, dat namelijk iets dat uit Christus’ Lichaam voortkwam, een werktuigelijke kracht bezat met het oog op de vorming van dat zelfde Lichaam. Bij de schepping was er verder geen uiterste term, waarop de werktuigelijke werking van een schepsel kon uitgeoefend worden. En dus gaat de vergelijking niet op.
2e Weerlegging. Wonderwerken kan geen enkel schepsel tot stand brengen als hoofdoorzaak, maar wel als werktuigelijke oorzaak, gelijk de aanraking van Christus’ hand de melaatse genas. Op deze wijze dan veranderen de woorden van Christus het brood in het Lichaam van Christus. Zo iets kon niet gebeuren bij de ontvangenis van Christus’ Lichaam, toen Christus’ Lichaam gevormd werd, dat namelijk iets dat uit Christus’ Lichaam voortkwam, een werktuigelijke kracht bezat met het oog op de vorming van dat zelfde Lichaam. Bij de schepping was er verder geen uiterste term, waarop de werktuigelijke werking van een schepsel kon uitgeoefend worden. En dus gaat de vergelijking niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Genoemde woorden, waardoor de consecratie plaats heeft, werken sacramenteel; de verandering-uitwerkende kracht, die in de vormen van deze Sacramenten is, volgt daarom de betekenis, welke bij het uitspreken van het laatste woord haar eindterm bereikt. Daarom krijgen genoemde woorden de bewuste kracht op het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden, evenwel in verband met wat voorafgaat; en deze kracht is enkelvoudig vanwege de enkelvoudigheid van het betekende, al is er dan in de uitwendig gesproken woorden een zekere samenstelling.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 78 a. 5 arg. 1
IIIa q. 78 a. 5 arg. 3
IIIa q. 78 a. 6 arg. 3[t:iiia q. 78 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 78 a. 5 arg. 3][t:iiia q. 78 a. 6 arg. 3]
3e Weerlegging. Genoemde woorden, waardoor de consecratie plaats heeft, werken sacramenteel; de verandering-uitwerkende kracht, die in de vormen van deze Sacramenten is, volgt daarom de betekenis, welke bij het uitspreken van het laatste woord haar eindterm bereikt. Daarom krijgen genoemde woorden de bewuste kracht op het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden, evenwel in verband met wat voorafgaat; en deze kracht is enkelvoudig vanwege de enkelvoudigheid van het betekende, al is er dan in de uitwendig gesproken woorden een zekere samenstelling.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 78 a. 5 arg. 1
IIIa q. 78 a. 5 arg. 3
IIIa q. 78 a. 6 arg. 3[t:iiia q. 78 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 78 a. 5 arg. 3][t:iiia q. 78 a. 6 arg. 3]
Referenties naar deze alinea: 2
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Zijn genoemde gezegdes waar?
IIIa q. 78 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat genoemde gezegdes niet waar zijn. Wanneer er immers gezegd wordt: "Dit is Mijn Lichaam", dan wijst het woordje "dit" op een zelfstandigheid. Maar bij het uitspreken van het voornaamwoord "dit" is, volgens het voorgaande (1° Art.; 4° Art. 3° Antw.; 75° Kw. 2°, 7° Art.), de zelfstandigheid van het brood nog aanwezig, daar de zelfstandigheidsverandering plaats heeft op het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden. Nu is deze zin vals: "Het brood is het Lichaam van Christus". Dus is ook deze zin vals: "Dit is Mijn Lichaam".
R: q. 78 a. 1 ad 3[t:iiia q. 78 a. 1 ad 3] q. 78 a. 4 ad 3[t:iiia q. 78 a. 4 ad 3] q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 7[t:iiia q. 75 a. 7]
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat genoemde gezegdes niet waar zijn. Wanneer er immers gezegd wordt: "Dit is Mijn Lichaam", dan wijst het woordje "dit" op een zelfstandigheid. Maar bij het uitspreken van het voornaamwoord "dit" is, volgens het voorgaande (1° Art.; 4° Art. 3° Antw.; 75° Kw. 2°, 7° Art.), de zelfstandigheid van het brood nog aanwezig, daar de zelfstandigheidsverandering plaats heeft op het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden. Nu is deze zin vals: "Het brood is het Lichaam van Christus". Dus is ook deze zin vals: "Dit is Mijn Lichaam".
R: q. 78 a. 1 ad 3[t:iiia q. 78 a. 1 ad 3] q. 78 a. 4 ad 3[t:iiia q. 78 a. 4 ad 3] q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2] q. 75 a. 7[t:iiia q. 75 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Het voornaamwoord "dit" wijst op iets zintuigelijk waarneembaar. Maar de zintuigelijk waarneembare gedaanten, die men in dit sacrament vindt, zijn noch het Lichaam van Christus, noch de bijkomstigheden van het Lichaam van Christus. Dus kan dit gezegde niet waar zijn: "Dit is Mijn Lichaam".
Vervolgens. Het voornaamwoord "dit" wijst op iets zintuigelijk waarneembaar. Maar de zintuigelijk waarneembare gedaanten, die men in dit sacrament vindt, zijn noch het Lichaam van Christus, noch de bijkomstigheden van het Lichaam van Christus. Dus kan dit gezegde niet waar zijn: "Dit is Mijn Lichaam".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Zoals gezegd is (4e Art. 3e Antw.), bewerken deze woorden door hun betekenis de verandering van het brood in het Lichaam van Christus. Nu moet men zich de bewerkende oorzaak denken vóór het uitwerksel. Dus moet men zich de betekenis van deze woorden denken vóór de verandering van het brood in het Lichaam van Christus. Maar vóór de verandering is deze zin vals: "Dit is Mijn Lichaam". Dus moet hij zonder meer als vals beschouwd worden; en hetzelfde geldt van het gezegde: "Dit is de kelk van Mijn Bloed" enz.
R: q. 78 a. 4 ad 3[t:iiia q. 78 a. 4 ad 3]
Vervolgens. Zoals gezegd is (4e Art. 3e Antw.), bewerken deze woorden door hun betekenis de verandering van het brood in het Lichaam van Christus. Nu moet men zich de bewerkende oorzaak denken vóór het uitwerksel. Dus moet men zich de betekenis van deze woorden denken vóór de verandering van het brood in het Lichaam van Christus. Maar vóór de verandering is deze zin vals: "Dit is Mijn Lichaam". Dus moet hij zonder meer als vals beschouwd worden; en hetzelfde geldt van het gezegde: "Dit is de kelk van Mijn Bloed" enz.
R: q. 78 a. 4 ad 3[t:iiia q. 78 a. 4 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, dat deze woorden gesproken worden in de persoon van Christus, die van zichzelf zegt: "Ik ben de Waarheid".
B: (John 14:6) [b:John 14:6]
Daartegenover staat echter, dat deze woorden gesproken worden in de persoon van Christus, die van zichzelf zegt: "Ik ben de Waarheid".
B: (John 14:6) [b:John 14:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 5 co.
Mijn antwoord. Hieraangaande zijn er vele meningen geweest. Sommigen immers hebben beweerd, dat in de zin: "Dit is Mijn Lichaam" het woordje "dit" een gedachte, geen werkelijke aanwijzing inhoudt, aangezien heel deze zin als een eenvoudige weergave wordt gebezigd, daar hij verhalenderwijs wordt gesproken: de priester verhaalt immers, dat Christus gezegd heeft: "Dit is Mijn Lichaam". Maar dit kan geen stand houden, want in deze veronderstelling zouden bedoelde woorden zich niet betrekken op de aanwezige lichamelijke stof en dus zou het Sacrament niet voltrokken worden. Augustinus toch zegt: "Het woord komt bij de stof en het sacrament ontstaat". Bovendien ontkomt men op deze manier niet geheel en al aan de moeilijkheid van de gestelde vraag, omdat dezelfde bedenkingen blijven bestaan met betrekking tot de eerste gebruikmaking van deze woorden door Christus. Want toen werden ze heel duidelijk niet als een eenvoudige weergave maar volgens hun betekenis gebezigd. Daarom moet men zeggen, dat zij, ook wanneer zij door de priester worden uitgesproken, volgens hun betekenis worden gebezigd en niet als een eenvoudige weergave. Het geeft niets, dat de priester ze verhalenderwijs uitspreekt als gezegd door Christus: de oneindige kracht van Christus immers, die door de aanraking met Zijn Vlees de herborenmakende kracht deed toekomen, niet alleen aan het water, dat Christus beroerde, maar aan alle water van alle landen in alle latere tijden, heeft ook door het spreken van Christus aan deze woorden een consecratie-ende kracht gegeven, door welke priester ze ook mogen worden uitgesproken, juist alsof Christus ze op het ogenblik uitbracht. — Anderen hebben daarom beweerd, dat het woordje "dit" in genoemd gezegde niet iets zintuigelijk waarneembaars maar iets verstandelijk waarneembaars aanwijst, zodat de betekenis wordt: "Dit is Mijn Lichaam" d.w.z. het door dit betekende is Mijn Lichaam. Maar ook dat kan geen stand houden, want daar bij de sacramenten datgene wordt uitgewerkt, wat betekend wordt, zou deze vorm niet teweegbrengen, dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig is in werkelijkheid maar alleen maar in teken, hetgeen kettersch is, zoals boven gezegd is (75° Kw. 1° Art.). — Daarom hebben anderen beweerd, dat het woordje "dit" iets zintuigelijk waarneembaars aanwijst, maar dat deze aanwijzing moet begrepen worden, niet voor het ogenblik, waarop dit woordje wordt uitgesproken, maar voor het laatste ogenblik van het hele gezegde, zoals wanneer iemand zegt "nu zwijg ik", dit bijwoord nu het ogenblik aanwijst, dat onmiddellijk op het gezegde volgt; bedoeld wordt immers: "zoodra ik deze woorden heb gezegd, zwijg ik". Maar ook dit kan geen stand houden, want op deze manier zou de betekenis van dit gezegde zijn: "Mijn Lichaam is Mijn Lichaam", hetgeen niet teweeggebracht wordt door genoemd gezegde, want dit was ook vóór het uitspreken van de woorden het geval; dus is ook dit niet de betekenis van genoemd gezegde. — Derhalve moet men iets anders zeggen nl. dat, zoals reeds verklaard is (vorig Art.), dit gezegde de kracht heeft om de verandering te bewerken van het brood in het Lichaam van Christus. En dus verhoudt het zich tot andere gezegdes, die alleen iets kunnen betekenen en niet iets kunnen bewerken, als de daad van het makend verstand, dat de dingen bewerkt, zich verhoudt tot de daad van het beschouwend verstand, dat aan de dingen ontleent; volgens de Wijsgeer immers zijn woorden tekens van wat in het verstand is. En zoals daarom de daad van het makend verstand het begrepen ding niet veronderstelt, maar maakt, zo veronderstelt de waarheid van het onderhavige gezegde niet de betekende zaak, maar maakt zij die zaak; zóó toch verhoudt Zich ook het Woord Gods tot de dingen, gemaakt door het Woord. Nu gebeurt deze verandering niet geleidelijk maar in één ogenblik, zoals gezegd is (75° Kw. 7° Art.). Derhalve moet men ongetwijfeld het genoemde gezegde verstaan met betrekking tot het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden, echter niet zóó, dat als subject wordt verondersteld, wat het eindpunt van de verandering is nl. dat het Lichaam van Christus het Lichaam van Christus is, noch ook wat vóór de verandering was nl. het brood, maar datgene, wat zich tot beide onbestemd verhoudt nl. wat in het algemeen onder deze gedaanten is. Genoemde woorden maken immers niet, dat het Lichaam van Christus het Lichaam van Christus is, maar dat het onder deze gedaanten vervatte, dat eerst brood was, het Lichaam van Christus is. En daarom zegt de Heer, heel betekenend, niet: "Dit brood is Mijn Lichaam", hetgeen volgens de gedachtegang van de tweede mening zou zijn; noch: "Dit Mijn Lichaam is Mijn Lichaam", hetgeen volgens de gedachtegang van de derde mening zou zijn; maar in het algemeen: "Dit is Mijn Lichaam", geen enkel naamwoord gebruikend voor het subject, slechts een voornaamwoord, dat een zelfstandigheid in het algemeen betekent, zonder hoedanigheid d.w.z. bepaalde vorm.
R: q. 85 a. 1[t:iiia q. 85 a. 1] q. 78 a. 4[t:iiia q. 78 a. 4] q. 77 a. 7[t:iiia q. 77 a. 7]
Mijn antwoord. Hieraangaande zijn er vele meningen geweest. Sommigen immers hebben beweerd, dat in de zin: "Dit is Mijn Lichaam" het woordje "dit" een gedachte, geen werkelijke aanwijzing inhoudt, aangezien heel deze zin als een eenvoudige weergave wordt gebezigd, daar hij verhalenderwijs wordt gesproken: de priester verhaalt immers, dat Christus gezegd heeft: "Dit is Mijn Lichaam". Maar dit kan geen stand houden, want in deze veronderstelling zouden bedoelde woorden zich niet betrekken op de aanwezige lichamelijke stof en dus zou het Sacrament niet voltrokken worden. Augustinus toch zegt: "Het woord komt bij de stof en het sacrament ontstaat". Bovendien ontkomt men op deze manier niet geheel en al aan de moeilijkheid van de gestelde vraag, omdat dezelfde bedenkingen blijven bestaan met betrekking tot de eerste gebruikmaking van deze woorden door Christus. Want toen werden ze heel duidelijk niet als een eenvoudige weergave maar volgens hun betekenis gebezigd. Daarom moet men zeggen, dat zij, ook wanneer zij door de priester worden uitgesproken, volgens hun betekenis worden gebezigd en niet als een eenvoudige weergave. Het geeft niets, dat de priester ze verhalenderwijs uitspreekt als gezegd door Christus: de oneindige kracht van Christus immers, die door de aanraking met Zijn Vlees de herborenmakende kracht deed toekomen, niet alleen aan het water, dat Christus beroerde, maar aan alle water van alle landen in alle latere tijden, heeft ook door het spreken van Christus aan deze woorden een consecratie-ende kracht gegeven, door welke priester ze ook mogen worden uitgesproken, juist alsof Christus ze op het ogenblik uitbracht. — Anderen hebben daarom beweerd, dat het woordje "dit" in genoemd gezegde niet iets zintuigelijk waarneembaars maar iets verstandelijk waarneembaars aanwijst, zodat de betekenis wordt: "Dit is Mijn Lichaam" d.w.z. het door dit betekende is Mijn Lichaam. Maar ook dat kan geen stand houden, want daar bij de sacramenten datgene wordt uitgewerkt, wat betekend wordt, zou deze vorm niet teweegbrengen, dat het Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig is in werkelijkheid maar alleen maar in teken, hetgeen kettersch is, zoals boven gezegd is (75° Kw. 1° Art.). — Daarom hebben anderen beweerd, dat het woordje "dit" iets zintuigelijk waarneembaars aanwijst, maar dat deze aanwijzing moet begrepen worden, niet voor het ogenblik, waarop dit woordje wordt uitgesproken, maar voor het laatste ogenblik van het hele gezegde, zoals wanneer iemand zegt "nu zwijg ik", dit bijwoord nu het ogenblik aanwijst, dat onmiddellijk op het gezegde volgt; bedoeld wordt immers: "zoodra ik deze woorden heb gezegd, zwijg ik". Maar ook dit kan geen stand houden, want op deze manier zou de betekenis van dit gezegde zijn: "Mijn Lichaam is Mijn Lichaam", hetgeen niet teweeggebracht wordt door genoemd gezegde, want dit was ook vóór het uitspreken van de woorden het geval; dus is ook dit niet de betekenis van genoemd gezegde. — Derhalve moet men iets anders zeggen nl. dat, zoals reeds verklaard is (vorig Art.), dit gezegde de kracht heeft om de verandering te bewerken van het brood in het Lichaam van Christus. En dus verhoudt het zich tot andere gezegdes, die alleen iets kunnen betekenen en niet iets kunnen bewerken, als de daad van het makend verstand, dat de dingen bewerkt, zich verhoudt tot de daad van het beschouwend verstand, dat aan de dingen ontleent; volgens de Wijsgeer immers zijn woorden tekens van wat in het verstand is. En zoals daarom de daad van het makend verstand het begrepen ding niet veronderstelt, maar maakt, zo veronderstelt de waarheid van het onderhavige gezegde niet de betekende zaak, maar maakt zij die zaak; zóó toch verhoudt Zich ook het Woord Gods tot de dingen, gemaakt door het Woord. Nu gebeurt deze verandering niet geleidelijk maar in één ogenblik, zoals gezegd is (75° Kw. 7° Art.). Derhalve moet men ongetwijfeld het genoemde gezegde verstaan met betrekking tot het laatste ogenblik van het uitspreken der woorden, echter niet zóó, dat als subject wordt verondersteld, wat het eindpunt van de verandering is nl. dat het Lichaam van Christus het Lichaam van Christus is, noch ook wat vóór de verandering was nl. het brood, maar datgene, wat zich tot beide onbestemd verhoudt nl. wat in het algemeen onder deze gedaanten is. Genoemde woorden maken immers niet, dat het Lichaam van Christus het Lichaam van Christus is, maar dat het onder deze gedaanten vervatte, dat eerst brood was, het Lichaam van Christus is. En daarom zegt de Heer, heel betekenend, niet: "Dit brood is Mijn Lichaam", hetgeen volgens de gedachtegang van de tweede mening zou zijn; noch: "Dit Mijn Lichaam is Mijn Lichaam", hetgeen volgens de gedachtegang van de derde mening zou zijn; maar in het algemeen: "Dit is Mijn Lichaam", geen enkel naamwoord gebruikend voor het subject, slechts een voornaamwoord, dat een zelfstandigheid in het algemeen betekent, zonder hoedanigheid d.w.z. bepaalde vorm.
R: q. 85 a. 1[t:iiia q. 85 a. 1] q. 78 a. 4[t:iiia q. 78 a. 4] q. 77 a. 7[t:iiia q. 77 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Het woordje "dit" wijst een zelfstandigheid aan, maar zonder bepaling van de eigen natuur, zoals gezegd is (in de Leerst.).
1e Weerlegging. Het woordje "dit" wijst een zelfstandigheid aan, maar zonder bepaling van de eigen natuur, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Het voornaamwoord "dit" wijst niet de bijkomstigheden aan, maar de onder de bijkomstigheden vervatte zelfstandigheid, welke eerst het brood was, daarna het Lichaam van Christus is, dat weliswaar deze bijkomstigheden niet als vormen ontvangt, maar er toch onder vervat is.
2e Weerlegging. Het voornaamwoord "dit" wijst niet de bijkomstigheden aan, maar de onder de bijkomstigheden vervatte zelfstandigheid, welke eerst het brood was, daarna het Lichaam van Christus is, dat weliswaar deze bijkomstigheden niet als vormen ontvangt, maar er toch onder vervat is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. De betekenis van dit gezegde moet men zich denken als voorafgaand aan het betekende volgens de natuurorde, zoals de oorzaak in natuur voorafgaat aan het uitwerksel; niet echter volgens de tijdsorde, daar deze oorzaak terstond haar uitwerksel met zich brengt: dit nu volstaat voor het waar zijn van dit gezegde.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 78 a. 6 co.[t:iiia q. 78 a. 6 co.]
3e Weerlegging. De betekenis van dit gezegde moet men zich denken als voorafgaand aan het betekende volgens de natuurorde, zoals de oorzaak in natuur voorafgaat aan het uitwerksel; niet echter volgens de tijdsorde, daar deze oorzaak terstond haar uitwerksel met zich brengt: dit nu volstaat voor het waar zijn van dit gezegde.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 78 a. 6 co.[t:iiia q. 78 a. 6 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Heeft de vorm, waardoor het brood geconsecreerd wordt, zijn uitwerking vóór het tot stand komen van den vorm, waardoor de wijn geconsecreerd wordt?
IIIa q. 78 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de vorm, waardoor het brood geconsacreerd wordt, geen uitwerking heeft, vooraleer de vorm, waardoor de wijn geconsacreerd wordt, beëindigd is. Gelijk immers door de consecratie van het brood het Lichaam van Christus aanwezig begint te zijn onder dit Sacrament, zo begint door de consecratie van de wijn het Bloed K: 78, A. 6. 217 aanwezig te zijn. Indien derhalve de woorden van de consecratie van het brood hun uitwerking hadden vóór de consecratie van de wijn, zou volgen, dat in dit Sacrament het Lichaam van Christus aanwezig begon te zijn zonder het Bloed, hetgeen onmogelijk is.
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de vorm, waardoor het brood geconsacreerd wordt, geen uitwerking heeft, vooraleer de vorm, waardoor de wijn geconsacreerd wordt, beëindigd is. Gelijk immers door de consecratie van het brood het Lichaam van Christus aanwezig begint te zijn onder dit Sacrament, zo begint door de consecratie van de wijn het Bloed K: 78, A. 6. 217 aanwezig te zijn. Indien derhalve de woorden van de consecratie van het brood hun uitwerking hadden vóór de consecratie van de wijn, zou volgen, dat in dit Sacrament het Lichaam van Christus aanwezig begon te zijn zonder het Bloed, hetgeen onmogelijk is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Elk sacrament komt maar één keer tot uitwerking: hoewel er daarom bij het doopsel drie onderdompelingen zijn, heeft toch de eerste onderdompeling geen uitwerking vóór de derde is geëindigd. Nu is dit hele sacrament één, zoals boven gezegd is (73° Kw. 2° Art.). Dus hebben de woorden, waardoor het brood geconsacreerd wordt, geen uitwerking zonder de sacramentale woorden, waardoor de wijn geconsacreerd wordt.
R: q. 73 a. 2[t:iiia q. 73 a. 2]
Vervolgens. Elk sacrament komt maar één keer tot uitwerking: hoewel er daarom bij het doopsel drie onderdompelingen zijn, heeft toch de eerste onderdompeling geen uitwerking vóór de derde is geëindigd. Nu is dit hele sacrament één, zoals boven gezegd is (73° Kw. 2° Art.). Dus hebben de woorden, waardoor het brood geconsacreerd wordt, geen uitwerking zonder de sacramentale woorden, waardoor de wijn geconsacreerd wordt.
R: q. 73 a. 2[t:iiia q. 73 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 6 arg. 3
Vervolgens. In de vorm van de consecratie van het brood zelf, zijn verscheidene woorden, waarvan de eerste slechts hun uitwerksel hebben na het uitspreken van de laatste, zoals gezegd is (4° Art. 3° Antw.; 5° Art. 1° Bed.; 75° Kw. 2° en 7° Art.). Om dezelfde reden hebben dus de woorden, waardoor het Lichaam van Christus geconsacreerd wordt, slechts hun uitwerksel, na het uitspreken van de woorden, waardoor het Bloed van Christus geconsacreerd wordt.
R: q. 78 a. 4 ad 3[t:iiia q. 78 a. 4 ad 3]
Vervolgens. In de vorm van de consecratie van het brood zelf, zijn verscheidene woorden, waarvan de eerste slechts hun uitwerksel hebben na het uitspreken van de laatste, zoals gezegd is (4° Art. 3° Antw.; 5° Art. 1° Bed.; 75° Kw. 2° en 7° Art.). Om dezelfde reden hebben dus de woorden, waardoor het Lichaam van Christus geconsacreerd wordt, slechts hun uitwerksel, na het uitspreken van de woorden, waardoor het Bloed van Christus geconsacreerd wordt.
R: q. 78 a. 4 ad 3[t:iiia q. 78 a. 4 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat terstond na het uitspreken van de consecratiewoorden van het brood de geconsacreerde hostie aan het volk ter aanbidding wordt voorgehouden, wat niet zou gebeuren, als het Lichaam van Christus er niet onder aanwezig was, omdat dit neer zou komen op afgoderij. Dus hebben de consecratiewoorden van het brood hun uitwerking vóór het uitspreken van de consecratiewoorden van de wijn.
Daartegenover staat echter, dat terstond na het uitspreken van de consecratiewoorden van het brood de geconsacreerde hostie aan het volk ter aanbidding wordt voorgehouden, wat niet zou gebeuren, als het Lichaam van Christus er niet onder aanwezig was, omdat dit neer zou komen op afgoderij. Dus hebben de consecratiewoorden van het brood hun uitwerking vóór het uitspreken van de consecratiewoorden van de wijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 6 co.
Mijn antwoord. Sommige oude leeraars hebben beweerd, dat deze twee vormen, dus van de consecratie van het brood en van de wijn, in hun werking op elkaar wachten, zodat de eerste zijn uitwerking niet heeft vóór het uitspreken van de tweede. Maar dit is niet te handhaven, omdat, zoals gezegd is (5e Art. 3e Antw.), voor de waarheid van het gezegde: "Dit is Mijn Lichaam", vanwege de tegenwoordige tijd van het werkwoord, vereist is, dat de betekende zaak gelijkijdig is met de betekenis van het gezegde; als daarentegen de betekende zaak nog verwacht werd in de toekomst, zou men het werkwoord in de toekomstige tijd, niet in de tegenwoordige tijd zetten, zodat men namelijk niet zou zeggen: "Dit is Mijn Lichaam", maar: "Dit zal Mijn Lichaam zijn". Nu is de betekenis van dit gezegde volledig, zodra het uitspreken van deze woorden volledig af is. En dus moet de betekende zaak, welke niets anders is dan het uitwerksel van dit Sacrament, terstond aanwezig zijn; anders zou het gezegde niet waar zijn. — Die mening is ook tegen de ritus van de Kerk, die onmiddellijk na het uitspreken van de woorden het Lichaam van Christus aanbidt. Derhalve moet men zeggen, dat de eerste vorm in zijn werking de tweede niet afwacht, maar terstond zijn uitwerking heeft.
R: q. 78 a. 5 ad 3[t:iiia q. 78 a. 5 ad 3]
Mijn antwoord. Sommige oude leeraars hebben beweerd, dat deze twee vormen, dus van de consecratie van het brood en van de wijn, in hun werking op elkaar wachten, zodat de eerste zijn uitwerking niet heeft vóór het uitspreken van de tweede. Maar dit is niet te handhaven, omdat, zoals gezegd is (5e Art. 3e Antw.), voor de waarheid van het gezegde: "Dit is Mijn Lichaam", vanwege de tegenwoordige tijd van het werkwoord, vereist is, dat de betekende zaak gelijkijdig is met de betekenis van het gezegde; als daarentegen de betekende zaak nog verwacht werd in de toekomst, zou men het werkwoord in de toekomstige tijd, niet in de tegenwoordige tijd zetten, zodat men namelijk niet zou zeggen: "Dit is Mijn Lichaam", maar: "Dit zal Mijn Lichaam zijn". Nu is de betekenis van dit gezegde volledig, zodra het uitspreken van deze woorden volledig af is. En dus moet de betekende zaak, welke niets anders is dan het uitwerksel van dit Sacrament, terstond aanwezig zijn; anders zou het gezegde niet waar zijn. — Die mening is ook tegen de ritus van de Kerk, die onmiddellijk na het uitspreken van de woorden het Lichaam van Christus aanbidt. Derhalve moet men zeggen, dat de eerste vorm in zijn werking de tweede niet afwacht, maar terstond zijn uitwerking heeft.
R: q. 78 a. 5 ad 3[t:iiia q. 78 a. 5 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Door deze redenering hebben, naar het schijnt, de voorstanders van bovengenoemde mening zich laten verleiden. Daarom moet men weten, dat na de consecratie van het brood het Lichaam van Christus aanwezig is uit kracht van het Sacrament en het Bloed tengevolge van de verbondenheid in de werkelijkheid; maar later komt daarentegen door de consecratie van de wijn het Bloed van Christus tegenwoordig uit kracht van het Sacrament, het Lichaam echter uit verbondenheid in de werkelijkheid, zodat de hele Christus onder beide gedaanten is, gelijk boven gezegd is (76e Kw. 2e Art.).
R: q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2]
1e Weerlegging. Door deze redenering hebben, naar het schijnt, de voorstanders van bovengenoemde mening zich laten verleiden. Daarom moet men weten, dat na de consecratie van het brood het Lichaam van Christus aanwezig is uit kracht van het Sacrament en het Bloed tengevolge van de verbondenheid in de werkelijkheid; maar later komt daarentegen door de consecratie van de wijn het Bloed van Christus tegenwoordig uit kracht van het Sacrament, het Lichaam echter uit verbondenheid in de werkelijkheid, zodat de hele Christus onder beide gedaanten is, gelijk boven gezegd is (76e Kw. 2e Art.).
R: q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Dit Sacrament is één naar volkomenheid, zoals boven gezegd is (73e Kw. 2e Art.), voorzover het samengesteld is uit twee dingen t.w. spijs en drank, waarvan ieder op zich zijn eigen volkomenheid bezit; de drie onderdompelingen van het doopsel zijn daarentegen gericht op een enkelvoudig uitwerksel, en dus gaat de vergelijking niet op.
R: q. 73 a. 2[t:iiia q. 73 a. 2]
2e Weerlegging. Dit Sacrament is één naar volkomenheid, zoals boven gezegd is (73e Kw. 2e Art.), voorzover het samengesteld is uit twee dingen t.w. spijs en drank, waarvan ieder op zich zijn eigen volkomenheid bezit; de drie onderdompelingen van het doopsel zijn daarentegen gericht op een enkelvoudig uitwerksel, en dus gaat de vergelijking niet op.
R: q. 73 a. 2[t:iiia q. 73 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 78 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. De onderscheidene woorden in de vorm van de consecratie van het brood maken te samen de waarheid van één gezegde, wat niet geldt van de woorden der onderscheidene vormen, en dus gaat de vergelijking niet op.
3e Weerlegging. De onderscheidene woorden in de vorm van de consecratie van het brood maken te samen de waarheid van één gezegde, wat niet geldt van de woorden der onderscheidene vormen, en dus gaat de vergelijking niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 79: Over de uitwerkselen van het Sacrament der Eucharistie
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 18 a. 1 co.[t:iiia q. 18 a. 1 co.]
IIIa q. 79 pr.
Vervolgens moeten we handelen over de uitwerkingen van dit Sacrament; hieromtrent stellen wij acht vragen.
1. Deelt dit Sacrament genade mee?
2. Is het uitwerking van dit Sacrament het verwerven van de glorie?
3. Is het uitwerking van dit Sacrament de vergiffenis van de doodszonde?
4. Wordt door dit Sacrament de dagelijkse zonde vergeven?
5. Wordt door dit Sacrament de hele straf van de zonde vergeven?
6. Behoedt dit Sacrament de mensen voor toekomstige zonden?
7. Is dit Sacrament alleen nuttig voor hen die het ontvangen?
8. Over datgene wat het uitwerking van dit Sacrament belet.
IIIa q. 18 a. 1 co.[t:iiia q. 18 a. 1 co.]
IIIa q. 79 pr.
Vervolgens moeten we handelen over de uitwerkingen van dit Sacrament; hieromtrent stellen wij acht vragen.
1. Deelt dit Sacrament genade mee?
2. Is het uitwerking van dit Sacrament het verwerven van de glorie?
3. Is het uitwerking van dit Sacrament de vergiffenis van de doodszonde?
4. Wordt door dit Sacrament de dagelijkse zonde vergeven?
5. Wordt door dit Sacrament de hele straf van de zonde vergeven?
6. Behoedt dit Sacrament de mensen voor toekomstige zonden?
7. Is dit Sacrament alleen nuttig voor hen die het ontvangen?
8. Over datgene wat het uitwerking van dit Sacrament belet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Utrum per hoc sacramentum conferatur gratia
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 79 a. 3 arg. 3
IIIa q. 79 a. 5 arg. 1
IIIa q. 79 a. 8 co.
IIIa q. 83 a. 1 co.
IIIa q. 83 a. 4 co.[t:iiia q. 79 a. 3 arg. 3][t:iiia q. 79 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 79 a. 8 co.][t:iiia q. 83 a. 1 co.][t:iiia q. 83 a. 4 co.]
IIIa q. 79 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat door dit Sacrament geen genade wordt meegedeeld. Dit Sacrament is immers een geestelijk voedsel. Nu wordt voedsel alleen maar aan een levende gegeven. Daar derhalve het geestelijk leven in de genade bestaat, komt dit Sacrament alleen maar toe aan hem, die de genade heeft. Dus wordt door dit Sacrament de genade niet meegedeeld als na gemis ervan. Evenmin bij wijze van vermeerdering, aangezien de geestelijke toename thuis hoort bij het sacrament des vormsels, zoals gezegd is (65° Kw. 1° Art.; 72° Kw. 1° Art.). Dus wordt door dit Sacrament geen genade meegedeeld.
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1]
IIIa q. 79 a. 3 arg. 3
IIIa q. 79 a. 5 arg. 1
IIIa q. 79 a. 8 co.
IIIa q. 83 a. 1 co.
IIIa q. 83 a. 4 co.[t:iiia q. 79 a. 3 arg. 3][t:iiia q. 79 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 79 a. 8 co.][t:iiia q. 83 a. 1 co.][t:iiia q. 83 a. 4 co.]
IIIa q. 79 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat door dit Sacrament geen genade wordt meegedeeld. Dit Sacrament is immers een geestelijk voedsel. Nu wordt voedsel alleen maar aan een levende gegeven. Daar derhalve het geestelijk leven in de genade bestaat, komt dit Sacrament alleen maar toe aan hem, die de genade heeft. Dus wordt door dit Sacrament de genade niet meegedeeld als na gemis ervan. Evenmin bij wijze van vermeerdering, aangezien de geestelijke toename thuis hoort bij het sacrament des vormsels, zoals gezegd is (65° Kw. 1° Art.; 72° Kw. 1° Art.). Dus wordt door dit Sacrament geen genade meegedeeld.
R: q. 72 a. 1[t:iiia q. 72 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Dit Sacrament wordt gegeven als een zekere geestelijke verkwikking. Nu schijnt de geestelijke verkwikking meer te horen bij het gebruik van de genade dan bij het verlenen van de genade. Dus schijnt door dit Sacrament geen genade te worden verleend.
Vervolgens. Dit Sacrament wordt gegeven als een zekere geestelijke verkwikking. Nu schijnt de geestelijke verkwikking meer te horen bij het gebruik van de genade dan bij het verlenen van de genade. Dus schijnt door dit Sacrament geen genade te worden verleend.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Zoals boven gezegd is (74° Kw. 1° Art.), wordt in dit Sacrament het Lichaam van Christus opgedragen voor het heil van het lichaam, het Bloed voor het heil van de ziel. Maar het lichaam is geen subject van genade, gelijk in het Tweede Deel is uiteengezet (I-II 110° Kw. 4° Art.). Dus wordt minstens met betrekking tot het lichaam door dit Sacrament geen genade verleend.
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1] Ia-IIae q. 110 a. 4[t:ia-iiae q. 110 a. 4]
Vervolgens. Zoals boven gezegd is (74° Kw. 1° Art.), wordt in dit Sacrament het Lichaam van Christus opgedragen voor het heil van het lichaam, het Bloed voor het heil van de ziel. Maar het lichaam is geen subject van genade, gelijk in het Tweede Deel is uiteengezet (I-II 110° Kw. 4° Art.). Dus wordt minstens met betrekking tot het lichaam door dit Sacrament geen genade verleend.
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1] Ia-IIae q. 110 a. 4[t:ia-iiae q. 110 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt: "Het brood, dat Ik geven zal, is Mijn Vlees voor het leven der wereld» (Joan. 6. 52). Nu bestaat het geestelijke leven in de genade. Dus wordt door dit sacrament genade verleend.
B: (John 6:52, John 6:52) [b:John 6:52]
Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt: "Het brood, dat Ik geven zal, is Mijn Vlees voor het leven der wereld» (Joan. 6. 52). Nu bestaat het geestelijke leven in de genade. Dus wordt door dit sacrament genade verleend.
B: (John 6:52, John 6:52) [b:John 6:52]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 1 co.
Mijn antwoord. Het uitwerksel van dit Sacrament moet men eerst en vooral afmeten naar wat in dit Sacrament is vervat, nl. Christus, die, evenals Hij bij Zijn zichtbare komst in de wereld het leven der genade aan de wereld heeft gegeven, volgens het woord van Joannes (1. 17): "De genade en de waarheid is door Jesus Christus gebracht», zo ook bij Zijn sacramentele komst in de mens het leven der genade bewerkt, volgens het woord van Joannes (6. 58): "Wie Mij eet, zal door Mij leven». Cyrillus zegt dan ook: "Het levendmakend Woord van God heeft, Zich verbindend met Zijn eigen Vlees, ook dat levendmakend gemaakt. Het was dus passend, dat Hij Zich op een bepaalde manier met onze lichamen zou verbinden door Zijn heilig Vlees en kostbaar Bloed, welke wij ontvangen door een levendmakende zegening in het brood en de wijn". — Ten tweede moet men het beoordelen naar datgene, wat door dit Sacrament wordt verbeeld en dat is het lijden van Christus, zoals boven is gezegd (74° Kw. 1° Art.; 76° Kw. 2° Art. 1° Antw.). De uitwerking daarom, die het lijden van Christus in de wereld heeft gehad, heeft dit Sacrament in de mens. Vandaar dat bij het woord van Joannes (19. 34): "Terstond stroomde er bloed en water uit" door Chrysostomus gezegd wordt: "Omdat van hier de heilige geheimen een begin nemen, nadert daarom zóó tot de huiveringwekkende kelk, als traadt gij nader om te drinken uit de zijde zelf van Christus". En de Heer Zelf zegt dan ook (Matth. 26. 28): "Dit is Mijn Bloed... dat voor u zal worden vergoten tot vergeving van de zonden". — Ten derde moet men het uitwerksel van dit Sacrament beoordelen naar de wijze, waarop het wordt gegeven d. i. als spijs en drank. Elk uitwerksel daarom, dat stoffelijke spijs en drank teweegbrengen met betrekking tot het lichamelijk leven nl. onderhoud, toename, herstel en genot, dat alles bewerkt ook dat Sacrament niet betrekking tot het geestelijk leven. Daarom zegt Ambrosius: "Dat is brood van het eeuwig leven, brood, dat het wezen onzer ziel onderhoudt". En Chrysostomus zegt: "Aan ons, die naar Hem verlangen, geeft Hij Zich te tasten, te eten en te omhelzen". En de Heer Zelf zegt dan ook: "Mijn Vlees is waarlijk spijs en Mijn Bloed is waarlijk drank" (Joan. 6. 56). — Ten vierde moet men het uitwerksel van dit Sacrament beoordelen naar de gedaanten, waaronder dit Sacrament wordt gegeven. Vandaar dat Augustinus zegt: "Onze Heer heeft Zijn Lichaam en Bloed in die dingen aanbevolen, die tot iets eens worden gemaakt uit vele, want het eerste" nl. het brood. "is iets eens, dat uit vele graankorrels bestaat, het tweede" nl. de wijn "is een samenvloeisel van vele druiven". Daarom zegt hij elders: "O Sacrament van vroomheid, o teken van eenheid, o band van liefde". Daar nu Christus en Zijn lijden oorzaak zijn van genade, en geestelijke verkwikking en liefde niet kunnen zijn zonder genade, is uit al het nu gezegde duidelijk, dat dit Sacrament genade verleent.
B: (Luke 22:19) [b:Luke 22:19] (John 1:17) [b:John 1:17] (John 6:58, John 6:58) [b:John 6:58]
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1] q. 76 a. 2 ad 1[t:iiia q. 76 a. 2 ad 1]
Mijn antwoord. Het uitwerksel van dit Sacrament moet men eerst en vooral afmeten naar wat in dit Sacrament is vervat, nl. Christus, die, evenals Hij bij Zijn zichtbare komst in de wereld het leven der genade aan de wereld heeft gegeven, volgens het woord van Joannes (1. 17): "De genade en de waarheid is door Jesus Christus gebracht», zo ook bij Zijn sacramentele komst in de mens het leven der genade bewerkt, volgens het woord van Joannes (6. 58): "Wie Mij eet, zal door Mij leven». Cyrillus zegt dan ook: "Het levendmakend Woord van God heeft, Zich verbindend met Zijn eigen Vlees, ook dat levendmakend gemaakt. Het was dus passend, dat Hij Zich op een bepaalde manier met onze lichamen zou verbinden door Zijn heilig Vlees en kostbaar Bloed, welke wij ontvangen door een levendmakende zegening in het brood en de wijn". — Ten tweede moet men het beoordelen naar datgene, wat door dit Sacrament wordt verbeeld en dat is het lijden van Christus, zoals boven is gezegd (74° Kw. 1° Art.; 76° Kw. 2° Art. 1° Antw.). De uitwerking daarom, die het lijden van Christus in de wereld heeft gehad, heeft dit Sacrament in de mens. Vandaar dat bij het woord van Joannes (19. 34): "Terstond stroomde er bloed en water uit" door Chrysostomus gezegd wordt: "Omdat van hier de heilige geheimen een begin nemen, nadert daarom zóó tot de huiveringwekkende kelk, als traadt gij nader om te drinken uit de zijde zelf van Christus". En de Heer Zelf zegt dan ook (Matth. 26. 28): "Dit is Mijn Bloed... dat voor u zal worden vergoten tot vergeving van de zonden". — Ten derde moet men het uitwerksel van dit Sacrament beoordelen naar de wijze, waarop het wordt gegeven d. i. als spijs en drank. Elk uitwerksel daarom, dat stoffelijke spijs en drank teweegbrengen met betrekking tot het lichamelijk leven nl. onderhoud, toename, herstel en genot, dat alles bewerkt ook dat Sacrament niet betrekking tot het geestelijk leven. Daarom zegt Ambrosius: "Dat is brood van het eeuwig leven, brood, dat het wezen onzer ziel onderhoudt". En Chrysostomus zegt: "Aan ons, die naar Hem verlangen, geeft Hij Zich te tasten, te eten en te omhelzen". En de Heer Zelf zegt dan ook: "Mijn Vlees is waarlijk spijs en Mijn Bloed is waarlijk drank" (Joan. 6. 56). — Ten vierde moet men het uitwerksel van dit Sacrament beoordelen naar de gedaanten, waaronder dit Sacrament wordt gegeven. Vandaar dat Augustinus zegt: "Onze Heer heeft Zijn Lichaam en Bloed in die dingen aanbevolen, die tot iets eens worden gemaakt uit vele, want het eerste" nl. het brood. "is iets eens, dat uit vele graankorrels bestaat, het tweede" nl. de wijn "is een samenvloeisel van vele druiven". Daarom zegt hij elders: "O Sacrament van vroomheid, o teken van eenheid, o band van liefde". Daar nu Christus en Zijn lijden oorzaak zijn van genade, en geestelijke verkwikking en liefde niet kunnen zijn zonder genade, is uit al het nu gezegde duidelijk, dat dit Sacrament genade verleent.
B: (Luke 22:19) [b:Luke 22:19] (John 1:17) [b:John 1:17] (John 6:58, John 6:58) [b:John 6:58]
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1] q. 76 a. 2 ad 1[t:iiia q. 76 a. 2 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Dit Sacrament heeft uit zichzelf kracht om genade mee te delen; en niemand krijgt genade vóór de ontvangst van dit Sacrament tenzij door een zeker verlangen ernaar, een persoonlijk verlangen bij volwassenen of het verlangen van de Kerk bij kinderen, zoals boven gezegd is (73° Kw. 3° Art.). Het is dus door de kracht van zijn werkdadigheid, dat iemand alleen reeds door het verlangen ernaar genade krijgt, waardoor hij geestelijkerwijs tot het leven komt. Er blijft dus over, dat, als het Sacrament zelf in werkelijkheid wordt ontvangen, de genade wordt vermeerderd en het geestelijk leven wordt vervolmaakt; maar op een andere wijze dan door het sacrament des vormsels, waardoor de genade wordt vermeerderd en vervolmaakt, opdat men zou kunnen stand houden tegen de uitwendige aanvechtingen van Christus’ vijanden; door dit Sacrament echter wordt de genade vermeerderd en het geestelijk leven vervolmaakt, opdat de mens in zichzelf volmaakt zij door verbinding met God.
B: (Matt 26:28) [b:Matt 26:28] (John 19:34, John 19:34) [b:John 19:34]
R: q. 73 a. 3[t:iiia q. 73 a. 3]
1e Weerlegging. Dit Sacrament heeft uit zichzelf kracht om genade mee te delen; en niemand krijgt genade vóór de ontvangst van dit Sacrament tenzij door een zeker verlangen ernaar, een persoonlijk verlangen bij volwassenen of het verlangen van de Kerk bij kinderen, zoals boven gezegd is (73° Kw. 3° Art.). Het is dus door de kracht van zijn werkdadigheid, dat iemand alleen reeds door het verlangen ernaar genade krijgt, waardoor hij geestelijkerwijs tot het leven komt. Er blijft dus over, dat, als het Sacrament zelf in werkelijkheid wordt ontvangen, de genade wordt vermeerderd en het geestelijk leven wordt vervolmaakt; maar op een andere wijze dan door het sacrament des vormsels, waardoor de genade wordt vermeerderd en vervolmaakt, opdat men zou kunnen stand houden tegen de uitwendige aanvechtingen van Christus’ vijanden; door dit Sacrament echter wordt de genade vermeerderd en het geestelijk leven vervolmaakt, opdat de mens in zichzelf volmaakt zij door verbinding met God.
B: (Matt 26:28) [b:Matt 26:28] (John 19:34, John 19:34) [b:John 19:34]
R: q. 73 a. 3[t:iiia q. 73 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Presbyterorum Ordinis ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Dit Sacrament geeft geestelijke genade met de deugd van liefde. Daarom vergelijkt Damascenus dit Sacrament met de door Isaïas geziene brandende kool (Isaïas 6.6). Zulk een kool is immers geen gewoon hout, maar hout met vuur; op die wijze ook "is het brood van de communie geen gewoon brood, maar brood met de Godheid". Zoals echter Gregorius zegt "is de liefde Gods niet werkeloos: zij werkt immers grote dingen, als zij aanwezig is". En dus wordt door dit Sacrament, voorzover het van zijn kracht afhangt, niet alleen de blijvende gesteldheid van de genade en van de deugd verleend, maar wordt deze ook tot de daad opgewekt, volgens het woord van de Tweede Brief aan de Corinthiërs (5. 14): "De liefde van Christus drijft ons". En daarom wordt door de kracht van dit Sacrament de ziel geestelijk verkwikt, omdat de ziel een geestelijk genot vindt in en als het ware dronken gemaakt wordt door de zoetheid van de goddelijke goedheid, volgens het woord van het Hooglied (5. 1): "Eet, vrienden, en drinkt en wordt dronken, geliefden".
B: (John 6:56, John 6:56) [b:John 6:56]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 81 a. 1 ad 3[t:iiia q. 81 a. 1 ad 3]
2e Weerlegging. Dit Sacrament geeft geestelijke genade met de deugd van liefde. Daarom vergelijkt Damascenus dit Sacrament met de door Isaïas geziene brandende kool (Isaïas 6.6). Zulk een kool is immers geen gewoon hout, maar hout met vuur; op die wijze ook "is het brood van de communie geen gewoon brood, maar brood met de Godheid". Zoals echter Gregorius zegt "is de liefde Gods niet werkeloos: zij werkt immers grote dingen, als zij aanwezig is". En dus wordt door dit Sacrament, voorzover het van zijn kracht afhangt, niet alleen de blijvende gesteldheid van de genade en van de deugd verleend, maar wordt deze ook tot de daad opgewekt, volgens het woord van de Tweede Brief aan de Corinthiërs (5. 14): "De liefde van Christus drijft ons". En daarom wordt door de kracht van dit Sacrament de ziel geestelijk verkwikt, omdat de ziel een geestelijk genot vindt in en als het ware dronken gemaakt wordt door de zoetheid van de goddelijke goedheid, volgens het woord van het Hooglied (5. 1): "Eet, vrienden, en drinkt en wordt dronken, geliefden".
B: (John 6:56, John 6:56) [b:John 6:56]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 81 a. 1 ad 3[t:iiia q. 81 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Daar de sacramenten datgene bewerken, wat ze betekenen en waarop ze lijken, daarom zegt men vergelijkenderwijs, dat in dit Sacrament het Lichaam wordt opgedragen voor het heil van het lichaam en het Bloed voor het heil van de ziel, hoewel beide voor het heil van beide werken, aangezien onder beide de hele Christus is, zoals boven is gezegd (76° Kw. 2° Art.). En al is het lichaam niet onmiddellijk subject van genade, toch stroomt vanuit de ziel de werking der genade in het lichaam over, voorzover wij in dezen tijd onze lichamen gebruiken als "wapenen van de gerechtigheid Gods", zoals men vindt in de Brief aan de Romeinen (6, 13), en in de toekomst ons lichaam deel zal hebben aan de onbederfelijkheid en de glorie van de ziel.
R: q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2]
3e Weerlegging. Daar de sacramenten datgene bewerken, wat ze betekenen en waarop ze lijken, daarom zegt men vergelijkenderwijs, dat in dit Sacrament het Lichaam wordt opgedragen voor het heil van het lichaam en het Bloed voor het heil van de ziel, hoewel beide voor het heil van beide werken, aangezien onder beide de hele Christus is, zoals boven is gezegd (76° Kw. 2° Art.). En al is het lichaam niet onmiddellijk subject van genade, toch stroomt vanuit de ziel de werking der genade in het lichaam over, voorzover wij in dezen tijd onze lichamen gebruiken als "wapenen van de gerechtigheid Gods", zoals men vindt in de Brief aan de Romeinen (6, 13), en in de toekomst ons lichaam deel zal hebben aan de onbederfelijkheid en de glorie van de ziel.
R: q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is het uitwerksel van dit Sacrament het verwerven van de glorie?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 79 a. 5 arg. 1
IIIa q. 82 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 79 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 82 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 79 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het uitwerksel van dit Sacrament niet het verwerven van de glorie is. Het uitwerksel immers is evenredig aan zijn oorzaak. Welnu, dit Sacrament komt toe aan pelgrims naar de hemel: vandaar ook dat het teerspijze genoemd wordt. Daar derhalve pelgrims naar de hemel nog niet in staat zijn de glorie te ontvangen, schijnt dit Sacrament niet het verwerven van de glorie te bewerken.
IIIa q. 79 a. 5 arg. 1
IIIa q. 82 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 79 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 82 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 79 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het uitwerksel van dit Sacrament niet het verwerven van de glorie is. Het uitwerksel immers is evenredig aan zijn oorzaak. Welnu, dit Sacrament komt toe aan pelgrims naar de hemel: vandaar ook dat het teerspijze genoemd wordt. Daar derhalve pelgrims naar de hemel nog niet in staat zijn de glorie te ontvangen, schijnt dit Sacrament niet het verwerven van de glorie te bewerken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Bij aanwezigheid van een voldoende oorzaak volgt het uitwerksel. Nu ontvangen velen dit sacrament, die nooit tot de glorie zullen komen, zoals blijkt bij Augustinus. Dus is dit sacrament geen oorzaak van het verwerven der glorie.
Vervolgens. Bij aanwezigheid van een voldoende oorzaak volgt het uitwerksel. Nu ontvangen velen dit sacrament, die nooit tot de glorie zullen komen, zoals blijkt bij Augustinus. Dus is dit sacrament geen oorzaak van het verwerven der glorie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Het meerdere wordt niet bewerkt door het mindere, daar niets boven zijn eigen soort werkt. Nu Christus ontvangen onder andere gedaanten, hetgeen in dit sacrament gebeurt, is iets minders dan Hem genieten in Zijn eigen gedaante, hetgeen plaats heeft in de glorie. Dus veroorzaakt dit sacrament niet het verwerven van de glorie.
Vervolgens. Het meerdere wordt niet bewerkt door het mindere, daar niets boven zijn eigen soort werkt. Nu Christus ontvangen onder andere gedaanten, hetgeen in dit sacrament gebeurt, is iets minders dan Hem genieten in Zijn eigen gedaante, hetgeen plaats heeft in de glorie. Dus veroorzaakt dit sacrament niet het verwerven van de glorie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (6. 52) gezegd wordt: "Wie van dit brood zal eten, zal leven in eeuwigheid". Het eeuwig leven nu is het leven der glorie. Dus is het uitwerksel van dit sacrament het verwerven der glorie.
B: (John 6:52, John 6:52) [b:John 6:52]
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (6. 52) gezegd wordt: "Wie van dit brood zal eten, zal leven in eeuwigheid". Het eeuwig leven nu is het leven der glorie. Dus is het uitwerksel van dit sacrament het verwerven der glorie.
B: (John 6:52, John 6:52) [b:John 6:52]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 2 co.
Mijn antwoord. In dit Sacrament kan men beschouwen datgene, uit kracht waarvan het zijn uitwerking heeft nl. Christus Zelf, die hier is vervat, en Zijn lijden, dat hier is verbeeld, en ook datgene, waardoor het zijn uitwerking heeft nl. het gebruik van het Sacrament en de gedaanten ervan. Wat beide dan aangaat, komt het aan dit Sacrament toe het verwerven van het eeuwige leven te veroorzaken. Want Christus heeft door Zijn lijden ons de toegang tot het eeuwige leven geopend, volgens het woord van de Brief aan de Hebreeën (9. 15): "Hij is de Middelaar van een Nieuw Testament, opdat, door tussenkomst van Zijn dood, zij die geroepen zijn, de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen». Daarom wordt ook in de vorm van dit Sacrament gezegd: "Dit is de kelk van Mijn Bloed, van het Nieuw en eeuwig Testament». Op gelijke wijze worden de verkwikking van de geestelijke spijs en de door de gedaanten van brood en wijn betekende eenheid weliswaar reeds nu bezeten, maar onvolmaakt, volmaakt pas in de hemel. Daarom zegt Augustinus bij het woord van Joannes (6. 56): "Mijn Vlees is waarlijk spijs»: "Met spijs en drank zoeken de mensen, dat ze niet meer mogen hongeren of dorsten; in waarheid geeft dit alleen die spijs en drank, die de ontvangers ervan onsterfelijk en onbederfelijk maakt in de gemeenschap der heiligen. waar vrede zal zijn en volle en volmaakte eenheid».
Mijn antwoord. In dit Sacrament kan men beschouwen datgene, uit kracht waarvan het zijn uitwerking heeft nl. Christus Zelf, die hier is vervat, en Zijn lijden, dat hier is verbeeld, en ook datgene, waardoor het zijn uitwerking heeft nl. het gebruik van het Sacrament en de gedaanten ervan. Wat beide dan aangaat, komt het aan dit Sacrament toe het verwerven van het eeuwige leven te veroorzaken. Want Christus heeft door Zijn lijden ons de toegang tot het eeuwige leven geopend, volgens het woord van de Brief aan de Hebreeën (9. 15): "Hij is de Middelaar van een Nieuw Testament, opdat, door tussenkomst van Zijn dood, zij die geroepen zijn, de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen». Daarom wordt ook in de vorm van dit Sacrament gezegd: "Dit is de kelk van Mijn Bloed, van het Nieuw en eeuwig Testament». Op gelijke wijze worden de verkwikking van de geestelijke spijs en de door de gedaanten van brood en wijn betekende eenheid weliswaar reeds nu bezeten, maar onvolmaakt, volmaakt pas in de hemel. Daarom zegt Augustinus bij het woord van Joannes (6. 56): "Mijn Vlees is waarlijk spijs»: "Met spijs en drank zoeken de mensen, dat ze niet meer mogen hongeren of dorsten; in waarheid geeft dit alleen die spijs en drank, die de ontvangers ervan onsterfelijk en onbederfelijk maakt in de gemeenschap der heiligen. waar vrede zal zijn en volle en volmaakte eenheid».
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Zoals het lijden van Christus, in welks kracht dit sacrament werkt, wel voldoende oorzaak is van de glorie, maar niet zóó, dat wij er terstond door worden binnengevoerd in de glorie, daar wij integendeel eerst samen moeten lijden om later samen verheerlijkt te worden, gelijk in de Brief aan de Romeinen (8. 17) gezegd wordt, zo voert ook dit sacrament ons niet terstond in de glorie binnen, maar geeft het ons de kracht om tot de glorie te komen, weshalve het teerspijze genoemd wordt; een voorafbeelding ervan vinden wij in het Derde Boek der Koningen (19. 8), waar wij lezen, dat "Elias at en dronk en in de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten wandelde tot aan de berg Gods Horeb".
B: (Heb 9:15) [b:Heb 9:15]
1e Weerlegging. Zoals het lijden van Christus, in welks kracht dit sacrament werkt, wel voldoende oorzaak is van de glorie, maar niet zóó, dat wij er terstond door worden binnengevoerd in de glorie, daar wij integendeel eerst samen moeten lijden om later samen verheerlijkt te worden, gelijk in de Brief aan de Romeinen (8. 17) gezegd wordt, zo voert ook dit sacrament ons niet terstond in de glorie binnen, maar geeft het ons de kracht om tot de glorie te komen, weshalve het teerspijze genoemd wordt; een voorafbeelding ervan vinden wij in het Derde Boek der Koningen (19. 8), waar wij lezen, dat "Elias at en dronk en in de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten wandelde tot aan de berg Gods Horeb".
B: (Heb 9:15) [b:Heb 9:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Zoals het lijden van Christus zijn uitwerking niet heeft in hen, die er zich niet toe verhouden gelijk het moet, zo wordt ook door dit sacrament niet de glorie verworven door hen, die het onwaardig ontvangen. Daarom zegt Augustinus bij Joannes, de woorden van de aangehaalde plaats uitleggend: "Iets anders is het sacrament, iets anders de kracht van het sacrament. Velen ontvangen van het altaar en door te ontvangen sterven zij. Eet daarom een hemels brood op geestelijke wijze, breng onschuld mee naar het altaar". Daarom is het geen wonder, als zij, die hun onschuld niet bewaren, niet deelachtig worden aan het uitwerksel van dit sacrament.
B: (John 6:56, John 6:56) [b:John 6:56]
2e Weerlegging. Zoals het lijden van Christus zijn uitwerking niet heeft in hen, die er zich niet toe verhouden gelijk het moet, zo wordt ook door dit sacrament niet de glorie verworven door hen, die het onwaardig ontvangen. Daarom zegt Augustinus bij Joannes, de woorden van de aangehaalde plaats uitleggend: "Iets anders is het sacrament, iets anders de kracht van het sacrament. Velen ontvangen van het altaar en door te ontvangen sterven zij. Eet daarom een hemels brood op geestelijke wijze, breng onschuld mee naar het altaar". Daarom is het geen wonder, als zij, die hun onschuld niet bewaren, niet deelachtig worden aan het uitwerksel van dit sacrament.
B: (John 6:56, John 6:56) [b:John 6:56]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Dat Christus onder een andere gedaante wordt genutigd, hoort tot de eigenaardigheid van de Eucharistie als sacrament: de sacramenten nu werken als werktuigen. Niets echter belet, dat een werktuigelijke oorzaak een hoger uitwerksel voortbrengt, zoals uit het boven gezegde blijkt (77° Kw. 3° Art. 3° Antw.).
B: (Rom 8:17) [b:Rom 8:17]
R: q. 77 a. 3 ad 3[t:iiia q. 77 a. 3 ad 3]
3e Weerlegging. Dat Christus onder een andere gedaante wordt genutigd, hoort tot de eigenaardigheid van de Eucharistie als sacrament: de sacramenten nu werken als werktuigen. Niets echter belet, dat een werktuigelijke oorzaak een hoger uitwerksel voortbrengt, zoals uit het boven gezegde blijkt (77° Kw. 3° Art. 3° Antw.).
B: (Rom 8:17) [b:Rom 8:17]
R: q. 77 a. 3 ad 3[t:iiia q. 77 a. 3 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Is het uitwerksel van dit Sacrament de vergiffenis van de doodzonde?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 79 a. 7 co.
IIIa q. 80 a. 1 co.
Suppl q. 30 a. 1 co.[t:iiia q. 79 a. 7 co.][t:iiia q. 80 a. 1 co.][t:suppl q. 30 a. 1 co.]
IIIa q. 79 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het uitwerksel van dit Sacrament de vergiffenis van de doodszonde is Want in een collectie wordt gezegd: "Dit Sacrament zij de afwassing der misdaden". Nu wordt met misdaden doodzonden bedoeld. Dus worden door dit Sacrament de doodzonden afgewassen.
IIIa q. 79 a. 7 co.
IIIa q. 80 a. 1 co.
Suppl q. 30 a. 1 co.[t:iiia q. 79 a. 7 co.][t:iiia q. 80 a. 1 co.][t:suppl q. 30 a. 1 co.]
IIIa q. 79 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het uitwerksel van dit Sacrament de vergiffenis van de doodszonde is Want in een collectie wordt gezegd: "Dit Sacrament zij de afwassing der misdaden". Nu wordt met misdaden doodzonden bedoeld. Dus worden door dit Sacrament de doodzonden afgewassen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Dit Sacrament werkt in kracht van het lijden van Christus, gelijk het doopsel. Nu worden door het doopsel de doodzonden vergeven, zoals boven is gezegd (69° Kw. 1 Art.). Dus ook door dit Sacrament, temeer omdat in de vorm van dit Sacrament gezegd wordt: "Dat voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden".
R: q. 69 a. 1[t:iiia q. 69 a. 1]
Vervolgens. Dit Sacrament werkt in kracht van het lijden van Christus, gelijk het doopsel. Nu worden door het doopsel de doodzonden vergeven, zoals boven is gezegd (69° Kw. 1 Art.). Dus ook door dit Sacrament, temeer omdat in de vorm van dit Sacrament gezegd wordt: "Dat voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden".
R: q. 69 a. 1[t:iiia q. 69 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Door dit Sacrament wordt genade verleend, zoals gezegd is (1° Art.). Nu wordt door de genade de mens gerechtvaardigd van de doodszonden, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (3. 24): "Om niets gerechtvaardigd door Zijn genade „. Dus worden door dit Sacrament de doodszonden vergeven.
B: (Rom 3:24) [b:Rom 3:24]
R: q. 79 a. 1[t:iiia q. 79 a. 1]
Vervolgens. Door dit Sacrament wordt genade verleend, zoals gezegd is (1° Art.). Nu wordt door de genade de mens gerechtvaardigd van de doodszonden, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (3. 24): "Om niets gerechtvaardigd door Zijn genade „. Dus worden door dit Sacrament de doodszonden vergeven.
B: (Rom 3:24) [b:Rom 3:24]
R: q. 79 a. 1[t:iiia q. 79 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11, 29) gezegd wordt: "Wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel"; nu zegt de Glossa op die plaats, dat "hij onwaardig eet en drinkt, die een misdaad op zijn geweien heeft of die het sacrament oneerbiedig behandelt; en zo iemand eet en drinkt zich een oordeel d. i. veroordeling". Hij dus, die in doodszonde is, in plaats van door de ontvangst van dit sacrament de vergiffenis van zijn zonde te verkrijgen, vermeerdert veeleer erdoor zijn zonde.
B: (1Cor 11:29) [b:1Cor 11:29]
Daartegenover staat echter, dat in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11, 29) gezegd wordt: "Wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel"; nu zegt de Glossa op die plaats, dat "hij onwaardig eet en drinkt, die een misdaad op zijn geweien heeft of die het sacrament oneerbiedig behandelt; en zo iemand eet en drinkt zich een oordeel d. i. veroordeling". Hij dus, die in doodszonde is, in plaats van door de ontvangst van dit sacrament de vergiffenis van zijn zonde te verkrijgen, vermeerdert veeleer erdoor zijn zonde.
B: (1Cor 11:29) [b:1Cor 11:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 3 co.
Mijn antwoord. De kracht van dit Sacrament kan men op twee manieren beschouwen. Vooreerst op zich en zo heeft dit Sacrament de kracht om alle mogelijke zonden te vergeven door het lijden van Christus, dat de bron en de oorzaak is van de vergiffenis der zonden. Dan kan zij beschouwd worden in verhouding tot degene, die dit Sacrament ontvangt, inzover namelijk al dan niet een beletsel voor het ontvangen van het uitwerksel van dit Sacrament in hem gevonden wordt. Iedereen nu, die zich van een doodzonde bewust is, heeft een beletsel in zich voor het ontvangen van het uitwerksel van dit Sacrament, daar hij geen geschikte ontvanger is van dit Sacrament, zowel omdat hij geestelijkerwijs niet leeft en daarom geen geestelijk voedsel moet ontvangen, wat alleen aan een levende toekomt, alsook omdat hij niet met Christus verenigd kan worden (hetgeen door dit Sacrament wordt bewerkt) voor de tijd, dat hij aan de doodzonde gehecht is. Vandaar dat in het Boek De Ecclesiasticius Dogmatibus gezegd wordt: "als de ziel gehecht is aan de zonde, wordt zij meer bezwaard door de ontvangst van de Eucharistie dan gereinigd». Daarom bewerkt dit Sacrament geen vergiffenis van zonde in hem, die het ontvangt, terwijl hij zich van een doodzonde bewust is. — Toch kan dit Sacrament op twee wijzen vergiffenis van zonden bewerken. Op de eerste plaats als niet ontvangen in werkelijkheid maar in begeerte, zoals geschiedt wanneer een zondaar vooraf gerechtvaardigd wordt. Op de tweede plaats ook als in werkelijkheid ontvangen door iemand, die een doodzonde heeft, maar waarvan hij zich niet bewust is en waaraan hij niet gehecht is; misschien had hij vooraf geen voldoende berouw, maar nu krijgt hij, terwijl hij met godsvrucht en eerbied tot het Sacrament nadert, de genade van de liefde, die zijn berouw vervolmaakt, en de vergiffenis van de zonde.
Mijn antwoord. De kracht van dit Sacrament kan men op twee manieren beschouwen. Vooreerst op zich en zo heeft dit Sacrament de kracht om alle mogelijke zonden te vergeven door het lijden van Christus, dat de bron en de oorzaak is van de vergiffenis der zonden. Dan kan zij beschouwd worden in verhouding tot degene, die dit Sacrament ontvangt, inzover namelijk al dan niet een beletsel voor het ontvangen van het uitwerksel van dit Sacrament in hem gevonden wordt. Iedereen nu, die zich van een doodzonde bewust is, heeft een beletsel in zich voor het ontvangen van het uitwerksel van dit Sacrament, daar hij geen geschikte ontvanger is van dit Sacrament, zowel omdat hij geestelijkerwijs niet leeft en daarom geen geestelijk voedsel moet ontvangen, wat alleen aan een levende toekomt, alsook omdat hij niet met Christus verenigd kan worden (hetgeen door dit Sacrament wordt bewerkt) voor de tijd, dat hij aan de doodzonde gehecht is. Vandaar dat in het Boek De Ecclesiasticius Dogmatibus gezegd wordt: "als de ziel gehecht is aan de zonde, wordt zij meer bezwaard door de ontvangst van de Eucharistie dan gereinigd». Daarom bewerkt dit Sacrament geen vergiffenis van zonde in hem, die het ontvangt, terwijl hij zich van een doodzonde bewust is. — Toch kan dit Sacrament op twee wijzen vergiffenis van zonden bewerken. Op de eerste plaats als niet ontvangen in werkelijkheid maar in begeerte, zoals geschiedt wanneer een zondaar vooraf gerechtvaardigd wordt. Op de tweede plaats ook als in werkelijkheid ontvangen door iemand, die een doodzonde heeft, maar waarvan hij zich niet bewust is en waaraan hij niet gehecht is; misschien had hij vooraf geen voldoende berouw, maar nu krijgt hij, terwijl hij met godsvrucht en eerbied tot het Sacrament nadert, de genade van de liefde, die zijn berouw vervolmaakt, en de vergiffenis van de zonde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Wij vragen, dat dit Sacrament de afwassing der misdaden moge zijn, ofwel van diegene waarvan wij ons niet bewust zijn, volgens het psalmvers: "Reinig mij, Heer, van mijn verborgenheden" (Ps. 18. 13), ofwel opdat het berouw vervolmaakt moge worden, zodat de misdaden worden vergeven, of ook wel opdat ons de kracht wordt gegeven misdaden te vermijden.
1e Weerlegging. Wij vragen, dat dit Sacrament de afwassing der misdaden moge zijn, ofwel van diegene waarvan wij ons niet bewust zijn, volgens het psalmvers: "Reinig mij, Heer, van mijn verborgenheden" (Ps. 18. 13), ofwel opdat het berouw vervolmaakt moge worden, zodat de misdaden worden vergeven, of ook wel opdat ons de kracht wordt gegeven misdaden te vermijden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Het doopsel is een geestelijke geboorte d.i. een verandering van geestelijkerwijs niet-zijn tot geestelijkerwijs zijn, en het wordt toegediend door middel van afwassing; van beide kanten gezien, doet men dus niet onredelijk, als men tot het doopsel gaat, terwijl men zich van een doodszonde bewust is. Maar door dit sacrament ontvangt de mens in zich Christus als een geestelijk voedsel en dat komt niet toe aan hem, die dood is door de zonde. En dus gaat de vergelijking niet op.
2e Weerlegging. Het doopsel is een geestelijke geboorte d.i. een verandering van geestelijkerwijs niet-zijn tot geestelijkerwijs zijn, en het wordt toegediend door middel van afwassing; van beide kanten gezien, doet men dus niet onredelijk, als men tot het doopsel gaat, terwijl men zich van een doodszonde bewust is. Maar door dit sacrament ontvangt de mens in zich Christus als een geestelijk voedsel en dat komt niet toe aan hem, die dood is door de zonde. En dus gaat de vergelijking niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. De genade is de voldoende oorzaak voor vergiffenis van de doodszonde; maar toch vergeeft zij de doodszonde niet metterdaad, tenzij zij als eerste gave aan een zondaar wordt toebedeeld. Maar zóó wordt zij in dit sacrament niet gegeven. Dus gaat de redenering niet op.
B: (Ps 18:13) [b:Ps 18:13]
3e Weerlegging. De genade is de voldoende oorzaak voor vergiffenis van de doodszonde; maar toch vergeeft zij de doodszonde niet metterdaad, tenzij zij als eerste gave aan een zondaar wordt toebedeeld. Maar zóó wordt zij in dit sacrament niet gegeven. Dus gaat de redenering niet op.
B: (Ps 18:13) [b:Ps 18:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Worden door dit Sacrament de dagelijkse zonden vergeven?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 79 a. 6 arg. 2
IIIa q. 87 a. 1 ad 3[t:iiia q. 79 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 87 a. 1 ad 3]
IIIa q. 79 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat door dit Sacrament de dagelijkse zonden niet worden vergeven. Dit Sacrament immers is, zoals Augustinus zegt "het Sacrament der liefde". Nu zijn de dagelijkse zonden niet tegen de liefde, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (I-II 88e Kw. 1e en 2e Art.; 24e Kw. 8e Art. 2e Antw.; 10e Art.). Daar dus het tegengestelde alleen door het tegengestelde wordt opgeheven, schijnen de dagelijkse zonden door dit Sacrament niet te worden vergeven.
R: Ia-IIae q. 88 a. 1[t:ia-iiae q. 88 a. 1] Ia-IIae q. 88 a. 2[t:ia-iiae q. 88 a. 2] IIa-IIae q. 24 a. 10[t:iia-iiae q. 24 a. 10]
IIIa q. 79 a. 6 arg. 2
IIIa q. 87 a. 1 ad 3[t:iiia q. 79 a. 6 arg. 2][t:iiia q. 87 a. 1 ad 3]
IIIa q. 79 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat door dit Sacrament de dagelijkse zonden niet worden vergeven. Dit Sacrament immers is, zoals Augustinus zegt "het Sacrament der liefde". Nu zijn de dagelijkse zonden niet tegen de liefde, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (I-II 88e Kw. 1e en 2e Art.; 24e Kw. 8e Art. 2e Antw.; 10e Art.). Daar dus het tegengestelde alleen door het tegengestelde wordt opgeheven, schijnen de dagelijkse zonden door dit Sacrament niet te worden vergeven.
R: Ia-IIae q. 88 a. 1[t:ia-iiae q. 88 a. 1] Ia-IIae q. 88 a. 2[t:ia-iiae q. 88 a. 2] IIa-IIae q. 24 a. 10[t:iia-iiae q. 24 a. 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Als de dagelijkse zonden door dit Sacrament worden vergeven, dan worden evengoed alle vergeven als één. Maar het schijnt, dat niet alle worden vergeven, want in dat geval zou iemand dikwijls zonder een enkele dagelijkse zonde zijn, wat niet overeenstemt met het woord van de Eerste Brief van Johannes (1. 8): "Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, bedriegen wij onszelf". Dus wordt door dit Sacrament geen dagelijkse zonde vergeven.
B: (1John 1:8) [b:1John 1:8]
Vervolgens. Als de dagelijkse zonden door dit Sacrament worden vergeven, dan worden evengoed alle vergeven als één. Maar het schijnt, dat niet alle worden vergeven, want in dat geval zou iemand dikwijls zonder een enkele dagelijkse zonde zijn, wat niet overeenstemt met het woord van de Eerste Brief van Johannes (1. 8): "Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, bedriegen wij onszelf". Dus wordt door dit Sacrament geen dagelijkse zonde vergeven.
B: (1John 1:8) [b:1John 1:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Tegenstrijdige dingen sluiten elkaar uit. Nu sluiten de dagelijkse zonden de ontvangst van dit Sacrament niet uit; bij het woord van Joannes (6. 49): "Uw vaders hebben in de woestijn het manna gegeten en zijn gestorven" zegt immers Augustinus: "Brengt onschuld mee naar het altaar: uw zonden mogen misschien de gewone dagelijkse zijn, als ze maar niet doodbrengend zijn". Dus worden door dit Sacrament de dagelijkse zonden ook niet weggenomen.
B: (John 6:50, John 6:50) [b:John 6:50]
Vervolgens. Tegenstrijdige dingen sluiten elkaar uit. Nu sluiten de dagelijkse zonden de ontvangst van dit Sacrament niet uit; bij het woord van Joannes (6. 49): "Uw vaders hebben in de woestijn het manna gegeten en zijn gestorven" zegt immers Augustinus: "Brengt onschuld mee naar het altaar: uw zonden mogen misschien de gewone dagelijkse zijn, als ze maar niet doodbrengend zijn". Dus worden door dit Sacrament de dagelijkse zonden ook niet weggenomen.
B: (John 6:50, John 6:50) [b:John 6:50]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Innocentius III zegt, namelijk dat dit Sacrament "de dagelijkse zonden uitdelft en voor doodszonden behoedt".
Daartegenover staat echter, wat Innocentius III zegt, namelijk dat dit Sacrament "de dagelijkse zonden uitdelft en voor doodszonden behoedt".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 4 co.
Mijn antwoord. In dit Sacrament kan men twee dingen beschouwen t.w. het Sacrament zelf en de werkelijkheid van het Sacrament. En uit beide blijkt, dat dit Sacrament kracht heeft tot vergiffenis van de dagelijkse zonden. Want dit Sacrament wordt genuttigd onder de gedaante van voedende spijs. Nu is de door de spijs gegeven voeding noodzakelijk voor het lichaam tot herstel van wat dagelijks door de werking van de natuurlijke warmte teloorgaat. Op geestelijke wijze dan gaat dagelijks iets in ons teloor door het vuur van de begeerlijkheid door middel van de dagelijkse zonden, die de vurigheid van de liefde verminderen, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (II-II 24° Kw. 10° Art.; 44° Kw. 3° Art.). En daarom komt het aan dit Sacrament toe de dagelijkse zonden te vergeven. Vandaar dat Ambrosius zegt: "dit dagelijks brood wordt genuttigd tot herstel van de dagelijkse zwakheid». — De werkelijkheid van dit Sacrament evenwel is de liefde, niet alleen als deugd, maar ook als daad, welke daad in dit Sacrament wordt opgewekt. En daardoor worden de dagelijkse zonden weggenomen. Dus is het duidelijk, dat door de kracht van dit Sacrament de dagelijkse zonden worden vergeven.
R: IIa-IIae q. 24 a. 10[t:iia-iiae q. 24 a. 10]
Mijn antwoord. In dit Sacrament kan men twee dingen beschouwen t.w. het Sacrament zelf en de werkelijkheid van het Sacrament. En uit beide blijkt, dat dit Sacrament kracht heeft tot vergiffenis van de dagelijkse zonden. Want dit Sacrament wordt genuttigd onder de gedaante van voedende spijs. Nu is de door de spijs gegeven voeding noodzakelijk voor het lichaam tot herstel van wat dagelijks door de werking van de natuurlijke warmte teloorgaat. Op geestelijke wijze dan gaat dagelijks iets in ons teloor door het vuur van de begeerlijkheid door middel van de dagelijkse zonden, die de vurigheid van de liefde verminderen, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (II-II 24° Kw. 10° Art.; 44° Kw. 3° Art.). En daarom komt het aan dit Sacrament toe de dagelijkse zonden te vergeven. Vandaar dat Ambrosius zegt: "dit dagelijks brood wordt genuttigd tot herstel van de dagelijkse zwakheid». — De werkelijkheid van dit Sacrament evenwel is de liefde, niet alleen als deugd, maar ook als daad, welke daad in dit Sacrament wordt opgewekt. En daardoor worden de dagelijkse zonden weggenomen. Dus is het duidelijk, dat door de kracht van dit Sacrament de dagelijkse zonden worden vergeven.
R: IIa-IIae q. 24 a. 10[t:iia-iiae q. 24 a. 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De dagelijkse zonden zijn inderdaad niet tegen de liefde als deugd, maar ze zijn wel tegen de vurigheid van haar act, welke nu juist door dit Sacrament wordt opgewekt en waardoor de dagelijkse zonden worden weggenomen.
1e Weerlegging. De dagelijkse zonden zijn inderdaad niet tegen de liefde als deugd, maar ze zijn wel tegen de vurigheid van haar act, welke nu juist door dit Sacrament wordt opgewekt en waardoor de dagelijkse zonden worden weggenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Dat gezegde is niet zo te verstaan, alsof een mens nooit enig uur zonder enige dagelijkse zonde zou kunnen zijn, maar in die zin, dat ook heiligen dit leven niet doorbrengen zonder dagelijkse zonden.
2e Weerlegging. Dat gezegde is niet zo te verstaan, alsof een mens nooit enig uur zonder enige dagelijkse zonde zou kunnen zijn, maar in die zin, dat ook heiligen dit leven niet doorbrengen zonder dagelijkse zonden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De kracht van de liefde, waarvan dit het sacrament is, is groter dan die der dagelijkse zonden. Want de liefde neemt door haar daad de dagelijkse zonden weg, terwijl deze de daad van de liefde niet geheel kunnen beletten. En hetzelfde geldt van dit sacrament.
3e Weerlegging. De kracht van de liefde, waarvan dit het sacrament is, is groter dan die der dagelijkse zonden. Want de liefde neemt door haar daad de dagelijkse zonden weg, terwijl deze de daad van de liefde niet geheel kunnen beletten. En hetzelfde geldt van dit sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Wordt door dit Sacrament de hele straf van de zonde vergeven?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 82 a. 4 co.[t:iiia q. 82 a. 4 co.]
IIIa q. 79 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat door dit Sacrament de hele straf van de zonde wordt vergeven. Want door dit Sacrament ontvangt de mens in zich het uitwerksel van Christus' lijden, gelijk gezegd is (1° en 2° Art.), zoals de mens ook door het doopsel de vergiffenis van alle straf ontvangt uit kracht van Christus' lijden, dat voldoende heeft voldaan voor alle zonden, gelijk uit het boven gezegde blijkt (69° Kw. 2° Art.). Dus schijnt door dit Sacrament de hele strafschuld te worden vergeven.
R: q. 79 a. 1[t:iiia q. 79 a. 1] q. 79 a. 2[t:iiia q. 79 a. 2] q. 69 a. 2[t:iiia q. 69 a. 2]
IIIa q. 82 a. 4 co.[t:iiia q. 82 a. 4 co.]
IIIa q. 79 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat door dit Sacrament de hele straf van de zonde wordt vergeven. Want door dit Sacrament ontvangt de mens in zich het uitwerksel van Christus' lijden, gelijk gezegd is (1° en 2° Art.), zoals de mens ook door het doopsel de vergiffenis van alle straf ontvangt uit kracht van Christus' lijden, dat voldoende heeft voldaan voor alle zonden, gelijk uit het boven gezegde blijkt (69° Kw. 2° Art.). Dus schijnt door dit Sacrament de hele strafschuld te worden vergeven.
R: q. 79 a. 1[t:iiia q. 79 a. 1] q. 79 a. 2[t:iiia q. 79 a. 2] q. 69 a. 2[t:iiia q. 69 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Paus Alexander I zegt: "Onder de offers kan niets groter zijn dan het Lichaam en Bloed van Christus". Welnu, door de offers van de Oude Wet voldoe de mens voor zijn zonden; in het Boek Leviticus (4 en 5) wordt immers gezegd: "Als de mens gezondigd heeft, zal hij (dit of dat) voor zijn zonde opdragen en zij zal hem vergeven worden". Dus is veel meer dit Sacrament toereikend tot vergiffenis van de straf.
B: (Lev 4) [b:Lev 4] (Lev 5) [b:Lev 5]
Vervolgens. Paus Alexander I zegt: "Onder de offers kan niets groter zijn dan het Lichaam en Bloed van Christus". Welnu, door de offers van de Oude Wet voldoe de mens voor zijn zonden; in het Boek Leviticus (4 en 5) wordt immers gezegd: "Als de mens gezondigd heeft, zal hij (dit of dat) voor zijn zonde opdragen en zij zal hem vergeven worden". Dus is veel meer dit Sacrament toereikend tot vergiffenis van de straf.
B: (Lev 4) [b:Lev 4] (Lev 5) [b:Lev 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Het is zeker, dat door dit Sacrament iets van de strafschuld wordt vergeven; daarom wordt ook aan sommigen als genoegdoening opgelegd, dat zij Missen voor zich laten lezen. Maar evenzo als het ene gedeelte van de straf wordt vergeven, wordt ook het andere vergeven, daar de kracht van Christus, die in dit Sacrament is vervat, oneindig is. Dus schijnt door dit Sacrament de hele straf te worden weggenomen.
Vervolgens. Het is zeker, dat door dit Sacrament iets van de strafschuld wordt vergeven; daarom wordt ook aan sommigen als genoegdoening opgelegd, dat zij Missen voor zich laten lezen. Maar evenzo als het ene gedeelte van de straf wordt vergeven, wordt ook het andere vergeven, daar de kracht van Christus, die in dit Sacrament is vervat, oneindig is. Dus schijnt door dit Sacrament de hele straf te worden weggenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in die veronderstelling aan de mens geen andere straf zou moeten worden opgelegd, evenmin als dat gebeurt bij de gedoopte.
Daartegenover staat echter, dat in die veronderstelling aan de mens geen andere straf zou moeten worden opgelegd, evenmin als dat gebeurt bij de gedoopte.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 5 co.
