Reconciliatio et paenitentia
x
Gebruik de knoppen om door de historische teksten te lopen:
Informatie over dit document
Reconciliatio et paenitentia
Over de verzoening en boete in de zending van de Kerk in deze tijd
Paus Johannes Paulus II
2 december 1984
Pauselijke geschriften - Postsynodale Apostolische Exhortaties
1985, Stg. Verkondiging, Roermond; nr. 13
1985
Chr. v. Buijtenen S.J.
13 maart 2022
759
nl
Referenties naar dit document: 19
Open uitgebreid overzichtReferenties naar dit document van thema's en berichten
Open uitgebreid overzichtExtra opties voor dit document
Kopieer document-URL naar klembord Reageer op dit document Deel op social mediaInhoudsopgave
Uitklappen
- Oorsprong en betekenis van het document
1
Over VERZOENING EN BEKERING spreken, betekent: de mannen en vrouwen die in deze tijd leven er toe opwekken opnieuw aandacht te schenken aan de woorden waarmee onze Zaligmaker en Meester, Jezus Christus, Zijn prediking begonnen is, en deze in eigentijdse taal om te zetten: „Bekeert u en gelooft in het evangelie” (Mc. 1, 15)[b:Mc. 1, 15], dat is: aanvaardt de blijde boodschap van de liefde, van de aanneming tot kinderen van God, en derhalve van de broederlijkheid. Waarom brengt de Kerk dit onderwerp en deze uitnodiging opnieuw onder de aandacht? De bekommernis om de hedendaagse mens en zijn wereld beter te leren kennen en te verstaan en om de ingewikkelde problematiek die op hem betrekking heeft tot een oplossing te brengen, om zijn geheim te ontsluieren en om de kiemen van goed en kwaad die in hem werkzaam zijn te onderscheiden, brengen al sinds lang velen ertoe om deze mens en zijn wereld tot voorwerp van onderzoek te maken. Dit te onderzoeken is eigen aan geschiedkundigen en sociologen, aan wijsgeren en godgeleerden, aan psychologen en humanisten, aan dichters en mystici. Vooral echter is deze onderzoekende houding, verbonden met bezorgdheid maar tegelijk vol hoop, eigen aan herders. Daarvan getuigt elke bladzijde van de zo belangrijke herderlijke of pastorale constitutie van het Tweede Vaticaans Concilie die begint met de woorden vreugde en hoop, Gaudium et Spes[575], met name haar rijke en diepgaande inleiding. Daarvan getuigen ook een aantal documenten die mijn vereerde voorgangers in hun wijsheid en herderlijke liefde hebben uitgevaardigd, voorgangers wier lichtend pontificaat door de historische en profetische gebeurtenis van dat oecumenisch Concilie gekenmerkt werd. Nu valt ook het oog van de herders, evenals dat van anderen, op het feit dat de hedendaagse wereld en mensheid, naast andere karakteristieken, helaas gekenmerkt wordt door veel ernstige en betreurenswaardige verdeeldheid.
Referenties naar alinea 1: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Een gebroken wereld
2
Deze verdeeldheid blijkt in de betrekkingen tussen personen en groepen, maar ook in de grootste menselijke gemeenschappen, naties en volkerenbonden, zijn elkaars tegenstanders in een gespannen streven naar machtsoverwicht. Het is niet moeilijk om aan de wortel van deze verscheurdheid conflicten te ontdekken die, in plaats van opgelost te worden door middel van de dialoog, zich veeleer verscherpen door twist en tweedracht. Wie nauwlettend toeziet, vindt bij het zoeken naar oorzaken van verdeeldheid de meest uiteenlopende factoren: van toenemende ongelijkheid tussen groepen, sociale klassen en landen, tot en met ideologische tegenstellingen die nog lang niet opgeheven zijn; van tegengestelde economische belangen tot en met politieke polarisatie; van geschillen tussen stammen tot en met discriminatie op maatschappelijke en godsdienstige gronden. Sommige daarvan zijn feiten die iedereen kan waarnemen. Zij vormen als het ware het erbarmelijke gelaat van de verdeeldheid waar zij uit voortkomen en waarvan zij met onweerlegbare duidelijkheid de ernst laten zien. Van die vele wrange maatschappelijke verschijnselen van onze tijd zou men de volgende kunnen noemen:
Hoewel deze verscheurdheid op het eerste gezicht al een diepe indruk maakt, toch moet men er zich nog meer in verdiepen om de wortel ervan te ontdekken: de wonde namelijk die in het diepst van de menselijke ziel zit. Verlicht door het geloof noemen wij haar de zonde: te beginnen bij die oorsprongszonde die ieder vanaf zijn geboorte met zich draagt, als een erfenis die hij van zijn voorouders heeft meegekregen, tot en met die zonde die de afzonderlijke mens begaat door zijn vrijheid verkeerd te gebruiken.
- de onderdrukking van de fundamentele rechten van de menselijke persoon, vooral van het recht op leven en op een menswaardige kwaliteit van het leven, wat des te schandelijker is, omdat het samengaat met een tot nog toe ongekende woordenpraal over deze rechten;
- de aanslagen op en bedreigingen van de vrijheid van afzonderlijke personen en groepen, waarvan de vrijheid om een eigen geloof te kunnen belijden niet is uitgezonderd, maar juist integendeel nog meer wordt geschonden en bedreigd;
- de verschillende vormen van discriminatie: op grond van ras, cultuur, godsdienst enzovoort;
- geweld en terrorisme;
- de toepassing van martelingen en van onrechtvaardige en onwettige vormen van dwang;
- de opeenstapeling van conventionele en nucleaire wapens, de bewapeningswedloop met haar militaire uitgaven, die zouden kunnen dienen voor de opheffing van de onverdiende ellende van die volkeren die in sociaal-economisch opzicht achtergebleven zijn;
- de onrechtvaardige verdeling van de rijkdommen van deze aarde en van de cultuurgoederen, culminerend in een sociale structuur die de kloof tussen de levensomstandigheden van rijken en armen almaar groter maakt. vgl: Tot de Bisschoppen van Latijns-Amerika bij de Opening van hun derde conferentie in Puebla (Mexico), 13-19[[[1508|13-19]]]
Hoewel deze verscheurdheid op het eerste gezicht al een diepe indruk maakt, toch moet men er zich nog meer in verdiepen om de wortel ervan te ontdekken: de wonde namelijk die in het diepst van de menselijke ziel zit. Verlicht door het geloof noemen wij haar de zonde: te beginnen bij die oorsprongszonde die ieder vanaf zijn geboorte met zich draagt, als een erfenis die hij van zijn voorouders heeft meegekregen, tot en met die zonde die de afzonderlijke mens begaat door zijn vrijheid verkeerd te gebruiken.
Referenties naar alinea 2: 1
Compendium van de Sociale Leer van de Kerk ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Heimwee naar verzoening
3
Toch valt er, mits men scherp genoeg toeziet, temidden van de verdeeldheid, bij de mensen van goede wil en bij de echte Christenen een onmiskenbaar verlangen waar te nemen om de tegenstellingen te overbruggen, de wonden te helen en een wezenlijke eenheid tot stand te brengen op alle niveaus. Deze wens wordt bij velen tot een echt en hevig verlangen, tot een „heimwee” naar verzoening, ook al wordt dat woord niet gebruikt. Sommigen zien er iets als een droom in waar een heel sterke uitnodiging vanuit zou kunnen gaan om de samenleving daadwerkelijk te veranderen. Voor anderen is het meer iets dat met moeizame inspanning verkregen kan worden en dat daarom als een doelstelling wordt gezien die door een serieuze toeleg in denken en handelen wordt gerealiseerd. Hoe dan ook: ongetwijfeld is de hang naar een oprechte en duurzame verzoening een fundamenteel gegeven van onze samenleving, iets als een echo van de onbedwingbare wil tot vrede, en hoe paradoxaal dat ook moge klinken, iets dat zich des te heviger aandient naarmate de verdeeldheid ernstiger is.
De verzoening moet echter evenzeer tot in de ziel reiken als de verdeeldheid. Dat vurige verlangen of dat „heimwee” naar verzoening kan, evenals de verzoening zelf, slechts volledig zijn en werkdadig, als het tot die aller-oorspronkelijkste verscheurdheid weet door te dringen met de bedoeling haar te genezen, tot die verscheurdheid die van alle overige verscheurdheid de wortel is, tot de zonde.
De verzoening moet echter evenzeer tot in de ziel reiken als de verdeeldheid. Dat vurige verlangen of dat „heimwee” naar verzoening kan, evenals de verzoening zelf, slechts volledig zijn en werkdadig, als het tot die aller-oorspronkelijkste verscheurdheid weet door te dringen met de bedoeling haar te genezen, tot die verscheurdheid die van alle overige verscheurdheid de wortel is, tot de zonde.
Referenties naar alinea 3: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Wat de Synode voor ogen heeft gestaan
4
Daarom moet elke instelling of organisatie die beoogt dat de mens in zijn wezenlijke menselijkheid gered wordt, haar nauwlettende aandacht op de verzoening richten met de bedoeling om tot een dieper zicht te komen op wat zij betekent en op haar draagwijdte, en om er kijk op te krijgen wat er bijgevolg aan gedaan zou kunnen worden. De Kerk van Jezus Christus kan daar onmogelijk geen aandacht voor hebben. Met de toewijding van een Moeder en met de wijsheid van een Meesteres, legt zij er zich met zorg en aandacht op toe in de menselijke samenleving niet alleen de tekenen van de verdeeldheid waar te nemen, maar ook de minstens even duidelijke en veelzeggende tekenen van het zoeken naar verzoening. Zij weet immers dat met name aan haar het vermogen is gegeven en als zending is toevertrouwd om de ware, diepgodsdienstige betekenis van de verzoening in al haar dimensies te verkondigen, en alleen daardoor al bij te dragen tot de verheldering van de wezenlijke aspecten van het vraagstuk van eenheid en vrede.
Mijn voorgangers hielden niet op, de verzoening te prediken en heel de mensheid, met name die groepen of gedeelten van de menselijke gemeenschap waar zij verscheurdheid of verdeeldheid zagen, aan te sporen naar verzoening te streven. De encycliek Pacem in...De encycliek Pacem in Terris, het geestelijk testament van Johannes XXIII, wordt dikwijls beschouwd als een ‘sociaal document’ en ook als ‘politieke boodschap’, en dat is zij ook inderdaad, mits men deze uitdrukkingen in hun volle betekenis neemt. Het betoog van de Paus is immers, zoals nu twintig jaar na het verschijnen ervan blijkt, niet zozeer een weloverwogen plan tot verzoening van volkeren en naties, maar veeleer een krachtige aansporing tot bescherming van de hoogste waarden, zonder welke de vrede op aarde een droom blijft. Eén van die waarden is de verzoening onder de mensen, waarover Johannes XXIII dikwijls heeft gesproken. Wat Paulus VI betreft, moge het voldoende zijn eraan te herinneren dat hij, toen hij heel de Kerk uitnodigde het Heilig Jaar 1975 te vieren, besloot dat ‘vernieuwing en verzoening’ het motto voor het onvergetelijke Jubileum zou zijn. Ook mag men niet het catechetisch onderricht vergeten dat hij vooral aan dat thema heeft gewijd als toelichting bij dat Jubileum. Zelf heb ik vanuit een innerlijke impuls, waarmee ik – daar ben ik zeker van – zowel een ingeving van boven als een appèl van de mensheid volgde, op twee onderling verschillende maar allebei plechtige en bindende manieren het thema van de verzoening onder de aandacht gebracht. Allereerst door de zesde algemene vergadering van de bisschoppensynode[d:325] bijeen te roepen, en vervolgens door die vergadering om zo te zeggen tot het middelpunt te maken van een Jubeljaar, afgekondigd ter viering van de 1950ste verjaardag van de Verlossing. ’Het dient duidelijk te zijn’ – zo schreef ik in de bulle ter aankondiging van het Jubeljaar van de Verlossing – ‘dat in deze bijzonder belangrijke tijd, waarin iedere Christen wordt aangespoord intenser zijn roeping te beleven om in de Zoon met de Vader verzoend te worden; die doelstelling zal slechts worden bereikt, als daar een nieuw verantwoordelijkheidsbesef uit geboren wordt, waardoor ieder afzonderlijk en allen tezamen zich in dienst stellen van de verzoening, niet slechts tussen alle leerlingen van Christus, maar tussen alle mensen’[[3124|3]] Toen aan de Synode een onderwerp toegewezen moest worden, kon ik helemaal instemmen met wat veel van mijn medebroeders in het bisschopsambt hadden voorgesteld: de zo rijke thematiek van de verzoening, nauw verbonden met die van de bekering. Het onderwerp van de Synode...Het onderwerp van de Synode was, nauwkeuriger uitgedrukt: verzoening en bekering in de zending van de Kerk
Het woord bekering (paenitentia) drukt een heel complex begrip uit. Verbonden met de uitdrukking metanoia, zoals die door de synoptici wordt gebezigd, betekent bekering de innerlijke verandering van hart zoals die onder invloed van het woord van God en met het oog op Zijn Rijk kan plaats hebben. (Mt. 4, 17; Mc. 1, 15)[[b:Mt. 4, 17; Mc. 1, 15]] Maar bekering betekent ook een verandering van levenswijze, in overeenstemming met die verandering van hart. Neemt men het in deze betekenis, dan wordt wat men zich bekeren noemt aangevuld door: „Brengt vruchten voor die passen bij bekering”. (Lc. 3, 8)[[b:Lc. 3, 8]] Heel het leven komt dan in het teken van de bekering te staan als een voortdurend streven naar vooruitgang in het goede. Maar zich bekeren is alleen dan waarachtig en vruchtbaar, als het zich uit in concrete daden en gebaren van bekering. In deze zin betekent bekering in het theologische en spirituele spraakgebruik van de Christenen ascese, dat wil zeggen: de concrete en dagelijkse toeleg van de mens om, ondersteund door Gods genade, zijn eigen leven te verliezen omwille van Christus, wat de enige manier is om Hem te vinden; (Mt. 16, 24-26; Mc. 8, 34-36; Lc. 9, 23-25)[[b:Mt. 16, 24-26; Mc. 8, 34-36; Lc. 9, 23-25]] om deoude mens af te leggen en zich te bekleden met de nieuwe mens; ((Vgl. Ef. 4, 23; e.v.))[[b:Ef. 4, 23vv]] om het vleselijke in zichzelf te overwinnen met de bedoeling dat het geestelijke de overhand gaat krijgen; (1 Kor. 3, 1-20)[[b:1 Kor. 3, 1-20]] om aanhoudend boven het aardse uit te stijgen naar wat boven is. ((Vgl. Kol. 3, 1; e.v.))[[b:Kol. 3, 1vv]] „Paenitentia” is derhalve de bekering die, voortkomend uit het hart, vertaald wordt in concrete werken en zo het hele leven van de christen raakt.
In elk van deze betekenissen is bekering nauw verbonden met verzoening, want wil iemand met God, met zichzelf en met anderen verzoend worden, dan is daarvoor nodig dat de breuk wordt hersteld die diep in de ziel zit en die de zonde is. Dat kan alleen maar door die innerlijke verandering of bekering die door werken van bekering in het leven vrucht draagt.
Het basisdocument van de Synode (ook wel lineamenta genaamd) was slechts opgesteld om het vraagstuk uiteen te zetten en enkele fundamentele aspecten ervan toe te lichten. Het heeft overal ter wereld aan de kerkelijke gemeenschappen de gelegenheid geboden gedurende ongeveer twee jaar na te denken over de aspecten van een vraagstuk dat, aangezien het over bekering en verzoening gaat, allen aangaat, en om daaruit nieuwe kracht te putten voor het christelijk leven en het apostolaat. Een en ander is vervolgens nog eens dieper doordacht in verband met de onmiddellijke voorbereiding van de Synode. Dat leverde de zogenaamde werktekst op, het Instrumentum laboris, dat tijdig aan de bisschoppen en hun medewerkers werd toegezonden. Tenslotte hebben de Synodevaders, bijgestaan door anderen die tot de eigenlijke zitting waren uitgenodigd, het thema en de daarmee samenhangende, telrijke en uiteenlopende vraagstukken behandeld vanuit een groot besef van hun verantwoordelijkheid. Uit de besprekingen, uit de gezamenlijke studie en uit het gedegen en nauwgezette onderzoek is een rijke en kostbare schat voortgekomen. Het wezenlijke daarvan is bij wijze van samenvatting neergelegd in de uiteindelijke propositiones of voorstellen.
Bij haar onderzoek was de Synode niet onkundig van die daden van verzoening (waarvan sommige haast onopgemerkt blijven, omdat ze zo alledaags zijn), die op uiteenlopende manieren ertoe kunnen bijdragen dat al die spanningen worden opgeheven, de conflicten worden opgelost, de kleine en grote onenigheden overwonnen worden en zo de eenheid wordt hersteld. Maar het was de voornaamste zorg van de Synode om aan de binnenkant van deze uiteenlopende daden de verborgen wortel te vinden, de verzoening die van al die daden als het ware de oorsprong en bron vormt en die werkzaam is in het hart en het geweten van de mens.
Het charisma en de eigen aard van de Kerk met betrekking tot verzoening in welke vorm dan ook, is dat zij deze steeds in verband brengt met die oorsprongsverzoening. Op grond van haar eerste en voornaamste zending beschouwt de Kerk het als haar plicht om door te dringen tot de wortels van die eerste verwonding die de zonde is, om daar genezing en een fundamentele verzoening tot stand te brengen, opdat deze het vruchtbaar begin zal zijn van alle verdere echte verzoening. Dat is het wat de Kerk voor ogen heeft gestaan en wat zij door middel van de Synode heeft voorgesteld.
Over deze verzoening gaat het in de heilige Schrift, waar zij ons aanspoort om er met al onze krachten naar te streven, ((Vgl. 2 Kor. 5, 20; ’Wij smeken u in Christus’ naam: laat u met God verzoenen’))[[b:2 Kor. 5, 20]] terwijl zij ons tegelijkertijd op het hart drukt dat zij in de eerste plaats een gave is, door God in zijn barmhartigheid aan de mens geschonken. ((Vgl. Rom. 5, 11; ’Nu reeds juichen wij in God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij de verzoening hebben ontvangen’))[[b:Rom. 5, 11]] (Kol. 1, 20)[[b:Kol. 1, 20]] De geschiedenis van het heil, zowel die welke de hele mensheid omvat als die welke afzonderlijke mensen in welke tijd dan ook aangaat, kan beschouwd worden als de geschiedenis van de verzoening, waarin God die Vader is, door het bloed en het kruis van Zijn Zoon die Mens is geworden, de wereld met zich heeft verzoend en zo een nieuw gezin van verzoenden heeft doen ontstaan.
De verzoening is een noodzaak, vanwege de voorgegevenheid van de door de zonde veroorzaakte breuk waaruit heel de verdere gebrokenheid in het hart van de mensen en in de hen omringende wereld voortkomt. Dat houdt in dat verzoening, wil zij volledig zijn, dus noodzakelijk de bevrijding uit de zonde vereist, die tot in haar diepste wortels moet worden afgewezen. Zo blijkt hoe nauw bekering en verzoening met elkaar verweven zijn: men kan ze onmogelijk van elkaar losmaken, of de een ter sprake brengen terwijl men over de ander zwijgt.
De Synode heeft het zowel gehad over de verzoening van heel het grote gezin van de mensheid, als over de bekering van hart van iedere mens afzonderlijk, over zijn terugkeer tot God. Daarmee heeft zij willen erkennen en kenbaar maken dat de mensen alleen maar in eenheid zijn samen te brengen, als ieder voor zich innerlijk anders wordt. De persoonlijke bekering is de weg die noodzakelijk is om te komen tot eendracht onder de mensen. ’In feite hangt de onevenwichtigheid waaraan de hedendaagse wereld heeft te lijden samen met de meer fundamentele onevenwichtigheid die wortelt in het diepst van het hart van de mens. In de mens zelf immers zijn velerlei tendensen met elkaar in strijd. Want terwijl hij zich enerzijds als schepsel veelvuldig als beperkt ervaart, bemerkt hij anderzijds, dat hij in zijn verlangens onbeperkt is, en dat hij geroepen is tot een hoger leven. Te midden van vele aantrekkelijkheden wordt hij gedwongen daarin verantwoord te selecteren en sommige terzijde te stellen. Sterker: zwak en zondig tevens, doet hij niet zelden wat hij niet wil, en wat hij zou willen doen doet hij niet. Vandaar dat hij in zichzelf een verdeeldheid ervaart, waaruit ook in de maatschappij zoveel grote tweedracht ontstaat.’[[575|10]] Wanneer de Kerk de blijde boodschap van de verzoening verkondigt, of wanneer zij voorstelt haar door middel van de sacramenten tot stand te brengen, vervult zij een echt profetische taak: zij wijst op het kwaad onder de mensen, hoe dat uit een besmette bron voortkomt; zij laat zien waar de wortel van de verdeeldheid zit; en zij geeft hoop dat de spanningen en conflicten overwonnen kunnen worden, waardoor de eendracht en de vrede op alle niveaus en in alle groeperingen van de menselijke samenleving bereikt kunnen worden. Zij verandert een door haat en geweld getekende historische situatie in een beschaving van de liefde. Allen biedt zij het evangelische en sacramentele beginsel van de verzoening aan waaruit, als uit een „bron”, elk ander verzoeningsgebaar of daad van verzoening voortkomt, ook op het maatschappelijke vlak.