Mijn antwoord. Dit Sacrament is tegelijk offer en sacrament; het wezen van offer heeft het, in zover het wordt opgedragen, het wezen van sacrament, in zover het wordt genuttigd. Daarom heeft het uitwerking als sacrament in degene, die het nuttigt, maar uitwerking als offer in degene, die het opdraagt of in degenen, voor wie het opgedragen wordt. Wanneer het dan als sacrament wordt beschouwd, heeft het een tweevoudige uitwerking: op de eerste plaats onmiddellijk uit kracht van het sacrament, vervolgens als door een zekere verbondenheid, gelijk ook gezegd is met betrekking tot wat in dit sacrament vervat is (76' Kw. 1° en 2° Art.). Uit kracht van het sacrament heeft het onmiddellijk die uitwerking, waarvoor het is ingesteld. Nu is het niet ingesteld om te voldoen maar om geestelijk te voeden door vereniging met Christus en Zijn ledematen, zoals voedsel zich verenigt met de gevoede. Maar omdat deze eenheid tot stand komt door de liefde en het door de vurigheid van de liefde is, dat iemand kwijtschelding krijgt, niet alleen van de schuld, maar ook van de straf, daarom krijgt de mens gevolgelijk, door een zekeren samenhang met het hoofduitwerksel, de kwijtschelding van de straf, niet in haar geheel, maar naar de mate van zijn godsvrucht en vurigheid. — In zover het echter een offer is, heeft het kracht om te voldoen. Maar bij het voldoen wordt meer gelet op de gesteldheid van hem, die opdraagt, dan op de hoogte van het opgedragene. Van de weduwe, die twee penningen opdroeg, zegt de Heer dan ook, bij Lucas (21, 4), dat "zij meer dan alle anderen heeft gestort". Hoewel dus het hier opgedragene naar zijn hoogte toereikend is om voor alle straf te voldoen, voldoet het feitelijk voor degenen, voor wie het wordt opgedragen, volgens de grootte van hun godsvrucht en niet wat de hele straf betreft.
R: q. 76 a. 1[t:iiia q. 76 a. 1] q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2]
Mijn antwoord. Dit Sacrament is tegelijk offer en sacrament; het wezen van offer heeft het, in zover het wordt opgedragen, het wezen van sacrament, in zover het wordt genuttigd. Daarom heeft het uitwerking als sacrament in degene, die het nuttigt, maar uitwerking als offer in degene, die het opdraagt of in degenen, voor wie het opgedragen wordt. Wanneer het dan als sacrament wordt beschouwd, heeft het een tweevoudige uitwerking: op de eerste plaats onmiddellijk uit kracht van het sacrament, vervolgens als door een zekere verbondenheid, gelijk ook gezegd is met betrekking tot wat in dit sacrament vervat is (76' Kw. 1° en 2° Art.). Uit kracht van het sacrament heeft het onmiddellijk die uitwerking, waarvoor het is ingesteld. Nu is het niet ingesteld om te voldoen maar om geestelijk te voeden door vereniging met Christus en Zijn ledematen, zoals voedsel zich verenigt met de gevoede. Maar omdat deze eenheid tot stand komt door de liefde en het door de vurigheid van de liefde is, dat iemand kwijtschelding krijgt, niet alleen van de schuld, maar ook van de straf, daarom krijgt de mens gevolgelijk, door een zekeren samenhang met het hoofduitwerksel, de kwijtschelding van de straf, niet in haar geheel, maar naar de mate van zijn godsvrucht en vurigheid. — In zover het echter een offer is, heeft het kracht om te voldoen. Maar bij het voldoen wordt meer gelet op de gesteldheid van hem, die opdraagt, dan op de hoogte van het opgedragene. Van de weduwe, die twee penningen opdroeg, zegt de Heer dan ook, bij Lucas (21, 4), dat "zij meer dan alle anderen heeft gestort". Hoewel dus het hier opgedragene naar zijn hoogte toereikend is om voor alle straf te voldoen, voldoet het feitelijk voor degenen, voor wie het wordt opgedragen, volgens de grootte van hun godsvrucht en niet wat de hele straf betreft.
R: q. 76 a. 1[t:iiia q. 76 a. 1] q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Het sacrament van het doopsel is onmiddellijk gericht op de kwijtschelding van straf en schuld, de Eucharistie echter niet; want het doopsel wordt aan de mens gegeven als meestervend met Christus, de Eucharistie echter wordt gegeven als voeding en vervolmaking door Christus. Dus gaat de vergelijking niet op.
1e Weerlegging. Het sacrament van het doopsel is onmiddellijk gericht op de kwijtschelding van straf en schuld, de Eucharistie echter niet; want het doopsel wordt aan de mens gegeven als meestervend met Christus, de Eucharistie echter wordt gegeven als voeding en vervolmaking door Christus. Dus gaat de vergelijking niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Die offers en offeranden bewerkten niet de vergeving van de hele straf, noch naar de hoogte van het opgedragene, zoals dit Offer, noch naar 's mensen godsvrucht, door wier tekort ook hier de hele straf niet wordt weggenomen.
B: (Mark 12:43) [b:Mark 12:43] (Luke 21:4) [b:Luke 21:4]
2e Weerlegging. Die offers en offeranden bewerkten niet de vergeving van de hele straf, noch naar de hoogte van het opgedragene, zoals dit Offer, noch naar 's mensen godsvrucht, door wier tekort ook hier de hele straf niet wordt weggenomen.
B: (Mark 12:43) [b:Mark 12:43] (Luke 21:4) [b:Luke 21:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Dat slechts een deel van de straf en niet de hele straf door dit Sacrament wordt weggenomen is niet door een tekort van Christus’ kracht, maar door een tekort van ’s mensen godsvrucht.
3e Weerlegging. Dat slechts een deel van de straf en niet de hele straf door dit Sacrament wordt weggenomen is niet door een tekort van Christus’ kracht, maar door een tekort van ’s mensen godsvrucht.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Wordt de mens door dit Sacrament voor toekomstige zonden behoed?
IIIa q. 79 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de mens door dit Sacrament niet voor toekomstige zonden wordt behoed. Velen immers, die dit Sacrament waardig ontvangen, vallen later in zonde, wat niet zou gebeuren, als dit Sacrament voor toekomstige zonden zou behouden.
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de mens door dit Sacrament niet voor toekomstige zonden wordt behoed. Velen immers, die dit Sacrament waardig ontvangen, vallen later in zonde, wat niet zou gebeuren, als dit Sacrament voor toekomstige zonden zou behouden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 6 arg. 2
Vervolgens. De Eucharistie is het "Sacrament van de liefde», zoals boven gezegd is (4e Art.). Nu schijnt de liefde niet voor toekomstige zonden te behouden, want, eenmaal ontvangen, kan zij weer verloren worden door de zonde, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (II-II 24° Kw. 11° Art.). Dus schijnt ook dit Sacrament de mens niet voor zonde te behouden.
R: q. 79 a. 4[t:iiia q. 79 a. 4] IIa-IIae q. 24 a. 11[t:iia-iiae q. 24 a. 11]
Vervolgens. De Eucharistie is het "Sacrament van de liefde», zoals boven gezegd is (4e Art.). Nu schijnt de liefde niet voor toekomstige zonden te behouden, want, eenmaal ontvangen, kan zij weer verloren worden door de zonde, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (II-II 24° Kw. 11° Art.). Dus schijnt ook dit Sacrament de mens niet voor zonde te behouden.
R: q. 79 a. 4[t:iiia q. 79 a. 4] IIa-IIae q. 24 a. 11[t:iia-iiae q. 24 a. 11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 6 arg. 3
Vervolgens. De oorsprong van de zonde is in ons "de wet van de zonde, die in onze ledematen is", zoals blijkt bij de Apostel (Rom. 7. 23). Nu wordt de vermindering van de begeerlijkheid, waarin de wet van de zonde bestaat, niet aangegeven als uitwerksel van dit sacrament, maar veeleer als van het doopsel. Dus is voorbehouding voor toekomstige zonden geen uitwerksel van dit sacrament.
B: (Rom 7:23) [b:Rom 7:23]
Vervolgens. De oorsprong van de zonde is in ons "de wet van de zonde, die in onze ledematen is", zoals blijkt bij de Apostel (Rom. 7. 23). Nu wordt de vermindering van de begeerlijkheid, waarin de wet van de zonde bestaat, niet aangegeven als uitwerksel van dit sacrament, maar veeleer als van het doopsel. Dus is voorbehouding voor toekomstige zonden geen uitwerksel van dit sacrament.
B: (Rom 7:23) [b:Rom 7:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt: "Dit is het brood, dat van de hemel nederdaalt, opdat wie daarvan eet niet sterve" (Joan. 6. 50) hetgeen duidelijk niet bedoeld wordt van de lichamelijke dood. Dus wordt bedoeld, dat dit Sacrament behoedt voor de geestelijke dood, welke juist door de zonde is.
B: (John 6:50, John 6:50) [b:John 6:50]
Daartegenover staat echter, dat de Heer zegt: "Dit is het brood, dat van de hemel nederdaalt, opdat wie daarvan eet niet sterve" (Joan. 6. 50) hetgeen duidelijk niet bedoeld wordt van de lichamelijke dood. Dus wordt bedoeld, dat dit Sacrament behoedt voor de geestelijke dood, welke juist door de zonde is.
B: (John 6:50, John 6:50) [b:John 6:50]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 6 co.
Mijn antwoord. De zonde is als de geestelijke dood van de ziel. Dus wordt men zo voor toekomstige zonde behoed, als het lichaam wordt behoed voor een toekomstige dood. En dat gebeurt op twee wijzen. Vooreerst in zover de natuur van de mens innerlijk wordt versterkt tegen inwendige elementen van bederf, en wat dat betreft wordt de mens voor de dood behoed door spijs en geneesmiddelen. Vervolgens in zover hij wordt beveiligd tegen aanvallen van buiten, en wat dat betreft wordt hij behoed door wapenen, waarmee het lichaam wordt beveiligd. Op beide wijzen dan behoedt dit Sacrament voor de zonde. Want vooreerst doet het, door met Christus in de genade te verenigen, het geestelijk leven van de mens sterker worden, als een geestelijke spijs en een geestelijk geneesmiddel, volgens het woord van het Boek der Psalmen (103. 15): "Het brood versterkt het hart van de mens". En Augustinus zegt: "Kom gerust nader bij, het is brood, geen vergif". Vervolgens weert het, als een teken van Christus' lijden, waardoor de duivels overwonnen zijn, alle duivelse aanvechting af. Daarom zegt Chrysostomus: "Als vuurspuwende leeuwen, zo scheiden wij van deze tafel, schrikwekkend geworden voor de duivel".
Mijn antwoord. De zonde is als de geestelijke dood van de ziel. Dus wordt men zo voor toekomstige zonde behoed, als het lichaam wordt behoed voor een toekomstige dood. En dat gebeurt op twee wijzen. Vooreerst in zover de natuur van de mens innerlijk wordt versterkt tegen inwendige elementen van bederf, en wat dat betreft wordt de mens voor de dood behoed door spijs en geneesmiddelen. Vervolgens in zover hij wordt beveiligd tegen aanvallen van buiten, en wat dat betreft wordt hij behoed door wapenen, waarmee het lichaam wordt beveiligd. Op beide wijzen dan behoedt dit Sacrament voor de zonde. Want vooreerst doet het, door met Christus in de genade te verenigen, het geestelijk leven van de mens sterker worden, als een geestelijke spijs en een geestelijk geneesmiddel, volgens het woord van het Boek der Psalmen (103. 15): "Het brood versterkt het hart van de mens". En Augustinus zegt: "Kom gerust nader bij, het is brood, geen vergif". Vervolgens weert het, als een teken van Christus' lijden, waardoor de duivels overwonnen zijn, alle duivelse aanvechting af. Daarom zegt Chrysostomus: "Als vuurspuwende leeuwen, zo scheiden wij van deze tafel, schrikwekkend geworden voor de duivel".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Het uitwerksel van dit Sacrament wordt in de mens ontvangen volgens de gesteltenis van de mens, zoals met betrekking tot iedere werkende oorzaak gebeurt, dat haar uitwerksel in de stof wordt ontvangen volgens de gesteldheid van de stof. Nu is de gesteltenis van de mens op zijn pelgrimsreis deze, dat zijn vrije wil zich naar het goede en naar het kwade kan keren. Hoewel dus dit Sacrament op zich genomen kracht heeft om voor de zonde te behouden, neemt het toch voor de mens de mogelijkheid tot zondigen niet weg.
B: (Ps 103:5) [b:Ps 103:5]
1e Weerlegging. Het uitwerksel van dit Sacrament wordt in de mens ontvangen volgens de gesteltenis van de mens, zoals met betrekking tot iedere werkende oorzaak gebeurt, dat haar uitwerksel in de stof wordt ontvangen volgens de gesteldheid van de stof. Nu is de gesteltenis van de mens op zijn pelgrimsreis deze, dat zijn vrije wil zich naar het goede en naar het kwade kan keren. Hoewel dus dit Sacrament op zich genomen kracht heeft om voor de zonde te behouden, neemt het toch voor de mens de mogelijkheid tot zondigen niet weg.
B: (Ps 103:5) [b:Ps 103:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Op zich genomen behoedt ook de liefde de mens voor de zonde, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (13. 10): "De liefde tot de naaste doet geen kwaad": maar het is door de veranderlijkheid van de vrije wil, dat iemand na ontvangst van de liefde nog zondigt, zoals ook na ontvangst van dit Sacrament.
2e Weerlegging. Op zich genomen behoedt ook de liefde de mens voor de zonde, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (13. 10): "De liefde tot de naaste doet geen kwaad": maar het is door de veranderlijkheid van de vrije wil, dat iemand na ontvangst van de liefde nog zondigt, zoals ook na ontvangst van dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Al is dit Sacrament niet onmiddellijk gericht op de vermindering van de begeerlijkheid, vermindert het de begeerlijkheid toch langs een omweg, in zover het de liefde vermeerdert, want, zoals Augustinus zegt: "de vermeerdering van de liefde is de vermindering van de begeerlijkheid". Onmiddellijk echter versterkt het iemands hart in het goede, waardoor de mens ook voor de zonde behoed wordt.
B: (Rom 13:10) [b:Rom 13:10]
R: q. 83[t:iiia q. 83]
3e Weerlegging. Al is dit Sacrament niet onmiddellijk gericht op de vermindering van de begeerlijkheid, vermindert het de begeerlijkheid toch langs een omweg, in zover het de liefde vermeerdert, want, zoals Augustinus zegt: "de vermeerdering van de liefde is de vermindering van de begeerlijkheid". Onmiddellijk echter versterkt het iemands hart in het goede, waardoor de mens ook voor de zonde behoed wordt.
B: (Rom 13:10) [b:Rom 13:10]
R: q. 83[t:iiia q. 83]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Is dit Sacrament alleen nuttig voor hen die het ontvangen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 82 a. 4 co.[t:iiia q. 82 a. 4 co.]
IIIa q. 79 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat dit Sacrament alleen nuttig is voor de ontvangende. Dit Sacrament is immers van hetzelfde geslacht als de andere sacramenten, als lid van de gemeenschappelijke verdeling. Nu zijn de andere sacramenten alleen maar nuttig voor de ontvangenden, zoals alleen de gedoopte de uitwerking van het doopsel in zich krijgt. Dus is ook dit Sacrament alleen maar nuttig voor de ontvangende.
IIIa q. 82 a. 4 co.[t:iiia q. 82 a. 4 co.]
IIIa q. 79 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat dit Sacrament alleen nuttig is voor de ontvangende. Dit Sacrament is immers van hetzelfde geslacht als de andere sacramenten, als lid van de gemeenschappelijke verdeling. Nu zijn de andere sacramenten alleen maar nuttig voor de ontvangenden, zoals alleen de gedoopte de uitwerking van het doopsel in zich krijgt. Dus is ook dit Sacrament alleen maar nuttig voor de ontvangende.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Het uitwerksel van dit Sacrament is het verwerven van de genade en van de glorie en de kwijtschelding van de zonde, minstens van de dagelijkse zonde. Indien dus dit Sacrament uitwerking zou hebben ook buiten de ontvangers, zou het kunnen gebeuren, dat iemand én de genade én de glorie én de kwijtschelding van de zonde zou verkrijgen, zonder dat hij zelf iets doet of ondergaat, eenvoudig omdat een ander dit Sacrament ontvangt of opdraagt.
Vervolgens. Het uitwerksel van dit Sacrament is het verwerven van de genade en van de glorie en de kwijtschelding van de zonde, minstens van de dagelijkse zonde. Indien dus dit Sacrament uitwerking zou hebben ook buiten de ontvangers, zou het kunnen gebeuren, dat iemand én de genade én de glorie én de kwijtschelding van de zonde zou verkrijgen, zonder dat hij zelf iets doet of ondergaat, eenvoudig omdat een ander dit Sacrament ontvangt of opdraagt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Bij vermenigvuldiging van de oorzaak wordt het uitwerksel vermenigvuldigd. Indien dus dit Sacrament ook voor niet-ontvangers nuttig zou zijn, zou volgen, dat het voor iemand meer nut opleverde, wanneer dit Sacrament werd ontvangen met vele hosties — wat buiten de gewoonte van de Kerk ligt: dat namelijk velen te communie gaan voor iemands welzijn. Dus schijnt dit Sacrament alleen maar nuttig te zijn voor de ontvanger.
Vervolgens. Bij vermenigvuldiging van de oorzaak wordt het uitwerksel vermenigvuldigd. Indien dus dit Sacrament ook voor niet-ontvangers nuttig zou zijn, zou volgen, dat het voor iemand meer nut opleverde, wanneer dit Sacrament werd ontvangen met vele hosties — wat buiten de gewoonte van de Kerk ligt: dat namelijk velen te communie gaan voor iemands welzijn. Dus schijnt dit Sacrament alleen maar nuttig te zijn voor de ontvanger.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij de viering van dit sacrament voor vele anderen wordt gebeden, hetgeen vruchteloos zou zijn, als dit sacrament voor anderen geen nut had.
Daartegenover staat echter, dat bij de viering van dit sacrament voor vele anderen wordt gebeden, hetgeen vruchteloos zou zijn, als dit sacrament voor anderen geen nut had.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 7 co.
Mijn antwoord. Zoals vroeger gezegd is (5e Art.), is dit Sacrament niet alleen Sacrament, maar is het ook Offer. Want voorzover in dit Sacrament een afbeelding tot stand komt van het lijden van Christus, waarin, gelijk in de Brief aan de Ephesiërs (5. 2) gezegd wordt, Christus "Zich als een offerlam aan God heeft opgedragen", heeft het het wezen van Offer; voorzover echter in dit Sacrament onzichtbare genade onder zichtbare gedaante wordt gegeven, heeft het het wezen van Sacrament. Voor de ontvangers dan is dit Sacrament nuttig én als Sacrament én ook als Offer, aangezien het wordt opgedragen voor allen, die het ontvangen. In de canon van de Mis wordt immers gezegd: "Mogen wij allen, die hier in deelname aan het altaar het hoogheilig Lichaam en Bloed aan Uw Zoon ontvangen, van alle hemelse zegening en genade vervuld worden". — Maar voor de niet-ontvangers is het nuttig als Offer, voorzover het voor hun heil wordt opgedragen. Vandaar dat in de canon van de Mis gezegd wordt: "Gedenk, o Heer, uw dienaren en dienaressen, voor wie wij aan U opdragen of die zelf aan U opdragen dit Offer van lof, voor zich en al de hunnen, voor de verlossing van hun zielen, voor de hoop op hun heil en behoud". Beide wijzen van voordelig zijn heeft de Heer tot uitdrukking gebracht, toen Hij zei (Matth. 26 28): "Dat voor u" d. i. die ontvangen "en voor velen" d. i. anderen "zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden".
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
R: q. 79 a. 3[t:iiia q. 79 a. 3]
Mijn antwoord. Zoals vroeger gezegd is (5e Art.), is dit Sacrament niet alleen Sacrament, maar is het ook Offer. Want voorzover in dit Sacrament een afbeelding tot stand komt van het lijden van Christus, waarin, gelijk in de Brief aan de Ephesiërs (5. 2) gezegd wordt, Christus "Zich als een offerlam aan God heeft opgedragen", heeft het het wezen van Offer; voorzover echter in dit Sacrament onzichtbare genade onder zichtbare gedaante wordt gegeven, heeft het het wezen van Sacrament. Voor de ontvangers dan is dit Sacrament nuttig én als Sacrament én ook als Offer, aangezien het wordt opgedragen voor allen, die het ontvangen. In de canon van de Mis wordt immers gezegd: "Mogen wij allen, die hier in deelname aan het altaar het hoogheilig Lichaam en Bloed aan Uw Zoon ontvangen, van alle hemelse zegening en genade vervuld worden". — Maar voor de niet-ontvangers is het nuttig als Offer, voorzover het voor hun heil wordt opgedragen. Vandaar dat in de canon van de Mis gezegd wordt: "Gedenk, o Heer, uw dienaren en dienaressen, voor wie wij aan U opdragen of die zelf aan U opdragen dit Offer van lof, voor zich en al de hunnen, voor de verlossing van hun zielen, voor de hoop op hun heil en behoud". Beide wijzen van voordelig zijn heeft de Heer tot uitdrukking gebracht, toen Hij zei (Matth. 26 28): "Dat voor u" d. i. die ontvangen "en voor velen" d. i. anderen "zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden".
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
R: q. 79 a. 3[t:iiia q. 79 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Dit sacrament heeft iets boven de andere sacramenten, namelijk dat het een offer is; en dus gaat de vergelijking niet op.
B: (Matt 26:28) [b:Matt 26:28] (Luke 22:20) [b:Luke 22:20]
1e Weerlegging. Dit sacrament heeft iets boven de andere sacramenten, namelijk dat het een offer is; en dus gaat de vergelijking niet op.
B: (Matt 26:28) [b:Matt 26:28] (Luke 22:20) [b:Luke 22:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Evenals het lijden van Christus op zich zelf genomen wel voldoende is om allen te strekken tot vergiffenis van de zonde en verwerving van de genade en de glorie, maar het toch zijn feitelijke uitwerking alleen heeft in degenen, die met het lijden van Christus in verbinding treden door het geloof en de liefde, zo heeft ook dit Offer, de gedachtenis aan ’s Heren lijden, zijn feitelijke uitwerking alleen in degenen, die met dit Sacrament in verbinding treden door het geloof en de liefde. Daarom zegt Augustinus dan ook tot Renatus: "Wie zou het Lichaam van Christus opdragen voor anderen dan voor hen, die ledematen van Christus zijn?» Daarom wordt in de canon van de Mis ook niet gebeden voor hen, die buiten de Kerk zijn. Maar voor de genoemden is het Sacrament voordeelig in meerdere of mindere mate naar de graad van hun godsvrucht.
2e Weerlegging. Evenals het lijden van Christus op zich zelf genomen wel voldoende is om allen te strekken tot vergiffenis van de zonde en verwerving van de genade en de glorie, maar het toch zijn feitelijke uitwerking alleen heeft in degenen, die met het lijden van Christus in verbinding treden door het geloof en de liefde, zo heeft ook dit Offer, de gedachtenis aan ’s Heren lijden, zijn feitelijke uitwerking alleen in degenen, die met dit Sacrament in verbinding treden door het geloof en de liefde. Daarom zegt Augustinus dan ook tot Renatus: "Wie zou het Lichaam van Christus opdragen voor anderen dan voor hen, die ledematen van Christus zijn?» Daarom wordt in de canon van de Mis ook niet gebeden voor hen, die buiten de Kerk zijn. Maar voor de genoemden is het Sacrament voordeelig in meerdere of mindere mate naar de graad van hun godsvrucht.
Referenties naar deze alinea: 1
Eucharisticum Mysterium ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Het ontvangen is iets van het sacrament, het opdragen is iets van het offer. Met het feit, dat één of meerdere personen het lichaam van Christus ontvangen, is een ander dus niet geholpen. Dat de priester in één mis meerdere hosties consecreert, vermenigvuldigt ook niet het uitwerksel van dit sacrament, want het blijft één offer: in vele geconsacreerde hosties is er immers volstrekt niet méér kracht dan in één, daar onder alle en onder één niets méér en niets minder is dan de hele Christus. Vandaar ook dat wanneer één persoon vele in één mis geconsacreerde hosties ontvangt, hij toch niet volmaakter aan de uitwerking van het sacrament zal deel hebben. Maar als er meerdere missen zijn, wordt het opdragen van het offer vermenigvuldigd en wordt dus ook vermenigvuldigd het uitwerksel van het offer en van het sacrament.
3e Weerlegging. Het ontvangen is iets van het sacrament, het opdragen is iets van het offer. Met het feit, dat één of meerdere personen het lichaam van Christus ontvangen, is een ander dus niet geholpen. Dat de priester in één mis meerdere hosties consecreert, vermenigvuldigt ook niet het uitwerksel van dit sacrament, want het blijft één offer: in vele geconsacreerde hosties is er immers volstrekt niet méér kracht dan in één, daar onder alle en onder één niets méér en niets minder is dan de hele Christus. Vandaar ook dat wanneer één persoon vele in één mis geconsacreerde hosties ontvangt, hij toch niet volmaakter aan de uitwerking van het sacrament zal deel hebben. Maar als er meerdere missen zijn, wordt het opdragen van het offer vermenigvuldigd en wordt dus ook vermenigvuldigd het uitwerksel van het offer en van het sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Wordt de uitwerking van dit Sacrament belet door de dagelijkse zonde?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 80 a. 1 co.[t:iiia q. 80 a. 1 co.]
IIIa q. 79 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat de uitwerking van dit Sacrament niet belet wordt door de dagelijkse zonde. Bij Joannes (6. 49): "Uw vaders hebben het manna gegeten» wordt immers door Augustinus gezegd: "Een geestelijk brood moet u geestelijk eten; brengt onschuld mee naar het altaar; uw zonden mogen misschien de gewone dagelijkse zijn, als ze maar niet doodbrengend zijn». Hieruit blijkt dat de zgn. dagelijkse zonden geen beletsel vormen voor het geestelijk eten van dit Sacrament. Zij nu die geestelijk eten, worden aan de uitwerking van dit Sacrament deelachtig. Dus beletten de dagelijkse zonden de uitwerking van dit Sacrament niet.
B: (John 6:52, John 6:52) [b:John 6:52]
IIIa q. 80 a. 1 co.[t:iiia q. 80 a. 1 co.]
IIIa q. 79 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat de uitwerking van dit Sacrament niet belet wordt door de dagelijkse zonde. Bij Joannes (6. 49): "Uw vaders hebben het manna gegeten» wordt immers door Augustinus gezegd: "Een geestelijk brood moet u geestelijk eten; brengt onschuld mee naar het altaar; uw zonden mogen misschien de gewone dagelijkse zijn, als ze maar niet doodbrengend zijn». Hieruit blijkt dat de zgn. dagelijkse zonden geen beletsel vormen voor het geestelijk eten van dit Sacrament. Zij nu die geestelijk eten, worden aan de uitwerking van dit Sacrament deelachtig. Dus beletten de dagelijkse zonden de uitwerking van dit Sacrament niet.
B: (John 6:52, John 6:52) [b:John 6:52]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Dit Sacrament heeft geen mindere kracht dan het doopsel. Nu wordt de uitwerking van het doopsel, zoals boven gezegd is (69° Kw. 9° en 10° Art.), alleen maar door veinzerij tegengehouden en met zo iets hebben de dagelijkse zonden niets uit te staan, want, zoals in het Boek der Wijsheid (1. 5) gezegd wordt "de Heilige Geest van de tucht zal veinzerij ontvluchten", terwijl zeker is, dat de H. Geest niet op de vlucht gedreven wordt door de dagelijkse zonden. Dus wordt ook de uitwerking van dit Sacrament niet tegengehouden door de dagelijkse zonden.
B: (Wis 1:5) [b:Wis 1:5]
R: q. 69 a. 9[t:iiia q. 69 a. 9] q. 69 a. 10[t:iiia q. 69 a. 10]
Vervolgens. Dit Sacrament heeft geen mindere kracht dan het doopsel. Nu wordt de uitwerking van het doopsel, zoals boven gezegd is (69° Kw. 9° en 10° Art.), alleen maar door veinzerij tegengehouden en met zo iets hebben de dagelijkse zonden niets uit te staan, want, zoals in het Boek der Wijsheid (1. 5) gezegd wordt "de Heilige Geest van de tucht zal veinzerij ontvluchten", terwijl zeker is, dat de H. Geest niet op de vlucht gedreven wordt door de dagelijkse zonden. Dus wordt ook de uitwerking van dit Sacrament niet tegengehouden door de dagelijkse zonden.
B: (Wis 1:5) [b:Wis 1:5]
R: q. 69 a. 9[t:iiia q. 69 a. 9] q. 69 a. 10[t:iiia q. 69 a. 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Wat door de werking van een oorzaak wordt weggenomen, kan onmogelijk haar uitwerking beletten. Nu worden de dagelijkse zonden door dit Sacrament weggenomen. Dus beletten zij ook zijn werking niet.
Vervolgens. Wat door de werking van een oorzaak wordt weggenomen, kan onmogelijk haar uitwerking beletten. Nu worden de dagelijkse zonden door dit Sacrament weggenomen. Dus beletten zij ook zijn werking niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt: "Het vuur van het in ons aanwezige verlangen, ontstoken door deze brandende kool d. i. dit Sacrament, zal onze zonden verteren en onze harten verlichten, opdat wij door de deelname aan het goddelijk vuur in vuur mogen ontsteken en vergoddelijkt mogen worden". Nu wordt het vuur van ons verlangen en onze liefde tegengewerkt door de dagelijkse zonden, die de vurigheid van de liefde verhinderen, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (II-II 24° Kw. 10° Art.; 54° Kw. 3° Art.). Dus beletten de dagelijkse zonden de uitwerking van dit Sacrament.
R: Ia-IIae q. 81 a. 4[t:ia-iiae q. 81 a. 4] IIa-IIae q. 24 a. 10[t:iia-iiae q. 24 a. 10]
Daartegenover staat echter, dat Damascenus zegt: "Het vuur van het in ons aanwezige verlangen, ontstoken door deze brandende kool d. i. dit Sacrament, zal onze zonden verteren en onze harten verlichten, opdat wij door de deelname aan het goddelijk vuur in vuur mogen ontsteken en vergoddelijkt mogen worden". Nu wordt het vuur van ons verlangen en onze liefde tegengewerkt door de dagelijkse zonden, die de vurigheid van de liefde verhinderen, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (II-II 24° Kw. 10° Art.; 54° Kw. 3° Art.). Dus beletten de dagelijkse zonden de uitwerking van dit Sacrament.
R: Ia-IIae q. 81 a. 4[t:ia-iiae q. 81 a. 4] IIa-IIae q. 24 a. 10[t:iia-iiae q. 24 a. 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 8 co.
Mijn antwoord. De dagelijkse zonden kunnen op twee manieren beschouwd worden: vooreerst als vroeger bedreven, vervolgens als metterdaad bedreven. In de eerste beschouwing beletten de dagelijkse zonden volstrekt niet de uitwerking van dit Sacrament. Het kan immers gebeuren, dat iemand, na vele dagelijkse zonden bedreven te hebben, met godsvrucht tot dit Sacrament nadert en ten volle aan de uitwerking van dit Sacrament deelachtig wordt. In de tweede beschouwing beletten de dagelijkse zonden niet geheel en al de uitwerking van dit Sacrament, maar wel ten dele. Er is immers gezegd (1° Art.), dat het uitwerksel van dit Sacrament niet alleen de verwerving van de genade en liefde als blijvende gesteldheden, maar ook een zekere dadelijke, in geestelijke zoetheid bestaande, verkwikking is en deze wordt verhinderd, als iemand tot dit Sacrament nadert met een door dagelijkse zonden verstrooide geest; maar de vermeerdering van de genade en liefde als blijvende gesteldheden worden dan niet tegengehouden.
R: q. 79 a. 1[t:iiia q. 79 a. 1]
Mijn antwoord. De dagelijkse zonden kunnen op twee manieren beschouwd worden: vooreerst als vroeger bedreven, vervolgens als metterdaad bedreven. In de eerste beschouwing beletten de dagelijkse zonden volstrekt niet de uitwerking van dit Sacrament. Het kan immers gebeuren, dat iemand, na vele dagelijkse zonden bedreven te hebben, met godsvrucht tot dit Sacrament nadert en ten volle aan de uitwerking van dit Sacrament deelachtig wordt. In de tweede beschouwing beletten de dagelijkse zonden niet geheel en al de uitwerking van dit Sacrament, maar wel ten dele. Er is immers gezegd (1° Art.), dat het uitwerksel van dit Sacrament niet alleen de verwerving van de genade en liefde als blijvende gesteldheden, maar ook een zekere dadelijke, in geestelijke zoetheid bestaande, verkwikking is en deze wordt verhinderd, als iemand tot dit Sacrament nadert met een door dagelijkse zonden verstrooide geest; maar de vermeerdering van de genade en liefde als blijvende gesteldheden worden dan niet tegengehouden.
R: q. 79 a. 1[t:iiia q. 79 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Wie tot dit Sacrament nadert met een heetdaad bedreven dagelijkse zonde, heeft de blijvende gesteldheid van geestelijk eten, maar niet de daad; daarom wordt hij wel deelachtig aan het in een blijvende gesteldheid bestaande uitwerksel van dit Sacrament, maar niet aan het dadelijke.
1e Weerlegging. Wie tot dit Sacrament nadert met een heetdaad bedreven dagelijkse zonde, heeft de blijvende gesteldheid van geestelijk eten, maar niet de daad; daarom wordt hij wel deelachtig aan het in een blijvende gesteldheid bestaande uitwerksel van dit Sacrament, maar niet aan het dadelijke.
Referenties naar deze alinea: 1
Immensae caritatis ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Het doopsel is niet zóó als dit sacrament gericht op een dadelijk uitwerksel d. i. de vurigheid van de liefde. Want het doopsel is een geestelijke hergeboorte, waardoor de eerste volmaaktheid, die een blijvende gesteldheid of een vorm is, verkregen wordt. Dit sacrament echter is een geestelijk eten, hetgeen een dadelijk genot geeft.
2e Weerlegging. Het doopsel is niet zóó als dit sacrament gericht op een dadelijk uitwerksel d. i. de vurigheid van de liefde. Want het doopsel is een geestelijke hergeboorte, waardoor de eerste volmaaktheid, die een blijvende gesteldheid of een vorm is, verkregen wordt. Dit sacrament echter is een geestelijk eten, hetgeen een dadelijk genot geeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 79 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Deze redenering betrekt zich op de vroeger gebeurde dagelijkse zonden, die door dit sacrament worden weggenomen.
3e Weerlegging. Deze redenering betrekt zich op de vroeger gebeurde dagelijkse zonden, die door dit sacrament worden weggenomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 80: Over het gebruik of de nuttiging van dit Sacrament in het algemeen
IIIa q. 80 pr.
Vervolgens moeten wij handelen over het gebruik of de nuttiging van dit Sacrament en wel vooreerst in het algemeen; dan hoe Christus dit Sacrament heeft gebruikt. Omtrent het eerste stellen wij twaalf vragen.
1. Zijn er twee wijzen om dit Sacrament te eten nl. sacramenten en geestelijk?
2. Is het alleen iets van de mens dit Sacrament geestelijk te eten?
3. Is het alleen iets van de rechtvaardige sacramenten te eten?
4. Doet de zondaar, als hij sacramenten eet, een zonde?
5. Over de grootte van deze zonde.
6. Moet men een zondaar, die tot dit Sacrament nadert, afwijzen?
7. Is nachtelijke bevlekking voor de mens een beletsel dit Sacrament te gebruiken?
8. Mag het alleen maar gebruikt worden door hen, die nuchter zijn?
9. Mag men het toedienen aan hen, die niet het gebruik van het verstand hebben?
10. Mag men het dagelijks nuttigen?
11. Mag men er zich geheel van onthouden?
12. Mag men het Lichaam nuttigen zonder het Bloed?
Vervolgens moeten wij handelen over het gebruik of de nuttiging van dit Sacrament en wel vooreerst in het algemeen; dan hoe Christus dit Sacrament heeft gebruikt. Omtrent het eerste stellen wij twaalf vragen.
1. Zijn er twee wijzen om dit Sacrament te eten nl. sacramenten en geestelijk?
2. Is het alleen iets van de mens dit Sacrament geestelijk te eten?
3. Is het alleen iets van de rechtvaardige sacramenten te eten?
4. Doet de zondaar, als hij sacramenten eet, een zonde?
5. Over de grootte van deze zonde.
6. Moet men een zondaar, die tot dit Sacrament nadert, afwijzen?
7. Is nachtelijke bevlekking voor de mens een beletsel dit Sacrament te gebruiken?
8. Mag het alleen maar gebruikt worden door hen, die nuchter zijn?
9. Mag men het toedienen aan hen, die niet het gebruik van het verstand hebben?
10. Mag men het dagelijks nuttigen?
11. Mag men er zich geheel van onthouden?
12. Mag men het Lichaam nuttigen zonder het Bloed?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Moet men twee wijzen onderscheiden om het Lichaam van Christus te eten?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 80 a. 11 co.
IIIa q. 81 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 80 a. 11 co.][t:iiia q. 81 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 80 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat men niet twee wijzen moet onderscheiden om het Lichaam van Christus te eten, nl. sacramentieel en geestelijk. Want evenals het doopsel een geestelijke wedergeboorte is volgens Joannes (3. 5): "Indien iemand niet herboren wordt uit water en de Heilige Geest" enz., zo is dit Sacrament een geestelijke spijs. Vandaar dat bij Joannes (6. 64) de Heer, over dit Sacrament sprekend, zegt: "De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven". Nu onderscheidt men bij het doopsel geen tweevoudige wijze van ontvangen, nl. sacramenteel en geestelijk. Dus moet men ook bij dit Sacrament deze onderscheiding niet aanwenden.
B: (John 3:5) [b:John 3:5] (John 6:64, John 6:64) [b:John 6:64]
IIIa q. 80 a. 11 co.
IIIa q. 81 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 80 a. 11 co.][t:iiia q. 81 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 80 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat men niet twee wijzen moet onderscheiden om het Lichaam van Christus te eten, nl. sacramentieel en geestelijk. Want evenals het doopsel een geestelijke wedergeboorte is volgens Joannes (3. 5): "Indien iemand niet herboren wordt uit water en de Heilige Geest" enz., zo is dit Sacrament een geestelijke spijs. Vandaar dat bij Joannes (6. 64) de Heer, over dit Sacrament sprekend, zegt: "De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven". Nu onderscheidt men bij het doopsel geen tweevoudige wijze van ontvangen, nl. sacramenteel en geestelijk. Dus moet men ook bij dit Sacrament deze onderscheiding niet aanwenden.
B: (John 3:5) [b:John 3:5] (John 6:64, John 6:64) [b:John 6:64]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Dingen, waarvan het een om het ander is, moet men niet tegen elkaar indelen, aangezien het ene soortelijk bepaald wordt door het andere. Welnu, het sacramenteel eten is gericht op het geestelijk eten als op zijn doel. Dus moet men het sacramenteel eten niet tegen het geestelijk indelen.
Vervolgens. Dingen, waarvan het een om het ander is, moet men niet tegen elkaar indelen, aangezien het ene soortelijk bepaald wordt door het andere. Welnu, het sacramenteel eten is gericht op het geestelijk eten als op zijn doel. Dus moet men het sacramenteel eten niet tegen het geestelijk indelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Dingen, waarvan het een niet kan zijn zonder het ander, moeten niet tegen elkaar worden ingedeeld. Nu schijnt niemand geestelijk te kunnen eten zonder ook sacramenteel te eten; anders zouden de oude Vaders dit sacrament geestelijk gegeten hebben. Het sacramenteel eten zou ook geen zin hebben, als zonder dat het geestelijk eten mogelijk zou zijn. Dus is het niet redelijk dat men bij dit sacrament een tweevoudig eten onderscheidt, namelijk sacramenteel en geestelijk.
Vervolgens. Dingen, waarvan het een niet kan zijn zonder het ander, moeten niet tegen elkaar worden ingedeeld. Nu schijnt niemand geestelijk te kunnen eten zonder ook sacramenteel te eten; anders zouden de oude Vaders dit sacrament geestelijk gegeten hebben. Het sacramenteel eten zou ook geen zin hebben, als zonder dat het geestelijk eten mogelijk zou zijn. Dus is het niet redelijk dat men bij dit sacrament een tweevoudig eten onderscheidt, namelijk sacramenteel en geestelijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 29): "Wie onwaardig eet en drinkt" enz. de Glossa zegt: "Wij zeggen dat er twee wijzen van eten zijn, een sacramentale wijze en een geestelijke".
B: (1Cor 11:29) [b:1Cor 11:29]
Daartegenover staat echter, dat bij de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 29): "Wie onwaardig eet en drinkt" enz. de Glossa zegt: "Wij zeggen dat er twee wijzen van eten zijn, een sacramentale wijze en een geestelijke".
B: (1Cor 11:29) [b:1Cor 11:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 1 co.
Mijn antwoord. Bij het gebruik van dit Sacrament moet men twee zaken beschouwen, namelijk het Sacrament zelf en het uitwerksel ervan, over welke twee zaken reeds boven is gesproken (73° Kw. — 79° Kw.). De volmaakte wijze om dit Sacrament te gebruiken heeft men dus, wanneer iemand dat Sacrament zo ontvangt, dat hij deelachtig wordt aan zijn uitwerksel. Maar soms gebeurt het, zoals boven gezegd is (79° Kw. 3° en 8° Art.), dat iemand verhinderd wordt aan het uitwerksel van dit Sacrament deelachtig te worden; en zulk een gebruik van dit Sacrament is onvolmaakt. Zoals derhalve het volmaakte tegenover het onvolmaakte wordt afgedeeld, zo wordt het sacramenteel eten, waardoor men het Sacrament alleen zonder het uitwerksel ontvangt, ingedeeld tegen het geestelijk eten, waardoor men deel heeft aan het uitwerksel van dit Sacrament, dat de mens geestelijker wijze door het geloof en de liefde met Christus verenigt.
R: q. 73[t:iiia q. 73] q. 79 a. 3[t:iiia q. 79 a. 3] q. 79 a. 8[t:iiia q. 79 a. 8]
Mijn antwoord. Bij het gebruik van dit Sacrament moet men twee zaken beschouwen, namelijk het Sacrament zelf en het uitwerksel ervan, over welke twee zaken reeds boven is gesproken (73° Kw. — 79° Kw.). De volmaakte wijze om dit Sacrament te gebruiken heeft men dus, wanneer iemand dat Sacrament zo ontvangt, dat hij deelachtig wordt aan zijn uitwerksel. Maar soms gebeurt het, zoals boven gezegd is (79° Kw. 3° en 8° Art.), dat iemand verhinderd wordt aan het uitwerksel van dit Sacrament deelachtig te worden; en zulk een gebruik van dit Sacrament is onvolmaakt. Zoals derhalve het volmaakte tegenover het onvolmaakte wordt afgedeeld, zo wordt het sacramenteel eten, waardoor men het Sacrament alleen zonder het uitwerksel ontvangt, ingedeeld tegen het geestelijk eten, waardoor men deel heeft aan het uitwerksel van dit Sacrament, dat de mens geestelijker wijze door het geloof en de liefde met Christus verenigt.
R: q. 73[t:iiia q. 73] q. 79 a. 3[t:iiia q. 79 a. 3] q. 79 a. 8[t:iiia q. 79 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Ook bij het doopsel en andere dergelijke sacramenten wordt zulk een onderscheiding aangewend. Want sommigen ontvangen alleen het sacrament, sommigen echter het sacrament en de werkelijkheid van het sacrament. Maar hierin is er verschil dat, daar de andere sacramenten tot stand komen bij het gebruik van de stof, het ontvangen van het sacrament samenvalt met het tot stand komen ervan; daarentegen komt dit Sacrament tot stand bij de consecratie van de stof, zodat het tweevoudig gebruik ten opzichte van dit Sacrament iets gevolgelijks is. Verder wordt door de ontvangers van het doopsel en van de andere sacramenten, die een merkteken indrukken, altijd een geestelijk uitwerksel gekregen, namelijk het merkteken, hetgeen bij dit Sacrament niet gebeurt. Dus is er bij dit Sacrament méér reden dan bij het doopsel om het sacramenteel gebruik te onderscheiden van het geestelijk.
1e Weerlegging. Ook bij het doopsel en andere dergelijke sacramenten wordt zulk een onderscheiding aangewend. Want sommigen ontvangen alleen het sacrament, sommigen echter het sacrament en de werkelijkheid van het sacrament. Maar hierin is er verschil dat, daar de andere sacramenten tot stand komen bij het gebruik van de stof, het ontvangen van het sacrament samenvalt met het tot stand komen ervan; daarentegen komt dit Sacrament tot stand bij de consecratie van de stof, zodat het tweevoudig gebruik ten opzichte van dit Sacrament iets gevolgelijks is. Verder wordt door de ontvangers van het doopsel en van de andere sacramenten, die een merkteken indrukken, altijd een geestelijk uitwerksel gekregen, namelijk het merkteken, hetgeen bij dit Sacrament niet gebeurt. Dus is er bij dit Sacrament méér reden dan bij het doopsel om het sacramenteel gebruik te onderscheiden van het geestelijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Het sacramenteel eten, dat tevens geestelijk is, wordt niet ingedeeld tegen het geestelijke, maar is er bij ingesloten; dit sacramenteel eten wordt ingedeeld tegenover het geestelijke, wat geen uitwerking heeft — op de wijze, waarop het onvolmaakte, dat niet reikt tot aan de volmaaktheid aan de soort eigen, afgedeeld wordt tegenover het volmaakte.
2e Weerlegging. Het sacramenteel eten, dat tevens geestelijk is, wordt niet ingedeeld tegen het geestelijke, maar is er bij ingesloten; dit sacramenteel eten wordt ingedeeld tegenover het geestelijke, wat geen uitwerking heeft — op de wijze, waarop het onvolmaakte, dat niet reikt tot aan de volmaaktheid aan de soort eigen, afgedeeld wordt tegenover het volmaakte.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Zoals boven is gezegd (68° Kw. 2° Art.; 73° Kw. 3° Art.), kan iemand deelachtig worden aan het uitwerksel van een sacrament zonder het metterdaad te ontvangen, indien hij het begeert te ontvangen. Zoals er dus zijn die wegens hun verlangen gedoopt worden met het doopsel van begeerte vóór ze gedoopt worden met het doopsel des waters, zo zijn er ook die dit sacrament geestelijk eten, vóór ze het sacramenteel gebruiken. Dit gebeurt evenwel op twee manieren. Vooreerst als iemand het sacrament zelf wenst te ontvangen, en zóó spreekt men van geestelijk — niet sacramenteel gedoopt worden en eten bij hen, die deze sacramenten begeren te ontvangen, wanneer zij reeds zijn ingesteld. Vervolgens op een figuurlijke manier, volgens het woord van de Apostel (I Cor. 10. 2 vv.) dat de oude Vaders "gedoopt zijn in de wolk en in de zee" en dat zij "een geestelijke spijs hebben gegeten en een geestelijke drank hebben gedronken". Met dat al behoudt het sacramenteel eten zijn zin, aangezien het eigenlijk ontvangen van dit sacrament op een meer volwaardige wijze het uitwerksel van het sacrament meedeelt dan alleen maar de begeerte, gelijk boven gezegd is met betrekking tot het doopsel (69e Kw. 4e Art. 2e Antw.).
B: (1Cor 10:2) [b:1Cor 10:2]
R: q. 73 a. 3[t:iiia q. 73 a. 3] q. 69 a. 4 ad 2[t:iiia q. 69 a. 4 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 80 a. 11 co.[t:iiia q. 80 a. 11 co.]
3e Weerlegging. Zoals boven is gezegd (68° Kw. 2° Art.; 73° Kw. 3° Art.), kan iemand deelachtig worden aan het uitwerksel van een sacrament zonder het metterdaad te ontvangen, indien hij het begeert te ontvangen. Zoals er dus zijn die wegens hun verlangen gedoopt worden met het doopsel van begeerte vóór ze gedoopt worden met het doopsel des waters, zo zijn er ook die dit sacrament geestelijk eten, vóór ze het sacramenteel gebruiken. Dit gebeurt evenwel op twee manieren. Vooreerst als iemand het sacrament zelf wenst te ontvangen, en zóó spreekt men van geestelijk — niet sacramenteel gedoopt worden en eten bij hen, die deze sacramenten begeren te ontvangen, wanneer zij reeds zijn ingesteld. Vervolgens op een figuurlijke manier, volgens het woord van de Apostel (I Cor. 10. 2 vv.) dat de oude Vaders "gedoopt zijn in de wolk en in de zee" en dat zij "een geestelijke spijs hebben gegeten en een geestelijke drank hebben gedronken". Met dat al behoudt het sacramenteel eten zijn zin, aangezien het eigenlijk ontvangen van dit sacrament op een meer volwaardige wijze het uitwerksel van het sacrament meedeelt dan alleen maar de begeerte, gelijk boven gezegd is met betrekking tot het doopsel (69e Kw. 4e Art. 2e Antw.).
B: (1Cor 10:2) [b:1Cor 10:2]
R: q. 73 a. 3[t:iiia q. 73 a. 3] q. 69 a. 4 ad 2[t:iiia q. 69 a. 4 ad 2]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 80 a. 11 co.[t:iiia q. 80 a. 11 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is het alleen iets van de mens dit Sacrament geestelijk te gebruiken?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 80 a. 11 co.[t:iiia q. 80 a. 11 co.]
IIIa q. 80 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het niet alleen iets van de mens is dit Sacrament geestelijk te gebruiken maar ook iets van de engelen. Want bij het psalmwoord: "De mens heeft de spijs der engelen gegeten» (Ps. 77. 25) zegt de Glossa: "t.w. het Lichaam van Christus, die de ware spijs der engelen is». Maar dat zou niet waar zijn, als de engelen Christus niet geestelijkerwijs aten. Dus eten de engelen Christus geestelijkerwijs.
B: (Ps 77, Ps 77:25) [b:Ps 77]
IIIa q. 80 a. 11 co.[t:iiia q. 80 a. 11 co.]
IIIa q. 80 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat het niet alleen iets van de mens is dit Sacrament geestelijk te gebruiken maar ook iets van de engelen. Want bij het psalmwoord: "De mens heeft de spijs der engelen gegeten» (Ps. 77. 25) zegt de Glossa: "t.w. het Lichaam van Christus, die de ware spijs der engelen is». Maar dat zou niet waar zijn, als de engelen Christus niet geestelijkerwijs aten. Dus eten de engelen Christus geestelijkerwijs.
B: (Ps 77, Ps 77:25) [b:Ps 77]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Augustinus zegt: "Met deze spijs en drank wil Hij verstaan hebben de gemeenschap van Zijn Lichaam en Zijn ledematen d. i. de Kerk der voorbestemden». Maar tot die gemeenschap behoren niet alleen mensen maar ook de goede engelen. Dus eten ook de engelen op geestelijke wijze.
Vervolgens. Augustinus zegt: "Met deze spijs en drank wil Hij verstaan hebben de gemeenschap van Zijn Lichaam en Zijn ledematen d. i. de Kerk der voorbestemden». Maar tot die gemeenschap behoren niet alleen mensen maar ook de goede engelen. Dus eten ook de engelen op geestelijke wijze.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Augustinus zegt: "Christus moet geestelijk gegeten worden, want Hij Zelf zegt: Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt blijft in Mij en Ik in hem». Maar dat laatste heeft men niet alleen bij mensen maar ook bij de goede engelen, in wie Christus verblijft door de liefde, zoals zij in Hem. Dus is geestelijk eten niet iets uitsluitends van mensen, maar is het ook iets van engelen.
Vervolgens. Augustinus zegt: "Christus moet geestelijk gegeten worden, want Hij Zelf zegt: Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt blijft in Mij en Ik in hem». Maar dat laatste heeft men niet alleen bij mensen maar ook bij de goede engelen, in wie Christus verblijft door de liefde, zoals zij in Hem. Dus is geestelijk eten niet iets uitsluitends van mensen, maar is het ook iets van engelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "Eet het brood van het altaar op geestelijke wijze; brengt onschuld mee naar het altaar". Maar engelen naderen niet tot het altaar om daarvan iets te nuttigen. Dus is het geestelijk eten niet iets van engels.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "Eet het brood van het altaar op geestelijke wijze; brengt onschuld mee naar het altaar". Maar engelen naderen niet tot het altaar om daarvan iets te nuttigen. Dus is het geestelijk eten niet iets van engels.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 2 co.
Mijn antwoord. In dit Sacrament is Christus Zelf vervat, wel niet in eigen gedaante maar in de gedaante van het Sacrament. Dus kan men op twee manieren Christus Zelf geestelijk eten. Vooreerst in diens eigen gedaante en op deze manier eten de engelen Christus Zelf geestelijkerwijs, voorzover zij met Hem verenigd zijn in het genot van de volmaakte liefde en de klare aanschouwing (welk brood wij in het Vaderland hopen te ontvangen), niet door het geloof, zoals wij hier met Hem verenigd zijn. Vervolgens kan men Christus geestelijk eten, voorzover Hij tegenwoordig is onder de gedaanten van dit Sacrament, wanneer namelijk iemand, in Christus gelovend, begeert dit Sacrament te ontvangen; en dit is niet alleen Christus geestelijk eten, maar ook dit Sacrament geestelijk eten. Dat komt niet toe aan de engelen. Hoewel dus de engelen Christus geestelijk eten, komt het hun niet toe dit Sacrament geestelijk te eten.
Mijn antwoord. In dit Sacrament is Christus Zelf vervat, wel niet in eigen gedaante maar in de gedaante van het Sacrament. Dus kan men op twee manieren Christus Zelf geestelijk eten. Vooreerst in diens eigen gedaante en op deze manier eten de engelen Christus Zelf geestelijkerwijs, voorzover zij met Hem verenigd zijn in het genot van de volmaakte liefde en de klare aanschouwing (welk brood wij in het Vaderland hopen te ontvangen), niet door het geloof, zoals wij hier met Hem verenigd zijn. Vervolgens kan men Christus geestelijk eten, voorzover Hij tegenwoordig is onder de gedaanten van dit Sacrament, wanneer namelijk iemand, in Christus gelovend, begeert dit Sacrament te ontvangen; en dit is niet alleen Christus geestelijk eten, maar ook dit Sacrament geestelijk eten. Dat komt niet toe aan de engelen. Hoewel dus de engelen Christus geestelijk eten, komt het hun niet toe dit Sacrament geestelijk te eten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. De nuttiging van Christus onder dit Sacrament is als op haar doel gericht op het zalig bezit in het Vaderland, zoals de engelen zich in Hem verlustigen. En omdat het op het doel gerichte afhankelijk is van het doel, daarom is dit eten van Christus, zoals wij Hem nuttigen onder het Sacrament, afhankelijk van het andere eten, dat eigen is aan de engelen, die Christus bezitten in het vaderland. Om die reden zegt men, dat de mens het brood der engelen eet, daar het immers op de eerste en voornaamste plaats iets is van de engelen, die Christus in eigen gedaante bezitten, terwijl het slechts op de tweede plaats iets is van de mensen, die Christus onder het Sacrament ontvangen.
1e Weerlegging. De nuttiging van Christus onder dit Sacrament is als op haar doel gericht op het zalig bezit in het Vaderland, zoals de engelen zich in Hem verlustigen. En omdat het op het doel gerichte afhankelijk is van het doel, daarom is dit eten van Christus, zoals wij Hem nuttigen onder het Sacrament, afhankelijk van het andere eten, dat eigen is aan de engelen, die Christus bezitten in het vaderland. Om die reden zegt men, dat de mens het brood der engelen eet, daar het immers op de eerste en voornaamste plaats iets is van de engelen, die Christus in eigen gedaante bezitten, terwijl het slechts op de tweede plaats iets is van de mensen, die Christus onder het Sacrament ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Tot de gemeenschap van het mystiek Lichaam behoren inderdaad mensen en engelen, maar mensen door het geloof, engelen echter door de klare aanschouwing. Nu zijn de sacramenten aangepast aan het geloof, waardoor de waarheid in spiegel en raadsel wordt gezien. En het is daarom dat, om eigenlijk te spreken, niet engelen maar mensen dit Sacrament geestelijk kunnen eten.
2e Weerlegging. Tot de gemeenschap van het mystiek Lichaam behoren inderdaad mensen en engelen, maar mensen door het geloof, engelen echter door de klare aanschouwing. Nu zijn de sacramenten aangepast aan het geloof, waardoor de waarheid in spiegel en raadsel wordt gezien. En het is daarom dat, om eigenlijk te spreken, niet engelen maar mensen dit Sacrament geestelijk kunnen eten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Christus verblijft in de mensen, volgens de tegenwoordige staat der dingen, door het geloof, maar in de zalige engelen door de klare aanschouwing. En dus gaat de vergelijking niet op, gelijk gezegd is (2e Antw.).
3e Weerlegging. Christus verblijft in de mensen, volgens de tegenwoordige staat der dingen, door het geloof, maar in de zalige engelen door de klare aanschouwing. En dus gaat de vergelijking niet op, gelijk gezegd is (2e Antw.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Kan alleen de rechtvaardige Christus sacramenteel eten?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 82 a. 7 ad 1[t:iiia q. 82 a. 7 ad 1]
IIIa q. 80 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat alleen de rechtvaardige Christus sacramenteel kan eten. Augustinus immers zegt: "Wat staat gij bereid met tanden en maag? Geloof en ge hebt gegeten, want in Hem geloven, dat is een levend brood eten». Nu gelooft de zondaar niet in Hem, daar hij geen door de liefde gevormd geloof bezit, krachtens hetwelk men toch in God gelooft, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (II-II 2e Kw. 2e Art.; 4e Kw. 5e Art.). Dus kan de zondaar dit Sacrament, dat levend brood is, niet eten.
R: IIa-IIae q. 2 a. 2[t:iia-iiae q. 2 a. 2] IIa-IIae q. 4 a. 5[t:iia-iiae q. 4 a. 5]
IIIa q. 82 a. 7 ad 1[t:iiia q. 82 a. 7 ad 1]
IIIa q. 80 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat alleen de rechtvaardige Christus sacramenteel kan eten. Augustinus immers zegt: "Wat staat gij bereid met tanden en maag? Geloof en ge hebt gegeten, want in Hem geloven, dat is een levend brood eten». Nu gelooft de zondaar niet in Hem, daar hij geen door de liefde gevormd geloof bezit, krachtens hetwelk men toch in God gelooft, zoals in het Tweede Deel is uiteengezet (II-II 2e Kw. 2e Art.; 4e Kw. 5e Art.). Dus kan de zondaar dit Sacrament, dat levend brood is, niet eten.
R: IIa-IIae q. 2 a. 2[t:iia-iiae q. 2 a. 2] IIa-IIae q. 4 a. 5[t:iia-iiae q. 4 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Dit Sacrament heet bovenal het "Sacrament van de liefde", zoals boven is gezegd (73e Kw. 3e Art. 3e Antw.; 74e Kw. 4e Art.; 3e Bed.; 78e Kw. 3e Art. 6e Antw.). Evenals nu de ongelovigen het geloof missen, zo missen alle zondaars de liefde. Welnu: de ongelovigen kunnen dit Sacrament niet sacramenteel nuttigen, aangezien in de vorm van dit Sacrament gezegd wordt: "geheim des geloofs". Dus kan evenmin een zondaar, wat voor dan ook, het Lichaam van Christus sacramenteel ontvangen.
R: q. 78 a. 3 ad 6[t:iiia q. 78 a. 3 ad 6]
Vervolgens. Dit Sacrament heet bovenal het "Sacrament van de liefde", zoals boven is gezegd (73e Kw. 3e Art. 3e Antw.; 74e Kw. 4e Art.; 3e Bed.; 78e Kw. 3e Art. 6e Antw.). Evenals nu de ongelovigen het geloof missen, zo missen alle zondaars de liefde. Welnu: de ongelovigen kunnen dit Sacrament niet sacramenteel nuttigen, aangezien in de vorm van dit Sacrament gezegd wordt: "geheim des geloofs". Dus kan evenmin een zondaar, wat voor dan ook, het Lichaam van Christus sacramenteel ontvangen.
R: q. 78 a. 3 ad 6[t:iiia q. 78 a. 3 ad 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Een zondaar is voor God afschuwelijker dan een redeloos schepsel, want in het Boek der Psalmen (Ps. 48. 21) wordt over de zondige mens gezegd: "Toen de mens in eer was, heeft hij het niet begrepen, hij is gelijk geworden aan domme lastdieren en geworden zoals zij". Welnu: een dier b.v. een muis of een hond kan dit sacrament niet ontvangen, evenals het het sacrament des doopsels niet kan ontvangen. Dus schijnen evenmin zondaars dit sacrament te eten.
B: (Ps 48, 12, Ps 48:12) [b:Ps 48, 12]
Vervolgens. Een zondaar is voor God afschuwelijker dan een redeloos schepsel, want in het Boek der Psalmen (Ps. 48. 21) wordt over de zondige mens gezegd: "Toen de mens in eer was, heeft hij het niet begrepen, hij is gelijk geworden aan domme lastdieren en geworden zoals zij". Welnu: een dier b.v. een muis of een hond kan dit sacrament niet ontvangen, evenals het het sacrament des doopsels niet kan ontvangen. Dus schijnen evenmin zondaars dit sacrament te eten.
B: (Ps 48, 12, Ps 48:12) [b:Ps 48, 12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (6. 49): "Uw vaders hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven" Augustinus aantekent: "Velen ontvangen van het altaar en dat ontvangen is hun dood, weshalve de Apostel zegt: Hij eet en drinkt zich een oordeel". Nu zijn het alleen de zondaars, die sterven door te ontvangen. Dus eten ook de zondaars op sacramentële wijze het Lichaam van Christus, en niet alleen de rechtvaardigen.
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (6. 49): "Uw vaders hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven" Augustinus aantekent: "Velen ontvangen van het altaar en dat ontvangen is hun dood, weshalve de Apostel zegt: Hij eet en drinkt zich een oordeel". Nu zijn het alleen de zondaars, die sterven door te ontvangen. Dus eten ook de zondaars op sacramentële wijze het Lichaam van Christus, en niet alleen de rechtvaardigen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 3 co.
Mijn antwoord. In deze zaak hebben sommige ouderen zich vergist, zeggende dat het Lichaam van Christus door de zondaars zelfs niet sacramenteel wordt ontvangen: zodra het Lichaam van Christus in aanraking komt met de zondaars lippen, houdt het op te zijn onder de sacramentale gedaanten. Maar dat is een dwaling, daar het te kort doet aan de waarachtigheid van dit Sacrament, welke eist, zoals boven is gezegd (76° Kw. 6° Art. 3° Antw.; 77° Kw. 8° Art.), dat Christus bij het blijven van de gedaanten onder haar voortduurt. Maar de gedaanten blijven, zolang als de zelfstandigheid van het brood zou blijven, indien het aanwezig was, gelijk boven is gezegd (77° Kw. 4° Art.). Nu is het zonneklaar, dat de zelfstandigheid van brood, die een zondaar tot zich zou nemen, niet onmiddellijk ophoudt, maar blijft, totdat zij door de natuurlijke warmte verteert: dus blijft evenlang het Lichaam van Christus onder de sacramentale gedaanten, die zondaars gebruiken. Dus moet men zeggen, dat ook de zondaar het Lichaam van Christus sacramenteel kan eten en niet alleen de rechtvaardige.
R: q. 76 a. 6 ad 3[t:iiia q. 76 a. 6 ad 3] q. 77 a. 8[t:iiia q. 77 a. 8] q. 77 a. 4[t:iiia q. 77 a. 4]
Mijn antwoord. In deze zaak hebben sommige ouderen zich vergist, zeggende dat het Lichaam van Christus door de zondaars zelfs niet sacramenteel wordt ontvangen: zodra het Lichaam van Christus in aanraking komt met de zondaars lippen, houdt het op te zijn onder de sacramentale gedaanten. Maar dat is een dwaling, daar het te kort doet aan de waarachtigheid van dit Sacrament, welke eist, zoals boven is gezegd (76° Kw. 6° Art. 3° Antw.; 77° Kw. 8° Art.), dat Christus bij het blijven van de gedaanten onder haar voortduurt. Maar de gedaanten blijven, zolang als de zelfstandigheid van het brood zou blijven, indien het aanwezig was, gelijk boven is gezegd (77° Kw. 4° Art.). Nu is het zonneklaar, dat de zelfstandigheid van brood, die een zondaar tot zich zou nemen, niet onmiddellijk ophoudt, maar blijft, totdat zij door de natuurlijke warmte verteert: dus blijft evenlang het Lichaam van Christus onder de sacramentale gedaanten, die zondaars gebruiken. Dus moet men zeggen, dat ook de zondaar het Lichaam van Christus sacramenteel kan eten en niet alleen de rechtvaardige.
R: q. 76 a. 6 ad 3[t:iiia q. 76 a. 6 ad 3] q. 77 a. 8[t:iiia q. 77 a. 8] q. 77 a. 4[t:iiia q. 77 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Die woorden en al dergelijke zijn te verstaan van het geestelijk eten, dat aan de zondaars ontgaat. Uit een verkeerd begrijpen derhalve van die woorden schijnt de boven aangegeven dwaling te zijn voortgekomen, voorzover zij niet wisten te onderscheiden tussen het lichamelijk en het geestelijk eten.
1e Weerlegging. Die woorden en al dergelijke zijn te verstaan van het geestelijk eten, dat aan de zondaars ontgaat. Uit een verkeerd begrijpen derhalve van die woorden schijnt de boven aangegeven dwaling te zijn voortgekomen, voorzover zij niet wisten te onderscheiden tussen het lichamelijk en het geestelijk eten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Ook wanneer een ongelovige de sacramentale gedaanten nuttigt, nuttigt hij het Lichaam van Christus onder het Sacrament. Dus eet hij Christus sacramenteel, als men het woord sacramenteel laat slaan op het gegetene. Als men het echter laat slaan op degene die eet, dan moet men eigenlijk zeggen dat hij niet sacramenteel eet daar hij het ontvangen niet als Sacrament maar als gewone spijs tot zich neemt. Tenzij misschien de ongelovige zou bedoelen te ontvangen wat de Kerk uitdeelt, al zou hij dan niet rechtgelovig zijn met betrekking tot andere geloofswaarden of zelfs met betrekking tot dit Sacrament.
2e Weerlegging. Ook wanneer een ongelovige de sacramentale gedaanten nuttigt, nuttigt hij het Lichaam van Christus onder het Sacrament. Dus eet hij Christus sacramenteel, als men het woord sacramenteel laat slaan op het gegetene. Als men het echter laat slaan op degene die eet, dan moet men eigenlijk zeggen dat hij niet sacramenteel eet daar hij het ontvangen niet als Sacrament maar als gewone spijs tot zich neemt. Tenzij misschien de ongelovige zou bedoelen te ontvangen wat de Kerk uitdeelt, al zou hij dan niet rechtgelovig zijn met betrekking tot andere geloofswaarden of zelfs met betrekking tot dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Ook wanneer een muis of een hond een geconsacreerde hostie eet, blijft de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus onder de gedaanten, zolang die gedaanten blijven, d.i. zolang de zelfstandigheid van het brood zou blijven, even goed als wanneer het in het slijk zou worden geworpen. Dat doet niet af aan de waardigheid van het Lichaam van Christus, die zonder iets aan Zijn waardigheid te verliezen door zondaars heeft willen gekruisigd worden, temeer daar een muis of hond het Lichaam zelf van Christus in eigen gedaante niet aanraakt maar alleen in sacramentale gedaante. Sommigen hebben wel gezegd, dat Christus onder het Sacrament ophoudt, zodra dit door een muis of hond wordt aangeraakt, maar ook dit doet te kort aan de waarachtigheid van het Sacrament, gelijk boven gezegd is (in de Leerst.). Toch moet men niet zeggen, dat een dier het Lichaam van Christus sacramenteel eet: het heeft immers geen vermogen om het sacramenteel te gebruiken, maar eet het zijdelings, zoals iemand zou doen, die een geconsacreerde hostie zou nuttigen zonder te weten, dat zij geconsacreerd was. En daar het zijdelingsche bij de indeeling van een geslacht wordt verwaarloosd, daarom wordt deze wijze om het Lichaam van Christus te eten niet als derde gesteld naast de sacramentale en de geestelijke.
3e Weerlegging. Ook wanneer een muis of een hond een geconsacreerde hostie eet, blijft de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus onder de gedaanten, zolang die gedaanten blijven, d.i. zolang de zelfstandigheid van het brood zou blijven, even goed als wanneer het in het slijk zou worden geworpen. Dat doet niet af aan de waardigheid van het Lichaam van Christus, die zonder iets aan Zijn waardigheid te verliezen door zondaars heeft willen gekruisigd worden, temeer daar een muis of hond het Lichaam zelf van Christus in eigen gedaante niet aanraakt maar alleen in sacramentale gedaante. Sommigen hebben wel gezegd, dat Christus onder het Sacrament ophoudt, zodra dit door een muis of hond wordt aangeraakt, maar ook dit doet te kort aan de waarachtigheid van het Sacrament, gelijk boven gezegd is (in de Leerst.). Toch moet men niet zeggen, dat een dier het Lichaam van Christus sacramenteel eet: het heeft immers geen vermogen om het sacramenteel te gebruiken, maar eet het zijdelings, zoals iemand zou doen, die een geconsacreerde hostie zou nuttigen zonder te weten, dat zij geconsacreerd was. En daar het zijdelingsche bij de indeeling van een geslacht wordt verwaarloosd, daarom wordt deze wijze om het Lichaam van Christus te eten niet als derde gesteld naast de sacramentale en de geestelijke.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Doet de zondaar, als hij sacramenteel het Lichaam van Christus eet, een zonde?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 80 a. 8 co.
IIIa q. 82 a. 9 ad 2[t:iiia q. 80 a. 8 co.][t:iiia q. 82 a. 9 ad 2]
IIIa q. 80 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat een zondaar geen zonde doet, als hij het Lichaam van Christus sacramenteel eet. Want Christus onder de gedaante van het Sacrament heeft geen hogere waardigheid dan onder eigen gedaante. Toen nu zondaars het Lichaam van Christus onder eigen gedaante aanraakten, deden zij geen zonde, veeleer kregen zij vergiffenis van hun zonden, zoals men bij Lucas (7. 36 vv.) leest van de zondige vrouw; en bij Mattheus (14. 36) staat: "Alwie de zoom van Zijn kleed aanraakten werden geheeld". Door dus het Sacrament van het Lichaam van Christus te ontvangen zondigen zij niet, maar ontvangen zij veeleer het heil.
B: (Matt 14:36) [b:Matt 14:36] (Luke 7) [b:Luke 7]
IIIa q. 80 a. 8 co.
IIIa q. 82 a. 9 ad 2[t:iiia q. 80 a. 8 co.][t:iiia q. 82 a. 9 ad 2]
IIIa q. 80 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat een zondaar geen zonde doet, als hij het Lichaam van Christus sacramenteel eet. Want Christus onder de gedaante van het Sacrament heeft geen hogere waardigheid dan onder eigen gedaante. Toen nu zondaars het Lichaam van Christus onder eigen gedaante aanraakten, deden zij geen zonde, veeleer kregen zij vergiffenis van hun zonden, zoals men bij Lucas (7. 36 vv.) leest van de zondige vrouw; en bij Mattheus (14. 36) staat: "Alwie de zoom van Zijn kleed aanraakten werden geheeld". Door dus het Sacrament van het Lichaam van Christus te ontvangen zondigen zij niet, maar ontvangen zij veeleer het heil.
B: (Matt 14:36) [b:Matt 14:36] (Luke 7) [b:Luke 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Dit Sacrament is evenals de andere een geestelijk geneesmiddel. Nu geeft men een geneesmiddel aan zieken, tot hun genezing, volgens Mattheus (9. 12): "De geneesheer is niet nodig voor de gezonden, maar voor wie zwak zijn". Welnu geestelijk ziek en zwak zijn de zondaars. Dus kunnen zij dit Sacrament zonder schuld te bedrijven ontvangen.
B: (Matt 9:12) [b:Matt 9:12]
Vervolgens. Dit Sacrament is evenals de andere een geestelijk geneesmiddel. Nu geeft men een geneesmiddel aan zieken, tot hun genezing, volgens Mattheus (9. 12): "De geneesheer is niet nodig voor de gezonden, maar voor wie zwak zijn". Welnu geestelijk ziek en zwak zijn de zondaars. Dus kunnen zij dit Sacrament zonder schuld te bedrijven ontvangen.
B: (Matt 9:12) [b:Matt 9:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Dit Sacrament hoort, als Christus in zich bevattend, onder de allergrootste goederen. Volgens Augustinus nu zijn dat de allergrootste goederen, die niemand slecht kan gebruiken. Maar niemand zondigt tenzij door het misbruik van iets. Dus doet nooit een zondaar, dat Sacrament ontvangend, zonde.
Vervolgens. Dit Sacrament hoort, als Christus in zich bevattend, onder de allergrootste goederen. Volgens Augustinus nu zijn dat de allergrootste goederen, die niemand slecht kan gebruiken. Maar niemand zondigt tenzij door het misbruik van iets. Dus doet nooit een zondaar, dat Sacrament ontvangend, zonde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 4 arg. 4
Vervolgens. Dit Sacrament wordt door smaak en tastzin geraakt, maar ook door het gezicht. Als dus een zondaar zondigt door dit Sacrament te ontvangen, dan zou hij, naar het schijnt, ook zondigen door ernaar te kijken, hetgeen blijkbaar vals is, daar de Kerk dit Sacrament aan allen ter aanschouwing en ter aanbidding voorhoudt. Dus doet een zondaar geen kwaad door dit Sacrament te eten.
Vervolgens. Dit Sacrament wordt door smaak en tastzin geraakt, maar ook door het gezicht. Als dus een zondaar zondigt door dit Sacrament te ontvangen, dan zou hij, naar het schijnt, ook zondigen door ernaar te kijken, hetgeen blijkbaar vals is, daar de Kerk dit Sacrament aan allen ter aanschouwing en ter aanbidding voorhoudt. Dus doet een zondaar geen kwaad door dit Sacrament te eten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 4 arg. 5
Vervolgens. Het komt wel eens voor, dat een zondaar zich van zijn zonde niet bewust is en zo iemand schijnt niet te zondigen, als hij het Lichaam van Christus nuttigt, aangezien op die manier allen zouden zondigen door roekeloos te handelen: de Apostel zegt immers (I Cor. 4. 4): "Ik ben mij van niets bewust, maar daarmee ben ik nog niet gerechtvaardigd". Dus schijnt het de zondaar niet tot schuld te strekken, als hij dit Sacrament nuttigt.
B: (1Cor 4:4) [b:1Cor 4:4]
Vervolgens. Het komt wel eens voor, dat een zondaar zich van zijn zonde niet bewust is en zo iemand schijnt niet te zondigen, als hij het Lichaam van Christus nuttigt, aangezien op die manier allen zouden zondigen door roekeloos te handelen: de Apostel zegt immers (I Cor. 4. 4): "Ik ben mij van niets bewust, maar daarmee ben ik nog niet gerechtvaardigd". Dus schijnt het de zondaar niet tot schuld te strekken, als hij dit Sacrament nuttigt.
B: (1Cor 4:4) [b:1Cor 4:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter het woord van de Apostel: "Wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel" (I Cor. 11. 29). Nu zegt de Glossa daarbij: "Hij eet en drinkt onwaardig, die in grote zonde is of oneerbiedig optreedt". Derhalve haalt iemand, die in doodszonde dit Sacrament ontvangt, zich een veroordeling op de hals en bedrijft hij dus een doodszonde.
B: (1Cor 11:29) [b:1Cor 11:29]
Daartegenover staat echter het woord van de Apostel: "Wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel" (I Cor. 11. 29). Nu zegt de Glossa daarbij: "Hij eet en drinkt onwaardig, die in grote zonde is of oneerbiedig optreedt". Derhalve haalt iemand, die in doodszonde dit Sacrament ontvangt, zich een veroordeling op de hals en bedrijft hij dus een doodszonde.
B: (1Cor 11:29) [b:1Cor 11:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 4 co.
Mijn antwoord. Evenals bij de andere sacramenten is ook hier het Sacrament het teken van de werkelijkheid van het Sacrament. Nu is, zoals boven werd gezegd (73° Kw. 6° Art.) de werkelijkheid van dit Sacrament tweevoudig: de ene is betekend en vervat, namelijk Christus Zelf, de andere is betekend maar niet vervat, namelijk het mystieke Lichaam van Christus, dat de gemeenschap der heiligen is. Alwie daarom dit Sacrament nuttigt, betekent door dat feit alleen reeds, dat hij verenigd is met Christus en ingelijfd bij zijn ledematen, hetgeen gebeurt door het gevormde geloof, dat door niemand tegelijk met de doodszonde wordt bezeten. En dus begaat iedereen, die dit Sacrament met een doodszonde ontvangt een onwaarheid tegen dit Sacrament; bijgevolg bedrijft hij, als schenner van het Sacrament, een heiligschennis en doet hij op die manier een doodszonde.
R: q. 73 a. 6[t:iiia q. 73 a. 6]
Mijn antwoord. Evenals bij de andere sacramenten is ook hier het Sacrament het teken van de werkelijkheid van het Sacrament. Nu is, zoals boven werd gezegd (73° Kw. 6° Art.) de werkelijkheid van dit Sacrament tweevoudig: de ene is betekend en vervat, namelijk Christus Zelf, de andere is betekend maar niet vervat, namelijk het mystieke Lichaam van Christus, dat de gemeenschap der heiligen is. Alwie daarom dit Sacrament nuttigt, betekent door dat feit alleen reeds, dat hij verenigd is met Christus en ingelijfd bij zijn ledematen, hetgeen gebeurt door het gevormde geloof, dat door niemand tegelijk met de doodszonde wordt bezeten. En dus begaat iedereen, die dit Sacrament met een doodszonde ontvangt een onwaarheid tegen dit Sacrament; bijgevolg bedrijft hij, als schenner van het Sacrament, een heiligschennis en doet hij op die manier een doodszonde.
R: q. 73 a. 6[t:iiia q. 73 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Toen Christus in eigen gedaante aan de mensen verscheen, liet Hij zich niet door de mensen aanraken als een teken van de geestelijke eenheid met Hem, zoals Hij in dit Sacrament wordt gegeven aan de ontvangers. En het is daarom dat de zondaars, die Hem in eigen gedaante aanraakten, geen misdrijf van onwaarheid begingen tegenover het goddelijke zoals de zondaars, die dit Sacrament ontvangen. Bovendien vertoonde Christus nog altijd de gelijkenis van het vlees der zonde en was het dus redelijk, dat Hij Zich door de zondaars liet aanraken. Maar toen de gelijkenis van het vlees der zonde door de glorie van de verrijzenis was weggenomen, gedoogde Hij geen aanraking door de vrouw, die te Zijn opzichte te kort schoot in geloof, volgens het woord van Joannes (20. 17): "Wil Mij niet aanraken, want Ik ben nog niet opgestegen tot de Vader" t.w. "in uw hart," zoals Augustinus verklaart. Daarom worden de zondaars, die met betrekking tot Christus het gevormde geloof missen, van de aanraking van dit Sacrament verwijderd gehouden.
1e Weerlegging. Toen Christus in eigen gedaante aan de mensen verscheen, liet Hij zich niet door de mensen aanraken als een teken van de geestelijke eenheid met Hem, zoals Hij in dit Sacrament wordt gegeven aan de ontvangers. En het is daarom dat de zondaars, die Hem in eigen gedaante aanraakten, geen misdrijf van onwaarheid begingen tegenover het goddelijke zoals de zondaars, die dit Sacrament ontvangen. Bovendien vertoonde Christus nog altijd de gelijkenis van het vlees der zonde en was het dus redelijk, dat Hij Zich door de zondaars liet aanraken. Maar toen de gelijkenis van het vlees der zonde door de glorie van de verrijzenis was weggenomen, gedoogde Hij geen aanraking door de vrouw, die te Zijn opzichte te kort schoot in geloof, volgens het woord van Joannes (20. 17): "Wil Mij niet aanraken, want Ik ben nog niet opgestegen tot de Vader" t.w. "in uw hart," zoals Augustinus verklaart. Daarom worden de zondaars, die met betrekking tot Christus het gevormde geloof missen, van de aanraking van dit Sacrament verwijderd gehouden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Niet elk geneesmiddel past bij elke stand van de ziekte, want het geneesmiddel, dat ter aansterking wordt gegeven aan de reeds van de koorts bevrijden, zou schaden, indien het werd gegeven aan wie nog koorts hebben. Op die manier zijn het doopsel en de biecht als reinigende geneesmiddelen, die worden gegeven om de koorts der zonde weg te nemen; dit sacrament echter is een versterkend geneesmiddel, dat alleen maar aan van de zonde bevrijden moet worden gegeven.
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
2e Weerlegging. Niet elk geneesmiddel past bij elke stand van de ziekte, want het geneesmiddel, dat ter aansterking wordt gegeven aan de reeds van de koorts bevrijden, zou schaden, indien het werd gegeven aan wie nog koorts hebben. Op die manier zijn het doopsel en de biecht als reinigende geneesmiddelen, die worden gegeven om de koorts der zonde weg te nemen; dit sacrament echter is een versterkend geneesmiddel, dat alleen maar aan van de zonde bevrijden moet worden gegeven.
B: (John 20:17, John 20:17) [b:John 20:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Augustinus bedoelt met de allergrootste goederen de deugden van de ziel, welke niemand verkeerd gebruikt als beginselen van verkeerd gebruik; men kan ze echter verkeerd gebruiken als voorwerp van verkeerd gebruik, zoals blijkt bij hen, die zich verhoeven over hun deugden. Zo is ook dit sacrament uit zich geen beginsel van slecht gebruik maar voorwerp. Vandaar dat Augustinus zegt: "Velen ontvangen op onwaardige wijze het Lichaam van Christus, hetgeen ons leert, hoe verschrikkelijk het is het goede slecht te ontvangen. Want zie, hoe door het goede het slechte is gekomen, nu het goede slecht wordt ontvangen; zoals daarentegen voor de Apostel door het slechte het goede is gekomen, toen hij het slechte goed aannam" d.w.z. toen hij de prikkel van de Satan geduldig verdroeg.
3e Weerlegging. Augustinus bedoelt met de allergrootste goederen de deugden van de ziel, welke niemand verkeerd gebruikt als beginselen van verkeerd gebruik; men kan ze echter verkeerd gebruiken als voorwerp van verkeerd gebruik, zoals blijkt bij hen, die zich verhoeven over hun deugden. Zo is ook dit sacrament uit zich geen beginsel van slecht gebruik maar voorwerp. Vandaar dat Augustinus zegt: "Velen ontvangen op onwaardige wijze het Lichaam van Christus, hetgeen ons leert, hoe verschrikkelijk het is het goede slecht te ontvangen. Want zie, hoe door het goede het slechte is gekomen, nu het goede slecht wordt ontvangen; zoals daarentegen voor de Apostel door het slechte het goede is gekomen, toen hij het slechte goed aannam" d.w.z. toen hij de prikkel van de Satan geduldig verdroeg.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. Door het gezicht vat men niet het Lichaam zelf van Christus, maar alleen het sacrament ervan, aangezien het gezicht niet doordringt tot de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, maar alleen tot de sacramentale gedaanten, gelijk boven is gezegd (76° Kw. 7° Art.). Daarentegen ontvangt hij die eet niet alleen de sacramentale gedaanten maar ook de daaronder tegenwoordige Christus Zelf. Daarom houdt men niemand, die een sacrament van Christus deelachtig werd, t.w. het doopsel, af van het aanschouwen van het Lichaam van Christus. Ongedoopten echter moet men niet toestaan dit sacrament te aanschouwen, zoals blijkt uit Dionysius. Maar tot het eten moet men alleen diegenen toelaten, die niet alleen sacramenteel maar ook werkelijk met Christus zijn verbonden.
R: q. 76 a. 7[t:iiia q. 76 a. 7]
4e Weerlegging. Door het gezicht vat men niet het Lichaam zelf van Christus, maar alleen het sacrament ervan, aangezien het gezicht niet doordringt tot de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus, maar alleen tot de sacramentale gedaanten, gelijk boven is gezegd (76° Kw. 7° Art.). Daarentegen ontvangt hij die eet niet alleen de sacramentale gedaanten maar ook de daaronder tegenwoordige Christus Zelf. Daarom houdt men niemand, die een sacrament van Christus deelachtig werd, t.w. het doopsel, af van het aanschouwen van het Lichaam van Christus. Ongedoopten echter moet men niet toestaan dit sacrament te aanschouwen, zoals blijkt uit Dionysius. Maar tot het eten moet men alleen diegenen toelaten, die niet alleen sacramenteel maar ook werkelijk met Christus zijn verbonden.
R: q. 76 a. 7[t:iiia q. 76 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 4 ad 5
Ad quintum Dat iemand zich van zijn zonde niet bewust is, kan op twee manieren gebeuren. Vooreerst door eigen schuld of doordat hij, de wet niet kennend (hetgeen niet vrij uitgaat), niet voor zonde aanziet, wat wel zonde is b.v. als een ontuchtige zou menen, dat eenvoudige ontucht geen doodzonde is; of doordat hij nalatig is in zijn gewetensonderzoek, tegen het woord van de Apostel: "De mens onderzoeke zichzelf en ete dan van het brood en drinke dan van de kelk" (I Cor. 11. 28). In dat geval zondigt hij, die in zonde het Lichaam van Christus nuttigt, al is hij zich van zijn zonde niet bewust, en de reden is, dat die onwetendheid op zich hem tot zonde is. Vervolgens kan hetzelfde zonder zijn schuld gebeuren b.v. als hij bedroefd is geweest over zijn zonde maar het berouw niet voldoende was: in dat geval doet hij, het Lichaam van Christus nuttigend, geen zonde, daar de mens niet met zekerheid kan weten, of hij echt berouw heeft; het is voldoende, als hij in zich tekenen van berouw vindt b.v. als hij bedroefd is over het verleden en zich voorneemt op zijn hoede te zijn voor het toekomstige. Indien iemand echter niet weet dat, hetgeen hij deed, een slechte daad was, tengevolge van een onjuist oordeel over de daad (dit doet vrij uitgaan) b.v. als hij gemeenschap heeft gehad met iemand, die zijn vrouw niet was, maar door hem daarvoor werd aangezien, dan mag men hem om dit feit geen zondaar noemen. Iets dergelijks: indien iemand zijn zonde volkomen is vergeten, is een algemeen berouw tot uitdelging daarvan voldoende, zoals later gezegd zal worden (Supplement 2° Kw. 3e Art. 2e Antw.), en dus mag men hem geen zondaar meer noemen.
Ad quintum Dat iemand zich van zijn zonde niet bewust is, kan op twee manieren gebeuren. Vooreerst door eigen schuld of doordat hij, de wet niet kennend (hetgeen niet vrij uitgaat), niet voor zonde aanziet, wat wel zonde is b.v. als een ontuchtige zou menen, dat eenvoudige ontucht geen doodzonde is; of doordat hij nalatig is in zijn gewetensonderzoek, tegen het woord van de Apostel: "De mens onderzoeke zichzelf en ete dan van het brood en drinke dan van de kelk" (I Cor. 11. 28). In dat geval zondigt hij, die in zonde het Lichaam van Christus nuttigt, al is hij zich van zijn zonde niet bewust, en de reden is, dat die onwetendheid op zich hem tot zonde is. Vervolgens kan hetzelfde zonder zijn schuld gebeuren b.v. als hij bedroefd is geweest over zijn zonde maar het berouw niet voldoende was: in dat geval doet hij, het Lichaam van Christus nuttigend, geen zonde, daar de mens niet met zekerheid kan weten, of hij echt berouw heeft; het is voldoende, als hij in zich tekenen van berouw vindt b.v. als hij bedroefd is over het verleden en zich voorneemt op zijn hoede te zijn voor het toekomstige. Indien iemand echter niet weet dat, hetgeen hij deed, een slechte daad was, tengevolge van een onjuist oordeel over de daad (dit doet vrij uitgaan) b.v. als hij gemeenschap heeft gehad met iemand, die zijn vrouw niet was, maar door hem daarvoor werd aangezien, dan mag men hem om dit feit geen zondaar noemen. Iets dergelijks: indien iemand zijn zonde volkomen is vergeten, is een algemeen berouw tot uitdelging daarvan voldoende, zoals later gezegd zal worden (Supplement 2° Kw. 3e Art. 2e Antw.), en dus mag men hem geen zondaar meer noemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Is het naderen tot dit Sacrament met schuld bewustzijn de grootste van alle zonden?
IIIa q. 80 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het naderen tot dit Sacrament met schuldbewustzijn de grootste van alle zonden is. De Apostel zegt immers (I Cor. 11, 27): "Alwie onwaardig van dit brood eet en de kelk des Heren drinkt, zal schuldig zijn aan het Lichaam en Bloed des Heren» "d. i.» aldus de Glossa "zal gestraft worden, als had hij Christus gedood». Nu schijnt de zonde van hen, die Christus doodden, de zwaarste van alle zonden geweest te zijn. Dus schijnt ook deze zonde van met schuldbewustzijn tot de tafel van Christus te naderen de allerzwaarste te zijn.
B: (1Cor 11:27) [b:1Cor 11:27]
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat het naderen tot dit Sacrament met schuldbewustzijn de grootste van alle zonden is. De Apostel zegt immers (I Cor. 11, 27): "Alwie onwaardig van dit brood eet en de kelk des Heren drinkt, zal schuldig zijn aan het Lichaam en Bloed des Heren» "d. i.» aldus de Glossa "zal gestraft worden, als had hij Christus gedood». Nu schijnt de zonde van hen, die Christus doodden, de zwaarste van alle zonden geweest te zijn. Dus schijnt ook deze zonde van met schuldbewustzijn tot de tafel van Christus te naderen de allerzwaarste te zijn.
B: (1Cor 11:27) [b:1Cor 11:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Hieronymus zegt in een brief: "Wat hebt u te doen met vrouwen, die aan het altaar met God spreekt? Zeg op, priester, zeg op, geestelijke, hoe kust u met dezelfde lippen de Zoon van God, waarmee u de lippen van de hoer hebt gekust? Verraadt u, met Judas, de Zoon des mensen door een kus?» Dus schijnt de ontuchtige, die tot de tafel van Christus nadert, te zondigen, zoals Judas zondigde — en zijn zonde was de zwaarste van allemaal. Nu zijn vele andere zonden zwaarder dan de zonde van ontucht, vooral de zonde van ongeloof. En derhalve is de zonde van welke zondaar dan ook, die tot de tafel van Christus nadert, de zwaarste van alle.
Vervolgens. Hieronymus zegt in een brief: "Wat hebt u te doen met vrouwen, die aan het altaar met God spreekt? Zeg op, priester, zeg op, geestelijke, hoe kust u met dezelfde lippen de Zoon van God, waarmee u de lippen van de hoer hebt gekust? Verraadt u, met Judas, de Zoon des mensen door een kus?» Dus schijnt de ontuchtige, die tot de tafel van Christus nadert, te zondigen, zoals Judas zondigde — en zijn zonde was de zwaarste van allemaal. Nu zijn vele andere zonden zwaarder dan de zonde van ontucht, vooral de zonde van ongeloof. En derhalve is de zonde van welke zondaar dan ook, die tot de tafel van Christus nadert, de zwaarste van alle.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Voor God is geestelijke onreinheid afschuwelijker dan lichamelijke. Welnu, als iemand het Lichaam van Christus in het slijk of op de mesthoop wierp, zou men zijn zonde voor het allerergste aanzien. Dus doet hij groter kwaad door het te ontvangen in zonde, d.i. geestelijke onreinheid. Dus is deze zonde het allerergst.
Vervolgens. Voor God is geestelijke onreinheid afschuwelijker dan lichamelijke. Welnu, als iemand het Lichaam van Christus in het slijk of op de mesthoop wierp, zou men zijn zonde voor het allerergste aanzien. Dus doet hij groter kwaad door het te ontvangen in zonde, d.i. geestelijke onreinheid. Dus is deze zonde het allerergst.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (15. 22): "Indien Ik niet was gekomen en niet tot hen gesproken had, zouden zij geen zonde hebben" Augustinus opmerkt, dat dit te verstaan is van de zonde van ongeloof "die alle zonden insluit": de besproken zonde schijnt dus niet de zwaarste te zijn, maar veeleer de zonde van ongeloof.
Daartegenover staat echter, dat bij Joannes (15. 22): "Indien Ik niet was gekomen en niet tot hen gesproken had, zouden zij geen zonde hebben" Augustinus opmerkt, dat dit te verstaan is van de zonde van ongeloof "die alle zonden insluit": de besproken zonde schijnt dus niet de zwaarste te zijn, maar veeleer de zonde van ongeloof.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zoals in het Tweede Deel gezegd is (I-II 73° Kw. 3° en 6° Art. en II-II 73° Kw. 3° Art.), kan een zonde op twee manieren zwaarder zijn dan een andere: vooreerst uiteraard, vervolgens toevalligerwijs. Uiteraard naar gelang van haar natuur, welke is af te meten naar het voorwerp. Wat dit betreft is een zonde zwaarder naarmate datgene, waartegen gezondigd wordt, groter is. En aangezien de Godheid van Christus groter is dan zijn mensheid en Zijn mensheid voornamer is dan de sacramenten der mensen, daarom zijn dat de ergste zonden, die begaan worden tegen de Godheid Zelf zoals b.v. de zonde van ongeloof en godslastering. Op de tweede plaats in zwaarte komen die zonden, die begaan worden tegen de mensheid van Christus. Daarom wordt er gezegd bij Matthäus (12. 32): "Wie een woord zal gezegd hebben tegen de Zoon des mensen, aan hem zal vergeven worden, wie echter een woord zal gezegd hebben tegen de Heilige Geest, aan hem zal niet vergeven worden, noch in deze wereld, noch in de toekomstige". Op de derde plaats komen de zonden, die begaan worden tegen de sacramenten, die verband hebben met de mensheid van Christus, en na deze komen de andere zonden tegen gewone schepselen. Toevalligerwijs echter is een zonde zwaarder dan een andere tengevolge van iets van de kant van de zondigende persoon; zo is een zonde uit onwetendheid of zwakheid lichter dan een zonde uit verachting of uit volle kennis; en hetzelfde geldt van andere omstandigheden. En wat dat betreft kan de besproken zonde bij sommigen zwaarder zijn b.v. bij hen, die heterdaad uit verachting tot dit Sacrament met schuldbewustzijn naderen, bij anderen daarentegen minder zwaar b.v. bij hen die met schuldbewustzijn tot dit Sacrament naderen uit een soort vrees, dat ze anders bekend zullen worden als zondaar. Zo blijkt dan, dat deze zonde naar haar aard zwaarder is dan vele andere, maar zij is niet de zwaarste van alle.
B: (Matt 12:32) [b:Matt 12:32]
R: Ia-IIae q. 73 a. 3[t:ia-iiae q. 73 a. 3] Ia-IIae q. 73 a. 6[t:ia-iiae q. 73 a. 6] IIa-IIae q. 73 a. 3[t:iia-iiae q. 73 a. 3]
Mijn antwoord. Zoals in het Tweede Deel gezegd is (I-II 73° Kw. 3° en 6° Art. en II-II 73° Kw. 3° Art.), kan een zonde op twee manieren zwaarder zijn dan een andere: vooreerst uiteraard, vervolgens toevalligerwijs. Uiteraard naar gelang van haar natuur, welke is af te meten naar het voorwerp. Wat dit betreft is een zonde zwaarder naarmate datgene, waartegen gezondigd wordt, groter is. En aangezien de Godheid van Christus groter is dan zijn mensheid en Zijn mensheid voornamer is dan de sacramenten der mensen, daarom zijn dat de ergste zonden, die begaan worden tegen de Godheid Zelf zoals b.v. de zonde van ongeloof en godslastering. Op de tweede plaats in zwaarte komen die zonden, die begaan worden tegen de mensheid van Christus. Daarom wordt er gezegd bij Matthäus (12. 32): "Wie een woord zal gezegd hebben tegen de Zoon des mensen, aan hem zal vergeven worden, wie echter een woord zal gezegd hebben tegen de Heilige Geest, aan hem zal niet vergeven worden, noch in deze wereld, noch in de toekomstige". Op de derde plaats komen de zonden, die begaan worden tegen de sacramenten, die verband hebben met de mensheid van Christus, en na deze komen de andere zonden tegen gewone schepselen. Toevalligerwijs echter is een zonde zwaarder dan een andere tengevolge van iets van de kant van de zondigende persoon; zo is een zonde uit onwetendheid of zwakheid lichter dan een zonde uit verachting of uit volle kennis; en hetzelfde geldt van andere omstandigheden. En wat dat betreft kan de besproken zonde bij sommigen zwaarder zijn b.v. bij hen, die heterdaad uit verachting tot dit Sacrament met schuldbewustzijn naderen, bij anderen daarentegen minder zwaar b.v. bij hen die met schuldbewustzijn tot dit Sacrament naderen uit een soort vrees, dat ze anders bekend zullen worden als zondaar. Zo blijkt dan, dat deze zonde naar haar aard zwaarder is dan vele andere, maar zij is niet de zwaarste van alle.
B: (Matt 12:32) [b:Matt 12:32]
R: Ia-IIae q. 73 a. 3[t:ia-iiae q. 73 a. 3] Ia-IIae q. 73 a. 6[t:ia-iiae q. 73 a. 6] IIa-IIae q. 73 a. 3[t:iia-iiae q. 73 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De zonde van de onwaardige ontvangers van dit Sacrament wordt vergeleken met de zonde van Christus’ moordenaars naar een bepaalde overeenkomst, voorzover beide begaan worden tegen het Lichaam van Christus, niet echter naar de grootte van de misdaad. Want de zonde van Christus’ moordenaars was veel zwaarder, vooreerst omdat die zonde was tegen het Lichaam van Christus in eigen gedaante, terwijl deze zonde is tegen het Lichaam van Christus onder de gedaante van het Sacrament; ten tweede omdat die zonde voortkwam uit de bedoeling om Christus kwaad te doen, deze zonde niet.
1e Weerlegging. De zonde van de onwaardige ontvangers van dit Sacrament wordt vergeleken met de zonde van Christus’ moordenaars naar een bepaalde overeenkomst, voorzover beide begaan worden tegen het Lichaam van Christus, niet echter naar de grootte van de misdaad. Want de zonde van Christus’ moordenaars was veel zwaarder, vooreerst omdat die zonde was tegen het Lichaam van Christus in eigen gedaante, terwijl deze zonde is tegen het Lichaam van Christus onder de gedaante van het Sacrament; ten tweede omdat die zonde voortkwam uit de bedoeling om Christus kwaad te doen, deze zonde niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. De ontuchtige, die het Lichaam van Christus ontvangt, wordt vergeleken met Judas, die Christus kust, naar een bepaalde overeenkomst in de misdaad, voorzover beiden Christus smaad aandoen met een teken van liefde, niet echter naar de grootte van het misdrijf, gelijk boven ook reeds is gezegd (1° Art.). Maar die zekere overeenkomst in misdaad vindt men niet minder bij andere zondaars buiten de ontuchtigen. Want ook door de andere doodzonden wordt tegen de liefde tot Christus, waarvan dit Sacrament het teken is, gehandeld en des te meer, naarmate de zonden erger zijn. In zeker opzicht echter maakt de zonde van ontucht de mens meer ongeschikt tot het ontvangen van dit Sacrament, voorzover namelijk door deze zonde de geest op de sterkste wijze aan het lichaam wordt onderworpen en aldus het in dit Sacrament vereischte vuur van de liefde wordt tegengehouden. Maar het beletsel van de liefde zelf weegt toch altijd zwaarder dan dit van het vuur der liefde. En daarom maakt, strikt genomen, de zonde van ongeloof, die de mens helemaal afscheidt van de eenheid der Kerk, de mens het allersterkst ongeschikt voor het ontvangen van dit Sacrament, dat, gelijk boven gezegd is (67° Kw. 2° Art.; 73° Kw. 2° Art. Tegenbed.; 4° Art.), het Sacrament van de kerkelijke eenheid is. Daarom doet bij het ontvangen van dit Sacrament een ongelovige zwaarder zonde dan een zondig gelovige, vooral als hij niet gelooft, dat Christus waarlijk in dit Sacrament tegenwoordig is: voor zover het van hem afhangt, vermindert hij immers de heiligheid van dit Sacrament en de kracht van de in dit Sacrament werkenden Christus. En dit is niets anders dan het Sacrament in zich verachten. Daarentegen veracht een met schuldbewustzijn ontvangend gelovige het Sacrament niet in zichzelf, maar wat het gebruik betreft, voorzover hij het onwaardig nuttigt. Vandaar dat de Apostel als hij deze zonde ontleedt, zegt: "het Lichaam des Heren niet onderscheidend» (1 Cor. 11. 29) d. w. z. geen onderscheid makend tusschen deze en andere spijzen, hetgeen vooral gebeurt door hem, die niet gelooft, dat Christus in dit Sacrament tegenwoordig is.
R: q. 61 a. 2[t:iiia q. 61 a. 2]
2e Weerlegging. De ontuchtige, die het Lichaam van Christus ontvangt, wordt vergeleken met Judas, die Christus kust, naar een bepaalde overeenkomst in de misdaad, voorzover beiden Christus smaad aandoen met een teken van liefde, niet echter naar de grootte van het misdrijf, gelijk boven ook reeds is gezegd (1° Art.). Maar die zekere overeenkomst in misdaad vindt men niet minder bij andere zondaars buiten de ontuchtigen. Want ook door de andere doodzonden wordt tegen de liefde tot Christus, waarvan dit Sacrament het teken is, gehandeld en des te meer, naarmate de zonden erger zijn. In zeker opzicht echter maakt de zonde van ontucht de mens meer ongeschikt tot het ontvangen van dit Sacrament, voorzover namelijk door deze zonde de geest op de sterkste wijze aan het lichaam wordt onderworpen en aldus het in dit Sacrament vereischte vuur van de liefde wordt tegengehouden. Maar het beletsel van de liefde zelf weegt toch altijd zwaarder dan dit van het vuur der liefde. En daarom maakt, strikt genomen, de zonde van ongeloof, die de mens helemaal afscheidt van de eenheid der Kerk, de mens het allersterkst ongeschikt voor het ontvangen van dit Sacrament, dat, gelijk boven gezegd is (67° Kw. 2° Art.; 73° Kw. 2° Art. Tegenbed.; 4° Art.), het Sacrament van de kerkelijke eenheid is. Daarom doet bij het ontvangen van dit Sacrament een ongelovige zwaarder zonde dan een zondig gelovige, vooral als hij niet gelooft, dat Christus waarlijk in dit Sacrament tegenwoordig is: voor zover het van hem afhangt, vermindert hij immers de heiligheid van dit Sacrament en de kracht van de in dit Sacrament werkenden Christus. En dit is niets anders dan het Sacrament in zich verachten. Daarentegen veracht een met schuldbewustzijn ontvangend gelovige het Sacrament niet in zichzelf, maar wat het gebruik betreft, voorzover hij het onwaardig nuttigt. Vandaar dat de Apostel als hij deze zonde ontleedt, zegt: "het Lichaam des Heren niet onderscheidend» (1 Cor. 11. 29) d. w. z. geen onderscheid makend tusschen deze en andere spijzen, hetgeen vooral gebeurt door hem, die niet gelooft, dat Christus in dit Sacrament tegenwoordig is.
R: q. 61 a. 2[t:iiia q. 61 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Wie dit Sacrament in het slijk zou werpen, zou veel zwaarder zondigen dan degene, die met een doodzonde op zijn geweten tot dit Sacrament nadert. Vooreerst omdat hij dit zou doen met de bedoeling om dit Sacrament te onteren, hetgeen niet wordt vooropgezet door iemand, die in zonde het Sacrament ontvangt. Vervolgens omdat de zondige mens in staat is de genade in zich op te nemen en hij aldus veel meer geschikt is dit Sacrament te ontvangen dan welk redeloos schepsel ook. Daarom zou het het meest tegen alles ingaande gebruik van dit Sacrament zijn, als iemand het ter verslinding zou voorwerpen aan honden of ter vertrapping in het slijk zou werpen.
3e Weerlegging. Wie dit Sacrament in het slijk zou werpen, zou veel zwaarder zondigen dan degene, die met een doodzonde op zijn geweten tot dit Sacrament nadert. Vooreerst omdat hij dit zou doen met de bedoeling om dit Sacrament te onteren, hetgeen niet wordt vooropgezet door iemand, die in zonde het Sacrament ontvangt. Vervolgens omdat de zondige mens in staat is de genade in zich op te nemen en hij aldus veel meer geschikt is dit Sacrament te ontvangen dan welk redeloos schepsel ook. Daarom zou het het meest tegen alles ingaande gebruik van dit Sacrament zijn, als iemand het ter verslinding zou voorwerpen aan honden of ter vertrapping in het slijk zou werpen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Moet de priester het Lichaam van Christus weigeren aan een erom vragende zondaar?
IIIa q. 80 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de priester het Lichaam van Christus moet weigeren aan een erom vragende zondaar. Immers om ergernis te vermijden of omwille van iemands goede naam mag men nog niet handelen tegen het gebod van Christus. Nu heeft de Heer geboden: "Wilt het heilige niet aan de honden geven» (Matth. 7. 6). En men geeft het heilige op heel erge wijze aan de honden, als men dit sacrament aan zondaars uitreikt. Dus mag men, ook niet ter vermijding van ergernis of van het verlies van iemands goede naam, dit sacrament geven aan een erom vragende zondaar.
B: (Matt 7:6) [b:Matt 7:6]
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de priester het Lichaam van Christus moet weigeren aan een erom vragende zondaar. Immers om ergernis te vermijden of omwille van iemands goede naam mag men nog niet handelen tegen het gebod van Christus. Nu heeft de Heer geboden: "Wilt het heilige niet aan de honden geven» (Matth. 7. 6). En men geeft het heilige op heel erge wijze aan de honden, als men dit sacrament aan zondaars uitreikt. Dus mag men, ook niet ter vermijding van ergernis of van het verlies van iemands goede naam, dit sacrament geven aan een erom vragende zondaar.
B: (Matt 7:6) [b:Matt 7:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Van twee kwaden moet men het minste kiezen. Nu schijnt het een minder kwaad dat de zondaar zijn goede naam verliest of dat hem een ongeconsacreerde hostie wordt gegeven, dan dat hij een doodszonde bedrijft door het Lichaam van Christus te ontvangen. Dus moet men liever verkiezen, dat de zondaar, die om het Lichaam van Christus vraagt, zijn goede naam verliest of anders dat men hem een ongeconsacreerde hostie geeft.
Vervolgens. Van twee kwaden moet men het minste kiezen. Nu schijnt het een minder kwaad dat de zondaar zijn goede naam verliest of dat hem een ongeconsacreerde hostie wordt gegeven, dan dat hij een doodszonde bedrijft door het Lichaam van Christus te ontvangen. Dus moet men liever verkiezen, dat de zondaar, die om het Lichaam van Christus vraagt, zijn goede naam verliest of anders dat men hem een ongeconsacreerde hostie geeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Soms wordt het Lichaam van Christus gegeven aan mensen, verdacht van een misdrijf, opdat het misdrijf aan het licht komt. Want in een Decretaal staat geschreven: "Het gebeurt vaak, dat in kloosters van monniken diefstallen worden begaan; daarom bepalen wij dat, wanneer de broeders zelf hun onschuld daaraan hebben te bewijzen, door de abt, of op aanwijzing van de abt door een ander, de Mis worde gelezen in tegenwoordigheid van de broeders; op het einde daarvan moeten dan allen communiceren onder de woorden: het Lichaam van Christus zij mij heden tot een proef". En verderop: "Wanneer aan een bisschop of een priester enige misdaad ten laste wordt gelegd, moet hij voor elk punt een Mis lezen en communiceren en zo voor elk hem ten laste gelegd punt zijn onschuld aantoonen». Maar men moet geheime zondaars niet aan het licht brengen, want, gelijk Augustinus zegt, hebben ze eenmaal hun schaamtegevoel verloren, dan zullen zij des te vrijer zondigen. Dus moet men het Lichaam van Christus niet geven aan geheime zondaars, zelfs al vragen zij erom.
Vervolgens. Soms wordt het Lichaam van Christus gegeven aan mensen, verdacht van een misdrijf, opdat het misdrijf aan het licht komt. Want in een Decretaal staat geschreven: "Het gebeurt vaak, dat in kloosters van monniken diefstallen worden begaan; daarom bepalen wij dat, wanneer de broeders zelf hun onschuld daaraan hebben te bewijzen, door de abt, of op aanwijzing van de abt door een ander, de Mis worde gelezen in tegenwoordigheid van de broeders; op het einde daarvan moeten dan allen communiceren onder de woorden: het Lichaam van Christus zij mij heden tot een proef". En verderop: "Wanneer aan een bisschop of een priester enige misdaad ten laste wordt gelegd, moet hij voor elk punt een Mis lezen en communiceren en zo voor elk hem ten laste gelegd punt zijn onschuld aantoonen». Maar men moet geheime zondaars niet aan het licht brengen, want, gelijk Augustinus zegt, hebben ze eenmaal hun schaamtegevoel verloren, dan zullen zij des te vrijer zondigen. Dus moet men het Lichaam van Christus niet geven aan geheime zondaars, zelfs al vragen zij erom.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat bij het psalmwoord: "Alle vetten der aarde hebben gegeten en aanbeden" (Ps. 21. 30). Augustinus zegt: "Hij die uitdeelt, belette de vetten der aarde" d. i. de zondaars "niet om van de tafel des Heren te eten".
B: (Ps 21, Ps 21:30) [b:Ps 21]
Daartegenover staat echter, dat bij het psalmwoord: "Alle vetten der aarde hebben gegeten en aanbeden" (Ps. 21. 30). Augustinus zegt: "Hij die uitdeelt, belette de vetten der aarde" d. i. de zondaars "niet om van de tafel des Heren te eten".
B: (Ps 21, Ps 21:30) [b:Ps 21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 6 co.
Mijn antwoord. Met betrekking tot de zondaars moet men onderscheid maken: sommigen immers zijn geheim, anderen staan bekend, hetzij door de klaarblijkelijkheid van het feit zoals openbare woekeraars of openbare rovers, hetzij tengevolge van een kerkelijke of wereldlijke rechtsuitspraak. Aan bekend staande zondaars mag men, ook op hun verzoek, de H. Communie niet uitreiken. Cyprianus schrijft dan ook aan iemand: "Uw liefde heeft mij willen vragen, wat ik denk van die tooneelspeler en die tovenaar, die onder u nog volhardt in de oneerzaamheid van zijn bedrijf of nl. aan zulke mensen met de andere christenen de H. Communie moet worden gegeven. Ik vermeen, dat het noch met Gods majesteit noch met de tucht van het Evangelie in overeenstemming is de ongereptheid en de eer van de Kerk door zo iets afschuwelijks en gemeens te laten besmetten en bevlekken». Zijn het echter geen bekend staande maar geheime zondaars, dan kan hun de H. Communie, als zij erom vragen, niet geweigerd worden. Daar immers iedere christen, door het feit alleen van zijn doopsel, tot de tafel des Heren is toegelaten, kan men hem zijn recht slechts ontnemen op grond van iets, dat bekend is. Vandaar dat bij de woorden van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 11): "Indien hij die onder u broeder wordt genoemd" door de Glossa van Augustinus gezegd wordt: "Wij mogen niemand van de Communie afhouden die niet ofwel vrijwillig zich heeft bekend gemaakt ofwel in een kerkelijke of wereldlijke rechtsuitspraak gedagvaard en veroordeeld is". Wel kan de priester, die van het misdrijf weet, de geheime zondaar in het geheim vermanen of ook in het openbaar allen vermanen om niet tot de tafel des Heren te naderen vóór men boete heeft gedaan over zijn zonde en met de Kerk verzoend is. Want na volbrachte boete en na verzoening mag ook aan openbare zondaars de Communie niet geweigerd worden, vooral niet in het uur des doods. Daarom leest men bij de Derde Kerkvergadering van Carthago: "Aan acteurs en tooneelspelers en andere dergelijke personen alsook aan afvalligen weigere men de verzoening niet als zij tot God zijn teruggekeerd".
Mijn antwoord. Met betrekking tot de zondaars moet men onderscheid maken: sommigen immers zijn geheim, anderen staan bekend, hetzij door de klaarblijkelijkheid van het feit zoals openbare woekeraars of openbare rovers, hetzij tengevolge van een kerkelijke of wereldlijke rechtsuitspraak. Aan bekend staande zondaars mag men, ook op hun verzoek, de H. Communie niet uitreiken. Cyprianus schrijft dan ook aan iemand: "Uw liefde heeft mij willen vragen, wat ik denk van die tooneelspeler en die tovenaar, die onder u nog volhardt in de oneerzaamheid van zijn bedrijf of nl. aan zulke mensen met de andere christenen de H. Communie moet worden gegeven. Ik vermeen, dat het noch met Gods majesteit noch met de tucht van het Evangelie in overeenstemming is de ongereptheid en de eer van de Kerk door zo iets afschuwelijks en gemeens te laten besmetten en bevlekken». Zijn het echter geen bekend staande maar geheime zondaars, dan kan hun de H. Communie, als zij erom vragen, niet geweigerd worden. Daar immers iedere christen, door het feit alleen van zijn doopsel, tot de tafel des Heren is toegelaten, kan men hem zijn recht slechts ontnemen op grond van iets, dat bekend is. Vandaar dat bij de woorden van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 11): "Indien hij die onder u broeder wordt genoemd" door de Glossa van Augustinus gezegd wordt: "Wij mogen niemand van de Communie afhouden die niet ofwel vrijwillig zich heeft bekend gemaakt ofwel in een kerkelijke of wereldlijke rechtsuitspraak gedagvaard en veroordeeld is". Wel kan de priester, die van het misdrijf weet, de geheime zondaar in het geheim vermanen of ook in het openbaar allen vermanen om niet tot de tafel des Heren te naderen vóór men boete heeft gedaan over zijn zonde en met de Kerk verzoend is. Want na volbrachte boete en na verzoening mag ook aan openbare zondaars de Communie niet geweigerd worden, vooral niet in het uur des doods. Daarom leest men bij de Derde Kerkvergadering van Carthago: "Aan acteurs en tooneelspelers en andere dergelijke personen alsook aan afvalligen weigere men de verzoening niet als zij tot God zijn teruggekeerd".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Het is verboden het heilige te geven aan de honden, d.w.z. de bekendstaande zondaars. Geheime dingen daarentegen kunnen niet in het openbaar gestraft worden, maar moeten aan Gods rechterstoel worden overgelaten.
B: (1Cor 5:11) [b:1Cor 5:11]
1e Weerlegging. Het is verboden het heilige te geven aan de honden, d.w.z. de bekendstaande zondaars. Geheime dingen daarentegen kunnen niet in het openbaar gestraft worden, maar moeten aan Gods rechterstoel worden overgelaten.
B: (1Cor 5:11) [b:1Cor 5:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Hoewel het voor een geheime zondaar erger is een doodzonde te doen door het Lichaam van Christus te ontvangen dan zijn goede naam te verliezen, is het toch voor de dienstdoende priester erger een doodzonde te doen door tegen de rechtvaardigheid in het verlies van goede naam te bezorgen aan een geheime zondaar dan dat deze laatste een doodzonde doet, aangezien men nooit een doodzonde moet bedrijven om een ander voor een doodzonde te behouden. Vandaar dat Augustinus zegt: "Niets is gevaarlijker dan dezen ruil aan te gaan, dat wij iets kwaads doen, opdat een ander geen erger kwaad doet". Wel moest de geheime zondaar liever zijn goede naam willen verliezen dan onwaardig tot de tafel des Heren te naderen. Een ongeconsacreerde hostie moet men evenwel in geen geval in de plaats van een geconsacreerde geven, daar de priester, die aldus te werk gaat, voorzover het van hem afhangt afgoderij laat begaan door hen, die menen dat het een geconsacreerde hostie is d.w.z. de overige aanwezigen of ook wel de ontvanger, want, zoals Augustinus zegt: "Niemand eet het Vlees van Christus zonder het eerst te aanbidden". Daarom heet het in een Extra: "Hoewel degene, die in schuldbewustzijn zich onwaardig erkent, zwaar zondigt, als hij oneerbiediglijk nadert, lijkt toch hij zwaarder te misdoen, die zich vermeet bedrog te plegen en het Lichaam van Christus slechts schijnbaar geeft".
2e Weerlegging. Hoewel het voor een geheime zondaar erger is een doodzonde te doen door het Lichaam van Christus te ontvangen dan zijn goede naam te verliezen, is het toch voor de dienstdoende priester erger een doodzonde te doen door tegen de rechtvaardigheid in het verlies van goede naam te bezorgen aan een geheime zondaar dan dat deze laatste een doodzonde doet, aangezien men nooit een doodzonde moet bedrijven om een ander voor een doodzonde te behouden. Vandaar dat Augustinus zegt: "Niets is gevaarlijker dan dezen ruil aan te gaan, dat wij iets kwaads doen, opdat een ander geen erger kwaad doet". Wel moest de geheime zondaar liever zijn goede naam willen verliezen dan onwaardig tot de tafel des Heren te naderen. Een ongeconsacreerde hostie moet men evenwel in geen geval in de plaats van een geconsacreerde geven, daar de priester, die aldus te werk gaat, voorzover het van hem afhangt afgoderij laat begaan door hen, die menen dat het een geconsacreerde hostie is d.w.z. de overige aanwezigen of ook wel de ontvanger, want, zoals Augustinus zegt: "Niemand eet het Vlees van Christus zonder het eerst te aanbidden". Daarom heet het in een Extra: "Hoewel degene, die in schuldbewustzijn zich onwaardig erkent, zwaar zondigt, als hij oneerbiediglijk nadert, lijkt toch hij zwaarder te misdoen, die zich vermeet bedrog te plegen en het Lichaam van Christus slechts schijnbaar geeft".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Die besluiten zijn afgeschaft door tegengestelde documenten van de Romeinse Opperpriesters. Zo zegt Paus Stephanus: "De heilige rechtsregels veroorloven niet van iemand bekentenis af te dwingen door hem te onderwerpen aan de proef van gloeiend ijzer of kokend water; want het is door een vrijwillige bekentenis of door de verklaring van getuigen, dat openbare misdrijven onder onze rechtspraak vallen; daarentegen zijn geheime en onbekende misdrijven over te laten aan Hem, die alleen de harten der mensen kent". En hetzelfde vindt men in een Extra. Al dergelijke dingen schijnen immers een verzoek van God in te houden, weshalve zij niet kunnen gebeuren zonder zonde. En het geval zou wel erger zijn, als iemand in dit voor ons heil ingesteld Sacrament een oordeel des doods zou inlopen. Daarom is het nooit geoorloofd het Lichaam van Christus bij wijze van proef te geven aan iemand, die van een misdrijf verdacht wordt.
B: (Gen 42) [b:Gen 42]
3e Weerlegging. Die besluiten zijn afgeschaft door tegengestelde documenten van de Romeinse Opperpriesters. Zo zegt Paus Stephanus: "De heilige rechtsregels veroorloven niet van iemand bekentenis af te dwingen door hem te onderwerpen aan de proef van gloeiend ijzer of kokend water; want het is door een vrijwillige bekentenis of door de verklaring van getuigen, dat openbare misdrijven onder onze rechtspraak vallen; daarentegen zijn geheime en onbekende misdrijven over te laten aan Hem, die alleen de harten der mensen kent". En hetzelfde vindt men in een Extra. Al dergelijke dingen schijnen immers een verzoek van God in te houden, weshalve zij niet kunnen gebeuren zonder zonde. En het geval zou wel erger zijn, als iemand in dit voor ons heil ingesteld Sacrament een oordeel des doods zou inlopen. Daarom is het nooit geoorloofd het Lichaam van Christus bij wijze van proef te geven aan iemand, die van een misdrijf verdacht wordt.
B: (Gen 42) [b:Gen 42]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Is een nachtelijke bevlekking voor iemand een beletsel dit Sacrament te ontvangen?
IIIa q. 80 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat een nachtelijke bevlekking voor iemand geen beletsel is het Lichaam van Christus te ontvangen. Niets immers behalve de zonde belet iemand het Lichaam van Christus te ontvangen. Nu heeft een nachtelijke bevleking zonder zonde plaats, aangezien Augustinus zegt: "Wanneer de fantasievoorstelling, welke ook optreedt bij het denken als men spreekt, in het beeld van de dromer zo uitdrukkelijk is geworden, dat er tussen haar en de werkelijke vereniging van de lichamen geen verschil wordt waargenomen, komt onmiddellijk het lichaam in beweging en volgt wat op die beweging pleegt te volgen, hetgeen niet minder zonder zonde gebeurt dan er zonder zonde in waaktoestand over gesproken wordt, waaraan toch zonder twijfel de gedachte moet zijn voorafgegaan". Dus wordt de mens door een nachtelijke bevleking niet belet dit Sacrament te ontvangen.
Over het zevende als volgt. Men beweert, dat een nachtelijke bevlekking voor iemand geen beletsel is het Lichaam van Christus te ontvangen. Niets immers behalve de zonde belet iemand het Lichaam van Christus te ontvangen. Nu heeft een nachtelijke bevleking zonder zonde plaats, aangezien Augustinus zegt: "Wanneer de fantasievoorstelling, welke ook optreedt bij het denken als men spreekt, in het beeld van de dromer zo uitdrukkelijk is geworden, dat er tussen haar en de werkelijke vereniging van de lichamen geen verschil wordt waargenomen, komt onmiddellijk het lichaam in beweging en volgt wat op die beweging pleegt te volgen, hetgeen niet minder zonder zonde gebeurt dan er zonder zonde in waaktoestand over gesproken wordt, waaraan toch zonder twijfel de gedachte moet zijn voorafgegaan". Dus wordt de mens door een nachtelijke bevleking niet belet dit Sacrament te ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Gregorius zegt: "Als iemand niet als gevangene van lustbegeerte maar alleen om kinderen voort te brengen tot zijn vrouw ingaat, moet men hem in zake van kerkbezoek of van het ontvangen van het Geheim van 's Heren Lichaam aan zijn eigen oordeel overlaten, want iemand, die in het vuur geplaatst van geen branden weet, heeft van ons geen afwijzing af te wachten". Hieruit blijkt, dat een lichamelijke bevlekking zelfs in waaktoestand, mits zij maar zonder zonde is, de mens niet belet het Lichaam van Christus te ontvangen. Veel minder vormt dus een beletsel de nachtelijke bevlekking in slaaptoestand.
Vervolgens. Gregorius zegt: "Als iemand niet als gevangene van lustbegeerte maar alleen om kinderen voort te brengen tot zijn vrouw ingaat, moet men hem in zake van kerkbezoek of van het ontvangen van het Geheim van 's Heren Lichaam aan zijn eigen oordeel overlaten, want iemand, die in het vuur geplaatst van geen branden weet, heeft van ons geen afwijzing af te wachten". Hieruit blijkt, dat een lichamelijke bevlekking zelfs in waaktoestand, mits zij maar zonder zonde is, de mens niet belet het Lichaam van Christus te ontvangen. Veel minder vormt dus een beletsel de nachtelijke bevlekking in slaaptoestand.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Een nachtelijke bevlekking schijnt alleen maar een lichamelijke onreinheid te behelzen. Nu zijn andere lichamelijke onreinheden, die volgens de Wet beletten het Heilige binnen te gaan, in de Nieuwe Wet geen beletsel dit Sacrament te ontvangen, zoals de Zalige Gregorius aan Augustinus, de bisschop der Engelsen schrijft aangaande een vrouw die zwanger is of de maandstonden heeft of aan bloedvloeiing lijdt. Dus schijnt ook een nachtelijke bevlekking de mens niet te beletten dit Sacrament te ontvangen.
Vervolgens. Een nachtelijke bevlekking schijnt alleen maar een lichamelijke onreinheid te behelzen. Nu zijn andere lichamelijke onreinheden, die volgens de Wet beletten het Heilige binnen te gaan, in de Nieuwe Wet geen beletsel dit Sacrament te ontvangen, zoals de Zalige Gregorius aan Augustinus, de bisschop der Engelsen schrijft aangaande een vrouw die zwanger is of de maandstonden heeft of aan bloedvloeiing lijdt. Dus schijnt ook een nachtelijke bevlekking de mens niet te beletten dit Sacrament te ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 7 arg. 4
Vervolgens. Een dagelijkse zonde belet de mens niet dit sacrament te ontvangen, evenmin een doodzonde na gedane boete. Welnu, aangenomen dat de nachtelijke bevlekking zou zijn voortgekomen uit een voorafgaande zonde b.v. een roes of oneerbare gedachten, dan is zulk een zonde toch meestal een dagelijkse; en als het een keer doodzonde mocht zijn, kan het gebeuren, dat men de volgende morgen berouw heeft en zijn zonde biecht. En dus schijnt zo iemand geen beletsel te hebben dit sacrament te ontvangen.
Vervolgens. Een dagelijkse zonde belet de mens niet dit sacrament te ontvangen, evenmin een doodzonde na gedane boete. Welnu, aangenomen dat de nachtelijke bevlekking zou zijn voortgekomen uit een voorafgaande zonde b.v. een roes of oneerbare gedachten, dan is zulk een zonde toch meestal een dagelijkse; en als het een keer doodzonde mocht zijn, kan het gebeuren, dat men de volgende morgen berouw heeft en zijn zonde biecht. En dus schijnt zo iemand geen beletsel te hebben dit sacrament te ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 7 arg. 5
Vervolgens. De zonde van moord is erger dan die van ontucht. Welnu, wanneer iemand ’s nachts droomt, dat hij een moord bedrijft of een diefstal of welke andere zonde ook, wordt hij daardoor niet belet het Lichaam van Christus te ontvangen. Dus is nog veel minder gedroomde ontucht met daarop volgende bevlekking een beletsel dit sacrament te ontvangen.
Vervolgens. De zonde van moord is erger dan die van ontucht. Welnu, wanneer iemand ’s nachts droomt, dat hij een moord bedrijft of een diefstal of welke andere zonde ook, wordt hij daardoor niet belet het Lichaam van Christus te ontvangen. Dus is nog veel minder gedroomde ontucht met daarop volgende bevlekking een beletsel dit sacrament te ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in het Boek Leviticus (15. 16) gezegd wordt: "De man, uit wien het zaad der samenleving zal uitgaan, zal onrein zijn tot de avond". Onreinen hebben echter geen toegang tot de sacramenten. Dus schijnt nachtelijke bevlekking iemand te beletten dit allergrootste onder de sacramenten te ontvangen.
Daartegenover staat echter, dat in het Boek Leviticus (15. 16) gezegd wordt: "De man, uit wien het zaad der samenleving zal uitgaan, zal onrein zijn tot de avond". Onreinen hebben echter geen toegang tot de sacramenten. Dus schijnt nachtelijke bevlekking iemand te beletten dit allergrootste onder de sacramenten te ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 7 co.
Mijn antwoord. Met betrekking tot de nachtelijke bevlekking kan men twee punten in ogenschouw nemen: vooreerst datgene wat de mens dwingend belet dit sacrament te ontvangen, vervolgens datgene wat de mens niet dwingend, maar krachtens een zekere gevoeligheid belet dit sacrament te nuttigen. Alleen de doodzonde is voor de mens een dwingend beletsel dit sacrament te nuttigen. Hoewel nu de nachtelijke bevlekking op zich beschouwd geen doodzonde kan zijn, heeft zij soms toch uit hoofde van haar oorzaak een doodzonde aan zich verbonden. En dus moet men zien naar de oorzaak van de nachtelijke bevlekking. Soms dan ontstaat zij tengevolge van een uitwendige geestelijke oorzaak, namelijk door een voorspiegeling van de duivels, die zoals in het Eerste Deel gezegd is (111° Kw. 3° Art.), fantasiebeelden kunnen oproepen, uit wier optreden bij tijd en wijle een bevlekking volgt. Soms echter ontstaat de bevlekking uit een uitwendige geestelijke oorzaak, namelijk uit voorafgaande gedachten. Soms ook wel uit een inwendige lichamelijke oorzaak, d.w.z. uit overtolligheid of zwakte van de natuur, of ook uit overtolligheid van eten en drinken. Iedere van deze drie oorzaken kan zich voordoen zonder zonde en ook met dagelijkse zonde of doodzonde. Als zij zich voordoet zonder zonde of met een dagelijkse zonde, is zij geen dwingend beletsel voor het ontvangen van dit sacrament in die zin, dat men door het te ontvangen schuldig zou zijn aan het Lichaam en Bloed des Heren. Doet zij zich echter met een doodzonde voor, dan is zij een dwingend beletsel. Een voorspiegeling van duivelswege ontstaat immers nu eens uit een voorafgaande nalatigheid in de voorbereiding tot de juiste gesteldheid, wat doodzonde en dagelijkse zonde kan zijn, dan weer uit niets anders dan de boosheid van de duivels, die de mens willen verhinderen dit sacrament te ontvangen. Vandaar dat in de Gesprekken met de Vaders geschreven staat, dat toen een broeder altijd op de feesten, waarop men placht te communiceren, aan een bevlekking onderhevig was, de ouderen, na vastgesteld te hebben dat hij zelf volstrekt geen oorzaak was, hebben bepaald, dat hij zich daarom niet van de communie zou afhouden en zo hield de voorspiegeling des duivels op. Zo kunnen ook voorafgaande onreine gedachten geheel zonder zonde zijn, b.v. wanneer iemand van wege de les of het dispuut over dergelijke dingen moet denken: als dit zonder begeerte en lust gebeurt, heeft men geen verkeerde gedachten maar goede; en toch kan daaruit een bevlekking volgen, gelijk blijkt uit het boven aangehaalde bewijsstuk uit Augustinus (in de 1e Bed.). Soms echter komen die voorafgaande gedachten van begeerte en lust en dan heeft men doodzonde bij toestemming en bij afwezigheid van toestemming dagelijkse zonde. Zo is ook de lichamelijke oorzaak soms zonder zonde, b.v. wanneer zij komt van zwakte van de natuur: vandaar dat sommigen ook in waaktoestand zonder zonde lijden aan zaadafvloeiing; of ook wanneer zij komt van overtolligheid van de natuur: want zoals er zonder zonde bloedvloeiing kan zijn, zo ook afvloeiing van het zaad, dat volgens de wijsgeer een overtolligheid van het bloed is. Maar zij kan ook wel met zonde verbonden zijn, b.v. wanneer zij voortkomt uit overtolligheid van eten en drinken; ook dit kan dagelijkse zonde en doodzonde zijn, al zal dan een doodzonde vaker optreden bij onreine gedachten wegens het gemak van toestemmen, dan bij het gebruiken van spijs en drank. Daarom zegt Gregorius in zijn schrijven aan Augustinus, de bisschop der Engelschen, dat men moet afzien van de communie, wanneer de bevlekking voortkomt uit onreine gedachten, niet echter wanneer zij voortkomt uit overtolligheid van eten en drinken, vooral niet als er een dwingende reden is. Naar de oorzaak der bevlekking is derhalve af te meten of een nachtelijke bevlekking het gebruik van dit sacrament dwingend belet. Krachtens een zekere gevoeligheid evenwel vormt zij om twee redenen een beletsel; een daarvan is altijd aanwezig, namelijk een soort lichamelijke onzindelijkheid, die het om de aan het sacrament verschuldige eerbied onpassend maakt tot het altaar te naderen (daarom ook wasst men de handen, als men iets heiligs wil aanraken); een uitzondering is, wanneer zulk een onreinheid altijddurend of langdurig is, b.v. maatschijnd of bloedvloeiing of iets dergelijks. De andere reden is een onrustigheid van de geest, welke op een nachtelijke bevlekking volgt, vooral als deze gepaard gaat met onreine voorstellingen. Wel te verstaan is dit op gevoeligheid berustend beletsel te verwaarlozen, als iets anders tot het tegenovergestelde dwingt, b.v. om met Gregorius te spreken: "wanneer het feest het mocht eischen of tengevolge van de afwezigheid van een andere priester de noodzaak gebiedt dienstwerk te verrichten».
B: (Lev 15:16) [b:Lev 15:16]
R: I q. 111 a. 3[t:ia q. 111 a. 3]
Mijn antwoord. Met betrekking tot de nachtelijke bevlekking kan men twee punten in ogenschouw nemen: vooreerst datgene wat de mens dwingend belet dit sacrament te ontvangen, vervolgens datgene wat de mens niet dwingend, maar krachtens een zekere gevoeligheid belet dit sacrament te nuttigen. Alleen de doodzonde is voor de mens een dwingend beletsel dit sacrament te nuttigen. Hoewel nu de nachtelijke bevlekking op zich beschouwd geen doodzonde kan zijn, heeft zij soms toch uit hoofde van haar oorzaak een doodzonde aan zich verbonden. En dus moet men zien naar de oorzaak van de nachtelijke bevlekking. Soms dan ontstaat zij tengevolge van een uitwendige geestelijke oorzaak, namelijk door een voorspiegeling van de duivels, die zoals in het Eerste Deel gezegd is (111° Kw. 3° Art.), fantasiebeelden kunnen oproepen, uit wier optreden bij tijd en wijle een bevlekking volgt. Soms echter ontstaat de bevlekking uit een uitwendige geestelijke oorzaak, namelijk uit voorafgaande gedachten. Soms ook wel uit een inwendige lichamelijke oorzaak, d.w.z. uit overtolligheid of zwakte van de natuur, of ook uit overtolligheid van eten en drinken. Iedere van deze drie oorzaken kan zich voordoen zonder zonde en ook met dagelijkse zonde of doodzonde. Als zij zich voordoet zonder zonde of met een dagelijkse zonde, is zij geen dwingend beletsel voor het ontvangen van dit sacrament in die zin, dat men door het te ontvangen schuldig zou zijn aan het Lichaam en Bloed des Heren. Doet zij zich echter met een doodzonde voor, dan is zij een dwingend beletsel. Een voorspiegeling van duivelswege ontstaat immers nu eens uit een voorafgaande nalatigheid in de voorbereiding tot de juiste gesteldheid, wat doodzonde en dagelijkse zonde kan zijn, dan weer uit niets anders dan de boosheid van de duivels, die de mens willen verhinderen dit sacrament te ontvangen. Vandaar dat in de Gesprekken met de Vaders geschreven staat, dat toen een broeder altijd op de feesten, waarop men placht te communiceren, aan een bevlekking onderhevig was, de ouderen, na vastgesteld te hebben dat hij zelf volstrekt geen oorzaak was, hebben bepaald, dat hij zich daarom niet van de communie zou afhouden en zo hield de voorspiegeling des duivels op. Zo kunnen ook voorafgaande onreine gedachten geheel zonder zonde zijn, b.v. wanneer iemand van wege de les of het dispuut over dergelijke dingen moet denken: als dit zonder begeerte en lust gebeurt, heeft men geen verkeerde gedachten maar goede; en toch kan daaruit een bevlekking volgen, gelijk blijkt uit het boven aangehaalde bewijsstuk uit Augustinus (in de 1e Bed.). Soms echter komen die voorafgaande gedachten van begeerte en lust en dan heeft men doodzonde bij toestemming en bij afwezigheid van toestemming dagelijkse zonde. Zo is ook de lichamelijke oorzaak soms zonder zonde, b.v. wanneer zij komt van zwakte van de natuur: vandaar dat sommigen ook in waaktoestand zonder zonde lijden aan zaadafvloeiing; of ook wanneer zij komt van overtolligheid van de natuur: want zoals er zonder zonde bloedvloeiing kan zijn, zo ook afvloeiing van het zaad, dat volgens de wijsgeer een overtolligheid van het bloed is. Maar zij kan ook wel met zonde verbonden zijn, b.v. wanneer zij voortkomt uit overtolligheid van eten en drinken; ook dit kan dagelijkse zonde en doodzonde zijn, al zal dan een doodzonde vaker optreden bij onreine gedachten wegens het gemak van toestemmen, dan bij het gebruiken van spijs en drank. Daarom zegt Gregorius in zijn schrijven aan Augustinus, de bisschop der Engelschen, dat men moet afzien van de communie, wanneer de bevlekking voortkomt uit onreine gedachten, niet echter wanneer zij voortkomt uit overtolligheid van eten en drinken, vooral niet als er een dwingende reden is. Naar de oorzaak der bevlekking is derhalve af te meten of een nachtelijke bevlekking het gebruik van dit sacrament dwingend belet. Krachtens een zekere gevoeligheid evenwel vormt zij om twee redenen een beletsel; een daarvan is altijd aanwezig, namelijk een soort lichamelijke onzindelijkheid, die het om de aan het sacrament verschuldige eerbied onpassend maakt tot het altaar te naderen (daarom ook wasst men de handen, als men iets heiligs wil aanraken); een uitzondering is, wanneer zulk een onreinheid altijddurend of langdurig is, b.v. maatschijnd of bloedvloeiing of iets dergelijks. De andere reden is een onrustigheid van de geest, welke op een nachtelijke bevlekking volgt, vooral als deze gepaard gaat met onreine voorstellingen. Wel te verstaan is dit op gevoeligheid berustend beletsel te verwaarlozen, als iets anders tot het tegenovergestelde dwingt, b.v. om met Gregorius te spreken: "wanneer het feest het mocht eischen of tengevolge van de afwezigheid van een andere priester de noodzaak gebiedt dienstwerk te verrichten».
B: (Lev 15:16) [b:Lev 15:16]
R: I q. 111 a. 3[t:ia q. 111 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Alleen de doodszonde is voor de mens een dwingend beletsel dit sacrament te ontvangen; maar andere zaken kunnen de mens volgens een zekere wenselijkheid beletten, zoals gezegd is (in de Leerst.).
1e Weerlegging. Alleen de doodszonde is voor de mens een dwingend beletsel dit sacrament te ontvangen; maar andere zaken kunnen de mens volgens een zekere wenselijkheid beletten, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Als de echtelijke samenleving zonder zonde gebeurt, namelijk als zij gebeurt om kroost voort te brengen of om aan het recht van de medepartij te voldoen, belet zij het ontvangen van dit sacrament op geen andere grond dan die werd aangegeven (in de Leerst.) met betrekking tot de nachtelijke bevlekking, welke zonder zonde gebeurt, d.w.z. de lichamelijke onreinheid en de verstrooidheid van de geest, op grond waarvan Hieronymus zegt: "Als de toonbroeden niet mochten worden gegeten door hen, die hun vrouwen hadden aangeraakt, hoeveel te minder mag dan dit van de hemel nedergedaalde brood bezoedeld en betast worden door hen, die zo juist nog in de armen van hun vrouwen lagen? Niet dat wij het huwelijk veroordelen, neen, wij bedoelen alleen dat wij ons moeten onthouden van vleselijke werken in de tijd, waarin wij het Vlees van het Lam gaan eten". Maar daar dit in de zin van wenselijkheid, niet in de zin van noodzakelijkheid moet worden verstaan, zegt Gregorius dat "zo iemand is over te laten aan zijn eigen oordeel". Wanneer echter "niet de begeerte om kroost te verwekken, maar de lust bij de samenlevingsdaad overheerst", zoals Gregorius aldaar laat volgen, dan moet men aan zo iemand niet veroorloven tot dit sacrament te naderen.
2e Weerlegging. Als de echtelijke samenleving zonder zonde gebeurt, namelijk als zij gebeurt om kroost voort te brengen of om aan het recht van de medepartij te voldoen, belet zij het ontvangen van dit sacrament op geen andere grond dan die werd aangegeven (in de Leerst.) met betrekking tot de nachtelijke bevlekking, welke zonder zonde gebeurt, d.w.z. de lichamelijke onreinheid en de verstrooidheid van de geest, op grond waarvan Hieronymus zegt: "Als de toonbroeden niet mochten worden gegeten door hen, die hun vrouwen hadden aangeraakt, hoeveel te minder mag dan dit van de hemel nedergedaalde brood bezoedeld en betast worden door hen, die zo juist nog in de armen van hun vrouwen lagen? Niet dat wij het huwelijk veroordelen, neen, wij bedoelen alleen dat wij ons moeten onthouden van vleselijke werken in de tijd, waarin wij het Vlees van het Lam gaan eten". Maar daar dit in de zin van wenselijkheid, niet in de zin van noodzakelijkheid moet worden verstaan, zegt Gregorius dat "zo iemand is over te laten aan zijn eigen oordeel". Wanneer echter "niet de begeerte om kroost te verwekken, maar de lust bij de samenlevingsdaad overheerst", zoals Gregorius aldaar laat volgen, dan moet men aan zo iemand niet veroorloven tot dit sacrament te naderen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. Zoals Gregorius in de boven vermelde brief aan Augustinus, de bisschop der Engelschen, zegt, werden in het Oude Verbond de mensen soms op een figuurlijke wijze bevlekt genoemd, wat dan het volk van de Nieuwe Wet geestelijk opvat. Dergelijke lichamelijke onreinheden beletten daarom, indien zij altijddurend of langdurig zijn, de ontvangst van dit heilbrengende Sacrament niet, zoals zij wel de toegang tot de figuurlijke sacramenten beletten; indien zij echter gauw voorbijgaan zoals de onreinheid van de nachtelijke bevlekking, dan beletten zij volgens een zekere wenselijkheid de ontvangst van dit Sacrament voor de dag, waarop het feit heeft plaats gehad. In het Boek Deuteronomium (23, 10, 11) heet het dan ook: "Als er onder u een man is, die 's nachts in een droom is bevlekt, zal hij buiten de legerplaats gaan en niet terugkeren vóór hij zich 's avonds met water afwascht".
3e Weerlegging. Zoals Gregorius in de boven vermelde brief aan Augustinus, de bisschop der Engelschen, zegt, werden in het Oude Verbond de mensen soms op een figuurlijke wijze bevlekt genoemd, wat dan het volk van de Nieuwe Wet geestelijk opvat. Dergelijke lichamelijke onreinheden beletten daarom, indien zij altijddurend of langdurig zijn, de ontvangst van dit heilbrengende Sacrament niet, zoals zij wel de toegang tot de figuurlijke sacramenten beletten; indien zij echter gauw voorbijgaan zoals de onreinheid van de nachtelijke bevlekking, dan beletten zij volgens een zekere wenselijkheid de ontvangst van dit Sacrament voor de dag, waarop het feit heeft plaats gehad. In het Boek Deuteronomium (23, 10, 11) heet het dan ook: "Als er onder u een man is, die 's nachts in een droom is bevlekt, zal hij buiten de legerplaats gaan en niet terugkeren vóór hij zich 's avonds met water afwascht".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 7 ad 4
4e Weerlegging. Hoewel door berouw en belijdenis de zondeschuld wordt weggenomen, wordt toch niet weggenomen de uit de bevlekking voortgekomen lichamelijke onreinheid en verstrooidheid des geestes.
4e Weerlegging. Hoewel door berouw en belijdenis de zondeschuld wordt weggenomen, wordt toch niet weggenomen de uit de bevlekking voortgekomen lichamelijke onreinheid en verstrooidheid des geestes.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 7 ad 5
Ad quintum Over een moord dromen bezorgt geen lichamelijke onreinheid en ook niet zulk een verstrooidheid des geestes als een droom van ontucht, die zo'n sterke wellust meebrengt; toch belet een moorddroom op grond van zijn oorzaak het ontvangen van dit sacrament, als hij voortkomt van een oorzaak, die zonde is, vooral als het om een doodzonde gaat.
Ad quintum Over een moord dromen bezorgt geen lichamelijke onreinheid en ook niet zulk een verstrooidheid des geestes als een droom van ontucht, die zo'n sterke wellust meebrengt; toch belet een moorddroom op grond van zijn oorzaak het ontvangen van dit sacrament, als hij voortkomt van een oorzaak, die zonde is, vooral als het om een doodzonde gaat.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Is vooraf genuttigde spijs of drank een beletsel voor het ontvangen van dit Sacrament?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 83 a. 6 ad 4[t:iiia q. 83 a. 6 ad 4]
IIIa q. 80 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat vooraf genuttigde spijs of drank het ontvangen van dit Sacrament niet belet. Dit Sacrament is door de Heer immers ingesteld bij het Laatste Avondmaal. Nu heeft de Heer dit Sacrament aan Zijn leerlingen uitgedeeld, nadat Hij van dat Avondmaal gegeten had, zoals blijkt in *Lucas* (22. 20) en in de *Eerste Brief aan de Corinthiërs* (11. 25). Dus schijnen ook wij dit Sacrament te moeten ontvangen na eerst andere spijzen te hebben gebruikt.
B: (Luke 22:20) [b:Luke 22:20] (1Cor 11:25) [b:1Cor 11:25]
IIIa q. 83 a. 6 ad 4[t:iiia q. 83 a. 6 ad 4]
IIIa q. 80 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Men beweert, dat vooraf genuttigde spijs of drank het ontvangen van dit Sacrament niet belet. Dit Sacrament is door de Heer immers ingesteld bij het Laatste Avondmaal. Nu heeft de Heer dit Sacrament aan Zijn leerlingen uitgedeeld, nadat Hij van dat Avondmaal gegeten had, zoals blijkt in *Lucas* (22. 20) en in de *Eerste Brief aan de Corinthiërs* (11. 25). Dus schijnen ook wij dit Sacrament te moeten ontvangen na eerst andere spijzen te hebben gebruikt.
B: (Luke 22:20) [b:Luke 22:20] (1Cor 11:25) [b:1Cor 11:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 arg. 2
Vervolgens. In de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11, 33, 34) wordt gezegd: "Wanneer gij samenkomt om (het Lichaam des Heren) te eten, wacht dan op elkaar; als iemand honger heeft, dat hij thuis eet". En dus schijnt men in de kerk het Lichaam des Heren te kunnen eten, nadat men thuis reeds gegeten heeft.
B: (1Cor 11:33) [b:1Cor 11:33]
Vervolgens. In de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11, 33, 34) wordt gezegd: "Wanneer gij samenkomt om (het Lichaam des Heren) te eten, wacht dan op elkaar; als iemand honger heeft, dat hij thuis eet". En dus schijnt men in de kerk het Lichaam des Heren te kunnen eten, nadat men thuis reeds gegeten heeft.
B: (1Cor 11:33) [b:1Cor 11:33]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 arg. 3
Vervolgens. In de Derde Kerkvergadering van Carthago heet het: "Het Sacrament des Altaars mag slechts gevierd worden door hen, die nog nuchter zijn, behalve op de dag, waarop men de verjaardag viert van ’s Heren Avondmaal". Dus schijnt men althans op die dag het Lichaam van Christus te mogen eten na andere spijzen.
Vervolgens. In de Derde Kerkvergadering van Carthago heet het: "Het Sacrament des Altaars mag slechts gevierd worden door hen, die nog nuchter zijn, behalve op de dag, waarop men de verjaardag viert van ’s Heren Avondmaal". Dus schijnt men althans op die dag het Lichaam van Christus te mogen eten na andere spijzen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 arg. 4
Vervolgens. Dat iemand water gebruikt of een geneesmiddel of een andere spijs of drank in zeer kleine hoeveelheid of dat iemand overblijfselen van spijzen in de mond heeft, is niet strijdig met de kerkelijke vasten noch met de soberheid, welke gevorderd wordt voor het met eerbied ontvangen van dit Sacrament. Dus beletten die dingen niet dit Sacrament te ontvangen.
Vervolgens. Dat iemand water gebruikt of een geneesmiddel of een andere spijs of drank in zeer kleine hoeveelheid of dat iemand overblijfselen van spijzen in de mond heeft, is niet strijdig met de kerkelijke vasten noch met de soberheid, welke gevorderd wordt voor het met eerbied ontvangen van dit Sacrament. Dus beletten die dingen niet dit Sacrament te ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 arg. 5
Vervolgens. Sommigen eten of drinken nog laat in de nacht, brengen misschien de hele nacht slapeloos door en ontvangen dan vroeg in de morgen de heilige Geheimen, terwijl de vertering nog niet helemaal is afgelopen. Voorwaar zou iemands soberheid minder in het gedrang komen, als hij vroeg in de morgen een kleinigheid zou eten en dan omstreeks het negende uur dit Sacrament zou ontvangen, terwijl in dat geval ook het verschil van tijd soms groter zou zijn. Dus schijnt op die manier van tevoren spijs gebruiken de mens van dit Sacrament niet uit te sluiten.
Vervolgens. Sommigen eten of drinken nog laat in de nacht, brengen misschien de hele nacht slapeloos door en ontvangen dan vroeg in de morgen de heilige Geheimen, terwijl de vertering nog niet helemaal is afgelopen. Voorwaar zou iemands soberheid minder in het gedrang komen, als hij vroeg in de morgen een kleinigheid zou eten en dan omstreeks het negende uur dit Sacrament zou ontvangen, terwijl in dat geval ook het verschil van tijd soms groter zou zijn. Dus schijnt op die manier van tevoren spijs gebruiken de mens van dit Sacrament niet uit te sluiten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 arg. 6
Vervolgens. Men is geen minder eerbied aan dit Sacrament na het gebruik dan vóór het gebruik verschuldigd. Nu is het geoorloofd spijs of drank te gebruiken na het gebruik van het Sacrament. Dus ook vóór het gebruik.
Vervolgens. Men is geen minder eerbied aan dit Sacrament na het gebruik dan vóór het gebruik verschuldigd. Nu is het geoorloofd spijs of drank te gebruiken na het gebruik van het Sacrament. Dus ook vóór het gebruik.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter het woord van Augustinus: "Het is tot eer van zulk een sacrament aan de H. Geest goed voorgekomen, dat het Lichaam des Heren in de mond van de christen zou voorafgaan aan de andere spijzen".
Daartegenover staat echter het woord van Augustinus: "Het is tot eer van zulk een sacrament aan de H. Geest goed voorgekomen, dat het Lichaam des Heren in de mond van de christen zou voorafgaan aan de andere spijzen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 co.
Mijn antwoord. Iets kan op twee manieren het ontvangen van dit Sacrament beletten. Vooreerst op zich, en dat geldt van de doodzonde, welke, zoals boven is gezegd (4e Art.), strijdt met de betekenis van dit Sacrament. Vervolgens krachtens verbod van de Kerk, en op die manier is men van het ontvangen van dit Sacrament uitgesloten tengevolge van het gebruik van spijs en drank en wel om drie redenen. Op de eerste plaats, zoals Augustinus zegt, "tot eer van dit Sacrament", opdat het namelijk in een nog niet door enige spijs of drank bezoedelde mond kome. Op de tweede plaats vanwege de betekenis, opdat namelijk te verstaan gegeven worde, dat Christus, die de werkelijkheid is van dit Sacrament, en Zijn liefde de eerste grondslag moet vormen in onze harten, volgens het gezegde van Matiheus (6. 33) : "Zoekt eerst het Rijk Gods". Op de derde plaats vanwege het gevaar van braking en dronkenschap, welke wel eens voorkomen, doordat de mensen spijs gebruiken op een ongeordende wijze, zoals ook de Apostel aangeeft: "De een heeft honger, terwijl de andere dronken is". Een uitzondering echter op deze algemene regel vormen de zieken, die, wanneer zij in zo'n ernstigen toestand zijn, dat men vreest voor een sterven zonder Communie, onmiddellijk moeten communiceren, ook wanneer zij gegeten mochten hebben. Want nood breekt wet. Daarom heet het in een Decretaal: "De priester moet de zieke onmiddellijk de Communie geven, opdat deze niet sterve zonder gecommuniceerd te hebben".
B: (Matt 6:33) [b:Matt 6:33] (1Cor 11:21) [b:1Cor 11:21]
R: q. 80 a. 4[t:iiia q. 80 a. 4]
Mijn antwoord. Iets kan op twee manieren het ontvangen van dit Sacrament beletten. Vooreerst op zich, en dat geldt van de doodzonde, welke, zoals boven is gezegd (4e Art.), strijdt met de betekenis van dit Sacrament. Vervolgens krachtens verbod van de Kerk, en op die manier is men van het ontvangen van dit Sacrament uitgesloten tengevolge van het gebruik van spijs en drank en wel om drie redenen. Op de eerste plaats, zoals Augustinus zegt, "tot eer van dit Sacrament", opdat het namelijk in een nog niet door enige spijs of drank bezoedelde mond kome. Op de tweede plaats vanwege de betekenis, opdat namelijk te verstaan gegeven worde, dat Christus, die de werkelijkheid is van dit Sacrament, en Zijn liefde de eerste grondslag moet vormen in onze harten, volgens het gezegde van Matiheus (6. 33) : "Zoekt eerst het Rijk Gods". Op de derde plaats vanwege het gevaar van braking en dronkenschap, welke wel eens voorkomen, doordat de mensen spijs gebruiken op een ongeordende wijze, zoals ook de Apostel aangeeft: "De een heeft honger, terwijl de andere dronken is". Een uitzondering echter op deze algemene regel vormen de zieken, die, wanneer zij in zo'n ernstigen toestand zijn, dat men vreest voor een sterven zonder Communie, onmiddellijk moeten communiceren, ook wanneer zij gegeten mochten hebben. Want nood breekt wet. Daarom heet het in een Decretaal: "De priester moet de zieke onmiddellijk de Communie geven, opdat deze niet sterve zonder gecommuniceerd te hebben".
B: (Matt 6:33) [b:Matt 6:33] (1Cor 11:21) [b:1Cor 11:21]
R: q. 80 a. 4[t:iiia q. 80 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Terecht zegt Augustinus: "Omdat de Heer dit Sacrament gaf na de maaltijd, daarom moeten de broeders nog niet tot ontvangst ervan samenkomen na eerst hun middag- of avondmaal gebruikt te hebben of het verbinden aan hun maaltijden, zoals zij deden, die de Apostel berispt en recht zet. Onze Heiland immers heeft, om de hoogheid van dit Geheim des te sterker aan te bevelen, het op het laatste ogenblik zo krachtig mogelijk in de harten en de herinnering van de leerlingen willen inprenten; daarom heeft Hij geen bevel gegeven om in de toekomst dit Sacrament in deze volgorde te ontvangen, maar heeft Hij aan de Apostelen, door wie Hij de gebruiken der kerken zou regelen, deze zaak overgelaten".
1e Weerlegging. Terecht zegt Augustinus: "Omdat de Heer dit Sacrament gaf na de maaltijd, daarom moeten de broeders nog niet tot ontvangst ervan samenkomen na eerst hun middag- of avondmaal gebruikt te hebben of het verbinden aan hun maaltijden, zoals zij deden, die de Apostel berispt en recht zet. Onze Heiland immers heeft, om de hoogheid van dit Geheim des te sterker aan te bevelen, het op het laatste ogenblik zo krachtig mogelijk in de harten en de herinnering van de leerlingen willen inprenten; daarom heeft Hij geen bevel gegeven om in de toekomst dit Sacrament in deze volgorde te ontvangen, maar heeft Hij aan de Apostelen, door wie Hij de gebruiken der kerken zou regelen, deze zaak overgelaten".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. Dat gezegde wordt in de Glossa zo uitgelegd: "Als iemand honger heeft en in zijn ongeduld niet op de anderen wil wachten, laat hij dan thuis zijn maal gebruiken d.w.z. het aardse brood eten en daarna niet meer de Eucharistie".
2e Weerlegging. Dat gezegde wordt in de Glossa zo uitgelegd: "Als iemand honger heeft en in zijn ongeduld niet op de anderen wil wachten, laat hij dan thuis zijn maal gebruiken d.w.z. het aardse brood eten en daarna niet meer de Eucharistie".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. Die Kerkvergadering spreekt volgens de eens bij sommigen onderhouden gewoonte om ter uitbeelding van het Laatste Avondmaal op die dag het Lichaam van Christus te nuttigen zonder nuchter te zijn. Maar dat is nu afgeschaft, want Augustinus zegt: "In heel de wereld wordt dat gebruik in acht genomen". dat men namelijk het Lichaam van Christus in staat van nuchterheid ontvangt.
3e Weerlegging. Die Kerkvergadering spreekt volgens de eens bij sommigen onderhouden gewoonte om ter uitbeelding van het Laatste Avondmaal op die dag het Lichaam van Christus te nuttigen zonder nuchter te zijn. Maar dat is nu afgeschaft, want Augustinus zegt: "In heel de wereld wordt dat gebruik in acht genomen". dat men namelijk het Lichaam van Christus in staat van nuchterheid ontvangt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 ad 4
4e Weerlegging. Zoals in het Tweede Deel gezegd is (II-II 147° Kw. 6° Art. 2° Antw.), is er een dubbele vasten. Vooreerst is er het natuurlijke vasten, dat hierin bestaat, dat men zich tevoren onthoudt van iets, wat dan ook, bij wijze van spijs of drank te gebruiken; dit vasten is om de boven aangegeven redenen (in de Leerst.) voor dit Sacrament verplichtend. En daarom is het niet geoorloofd dit Sacrament te ontvangen, als men eerst in welke kleine hoeveelheid dan ook, water heeft gebruikt of een andere spijs of drank of zelfs een geneesmiddel. Het komt er ook niet op aan of zo iets voedt of niet voedt, hetzij apart of in verbinding met wat anders, als het maar gebruikt wordt bij wijze van spijs of drank. Overblijfselen van de spijs echter die in de mond achterblijven en mogelijk worden ingeslikt, beletten de ontvangst van dit Sacrament niet, daar zij niet bij wijze van spijs worden binnengehaald, maar als speeksel; en hetzelfde geldt van het achterblijvende van het water of de wijn, waarmee men de mond spoelt, mits zij niet in grote hoeveelheid worden binnengehaald maar gemengd met het speeksel, iets wat niet kan vermeden worden. Vervolgens heeft men de kerkelijke vasten, die is ingesteld tot versterving van het vlees; en deze vasten wordt door de opgenoemde dingen niet uitgesloten, aangezien die dingen niet veel voedingswaarde hebben en eerder bij wijze van opfrissing gebruikt worden.
R: IIa-IIae q. 147 a. 6 ad 2[t:iia-iiae q. 147 a. 6 ad 2]
4e Weerlegging. Zoals in het Tweede Deel gezegd is (II-II 147° Kw. 6° Art. 2° Antw.), is er een dubbele vasten. Vooreerst is er het natuurlijke vasten, dat hierin bestaat, dat men zich tevoren onthoudt van iets, wat dan ook, bij wijze van spijs of drank te gebruiken; dit vasten is om de boven aangegeven redenen (in de Leerst.) voor dit Sacrament verplichtend. En daarom is het niet geoorloofd dit Sacrament te ontvangen, als men eerst in welke kleine hoeveelheid dan ook, water heeft gebruikt of een andere spijs of drank of zelfs een geneesmiddel. Het komt er ook niet op aan of zo iets voedt of niet voedt, hetzij apart of in verbinding met wat anders, als het maar gebruikt wordt bij wijze van spijs of drank. Overblijfselen van de spijs echter die in de mond achterblijven en mogelijk worden ingeslikt, beletten de ontvangst van dit Sacrament niet, daar zij niet bij wijze van spijs worden binnengehaald, maar als speeksel; en hetzelfde geldt van het achterblijvende van het water of de wijn, waarmee men de mond spoelt, mits zij niet in grote hoeveelheid worden binnengehaald maar gemengd met het speeksel, iets wat niet kan vermeden worden. Vervolgens heeft men de kerkelijke vasten, die is ingesteld tot versterving van het vlees; en deze vasten wordt door de opgenoemde dingen niet uitgesloten, aangezien die dingen niet veel voedingswaarde hebben en eerder bij wijze van opfrissing gebruikt worden.
R: IIa-IIae q. 147 a. 6 ad 2[t:iia-iiae q. 147 a. 6 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 ad 5
Ad quintum Wanneer gezegd wordt, dat dit Sacrament vóór andere spijzen in de mond van de christen moet binnentreden, moet men dit niet in volstrekte zin t.w. met betrekking tot allen tijd verstaan, anders zou iemand, die éénmaal gegeten of gedronken had, daarna nooit meer dit Sacrament kunnen ontvangen. Men moet het verstaan met betrekking tot die dag; en al wordt nu het begin van de dag door verschillenden verschillend genomen (want sommigen beginnen de dag, als de zon het hoogste staat, anderen bij zonsondergang, anderen te middernacht, anderen bij zonsopgang), de Romeinse Kerk begint de dag te middernacht. Wanneer derhalve iemand na middernacht iets bij wijze van spijs of drank gebruikt heeft, kan hij die dag dit Sacrament niet ontvangen, wel als hij het vóór middernacht heeft gedaan. Het doet er niet toe of hij na die spijs of drank gebruikt te hebben nog heeft geslapen of dat het al is verteerd, tenminste wat het gebod als zodanig betreft. Wel doet dat er aan toe wat betreft de onrustigheid van de geest, waaraan de mensen lijden, als zij niet geslapen hebben of het eten niet is verteerd: dat immers maakt, bij erge verstoring van de geest, de mens ongeschikt om dit Sacrament te ontvangen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 83 a. 2 arg. 4[t:iiia q. 83 a. 2 arg. 4]
Ad quintum Wanneer gezegd wordt, dat dit Sacrament vóór andere spijzen in de mond van de christen moet binnentreden, moet men dit niet in volstrekte zin t.w. met betrekking tot allen tijd verstaan, anders zou iemand, die éénmaal gegeten of gedronken had, daarna nooit meer dit Sacrament kunnen ontvangen. Men moet het verstaan met betrekking tot die dag; en al wordt nu het begin van de dag door verschillenden verschillend genomen (want sommigen beginnen de dag, als de zon het hoogste staat, anderen bij zonsondergang, anderen te middernacht, anderen bij zonsopgang), de Romeinse Kerk begint de dag te middernacht. Wanneer derhalve iemand na middernacht iets bij wijze van spijs of drank gebruikt heeft, kan hij die dag dit Sacrament niet ontvangen, wel als hij het vóór middernacht heeft gedaan. Het doet er niet toe of hij na die spijs of drank gebruikt te hebben nog heeft geslapen of dat het al is verteerd, tenminste wat het gebod als zodanig betreft. Wel doet dat er aan toe wat betreft de onrustigheid van de geest, waaraan de mensen lijden, als zij niet geslapen hebben of het eten niet is verteerd: dat immers maakt, bij erge verstoring van de geest, de mens ongeschikt om dit Sacrament te ontvangen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 83 a. 2 arg. 4[t:iiia q. 83 a. 2 arg. 4]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 8 ad 6
Ad sextum De grootste eerbied is vereischt op het eigen ogenblik van het ontvangen van dit Sacrament, want dan wordt men deelachtig aan het uitwerksel van het Sacrament. Deze eerbied nu wordt meer gehinderd door wat voorafgaat dan door wat volgt. En daarom heeft men meer bepaald, dat de mensen zouden vasten vóór de ontvangst van dit Sacrament dan erna. Toch moet er enige tijd voorbijgaan tussen de ontvangst van dit Sacrament en andere spijzen. Daarom wordt er in de Mis na de communie een gebed van dankzegging gedaan en zeggen ook zij, die gecommuniceerd hebben, hun eigen gebeden. Toch was in de oude rechtsregels door Paus Clemens I voorgeschreven: "Als 's Heren gave in de vroege morgen wordt gegeten, moeten de bedienaren, die haar hebben genuttigd, nuchter blijven tot het zesde uur; hebben zij haar ontvangen in het derde of vierde uur, dan moeten zij nuchter blijven tot de middag". Vroeger werden immers de Misplechtigheden zeldzamer en met grotere voorbereiding gevierd. Maar aangezien men tegenwoordig de heilige geheimen vaker moet vieren, zou men dat voorschrift niet gemakkelijk kunnen onderhouden en daarom is het door een tegenovergestelde gewoonte afgeschaft.
Ad sextum De grootste eerbied is vereischt op het eigen ogenblik van het ontvangen van dit Sacrament, want dan wordt men deelachtig aan het uitwerksel van het Sacrament. Deze eerbied nu wordt meer gehinderd door wat voorafgaat dan door wat volgt. En daarom heeft men meer bepaald, dat de mensen zouden vasten vóór de ontvangst van dit Sacrament dan erna. Toch moet er enige tijd voorbijgaan tussen de ontvangst van dit Sacrament en andere spijzen. Daarom wordt er in de Mis na de communie een gebed van dankzegging gedaan en zeggen ook zij, die gecommuniceerd hebben, hun eigen gebeden. Toch was in de oude rechtsregels door Paus Clemens I voorgeschreven: "Als 's Heren gave in de vroege morgen wordt gegeten, moeten de bedienaren, die haar hebben genuttigd, nuchter blijven tot het zesde uur; hebben zij haar ontvangen in het derde of vierde uur, dan moeten zij nuchter blijven tot de middag". Vroeger werden immers de Misplechtigheden zeldzamer en met grotere voorbereiding gevierd. Maar aangezien men tegenwoordig de heilige geheimen vaker moet vieren, zou men dat voorschrift niet gemakkelijk kunnen onderhouden en daarom is het door een tegenovergestelde gewoonte afgeschaft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Mogen zij, die niet het gebruik van het verstand hebben, dit Sacrament ontvangen?
IIIa q. 80 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert, dat zij, die niet het gebruik van het verstand hebben, dit sacrament niet mogen ontvangen. Het is immers een vereiste, dat men met godsvrucht en na voorafgaand gewetensonderzoek tot dit sacrament nadere, overeenkomstig het woord van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 28): "Dat de mens zichzelf op de proef stelle en dan eerst van dit brood ete en van de kelk drinke". Maar dat is onmogelijk bij hen, die het gebruik van het verstand missen. Dus moet men hun dit sacrament niet geven.
B: (1Cor 11:28) [b:1Cor 11:28]
Over het negende als volgt. Men beweert, dat zij, die niet het gebruik van het verstand hebben, dit sacrament niet mogen ontvangen. Het is immers een vereiste, dat men met godsvrucht en na voorafgaand gewetensonderzoek tot dit sacrament nadere, overeenkomstig het woord van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (11. 28): "Dat de mens zichzelf op de proef stelle en dan eerst van dit brood ete en van de kelk drinke". Maar dat is onmogelijk bij hen, die het gebruik van het verstand missen. Dus moet men hun dit sacrament niet geven.
B: (1Cor 11:28) [b:1Cor 11:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 9 arg. 2
Vervolgens. Tot degenen die het gebruik van het verstand missen, behoren ook de bezetenen, energumenen genaamd. Nu worden volgens Dionysius zulk soort mensen zelfs belet om dit Sacrament te aanschouwen. Dus moet men dit Sacrament niet geven aan hen die het gebruik van het verstand missen.