Over deze verzoening als vrucht van bekering gaat het in deze apostolische aansporing. Want zoals aan het einde van de vorige drie Synodebijeenkomsten, hebben de Synodevaders ook deze keer weer de resultaten van hun werk in handen gelegd van de bisschop van Rome, de herder van heel de Kerk en het hoofd van het college van de bisschoppen, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Synode. Als een zware maar tegelijk dankbare plicht van mijn bediening heb ik de taak op mij genomen om, puttend uit de rijke schat van de Synode, aan het volk van God bij wijze van vrucht van deze Synode een leerstellige en tevens herderlijke boodschap te richten over bekering en verzoening. In het eerste deel daarvan zal ik het hebben over de Kerk in zoverre zij de zending van de verzoening vervult en zich toelegt op de bekering van de harten, waardoor de mens en God, de mens en zijn broeder, ja de mens en heel de schepping elkaar opnieuw omhelzen. In het tweede deel zal de diepste oorzaak van alle verscheurdheid en verdeeldheid tussen de mensen onderling en vooral ten opzichte van God mijn onderwerp zijn, namelijk de zonde. Tenslotte zal ik de middelen behandelen waarmee de Kerk de volledige verzoening tussen de mensen en God en de daaruit voortvloeiende verzoening van de mensen met elkaar kan bevorderen stimuleren.
Bij deze bied ik dit document aan de kinderen van de Kerk aan, evenals aan allen die, of zij nu in God geloven of niet, een oprechte belangstelling voor haar hebben. Het vormt het antwoord dat ik verschuldigd was op het door de Synode aan mij gerichte verzoek. Maar ik ben het aan de waarheid en de rechtvaardigheid verplicht te zeggen, dat het tevens het werk van de Synode zelf is. De inhoud van deze bladzijden komt immers uit de Synode voort: uit de verwijderde en de onmiddellijke voorbereiding ervan, uit de werktekst, uit de interventies die in de aula van de Synode en in de werkgroepen zijn gehouden, maar vooral uit de drieënzestig voorstellen. Daarin is immers de vrucht samengebracht van het werk dat de vaders gezamenlijk verricht hebben. Onder hen waren ook vertegenwoordigers van de Oosterse Kerken, wier theologisch, spiritueel en liturgisch erfgoed zo rijk en eerbiedwaardig is, ook met betrekking tot het onderwerp dat ons hier bezig houdt. Bovendien heeft de raad van het synode-secretariaat, kort na de afsluiting van de Synode, in twee belangrijke zittingen het werk van de Synode en de bedoeling van haar deelnemers geëvalueerd, de innerlijke samenhang van de genoemde voorstellen duidelijk gemaakt en grondlijnen aangegeven voor het opstellen van dit document. Mijn dank gaat uit naar allen die dit werk hebben verricht. In het hier volgende wil ik, in trouw aan mijn zending, datgene voorleggen wat mij in de leerstellige en pastorale schat van de Synode nuttig lijkt voor alle mensen die in dit prachtige maar ook moeilijke uur van de geschiedenis leven.
Het is nuttig – en ook van veel betekenis – dit nu te doen, nu bij velen de herinnering nog levendig is aan het Heilige Jaar, dat helemaal in het teken heeft gestaan van de bekering, de omkeer en de verzoening. Deze aansporing richt ik tot mijn medebroeders in het bisschopsambt, tot hun medewerkers, de priesters, de diakens en de mannelijke en vrouwelijke religieuzen, tot alle gelovigen en tot alle gewetensvolle mannen en vrouwen: mogen zij niet alleen bijdragen tot de zuivering, de groei en de verdieping van ieders persoonlijk geloof, maar ook zoiets als een kiem vormen die helpt om in de harten van de mensen de vrede en de broederschap, de hoop en de vreugde te doen toenemen. Deze kostbare goederen komen voort uit het Evangelie, dat aanvaard, overwogen en in praktijk gebracht moge worden, naar het voorbeeld van de heilige Maagd Maria, de Moeder van onze Heer Jezus Christus: door Hem heeft het God behaagd alles met zich te verzoenen. ((Vgl. Kol. 1, 19; e.v.))[[b:Kol. 1, 19vv]]
Mijn voorgangers hielden niet op, de verzoening te prediken en heel de mensheid, met name die groepen of gedeelten van de menselijke gemeenschap waar zij verscheurdheid of verdeeldheid zagen, aan te sporen naar verzoening te streven. De encycliek Pacem in...De encycliek Pacem in Terris, het geestelijk testament van Johannes XXIII, wordt dikwijls beschouwd als een ‘sociaal document’ en ook als ‘politieke boodschap’, en dat is zij ook inderdaad, mits men deze uitdrukkingen in hun volle betekenis neemt. Het betoog van de Paus is immers, zoals nu twintig jaar na het verschijnen ervan blijkt, niet zozeer een weloverwogen plan tot verzoening van volkeren en naties, maar veeleer een krachtige aansporing tot bescherming van de hoogste waarden, zonder welke de vrede op aarde een droom blijft. Eén van die waarden is de verzoening onder de mensen, waarover Johannes XXIII dikwijls heeft gesproken. Wat Paulus VI betreft, moge het voldoende zijn eraan te herinneren dat hij, toen hij heel de Kerk uitnodigde het Heilig Jaar 1975 te vieren, besloot dat ‘vernieuwing en verzoening’ het motto voor het onvergetelijke Jubileum zou zijn. Ook mag men niet het catechetisch onderricht vergeten dat hij vooral aan dat thema heeft gewijd als toelichting bij dat Jubileum. Zelf heb ik vanuit een innerlijke impuls, waarmee ik – daar ben ik zeker van – zowel een ingeving van boven als een appèl van de mensheid volgde, op twee onderling verschillende maar allebei plechtige en bindende manieren het thema van de verzoening onder de aandacht gebracht. Allereerst door de zesde algemene vergadering van de bisschoppensynode[d:325] bijeen te roepen, en vervolgens door die vergadering om zo te zeggen tot het middelpunt te maken van een Jubeljaar, afgekondigd ter viering van de 1950ste verjaardag van de Verlossing. ’Het dient duidelijk te zijn’ – zo schreef ik in de bulle ter aankondiging van het Jubeljaar van de Verlossing – ‘dat in deze bijzonder belangrijke tijd, waarin iedere Christen wordt aangespoord intenser zijn roeping te beleven om in de Zoon met de Vader verzoend te worden; die doelstelling zal slechts worden bereikt, als daar een nieuw verantwoordelijkheidsbesef uit geboren wordt, waardoor ieder afzonderlijk en allen tezamen zich in dienst stellen van de verzoening, niet slechts tussen alle leerlingen van Christus, maar tussen alle mensen’[[3124|3]] Toen aan de Synode een onderwerp toegewezen moest worden, kon ik helemaal instemmen met wat veel van mijn medebroeders in het bisschopsambt hadden voorgesteld: de zo rijke thematiek van de verzoening, nauw verbonden met die van de bekering. Het onderwerp van de Synode...Het onderwerp van de Synode was, nauwkeuriger uitgedrukt: verzoening en bekering in de zending van de Kerk
Het woord bekering (paenitentia) drukt een heel complex begrip uit. Verbonden met de uitdrukking metanoia, zoals die door de synoptici wordt gebezigd, betekent bekering de innerlijke verandering van hart zoals die onder invloed van het woord van God en met het oog op Zijn Rijk kan plaats hebben. (Mt. 4, 17; Mc. 1, 15)[[b:Mt. 4, 17; Mc. 1, 15]] Maar bekering betekent ook een verandering van levenswijze, in overeenstemming met die verandering van hart. Neemt men het in deze betekenis, dan wordt wat men zich bekeren noemt aangevuld door: „Brengt vruchten voor die passen bij bekering”. (Lc. 3, 8)[[b:Lc. 3, 8]] Heel het leven komt dan in het teken van de bekering te staan als een voortdurend streven naar vooruitgang in het goede. Maar zich bekeren is alleen dan waarachtig en vruchtbaar, als het zich uit in concrete daden en gebaren van bekering. In deze zin betekent bekering in het theologische en spirituele spraakgebruik van de Christenen ascese, dat wil zeggen: de concrete en dagelijkse toeleg van de mens om, ondersteund door Gods genade, zijn eigen leven te verliezen omwille van Christus, wat de enige manier is om Hem te vinden; (Mt. 16, 24-26; Mc. 8, 34-36; Lc. 9, 23-25)[[b:Mt. 16, 24-26; Mc. 8, 34-36; Lc. 9, 23-25]] om deoude mens af te leggen en zich te bekleden met de nieuwe mens; ((Vgl. Ef. 4, 23; e.v.))[[b:Ef. 4, 23vv]] om het vleselijke in zichzelf te overwinnen met de bedoeling dat het geestelijke de overhand gaat krijgen; (1 Kor. 3, 1-20)[[b:1 Kor. 3, 1-20]] om aanhoudend boven het aardse uit te stijgen naar wat boven is. ((Vgl. Kol. 3, 1; e.v.))[[b:Kol. 3, 1vv]] „Paenitentia” is derhalve de bekering die, voortkomend uit het hart, vertaald wordt in concrete werken en zo het hele leven van de christen raakt.
In elk van deze betekenissen is bekering nauw verbonden met verzoening, want wil iemand met God, met zichzelf en met anderen verzoend worden, dan is daarvoor nodig dat de breuk wordt hersteld die diep in de ziel zit en die de zonde is. Dat kan alleen maar door die innerlijke verandering of bekering die door werken van bekering in het leven vrucht draagt.
Het basisdocument van de Synode (ook wel lineamenta genaamd) was slechts opgesteld om het vraagstuk uiteen te zetten en enkele fundamentele aspecten ervan toe te lichten. Het heeft overal ter wereld aan de kerkelijke gemeenschappen de gelegenheid geboden gedurende ongeveer twee jaar na te denken over de aspecten van een vraagstuk dat, aangezien het over bekering en verzoening gaat, allen aangaat, en om daaruit nieuwe kracht te putten voor het christelijk leven en het apostolaat. Een en ander is vervolgens nog eens dieper doordacht in verband met de onmiddellijke voorbereiding van de Synode. Dat leverde de zogenaamde werktekst op, het Instrumentum laboris, dat tijdig aan de bisschoppen en hun medewerkers werd toegezonden. Tenslotte hebben de Synodevaders, bijgestaan door anderen die tot de eigenlijke zitting waren uitgenodigd, het thema en de daarmee samenhangende, telrijke en uiteenlopende vraagstukken behandeld vanuit een groot besef van hun verantwoordelijkheid. Uit de besprekingen, uit de gezamenlijke studie en uit het gedegen en nauwgezette onderzoek is een rijke en kostbare schat voortgekomen. Het wezenlijke daarvan is bij wijze van samenvatting neergelegd in de uiteindelijke propositiones of voorstellen.
Bij haar onderzoek was de Synode niet onkundig van die daden van verzoening (waarvan sommige haast onopgemerkt blijven, omdat ze zo alledaags zijn), die op uiteenlopende manieren ertoe kunnen bijdragen dat al die spanningen worden opgeheven, de conflicten worden opgelost, de kleine en grote onenigheden overwonnen worden en zo de eenheid wordt hersteld. Maar het was de voornaamste zorg van de Synode om aan de binnenkant van deze uiteenlopende daden de verborgen wortel te vinden, de verzoening die van al die daden als het ware de oorsprong en bron vormt en die werkzaam is in het hart en het geweten van de mens.
Het charisma en de eigen aard van de Kerk met betrekking tot verzoening in welke vorm dan ook, is dat zij deze steeds in verband brengt met die oorsprongsverzoening. Op grond van haar eerste en voornaamste zending beschouwt de Kerk het als haar plicht om door te dringen tot de wortels van die eerste verwonding die de zonde is, om daar genezing en een fundamentele verzoening tot stand te brengen, opdat deze het vruchtbaar begin zal zijn van alle verdere echte verzoening. Dat is het wat de Kerk voor ogen heeft gestaan en wat zij door middel van de Synode heeft voorgesteld.
Over deze verzoening gaat het in de heilige Schrift, waar zij ons aanspoort om er met al onze krachten naar te streven, ((Vgl. 2 Kor. 5, 20; ’Wij smeken u in Christus’ naam: laat u met God verzoenen’))[[b:2 Kor. 5, 20]] terwijl zij ons tegelijkertijd op het hart drukt dat zij in de eerste plaats een gave is, door God in zijn barmhartigheid aan de mens geschonken. ((Vgl. Rom. 5, 11; ’Nu reeds juichen wij in God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij de verzoening hebben ontvangen’))[[b:Rom. 5, 11]] (Kol. 1, 20)[[b:Kol. 1, 20]] De geschiedenis van het heil, zowel die welke de hele mensheid omvat als die welke afzonderlijke mensen in welke tijd dan ook aangaat, kan beschouwd worden als de geschiedenis van de verzoening, waarin God die Vader is, door het bloed en het kruis van Zijn Zoon die Mens is geworden, de wereld met zich heeft verzoend en zo een nieuw gezin van verzoenden heeft doen ontstaan.
De verzoening is een noodzaak, vanwege de voorgegevenheid van de door de zonde veroorzaakte breuk waaruit heel de verdere gebrokenheid in het hart van de mensen en in de hen omringende wereld voortkomt. Dat houdt in dat verzoening, wil zij volledig zijn, dus noodzakelijk de bevrijding uit de zonde vereist, die tot in haar diepste wortels moet worden afgewezen. Zo blijkt hoe nauw bekering en verzoening met elkaar verweven zijn: men kan ze onmogelijk van elkaar losmaken, of de een ter sprake brengen terwijl men over de ander zwijgt.
De Synode heeft het zowel gehad over de verzoening van heel het grote gezin van de mensheid, als over de bekering van hart van iedere mens afzonderlijk, over zijn terugkeer tot God. Daarmee heeft zij willen erkennen en kenbaar maken dat de mensen alleen maar in eenheid zijn samen te brengen, als ieder voor zich innerlijk anders wordt. De persoonlijke bekering is de weg die noodzakelijk is om te komen tot eendracht onder de mensen. ’In feite hangt de onevenwichtigheid waaraan de hedendaagse wereld heeft te lijden samen met de meer fundamentele onevenwichtigheid die wortelt in het diepst van het hart van de mens. In de mens zelf immers zijn velerlei tendensen met elkaar in strijd. Want terwijl hij zich enerzijds als schepsel veelvuldig als beperkt ervaart, bemerkt hij anderzijds, dat hij in zijn verlangens onbeperkt is, en dat hij geroepen is tot een hoger leven. Te midden van vele aantrekkelijkheden wordt hij gedwongen daarin verantwoord te selecteren en sommige terzijde te stellen. Sterker: zwak en zondig tevens, doet hij niet zelden wat hij niet wil, en wat hij zou willen doen doet hij niet. Vandaar dat hij in zichzelf een verdeeldheid ervaart, waaruit ook in de maatschappij zoveel grote tweedracht ontstaat.’[[575|10]] Wanneer de Kerk de blijde boodschap van de verzoening verkondigt, of wanneer zij voorstelt haar door middel van de sacramenten tot stand te brengen, vervult zij een echt profetische taak: zij wijst op het kwaad onder de mensen, hoe dat uit een besmette bron voortkomt; zij laat zien waar de wortel van de verdeeldheid zit; en zij geeft hoop dat de spanningen en conflicten overwonnen kunnen worden, waardoor de eendracht en de vrede op alle niveaus en in alle groeperingen van de menselijke samenleving bereikt kunnen worden. Zij verandert een door haat en geweld getekende historische situatie in een beschaving van de liefde. Allen biedt zij het evangelische en sacramentele beginsel van de verzoening aan waaruit, als uit een „bron”, elk ander verzoeningsgebaar of daad van verzoening voortkomt, ook op het maatschappelijke vlak.
Over deze verzoening als vrucht van bekering gaat het in deze apostolische aansporing. Want zoals aan het einde van de vorige drie Synodebijeenkomsten, hebben de Synodevaders ook deze keer weer de resultaten van hun werk in handen gelegd van de bisschop van Rome, de herder van heel de Kerk en het hoofd van het college van de bisschoppen, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Synode. Als een zware maar tegelijk dankbare plicht van mijn bediening heb ik de taak op mij genomen om, puttend uit de rijke schat van de Synode, aan het volk van God bij wijze van vrucht van deze Synode een leerstellige en tevens herderlijke boodschap te richten over bekering en verzoening. In het eerste deel daarvan zal ik het hebben over de Kerk in zoverre zij de zending van de verzoening vervult en zich toelegt op de bekering van de harten, waardoor de mens en God, de mens en zijn broeder, ja de mens en heel de schepping elkaar opnieuw omhelzen. In het tweede deel zal de diepste oorzaak van alle verscheurdheid en verdeeldheid tussen de mensen onderling en vooral ten opzichte van God mijn onderwerp zijn, namelijk de zonde. Tenslotte zal ik de middelen behandelen waarmee de Kerk de volledige verzoening tussen de mensen en God en de daaruit voortvloeiende verzoening van de mensen met elkaar kan bevorderen stimuleren.
Bij deze bied ik dit document aan de kinderen van de Kerk aan, evenals aan allen die, of zij nu in God geloven of niet, een oprechte belangstelling voor haar hebben. Het vormt het antwoord dat ik verschuldigd was op het door de Synode aan mij gerichte verzoek. Maar ik ben het aan de waarheid en de rechtvaardigheid verplicht te zeggen, dat het tevens het werk van de Synode zelf is. De inhoud van deze bladzijden komt immers uit de Synode voort: uit de verwijderde en de onmiddellijke voorbereiding ervan, uit de werktekst, uit de interventies die in de aula van de Synode en in de werkgroepen zijn gehouden, maar vooral uit de drieënzestig voorstellen. Daarin is immers de vrucht samengebracht van het werk dat de vaders gezamenlijk verricht hebben. Onder hen waren ook vertegenwoordigers van de Oosterse Kerken, wier theologisch, spiritueel en liturgisch erfgoed zo rijk en eerbiedwaardig is, ook met betrekking tot het onderwerp dat ons hier bezig houdt. Bovendien heeft de raad van het synode-secretariaat, kort na de afsluiting van de Synode, in twee belangrijke zittingen het werk van de Synode en de bedoeling van haar deelnemers geëvalueerd, de innerlijke samenhang van de genoemde voorstellen duidelijk gemaakt en grondlijnen aangegeven voor het opstellen van dit document. Mijn dank gaat uit naar allen die dit werk hebben verricht. In het hier volgende wil ik, in trouw aan mijn zending, datgene voorleggen wat mij in de leerstellige en pastorale schat van de Synode nuttig lijkt voor alle mensen die in dit prachtige maar ook moeilijke uur van de geschiedenis leven.
Het is nuttig – en ook van veel betekenis – dit nu te doen, nu bij velen de herinnering nog levendig is aan het Heilige Jaar, dat helemaal in het teken heeft gestaan van de bekering, de omkeer en de verzoening. Deze aansporing richt ik tot mijn medebroeders in het bisschopsambt, tot hun medewerkers, de priesters, de diakens en de mannelijke en vrouwelijke religieuzen, tot alle gelovigen en tot alle gewetensvolle mannen en vrouwen: mogen zij niet alleen bijdragen tot de zuivering, de groei en de verdieping van ieders persoonlijk geloof, maar ook zoiets als een kiem vormen die helpt om in de harten van de mensen de vrede en de broederschap, de hoop en de vreugde te doen toenemen. Deze kostbare goederen komen voort uit het Evangelie, dat aanvaard, overwogen en in praktijk gebracht moge worden, naar het voorbeeld van de heilige Maagd Maria, de Moeder van onze Heer Jezus Christus: door Hem heeft het God behaagd alles met zich te verzoenen. ((Vgl. Kol. 1, 19; e.v.))[[b:Kol. 1, 19vv]]
Referenties naar alinea 4: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- DEEL 1 Bekering en verzoening: opdracht en inzet van de Kerk
- Eerste hoofdstuk Een parabel van verzoening
5
Bij het begin van deze apostolische aansporing komt mij het verhaal voor de geest dat bij de heilige Lucas staat en dat ik al eens in een eerder document geprobeerd heb toe te lichten. vgl: Dives in Misericordia, 5-6[[[755|5-6]]] Ik bedoel de parabel van de verloren zoon. (Lc. 15, 11-32)[[b:Lc. 15, 11-32]]
Referenties naar alinea 5: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Van de broer die verloren was...