Vervolgens. Tot degenen die het gebruik van het verstand missen, behoren ook de bezetenen, energumenen genaamd. Nu worden volgens Dionysius zulk soort mensen zelfs belet om dit Sacrament te aanschouwen. Dus moet men dit Sacrament niet geven aan hen die het gebruik van het verstand missen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 9 arg. 3
Vervolgens. Van al degenen, die het gebruik van het verstand missen, schijnen kinderen toch wel het meest onschuldig te zijn. Welnu, aan kinderen wordt dit sacrament niet gegeven. Dus nog veel minder aan de overigen, die het gebruik van het verstand missen.
Vervolgens. Van al degenen, die het gebruik van het verstand missen, schijnen kinderen toch wel het meest onschuldig te zijn. Welnu, aan kinderen wordt dit sacrament niet gegeven. Dus nog veel minder aan de overigen, die het gebruik van het verstand missen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 9 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in de Eerste Kerkvergadering van Orange gezegd wordt: "Aan krankzinnigen moet men alles geven, wat der vroomheid is». Dus moet men hun dit sacrament, dat het sacrament der vroomheid is, toedienen.
Daartegenover staat echter, dat in de Eerste Kerkvergadering van Orange gezegd wordt: "Aan krankzinnigen moet men alles geven, wat der vroomheid is». Dus moet men hun dit sacrament, dat het sacrament der vroomheid is, toedienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 9 co.
Mijn antwoord. Men kan van mensen op twee manieren zeggen, dat zij het gebruik van het verstand ontberen. Vooreerst in die zin dat zij slechts een zwak gebruik van het verstand hebben, evenals iemand niet ziende genoemd wordt, als hij slecht ziet. En omdat zulke mensen enige godsvrucht voor dit sacrament kunnen opvatten, mag men hun dit sacrament niet weigeren. Vervolgens spreekt men zo van hen, die volstrekt het gebruik van het verstand ontberen. Dezen hebben ofwel nooit het gebruik van het verstand gehad, maar zijn van hun geboorte af voortdurend aldus geweest en aan zulke mensen moet men dit sacrament niet uitreiken, daar er in hen ten ene male geen godsvrucht voor dit sacrament wordt gevonden; ofwel hebben zij niet altijd het gebruik van het verstand ontbeerd en in dat geval moet hun dit sacrament worden gegeven, indien er vroeger, toen zij nog bij hun verstand waren, godsvrucht voor dit sacrament is gebleken, tenzij men zou vrezen voor gevaar van braken en uitspuwen. Daarom heet het in de Vierde Kerkvergadering van Carthago: "Wie in ziekte om de boete heeft verzocht en dan mogelijkkerwijze, wanneer de uitgenoodigde priester tot hem komt, door zijn ziekte zo is overmand, dat hij niet kan spreken, of aan het ijlen is geslagen, moet op het getuigenis van die hem hebben gehoord de boete ontvangen en hij, als men meent, dat hij terstond zal sterven, verzoend worden door de oplegging der handen en de eucharistie door ingieting in de mond ontvangen".
Mijn antwoord. Men kan van mensen op twee manieren zeggen, dat zij het gebruik van het verstand ontberen. Vooreerst in die zin dat zij slechts een zwak gebruik van het verstand hebben, evenals iemand niet ziende genoemd wordt, als hij slecht ziet. En omdat zulke mensen enige godsvrucht voor dit sacrament kunnen opvatten, mag men hun dit sacrament niet weigeren. Vervolgens spreekt men zo van hen, die volstrekt het gebruik van het verstand ontberen. Dezen hebben ofwel nooit het gebruik van het verstand gehad, maar zijn van hun geboorte af voortdurend aldus geweest en aan zulke mensen moet men dit sacrament niet uitreiken, daar er in hen ten ene male geen godsvrucht voor dit sacrament wordt gevonden; ofwel hebben zij niet altijd het gebruik van het verstand ontbeerd en in dat geval moet hun dit sacrament worden gegeven, indien er vroeger, toen zij nog bij hun verstand waren, godsvrucht voor dit sacrament is gebleken, tenzij men zou vrezen voor gevaar van braken en uitspuwen. Daarom heet het in de Vierde Kerkvergadering van Carthago: "Wie in ziekte om de boete heeft verzocht en dan mogelijkkerwijze, wanneer de uitgenoodigde priester tot hem komt, door zijn ziekte zo is overmand, dat hij niet kan spreken, of aan het ijlen is geslagen, moet op het getuigenis van die hem hebben gehoord de boete ontvangen en hij, als men meent, dat hij terstond zal sterven, verzoend worden door de oplegging der handen en de eucharistie door ingieting in de mond ontvangen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. Zij, die het gebruik van het verstand missen, kunnen godsvrucht hebben voor het sacrament, hetzij op dit ogenblik, hetzij, zoals bij anderen, in het verleden.
1e Weerlegging. Zij, die het gebruik van het verstand missen, kunnen godsvrucht hebben voor het sacrament, hetzij op dit ogenblik, hetzij, zoals bij anderen, in het verleden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. Dionysius spreekt daar van nog niet gedoopte bezetenen, in wie namelijk de kracht van de duivel nog niet is uitgedelgd maar nog heerst door de erfzonde. Maar voor gedoopten, die naar het lichaam door onreine geesten gekweld worden, geldt hetzelfde als voor overige krankzinnigen. Daarom zegt Cassianus: "Wij herinneren ons niet, dat ooit door onze ouderen de heilige communie is ontzegd aan degenen, die door onreine geesten gekweld worden".
2e Weerlegging. Dionysius spreekt daar van nog niet gedoopte bezetenen, in wie namelijk de kracht van de duivel nog niet is uitgedelgd maar nog heerst door de erfzonde. Maar voor gedoopten, die naar het lichaam door onreine geesten gekweld worden, geldt hetzelfde als voor overige krankzinnigen. Daarom zegt Cassianus: "Wij herinneren ons niet, dat ooit door onze ouderen de heilige communie is ontzegd aan degenen, die door onreine geesten gekweld worden".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. Voor pasgeboren kinderen geldt hetzelfde als voor krankzinnigen, die nooit het gebruik van het verstand gehad hebben. Dus moet men hun de heilige Geheimen niet geven. Weliswaar doen sommige Grieken anders, vanwege het gezegde van Dionysius dat men aan de gedoopten de communie moet geven, niet begrijpend, dat Dionysius daar spreekt over het doopsel van volwassenen. Toch betekent dat voor hen geen schade in het leven der genade, om het woord van Christus: "Tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen zult eten en Zijn Bloed zult drinken, zult gij het leven in u niet hebben". (Joan. 6. 54). Want Augustinus schrijft terecht aan Bonifacius: "Dan wordt iedere gelovige deelachtig aan het Lichaam en Bloed van Christus" namelijk geestelijkerwijze "wanneer hij in het doopsel een lidmaat wordt van het Lichaam van Christus". Maar wanneer de kinderen reeds enigermate het gebruik van het verstand beginnen te krijgen, zodat zij godsvrucht kunnen opvatten voor dit sacrament, dan kan men hun dit sacrament toedienen.
3e Weerlegging. Voor pasgeboren kinderen geldt hetzelfde als voor krankzinnigen, die nooit het gebruik van het verstand gehad hebben. Dus moet men hun de heilige Geheimen niet geven. Weliswaar doen sommige Grieken anders, vanwege het gezegde van Dionysius dat men aan de gedoopten de communie moet geven, niet begrijpend, dat Dionysius daar spreekt over het doopsel van volwassenen. Toch betekent dat voor hen geen schade in het leven der genade, om het woord van Christus: "Tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen zult eten en Zijn Bloed zult drinken, zult gij het leven in u niet hebben". (Joan. 6. 54). Want Augustinus schrijft terecht aan Bonifacius: "Dan wordt iedere gelovige deelachtig aan het Lichaam en Bloed van Christus" namelijk geestelijkerwijze "wanneer hij in het doopsel een lidmaat wordt van het Lichaam van Christus". Maar wanneer de kinderen reeds enigermate het gebruik van het verstand beginnen te krijgen, zodat zij godsvrucht kunnen opvatten voor dit sacrament, dan kan men hun dit sacrament toedienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Mag men dit Sacrament dagelijks ontvangen?
IIIa q. 80 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert, dat men dit Sacrament niet dagelijks mag ontvangen. Gelijk immers het doopsel het lijden der Heren verbeeldt, zo ook dit Sacrament. Nu mag men zich met meerdere malen laten dopen, maar slechts één keer, omdat "Christus" slechts "één keer voor onze zonden gestorven", zoals gezegd wordt in de Eerste Brief van Petrus (5. 18). Dus schijnt men dit Sacrament niet dagelijks te mogen ontvangen.
B: (1Pet 3:18) [b:1Pet 3:18]
Over het tiende als volgt. Men beweert, dat men dit Sacrament niet dagelijks mag ontvangen. Gelijk immers het doopsel het lijden der Heren verbeeldt, zo ook dit Sacrament. Nu mag men zich met meerdere malen laten dopen, maar slechts één keer, omdat "Christus" slechts "één keer voor onze zonden gestorven", zoals gezegd wordt in de Eerste Brief van Petrus (5. 18). Dus schijnt men dit Sacrament niet dagelijks te mogen ontvangen.
B: (1Pet 3:18) [b:1Pet 3:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 10 arg. 2
Vervolgens. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Welnu, het paaslam, dat de voornaamste afbeelding van dit Sacrament was, zoals boven gezegd is (73° Kw. 6° Art.), werd slechts éénmaal per jaar gegeten. Ook viert de Kerk maar éénmaal per jaar het lijden van Christus, waarvan dit Sacrament de herinnering is. Dus schijnt men dit Sacrament niet dagelijks te mogen nuttigen maar slechts eens in het jaar.
R: q. 73[t:iiia q. 73]
Vervolgens. De werkelijkheid moet beantwoorden aan de voorafbeelding. Welnu, het paaslam, dat de voornaamste afbeelding van dit Sacrament was, zoals boven gezegd is (73° Kw. 6° Art.), werd slechts éénmaal per jaar gegeten. Ook viert de Kerk maar éénmaal per jaar het lijden van Christus, waarvan dit Sacrament de herinnering is. Dus schijnt men dit Sacrament niet dagelijks te mogen nuttigen maar slechts eens in het jaar.
R: q. 73[t:iiia q. 73]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 10 arg. 3
Vervolgens. Tegenover dit Sacrament, waarin de hele Christus is vervat, is de grootst mogelijke eerbied vereist. Nu is het een zaak van eerbied, dat men zich van dit Sacrament onthoudt. Vandaar ook de lof voor de Hoofdman, die zei: "Heer, Ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak" (Matth. 8. 8) en voor Petrus, die zei: "Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens" (Luc. 5. 8). Dus is het niet te loven, dat een mens dit Sacrament dagelijks ontvangt.
B: (Matt 8:8) [b:Matt 8:8] (Luke 5:8) [b:Luke 5:8]
Vervolgens. Tegenover dit Sacrament, waarin de hele Christus is vervat, is de grootst mogelijke eerbied vereist. Nu is het een zaak van eerbied, dat men zich van dit Sacrament onthoudt. Vandaar ook de lof voor de Hoofdman, die zei: "Heer, Ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak" (Matth. 8. 8) en voor Petrus, die zei: "Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens" (Luc. 5. 8). Dus is het niet te loven, dat een mens dit Sacrament dagelijks ontvangt.
B: (Matt 8:8) [b:Matt 8:8] (Luke 5:8) [b:Luke 5:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 10 arg. 4
Vervolgens. Als het lofwaardig was dit sacrament veelvuldig te ontvangen, dan zou het des te lofwaardiger zijn, hoe veelvuldiger men het ontving. Nu zou men komen aan een grotere veelvuldigheid, als men dit sacrament meerdere malen op een dag ontving. Dus zou het lofwaardig zijn meerdere malen op een dag te communiceren, wat toch buiten de gewoonte van de kerk ligt. Dus schijnt het niet lofwaardig te zijn, als iemand dit sacrament dagelijks ontvangt.
Vervolgens. Als het lofwaardig was dit sacrament veelvuldig te ontvangen, dan zou het des te lofwaardiger zijn, hoe veelvuldiger men het ontving. Nu zou men komen aan een grotere veelvuldigheid, als men dit sacrament meerdere malen op een dag ontving. Dus zou het lofwaardig zijn meerdere malen op een dag te communiceren, wat toch buiten de gewoonte van de kerk ligt. Dus schijnt het niet lofwaardig te zijn, als iemand dit sacrament dagelijks ontvangt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 10 arg. 5
Vervolgens. De Kerk bedoelt door haar bepalingen te voorzien in het nut der gelovigen. Welnu, krachtens de bepaling van de Kerk zijn de gelovigen gehouden om slechts eens per jaar te communiceren. Daarom heet het in een Extra: "Elke gelovige van beider hun ontvangst, althans op Pasen, met eerbied het Sacrament der Eucharistie, tenzij men in overleg met zijn eigen priester om enige geldige reden gedurende een zekere tijd zich van de ontvangst ervan zou menen te moeten onthouden". Dus is het niet prijzenswaard dit Sacrament dagelijks te ontvangen.
Vervolgens. De Kerk bedoelt door haar bepalingen te voorzien in het nut der gelovigen. Welnu, krachtens de bepaling van de Kerk zijn de gelovigen gehouden om slechts eens per jaar te communiceren. Daarom heet het in een Extra: "Elke gelovige van beider hun ontvangst, althans op Pasen, met eerbied het Sacrament der Eucharistie, tenzij men in overleg met zijn eigen priester om enige geldige reden gedurende een zekere tijd zich van de ontvangst ervan zou menen te moeten onthouden". Dus is het niet prijzenswaard dit Sacrament dagelijks te ontvangen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 10 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: "Dat brood is een dagelijks brood; eet het dagelijks, opdat ge er dagelijks nut van moogt hebben".
Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: "Dat brood is een dagelijks brood; eet het dagelijks, opdat ge er dagelijks nut van moogt hebben".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 10 co.
Mijn antwoord. Met betrekking tot het gebruik van dit Sacrament kan men tweeërlei in oogenschouw nemen. Vooreerst de kant van dit Sacrament, welks kracht de mensen heilzaam is, zodat het nuttig is het dagelijks te ontvangen om dagelijks de vruchten ervan te genieten. Daarom zegt Ambrosius: "Indien het Bloed van Christus, telkens als het vergoten wordt, tot vergiffenis der zonden wordt vergoten, dan moet ik het altijd ontvangen, ik die altijd zondig, ik moet dagelijks het geneesmiddel hebben". Vervolgens kan men beschouwen de kant van de ontvangende mens, van wie vereist wordt, dat hij met grote godsvrucht en eerbied tot dit Sacrament nadert. Als dus iemand er zich dagelijks bereid voor vindt, is het lofwaardig, als hij het dagelijks ontvangt. Na de woorden: "eet het dagelijks, opdat ge er dagelijks nut van moogt hebben" laat Augustinus dan ook volgen: "Leeft zo, dat gij verdient het dagelijks te ontvangen". Maar omdat vaak bij verschillende mensen door verkeerde gesteltenis van lichaam of ziel allerlei beletselen voor de godsvrucht optreden, daarom is het niet voor alle mensen nuttig om dagelijks tot dit Sacrament te naderen, maar slechts zo dikwijls, als iemand zich bereid vindt. Daarom staat er in het boek *De Ecclesiasticis Dogmatibus*: "Dagelijks de communie ontvangen wordt door mij noch geprezen, noch gelaakt".
Mijn antwoord. Met betrekking tot het gebruik van dit Sacrament kan men tweeërlei in oogenschouw nemen. Vooreerst de kant van dit Sacrament, welks kracht de mensen heilzaam is, zodat het nuttig is het dagelijks te ontvangen om dagelijks de vruchten ervan te genieten. Daarom zegt Ambrosius: "Indien het Bloed van Christus, telkens als het vergoten wordt, tot vergiffenis der zonden wordt vergoten, dan moet ik het altijd ontvangen, ik die altijd zondig, ik moet dagelijks het geneesmiddel hebben". Vervolgens kan men beschouwen de kant van de ontvangende mens, van wie vereist wordt, dat hij met grote godsvrucht en eerbied tot dit Sacrament nadert. Als dus iemand er zich dagelijks bereid voor vindt, is het lofwaardig, als hij het dagelijks ontvangt. Na de woorden: "eet het dagelijks, opdat ge er dagelijks nut van moogt hebben" laat Augustinus dan ook volgen: "Leeft zo, dat gij verdient het dagelijks te ontvangen". Maar omdat vaak bij verschillende mensen door verkeerde gesteltenis van lichaam of ziel allerlei beletselen voor de godsvrucht optreden, daarom is het niet voor alle mensen nuttig om dagelijks tot dit Sacrament te naderen, maar slechts zo dikwijls, als iemand zich bereid vindt. Daarom staat er in het boek *De Ecclesiasticis Dogmatibus*: "Dagelijks de communie ontvangen wordt door mij noch geprezen, noch gelaakt".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. Door het sacrament des doopseels wordt de mens gelijkvormig aan de dood van Christus, terwijl hij diens merkteken in zich ontvangt. Evenals daarom Christus éénmaal is gestorven, zo moet de mens ook slechts éénmaal gedoopt worden. Maar door dit sacrament ontvangt de mens niet het merkteken van Christus, maar Christus Zelf, wiens kracht in eeuwigheid blijft. Daarom heet het in de Brief aan de Hebreën (10. 14): "Door één offerande heeft Hij de geheiligden voor altijd tot volmaaktheid gebracht". Daar dus de mens dagelijks de heilbrengende kracht van Christus behoeft, kan hij zeer lofwaardig dit sacrament dagelijks ontvangen. Verder: daar het doopsel voornamelijk een geestelijke hergeboorte is, daarom moet de mens, evenals hij slechts ééns geboren wordt naar het vlees, ook slechts ééns herboren worden naar de geest door het doopsel, volgens wat Augustinus zegt bij het woord van Joannes (3. 4): "Hoe kan de mens geboren worden, wanneer hij reeds oud is?" Dit sacrament daarentegen is een geestelijke spijs; evenals dus de spijs van het lichaam dagelijks wordt genuttigd, zo is het ook in de hoogste mate lofwaardig dit sacrament dagelijks te nuttigen. Daarom leert de Heer te bidden: "Geef ons heden ons dagelijks brood" (Luc. 11. 3), tot verklaring waarvan Augustinus zegt: "Wanneer gij dagelijks (dit sacrament) ontvangt, dan is dagelijks voor u heden, dan verrijst Christus voor u dagelijks, want het is heden, als Christus verrijst".
B: (Heb 10:14) [b:Heb 10:14]
1e Weerlegging. Door het sacrament des doopseels wordt de mens gelijkvormig aan de dood van Christus, terwijl hij diens merkteken in zich ontvangt. Evenals daarom Christus éénmaal is gestorven, zo moet de mens ook slechts éénmaal gedoopt worden. Maar door dit sacrament ontvangt de mens niet het merkteken van Christus, maar Christus Zelf, wiens kracht in eeuwigheid blijft. Daarom heet het in de Brief aan de Hebreën (10. 14): "Door één offerande heeft Hij de geheiligden voor altijd tot volmaaktheid gebracht". Daar dus de mens dagelijks de heilbrengende kracht van Christus behoeft, kan hij zeer lofwaardig dit sacrament dagelijks ontvangen. Verder: daar het doopsel voornamelijk een geestelijke hergeboorte is, daarom moet de mens, evenals hij slechts ééns geboren wordt naar het vlees, ook slechts ééns herboren worden naar de geest door het doopsel, volgens wat Augustinus zegt bij het woord van Joannes (3. 4): "Hoe kan de mens geboren worden, wanneer hij reeds oud is?" Dit sacrament daarentegen is een geestelijke spijs; evenals dus de spijs van het lichaam dagelijks wordt genuttigd, zo is het ook in de hoogste mate lofwaardig dit sacrament dagelijks te nuttigen. Daarom leert de Heer te bidden: "Geef ons heden ons dagelijks brood" (Luc. 11. 3), tot verklaring waarvan Augustinus zegt: "Wanneer gij dagelijks (dit sacrament) ontvangt, dan is dagelijks voor u heden, dan verrijst Christus voor u dagelijks, want het is heden, als Christus verrijst".
B: (Heb 10:14) [b:Heb 10:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. Het paaslam was de voornaamste voorafbeelding van dit sacrament wat betreft Christus’ lijden, dat door dit sacrament wordt verbeeld. En daarom werd het slechts éénmaal in het jaar gebruikt, omdat Christus maar éénmaal is gestorven. En om dezelfde reden viert de kerk ook maar eens per jaar de herinnering van het lijden van Christus. Maar in dit sacrament wordt de herinnering aan het lijden van Christus ons gegeven als een spijs: spijzen worden nu dagelijks gebruikt. Daarom werd het, wat dat betreft, voorafgebeeld door het manna, dat aan het volk in de woestijn dagelijks werd gegeven.
B: (Luke 11:3) [b:Luke 11:3] (John 3:4) [b:John 3:4]
2e Weerlegging. Het paaslam was de voornaamste voorafbeelding van dit sacrament wat betreft Christus’ lijden, dat door dit sacrament wordt verbeeld. En daarom werd het slechts éénmaal in het jaar gebruikt, omdat Christus maar éénmaal is gestorven. En om dezelfde reden viert de kerk ook maar eens per jaar de herinnering van het lijden van Christus. Maar in dit sacrament wordt de herinnering aan het lijden van Christus ons gegeven als een spijs: spijzen worden nu dagelijks gebruikt. Daarom werd het, wat dat betreft, voorafgebeeld door het manna, dat aan het volk in de woestijn dagelijks werd gegeven.
B: (Luke 11:3) [b:Luke 11:3] (John 3:4) [b:John 3:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 10 ad 3
3e Weerlegging. De eerbied voor dit Sacrament kent een aan liefde gepaarde vrees. Daarom wordt de vrees van de eerbied voor God vreze der kinderen genoemd, zoals in het Tweede Deel is gezegd (I-II 67° Kw. 4° Art. 2° Antw. en II-II 19° Kw. 9, 11°, 12° Art.). Want uit de liefde ontstaat de begeerte om te ontvangen, uit de vrees de nederigheid, die op een eerbiedige afstand blijft. En dus behoort tot de eerbied voor dit Sacrament zowel het dagelijks ertoe naderen als het somtijds er zich van onthouden. Vandaar het woord van Augustinus: "Als de een zegt, dat men de Eucharistie niet dagelijks moet ontvangen en een ander het tegenovergestelde beweert, laat dan eenieder doen, wat hij overeenkomstig zijn eigen vrome overtuiging meent te moeten doen. Er is immers ook niet getwist tussen Zachaeus en die hoofdman, waarvan de een in vreugde de Heer ontving, terwijl de ander zeide: Ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak, waardoor beiden de Zaligmaker eerden, al was het niet op dezelfde manier». Evenwel hebben liefde en hoop, waartoe de Schrift ons altijd weer aanspoort, de voorrang boven de vrees. Toen dan ook Petrus gezegd heeft: "Ga weg van mij, want ik ben een zondig mens", antwoordde Jesus: "vrees niet".
R: Ia-IIae q. 67 a. 4 ad 2[t:ia-iiae q. 67 a. 4 ad 2] IIa-IIae q. 19 a. 9[t:iia-iiae q. 19 a. 9] IIa-IIae q. 19 a. 11[t:iia-iiae q. 19 a. 11] IIa-IIae q. 19 a. 12[t:iia-iiae q. 19 a. 12]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 80 a. 11 arg. 1[t:iiia q. 80 a. 11 arg. 1]
3e Weerlegging. De eerbied voor dit Sacrament kent een aan liefde gepaarde vrees. Daarom wordt de vrees van de eerbied voor God vreze der kinderen genoemd, zoals in het Tweede Deel is gezegd (I-II 67° Kw. 4° Art. 2° Antw. en II-II 19° Kw. 9, 11°, 12° Art.). Want uit de liefde ontstaat de begeerte om te ontvangen, uit de vrees de nederigheid, die op een eerbiedige afstand blijft. En dus behoort tot de eerbied voor dit Sacrament zowel het dagelijks ertoe naderen als het somtijds er zich van onthouden. Vandaar het woord van Augustinus: "Als de een zegt, dat men de Eucharistie niet dagelijks moet ontvangen en een ander het tegenovergestelde beweert, laat dan eenieder doen, wat hij overeenkomstig zijn eigen vrome overtuiging meent te moeten doen. Er is immers ook niet getwist tussen Zachaeus en die hoofdman, waarvan de een in vreugde de Heer ontving, terwijl de ander zeide: Ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak, waardoor beiden de Zaligmaker eerden, al was het niet op dezelfde manier». Evenwel hebben liefde en hoop, waartoe de Schrift ons altijd weer aanspoort, de voorrang boven de vrees. Toen dan ook Petrus gezegd heeft: "Ga weg van mij, want ik ben een zondig mens", antwoordde Jesus: "vrees niet".
R: Ia-IIae q. 67 a. 4 ad 2[t:ia-iiae q. 67 a. 4 ad 2] IIa-IIae q. 19 a. 9[t:iia-iiae q. 19 a. 9] IIa-IIae q. 19 a. 11[t:iia-iiae q. 19 a. 11] IIa-IIae q. 19 a. 12[t:iia-iiae q. 19 a. 12]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 80 a. 11 arg. 1[t:iiia q. 80 a. 11 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 10 ad 4
4e Weerlegging. Aangezien de Heer zegt: "Geef ons heden ons dagelijks brood" (Luc. 11, 3), moet men niet meerdere malen op een dag communiceren. Door dit slechts éénmaal per dag communiceren moge in iedere geval de eenmaligheid van Christus' lijden verbeeld worden.
4e Weerlegging. Aangezien de Heer zegt: "Geef ons heden ons dagelijks brood" (Luc. 11, 3), moet men niet meerdere malen op een dag communiceren. Door dit slechts éénmaal per dag communiceren moge in iedere geval de eenmaligheid van Christus' lijden verbeeld worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 10 ad 5
Ad quintum Naar de wisselende staat der Kerk zijn hieromtrent verschillende bepalingen uitgevaardigd. Want in de vroegste dagen der Kerk, toen het christelijk geloof zich nog deed gelden door een grote godsvrucht, was voorgeschreven, dat de geloovigen dagelijks zouden communiceren. Paus Anacletus zegt dan ook: "Na de consecratie moeten allen, die niet van de Kerk willen worden buitengesloten, de communie ontvangen: zóó toch is bepaald door de Apostelen en zóó wordt het onderhouden door de heilige Roomsche Kerk". Toen echter later de vurigheid van het geloof was verminderd, was Paus Fabianus zo mild te bepalen: "dat iedereen, indien al niet vaker, althans drie maal in het jaar communiceert nl. op Pasen, Pinksteren en Kerstmis". Paus Soter zegt, dat men ook op Witte Donderdag moet communiceren, zoals er staat in een Decretaal. Naderhand heeft Innocentius III, gezien de menigvuldigheid der boosheid en het verkillen van veler liefde, vastgesteld, dat de geloovigen althans éénmaal per jaar de communie moeten ontvangen d.w.z. op Pasen. Met dat al wordt in het boek De Dogmatibus Ecclesiasticis de raad gegeven om op alle Zondagen te communiceren.
B: (Luke 11:3) [b:Luke 11:3]
Ad quintum Naar de wisselende staat der Kerk zijn hieromtrent verschillende bepalingen uitgevaardigd. Want in de vroegste dagen der Kerk, toen het christelijk geloof zich nog deed gelden door een grote godsvrucht, was voorgeschreven, dat de geloovigen dagelijks zouden communiceren. Paus Anacletus zegt dan ook: "Na de consecratie moeten allen, die niet van de Kerk willen worden buitengesloten, de communie ontvangen: zóó toch is bepaald door de Apostelen en zóó wordt het onderhouden door de heilige Roomsche Kerk". Toen echter later de vurigheid van het geloof was verminderd, was Paus Fabianus zo mild te bepalen: "dat iedereen, indien al niet vaker, althans drie maal in het jaar communiceert nl. op Pasen, Pinksteren en Kerstmis". Paus Soter zegt, dat men ook op Witte Donderdag moet communiceren, zoals er staat in een Decretaal. Naderhand heeft Innocentius III, gezien de menigvuldigheid der boosheid en het verkillen van veler liefde, vastgesteld, dat de geloovigen althans éénmaal per jaar de communie moeten ontvangen d.w.z. op Pasen. Met dat al wordt in het boek De Dogmatibus Ecclesiasticis de raad gegeven om op alle Zondagen te communiceren.
B: (Luke 11:3) [b:Luke 11:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 11: Mag men zich helemaal van de Communie onthouden?
IIIa q. 80 a. 11 arg. 1
Over het elfde als volgt. Men beweert, dat het geoorloofd is zich helemaal van de communie te onthouden. De hoofdman wordt immers geprezen, omdat hij zegt: "Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak" (Matth. 8. 8). En met hem vergelijkt men degene, die meent zich van de communie te moeten onthouden, zoals gezegd is (10° Art. 3° Antw.). Daar men nu nergens leest, dat Christus ooit in zijn huis is gekomen, schijnt het geoorloofd te zijn, dat iemand zich heel de duur van zijn leven van de communie onthoudt.
B: (Matt 8:8) [b:Matt 8:8]
R: q. 80 a. 10 ad 3[t:iiia q. 80 a. 10 ad 3]
Over het elfde als volgt. Men beweert, dat het geoorloofd is zich helemaal van de communie te onthouden. De hoofdman wordt immers geprezen, omdat hij zegt: "Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak" (Matth. 8. 8). En met hem vergelijkt men degene, die meent zich van de communie te moeten onthouden, zoals gezegd is (10° Art. 3° Antw.). Daar men nu nergens leest, dat Christus ooit in zijn huis is gekomen, schijnt het geoorloofd te zijn, dat iemand zich heel de duur van zijn leven van de communie onthoudt.
B: (Matt 8:8) [b:Matt 8:8]
R: q. 80 a. 10 ad 3[t:iiia q. 80 a. 10 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 11 arg. 2
Vervolgens. Het staat eenieder vrij zich te onthouden van wat niet noodzakelijk is voor het heil. Nu is dit sacrament niet noodzakelijk voor het heil, gelijk boven gezegd is (73° Kw. 3° Art.). Dus staat het vrij helemaal van de communie af te zien.
R: q. 73 a. 3[t:iiia q. 73 a. 3]
Vervolgens. Het staat eenieder vrij zich te onthouden van wat niet noodzakelijk is voor het heil. Nu is dit sacrament niet noodzakelijk voor het heil, gelijk boven gezegd is (73° Kw. 3° Art.). Dus staat het vrij helemaal van de communie af te zien.
R: q. 73 a. 3[t:iiia q. 73 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 11 arg. 3
Vervolgens. Zondaars zijn niet verplicht te communiceren. Na gezegd te hebben: "Allen moeten driemaal per jaar communiceren" liet Paus Fabianus dan ook volgen: "tenzij iemand door grote misdrijven mocht zijn verhinderd". Indien dus degenen, die niet in zonde zijn, verplicht zijn te communiceren, schijnen de zondaars er gunstiger aan toe te zijn dan de rechtvaardigen, wat niet aangaat. Dus schijnt het ook de rechtvaardigen geoorloofd te zijn van de communie af te zien.
Vervolgens. Zondaars zijn niet verplicht te communiceren. Na gezegd te hebben: "Allen moeten driemaal per jaar communiceren" liet Paus Fabianus dan ook volgen: "tenzij iemand door grote misdrijven mocht zijn verhinderd". Indien dus degenen, die niet in zonde zijn, verplicht zijn te communiceren, schijnen de zondaars er gunstiger aan toe te zijn dan de rechtvaardigen, wat niet aangaat. Dus schijnt het ook de rechtvaardigen geoorloofd te zijn van de communie af te zien.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 11 s. c.
Daartegenover staat echter ’s Heren woord: "Tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn Bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben" (Joan. 6. 54).
B: (John 6:54, John 6:54) [b:John 6:54]
Daartegenover staat echter ’s Heren woord: "Tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn Bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben" (Joan. 6. 54).
B: (John 6:54, John 6:54) [b:John 6:54]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 11 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (1° Art.), is er een tweevoudige manier om dit Sacrament te ontvangen, namelijk een geestelijke en een sacramenteele. Nu is het duidelijk, dat allen verplicht zijn althans geestelijk te eten, want dat is niets anders dan bij Christus ingelijfd worden, zoals boven gezegd is (9° Art. 3° Antw.; 73° Kw. 3° Art. 1° Antw.). Maar het geestelijk eten sluit de begeerte of het verlangen in om dit Sacrament te ontvangen, zoals boven gezegd is (1° Art. 3° Antw.; 2° Art.). Bijgevolg is er geen heil voor de mens mogelijk zonder de begeerte dit Sacrament te ontvangen. Maar die begeerte zou geen zin hebben, als er geen uitvoering aan werd gegeven, wanneer er daartoe gelegenheid was. Dus is het duidelijk, dat de mens verplicht is dit Sacrament te ontvangen, niet alleen vanwege het voorschrift van de Kerk, maar ook om het gebod des Heren, die zegt: "Doet dit ter Mijner gedachtenis". (Luc. 22. 19). Het kerkelijk voorschrift geeft bepaalde tijden om het gebod van Christus ten uitvoer te brengen.
R: q. 80 a. 1[t:iiia q. 80 a. 1] q. 73 a. 3 ad 1[t:iiia q. 73 a. 3 ad 1] q. 80 a. 1 ad 3[t:iiia q. 80 a. 1 ad 3] q. 80 a. 2[t:iiia q. 80 a. 2]
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (1° Art.), is er een tweevoudige manier om dit Sacrament te ontvangen, namelijk een geestelijke en een sacramenteele. Nu is het duidelijk, dat allen verplicht zijn althans geestelijk te eten, want dat is niets anders dan bij Christus ingelijfd worden, zoals boven gezegd is (9° Art. 3° Antw.; 73° Kw. 3° Art. 1° Antw.). Maar het geestelijk eten sluit de begeerte of het verlangen in om dit Sacrament te ontvangen, zoals boven gezegd is (1° Art. 3° Antw.; 2° Art.). Bijgevolg is er geen heil voor de mens mogelijk zonder de begeerte dit Sacrament te ontvangen. Maar die begeerte zou geen zin hebben, als er geen uitvoering aan werd gegeven, wanneer er daartoe gelegenheid was. Dus is het duidelijk, dat de mens verplicht is dit Sacrament te ontvangen, niet alleen vanwege het voorschrift van de Kerk, maar ook om het gebod des Heren, die zegt: "Doet dit ter Mijner gedachtenis". (Luc. 22. 19). Het kerkelijk voorschrift geeft bepaalde tijden om het gebod van Christus ten uitvoer te brengen.
R: q. 80 a. 1[t:iiia q. 80 a. 1] q. 73 a. 3 ad 1[t:iiia q. 73 a. 3 ad 1] q. 80 a. 1 ad 3[t:iiia q. 80 a. 1 ad 3] q. 80 a. 2[t:iiia q. 80 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 11 ad 1
1e Weerlegging. Terecht zegt Gregorius: "Dat is de echte nederigheid, die niet hardnekkig weigert te doen wat tot ons nut is bevolen". En dus kan het geen prijzenswaardige nederigheid zijn, als iemand tegen het bevel van Christus en de Kerk in, zich helemaal van de communie onthoudt. Het was de Hoofdman ook niet bevolen om Christus in zijn huis op te nemen.
B: (Luke 22:19) [b:Luke 22:19]
1e Weerlegging. Terecht zegt Gregorius: "Dat is de echte nederigheid, die niet hardnekkig weigert te doen wat tot ons nut is bevolen". En dus kan het geen prijzenswaardige nederigheid zijn, als iemand tegen het bevel van Christus en de Kerk in, zich helemaal van de communie onthoudt. Het was de Hoofdman ook niet bevolen om Christus in zijn huis op te nemen.
B: (Luke 22:19) [b:Luke 22:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 11 ad 2
2e Weerlegging. Dit sacrament wordt niet zo noodzakelijk genoemd als het doopsel wat betreft de kinderen, die het heil kunnen verwerven zonder dit sacrament en niet zonder het sacrament des doopseels. Voor de volwassenen zijn beide noodzakelijk.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 82 a. 1 ad 3[t:iiia q. 82 a. 1 ad 3]
2e Weerlegging. Dit sacrament wordt niet zo noodzakelijk genoemd als het doopsel wat betreft de kinderen, die het heil kunnen verwerven zonder dit sacrament en niet zonder het sacrament des doopseels. Voor de volwassenen zijn beide noodzakelijk.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 82 a. 1 ad 3[t:iiia q. 82 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 11 ad 3
3e Weerlegging. De zondaars lijden grote schade, als zij van de ontvangst van dit Sacrament worden afgehouden en dus zijn zij daardoor er niet gunstiger aan toe. Hoewel zij, die in zonde blijven, daarmee nog niet ontkomen aan de schuld van gebodsovertreding, gaan degenen, die boete doen en, zoals Innocentius zegt, op raad van de priester zich onthouden, op dat punt vrij uit.
3e Weerlegging. De zondaars lijden grote schade, als zij van de ontvangst van dit Sacrament worden afgehouden en dus zijn zij daardoor er niet gunstiger aan toe. Hoewel zij, die in zonde blijven, daarmee nog niet ontkomen aan de schuld van gebodsovertreding, gaan degenen, die boete doen en, zoals Innocentius zegt, op raad van de priester zich onthouden, op dat punt vrij uit.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 12: Mag men het Lichaam van Christus zonder het Bloed ontvangen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 74 a. 1 ad 3[t:iiia q. 74 a. 1 ad 3]
IIIa q. 80 a. 12 arg. 1
Over het twaalfde als volgt. Men beweert, dat men het Lichaam van Christus niet mag ontvangen zonder het Bloed. Want Paus Gelasius zegt: "We hebben bevonden, dat sommigen alleen maar hun deel nemen van het heilig Lichaam, maar zich onthouden van de kelk van het heilig Bloed. Zonder twijfel moeten zulke mensen, daar ze door ik weet niet wat voor bijgelovigheid zich laten inhouden, ofwel het Sacrament in zijn geheel ontvangen ofwel er helemaal van worden geweerd". Dus mag men het Lichaam van Christus niet ontvangen zonder diens Bloed.
IIIa q. 74 a. 1 ad 3[t:iiia q. 74 a. 1 ad 3]
IIIa q. 80 a. 12 arg. 1
Over het twaalfde als volgt. Men beweert, dat men het Lichaam van Christus niet mag ontvangen zonder het Bloed. Want Paus Gelasius zegt: "We hebben bevonden, dat sommigen alleen maar hun deel nemen van het heilig Lichaam, maar zich onthouden van de kelk van het heilig Bloed. Zonder twijfel moeten zulke mensen, daar ze door ik weet niet wat voor bijgelovigheid zich laten inhouden, ofwel het Sacrament in zijn geheel ontvangen ofwel er helemaal van worden geweerd". Dus mag men het Lichaam van Christus niet ontvangen zonder diens Bloed.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 12 arg. 2
Vervolgens. Tot de volkomenheid van dat Sacrament dragen bij en het eten van het Lichaam en het drinken van het Bloed, zoals boven is verklaard (73° Kw. 2° Art.). Als dus het Lichaam wordt ontvangen zonder het Bloed, heeft men een onvolkomen sacrament, hetgeen op heiligschennis schijnt neer te komen. Vandaar dat Gelasius laat volgen: "Want verdeling van één en hetzelfde Geheim kan zonder grote heiligschennis niet plaats hebben".
R: q. 73 a. 2[t:iiia q. 73 a. 2] q. 76 a. 2 ad 1[t:iiia q. 76 a. 2 ad 1]
Vervolgens. Tot de volkomenheid van dat Sacrament dragen bij en het eten van het Lichaam en het drinken van het Bloed, zoals boven is verklaard (73° Kw. 2° Art.). Als dus het Lichaam wordt ontvangen zonder het Bloed, heeft men een onvolkomen sacrament, hetgeen op heiligschennis schijnt neer te komen. Vandaar dat Gelasius laat volgen: "Want verdeling van één en hetzelfde Geheim kan zonder grote heiligschennis niet plaats hebben".
R: q. 73 a. 2[t:iiia q. 73 a. 2] q. 76 a. 2 ad 1[t:iiia q. 76 a. 2 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 12 arg. 3
Vervolgens. Dit Sacrament wordt gevierd ten herinnering aan ’s Heren lijden, zoals boven gezegd is (66° Kw. 9° Art. 5° Antw.; 73° Kw. 4° en 5° Art.; 74° Kw. 1° Art.), en het wordt ontvangen tot heil van de ziel. Nu komt het lijden van Christus meer tot uitdrukking in het Bloed dan in het Lichaam; het Bloed wordt ook opgedragen voor het heil der ziel, zoals boven gezegd is (74° Kw. 1° Art.; 76° Kw. 2° Art. 1° Antw.). Dus zou men zich eerder moeten onthouden van de ontvangst van het Lichaam dan van de ontvangst van het Bloed. Dus moeten zij, die tot dit Sacrament naderen, niet het Lichaam ontvangen zonder het Bloed.
R: q. 73 a. 4[t:iiia q. 73 a. 4] q. 73 a. 5[t:iiia q. 73 a. 5] q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1] q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1]
Vervolgens. Dit Sacrament wordt gevierd ten herinnering aan ’s Heren lijden, zoals boven gezegd is (66° Kw. 9° Art. 5° Antw.; 73° Kw. 4° en 5° Art.; 74° Kw. 1° Art.), en het wordt ontvangen tot heil van de ziel. Nu komt het lijden van Christus meer tot uitdrukking in het Bloed dan in het Lichaam; het Bloed wordt ook opgedragen voor het heil der ziel, zoals boven gezegd is (74° Kw. 1° Art.; 76° Kw. 2° Art. 1° Antw.). Dus zou men zich eerder moeten onthouden van de ontvangst van het Lichaam dan van de ontvangst van het Bloed. Dus moeten zij, die tot dit Sacrament naderen, niet het Lichaam ontvangen zonder het Bloed.
R: q. 73 a. 4[t:iiia q. 73 a. 4] q. 73 a. 5[t:iiia q. 73 a. 5] q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1] q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 12 s. c.
Daartegenover staat echter het gebruik van vele kerken, om aan het communicerende volk het Lichaam van Christus ter nuttiging te geven en niet het Bloed.
Daartegenover staat echter het gebruik van vele kerken, om aan het communicerende volk het Lichaam van Christus ter nuttiging te geven en niet het Bloed.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 12 co.
Mijn antwoord. Met betrekking tot het gebruik van dit Sacrament kan men op tweeërlei letten: vooreerst op het Sacrament zelf, vervolgens op de ontvangers. Wat betreft het Sacrament op zich, is het beter, dat beide d. w. z. zowel het Lichaam als het Bloed worden genuttigd, omdat het Sacrament pas volkomen is door beide. Vandaar dat de priester, aan wie het toekomt dit Sacrament te consacreren en te voltrekken, in geen geval het Lichaam van Christus zonder het Bloed mag nemen. Maar wat betreft de ontvangers, is er de grootst mogelijke eerbied en behoedzaamheid vereist, opdat er niets gebeurt, dat zulk een Geheim oneer zou aandoen. En zo iets zou voornamelijk kunnen gebeuren bij het nuttigen van het Bloed, dat, als het op onbehoedzame wijze werd genomen, gemakkelijk zou worden uitgestort. Omdat nu het christen volk is aangegroeid tot een grote menigte, waaronder zich oude mensen, jeugdige personen en kinderen bevinden en deze niet altijd zo omzichtig zijn, dat zij bij het nuttigen van dit Sacrament de vereiste behoedzaamheid in acht nemen, daarom bestaat in verschillende kerken de gerechtvaardigde gewoonte om aan het volk niet het Bloed der nuttiging te geven, maar dat dit alleen door de priester wordt genuttigd.
Mijn antwoord. Met betrekking tot het gebruik van dit Sacrament kan men op tweeërlei letten: vooreerst op het Sacrament zelf, vervolgens op de ontvangers. Wat betreft het Sacrament op zich, is het beter, dat beide d. w. z. zowel het Lichaam als het Bloed worden genuttigd, omdat het Sacrament pas volkomen is door beide. Vandaar dat de priester, aan wie het toekomt dit Sacrament te consacreren en te voltrekken, in geen geval het Lichaam van Christus zonder het Bloed mag nemen. Maar wat betreft de ontvangers, is er de grootst mogelijke eerbied en behoedzaamheid vereist, opdat er niets gebeurt, dat zulk een Geheim oneer zou aandoen. En zo iets zou voornamelijk kunnen gebeuren bij het nuttigen van het Bloed, dat, als het op onbehoedzame wijze werd genomen, gemakkelijk zou worden uitgestort. Omdat nu het christen volk is aangegroeid tot een grote menigte, waaronder zich oude mensen, jeugdige personen en kinderen bevinden en deze niet altijd zo omzichtig zijn, dat zij bij het nuttigen van dit Sacrament de vereiste behoedzaamheid in acht nemen, daarom bestaat in verschillende kerken de gerechtvaardigde gewoonte om aan het volk niet het Bloed der nuttiging te geven, maar dat dit alleen door de priester wordt genuttigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 12 ad 1
1e Weerlegging. Gelasius spreekt met betrekking tot de priesters, die het hele Sacrament consecreren en het daarom ook in zijn geheel in de communie moeten ontvangen. Zo wordt er ook in de Twaalfde Kerkvergadering van Toledo gezegd: "Wat is dat voor een offer, waaraan men de offeraar zelf geen deel ziet nemen?"
1e Weerlegging. Gelasius spreekt met betrekking tot de priesters, die het hele Sacrament consecreren en het daarom ook in zijn geheel in de communie moeten ontvangen. Zo wordt er ook in de Twaalfde Kerkvergadering van Toledo gezegd: "Wat is dat voor een offer, waaraan men de offeraar zelf geen deel ziet nemen?"
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 12 ad 2
2e Weerlegging. De volkomenheid van dit Sacrament wordt niet bereikt bij het gebruik van de gelovigen, maar bij de consecratie van de stof. En dus doet het niet af aan de volkomenheid van dit Sacrament, als het volk het Lichaam ontvangt zonder het Bloed, mits slechts de consecrerende priester beide ontvangt.
2e Weerlegging. De volkomenheid van dit Sacrament wordt niet bereikt bij het gebruik van de gelovigen, maar bij de consecratie van de stof. En dus doet het niet af aan de volkomenheid van dit Sacrament, als het volk het Lichaam ontvangt zonder het Bloed, mits slechts de consecrerende priester beide ontvangt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 80 a. 12 ad 3
3e Weerlegging. De afbeelding van 's Heren lijden vindt men in de consecratie van dit Sacrament, welke geen consecratie mag zijn van het Lichaam zonder het Bloed. Het volk kan evenwel het Lichaam ontvangen zonder het Bloed; daaruit volgt geen nadeel, want de priester offert en nuttigt het Bloed in de persoon van alle gelovigen; en onder elk van beide gedaanten is de hele Christus vervat, zoals boven is gezegd (76° Kw. 2° Art.).
R: q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2]
3e Weerlegging. De afbeelding van 's Heren lijden vindt men in de consecratie van dit Sacrament, welke geen consecratie mag zijn van het Lichaam zonder het Bloed. Het volk kan evenwel het Lichaam ontvangen zonder het Bloed; daaruit volgt geen nadeel, want de priester offert en nuttigt het Bloed in de persoon van alle gelovigen; en onder elk van beide gedaanten is de hele Christus vervat, zoals boven is gezegd (76° Kw. 2° Art.).
R: q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 81: Over de wijze, waarop Christus dit Sacrament heeft gebruikt
IIIa q. 81 pr.
Vervolgens moeten wij handelen over het gebruik van dit Sacrament, zoals Christus het gebruikt heeft bij de instelling ervan. Hieromtrent stellen wij vier vragen.
1. Heeft Christus Zijn Lichaam en Bloed genutigd?
2. Heeft Hij het aan Judas gegeven?
3. Wat voor soort Lichaam heeft Hij genutigd of gegeven: een lijdbaar of een onlijdbaar?
4. Hoe zou Christus zich onder dit Sacrament hebben bevonden, als het in de drie dagen van de dood was bewaard of geconsacreerd?
Vervolgens moeten wij handelen over het gebruik van dit Sacrament, zoals Christus het gebruikt heeft bij de instelling ervan. Hieromtrent stellen wij vier vragen.
1. Heeft Christus Zijn Lichaam en Bloed genutigd?
2. Heeft Hij het aan Judas gegeven?
3. Wat voor soort Lichaam heeft Hij genutigd of gegeven: een lijdbaar of een onlijdbaar?
4. Hoe zou Christus zich onder dit Sacrament hebben bevonden, als het in de drie dagen van de dood was bewaard of geconsacreerd?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Heeft Christus Zijn eigen Lichaam en Bloed genuttigd?
IIIa q. 81 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus Zijn Lichaam en Bloed niet heeft genuttigd. Men moet immers in zake Christus’ daden of woorden niets verdedigen, wat ons niet door het gezag van de H. Schrift wordt voorgehouden. Nu vindt men in de Evangelieën niet, dat Hij Zijn Lichaam heeft gegeten of Zijn Bloed heeft gedronken. Dus moet men zo iets ook niet verdedigen.
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat Christus Zijn Lichaam en Bloed niet heeft genuttigd. Men moet immers in zake Christus’ daden of woorden niets verdedigen, wat ons niet door het gezag van de H. Schrift wordt voorgehouden. Nu vindt men in de Evangelieën niet, dat Hij Zijn Lichaam heeft gegeten of Zijn Bloed heeft gedronken. Dus moet men zo iets ook niet verdedigen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 1 arg. 2
Vervolgens. Niets kan in zichzelf zijn, tenzij dan wat de delen betreft, inzover namelijk het ene deel van iets in het andere is, gelijk geschreven staat in de *Physica*. Maar wat gegeten en gedronken wordt is in degene, die eet en drinkt. Gegeven dus dat de hele Christus onder elk van beide gedaanten is, schijnt het uitgesloten geweest te zijn, dat Hij Zelf dit Sacrament heeft genuttigd.
Vervolgens. Niets kan in zichzelf zijn, tenzij dan wat de delen betreft, inzover namelijk het ene deel van iets in het andere is, gelijk geschreven staat in de *Physica*. Maar wat gegeten en gedronken wordt is in degene, die eet en drinkt. Gegeven dus dat de hele Christus onder elk van beide gedaanten is, schijnt het uitgesloten geweest te zijn, dat Hij Zelf dit Sacrament heeft genuttigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Er is een tweevoudige nuttiging van dit Sacrament, namelijk een geestelijke en een sacramentale. Nu komt de geestelijke nuttiging aan Christus niet toe, daar Hij niets heeft ontvangen van het Sacrament; en bijgevolg ook niet de sacramentale, die zonder de geestelijke onvolmaakt is, zoals boven werd gezegd (80° Kw. 1° Art.). Dus heeft Christus in geen enkele zin dit Sacrament genuttigd.
R: q. 80 a. 1[t:iiia q. 80 a. 1]
Vervolgens. Er is een tweevoudige nuttiging van dit Sacrament, namelijk een geestelijke en een sacramentale. Nu komt de geestelijke nuttiging aan Christus niet toe, daar Hij niets heeft ontvangen van het Sacrament; en bijgevolg ook niet de sacramentale, die zonder de geestelijke onvolmaakt is, zoals boven werd gezegd (80° Kw. 1° Art.). Dus heeft Christus in geen enkele zin dit Sacrament genuttigd.
R: q. 80 a. 1[t:iiia q. 80 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter het woord van Hieronymus: "De Heer Jesus Christus is tegelijk disgenoot en dis, etend en gegeten".
Daartegenover staat echter het woord van Hieronymus: "De Heer Jesus Christus is tegelijk disgenoot en dis, etend en gegeten".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 1 co.
Mijn antwoord. Sommigen hebben gezegd, dat Christus in het laatste Avondmaal Zijn Lichaam en Bloed aan Zijn leerlingen heeft gegeven zonder het Zelf te nemen. Maar dat schijnt geen redelijke bewering, want wat Christus aan anderen te onderhouden heeft voorgeschreven, dat Heeft Hij Zelf eerst volbracht. Daarom heeft Hij eerst Zelf gedoopt willen worden, vóór Hij aan anderen het doopsel oplegde, overeenkomstig het gezegde van de Handelingen der Apostelen (1. 1): "Jesus begon te doen en te leren". Dus heeft Hij ook Zelf eerst Zijn Lichaam en Bloed genuttigd en het daarna aan de leerlingen te nuttigen gegeven. Dat dan ook wordt bij de plaats van het Boek Ruth (3. 7): "Toen hij gegeten en gedronken had" door de Glossa geleerd met de woorden: "In het Laatste Avondmaal heeft Christus gegeten en gedronken, toen Hij het Sacrament van Zijn Lichaam en Bloed aan de leerlingen uitreikte. Dus daar Zijn dienaren deel namen aan het Lichaam en Bloed, heeft Hij ook Zelf erin gedeeld".
B: (Ruth 3:7) [b:Ruth 3:7] (Acts 1:1) [b:Acts 1:1] (Heb 2:14) [b:Heb 2:14]
Mijn antwoord. Sommigen hebben gezegd, dat Christus in het laatste Avondmaal Zijn Lichaam en Bloed aan Zijn leerlingen heeft gegeven zonder het Zelf te nemen. Maar dat schijnt geen redelijke bewering, want wat Christus aan anderen te onderhouden heeft voorgeschreven, dat Heeft Hij Zelf eerst volbracht. Daarom heeft Hij eerst Zelf gedoopt willen worden, vóór Hij aan anderen het doopsel oplegde, overeenkomstig het gezegde van de Handelingen der Apostelen (1. 1): "Jesus begon te doen en te leren". Dus heeft Hij ook Zelf eerst Zijn Lichaam en Bloed genuttigd en het daarna aan de leerlingen te nuttigen gegeven. Dat dan ook wordt bij de plaats van het Boek Ruth (3. 7): "Toen hij gegeten en gedronken had" door de Glossa geleerd met de woorden: "In het Laatste Avondmaal heeft Christus gegeten en gedronken, toen Hij het Sacrament van Zijn Lichaam en Bloed aan de leerlingen uitreikte. Dus daar Zijn dienaren deel namen aan het Lichaam en Bloed, heeft Hij ook Zelf erin gedeeld".
B: (Ruth 3:7) [b:Ruth 3:7] (Acts 1:1) [b:Acts 1:1] (Heb 2:14) [b:Heb 2:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. In de Evangeliën leest men, dat Christus het brood en de kelk nam. Nu moet men dat niet verstaan, zoals sommigen willen, dat Hij die alleen maar in Zijn handen nam, nee, Hij nam die, zoals Hij ze de anderen liet nemen. Daar Hij dus aan de leerlingen zei: "Neemt en eet" en daarna: "Neemt en drinkt", moet men die plaats zo verstaan, dat ook Hij zelf nam om te eten en te drinken. Sommigen geven dan ook het versje: "De Koning zit aan tafel, de twaalf zijn om Hem heen. Hij houdt Zich in Zijn handen, Hij voedt Zich met Zich zelf".
1e Weerlegging. In de Evangeliën leest men, dat Christus het brood en de kelk nam. Nu moet men dat niet verstaan, zoals sommigen willen, dat Hij die alleen maar in Zijn handen nam, nee, Hij nam die, zoals Hij ze de anderen liet nemen. Daar Hij dus aan de leerlingen zei: "Neemt en eet" en daarna: "Neemt en drinkt", moet men die plaats zo verstaan, dat ook Hij zelf nam om te eten en te drinken. Sommigen geven dan ook het versje: "De Koning zit aan tafel, de twaalf zijn om Hem heen. Hij houdt Zich in Zijn handen, Hij voedt Zich met Zich zelf".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (76° Kw. 5° Art.), heeft Christus, als tegenwoordig onder dit Sacrament, geen verhouding tot de plaats krachtens Zijn eigen afmetingen maar krachtens de afmetingen van de sacramentale gedaanten, met het gevolg dat overal, waar die gedaanten zijn, ook Christus Zelf is. Daar dus die gedaanten in de handen en de mond van Christus konden zijn, kon Christus Zelf helemaal in Zijn handen en in Zijn mond zijn. Dat had Hij niet gekund naar de verhouding, die Hij tot de plaats heeft krachtens Zijn eigen afmetingen.
R: q. 76 a. 5[t:iiia q. 76 a. 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 81 a. 3 co.[t:iiia q. 81 a. 3 co.]
2e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (76° Kw. 5° Art.), heeft Christus, als tegenwoordig onder dit Sacrament, geen verhouding tot de plaats krachtens Zijn eigen afmetingen maar krachtens de afmetingen van de sacramentale gedaanten, met het gevolg dat overal, waar die gedaanten zijn, ook Christus Zelf is. Daar dus die gedaanten in de handen en de mond van Christus konden zijn, kon Christus Zelf helemaal in Zijn handen en in Zijn mond zijn. Dat had Hij niet gekund naar de verhouding, die Hij tot de plaats heeft krachtens Zijn eigen afmetingen.
R: q. 76 a. 5[t:iiia q. 76 a. 5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 81 a. 3 co.[t:iiia q. 81 a. 3 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (79 Kw. 1 Art. 2 Antw.), is het uitwerksel van dit Sacrament niet alleen de vermeerdering van de genade als blijvende eigenschap, maar ook een in een daad beleefde geestelijke vreugde en zoetheid. Hoewel nu Christus geen vermeerdering van genade kreeg door de ontvangst van dit Sacrament, had Hij toch een zekere geestelijke vreugde op het ogenblik van de instelling van dit Sacrament. Hij zei dan ook Zelf: "Met grote begeerte heb Ik verlangd dit Paasmaal met u te eten" (Luc. 22. 15), woorden, die door Eusebius worden uitgelegd van het Nieuwe Geheim van dit Nieuwe Verbond, dat Hij aan de leerlingen gaf. En dus heeft Hij geestelijk gegeten. En insgelijks sacramenteel, voorzover Hij Zijn Lichaam nuttigde onder het Sacrament, dat Hij begreep en instelde als Sacrament van Zijn Lichaam. Maar anders dan de overigen sacramenteel en geestelijk eten, die namelijk een vermeerdering van de genade krijgen en de sacramentale tekens behoeven om de waarheid te vatten.
R: q. 79 a. 1 ad 2[t:iiia q. 79 a. 1 ad 2]
3e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (79 Kw. 1 Art. 2 Antw.), is het uitwerksel van dit Sacrament niet alleen de vermeerdering van de genade als blijvende eigenschap, maar ook een in een daad beleefde geestelijke vreugde en zoetheid. Hoewel nu Christus geen vermeerdering van genade kreeg door de ontvangst van dit Sacrament, had Hij toch een zekere geestelijke vreugde op het ogenblik van de instelling van dit Sacrament. Hij zei dan ook Zelf: "Met grote begeerte heb Ik verlangd dit Paasmaal met u te eten" (Luc. 22. 15), woorden, die door Eusebius worden uitgelegd van het Nieuwe Geheim van dit Nieuwe Verbond, dat Hij aan de leerlingen gaf. En dus heeft Hij geestelijk gegeten. En insgelijks sacramenteel, voorzover Hij Zijn Lichaam nuttigde onder het Sacrament, dat Hij begreep en instelde als Sacrament van Zijn Lichaam. Maar anders dan de overigen sacramenteel en geestelijk eten, die namelijk een vermeerdering van de genade krijgen en de sacramentale tekens behoeven om de waarheid te vatten.
R: q. 79 a. 1 ad 2[t:iiia q. 79 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Heeft Christus Zijn Lichaam gegeven aan Judas?
IIIa q. 81 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus Zijn Lichaam niet heeft gegeven aan Judas. Men leert immers in Mattheus (26. 29), dat de Heer, na aan de leerlingen Zijn Lichaam en Bloed gegeven te hebben, hun zei: "Voorwaar, Ik zal van dit gewas van de wijnstok niet meer drinken tot op de dag, dat Ik het nieuw met u drinken zal in het Rijk van Mijn Vader". Hieruit schijnt te volgen, dat degenen, aan wie Hij Zijn Lichaam en Bloed gegeven had, wederom met Hem zouden drinken. Maar Judas heeft later niet meer met Hem gedronken. Dus heeft hij niet met de andere leerlingen het Lichaam en Bloed van Christus ontvangen.
B: (Matt 26:29) [b:Matt 26:29]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat Christus Zijn Lichaam niet heeft gegeven aan Judas. Men leert immers in Mattheus (26. 29), dat de Heer, na aan de leerlingen Zijn Lichaam en Bloed gegeven te hebben, hun zei: "Voorwaar, Ik zal van dit gewas van de wijnstok niet meer drinken tot op de dag, dat Ik het nieuw met u drinken zal in het Rijk van Mijn Vader". Hieruit schijnt te volgen, dat degenen, aan wie Hij Zijn Lichaam en Bloed gegeven had, wederom met Hem zouden drinken. Maar Judas heeft later niet meer met Hem gedronken. Dus heeft hij niet met de andere leerlingen het Lichaam en Bloed van Christus ontvangen.
B: (Matt 26:29) [b:Matt 26:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De Heer heeft Zelf volbracht, wat Hij heeft bevolen, volgens de *Handelingen van de Apostelen* (1. 1): "Jesus begon te doen en te leren". Nu heeft Hij bevolen: "Wilt het heilige niet aan de honden geven". (*Matth.* 7. 6). Daar Hij dus wist, dat Judas een zondaar was, moet Hij hem Zijn Lichaam en Bloed wel niet hebben gegeven.
B: (Matt 7:6) [b:Matt 7:6] (Acts 1:1) [b:Acts 1:1]
Vervolgens. De Heer heeft Zelf volbracht, wat Hij heeft bevolen, volgens de *Handelingen van de Apostelen* (1. 1): "Jesus begon te doen en te leren". Nu heeft Hij bevolen: "Wilt het heilige niet aan de honden geven". (*Matth.* 7. 6). Daar Hij dus wist, dat Judas een zondaar was, moet Hij hem Zijn Lichaam en Bloed wel niet hebben gegeven.
B: (Matt 7:6) [b:Matt 7:6] (Acts 1:1) [b:Acts 1:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Er staat in het bijzonder opgetekend, dat Christus aan Judas ingedoopt brood heeft toegereikt (Joan. 13. 26). Heeft Hij hem dan Zijn Lichaam gegeven, dan heeft Hij dat wel gedaan onder die bete, vooral daar wij lezen (t. a. p.), dat "na de bete de Satan in hem kwam", waarbij Augustinus opmerkt: "Hieruit leren wij, hoe verschrikkelijk het is het goede slecht te ontvangen. Want als hij wordt gelakt, die niet onderscheidt d. w. z. het Lichaam des Heren niet onderkent van de overige spijzen, hoe zal dan hij niet veroordeeld worden, die, vijand zijnde, tot Zijn tafel nadert, als ware hij een vriend?" Welnu, onder de ingedoopte bete heeft hij het Lichaam van Christus niet ontvangen, want bij Joannes (13. 26): "Toen Hij het brood had ingedoopt, gaf Hij het aan Judas Iscariotes" zegt Augustinus: "men moet niet denken, zoals sommigen, die onnauwkeurig lezen, dat Judas toen het Lichaam van Christus heeft ontvangen". Dus schijnt Judas het Lichaam van Christus niet ontvangen te hebben.
B: (John 13:26, John 13:26) [b:John 13:26] (John 13:26, John 13:26) [b:John 13:26] (John 13:26, John 13:26) [b:John 13:26]
Vervolgens. Er staat in het bijzonder opgetekend, dat Christus aan Judas ingedoopt brood heeft toegereikt (Joan. 13. 26). Heeft Hij hem dan Zijn Lichaam gegeven, dan heeft Hij dat wel gedaan onder die bete, vooral daar wij lezen (t. a. p.), dat "na de bete de Satan in hem kwam", waarbij Augustinus opmerkt: "Hieruit leren wij, hoe verschrikkelijk het is het goede slecht te ontvangen. Want als hij wordt gelakt, die niet onderscheidt d. w. z. het Lichaam des Heren niet onderkent van de overige spijzen, hoe zal dan hij niet veroordeeld worden, die, vijand zijnde, tot Zijn tafel nadert, als ware hij een vriend?" Welnu, onder de ingedoopte bete heeft hij het Lichaam van Christus niet ontvangen, want bij Joannes (13. 26): "Toen Hij het brood had ingedoopt, gaf Hij het aan Judas Iscariotes" zegt Augustinus: "men moet niet denken, zoals sommigen, die onnauwkeurig lezen, dat Judas toen het Lichaam van Christus heeft ontvangen". Dus schijnt Judas het Lichaam van Christus niet ontvangen te hebben.
B: (John 13:26, John 13:26) [b:John 13:26] (John 13:26, John 13:26) [b:John 13:26] (John 13:26, John 13:26) [b:John 13:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter, wat Chrysostomus zegt: "Judas is, toen hij deelachtig werd aan de geheimen, niet bekeerd. Dat betekent een tweevoudige verzwaring van zijn misdaad, in zover hij namelijk zulk een plan koesterend tot de geheimen naderde en naderende zich niet verbeterde noch uit vrees, noch om die weldaad, noch om die eer".
Daartegenover staat echter, wat Chrysostomus zegt: "Judas is, toen hij deelachtig werd aan de geheimen, niet bekeerd. Dat betekent een tweevoudige verzwaring van zijn misdaad, in zover hij namelijk zulk een plan koesterend tot de geheimen naderde en naderende zich niet verbeterde noch uit vrees, noch om die weldaad, noch om die eer".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 2 co.
Mijn antwoord. Hilarius heeft gemeend, dat Christus aan Judas Zijn Lichaam en Bloed niet heeft gegeven. En dat zou inderdaad zeer terecht geweest zijn, gerekend naar Judas’ boosheid. Maar daar Christus voor ons het voorbeeld van rechtvaardigheid moest zijn, kwam het met Zijn leeraarschap niet overeen de geheime zondaar Judas zonder beschuldiger en overtuigend bewijs van de communie der anderen te verwijderen, opdat daardoor geen voorbeeld zou gegeven worden aan de gezagsdragers der Kerk om iets dergelijks te doen en Judas zelf, verbitterd, in dat feit een aanleiding tot zonde gevonden zou hebben. En dus moet men houden, dat Judas met de andere leerlingen het Lichaam des Heren heeft ontvangen, zoals Dionysius zegt en Augustinus.
B: (Matt 26:17) [b:Matt 26:17]
Mijn antwoord. Hilarius heeft gemeend, dat Christus aan Judas Zijn Lichaam en Bloed niet heeft gegeven. En dat zou inderdaad zeer terecht geweest zijn, gerekend naar Judas’ boosheid. Maar daar Christus voor ons het voorbeeld van rechtvaardigheid moest zijn, kwam het met Zijn leeraarschap niet overeen de geheime zondaar Judas zonder beschuldiger en overtuigend bewijs van de communie der anderen te verwijderen, opdat daardoor geen voorbeeld zou gegeven worden aan de gezagsdragers der Kerk om iets dergelijks te doen en Judas zelf, verbitterd, in dat feit een aanleiding tot zonde gevonden zou hebben. En dus moet men houden, dat Judas met de andere leerlingen het Lichaam des Heren heeft ontvangen, zoals Dionysius zegt en Augustinus.
B: (Matt 26:17) [b:Matt 26:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Dat is het bewijs van Hilarius waarmee hij wil aantonen, dat Judas het Lichaam van Christus niet heeft genutigd. Het is evenwel niet dwingend, want Christus spreekt tot de leerlingen, van wier getal Judas zich zelf heeft afgescheiden. Christus heeft hem niet uitgesloten en dus drinkt Christus, voorzover het van Hem afhangt, ook met Judas wijn in het Rijk Gods. Maar Judas zelf heeft dat gastmaal versmaad.
1e Weerlegging. Dat is het bewijs van Hilarius waarmee hij wil aantonen, dat Judas het Lichaam van Christus niet heeft genutigd. Het is evenwel niet dwingend, want Christus spreekt tot de leerlingen, van wier getal Judas zich zelf heeft afgescheiden. Christus heeft hem niet uitgesloten en dus drinkt Christus, voorzover het van Hem afhangt, ook met Judas wijn in het Rijk Gods. Maar Judas zelf heeft dat gastmaal versmaad.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Judas’ slechtheid was bekend aan Christus als God, maar zij was Hem niet bekend langs de weg, waarlangs mensen iets te weten komen. En daarom heeft Christus Judas niet afgehouden van de communie, opdat Hij het voorbeeld zou geven, dat zulke geheime zondaars ook door de andere priesters niet moeten worden geweerd.
2e Weerlegging. Judas’ slechtheid was bekend aan Christus als God, maar zij was Hem niet bekend langs de weg, waarlangs mensen iets te weten komen. En daarom heeft Christus Judas niet afgehouden van de communie, opdat Hij het voorbeeld zou geven, dat zulke geheime zondaars ook door de andere priesters niet moeten worden geweerd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Ongetwijfeld heeft Judas met het ingedoopte brood niet het Lichaam van Christus gegeten maar gewoon brood. "Maar misschien wordt door het ingedoopte brood» aldus Augustinus "het bedrog van Judas aangeduid; somtijds immers wordt iets ingedoopt om een andere kleur te krijgen. Indien evenwel het indopen hier iets goeds betekent» nl. de zoetheid der goddelijke goedheid: het brood immers wordt smakelijker door het indopen "dan is voor hem, die tegenover dit goed ondankbaar was, zeer juist de veroordeling gevolgd». En om deze ondankbaarheid "is datgene wat goed was voor hem een kwaad geworden», gelijk dat ook geschiedt met hen, die het Lichaam van Christus onwaardig ontvangen. Overigens: "men moet het zo verstaan» aldus Augustinus "dat de Heer reeds van tevoren aan al Zijn leerlingen het Sacrament van Zijn Lichaam en Bloed had uitgereikt, waarbij ook Judas was geweest, zoals Lucas verhaalt; pas daarna gebeurde het, dat de Heer, volgens het verhaal van Johannes, door de ingedoopte en toegereikte bete de verrader aanwees".
3e Weerlegging. Ongetwijfeld heeft Judas met het ingedoopte brood niet het Lichaam van Christus gegeten maar gewoon brood. "Maar misschien wordt door het ingedoopte brood» aldus Augustinus "het bedrog van Judas aangeduid; somtijds immers wordt iets ingedoopt om een andere kleur te krijgen. Indien evenwel het indopen hier iets goeds betekent» nl. de zoetheid der goddelijke goedheid: het brood immers wordt smakelijker door het indopen "dan is voor hem, die tegenover dit goed ondankbaar was, zeer juist de veroordeling gevolgd». En om deze ondankbaarheid "is datgene wat goed was voor hem een kwaad geworden», gelijk dat ook geschiedt met hen, die het Lichaam van Christus onwaardig ontvangen. Overigens: "men moet het zo verstaan» aldus Augustinus "dat de Heer reeds van tevoren aan al Zijn leerlingen het Sacrament van Zijn Lichaam en Bloed had uitgereikt, waarbij ook Judas was geweest, zoals Lucas verhaalt; pas daarna gebeurde het, dat de Heer, volgens het verhaal van Johannes, door de ingedoopte en toegereikte bete de verrader aanwees".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Heelt Christus Zijn Lichaam als onlijdbaar genuttigd en aan de leerlingen gegeven?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 81 a. 4 co.[t:iiia q. 81 a. 4 co.]
IIIa q. 81 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Jesus Zijn Lichaam als onlijdbaar genutigd en aan de leerlingen gegeven heeft. Bij Mattheus (17.2): "Hij werd voor hun ogen van aanschijn veranderd" zegt een Glossa: "Dat Lichaam, dat Hij van nature had, gaf Hij bij het Avondmaal aan de leerlingen, maar niet sterfelijk en lijdbaar". En bij het Boek Leviticus (2.5): "Als een offergave van de pan komt" zegt de Glossa: "Het Kruis heeft, sterk boven alles als het is, het Vlees van Christus, dat vóór het lijden niet geschikt was om te eten, van dat ogenblik af eetbaar gemaakt". Welnu, Christus heeft Zijn Lichaam als geschikt om te eten gegeven. Dus heeft Hij het zo gegeven, als het was na het lijden d.w.z. onlijdbaar en onsterfelijk.
B: (Lev 2:5) [b:Lev 2:5] (Matt 17:2) [b:Matt 17:2]
IIIa q. 81 a. 4 co.[t:iiia q. 81 a. 4 co.]
IIIa q. 81 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat Jesus Zijn Lichaam als onlijdbaar genutigd en aan de leerlingen gegeven heeft. Bij Mattheus (17.2): "Hij werd voor hun ogen van aanschijn veranderd" zegt een Glossa: "Dat Lichaam, dat Hij van nature had, gaf Hij bij het Avondmaal aan de leerlingen, maar niet sterfelijk en lijdbaar". En bij het Boek Leviticus (2.5): "Als een offergave van de pan komt" zegt de Glossa: "Het Kruis heeft, sterk boven alles als het is, het Vlees van Christus, dat vóór het lijden niet geschikt was om te eten, van dat ogenblik af eetbaar gemaakt". Welnu, Christus heeft Zijn Lichaam als geschikt om te eten gegeven. Dus heeft Hij het zo gegeven, als het was na het lijden d.w.z. onlijdbaar en onsterfelijk.
B: (Lev 2:5) [b:Lev 2:5] (Matt 17:2) [b:Matt 17:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Een lijdbaar lichaam lijdt als het in aanraking komt met iets anders en als het gegeten wordt. Als dus het Lichaam van Christus lijdbaar was geweest, zou het geleden hebben, toen het door de leerlingen werd aangeraakt en gegeten.
Vervolgens. Een lijdbaar lichaam lijdt als het in aanraking komt met iets anders en als het gegeten wordt. Als dus het Lichaam van Christus lijdbaar was geweest, zou het geleden hebben, toen het door de leerlingen werd aangeraakt en gegeten.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 3 arg. 3
Vervolgens. De sacramentale woorden hebben, nu ze worden uitgesproken door een priester in de persoon van Christus, geen grotere kracht dan toen ze werden uitgesproken door Christus Zelf. Welnu, tegenwoordig wordt door de kracht van de sacramentale woorden op het altaar het Lichaam van Christus als onlijdbaar en onsterfelijk geconsacreerd. Dus toen veel meer.
Vervolgens. De sacramentale woorden hebben, nu ze worden uitgesproken door een priester in de persoon van Christus, geen grotere kracht dan toen ze werden uitgesproken door Christus Zelf. Welnu, tegenwoordig wordt door de kracht van de sacramentale woorden op het altaar het Lichaam van Christus als onlijdbaar en onsterfelijk geconsacreerd. Dus toen veel meer.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter het gezegde van Innocentius III: "Hij gaf hun het Lichaam, zoals Hij het toen had". Welnu, toen had Hij een lijdbaar en sterfelijk Lichaam. Dus heeft Hij aan de leerlingen een lijdbaar en sterfelijk Lichaam gegeven.
Daartegenover staat echter het gezegde van Innocentius III: "Hij gaf hun het Lichaam, zoals Hij het toen had". Welnu, toen had Hij een lijdbaar en sterfelijk Lichaam. Dus heeft Hij aan de leerlingen een lijdbaar en sterfelijk Lichaam gegeven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 3 co.
Mijn antwoord. Hugo van Sint Victor heeft gemeend, dat Christus reeds vóór zijn lijden op verschillende tijdstippen de vier eigenschappen van het verheerlijkte lichaam heeft aangenomen en wel de ijlheid bij de geboorte, toen Hij de gesloten schoot van de Maagd verliet; de gezwindheid, toen Hij droogvoets over de zee wandelde; de schittering, toen Hij van aanschijn veranderde; de onlijdbaarheid bij het Avondmaal, toen Hij Zijn Lichaam te eten gaf aan de leerlingen. Volgens deze opvatting heeft Hij dus Zijn Lichaam als onlijdbaar en onsterfelijk gegeven. Maar wat ook zij van de overige punten, waarover boven gezegd is (28' Kw. 2' Art. 3' Antw.; 45° Kw. 2° Art.), wat men ervan te denken heeft, is toch in ieder geval het beweerde over onlijdbaarheid iets onmogelijks. Want het is zonneklaar, dat het één en hetzelfde waarachtig Lichaam van Christus was, wat toen door de leerlingen onder eigen gedaante werd gezien en onder de gedaante van het Sacrament werd genuttigd. Nu was het, zoals het in eigen gedaante werd gezien, niet onlijdbaar; integendeel, het was lijdensbereid. Dus was ook het Lichaam van Christus, dat onder de gedaante van het Sacrament werd gegeven, niet onlijdbaar. Wel was het in zich lijdbare op onlijdbare wijze onder de gedaante van het Sacrament, zoals het in zich zichtbare er op onzichtbare wijze was. Zoals immers het zien de aanraking vereist van het geziene ding door het omringende gezichts midden, zo vereist het lijden de aanraking van het lijdende ding door datgene, wat er op inwerkt. Nu heeft, zoals boven gezegd is (1° Art. 2° Antw.; 76° Kw. 5° Art.), het Lichaam van Christus, als tegenwoordig in dit Sacrament, geen verhouding tot de omringende voorwerpen krachtens de eigen afmetingen — en daardoor toch raken de dingen elkaar aan — maar krachtens de afmetingen van het brood en de wijn. En dus zijn het die gedaanten, die lijden en gezien worden, niet het Lichaam zelf van Christus.
R: q. 28 a. 2 ad 3[t:iiia q. 28 a. 2 ad 3] q. 45 a. 2[t:iiia q. 45 a. 2] q. 81 a. 1 ad 2[t:iiia q. 81 a. 1 ad 2] q. 76 a. 5[t:iiia q. 76 a. 5]
Mijn antwoord. Hugo van Sint Victor heeft gemeend, dat Christus reeds vóór zijn lijden op verschillende tijdstippen de vier eigenschappen van het verheerlijkte lichaam heeft aangenomen en wel de ijlheid bij de geboorte, toen Hij de gesloten schoot van de Maagd verliet; de gezwindheid, toen Hij droogvoets over de zee wandelde; de schittering, toen Hij van aanschijn veranderde; de onlijdbaarheid bij het Avondmaal, toen Hij Zijn Lichaam te eten gaf aan de leerlingen. Volgens deze opvatting heeft Hij dus Zijn Lichaam als onlijdbaar en onsterfelijk gegeven. Maar wat ook zij van de overige punten, waarover boven gezegd is (28' Kw. 2' Art. 3' Antw.; 45° Kw. 2° Art.), wat men ervan te denken heeft, is toch in ieder geval het beweerde over onlijdbaarheid iets onmogelijks. Want het is zonneklaar, dat het één en hetzelfde waarachtig Lichaam van Christus was, wat toen door de leerlingen onder eigen gedaante werd gezien en onder de gedaante van het Sacrament werd genuttigd. Nu was het, zoals het in eigen gedaante werd gezien, niet onlijdbaar; integendeel, het was lijdensbereid. Dus was ook het Lichaam van Christus, dat onder de gedaante van het Sacrament werd gegeven, niet onlijdbaar. Wel was het in zich lijdbare op onlijdbare wijze onder de gedaante van het Sacrament, zoals het in zich zichtbare er op onzichtbare wijze was. Zoals immers het zien de aanraking vereist van het geziene ding door het omringende gezichts midden, zo vereist het lijden de aanraking van het lijdende ding door datgene, wat er op inwerkt. Nu heeft, zoals boven gezegd is (1° Art. 2° Antw.; 76° Kw. 5° Art.), het Lichaam van Christus, als tegenwoordig in dit Sacrament, geen verhouding tot de omringende voorwerpen krachtens de eigen afmetingen — en daardoor toch raken de dingen elkaar aan — maar krachtens de afmetingen van het brood en de wijn. En dus zijn het die gedaanten, die lijden en gezien worden, niet het Lichaam zelf van Christus.
R: q. 28 a. 2 ad 3[t:iiia q. 28 a. 2 ad 3] q. 45 a. 2[t:iiia q. 45 a. 2] q. 81 a. 1 ad 2[t:iiia q. 81 a. 1 ad 2] q. 76 a. 5[t:iiia q. 76 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Er wordt gezegd, dat Christus in het Avondmaal Zijn Lichaam niet als sterfelijk en lijdbaar heeft gegeven, omdat Hij het niet op sterfelijke en lijdbare wijze heeft gegeven. Het Kruis heeft het Vlees van Christus geschikt tot eten gemaakt, voorzover het het lijden van Christus is, wat door dit Sacrament wordt verbeeld.
1e Weerlegging. Er wordt gezegd, dat Christus in het Avondmaal Zijn Lichaam niet als sterfelijk en lijdbaar heeft gegeven, omdat Hij het niet op sterfelijke en lijdbare wijze heeft gegeven. Het Kruis heeft het Vlees van Christus geschikt tot eten gemaakt, voorzover het het lijden van Christus is, wat door dit Sacrament wordt verbeeld.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Die redenering zou opgaan, indien het Lichaam van Christus, gelijk het lijdbaar was, zo ook op lijdzame wijze in dit Sacrament tegenwoordig geweest was.
2e Weerlegging. Die redenering zou opgaan, indien het Lichaam van Christus, gelijk het lijdbaar was, zo ook op lijdzame wijze in dit Sacrament tegenwoordig geweest was.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (76° Kw. 4° Art.), zijn de bijkomstigheden van het Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig uit verbondenheid in de werkelijkheid, niet uit kracht van het Sacrament, zoals dat wel het geval is met de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. En dus gaat de kracht van de sacramentale woorden slechts zover, dat onder het Sacrament het Lichaam van Christus is, onverschillig welke bijkomstigheden in de werkelijkheid daarin gevonden worden.
R: q. 76 a. 4[t:iiia q. 76 a. 4]
3e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (76° Kw. 4° Art.), zijn de bijkomstigheden van het Lichaam van Christus in dit Sacrament aanwezig uit verbondenheid in de werkelijkheid, niet uit kracht van het Sacrament, zoals dat wel het geval is met de zelfstandigheid van het Lichaam van Christus. En dus gaat de kracht van de sacramentale woorden slechts zover, dat onder het Sacrament het Lichaam van Christus is, onverschillig welke bijkomstigheden in de werkelijkheid daarin gevonden worden.
R: q. 76 a. 4[t:iiia q. 76 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Zou Christus in dit Sacrament gestorven zijn, als het tijdens Zijn dood in de ciborie was bewaard gebleven of door een der Apostelen was geconsecreerd geworden?
IIIa q. 81 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus in dit Sacrament niet zou zijn gestorven, als het tijdens Zijn dood in de ciborie was bewaard gebleven of door een der Apostelen was geconsacreerd geworden. De dood van Christus immers had plaats door Zijn lijden. Welnu, Christus was ook toen op onlijdbare wijze in dit Sacrament aanwezig. Dus kon Hij in dit Sacrament niet sterven.
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat Christus in dit Sacrament niet zou zijn gestorven, als het tijdens Zijn dood in de ciborie was bewaard gebleven of door een der Apostelen was geconsacreerd geworden. De dood van Christus immers had plaats door Zijn lijden. Welnu, Christus was ook toen op onlijdbare wijze in dit Sacrament aanwezig. Dus kon Hij in dit Sacrament niet sterven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Bij de dood van Christus werd Zijn Bloed van het Lichaam gescheiden. In dit Sacrament echter is het Lichaam van Christus met het Bloed. Dus zou Christus in dit Sacrament niet gestorven zijn.