5a
“Een man had twee zoons. Nu zei de jongste van hen tot zijn vader: Vader geeft mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.” Jezus geeft, wanneer Hij dit vertelt, heel duidelijk de deerniswekkende situatie weer van die jongere: het onbezonnen vertrek uit het ouderlijk huis, de verkwisting van al wat hij bezat in een losbandig en leeg leven, de donkere dagen waarin hij zich ver van huis voelt en honger lijdt, maar vooral gebukt gaat onder het verlies van zijn waardigheid, onder vernedering en schaamte, en dan het heimwee naar huis, de moed om terug te keren en de vader die hem ontvangt. Deze heeft zijn zoon niet vergeten; integendeel, zijn liefde en achting voor hem zijn onveranderd gebleven. Vandaar dat hij zijn zoon, op wie hij steeds had gewacht, nu omhelst, terwijl hij opdracht geeft om een groot feest voor te bereiden om de terugkeer te vieren van „hem die dood was en weer levend is, die verloren was en is teruggevonden”. De mens – iedere mens – is deze verloren zoon, in de greep van de bekoring om zich los te maken van de Vader en naar eigen willekeur te gaan leven; voor die bekoring bezwijkend; teleurgesteld in de leegte die hem als een betovering had verlokt; alleen, ontluisterd en uitgebuit, terwijl hij probeert zijn geheel eigen, aparte leventje op te bouwen; en zelfs in het diepst van zijn ellende gekweld door het verlangen om terug te keren naar de gemeenschap met de Vader. Zoals de vader in de gelijkenis, zo kijkt God uit naar de terugkeer van de zoon, omhelst Hij hem bij zijn aankomst, en richt Hij vanwege deze nieuwe ontmoeting de tafel aan voor het feestmaal waarmee de verzoening wordt gevierd. Uit de gelijkenis springt het meest die feestelijke en liefdevolle manier naar voren, waarmee de vader zijn terugkerende zoon ontvangt: een teken van de barmhartigheid van God die steeds klaar staat om te vergeven. Om het maar meteen te zeggen: de verzoening is vóór alles een geschenk van de Vader in de hemel.
Referenties naar alinea 5a: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- ...naar de broer die thuis was gebleven
6
Maar in de gelijkenis wordt ook de oudere broer betrokken, die zijn plaats bij het feestmaal afwijst. Zijn broer verwijt hij immers de misstappen die hij begaan heeft, en zijn vader dat hij hem zo ontvangt, terwijl het hem, de gematigde en arbeidzame, nooit toegestaan werd om – zoals hij zegt – een keer met zijn vrienden feest te vieren. Dat laat zien dat hij de goedheid van de vader niet begrijpt. Zolang deze broer, al te zeker van zichzelf en zijn verdiensten, jaloers en aanmatigend, vol bitterheid en toorn, zich niet bekeert en zich met de vader en de broer verzoent, is de maaltijd nog niet helemaal het feest van de terugkomst en van het gevonden worden. De mens, iedere mens, is ook deze oudere broer. Een verkeerde liefde voor zichzelf maakt hem jaloers, verhardt zijn hart, maakt hem blind en sluit hem voor de anderen en voor God. De goedheid en de barmhartigheid van de vader ergeren hem en maken hem boos; het geluk van broer die teruggevonden is, heeft voor hem iets bitters. Het boek Jona, in het Oude...Het boek Jona, in het Oude Testament, anticipeert als het ware dit gedeelte van de gelijkenis, waar het beschrijft dat Jona’s zonde erin bestaat dat hij ‘door en door nijdig’ is, omdat God ‘medelijdend en barmhartig is, lankmoedig en rijk aan liefde, altijd geneigd om spijt te krijgen’; zijn zonde is, dat hij ‘begaan is met een ricinusboom die tussen de ene nacht en de andere is opgeschoten en verdwenen’, maar niet begrijpt hoe de Heer ‘begaan is met Ninive’ (Jona 4)[[b:Jona 4]] Ook in dit opzicht heeft hij bekering nodig en verzoening. De gelijkenis van de verloren zoon is op de eerste plaats het onuitsprekelijke verhaal van de intense liefde van de Vader, dat wil zeggen van God, die aan de zoon die tot Hem terugkeert het geschenk aanbiedt van een volledige verzoening. Maar omdat zij in beeld van de oudste zoon de blinde eigenliefde oproept, waardoor broers onderling verdeeld raken, wordt zij ook het verhaal van de mensenfamilie: zij tekent de situatie waarin wij verkeren en geeft de weg aan die wij moeten gaan. Met zijn hevige verlangen om terug te keren, de vader weer te omhelzen en diens vergeving te aanvaarden, is de verloren zoon een beeld van degenen die in het diepst van hun geweten een intens verlangen voelen naar een algehele en onvoorwaardelijke verzoening, en die met iets als een innerlijke zekerheid inzien dat dit alleen mogelijk is als zij uit die eerste en fundamentele verzoening voortkomt die de mens uit zijn verwijdering terugbrengt naar de kinderlijke vriendschap met God, van wiens eindeloze barmhartigheid hij weet heeft. Maar beziet men de gelijkenis vanuit de andere zoon, dan houdt zij ons de situatie van de mensenfamilie voor ogen die door het najagen van eigen gemak verdeeld is, en maakt zij duidelijk hoe moeilijk dat intense verlangen naar een verzoende en verenigde mensenfamilie te verwerkelijken is; zo herinnert zij aan de noodzaak van een algehele omvorming van de harten van de mensen, waarbij de barmhartigheid van de Vader ontdekt en de afgunst en vijandschap onder broeders overwonnen worden. In het licht van deze onuitputtelijke gelijkenis van de barmhartigheid die de zonde uitwist en gehoorgevend aan de uitnodiging die erin vervat ligt, verstaat de Kerk haar zending om naar het voorbeeld van de Heer te ijveren voor de bekering van de harten en de verzoening van de mensen met God, welke beide ten nauwste met elkaar samenhangen.
Referenties naar alinea 6: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Tweede hoofdstuk Naar de bronnen van verzoening
- In het licht van Christus als Verzoener
7
Zoals uit de gelijkenis van de verloren zoon blijkt, is de verzoening een geschenk van God en helemaal Zijn initiatief. Ons geloof leert ons echter dat dit initiatief zijn verwerkelijking gevonden heeft in het mysterie van Christus, de Verlosser, de Verzoener, de Bevrijder, die de mens ontrukt aan de zonde in al haar vormen. De heilige Paulus aarzelt niet de onvergelijkelijke zending van Jezus van Nazareth, het Woord en de Mensgeworden Zoon van God, juist in deze taak en dienst samen te vatten. Ook wij kunnen van dit fundamentele mysterie van de heilsbedeling uitgaan, dat als het ware de kern vormt van de christologie van de apostel. „Toen wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door de dood van zijn Zoon,” schrijft hij aan de Romeinen; „des te zekerder zullen wij, eenmaal verzoend, gered worden door zijn leven. En dat niet alleen: nu reeds juichen wij in God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij de verzoening hebben ontvangen”. ((Vgl. Rom. 5, 10; e.v.))[b:Rom. 5, 10vv] (Kol. 1, 20-22)[[b:Kol. 1, 20-22]] Omdat „God de wereld in Christus met zich verzoend heeft,” voelt Paulus er zich toe gedreven de Christenen van Korinte aan te sporen: „Laat u met God verzoenen”. (2 Kor. 5, 18.20)[b:2 Kor. 5, 18.20] Over zo’n zending van verzoening door de dood aan het kruis heeft in andere bewoordingen ook de evangelist Johannes gesproken, wanneer hij vaststelt dat Christus de dood moest ondergaan „om de verstrooide kinderen van God samen te brengen”. (Joh. 11, 52)[b:Joh. 11, 52] Het is weer Paulus die maakt dat wij een bredere kijk krijgen op het werk van Christus en de kosmische dimensies ervan zien, wanneer hij schrijft dat in Hem de Vader alle schepselen met zich heeft verzoend, „in de hemel en op aarde”. (Kol. 1, 20)[[b:Kol. 1, 20]] Met recht kan men van Christus de Verlosser zeggen dat Hij „ten tijde van de toorn verzoening is geworden” (Sir. 44, 17)[[b:Sir. 44, 17]] en dat, als Hij „onze vrede” (Ef. 2, 14)[b:Ef. 2, 14] is, Hij ook onze verzoening is. Terecht wordt Zijn lijden en streven, dat in de Eucharistie op sacramentele wijze wordt vernieuwd, in de heilige liturgie „het offer van onze verzoening” Eucharistisch gebed IIIEucharistisch gebed III genoemd: van de verzoening met God, maar ook met de broeders, want Jezus Christus zelf spoort ertoe aan ons eerst met de broeders te verzoenen en pas dan het offer op te dragen. ((Vgl. Mt. 5, 23; e.v.))[[b:Mt. 5, 23vv]] Er is dus niets op tegen dat wij, uitgaande van deze en andere belangrijke teksten van het Nieuwe Testament, ons in onze beschouwing over heel het Christusmysterie concentreren op Zijn zending als Verzoener. Nogmaals moet het geloof van de Kerk beleden worden in de verlossende daad van Christus, in het paasmysterie van Zijn dood en verrijzenis als oorzaak van de verzoening van de mens in de dubbele betekenis van bevrijding uit de zonde en van genadegemeenschap met God. Met de treurige aanblik voor ogen van de verdeeldheid en de moeilijke verzoening tussen de mensen, spoor ik ertoe aan naar het mysterie van het kruis te kijken als naar dat meest verheven gebeuren, waarin Christus oog in oog staat met het drama van de scheiding tussen de mens en God en dit helemaal doorleeft en doorlijdt, zozeer dat Hij de woorden van de psalmist uitroept: „Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” (Mt. 27, 46; Mc. 15, 34; Ps. 22, 2)[b:Mt. 27, 46; Mc. 15, 34; Ps. 22, 2], terwijl Hij tegelijkertijd onze verzoening bewerkt. Het zicht op het mysterie van Golgota moet ons steeds de ’verticale’ dimensie te binnen brengen van de verdeeldheid en de verzoening, de verhouding namelijk van de mens met God. In het licht van het geloof weegt die altijd zwaarder dan de ’horizontale’ dimensie, dat wil zeggen: de feitelijke verdeeldheid onder de mensen en de noodzaak van hun verzoening. Wij weten immers dat deze laatste verzoening alleen maar bestaan kan als vrucht van het verlossingswerk van Christus, die is gestorven en verrezen om het rijk van de zonde te overwinnen, een Verbond met God in te stellen, en zo de ‘scheidsmuur’ (Ef. 2, 14-16)[[b:Ef. 2, 14-16]] neer te halen die door de zonde tussen de mensen was opgericht.
Referenties naar alinea 7: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Een verzoenende Kerk
8
Maar – zoals de heilige Leo de Grote al zei, toen hij sprak over het lijden van Christus - „alles wat de Zoon van God voor de verzoening van de wereld heeft gedaan en onderwezen, kennen wij niet alleen uit de geschiedenis van Zijn daden in het verleden, maar wij voelen het ook aan de kracht van Zijn werken in het heden”. 63 (De passione Domini 12), 6: CCL 138/A, 386[[1081]] De verzoening immers die Hij in Zijn Mensheid voltrokken heeft, worden wij gewaar in de werkdadige kracht van de heilige geheimen die door Zijn Kerk worden gevierd, voor wie Hij Zichzelf heeft overgeleverd, en die Hij tot teken en instrument van Heil heeft gemaakt. De heilige Paulus verzekert dit, waar hij schrijft dat God de apostelen van Christus laat delen in Zijn werk van verzoening: „God heeft ons”, zo zegt hij, „de dienst van de verzoening … en het woord van de verzoening toevertrouwd”. ((2 Kor. 5, 18; e.v.))[b:2 Kor. 5, 18vv] In Zijn barmhartigheid heeft de Vader in de handen en de mond van de apostelen het dienstwerk van de verzoening neergelegd, dat zij op bijzondere wijze vervullen krachtens de volmacht die hun verleend is om „in persona Christi” te handelen. Maar ook aan heel de gemeenschap van gelovigen, aan heel het lichaam van de Kerk, is het woord van de verzoening toevertrouwd, de taak namelijk om al het mogelijke te doen om van verzoening te getuigen en deze in de wereld te verwerkelijken. Men kan zeggen dat ook het Tweede Vaticaans Concilie erkend heeft dat de Kerk er vooral naar moet streven om de mensen tot volledige verzoening te brengen. Het noemt de Kerk immers „het sacrament, dat wil zeggen teken en instrument, van de innige vereniging met God en van de eenheid van heel het menselijk geslacht”, en het geeft als haar taak aan, ernaar te streven dat „de mensen, die nu door velerlei banden hechter met elkaar verbonden zijn, ook de volle eenheid in Christus bereiken”. Lumen Gentium, 1[[617|1]] De taak van de Kerk, die weliswaar veelomvattend en rijkgeschakeerd is, maar tegelijkertijd ten nauwste verbonden is met de zending van Christus, kan men dus samenvatten in die voor haar op de eerste plaats komende taak van de verzoening van de mens: een verzoening met God, met zichzelf, met de broeders en met heel de schepping, en dit op een aanhoudende manier want, zoals ik elders gezegd heb, „de Kerk is van nature altijd verzoenend”. ’De kerk is krachtens haar natuur altijd verzoenend, omdat zij aan anderen de gaven uitdeelt die zijzelf ontvangen heeft, de gave namelijk waardoor zij vergeving ontvangen heeft en met God verenigd is’[[3125|(3)]] Verzoenend is de Kerk wanneer zij de boodschap van de verzoening verkondigt, zoals zij dat in de loop van haar geschiedenis altijd gedaan heeft, te beginnen met het apostolisch Concilie van Jeruzalem (Hand. 15, 2-33)[[b:Hand. 15, 2-33]] tot aan de jongste bisschoppensynode en het recente Jubileum van de Verlossing toe. Het bijzondere van die verkondiging ligt daarin dat voor de Kerk de verzoening nauw verbonden is met de bekering van het hart: die vormt immers de noodzakelijke weg om te komen tot overeenstemming tussen de mensen. Verzoenend is de Kerk ook wanneer zij aan de mensen de wegen en de middelen wijst om tot die bovengenoemde viervoudige verzoening te komen. Deze wegen zijn juist de bekering van het hart en de overwinning van de zonde, of deze bestaat in blinde eigenliefde of onrechtvaardigheid, in overheersing of uitbuiting van anderen, in de begeerte naar materiële goederen of in een ongebreidelde genotzucht. De middelen zijn een volhardend en liefdevol luisteren naar het woord van God, het persoonlijk en gemeenschappelijk gebed, en vooral de sacramenten als de ware tekenen en instrumenten van verzoening, waaronder in dit opzicht het sacrament naar voren springt dat we gewoonlijk het sacrament van verzoening of bekering noemen en waarop in het volgende nog nader ingegaan zal worden.
Referenties naar alinea 8: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Een verzoende Kerk
9
Het hoort tot de verdienste van Paulus VI, mijn vereerde voorganger, duidelijk gemaakt te hebben dat de Kerk, wil zij het Evangelie kunnen verkondigen, er blijk van moet geven zelf het Evangelie aanvaard te hebben, dat wil zeggen: open te staan voor de volledige en onverkorte verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus teneinde ernaar te luisteren en haar in praktijk te brengen. vgl: Evangelii Nuntiandi, 13[[[519|13]]] Ook ikzelf heb, in een document waarin ik de overwegingen van de vierde algemene vergadering van de Synode heb bijeengezet en geordend, erover gesproken hoe de Kerk haar eigen geloof verdiept (‘zichzelf catechiseert’) in de mate dat zij er zorg voor draagt dat anderen geloofsonderricht of ‘catechese’ krijgen. vgl: Catechesi Tradendae, 24[[[572|24]]] Ik aarzel niet om met betrekking tot het onderwerp waarover ik het nu heb, diezelfde vergelijking weer op te nemen en te stellen: een Kerk die verzoenend wil zijn, moet beginnen met zelf een verzoende Kerk te zijn. Aan deze eenvoudige en bondige stelling ligt de overtuiging ten grondslag dat de Kerk, om de mensen met meer doeltreffendheid de verzoening te kunnen verkondigen en voorhouden, ernaar moet streven om steeds meer een gemeenschap te worden (zij het ‘de kleine kudde’ van de eerste tijden) van leerlingen van Christus, die er zich eendrachtig voor inzetten zich voortdurend tot de Heer te bekeren en als nieuwe mensen te leven, in de geest en in de beoefening van de verzoening. Ten overstaan van onze tijdgenoten, die zo gevoelig zijn voor het bewijs van een levensgetuigenis, moet de Kerk een voorbeeld van verzoening geven, en wel op de eerste plaats in haar eigen midden. Daarom moeten wij ons allemaal moeite geven om de gemoederen weer tot vrede te stemmen, de spanningen af te bouwen, de verdeeldheid te overwinnen, en de wonden te helen die broeders elkaar wellicht hebben toegebracht toen de tegenstelling, in zaken waarover men van mening kan verschillen, zich verscherpte, teneinde veeleer de eenheid te dienen in zaken die voor het geloof en het christelijk leven wezenlijk zijn, volgens de oude stelregel: ’Vrijheid bij twijfel, eenheid in het wezenlijke en in alles de liefde’. Volgens diezelfde stelregel moet de Kerk ook haar oecumenische dimensie waarmaken. Zij weet immers dat zij, om volledig verzoend te zijn, door moet gaan met het zoeken naar eenheid onder hen die er zich op beroemen Christen te zijn, maar die – ook als kerken en gemeenschappen – onderling en van de Kerk van Rome gescheiden zijn. Deze Kerk van Rome streeft naar een eenheid die, om vrucht en uiting van een ware verzoening te zijn, noch op de verdoezeling mag steunen van wat verdeelt, noch op compromissen die even gemakkelijk als breekbaar zijn. De eenheid moet voortvloeien uit een waarachtige bekering van allen, uit een elkaar geschonken vergeving, uit het theologische gesprek en uit broederlijke verhoudingen, uit het gebed en uit een volledige volgzaamheid aan de werking van de Heilige Geest die ook de Geest van de verzoening is. Om zich tenslotte geheel verzoend te kunnen noemen, voelt de Kerk dat het haar steeds ernstiger plicht is om aan alle volken het Evangelie te brengen en met hen de „heilsdialoog” vgl: Ecclesiam Suam[[[91]]] aan te gaan, met name met die omvangrijke delen van de mensheid in de wereld van vandaag die haar geloof niet delen en die zich veeleer door toenemende ‘wereldsheid’ van haar verwijderen of onverschillig tegenover haar staan, of haar zelfs vijandig gezind zijn en vervolgen. De Kerk voelt het als haar plicht om met de heilige Paulus tot al deze mensen te zeggen: „Laat u met God verzoenen”. (2 Kor. 5, 20)[b:2 Kor. 5, 20] In ieder geval staat de Kerk een verzoening in waarheid voor, want zij weet heel goed dat er buiten of tegen de waarheid in, geen verzoening noch eenheid mogelijk is.
Referenties naar alinea 9: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Derde hoofdstuk Initiatief van God en dienstwerk van de Kerk
10
Als verzoende en verzoenende gemeenschap kan de Kerk niet vergeten dat de haar geschonken en als opdracht meegegeven verzoening ontspringt aan de bron van het medelijdende en barmhartige initiatief van God, die liefde is (1 Joh. 4, 8)[[b:1 Joh. 4, 8]] en die de mensen uit liefde geschapen heeft: (Wijsh. 11, 23-26; Gen. 1, 27; Ps. 8, 4-8)[[b:Wijsh. 11, 23-26; Gen. 1, 27; Ps. 8, 4-8]] Hij heeft hen geschapen om met Hem in vriendschap en onder elkaar in gemeenschap te leven.