Vervolgens. Bij de dood van Christus werd Zijn Bloed van het Lichaam gescheiden. In dit Sacrament echter is het Lichaam van Christus met het Bloed. Dus zou Christus in dit Sacrament niet gestorven zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 4 arg. 3
Vervolgens. De dood heeft plaats door de scheiding van de ziel van het lichaam. In dit sacrament echter is zowel het lichaam als de ziel van Christus. Dus kon Christus in dit sacrament niet sterven.
Vervolgens. De dood heeft plaats door de scheiding van de ziel van het lichaam. In dit sacrament echter is zowel het lichaam als de ziel van Christus. Dus kon Christus in dit sacrament niet sterven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat dezelfde Christus, die op het Kruis was, in dit Sacrament zou geweest is. Nu stierf Hij op het Kruis. Dus zou Hij ook gestorven zijn in het Sacrament, als dat bewaard was gebleven.
Daartegenover staat echter, dat dezelfde Christus, die op het Kruis was, in dit Sacrament zou geweest is. Nu stierf Hij op het Kruis. Dus zou Hij ook gestorven zijn in het Sacrament, als dat bewaard was gebleven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 4 co.
Mijn antwoord. Het Lichaam van Christus in dit Sacrament en onder eigen gedaante is één naar de zelfstandigheid maar niet naar de wijze van zijn. Want in eigen gedaante raakt het de omringende lichamen door de eigen afmetingen, hetgeen niet waar is, voorzover Hij in dit Sacrament is, gelijk boven gezegd is (3° Art.). Alles dus, wat Christus in Zich betreft, kan van Hem worden uitgezegd, zoals Hij is in eigen gedaante én zoals Hij is in het Sacrament b.v. leven, sterven, bedroefd zijn. bezield of onbezield zijn enz. Maar alles, wat Hem toekomt krachtens betrekking tot de lichamen buiten Hem, kan van Hem worden uitgezegd, zoals Hij is in eigen gedaante, niet echter zoals Hij is in het Sacrament b.v. bespot worden, bespuwd worden, gekruisigd worden, gegeeseld worden enz. Sommigen geven dan ook het versje: "Aan Hem, die wordt bewaard in de ciborie, kunt gij toeschrijven een innerlijke pijn; maar een van buiten komende is Hem vreemd".
R: q. 81 a. 3[t:iiia q. 81 a. 3]
Mijn antwoord. Het Lichaam van Christus in dit Sacrament en onder eigen gedaante is één naar de zelfstandigheid maar niet naar de wijze van zijn. Want in eigen gedaante raakt het de omringende lichamen door de eigen afmetingen, hetgeen niet waar is, voorzover Hij in dit Sacrament is, gelijk boven gezegd is (3° Art.). Alles dus, wat Christus in Zich betreft, kan van Hem worden uitgezegd, zoals Hij is in eigen gedaante én zoals Hij is in het Sacrament b.v. leven, sterven, bedroefd zijn. bezield of onbezield zijn enz. Maar alles, wat Hem toekomt krachtens betrekking tot de lichamen buiten Hem, kan van Hem worden uitgezegd, zoals Hij is in eigen gedaante, niet echter zoals Hij is in het Sacrament b.v. bespot worden, bespuwd worden, gekruisigd worden, gegeeseld worden enz. Sommigen geven dan ook het versje: "Aan Hem, die wordt bewaard in de ciborie, kunt gij toeschrijven een innerlijke pijn; maar een van buiten komende is Hem vreemd".
R: q. 81 a. 3[t:iiia q. 81 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. Zoals gezegd is (in de Leerst.), komt lijden aan het lijdende lichaam toe krachtens verhouding tot iets, dat van buitenaf inwerkt. En dus kan Christus, als onder dit Sacrament tegenwoordig, niet lijden. Maar wel kan Hij sterven.
1e Weerlegging. Zoals gezegd is (in de Leerst.), komt lijden aan het lijdende lichaam toe krachtens verhouding tot iets, dat van buitenaf inwerkt. En dus kan Christus, als onder dit Sacrament tegenwoordig, niet lijden. Maar wel kan Hij sterven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (76e Kw. 2e Art.), is uit kracht van de consecratie onder de gedaante van het brood het Lichaam van Christus, onder de gedaante van de wijn het Bloed van Christus. In onze tijd echter, nu het Bloed van Christus in de werkelijkheid niet is gescheiden van Zijn Lichaam, is onder de gedaante van het brood het Bloed van Christus te samen met het Lichaam en onder de gedaante van de wijn het Lichaam te samen met het Bloed. Maar als dit Sacrament geconsacreerd was geworden tijdens het lijden van Christus, toen het Bloed in werkelijkheid gescheiden werd van het Lichaam van Christus, dan zou onder de gedaante van het brood alleen maar het Lichaam en onder de gedaante van de wijn alleen maar het Bloed geweest zijn.
R: q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2]
2e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (76e Kw. 2e Art.), is uit kracht van de consecratie onder de gedaante van het brood het Lichaam van Christus, onder de gedaante van de wijn het Bloed van Christus. In onze tijd echter, nu het Bloed van Christus in de werkelijkheid niet is gescheiden van Zijn Lichaam, is onder de gedaante van het brood het Bloed van Christus te samen met het Lichaam en onder de gedaante van de wijn het Lichaam te samen met het Bloed. Maar als dit Sacrament geconsacreerd was geworden tijdens het lijden van Christus, toen het Bloed in werkelijkheid gescheiden werd van het Lichaam van Christus, dan zou onder de gedaante van het brood alleen maar het Lichaam en onder de gedaante van de wijn alleen maar het Bloed geweest zijn.
R: q. 76 a. 2[t:iiia q. 76 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 81 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (76° Kw. 1° Art. 1° Antw.), is de Ziel van Christus in dit Sacrament krachtens de verbondenheid in de werkelijkheid (zij is immers niet zonder het Lichaam), niet krachtens de consecratie. Als dus dit Sacrament was geconsacreerd geworden of was bewaard gebleven in die tijd, toen de Ziel in de werkelijkheid van het Lichaam gescheiden was, dan zou de Ziel van Christus niet onder dit Sacrament zijn tegenwoordig geweest, niet door een tekortschieten van de kracht der woorden, maar tengevolge van een andere toestand der betrokken zaak.
R: q. 76 a. 1 ad 1[t:iiia q. 76 a. 1 ad 1]
3e Weerlegging. Zoals boven gezegd is (76° Kw. 1° Art. 1° Antw.), is de Ziel van Christus in dit Sacrament krachtens de verbondenheid in de werkelijkheid (zij is immers niet zonder het Lichaam), niet krachtens de consecratie. Als dus dit Sacrament was geconsacreerd geworden of was bewaard gebleven in die tijd, toen de Ziel in de werkelijkheid van het Lichaam gescheiden was, dan zou de Ziel van Christus niet onder dit Sacrament zijn tegenwoordig geweest, niet door een tekortschieten van de kracht der woorden, maar tengevolge van een andere toestand der betrokken zaak.
R: q. 76 a. 1 ad 1[t:iiia q. 76 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 82: Over de bedienaar van dit Sacrament
IIIa q. 82 pr.
Vervolgens moet gesproken worden over de bedienaar van dit Sacrament. Daaromtrent stellen wij tien vragen.
1. Is het consacreren van dit Sacrament eigen aan de priester?
2. Kunnen verschillende priesters tegelijk eenzelfde hostie consacreren?
3. Komt het toedienen van dit Sacrament alleen aan de priester toe?
4. Mag de priester, die consecreert, zich van de communie onthouden?
5. Kan een zondig priester dit Sacrament tot stand brengen?
6. Heeft de mis van een slecht priester minder waarde dan die van een goed priester?
7. Kunnen ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden dit Sacrament tot stand brengen?
8. Kunnen gedegradeerde priesters het?
9. Zondigen zij, die van dergelijke mensen de communie ontvangen?
10. Mag de priester zich geheel onthouden van het consacreren der Eucharistie?
Vervolgens moet gesproken worden over de bedienaar van dit Sacrament. Daaromtrent stellen wij tien vragen.
1. Is het consacreren van dit Sacrament eigen aan de priester?
2. Kunnen verschillende priesters tegelijk eenzelfde hostie consacreren?
3. Komt het toedienen van dit Sacrament alleen aan de priester toe?
4. Mag de priester, die consecreert, zich van de communie onthouden?
5. Kan een zondig priester dit Sacrament tot stand brengen?
6. Heeft de mis van een slecht priester minder waarde dan die van een goed priester?
7. Kunnen ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden dit Sacrament tot stand brengen?
8. Kunnen gedegradeerde priesters het?
9. Zondigen zij, die van dergelijke mensen de communie ontvangen?
10. Mag de priester zich geheel onthouden van het consacreren der Eucharistie?
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Is de consecratie van dit Sacrament eigen aan de priester?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 82 a. 2 co.
IIIa q. 82 a. 3 co.
IIIa q. 82 a. 5 co.
IIIa q. 83 a. 1 ad 3
IIIa q. 83 a. 4 arg. 6[t:iiia q. 82 a. 2 co.][t:iiia q. 82 a. 3 co.][t:iiia q. 82 a. 5 co.][t:iiia q. 83 a. 1 ad 3][t:iiia q. 83 a. 4 arg. 6]
IIIa q. 82 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de consecratie van dit Sacrament niet eigen is aan de priester. Boven (78e Kw. 4e Art.) toch is gezegd, dat dit Sacrament geconsacreerd wordt door de kracht van de woorden, die de vorm zijn van dit Sacrament. Maar aan deze woorden verandert niets of zij gezegd worden door een priester of door een ander. Daarom schijnt niet alleen een priester maar ook iedere ander dit Sacrament te kunnen consacreren.
R: q. 78 a. 4[t:iiia q. 78 a. 4]
IIIa q. 82 a. 2 co.
IIIa q. 82 a. 3 co.
IIIa q. 82 a. 5 co.
IIIa q. 83 a. 1 ad 3
IIIa q. 83 a. 4 arg. 6[t:iiia q. 82 a. 2 co.][t:iiia q. 82 a. 3 co.][t:iiia q. 82 a. 5 co.][t:iiia q. 83 a. 1 ad 3][t:iiia q. 83 a. 4 arg. 6]
IIIa q. 82 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat de consecratie van dit Sacrament niet eigen is aan de priester. Boven (78e Kw. 4e Art.) toch is gezegd, dat dit Sacrament geconsacreerd wordt door de kracht van de woorden, die de vorm zijn van dit Sacrament. Maar aan deze woorden verandert niets of zij gezegd worden door een priester of door een ander. Daarom schijnt niet alleen een priester maar ook iedere ander dit Sacrament te kunnen consacreren.
R: q. 78 a. 4[t:iiia q. 78 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De priester brengt dit sacrament tot stand in de persoon van Christus. Maar een heilige leek is met Christus verbonden door de liefde. Dus kan ook een leek dit sacrament tot stand brengen. Vandaar dan ook zegt Chrysostomus: "Elke heilige is priester".
Vervolgens. De priester brengt dit sacrament tot stand in de persoon van Christus. Maar een heilige leek is met Christus verbonden door de liefde. Dus kan ook een leek dit sacrament tot stand brengen. Vandaar dan ook zegt Chrysostomus: "Elke heilige is priester".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Evenals het doopsel gericht is op het heil van de mensen, zo ook dit sacrament, wat blijkt uit hetgeen boven (74° Kw. 1° Art.; 79° Kw. 2° Art.) gezegd werd. Maar dopen kan ook een leek, zoals vroeger (67° Kw. 3° Art.) geleerd werd. Dus is het niet alleen de priester, die dit sacrament tot stand kan brengen.
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1] q. 79 a. 2[t:iiia q. 79 a. 2] q. 67 a. 3[t:iiia q. 67 a. 3]
Vervolgens. Evenals het doopsel gericht is op het heil van de mensen, zo ook dit sacrament, wat blijkt uit hetgeen boven (74° Kw. 1° Art.; 79° Kw. 2° Art.) gezegd werd. Maar dopen kan ook een leek, zoals vroeger (67° Kw. 3° Art.) geleerd werd. Dus is het niet alleen de priester, die dit sacrament tot stand kan brengen.
R: q. 74 a. 1[t:iiia q. 74 a. 1] q. 79 a. 2[t:iiia q. 79 a. 2] q. 67 a. 3[t:iiia q. 67 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 1 arg. 4
Vervolgens. Dit Sacrament wordt voltrokken door de consecratie van de stof. Nu komt de consecratie van andere stoffen, zoals van chrisma, heilige olie en gewijde olie, uitsluitend toe aan de bisschop en is toch niet van zoveel waarde als de consecratie van de Eucharistie, waarin de hele Christus vervat is. Dus is het niet eigen aan de priester, maar alleen aan de bisschop dit Sacrament tot stand te brengen.
Vervolgens. Dit Sacrament wordt voltrokken door de consecratie van de stof. Nu komt de consecratie van andere stoffen, zoals van chrisma, heilige olie en gewijde olie, uitsluitend toe aan de bisschop en is toch niet van zoveel waarde als de consecratie van de Eucharistie, waarin de hele Christus vervat is. Dus is het niet eigen aan de priester, maar alleen aan de bisschop dit Sacrament tot stand te brengen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter wat Isidorus zegt en wat ook een Decretaal leert: "Het tot stand brengen van het Sacrament van het Lichaam en Bloed des Heren behoort aan de priester".
Daartegenover staat echter wat Isidorus zegt en wat ook een Decretaal leert: "Het tot stand brengen van het Sacrament van het Lichaam en Bloed des Heren behoort aan de priester".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 1 co.
Mijn antwoord. Gelijk boven (78° Kw. 1° en 4° Art.) gezegd is, is dit Sacrament zo verheven, dat het niet tot stand gebracht wordt, tenzij in de persoon van Christus. Wie echter iets doet in de persoon van een ander, kan het alleen door de volmacht, welke die andere hem geschonken heeft. Evenals nu een gedoopte van Christus de macht krijgt dit Sacrament te ontvangen, zo wordt aan de priester bij zijn wijding de macht verleend om dit Sacrament in de persoon van Christus te consacreren. Door de wijding immers wordt hij opgenomen onder het getal van hen, tot wie Christus sprak: "Doet dit tot Mijnen gedachtenis». En dus moeten wij zeggen, dat het de priesters eigen is dit Sacrament tot stand te brengen.
B: (Luke 22:19) [b:Luke 22:19]
R: q. 78 a. 1[t:iiia q. 78 a. 1] q. 78 a. 4[t:iiia q. 78 a. 4]
Mijn antwoord. Gelijk boven (78° Kw. 1° en 4° Art.) gezegd is, is dit Sacrament zo verheven, dat het niet tot stand gebracht wordt, tenzij in de persoon van Christus. Wie echter iets doet in de persoon van een ander, kan het alleen door de volmacht, welke die andere hem geschonken heeft. Evenals nu een gedoopte van Christus de macht krijgt dit Sacrament te ontvangen, zo wordt aan de priester bij zijn wijding de macht verleend om dit Sacrament in de persoon van Christus te consacreren. Door de wijding immers wordt hij opgenomen onder het getal van hen, tot wie Christus sprak: "Doet dit tot Mijnen gedachtenis». En dus moeten wij zeggen, dat het de priesters eigen is dit Sacrament tot stand te brengen.
B: (Luke 22:19) [b:Luke 22:19]
R: q. 78 a. 1[t:iiia q. 78 a. 1] q. 78 a. 4[t:iiia q. 78 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. De kracht van een sacrament ligt in verschillende dingen en niet slechts in één: zo ligt de kracht van het doopsel in de woorden maar óók in het water. Op gelijke wijze ligt de kracht om te consacreren niet alleen in de woorden, maar ook in de macht aan de priester verleend bij zijn consecratie of wijding, als de bisschop tot hem zegt: "Ontvang de macht het Offer op te dragen in de Kerk voor levenden en voor doden». Immers ook de werktuigelijke kracht ligt in de verschillende werktuigen waarmee de hoofdwerker werkt.
1e Weerlegging. De kracht van een sacrament ligt in verschillende dingen en niet slechts in één: zo ligt de kracht van het doopsel in de woorden maar óók in het water. Op gelijke wijze ligt de kracht om te consacreren niet alleen in de woorden, maar ook in de macht aan de priester verleend bij zijn consecratie of wijding, als de bisschop tot hem zegt: "Ontvang de macht het Offer op te dragen in de Kerk voor levenden en voor doden». Immers ook de werktuigelijke kracht ligt in de verschillende werktuigen waarmee de hoofdwerker werkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Een leek in staat van genade is met Christus verbonden door de geestelijke band van geloof en liefde, echter niet van sacramentale volmacht. Daarom heeft hij een geestelijk priesterschap om geestelijke offers op te dragen, waarover in het Boek der Psalmen (Ps. 50. 19) gezegd wordt: "Een rouwmoedige ziel is een offer voor God", en in de Brief aan de Romeinen (12. 1): "Biedt uw lichamen aan als een levende offerande". Vandaar ook lezen wij in de Eerste Brief van Petrus (2. 5): "Een heilig priesterschap dat geestelijke offers brengt".
B: (Ps 51, 19, Ps 50:19) [b:Ps 51, 19] (Rom 12:1) [b:Rom 12:1] (1Pet 2:5) [b:1Pet 2:5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 69 a. 3 ad 3[t:iiia q. 69 a. 3 ad 3]
2e Weerlegging. Een leek in staat van genade is met Christus verbonden door de geestelijke band van geloof en liefde, echter niet van sacramentale volmacht. Daarom heeft hij een geestelijk priesterschap om geestelijke offers op te dragen, waarover in het Boek der Psalmen (Ps. 50. 19) gezegd wordt: "Een rouwmoedige ziel is een offer voor God", en in de Brief aan de Romeinen (12. 1): "Biedt uw lichamen aan als een levende offerande". Vandaar ook lezen wij in de Eerste Brief van Petrus (2. 5): "Een heilig priesterschap dat geestelijke offers brengt".
B: (Ps 51, 19, Ps 50:19) [b:Ps 51, 19] (Rom 12:1) [b:Rom 12:1] (1Pet 2:5) [b:1Pet 2:5]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 69 a. 3 ad 3[t:iiia q. 69 a. 3 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Het ontvangen van dit sacrament is niet zo noodzakelijk, als het ontvangen van het doopsel, zoals blijkt uit hetgeen vroeger (65° Kw. 3° en 4° Art.; 80° Kw. 11° Art. 2° Antw.) gezegd is. Al kan dus een leek in geval van nood dopen, daarom kan hij nog niet dit sacrament tot stand brengen.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4] q. 80 a. 11 ad 2[t:iiia q. 80 a. 11 ad 2]
3e Weerlegging. Het ontvangen van dit sacrament is niet zo noodzakelijk, als het ontvangen van het doopsel, zoals blijkt uit hetgeen vroeger (65° Kw. 3° en 4° Art.; 80° Kw. 11° Art. 2° Antw.) gezegd is. Al kan dus een leek in geval van nood dopen, daarom kan hij nog niet dit sacrament tot stand brengen.
R: q. 65 a. 3[t:iiia q. 65 a. 3] q. 65 a. 4[t:iiia q. 65 a. 4] q. 80 a. 11 ad 2[t:iiia q. 80 a. 11 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. De bisschop ontvangt de macht om in de persoon van Christus werkingen te verrichten ten opzichte van diens mystiek Lichaam d.w.z. de Kerk. Deze macht ontvangt de priester niet bij zijn wijding, al kan hij ze krijgen door opdracht van de bisschop. Daarom is wat niet behoort tot de beschikkingen over het mystiek Lichaam, ook niet voorbehouden aan de bisschop, zoals de consecratie van dit Sacrament. Aan de bisschop komt echter toe niet alleen aan het volk maar ook aan de priester te geven, datgene waarmee zij hun taak kunnen volbrengen. En omdat de zegening van het chrisma en de heilige olie en de ziekenolie en van al het andere wat geconsacreerd wordt, zoals altaar, kerkgewaden en vaatwerk, aan deze een zekere geschiktheid geeft om ermee de sacramenten te voltrekken, wat tot de taak van de priesters behoort, daarom zijn dergelijke consecraties voorbehouden aan de bisschop als aan het hoofd van de gehele kerkelijke rangorde.
4e Weerlegging. De bisschop ontvangt de macht om in de persoon van Christus werkingen te verrichten ten opzichte van diens mystiek Lichaam d.w.z. de Kerk. Deze macht ontvangt de priester niet bij zijn wijding, al kan hij ze krijgen door opdracht van de bisschop. Daarom is wat niet behoort tot de beschikkingen over het mystiek Lichaam, ook niet voorbehouden aan de bisschop, zoals de consecratie van dit Sacrament. Aan de bisschop komt echter toe niet alleen aan het volk maar ook aan de priester te geven, datgene waarmee zij hun taak kunnen volbrengen. En omdat de zegening van het chrisma en de heilige olie en de ziekenolie en van al het andere wat geconsacreerd wordt, zoals altaar, kerkgewaden en vaatwerk, aan deze een zekere geschiktheid geeft om ermee de sacramenten te voltrekken, wat tot de taak van de priesters behoort, daarom zijn dergelijke consecraties voorbehouden aan de bisschop als aan het hoofd van de gehele kerkelijke rangorde.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Kunnen verschillende priesters een en dezelfde hostie consecreren?
IIIa q. 82 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat verschillende priesters niet tegelijk een en dezelfde hostie kunnen consacreren. Boven (67° Kw. 6° Art.) is immers gezegd, dat verschillende personen niet tegelijk één mens kunnen dopen. Maar de macht om te consacreren is niet kleiner dan die om te dopen. Zo kunnen dus evenmin verschillende priesters tegelijk eenzelfde hostie consacreren.
R: q. 67 a. 6[t:iiia q. 67 a. 6]
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat verschillende priesters niet tegelijk een en dezelfde hostie kunnen consacreren. Boven (67° Kw. 6° Art.) is immers gezegd, dat verschillende personen niet tegelijk één mens kunnen dopen. Maar de macht om te consacreren is niet kleiner dan die om te dopen. Zo kunnen dus evenmin verschillende priesters tegelijk eenzelfde hostie consacreren.
R: q. 67 a. 6[t:iiia q. 67 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 2 arg. 2
Vervolgens. Het is iets overbodigs, wanneer verschillende mensen datgene doen, waarvoor één man voldoende is. Maar bij de sacramenten van Christus mag niet iets overbodigs voorkomen. Daar nu één priester volstaat om te consacreren, zullen verschillenden dus niet tegelijk eenzelfde hostie kunnen consacreren.
Vervolgens. Het is iets overbodigs, wanneer verschillende mensen datgene doen, waarvoor één man voldoende is. Maar bij de sacramenten van Christus mag niet iets overbodigs voorkomen. Daar nu één priester volstaat om te consacreren, zullen verschillenden dus niet tegelijk eenzelfde hostie kunnen consacreren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 2 arg. 3
Vervolgens. Zoals Augustinus zegt, is dit Sacrament “het Sacrament van de eenheid”. Aan de eenheid is echter tegengesteld de veelheid. Het is daarom minder passend dat verschillende priesters dezelfde hostie consacreren.
Vervolgens. Zoals Augustinus zegt, is dit Sacrament “het Sacrament van de eenheid”. Aan de eenheid is echter tegengesteld de veelheid. Het is daarom minder passend dat verschillende priesters dezelfde hostie consacreren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter de gewoonte van sommige Kerken dat de pasgewijde priesters tegelijk met de bisschop die hen wijdde, de Mis opdragen.
Daartegenover staat echter de gewoonte van sommige Kerken dat de pasgewijde priesters tegelijk met de bisschop die hen wijdde, de Mis opdragen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 2 co.
Mijn antwoord. Boven (1e Art.) is gezegd, dat de priester door zijn wijding gerangschikt wordt onder degenen, die bij het Avondmaal van Christus de macht om te consacreren ontvingen. En zo is het gebruik in sommige Kerken, dat de pasgewijden met hun bisschop tegelijk de Mis opdragen, evenals de Apostelen met Christus te zamen het Avondmaal vierden. Hierdoor wordt echter niet de consecratie over eenzelfde hostie herhaald, omdat zoals Innocentius III zegt "aller bedoeling gericht moet zijn op éénzelfde ogenblik van consacreren».
R: q. 82 a. 1[t:iiia q. 82 a. 1]
Mijn antwoord. Boven (1e Art.) is gezegd, dat de priester door zijn wijding gerangschikt wordt onder degenen, die bij het Avondmaal van Christus de macht om te consacreren ontvingen. En zo is het gebruik in sommige Kerken, dat de pasgewijden met hun bisschop tegelijk de Mis opdragen, evenals de Apostelen met Christus te zamen het Avondmaal vierden. Hierdoor wordt echter niet de consecratie over eenzelfde hostie herhaald, omdat zoals Innocentius III zegt "aller bedoeling gericht moet zijn op éénzelfde ogenblik van consacreren».
R: q. 82 a. 1[t:iiia q. 82 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. Men vindt nergens dat Christus tegelijk met de apostelen gedoopt heeft, toen Hij hun de macht verleende om te dopen. Dus gaat de vergelijking niet op.
1e Weerlegging. Men vindt nergens dat Christus tegelijk met de apostelen gedoopt heeft, toen Hij hun de macht verleende om te dopen. Dus gaat de vergelijking niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Indien elke priester uit eigen kracht zou handelen, zouden zij overbodig zijn, die met hem de Mis opdragen, omdat hij zou volstaan. Maar nu de priester alleen maar in de persoon van Christus consecreert en allen één zijn in Christus, maakt het geen verschil uit of één of verschillenden tegelijk dit Sacrament consecreren; alleen moet de ritus van de Kerk gehandhaafd blijven.
B: (Gal 3:28) [b:Gal 3:28]
2e Weerlegging. Indien elke priester uit eigen kracht zou handelen, zouden zij overbodig zijn, die met hem de Mis opdragen, omdat hij zou volstaan. Maar nu de priester alleen maar in de persoon van Christus consecreert en allen één zijn in Christus, maakt het geen verschil uit of één of verschillenden tegelijk dit Sacrament consecreren; alleen moet de ritus van de Kerk gehandhaafd blijven.
B: (Gal 3:28) [b:Gal 3:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. De Eucharistie is het sacrament van de kerkelijke eenheid, welke hierin bestaat dat allen één zijn in Christus.
3e Weerlegging. De Eucharistie is het sacrament van de kerkelijke eenheid, welke hierin bestaat dat allen één zijn in Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Komt het alleen aan de priester toe dit Sacrament toe te dienen?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 82 a. 5 co.
IIIa q. 83 a. 1 ad 3[t:iiia q. 82 a. 5 co.][t:iiia q. 83 a. 1 ad 3]
IIIa q. 82 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het niet alleen aan de priester toekomt dit Sacrament toe te dienen. Het Bloed van Christus behoort immer evenzeer tot dit Sacrament als het Lichaam. Maar het Bloed van Christus wordt uitgereikt door diakens; vandaar dan ook zei de zalige Laurentius tot de zalige Sixtus: "Ziet nu of gij een geschikte bedienaar uitgekozen hebt, waaraan gij de bediening van het Bloed des Heren toevertrouwde". Om dezelfde reden dus komt ook het toedienen van het Lichaam des Heren niet uitsluitend aan de priesters toe.
IIIa q. 82 a. 5 co.
IIIa q. 83 a. 1 ad 3[t:iiia q. 82 a. 5 co.][t:iiia q. 83 a. 1 ad 3]
IIIa q. 82 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het niet alleen aan de priester toekomt dit Sacrament toe te dienen. Het Bloed van Christus behoort immer evenzeer tot dit Sacrament als het Lichaam. Maar het Bloed van Christus wordt uitgereikt door diakens; vandaar dan ook zei de zalige Laurentius tot de zalige Sixtus: "Ziet nu of gij een geschikte bedienaar uitgekozen hebt, waaraan gij de bediening van het Bloed des Heren toevertrouwde". Om dezelfde reden dus komt ook het toedienen van het Lichaam des Heren niet uitsluitend aan de priesters toe.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 3 arg. 2
Vervolgens. De priesters worden aangesteld tot bedienaars van de sacramenten. Maar dit sacrament wordt voltrokken door de consecratie van de stof en niet door het gebruik, waarbij het toedienen behoort. Daarom komt het niet aan de priester toe het Lichaam des Heren toe te dienen.
Vervolgens. De priesters worden aangesteld tot bedienaars van de sacramenten. Maar dit sacrament wordt voltrokken door de consecratie van de stof en niet door het gebruik, waarbij het toedienen behoort. Daarom komt het niet aan de priester toe het Lichaam des Heren toe te dienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 3 arg. 3
Vervolgens. Dionysius zegt, dat dit Sacrament vervolmakende kracht bezit evenals het chrisma. Het komt echter niet aan de priester maar aan de bisschop toe hen die gedoopt zijn met chrisma te zalven. Evenzeer komt het dus aan de bisschop, en niet aan de priester toe, dit Sacrament toe te dienen.
Vervolgens. Dionysius zegt, dat dit Sacrament vervolmakende kracht bezit evenals het chrisma. Het komt echter niet aan de priester maar aan de bisschop toe hen die gedoopt zijn met chrisma te zalven. Evenzeer komt het dus aan de bisschop, en niet aan de priester toe, dit Sacrament toe te dienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in een Decretaal: "Het is ons ter oor gekomen, dat sommige priesters het Lichaam des Heren aan een leek of een vrouw geven om het naar de zieken te brengen. Daarom verbiedt de synode in het vervolg dit misbruik. De priester moet zelf de communie brengen aan de zieken".
Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in een Decretaal: "Het is ons ter oor gekomen, dat sommige priesters het Lichaam des Heren aan een leek of een vrouw geven om het naar de zieken te brengen. Daarom verbiedt de synode in het vervolg dit misbruik. De priester moet zelf de communie brengen aan de zieken".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 3 co.
Mijn antwoord. Het komt aan de priester toe het Lichaam des Heren toe te dienen en wel om drie redenen. Vooreerst omdat hij, zoals gezegd is (1e Art.) in de persoon van Christus consecraat. Christus nu heeft, evenals Hij Zelf bij het Avondmaal zijn Lichaam consecratieerde, zo ook Zelf het aan de anderen te eten gegeven. Evenals daarom de consecratie van het Lichaam van Christus, aan de priester toekomt, zo ook de toediening ervan. Vervolgens, omdat de priester aangesteld is tot middelaar tussen God en het volk. Evenals hij dus de gaven van het volk aan God moet opdragen, zo moet hij ook de door God geheiligde gaven aan het volk meedelen. Ten derde, omdat uit eerbied voor dit Sacrament alleen maar wat geconsacreerd is ermee in beroering mag komen; vandaar worden het corporaal en de kelk geconsacreerd; en zo ook de handen van de priester, om dit Sacrament te mogen aanraken. Daarom mag niemand anders het aanraken tenzij in geval van nood, als het bijvoorbeeld op de grond zou vallen of er een andere dwingende reden is.
R: q. 82 a. 1[t:iiia q. 82 a. 1]
Mijn antwoord. Het komt aan de priester toe het Lichaam des Heren toe te dienen en wel om drie redenen. Vooreerst omdat hij, zoals gezegd is (1e Art.) in de persoon van Christus consecraat. Christus nu heeft, evenals Hij Zelf bij het Avondmaal zijn Lichaam consecratieerde, zo ook Zelf het aan de anderen te eten gegeven. Evenals daarom de consecratie van het Lichaam van Christus, aan de priester toekomt, zo ook de toediening ervan. Vervolgens, omdat de priester aangesteld is tot middelaar tussen God en het volk. Evenals hij dus de gaven van het volk aan God moet opdragen, zo moet hij ook de door God geheiligde gaven aan het volk meedelen. Ten derde, omdat uit eerbied voor dit Sacrament alleen maar wat geconsacreerd is ermee in beroering mag komen; vandaar worden het corporaal en de kelk geconsacreerd; en zo ook de handen van de priester, om dit Sacrament te mogen aanraken. Daarom mag niemand anders het aanraken tenzij in geval van nood, als het bijvoorbeeld op de grond zou vallen of er een andere dwingende reden is.
R: q. 82 a. 1[t:iiia q. 82 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Dicht genaderd tot de priesterlijke waardigheid, heeft de diaken enigszins deel in de taak van de priester, voor zover hij namelijk het Bloed mag toedienen; echter niet het Lichaam, tenzij, in geval van nood, de bisschop of priester het toelaat. Dit vooreerst omdat het Bloed van Christus zich in de kelk bevindt, zodat het bij het toedienen niet aangeraakt behoeft te worden, zoals het Lichaam van Christus aangeraakt moet worden. — Vervolgens, omdat het Bloed de verlossing aanduidt als van Christus uit op het volk toegepast; vandaar wordt dan ook water bij het Bloed gedaan, om het volk te verzinnebeelden. Omdat nu de diakens staan tussen de priester en het volk, komt hun meer toe het Bloed toe te dienen dan het Lichaam.
1e Weerlegging. Dicht genaderd tot de priesterlijke waardigheid, heeft de diaken enigszins deel in de taak van de priester, voor zover hij namelijk het Bloed mag toedienen; echter niet het Lichaam, tenzij, in geval van nood, de bisschop of priester het toelaat. Dit vooreerst omdat het Bloed van Christus zich in de kelk bevindt, zodat het bij het toedienen niet aangeraakt behoeft te worden, zoals het Lichaam van Christus aangeraakt moet worden. — Vervolgens, omdat het Bloed de verlossing aanduidt als van Christus uit op het volk toegepast; vandaar wordt dan ook water bij het Bloed gedaan, om het volk te verzinnebeelden. Omdat nu de diakens staan tussen de priester en het volk, komt hun meer toe het Bloed toe te dienen dan het Lichaam.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Om de reeds gegeven reden (in de Leerst.) komt het toedienen en het consecreren toe aan een en dezelfde persoon.
2e Weerlegging. Om de reeds gegeven reden (in de Leerst.) komt het toedienen en het consecreren toe aan een en dezelfde persoon.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Zoals de diaken enigszins deel heeft in de lichtspreidende kracht van de priester, voorzover hij het Bloed toedient, zo heeft de priester ook deel in de vervolmakende bediening van de bisschop, voorzover hij dit Sacrament toedient, waardoor de mens door de vereniging met Christus in zichzelf vervolmaakt wordt. De vervolmakingen, waardoor de mens met betrekking tot anderen vervolmaakt wordt, zijn voorbehouden aan de bisschop.
3e Weerlegging. Zoals de diaken enigszins deel heeft in de lichtspreidende kracht van de priester, voorzover hij het Bloed toedient, zo heeft de priester ook deel in de vervolmakende bediening van de bisschop, voorzover hij dit Sacrament toedient, waardoor de mens door de vereniging met Christus in zichzelf vervolmaakt wordt. De vervolmakingen, waardoor de mens met betrekking tot anderen vervolmaakt wordt, zijn voorbehouden aan de bisschop.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Moet de priester, die consecreert, het Sacrament ook nuttigen?
IIIa q. 82 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de priester, die consecreert, dit sacrament niet behoeft te nuttigen. Wie immers bij de andere consecraties de stof wijdt, maakt er geen gebruik van; zo zalft de bisschop zich niet met het chrisma, dat hij geconsecreerd heeft. Dit sacrament nu bestaat juist in de consecratie van de stof. Dus is het niet nodig, dat de priester, die dit sacrament voltrekt, daarvan gebruik maakt, maar mag hij van de nuttiging afzien.
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat de priester, die consecreert, dit sacrament niet behoeft te nuttigen. Wie immers bij de andere consecraties de stof wijdt, maakt er geen gebruik van; zo zalft de bisschop zich niet met het chrisma, dat hij geconsecreerd heeft. Dit sacrament nu bestaat juist in de consecratie van de stof. Dus is het niet nodig, dat de priester, die dit sacrament voltrekt, daarvan gebruik maakt, maar mag hij van de nuttiging afzien.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 4 arg. 2
Vervolgens. Bij de andere sacramenten dient de bedienaar het sacrament nooit aan zichzelf toe: niemand toch kan zichzelf dopen, zoals boven (66e Kw. 5e Art. 4e Antw.) uiteengezet is. Maar evenzo als het doopsel moet ook dit sacrament ordelijk toegediend worden. Daarom moet de priester, die dit sacrament voltrekt, het zelf niet nuttigen.
R: q. 66 a. 5 ad 4[t:iiia q. 66 a. 5 ad 4]
Vervolgens. Bij de andere sacramenten dient de bedienaar het sacrament nooit aan zichzelf toe: niemand toch kan zichzelf dopen, zoals boven (66e Kw. 5e Art. 4e Antw.) uiteengezet is. Maar evenzo als het doopsel moet ook dit sacrament ordelijk toegediend worden. Daarom moet de priester, die dit sacrament voltrekt, het zelf niet nuttigen.
R: q. 66 a. 5 ad 4[t:iiia q. 66 a. 5 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Het gebeurt soms dat door een wonder op het altaar het Lichaam van Christus verschijnt onder de gedaante van vlees, en het Bloed onder de gedaante van bloed. Dan echter is het niet meer geschikt om het te eten of te drinken. Daarom ook worden zoals vroeger (75° Kw. 5° Art.) gezegd is, het Lichaam en Bloed onder een andere gedaante aangeboden, opdat zij, die het moeten nuttigen, er niet van zouden walgen. Het is dus niet altijd nodig, dat de priester die consecreert, dit Sacrament ook nuttigt.
R: q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
Vervolgens. Het gebeurt soms dat door een wonder op het altaar het Lichaam van Christus verschijnt onder de gedaante van vlees, en het Bloed onder de gedaante van bloed. Dan echter is het niet meer geschikt om het te eten of te drinken. Daarom ook worden zoals vroeger (75° Kw. 5° Art.) gezegd is, het Lichaam en Bloed onder een andere gedaante aangeboden, opdat zij, die het moeten nuttigen, er niet van zouden walgen. Het is dus niet altijd nodig, dat de priester die consecreert, dit Sacrament ook nuttigt.
R: q. 75 a. 5[t:iiia q. 75 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat men in de Kerkvergadering van Toledo voorschreef, zoals men het ook kan vinden in een Decretaal: "In iedere geval moet eraan vastgehouden worden, dat telkens wanneer iemand het Lichaam en Bloed van Jezus-Christus op het altaar slachtoffert, hij eraan deel moet nemen door de nuttiging van het Lichaam en het Bloed".
Daartegenover staat echter, dat men in de Kerkvergadering van Toledo voorschreef, zoals men het ook kan vinden in een Decretaal: "In iedere geval moet eraan vastgehouden worden, dat telkens wanneer iemand het Lichaam en Bloed van Jezus-Christus op het altaar slachtoffert, hij eraan deel moet nemen door de nuttiging van het Lichaam en het Bloed".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 4 co.
Mijn antwoord. Zoals boven (79° Kw. 5° en 7° Art.) gezegd is, is de Eucharistie niet alleen sacrament, maar is zij ook offer. Wie echter een offer opdraagt, moet daaraan ook deelnemen. Het uiterlijke offer, dat opgedragen wordt, is immers een teken van het innerlijke offer, waardoor iemand zichzelf aan God opdraagt, zoals Augustinus zegt. Door dus deel te nemen aan het offer, geeft iemand te kennen, dat ook het innerlijke offer bij hem gevonden wordt. Eveneens toont men door het offer toe te dienen aan het volk, dat men voor dat volk de uitdeeler is van goddelijke gaven. Aan deze gaven moet men zelf eerst deel hebben zoals Dionysius zegt. Daarom moet de priester eerst zelf nuttigen voor hij uitdeelt aan het volk. Vandaar staat in een Decretaal: "Wat is dat voor een offer waaraan zelfs die het opdraagt, niet blijkt deel te nemen?» Hierdoor nu neemt men deel, dat men van het offer eet, naar het woord van de Apostel in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10. 18): "Nemen zij geen deel aan het altaar, die de offer-spijzen eten?» Zo is het dus nodig, dat de priester zo dikwijls hij consecreert, dit sacrament op volledige wijze nuttigt.
B: (1Cor 10:18) [b:1Cor 10:18]
R: q. 79 a. 5[t:iiia q. 79 a. 5] q. 79 a. 7[t:iiia q. 79 a. 7]
Mijn antwoord. Zoals boven (79° Kw. 5° en 7° Art.) gezegd is, is de Eucharistie niet alleen sacrament, maar is zij ook offer. Wie echter een offer opdraagt, moet daaraan ook deelnemen. Het uiterlijke offer, dat opgedragen wordt, is immers een teken van het innerlijke offer, waardoor iemand zichzelf aan God opdraagt, zoals Augustinus zegt. Door dus deel te nemen aan het offer, geeft iemand te kennen, dat ook het innerlijke offer bij hem gevonden wordt. Eveneens toont men door het offer toe te dienen aan het volk, dat men voor dat volk de uitdeeler is van goddelijke gaven. Aan deze gaven moet men zelf eerst deel hebben zoals Dionysius zegt. Daarom moet de priester eerst zelf nuttigen voor hij uitdeelt aan het volk. Vandaar staat in een Decretaal: "Wat is dat voor een offer waaraan zelfs die het opdraagt, niet blijkt deel te nemen?» Hierdoor nu neemt men deel, dat men van het offer eet, naar het woord van de Apostel in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10. 18): "Nemen zij geen deel aan het altaar, die de offer-spijzen eten?» Zo is het dus nodig, dat de priester zo dikwijls hij consecreert, dit sacrament op volledige wijze nuttigt.
B: (1Cor 10:18) [b:1Cor 10:18]
R: q. 79 a. 5[t:iiia q. 79 a. 5] q. 79 a. 7[t:iiia q. 79 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De consecratie van het chrisma en elke andere stof, is niet een offer zoals de consecratie van de Eucharistie. En dus gaat de vergelijking niet op.
1e Weerlegging. De consecratie van het chrisma en elke andere stof, is niet een offer zoals de consecratie van de Eucharistie. En dus gaat de vergelijking niet op.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Het sacrament des doopseels wordt voltrokken door het gebruik van de stof. Daarom kan niemand zichzelf dopen, omdat niemand tegelijk een sacrament kan uitwerken en ontvangen. Vandaar consecreert de priester dan ook niet zichzelf bij dit sacrament, maar het brood en de wijn, door welke consecratie het sacrament voltrokken wordt. Het nuttigen van het sacrament komt pas na dit sacrament. Dus is er geen gelijkheid.
2e Weerlegging. Het sacrament des doopseels wordt voltrokken door het gebruik van de stof. Daarom kan niemand zichzelf dopen, omdat niemand tegelijk een sacrament kan uitwerken en ontvangen. Vandaar consecreert de priester dan ook niet zichzelf bij dit sacrament, maar het brood en de wijn, door welke consecratie het sacrament voltrokken wordt. Het nuttigen van het sacrament komt pas na dit sacrament. Dus is er geen gelijkheid.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. Indien op wonderdadige wijze het Lichaam van Christus verschijnt op het altaar onder de gedaante van vlees, of het Bloed onder de gedaante van bloed, moet men het niet nuttigen. Hieronymus zegt immers: "Van dat offerlam, dat op wonderbare wijze tot stand komt ter gedachtenis aan Christus, mag men eten, niet echter van datgene, wat Christus op het altaar des Kruises in eigen gedaante opdroeg". Toch begaat de priester, als hij het desondanks nuttigt, geen overtreding, omdat wat wonderdadig gebeurt, niet aan wetten onderworpen is. Het is echter aan te raden, dat de priester in zulk een geval opnieuw het Lichaam en Bloed des Heren consecreert en het dan nuttigt.
3e Weerlegging. Indien op wonderdadige wijze het Lichaam van Christus verschijnt op het altaar onder de gedaante van vlees, of het Bloed onder de gedaante van bloed, moet men het niet nuttigen. Hieronymus zegt immers: "Van dat offerlam, dat op wonderbare wijze tot stand komt ter gedachtenis aan Christus, mag men eten, niet echter van datgene, wat Christus op het altaar des Kruises in eigen gedaante opdroeg". Toch begaat de priester, als hij het desondanks nuttigt, geen overtreding, omdat wat wonderdadig gebeurt, niet aan wetten onderworpen is. Het is echter aan te raden, dat de priester in zulk een geval opnieuw het Lichaam en Bloed des Heren consecreert en het dan nuttigt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Kan een slecht priester de Eucharistie consecreren?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 82 a. 6 co.[t:iiia q. 82 a. 6 co.]
IIIa q. 82 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat een slecht priester de Eucharistie niet kan consacreren. Hieronymus zegt nl.: "De priesters, die de bedienaars zijn van de Eucharistie en uitdeelers van het Bloed des Heren aan het volk, handelen goddeloos tegen de wet van Christus, als zij menen, dat de Eucharistie tot stand komt door de woorden van hun gebed en niet door hun gedrag; dat er van de priester geeist wordt een plechtig gebed en niet zijn verdiensten. Over hen staat geschreven: De priester, die besmet is, mag niet optreden om de Heer de gaven aan te bieden". Maar een zondig priester heeft, omdat hij besmet is, niet het gedrag noch de verdiensten, welke passend zijn voor dit Sacrament. Daarom kan een zondig priester de Eucharistie niet consacreren.
B: (Lev 21:21) [b:Lev 21:21]
IIIa q. 82 a. 6 co.[t:iiia q. 82 a. 6 co.]
IIIa q. 82 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat een slecht priester de Eucharistie niet kan consacreren. Hieronymus zegt nl.: "De priesters, die de bedienaars zijn van de Eucharistie en uitdeelers van het Bloed des Heren aan het volk, handelen goddeloos tegen de wet van Christus, als zij menen, dat de Eucharistie tot stand komt door de woorden van hun gebed en niet door hun gedrag; dat er van de priester geeist wordt een plechtig gebed en niet zijn verdiensten. Over hen staat geschreven: De priester, die besmet is, mag niet optreden om de Heer de gaven aan te bieden". Maar een zondig priester heeft, omdat hij besmet is, niet het gedrag noch de verdiensten, welke passend zijn voor dit Sacrament. Daarom kan een zondig priester de Eucharistie niet consacreren.
B: (Lev 21:21) [b:Lev 21:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 5 arg. 2
Vervolgens. Damascenus zegt, dat "door de komst van de H. Geest, het brood en de wijn op bovennatuurlijke wijze veranderd worden in het Lichaam en Bloed des Heren". Maar Paus Gelasius merkt op, zoals men ook kan lezen in een Decretaal: "Hoe zal de Geest des Hemels op de aanroeping bij de consecratie van dit goddelijk Geheim nederdalen, als de priester, die Hem ertoe uitnodigt, vol zonden bevonden wordt"? Derhalve kan een slecht priester de Eucharistie niet consacreren.
Vervolgens. Damascenus zegt, dat "door de komst van de H. Geest, het brood en de wijn op bovennatuurlijke wijze veranderd worden in het Lichaam en Bloed des Heren". Maar Paus Gelasius merkt op, zoals men ook kan lezen in een Decretaal: "Hoe zal de Geest des Hemels op de aanroeping bij de consecratie van dit goddelijk Geheim nederdalen, als de priester, die Hem ertoe uitnodigt, vol zonden bevonden wordt"? Derhalve kan een slecht priester de Eucharistie niet consacreren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Dit Sacrament wordt geconsacreerd door de zegen van de priester. Maar de zegen van een zondige priester heeft geen kracht om dit Sacrament te consacreren daar er geschreven staat: "Vervloeken zal ik uw zegeningen" (Mal. 2. 2). Ook zegt Dionysius: "Volkomen verstoken van de priesterlijke macht is hij, die niet verlicht is, en overmoedig komt hij mij voor, als hij zo de hand uitstrekt naar de priesterlijke bedieningen, en zich verstout in Christus' naam onreine praat (want ik kan dat geen gebed noemen) over de goddelijke symbolen uit te spreken".
B: (Mal 2:2) [b:Mal 2:2]
Vervolgens. Dit Sacrament wordt geconsacreerd door de zegen van de priester. Maar de zegen van een zondige priester heeft geen kracht om dit Sacrament te consacreren daar er geschreven staat: "Vervloeken zal ik uw zegeningen" (Mal. 2. 2). Ook zegt Dionysius: "Volkomen verstoken van de priesterlijke macht is hij, die niet verlicht is, en overmoedig komt hij mij voor, als hij zo de hand uitstrekt naar de priesterlijke bedieningen, en zich verstout in Christus' naam onreine praat (want ik kan dat geen gebed noemen) over de goddelijke symbolen uit te spreken".
B: (Mal 2:2) [b:Mal 2:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter dat Augustinus zegt: "Binnen de Katholieke Kerk wordt bij het Geheim van het Lichaam en Bloed des Heren, niets grooters voltrokken door een goede priester, noch iets geringers, door een slechte priester, daar het tot stand komt niet uit kracht van de verdienste van hem, die consecreert, maar door het woord des Scheppers en door de kracht van de Heilige Geest".
Daartegenover staat echter dat Augustinus zegt: "Binnen de Katholieke Kerk wordt bij het Geheim van het Lichaam en Bloed des Heren, niets grooters voltrokken door een goede priester, noch iets geringers, door een slechte priester, daar het tot stand komt niet uit kracht van de verdienste van hem, die consecreert, maar door het woord des Scheppers en door de kracht van de Heilige Geest".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 5 co.
Mijn antwoord. Gelijk boven (1e Art.; 2e Art. 2e Antw.; 3e Art.) gezegd is, concreet de priester dit Sacrament niet uit eigen kracht, maar als dienaar van Christus, in wiens persoon hij dit Sacrament concreet. Nu houdt iemand niet op dienaar van Christus te zijn door het feit dat hij slecht is, want de Heer heeft goede en slechte dienaars of knechten. Daarom dan ook vraagt volgens Mattheus (24. 45) de Heer: "Wie is nu de trouwe en voorzichtige knecht?" en spreekt hij verderop (v. 48): "Maar zo die dienaar slecht is en bij zichzelf zegt enz.". En de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (4. 1): "Men moet ons zonder meer als dienaars van Christus beschouwen", en toch voegt hij eraan toe (v. 4): "Wel ben ik mezelf niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd". Hij was er dus zeker van Christus’ dienaar te zijn, maar niet dat hij in staat van genade was. Dus kan iemand dienaar van Christus zijn zonder in staat van genade te zijn. Dit behoort tot de verhevenheid van Christus, aan wien als waarachtig God, niet alleen het goede dienstbaar is, maar ook het slechte, dat door Zijn Voorzienigheid op Zijn verheerlijking wordt gericht. Het is dus duidelijk, dat de priesters, ook al zijn ze niet in staat van genade maar zondaars, de Eucharistie kunnen consacreren.
B: (Matt 24:45) [b:Matt 24:45] (1Cor 4:1) [b:1Cor 4:1]
R: q. 82 a. 1[t:iiia q. 82 a. 1] q. 82 a. 3[t:iiia q. 82 a. 3]
Mijn antwoord. Gelijk boven (1e Art.; 2e Art. 2e Antw.; 3e Art.) gezegd is, concreet de priester dit Sacrament niet uit eigen kracht, maar als dienaar van Christus, in wiens persoon hij dit Sacrament concreet. Nu houdt iemand niet op dienaar van Christus te zijn door het feit dat hij slecht is, want de Heer heeft goede en slechte dienaars of knechten. Daarom dan ook vraagt volgens Mattheus (24. 45) de Heer: "Wie is nu de trouwe en voorzichtige knecht?" en spreekt hij verderop (v. 48): "Maar zo die dienaar slecht is en bij zichzelf zegt enz.". En de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (4. 1): "Men moet ons zonder meer als dienaars van Christus beschouwen", en toch voegt hij eraan toe (v. 4): "Wel ben ik mezelf niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd". Hij was er dus zeker van Christus’ dienaar te zijn, maar niet dat hij in staat van genade was. Dus kan iemand dienaar van Christus zijn zonder in staat van genade te zijn. Dit behoort tot de verhevenheid van Christus, aan wien als waarachtig God, niet alleen het goede dienstbaar is, maar ook het slechte, dat door Zijn Voorzienigheid op Zijn verheerlijking wordt gericht. Het is dus duidelijk, dat de priesters, ook al zijn ze niet in staat van genade maar zondaars, de Eucharistie kunnen consacreren.
B: (Matt 24:45) [b:Matt 24:45] (1Cor 4:1) [b:1Cor 4:1]
R: q. 82 a. 1[t:iiia q. 82 a. 1] q. 82 a. 3[t:iiia q. 82 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. Hieronymus wijst door deze woorden de dwaling van de priesters af, die meenden, dat zij op waardige wijze de Eucharistie konden consacreren door het feit alleen, dat zij priester waren, ook al waren zij zondaars. En hij doet het op grond hiervan, dat het aan hen, die onrein waren, verboden was het altaar te naderen. Dit neemt echter niet weg, dat zij, als zij toch naderen, een waarachtig offer opdragen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 82 a. 9 co.
iiia q. 82 a. 10 arg. 2[t:iiia q. 82 a. 9 co.][t: iiia q. 82 a. 10 arg. 2]
1e Weerlegging. Hieronymus wijst door deze woorden de dwaling van de priesters af, die meenden, dat zij op waardige wijze de Eucharistie konden consacreren door het feit alleen, dat zij priester waren, ook al waren zij zondaars. En hij doet het op grond hiervan, dat het aan hen, die onrein waren, verboden was het altaar te naderen. Dit neemt echter niet weg, dat zij, als zij toch naderen, een waarachtig offer opdragen.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 82 a. 9 co.
iiia q. 82 a. 10 arg. 2[t:iiia q. 82 a. 9 co.][t: iiia q. 82 a. 10 arg. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. Gelasius laat aan deze woorden voorafgaan: "De heilige godsdienstviering, welke de katholieken eredienst inhoudt, eist zulk een eerbied voor zich op, dat niemand, tenzij met een zuiver geweten, zich verstouten mag eraan deel te nemen. Hieruit blijkt duidelijk zijn bedoeling, dat een zondig priester niet tot dit sacrament mag naderen. Daarom moet hetgeen volgt: "Hoe zal de Geest des Hemels op de aanroeping nederdalen" zo verstaan worden, dat Hij niet komt omwille van de verdienste des priesters maar uit kracht van Christus, wiens woorden de priester uitspreekt.
2e Weerlegging. Gelasius laat aan deze woorden voorafgaan: "De heilige godsdienstviering, welke de katholieken eredienst inhoudt, eist zulk een eerbied voor zich op, dat niemand, tenzij met een zuiver geweten, zich verstouten mag eraan deel te nemen. Hieruit blijkt duidelijk zijn bedoeling, dat een zondig priester niet tot dit sacrament mag naderen. Daarom moet hetgeen volgt: "Hoe zal de Geest des Hemels op de aanroeping nederdalen" zo verstaan worden, dat Hij niet komt omwille van de verdienste des priesters maar uit kracht van Christus, wiens woorden de priester uitspreekt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Evenals eenzelfde handeling slecht kan zijn voor zover zij voortkomt uit de slechte bedoeling van de dienaar, en tevens goed voor zover zij voortkomt uit de goede bedoeling van de meester, zo is ook de zegen van een zondig priester, voor zover deze hem op onwaardige wijze geeft, vervloekenswaard en geldt hij als hoon en godslastering en niet als gebed, maar voor zover die zegen in naam van Christus uitgesproken wordt, is hij heilig en heilzaam. Daarom wordt ook typisch gezegd: "Uwe zegeningen zal ik vervloeken".
3e Weerlegging. Evenals eenzelfde handeling slecht kan zijn voor zover zij voortkomt uit de slechte bedoeling van de dienaar, en tevens goed voor zover zij voortkomt uit de goede bedoeling van de meester, zo is ook de zegen van een zondig priester, voor zover deze hem op onwaardige wijze geeft, vervloekenswaard en geldt hij als hoon en godslastering en niet als gebed, maar voor zover die zegen in naam van Christus uitgesproken wordt, is hij heilig en heilzaam. Daarom wordt ook typisch gezegd: "Uwe zegeningen zal ik vervloeken".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Heeft de Mis van een slecht priester minder waarde dan die van een goed priester?
IIIa q. 82 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de Mis van een slecht priester geen geringere waarde heeft dan die van een goed priester. Gregorius zegt immers: "Wee, hoezeer zijn zij verstrikt, die menen dat de goddelijke en verborgen Geheimen door de een meer dan door de ander geheiligd kunnen worden, terwijl een en dezelfde Geest door Zijn verborgen en onzichtbare werking ze heiligt?" Maar deze verborgen Geheimen worden in de Mis gevierd. Dus heeft de Mis van een slecht priester geen geringere waarde dan die van een goed priester.
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat de Mis van een slecht priester geen geringere waarde heeft dan die van een goed priester. Gregorius zegt immers: "Wee, hoezeer zijn zij verstrikt, die menen dat de goddelijke en verborgen Geheimen door de een meer dan door de ander geheiligd kunnen worden, terwijl een en dezelfde Geest door Zijn verborgen en onzichtbare werking ze heiligt?" Maar deze verborgen Geheimen worden in de Mis gevierd. Dus heeft de Mis van een slecht priester geen geringere waarde dan die van een goed priester.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Evenals het doopsel door de bedienaar toegediend wordt in de persoon van Christus die doopt, zo ook wordt dit sacrament in de persoon van Christus geconsacreerd. Maar het doopsel is niet beter, wanneer het door een betere bedienaar wordt toegediend, zoals boven (64° Kw. 1° Art. 2° Antw.) is uiteengezet. Evenmin dus zal de Mis, welke opgedragen wordt door een betere priester, beter zijn.
R: q. 64 a. 1 ad 2[t:iiia q. 64 a. 1 ad 2]
Vervolgens. Evenals het doopsel door de bedienaar toegediend wordt in de persoon van Christus die doopt, zo ook wordt dit sacrament in de persoon van Christus geconsacreerd. Maar het doopsel is niet beter, wanneer het door een betere bedienaar wordt toegediend, zoals boven (64° Kw. 1° Art. 2° Antw.) is uiteengezet. Evenmin dus zal de Mis, welke opgedragen wordt door een betere priester, beter zijn.
R: q. 64 a. 1 ad 2[t:iiia q. 64 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Evenals de verdiensten van de priester onderscheiden worden naar goed en beter, zo ook naar goed en slecht. Als dus de Mis van een heilige priester beter is, moet volgen dat de Mis van een slechte priester, slecht is. Nu is dat niet te houden, omdat "de slechtheid van de bedienaar niet overslaat op de Geheimen van Christus", zoals Augustinus leert. Dus is ook de Mis van een heilige priester niet beter.
Vervolgens. Evenals de verdiensten van de priester onderscheiden worden naar goed en beter, zo ook naar goed en slecht. Als dus de Mis van een heilige priester beter is, moet volgen dat de Mis van een slechte priester, slecht is. Nu is dat niet te houden, omdat "de slechtheid van de bedienaar niet overslaat op de Geheimen van Christus", zoals Augustinus leert. Dus is ook de Mis van een heilige priester niet beter.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter de uitspraak van een Decretaal: "Naarmate de priesters waardiger zijn, in die mate zullen zij gemakkelijker verhoord worden voor de noden, waarvoor zij bidden".
Daartegenover staat echter de uitspraak van een Decretaal: "Naarmate de priesters waardiger zijn, in die mate zullen zij gemakkelijker verhoord worden voor de noden, waarvoor zij bidden".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 6 co.
Mijn antwoord. Bij de Mis moeten wij twee dingen onderscheiden: namelijk het Sacrament, — en dat is het voornaamste — en de gebeden, welke in de Mis gezegd worden voor levenden en doden. Voor zover het het Sacrament aangaat, heeft de Mis van een slechte priester geen geringere waarde dan die van een goede priester, omdat in beide gevallen hetzelfde Sacrament voltrokken wordt. Eveneens kan men het gebed, dat in de Mis gezegd wordt, op een dubbele wijze beschouwen. Vooreerst in zover het van kracht is omwille van de godsvrucht, waarmee de priester bidt. En dan lijdt het geen twijfel dat de Mis van een heiliger priester vruchtbaarder is. — Vervolgens in zover bij de Mis het gebed door de priester verricht wordt in de persoon van de hele Kerk, waarvan de priester de bedienaar is, welk bedienaarschap ook in de zondaars blijft, gelijk wij boven (vorig Art.) uiteengezet hebben met betrekking tot de dienaren van Christus. In dit opzicht is dus niet alleen het gebed van de priester tijdens de Mis vruchtbaar, maar zijn het ook al de andere gebeden, welke hij doet bij kerkelijke dienstverrichtingen, waarbij hij de plaats inneemt van de Kerk. Maar zijn persoonlijke gebeden brengen geen vrucht aan naar het woord uit het Boek der Spreuken (28.9): "Afschuwelijk is het gebed van hem, die zijn oren afwendt om de Wet niet te horen".
R: q. 82 a. 5[t:iiia q. 82 a. 5]
Mijn antwoord. Bij de Mis moeten wij twee dingen onderscheiden: namelijk het Sacrament, — en dat is het voornaamste — en de gebeden, welke in de Mis gezegd worden voor levenden en doden. Voor zover het het Sacrament aangaat, heeft de Mis van een slechte priester geen geringere waarde dan die van een goede priester, omdat in beide gevallen hetzelfde Sacrament voltrokken wordt. Eveneens kan men het gebed, dat in de Mis gezegd wordt, op een dubbele wijze beschouwen. Vooreerst in zover het van kracht is omwille van de godsvrucht, waarmee de priester bidt. En dan lijdt het geen twijfel dat de Mis van een heiliger priester vruchtbaarder is. — Vervolgens in zover bij de Mis het gebed door de priester verricht wordt in de persoon van de hele Kerk, waarvan de priester de bedienaar is, welk bedienaarschap ook in de zondaars blijft, gelijk wij boven (vorig Art.) uiteengezet hebben met betrekking tot de dienaren van Christus. In dit opzicht is dus niet alleen het gebed van de priester tijdens de Mis vruchtbaar, maar zijn het ook al de andere gebeden, welke hij doet bij kerkelijke dienstverrichtingen, waarbij hij de plaats inneemt van de Kerk. Maar zijn persoonlijke gebeden brengen geen vrucht aan naar het woord uit het Boek der Spreuken (28.9): "Afschuwelijk is het gebed van hem, die zijn oren afwendt om de Wet niet te horen".
R: q. 82 a. 5[t:iiia q. 82 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 1
Gestis Verbisque ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Gregorius zegt dat met betrekking tot de heiligheid van het goddelijk Sacrament.
B: (Prov 28:9) [b:Prov 28:9]
1e Weerlegging. Gregorius zegt dat met betrekking tot de heiligheid van het goddelijk Sacrament.
B: (Prov 28:9) [b:Prov 28:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Bij het sacrament des doopsels worden geen plechtige gebeden gezegd voor al de gelovigen zoals bij de Mis. Daarom gaat onder dat opzicht de vergelijking niet op. Wel echter voor wat het uitwerksel van het sacrament betreft.
2e Weerlegging. Bij het sacrament des doopsels worden geen plechtige gebeden gezegd voor al de gelovigen zoals bij de Mis. Daarom gaat onder dat opzicht de vergelijking niet op. Wel echter voor wat het uitwerksel van het sacrament betreft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Aan de kracht van de H. Geest, die omwille van de vereniging door de liefde alle ledematen aan elkaars goederen doet deelnemen, moet het worden toegeschreven dat het persoonlijke goed, dat in de Mis van een goede priester gevonden wordt, ook anderen voordelig is. Het persoonlijke kwaad van de ene kan echter een ander niet schaden, tenzij deze op een of andere wijze ermee instemt, gelijk Augustinus zegt.
3e Weerlegging. Aan de kracht van de H. Geest, die omwille van de vereniging door de liefde alle ledematen aan elkaars goederen doet deelnemen, moet het worden toegeschreven dat het persoonlijke goed, dat in de Mis van een goede priester gevonden wordt, ook anderen voordelig is. Het persoonlijke kwaad van de ene kan echter een ander niet schaden, tenzij deze op een of andere wijze ermee instemt, gelijk Augustinus zegt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Kunnen ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden consecreren?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 82 a. 9 co.
IIIa q. 82 a. 9 ad 2
IIIa q. 82 a. 10 arg. 2[t:iiia q. 82 a. 9 co.][t:iiia q. 82 a. 9 ad 2][t:iiia q. 82 a. 10 arg. 2]
IIIa q. 82 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden niet kunnen consecreren. Augustinus zegt namelijk: "Buiten de katholieke Kerk is er geen plaats voor het waarachtig Offer". En Paus Leo leert, zoals men ook vinden kan in een Decretaal: "Daarbuiten (te weten buiten de Kerk, welke Christus’ Lichaam is) vindt men geen echt priesterschap noch waarachtige Offers". Maar ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden zijn van de Kerk afgescheiden. Derhalve kunnen zij niet het waarachtig Offer tot stand brengen.
IIIa q. 82 a. 9 co.
IIIa q. 82 a. 9 ad 2
IIIa q. 82 a. 10 arg. 2[t:iiia q. 82 a. 9 co.][t:iiia q. 82 a. 9 ad 2][t:iiia q. 82 a. 10 arg. 2]
IIIa q. 82 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. Men beweert dat ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden niet kunnen consecreren. Augustinus zegt namelijk: "Buiten de katholieke Kerk is er geen plaats voor het waarachtig Offer". En Paus Leo leert, zoals men ook vinden kan in een Decretaal: "Daarbuiten (te weten buiten de Kerk, welke Christus’ Lichaam is) vindt men geen echt priesterschap noch waarachtige Offers". Maar ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden zijn van de Kerk afgescheiden. Derhalve kunnen zij niet het waarachtig Offer tot stand brengen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 7 arg. 2
Vervolgens. Zoals men eveneens in een decretaal kan lezen, zegt Paus Innocentius: "Hoewel wij de leken van de Arianen en van andere ketterijen bij boeteverrichting opnemen, schijnt het toch ongeoorloofd hun geestelijken op te nemen als met priesterlijke of welke liturgische waardigheid dan ook bekleed, daar wij alleen hun doopsel erkennen". Maar alleen hij die priesterlijke waardigheid heeft, kan de Eucharistie consacreren. Dus kunnen ketters en dergelijken de Eucharistie niet consacreren.
Vervolgens. Zoals men eveneens in een decretaal kan lezen, zegt Paus Innocentius: "Hoewel wij de leken van de Arianen en van andere ketterijen bij boeteverrichting opnemen, schijnt het toch ongeoorloofd hun geestelijken op te nemen als met priesterlijke of welke liturgische waardigheid dan ook bekleed, daar wij alleen hun doopsel erkennen". Maar alleen hij die priesterlijke waardigheid heeft, kan de Eucharistie consacreren. Dus kunnen ketters en dergelijken de Eucharistie niet consacreren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 7 arg. 3
Vervolgens. Wie buiten de Kerk is, kan niet handelen in de persoon van de Kerk. De priester nu, die de Eucharistie consecreert, handelt in de persoon van de Kerk, hetgeen blijkt uit het feit, dat hij al de gebeden in de persoon van de Kerk verricht. Zo schijnt het dus, dat zij die buiten de Kerk staan, namelijk ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden, de Eucharistie niet kunnen consecreren.
Vervolgens. Wie buiten de Kerk is, kan niet handelen in de persoon van de Kerk. De priester nu, die de Eucharistie consecreert, handelt in de persoon van de Kerk, hetgeen blijkt uit het feit, dat hij al de gebeden in de persoon van de Kerk verricht. Zo schijnt het dus, dat zij die buiten de Kerk staan, namelijk ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden, de Eucharistie niet kunnen consecreren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 7 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "Evenals het doopsel, zo blijft ook de wijding bij hen onaangetast", namelijk bij de ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden. Nu kan een priester de Eucharistie consacreren krachtens zijn wijding. Daar dus bij ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden de wijding onaangetast blijft, schijnen zij de Eucharistie te kunnen consacreren.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: "Evenals het doopsel, zo blijft ook de wijding bij hen onaangetast", namelijk bij de ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden. Nu kan een priester de Eucharistie consacreren krachtens zijn wijding. Daar dus bij ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden de wijding onaangetast blijft, schijnen zij de Eucharistie te kunnen consacreren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 7 co.
Mijn antwoord. Sommigen hebben gehouden dat ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden dit Sacrament niet kunnen tot stand brengen omdat zij buiten de Kerk staan. Maar zij vergissen zich, want Augustinus zegt terecht: "Het is iets anders iets in het geheel niet te hebben, iets anders het niet op behoorlijke wijze te hebben" en eveneens: "Het is iets anders iets niet te geven, iets anders het niet op behoorlijke wijze te geven". Zij dus, die binnen de kerkelijke gemeenschap, bij hun priesterwijding de consecratiemacht hebben ontvangen, bezitten deze macht op behoorlijke wijze, maar zij gebruiken haar onbetamelijk als zij later door ketterij, scheuring of excommunicatie van de kerk gescheiden worden. Zijn ze echter gewijd, toen ze aldus afgescheiden waren, dan bezitten en gebruiken zij deze macht niet op behoorlijke wijze. Dat ze evenwel in beide gevallen de macht hebben, blijkt hieruit dat, zoals Augustinus opmerkt, zij na hun terugkeer tot de kerkelijke eenheid niet overgewijd worden, maar volgens hun wijdingsgraad opgenomen worden. Omdat nu het consecreren van de Eucharistie een daad van wijdingsmacht is, kunnen zij die van de Kerk door ketterij, scheuring of excommunicatie zijn gescheiden, wel de Eucharistie consecreren, welke door deze consecratie het waarachtige Lichaam en Bloed van Christus bevat, maar zij doen het niet op passende wijze en zondigen door het te doen. Derhalve ontvangen zij niet de vrucht van het Offer, d. i. het geestelijk Offer.
Mijn antwoord. Sommigen hebben gehouden dat ketters, scheurmakers en geëxcommuniceerden dit Sacrament niet kunnen tot stand brengen omdat zij buiten de Kerk staan. Maar zij vergissen zich, want Augustinus zegt terecht: "Het is iets anders iets in het geheel niet te hebben, iets anders het niet op behoorlijke wijze te hebben" en eveneens: "Het is iets anders iets niet te geven, iets anders het niet op behoorlijke wijze te geven". Zij dus, die binnen de kerkelijke gemeenschap, bij hun priesterwijding de consecratiemacht hebben ontvangen, bezitten deze macht op behoorlijke wijze, maar zij gebruiken haar onbetamelijk als zij later door ketterij, scheuring of excommunicatie van de kerk gescheiden worden. Zijn ze echter gewijd, toen ze aldus afgescheiden waren, dan bezitten en gebruiken zij deze macht niet op behoorlijke wijze. Dat ze evenwel in beide gevallen de macht hebben, blijkt hieruit dat, zoals Augustinus opmerkt, zij na hun terugkeer tot de kerkelijke eenheid niet overgewijd worden, maar volgens hun wijdingsgraad opgenomen worden. Omdat nu het consecreren van de Eucharistie een daad van wijdingsmacht is, kunnen zij die van de Kerk door ketterij, scheuring of excommunicatie zijn gescheiden, wel de Eucharistie consecreren, welke door deze consecratie het waarachtige Lichaam en Bloed van Christus bevat, maar zij doen het niet op passende wijze en zondigen door het te doen. Derhalve ontvangen zij niet de vrucht van het Offer, d. i. het geestelijk Offer.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. Deze uitspraak en dergelijke moeten verstaan worden in deze zin, dat buiten de Kerk het Offer niet opgedragen kan worden op behoorlijke wijze. Daarom is er buiten de Kerk geen geestelijk Offer, dat waarachtig is krachtens de waarachtigheid van de vrucht, ofschoon er wel een waarachtig Offer is krachtens de waarachtigheid van het Sacrament; evenals wij ook boven (80° Kw. 3° Art.) gezegd hebben, dat de zondaar het Lichaam van Christus ontvangt op sacramentële wijze, maar niet op geestelijke wijze.
R: q. 80 a. 3[t:iiia q. 80 a. 3]
1e Weerlegging. Deze uitspraak en dergelijke moeten verstaan worden in deze zin, dat buiten de Kerk het Offer niet opgedragen kan worden op behoorlijke wijze. Daarom is er buiten de Kerk geen geestelijk Offer, dat waarachtig is krachtens de waarachtigheid van de vrucht, ofschoon er wel een waarachtig Offer is krachtens de waarachtigheid van het Sacrament; evenals wij ook boven (80° Kw. 3° Art.) gezegd hebben, dat de zondaar het Lichaam van Christus ontvangt op sacramentële wijze, maar niet op geestelijke wijze.
R: q. 80 a. 3[t:iiia q. 80 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. Alleen het doopsel van ketters en scheurmakers wordt erkend, omdat zij in geval van nood mogen dopen. Maar in geen geval mogen zij de Eucharistie consacreren of de andere sacramenten toedienen.
2e Weerlegging. Alleen het doopsel van ketters en scheurmakers wordt erkend, omdat zij in geval van nood mogen dopen. Maar in geen geval mogen zij de Eucharistie consacreren of de andere sacramenten toedienen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. De gebeden tijdens de Mis zegt de priester wel in de persoon van de Kerk, waarmee hij verbonden is; maar de consecratie verricht hij in de persoon van Christus, wiens plaats hij bekleedt krachtens zijn wijdingsmacht. Als dus een afgescheiden priester de Mis opdraagt, consecreert hij wel het waarachtige Lichaam en Bloed van Christus, omdat hij zijn wijdingsmacht niet verloren heeft, maar omdat hij van de kerkelijke eenheid afgescheiden is, hebben zijn gebeden geen uitwerking.
3e Weerlegging. De gebeden tijdens de Mis zegt de priester wel in de persoon van de Kerk, waarmee hij verbonden is; maar de consecratie verricht hij in de persoon van Christus, wiens plaats hij bekleedt krachtens zijn wijdingsmacht. Als dus een afgescheiden priester de Mis opdraagt, consecreert hij wel het waarachtige Lichaam en Bloed van Christus, omdat hij zijn wijdingsmacht niet verloren heeft, maar omdat hij van de kerkelijke eenheid afgescheiden is, hebben zijn gebeden geen uitwerking.
Referenties naar deze alinea: 2
Bij de Bisschopswijding van o.a. Johannes Willebrands ->=geentekst=Gestis Verbisque ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Kan een priester, die gedegradeerd is, dit Sacrament tot stand brengen?
IIIa q. 82 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. Niemand immers brengt dit Sacrament tot stand, tenzij krachtens zijn consecratiemacht. Maar "degene die gedegradeerd is, heeft geen macht om te consecreren, ofschoon hij wel de macht heeft om te dopen" zoals een rechtsregel zegt. Het schijnt dus, dat de priester, die gedegradeerd is, de Eucharistie niet kan consecreren.
Over het achtste als volgt. Niemand immers brengt dit Sacrament tot stand, tenzij krachtens zijn consecratiemacht. Maar "degene die gedegradeerd is, heeft geen macht om te consecreren, ofschoon hij wel de macht heeft om te dopen" zoals een rechtsregel zegt. Het schijnt dus, dat de priester, die gedegradeerd is, de Eucharistie niet kan consecreren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 8 arg. 2
Vervolgens. Wie iets geeft, kan het ook afnemen. De bisschop nu geeft de consecratiemacht aan de priester door hem te wijden. Dus kan hij ze van hem weer afnemen door hem te degraderen.
Vervolgens. Wie iets geeft, kan het ook afnemen. De bisschop nu geeft de consecratiemacht aan de priester door hem te wijden. Dus kan hij ze van hem weer afnemen door hem te degraderen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 8 arg. 3
Vervolgens. Door de degradatie verliest de priester de consecratiemacht of alleen de uitoefening ervan. Welnu, hij verliest niet alleen de uitoefening, omdat dan de gedegradeerde niet meer zou verliezen dan de geëxcommuniceerde, die ook de uitoefening mist. Het schijnt dus dat hij de consecratiemacht verliest en bijgevolg dit sacrament niet tot stand kan brengen.
Vervolgens. Door de degradatie verliest de priester de consecratiemacht of alleen de uitoefening ervan. Welnu, hij verliest niet alleen de uitoefening, omdat dan de gedegradeerde niet meer zou verliezen dan de geëxcommuniceerde, die ook de uitoefening mist. Het schijnt dus dat hij de consecratiemacht verliest en bijgevolg dit sacrament niet tot stand kan brengen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 8 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus bewijst dat "afvalligen het doopsel niet ontberen, aangezien dit bij hun rouwmoedige terugkeer niet overgedaan wordt, en men dus aanneemt, dat zij dit niet kunnen verliezen». Evenmin nu moet de gedegradeerde, als hij tot de verzoening wordt toegelaten, overgewijd worden. Hij verliest dus niet de consecratiemacht en kan dus dit sacrament tot stand brengen.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus bewijst dat "afvalligen het doopsel niet ontberen, aangezien dit bij hun rouwmoedige terugkeer niet overgedaan wordt, en men dus aanneemt, dat zij dit niet kunnen verliezen». Evenmin nu moet de gedegradeerde, als hij tot de verzoening wordt toegelaten, overgewijd worden. Hij verliest dus niet de consecratiemacht en kan dus dit sacrament tot stand brengen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 8 co.
Mijn antwoord. De macht om de Eucharistie te consecreren behoort tot het merkteken van het priesterschap. Elk merkteken nu is onverwoestbaar, gelijk boven (63e Kw. 5e Art.) gezegd is, evenals de consecraties van alle andere voorwerpen eeuwig duren, en niet verloren noch herhaald kunnen worden. Dus is het duidelijk, dat door de degradatie de consecratiemacht niet verloren wordt. Augustinus zegt immers: "Beide, namelijk het doopsel en de priesterwijding, zijn sacramenten en worden door een consecratie toegediend, het ene, wanneer iemand gedoopt wordt, het andere, wanneer iemand de wijding ontvangt. Daarom mogen de katholieken beide sacramenten niet een andere maal ontvangen". En zo blijkt dat een priester, die gedegradeerd is, dit sacrament tot stand kan brengen.
R: q. 63 a. 5[t:iiia q. 63 a. 5]
Mijn antwoord. De macht om de Eucharistie te consecreren behoort tot het merkteken van het priesterschap. Elk merkteken nu is onverwoestbaar, gelijk boven (63e Kw. 5e Art.) gezegd is, evenals de consecraties van alle andere voorwerpen eeuwig duren, en niet verloren noch herhaald kunnen worden. Dus is het duidelijk, dat door de degradatie de consecratiemacht niet verloren wordt. Augustinus zegt immers: "Beide, namelijk het doopsel en de priesterwijding, zijn sacramenten en worden door een consecratie toegediend, het ene, wanneer iemand gedoopt wordt, het andere, wanneer iemand de wijding ontvangt. Daarom mogen de katholieken beide sacramenten niet een andere maal ontvangen". En zo blijkt dat een priester, die gedegradeerd is, dit sacrament tot stand kan brengen.
R: q. 63 a. 5[t:iiia q. 63 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. Deze rechtsregel wil niet iets uitmaken, maar wil iets onderzoeken, zoals uit de samenhang blijkt.
1e Weerlegging. Deze rechtsregel wil niet iets uitmaken, maar wil iets onderzoeken, zoals uit de samenhang blijkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. De bisschop verleent de priesterlijke wijdingsmacht niet uit eigen kracht, maar als een werktuig, als dienaar van God, wiens werk door de mens niet tenietgedaan kan worden, volgens het gezegde bij Mattheus (19.6): "Wat God verbonden heeft, dat scheide geen mens". Dus kan de bisschop deze macht niet meer afnemen, evenmin als hij die doopt, het merkteken van het doopsel kan wegnemen.
B: (Matt 19:6) [b:Matt 19:6]
2e Weerlegging. De bisschop verleent de priesterlijke wijdingsmacht niet uit eigen kracht, maar als een werktuig, als dienaar van God, wiens werk door de mens niet tenietgedaan kan worden, volgens het gezegde bij Mattheus (19.6): "Wat God verbonden heeft, dat scheide geen mens". Dus kan de bisschop deze macht niet meer afnemen, evenmin als hij die doopt, het merkteken van het doopsel kan wegnemen.
B: (Matt 19:6) [b:Matt 19:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. De excommunicatie is als een geneesmiddel, en daarom wordt aan hen, die geëxcommuniceerd zijn, de uitoefening van de priesterlijke macht niet voor altijd ontnomen, maar voor een bepaalde tijd tot verbetering. Aan de gedegradeerden echter wordt de uitoefening ontnomen in de zin van een veroordeling voor heel het leven.
3e Weerlegging. De excommunicatie is als een geneesmiddel, en daarom wordt aan hen, die geëxcommuniceerd zijn, de uitoefening van de priesterlijke macht niet voor altijd ontnomen, maar voor een bepaalde tijd tot verbetering. Aan de gedegradeerden echter wordt de uitoefening ontnomen in de zin van een veroordeling voor heel het leven.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Is het geoorloofd de Communie te ontvangen van ketterse of geëxcommuniceerde of ook van zondige priesters, en hun Mis bij te wonen?
IIIa q. 82 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. Men beweert, dat men de communie mag ontvangen van ketterse en geëxcommuniceerde of ook van zondige priesters en hun mis mag bijwonen. Zoals immers Augustinus zegt: "mag niemand Gods sacramenten schuwen noch bij een goed mens noch bij een slecht». Maar ook al is een priester een zondaar of een ketter of is hij geëxcommuniceerd, hij kan een waarachtig sacrament tot stand brengen. En daarom schijnt het, dat men niet moet vermijden van hen de communie te ontvangen of hun mis bij te wonen.
Over het negende als volgt. Men beweert, dat men de communie mag ontvangen van ketterse en geëxcommuniceerde of ook van zondige priesters en hun mis mag bijwonen. Zoals immers Augustinus zegt: "mag niemand Gods sacramenten schuwen noch bij een goed mens noch bij een slecht». Maar ook al is een priester een zondaar of een ketter of is hij geëxcommuniceerd, hij kan een waarachtig sacrament tot stand brengen. En daarom schijnt het, dat men niet moet vermijden van hen de communie te ontvangen of hun mis bij te wonen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 9 arg. 2
Vervolgens. Het waarachtige Lichaam van Christus is een beeld voor het mystieke Lichaam, zoals boven (67e Kw. 2e Art.; 73e Kw. 1° Art. 2° Bed.) is uiteengezet. Maar door bovengenoemde priesters wordt het waarachtige Lichaam van Christus geconsacreerd. Daarom schijnt het, dat zij, die deel uitmaken van het mystieke Lichaam, aan hun offers mogen deelnemen.
R: q. 67 a. 2[t:iiia q. 67 a. 2]
Vervolgens. Het waarachtige Lichaam van Christus is een beeld voor het mystieke Lichaam, zoals boven (67e Kw. 2e Art.; 73e Kw. 1° Art. 2° Bed.) is uiteengezet. Maar door bovengenoemde priesters wordt het waarachtige Lichaam van Christus geconsacreerd. Daarom schijnt het, dat zij, die deel uitmaken van het mystieke Lichaam, aan hun offers mogen deelnemen.
R: q. 67 a. 2[t:iiia q. 67 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 9 arg. 3
Vervolgens. Veel zonden zijn er, die zwaarder zijn dan ontucht. Maar het is niet verboden de mis bij te wonen van priesters, die andere zonden bedrijven. Evenmin dus moet het verboden worden de mis bij te wonen van ontuchtige priesters.
Vervolgens. Veel zonden zijn er, die zwaarder zijn dan ontucht. Maar het is niet verboden de mis bij te wonen van priesters, die andere zonden bedrijven. Evenmin dus moet het verboden worden de mis bij te wonen van ontuchtige priesters.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 9 s. c.