Referenties naar alinea 10: 1
Compendium van de Sociale Leer van de Kerk ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Verzoening komt van God
10a
God van zijn kant blijft Zijn eeuwig raadsbesluit getrouw, ook al maakt de mens, daartoe aangezet door de duivel (Wijsh. 2, 24)[[b:Wijsh. 2, 24]] en meegesleept door de hoogmoed, en een verkeerd gebruik van de vrijheid, die hem gegeven is om lief te hebben en met heel zijn hart het goede na te streven, en weigert hij de gehoorzaamheid die hij aan zijn Heer en Vader verschuldigd is; ook al beantwoordt de mens de liefde van God nog niet met wederliefde en verzet hij zich tegen Hem als tegen een rivaal, terwijl hij zichzelf, door te zeer op eigen krachten te vertrouwen, misleidt, waardoor er een breuk komt in de band met Hem die hem geschapen heeft. Maar ondanks deze trouweloosheid van de mens, blijft God van zijn kant in de liefde volharden. Weliswaar doet het paradijsverhaal ons nadenken over de schadelijke gevolgen van het afwijzen van de Vader, waardoor de mens innerlijk in de war is geraakt en de harmonie tussen man en vrouw en tussen broeders onderling is verstoord. (Gen. 3, 12; Gen. 4, 1-16)[[b:Gen. 3, 12; Gen. 4, 1-16]] Ook de gelijkenis uit het Evangelie over de twee zoons die zich, ieder op een eigen manier, van de Vader verwijderen en ernstig van elkaar vervreemden, is veelzeggend. Het afwijzen van de Vaderlijke liefde en van Zijn liefdesgaven, is altijd oorzaak van verdeeldheid tussen mensen. Maar wij weten dat God, die „rijk is aan erbarmen”, (Ef. 2, 4)[b:Ef. 2, 4] zoals de vader uit de gelijkenis, voor geen van Zijn zonen Zijn hart sluit. Hij wacht op hen, Hij zoekt hen; Hij treedt hen daar tegemoet waar hun weigering van gemeenschap hen in eenzaamheid en verdeeldheid gevangen houdt; en Hij roept hen op om aan zijn tafel weer samen te komen om daar in blijdschap het feest van de verzoening te vieren. Dit initiatief van God krijgt zichtbare gestalte in het verlossende handelen van Christus, dat zich door het dienstwerk van de Kerk over de gehele wereld verbreidt. Volgens ons geloof immers is het Woord van God Vlees geworden, is Hij op aarde komen wonen onder de mensen en is Hij de geschiedenis van de wereld binnengetreden, haar op zich nemend en in zich samenvattend. (Ef. 1, 10)[[b:Ef. 1, 10]] Hij heeft ons geopenbaard dat God liefde is en ons het „nieuwe gebod” van de liefde (Joh. 13, 34)[b:Joh. 13, 34] gegeven, en ons tegelijkertijd de zekerheid verschaft dat de weg van de liefde open ligt voor alle mensen, zodat het niet zinloos is zich in te zetten voor de broederschap onder alle mensen. vgl: Gaudium et Spes, 38[[[575|38]]] Met Zijn dood aan het kruis heeft Hij het kwaad en de macht van de zonde overwonnen, zodat Zijn liefdevolle gehoorzaamheid aan allen het heil heeft gebracht en Hij voor allen „verzoening“ is geworden. In Hem heeft God de mens met zich verzoend. De Kerk van haar kant zet de verkondiging van de verzoening voort die Christus predikte in de dorpen van Galilea en van heel Palestina, (Mc. 1, 15)[[b:Mc. 1, 15]] en zij houdt niet op heel de mensheid aan te sporen zich te bekeren en in het Evangelie te geloven. Zij spreekt in naam van Christus en maakt de oproep van de apostel Paulus tot de hare waaraan ik al herinnerd heb: „Wij zijn … gezanten van Christus, God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus’ naam: laat u met God verzoenen”. (2 Kor. 5, 20)[b:2 Kor. 5, 20] Wie gehoor geeft aan deze oproep, raakt betrokken in de economie van de verzoening en ervaart hoe waar datgene is wat Paulus elders verkondigt, dat Christus „onze vrede is, Hij die de twee werelden één heeft gemaakt en de scheidsmuur heeft neergehaald, dat wil zeggen de vijandschap … om beide in één lichaam met God te verzoenen”. (Ef. 2, 14-16)[b:Ef. 2, 14-16] Hoewel deze woorden op de eerste plaats betrekking hebben op de overwinning van de religieuze verdeeldheid tussen Israël als het uitverkoren volk van het Oude Verbond en de overige volkeren die allen tot deelname geroepen zijn aan het Nieuwe Verbond, toch drukken zij ook de nieuwe geestelijke universaliteit uit die God heeft ingesteld en bewerkt door het offer van Zijn Zoon, het Woord dat Mensgeworden is, een universaliteit zonder enige beperking of uitsluiting, die alle mensen omvat die zich bekeren en in Christus geloven. Allemaal zijn wij dus geroepen om de vruchten te genieten van de verzoening die God voor ogen staat: iedere mens en elk volk.
Referenties naar alinea 10a: 1
Compendium van de Sociale Leer van de Kerk ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- De Kerk als het grote sacrament van de verzoening
11
Het is de zending van de Kerk deze verzoening te verkondigen en er het sacrament van te zijn in de wereld. Nu is de Kerk sacrament, dat wil zeggen teken en instrument van verzoening om meerdere redenen, die weliswaar van verschillend gehalte zijn, maar die toch steeds neerkomen op haar gerichtheid op het verkrijgen van datgene wat God in Zijn barmhartig raadsbesluit aan de mensen wil schenken. Sacrament is de Kerk op de eerste plaats om het loutere feit van haar bestaan als verzoende gemeenschap die in de wereld van het werk van Christus getuigenis aflegt en het tegenwoordig stelt. Sacrament is zij vervolgens ook vanwege haar dienst als behoedster en verklaarster van de heilige Schrift, de Blijde Boodschap van de verzoening: aan iedere generatie maakt zij steeds weer het goddelijk raadbesluit en liefdesplan bekend en aan ieder toont zij de wegen van een algehele verzoening in Christus. Sacrament is zij tenslotte vanwege de zeven sacramenten die ieder op eigen wijze „de Kerk opbouwen”. vgl: XXII, 17: CCL 48, 835 e.v.[[[857]]] vgl: Summa Theologiae Tertia Pars q. 64 a. 2 ad 3[[[t:iiia q. 64 a. 2 ad 3]]] In alle sacramenten wordt immers het paasmysterie van Christus herdacht en vernieuwd, waardoor zij voor de Kerk een bron van leven vormen en in haar handen om zo te zeggen het instrument vormen van de bekering tot God en van de verzoening onder de mensen.
Referenties naar alinea 11: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Andere wegen van verzoening
12
De zending tot verzoening is iets dat eigen is aan heel de Kerk, ook en vooral aan die Kerk die al ten volle deelt in de goddelijke heerlijkheid, samen met de heilige Maagd Maria, met de engelen en alle heiligen die de heilige God aanschouwen en aanbidden. De Kerk in de hemel, de Kerk op aarde en de Kerk in het vagevuur, werken op een mysterievolle wijze met Christus samen om de wereld met God te verzoenen. De eerste weg van deze heilbrengende werking is het gebed. Ongetwijfeld ondersteunen de heilige Maagd Maria, Moeder van Christus en de Kerk, vgl: Post Duos Menses[[[1612]]] en de heiligen die hun aardse pelgrimstocht hebben voltooid en nu de heerlijkheid Gods genieten, met hun voorspraak hun broeders die nog aan hun aardse pelgrimstocht bezig zijn, bij hun ijverige toeleg zich te bekeren, hun geloof te verdiepen, na iedere val weer tot vernieuwing van leven te komen en te werken aan de groei van de gemeenschap en de vrede in de Kerk en de wereld. In het mysterie van de gemeenschap van de heiligen vindt de algemene verzoening haar diepste en voor het heil van allen meest vruchtbare vorm. Er is ook een andere weg: ik bedoel de weg van de prediking. De Kerk, die zelf leerling is van de ene Meester Jezus Christus, houdt als Moeder en Meesteres niet op aan de mensen de verzoening voor te houden, en zij aarzelt niet er op te wijzen hoe slecht de zonde is en hoe noodzakelijk de bekering, en de mensen met klem aan te sporen dat zij „zich bekeren”. Dat is immers haar profetische zending in zowel de wereld van vandaag als in de wereld van gisteren: het is de zending van Jezus zelf, haar Meester en Hoofd. Zoals Hij, zo zal ook de Kerk deze zending altijd vervullen vanuit een barmhartige liefde en aan allen de boodschap brengen van de vergeving en de hoop die uit het kruis voortkomen. Een zij het vaak moeilijke en harde weg is ook de pastorale inspanning om iedere mens, wie hij ook is en waar hij zich ook ophoudt, terug te roepen naar de soms nog lange weg van de terugkeer naar de Vader in gemeenschap met alle broeders. Tenslotte is er de weg van het meestal stille getuigenis dat voortkomt uit het besef van de Kerk dat zij krachtens haar aard weliswaar „onwankelbaar heilig” Lumen Gentium, 39[[617|39]] is, maar dat zij zich tevens „van dag tot dag moet zuiveren en vernieuwen, totdat Christus haar als een stralende bruid zonder vlek of rimpel naast zich plaatst,” want door onze zonden is haar gelaat soms „minder stralend” voor degene die haar beschouwt. vgl: Unitatis Redintegratio, 4[[[618|4]]] Dit getuigenis draagt noodzakelijk twee aspecten: enerzijds verwijst het naar die alomvattende liefde die Christus zijn volgelingen naliet als bewijs dat zij tot zijn rijk behoren; anderzijds vertaalt het zich in steeds nieuwe daden van bekering en verzoening binnen en buiten de Kerk, doordat spanningen worden afgebouwd, er wederzijds vergiffenis wordt geschonken en de geest van broederlijkheid en vrede groeit die in heel de wereld verspreid moet worden. Langs deze weg kan de Kerk er zich met werkdadige kracht voor inzetten dat die „beschaving van de liefde” tot stand komt, zoals mijn voorganger Paulus VI dat noemde.
Referenties naar alinea 12: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- DEEL 2 De liefde is groter dan de zonde
- === Het drama van de mens
13
De apostel Johannes zegt: „Als wij beweren zonder zonde te zijn, bedriegen wij onszelf en woont de waarheid niet in ons. Als wij onze zonden belijden, is Hij zo getrouw en genadig dat Hij onze zonden vergeeft”. (Joh. 1, 8)[b:Joh. 1, 8] Deze woorden, bij de dageraad van de Kerk onder goddelijke ingeving geschreven, kunnen beter dan welk woord van mensen ook, de beschouwing over de zonde inleiden, die nauw samenhangt met die over de verzoening. Zij raken immers het probleem van de zonde in zijn antropologische dimensie aan: dat zij deel uitmaakt van de waarheid over de mens. Tegelijkertijd plaatsen zij dit vraagstuk in een goddelijk perspectief: dat de zonde de waarheid oproept van de goddelijke liefde die rechtvaardig is, grootmoedig en trouw, en die zich vooral uit in vergeving en verzoening. Vandaar dat Johannes even verderop schrijft: „Ook al klaagt ons hart ons aan, God is groter dan ons hart”. (1 Joh. 3, 20)[b:1 Joh. 3, 20] vgl: Over 1 Joh. 3, 20, over het geweten[[[3126]]] De noodzakelijke eerste stap in de terugkeer tot God, is gelegen in de erkenning van de eigen zonde, ja zelfs bij een diepere kennis van zichzelf, in de erkenning van zichzelf als zondaar, als iemand die tot zonde in staat is en tot zonde geneigd. Daarin ligt het bijzondere van Davids ervaring die, nadat hij „kwaad gedaan had in de ogen van de Heer” en door de profeet Natan terecht gewezen was, (2 Sam. 11, 12)[[b:2 Sam. 11, 12]] uitriep: „Ik ben mij bewust dat ik schuld heb: steeds ziet wat ik begaan heb, mij aan. Tegen U, U alleen was mijn zonde; ik heb bedreven wat kwaad is in Uw ogen”. (Ps. 51, 5)[b:Ps. 51, 5] Trouwens, Jezus legt de verloren zoon deze veelbetekenende woorden in de mond en in het hart: „Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u “. (Lc. 15, 18.21)[b:Lc. 15, 18.21] De verzoening met God vereist inderdaad en brengt met zich mee dat men zich op een heldere en duidelijke manier losmaakt uit de toestand van zonde waarin men geraakt is. Zij veronderstelt dus, en brengt met zich mee, dat men zich bekeert in de volle zin van het woord: dat men er spijt van heeft en dat ook laat blijken, en dat men de houding van een boeteling aanneemt, wat hoort bij het terugkeren naar de Vader. Dat is een algemene wet, die ieder moet volgen in de bijzondere omstandigheden waarin hij verwikkeld geraakt is. Over zonde en bekering kan men immers niet alleen maar in abstracte bewoordingen spreken. In de concrete situatie van de zondige mens, waarin bekering alleen maar mogelijk is als de eigen zonde erkend wordt, beoogt het dienstwerk van verzoening, dat de Kerk verricht, steeds de bekering. Het gebeurt steeds om de mens tot kennis van zichzelf De heilige Catharina van Siena noemde dit ‘cognoscimento di sé’; p. 3 e.v.[[1658]] Dialogi[[918]] te brengen, tot een zich losmaken van het kwaad, tot een herstel van de vriendschap met God, tot innerlijke vernieuwing en tot een hernieuwde toewending tot de Kerk. Deze verkondiging van en deze hulp bij de bekering, strekt zich niet alleen uit tot het milieu van de Kerk en de gelovigen, maar tot alle mensen, want allen hebben nood aan bekering en verzoening. (Rom. 3, 23-26)[[b:Rom. 3, 23-26]] Om dit dienstwerk goed te kunnen vervullen, moet men met de ogen van het geloof (Ef. 1, 18)[[b:Ef. 1, 18]] ook naar datgene kijken wat uit de zonde voortvloeit, dat wil zeggen naar wat verdeeldheid verscheurdheid veroorzaakt, niet alleen innerlijk in iedere mens, maar ook in de verschillende verbanden waarin hij leeft: in het gezin, zijn omgeving, zijn werkkring, en in de samenleving, zoals men dikwijls uit ervaring kan vaststellen, en dat als een bevestiging is van het verhaal over de stad Babel en zijn toren. (Gen. 11, 1-9)[[b:Gen. 11, 1-9]] Hoewel de mensen van die stad aan iets beoogden te werken dat een teken en uitgangspunt van eenheid moest worden, raakten ze nog meer verstrooid dan daarvoor, verward in spraak, onderling verdeeld en niet tot overeenstemming en saamhorigheid in staat. Waarom liep hun ambitieuze plan verkeerd af? Omdat „de bouwers vergeefs hadden gezwoegd”, (Ps. 127, 1)[[b:Ps. 127, 1]] omdat de mensen als teken en waarborg van eenheid slechts een werk van eigen handen hadden gemaakt, en het werken van God vergeten waren. Zij hadden slechts oog gehad voor de „horizontale” dimensie van hun werk en van het maatschappelijke leven, met veronachtzaming van de „verticale” dimensie, waardoor zij op God gesteund zouden hebben als op hun Schepper en Heer, en zich op Hem gericht zouden hebben als op het einddoel van hun levensweg. Men kan inderdaad stellen dat het drama van de hedendaagse mens, en in zekere zin zelfs het drama van de mens van alle tijden, juist bestaat in zijn ‘Babelse’ aard.
Referenties naar alinea 13: 1
Vademecum voor biechtvaders over de huwelijksmoraal ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Eerste hoofdstuk Het mysterie van de zonde
14
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Lezen wij het bijbelse verhaal over de stad Babel en zijn toren in het nieuwe licht van het Evangelie, en vergelijken wij het met die andere plaats, waar de val van de eerste ouders wordt beschreven, dan kunnen we daar enige inzichten aan ontlenen die voor de kennis van het mysterie van de zonde veel waarde hebben. Deze uitdrukking, waarin naklinkt wat de heilige Paulus over het „mysterie van de ongerechtigheid” (2 Tess. 2, 7)[[b:2 Tess. 2, 7]] schrijft, wil onze aandacht vestigen op alwat er aan duisters en onbegrijpelijks schuil gaat in de zonde. Dat de zonde een daad is van de vrije mens wordt niet betwijfeld, maar door dit menselijke heen spelen factoren een rol waardoor de zonde als in een buitenmenselijk gebied terechtkomt, in dat grensgebied namelijk waar de wil en het gevoel van de mens aan die duistere krachten raken die volgens Paulus zover werkzaam zijn in de wereld dat zij haar bijna beheersen. (Rom. 7, 7-25; Ef. 2, 2; Ef. 6, 12)[[b:Rom. 7, 7-25; Ef. 2, 2; Ef. 6, 12]]
Referenties naar alinea 14: 2
Dominum et vivificantem ->=geentekst=Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Ongehoorzaam jegens God
14a
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Een eerste element dat ons helpt de zonde te verstaan, treedt duidelijk naar voren uit het bijbelse verhaal over de bouw van de toren van Babel: de mensen wilden een stad bouwen, zich in een maatschappij verenigen, sterk en machtig zijn zonder God, om niet te zeggen tegen God. Veelbetekenend zijn de...Veelbetekenend zijn de woorden die in de Griekse septuagint-vertaling en in het Nieuwe Testament gebruikt worden voor ‘zonde’. Het meest gebruikte woord is hamaritía, en de woorden van dezelfde stam. Dit betekent dat iemand meer of minder erg misdoet, ofwel tegen een norm of wet, ofwel tegen een persoon, of ook tegen één of andere godheid. De zonde wordt echter ook adikia genoemd, waarin het begrip vervat ligt van het begaan van ongerechtigheid. Ook vindt men er paràbasis, dat is: overtreding, of asèbeia, goddeloosheid, en andere begrippen. Samen geven die een beeld van de zonde. Wat dit betreft komen het verhaal over de eerste zonde in het paradijs en het verhaal over Babel, ondanks aanzienlijke verschillen in inhoud en vorm, overeen in het feit dat in beide God wordt buitengesloten: in een daad van rivaliteit jegens Hem komt de mens in een frontale botsing met Gods gebod, terwijl hij de valse pretentie heeft te zijn „zoals Hij”. ((Gen. 3, 5; ’Gij zult gelijk worden aan God door de kennis van goed en kwaad’))[b:Gen. 3, 5] (Gen. 3, 22)[[b:Gen. 3, 22]] In het verhaal over de stad Babel blijkt dit buitensluiten van God niet in een zich gelijkstellen met Hem, maar in het vergeten en het veronachtzamen van Hem, alsof men zich in de besluiten met betrekking tot het menselijke handelen en samenleven niets van God hoeft aan te trekken. In beide gevallen echter wordt de band met God op een gewelddadige wijze verbroken. Met name in het paradijsgebeuren blijkt hoe ernstig en rampzalig datgene is wat het meest innerlijke en duistere wezen van de zonde vormt: de ongehoorzaamheid jegens God, jegens Zijn wet, jegens de zedelijke norm die Hij de mens heeft meegegeven door haar in zijn hart te griffen en haar door de openbaring te bevestigen en te vervolmaken. God buitensluiten, de band met God verbreken, ongehoorzaam zijn jegens God: dat was en is de zonde, heel de geschiedenis van de mensheid door, in steeds weer andere gestalten, wat zelfs zo ver kan gaan dat God ontkend wordt evenals Zijn bestaan, een houding die men atheïsme noemt. Het is een ongehoorzaamheid van de mens die, handelend uit eigen vrije wil, de heerschappij van God over zijn leven niet erkent, minstens niet op dat moment dat hij Gods wet schendt.
Referenties naar alinea 14a: 2
Dominum et vivificantem ->=geentekst=Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Verdeeldheid tussen broeders
15
Compendium van de Sociale Leer van de Kerk ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
In de bovengenoemde bijbelse verhalen leidt de breuk met God op een erbarmelijke wijze tot verdeeldheid tussen broeders. In de beschrijving van de „eerste zonde” verbreekt de vervreemding van Jahwe tegelijkertijd de vriendschapsband die het menselijk gezin samenbond; vandaar dat we op de volgende bladzijden van Genesis man en vrouw de beschuldigende vinger naar elkaar zien uitsteken, (Gen. 3, 12)[[b:Gen. 3, 12]] en daarna de ene broer de ander, die hij vijandig gezind is, zien doden. (Gen. 4, 2-16)[[b:Gen. 4, 2-16]] In het verhaal over de gebeurtenissen in de stad Babel heeft de zonde tot gevolg dat de mensenfamilie uiteenvalt, wat al begonnen was ten gevolge van de eerste zonde, maar wat hier op het sociale vlak zijn hoogtepunt bereikt. Wie wil doordringen in het mysterie van de zonde, mag niet voorbijgaan aan deze samenhang tussen oorzaak en gevolg. Als breuk met God is de zonde een daad van ongehoorzaamheid van de mens die, op zijn minst impliciet, Hém verwerpt uit wie hij is voortgekomen en die hem in leven houdt; in die zin is zij een daad van zelfdoding. Omdat de mens door te zondigen weigert zich aan God te onderwerpen, wordt ook zijn innerlijk evenwicht verstoord en raakt hij innerlijk met zichzelf in tegenspraak en in conflict. Zo verscheurd, veroorzaakt de mens bijna noodzakelijke scheuringen in zijn verhouding met de andere mensen en met de schepping. Dat is een wetmatigheid en een objectief gegeven dat zich in veel momenten van de menselijke psychologie en van het geestelijk leven laat ontdekken, evenals in de gebeurtenissen van het maatschappelijk leven waarin de weerslag en de tekenen van innerlijke wanorde gemakkelijk waar te nemen zijn. Het mysterie van de zonde bestaat uit deze dubbele verwonding die de zondaar zichzelf en zijn omgang met de naaste toebrengt. Vandaar dat men kan spreken van een persoonlijke en een sociale zonde: elke zonde is van de ene kant een persoonlijke en van de andere kant een sociale zonde, omdat en in zoverre zij een sociale uitwerking heeft.
Referenties naar alinea 15: 3
Dominum et vivificantem ->=geentekst=Compendium van de Sociale Leer van de Kerk ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Persoonlijke en sociale zonde
16
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=
Centesimus Annus ->=geentekst=
Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Sollicitudo Rei Socialis ->=geentekst=
Sollicitudo Rei Socialis ->=geentekst=
Compendium van de Sociale Leer van de Kerk ->=geentekst=
Compendium van de Sociale Leer van de Kerk ->=geentekst=
Compendium van de Sociale Leer van de Kerk ->=geentekst=
Libertatis conscientia ->=geentekst=
Voorbereiding op het Sacrament van het Huwelijk ->=geentekst=
Enkele vraagstukken over God als Verlosser ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
De zonde, in haar ware en eigenlijke betekenis genomen, is altijd een persoonlijke daad, omdat zij de vrije daad is van een bepaalde mens en niet in eigenlijke zin van één of andere groep of gemeenschap. Het is weliswaar zo dat de omstandigheden hem ertoe aangezet kunnen hebben, dat hij onder druk of drang gehandeld kan hebben van allerlei zwaarwegende uitwendige factoren, of zelfs vanuit neigingen, gebreken of gewoonten die met zijn sociale situatie samenhangen. In niet weinig gevallen kunnen dergelijke inwendige of uitwendige factoren zijn vrijheid en daarmee de schuldenlast van zijn geweten in grotere of kleinere maat verminderen. Maar het is een geloofswaarheid, die bovendien door onze ervaring en ons verstand wordt bevestigd, dat de menselijke persoon vrij is. Deze waarheid mag men niet ontkennen met de bedoeling om de individuele zonde af te schuiven op uitwendige factoren, zoals „structuren” van de menselijke samenleving, systemen en dergelijke. Overigens zou men daardoor de waardigheid en de vrijheid van de persoon wegnemen die zich, zij het ten kwade en met schadelijke gevolgen, ook uiten in de verantwoordelijkheid voor de begane zonde. Niets in de mens is dan ook zo persoonlijk en zo onoverdraagbaar eigen dan de verdienste die hij heeft door deugd of de verantwoordelijkheid die hij draagt inzake schuld.
Als persoonlijke daad heeft de zonde haar eerste en belangrijkste uitwerkingen in de zondaar zelf: in zijn verhouding met God, die de grondslag vormt voor zijn leven als mens, in zijn geest, waar zij de wil verzwakt en het verstand verblindt.
Het is nu het moment om de vraag te stellen wat degenen bedoelden die het tijdens de voorbereiding van de Synode en in de loop van haar werkzaamheden meermaals over de sociale zonde hadden. In die uitdrukking en in het begrip dat er aan ten grondslag ligt, liggen immer diverse betekenissen.
Van sociale zonde spreken wil op de eerste plaats zeggen dat men erkent dat de zonde van eenieder op de een of andere manier haar weerslag heeft op de anderen, krachtens een even mysterieuze en onmerkbare als werkelijke en concrete menselijke saamhorigheid. Het betreft hier de keerzijde van de saamhorigheid op godsdienstig vlak die haar gestalte vindt in het diepe en wonderlijke mysterie van de gemeenschap der heiligen, op grond waarvan een uitspraak mogelijk is als: „Iedere ziel die opklimt, trekt de wereld met zich mee”. De uitdrukking is van...De uitdrukking is van Elisabeth Leseur, een Frans schrijfster: Journal et pensées de chaque jour, Paris 1918, p. 31 Aan deze wet van opklimming beantwoordt helaas een wet van afdaling, zodat men kan spreken van een gemeenschap in de zonde waardoor een ziel die zichzelf omlaag haalt door de zonde, met zichzelf ook de Kerk en in zekere zin heel de wereld omlaag haalt. Met andere woorden: geen enkele zonde, hoe intiem, verborgen en aller-individueelst ook, betreft alleen degene die haar begaat. Elke zonde heeft, met meer of minder hevigheid en schadelijk gevolg, haar uitwerking op heel de gemeenschap van de Kerk en op heel de menselijke familie. In deze eerste betekenis kan aan iedere zonde onbetwistbaar het karakter toegekend worden van een sociale zonde.
Sommige zonden echter richten zich vanwege de materie waar het over gaat, rechtstreeks tegen de naaste of, beter en meer in de taal van het Evangelie gezegd, tegen de broeder. Zij zijn een belediging van God, omdat zij de naaste beledigen. Deze zonden pleegt men als sociale zonden aan te duiden, waarmee die uitdrukking haar tweede betekenis heeft. Neemt men de uitdrukking in deze betekenis, dan is elke zonde sociaal die indruist tegen de naastenliefde, wat onder de wet van Christus des te zwaarder weegt omdat zij ingaat tegen het tweede gebod dat gelijk is aan het eerste. (Mt. 22, 39; Mc. 12, 31; Lc. 10, 27)[[b:Mt. 22, 39; Mc. 12, 31; Lc. 10, 27]] Eveneens is elke zonde een sociale die begaan wordt tegen de gerechtigheid in de onderlinge verhoudingen, hetzij die tussen personen, hetzij die van de persoon tot de gemeenschap of van de gemeenschap tot de persoon. Een sociale zonde is ook elke zonde tegen de rechten van de menselijke persoon, op de eerste plaats tegen het recht op leven, dat van het ongeboren leven niet uitgesloten, of tegen iemands lichamelijke onschendbaarheid; iedere zonde ook tegen de vrijheid van anderen, bovenal tegen de hoogste vrijheid om in God te geloven en Hem te aanbidden; en iedere zonde tegen de waardigheid en eerbaarheid van de naaste. Een sociale zonde is eveneens elke zonde tegen het algemeen welzijn en zijn vereisten, in heel dat uitgestrekte gebied van de rechten en plichten van de burgers. Sociaal kan ook de zonde zijn door het doen of laten van de kant van verantwoordelijken in de politiek, de economie of de vakbonden, wanneer deze, hoewel zij daartoe in staat zijn, er niet met wijze voorzichtigheid zorg voor dragen de maatschappij te verbeteren of te hervormen volgens de noden en mogelijkheden van de tijd; of ook van de kant van werknemers, die hun plicht van aanwezigheid en samenwerking niet nakomen, waarop de mogelijkheid van de bedrijven steunt om door te kunnen gaan met de verschaffing van welvaart aan henzelf, aan hun gezinnen en aan heel de samenleving.
De derde betekenis van de uitdrukking sociale zonde slaat op de betrekkingen tussen de verschillende gemeenschappen van mensen. Deze betrekkingen zijn niet altijd in overeenstemming met het plan van God, die wil dat in de wereld rechtvaardigheid, vrijheid en vrede heerst tussen de mensen afzonderlijk, tussen de groepen en tussen de volkeren. Zo is de „klassenstrijd”, ongeacht wie haar aansticht of er de wetten van bepaalt, een sociaal kwaad. Zo is ook het hardnekkig voortbestaan van de tegenstelling tussen de ene groep van aaneengesloten naties tegen de andere, tussen naties onderling of tussen groepen binnen één en dezelfde natie, een sociaal kwaad. Voor beide gevallen kan men zich afvragen of aan iemand de morele verantwoordelijkheid voor dit kwaad en daarmee de zonde toegeschreven kan worden. Men zal moeten toegeven dat genoemde feiten en situaties, waar zij zich uitbreiden of zelfs als sociale feiten dramatische proporties aannemen, bijna altijd naamloos gebeuren zoals ook hun ingewikkelde oorzaken niet altijd te achterhalen zijn. Vandaar dat de uitdrukking sociale zonde, als zij in dit verband gebruikt wordt, duidelijk een analoge betekenis heeft. Hoe dan ook, laat het spreken over sociale zonde, ook al gebeurt dat in analoge zin, niemand ertoe brengen de individuele verantwoordelijkheid te onderschatten, maar veeleer voor ieders geweten een aansporing vormen om die zondige situaties en ondraaglijke toestanden te veranderen.
Laat dit heel duidelijk en ondubbelzinnig vooropgesteld zijn. Er moet echter onmiddellijk aan worden toegevoegd dat een bepaalde betekenis van de uitdrukking sociale zonde niet legitiem en onhoudbaar is, ook al is zij in onze tijd in bepaalde kringen heel gangbaar, vgl: Libertatis nuntius, 32-33[[[1092|32-33]]] namelijk die welke door een dubbelzinnige tegenstelling tussen sociale en persoonlijke zonde bewust of onbewust een afzwakking, ja haast afschaffing in de hand werkt van de persoonlijke zonde, in die zin dat alleen nog de sociale schuld en verantwoordelijkheid worden erkend. Volgens deze opvatting, waarvan men gemakkelijk kan zien dat zij uit niet-christelijke ideologieën en systemen stamt – die wellicht al verworpen worden door hen die er eens de openlijke voorvechters van waren – zou praktisch iedere zonde een sociale zonde zijn, in zoverre zij namelijk niet zozeer op last komt van het geweten van de individuele mens, maar veeleer toe te schrijven zou zijn aan een vage werkelijkheid of een anonieme collectiviteit, zoals de concrete situatie, het systeem, de menselijke samenleving, de structuren of het instituut.
Wanneer daarentegen de Kerk van zondige situaties spreekt, of wanneer zij bepaalde toestanden of het gedrag van grotere of kleinere sociale groeperingen, van hele naties of van verbanden van naties als sociale zonden aanmerkt, dan is zij zich daarbij bewust en spreekt dat ook uit, dat die sociale zonden tegelijk ook de uitwerking vormen, de opeenstapeling en samenvoeging van een menigte van persoonlijke zonden. Het gaat daarbij om heel persoonlijke zonden: van degene die ongerechtigheid veroorzaakt, deze bevordert of er misbruik van maakt; van degene die, hoewel hij iets zou kunnen doen ter vermijding, opheffing of minstens inperking van één of ander sociaal kwaad, dit nalaat uit vrees, door op een schandelijke wijze te verzwijgen wat hij weet, door verborgen medeplichtigheid of door onverschillige veronachtzaming; van degene die zich verontschuldigt met als reden dat hij de wereld niet kan veranderen; en van degene die de moeite en het ongemak schuwt en deze ontwijkt onder het aanvoeren van zogenaamde redenen van een hogere orde. De werkelijke schuld ligt bij personen.
Geen enkele situatie is uit zichzelf het subject van zedelijk handelen, zoals dat ook geldt van een instituut, een structuur of een samenleving; daarom zijn die uit zichzelf noch goed noch slecht. In iedere zondige situatie zijn altijd mensen betrokken als de eigenlijke zondaars. Dat is zozeer waar dat, ook al kan een dergelijke situatie in haar structuren en institutionele vormen veranderd worden bij wet of, wat helaas steeds vaker voorkomt, door de wet van het geweld, deze verandering in feite onvolledig, van korte duur, kortom zinloos en ijdel zal blijken te zijn wanneer de mensen die direct of indirect voor de situatie verantwoordelijk zijn, zich niet bekeren.
Als persoonlijke daad heeft de zonde haar eerste en belangrijkste uitwerkingen in de zondaar zelf: in zijn verhouding met God, die de grondslag vormt voor zijn leven als mens, in zijn geest, waar zij de wil verzwakt en het verstand verblindt.
Het is nu het moment om de vraag te stellen wat degenen bedoelden die het tijdens de voorbereiding van de Synode en in de loop van haar werkzaamheden meermaals over de sociale zonde hadden. In die uitdrukking en in het begrip dat er aan ten grondslag ligt, liggen immer diverse betekenissen.
Van sociale zonde spreken wil op de eerste plaats zeggen dat men erkent dat de zonde van eenieder op de een of andere manier haar weerslag heeft op de anderen, krachtens een even mysterieuze en onmerkbare als werkelijke en concrete menselijke saamhorigheid. Het betreft hier de keerzijde van de saamhorigheid op godsdienstig vlak die haar gestalte vindt in het diepe en wonderlijke mysterie van de gemeenschap der heiligen, op grond waarvan een uitspraak mogelijk is als: „Iedere ziel die opklimt, trekt de wereld met zich mee”. De uitdrukking is van...De uitdrukking is van Elisabeth Leseur, een Frans schrijfster: Journal et pensées de chaque jour, Paris 1918, p. 31 Aan deze wet van opklimming beantwoordt helaas een wet van afdaling, zodat men kan spreken van een gemeenschap in de zonde waardoor een ziel die zichzelf omlaag haalt door de zonde, met zichzelf ook de Kerk en in zekere zin heel de wereld omlaag haalt. Met andere woorden: geen enkele zonde, hoe intiem, verborgen en aller-individueelst ook, betreft alleen degene die haar begaat. Elke zonde heeft, met meer of minder hevigheid en schadelijk gevolg, haar uitwerking op heel de gemeenschap van de Kerk en op heel de menselijke familie. In deze eerste betekenis kan aan iedere zonde onbetwistbaar het karakter toegekend worden van een sociale zonde.
Sommige zonden echter richten zich vanwege de materie waar het over gaat, rechtstreeks tegen de naaste of, beter en meer in de taal van het Evangelie gezegd, tegen de broeder. Zij zijn een belediging van God, omdat zij de naaste beledigen. Deze zonden pleegt men als sociale zonden aan te duiden, waarmee die uitdrukking haar tweede betekenis heeft. Neemt men de uitdrukking in deze betekenis, dan is elke zonde sociaal die indruist tegen de naastenliefde, wat onder de wet van Christus des te zwaarder weegt omdat zij ingaat tegen het tweede gebod dat gelijk is aan het eerste. (Mt. 22, 39; Mc. 12, 31; Lc. 10, 27)[[b:Mt. 22, 39; Mc. 12, 31; Lc. 10, 27]] Eveneens is elke zonde een sociale die begaan wordt tegen de gerechtigheid in de onderlinge verhoudingen, hetzij die tussen personen, hetzij die van de persoon tot de gemeenschap of van de gemeenschap tot de persoon. Een sociale zonde is ook elke zonde tegen de rechten van de menselijke persoon, op de eerste plaats tegen het recht op leven, dat van het ongeboren leven niet uitgesloten, of tegen iemands lichamelijke onschendbaarheid; iedere zonde ook tegen de vrijheid van anderen, bovenal tegen de hoogste vrijheid om in God te geloven en Hem te aanbidden; en iedere zonde tegen de waardigheid en eerbaarheid van de naaste. Een sociale zonde is eveneens elke zonde tegen het algemeen welzijn en zijn vereisten, in heel dat uitgestrekte gebied van de rechten en plichten van de burgers. Sociaal kan ook de zonde zijn door het doen of laten van de kant van verantwoordelijken in de politiek, de economie of de vakbonden, wanneer deze, hoewel zij daartoe in staat zijn, er niet met wijze voorzichtigheid zorg voor dragen de maatschappij te verbeteren of te hervormen volgens de noden en mogelijkheden van de tijd; of ook van de kant van werknemers, die hun plicht van aanwezigheid en samenwerking niet nakomen, waarop de mogelijkheid van de bedrijven steunt om door te kunnen gaan met de verschaffing van welvaart aan henzelf, aan hun gezinnen en aan heel de samenleving.
De derde betekenis van de uitdrukking sociale zonde slaat op de betrekkingen tussen de verschillende gemeenschappen van mensen. Deze betrekkingen zijn niet altijd in overeenstemming met het plan van God, die wil dat in de wereld rechtvaardigheid, vrijheid en vrede heerst tussen de mensen afzonderlijk, tussen de groepen en tussen de volkeren. Zo is de „klassenstrijd”, ongeacht wie haar aansticht of er de wetten van bepaalt, een sociaal kwaad. Zo is ook het hardnekkig voortbestaan van de tegenstelling tussen de ene groep van aaneengesloten naties tegen de andere, tussen naties onderling of tussen groepen binnen één en dezelfde natie, een sociaal kwaad. Voor beide gevallen kan men zich afvragen of aan iemand de morele verantwoordelijkheid voor dit kwaad en daarmee de zonde toegeschreven kan worden. Men zal moeten toegeven dat genoemde feiten en situaties, waar zij zich uitbreiden of zelfs als sociale feiten dramatische proporties aannemen, bijna altijd naamloos gebeuren zoals ook hun ingewikkelde oorzaken niet altijd te achterhalen zijn. Vandaar dat de uitdrukking sociale zonde, als zij in dit verband gebruikt wordt, duidelijk een analoge betekenis heeft. Hoe dan ook, laat het spreken over sociale zonde, ook al gebeurt dat in analoge zin, niemand ertoe brengen de individuele verantwoordelijkheid te onderschatten, maar veeleer voor ieders geweten een aansporing vormen om die zondige situaties en ondraaglijke toestanden te veranderen.
Laat dit heel duidelijk en ondubbelzinnig vooropgesteld zijn. Er moet echter onmiddellijk aan worden toegevoegd dat een bepaalde betekenis van de uitdrukking sociale zonde niet legitiem en onhoudbaar is, ook al is zij in onze tijd in bepaalde kringen heel gangbaar, vgl: Libertatis nuntius, 32-33[[[1092|32-33]]] namelijk die welke door een dubbelzinnige tegenstelling tussen sociale en persoonlijke zonde bewust of onbewust een afzwakking, ja haast afschaffing in de hand werkt van de persoonlijke zonde, in die zin dat alleen nog de sociale schuld en verantwoordelijkheid worden erkend. Volgens deze opvatting, waarvan men gemakkelijk kan zien dat zij uit niet-christelijke ideologieën en systemen stamt – die wellicht al verworpen worden door hen die er eens de openlijke voorvechters van waren – zou praktisch iedere zonde een sociale zonde zijn, in zoverre zij namelijk niet zozeer op last komt van het geweten van de individuele mens, maar veeleer toe te schrijven zou zijn aan een vage werkelijkheid of een anonieme collectiviteit, zoals de concrete situatie, het systeem, de menselijke samenleving, de structuren of het instituut.
Wanneer daarentegen de Kerk van zondige situaties spreekt, of wanneer zij bepaalde toestanden of het gedrag van grotere of kleinere sociale groeperingen, van hele naties of van verbanden van naties als sociale zonden aanmerkt, dan is zij zich daarbij bewust en spreekt dat ook uit, dat die sociale zonden tegelijk ook de uitwerking vormen, de opeenstapeling en samenvoeging van een menigte van persoonlijke zonden. Het gaat daarbij om heel persoonlijke zonden: van degene die ongerechtigheid veroorzaakt, deze bevordert of er misbruik van maakt; van degene die, hoewel hij iets zou kunnen doen ter vermijding, opheffing of minstens inperking van één of ander sociaal kwaad, dit nalaat uit vrees, door op een schandelijke wijze te verzwijgen wat hij weet, door verborgen medeplichtigheid of door onverschillige veronachtzaming; van degene die zich verontschuldigt met als reden dat hij de wereld niet kan veranderen; en van degene die de moeite en het ongemak schuwt en deze ontwijkt onder het aanvoeren van zogenaamde redenen van een hogere orde. De werkelijke schuld ligt bij personen.