Daartegenover staat echter, dat een Decretaal voorschrijft: "Niemand mag de Mis bijwonen van een priester, waarvan hij met zekerheid weet, dat hij een bijzit heeft". En Gregorius zegt, dat "een trouweloze vader een Ariaanse bisschop naar zijn zoon gezonden had om hem uit zijn hand te laten communiceren van een heiligschennende consecratie, maar deze zoon was aan God gehecht en heeft de Ariaanse bisschop afgewezen, zoals het behoort".
Daartegenover staat echter, dat een Decretaal voorschrijft: "Niemand mag de Mis bijwonen van een priester, waarvan hij met zekerheid weet, dat hij een bijzit heeft". En Gregorius zegt, dat "een trouweloze vader een Ariaanse bisschop naar zijn zoon gezonden had om hem uit zijn hand te laten communiceren van een heiligschennende consecratie, maar deze zoon was aan God gehecht en heeft de Ariaanse bisschop afgewezen, zoals het behoort".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 9 co.
Mijn antwoord. Zoals boven (5° Art. 1° Antw.; 7° Art.) gezegd is, hebben de priesters als ze ketters, scheurmakers, geëxcommuniceerd of ook zondaars zijn, wel de macht om de Eucharistie te consecreren, maar maken zij er geen goed gebruik van en zondigen zij aldus doende. Wie echter met iemand omgaat bij diens zonde, wordt zelf deelgenoot van de zonde; daarom staat er dan ook in de Tweede Brief van Joannes (v. 11): "Wie een groet tot hem — d. w. z. tot een ketter — richt, neemt deel aan zijn boze werken". Derhalve is het niet geoorloofd van bovengenoemden de communie te ontvangen en hun mis bij te wonen. Er is echter onderscheid te maken tussen genoemde sekten. Want ketters, en scheurmakers en geëxcommuniceerden zijn door een veroordeling van de Kerk, uitgesloten van het uitoefenen der consecratie. Derhalve zondigt iedereen, die hun mis bijwoont of van hen sacramenten ontvangt. Maar niet alle zondaars zijn door de veroordeling van de Kerk uitgesloten van de uitoefening dezer macht. En zo zijn ze op zich wel geschorst door een goddelijke veroordeling, maar niet tengevolge van een kerkelijke uitspraak, die geldt ten opzichte van anderen. Daarom is het geoorloofd van hen de communie te ontvangen en hun mis te horen tot aan de kerkelijke veroordeling. Daarom staat er bij het woord van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 11): "Met zulken zelfs niet te eten" in de Glossa van Augustinus: "Door dit te zeggen, wil de Apostel niet, dat de ene mens door de andere geoordeeld wordt op grond van vermoedens of ook van een onregelmatige en wederrechtelijke uitspraak, maar veeleer naar goddelijk gebod en kerkelijk voorschrift door middel van een zelfbekentenis of door een aanklacht met overtuigende bewijzen".
B: (1Cor 5:11) [b:1Cor 5:11] (2 Joh 11) [b:2 Joh 11]
R: q. 82 a. 5 ad 1[t:iiia q. 82 a. 5 ad 1] q. 82 a. 7[t:iiia q. 82 a. 7]
Mijn antwoord. Zoals boven (5° Art. 1° Antw.; 7° Art.) gezegd is, hebben de priesters als ze ketters, scheurmakers, geëxcommuniceerd of ook zondaars zijn, wel de macht om de Eucharistie te consecreren, maar maken zij er geen goed gebruik van en zondigen zij aldus doende. Wie echter met iemand omgaat bij diens zonde, wordt zelf deelgenoot van de zonde; daarom staat er dan ook in de Tweede Brief van Joannes (v. 11): "Wie een groet tot hem — d. w. z. tot een ketter — richt, neemt deel aan zijn boze werken". Derhalve is het niet geoorloofd van bovengenoemden de communie te ontvangen en hun mis bij te wonen. Er is echter onderscheid te maken tussen genoemde sekten. Want ketters, en scheurmakers en geëxcommuniceerden zijn door een veroordeling van de Kerk, uitgesloten van het uitoefenen der consecratie. Derhalve zondigt iedereen, die hun mis bijwoont of van hen sacramenten ontvangt. Maar niet alle zondaars zijn door de veroordeling van de Kerk uitgesloten van de uitoefening dezer macht. En zo zijn ze op zich wel geschorst door een goddelijke veroordeling, maar niet tengevolge van een kerkelijke uitspraak, die geldt ten opzichte van anderen. Daarom is het geoorloofd van hen de communie te ontvangen en hun mis te horen tot aan de kerkelijke veroordeling. Daarom staat er bij het woord van de Eerste Brief aan de Corinthiërs (5. 11): "Met zulken zelfs niet te eten" in de Glossa van Augustinus: "Door dit te zeggen, wil de Apostel niet, dat de ene mens door de andere geoordeeld wordt op grond van vermoedens of ook van een onregelmatige en wederrechtelijke uitspraak, maar veeleer naar goddelijk gebod en kerkelijk voorschrift door middel van een zelfbekentenis of door een aanklacht met overtuigende bewijzen".
B: (1Cor 5:11) [b:1Cor 5:11] (2 Joh 11) [b:2 Joh 11]
R: q. 82 a. 5 ad 1[t:iiia q. 82 a. 5 ad 1] q. 82 a. 7[t:iiia q. 82 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. Door te vermijden de Mis van zulke priesters bij te wonen of van hen de communie te ontvangen, schuwen wij Gods sacramenten niet, maar hebben er veeleer eerbied voor; daarom moet de hostie, die door zulke priesters is geconsacreerd, aanbeden worden en mag ze, in geval van bewaring, uit de hand van een wettige priester genuttigd worden. Maar wij schuwen de schuld van hen, die op onwaardige wijze consacreren.
1e Weerlegging. Door te vermijden de Mis van zulke priesters bij te wonen of van hen de communie te ontvangen, schuwen wij Gods sacramenten niet, maar hebben er veeleer eerbied voor; daarom moet de hostie, die door zulke priesters is geconsacreerd, aanbeden worden en mag ze, in geval van bewaring, uit de hand van een wettige priester genuttigd worden. Maar wij schuwen de schuld van hen, die op onwaardige wijze consacreren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. De eenheid van het mystieke Lichaam is de vrucht van het ontvangen van het waarachtige Lichaam. Wie echter op onwaardige wijze hieraan deelnemen of het bedienen, blijven verstoken van de vrucht, zoals boven (7° Art.; 80° Kw. 4° Art.) gezegd is. Daarom moeten zij die verenigd zijn met de Kerk geen door zulke mensen toegediende sacramenten ontvangen.
R: q. 82 a. 7[t:iiia q. 82 a. 7] q. 80 a. 4[t:iiia q. 80 a. 4]
2e Weerlegging. De eenheid van het mystieke Lichaam is de vrucht van het ontvangen van het waarachtige Lichaam. Wie echter op onwaardige wijze hieraan deelnemen of het bedienen, blijven verstoken van de vrucht, zoals boven (7° Art.; 80° Kw. 4° Art.) gezegd is. Daarom moeten zij die verenigd zijn met de Kerk geen door zulke mensen toegediende sacramenten ontvangen.
R: q. 82 a. 7[t:iiia q. 82 a. 7] q. 80 a. 4[t:iiia q. 80 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. Ofschoon ontucht niet zwaarder is dan de overige zonden, zijn toch de mensen daartoe meer geneigd, vanwege de begeerlijkheid des vleses. Daarom is deze zonde op bijzondere wijze door de Kerk aan de priesters verboden, zodat niemand de Mis van een ontuchtig priester mag bijwonen. Dit moet echter verstaan worden van een, die als zodanig bekend is, ofwel tengevolge van een uitspraak, die gedaan wordt na geleverd bewijs, of door een rechterlijk vastgelegde bekentenis ofwel door de klaarlijkheid van het feit, wanneer het namelijk onmogelijk is de zonde met behulp van welke uitvlucht dan ook te verhelen.
3e Weerlegging. Ofschoon ontucht niet zwaarder is dan de overige zonden, zijn toch de mensen daartoe meer geneigd, vanwege de begeerlijkheid des vleses. Daarom is deze zonde op bijzondere wijze door de Kerk aan de priesters verboden, zodat niemand de Mis van een ontuchtig priester mag bijwonen. Dit moet echter verstaan worden van een, die als zodanig bekend is, ofwel tengevolge van een uitspraak, die gedaan wordt na geleverd bewijs, of door een rechterlijk vastgelegde bekentenis ofwel door de klaarlijkheid van het feit, wanneer het namelijk onmogelijk is de zonde met behulp van welke uitvlucht dan ook te verhelen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Mag een priester zich geheel onthouden van de consecratie der Eucharistie?
IIIa q. 82 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. Men beweert, dat de priester zich geheel mag onthouden van de consecratie van de Eucharistie. Evenals het immers tot de taak van een priester behoort de Eucharistie te consecreren, zo behoort het ook tot zijn taak te dopen en de andere sacramenten toe te dienen. Maar de priester is niet verplicht de andere sacramenten toe te dienen, als hij geen zielzorg heeft aangenomen. Daarom schijnt het, dat hij evenmin verplicht is de Eucharistie te consecreren, als hij geen zielzorg heeft.
Over het tiende als volgt. Men beweert, dat de priester zich geheel mag onthouden van de consecratie van de Eucharistie. Evenals het immers tot de taak van een priester behoort de Eucharistie te consecreren, zo behoort het ook tot zijn taak te dopen en de andere sacramenten toe te dienen. Maar de priester is niet verplicht de andere sacramenten toe te dienen, als hij geen zielzorg heeft aangenomen. Daarom schijnt het, dat hij evenmin verplicht is de Eucharistie te consecreren, als hij geen zielzorg heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 10 arg. 2
Vervolgens. Niemand is verplicht tot iets wat hij niet mag doen, want dan zou hij niet weten wat te doen. Maar een zondig en ook een geëxcommuniceerd priester mag niet de Eucharistie conserveren, zoals blijkt uit wat boven (5e Art. 1° Antw.; 7e Art.) gezegd is. Het schijnt dus dat zulken niet verplicht zijn de Mis op te dragen. Maar dan zijn ook de anderen niet ertoe verplicht: anders toch zouden de eersten voordeel hebben van hun schuld.
R: q. 82 a. 7 ad 1[t:iiia q. 82 a. 5 ad 1] q. 82 a. 7[t:iiia q. 82 a. 7]
Vervolgens. Niemand is verplicht tot iets wat hij niet mag doen, want dan zou hij niet weten wat te doen. Maar een zondig en ook een geëxcommuniceerd priester mag niet de Eucharistie conserveren, zoals blijkt uit wat boven (5e Art. 1° Antw.; 7e Art.) gezegd is. Het schijnt dus dat zulken niet verplicht zijn de Mis op te dragen. Maar dan zijn ook de anderen niet ertoe verplicht: anders toch zouden de eersten voordeel hebben van hun schuld.
R: q. 82 a. 7 ad 1[t:iiia q. 82 a. 5 ad 1] q. 82 a. 7[t:iiia q. 82 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 10 arg. 3
Vervolgens. De priesterlijke waardigheid wordt niet te niet gedaan door een later optredende ongesteldheid. Immers Paus Gelasius zegt, zoals men ook kan lezen in een Decretaal: "Evenals de canonieke voorschriften niet toestaan dat zij, die te zwak van lichaam zijn, priester gewijd worden, zo kan hij die reeds gewijd is en dan ziek wordt, niet verliezen wat hij tijdens zijn gezondheid ontvangen heeft". Het gebeurt echter soms, dat zij, die priester gewijd zijn, bepaalde ziekten oplopen, waardoor zij niet in staat zijn de Mis op te dragen, bijvoorbeeld melaatsheid of vallende ziekte of iets dergelijks. Daarom schijnt het dat de priesters niet verplicht zijn de Mis op te dragen.
Vervolgens. De priesterlijke waardigheid wordt niet te niet gedaan door een later optredende ongesteldheid. Immers Paus Gelasius zegt, zoals men ook kan lezen in een Decretaal: "Evenals de canonieke voorschriften niet toestaan dat zij, die te zwak van lichaam zijn, priester gewijd worden, zo kan hij die reeds gewijd is en dan ziek wordt, niet verliezen wat hij tijdens zijn gezondheid ontvangen heeft". Het gebeurt echter soms, dat zij, die priester gewijd zijn, bepaalde ziekten oplopen, waardoor zij niet in staat zijn de Mis op te dragen, bijvoorbeeld melaatsheid of vallende ziekte of iets dergelijks. Daarom schijnt het dat de priesters niet verplicht zijn de Mis op te dragen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 10 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: "Het is erg, dat wij niet tot Uw tafel komen met rein hart en onschuldige handen, maar erger is het wanneer wij uit vrees voor de zonden U zelfs het offer niet opdragen".
Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: "Het is erg, dat wij niet tot Uw tafel komen met rein hart en onschuldige handen, maar erger is het wanneer wij uit vrees voor de zonden U zelfs het offer niet opdragen".
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 10 co.
Mijn antwoord. Sommigen hebben geleerd, dat een priester zich geheel mag onthouden van het consacreren der Eucharistie, behalve wanneer hij krachtens hem opgedragen zielzorg verplicht is de Mis te lezen voor het volk en de sacramenten toe te dienen. Maar het is onredelijk dat te houden. Iedereen toch is verplicht de hem geschonken genade te gebruiken naar gelang het te pas komt, overeenkomstig het woord uit de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 1): "Wij vermanen u om Gods genade niet vruchteloos te ontvangen". Of het nu te pas komt het Misoffer op te dragen wordt niet alleen afgerekend naar de gelovige christenen, waaraan men de sacramenten moet toedienen, maar hoofdzakelijk naar God, aan wien door de consecratie van dit Sacrament een offer wordt opgedragen. Daarom mag een priester ook al heeft hij geen zielzorg, zich niet geheel onttrekken aan het opdragen van de Mis; en minstens schijnt hij ertoe verplicht op de voornaamste feesten en vooral op die dagen, waarop de gelovigen gewoonlijk te communie gaan. Daarom staat er ook geschreven in het Tweede Boek van de Machabeeën (4. 14) tegen sommige priesters: "dat zij niet meer zich wijdden aan de dienst van het altaar, de tempel verachtend en de offers verwaarlozend".
B: (2Cor 6:1) [b:2Cor 6:1] (2Macc 4:14) [b:2Macc 4:14]
Mijn antwoord. Sommigen hebben geleerd, dat een priester zich geheel mag onthouden van het consacreren der Eucharistie, behalve wanneer hij krachtens hem opgedragen zielzorg verplicht is de Mis te lezen voor het volk en de sacramenten toe te dienen. Maar het is onredelijk dat te houden. Iedereen toch is verplicht de hem geschonken genade te gebruiken naar gelang het te pas komt, overeenkomstig het woord uit de Tweede Brief aan de Corinthiërs (6. 1): "Wij vermanen u om Gods genade niet vruchteloos te ontvangen". Of het nu te pas komt het Misoffer op te dragen wordt niet alleen afgerekend naar de gelovige christenen, waaraan men de sacramenten moet toedienen, maar hoofdzakelijk naar God, aan wien door de consecratie van dit Sacrament een offer wordt opgedragen. Daarom mag een priester ook al heeft hij geen zielzorg, zich niet geheel onttrekken aan het opdragen van de Mis; en minstens schijnt hij ertoe verplicht op de voornaamste feesten en vooral op die dagen, waarop de gelovigen gewoonlijk te communie gaan. Daarom staat er ook geschreven in het Tweede Boek van de Machabeeën (4. 14) tegen sommige priesters: "dat zij niet meer zich wijdden aan de dienst van het altaar, de tempel verachtend en de offers verwaarlozend".
B: (2Cor 6:1) [b:2Cor 6:1] (2Macc 4:14) [b:2Macc 4:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. De andere sacramenten komen tot stand bij het gebruik van de gelovigen. Daarom moet alleen hij die de zorg over de gelovigen op zich genomen heeft, deze sacramenten toedienen. Maar dit sacrament wordt voltrokken door de consecratie van de Eucharistie, waardoor aan God het offer opgedragen wordt. En daartoe is iedere priester verplicht vanwege de wijding, die hij ontvangen heeft.
1e Weerlegging. De andere sacramenten komen tot stand bij het gebruik van de gelovigen. Daarom moet alleen hij die de zorg over de gelovigen op zich genomen heeft, deze sacramenten toedienen. Maar dit sacrament wordt voltrokken door de consecratie van de Eucharistie, waardoor aan God het offer opgedragen wordt. En daartoe is iedere priester verplicht vanwege de wijding, die hij ontvangen heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. Als een zondig priester door de uitspraak van de Kerk de uitoefening van de wijding wordt ontzegd, hetzij voor altijd of voor een bepaalde tijd, is hij onbekwaam om het Offer op te dragen en daarmee wordt zijn verplichting opgeheven. Dit is echter eerder in zijn geestelijk nadeel dan in zijn voordeel. Wordt hij echter niet beroofd van de offermacht, dan houdt de verplichting niet op. Echter is hij dan niet zo, dat hij niet weet wat te doen, omdat hij over zijn zonden berouw kan verwekken en dan de Mis opdragen.
2e Weerlegging. Als een zondig priester door de uitspraak van de Kerk de uitoefening van de wijding wordt ontzegd, hetzij voor altijd of voor een bepaalde tijd, is hij onbekwaam om het Offer op te dragen en daarmee wordt zijn verplichting opgeheven. Dit is echter eerder in zijn geestelijk nadeel dan in zijn voordeel. Wordt hij echter niet beroofd van de offermacht, dan houdt de verplichting niet op. Echter is hij dan niet zo, dat hij niet weet wat te doen, omdat hij over zijn zonden berouw kan verwekken en dan de Mis opdragen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 82 a. 10 ad 3
3e Weerlegging. Ziekte of zwakheid, die iemand na zijn priesterwijding overkomt, heft deze wijding niet op, maar belet de uitoefening ervan wat betreft de consecratie van de Eucharistie. Soms omdat de uitoefening onmogelijk geworden is zoals door het verlies van ogen, vingers of van de spraak. Soms omdat ze gevaarlijk wordt, zoals blijkt bij hem, die aan vallende ziekte of geestverbijsteringen lijdt. Soms omdat de ziekte afstotelijk is zoals bij een melaatse, die daarom niet openlijk de Mis moet opdragen. Hij kan het in het verborgen doen, tenzij de melaatsheid zo is verergerd, dat zij door wegtering van de ledematen hem daartoe onbekwaam heeft gemaakt.
3e Weerlegging. Ziekte of zwakheid, die iemand na zijn priesterwijding overkomt, heft deze wijding niet op, maar belet de uitoefening ervan wat betreft de consecratie van de Eucharistie. Soms omdat de uitoefening onmogelijk geworden is zoals door het verlies van ogen, vingers of van de spraak. Soms omdat ze gevaarlijk wordt, zoals blijkt bij hem, die aan vallende ziekte of geestverbijsteringen lijdt. Soms omdat de ziekte afstotelijk is zoals bij een melaatse, die daarom niet openlijk de Mis moet opdragen. Hij kan het in het verborgen doen, tenzij de melaatsheid zo is verergerd, dat zij door wegtering van de ledematen hem daartoe onbekwaam heeft gemaakt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 83: Over de Ritus van dit Sacrament
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 74 a. 3 ad 1
IIIa q. 75 a. 3 s. c.
IIIa q. 79 a. 6 ad 3[t:iiia q. 74 a. 3 ad 1][t:iiia q. 75 a. 3 s. c.][t:iiia q. 79 a. 6 ad 3]
IIIa q. 83 pr.
Vervolgens moet gesproken worden over de ritus van dit Sacrament. Daaromtrent stellen wij zes vragen.
1. Wordt bij de viering van dit Geheim Christus geslachtofferd?
2. Over de tijd van de viering.
3. Over de plaats van de viering en al het overige voor de viering vereiste.
4. Over datgene, wat gesproken wordt bij de viering van dit Geheim.
5. Over datgene, wat gedaan wordt bij de viering van dit Geheim.
6. Over de tekortkomingen, welke bij de viering van dit Sacrament kunnen voorvallen.
IIIa q. 74 a. 3 ad 1
IIIa q. 75 a. 3 s. c.
IIIa q. 79 a. 6 ad 3[t:iiia q. 74 a. 3 ad 1][t:iiia q. 75 a. 3 s. c.][t:iiia q. 79 a. 6 ad 3]
IIIa q. 83 pr.
Vervolgens moet gesproken worden over de ritus van dit Sacrament. Daaromtrent stellen wij zes vragen.
1. Wordt bij de viering van dit Geheim Christus geslachtofferd?
2. Over de tijd van de viering.
3. Over de plaats van de viering en al het overige voor de viering vereiste.
4. Over datgene, wat gesproken wordt bij de viering van dit Geheim.
5. Over datgene, wat gedaan wordt bij de viering van dit Geheim.
6. Over de tekortkomingen, welke bij de viering van dit Sacrament kunnen voorvallen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Wordt bij de viering van dit Sacrament Christus geslachtofferd?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 21 a. 1 co.
IIIa q. 83 a. 2 arg. 1
IIIa q. 83 a. 2 co.[t:iiia q. 21 a. 1 co.][t:iiia q. 83 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 83 a. 2 co.]
IIIa q. 83 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat bij de viering van dit Sacrament Christus niet wordt geslachtofferd. Er staat immers in de Brief aan de Hebreeën (10, 14) dat Christus “door één enkele offerande de geheiligden eens en vooral, tot volmaaktheid heeft gebracht”. Maar die offerande was zijn slachtoffering. Dus wordt Christus niet geslachtofferd bij de viering van dit Sacrament.
B: (Heb 10:14) [b:Heb 10:14]
IIIa q. 21 a. 1 co.
IIIa q. 83 a. 2 arg. 1
IIIa q. 83 a. 2 co.[t:iiia q. 21 a. 1 co.][t:iiia q. 83 a. 2 arg. 1][t:iiia q. 83 a. 2 co.]
IIIa q. 83 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. Men beweert, dat bij de viering van dit Sacrament Christus niet wordt geslachtofferd. Er staat immers in de Brief aan de Hebreeën (10, 14) dat Christus “door één enkele offerande de geheiligden eens en vooral, tot volmaaktheid heeft gebracht”. Maar die offerande was zijn slachtoffering. Dus wordt Christus niet geslachtofferd bij de viering van dit Sacrament.
B: (Heb 10:14) [b:Heb 10:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 1 arg. 2
Vervolgens. De slachtoffering van Christus had plaats op het kruis, waarop Hij “Zich voor ons heeft gegeven als offerande en offerlam tot een liefderijke geur voor God”, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Ephesiërs (5, 2). Maar bij de viering van dit Geheim wordt Christus niet gekruisigd en dus ook niet geslachtofferd.
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
Vervolgens. De slachtoffering van Christus had plaats op het kruis, waarop Hij “Zich voor ons heeft gegeven als offerande en offerlam tot een liefderijke geur voor God”, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Ephesiërs (5, 2). Maar bij de viering van dit Geheim wordt Christus niet gekruisigd en dus ook niet geslachtofferd.
B: (Eph 5:2) [b:Eph 5:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 1 arg. 3
Vervolgens. Zoals Augustinus zegt, vallen bij de slachtoffering van Christus de priester en het offerlam samen. Maar bij de viering van dit Sacrament vallen de priester en het offerlam niet samen. Dus is ook de viering van dit Sacrament niet Christus’ slachtoffering.
Vervolgens. Zoals Augustinus zegt, vallen bij de slachtoffering van Christus de priester en het offerlam samen. Maar bij de viering van dit Sacrament vallen de priester en het offerlam niet samen. Dus is ook de viering van dit Sacrament niet Christus’ slachtoffering.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 1 s. c.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: “Eenmaal is Christus geslachtofferd in eigen persoon, en toch wordt Hij nog dagelijks geslachtofferd in het Sacrament”.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: “Eenmaal is Christus geslachtofferd in eigen persoon, en toch wordt Hij nog dagelijks geslachtofferd in het Sacrament”.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 1 co.
Mijn antwoord. Om twee redenen kan men de viering van dit Sacrament Christus’ slachtoffering noemen. Vooreerst omdat, naar Augustinus zegt: “men gewoon is beelden te benoemen naar hetgeen ze voorstellen. Zo zeggen wij bij het zien van een portret of muurschildering: dat is Cicero, dat Sallustius”. Nu is de viering van dit Sacrament, zoals boven (76e Kw. 2e Art. 1e Antw.; 79e Kw. 1e Art.) uiteengezet is, een soort afbeelding en voorstelling van Christus’ lijden, dat een waarachtige slachtoffering was. Daarom zegt Ambrosius: “In Christus is eenmaal een offerlam opgedragen, in staat om eeuwig heil te bewerken. Wat doen wij dan nog? Offeren wij niet iedere dag ter herinnering aan Zijn dood?” De tweede reden, verband houdend met het uitwerksel van Christus’ lijden, is dat wij door dit Sacrament deel krijgen aan de vrucht van ’s Heren lijden. Daarom wordt er ook in een bepaalde zondagse Secreta gezegd: “Zo dikwijls als wij de herdenking, van dit Offerlam vieren, wordt het werk van de verlossing verricht”. Op grond van de eerste reden kan men ook zeggen dat Christus geslachtofferd werd in de voorafbeeldingen van het Oude Verbond. Vandaar staat er in het Boek der Openbaring (13, 8): “En hun naam staat niet geschreven in het boek des levens van het Lam, dat geslacht is sinds de grondvesting der wereld”. Maar wat de tweede reden betreft komt het alleen aan dit Sacrament toe, dat bij zijn viering Christus wordt geslachtofferd.
B: (Apoc. 13, 8) [b:Apoc. 13, 8]
R: q. 76 a. 2 ad 1[t:iiia q. 76 a. 2 ad 1] q. 79 a. 1[t:iiia q. 79 a. 1]
Mijn antwoord. Om twee redenen kan men de viering van dit Sacrament Christus’ slachtoffering noemen. Vooreerst omdat, naar Augustinus zegt: “men gewoon is beelden te benoemen naar hetgeen ze voorstellen. Zo zeggen wij bij het zien van een portret of muurschildering: dat is Cicero, dat Sallustius”. Nu is de viering van dit Sacrament, zoals boven (76e Kw. 2e Art. 1e Antw.; 79e Kw. 1e Art.) uiteengezet is, een soort afbeelding en voorstelling van Christus’ lijden, dat een waarachtige slachtoffering was. Daarom zegt Ambrosius: “In Christus is eenmaal een offerlam opgedragen, in staat om eeuwig heil te bewerken. Wat doen wij dan nog? Offeren wij niet iedere dag ter herinnering aan Zijn dood?” De tweede reden, verband houdend met het uitwerksel van Christus’ lijden, is dat wij door dit Sacrament deel krijgen aan de vrucht van ’s Heren lijden. Daarom wordt er ook in een bepaalde zondagse Secreta gezegd: “Zo dikwijls als wij de herdenking, van dit Offerlam vieren, wordt het werk van de verlossing verricht”. Op grond van de eerste reden kan men ook zeggen dat Christus geslachtofferd werd in de voorafbeeldingen van het Oude Verbond. Vandaar staat er in het Boek der Openbaring (13, 8): “En hun naam staat niet geschreven in het boek des levens van het Lam, dat geslacht is sinds de grondvesting der wereld”. Maar wat de tweede reden betreft komt het alleen aan dit Sacrament toe, dat bij zijn viering Christus wordt geslachtofferd.
B: (Apoc. 13, 8) [b:Apoc. 13, 8]
R: q. 76 a. 2 ad 1[t:iiia q. 76 a. 2 ad 1] q. 79 a. 1[t:iiia q. 79 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. Terzelfder plaatse zegt Ambrosius: “Er is slechts één offerlam”, dat Christus opdroeg en dat wij opdragen “en niet verschillende, omdat Christus slechts eenmaal geofferd is. Maar dit Offer is een afbeelding van het andere. Want evenals overal slechts één Lichaam wordt opgedragen en niet meerdere, zo ook één Offer”.
B: (Heb 10:1) [b:Heb 10:1]
1e Weerlegging. Terzelfder plaatse zegt Ambrosius: “Er is slechts één offerlam”, dat Christus opdroeg en dat wij opdragen “en niet verschillende, omdat Christus slechts eenmaal geofferd is. Maar dit Offer is een afbeelding van het andere. Want evenals overal slechts één Lichaam wordt opgedragen en niet meerdere, zo ook één Offer”.
B: (Heb 10:1) [b:Heb 10:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. Evenals de viering van dit Sacrament een afbeelding is van Christus’ lijden, zo is het altaar een voorstelling van het kruis, waarop Christus in eigen gedaante geslachtofferd werd.
2e Weerlegging. Evenals de viering van dit Sacrament een afbeelding is van Christus’ lijden, zo is het altaar een voorstelling van het kruis, waarop Christus in eigen gedaante geslachtofferd werd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. Om dezelfde reden (als in voorafgaand Antw.) is de priester een afbeelding van Christus, in wiens persoon en door wiens kracht hij de woorden van de consecratie uitspreekt, zoals vroeger (82e Kw. 1e en 3e Art.) is uiteengezet. En daarom vallen priester en offerlam in zekere zin samen.
R: q. 82 a. 1[t:iiia q. 82 a. 1] q. 82 a. 3[t:iiia q. 82 a. 3]
3e Weerlegging. Om dezelfde reden (als in voorafgaand Antw.) is de priester een afbeelding van Christus, in wiens persoon en door wiens kracht hij de woorden van de consecratie uitspreekt, zoals vroeger (82e Kw. 1e en 3e Art.) is uiteengezet. En daarom vallen priester en offerlam in zekere zin samen.
R: q. 82 a. 1[t:iiia q. 82 a. 1] q. 82 a. 3[t:iiia q. 82 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Inter Insigniores ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Is de tijd voor de viering van dit Geheim op geschikte wijze vastgesteld?
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 21 a. 1 co.[t:iiia q. 21 a. 1 co.]
IIIa q. 83 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de tijd voor de viering van dit Geheim niet op geschikte wijze is vastgesteld. Dit Sacrament is immers, zoals gezegd is (vorig Art.), een voorstelling van ’s Heren lijden. Maar de herdenking van dit lijden heeft in de Kerk eenmaal per jaar plaats. Want Augustinus zegt: “Wordt soms telkens als het Paasfeest gevierd wordt, Christus gedood? Neen, maar de jaarlijkse herdenking stelt aan ons voor wat eens gebeurd is en grijpt ons zo aan alsof wij Christus op het Kruis zagen hangen”. Daarom moet dit Sacrament slechts eenmaal per jaar gevierd worden.
B: (Ps 21) [b:Ps 21]
R: q. 83 a. 1[t:iiia q. 83 a. 1]
IIIa q. 21 a. 1 co.[t:iiia q. 21 a. 1 co.]
IIIa q. 83 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. Men beweert, dat de tijd voor de viering van dit Geheim niet op geschikte wijze is vastgesteld. Dit Sacrament is immers, zoals gezegd is (vorig Art.), een voorstelling van ’s Heren lijden. Maar de herdenking van dit lijden heeft in de Kerk eenmaal per jaar plaats. Want Augustinus zegt: “Wordt soms telkens als het Paasfeest gevierd wordt, Christus gedood? Neen, maar de jaarlijkse herdenking stelt aan ons voor wat eens gebeurd is en grijpt ons zo aan alsof wij Christus op het Kruis zagen hangen”. Daarom moet dit Sacrament slechts eenmaal per jaar gevierd worden.
B: (Ps 21) [b:Ps 21]
R: q. 83 a. 1[t:iiia q. 83 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 2 arg. 2
Vervolgens. De Kerk herdenkt het lijden van Christus op Vrijdag voor Pasen en niet op het feest van Kerstmis. Als nu dit Sacrament de herdenking van ’s Heren lijden is, is het minder gepast om het op Kerstmis driemaal te vieren en het op Goede Vrijdag helemaal over te slaan.
Vervolgens. De Kerk herdenkt het lijden van Christus op Vrijdag voor Pasen en niet op het feest van Kerstmis. Als nu dit Sacrament de herdenking van ’s Heren lijden is, is het minder gepast om het op Kerstmis driemaal te vieren en het op Goede Vrijdag helemaal over te slaan.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 2 arg. 3
Vervolgens. De Kerk moet bij de viering van dit Sacrament zich aanpassen aan de instelling van Christus. Maar Christus heeft dit Sacrament geconsecreerd tegen de avond. Daarom schijnt het dat dit Sacrament op die tijd gevierd moet worden.
Vervolgens. De Kerk moet bij de viering van dit Sacrament zich aanpassen aan de instelling van Christus. Maar Christus heeft dit Sacrament geconsecreerd tegen de avond. Daarom schijnt het dat dit Sacrament op die tijd gevierd moet worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 2 arg. 4
Vervolgens. Zoals men in een Decretaal kan lezen, schreef Paus Leo aan Bisschop Dioscorus Alexandrinus, dat men de Mis mag opdragen “gedurende de eerste helft van de dag”. Maar de dag begint bij middernacht, zoals boven (80e Kw. 8e Art. 5e Antw.) gezegd is. Het schijnt dus, dat men ook vanaf middernacht de Mis mag opdragen.
R: q. 80 a. 8 ad 5[t:iiia q. 80 a. 8 ad 5]
Vervolgens. Zoals men in een Decretaal kan lezen, schreef Paus Leo aan Bisschop Dioscorus Alexandrinus, dat men de Mis mag opdragen “gedurende de eerste helft van de dag”. Maar de dag begint bij middernacht, zoals boven (80e Kw. 8e Art. 5e Antw.) gezegd is. Het schijnt dus, dat men ook vanaf middernacht de Mis mag opdragen.
R: q. 80 a. 8 ad 5[t:iiia q. 80 a. 8 ad 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 2 arg. 5
Vervolgens. In een bepaalde zondagse Secreta wordt gezegd: “Sta ons toe, Heer, smeken wij, deze Geheimen dikwijls te vieren”. Maar de priester zou het meerdere malen doen, als hij ook op meerdere uren van de dag de Mis zou opdragen. Daarom schijnt het, dat men de priester niet moet verbieden meermalen daags de Mis op te dragen.
Vervolgens. In een bepaalde zondagse Secreta wordt gezegd: “Sta ons toe, Heer, smeken wij, deze Geheimen dikwijls te vieren”. Maar de priester zou het meerdere malen doen, als hij ook op meerdere uren van de dag de Mis zou opdragen. Daarom schijnt het, dat men de priester niet moet verbieden meermalen daags de Mis op te dragen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 2 s. c.
Daartegenover staat echter het gebruik, door de Kerk overeenkomstig de voorschriften van het kerkelijk recht in acht genomen.
Daartegenover staat echter het gebruik, door de Kerk overeenkomstig de voorschriften van het kerkelijk recht in acht genomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 2 co.
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (vorig Art.), vindt men bij de viering van dit Geheim de voorstelling van het lijden des Heren en het deelachtig worden aan de vrucht ervan. Naar deze beide opzichten moest men dus de tijd vaststellen, welke voor de viering van dit Sacrament geschikt is. Omdat wij dan de vrucht van 's Heren lijden dagelijks nodig hebben vanwege onze dagelijkse fouten, wordt gewoonlijk elke dag dit Sacrament in de Kerk opgedragen. Daarom leerde de Heer ons ook bidden: “Geef ons heden ons dagelijks brood” (Luc. 11. 3), waarbij Augustinus opmerkt: “Als het dagelijks brood is, waarom eet gij het dan eenmaal in het jaar, zoals de Grieken in het Oosten gewoon zijn? Neem het dagelijks, opdat het u dagelijks tot heil zij”. — Omdat echter het lijden des Heren van het derde tot het negende uur heeft plaats gehad, wordt dit Sacrament in de Kerk gewoonlijk op dat gedeelte van de dag gevierd.
B: (Luke 11:3) [b:Luke 11:3]
R: q. 83 a. 1[t:iiia q. 83 a. 1]
Mijn antwoord. Zoals boven gezegd is (vorig Art.), vindt men bij de viering van dit Geheim de voorstelling van het lijden des Heren en het deelachtig worden aan de vrucht ervan. Naar deze beide opzichten moest men dus de tijd vaststellen, welke voor de viering van dit Sacrament geschikt is. Omdat wij dan de vrucht van 's Heren lijden dagelijks nodig hebben vanwege onze dagelijkse fouten, wordt gewoonlijk elke dag dit Sacrament in de Kerk opgedragen. Daarom leerde de Heer ons ook bidden: “Geef ons heden ons dagelijks brood” (Luc. 11. 3), waarbij Augustinus opmerkt: “Als het dagelijks brood is, waarom eet gij het dan eenmaal in het jaar, zoals de Grieken in het Oosten gewoon zijn? Neem het dagelijks, opdat het u dagelijks tot heil zij”. — Omdat echter het lijden des Heren van het derde tot het negende uur heeft plaats gehad, wordt dit Sacrament in de Kerk gewoonlijk op dat gedeelte van de dag gevierd.
B: (Luke 11:3) [b:Luke 11:3]
R: q. 83 a. 1[t:iiia q. 83 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. In dit Sacrament wordt het lijden van Christus herdacht als zijn uitwerking hebbend in de gelovigen. Maar in de lijdenstijd herdenkt men het lijden van Christus alleen voor zover het in ons Hoofd voltrokken werd. En dat is slechts eenmaal geschied, maar dagelijks krijgen de gelovigen deel aan de vrucht van het lijden. Daarom wordt die andere herdenking slechts eenmaal in het jaar gevierd, deze echter elke dag zowel om de vrucht als om een voortdurende herinnering.
1e Weerlegging. In dit Sacrament wordt het lijden van Christus herdacht als zijn uitwerking hebbend in de gelovigen. Maar in de lijdenstijd herdenkt men het lijden van Christus alleen voor zover het in ons Hoofd voltrokken werd. En dat is slechts eenmaal geschied, maar dagelijks krijgen de gelovigen deel aan de vrucht van het lijden. Daarom wordt die andere herdenking slechts eenmaal in het jaar gevierd, deze echter elke dag zowel om de vrucht als om een voortdurende herinnering.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. Bij de komst van de werkelijkheid, moet het beeld verdwijnen. Dit Sacrament nu is een beeld en een voorstelling van het lijden des Heren, zoals gezegd is (in de Leerst.). Daarom is er op de dag, waarop het lijden des Heren herdacht wordt voor zover het werkelijk heeft plaats gehad, geen consecratie van dit Sacrament. Opdat echter de Kerk op die dag niet zonder de vrucht van het lijden zou zijn, welke in dit Sacrament, ons meegedeeld wordt, wordt het daags te voren geconsecreerde Lichaam van Christus bewaard om op die dag genuttigd te worden. Niet echter het Bloed, omdat dat gevaarlijk is en bovendien omdat het Bloed op een bijzondere wijze het beeld is van het lijden des Heren, zoals boven (78e Kw. 3e Art. 2e Antw.) is. uiteengezet. Overigens is niet waar wat sommigen beweren, dat door de vermenging van een gedeelte van het Lichaam met de wijn, deze wijn in het Bloed veranderd wordt. Want dit kan alleen geschieden door de consecratie, welke met de vereiste woorden voltrokken wordt. Op Kerstmis worden verschillende Missen opgedragen, om de drievoudige geboorte van Christus. Vooreerst de eeuwige, welke voor ons verborgen is. En daarom wordt er ’s nachts een Mis gezongen, waarbij in de Introïtus gezegd wordt: “De Heer sprak tot Mij: Mijn Zoon zijt Gij. Ik heb U heden voortgebracht”. De tweede geboorte is in de tijd maar geestelijk: waarbij nl. Christus “als de Morgenster oprijst in onze harten” (2 Petr. 1, 19). En om die reden wordt een Mis gezongen in de morgenschemering; in de Introïtus daarvan heet het: “Een licht zal heden over ons stralen”. De derde geboorte van Christus is die, welke in de tijd en naar het lichaam heeft plaats gehad, toen Hij voor ons zichtbaar en met Vlees omkleed uit de maagdelijke schoot te voorschijn kwam. Daarom wordt een derde Mis op klaarlichte dag gezongen, waarbij in de Introïtus gezegd wordt: “’n Kind is ons geboren”. Men zou ook omgekeerd kunnen zeggen, dat de eeuwige geboorte op zich in het volle licht heeft plaats gehad en daarom wordt er in het Evangelie van de derde Mis melding gemaakt van de eeuwige geboorte. Volgens de geboorte naar het Vlees is Christus in werkelijkheid ’s nachts geboren ten teken dat Hij tot onze duistere zwakheid kwam en daarom wordt in de nachtmis het Evangelie over de lichamelijke geboorte gelezen. Op dezelfde wijzen worden ook op andere dagen, waarop wij verschillende weldaden van Christus moeten herdenken of afbidden, verschillende Missen op dezelfde dag opdragen, zo b. v. een voor het feest, een ander voor de vasten of voor de overledenen.
R: q. 78 a. 3 ad 2[t:iiia q. 78 a. 3 ad 2]
2e Weerlegging. Bij de komst van de werkelijkheid, moet het beeld verdwijnen. Dit Sacrament nu is een beeld en een voorstelling van het lijden des Heren, zoals gezegd is (in de Leerst.). Daarom is er op de dag, waarop het lijden des Heren herdacht wordt voor zover het werkelijk heeft plaats gehad, geen consecratie van dit Sacrament. Opdat echter de Kerk op die dag niet zonder de vrucht van het lijden zou zijn, welke in dit Sacrament, ons meegedeeld wordt, wordt het daags te voren geconsecreerde Lichaam van Christus bewaard om op die dag genuttigd te worden. Niet echter het Bloed, omdat dat gevaarlijk is en bovendien omdat het Bloed op een bijzondere wijze het beeld is van het lijden des Heren, zoals boven (78e Kw. 3e Art. 2e Antw.) is. uiteengezet. Overigens is niet waar wat sommigen beweren, dat door de vermenging van een gedeelte van het Lichaam met de wijn, deze wijn in het Bloed veranderd wordt. Want dit kan alleen geschieden door de consecratie, welke met de vereiste woorden voltrokken wordt. Op Kerstmis worden verschillende Missen opgedragen, om de drievoudige geboorte van Christus. Vooreerst de eeuwige, welke voor ons verborgen is. En daarom wordt er ’s nachts een Mis gezongen, waarbij in de Introïtus gezegd wordt: “De Heer sprak tot Mij: Mijn Zoon zijt Gij. Ik heb U heden voortgebracht”. De tweede geboorte is in de tijd maar geestelijk: waarbij nl. Christus “als de Morgenster oprijst in onze harten” (2 Petr. 1, 19). En om die reden wordt een Mis gezongen in de morgenschemering; in de Introïtus daarvan heet het: “Een licht zal heden over ons stralen”. De derde geboorte van Christus is die, welke in de tijd en naar het lichaam heeft plaats gehad, toen Hij voor ons zichtbaar en met Vlees omkleed uit de maagdelijke schoot te voorschijn kwam. Daarom wordt een derde Mis op klaarlichte dag gezongen, waarbij in de Introïtus gezegd wordt: “’n Kind is ons geboren”. Men zou ook omgekeerd kunnen zeggen, dat de eeuwige geboorte op zich in het volle licht heeft plaats gehad en daarom wordt er in het Evangelie van de derde Mis melding gemaakt van de eeuwige geboorte. Volgens de geboorte naar het Vlees is Christus in werkelijkheid ’s nachts geboren ten teken dat Hij tot onze duistere zwakheid kwam en daarom wordt in de nachtmis het Evangelie over de lichamelijke geboorte gelezen. Op dezelfde wijzen worden ook op andere dagen, waarop wij verschillende weldaden van Christus moeten herdenken of afbidden, verschillende Missen op dezelfde dag opdragen, zo b. v. een voor het feest, een ander voor de vasten of voor de overledenen.
R: q. 78 a. 3 ad 2[t:iiia q. 78 a. 3 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. Zoals boven (73e Kw. 5e Art.) gezegd is, heeft Christus dit Sacrament op het laatste ogenblik aan zijn leerlingen willen achterlaten, opdat het een sterke indruk in hun harten zou maken. Daarom heeft Hij na het Avondmaal en op het einde van de dag dit Sacrament geconsecreerd en aan Zijn leerlingen uitgereikt. Door ons wordt het echter op het uur van ’s Heren lijden gevierd en wel op de feestdagen omstreeks het derde uur, waarop Christus door het geroep van de Joden gekruisigd werd, zoals men leest bij Marcus (13, 25), en waarop de H. Geest nederdaalde over de Apostelen; of op de gewone dagen omstreeks het zesde uur, waarop Christus door de handen der soldaten gekruisigd werd, zoals er staat bij Joannes (19, 14); of op de vastendagen omstreeks het negende uur, waarop Christus, na met luider stem geroepen te hebben, de geest gaf, gelijk gezegd wordt in Mattheus (27, 46). Het kan echter wat later gebeuren, vooral als er wijdingen zijn en ook op Paaszaterdag, wegens de langen duur van de plechtigheid en omdat de wijdingen bij de Zondag horen, zoals een Decretaal zegt. Maar ook kan er Mis gelezen worden tijdens het eerste gedeelte van de dag, als het nodig is, gelijk een Decretaal verklaart.
R: q. 73 a. 5[t:iiia q. 73 a. 5]
3e Weerlegging. Zoals boven (73e Kw. 5e Art.) gezegd is, heeft Christus dit Sacrament op het laatste ogenblik aan zijn leerlingen willen achterlaten, opdat het een sterke indruk in hun harten zou maken. Daarom heeft Hij na het Avondmaal en op het einde van de dag dit Sacrament geconsecreerd en aan Zijn leerlingen uitgereikt. Door ons wordt het echter op het uur van ’s Heren lijden gevierd en wel op de feestdagen omstreeks het derde uur, waarop Christus door het geroep van de Joden gekruisigd werd, zoals men leest bij Marcus (13, 25), en waarop de H. Geest nederdaalde over de Apostelen; of op de gewone dagen omstreeks het zesde uur, waarop Christus door de handen der soldaten gekruisigd werd, zoals er staat bij Joannes (19, 14); of op de vastendagen omstreeks het negende uur, waarop Christus, na met luider stem geroepen te hebben, de geest gaf, gelijk gezegd wordt in Mattheus (27, 46). Het kan echter wat later gebeuren, vooral als er wijdingen zijn en ook op Paaszaterdag, wegens de langen duur van de plechtigheid en omdat de wijdingen bij de Zondag horen, zoals een Decretaal zegt. Maar ook kan er Mis gelezen worden tijdens het eerste gedeelte van de dag, als het nodig is, gelijk een Decretaal verklaart.
R: q. 73 a. 5[t:iiia q. 73 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. In de regel moet de Mis opgedragen worden overdag en niet ’s nachts, omdat Christus in dit Sacrament tegenwoordig is, die gezegd heeft: “Zolang het dag is, moet ik de werken verrichten van Hem, die Mij gezonden heeft; er komt een nacht waarin niemand werken kan. Zolang Ik in de wereld hen, ben Ik het licht der wereld”. (Joan. 9, 4, 5). Dit moet echter niet zo verstaan worden, dat het begin van de dag gerekend moet worden vanaf middernacht; ook niet vanaf de opkomst der zon, wanneer zij nl. boven de aarde te voorschijn komt, maar wanneer de dageraad begint te gloren. Want dan reeds spreekt men van de opkomst der zon, omdat de glans van haar stralen verschijnt. Daarom ook staat er bij Marcus (16, 2) dat de vrouwen bij het graf kwamen “bij het opgaan der zon”, terwijl zij volgens Joannes (20, 1) bij het graf kwamen “terwijl het nog donker was”. Zo lost nl. Augustinus deze tegenstrijdigheid op. Om een bijzondere reden echter wordt op Kerstmis de Mis 's nachts opgedragen, omdat Christus in de nacht is geboren, zoals gezegd wordt in een Decretaal. Eveneens op Paaszaterdag tegen middernacht, omdat de Heer verrezen is in de nacht, d. w. z. “terwijl het nog donker was”, vóór de zon helemaal op was.
B: (2Pet 1:19) [b:2Pet 1:19]
4e Weerlegging. In de regel moet de Mis opgedragen worden overdag en niet ’s nachts, omdat Christus in dit Sacrament tegenwoordig is, die gezegd heeft: “Zolang het dag is, moet ik de werken verrichten van Hem, die Mij gezonden heeft; er komt een nacht waarin niemand werken kan. Zolang Ik in de wereld hen, ben Ik het licht der wereld”. (Joan. 9, 4, 5). Dit moet echter niet zo verstaan worden, dat het begin van de dag gerekend moet worden vanaf middernacht; ook niet vanaf de opkomst der zon, wanneer zij nl. boven de aarde te voorschijn komt, maar wanneer de dageraad begint te gloren. Want dan reeds spreekt men van de opkomst der zon, omdat de glans van haar stralen verschijnt. Daarom ook staat er bij Marcus (16, 2) dat de vrouwen bij het graf kwamen “bij het opgaan der zon”, terwijl zij volgens Joannes (20, 1) bij het graf kwamen “terwijl het nog donker was”. Zo lost nl. Augustinus deze tegenstrijdigheid op. Om een bijzondere reden echter wordt op Kerstmis de Mis 's nachts opgedragen, omdat Christus in de nacht is geboren, zoals gezegd wordt in een Decretaal. Eveneens op Paaszaterdag tegen middernacht, omdat de Heer verrezen is in de nacht, d. w. z. “terwijl het nog donker was”, vóór de zon helemaal op was.
B: (2Pet 1:19) [b:2Pet 1:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 2 ad 5
Ad quintum Zoals een Decretaal ontleent aan het decreet van Paus Alexander II “is het voor de priester voldoende éénmaal daags de Mis op te dragen, omdat Christus eenmaal geleden heeft en daardoor de hele wereld verlost heeft; en zeer bevoorrecht is hij, die deze ene Mis waardig kan opdragen. Sommigen echter lezen een Mis voor de overledenen en een andere voor de dag, als het nodig is. Wie echter voor geld of voor de gunst van leken meerdere Missen menen te mogen lezen op één dag zullen, naar mijn mening, de veroordeling niet ontlopen.” En Innocentius III verklaart: “Behalve op Kerstmis en in geval van nood, is het voldoende voor de priester eens per dag de Mis op te dragen”.
Ad quintum Zoals een Decretaal ontleent aan het decreet van Paus Alexander II “is het voor de priester voldoende éénmaal daags de Mis op te dragen, omdat Christus eenmaal geleden heeft en daardoor de hele wereld verlost heeft; en zeer bevoorrecht is hij, die deze ene Mis waardig kan opdragen. Sommigen echter lezen een Mis voor de overledenen en een andere voor de dag, als het nodig is. Wie echter voor geld of voor de gunst van leken meerdere Missen menen te mogen lezen op één dag zullen, naar mijn mening, de veroordeling niet ontlopen.” En Innocentius III verklaart: “Behalve op Kerstmis en in geval van nood, is het voldoende voor de priester eens per dag de Mis op te dragen”.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Moet men dit Sacrament vieren in een gewijd huis en met gewijd vaatwerk?
IIIa q. 83 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het niet nodig is dit Sacrament te vieren in een gewijd huis en met gewijd vaatwerk. Dit Sacrament is een afbeelding van het lijden des Heren. Maar Christus heeft niet binnenshuis geleden, maar buiten de poort van de stad, zoals geschreven staat in de Brief aan de Hebreeën (13, 12): “Jezus heeft buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door zijn Bloed”. Zo schijnt het dat men dit Sacrament niet moet vieren binnenshuis maar in de open lucht.
B: (Heb 1:12) [b:Heb 1:12]
Over het derde als volgt. Men beweert, dat het niet nodig is dit Sacrament te vieren in een gewijd huis en met gewijd vaatwerk. Dit Sacrament is een afbeelding van het lijden des Heren. Maar Christus heeft niet binnenshuis geleden, maar buiten de poort van de stad, zoals geschreven staat in de Brief aan de Hebreeën (13, 12): “Jezus heeft buiten de poort geleden, om het volk te heiligen door zijn Bloed”. Zo schijnt het dat men dit Sacrament niet moet vieren binnenshuis maar in de open lucht.
B: (Heb 1:12) [b:Heb 1:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 arg. 2
Vervolgens. Bij de viering van dit Sacrament moet de Kerk de handelwijze van Christus en de Apostelen navolgen. Maar het huis, waarin Christus voor het eerst dit Sacrament voltrok was niet geconsecreerd, maar was een gewone opperzaal door een huisvader daarvoor in gereedheid gebracht, zoals staat in Lucas (22, 11, 12). Ook de Apostelen waren, zoals men lezen kan in de Handelingen (2, 46) “eendrachtig in de tempel en thuis braken ze het brood. Ze genoten hun voedsel in opgeruimdheid”. Daarom behoeven ook nu de huizen, waarin dit Sacrament gevierd wordt, niet geconsecreerd te zijn.
B: (Luke 22:11) [b:Luke 22:11] (Luke 22:12) [b:Luke 22:12] (Acts 2:46) [b:Acts 2:46]
Vervolgens. Bij de viering van dit Sacrament moet de Kerk de handelwijze van Christus en de Apostelen navolgen. Maar het huis, waarin Christus voor het eerst dit Sacrament voltrok was niet geconsecreerd, maar was een gewone opperzaal door een huisvader daarvoor in gereedheid gebracht, zoals staat in Lucas (22, 11, 12). Ook de Apostelen waren, zoals men lezen kan in de Handelingen (2, 46) “eendrachtig in de tempel en thuis braken ze het brood. Ze genoten hun voedsel in opgeruimdheid”. Daarom behoeven ook nu de huizen, waarin dit Sacrament gevierd wordt, niet geconsecreerd te zijn.
B: (Luke 22:11) [b:Luke 22:11] (Luke 22:12) [b:Luke 22:12] (Acts 2:46) [b:Acts 2:46]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 arg. 3
Vervolgens. In de Kerk, die door de H. Geest bestuurd wordt, moet niets gebeuren zonder grond. Maar het schijnt nutteloos te zijn een kerk of altaar te consecreren en al zulke onbezielde voorwerpen, omdat zij geen genade of geestelijke kracht in zich kunnen opnemen. Het is dus onredelijk, dat in de Kerk zulke consecraties voorkomen.
Vervolgens. In de Kerk, die door de H. Geest bestuurd wordt, moet niets gebeuren zonder grond. Maar het schijnt nutteloos te zijn een kerk of altaar te consecreren en al zulke onbezielde voorwerpen, omdat zij geen genade of geestelijke kracht in zich kunnen opnemen. Het is dus onredelijk, dat in de Kerk zulke consecraties voorkomen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 arg. 4
Vervolgens. Alleen goddelijke werken moeten met luister herdacht worden, volgens het woord uit het Boek der Psalmen (91, 3): “Over de werken Uwer handen zal ik juichen”. Maar kerk en altaar wordt door menselijk toedoen geconsecreerd, zoals de kelken, de bedienaars, enz. Deze laatste consecraties nu worden in de Kerk niet feestelijk herdacht. Daarom moet evenmin de Kerkwijding of de altaarconsecratie plechtig herdacht worden.
B: (Ps 91:5) [b:Ps 91:5]
Vervolgens. Alleen goddelijke werken moeten met luister herdacht worden, volgens het woord uit het Boek der Psalmen (91, 3): “Over de werken Uwer handen zal ik juichen”. Maar kerk en altaar wordt door menselijk toedoen geconsecreerd, zoals de kelken, de bedienaars, enz. Deze laatste consecraties nu worden in de Kerk niet feestelijk herdacht. Daarom moet evenmin de Kerkwijding of de altaarconsecratie plechtig herdacht worden.
B: (Ps 91:5) [b:Ps 91:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 arg. 5
Vervolgens. De waarheid moet aan de voorafbeelding beantwoorden. Maar in het Oude Verbond, dat een voorafbeelding van het Nieuwe is, werd het altaar niet uit gehouwen stenen gemaakt. Zo toch lezen wij in het Boek van de Uittocht (20, 24, 25): “Gij moet een altaar van aarde voor Mij oprichten... Bouwt ge Mij echter een stenen altaar, dan moogt gij het niet optrekken van gehouwen stenen”. In hetzelfde Boek wordt ook nog voorgeschreven (27, 1, 2) dat men moest maken: “een altaar van acaciahout” beslagen “met brons” of “met goud”, zoals staat in het Boek van de Uittocht (25). Derhalve schijnt het een verkeerd gebruik in de Kerk te zijn, dat het altaar alleen uit steen vervaardigd wordt.
B: (Exod 20:24) [b:Exod 20:24] (Exod 25) [b:Exod 25] (Exod 27:1) [b:Exod 27:1] (Exod 27:2) [b:Exod 27:2]
Vervolgens. De waarheid moet aan de voorafbeelding beantwoorden. Maar in het Oude Verbond, dat een voorafbeelding van het Nieuwe is, werd het altaar niet uit gehouwen stenen gemaakt. Zo toch lezen wij in het Boek van de Uittocht (20, 24, 25): “Gij moet een altaar van aarde voor Mij oprichten... Bouwt ge Mij echter een stenen altaar, dan moogt gij het niet optrekken van gehouwen stenen”. In hetzelfde Boek wordt ook nog voorgeschreven (27, 1, 2) dat men moest maken: “een altaar van acaciahout” beslagen “met brons” of “met goud”, zoals staat in het Boek van de Uittocht (25). Derhalve schijnt het een verkeerd gebruik in de Kerk te zijn, dat het altaar alleen uit steen vervaardigd wordt.
B: (Exod 20:24) [b:Exod 20:24] (Exod 25) [b:Exod 25] (Exod 27:1) [b:Exod 27:1] (Exod 27:2) [b:Exod 27:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 arg. 6
Vervolgens. De kelk met de pateen stelt het graf van Christus voor. Dat was echter “in de rots uitgehouwen”, zoals de Evangeliën verhalen (Matth. 27, 60; Marc. 15, 46; Luc. 23, 53). Daarom moet de kelk van steen zijn en niet van zilver of goud of zelfs van tin.
Vervolgens. De kelk met de pateen stelt het graf van Christus voor. Dat was echter “in de rots uitgehouwen”, zoals de Evangeliën verhalen (Matth. 27, 60; Marc. 15, 46; Luc. 23, 53). Daarom moet de kelk van steen zijn en niet van zilver of goud of zelfs van tin.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 arg. 7
Vervolgens. Evenals goud de kostbaarste stof is voor het vaatwerk, zo is zijde het kostbaarste weefsel. Evenals dus de kelk van goud moet zijn, zo moeten dus de altaardwalen van zijde en niet slechts van linnen zijn.
Vervolgens. Evenals goud de kostbaarste stof is voor het vaatwerk, zo is zijde het kostbaarste weefsel. Evenals dus de kelk van goud moet zijn, zo moeten dus de altaardwalen van zijde en niet slechts van linnen zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 arg. 8
Vervolgens. Het beheer van en de verordeningen over de sacramenten komen toe aan de bedienaars van de Kerk evenals het beheer van de tijdelijke goederen afhangt van de verordening der wereldse vorsten. Zo zegt dan ook de Apostel: “Men moet ons zonder meer als dienaars van Christus beschouwen, en beheerders van Gods geheimenissen” (I Cor. 4, 1). Maar wanneer bij het beheer van tijdelijke goederen iets gebeurt tegen de voorschriften van de vorsten, is dat ongeldig. Wanneer dus, wat opgenoemd is, goed was vastgesteld door de Kerkvorsten, schijnt het, dat zonder dit de sacramenten niet tot stand kunnen komen. En dan schijnt daaruit te volgen, dat Christus’ woorden ontoereikend zijn voor de totstandkoming van dit Sacrament, hetgeen ongerijmd is. Dus was het wel onredelijk dat deze dingen voor de viering van dit Sacrament werden voorgeschreven.
B: (1Cor 4:1) [b:1Cor 4:1]
Vervolgens. Het beheer van en de verordeningen over de sacramenten komen toe aan de bedienaars van de Kerk evenals het beheer van de tijdelijke goederen afhangt van de verordening der wereldse vorsten. Zo zegt dan ook de Apostel: “Men moet ons zonder meer als dienaars van Christus beschouwen, en beheerders van Gods geheimenissen” (I Cor. 4, 1). Maar wanneer bij het beheer van tijdelijke goederen iets gebeurt tegen de voorschriften van de vorsten, is dat ongeldig. Wanneer dus, wat opgenoemd is, goed was vastgesteld door de Kerkvorsten, schijnt het, dat zonder dit de sacramenten niet tot stand kunnen komen. En dan schijnt daaruit te volgen, dat Christus’ woorden ontoereikend zijn voor de totstandkoming van dit Sacrament, hetgeen ongerijmd is. Dus was het wel onredelijk dat deze dingen voor de viering van dit Sacrament werden voorgeschreven.
B: (1Cor 4:1) [b:1Cor 4:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 s. c.
Daartegenover staat echter, dat wat de Kerk voorschrijft, door Christus Zelf verordend wordt, die zegt: “Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in hun midden” (Matth. 18, 20).
B: (Matt 18:20) [b:Matt 18:20]
Daartegenover staat echter, dat wat de Kerk voorschrijft, door Christus Zelf verordend wordt, die zegt: “Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in hun midden” (Matth. 18, 20).
B: (Matt 18:20) [b:Matt 18:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 co.
Mijn antwoord. Bij datgene wat rondom dit Sacrament gebeurt moet men twee dingen in ogenschouw nemen. Het eerste betreft de uitbeelding van wat er bij het lijden des Heren heeft plaats gehad; het tweede de eerbied aan dit Sacrament verschuldigd, inzover Christus daarin waarachtig en niet alleen in beeld tegenwoordig is. Daarom worden de zaken, die voor dit Sacrament nodig zijn, geconsecreerd, zowel uit eerbied voor het Sacrament, als ook om het uitwerksel uit te beelden nl. de heiliging, die ons ten gevolge van Christus’ lijden toekomt, naar het woord uit de Brief aan de Hebreeën (13, 1 2): “Om het volk te heiligen door zijn Bloed, heeft Jezus” enz.
Mijn antwoord. Bij datgene wat rondom dit Sacrament gebeurt moet men twee dingen in ogenschouw nemen. Het eerste betreft de uitbeelding van wat er bij het lijden des Heren heeft plaats gehad; het tweede de eerbied aan dit Sacrament verschuldigd, inzover Christus daarin waarachtig en niet alleen in beeld tegenwoordig is. Daarom worden de zaken, die voor dit Sacrament nodig zijn, geconsecreerd, zowel uit eerbied voor het Sacrament, als ook om het uitwerksel uit te beelden nl. de heiliging, die ons ten gevolge van Christus’ lijden toekomt, naar het woord uit de Brief aan de Hebreeën (13, 1 2): “Om het volk te heiligen door zijn Bloed, heeft Jezus” enz.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. Als regel moet dit Sacrament in huis gevierd worden, omdat zo de Kerk aangeduid wordt volgens het woord uit de Eerste Brief aan Timotheus (3, 15): “Gij moet weten, hoe gij u gedragen moet in het huis van God, de Kerk van de levende God”. Want zoals Augustinus zegt: “Buiten de Kerk is er geen plaats voor het waarachtig Offer”. En omdat de Kerk niet binnen de grenzen van het Joodse volk besloten moest blijven, maar over de hele wereld verspreid moest worden, daarom had het lijden van Christus niet plaats binnen de stad der Joden, maar in de open lucht, opdat zo voor het lijden van Christus de hele wereld als een huis zou zijn.
B: (Heb 13:12) [b:Heb 13:12]
1e Weerlegging. Als regel moet dit Sacrament in huis gevierd worden, omdat zo de Kerk aangeduid wordt volgens het woord uit de Eerste Brief aan Timotheus (3, 15): “Gij moet weten, hoe gij u gedragen moet in het huis van God, de Kerk van de levende God”. Want zoals Augustinus zegt: “Buiten de Kerk is er geen plaats voor het waarachtig Offer”. En omdat de Kerk niet binnen de grenzen van het Joodse volk besloten moest blijven, maar over de hele wereld verspreid moest worden, daarom had het lijden van Christus niet plaats binnen de stad der Joden, maar in de open lucht, opdat zo voor het lijden van Christus de hele wereld als een huis zou zijn.
B: (Heb 13:12) [b:Heb 13:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. Omdat het huis, waarin dit Sacrament gevierd wordt, de Kerk aanduidt en daarom ook de kerk genoemd wordt, wordt het terecht geconsecreerd, zowel om de heiligmaking uit te drukken, welke aan de Kerk door het lijden van Christus ten deel is gevallen, alsook ter beduiding van de heiligheid, welke vereist wordt bij hen, die dit Sacrament moeten ontvangen. — Het altaar beduidt Christus zelf van wie de Apostel zegt: “Door Hem moeten wij een altijddurend dankoffer brengen aan God” (Hebr. 13, 13). Daarom stelt de consecratie van het altaar ook de heiligheid van Christus voor, welke Lucas aangeeft (1, 33): “Het heilige, dat uit u wordt geboren, zal Zoon van God genoemd worden”. En in een Decretaal staat: “Het is goed bevonden de altaren te heiligen niet alleen door de zalving met chrisma, maar ook door een priesterlijke zegening”. En daarom is het als regel niet geoorloofd dit Sacrament te vieren buiten geconsecreerde huizen. Zo staat dan ook in een Decretaal: “Geen priester mag de Mis opdragen buiten de plaatsen, die door de bisschop hiervoor gewijd zijn”. En omdat de heidenen niet tot de Kerk behoren evenmin als andere ongelovigen, wordt verderop gezegd: “Het is niet geoorloofd een kerk, waarin de lichamen van gestorven ongelovigen begraven zijn, te wijden, maar als ze geschikt bevonden is om geconsecreerd te worden dan moet ze hersteld worden, nadat de lijken eruit verwijderd zijn en de muren of wanden van die plaats afgeschrapt zijn. Was ze vroeger reeds geconsecreerd, dan mogen erin Missen opgedragen worden, wanneer zij, die erin begraven zijn, gelovig waren”. In geval van nood kan men dit Sacrament voltrekken in niet geconsecreerde en zelfs ontheiligde huizen, maar alleen met goedvinden van de Bisschop. Daarom wordt t. z. p. gezegd: “Wij oordelen, dat men de Misplechtigheden niet overal moet vieren maar alleen op de plaatsen, die door de bisschop geconsecreerd zijn, of waar hij het toestaat”. Maar alleen op een draagbaar altaar, dat gewijd is. Zo leest men t. z. p.: “Wij staan toe, dat, indien de kerken door brand aangetast of verwoest zijn, de Mis gelezen wordt in kapellen op een geconsecreerde steen”. Want omdat de heiligheid van Christus de bron is van iedere kerkelijke heiligheid, daarom is het, in geval van nood, voldoende dit Sacrament te voltrekken op een gewijd altaar. Om dezelfde reden wordt nooit een kerk zonder altaar geconsecreerd, maar soms wel zonder kerk een altaar met de overblijfselen van de heiligen, wier “leven verborgen was met Christus in God” (Coloss. 3, 3). Zo lezen wij dan ook op de genoemde plaats: “Het is onze wens, dat de altaren, waarin geen lichamen of overblijfselen van een martelaar gevonden worden, door de bisschoppen, die aldaar aan het bestuur zijn, zo mogelijk afgebroken worden”.
B: (1Tim 3:15) [b:1Tim 3:15]
2e Weerlegging. Omdat het huis, waarin dit Sacrament gevierd wordt, de Kerk aanduidt en daarom ook de kerk genoemd wordt, wordt het terecht geconsecreerd, zowel om de heiligmaking uit te drukken, welke aan de Kerk door het lijden van Christus ten deel is gevallen, alsook ter beduiding van de heiligheid, welke vereist wordt bij hen, die dit Sacrament moeten ontvangen. — Het altaar beduidt Christus zelf van wie de Apostel zegt: “Door Hem moeten wij een altijddurend dankoffer brengen aan God” (Hebr. 13, 13). Daarom stelt de consecratie van het altaar ook de heiligheid van Christus voor, welke Lucas aangeeft (1, 33): “Het heilige, dat uit u wordt geboren, zal Zoon van God genoemd worden”. En in een Decretaal staat: “Het is goed bevonden de altaren te heiligen niet alleen door de zalving met chrisma, maar ook door een priesterlijke zegening”. En daarom is het als regel niet geoorloofd dit Sacrament te vieren buiten geconsecreerde huizen. Zo staat dan ook in een Decretaal: “Geen priester mag de Mis opdragen buiten de plaatsen, die door de bisschop hiervoor gewijd zijn”. En omdat de heidenen niet tot de Kerk behoren evenmin als andere ongelovigen, wordt verderop gezegd: “Het is niet geoorloofd een kerk, waarin de lichamen van gestorven ongelovigen begraven zijn, te wijden, maar als ze geschikt bevonden is om geconsecreerd te worden dan moet ze hersteld worden, nadat de lijken eruit verwijderd zijn en de muren of wanden van die plaats afgeschrapt zijn. Was ze vroeger reeds geconsecreerd, dan mogen erin Missen opgedragen worden, wanneer zij, die erin begraven zijn, gelovig waren”. In geval van nood kan men dit Sacrament voltrekken in niet geconsecreerde en zelfs ontheiligde huizen, maar alleen met goedvinden van de Bisschop. Daarom wordt t. z. p. gezegd: “Wij oordelen, dat men de Misplechtigheden niet overal moet vieren maar alleen op de plaatsen, die door de bisschop geconsecreerd zijn, of waar hij het toestaat”. Maar alleen op een draagbaar altaar, dat gewijd is. Zo leest men t. z. p.: “Wij staan toe, dat, indien de kerken door brand aangetast of verwoest zijn, de Mis gelezen wordt in kapellen op een geconsecreerde steen”. Want omdat de heiligheid van Christus de bron is van iedere kerkelijke heiligheid, daarom is het, in geval van nood, voldoende dit Sacrament te voltrekken op een gewijd altaar. Om dezelfde reden wordt nooit een kerk zonder altaar geconsecreerd, maar soms wel zonder kerk een altaar met de overblijfselen van de heiligen, wier “leven verborgen was met Christus in God” (Coloss. 3, 3). Zo lezen wij dan ook op de genoemde plaats: “Het is onze wens, dat de altaren, waarin geen lichamen of overblijfselen van een martelaar gevonden worden, door de bisschoppen, die aldaar aan het bestuur zijn, zo mogelijk afgebroken worden”.
B: (1Tim 3:15) [b:1Tim 3:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. Kerk, altaar en dergelijke onbezielde dingen worden geconsecreerd, niet omdat zij de genade kunnen ontvangen, maar omdat zij ten gevolge van hun consecratie een bepaalde geestelijke kracht krijgen, waardoor zij geschikt worden voor de goddelijke eredienst, opdat nl. de mensen daardoor tot godsvrucht opgewekt worden, om gereder klaar te staan voor het goddelijke, tenzij dit weer teniet gedaan wordt door oneerbiedigheid. Daarom wordt in het Tweede Boek van de Machabeën gezegd (3, 38, 39): “Waarachtig, daar woont een goddelijke kracht. Want Hij, die in de hemel woont bewaakt en beschermt die plaats”. Daarom worden deze zaken voor de consecratie gezuiverd en bezworen, opdat de kracht van de vijand eruit verdreven worde. En om dezelfde reden worden de kerken “die door het vloeien van bloed of het uitstorten van zaad bezoedeld zijn” in ere hersteld, omdat er door de zonde, die daar bedreven werd, een bepaalde werking van de vijand blijkt te zijn. Zo wordt er dan ook in hetzelfde boek gezegd: “Waar gij kerken van Arianen aantreft, moet gij ze onverwijld door goddelijke gebeden en werken consecreren tot katholieke kerken”. Vandaar wordt door sommigen de niet onwaarschijnlijke mening verkondigd dat de mens door het betreden van een geconsecreerde kerk vergiffenis van zijn dagelijkse zonden verkrijgt evenals door de besprenkeling met wijwater. Zij beroepen zich op wat er gezegd wordt in het Boek der Psalmen (84, 2, 3): “Gezegend hebt gij, Heer, Uw land, en van Uw volk de ongerechtigheid weggenomen”. Om de kracht, welke de kerk door de consecratie verkregen heeft, mag deze consecratie met herhaald worden. Zo wordt in hetzelfde boek uit de Kerkvergadering van Nicea aangehaald: “De kerken die eenmaal aan God zijn toegewijd, mogen niet opnieuw geconsecreerd worden behalve wanneer zij door vuur verwoest zijn of bezoedeld door het vloeien van bloed en het uitstorten van zaad; omdat evenals een kind, dat eenmaal gedoopt is, door welke priester dan ook, in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest, niet opnieuw gedoopt mag worden, evenmin een Kerk, die aan God is toegewijd, opnieuw geconsecreerd moet worden, behalve in bovengenoemde gevallen, indien tenminste zij, die consecreerden, geloofden aan de Drievuldigheid”. Immers, die buiten de Kerk staan, kunnen niet consecreren. Maar, zoals verder in hetzelfde boek geschreven is: “Kerken of altaren, waarvan de consecratie twijfelachtig is, moeten geconsecreerd worden”. Omdat zij door de consecratie een zekere geestelijke kracht krijgen, wordt aldaar bepaald: “Het hout van een geconsecreerde Kerk mag niet voor andere doeleinden gebruikt worden, behalve voor een andere Kerk of om te verbranden of ten behoeve van kloosterbroeders: voor het werk van leken mag het echter niet dienen”. En t. z. p. leest men: “Als altaardwalen, zetels, kandelaars en voorhang door ouderdom versleten zijn, moeten ze verbrand worden, en de as moet in de doopkapel bracht worden, of in de wand of in laagten onder de vloer, opdat ze niet vertreden zou worden door de voeten van hen, die binnenkomen
B: (Luke 1:35) [b:Luke 1:35] (Heb 13:15) [b:Heb 13:15]
3e Weerlegging. Kerk, altaar en dergelijke onbezielde dingen worden geconsecreerd, niet omdat zij de genade kunnen ontvangen, maar omdat zij ten gevolge van hun consecratie een bepaalde geestelijke kracht krijgen, waardoor zij geschikt worden voor de goddelijke eredienst, opdat nl. de mensen daardoor tot godsvrucht opgewekt worden, om gereder klaar te staan voor het goddelijke, tenzij dit weer teniet gedaan wordt door oneerbiedigheid. Daarom wordt in het Tweede Boek van de Machabeën gezegd (3, 38, 39): “Waarachtig, daar woont een goddelijke kracht. Want Hij, die in de hemel woont bewaakt en beschermt die plaats”. Daarom worden deze zaken voor de consecratie gezuiverd en bezworen, opdat de kracht van de vijand eruit verdreven worde. En om dezelfde reden worden de kerken “die door het vloeien van bloed of het uitstorten van zaad bezoedeld zijn” in ere hersteld, omdat er door de zonde, die daar bedreven werd, een bepaalde werking van de vijand blijkt te zijn. Zo wordt er dan ook in hetzelfde boek gezegd: “Waar gij kerken van Arianen aantreft, moet gij ze onverwijld door goddelijke gebeden en werken consecreren tot katholieke kerken”. Vandaar wordt door sommigen de niet onwaarschijnlijke mening verkondigd dat de mens door het betreden van een geconsecreerde kerk vergiffenis van zijn dagelijkse zonden verkrijgt evenals door de besprenkeling met wijwater. Zij beroepen zich op wat er gezegd wordt in het Boek der Psalmen (84, 2, 3): “Gezegend hebt gij, Heer, Uw land, en van Uw volk de ongerechtigheid weggenomen”. Om de kracht, welke de kerk door de consecratie verkregen heeft, mag deze consecratie met herhaald worden. Zo wordt in hetzelfde boek uit de Kerkvergadering van Nicea aangehaald: “De kerken die eenmaal aan God zijn toegewijd, mogen niet opnieuw geconsecreerd worden behalve wanneer zij door vuur verwoest zijn of bezoedeld door het vloeien van bloed en het uitstorten van zaad; omdat evenals een kind, dat eenmaal gedoopt is, door welke priester dan ook, in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest, niet opnieuw gedoopt mag worden, evenmin een Kerk, die aan God is toegewijd, opnieuw geconsecreerd moet worden, behalve in bovengenoemde gevallen, indien tenminste zij, die consecreerden, geloofden aan de Drievuldigheid”. Immers, die buiten de Kerk staan, kunnen niet consecreren. Maar, zoals verder in hetzelfde boek geschreven is: “Kerken of altaren, waarvan de consecratie twijfelachtig is, moeten geconsecreerd worden”. Omdat zij door de consecratie een zekere geestelijke kracht krijgen, wordt aldaar bepaald: “Het hout van een geconsecreerde Kerk mag niet voor andere doeleinden gebruikt worden, behalve voor een andere Kerk of om te verbranden of ten behoeve van kloosterbroeders: voor het werk van leken mag het echter niet dienen”. En t. z. p. leest men: “Als altaardwalen, zetels, kandelaars en voorhang door ouderdom versleten zijn, moeten ze verbrand worden, en de as moet in de doopkapel bracht worden, of in de wand of in laagten onder de vloer, opdat ze niet vertreden zou worden door de voeten van hen, die binnenkomen
B: (Luke 1:35) [b:Luke 1:35] (Heb 13:15) [b:Heb 13:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. Omdat de consecratie van het altaar de heiligheid van Christus uitbeeldt, en de consecratie van het gebouw de heiligheid van heel de Kerk, heeft het méér zin de consecratie van Kerk of altaar plechtig te herdenken, dan van de andere dingen. Daarom wordt ook de plechtigheid van kerkwijding acht dagen gevierd om de zalige verrijzenis van Christus en van de leden der Kerk aan te geven. De kerk- of altaarconsecratie is overigens niet alleen mensenwerk, daar ze geestelijke kracht meedeelt. Vandaar wordt er in een Decretaal gezegd: “De plechtigheid van kerkwijding moet elk jaar feestelijk gevierd worden. Dat dit gedurende acht dagen moet geschieden kan men vinden in het Derde Boek der Koningen (8, 66), na afloop van de tempelwijding”.
B: (Col 3:3) [b:Col 3:3]
4e Weerlegging. Omdat de consecratie van het altaar de heiligheid van Christus uitbeeldt, en de consecratie van het gebouw de heiligheid van heel de Kerk, heeft het méér zin de consecratie van Kerk of altaar plechtig te herdenken, dan van de andere dingen. Daarom wordt ook de plechtigheid van kerkwijding acht dagen gevierd om de zalige verrijzenis van Christus en van de leden der Kerk aan te geven. De kerk- of altaarconsecratie is overigens niet alleen mensenwerk, daar ze geestelijke kracht meedeelt. Vandaar wordt er in een Decretaal gezegd: “De plechtigheid van kerkwijding moet elk jaar feestelijk gevierd worden. Dat dit gedurende acht dagen moet geschieden kan men vinden in het Derde Boek der Koningen (8, 66), na afloop van de tempelwijding”.
B: (Col 3:3) [b:Col 3:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 ad 5
Ad quintum In een Decretaal staat: “Wanneer de altaren niet van steen zijn, mogen zij niet door de zalving met chrisma geconsecreerd worden”. Dit komt ook overeen met datgene, wat dit Sacrament uitbeeldt: vooreerst, omdat het altaar Christus verbeeldt, van wie gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10, 4): “En die rots was Christus”; vervolgens omdat het Lichaam van Christus in een stenen graf neergelegd was. Ook met het gebruik van dit Sacrament is het in overeenstemming, want steen is duurzaam en kan gemakkelijk overal gevonden worden. Dit was in de Oude Wet niet van belang, omdat, er slechts op één plaats een altaar gebouwd werd. Dat men toen voorschreef, dat het van aarde of ongehouwen steen gemaakt moest worden, geschiedde om de afgoderij tegen te gaan.
B: (2Macc 3:38) [b:2Macc 3:38]
Ad quintum In een Decretaal staat: “Wanneer de altaren niet van steen zijn, mogen zij niet door de zalving met chrisma geconsecreerd worden”. Dit komt ook overeen met datgene, wat dit Sacrament uitbeeldt: vooreerst, omdat het altaar Christus verbeeldt, van wie gezegd wordt in de Eerste Brief aan de Corinthiërs (10, 4): “En die rots was Christus”; vervolgens omdat het Lichaam van Christus in een stenen graf neergelegd was. Ook met het gebruik van dit Sacrament is het in overeenstemming, want steen is duurzaam en kan gemakkelijk overal gevonden worden. Dit was in de Oude Wet niet van belang, omdat, er slechts op één plaats een altaar gebouwd werd. Dat men toen voorschreef, dat het van aarde of ongehouwen steen gemaakt moest worden, geschiedde om de afgoderij tegen te gaan.
B: (2Macc 3:38) [b:2Macc 3:38]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 ad 6
Ad sextum Aldaar wordt in een Decretaal gezegd: “Vroeger gebruikten de priesters geen gouden maar houten kelken; Paus Zepherinus schreef daarna voor, dat de Mis opgedragen moest worden met glazen patenen; en tenslotte liet Urbanus alles van zilver maken”. Later werd vastgesteld: “dat de kelk des Heren met de pateen van goud of zilver moest zijn, of minstens van tin, maar niet van koper of brons, omdat dit door de invloed van de wijn begint te roesten en braken veroorzaakt. Niemand mag echter de Mis opdragen in een houten of glazen kelk” omdat nl. hout poreus is en het geconsecreerde Bloed daarin achterblijft; en glas breekbaar is en er gevaar voor stukgaan dreigt. Hetzelfde geldt voor een stenen kelk. En daarom is uit eerbied voor het Sacrament vastgesteld, dat de kelk uit voornoemde stof vervaardigd moet worden.
B: (Ps 84:2) [b:Ps 84:2] (Ps 84:3) [b:Ps 84:3]
Ad sextum Aldaar wordt in een Decretaal gezegd: “Vroeger gebruikten de priesters geen gouden maar houten kelken; Paus Zepherinus schreef daarna voor, dat de Mis opgedragen moest worden met glazen patenen; en tenslotte liet Urbanus alles van zilver maken”. Later werd vastgesteld: “dat de kelk des Heren met de pateen van goud of zilver moest zijn, of minstens van tin, maar niet van koper of brons, omdat dit door de invloed van de wijn begint te roesten en braken veroorzaakt. Niemand mag echter de Mis opdragen in een houten of glazen kelk” omdat nl. hout poreus is en het geconsecreerde Bloed daarin achterblijft; en glas breekbaar is en er gevaar voor stukgaan dreigt. Hetzelfde geldt voor een stenen kelk. En daarom is uit eerbied voor het Sacrament vastgesteld, dat de kelk uit voornoemde stof vervaardigd moet worden.
B: (Ps 84:2) [b:Ps 84:2] (Ps 84:3) [b:Ps 84:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 ad 7
Ad septimum Waar het zonder gevaar kon geschieden, heeft de Kerk met betrekking tot dit Sacrament vastgesteld, wat het meest uitdrukkelijk het lijden van Christus uitbeeldt. Nu was er minder gevaar bij het Lichaam, dat op het corporaal gelegd wordt, dan bij het Bloed, dat in de kelk bewaard wordt. En daarom mag het corporaal van linnen zijn, ook al is het niet toegestaan, dat de kelk van steen is, omdat het Lichaam van Christus in linnen gewikkeld was. Zo leest men dan ook in de Brief van Paus Sylvester t. z. p.: “Op aller aanraden stellen wij vast, dat het Misoffer opgedragen wordt, niet op zijde of op geverfde stof, maar op zuiver linnen, dat door de bisschop geconsecreerd is, evenals het Lichaam van Christus in een zuiver linnen lijkwade gewikkeld was”. Een linnen kleed kan bovendien om zijn zuiverheid, passend de zuiverheid van het geweten uitbeelden, en om zijn moeizame vervaardiging het lijden van Christus.
Ad septimum Waar het zonder gevaar kon geschieden, heeft de Kerk met betrekking tot dit Sacrament vastgesteld, wat het meest uitdrukkelijk het lijden van Christus uitbeeldt. Nu was er minder gevaar bij het Lichaam, dat op het corporaal gelegd wordt, dan bij het Bloed, dat in de kelk bewaard wordt. En daarom mag het corporaal van linnen zijn, ook al is het niet toegestaan, dat de kelk van steen is, omdat het Lichaam van Christus in linnen gewikkeld was. Zo leest men dan ook in de Brief van Paus Sylvester t. z. p.: “Op aller aanraden stellen wij vast, dat het Misoffer opgedragen wordt, niet op zijde of op geverfde stof, maar op zuiver linnen, dat door de bisschop geconsecreerd is, evenals het Lichaam van Christus in een zuiver linnen lijkwade gewikkeld was”. Een linnen kleed kan bovendien om zijn zuiverheid, passend de zuiverheid van het geweten uitbeelden, en om zijn moeizame vervaardiging het lijden van Christus.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 3 ad 8
Ad octavum Het beheer van de sacramenten behoort aan de bedienaars van de Kerk, maar hun consecratie is van God. Daarom hebben de bedienaars van de Kerk niet iets vast te stellen over de vorm van de consecratie, maar wel over het gebruik van de sacramenten en de wijze van vieren. Indien dus een priester de woorden van de consecratie uitspreekt over de vereiste stof met de bedoeling om ze te consecreren, zonder al de voornoemde voorwerpen als geconsecreerd gebouw, altaar, kelk en corporaal, consecreert hij werkelijk het Lichaam van Christus maar zondigt hij zwaar door het gebruik van de Kerk niet te volgen.
Ad octavum Het beheer van de sacramenten behoort aan de bedienaars van de Kerk, maar hun consecratie is van God. Daarom hebben de bedienaars van de Kerk niet iets vast te stellen over de vorm van de consecratie, maar wel over het gebruik van de sacramenten en de wijze van vieren. Indien dus een priester de woorden van de consecratie uitspreekt over de vereiste stof met de bedoeling om ze te consecreren, zonder al de voornoemde voorwerpen als geconsecreerd gebouw, altaar, kelk en corporaal, consecreert hij werkelijk het Lichaam van Christus maar zondigt hij zwaar door het gebruik van de Kerk niet te volgen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Is hetgeen bij de viering van dit Sacrament gezegd wordt op geschikte wijze vastgesteld?
IIIa q. 83 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat hetgeen bij de viering van dit Sacrament gezegd wordt niet op geschikte wijze is vastgesteld. Dit Sacrament wordt immers door de woorden van Christus geconsecreerd, zoals Ambrosius zegt. Daarom moeten bij dit Sacrament alleen maar de woorden van Christus gebruikt worden.
Over het vierde als volgt. Men beweert, dat hetgeen bij de viering van dit Sacrament gezegd wordt niet op geschikte wijze is vastgesteld. Dit Sacrament wordt immers door de woorden van Christus geconsecreerd, zoals Ambrosius zegt. Daarom moeten bij dit Sacrament alleen maar de woorden van Christus gebruikt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 arg. 2
Vervolgens. De woorden en daden van Christus zijn ons uit de Evangeliën bekend. Maar bij de consecratie van dit Sacrament komen woorden voor, die niet in de Evangeliën staan. Zo staat er niet in het Evangelie, dat Christus bij de instelling van dit Sacrament Zijn ogen naar de hemel opsloeg; verder staat er in de Evangeliën: “Neemt en eet” zonder de toevoeging: “gij allen”, terwijl bij de viering van dit Sacrament gezegd wordt: “Na Zijn ogen ten hemel opgeslagen te hebben”, en: “Neemt en eet hiervan gij allen”. Het is dus niet passend, dat deze woorden bij de viering van dit Sacrament gebruikt worden.
Vervolgens. De woorden en daden van Christus zijn ons uit de Evangeliën bekend. Maar bij de consecratie van dit Sacrament komen woorden voor, die niet in de Evangeliën staan. Zo staat er niet in het Evangelie, dat Christus bij de instelling van dit Sacrament Zijn ogen naar de hemel opsloeg; verder staat er in de Evangeliën: “Neemt en eet” zonder de toevoeging: “gij allen”, terwijl bij de viering van dit Sacrament gezegd wordt: “Na Zijn ogen ten hemel opgeslagen te hebben”, en: “Neemt en eet hiervan gij allen”. Het is dus niet passend, dat deze woorden bij de viering van dit Sacrament gebruikt worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 arg. 3
Vervolgens. Alle sacramenten zijn gericht op het heil van alle gelovigen. Maar bij de viering van de andere sacramenten is er geen algemeen gebed voor het heil van alle gelovigen, noch ook voor de overledenen. Dus is het niet passend, dat het wel gezegd wordt bij dit Sacrament.
Vervolgens. Alle sacramenten zijn gericht op het heil van alle gelovigen. Maar bij de viering van de andere sacramenten is er geen algemeen gebed voor het heil van alle gelovigen, noch ook voor de overledenen. Dus is het niet passend, dat het wel gezegd wordt bij dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 arg. 4
Vervolgens. Het doopsel wordt heel bijzonder “het Sacrament van het geloof” genoemd. Wat dus hoort bij het onderricht in het geloof, moet eerder bij het doopsel meegedeeld worden dan bij dit Sacrament: zoals de leer van de Apostelen en het Evangelie.
Vervolgens. Het doopsel wordt heel bijzonder “het Sacrament van het geloof” genoemd. Wat dus hoort bij het onderricht in het geloof, moet eerder bij het doopsel meegedeeld worden dan bij dit Sacrament: zoals de leer van de Apostelen en het Evangelie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 arg. 5
Vervolgens. Bij elk sacrament is de godsvrucht van de gelovigen een vereiste. Daarom moet bij dit Sacrament niet méér dan bij de andere de godsvrucht der gelovigen opgewekt worden door lofprijzingen voor God en aansporingen zoals: “Omhoog de harten”.
Vervolgens. Bij elk sacrament is de godsvrucht van de gelovigen een vereiste. Daarom moet bij dit Sacrament niet méér dan bij de andere de godsvrucht der gelovigen opgewekt worden door lofprijzingen voor God en aansporingen zoals: “Omhoog de harten”.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 arg. 6
Vervolgens. Zoals gezegd is, is de bedienaar van dit Sacrament de priester. Alles dus, wat bij dit Sacrament gezegd moet worden, moet door de priester gezegd worden en niet een gedeelte door de mindere bedienaars en een ander gedeelte door het koor.
R: q. 82 a. 1[t:iiia q. 82 a. 1]
Vervolgens. Zoals gezegd is, is de bedienaar van dit Sacrament de priester. Alles dus, wat bij dit Sacrament gezegd moet worden, moet door de priester gezegd worden en niet een gedeelte door de mindere bedienaars en een ander gedeelte door het koor.
R: q. 82 a. 1[t:iiia q. 82 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 arg. 7
Vervolgens. De goddelijke kracht bewerkt met zekerheid dit Sacrament. Overbodig is het daarom, dat de priester bidt voor de voltrekking van dit Sacrament met de woorden: “God, gewaardig U deze offerande in alles” enz.
Vervolgens. De goddelijke kracht bewerkt met zekerheid dit Sacrament. Overbodig is het daarom, dat de priester bidt voor de voltrekking van dit Sacrament met de woorden: “God, gewaardig U deze offerande in alles” enz.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 arg. 8
Vervolgens. Het Offer van de Nieuwe Wet is veel verhevener dan het Offer van de Aartsvaders. Het is dus niet passend, dat de priester vraagt, dat dit Offer aangenomen moge worden als het offer van Abel, Abraham en Melchisedech.
Vervolgens. Het Offer van de Nieuwe Wet is veel verhevener dan het Offer van de Aartsvaders. Het is dus niet passend, dat de priester vraagt, dat dit Offer aangenomen moge worden als het offer van Abel, Abraham en Melchisedech.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 arg. 9
Vervolgens. Het Lichaam van Christus is niet door plaatsverandering in dit Sacrament aanwezig, zoals boven (75e Kw. 2e Art.) gezegd is. Evenmin houdt het door plaatsverandering op er te zijn. Het is dus niet passend, dat de priester vraagt: “Mogen deze gaven door de handen van uw heilige engel neergelegd worden op Uw verheven altaar”.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2]
Vervolgens. Het Lichaam van Christus is niet door plaatsverandering in dit Sacrament aanwezig, zoals boven (75e Kw. 2e Art.) gezegd is. Evenmin houdt het door plaatsverandering op er te zijn. Het is dus niet passend, dat de priester vraagt: “Mogen deze gaven door de handen van uw heilige engel neergelegd worden op Uw verheven altaar”.
R: q. 75 a. 2[t:iiia q. 75 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 s. c.
Daartegenover staat echter, dat in een Decretaal gezegd wordt: “Jacobus, de broeder des Heer en naar het vlees, en Basilius, bisschop van Caesarea, hebben de viering van de Mis opgesteld”. Het gezag van beiden waarborgt, dat alles, wat gezegd moet worden, passend is.
Daartegenover staat echter, dat in een Decretaal gezegd wordt: “Jacobus, de broeder des Heer en naar het vlees, en Basilius, bisschop van Caesarea, hebben de viering van de Mis opgesteld”. Het gezag van beiden waarborgt, dat alles, wat gezegd moet worden, passend is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 co.
Mijn antwoord. Omdat in dit Sacrament het gehele geheim van ons heil vervat is, wordt het met grotere luister gevierd dan de andere sacramenten. En omdat er geschreven staat bij de Prediker (4, 17): “Geef acht op uw voet, wanneer gij het huis des Heren betreedt”, en in het Boek Ecclesiasticus (18, 23): “Bereidt uw ziel eer gij bidden gaat”, daarom wordt vóór het vieren van dit Geheim eerst een voorbereiding gehouden om waardig te kunnen verrichten wat volgen gaat. Het eerste gedeelte van deze voorbereiding is een verheerlijking van God, welke bij de Introïtus plaats heeft, volgens het woord uit het Boek der Psalmen (49, 23): “Een offer van lof brengt Mij eer, en dat is de weg, waarop Ik hem Gods heil zal tonen”. Deze wordt meestal uit de Psalmen genomen of in verband met een Psalm gezongen, omdat, volgens Dionysius, de Psalmen in lofzang alles omvatten wat in de H. Schrift verhaald wordt. — Het tweede gedeelte geeft uiting aan onze tegenwoordige ellende, door barmhartigheid af te smeken met het driemaal “Kyrie eleison” tot de Persoon van de Vader, het driemaal “Christe eleison” tot de Persoon van de Zoon en het weer eens driemaal “Kyrie eleison” tot de Persoon van de H. Geest: tegen onze drievoudige nood van onwetendheid, schulden en straf, of om uit te drukken, dat alle Personen met elkaar een zijn. — Het derde deel herdenkt de hemelse heerlijkheid, waarnaar wij streven na onze tegenwoordige ellende, in het “Eer zij God in de hoge”. Dit wordt gezongen op de feestdagen, waarop onze gedachten uitgaan naar de hemelse heerlijkheid, maar nagelaten bij de treurdiensten, welke behoren tot de herdenking van onze nood. — Het vierde deel is het “Gebed”, dat de priester voor het volk bidt, opdat het deze grote Geheimen moge waardig zijn. Vervolgens gaat ook vooraf het onderricht voor het gelovige volk, omdat dit Sacrament “het geheim van ons geloof” is, zoals boven is gezegd (78e Kw. 3e Art. 3e Antw.). Dit onderricht wordt begonnen met de leer van de Profeten en de Apostelen, welke gegeven wordt door de lectors en de subdiakens. Na de les, zingt het koor het graduaal, wat de vooruitgang van het geestelijk leven uitdrukt, en het alleluia, dat de geestelijke jubel beduidt; ofwel de tractus bij de treurdiensten, om de geestelijke weeklacht weer te geven. Want dit alles moet voor het volk uit de genoemde leer voortvloeien. Op volmaakte wijze wordt het volk onderricht door de leer van Christus, zoals ze vervat ligt in het Evangelie, wat dan ook door de hoogste dienaars wordt voorgedragen, nl. door de diakens. En omdat wij aan Christus geloven als aan de goddelijke waarheid, naar het woord van Joannes (8, 46): “Zo Ik de Waarheid zeg, waarom dan gelooft ge Mij niet?”, wordt na het Evangelie de geloofsbelijdenis gezongen, waardoor het volk belijdt door het geloof de leer van Christus aan te nemen. Deze geloofsbelijdenis wordt echter alleen gezongen op de feesten, waarover deze belijdenis iets zegt, zoals op de feesten van Christus, de H. Maagd, de Apostelen, die dit geloof gegrondvest hebben, en bij andere dergelijke gelegenheden. Nadat dan het volk voorbereid en onderricht is, kan men overgaan tot de viering van het Geheim. Dit nu wordt opgedragen als Offer en geconsecreerd en genuttigd als Sacrament. Daarom heeft men eerst de opdracht, daarna de verandering van de aangeboden gaven, en ten slotte het nuttigen ervan. Bij de opdracht gebeuren er twee zaken: vooreerst de lofzang van het volk in het Offertorium, waardoor aangegeven wordt de blijdschap van de offeraars, en vervolgens het gebed van de priester, die smeekt dat het Offer van het volk God aangenaam moge zijn. Daarom zei David in het Eerste Boek Paralipomenon (29, 17): “In eenvoud des harten heb ik dit alles geofferd en het volk, dat hier aanwezig is, heb ik met grote vreugde U hun gaven zien brengen”. Verderop (18) bidt hij met deze woorden: “Bewaar, Heer God, deze goede gesteltenis”. Vervolgens wordt voor de consecratie, welke door goddelijke kracht wordt voltrokken, het volk tot godsvrucht opgewekt in de Prefatie, waar dan ook gemaand wordt “de harten omhoog te hebben bij de Heer”. Derhalve looft het volk, bij het einde der Prefatie, met godsvrucht de Godheid van Christus door met de engelen te zeggen: “Heilig, heilig, heilig”, en met de kinderen aldus Zijn Mensheid: “Gezegend Hij, die komt”. Vervolgens gedenkt de priester in stilte, vooreerst hen, voor wie dit Offer opgedragen wordt nl. voor heel de Kerk en voor hen “die in overheid gesteld zijn” (I Tim. 2, 2) en in het bijzonder gedenkt de priester hen “die offeren of voor wie geofferd wordt”. Daarna gedenkt hij de heiligen wier voorspraak hij voor genoemde personen afsmeekt, wanneer hij zegt: “In gemeenschap verkerend met en in herinnering roepend” enz. Dan sluit hij het gebed met de woorden: “Wil derhalve dit Offer” enz., opdat het Offer heilzaam zij voor hen voor wie het gebracht wordt. Vervolgens gaat hij over tot de consecratie. Hierbij bidt hij eerst voor de uitwerking van de consecratie, zeggend: “Gewaardig U, God, dit Offer”. Hij voltrekt dan de consecratie met de woorden van de Heiland, als hij zegt: “Die op de vooravond” enz. Ten derde verontschuldigt hij zijn overmoed met de gehoorzaamheid aan Christus’ bevel, als hij zegt: “Derhalve indachtig”. Ten vierde vraagt hij dat het Offer, dat voltrokken is, Gode aangenaam zij: “Over welke Gij met goedgunstig oog” enz. Ten vijfde bidt hij om het uitwerksel van dit Offer en Sacrament, en wel vooreerst voor hen, die het gaan nuttigen, als hij zegt: “Smekend vragen wij U” en dan voor de doden, die het niet meer nuttigen kunnen, als hij zegt: “Gedenkt ook, Heer,” enz. en tenslotte op bijzondere wijze voor de priesters, die het opdragen, met de woorden: “Gewaardig U Heer ook aan ons, zondaars” enz. Dan wordt er overgegaan tot het ontvangen van het Sacrament. En hierbij wordt eerst het volk voorbereid om het te ontvangen. Vooreerst door het gemeenschappelijk gebed van heel het volk wat is het Gebed des Heren, waarin wij Hem vragen “ons het dagelijks brood te geven” en ook door het afzonderlijke gebed, wat de priester afzonderlijk voor het volk verricht, waarin hij zegt: “Bevrijd, smeken wij U, Heer”. — Op de tweede plaats wordt het volk voorbereid door de vredeskus, welke geschonken wordt onder de woorden: “Lam Gods”, want dit is het Sacrament van vrede en eenheid, zoals vroeger gezegd is (67e Kw. 2e Art.; 73e Kw. 3e Art. 3e Antw.; 4e Art.; 79e Kw. 1e Art.). In de Missen voor de overledenen, waarbij het Offer wordt opgedragen niet voor de vrede van deze aarde, maar voor de rust van de overledenen, wordt de vredeskus echter niet gegeven. Daarna volgt het ontvangen van dit Sacrament, dat eerst door de priester genuttigd wordt, die het daarna aan de anderen uitreikt, omdat, gelijk Dionysius opmerkt “hij die anderen goddelijke gaven uitreikt, eerst zelf eraan deel moet hebben”. Tenslotte eindigt de gehele viering van de Mis met de dankzegging, waarbij het volk juicht over het ontvangen van het Geheim, hetgeen betekend wordt door de zang na de communie; en de priester door het gebed dankt, gelijk ook Christus na het Avondmaal met Zijn leerlingen een loflied zong, zoals staat bij Mattheus (26, 30).
B: (Ps 49, Ps 49:23) [b:Ps 49] (Eccl 4:17) [b:Eccl 4:17] (Sir 18:23) [b:Sir 18:23]
R: q. 78 a. 3 ad 5[t:iiia q. 78 a. 3 ad 5] q. 73 a. 4[t:iiia q. 73 a. 4] q. 79 a. 1[t:iiia q. 79 a. 1]
Mijn antwoord. Omdat in dit Sacrament het gehele geheim van ons heil vervat is, wordt het met grotere luister gevierd dan de andere sacramenten. En omdat er geschreven staat bij de Prediker (4, 17): “Geef acht op uw voet, wanneer gij het huis des Heren betreedt”, en in het Boek Ecclesiasticus (18, 23): “Bereidt uw ziel eer gij bidden gaat”, daarom wordt vóór het vieren van dit Geheim eerst een voorbereiding gehouden om waardig te kunnen verrichten wat volgen gaat. Het eerste gedeelte van deze voorbereiding is een verheerlijking van God, welke bij de Introïtus plaats heeft, volgens het woord uit het Boek der Psalmen (49, 23): “Een offer van lof brengt Mij eer, en dat is de weg, waarop Ik hem Gods heil zal tonen”. Deze wordt meestal uit de Psalmen genomen of in verband met een Psalm gezongen, omdat, volgens Dionysius, de Psalmen in lofzang alles omvatten wat in de H. Schrift verhaald wordt. — Het tweede gedeelte geeft uiting aan onze tegenwoordige ellende, door barmhartigheid af te smeken met het driemaal “Kyrie eleison” tot de Persoon van de Vader, het driemaal “Christe eleison” tot de Persoon van de Zoon en het weer eens driemaal “Kyrie eleison” tot de Persoon van de H. Geest: tegen onze drievoudige nood van onwetendheid, schulden en straf, of om uit te drukken, dat alle Personen met elkaar een zijn. — Het derde deel herdenkt de hemelse heerlijkheid, waarnaar wij streven na onze tegenwoordige ellende, in het “Eer zij God in de hoge”. Dit wordt gezongen op de feestdagen, waarop onze gedachten uitgaan naar de hemelse heerlijkheid, maar nagelaten bij de treurdiensten, welke behoren tot de herdenking van onze nood. — Het vierde deel is het “Gebed”, dat de priester voor het volk bidt, opdat het deze grote Geheimen moge waardig zijn. Vervolgens gaat ook vooraf het onderricht voor het gelovige volk, omdat dit Sacrament “het geheim van ons geloof” is, zoals boven is gezegd (78e Kw. 3e Art. 3e Antw.). Dit onderricht wordt begonnen met de leer van de Profeten en de Apostelen, welke gegeven wordt door de lectors en de subdiakens. Na de les, zingt het koor het graduaal, wat de vooruitgang van het geestelijk leven uitdrukt, en het alleluia, dat de geestelijke jubel beduidt; ofwel de tractus bij de treurdiensten, om de geestelijke weeklacht weer te geven. Want dit alles moet voor het volk uit de genoemde leer voortvloeien. Op volmaakte wijze wordt het volk onderricht door de leer van Christus, zoals ze vervat ligt in het Evangelie, wat dan ook door de hoogste dienaars wordt voorgedragen, nl. door de diakens. En omdat wij aan Christus geloven als aan de goddelijke waarheid, naar het woord van Joannes (8, 46): “Zo Ik de Waarheid zeg, waarom dan gelooft ge Mij niet?”, wordt na het Evangelie de geloofsbelijdenis gezongen, waardoor het volk belijdt door het geloof de leer van Christus aan te nemen. Deze geloofsbelijdenis wordt echter alleen gezongen op de feesten, waarover deze belijdenis iets zegt, zoals op de feesten van Christus, de H. Maagd, de Apostelen, die dit geloof gegrondvest hebben, en bij andere dergelijke gelegenheden. Nadat dan het volk voorbereid en onderricht is, kan men overgaan tot de viering van het Geheim. Dit nu wordt opgedragen als Offer en geconsecreerd en genuttigd als Sacrament. Daarom heeft men eerst de opdracht, daarna de verandering van de aangeboden gaven, en ten slotte het nuttigen ervan. Bij de opdracht gebeuren er twee zaken: vooreerst de lofzang van het volk in het Offertorium, waardoor aangegeven wordt de blijdschap van de offeraars, en vervolgens het gebed van de priester, die smeekt dat het Offer van het volk God aangenaam moge zijn. Daarom zei David in het Eerste Boek Paralipomenon (29, 17): “In eenvoud des harten heb ik dit alles geofferd en het volk, dat hier aanwezig is, heb ik met grote vreugde U hun gaven zien brengen”. Verderop (18) bidt hij met deze woorden: “Bewaar, Heer God, deze goede gesteltenis”. Vervolgens wordt voor de consecratie, welke door goddelijke kracht wordt voltrokken, het volk tot godsvrucht opgewekt in de Prefatie, waar dan ook gemaand wordt “de harten omhoog te hebben bij de Heer”. Derhalve looft het volk, bij het einde der Prefatie, met godsvrucht de Godheid van Christus door met de engelen te zeggen: “Heilig, heilig, heilig”, en met de kinderen aldus Zijn Mensheid: “Gezegend Hij, die komt”. Vervolgens gedenkt de priester in stilte, vooreerst hen, voor wie dit Offer opgedragen wordt nl. voor heel de Kerk en voor hen “die in overheid gesteld zijn” (I Tim. 2, 2) en in het bijzonder gedenkt de priester hen “die offeren of voor wie geofferd wordt”. Daarna gedenkt hij de heiligen wier voorspraak hij voor genoemde personen afsmeekt, wanneer hij zegt: “In gemeenschap verkerend met en in herinnering roepend” enz. Dan sluit hij het gebed met de woorden: “Wil derhalve dit Offer” enz., opdat het Offer heilzaam zij voor hen voor wie het gebracht wordt. Vervolgens gaat hij over tot de consecratie. Hierbij bidt hij eerst voor de uitwerking van de consecratie, zeggend: “Gewaardig U, God, dit Offer”. Hij voltrekt dan de consecratie met de woorden van de Heiland, als hij zegt: “Die op de vooravond” enz. Ten derde verontschuldigt hij zijn overmoed met de gehoorzaamheid aan Christus’ bevel, als hij zegt: “Derhalve indachtig”. Ten vierde vraagt hij dat het Offer, dat voltrokken is, Gode aangenaam zij: “Over welke Gij met goedgunstig oog” enz. Ten vijfde bidt hij om het uitwerksel van dit Offer en Sacrament, en wel vooreerst voor hen, die het gaan nuttigen, als hij zegt: “Smekend vragen wij U” en dan voor de doden, die het niet meer nuttigen kunnen, als hij zegt: “Gedenkt ook, Heer,” enz. en tenslotte op bijzondere wijze voor de priesters, die het opdragen, met de woorden: “Gewaardig U Heer ook aan ons, zondaars” enz. Dan wordt er overgegaan tot het ontvangen van het Sacrament. En hierbij wordt eerst het volk voorbereid om het te ontvangen. Vooreerst door het gemeenschappelijk gebed van heel het volk wat is het Gebed des Heren, waarin wij Hem vragen “ons het dagelijks brood te geven” en ook door het afzonderlijke gebed, wat de priester afzonderlijk voor het volk verricht, waarin hij zegt: “Bevrijd, smeken wij U, Heer”. — Op de tweede plaats wordt het volk voorbereid door de vredeskus, welke geschonken wordt onder de woorden: “Lam Gods”, want dit is het Sacrament van vrede en eenheid, zoals vroeger gezegd is (67e Kw. 2e Art.; 73e Kw. 3e Art. 3e Antw.; 4e Art.; 79e Kw. 1e Art.). In de Missen voor de overledenen, waarbij het Offer wordt opgedragen niet voor de vrede van deze aarde, maar voor de rust van de overledenen, wordt de vredeskus echter niet gegeven. Daarna volgt het ontvangen van dit Sacrament, dat eerst door de priester genuttigd wordt, die het daarna aan de anderen uitreikt, omdat, gelijk Dionysius opmerkt “hij die anderen goddelijke gaven uitreikt, eerst zelf eraan deel moet hebben”. Tenslotte eindigt de gehele viering van de Mis met de dankzegging, waarbij het volk juicht over het ontvangen van het Geheim, hetgeen betekend wordt door de zang na de communie; en de priester door het gebed dankt, gelijk ook Christus na het Avondmaal met Zijn leerlingen een loflied zong, zoals staat bij Mattheus (26, 30).
B: (Ps 49, Ps 49:23) [b:Ps 49] (Eccl 4:17) [b:Eccl 4:17] (Sir 18:23) [b:Sir 18:23]
R: q. 78 a. 3 ad 5[t:iiia q. 78 a. 3 ad 5] q. 73 a. 4[t:iiia q. 73 a. 4] q. 79 a. 1[t:iiia q. 79 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Ecclesia de Eucharistia ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. De consecratie komt alleen door de woorden van Christus tot stand. Al het andere is echter nodig om het volk op de nuttiging voor te bereiden, zoals gezegd is (in de Leerst.).
1e Weerlegging. De consecratie komt alleen door de woorden van Christus tot stand. Al het andere is echter nodig om het volk op de nuttiging voor te bereiden, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. Zoals in Joannes (21. 25) gezegd wordt, is er veel door de Heer gedaan en gesproken, dat de evangelisten niet hebben opgeschreven. Daaronder was ook dit, dat de Heer Zijn ogen naar de hemel opsloeg bij het Avondmaal. Dit weet de Kerk uit de overlevering van de Apostelen. Want het lijkt redelijk, dat Hij, die bij de opwekking van Lazarus (Joan. 11, 41) en bij het gebed voor de leerlingen (Joan, 1 7. 1) Zijn ogen opsloeg naar de Vader, dit nog veel eerder heeft gedaan bij de instelling van dit Sacrament, omdat dit gewichtiger was. — Dat gezegd wordt: “nuttigt” en niet “eet”, verschilt niet naar de zin. En het is van weinig belang, wat van beide gezegd wordt, vooral omdat deze woorden niet tot de vorm behoren, zoals boven (78e Kw. 1e Art. 2e en 4e Antw.) uiteengezet is. Dat eraan toegevoegd wordt “allen”, kan men verklaren uit de woorden van het Evangelie (al staat het daar niet letterlijk) omdat Christus Zelf gezegd heeft (Joan. 6, 54): “Zo ge het Vlees van de Mensenzoon niet eet, dan hebt ge het leven niet in u”.
R: q. 78 a. 1 ad 2[t:iiia q. 78 a. 1 ad 2] q. 78 a. 1 ad 4[t:iiia q. 78 a. 1 ad 4]
2e Weerlegging. Zoals in Joannes (21. 25) gezegd wordt, is er veel door de Heer gedaan en gesproken, dat de evangelisten niet hebben opgeschreven. Daaronder was ook dit, dat de Heer Zijn ogen naar de hemel opsloeg bij het Avondmaal. Dit weet de Kerk uit de overlevering van de Apostelen. Want het lijkt redelijk, dat Hij, die bij de opwekking van Lazarus (Joan. 11, 41) en bij het gebed voor de leerlingen (Joan, 1 7. 1) Zijn ogen opsloeg naar de Vader, dit nog veel eerder heeft gedaan bij de instelling van dit Sacrament, omdat dit gewichtiger was. — Dat gezegd wordt: “nuttigt” en niet “eet”, verschilt niet naar de zin. En het is van weinig belang, wat van beide gezegd wordt, vooral omdat deze woorden niet tot de vorm behoren, zoals boven (78e Kw. 1e Art. 2e en 4e Antw.) uiteengezet is. Dat eraan toegevoegd wordt “allen”, kan men verklaren uit de woorden van het Evangelie (al staat het daar niet letterlijk) omdat Christus Zelf gezegd heeft (Joan. 6, 54): “Zo ge het Vlees van de Mensenzoon niet eet, dan hebt ge het leven niet in u”.
R: q. 78 a. 1 ad 2[t:iiia q. 78 a. 1 ad 2] q. 78 a. 1 ad 4[t:iiia q. 78 a. 1 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. De Eucharistie is het Sacrament van de gehele kerkelijke eenheid. En daarom moet juist bij dit Sacrament méér dan bij de andere melding gemaakt worden van alles, wat tot het welzijn van de gehele Kerk behoort.
3e Weerlegging. De Eucharistie is het Sacrament van de gehele kerkelijke eenheid. En daarom moet juist bij dit Sacrament méér dan bij de andere melding gemaakt worden van alles, wat tot het welzijn van de gehele Kerk behoort.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. Er is een dubbele onderrichting. Een voor pasbeginnenden, nl. voor de doopleerlingen en deze wordt bij het doopsel gegeven. Een andere onderrichting is er, waarbij het gelovige volk, dat aan dit Geheim deelneemt, onderwezen wordt. En zo is de onderrichting bij dit Sacrament. Toch worden de doopleerlingen en ongelovigen ook toegelaten bij dit onderricht. Vandaar staat er in een Decretaal: “De bisschop mag niemand beletten in de kerk te komen en er het woord Gods te horen, noch heiden, noch ketter, noch Jood, zolang de Mis der doopleerlingen duurt”, waarin nl. het geloofsonderricht gegeven wordt.
B: (John 8:46, John 8:46) [b:John 8:46]
4e Weerlegging. Er is een dubbele onderrichting. Een voor pasbeginnenden, nl. voor de doopleerlingen en deze wordt bij het doopsel gegeven. Een andere onderrichting is er, waarbij het gelovige volk, dat aan dit Geheim deelneemt, onderwezen wordt. En zo is de onderrichting bij dit Sacrament. Toch worden de doopleerlingen en ongelovigen ook toegelaten bij dit onderricht. Vandaar staat er in een Decretaal: “De bisschop mag niemand beletten in de kerk te komen en er het woord Gods te horen, noch heiden, noch ketter, noch Jood, zolang de Mis der doopleerlingen duurt”, waarin nl. het geloofsonderricht gegeven wordt.
B: (John 8:46, John 8:46) [b:John 8:46]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 ad 5
Ad quintum Dit Sacrament vraagt een grotere godsvrucht dan de andere, omdat dit Sacrament de hele Christus bevat, en ook een meer algemene, omdat in dit Sacrament vereist wordt de godsvrucht van het hele volk, waarvoor het Offer wordt opgedragen en met alleen van degenen, die het Sacrament ontvangen, zoals bij de andere sacramenten. En daarom merkt Cyprianus op: “Door de Prefatie te laten voorafgaan, bereidt de priester de gemoederen van de broeders voor, zeggend: “Omhoog de harten”, opdat, wanneer het volk antwoordt “Wij verheffen ze tot de Heer”, het eraan herinnerd wordt aan niets anders dan aan God te denken”.
Ad quintum Dit Sacrament vraagt een grotere godsvrucht dan de andere, omdat dit Sacrament de hele Christus bevat, en ook een meer algemene, omdat in dit Sacrament vereist wordt de godsvrucht van het hele volk, waarvoor het Offer wordt opgedragen en met alleen van degenen, die het Sacrament ontvangen, zoals bij de andere sacramenten. En daarom merkt Cyprianus op: “Door de Prefatie te laten voorafgaan, bereidt de priester de gemoederen van de broeders voor, zeggend: “Omhoog de harten”, opdat, wanneer het volk antwoordt “Wij verheffen ze tot de Heer”, het eraan herinnerd wordt aan niets anders dan aan God te denken”.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 ad 6
Ad sextum Zoals gezegd is (3e Antw.), wordt bij dit Sacrament aangeroerd wat tot de hele Kerk behoort. Daarom worden door het koor sommige gebeden gezegd die behoren tot het volk. Sommige ervan zingt het koor helemaal, nl. diegene welke het hele volk aan het woord laten; andere neemt het over, nadat de priester, die de plaats van God inneemt, ze ingezet heeft, ten teken dat deze door goddelijke openbaring tot het volk gekomen zijn, zoals het geloof en de hemelse heerlijkheid. Daarom zet de priester de Geloofsbelijdenis en het “Eer zij God in de hoge” in. Andere dingen worden door de dienaars gezegd, zoals de leer van het Nieuwe en Oude Verbond, ten teken dat deze leer aan het volk verkondigd is door dienaars, die door God gezonden zijn. Weer andere dingen zegt de priester alleen, nl. datgene wat tot de eigen taak van de priester behoort, welke hierin bestaat “dat hij de gaven en gebeden opdraagt voor het volk” (Hebr. 5, 1). Daarvan zegt hij soms iets luidop, nl. wat zowel op de priester als op het volk betrekking heeft, zoals de gemeenschappelijke gebeden. Andere dingen echter zijn voorbehouden aan de priester zoals de offerande en de consecratie. Daarom wordt, wat daarmee verband houdt, door de priester in stilte gezegd. Voor beide gelegenheden wekt hij de aandacht van het volk op door te zeggen: “De Heer zij met u”, en verwacht hij de instemming van hen, die zeggen moeten “Amen”. Daarom laat hij, ook aan wat hij in stilte zegt voorafgaan: “De Heer zij met u” en laat hij er op volgen: “Door alle eeuwen der eeuwen”. Ofwel zegt de priester iets in stilte, ten teken dat tijdens Christus’ lijden de leerlingen alleen maar in stilte Christus beleden.
B: (1Chr 29:17) [b:1Chr 29:17]
Ad sextum Zoals gezegd is (3e Antw.), wordt bij dit Sacrament aangeroerd wat tot de hele Kerk behoort. Daarom worden door het koor sommige gebeden gezegd die behoren tot het volk. Sommige ervan zingt het koor helemaal, nl. diegene welke het hele volk aan het woord laten; andere neemt het over, nadat de priester, die de plaats van God inneemt, ze ingezet heeft, ten teken dat deze door goddelijke openbaring tot het volk gekomen zijn, zoals het geloof en de hemelse heerlijkheid. Daarom zet de priester de Geloofsbelijdenis en het “Eer zij God in de hoge” in. Andere dingen worden door de dienaars gezegd, zoals de leer van het Nieuwe en Oude Verbond, ten teken dat deze leer aan het volk verkondigd is door dienaars, die door God gezonden zijn. Weer andere dingen zegt de priester alleen, nl. datgene wat tot de eigen taak van de priester behoort, welke hierin bestaat “dat hij de gaven en gebeden opdraagt voor het volk” (Hebr. 5, 1). Daarvan zegt hij soms iets luidop, nl. wat zowel op de priester als op het volk betrekking heeft, zoals de gemeenschappelijke gebeden. Andere dingen echter zijn voorbehouden aan de priester zoals de offerande en de consecratie. Daarom wordt, wat daarmee verband houdt, door de priester in stilte gezegd. Voor beide gelegenheden wekt hij de aandacht van het volk op door te zeggen: “De Heer zij met u”, en verwacht hij de instemming van hen, die zeggen moeten “Amen”. Daarom laat hij, ook aan wat hij in stilte zegt voorafgaan: “De Heer zij met u” en laat hij er op volgen: “Door alle eeuwen der eeuwen”. Ofwel zegt de priester iets in stilte, ten teken dat tijdens Christus’ lijden de leerlingen alleen maar in stilte Christus beleden.
B: (1Chr 29:17) [b:1Chr 29:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 ad 7
Ad septimum De kracht van de sacramentele woorden kan door de bedoeling van de priester verijdeld worden. Bovendien is het niet onredelijk, dat wij God ook datgene vragen, waarvan wij zeker weten, dat Hij het zal doen, zoals Christus om Zijn verheerlijking bad (Joan. 17, 1, 5). Toch vraagt de priester wel niet, dat de consecratie moge plaats hebben, maar dat ze ons voordelig moge zijn; daarom zegt hij juist “opdat voor ons deze offerande wordt het Lichaam en Bloed van Christus”. En volgens Augustinus wijzen hierop de woorden die eraan voorafgaan: “Gewaardig U deze offerande te doen zijn gezegend”, d. i. “waardoor wij gezegend worden”; “opgeschreven” d. i. “waardoor wij in de hemel opgeschreven worden”; “wettig” d. i. “waardoor wij als tot Christus behorend erkend worden”; “redelijk”. d. i. “waardoor wij ontrukt worden aan onze dierlijke neigingen”; “welgevallig”, d. i. “opdat wij, die aan ons zelf mishagen, hierdoor aan Zijn enige Zoon welgevallig mogen zijn”.
B: (1Tim 2:2) [b:1Tim 2:2]
Ad septimum De kracht van de sacramentele woorden kan door de bedoeling van de priester verijdeld worden. Bovendien is het niet onredelijk, dat wij God ook datgene vragen, waarvan wij zeker weten, dat Hij het zal doen, zoals Christus om Zijn verheerlijking bad (Joan. 17, 1, 5). Toch vraagt de priester wel niet, dat de consecratie moge plaats hebben, maar dat ze ons voordelig moge zijn; daarom zegt hij juist “opdat voor ons deze offerande wordt het Lichaam en Bloed van Christus”. En volgens Augustinus wijzen hierop de woorden die eraan voorafgaan: “Gewaardig U deze offerande te doen zijn gezegend”, d. i. “waardoor wij gezegend worden”; “opgeschreven” d. i. “waardoor wij in de hemel opgeschreven worden”; “wettig” d. i. “waardoor wij als tot Christus behorend erkend worden”; “redelijk”. d. i. “waardoor wij ontrukt worden aan onze dierlijke neigingen”; “welgevallig”, d. i. “opdat wij, die aan ons zelf mishagen, hierdoor aan Zijn enige Zoon welgevallig mogen zijn”.
B: (1Tim 2:2) [b:1Tim 2:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 ad 8
Ad octavum Ofschoon dit Offer zelf boven al de oude offers staat, toch waren deze aan God zeer welgevallig om betoonde godsvrucht. De priester vraagt dus, dat dit Offer aan God aangenaam moge zijn om de godsvrucht van de offeraars, zoals die andere het waren.
Ad octavum Ofschoon dit Offer zelf boven al de oude offers staat, toch waren deze aan God zeer welgevallig om betoonde godsvrucht. De priester vraagt dus, dat dit Offer aan God aangenaam moge zijn om de godsvrucht van de offeraars, zoals die andere het waren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 4 ad 9
Ad nonum De priester vraagt niet dat de sacramentele gedaanten ten hemel mogen gevoerd worden, evenmin het waarachtige Lichaam van Christus, dat niet opgehouden had daar te zijn. Maar hij vraagt dit voor het mystieke Lichaam, dat door dit Sacrament aangeduid wordt, opdat nl. de engel, die deze goddelijke Geheimen bijwoont, aan God moge brengen de gebeden van het volk en de priester, volgens het woord uit de Openbaring (8, 4): “En de walm van de wierook steeg van het Offer der heiligen op uit de hand van de engel”. “Hoogverheven altaar Gods” wordt genoemd ofwel de zegepralende Kerk, waarheen wij bidden overgebracht te worden ofwel God Zelf, aan wie wij vragen te mogen deelnemen; over dit altaar wordt gezegd in het Boek van de Uittocht (20, 26): “Bestijg mijn altaar niet langs treden”. d. w. z. volgens de Glossa “maak in de Drievuldigheid geen trappen”. Ook wordt onder de engel verstaan Christus Zelf, die is de Engel van de grote raad, die Zijn mystiek Lichaam met God de Vader verbindt en met de zegepralende Kerk. En hiernaar wordt ook de Mis (d. i. zending) genoemd, omdat de priester door de engel de gebeden tot God opzendt, zoals het volk door de priester. Of ook omdat Christus het Offer is, dat voor ons opgezonden wordt. Zo laat de diaken op het einde van de Mis op feestdagen het volk gaan, met de woorden: “Gaat, het is opgezonden”, nl. het Offer is tot God opgezonden door de engel, opdat het God welgevallig zij.
Ad nonum De priester vraagt niet dat de sacramentele gedaanten ten hemel mogen gevoerd worden, evenmin het waarachtige Lichaam van Christus, dat niet opgehouden had daar te zijn. Maar hij vraagt dit voor het mystieke Lichaam, dat door dit Sacrament aangeduid wordt, opdat nl. de engel, die deze goddelijke Geheimen bijwoont, aan God moge brengen de gebeden van het volk en de priester, volgens het woord uit de Openbaring (8, 4): “En de walm van de wierook steeg van het Offer der heiligen op uit de hand van de engel”. “Hoogverheven altaar Gods” wordt genoemd ofwel de zegepralende Kerk, waarheen wij bidden overgebracht te worden ofwel God Zelf, aan wie wij vragen te mogen deelnemen; over dit altaar wordt gezegd in het Boek van de Uittocht (20, 26): “Bestijg mijn altaar niet langs treden”. d. w. z. volgens de Glossa “maak in de Drievuldigheid geen trappen”. Ook wordt onder de engel verstaan Christus Zelf, die is de Engel van de grote raad, die Zijn mystiek Lichaam met God de Vader verbindt en met de zegepralende Kerk. En hiernaar wordt ook de Mis (d. i. zending) genoemd, omdat de priester door de engel de gebeden tot God opzendt, zoals het volk door de priester. Of ook omdat Christus het Offer is, dat voor ons opgezonden wordt. Zo laat de diaken op het einde van de Mis op feestdagen het volk gaan, met de woorden: “Gaat, het is opgezonden”, nl. het Offer is tot God opgezonden door de engel, opdat het God welgevallig zij.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Is alles, wat bij de viering van dit Sacrament gedaan wordt, passend?
IIIa q. 83 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat niet alles wat bij de viering van dit Sacrament gedaan wordt, passend is. Dit sacrament behoort tot het Nieuwe Verbond, zoals uit de vorm blijkt. In het Nieuwe Verbond nu moeten de ceremonies van het Oude Verbond niet in acht genomen worden. Hiertoe behoorde echter, dat de priesters en dienaars zich wasten voordat zij opgingen om te offeren. Immers er staat in het Boek van de Uittocht (30, 19, 20): “Aaron en zijn zonen zullen hun handen en voeten wassen, wanneer zij naar het altaar gaan”. Het is dus niet passend, dat de priester tijdens de Mis zijn handen wast.
B: (Exod 30:19) [b:Exod 30:19] (Exod 30:20) [b:Exod 30:20]
Over het vijfde als volgt. Men beweert, dat niet alles wat bij de viering van dit Sacrament gedaan wordt, passend is. Dit sacrament behoort tot het Nieuwe Verbond, zoals uit de vorm blijkt. In het Nieuwe Verbond nu moeten de ceremonies van het Oude Verbond niet in acht genomen worden. Hiertoe behoorde echter, dat de priesters en dienaars zich wasten voordat zij opgingen om te offeren. Immers er staat in het Boek van de Uittocht (30, 19, 20): “Aaron en zijn zonen zullen hun handen en voeten wassen, wanneer zij naar het altaar gaan”. Het is dus niet passend, dat de priester tijdens de Mis zijn handen wast.
B: (Exod 30:19) [b:Exod 30:19] (Exod 30:20) [b:Exod 30:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 arg. 2
Vervolgens. De Heer had aldaar voorgeschreven (Uitt. 30, 7), dat de priester “fijne, welriekende wierook zou branden” op het altaar, dat voor het verzoendeksel stond. Dit hoorde ook tot de ceremonies van het Oude Verbond. Onpassend is het dus, dat de priester in de Mis wierookt.
B: (Exod 30:7) [b:Exod 30:7]
Vervolgens. De Heer had aldaar voorgeschreven (Uitt. 30, 7), dat de priester “fijne, welriekende wierook zou branden” op het altaar, dat voor het verzoendeksel stond. Dit hoorde ook tot de ceremonies van het Oude Verbond. Onpassend is het dus, dat de priester in de Mis wierookt.
B: (Exod 30:7) [b:Exod 30:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 arg. 3
Vervolgens. Wat bij de sacramenten van de Kerk gebeurt, mag niet herhaald worden. Dus is het niet passend, dat de priester meermalen een kruis maakt over dit Sacrament.
Vervolgens. Wat bij de sacramenten van de Kerk gebeurt, mag niet herhaald worden. Dus is het niet passend, dat de priester meermalen een kruis maakt over dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 arg. 4
Vervolgens. De Apostel zegt: “Het lijdt geen tegenspraak, dat het mindere wordt gezegend door het meerdere” (Hebr, 7, 7). Maar Christus, die na de consecratie in dit Sacrament is, is veel méér dan de priester. Het past de priester dus niet na de consecratie dit Sacrament met kruistekens te zegenen.
B: (Heb 7:7) [b:Heb 7:7]
Vervolgens. De Apostel zegt: “Het lijdt geen tegenspraak, dat het mindere wordt gezegend door het meerdere” (Hebr, 7, 7). Maar Christus, die na de consecratie in dit Sacrament is, is veel méér dan de priester. Het past de priester dus niet na de consecratie dit Sacrament met kruistekens te zegenen.
B: (Heb 7:7) [b:Heb 7:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 arg. 5
Vervolgens. Bij een sacrament van de Kerk moet vermeden worden, wat belachelijk schijnt. Het schijnt echter belachelijk gebaren te maken, waartoe behoort, dat de priester nu eens zijn armen uitstrekt, dan weer de handen vouwt, of de vingers verenigt, of zelf buigt. Derhalve moest zoiets niet gebeuren bij dit Sacrament.
Vervolgens. Bij een sacrament van de Kerk moet vermeden worden, wat belachelijk schijnt. Het schijnt echter belachelijk gebaren te maken, waartoe behoort, dat de priester nu eens zijn armen uitstrekt, dan weer de handen vouwt, of de vingers verenigt, of zelf buigt. Derhalve moest zoiets niet gebeuren bij dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 arg. 6
Vervolgens. Ook schijnt het lachwekkend, dat de priester zich herhaaldelijk naar het volk keert en dit begroet. Dat moest dus niet gebeuren tijdens de viering van dit Sacrament.
Vervolgens. Ook schijnt het lachwekkend, dat de priester zich herhaaldelijk naar het volk keert en dit begroet. Dat moest dus niet gebeuren tijdens de viering van dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 arg. 7
Vervolgens. De Apostel noemt het niet passend dat “Christus verdeeld is” (I Cor. 1, 13). Maar na de consecratie is Christus in dit Sacrament. Het past dus niet, dat de priester de hostie breekt.
B: (1Cor 13) [b:1Cor 13]
Vervolgens. De Apostel noemt het niet passend dat “Christus verdeeld is” (I Cor. 1, 13). Maar na de consecratie is Christus in dit Sacrament. Het past dus niet, dat de priester de hostie breekt.
B: (1Cor 13) [b:1Cor 13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 arg. 8
Vervolgens. Wat bij dit Sacrament gebeurt, beeldt het lijden van Christus uit. Maar tijdens het lijden werd het lichaam van Christus op de vijf plaatsen van de wonden verdeeld. Derhalve moet het Lichaam van Christus eerder in vijf delen verdeeld worden dan in drie.
Vervolgens. Wat bij dit Sacrament gebeurt, beeldt het lijden van Christus uit. Maar tijdens het lijden werd het lichaam van Christus op de vijf plaatsen van de wonden verdeeld. Derhalve moet het Lichaam van Christus eerder in vijf delen verdeeld worden dan in drie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 arg. 9
Vervolgens. Het hele Lichaam van Christus wordt in dit Sacrament afgescheiden van het Bloed geconsecreerd. Het is dus niet passend, dat een deel ervan met het Bloed vermengd wordt.
Vervolgens. Het hele Lichaam van Christus wordt in dit Sacrament afgescheiden van het Bloed geconsecreerd. Het is dus niet passend, dat een deel ervan met het Bloed vermengd wordt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 arg. 10
Vervolgens. Evenals het Lichaam van Christus in dit Sacrament als spijs voorgezet wordt, zo ook het Bloed van Christus als drank. Maar aan het nuttigen van Christus’ Lichaam wordt bij de Mis geen andere lichamelijke spijs toegevoegd. Het is dus niet passend, dat de priester, na het nuttigen van het Bloed van Christus, ongeconsecreerde wijn drinkt.
Vervolgens. Evenals het Lichaam van Christus in dit Sacrament als spijs voorgezet wordt, zo ook het Bloed van Christus als drank. Maar aan het nuttigen van Christus’ Lichaam wordt bij de Mis geen andere lichamelijke spijs toegevoegd. Het is dus niet passend, dat de priester, na het nuttigen van het Bloed van Christus, ongeconsecreerde wijn drinkt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 arg. 11
Vervolgens. De werkelijkheid moet aan de voorafbeelding beantwoorden. Maar omtrent het paaslam, dat een voorafbeelding was van dit Sacrament, was voorgeschreven (Uitt. 12, 10) dat men “niets mocht bewaren tot de morgen”. Het is dus niet passend, dat er geconsecreerde hosties bewaard worden en niet terstond genuttigd.
Vervolgens. De werkelijkheid moet aan de voorafbeelding beantwoorden. Maar omtrent het paaslam, dat een voorafbeelding was van dit Sacrament, was voorgeschreven (Uitt. 12, 10) dat men “niets mocht bewaren tot de morgen”. Het is dus niet passend, dat er geconsecreerde hosties bewaard worden en niet terstond genuttigd.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 arg. 12
Vervolgens. De priester spreekt in het meervoud tot de aanwezigen bijv. wanneer hij zegt: “De Heer is met u” en “Laten wij dankzeggen”. Maar het geeft geen pas tot één alleen in het meervoud te spreken en zeker niet als het een mindere is. Dus lijkt het ongepast, dat de priester de Mis opdraagt in tegenwoordigheid van slechts een dienaar. Zo schijnen er dus bepaalde dingen rondom de viering van dit Sacrament, op minder passende wijze te gebeuren.
Vervolgens. De priester spreekt in het meervoud tot de aanwezigen bijv. wanneer hij zegt: “De Heer is met u” en “Laten wij dankzeggen”. Maar het geeft geen pas tot één alleen in het meervoud te spreken en zeker niet als het een mindere is. Dus lijkt het ongepast, dat de priester de Mis opdraagt in tegenwoordigheid van slechts een dienaar. Zo schijnen er dus bepaalde dingen rondom de viering van dit Sacrament, op minder passende wijze te gebeuren.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 s. c.
Daartegenover staat echter het gebruik in de Kerk, die niet kan dwalen, omdat zij onderricht wordt door de H. Geest.
Daartegenover staat echter het gebruik in de Kerk, die niet kan dwalen, omdat zij onderricht wordt door de H. Geest.
Referenties naar deze alinea: 1
"Sensus Fidei" in the life of the Church ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 co.
Mijn antwoord. Zoals boven (60e Kw. 6e Art.) is gezegd, wordt iets bij de Sacramenten op tweevoudige wijze aangeduid nl. door woorden en door handelingen, opdat de uitbeelding volmaakt zou zijn. Nu worden bij de viering van dit Sacrament door woorden verschillende dingen uitgedrukt, die behoren tot het lijden van Christus, dat in dit Sacrament wordt uitgebeeld, of tot het mystiek Lichaam, dat door dit Sacrament wordt betekend; en andere dingen, die betrekking hebben op het nuttigen van dit Sacrament, hetgeen geschieden moet met godsvrucht en eerbied. Daarom zullen er bij de viering van dit Sacrament sommige handelingen gebeuren om uit te beelden het lijden van Christus of ook de toestand van het mystieke Lichaam, en andere, die slaan op het godvruchtige en eerbiedige gebruik van dit Sacrament.
R: q. 60 a. 6[t:iiia q. 60 a. 6]
Mijn antwoord. Zoals boven (60e Kw. 6e Art.) is gezegd, wordt iets bij de Sacramenten op tweevoudige wijze aangeduid nl. door woorden en door handelingen, opdat de uitbeelding volmaakt zou zijn. Nu worden bij de viering van dit Sacrament door woorden verschillende dingen uitgedrukt, die behoren tot het lijden van Christus, dat in dit Sacrament wordt uitgebeeld, of tot het mystiek Lichaam, dat door dit Sacrament wordt betekend; en andere dingen, die betrekking hebben op het nuttigen van dit Sacrament, hetgeen geschieden moet met godsvrucht en eerbied. Daarom zullen er bij de viering van dit Sacrament sommige handelingen gebeuren om uit te beelden het lijden van Christus of ook de toestand van het mystieke Lichaam, en andere, die slaan op het godvruchtige en eerbiedige gebruik van dit Sacrament.
R: q. 60 a. 6[t:iiia q. 60 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. De handwassing tijdens de Mis geschiedt uit eerbied voor het Sacrament. En wel om twee redenen. Vooreerst zijn wij gewoon om kostbare zaken alleen maar met gewassen handen aan te raken. Daarom is het ook onpassend, dat iemand tot zulk een Sacrament nadert met, zij het dan ook lichamelijk, vuile handen. Vervolgens om de betekenis. Zoals Dionysius zegt, betekent het wassen van de vingertoppen, de reiniging van zelfs de kleinste zonden, volgens het woord uit Joannes (13, 10): “Wie een bad heeft genomen, behoeft alleen nog maar zijn voeten te wassen”. Zulk een reiniging wordt vereist van hem, die dit Sacrament nadert. Dit wordt eveneens aangegeven door de schuldbekentenis, welke aan de Introïtus van de Mis voorafgaat. En hetzelfde betekende ook de wassing van de priesters in het Oude Verbond, zoals Dionysius zegt. Toch neemt de Kerk dit niet in acht als een ceremonieel voorschrift van de Oude Wet, maar als een instelling van de Kerk, omdat het op zich zelf passend is. Daarom geschiedt het nu anders dan toen. Immers de voetwassing wordt achterwege gelaten en men wast alleen de handen, wat gemakkelijker kan gebeuren en wat voldoende de volmaakte zuiverheid betekent. Want omdat de hand het werktuig aller werktuigen is, zoals Aristoteles zegt, worden alle werken aan de handen toegeschreven. Daarom staat er ook in het Boek der Psalmen (23, 6): “Ik zal mijn handen wassen onder onschuldigen”.
B: (Ps 25:6) [b:Ps 25:6] (John 13:10) [b:John 13:10]
1e Weerlegging. De handwassing tijdens de Mis geschiedt uit eerbied voor het Sacrament. En wel om twee redenen. Vooreerst zijn wij gewoon om kostbare zaken alleen maar met gewassen handen aan te raken. Daarom is het ook onpassend, dat iemand tot zulk een Sacrament nadert met, zij het dan ook lichamelijk, vuile handen. Vervolgens om de betekenis. Zoals Dionysius zegt, betekent het wassen van de vingertoppen, de reiniging van zelfs de kleinste zonden, volgens het woord uit Joannes (13, 10): “Wie een bad heeft genomen, behoeft alleen nog maar zijn voeten te wassen”. Zulk een reiniging wordt vereist van hem, die dit Sacrament nadert. Dit wordt eveneens aangegeven door de schuldbekentenis, welke aan de Introïtus van de Mis voorafgaat. En hetzelfde betekende ook de wassing van de priesters in het Oude Verbond, zoals Dionysius zegt. Toch neemt de Kerk dit niet in acht als een ceremonieel voorschrift van de Oude Wet, maar als een instelling van de Kerk, omdat het op zich zelf passend is. Daarom geschiedt het nu anders dan toen. Immers de voetwassing wordt achterwege gelaten en men wast alleen de handen, wat gemakkelijker kan gebeuren en wat voldoende de volmaakte zuiverheid betekent. Want omdat de hand het werktuig aller werktuigen is, zoals Aristoteles zegt, worden alle werken aan de handen toegeschreven. Daarom staat er ook in het Boek der Psalmen (23, 6): “Ik zal mijn handen wassen onder onschuldigen”.
B: (Ps 25:6) [b:Ps 25:6] (John 13:10) [b:John 13:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. De bewierookingen geschieden ook niet om een ceremonieel voorschrift van de Wet, maar omdat de Kerk ze ingesteld heeft. Daarom doen wij ze niet op dezelfde wijze, waarop ze in de Oude Wet waren voor geschreven. Ze geschieden echter om twee redenen. Vooreerst uit eerbied voor dit Sacrament, opdat nl. door goeden geur verdreven zou worden, wat er aan lichamelijk slechte reuk in de kerk moest zijn, waardoor afkeer opgewekt zou worden. Verder ter uitbeelding van de uitwerking der genade, waarvan Christus vervuld was, als van een goede geur, naar het woord uit het boek der Schepping (27, 27): “Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van een volle akker”, en die van Christus door de bediening van Zijn dienaars, op de gelovigen overgaat zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiers (2, 14): “Allerwege verspreidt Hij door ons de geur van diens kennis”. Daarom worden, nadat het altaar, waardoor Christus aangeduid wordt, bewierookt is, alle anderen volgens rangorde bewierookt.
B: (Gen 27:27) [b:Gen 27:27] (2Cor 2:14) [b:2Cor 2:14]
2e Weerlegging. De bewierookingen geschieden ook niet om een ceremonieel voorschrift van de Wet, maar omdat de Kerk ze ingesteld heeft. Daarom doen wij ze niet op dezelfde wijze, waarop ze in de Oude Wet waren voor geschreven. Ze geschieden echter om twee redenen. Vooreerst uit eerbied voor dit Sacrament, opdat nl. door goeden geur verdreven zou worden, wat er aan lichamelijk slechte reuk in de kerk moest zijn, waardoor afkeer opgewekt zou worden. Verder ter uitbeelding van de uitwerking der genade, waarvan Christus vervuld was, als van een goede geur, naar het woord uit het boek der Schepping (27, 27): “Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van een volle akker”, en die van Christus door de bediening van Zijn dienaars, op de gelovigen overgaat zoals gezegd wordt in de Tweede Brief aan de Corinthiers (2, 14): “Allerwege verspreidt Hij door ons de geur van diens kennis”. Daarom worden, nadat het altaar, waardoor Christus aangeduid wordt, bewierookt is, alle anderen volgens rangorde bewierookt.
B: (Gen 27:27) [b:Gen 27:27] (2Cor 2:14) [b:2Cor 2:14]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. Bij de Mis maakt de priester kruistekens om het lijden van Christus uit te drukken, dat op het Kruis werd voleindigd. Maar het lijden van Christus heeft trapsgewijze plaats gehad. Vooreerst werd Christus overgeleverd door God, door Judas en door de Joden. Dit wordt weergegeven door het driemaal bekruisen bij de woorden: “Deze gave, deze geschenken, deze heilige en onbevlekte Offers”. Vervolgens werd Christus verkocht, en wel door de priesters, schriftgeleerden en farizeeën. Om dat aan te duiden worden er een andere maal drie kruistekens gemaakt bij de woorden “gezegend, opgeschreven, wettig”. — Dit kan ook aanduiden de prijs van de verkoop, nl. dertig zilverlingen. — Er worden nog twee kruistekens aan toegevoegd bij de woorden: “Opdat het voor ons het Lichaam en Bloed” enz., om aan te geven de persoon van Judas, die verkocht en van Christus, die verkocht werd. Ten derde was er een voorafbeelding van het lijden van Christus in het Laatste Avondmaal. Om dit aan te geven worden er voor de derde maal twee kruistekens gemaakt, een bij de consecratie van het Lichaam en een ander bij de consecratie van het Bloed, wanneer bij elk gezegd wordt: “Hij zegende het”. Op de vierde plaats was er het lijden van Christus zelf. Daarom heeft er voor de vierde maal een bekruising en wel een vijfvoudige plaats, om de vijf wonden aan te duiden, bij de woorden: “Een zuiver Offer, een heilig Offer, een vlekkeloos Offer, het heilig Brood van het eeuwig leven en de kelk van het altijddurend heil”. Ten vijfde wordt uitgebeeld, dat het Lichaam werd uitgerekt en het Bloed vloeide, en het lijden vruchtbaar was, door drie kruistekens bij de woorden: “Wij die het Lichaam en Bloed nuttigen van allen zegen” enz. Ten zesde wordt in herinnering gebracht het drievoudige gebed, dat Christus op het Kruis bad, nl. een gebed voor de vervolgers, toen Hij sprak: “Vader, vergeef het hun”; een ander voor bevrijding van de dood, toen Hij uitriep: “God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”; het derde behoort bij het verwerven van de glorie, toen Hij zei: “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest”. Daarvoor de drie kruistekens bij de woorden: “Gij heiligt, maakt levend en zegent”. Ten zevende worden de drie uren uitgebeeld, gedurende welke Hij op het Kruis hing, nl. van het zesde tot het negende uur. Daarvoor weer drie kruistekens bij de woorden: “Door Hem, en met Hem en in Hem”. Ten achtste wordt de scheiding van Ziel en Lichaam uitgebeeld door de twee kruistekens die onmiddellijk daarna buiten de kelk gemaakt worden. Ten negende wordt de verrijzenis op de derde dag uitgebeeld door de drie kruistekens, die gemaakt worden bij de woorden: “De vrede des Heren zij altijd met u”. Men kan het ook korter zeggen. De consecratie van dit Sacrament en het aannemen van dit Offer en zijn vruchten hangen af van de kracht van Christus’ Kruis. Daarom maakt de priester overal, waar melding gemaakt wordt van een van deze drie zaken, een kruisteken.
3e Weerlegging. Bij de Mis maakt de priester kruistekens om het lijden van Christus uit te drukken, dat op het Kruis werd voleindigd. Maar het lijden van Christus heeft trapsgewijze plaats gehad. Vooreerst werd Christus overgeleverd door God, door Judas en door de Joden. Dit wordt weergegeven door het driemaal bekruisen bij de woorden: “Deze gave, deze geschenken, deze heilige en onbevlekte Offers”. Vervolgens werd Christus verkocht, en wel door de priesters, schriftgeleerden en farizeeën. Om dat aan te duiden worden er een andere maal drie kruistekens gemaakt bij de woorden “gezegend, opgeschreven, wettig”. — Dit kan ook aanduiden de prijs van de verkoop, nl. dertig zilverlingen. — Er worden nog twee kruistekens aan toegevoegd bij de woorden: “Opdat het voor ons het Lichaam en Bloed” enz., om aan te geven de persoon van Judas, die verkocht en van Christus, die verkocht werd. Ten derde was er een voorafbeelding van het lijden van Christus in het Laatste Avondmaal. Om dit aan te geven worden er voor de derde maal twee kruistekens gemaakt, een bij de consecratie van het Lichaam en een ander bij de consecratie van het Bloed, wanneer bij elk gezegd wordt: “Hij zegende het”. Op de vierde plaats was er het lijden van Christus zelf. Daarom heeft er voor de vierde maal een bekruising en wel een vijfvoudige plaats, om de vijf wonden aan te duiden, bij de woorden: “Een zuiver Offer, een heilig Offer, een vlekkeloos Offer, het heilig Brood van het eeuwig leven en de kelk van het altijddurend heil”. Ten vijfde wordt uitgebeeld, dat het Lichaam werd uitgerekt en het Bloed vloeide, en het lijden vruchtbaar was, door drie kruistekens bij de woorden: “Wij die het Lichaam en Bloed nuttigen van allen zegen” enz. Ten zesde wordt in herinnering gebracht het drievoudige gebed, dat Christus op het Kruis bad, nl. een gebed voor de vervolgers, toen Hij sprak: “Vader, vergeef het hun”; een ander voor bevrijding van de dood, toen Hij uitriep: “God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”; het derde behoort bij het verwerven van de glorie, toen Hij zei: “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest”. Daarvoor de drie kruistekens bij de woorden: “Gij heiligt, maakt levend en zegent”. Ten zevende worden de drie uren uitgebeeld, gedurende welke Hij op het Kruis hing, nl. van het zesde tot het negende uur. Daarvoor weer drie kruistekens bij de woorden: “Door Hem, en met Hem en in Hem”. Ten achtste wordt de scheiding van Ziel en Lichaam uitgebeeld door de twee kruistekens die onmiddellijk daarna buiten de kelk gemaakt worden. Ten negende wordt de verrijzenis op de derde dag uitgebeeld door de drie kruistekens, die gemaakt worden bij de woorden: “De vrede des Heren zij altijd met u”. Men kan het ook korter zeggen. De consecratie van dit Sacrament en het aannemen van dit Offer en zijn vruchten hangen af van de kracht van Christus’ Kruis. Daarom maakt de priester overal, waar melding gemaakt wordt van een van deze drie zaken, een kruisteken.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 ad 4
4e Weerlegging. Na de consecratie gebruikt de priester het kruisteken niet om te zegenen en te consecreren, maar alleen om te herdenken de kracht van het Kruis en de wijze van het lijden, zoals boven (vorig Antw.) gezegd is.
4e Weerlegging. Na de consecratie gebruikt de priester het kruisteken niet om te zegenen en te consecreren, maar alleen om te herdenken de kracht van het Kruis en de wijze van het lijden, zoals boven (vorig Antw.) gezegd is.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 ad 5
Ad quintum Wat de priester tijdens de Mis doet, zijn geen lachwekkende gebaren, want alles gebeurt er om iets uit te beelden. Dat nl. de priester zijn armen uitstrekt na de consecratie, betekent het uitstrekken van Christus’ armen op het Kruis. Ook heft hij bij het bidden zijn handen op, om aan te geven dat zijn gebed voor het volk tot God opgestuurd wordt, volgens het woord uit de Klaagliederen (3, 41): “Heffen wij ons hart en de handen omhoog tot God in de hemel”, en uit het Boek van de Uittocht (17, 11): “Zolang Mozes zijn handen omhoog hield, had Israël de overhand”. Dat hij soms zijn handen vouwt, en zich buigt, als iemand, die smekend en nederig bidt, wijst terug op de nederigheid en gehoorzaamheid, waarmee Christus geleden heeft. Na de consecratie houdt hij zijn vingers tegen elkaar, nl. de duim en de wijsvinger, waarmee hij het geconsecreerde Lichaam van Christus aangeraakt heeft, opdat, als er soms een deeltje aan de vingers is blijven zitten, dit niet eraf valt. Dit behoort tot de eerbied voor het Sacrament.
Ad quintum Wat de priester tijdens de Mis doet, zijn geen lachwekkende gebaren, want alles gebeurt er om iets uit te beelden. Dat nl. de priester zijn armen uitstrekt na de consecratie, betekent het uitstrekken van Christus’ armen op het Kruis. Ook heft hij bij het bidden zijn handen op, om aan te geven dat zijn gebed voor het volk tot God opgestuurd wordt, volgens het woord uit de Klaagliederen (3, 41): “Heffen wij ons hart en de handen omhoog tot God in de hemel”, en uit het Boek van de Uittocht (17, 11): “Zolang Mozes zijn handen omhoog hield, had Israël de overhand”. Dat hij soms zijn handen vouwt, en zich buigt, als iemand, die smekend en nederig bidt, wijst terug op de nederigheid en gehoorzaamheid, waarmee Christus geleden heeft. Na de consecratie houdt hij zijn vingers tegen elkaar, nl. de duim en de wijsvinger, waarmee hij het geconsecreerde Lichaam van Christus aangeraakt heeft, opdat, als er soms een deeltje aan de vingers is blijven zitten, dit niet eraf valt. Dit behoort tot de eerbied voor het Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 ad 6
Ad sextum Vijfmaal keert de priester zich tot het volk om aan te geven, dat de Heer op de dag van Zijn verrijzenis vijfmaal verschenen is, zoals boven in het tractaat over de Verrijzenis van Christus (55e Kw. 3e Art. 3e Bed.) gezegd is. Maar hij groet zevenmaal het volk nl. vijfmaal wanneer hij zich keert tot het volk en tweemaal zonder zich te keren, nl. wanneer hij vóór de prefatie zegt “De Heer zij met u” en wanneer hij zegt: “De vrede des Heren zij altijd met u”; dit om aan te duiden de zevenvoudige genade van de H. Geest. De bisschop zegt, wanneer hij op feestdagen de Mis opdraagt, de eerste keer: “Vrede zij u”, wat ook de Heer na Zijn verrijzenis gezegd heeft, omdat de bisschop op bijzondere wijze de persoon van Christus vertegenwoordigt.
R: q. 55 a. 3 Arg. 3[t:iiia q. 55 a. 3 arg. 3]
Ad sextum Vijfmaal keert de priester zich tot het volk om aan te geven, dat de Heer op de dag van Zijn verrijzenis vijfmaal verschenen is, zoals boven in het tractaat over de Verrijzenis van Christus (55e Kw. 3e Art. 3e Bed.) gezegd is. Maar hij groet zevenmaal het volk nl. vijfmaal wanneer hij zich keert tot het volk en tweemaal zonder zich te keren, nl. wanneer hij vóór de prefatie zegt “De Heer zij met u” en wanneer hij zegt: “De vrede des Heren zij altijd met u”; dit om aan te duiden de zevenvoudige genade van de H. Geest. De bisschop zegt, wanneer hij op feestdagen de Mis opdraagt, de eerste keer: “Vrede zij u”, wat ook de Heer na Zijn verrijzenis gezegd heeft, omdat de bisschop op bijzondere wijze de persoon van Christus vertegenwoordigt.
R: q. 55 a. 3 Arg. 3[t:iiia q. 55 a. 3 arg. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 ad 7
Ad septimum Het breken van de hostie betekent drie dingen. Vooreerst de verdeling van het Lichaam van Christus tijdens het lijden, vervolgens de verdeling van het mystiek Lichaam in zijn verschillende toestanden; ten derde, de uitdeling van de genaden, die uit het lijden van Christus voortvloeien, zoals Dionysus zegt. Daarom brengt het breken geen verdeling van Christus mee.
Ad septimum Het breken van de hostie betekent drie dingen. Vooreerst de verdeling van het Lichaam van Christus tijdens het lijden, vervolgens de verdeling van het mystiek Lichaam in zijn verschillende toestanden; ten derde, de uitdeling van de genaden, die uit het lijden van Christus voortvloeien, zoals Dionysus zegt. Daarom brengt het breken geen verdeling van Christus mee.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 ad 8
Ad octavum Terecht zegt Paus Sergius en ook een Decretaal: “Het Lichaam van Christus heeft drie vormen. Het deel, dat na het opdragen in de kerk gedaan wordt, wijst op het Lichaam van Christus, dat reeds verrezen is”, nl. Christus, de H. Maagd en ook andere heiligen, die met hun lichaam in de hemel mochten zijn. “Het deel dat genuttigd wordt, wijst op het Lichaam van Christus, dat nog op aarde rondgaat”, omdat nl. degenen, die nog op aarde leven, door dit Sacrament verenigd worden en door lijden vermorzeld worden, evenals het brood bij het eten door de tanden stuk gemalen wordt. “Het deel, dat op het altaar blijft tot aan het einde der Mis, stelt voor het Lichaam van Christus, dat in het graf bleef, omdat tot het einde der tijden de lichamen der heiligen in het graf blijven”, wier zielen echter of in het vagevuur of in de hemel zijn. Deze ritus is echter nu niet meer in gebruik, nl. dat een deel bewaard wordt tot het einde der Mis, maar de betekenis van de delen is gebleven. Men heeft dit in versvorm zo uitgedrukt: “Verdeeld wordt de hostie in stukken; Het gemengde de zaligen aanduidt. Het droge de levenden, De begravenen het bewaarde”. Sommigen zeggen echter dat het deel, dat men in de kelk laat vallen, diegenen betekent, die nog in deze wereld leven, het deel, dat buiten de kelk bewaard blijft op de naar ziel en lichaam gelukzaligen heenwijst, en het deel, dat genuttigd wordt al de overigen aanduidt.
Ad octavum Terecht zegt Paus Sergius en ook een Decretaal: “Het Lichaam van Christus heeft drie vormen. Het deel, dat na het opdragen in de kerk gedaan wordt, wijst op het Lichaam van Christus, dat reeds verrezen is”, nl. Christus, de H. Maagd en ook andere heiligen, die met hun lichaam in de hemel mochten zijn. “Het deel dat genuttigd wordt, wijst op het Lichaam van Christus, dat nog op aarde rondgaat”, omdat nl. degenen, die nog op aarde leven, door dit Sacrament verenigd worden en door lijden vermorzeld worden, evenals het brood bij het eten door de tanden stuk gemalen wordt. “Het deel, dat op het altaar blijft tot aan het einde der Mis, stelt voor het Lichaam van Christus, dat in het graf bleef, omdat tot het einde der tijden de lichamen der heiligen in het graf blijven”, wier zielen echter of in het vagevuur of in de hemel zijn. Deze ritus is echter nu niet meer in gebruik, nl. dat een deel bewaard wordt tot het einde der Mis, maar de betekenis van de delen is gebleven. Men heeft dit in versvorm zo uitgedrukt: “Verdeeld wordt de hostie in stukken; Het gemengde de zaligen aanduidt. Het droge de levenden, De begravenen het bewaarde”. Sommigen zeggen echter dat het deel, dat men in de kelk laat vallen, diegenen betekent, die nog in deze wereld leven, het deel, dat buiten de kelk bewaard blijft op de naar ziel en lichaam gelukzaligen heenwijst, en het deel, dat genuttigd wordt al de overigen aanduidt.
Referenties naar deze alinea: 1
Munificentissimus Deus ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 ad 9
Ad nonum Door de kelk kunnen twee zaken betekend worden. Vooreerst het lijden, dat in dit Sacrament uitgebeeld wordt. En dan betekent het deel, dat men in de kelk laat vallen, hen, die nog deel hebben aan het lijden van Christus. Vervolgens kan de kelk betekenen het zalig geluk, dat eveneens uitgebeeld wordt door dit Sacrament. En dan worden zij, wier lichamen reeds genieten van de gelukzaligheid, aangeduid met het deel, dat men in de kelk laat vallen. Opgemerkt moet worden, dat het deel, dat in de kelk gelaten wordt, niet aan het volk gegeven moet worden, als toevoeging bij de Communie, omdat Christus ook geen ingedoopt brood uitgereikt heeft behalve aan Judas, de verrader.
Ad nonum Door de kelk kunnen twee zaken betekend worden. Vooreerst het lijden, dat in dit Sacrament uitgebeeld wordt. En dan betekent het deel, dat men in de kelk laat vallen, hen, die nog deel hebben aan het lijden van Christus. Vervolgens kan de kelk betekenen het zalig geluk, dat eveneens uitgebeeld wordt door dit Sacrament. En dan worden zij, wier lichamen reeds genieten van de gelukzaligheid, aangeduid met het deel, dat men in de kelk laat vallen. Opgemerkt moet worden, dat het deel, dat in de kelk gelaten wordt, niet aan het volk gegeven moet worden, als toevoeging bij de Communie, omdat Christus ook geen ingedoopt brood uitgereikt heeft behalve aan Judas, de verrader.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 ad 10
Ad decimum Omdat wijn vochtig is, kan men ermee spoelen. Daarom wordt na de nuttiging van dit Sacrament wijn gedronken om de mond te reinigen, opdat er niets van het Sacrament achterblijft. Dit geschiedt dus uit eerbied voor het Sacrament. Vandaar staat er in een Decretaal: “De priester moet steeds met wijn de mond spoelen, nadat hij het hele Sacrament genuttigd heeft, behalve wanneer hij op dezelfde dag nog een andere Mis moet lezen, opdat hij niet door inslikken van die voor spoelen bestemde wijn verhinderd wordt de andere Mis te lezen”. — Om dezelfde reden wast hij ook met wijn de vingers, waarmee hij het Lichaam van Christus aangeraakt heeft.
Ad decimum Omdat wijn vochtig is, kan men ermee spoelen. Daarom wordt na de nuttiging van dit Sacrament wijn gedronken om de mond te reinigen, opdat er niets van het Sacrament achterblijft. Dit geschiedt dus uit eerbied voor het Sacrament. Vandaar staat er in een Decretaal: “De priester moet steeds met wijn de mond spoelen, nadat hij het hele Sacrament genuttigd heeft, behalve wanneer hij op dezelfde dag nog een andere Mis moet lezen, opdat hij niet door inslikken van die voor spoelen bestemde wijn verhinderd wordt de andere Mis te lezen”. — Om dezelfde reden wast hij ook met wijn de vingers, waarmee hij het Lichaam van Christus aangeraakt heeft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 ad 11
Ad undecimum De waarheid moet onder een bepaald opzicht aan de voorafbeelding beantwoorden, in zover men nl. geen enkel deel van de geconsecreerde hostie, waarvan de priester en de dienaars of ook het volk genuttigd hebben, tot de volgende dag moet bewaren. Daarom heeft Paus Clemens vastgesteld, zoals men in een Decretaal vindt: “Zoveel hosties moeten op het altaar geofferd worden, als voor het volk voldoende is. Blijven er over, dan mag men die niet tot de volgende dag bewaren, maar moeten de geestelijken ze met schrik en beven eerbiedig nuttigen”. Daar dit Sacrament evenwel dagelijks genuttigd moet worden, terwijl het paaslam niet dagelijks genuttigd werd. moet men andere geconsecreerde hosties bewaren voor de zieken. Daarom leest men op die plaats: “De priester moet de Eucharistie altijd gereed hebben, opdat, wanneer iemand ziek is. hij aanstonds kan communiceren en niet zonder Communie sterft”.
Ad undecimum De waarheid moet onder een bepaald opzicht aan de voorafbeelding beantwoorden, in zover men nl. geen enkel deel van de geconsecreerde hostie, waarvan de priester en de dienaars of ook het volk genuttigd hebben, tot de volgende dag moet bewaren. Daarom heeft Paus Clemens vastgesteld, zoals men in een Decretaal vindt: “Zoveel hosties moeten op het altaar geofferd worden, als voor het volk voldoende is. Blijven er over, dan mag men die niet tot de volgende dag bewaren, maar moeten de geestelijken ze met schrik en beven eerbiedig nuttigen”. Daar dit Sacrament evenwel dagelijks genuttigd moet worden, terwijl het paaslam niet dagelijks genuttigd werd. moet men andere geconsecreerde hosties bewaren voor de zieken. Daarom leest men op die plaats: “De priester moet de Eucharistie altijd gereed hebben, opdat, wanneer iemand ziek is. hij aanstonds kan communiceren en niet zonder Communie sterft”.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 5 ad 12
Ad duodecimum Bij de plechtige Mis moeten altijd meerdere personen aanwezig zijn. Daarom zegt Paus Soter, zoals in een Decretaal staat: “Het is ook vastgesteld, dat geen priester een plechtige Mis mag opdragen, als er niet minstens twee aanwezigen zijn om hem te antwoorden, buiten hemzelf. Want daar hij in het meervoud zegt: “De Heer zij met u” en bij de Secreta: “voor mij”, is het zeer passend, dat zij zijn groet beantwoorden”. Daarom ook is aldaar tot grotere luister voorgeschreven, dat de bisschop met meerdere personen de Misplechtigheden moet verrichten. In de stille Missen echter is het voldoende een misdienaar te hebben, die het hele katholieke volk vertegenwoordigt en daarom ook de priester in het meervoud antwoordt.
Ad duodecimum Bij de plechtige Mis moeten altijd meerdere personen aanwezig zijn. Daarom zegt Paus Soter, zoals in een Decretaal staat: “Het is ook vastgesteld, dat geen priester een plechtige Mis mag opdragen, als er niet minstens twee aanwezigen zijn om hem te antwoorden, buiten hemzelf. Want daar hij in het meervoud zegt: “De Heer zij met u” en bij de Secreta: “voor mij”, is het zeer passend, dat zij zijn groet beantwoorden”. Daarom ook is aldaar tot grotere luister voorgeschreven, dat de bisschop met meerdere personen de Misplechtigheden moet verrichten. In de stille Missen echter is het voldoende een misdienaar te hebben, die het hele katholieke volk vertegenwoordigt en daarom ook de priester in het meervoud antwoordt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Kan men in de tekortkomingen, welke bij de viering van dit Sacrament voorkomen, voldoende voorzien door de voorschriften van de Kerk in acht te nemen?
IIIa q. 83 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat men in de tekortkomingen, welke bij de viering van dit Sacrament voorkomen, niet voldoende kan voorzien door de voorschriften van de Kerk in acht te nemen. Want het gebeurt soms, dat de priester vóór of na de consecratie, sterft of in zwijm valt, of door een of andere ongesteldheid overvallen wordt, zodat hij het Sacrament niet kan nuttigen noch de Mis beëindigen. Zo schijnt het dus, dat het voorschrift van de Kerk niet nagekomen kan worden, waarin geboden wordt, dat de priester, die consecreert, aan zijn Offer ook deel moet nemen.
Over het zesde als volgt. Men beweert, dat men in de tekortkomingen, welke bij de viering van dit Sacrament voorkomen, niet voldoende kan voorzien door de voorschriften van de Kerk in acht te nemen. Want het gebeurt soms, dat de priester vóór of na de consecratie, sterft of in zwijm valt, of door een of andere ongesteldheid overvallen wordt, zodat hij het Sacrament niet kan nuttigen noch de Mis beëindigen. Zo schijnt het dus, dat het voorschrift van de Kerk niet nagekomen kan worden, waarin geboden wordt, dat de priester, die consecreert, aan zijn Offer ook deel moet nemen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 arg. 2
Vervolgens. Het gebeurt soms, dat de priester vóór of na de consecratie zich herinnert, dat hij iets gegeten heeft of gedronken, of in staat van doodzonde is, of geëxcommuniceerd is, waaraan hij te voren niet gedacht heeft. Het is dan noodzakelijk, dat hij, die zich in zulk een geval bevindt, een doodzonde doet door te handelen tegen een voorschrift van de Kerk, of hij dan communiceert of niet.