Geen enkele situatie is uit zichzelf het subject van zedelijk handelen, zoals dat ook geldt van een instituut, een structuur of een samenleving; daarom zijn die uit zichzelf noch goed noch slecht. In iedere zondige situatie zijn altijd mensen betrokken als de eigenlijke zondaars. Dat is zozeer waar dat, ook al kan een dergelijke situatie in haar structuren en institutionele vormen veranderd worden bij wet of, wat helaas steeds vaker voorkomt, door de wet van het geweld, deze verandering in feite onvolledig, van korte duur, kortom zinloos en ijdel zal blijken te zijn wanneer de mensen die direct of indirect voor de situatie verantwoordelijk zijn, zich niet bekeren.
Referenties naar alinea 16: 15
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=
Centesimus Annus ->=geentekst=
Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Sollicitudo Rei Socialis ->=geentekst=
Sollicitudo Rei Socialis ->=geentekst=
Compendium van de Sociale Leer van de Kerk ->=geentekst=
Compendium van de Sociale Leer van de Kerk ->=geentekst=
Compendium van de Sociale Leer van de Kerk ->=geentekst=
Libertatis conscientia ->=geentekst=
Voorbereiding op het Sacrament van het Huwelijk ->=geentekst=
Enkele vraagstukken over God als Verlosser ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Dodelijke en vergeeflijke zonde
17
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=
Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Veritatis Splendor ->=geentekst=
Veritatis Splendor ->=geentekst=
Veritatis Splendor ->=geentekst=
Veritatis Splendor ->=geentekst=
Amoris Laetitia ->=geentekst=
"De Kerk van de levende God - pijler en grondslag van de waarheid" (1 Tim. 3, 15) ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Antwoorden aan de Kardinalen Brandmüller en Burke op hun 5 Dubia ->=geentekst=
Het mysterie van de zonde heeft nog een ander aspect, waarover de menselijke geest steeds heeft nagedacht: het aspect van de zwaarte van de zonde. Deze vraag dringt zich noodzakelijk op en het christelijk geweten heeft ook nooit nagelaten er een antwoord op te geven: waarom en in welke mate is de zonde zwaar, zowel als belediging van God als in haar uitwerkingen in de mens? De Kerk heeft hierover haar leer die zij, voor wat de wezenlijke aspecten ervan betreft, opnieuw bevestigt, hoewel zij weet dat het lang niet gemakkelijk is dat in de concrete omstandigheden precies te bepalen. Reeds in het Oude Testament gold ten aanzien van niet weinig zonden, namelijk van die welke bewust waren begaan, (Num. 15, 30)[[b:Num. 15, 30]] van allerlei vormen van ontucht, (Lev. 18, 26-30)[[b:Lev. 18, 26-30]] afgoderij (Lev. 19, 4)[[b:Lev. 19, 4]] en verering van valse goden,(Lev. 20, 1-7)[[b:Lev. 20, 1-7]] de bepaling dat de schuldige „uit het volk verwijderd” moest worden, wat ook kon betekenen dat hij ter dood veroordeeld werd. (Ex. 21, 17)[[b:Ex. 21, 17]] Daar stonden andere zonden tegenover, met name die welke in onwetendheid waren begaan, die door middel van een offer vergeven werden. (Lev. 4, 22; Lev. 5, 1; Num. 15, 22-29)[[b:Lev. 4, 22; Lev. 5, 1; Num. 15, 22-29]] De Kerk van haar kant spreekt, mede met het oog op die teksten, al eeuwenlang van dodelijke of doodzonde, en van vergeeflijke of dagelijkse zonde. Dit onderscheid en deze uitdrukkingen krijgen hun toelichting echter vooral vanuit het Nieuwe Testament waarin, naast de bevestiging door Jezus zelf van de Tien Geboden, (Mt. 5, 17; Mt. 15, 1-10; Mc. 10, 19; Lc. 18, 20)[[b:Mt. 5, 17; Mt. 15, 1-10; Mc. 10, 19; Lc. 18, 20]] veel teksten zijn te vinden waarin de zonden die in het bijzonder bestraft dienen te worden, (Mt. 5, 28; Mt. 6, 23; Mt. 12, 31; Mt. 15, 19; Mc. 3, 28-30; Rom. 1, 29-31; Rom. 13, 13; Jak. 4)[[b:Mt. 5, 28; Mt. 6, 23; Mt. 12, 31; Mt. 15, 19; Mc. 3, 28-30; Rom. 1, 29-31; Rom. 13, 13; Jak. 4]] opgesomd en in krachtige bewoordingen gelaakt worden. Ik wil hier met name twee veelbetekenende en indrukwekkende plaatsen naar voren halen. Ergens in zijn eerste brief spreekt de heilige Johannes over een zonde die tot de dood voert (pròs thánaton), in tegenstelling met een zonde die niet tot de dood voert (mè prós thánaton). (1 Joh. 5, 16)[[b:1 Joh. 5, 16]] Het begrip „dood” blijkt hier geestelijk bedoeld: het gaat om het verlies van het ware of eeuwige leven dat volgens Johannes bestaat in de erkenning van de Vader en de Zoon, in de gemeenschap en verbondenheid met Hen. ( Joh. 17, 3)[[b: Joh. 17, 3]] De zonde die tot de dood voert, lijkt daar de verloochening van de Zoon te zijn (1 Joh. 2, 22)[[b:1 Joh. 2, 22]] en de verering van valse goden. (1 Joh. 5, 21)[[b:1 Joh. 5, 21]] Met dit onderscheid lijkt Johannes de onmetelijke zwaarte te willen benadrukken van datgene wat het wezen van de zonde uitmaakt, namelijk het afwijzen van God, wat vooral gebeurt door geloofsafval en afgodendienst, dat wil zeggen door het geloof in de geopenbaarde waarheid af te wijzen en door God gelijk te stellen met bepaalde geschapen werkelijkheden en deze tot idolen en valse goden te maken. (1 Joh. 5, 16-21)[[b:1 Joh. 5, 16-21]] Maar de apostel wil in dat gedeelte van zijn brief ook de zekerheid naar voren halen waarin de Christen staat doordat hij, krachtens de komst van de Zoon, „uit God geboren” is: er is in hem immers een kracht werkzaam die hem ervoor behoed te zondigen; God behoedt hem en „de Boze heeft geen vat op hem”. En mocht hij toch, uit zwakte of uit onwetendheid zondigen, dan leeft in hem de hoop op vergeving, ook vanwege de hulp die het gezamenlijk gebed van de broeders hem verschaft. Elders in het Nieuwe Testament, in het Evangelie volgens Matteüs, (Mt. 12, 31)[[b:Mt. 12, 31]] spreekt Jezus zelf over „een lastering van de Heilige Geest” die „niet vergeven kan worden”, omdat zij in haar verschillende uitingsvormen, de hardnekkige afwijzing inhoudt van de bekering tot de liefde van de Vader van alle barmhartigheid. Het gaat hierbij om het extreme en zwaarste geval dat iemand God verwerpt, Zijn genade afwijst en daardoor verzet biedt tegen het beginsel zelf van het heil, vgl: Summa Theologiae Secunda Secundae q. 14 a. 1[[[t:II-II, q. 14, a. 1 + a. 3]]] waardoor de mens eigener beweging de weg van de vergiffenis lijkt af te sluiten. Het is te hopen dat maar weinigen tot het einde toe volharden in deze houding van afwijzing en uitdaging van God. Van Zijn kant is God overigens, omwille van Zijn barmhartige liefde, groter dan ons hart. Ook dat leert de heilige Johannes ons. (1 Joh. 3, 20)[[b:1 Joh. 3, 20]] Hij is in staat heel onze psychologische en geestelijke weerstand te overwinnen, en daarom hoeft men, zoals de heilige Thomas van Aquino schrijft, „aan niemands heil in dit leven te wanhopen, gezien de almacht en de barmhartigheid van God”. Summa Theologiae Secunda Secundae q. 14 a. 1[[t:iia-iiae q. 14 a. 3 ad 1]] Niettemin, ten overstaan van de gestelde confrontatie tussen een opstandige wil en de oneindig rechtvaardige God, kunnen wij niet anders dan gevoelens van een heilzaam „vrezen en beven” koesteren, zoals de heilige Paulus ons suggereert. ( Fil. 2, 12)[[b: Fil. 2, 12]] Bovendien bevestigt de waarschuwing van Jezus voor de zonde die „niet vergeven kan worden”, het bestaan van een schuld die de zondaar als straf „de eeuwige dood” kan aandoen. Op grond van deze en andere teksten uit de heilige Schrift hebben kerkleraren, theologen, meesters van het geestelijk leven en herders onderscheid gemaakt tussen dodelijke en vergeeflijke zonden. De heilige Augustinus onder andere heeft het over dodelijke of de dood met zich meebrengende misdaden, waar hij de vergeeflijke, lichte of dagelijkse tegenover stelt. vgl: XXVIII: CSEL 60, 202 e.v.[[[2229]]] vgl: 39, 22: CCL 38, 441[[[838]]] vgl: XIX, 71: CCL 46, 88[[[917]]] vgl: 12, 3-14: CCL 36, 129[[[2001]]] De betekenis die hij aan deze verduidelijkende termen gaf, is van invloed geweest op de latere leer van de Kerk. Na hem is het de heilige Thomas van Aquino geweest die in de meest duidelijke bewoordingen de leer formuleerde die sindsdien zo gebleven is. In de bepaling en omschrijving van dodelijke en vergeeflijke zonden bij de heilige Thomas en in de theologie die op hem teruggaat, komt het Bijbelse element en dus ook het begrip van de geestelijke dood uiteraard aan bod. Om geestelijk te leven moet de mens, volgens de „Doctor Angelicus”, verbonden blijven met het hoogste levensbeginsel, dat wil zeggen met God als het uiteindelijke doel van heel zijn leven en handelen. De zonde is een ongeordendheid van de mens tegen dit levensbeginsel. „Wanneer nu de ziel door de zonde in zulk een ongeordendheid terecht komt dat zij zich van haar uiteindelijke doel, van God met wie zij door de liefde verenigd wordt, afkeert, dan is er sprake van een dodelijke zonde; wanneer de ongeordendheid echter van dien aard is dat de grens van de afkeer van God niet wordt overschreden, dan is er sprake van een vergeeflijke zonde”. Summa Theologiae, Prima Secundae q. 72 a. 5[[t:ia-iiae q. 72 a. 5]] De vergeeflijke zonde berooft dan ook niet van de heiligmakende genade, van de vriendschap met God, van de liefde en de eeuwige zaligheid, terwijl dat door de dodelijke zonde wel gebeurt. Beziet men de zonde vanuit het opzicht van de straf die zij met zich meebrengt, dan noemen de heilige Thomas en andere kerkleraren die zonde dodelijk die, tenzij zij vergeven wordt, een eeuwige straf met zich brengt; vergeeflijk heet dan die zonde die slechts een tijdelijke straf verdient, dat wil zeggen een beperkte straf die uitgeboet kan worden op aarde of in het vagevuur. Kijkt men echter naar de materie waarop de zonde betrekking heeft, dan komen begrippen als dood, radicale afkeer van God als het hoogste goed, afwijking van de weg die naar God leidt of onderbreking daarvan, wat even zovele definities zijn voor de dodelijke zonde, in verband te staan met het begrip van de zwaarte van haar objectieve inhoud: zeggen dat een zonde zwaar is, komt in de leer en in het pastorale handelen van de Kerk praktisch op hetzelfde neer als zeggen dat zij dodelijk is. Hier raken we aan de kern van de traditionele leer van de Kerk, zoals die tijdens de afgelopen Synode dikwijls en in alle duidelijkheid naar voren is gebracht. Niet alleen bevestigde deze wat door het Concilie van Trente werd vastgesteld met betrekking tot het bestaan en de aard van dodelijke en vergeeflijke zonden, vgl: Sessio VI - Decretum de iustificatione, 2,53,55,57[[[668|2.53.55.57]]] maar herinnerde er ook aan dat die zonde een doodzonde is, die betrekking heeft op een zware zaak, en die men in het volle bewustzijn en met weloverwogen instemming begaat. Hier moet, zoals ook op de Synode gebeurd is, aan toegevoegd worden dat sommige zonden krachtens de materie waar ze betrekking op hebben uit zichzelf zwaar en dodelijk zijn. Er bestaan immers handelwijzen die vanwege de zaak waarop zij betrekking hebben, uit zichzelf en in zichzelf zwaar ongeoorloofd zijn. Dergelijke daden brengen, als zij tenminste met de nodige kennis en vrijheid gesteld zijn, altijd een zware schuld met zich mee. vgl: Sessio VI - Decretum de iustificatione, 24[[[668|24]]] Deze leer, gebaseerd op de Tien Geboden en op de prediking van het Oude Testament, hernomen in de eerste verkondiging door de apostelen en al eigen aan het oudste onderricht van de Kerk die haar tot op heden herhaalt, stemt helemaal overeen met de menselijke ervaring van alle tijden. Uit ervaring is het de mens voldoende bekend dat hij op de weg van geloof en gerechtigheid, langs welke hij in dit leven tot de kennis en de liefde van God en in de eeuwigheid tot de volmaakte vereniging met Hem kan komen, kan blijven stilstaan of ervan kan afwijken zonder evenwel Gods weg te verlaten; er is dan sprake van een vergeeflijke of dagelijkse zonde, die men overigens niet zo moet afzwakken alsof zij eigenlijk te verwaarlozen of „een zonde van licht gewicht” zou zijn. Van de andere kant weet de mens ook, door droeve ervaring wijs geworden, dat hij in staat is door een bewuste en vrije daad van zijn wil van weg te veranderen, af te glijden naar wat tegen Gods wil ingaat en zich zo van Hem te verwijderen, wat aversio a Deo, dat is: afkeer van God, wordt genoemd, door namelijk de op liefde gebaseerde gemeenschap met Hem af te wijzen, door zich los te maken van zijn levensbeginsel dat God is, en door zodoende de dood te kiezen. Met heel de traditie van de Kerk noemen wij die daad een dodelijke zonde of doodzonde, waardoor een mens willens en wetens God, Zijn wet en het hem door God aangeboden liefdesverbond afwijst, en er de voorkeur aan geeft zich naar zichzelf toe te keren of naar iets dat in tegenspraak is met de wil van God, de zogenaamde conversio ad creaturam, de toewending tot een schepsel. Dat kan in directe en formele zin gebeuren, door de zonden van afgoderij, geloofsafval en atheïsme, of op een gelijkwaardige manier door ongehoorzaamheid aan de geboden van God in een zwaarwegende zaak. De mens voelt, dat door God niet te gehoorzamen de band met zijn levensbeginsel verbroken wordt: het is een dodelijke zonde, een daad waardoor hij God zwaar beledigt en die zich door een duistere en sterke vernietigingskracht uiteindelijk tegen de mens zelf keert. Tijdens de Synodevergadering is het voorstel gedaan van een drievoudig onderscheid van zonden. Deze zouden verdeeld moeten worden in vergeeflijke, zware en dodelijke zonden. Dit drievoudig onderscheid zou duidelijk kunnen maken dat er bij zware zonden sprake is van een gradatie. Niettemin blijft waar dat het wezenlijke en beslissende onderscheid hierin bestaat dat er zonde is die de liefde vernietigt en zonde die het bovennatuurlijke leven niet wegneemt: tussen leven en dood is geen middenweg. Eveneens moet men vermijden de doodzonde te herleiden tot de daad zelf van wat men tegenwoordig „een fundamentele keuze” tegen God noemt, waaronder men de uitdrukkelijke en formele verachting van God en de naaste verstaat. Immers, ook wanneer de mens, wetens en willens, voor iets kiest dat een zwaarwegende ongeordendheid inhoudt, begaat hij een doodzonde. In zo’n keuze ligt immers de verachting van het gebod van God, de afwijzing van Gods liefde jegens de mensheid en heel de schepping, in feite vervat: de mens verwijdert zich van God en verliest de liefde. De wezenlijke gerichtheid van de mens kan dus door afzonderlijke daden veranderd worden. Ongetwijfeld kunnen er in psychologisch opzicht heel complexe en ondoorzichtige omstandigheden zijn, die van belang zijn voor het bepalen van de subjectieve toerekeningsvatbaarheid van de zondaar. Maar vanuit de sfeer van het psychologische, dat men in zijn beschouwingen moet betrekken, mag men niet de stap zetten naar de vorming van een theologische categorie als die van de „fundamentele keuze”, die dan zo verstaan wordt dat daardoor het traditionele begrip van de doodzonde in zijn objectieve aspect veranderd wordt of betwijfeld. Hoewel elke oprechte en wijze poging om het psychologische en theologische mysterie van de zonde te verhelderen, waardering verdient, heeft de Kerk toch de plicht om allen die er zich in verdiepen eraan te herinneren dat het noodzakelijk is trouw te blijven aan het woord van God dat ons ook over de zonde onderricht, zoals zij hen ook voor het gevaar moet waarschuwen dat door hun werk het zondebesef in de wereld van deze tijd zou kunnen afnemen.