Vervolgens. Het gebeurt soms, dat de priester vóór of na de consecratie zich herinnert, dat hij iets gegeten heeft of gedronken, of in staat van doodzonde is, of geëxcommuniceerd is, waaraan hij te voren niet gedacht heeft. Het is dan noodzakelijk, dat hij, die zich in zulk een geval bevindt, een doodzonde doet door te handelen tegen een voorschrift van de Kerk, of hij dan communiceert of niet.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 arg. 3
Vervolgens. Soms gebeurt het, dat er na de consecratie een vlieg of spin of een vergiftig beestje in de kelk valt; of dat de priester bemerkt, dat er vergif in de kelk gedaan is door een kwaadwillige, die hem wil doden. In zulk een geval schijnt het, dat hij zwaar zondigt, als hij nuttigt, nl. door zelfmoord of door God op de proef te stellen. Nuttigt hij niet, dan zondigt hij door legen het voorschrift van de Kerk te handelen. Hij schijnt dan geen uitweg te hebben en onderworpen te zijn aan de noodzakelijkheid van te zondigen. Dat is echter onaannemelijk.
Vervolgens. Soms gebeurt het, dat er na de consecratie een vlieg of spin of een vergiftig beestje in de kelk valt; of dat de priester bemerkt, dat er vergif in de kelk gedaan is door een kwaadwillige, die hem wil doden. In zulk een geval schijnt het, dat hij zwaar zondigt, als hij nuttigt, nl. door zelfmoord of door God op de proef te stellen. Nuttigt hij niet, dan zondigt hij door legen het voorschrift van de Kerk te handelen. Hij schijnt dan geen uitweg te hebben en onderworpen te zijn aan de noodzakelijkheid van te zondigen. Dat is echter onaannemelijk.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 arg. 4
Vervolgens. Het kan voorkomen, dat er door nalatigheid van een dienaar ofwel geen water in de kelk is of zelfs geen wijn en dat de priester dat merkt. Ook in dat geval heeft hij, naar het schijnt, geen uitweg: hetzij hij het Lichaam nuttigt zonder het Bloed, waardoor hij een onvolkomen Offer brengt, hetzij hij noch het Lichaam noch het Bloed nuttigt.
Vervolgens. Het kan voorkomen, dat er door nalatigheid van een dienaar ofwel geen water in de kelk is of zelfs geen wijn en dat de priester dat merkt. Ook in dat geval heeft hij, naar het schijnt, geen uitweg: hetzij hij het Lichaam nuttigt zonder het Bloed, waardoor hij een onvolkomen Offer brengt, hetzij hij noch het Lichaam noch het Bloed nuttigt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 arg. 5
Vervolgens. Het kan gebeuren, dat de priester zich niet herinnert de woorden van de consecratie gezegd te hebben, of andere woorden, welke bij de consecratie van dit Sacrament gezegd worden. In dat geval schijnt hij te zondigen zowel als hij de woorden herhaalt over de stof, die hij misschien al gezegd heeft, als wanneer hij het brood en de wijn nuttigt als geconsecreerd, terwijl ze niet geconsecreerd zijn.
Vervolgens. Het kan gebeuren, dat de priester zich niet herinnert de woorden van de consecratie gezegd te hebben, of andere woorden, welke bij de consecratie van dit Sacrament gezegd worden. In dat geval schijnt hij te zondigen zowel als hij de woorden herhaalt over de stof, die hij misschien al gezegd heeft, als wanneer hij het brood en de wijn nuttigt als geconsecreerd, terwijl ze niet geconsecreerd zijn.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 arg. 6
Vervolgens. Door de koude kan het soms gebeuren dat de priester de hostie in de kelk laat vallen vóór het breken of ook erna. In zulk een geval kan de priester niet de ritus van de Kerk in acht nemen in zake het breken of hierin, dat alleen maar een derde gedeelte in de kelk mag gelaten worden.
Vervolgens. Door de koude kan het soms gebeuren dat de priester de hostie in de kelk laat vallen vóór het breken of ook erna. In zulk een geval kan de priester niet de ritus van de Kerk in acht nemen in zake het breken of hierin, dat alleen maar een derde gedeelte in de kelk mag gelaten worden.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 arg. 7
Vervolgens. Het gebeurt soms, dat door de nalatigheid van de priester het Bloed van Christus wordt uitgestort; of ook, dat de priester na het Sacrament genuttigd te hebben, braakt; of ook, dat de geconsecreerde hosties zolang bewaard worden, dat ze bederven; of dat de muizen eraan knagen, of dat de hosties hoe dan ook verloren gaan. In al die gevallen schijnt het onmogelijk te zijn, aan dit Sacrament de verschuldigde eerbied volgens de voorschriften der Kerk te bewijzen. Derhalve schijnt het, dat men aan deze tekortkomingen en gevaren niet te gemoet kan komen, door de voorschriften van de Kerk op te volgen.
Vervolgens. Het gebeurt soms, dat door de nalatigheid van de priester het Bloed van Christus wordt uitgestort; of ook, dat de priester na het Sacrament genuttigd te hebben, braakt; of ook, dat de geconsecreerde hosties zolang bewaard worden, dat ze bederven; of dat de muizen eraan knagen, of dat de hosties hoe dan ook verloren gaan. In al die gevallen schijnt het onmogelijk te zijn, aan dit Sacrament de verschuldigde eerbied volgens de voorschriften der Kerk te bewijzen. Derhalve schijnt het, dat men aan deze tekortkomingen en gevaren niet te gemoet kan komen, door de voorschriften van de Kerk op te volgen.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 s. c.
Daartegenover staat echter, dat de Kerk, evenmin als God, het onmogelijke voorschrijft.
Daartegenover staat echter, dat de Kerk, evenmin als God, het onmogelijke voorschrijft.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 co.
Mijn antwoord. Men kan op tweevoudige wijze voorzien in de tekortkomingen, welke bij dit Sacrament kunnen voorvallen. Vooreerst door te voorkomen, dat er een ongeluk gebeurt. Vervolgens door te herstellen, zodat nl. wat gebeurt, weggewerkt wordt, hetzij door een of ander middel aan te wenden, hetzij althans door het berouw van hem, die nalatig gehandeld heeft ten opzichte van dit Sacrament.
Mijn antwoord. Men kan op tweevoudige wijze voorzien in de tekortkomingen, welke bij dit Sacrament kunnen voorvallen. Vooreerst door te voorkomen, dat er een ongeluk gebeurt. Vervolgens door te herstellen, zodat nl. wat gebeurt, weggewerkt wordt, hetzij door een of ander middel aan te wenden, hetzij althans door het berouw van hem, die nalatig gehandeld heeft ten opzichte van dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. Wanneer een priester vóór de consecratie van het Lichaam en Bloed des Heren sterft of door een ernstige ongesteldheid overvallen wordt, is het niet nodig, dat hij door een ander wordt vervangen. Gebeurde het echter na het begin van de consecratie, b.v. na de consecratie van het Lichaam en vóórdat het Bloed geconsecreerd werd, of misschien na de consecratie van beide, dan moet een ander de Mis voortzetten. Daarom staat er in de Kerkvergadering van Toledo, zoals het in een Decretaal is opgenomen: “Wij hebben het passend geoordeeld, dat wanneer de heilige Geheimen gedurende de Mis door de priesters geconsecreerd worden en er een ziektegeval voorkomt, waardoor het begonnen Geheim niet voltrokken zou kunnen worden, het aan de bisschop of een andere priester vrijstaat de consecratie van de begonnen dienst voort te zetten. Want het is voor het voltooien van begonnen Geheimen volstrekt nodig, dat ze door de zegening van de priester, die begonnen is of invalt, afgemaakt worden, omdat zij niet volmaakt zouden geacht worden, tenzij ze op de goede wijze voltooid worden. Daar wij immers allen één zijn in Christus, brengt het verschil van personen niets tegenstrijdigs mee, nu de eenheid van het geloof de krachtdadigheid van het welslagen aangeeft. Wat echter om reden van de slapheid der natuur wordt aangeraden, mag niemand brengen tot een verderfelijke overmoed. Geen priester of dienaar mag, wanneer hij eenmaal begonnen is, zijn werk onvoltooid laten, tenzij in het duidelijke geval van nood. Als iemand dit lichtvaardig durft te doen, zal hij de straf van excommunicatie moeten dragen”.
1e Weerlegging. Wanneer een priester vóór de consecratie van het Lichaam en Bloed des Heren sterft of door een ernstige ongesteldheid overvallen wordt, is het niet nodig, dat hij door een ander wordt vervangen. Gebeurde het echter na het begin van de consecratie, b.v. na de consecratie van het Lichaam en vóórdat het Bloed geconsecreerd werd, of misschien na de consecratie van beide, dan moet een ander de Mis voortzetten. Daarom staat er in de Kerkvergadering van Toledo, zoals het in een Decretaal is opgenomen: “Wij hebben het passend geoordeeld, dat wanneer de heilige Geheimen gedurende de Mis door de priesters geconsecreerd worden en er een ziektegeval voorkomt, waardoor het begonnen Geheim niet voltrokken zou kunnen worden, het aan de bisschop of een andere priester vrijstaat de consecratie van de begonnen dienst voort te zetten. Want het is voor het voltooien van begonnen Geheimen volstrekt nodig, dat ze door de zegening van de priester, die begonnen is of invalt, afgemaakt worden, omdat zij niet volmaakt zouden geacht worden, tenzij ze op de goede wijze voltooid worden. Daar wij immers allen één zijn in Christus, brengt het verschil van personen niets tegenstrijdigs mee, nu de eenheid van het geloof de krachtdadigheid van het welslagen aangeeft. Wat echter om reden van de slapheid der natuur wordt aangeraden, mag niemand brengen tot een verderfelijke overmoed. Geen priester of dienaar mag, wanneer hij eenmaal begonnen is, zijn werk onvoltooid laten, tenzij in het duidelijke geval van nood. Als iemand dit lichtvaardig durft te doen, zal hij de straf van excommunicatie moeten dragen”.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. Waar een moeilijkheid is, moet men altijd dat doen, wat het minste gevaar oplevert. Voor dit Sacrament nu is het meest gevaarlijk, wat tegen de voltooiing van dit Sacrament is, omdat dat een grove heiligschennis is. Minder is wat behoort tot de hoedanigheid van de ontvanger. Daarom moet een priester, wanneer hij na het begin van de consecratie zich herinnert iets gegeten of gedronken te hebben, toch het Offer voltooien en het Sacrament nuttigen. Eveneens moet hij, wanneer hij zich herinnert gezondigd te hebben, berouw verwekken, met het voornemen te biechten en zijn zonde uit te boeten; en zo ontvangt hij niet onwaardig maar met vrucht dit Sacrament. En hetzelfde gaat op, als hij zich herinnert een excommunicatie op zich te hebben. Want hij moet het voornemen maken nederig om ontheffing te vragen en dan verkrijgt hij van de onzichtbare Overheid, Jezus Christus, de kwijtschelding, in zover dat hij de goddelijke Geheimen kan volbrengen. Maar is hij zich vóór de consecratie zulke zaken indachtig, dan acht ik het veiliger, vooral in geval van ontnuchtering en excommunicatie, dat hij met de Mis ophoudt, indien er geen vrees is voor grote ergernis.
2e Weerlegging. Waar een moeilijkheid is, moet men altijd dat doen, wat het minste gevaar oplevert. Voor dit Sacrament nu is het meest gevaarlijk, wat tegen de voltooiing van dit Sacrament is, omdat dat een grove heiligschennis is. Minder is wat behoort tot de hoedanigheid van de ontvanger. Daarom moet een priester, wanneer hij na het begin van de consecratie zich herinnert iets gegeten of gedronken te hebben, toch het Offer voltooien en het Sacrament nuttigen. Eveneens moet hij, wanneer hij zich herinnert gezondigd te hebben, berouw verwekken, met het voornemen te biechten en zijn zonde uit te boeten; en zo ontvangt hij niet onwaardig maar met vrucht dit Sacrament. En hetzelfde gaat op, als hij zich herinnert een excommunicatie op zich te hebben. Want hij moet het voornemen maken nederig om ontheffing te vragen en dan verkrijgt hij van de onzichtbare Overheid, Jezus Christus, de kwijtschelding, in zover dat hij de goddelijke Geheimen kan volbrengen. Maar is hij zich vóór de consecratie zulke zaken indachtig, dan acht ik het veiliger, vooral in geval van ontnuchtering en excommunicatie, dat hij met de Mis ophoudt, indien er geen vrees is voor grote ergernis.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. Als er een vlieg of spin vóór de consecratie in de kelk valt, of men bemerkt dat er vergif ingedaan is, dan moet men de kelk leeg maken en na hem omgespoeld te hebben opnieuw wijn erin doen om te consecreren. — Gebeurt echter zo iets na de consecratie, dan moet men voorzichtig het beestje eruit halen en zorgvuldig afwassen en verbranden. Het waswater met de as moet men in het heilige putje doen. Bemerkt men dat er vergif in is, dan moet men het niet nuttigen en ook niet aan anderen geven, opdat niet de kelk des levens tot de dood strekke, maar men moet het met de resten in een daarvoor geschikt vaatwerk zorgvuldig bewaren. Opdat dan het Sacrament niet onvoltooid blijft, moet men wijn in de kelk doen en opnieuw beginnen bij de consecratie van het Bloed en zo het Offer voltooien.
3e Weerlegging. Als er een vlieg of spin vóór de consecratie in de kelk valt, of men bemerkt dat er vergif ingedaan is, dan moet men de kelk leeg maken en na hem omgespoeld te hebben opnieuw wijn erin doen om te consecreren. — Gebeurt echter zo iets na de consecratie, dan moet men voorzichtig het beestje eruit halen en zorgvuldig afwassen en verbranden. Het waswater met de as moet men in het heilige putje doen. Bemerkt men dat er vergif in is, dan moet men het niet nuttigen en ook niet aan anderen geven, opdat niet de kelk des levens tot de dood strekke, maar men moet het met de resten in een daarvoor geschikt vaatwerk zorgvuldig bewaren. Opdat dan het Sacrament niet onvoltooid blijft, moet men wijn in de kelk doen en opnieuw beginnen bij de consecratie van het Bloed en zo het Offer voltooien.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 ad 4
4e Weerlegging. Wanneer de priester na de consecratie van het Lichaam en vóór de consecratie van het Bloed merkt, dat er geen wijn of water in de kelk is, moet hij het aanstonds erbij doen en dan consecreren. Als hij het eerst na de woorden van de consecratie bemerkt, dat er geen water in is, moet hij niettemin verder gaan, omdat de toevoeging van water niet behoort tot de noodzakelijkheid van dit Sacrament, zoals boven (74e Kw. 7e Art.) gezegd is. Maar gestraft moet worden degene, door wiens nalatigheid dit geschiedt. In geen geval mag men water bij de geconsecreerde wijn doen, omdat daaruit een gedeeltelijk bederf van het Sacrament zou volgen, zoals boven (77e Kw. 8e Art.) gezegd is. Maar als de priester na de consecratie bemerkt, dat er geen wijn was in de kelk, en hij ziet dat vóór de nuttiging van het Lichaam, moet hij het water, dat erin mocht zijn, eruit doen en wijn met water nemen en beginnen bij de woorden van de consecratie van het Bloed. Bemerkt hij het eerst na de nuttiging van het Lichaam, dan moet hij ook nog een andere hostie nemen en ze tegelijk met het Bloed consecreren. En dat zeg ik daarom, omdat indien hij alleen de woorden van de consecratie van het Bloed zou zeggen de vereiste volgorde van consecreren niet in acht genomen zou worden en omdat zoals in de Kerkvergadering van Toledo gezegd wordt: “het Offer niet als voltooid kan beschouwd worden, tenzij het in juiste orde wordt voltrokken”. Indien hij nu zou beginnen met de consecratie van het Bloed en al het volgende zou herhalen, zou dit niet uitkomen, tenzij de geconsecreerde hostie erbij is, daar bij die gebeden sommige gezegden en handelingen voorkomen niet alleen voor het Bloed maar ook voor het Lichaam. Hij moet dan op het einde de nieuw geconsecreerde hostie nemen, en het Bloed, niettegenstaande dat hij reeds het in de kelk aanwezige water heeft genuttigd, want het voorschrift omtrent de voltooiing van het Sacrament is van groter gewicht, dan het gebod dat dit Sacrament nuchter ontvangen moet worden, zoals boven (2e Antw.) gezegd is.
R: q. 74 a. 7[t:iiia q. 74 a. 7] q. 77 a. 8[t:iiia q. 77 a. 8] q. 80 a. 8[t:iiia q. 80 a. 8]
4e Weerlegging. Wanneer de priester na de consecratie van het Lichaam en vóór de consecratie van het Bloed merkt, dat er geen wijn of water in de kelk is, moet hij het aanstonds erbij doen en dan consecreren. Als hij het eerst na de woorden van de consecratie bemerkt, dat er geen water in is, moet hij niettemin verder gaan, omdat de toevoeging van water niet behoort tot de noodzakelijkheid van dit Sacrament, zoals boven (74e Kw. 7e Art.) gezegd is. Maar gestraft moet worden degene, door wiens nalatigheid dit geschiedt. In geen geval mag men water bij de geconsecreerde wijn doen, omdat daaruit een gedeeltelijk bederf van het Sacrament zou volgen, zoals boven (77e Kw. 8e Art.) gezegd is. Maar als de priester na de consecratie bemerkt, dat er geen wijn was in de kelk, en hij ziet dat vóór de nuttiging van het Lichaam, moet hij het water, dat erin mocht zijn, eruit doen en wijn met water nemen en beginnen bij de woorden van de consecratie van het Bloed. Bemerkt hij het eerst na de nuttiging van het Lichaam, dan moet hij ook nog een andere hostie nemen en ze tegelijk met het Bloed consecreren. En dat zeg ik daarom, omdat indien hij alleen de woorden van de consecratie van het Bloed zou zeggen de vereiste volgorde van consecreren niet in acht genomen zou worden en omdat zoals in de Kerkvergadering van Toledo gezegd wordt: “het Offer niet als voltooid kan beschouwd worden, tenzij het in juiste orde wordt voltrokken”. Indien hij nu zou beginnen met de consecratie van het Bloed en al het volgende zou herhalen, zou dit niet uitkomen, tenzij de geconsecreerde hostie erbij is, daar bij die gebeden sommige gezegden en handelingen voorkomen niet alleen voor het Bloed maar ook voor het Lichaam. Hij moet dan op het einde de nieuw geconsecreerde hostie nemen, en het Bloed, niettegenstaande dat hij reeds het in de kelk aanwezige water heeft genuttigd, want het voorschrift omtrent de voltooiing van het Sacrament is van groter gewicht, dan het gebod dat dit Sacrament nuchter ontvangen moet worden, zoals boven (2e Antw.) gezegd is.
R: q. 74 a. 7[t:iiia q. 74 a. 7] q. 77 a. 8[t:iiia q. 77 a. 8] q. 80 a. 8[t:iiia q. 80 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 ad 5
Ad quintum Ofschoon de priester zich niet herinnert alles gezegd te hebben, wat hij moest zeggen, behoeft hij daarom toch niet in de war te zijn. Immers hij die veel zegt herinnert zich niet alles, wat hij gezegd heeft, tenzij hij bij het spreken iets bemerkt als reeds gezegd, want zo alleen wordt iets onthouden. Daarom zal iemand, die met heel zijn aandacht denkt aan hetgeen hij zegt, zich later niet goed herinneren het gezegd te hebben. Dan toch wordt iets voorwerp van het geheugen, wanneer men het ziet als verleden, zoals de Wijsgeer zegt. Als het echter voor de priester niet waarschijnlijkheid vaststaat dat hij iets overgeslagen heeft wat niet noodzakelijk tot het Sacrament behoort, acht ik het niet nodig, dat hij daarmee weer begint en zo de volgorde van het Offer verandert, maar hij moet gewoon doorgaan. Is hij echter zeker, dat hij iets vergeten heeft, wat noodzakelijk tot het Sacrament behoort, nl. de vorm van de consecratie, daar de vorm even noodzakelijk is voor het Sacrament als de stof, lijkt het dat hij hetzelfde moet doen als er gezegd is bij een tekortschieten van de stof, zodat hij dan bij de vorm van de consecratie moet beginnen en al het overige opnieuw moet doen, opdat de volgorde van het Offer niet veranderd wordt.
Ad quintum Ofschoon de priester zich niet herinnert alles gezegd te hebben, wat hij moest zeggen, behoeft hij daarom toch niet in de war te zijn. Immers hij die veel zegt herinnert zich niet alles, wat hij gezegd heeft, tenzij hij bij het spreken iets bemerkt als reeds gezegd, want zo alleen wordt iets onthouden. Daarom zal iemand, die met heel zijn aandacht denkt aan hetgeen hij zegt, zich later niet goed herinneren het gezegd te hebben. Dan toch wordt iets voorwerp van het geheugen, wanneer men het ziet als verleden, zoals de Wijsgeer zegt. Als het echter voor de priester niet waarschijnlijkheid vaststaat dat hij iets overgeslagen heeft wat niet noodzakelijk tot het Sacrament behoort, acht ik het niet nodig, dat hij daarmee weer begint en zo de volgorde van het Offer verandert, maar hij moet gewoon doorgaan. Is hij echter zeker, dat hij iets vergeten heeft, wat noodzakelijk tot het Sacrament behoort, nl. de vorm van de consecratie, daar de vorm even noodzakelijk is voor het Sacrament als de stof, lijkt het dat hij hetzelfde moet doen als er gezegd is bij een tekortschieten van de stof, zodat hij dan bij de vorm van de consecratie moet beginnen en al het overige opnieuw moet doen, opdat de volgorde van het Offer niet veranderd wordt.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 ad 6
Ad sextum Het breken van de geconsecreerde hostie, alsook dat een derde gedeelte ervan in de kelk gedaan wordt, heeft betrekking op het mystiek Lichaam, evenals de vermenging met water het volk aanduidt. Daarom veroorzaakt het nalaten ervan geen onvoltooid-zijn van het Offer, zodat het nodig zou zijn iets over te doen bij de viering van dit Sacrament.
Ad sextum Het breken van de geconsecreerde hostie, alsook dat een derde gedeelte ervan in de kelk gedaan wordt, heeft betrekking op het mystiek Lichaam, evenals de vermenging met water het volk aanduidt. Daarom veroorzaakt het nalaten ervan geen onvoltooid-zijn van het Offer, zodat het nodig zou zijn iets over te doen bij de viering van dit Sacrament.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 83 a. 6 ad 7
Ad septimum In een Decretaal vindt men uit het decreet van Paus Pius: “Indien er door onachtzaamheid iets van het Bloed gemorst wordt op de vloerbedekking, welke de grond raakt, moet deze met de tong schoongelikt worden en moet ze verder afgeschrapt worden. Was er geen vloerbedekking, dan moet de grond afgekrabd worden en in het vuur verbrand worden en de as onder het altaar ingegraven worden. De priester moet dan veertig dagen boete doen. — Is er uit de kelk op het altaar gemorst, dan zal de priester de druppel opzuigen en drie dagen boete doen. — Is het op het altaarlinnen en wel zo, dat het tot het tweede stuk doordringt, dan zal hij vier dagen boete doen; komt het tot het derde, dan negen dagen boete. Indien het zelfs doordringt tot het vierde, dan twintig dagen. Het altaarlinnen, dat door de druppel geraakt is, moet door de dienaar driemaal boven de kelk gewassen worden; het water, waarmee gewassen is, moet dan weggenomen en bij het altaar begraven worden”. Het zou ook door de priester opgedronken kunnen worden, als men er niet voor walgde zo iets te doen. Sommigen snijden verder nog het bewuste gedeelte uit het altaarlinnen en verbranden het en leggen de as bij het altaar of in het heilig putje. Er staat nog aan toegevoegd uit het Poenitentiaal van Priester Beda: “Wanneer iemand ten gevolge van dronkenschap of gulzigheid de Eucharistie uitbraakt, moet hij veertig dagen boete doen, als hij leek is; geestelijken of monniken of diakens en priesters zestig dagen; een bisschop negentig dagen. Gebeurt het echter uit zwakheid, dan moet men zeven dagen boete doen”. Aldaar wordt ook aangehaald uit de Kerkvergadering van Orleans: “Wie niet zorgvuldig de hostie bewaart, zodat een muis of ander dier het in de kerk opeet, zal veertig dagen moeten boeten. Wie het verliest in de kerk of een deel laat vallen zonder het terug te vinden, moet dertig dagen boete doen”. Een zelfde straf is, naar het schijnt, ook die priester waard door wiens nalatigheid de geconsecreerde hosties bederven. Al deze dagen zal de boeteling moeten vasten en zich van de Communie onthouden. Maar naargelang de toestand van de zaak of de persoon, kan deze boete verminderd of vermeerderd worden. Echter moet men hierop letten, dat, waar er ongeschonden hosties gevonden worden, ze eerbiedig behandeld moeten worden en zelfs genuttigd: omdat zolang de gedaanten blijven, ook het Lichaam van Christus blijft, zoals boven (76e Kw. 6e Art. 3e Antw.; 77e Kw. 4e en 5e Art.) gezegd is. De zaken, waarin ze gevonden worden, moeten verbrand worden, als het gevoegelijk kan gebeuren, en de as moet in het heilig putje gelegd worden, zoals ook van het afkrabsel van de vloer gezegd is.
R: q. 77 a. 4[t:iiia q. 77 a. 4] q. 77 a. 5[t:iiia q. 77 a. 5]
Ad septimum In een Decretaal vindt men uit het decreet van Paus Pius: “Indien er door onachtzaamheid iets van het Bloed gemorst wordt op de vloerbedekking, welke de grond raakt, moet deze met de tong schoongelikt worden en moet ze verder afgeschrapt worden. Was er geen vloerbedekking, dan moet de grond afgekrabd worden en in het vuur verbrand worden en de as onder het altaar ingegraven worden. De priester moet dan veertig dagen boete doen. — Is er uit de kelk op het altaar gemorst, dan zal de priester de druppel opzuigen en drie dagen boete doen. — Is het op het altaarlinnen en wel zo, dat het tot het tweede stuk doordringt, dan zal hij vier dagen boete doen; komt het tot het derde, dan negen dagen boete. Indien het zelfs doordringt tot het vierde, dan twintig dagen. Het altaarlinnen, dat door de druppel geraakt is, moet door de dienaar driemaal boven de kelk gewassen worden; het water, waarmee gewassen is, moet dan weggenomen en bij het altaar begraven worden”. Het zou ook door de priester opgedronken kunnen worden, als men er niet voor walgde zo iets te doen. Sommigen snijden verder nog het bewuste gedeelte uit het altaarlinnen en verbranden het en leggen de as bij het altaar of in het heilig putje. Er staat nog aan toegevoegd uit het Poenitentiaal van Priester Beda: “Wanneer iemand ten gevolge van dronkenschap of gulzigheid de Eucharistie uitbraakt, moet hij veertig dagen boete doen, als hij leek is; geestelijken of monniken of diakens en priesters zestig dagen; een bisschop negentig dagen. Gebeurt het echter uit zwakheid, dan moet men zeven dagen boete doen”. Aldaar wordt ook aangehaald uit de Kerkvergadering van Orleans: “Wie niet zorgvuldig de hostie bewaart, zodat een muis of ander dier het in de kerk opeet, zal veertig dagen moeten boeten. Wie het verliest in de kerk of een deel laat vallen zonder het terug te vinden, moet dertig dagen boete doen”. Een zelfde straf is, naar het schijnt, ook die priester waard door wiens nalatigheid de geconsecreerde hosties bederven. Al deze dagen zal de boeteling moeten vasten en zich van de Communie onthouden. Maar naargelang de toestand van de zaak of de persoon, kan deze boete verminderd of vermeerderd worden. Echter moet men hierop letten, dat, waar er ongeschonden hosties gevonden worden, ze eerbiedig behandeld moeten worden en zelfs genuttigd: omdat zolang de gedaanten blijven, ook het Lichaam van Christus blijft, zoals boven (76e Kw. 6e Art. 3e Antw.; 77e Kw. 4e en 5e Art.) gezegd is. De zaken, waarin ze gevonden worden, moeten verbrand worden, als het gevoegelijk kan gebeuren, en de as moet in het heilig putje gelegd worden, zoals ook van het afkrabsel van de vloer gezegd is.
R: q. 77 a. 4[t:iiia q. 77 a. 4] q. 77 a. 5[t:iiia q. 77 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- De Poenitentia (84-90)
- Q 84: De sacramento poenitentiae
IIIa q. 84 pr.
IIIa q. 84 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 84 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Utrum poenitentia sit sacramentum
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 85 a. 1 arg. 1
IIIa q. 86 a. 4 ad 3[t:iiia q. 85 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 86 a. 4 ad 3]
IIIa q. 84 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 85 a. 1 arg. 1
IIIa q. 86 a. 4 ad 3[t:iiia q. 85 a. 1 arg. 1][t:iiia q. 86 a. 4 ad 3]
IIIa q. 84 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 1 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 31:19) [b:Jer 31:19] (1Cor 4:1) [b:1Cor 4:1]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 31:19) [b:Jer 31:19] (1Cor 4:1) [b:1Cor 4:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 1 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 1 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Acts 8:22) [b:Acts 8:22]
R: q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1] q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Acts 8:22) [b:Acts 8:22]
R: q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1] q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 1 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 84 a. 2 co.
IIIa q. 84 a. 7 co.
IIIa q. 85 a. 1 ad 1[t:iiia q. 84 a. 2 co.][t:iiia q. 84 a. 7 co.][t:iiia q. 85 a. 1 ad 1]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 84 a. 2 co.
IIIa q. 84 a. 7 co.
IIIa q. 85 a. 1 ad 1[t:iiia q. 84 a. 2 co.][t:iiia q. 84 a. 7 co.][t:iiia q. 85 a. 1 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 84 a. 2 co.
IIIa q. 84 a. 3 co.
IIIa q. 84 a. 7 co.[t:iiia q. 84 a. 2 co.][t:iiia q. 84 a. 3 co.][t:iiia q. 84 a. 7 co.]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 84 a. 2 co.
IIIa q. 84 a. 3 co.
IIIa q. 84 a. 7 co.[t:iiia q. 84 a. 2 co.][t:iiia q. 84 a. 3 co.][t:iiia q. 84 a. 7 co.]
Referenties naar deze alinea: 2
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Utrum peccata sint propria materia huius sacramenti
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 84 a. 3 co.
IIIa q. 85 a. 1 ad 1
IIIa q. 90 a. 1 arg. 3
IIIa q. 90 a. 1 co.[t:iiia q. 84 a. 3 co.][t:iiia q. 85 a. 1 ad 1][t:iiia q. 90 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 90 a. 1 co.]
IIIa q. 84 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 84 a. 3 co.
IIIa q. 85 a. 1 ad 1
IIIa q. 90 a. 1 arg. 3
IIIa q. 90 a. 1 co.[t:iiia q. 84 a. 3 co.][t:iiia q. 85 a. 1 ad 1][t:iiia q. 90 a. 1 arg. 3][t:iiia q. 90 a. 1 co.]
IIIa q. 84 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 2 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 2 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 2 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (2Cor 12:21) [b:2Cor 12:21]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (2Cor 12:21) [b:2Cor 12:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 2 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 1 ad 1[t:iiia q. 84 a. 1 ad 1] q. 84 a. 1 ad 2[t:iiia q. 84 a. 1 ad 2]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 1 ad 1[t:iiia q. 84 a. 1 ad 1] q. 84 a. 1 ad 2[t:iiia q. 84 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 5:12) [b:Rom 5:12]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 5:12) [b:Rom 5:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Utrum haec sit forma huius sacramenti, ‘ego te absolvo’
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 85 a. 1 ad 1
IIIa q. 86 a. 4 ad 3
IIIa q. 86 a. 6 co.
IIIa q. 90 a. 1 co.
IIIa q. 90 a. 3 arg. 1[t:iiia q. 85 a. 1 ad 1][t:iiia q. 86 a. 4 ad 3][t:iiia q. 86 a. 6 co.][t:iiia q. 90 a. 1 co.][t:iiia q. 90 a. 3 arg. 1]
IIIa q. 84 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 85 a. 1 ad 1
IIIa q. 86 a. 4 ad 3
IIIa q. 86 a. 6 co.
IIIa q. 90 a. 1 co.
IIIa q. 90 a. 3 arg. 1[t:iiia q. 85 a. 1 ad 1][t:iiia q. 86 a. 4 ad 3][t:iiia q. 86 a. 6 co.][t:iiia q. 90 a. 1 co.][t:iiia q. 90 a. 3 arg. 1]
IIIa q. 84 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 3 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 3 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 3 arg. 4
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 10:1) [b:Matt 10:1] (Luke 9:1) [b:Luke 9:1] (Acts 9:34) [b:Acts 9:34]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 10:1) [b:Matt 10:1] (Luke 9:1) [b:Luke 9:1] (Acts 9:34) [b:Acts 9:34]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 3 arg. 5
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 16:17) [b:Matt 16:17] (Matt 16:19) [b:Matt 16:19]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 16:17) [b:Matt 16:17] (Matt 16:19) [b:Matt 16:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 3 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 16:19) [b:Matt 16:19] (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 16:19) [b:Matt 16:19] (Matt 28:19) [b:Matt 28:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 3 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 1 ad 2[t:iiia q. 84 a. 1 ad 2] q. 62 a. 1 ad 1[t:iiia q. 62 a. 1 ad 1] q. 84 a. 2[t:iiia q. 84 a. 2]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 1 ad 2[t:iiia q. 84 a. 1 ad 2] q. 62 a. 1 ad 1[t:iiia q. 62 a. 1 ad 1] q. 84 a. 2[t:iiia q. 84 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Prov 5:22) [b:Prov 5:22]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Prov 5:22) [b:Prov 5:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 16:19) [b:Matt 16:19] (Joh. 20, 23) [b:Joh. 20, 23]
R: q. 62 a. 4[t:iiia q. 62 a. 4] q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1] q. 64 a. 2[t:iiia q. 64 a. 2]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 16:19) [b:Matt 16:19] (Joh. 20, 23) [b:Joh. 20, 23]
R: q. 62 a. 4[t:iiia q. 62 a. 4] q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1] q. 64 a. 2[t:iiia q. 64 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Hand. 3, 6) [b:Hand. 3, 6]
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Hand. 3, 6) [b:Hand. 3, 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 3 ad 5
Ad quintum N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 16:19) [b:Matt 16:19] (John 20:23, John 20:23) [b:John 20:23]
R: De coniug. adult. - II[3692|+0]
Ad quintum N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 16:19) [b:Matt 16:19] (John 20:23, John 20:23) [b:John 20:23]
R: De coniug. adult. - II[3692|+0]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Utrum impositio manuum sacerdotis requiratur ad hoc sacramentum
IIIa q. 84 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Mark 16:18) [b:Mark 16:18]
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Mark 16:18) [b:Mark 16:18]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 4 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps. 51, 14, Ps 50:14) [b:Ps. 51, 14] (Matt 19:13) [b:Matt 19:13] (Acts 8:17) [b:Acts 8:17]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps. 51, 14, Ps 50:14) [b:Ps. 51, 14] (Matt 19:13) [b:Matt 19:13] (Acts 8:17) [b:Acts 8:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 4 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 4 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 16:19) [b:Matt 16:19] (John 20:23) [b:John 20:23]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 16:19) [b:Matt 16:19] (John 20:23) [b:John 20:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 4 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (2Tim 1:6) [b:2Tim 1:6]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (2Tim 1:6) [b:2Tim 1:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 8:3) [b:Matt 8:3] (Mark 6:5) [b:Mark 6:5]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 8:3) [b:Matt 8:3] (Mark 6:5) [b:Mark 6:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Utrum hoc sacramentum sit de necessitate salutis
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 85 a. 2 s. c.[t:iiia q. 85 a. 2 s. c.]
IIIa q. 84 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps. 126, 5, Ps 125:5) [b:Ps. 126, 5] (2Cor 7:10) [b:2Cor 7:10]
IIIa q. 85 a. 2 s. c.[t:iiia q. 85 a. 2 s. c.]
IIIa q. 84 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps. 126, 5, Ps 125:5) [b:Ps. 126, 5] (2Cor 7:10) [b:2Cor 7:10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 5 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Prov 10:12) [b:Prov 10:12] (Prov 15:27) [b:Prov 15:27]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Prov 10:12) [b:Prov 10:12] (Prov 15:27) [b:Prov 15:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 5 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (John 8, 11) [b:John 8, 11]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (John 8, 11) [b:John 8, 11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 5 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 13:3) [b:Luke 13:3]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 13:3) [b:Luke 13:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 5 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: In Iohannis Evangelium Tractatus - lxxii[859|+0]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: In Iohannis Evangelium Tractatus - lxxii[859|+0]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Prov 14:34) [b:Prov 14:34] (Sir 30:24) [b:Sir 30:24]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Prov 14:34) [b:Prov 14:34] (Sir 30:24) [b:Sir 30:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 64 a. 3[t:iiia q. 64 a. 3]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 84 a. 7 ad 4
IIIa q. 86 a. 6 s. c.[t:iiia q. 84 a. 7 ad 4][t:iiia q. 86 a. 6 s. c.]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 64 a. 3[t:iiia q. 64 a. 3]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 84 a. 7 ad 4
IIIa q. 86 a. 6 s. c.[t:iiia q. 84 a. 7 ad 4][t:iiia q. 86 a. 6 s. c.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Utrum poenitentia sit secunda tabula post naufragium
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 84 a. 7 arg. 3
IIIa q. 90 a. 4 arg. 1[t:iiia q. 84 a. 7 arg. 3][t:iiia q. 90 a. 4 arg. 1]
IIIa q. 84 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Isa 3:9) [b:Isa 3:9]
IIIa q. 84 a. 7 arg. 3
IIIa q. 90 a. 4 arg. 1[t:iiia q. 84 a. 7 arg. 3][t:iiia q. 90 a. 4 arg. 1]
IIIa q. 84 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Isa 3:9) [b:Isa 3:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 6 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Acts 2:38) [b:Acts 2:38] (Heb 6:1) [b:Heb 6:1]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Acts 2:38) [b:Acts 2:38] (Heb 6:1) [b:Heb 6:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 6 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1] q. 65 a. 2[t:iiia q. 65 a. 2]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1] q. 65 a. 2[t:iiia q. 65 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 6 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 6 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Prov 28:13) [b:Prov 28:13]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Prov 28:13) [b:Prov 28:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 7: Utrum hoc sacramentum fuerit convenienter institutum in Nova Lege
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 85 a. 2 s. c.[t:iiia q. 85 a. 2 s. c.]
IIIa q. 84 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 85 a. 2 s. c.[t:iiia q. 85 a. 2 s. c.]
IIIa q. 84 a. 7 arg. 1
Over het zevende als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 7 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 8:6) [b:Jer 8:6]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 8:6) [b:Jer 8:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 7 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 4:17) [b:Matt 4:17]
R: q. 84 a. 6[t:iiia q. 84 a. 6]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 4:17) [b:Matt 4:17]
R: q. 84 a. 6[t:iiia q. 84 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 7 arg. 4
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5] q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5] q. 64 a. 1[t:iiia q. 64 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 7 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 24:46) [b:Luke 24:46] (Luke 24:47) [b:Luke 24:47]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 24:46) [b:Luke 24:46] (Luke 24:47) [b:Luke 24:47]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 7 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 16:19) [b:Matt 16:19] (Luke 24:47) [b:Luke 24:47]
R: q. 84 a. 1 ad 1[t:iiia q. 84 a. 1 ad 1] q. 84 a. 1 ad 2[t:iiia q. 84 a. 1 ad 2]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 16:19) [b:Matt 16:19] (Luke 24:47) [b:Luke 24:47]
R: q. 84 a. 1 ad 1[t:iiia q. 84 a. 1 ad 1] q. 84 a. 1 ad 2[t:iiia q. 84 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 7 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (John 3) [b:John 3] (John 3:9) [b:John 3:9]
R: Ia-IIae q. 91 a. 4[t:ia-iiae q. 91 a. 4] Ia-IIae q. 95 a. 2[t:ia-iiae q. 95 a. 2] Ia-IIae q. 99[t:ia-iiae q. 99]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (John 3) [b:John 3] (John 3:9) [b:John 3:9]
R: Ia-IIae q. 91 a. 4[t:ia-iiae q. 91 a. 4] Ia-IIae q. 95 a. 2[t:ia-iiae q. 95 a. 2] Ia-IIae q. 99[t:ia-iiae q. 99]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 7 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Lev 5:17) [b:Lev 5:17] (Lev 5:18) [b:Lev 5:18] (Prov 28:13) [b:Prov 28:13] (Joel 2:13) [b:Joel 2:13]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 86 a. 6 ad 4[t:iiia q. 86 a. 6 ad 4]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Lev 5:17) [b:Lev 5:17] (Lev 5:18) [b:Lev 5:18] (Prov 28:13) [b:Prov 28:13] (Joel 2:13) [b:Joel 2:13]
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 86 a. 6 ad 4[t:iiia q. 86 a. 6 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 7 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Mt. 4, 17) [b:Mt. 4, 17] (John 3:3) [b:John 3:3] (John 3:23-24) [b:John 3:23-24] (Acts. 2, 32) [b:Acts. 2, 32]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Mt. 4, 17) [b:Mt. 4, 17] (John 3:3) [b:John 3:3] (John 3:23-24) [b:John 3:23-24] (Acts. 2, 32) [b:Acts. 2, 32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 7 ad 4
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 39 a. 1[t:iiia q. 39 a. 1] q. 39 a. 2[t:iiia q. 39 a. 2] q. 84 a. 5 ad 3[t:iiia q. 84 a. 5 ad 3]
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 39 a. 1[t:iiia q. 39 a. 1] q. 39 a. 2[t:iiia q. 39 a. 2] q. 84 a. 5 ad 3[t:iiia q. 84 a. 5 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 8: Utrum poenitentia debeat durare usque ad finem vitae
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 84 a. 9 ad 1[t:iiia q. 84 a. 9 ad 1]
IIIa q. 84 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ezek 18:21) [b:Ezek 18:21]
IIIa q. 84 a. 9 ad 1[t:iiia q. 84 a. 9 ad 1]
IIIa q. 84 a. 8 arg. 1
Over het achtste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ezek 18:21) [b:Ezek 18:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 8 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 8 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 8 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 8 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Isa 65:16) [b:Isa 65:16]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Isa 65:16) [b:Isa 65:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 8 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 8 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 83:7) [b:Ps 83:7] (1Cor 15:9) [b:1Cor 15:9]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 83:7) [b:Ps 83:7] (1Cor 15:9) [b:1Cor 15:9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 8 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 9: Utrum poenitentia possit esse continua
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 85 a. 1 co.[t:iiia q. 85 a. 1 co.]
IIIa q. 84 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 31:16) [b:Jer 31:16]
IIIa q. 85 a. 1 co.[t:iiia q. 85 a. 1 co.]
IIIa q. 84 a. 9 arg. 1
Over het negende als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 31:16) [b:Jer 31:16]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 9 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 99:1) [b:Ps 99:1]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 99:1) [b:Ps 99:1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 9 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (2Cor 2:7) [b:2Cor 2:7]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (2Cor 2:7) [b:2Cor 2:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 9 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 9 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 9 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 8[t:iiia q. 84 a. 8]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 8[t:iiia q. 84 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 9 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 9 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 10: Utrum sacramentum poenitentiae debeat iterari
IIIa q. 84 a. 10 arg. 1
Over het tiende als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Heb 6:4) [b:Heb 6:4]
Over het tiende als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Heb 6:4) [b:Heb 6:4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 arg. 4
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 arg. 5
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 arg. 6
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 118, Ps 118:58) [b:Ps 118]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 118, Ps 118:58) [b:Ps 118]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 6:12) [b:Matt 6:12] (Matt 18:21) [b:Matt 18:21] (Luke 6:36) [b:Luke 6:36]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 6:12) [b:Matt 6:12] (Matt 18:21) [b:Matt 18:21] (Luke 6:36) [b:Luke 6:36]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: IIa-IIae q. 24 a. 11[t:iia-iiae q. 24 a. 11]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: IIa-IIae q. 24 a. 11[t:iia-iiae q. 24 a. 11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Gen 4:13) [b:Gen 4:13] (2Chr 37) (Ps 50:1) [b:Ps 50:1] (Ps 50:2) [b:Ps 50:2]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Gen 4:13) [b:Gen 4:13] (2Chr 37) (Ps 50:1) [b:Ps 50:1] (Ps 50:2) [b:Ps 50:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Titus 3:5) [b:Titus 3:5] (Heb 6:6) [b:Heb 6:6]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Titus 3:5) [b:Titus 3:5] (Heb 6:6) [b:Heb 6:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 ad 4
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 87 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 87 a. 1 arg. 1]
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 87 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 87 a. 1 arg. 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 ad 5
Ad quintum N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Ad quintum N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 84 a. 10 ad 6
Ad sextum N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Heb 9:27) [b:Heb 9:27]
Ad sextum N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Heb 9:27) [b:Heb 9:27]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 85: De poenitentia secundum quod est virtus
IIIa q. 85 pr.
IIIa q. 85 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 85 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Utrum poenitentia sit virtus
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 78 a. 5 co.[t:iiia q. 78 a. 5 co.]
IIIa q. 85 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 1[t:iiia q. 84 a. 1] q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1]
IIIa q. 78 a. 5 co.[t:iiia q. 78 a. 5 co.]
IIIa q. 85 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 1[t:iiia q. 84 a. 1] q. 65 a. 1[t:iiia q. 65 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 1 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 1 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 1 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 4:17) [b:Matt 4:17]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 4:17) [b:Matt 4:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 1 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 9[t:iiia q. 84 a. 9]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 9[t:iiia q. 84 a. 9]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 1 ad 1[t:iiia q. 84 a. 1 ad 1] q. 84 a. 2[t:iiia q. 84 a. 2] q. 84 a. 3[t:iiia q. 84 a. 3]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 1 ad 1[t:iiia q. 84 a. 1 ad 1] q. 84 a. 2[t:iiia q. 84 a. 2] q. 84 a. 3[t:iiia q. 84 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 85 a. 3 co.
IIIa q. 85 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 85 a. 3 co.][t:iiia q. 85 a. 4 arg. 3]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 85 a. 3 co.
IIIa q. 85 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 85 a. 3 co.][t:iiia q. 85 a. 4 arg. 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 85 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 85 a. 4 arg. 3]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 85 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 85 a. 4 arg. 3]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Utrum poenitentia sit specialis virtus
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 85 a. 6 s. c.
IIIa q. 86 a. 6 s. c.
IIIa q. 88 a. 2 co.[t:iiia q. 85 a. 6 s. c.][t:iiia q. 86 a. 6 s. c.][t:iiia q. 88 a. 2 co.]
IIIa q. 85 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (1Cor 13:6) [b:1Cor 13:6]
IIIa q. 85 a. 6 s. c.
IIIa q. 86 a. 6 s. c.
IIIa q. 88 a. 2 co.[t:iiia q. 85 a. 6 s. c.][t:iiia q. 86 a. 6 s. c.][t:iiia q. 88 a. 2 co.]
IIIa q. 85 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (1Cor 13:6) [b:1Cor 13:6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 2 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 2 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 2 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 5[t:iiia q. 84 a. 5] q. 84 a. 7[t:iiia q. 84 a. 7]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 5[t:iiia q. 84 a. 5] q. 84 a. 7[t:iiia q. 84 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 2 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 54 a. 1 ad 1[t:ia-iiae q. 54 a. 1 ad 1] Ia-IIae q. 54 a. 2[t:ia-iiae q. 54 a. 2]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 54 a. 1 ad 1[t:ia-iiae q. 54 a. 1 ad 1] Ia-IIae q. 54 a. 2[t:ia-iiae q. 54 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Utrum virtus poenitentiae sit species iustitiae
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 85 a. 4 co.
IIIa q. 85 a. 5 arg. 1
IIIa q. 85 a. 5 s. c.
IIIa q. 88 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 85 a. 4 co.][t:iiia q. 85 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 85 a. 5 s. c.][t:iiia q. 88 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 85 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: IIa-IIae q. 62 a. 3[t:iia-iiae q. 62 a. 3]
IIIa q. 85 a. 4 co.
IIIa q. 85 a. 5 arg. 1
IIIa q. 85 a. 5 s. c.
IIIa q. 88 a. 1 arg. 3[t:iiia q. 85 a. 4 co.][t:iiia q. 85 a. 5 arg. 1][t:iiia q. 85 a. 5 s. c.][t:iiia q. 88 a. 1 arg. 3]
IIIa q. 85 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: IIa-IIae q. 62 a. 3[t:iia-iiae q. 62 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 3 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 6:26) [b:Jer 6:26]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 6:26) [b:Jer 6:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 3 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 3 arg. 4
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 6:21) [b:Luke 6:21]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 6:21) [b:Luke 6:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 3 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 3 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 85 a. 1 ad 2[t:iiia q. 85 a. 1 ad 2]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 85 a. 1 ad 2[t:iiia q. 85 a. 1 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 122:2) [b:Ps 122:2] (Jer 3:1) [b:Jer 3:1] (Luke 15:21) [b:Luke 15:21]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 122:2) [b:Ps 122:2] (Jer 3:1) [b:Jer 3:1] (Luke 15:21) [b:Luke 15:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 90 a. 2 co.[t:iiia q. 90 a. 2 co.]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 90 a. 2 co.[t:iiia q. 90 a. 2 co.]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Utrum subiectum poenitentiae sit proprie voluntas
IIIa q. 85 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 4 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 4 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 85 a. 1 ad 2[t:iiia q. 85 a. 1 ad 2] q. 85 a. 1 ad 3[t:iiia q. 85 a. 1 ad 3]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 85 a. 1 ad 2[t:iiia q. 85 a. 1 ad 2] q. 85 a. 1 ad 3[t:iiia q. 85 a. 1 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 4 arg. 4
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 4 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 50:19) [b:Ps 50:19] (Ps 53:8) [b:Ps 53:8]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 50:19) [b:Ps 50:19] (Ps 53:8) [b:Ps 53:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 4 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 85 a. 3[t:iiia q. 85 a. 3] Ia-IIae q. 56 a. 6[t:ia-iiae q. 56 a. 6]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 85 a. 3[t:iiia q. 85 a. 3] Ia-IIae q. 56 a. 6[t:ia-iiae q. 56 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 4 ad 4
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: I q. 82 a. 4[t:ia q. 82 a. 4] Ia-IIae q. 9 a. 1[t:ia-iiae q. 9 a. 1]
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: I q. 82 a. 4[t:ia q. 82 a. 4] Ia-IIae q. 9 a. 1[t:ia-iiae q. 9 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Utrum principium poenitentiae sit ex timore
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 85 a. 6 s. c.
IIIa q. 88 a. 2 co.[t:iiia q. 85 a. 6 s. c.][t:iiia q. 88 a. 2 co.]
IIIa q. 85 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 85 a. 3[t:iiia q. 85 a. 3]
IIIa q. 85 a. 6 s. c.
IIIa q. 88 a. 2 co.[t:iiia q. 85 a. 6 s. c.][t:iiia q. 88 a. 2 co.]
IIIa q. 85 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 85 a. 3[t:iiia q. 85 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 5 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 3:2) [b:Matt 3:2] (Matt 4:17) [b:Matt 4:17]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 3:2) [b:Matt 3:2] (Matt 4:17) [b:Matt 4:17]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 5 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 31:19) [b:Jer 31:19]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 31:19) [b:Jer 31:19]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 5 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Isa 26:17) [b:Isa 26:17]
R: q. 85 a. 3[t:iiia q. 85 a. 3]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Isa 26:17) [b:Isa 26:17]
R: q. 85 a. 3[t:iiia q. 85 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 5 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Lam 5:21) [b:Lam 5:21]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Lam 5:21) [b:Lam 5:21]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 3:7) [b:Matt 3:7]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 3:7) [b:Matt 3:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Utrum poenitentia sit prima virtutum
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 89 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 89 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 85 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 3:2) [b:Matt 3:2]
IIIa q. 89 a. 1 arg. 1[t:iiia q. 89 a. 1 arg. 1]
IIIa q. 85 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 3:2) [b:Matt 3:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 6 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 6 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 6 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 85 a. 2[t:iiia q. 85 a. 2] q. 85 a. 5[t:iiia q. 85 a. 5]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 85 a. 2[t:iiia q. 85 a. 2] q. 85 a. 5[t:iiia q. 85 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 6 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 65 a. 1[t:ia-iiae q. 65 a. 1] Ia-IIae q. 113 a. 7[t:ia-iiae q. 113 a. 7] Ia-IIae q. 113 a. 8[t:ia-iiae q. 113 a. 8] q. 55 a. 2[t:iiia q. 55 a. 2]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 65 a. 1[t:ia-iiae q. 65 a. 1] Ia-IIae q. 113 a. 7[t:ia-iiae q. 113 a. 7] Ia-IIae q. 113 a. 8[t:ia-iiae q. 113 a. 8] q. 55 a. 2[t:iiia q. 55 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 85 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 86: De effectu poenitentiae quantum ad remissionem peccatorum mortalium
IIIa q. 86 pr.
IIIa q. 86 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 86 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Utrum per poenitentiam removeantur omnia peccata
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 86 a. 6 ad 1
IIIa q. 89 a. 1 co.
IIIa q. 89 a. 1 ad 1[t:iiia q. 86 a. 6 ad 1][t:iiia q. 89 a. 1 co.][t:iiia q. 89 a. 1 ad 1]
IIIa q. 86 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Heb 12:17) [b:Heb 12:17] (2Macc 9:13) [b:2Macc 9:13]
IIIa q. 86 a. 6 ad 1
IIIa q. 89 a. 1 co.
IIIa q. 89 a. 1 ad 1[t:iiia q. 86 a. 6 ad 1][t:iiia q. 89 a. 1 co.][t:iiia q. 89 a. 1 ad 1]
IIIa q. 86 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Heb 12:17) [b:Heb 12:17] (2Macc 9:13) [b:2Macc 9:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 1 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 1 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 12:32) [b:Matt 12:32]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 12:32) [b:Matt 12:32]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 1 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ezek 18:22) [b:Ezek 18:22]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ezek 18:22) [b:Ezek 18:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 1 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Prov 21:1) [b:Prov 21:1] (Wis 5:3) [b:Wis 5:3]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Prov 21:1) [b:Prov 21:1] (Wis 5:3) [b:Wis 5:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Joel 2:13) [b:Joel 2:13] (1John 2:2) [b:1John 2:2]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Joel 2:13) [b:Joel 2:13] (1John 2:2) [b:1John 2:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Gen 27:41) [b:Gen 27:41]
R: q. 14 a. 3[t:iiia q. 14 a. 3]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Gen 27:41) [b:Gen 27:41]
R: q. 14 a. 3[t:iiia q. 14 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Utrum sine poenitentia peccatum remitti possit
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 86 a. 3 co.
IIIa q. 86 a. 6 ad 1
IIIa q. 87 a. 1 co.
IIIa q. 89 a. 2 co.[t:iiia q. 86 a. 3 co.][t:iiia q. 86 a. 6 ad 1][t:iiia q. 87 a. 1 co.][t:iiia q. 89 a. 2 co.]
IIIa q. 86 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 86 a. 3 co.
IIIa q. 86 a. 6 ad 1
IIIa q. 87 a. 1 co.
IIIa q. 89 a. 2 co.[t:iiia q. 86 a. 3 co.][t:iiia q. 86 a. 6 ad 1][t:iiia q. 87 a. 1 co.][t:iiia q. 89 a. 2 co.]
IIIa q. 86 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 2 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 2 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 5:44) [b:Matt 5:44]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 5:44) [b:Matt 5:44]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 2 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 18:8) [b:Jer 18:8]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 18:8) [b:Jer 18:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 2 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Joh. 8, 1-11) [b:Joh. 8, 1-11] (Lc. 7, 36-50) [b:Lc. 7, 36-50]
R: Ia-IIae q. 110 a. 1[t:ia-iiae q. 110 a. 1] IIa-IIae q. 88 a. 3[t:iia-iiae q. 88 a. 3]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Joh. 8, 1-11) [b:Joh. 8, 1-11] (Lc. 7, 36-50) [b:Lc. 7, 36-50]
R: Ia-IIae q. 110 a. 1[t:ia-iiae q. 110 a. 1] IIa-IIae q. 88 a. 3[t:iia-iiae q. 88 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 82 a. 1[t:ia-iiae q. 82 a. 1]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 82 a. 1[t:ia-iiae q. 82 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Utrum possit per poenitentiam unum peccatum sine alio remitti
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 86 a. 6 ad 1[t:iiia q. 86 a. 6 ad 1]
IIIa q. 86 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Amos 4:7) [b:Amos 4:7]
R: Ia-IIae q. 82 a. 1[t:ia-iiae q. 82 a. 1]
IIIa q. 86 a. 6 ad 1[t:iiia q. 86 a. 6 ad 1]
IIIa q. 86 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Amos 4:7) [b:Amos 4:7]
R: Ia-IIae q. 82 a. 1[t:ia-iiae q. 82 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 3 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 118) [b:Ps 118]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 118) [b:Ps 118]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 3 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 73 a. 1[t:ia-iiae q. 73 a. 1]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 73 a. 1[t:ia-iiae q. 73 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 3 arg. 4
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 3 arg. 5
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 31:3) [b:Jer 31:3]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jer 31:3) [b:Jer 31:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 3 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 3 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Deut 32:4) [b:Deut 32:4]
R: Ia-IIae q. 109 a. 7[t:ia-iiae q. 109 a. 7] Ia-IIae q. 113 a. 2[t:ia-iiae q. 113 a. 2] q. 86 a. 2[t:iiia q. 86 a. 2]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Deut 32:4) [b:Deut 32:4]
R: Ia-IIae q. 109 a. 7[t:ia-iiae q. 109 a. 7] Ia-IIae q. 113 a. 2[t:ia-iiae q. 113 a. 2] q. 86 a. 2[t:iiia q. 86 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (John 15:22, John 15:22) [b:John 15:22]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (John 15:22, John 15:22) [b:John 15:22]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 3 ad 4
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 3 ad 5
Ad quintum N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 6:23) [b:Rom 6:23]
Ad quintum N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 6:23) [b:Rom 6:23]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Utrum remissa culpa per poenitentiam, remaneat reatus poenae
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 86 a. 5 co.
IIIa q. 86 a. 5 co.
IIIa q. 88 a. 1 co.[t:iiia q. 86 a. 5 co.][t:iiia q. 86 a. 5 co.][t:iiia q. 88 a. 1 co.]
IIIa q. 86 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 86 a. 5 co.
IIIa q. 86 a. 5 co.
IIIa q. 88 a. 1 co.[t:iiia q. 86 a. 5 co.][t:iiia q. 86 a. 5 co.][t:iiia q. 88 a. 1 co.]
IIIa q. 86 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 4 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 5) [b:Rom 5]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 5) [b:Rom 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 4 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
R: q. 48[t:iiia q. 48]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 3:25) [b:Rom 3:25]
R: q. 48[t:iiia q. 48]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 4 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (2Kgs 12:13) [b:2Kgs 12:13]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (2Kgs 12:13) [b:2Kgs 12:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 4 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rev 18:7) [b:Rev 18:7]
R: Ia-IIae q. 87 a. 4[t:ia-iiae q. 87 a. 4]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rev 18:7) [b:Rev 18:7]
R: Ia-IIae q. 87 a. 4[t:ia-iiae q. 87 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 71 a. 6[t:ia-iiae q. 71 a. 6]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 71 a. 6[t:ia-iiae q. 71 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 109 a. 7[t:ia-iiae q. 109 a. 7] Ia-IIae q. 109 a. 8[t:ia-iiae q. 109 a. 8] Ia-IIae q. 111 a. 2[t:ia-iiae q. 111 a. 2]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 109 a. 7[t:ia-iiae q. 109 a. 7] Ia-IIae q. 109 a. 8[t:ia-iiae q. 109 a. 8] Ia-IIae q. 111 a. 2[t:ia-iiae q. 111 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 1[t:iiia q. 84 a. 1] q. 84 a. 3[t:iiia q. 84 a. 3]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 1[t:iiia q. 84 a. 1] q. 84 a. 3[t:iiia q. 84 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Utrum remissa culpa mortali, tollantur omnes reliquiae peccati
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 89 a. 1 ad 3[t:iiia q. 89 a. 1 ad 3]
IIIa q. 86 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 89 a. 1 ad 3[t:iiia q. 89 a. 1 ad 3]
IIIa q. 86 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 5 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 5 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 5 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Mark 8) [b:Mark 8] (Mark 8:24) [b:Mark 8:24]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Mark 8) [b:Mark 8] (Mark 8:24) [b:Mark 8:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 5 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 86 a. 4[t:iiia q. 86 a. 4] q. 86 a. 4[t:iiia q. 86 a. 4]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 86 a. 4[t:iiia q. 86 a. 4] q. 86 a. 4[t:iiia q. 86 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 8) [b:Matt 8] (Luke 4:39) [b:Luke 4:39] (Luke 7) [b:Luke 7]
R: q. 44 a. 3 ad 2[t:iiia q. 44 a. 3 ad 2]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 8) [b:Matt 8] (Luke 4:39) [b:Luke 4:39] (Luke 7) [b:Luke 7]
R: q. 44 a. 3 ad 2[t:iiia q. 44 a. 3 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Utrum remissio culpae sit effectus poenitentiae secundum quod est virtus
IIIa q. 86 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Over het zesde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 6 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 6 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Heb 9:22) [b:Heb 9:22]
R: q. 62 a. 4[t:iiia q. 62 a. 4] q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Heb 9:22) [b:Heb 9:22]
R: q. 62 a. 4[t:iiia q. 62 a. 4] q. 62 a. 5[t:iiia q. 62 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 6 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 5 ad 3[t:iiia q. 84 a. 5 ad 3] q. 85 a. 2[t:iiia q. 85 a. 2]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 5 ad 3[t:iiia q. 84 a. 5 ad 3] q. 85 a. 2[t:iiia q. 85 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 6 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 60 a. 6 ad 2[t:iiia q. 60 a. 6 ad 2] q. 60 a. 7[t:iiia q. 60 a. 7] q. 84 a. 3[t:iiia q. 84 a. 3]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 60 a. 6 ad 2[t:iiia q. 60 a. 6 ad 2] q. 60 a. 7[t:iiia q. 60 a. 7] q. 84 a. 3[t:iiia q. 84 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 113[t:ia-iiae q. 113] q. 86 a. 1[t:iiia q. 86 a. 1] q. 86 a. 2[t:iiia q. 86 a. 2] q. 86 a. 3[t:iiia q. 86 a. 3]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 113[t:ia-iiae q. 113] q. 86 a. 1[t:iiia q. 86 a. 1] q. 86 a. 2[t:iiia q. 86 a. 2] q. 86 a. 3[t:iiia q. 86 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 89 a. 2 co.[t:iiia q. 89 a. 2 co.]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 89 a. 2 co.[t:iiia q. 89 a. 2 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 86 a. 6 ad 4
IIIa q. 86 a. 6 ad 4 N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 7 ad 2[t:iiia q. 84 a. 7 ad 2]
IIIa q. 86 a. 6 ad 4 N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 7 ad 2[t:iiia q. 84 a. 7 ad 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 87: De remissione venialium peccatorum
IIIa q. 87 pr.
IIIa q. 87 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 87 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Utrum veniale peccatum possit remitti sine poenitentia
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 87 a. 2 ad 2
IIIa q. 87 a. 3 arg. 1[t:iiia q. 87 a. 2 ad 2][t:iiia q. 87 a. 3 arg. 1]
IIIa q. 87 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 10 ad 4[t:iiia q. 84 a. 10 ad 4]
IIIa q. 87 a. 2 ad 2
IIIa q. 87 a. 3 arg. 1[t:iiia q. 87 a. 2 ad 2][t:iiia q. 87 a. 3 arg. 1]
IIIa q. 87 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 10 ad 4[t:iiia q. 84 a. 10 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 1 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 1 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: IIa-IIae q. 24 a. 10[t:iia-iiae q. 24 a. 10]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: IIa-IIae q. 24 a. 10[t:iia-iiae q. 24 a. 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 1 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 1 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 86 a. 2[t:iiia q. 86 a. 2]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 86 a. 2[t:iiia q. 86 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 74 a. 8 ad 2[t:ia-iiae q. 74 a. 8 ad 2] Ia-IIae q. 109 a. 8[t:ia-iiae q. 109 a. 8]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 74 a. 8 ad 2[t:ia-iiae q. 74 a. 8 ad 2] Ia-IIae q. 109 a. 8[t:ia-iiae q. 109 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 66 a. 11[t:iiia q. 66 a. 11]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 66 a. 11[t:iiia q. 66 a. 11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 79 a. 4[t:iiia q. 79 a. 4]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 79 a. 4[t:iiia q. 79 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Utrum ad remissionem venialium peccatorum requiratur gratiae infusio
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 87 a. 2 ad 2
IIIa q. 87 a. 3 co.
IIIa q. 87 a. 3 co.
IIIa q. 90 a. 4 co.[t:iiia q. 87 a. 2 ad 2][t:iiia q. 87 a. 3 co.][t:iiia q. 87 a. 3 co.][t:iiia q. 90 a. 4 co.]
IIIa q. 87 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Eph 2:4) [b:Eph 2:4] (Eph 2:5) [b:Eph 2:5]
IIIa q. 87 a. 2 ad 2
IIIa q. 87 a. 3 co.
IIIa q. 87 a. 3 co.
IIIa q. 90 a. 4 co.[t:iiia q. 87 a. 2 ad 2][t:iiia q. 87 a. 3 co.][t:iiia q. 87 a. 3 co.][t:iiia q. 90 a. 4 co.]
IIIa q. 87 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Eph 2:4) [b:Eph 2:4] (Eph 2:5) [b:Eph 2:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 2 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 2 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 2 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: IIa-IIae q. 24 a. 10[t:iia-iiae q. 24 a. 10]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: IIa-IIae q. 24 a. 10[t:iia-iiae q. 24 a. 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 2 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 88 a. 1[t:ia-iiae q. 88 a. 1] IIa-IIae q. 24 a. 10[t:iia-iiae q. 24 a. 10]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 88 a. 1[t:ia-iiae q. 88 a. 1] IIa-IIae q. 24 a. 10[t:iia-iiae q. 24 a. 10]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 87 a. 1[t:iiia q. 87 a. 1] q. 87 a. 2[t:iiia q. 87 a. 2]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 87 a. 1[t:iiia q. 87 a. 1] q. 87 a. 2[t:iiia q. 87 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Utrum peccata venialia remittantur per aspersionem aquae benedictae, et episcopalem benedictionem, et alia huiusmodi
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 87 a. 4 arg. 3
IIIa q. 87 a. 4 co.
IIIa q. 90 a. 4 co.[t:iiia q. 87 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 87 a. 4 co.][t:iiia q. 90 a. 4 co.]
IIIa q. 87 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 87 a. 1[t:iiia q. 87 a. 1]
IIIa q. 87 a. 4 arg. 3
IIIa q. 87 a. 4 co.
IIIa q. 90 a. 4 co.[t:iiia q. 87 a. 4 arg. 3][t:iiia q. 87 a. 4 co.][t:iiia q. 90 a. 4 co.]
IIIa q. 87 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 87 a. 1[t:iiia q. 87 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 3 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 3 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (1Cor 3:12) [b:1Cor 3:12] (1Cor 3:15) [b:1Cor 3:15]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (1Cor 3:12) [b:1Cor 3:12] (1Cor 3:15) [b:1Cor 3:15]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 3 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 3 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 87 a. 2[t:iiia q. 87 a. 2] q. 87 a. 2[t:iiia q. 87 a. 2]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 87 a. 2[t:iiia q. 87 a. 2] q. 87 a. 2[t:iiia q. 87 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 87 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 87 a. 4 arg. 3]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 87 a. 4 arg. 3[t:iiia q. 87 a. 4 arg. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Utrum veniale peccatum possit remitti sine mortali
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 90 a. 4 ad 3[t:iiia q. 90 a. 4 ad 3]
IIIa q. 87 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (John 8:7) [b:John 8:7]
IIIa q. 90 a. 4 ad 3[t:iiia q. 90 a. 4 ad 3]
IIIa q. 87 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (John 8:7) [b:John 8:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 4 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 4 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 87 a. 3 ad 2[t:iiia q. 87 a. 3 ad 2] q. 87 a. 3[t:iiia q. 87 a. 3]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 87 a. 3 ad 2[t:iiia q. 87 a. 3 ad 2] q. 87 a. 3[t:iiia q. 87 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 4 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 5:26) [b:Matt 5:26]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 5:26) [b:Matt 5:26]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 4 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 4:8) [b:Rom 4:8]
R: q. 87 a. 3[t:iiia q. 87 a. 3]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 4:8) [b:Rom 4:8]
R: q. 87 a. 3[t:iiia q. 87 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 87 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 88: De reditu peccatorum post poenitentiam dimissorum
IIIa q. 88 pr.
IIIa q. 88 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 88 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Utrum peccata dimissa redeant per sequens peccatum
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 88 a. 2 co.
IIIa q. 88 a. 3 co.
IIIa q. 88 a. 4 s. c.
IIIa q. 89 a. 5 arg. 1[t:iiia q. 88 a. 2 co.][t:iiia q. 88 a. 3 co.][t:iiia q. 88 a. 4 s. c.][t:iiia q. 89 a. 5 arg. 1]
IIIa q. 88 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 88 a. 2 co.
IIIa q. 88 a. 3 co.
IIIa q. 88 a. 4 s. c.
IIIa q. 89 a. 5 arg. 1[t:iiia q. 88 a. 2 co.][t:iiia q. 88 a. 3 co.][t:iiia q. 88 a. 4 s. c.][t:iiia q. 89 a. 5 arg. 1]
IIIa q. 88 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 1 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 11:24) [b:Luke 11:24]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 11:24) [b:Luke 11:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 1 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ezek 18:24) [b:Ezek 18:24]
R: q. 85 a. 3[t:iiia q. 85 a. 3]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ezek 18:24) [b:Ezek 18:24]
R: q. 85 a. 3[t:iiia q. 85 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 1 arg. 4
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 31:1) [b:Ps 31:1] (Rom 4:7) [b:Rom 4:7]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 31:1) [b:Ps 31:1] (Rom 4:7) [b:Rom 4:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 1 s. c. 1
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 11:29) [b:Rom 11:29]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 11:29) [b:Rom 11:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 1 s. c. 2
Vervolgens., Augustinus dicit, in libro responsionum prosperi, qui recedit a Christo et alienatus a gratia finit hanc vitam, quid nisi in perditionem vadit? Sed non in id quod dimissum est recidit, nec pro originali peccato damnabitur.
Vervolgens., Augustinus dicit, in libro responsionum prosperi, qui recedit a Christo et alienatus a gratia finit hanc vitam, quid nisi in perditionem vadit? Sed non in id quod dimissum est recidit, nec pro originali peccato damnabitur.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 1 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jas 2:10) [b:Jas 2:10]
R: q. 86 a. 4[t:iiia q. 86 a. 4]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Jas 2:10) [b:Jas 2:10]
R: q. 86 a. 4[t:iiia q. 86 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 3:3) [b:Rom 3:3]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 3:3) [b:Rom 3:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 2:5) [b:Rom 2:5]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 2:5) [b:Rom 2:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 1 ad 4
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Utrum peccata dimissa redeant per ingratitudinem quae specialiter est secundum quatuor genera peccatorum
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 89 a. 5 arg. 1[t:iiia q. 89 a. 5 arg. 1]
IIIa q. 88 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 89 a. 5 arg. 1[t:iiia q. 89 a. 5 arg. 1]
IIIa q. 88 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 2 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 2 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 2 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 2 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 88 a. 1[t:iiia q. 88 a. 1] q. 85 a. 2[t:iiia q. 85 a. 2] q. 85 a. 5[t:iiia q. 85 a. 5]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 88 a. 1[t:iiia q. 88 a. 1] q. 85 a. 2[t:iiia q. 85 a. 2] q. 85 a. 5[t:iiia q. 85 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 31:5) [b:Ps 31:5]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 31:5) [b:Ps 31:5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Utrum per ingratitudinem peccati sequentis consurgat tantus reatus quantus fuerat peccatorum prius dimissorum
IIIa q. 88 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 3 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 3 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 18:34) [b:Matt 18:34]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Matt 18:34) [b:Matt 18:34]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 3 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Deut 25:2) [b:Deut 25:2]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Deut 25:2) [b:Deut 25:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 3 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 88 a. 1[t:iiia q. 88 a. 1]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 88 a. 1[t:iiia q. 88 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Utrum ingratitudo ratione cuius sequens peccatum facit redire peccata prius dimissa, sit speciale peccatum
IIIa q. 88 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 4 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 4 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 4 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 88 a. 1[t:iiia q. 88 a. 1]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 88 a. 1[t:iiia q. 88 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 4 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 88 a. 4 ad 1
Et per hoc N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Et per hoc N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 89: De recuperatione virtutum per poenitentiam
IIIa q. 89 pr.
IIIa q. 89 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 89 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Utrum per poenitentiam virtutes restituantur
IIIa q. 89 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 85 a. 6[t:iiia q. 85 a. 6]
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 85 a. 6[t:iiia q. 85 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 1 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 118) [b:Ps 118]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ps 118) [b:Ps 118]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 1 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 1 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 15:22) [b:Luke 15:22] (Wis 8:7) [b:Wis 8:7]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 15:22) [b:Luke 15:22] (Wis 8:7) [b:Wis 8:7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 1 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 86 a. 1[t:iiia q. 86 a. 1] Ia-IIae q. 110 a. 4 ad 1[t:ia-iiae q. 110 a. 4 ad 1]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 86 a. 1[t:iiia q. 86 a. 1] Ia-IIae q. 110 a. 4 ad 1[t:ia-iiae q. 110 a. 4 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 86 a. 1[t:iiia q. 86 a. 1]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 86 a. 1[t:iiia q. 86 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 89 a. 2 co.[t:iiia q. 89 a. 2 co.]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 89 a. 2 co.[t:iiia q. 89 a. 2 co.]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 86 a. 5[t:iiia q. 86 a. 5]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 86 a. 5[t:iiia q. 86 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Utrum post poenitentiam resurgat homo in aequali virtute
IIIa q. 89 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 8:28) [b:Rom 8:28]
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rom 8:28) [b:Rom 8:28]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 2 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 2 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Gen 1:5) [b:Gen 1:5] (Rom 5:20) [b:Rom 5:20]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Gen 1:5) [b:Gen 1:5] (Rom 5:20) [b:Rom 5:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 2 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 2 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 86 a. 6 ad 3[t:iiia q. 86 a. 6 ad 3] q. 89 a. 1 ad 2[t:iiia q. 89 a. 1 ad 2] Ia-IIae q. 113 a. 5[t:ia-iiae q. 113 a. 5] Ia-IIae q. 113 a. 7[t:ia-iiae q. 113 a. 7] q. 86 a. 2[t:iiia q. 86 a. 2] Ia-IIae q. 52 a. 1[t:ia-iiae q. 52 a. 1] Ia-IIae q. 52 a. 2[t:ia-iiae q. 52 a. 2] q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 86 a. 6 ad 3[t:iiia q. 86 a. 6 ad 3] q. 89 a. 1 ad 2[t:iiia q. 89 a. 1 ad 2] Ia-IIae q. 113 a. 5[t:ia-iiae q. 113 a. 5] Ia-IIae q. 113 a. 7[t:ia-iiae q. 113 a. 7] q. 86 a. 2[t:iiia q. 86 a. 2] Ia-IIae q. 52 a. 1[t:ia-iiae q. 52 a. 1] Ia-IIae q. 52 a. 2[t:ia-iiae q. 52 a. 2] q. 66 a. 1[t:iiia q. 66 a. 1]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 2 ad 4
Ad id vero N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Ad id vero N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Utrum per poenitentiam restituatur homo in pristinam dignitatem
IIIa q. 89 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Amos 5:2) [b:Amos 5:2]
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Amos 5:2) [b:Amos 5:2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 3 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 3 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ezek 44:10) [b:Ezek 44:10] (Ezek 44:13) [b:Ezek 44:13]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ezek 44:10) [b:Ezek 44:10] (Ezek 44:13) [b:Ezek 44:13]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 3 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 3 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 15) [b:Luke 15] (Luke 15:29) [b:Luke 15:29]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 15) [b:Luke 15] (Luke 15:29) [b:Luke 15:29]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Utrum opera virtutum in caritate facta mortificari possunt
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 89 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 89 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 89 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 89 a. 5 arg. 2[t:iiia q. 89 a. 5 arg. 2]
IIIa q. 89 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 4 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 4 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Prov 10:12) [b:Prov 10:12]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Prov 10:12) [b:Prov 10:12]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 4 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ezek 18:24) [b:Ezek 18:24]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Ezek 18:24) [b:Ezek 18:24]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 4 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 5: Utrum opera mortificata per peccatum per poenitentiam reviviscant
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 89 a. 6 arg. 1[t:iiia q. 89 a. 6 arg. 1]
IIIa q. 89 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 88 a. 1[t:iiia q. 88 a. 1] q. 88 a. 2[t:iiia q. 88 a. 2]
IIIa q. 89 a. 6 arg. 1[t:iiia q. 89 a. 6 arg. 1]
IIIa q. 89 a. 5 arg. 1
Over het vijfde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 88 a. 1[t:iiia q. 88 a. 1] q. 88 a. 2[t:iiia q. 88 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 5 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 89 a. 4[t:iiia q. 89 a. 4]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 89 a. 4[t:iiia q. 89 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 5 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 5 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Joel 2:25) [b:Joel 2:25]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Joel 2:25) [b:Joel 2:25]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 5 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rev 3:11) [b:Rev 3:11]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Rev 3:11) [b:Rev 3:11]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 5 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 5 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 5 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 6: Utrum per poenitentiam subsequentem etiam opera mortua, quae scilicet non sunt in caritate facta, vivificentur
IIIa q. 89 a. 6 arg. 1
Over het zesde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 89 a. 5[t:iiia q. 89 a. 5]
Over het zesde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 89 a. 5[t:iiia q. 89 a. 5]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 6 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 6 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 6 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (1Cor 13:3) [b:1Cor 13:3]
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (1Cor 13:3) [b:1Cor 13:3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 6 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Heb 6:1) [b:Heb 6:1] (Heb 9:14) [b:Heb 9:14] (Jas 2:20) [b:Jas 2:20]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Heb 6:1) [b:Heb 6:1] (Heb 9:14) [b:Heb 9:14] (Jas 2:20) [b:Jas 2:20]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 6 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 6 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 89 a. 6 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Q 90: De partibus poenitentiae in generali
IIIa q. 90 pr.
IIIa q. 90 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 90 pr. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 1: Utrum poenitentiae debent partes assignari
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 90 a. 2 co.[t:iiia q. 90 a. 2 co.]
IIIa q. 90 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 90 a. 2 co.[t:iiia q. 90 a. 2 co.]
IIIa q. 90 a. 1 arg. 1
Over het eerste als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 1 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 1 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 2[t:iiia q. 84 a. 2]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 2[t:iiia q. 84 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 1 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 1 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 2[t:iiia q. 84 a. 2] q. 84 a. 3[t:iiia q. 84 a. 3] q. 90 a. 2[t:iiia q. 90 a. 2]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 2[t:iiia q. 84 a. 2] q. 84 a. 3[t:iiia q. 84 a. 3] q. 90 a. 2[t:iiia q. 90 a. 2]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 1 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 1 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 1 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 2: Utrum convenienter assignentur partes poenitentiae contritio, confessio et satisfactio
Verwijzingen naar dit Hoofdstuk:
IIIa q. 90 a. 1 co.[t:iiia q. 90 a. 1 co.]
IIIa q. 90 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 90 a. 1 co.[t:iiia q. 90 a. 1 co.]
IIIa q. 90 a. 2 arg. 1
Over het tweede als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 2 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1] q. 62 a. 3[t:iiia q. 62 a. 3]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 62 a. 1[t:iiia q. 62 a. 1] q. 62 a. 3[t:iiia q. 62 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 2 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 3:8) [b:Luke 3:8]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
B: (Luke 3:8) [b:Luke 3:8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 2 arg. 4
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 72 a. 7[t:ia-iiae q. 72 a. 7]
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 72 a. 7[t:ia-iiae q. 72 a. 7]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 2 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 2 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 60 a. 5[t:iiia q. 60 a. 5] q. 60 a. 6[t:iiia q. 60 a. 6] q. 90 a. 1[t:iiia q. 90 a. 1] q. 85 a. 3 ad 3[t:iiia q. 85 a. 3 ad 3]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 60 a. 5[t:iiia q. 60 a. 5] q. 60 a. 6[t:iiia q. 60 a. 6] q. 90 a. 1[t:iiia q. 90 a. 1] q. 85 a. 3 ad 3[t:iiia q. 85 a. 3 ad 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 2 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 2 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2] q. 69 a. 8[t:iiia q. 69 a. 8]
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 68 a. 2[t:iiia q. 68 a. 2] q. 69 a. 8[t:iiia q. 69 a. 8]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 2 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 2 ad 4
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 90 a. 3 ad 1[t:iiia q. 90 a. 3 ad 1]
4e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Verwijzingen naar deze alinea: IIIa q. 90 a. 3 ad 1[t:iiia q. 90 a. 3 ad 1]
Referenties naar deze alinea: 1
Summa Theologiae Tertia Pars ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 2 ad 5
IIIa q. 90 a. 2 ad 5 N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
IIIa q. 90 a. 2 ad 5 N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 3: Utrum praedicta tria sint partes integrales poenitentiae
IIIa q. 90 a. 3 arg. 1
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 3[t:iiia q. 84 a. 3]
Over het derde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 3[t:iiia q. 84 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 3 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 3 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 3 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 3 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 3 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 90 a. 2 ad 4[t:iiia q. 90 a. 2 ad 4]
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 90 a. 2 ad 4[t:iiia q. 90 a. 2 ad 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 3 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 3 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- A 4: Utrum convenienter dividatur poenitentia in poenitentiam ante Baptismum, et poenitentiam mortalium, et poenitentiam venialium
IIIa q. 90 a. 4 arg. 1
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 6[t:iiia q. 84 a. 6]
Over het vierde als volgt. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 84 a. 6[t:iiia q. 84 a. 6]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 4 arg. 2
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 4 arg. 3
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Vervolgens. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 4 s. c.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 4 co.
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 1 a. 3[t:ia-iiae q. 1 a. 3] q. 18 a. 4[t:iiia q. 18 a. 4] q. 18 a. 6[t:iiia q. 18 a. 6] q. 87 a. 2[t:iiia q. 87 a. 2] q. 87 a. 3[t:iiia q. 87 a. 3]
Mijn antwoord. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: Ia-IIae q. 1 a. 3[t:ia-iiae q. 1 a. 3] q. 18 a. 4[t:iiia q. 18 a. 4] q. 18 a. 6[t:iiia q. 18 a. 6] q. 87 a. 2[t:iiia q. 87 a. 2] q. 87 a. 3[t:iiia q. 87 a. 3]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 4 ad 1
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
1e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 4 ad 2
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
2e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaIIIa q. 90 a. 4 ad 3
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 87 a. 4[t:iiia q. 87 a. 4]
3e Weerlegging. N.v.d.r.: Dit gedeelte is helaas (nog) niet beschikbaar in het Nederlands. Raadpleeg (voorlopig) een andere taalversie.
R: q. 87 a. 4[t:iiia q. 87 a. 4]
Referenties naar deze alinea: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaReferenties naar dit document: 2
Open uitgebreid overzichthttps://rkdocumenten.nl/toondocument/9035-summa-theologiae-tertia-pars-nl