Referenties naar alinea 17: 11
Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=Catechismus van de Katholieke Kerk ->=geentekst=
Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Veritatis Splendor ->=geentekst=
Veritatis Splendor ->=geentekst=
Veritatis Splendor ->=geentekst=
Veritatis Splendor ->=geentekst=
Amoris Laetitia ->=geentekst=
"De Kerk van de levende God - pijler en grondslag van de waarheid" (1 Tim. 3, 15) ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Antwoorden aan de Kardinalen Brandmüller en Burke op hun 5 Dubia ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Verlies van het zondebesef
18
Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Novo millennio ineunte ->=geentekst=
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
In de loop van generaties heeft het christelijk geweten, door in gemeenschap met de Kerk het Evangelie te lezen, zich een fijn aanvoelingsvermogen en een scherp oog verworven voor die om zo te zeggen kiemen van de dood die in de zonde vervat liggen. Dat aanvoelingsvermogen en die opmerkzaamheid dienen ook opdat deze kiemen onderkend worden in de vele gestalten waarin de zonde zich hult en in de vele gedaanten die zij aanneemt: wij noemen dit gewoonlijk het zondebesef. Dit besef ligt verankerd in het zedelijk geweten van de mens en is daarom zo te zeggen de maatstaf van. Het is verbonden met het besef van God, omdat het de vrucht is van de bewuste verhouding die de mens heeft met God als zijn Schepper, Heer en Vader. Daarom kan het ook nooit helemaal verdwijnen, omdat ook het besef van God nooit totaal is weg te vagen en het geweten niet volledig is uit te doven. Toch komt het in de geschiedenis niet zelden voor dat het zedelijk geweten van veel mensen voor kortere of langere tijd, en door uiteenlopende oorzaken, wordt verduisterd. „Hebben wij wel een juiste kijk op het geweten?”, vroeg ik twee jaar geleden aan de gelovigen. „Loopt de huidige mens geen gevaar dat zijn geweten faalt, dat zijn geweten bederft, dat het afstompt en als het ware verdoofd raakt?”. Angelus, (1)[[3165|(1)]] Teveel tekenen wijzen erop dat er inderdaad zo’n verduistering plaats heeft, wat des te zorgwekkender is, omdat het geweten, door het Concilie „de meest geheime kern en het heiligdom van de mens” Gaudium et Spes, 16[[575|16]] genoemd, „nauw verbonden is met de vrijheid van de mens (…), waardoor in hoofdzaak het geweten ten grondslag ligt aan de innerlijke waardigheid van de mens en tegelijk aan zijn betrekking met God”. Angelus, (1)[[3165|(1)]] Noodzakelijk volgt daaruit dat in een dergelijke situatie ook het besef van God verduisterd raakt, dat immers nauw verbonden is met het zedelijk geweten, met het zoeken van de waarheid en met de wil tot een verantwoord gebruik van de vrijheid. Tegelijk met het geweten raakt ook het Godsbesef verblind en, heeft de mens eenmaal dit voor hem belangrijkste innerlijke oriëntatiepunt verloren, dan raakt hij ook het besef van zonde kwijt. Om deze reden heeft mijn voorganger Pius XII ooit de bijna spreekwoordelijk geworden uitspraak gedaan: „De zonde van deze eeuw is het verlies van zondebesef”. Aan het Nationaal Catechetisch Congres van de Verenigde Staten[[3166]] Waarom doet zich dit in onze tijd voor? Een blik op sommige elementen van onze hedendaagse cultuur, kan ons helpen de voortschrijdende verzwakking van het zondebesef, veroorzaakt zoals gezegd door de crisis van het geweten en het Godsbesef, te begrijpen. In de eerste plaats is daar het „secularisme”: uit zijn eigen aard en volgens zijn definitie is het een beweging van ideeën en zedelijke houdingen waarin men opkomt voor een “humanisme” zonder God, terwijl men helemaal opgaat in de verheerlijking van arbeid en productie en zich mee laat slepen door de roes van consumptie en genot, zonder aan het gevaar te denken dat dit „ten koste gaat van eigen leven”. Zo’n secularisme kan niet anders dan het zondebesef afstompen. Wat er op z’n hoogst van overblijft is een gevoel voor wat de mens beledigt. Maar juist hier dringt zich de bittere ervaring op waarover ik al in mijn eerste encycliek sprak: „De mens kan een wereld bouwen zonder God, maar zo’n wereld zal zich uiteindelijk tegen de mens richten”. vgl: Redemptor Hominis, 15[[[237|15]]] In werkelijkheid is God de oorsprong en het uiteindelijke doel van de mens, die immers een goddelijke kiem in zich draagt. vgl: Gaudium et Spes, 3[[[575|3]]] (1 Joh. 3, 9)[[b:1 Joh. 3, 9]] God is het die het mysterie van de mens openbaart en verlicht. En dan is het ijdel te hopen dat er een zondebesef ten aanzien van de mens en de menselijke waarden van kracht kan blijven, wanneer het gevoel voor de belediging die God wordt aangedaan, het ware zondebesef dus, ontbreekt. Dit zondebesef verdwijnt in de huidige samenleving ook door de dwalingen waar men in terecht komt als men sommige uitkomsten van de menswetenschappen aanhangt. Vanuit bepaalde psychologische standpunten bijvoorbeeld kan iemand, in zijn zorg om anderen niet met schuld te belasten of in hun vrijheid te beperken, ertoe komen om uiteindelijk geen enkele tekortkoming meer te willen onderkennen. Wanneer men ten onrechte de criteria van de sociologie buiten haar terrein gaat toepassen, wordt zoals reeds gezegd elke schuld overgedragen op de samenleving, terwijl men de enkeling onschuldig verklaart. Vanuit een bepaalde culturele antropologie worden de conditionering en beïnvloeding van de mens door zijn omgeving en geschiedenis zo overdreven en zijn eigen verantwoordelijkheid zo beperkt gesteld, dat hem niet eens meer het vermogen tot het stellen van waarachtig menselijke daden wordt toegekend, en dus ook niet het vermogen om te zondigen. Ook verzwakt het zondebesef gemakkelijk vanuit een bepaalde ethiek die voortkomt uit wat men wel het “historisch relativisme” noemt. Bijvoorbeeld vanuit een ethiek die de zedelijke norm relatief stelt en die er de absolute en niet door de omstandigheden bepaalde geldigheid van ontkent, en die dus ook ontkent dat er daden kunnen bestaan die krachtens hun eigen aard ongeoorloofd zijn, ongeacht de omstandigheden waarin zij worden gesteld. Dat houdt een ware omwenteling en een verval van de zedelijke waarden in, waardoor het probleem „niet meer zozeer de onwetendheid is met betrekking tot de christelijke ethiek”, als wel „veeleer de onwetendheid met betrekking tot de betekenis, de grondslagen en de maatstaven van de zedelijke houding als zodanig”. Tot de Bisschoppen van Oost-Frankrijk, (2)[[3167|(2)]] Een dergelijke omverwerping heeft altijd tot gevolg dat het begrip zonde dermate wordt afgezwakt dat men nog wel zoiets als zonde erkent, maar dat niemand meer weet wie haar begaan heeft. Verdwijnen doet het zondebesef tenslotte ook wanneer het – zoals kan voorkomen in het onderwijs aan jongeren, in de media of zelf in de opvoeding thuis – ten onrechte voor hetzelfde gehouden wordt als een ziekelijk schuldgevoel of eenvoudigweg gelijkgesteld wordt met het overtreden van wetten en voorschriften! Het verlies van het zondebesef is dus een vorm van Godontkenning, of het gevolg daarvan, niet alleen van de eigenlijke atheïstische ontkenning, maar ook van die van het secularisme. Want als zondigen het verbreken betekent van de band die wij met God als Zijn kinderen hebben, met de bedoeling ons leven te onttrekken aan de gehoorzaamheid die wij Hem verschuldigd zijn, dan is zondigen meer dan alleen het ontkennen van God. Dan betekent zondigen hetzelfde als: leven alsof God niet bestond, Hem uit het dagelijks leven verdrijven. Een in beide opzichte verminkt en ontwricht samenlevingsmodel, zoals dat door de media dikwijls welbewust voorgehouden wordt, draagt niet weinig bij tot het voortschrijdende verlies van het zondebesef. In een dergelijke situatie is de verduistering of verzwakking van het zondebesef een gevolg van: ofwel het feit dat iedere relatie met het transcendente wordt afgewezen vanuit een streven naar de zogenaamde persoonlijke autonomie; ofwel van het feit dat men bezwijkt voor de ethische modellen die men opgedrongen krijgt door wat „men” vindt of gewoon is te doen, ook al keurt het eigen geweten dat af; ofwel van de uiterst zware sociaaleconomische omstandigheden, waarin zoveel mensen leven, en waardoor de neiging ontstaat om fouten en schulden enkel en alleen binnen het sociale te situeren; ofwel tenslotte, en dat nog het meest, van het feit dat het begrip van Gods vaderschap en van Zijn heerschappij over het leven van de mens verduisterd is. Zelfs in het kerkelijk leven en denken zijn er enkele tendensen die de vermindering van het zondebesef wel in de hand moesten werken. Sommigen bijvoorbeeld proberen een overdreven gedragslijn van vroeger te vervangen door nieuwe overdrijvingen: van een houding waarin zij overal zonden zagen, gaan ze nu over tot een standpunt van waaruit zij zeggen dat er nergens zonde is; vanuit een overbeklemtoning van de vrees voor de eeuwige straffen komt het nu tot zo'n verkondiging van Gods liefde dat daardoor de mogelijkheid van een verdiende straf voor de zonde wordt ontkend; van een strengheid in het terechtwijzen van dwalende gewetens, komt men nu tot een zogenaamde eerbied voor het geweten die zover gaat dat men de verplichting opheft om de waarheid te spreken. Waarom zou men hier niet aan toevoegen dat de verwarring, die in het geweten van veel gelovigen is ontstaan, doordat in de theologie, in de prediking, in de catechese en in de geestelijke leiding op belangrijke en delicate punten van de christelijke moraal zulke uiteenlopende opvattingen en doctrines worden aangehangen, uiteindelijk tot gevolg heeft dat het ware zondebesef zo verzwakt dat er bijna niets van overblijft? Ook mag niet stilzwijgend voorbijgegaan worden aan sommige tekortkomingen in de praktijk van het Sacrament van de Bekering: de neiging bijvoorbeeld om de kerkelijke dimensie van zonde en bekering zo weinig te belichten dat zij tot iets louter individueels worden herleid; of omgekeerd de neiging om alleen oog te hebben voor het gemeenschapsaspect en de persoonlijke dimensie van goed en kwaad te schrappen; of ook het nooit helemaal bezworen gevaar om het sacrament tot een gewoonteritueel te laten verworden, waardoor het zijn volle betekenis en vormende werking verliest. De ernstige geestelijke crisis van de hedendaagse mens moet op de eerste plaats worden tegengegaan door een herstel van een evenwichtig zondebesef. Maar een dergelijk herstel kan alleen maar gebeuren wanneer diezelfde mens teruggeroepen wordt naar de onaantastbare beginselen van de rede en het geloof, waar de Kerk in haar zedelijke leer altijd aan vastgehouden heeft. De hoop is gerechtvaardigd dat met name in de christelijke en kerkelijke gemeenschap weer een heilzaam zondebesef zal opbloeien. Daarvoor zullen met name nodig zijn:
- een goede catechese in het licht van de Bijbelse theologie van het Verbond,
- een open oor voor het Leergezag van de Kerk dat niet ophoudt het geweten licht te bieden, evenals een gelovige aanvaarding van dat licht;
- en tenslotte een zorgvuldiger praktisering van het Sacrament van de Bekering.
Referenties naar alinea 18: 5
Dominum et vivificantem ->=geentekst=Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Novo millennio ineunte ->=geentekst=
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Tweede hoofdstuk Het mysterie van de Godsliefde
19
Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Voor de kennis van de zonde was het nodig nader in te gaan op haar natuur, zoals die blijkt uit de openbaring van de heilseconomie: de zonde is een mysterie van ongerechtigheid. Maar in die economie van het heil is de zonde niet het belangrijkste, laat staan dat zij de overwinning zou behalen. Zij heeft immers haar tegenspeler in een ander beginsel dat in die economie werkzaam is en dat wij, naar een treffende en mooie uitdrukking van de heilige Paulus, het mysterie of sacrament van de Godsliefde kunnen noemen. De zonde van de mens zou de overwinning behalen en tenslotte vernietigende kracht krijgen, het heilsplan van God zou onvolledig zijn of zelfs verijdeld worden, als dit mysterie van de Godsliefde geen plaats gekregen had in de dynamiek van de geschiedenis teneinde de zonde van de mens te overwinnen. We vinden deze uitdrukking in één van de pastorale brieven van de heilige Paulus, in de eerste brief aan Timoteüs. Zij staat er zo maar ineens, alsof de geest er door een goddelijke ingeving opgekomen is. Eerst besteedt de apostel immers lange gedeelten van de brief aan zijn meest geliefde leerling aan de uitleg van de liturgische en daarmee verbonden hiërarchische inrichting van de gemeenschap. Vervolgens behandelt hij de taak van degene die aan het hoofd van de gemeenschap staat, vooral van de diakens, en tenslotte besteedt hij aandacht aan de manier waarop Timoteüs zich moet gedragen "in de Kerk van de levende God, pijler en grondslag van de waarheid". En dan, bijna abrupt maar met een diepe bedoeling, brengt hij tenslotte datgene ter sprake wat aan alles wat hij tot dan toe geschreven heeft pas betekenis geeft: "Ja, groot is het mysterie van de Godsliefde”. ((1 Tim. 3, 15; e.v.))[b:1 Tim. 3, 15vv] Zonder de letterlijke betekenis van deze woorden ook maar in het minst geweld aan te doen, kunnen we deze heldere theologische intuïtie van de apostel uitwerken tot een meer volledige kijk op de rol die de door hem verkondigde waarheid in de heilseconomie heeft. "Ja", zo herhalen we met hem, "groot is het mysterie van de Godsliefde", omdat het de zonde overwint. Maar wat houdt volgens de heilige Paulus deze ,pietas' of Godsliefde in?
Referenties naar alinea 19: 3
Dominum et vivificantem ->=geentekst=Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Christus zelf
20
Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Het is veelbetekenend dat Paulus, ter beschrijving van dit "mysterie van de Godsliefde", zonder enig grammaticaal verband met het voorafgaande, De lezing van de tekst biedt...De lezing van de tekst biedt daarom hier een zekere moeilijkheid, omdat het betrekkelijk voornaamwoord waarmee de aangehaalde plaats begint (homologoemenoos, vertaald met ja waarlijk', letterlijk: belijdend) niet overeenstemt met het onzijdige mysterion. Enige latere handschriften hebben de tekst gewijzigd om hem grammaticaal recht te trekken. Paulus heeft echter alleen maar naast zijn eigen woorden een eerbiedwaardige tekst geplaatst, die naar zijn mening de zaak geheel en al verduidelijkte. drie strofen van een christologische hymne aanhaalt die volgens gezaghebbende deskundigen gebruikt werd in de Helleens-christelijke gemeenschappen. Met de woorden van deze hymne, die rijk zijn aan theologische inhoud en tegelijkertijd een edele schoonheid uitstralen, beleden de gelovigen van de eerste eeuw het mysterie van Christus,
- die geopenbaard is in de waarheid van het menselijk vlees en door de Heilige Geest gesteld is tot de Rechtvaardige die zich aanbiedt voor de onrechtvaardigen;
- die verschenen is aan de engelen, boven hen verheven, en aan de volkeren verkondigd wordt als de brenger van het heil;
- in wie in de wereld geloofd wordt als in de Gezondene van de Vader, en die door de Vader als Heer ten hemel opgenomen is. De vroegste christelijke...De vroegste christelijke gemeenschap belijdt het geloof in Jezus Christus, die gekruisigd is en verheerlijkt, die de engelen aanbidden en die de Heer is. Maar wat in deze boodschap het meeste treft is dit "geopenbaard in het vlees": dat de eeuwige Zoon van God mens geworden is. Dat is het "grote mysterie".
Referenties naar alinea 20: 3
Dominum et vivificantem ->=geentekst=Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- De inzet van de Christen
21
Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Maar er is aan het mysterie van de Godsliefde nog een andere kant: aan de liefde van God jegens de Christen hoort de liefde van de Christen jegens God te beantwoorden. In deze twee betekenissen duidt de Godsliefde (eusébeia) precies op die levenswijze waarin de Christen de Vaderlijke liefde van God beantwoordt met een liefde die kinderen eigen is. Ook volgens deze betekenis kunnen we met de heilige Paulus zeggen: "Groot is het mysterie van de Godsliefde". Immers, ook in deze betekenis gaat de Godsliefde, die bekering en verzoening bewerkt, tegen de ongerechtigheid en de zonde in. Ook hier vormen de wezenlijke dimensies van het Christusmysterie de eigenlijke inhoud van de Godsliefde, in zoverre de Christen dit mysterie aanvaardt, het beschouwt en er de geestelijke kracht uit put die nodig is om een leven te leiden volgens het Evangelie. Ook hier gelden de woorden: "Wie uit God geboren is, zondigt niet", maar nu ligt er een gebiedende kracht in die woorden: door het mysterie van Christus als door een innerlijke bron van geestelijke kracht gesterkt, wordt de Christen vermaand niet te zondigen, ja ontvangt hij zelfs het gebod om niet te zondigen, om zich "in het huis Gods, dat is: in de Kerk van de levende God" (1 Tim. 3, 15)[b:1 Tim. 3, 15] waardig te gedragen, omdat hij een kind van God is.
Referenties naar alinea 21: 3
Dominum et vivificantem ->=geentekst=Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Naar een verzoend leven
22
Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Vademecum voor biechtvaders over de huwelijksmoraal ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Door ons aldus het mysterie van de Godsliefde te openbaren, openen de woorden van de heilige Schrift ons menselijk verstand voor de bekering en de verzoening, niet in de zin van verheven abstracties, maar als concrete christelijke waarden, die wij in de praktijk van ons dagelijks leven moeten zien te verwerven. Ook de mensen van deze tijd, blootgesteld als zij zijn aan het gevaar om elk besef van zonde te verliezen en soms aan de bekoring tot de weinig christelijke gedachte van de zondeloosheid, hebben het nodig om weer de vermaning van de heilige Johannes te horen, die als het ware tot ieder afzonderlijk gericht is: "Als wij beweren zonder zonde te zijn, bedriegen wij onszelf en woont de waarheid niet in ons", (1 Joh. 1, 8)[b:1 Joh. 1, 8] ja zelfs: "de hele wereld ligt in de macht van de Boze". (1 Joh. 5, 19)[b:1 Joh. 5, 19] Iedereen dus wordt door de stem van de goddelijke Waarheid vermaand om zijn geweten realistisch te onderzoeken en te belijden dat hij "met schuld belast geboren werd", zoals we in de psalm Miserere zeggen. (Ps. 51, 7)[[b:Ps. 51, 7]] Toch kunnen de mensen van deze tijd, die door angst en wanhoop worden geplaagd, zich laten opbeuren door de goddelijke belofte die hun de hoop geeft op een volledige verzoening. Het mysterie van de Godsliefde immers, is van Gods kant die barmhartigheid waaraan onze Heer en Vader - ik herhaal het nog eens - eindeloos rijk is. (Ef. 2, 4)[[b:Ef. 2, 4]] Zoals ik het in de encycliek over de goddelijke barmhartigheid vgl: Dives in Misericordia, 8,15[[[755|8.15]]] heb gezegd: zij is een liefde die sterker is dan zonde en dood. Wanneer wij merken dat de liefde waarmee God ons bejegent, voor onze zonde geen halt houdt, niet terugwijkt voor onze beledigingen maar veeleer nog toeneemt in zorgzaamheid en grootsheid van hart; wanneer wij zien dat deze liefde zo ver is gegaan dat zij het lijden en de dood teweegbracht van het Woord dat is vlees geworden en dat het op zich nam ons te verlossen door met Zijn Bloed de schuld te voldoen, dan stort ons hart zich uit in deze belijdende woorden: "Ja werkelijk, God is rijk aan erbarmen", en zullen we zelfs bevestigen: "De Heer is barmhartigheid". Het mysterie van de Godsliefde is de weg, door de goddelijke barmhartigheid geopend, naar een verzoend leven.
Referenties naar alinea 22: 4
Dominum et vivificantem ->=geentekst=Dominum et vivificantem ->=geentekst=
Vademecum voor biechtvaders over de huwelijksmoraal ->=geentekst=
Romeins Rituale - Het exorcisme ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- DEEL 3 De pastoraal van bekering en verzoening
- === Aansporing tot bekering en verzoening
23
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Krachtens haar wezen heeft de Kerk, die immers het verlossingswerk van haar goddelijke Stichter voortzet, de zending om de mens tot omkeer en bekering aan te zetten en hem het geschenk van de verzoening aan te bieden. Deze zending bestaat niet louter in het doen van theoretische uitspraken of het formuleren van een volmaakte ethiek, die weliswaar wordt voorgehouden, maar waaraan geen werkzame kracht verbonden is. Zij wil gestalte krijgen in de uitoefening van bepaalde bedieningen die beogen dat bekering en verzoening ook werkelijk in praktijk gebracht worden. Dit dienstwerk, dat gebaseerd is op de hierboven uiteengezette geloofsbeginselen, en dat nauw omschreven en door passende middelen ondersteunde doelstellingen kent, kunnen we de pastoraal van bekering en verzoening noemen. Uitgangspunt hierbij is de overtuiging van de Kerk dat de mens, tot wie zich elke vorm van pastoraal maar vooral de pastoraal van bekering en verzoening richt, de door de zonde getekende mens is, waarvan we een pregnant beeld aantreffen in koning David. Door de profeet Nathan terechtgewezen, weigert hij niet zijn misdaden te erkennen, maar belijdt hij: "Ik heb gezondigd tegen de Heer". (2 Sam. 12, 13)[b:2 Sam. 12, 13] Hij roept uit: "Ik ben mij bewust dat ik schuld heb, steeds ziet wat ik begaan heb mij aan"; (Ps. 51, 5)[b:Ps. 51, 5] maar ook vraagt hij: "Besprenkel mij met hysop en ik zal rein zijn, was mij en witter zal ik zijn dan sneeuw"; (Ps. 51, 9)[b:Ps. 51, 9] en van de goddelijke barmhartigheid krijgt hij antwoord: "De Heer heeft u uw zonde vergeven: u zult niet sterven". (2 Sam. 12, 13)[b:2 Sam. 12, 13]
Zo staat de mens, ja heel de menselijke gemeenschap, tegenover de Kerk: gewond door de zonde en tot in het binnenste van zijn wezen geraakt, maar tegelijk geneigd tot een onbedwingbaar verlangen naar bevrijding uit de zonde, en bovendien, vooral wanneer hij Christen is, ervan bewust dat het mysterie van de Godsliefde, Christus de Heer, al in hem en in de wereld werkzaam is door de kracht van de Verlossing.
Bij de vervulling van haar verzoenende taak moet de Kerk dus oog hebben voor de nauwe band die er is tussen de vergiffenis en kwijtschelding van de zonde van iedere mens, en de volledige en meest fundamentele verzoening van heel de mensheid zoals die in de Verlossing voltrokken is. Deze samenhang laat ons zien dat alleen de bekering uit de zonde in staat is om daar, waar verdeeldheid is ontstaan, weer een diepe en blijvende verzoening te bewerken. De zonde is immers het actieve beginsel van de verdeeldheid - van de breuk, in het hart en in het wezen zelf van de mens, tussen de mens en de Schepper, tussen afzonderlijke mensen en groepen, tussen de mens en de door God geschapen natuur.
Het is niet nodig om hier nog eens te herhalen wat ik al uiteengezet heb over het belang van dit "dienstwerk van de verzoening" (2 Kor. 5, 18)[[b:2 Kor. 5, 18]] en over de daarop betrekking hebbende pastoraal, waardoor dit dienstwerk concreet wordt in de gewetens en in het leven van de Kerk. Zij, de Kerk, zou in een belangrijk aspect van haar wezen falen en in een voor haar onontbeerlijke zending tekortschieten, als zij niet duidelijk en krachtig, te pas en te onpas, "de boodschap van de verzoening" (2 Kor. 5, 19)[[b:2 Kor. 5, 19]] zou verkondigen en de wereld het geschenk van de verzoening zou aanbieden. Maar wel is het goed hier te onderstrepen dat de betekenis van de kerkelijke bediening van de verzoening zich over de grenzen van de Kerk uitstrekt naar heel de wereld.
Over de pastoraal van bekering en verzoening spreken, houdt dus in dat we het gaan hebben over dat geheel van taken dat in de Kerk in al haar geledingen verricht moet worden om zowel de bekering alsook de verzoening te bevorderen. Nog concreter: spreken over deze pastoraal betekent al die activiteiten ter sprake brengen, waardoor de Kerk zich in al haar afzonderlijke ledematen - herders en gelovigen, op ieder niveau en op ieder gebied - en met alle haar ter beschikking staande middelen - in woord en daad, door onderricht en gebed - beijvert om de mensen afzonderlijk en in groepen tot een waarachtige bekering te brengen en op weg te helpen naar een volledige verzoening.
De Synodevaders hebben, als vertegenwoordigers van hun broeders in het bisschopsambt en als leiders van het hun toevertrouwde volk, zich met deze pastoraal beziggehouden in haar meest praktische en concrete elementen. Graag volg ik hen daarin en stem ik met hen in, terwijl ik hun zorg en hun hoop deel, de vruchten pluk van hun onderzoekingen en ervaringen en hen aanmoedig in hun plannen en initiatieven. Mogen zij in dit deel van deze Apostolische Exhortatie (aansporing) de bijdrage aantreffen die zij zelf aan de Synode geleverd hebben en die ik door middel van deze bladzijden voor heel de Kerk nuttig wil maken.
Vandaar dat ik meen hier het wezenlijke van de pastoraal van bekering en verzoening ter sprake te moeten brengen, en wel door met de Synode de volgende twee punten nader toe te lichten:
Zo staat de mens, ja heel de menselijke gemeenschap, tegenover de Kerk: gewond door de zonde en tot in het binnenste van zijn wezen geraakt, maar tegelijk geneigd tot een onbedwingbaar verlangen naar bevrijding uit de zonde, en bovendien, vooral wanneer hij Christen is, ervan bewust dat het mysterie van de Godsliefde, Christus de Heer, al in hem en in de wereld werkzaam is door de kracht van de Verlossing.
Bij de vervulling van haar verzoenende taak moet de Kerk dus oog hebben voor de nauwe band die er is tussen de vergiffenis en kwijtschelding van de zonde van iedere mens, en de volledige en meest fundamentele verzoening van heel de mensheid zoals die in de Verlossing voltrokken is. Deze samenhang laat ons zien dat alleen de bekering uit de zonde in staat is om daar, waar verdeeldheid is ontstaan, weer een diepe en blijvende verzoening te bewerken. De zonde is immers het actieve beginsel van de verdeeldheid - van de breuk, in het hart en in het wezen zelf van de mens, tussen de mens en de Schepper, tussen afzonderlijke mensen en groepen, tussen de mens en de door God geschapen natuur.
Het is niet nodig om hier nog eens te herhalen wat ik al uiteengezet heb over het belang van dit "dienstwerk van de verzoening" (2 Kor. 5, 18)[[b:2 Kor. 5, 18]] en over de daarop betrekking hebbende pastoraal, waardoor dit dienstwerk concreet wordt in de gewetens en in het leven van de Kerk. Zij, de Kerk, zou in een belangrijk aspect van haar wezen falen en in een voor haar onontbeerlijke zending tekortschieten, als zij niet duidelijk en krachtig, te pas en te onpas, "de boodschap van de verzoening" (2 Kor. 5, 19)[[b:2 Kor. 5, 19]] zou verkondigen en de wereld het geschenk van de verzoening zou aanbieden. Maar wel is het goed hier te onderstrepen dat de betekenis van de kerkelijke bediening van de verzoening zich over de grenzen van de Kerk uitstrekt naar heel de wereld.
Over de pastoraal van bekering en verzoening spreken, houdt dus in dat we het gaan hebben over dat geheel van taken dat in de Kerk in al haar geledingen verricht moet worden om zowel de bekering alsook de verzoening te bevorderen. Nog concreter: spreken over deze pastoraal betekent al die activiteiten ter sprake brengen, waardoor de Kerk zich in al haar afzonderlijke ledematen - herders en gelovigen, op ieder niveau en op ieder gebied - en met alle haar ter beschikking staande middelen - in woord en daad, door onderricht en gebed - beijvert om de mensen afzonderlijk en in groepen tot een waarachtige bekering te brengen en op weg te helpen naar een volledige verzoening.
De Synodevaders hebben, als vertegenwoordigers van hun broeders in het bisschopsambt en als leiders van het hun toevertrouwde volk, zich met deze pastoraal beziggehouden in haar meest praktische en concrete elementen. Graag volg ik hen daarin en stem ik met hen in, terwijl ik hun zorg en hun hoop deel, de vruchten pluk van hun onderzoekingen en ervaringen en hen aanmoedig in hun plannen en initiatieven. Mogen zij in dit deel van deze Apostolische Exhortatie (aansporing) de bijdrage aantreffen die zij zelf aan de Synode geleverd hebben en die ik door middel van deze bladzijden voor heel de Kerk nuttig wil maken.
Vandaar dat ik meen hier het wezenlijke van de pastoraal van bekering en verzoening ter sprake te moeten brengen, en wel door met de Synode de volgende twee punten nader toe te lichten:
- De middelen en wegen die de Kerk heeft ter bevordering van bekering en verzoening.
- Het sacrament dat bij uitstek het Sacrament van Bekering en Verzoening wordt genoemd.
Referenties naar alinea 23: 2
Vademecum voor biechtvaders over de huwelijksmoraal ->=geentekst=Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Eerste hoofdstuk Middelen en wegen ter bevordering van bekering en verzoening
24
Ter bevordering van de bekering en de verzoening staan de Kerk voornamelijk twee middelen ter beschikking, haar door haar Stichter zelf gegeven: de catechese en de Sacramenten. Altijd heeft de Kerk het gebruik van deze middelen beschouwd als iets dat zowel in overeenstemming is met de eisen van haar heilszending als met de eisen en geestelijke noden van de mens van alle tijden. Zij kunnen op allerlei manieren, oude zowel als nieuwe, worden aangewend, waaronder hier vooral die manier te vermelden is die we, in navolging van mijn voorganger Paulus VI, de "methode van de dialoog" kunnen noemen.
Referenties naar alinea 24: 1
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- De dialoog
25
Voor de Kerk is de dialoog in zekere zin ook een middel of weg, maar op de eerste plaats toch een methode voor haar werkzaamheid in de wereld van deze tijd.
Immers, het Tweede Vaticaans Concilie leert: "Krachtens haar zending om de gehele wereld met de boodschap van het Evangelie te verlichten en alle mensen ( ... ) in een Geest te verenigen, wordt de Kerk een teken van die broederlijkheid welke een oprechte dialoog toelaat en versterkt". En het voegt daaraan toe dat zij bereid moet zijn "een steeds vruchtbaarder dialoog op gang te brengen tussen allen die het ene volk van God vormen", Gaudium et Spes, 92[[575|92]] alsook dat zij in staat moet zijn "met de menselijke samenleving in gesprek te komen". Christus Dominus, 13[[646|13]] vgl: Gravissimum Educationis, 8[[[647|8]]] vgl: Ad Gentes Divinitus, 11-12[[[703|11-12]]]
Mijn voorganger Paulus VI heeft aan deze dialoog het grootste deel van zijn eerste encycliek gewijd, die begint met de woorden Ecclesiam Suam[91]. Daarin omschrijft en bepaalt hij de dialoog veelbetekenend als een "heilsdialoog". 3e hoofdstuk[[91]] De Kerk gebruikt de methode van de dialoog immers om de mensen - zowel degenen die door het Doopsel en de belijdenis van het geloof deel uitmaken van de christelijke gemeenschap, als degenen die niet tot haar behoren - beter tot omkeer en bekering te kunnen brengen door een diepgaande vernieuwing in eigen geweten en leven, in het licht van het verlossingsmysterie en van het heil dat Christus bewerkt heeft en dat Hij aan het dienstwerk van zijn Kerk heeft toevertrouwd. De ware dialoog is dus vóór alles gericht op ieders wedergeboorte door innerlijke omkeer en bekering, onder eerbiediging van ieders geweten en terwijl men met geduld en stap voor stap te werk gaat, wat onontbeerlijk is gezien de omstandigheden waarin de mensen van onze tijd verkeren.
Die pastorale dialoog met het oog op verzoening blijft ook vandaag de dag op allerlei terreinen en in verschillende gradaties één van de belangrijkste taken van de Kerk.
Op de eerste plaats zet zij zich in voor een oecumenische dialoog, dat wil zeggen: voor een dialoog tussen kerken en kerkelijke gemeenschappen die zich beroepen op het geloof in Christus, de Zoon van God en de enige Zaligmaker, en voor een dialoog met de andere gemeenschappen van mensen die God zoeken en naar gemeenschap met Hem verlangen.
Maar aan zo'n dialoog met de andere kerken moet, wil hij geloofwaardig en vruchtbaar zijn, een oprechte poging ten grondslag liggen om binnen de eigen katholieke Kerk voortdurend en steeds weer opnieuw de dialoog tot stand te brengen. Deze katholieke Kerk is zich ervan bewust dat zij krachtens haar aard het sacrament van een alomvattende liefdesgemeenschap Lumen Gentium, 1,9,13[[617|1.9.13]] is; maar zij heeft ook weet van de spanningen in haarzelf, die oorzaken van verdeeldheid dreigen te worden.
De bezorgde en vastberaden oproep die mijn voorganger al met het oog op het Heilig Jaar 1975 Paterna cum benevolentia[[985]] deed, blijft ook geldig voor deze tijd. Om de conflicten te overwinnen en te voorkomen dat de normale spanningen de eenheid van de Kerk schade berokkenen, moeten wij ons allemaal onder het woord van God stellen. Onder aflegging van de eigen subjectieve meningen moeten wij de waarheid daar zoeken waar zij gevonden wordt, namelijk in het woord van God en in de ware uitleg ervan zoals het Leergezag van de Kerk die geeft. In dit licht worden de eigenschappen duidelijk die de dialoog, welke in de Kerk met volharding, welwillend en oprecht gevoerd moet worden, moet hebben: luisteren naar elkaar, elkaar respecteren, zich onthouden van elk voorbarig oordeel, het geduld en het vermogen om te voorkomen dat het geloof, dat één maakt, ondergeschikt gemaakt wordt aan meningen, modeverschijnselen en ideologische stellingnamen, die verdeeldheid zaaien. Het zal duidelijk zijn dat de dialoog niet van die aard kan zijn en geen middel van verzoening kan worden, tenzij men acht slaat op het Leergezag en dat ook aanvaardt.
Wanneer zij zo daadwerkelijk haar eigen innerlijke eenheid zoekt, kan de katholieke Kerk ook haar oproep tot verzoening richten, zoals zij al sinds lang doet, aan de andere christelijke kerken met wie zij niet in volledige gemeenschap staat, evenals aan de andere, niet-christelijke godsdiensten, ja zelfs aan degene die met een oprecht hart nog op zoek zijn naar God.
In het licht van het Concilie en van de uitoefening van het Leergezag door mijn voorgangers, wier kostbare nalatenschap ik overgenomen heb en tracht te verwezenlijken, kan ik bevestigen dat de Kerk getrouw, zonder lichtvaardig optimisme maar ook zonder wantrouwen, zonder te twijfelen of te aarzelen haar bijdrage levert aan het oecumenisch gesprek. De volgende grondregels probeert zij daarbij in acht te nemen: enerzijds de overtuiging dat alleen een geestelijk oecumenisme, één dat steunt op het gezamenlijke gebed en op de gezamenlijke volgzaamheid jegens de Heer, het mogelijk maakt om oprecht en serieus te beantwoorden aan alle overige vereisten van de oecumenische activiteit; vgl: Unitatis Redintegratio, 7-8[[[618|7-8]]] anderzijds echter de overtuiging dat een gemakkelijk irenisme op leerstellig en met name op dogmatisch gebied wellicht tot een oppervlakkig en weinig duurzaam samengaan kan leiden, maar niet tot die diepe en blijvende gemeenschap waar we allemaal naar verlangen. Deze gemeenschap zal pas dan bereikt worden wanneer de goddelijke Voorzienigheid dat wil. Voor wat haar zelf betreft, weet de katholieke Kerk dat zij, om dit te bereiken, open en ontvankelijk moet zijn voor "alle echt christelijke waarden uit het gemeenschappelijk erfgoed die bij de gescheiden broeders worden aangetroffen", vgl: Unitatis Redintegratio, 4[[[618|4]]] maar ook dat een oprechte en constructieve dialoog gebaseerd moet zijn op helderheid van uitgangspunten, op trouw en op overeenstemming met het geloof zoals dat overgeleverd en gedefinieerd is in een constante traditie van haar Leergezag. Ondanks het gevaar van een zeker defaitisme en ondanks de onvermijdelijke traagheid, die zich overigens door onbezonnenheid nooit laat verhelpen, gaat de katholieke Kerk samen met de andere christelijke broeders toch door met het zoeken naar wegen van eenheid en naar een oprecht gesprek met de volgelingen van de andere godsdiensten. Moge deze dialoog met de andere godsdiensten leiden tot de overwinning van iedere vorm van vijandigheid, van wantrouwen van onderlinge veroordeling en ruzie. Alleen op deze voorwaarde is het mogelijk tot elkaar te komen, minstens in het geloof in de ene God en in de overtuiging van een eeuwig leven voor de onsterfelijke ziel. Moge God vooral geven dat de oecumenische dialoog mag leiden tot een verzoening met de andere christelijke kerken in alles wat wij met hen gemeen hebben: het geloof in Jezus Christus, de Zoon van God die is Mensgeworden, de Zaligmaker en Heer, het luisteren naar het Woord van God, de studie van de Openbaring, het Sacrament van het Doopsel.
In de mate dat de Kerk in haar eigen midden een werkzame eendracht, een eenheid in verscheidenheid tot stand weet te brengen, en voor de andere kerken en kerkelijke gemeenschappen, evenals voor de andere godsdiensten een nederige getuige en bewerkster van verzoening weet te zijn, wordt zij zelf, volgens een veelbetekenende uitdrukking van de heilige Augustinus, "een verzoende wereld". 96, VII, 8: PL 38, 588[[850]] Pas dan immers zal zij in de wereld en voor de wereld een teken van verzoening kunnen zijn.
Bewust als zij zich is van de uitermate ernstige situatie die ontstaan is door de krachten van de verdeeldheid en van de oorlog, een situatie die niet slechts het evenwicht en de verstandhouding tussen de naties dreigt te verstoren, maar die tevens een ernstige bedreiging inhoudt voor de overleving van de mensheid, voelt de Kerk zich verplicht haar eigen bijdrage en hulp te verlenen bij de overwinning van conflicten en bij het herstellen van de eendracht.
Het gaat hier om een ingewikkelde en delicate dialoog van verzoening, waarvoor de Kerk zich vooral inzet door middel van de activiteiten van de Heilige Stoel en zijn diverse organen. De Heilige Stoel streeft ernaar om daar waar conflicten bestaan de verzoening te bevorderen, hetzij door haar gezag aan te wenden bij nationale regeringen of verantwoordelijken van internationale instellingen, hetzij door met hen een dialoog aan te gaan of hen aan te sporen met elkaar in dialoog te treden. De Kerk doet dit niet met bijbedoelingen of vanuit verborgen eigenbelangen - die heeft zij immers niet - maar vanuit een "bezorgdheid om de mensheid". vgl: De eerlijke dialoog voor de vrede als gedragslijn van de Heilige Stoel en model van zijn diplomatieke activiteit, 4,6,11[[[3168|4.6.11]]] Daarom zet zij haar geheel eigen institutionele structuur en moreel gezag in voor de dienst van de eendracht en de vrede. Ze doet dat met name vanuit de overtuiging dat, zoals "in de oorlog twee partijen elkaars tegenstanders zijn", er zo ook "in de zaak van de vrede noodzakelijk altijd twee partijen zijn die er zich voor moeten inzetten", en dat daarin "de ware betekenis ligt van de dialoog voor de vrede". Bij de viering van de 16e Werelddag van de vrede, (6)[[3169|(6)]]
In de dialoog voor de verzoening werkt de Kerk ook via de bisschoppen, volgens hun eigen gezag en verantwoordelijkheid, hetzij door ieders bestuursmacht en verantwoordelijkheid in de respectievelijke particuliere kerken, hetzij gezamenlijk in de bisschoppenconferenties, met medewerking van de priesters en alle leden van de christelijke gemeenschappen. Zij vervullen hun taak met zorgvuldige toeleg wanneer zij die noodzakelijke dialoog bevorderen en tevens de menselijke en christelijke vereisten voor verzoening en vrede verkondigen. De leken, die "de wijde en moeilijke wereld van de politiek, het maatschappelijke leven, de economie en de internationale betrekkingen als eigen terrein van evangelisatie hebben", Evangelii Nuntiandi, 70[[519|70]] worden aangespoord om zich rechtstreeks aan de dialoog voor de verzoening te wijden of deze te bevorderen. Ook door middel van hen verricht de Kerk haar verzoenende activiteit.
In de vernieuwing van de harten door omkeer en bekering ligt dus de grondvoorwaarde en de zekere grondslag ter verkrijging van elke sociale vernieuwing en van de vrede tussen de volkeren. Tenslotte moet nog onderstreept worden dat de dialoog, voor wat betreft de Kerk en haar ledematen, in welke vorm zij ook wordt gevoerd - en dat kunnen heel verschillende vormen zijn vanwege de analoge betekenis van het begrip ,dialoog' - nooit mag voortkomen vanuit een onverschillige houding ten opzichte van de waarheid, maar deze veeleer moet aantonen, in alle sereniteit en met respect voor de wijsheid en het geweten van de anderen. De dialoog van de verzoening zal echter nooit de verkondiging van de evangelische waarheid mogen vervangen of verzwakken, die de bekering van de zondaar beoogt en zijn gemeenschap met Christus en de Kerk, maar zal moeten dienen voor de overdracht van die evangelische waarheid, opdat zij in een praktijk van leven wordt omgezet met behulp van de middelen die Christus aan zijn Kerk heeft nagelaten voor de pastoraal van de verzoening: de catechese en de werken van bekering.
Immers, het Tweede Vaticaans Concilie leert: "Krachtens haar zending om de gehele wereld met de boodschap van het Evangelie te verlichten en alle mensen ( ... ) in een Geest te verenigen, wordt de Kerk een teken van die broederlijkheid welke een oprechte dialoog toelaat en versterkt". En het voegt daaraan toe dat zij bereid moet zijn "een steeds vruchtbaarder dialoog op gang te brengen tussen allen die het ene volk van God vormen", Gaudium et Spes, 92[[575|92]] alsook dat zij in staat moet zijn "met de menselijke samenleving in gesprek te komen". Christus Dominus, 13[[646|13]] vgl: Gravissimum Educationis, 8[[[647|8]]] vgl: Ad Gentes Divinitus, 11-12[[[703|11-12]]]
Mijn voorganger Paulus VI heeft aan deze dialoog het grootste deel van zijn eerste encycliek gewijd, die begint met de woorden Ecclesiam Suam[91]. Daarin omschrijft en bepaalt hij de dialoog veelbetekenend als een "heilsdialoog". 3e hoofdstuk[[91]] De Kerk gebruikt de methode van de dialoog immers om de mensen - zowel degenen die door het Doopsel en de belijdenis van het geloof deel uitmaken van de christelijke gemeenschap, als degenen die niet tot haar behoren - beter tot omkeer en bekering te kunnen brengen door een diepgaande vernieuwing in eigen geweten en leven, in het licht van het verlossingsmysterie en van het heil dat Christus bewerkt heeft en dat Hij aan het dienstwerk van zijn Kerk heeft toevertrouwd. De ware dialoog is dus vóór alles gericht op ieders wedergeboorte door innerlijke omkeer en bekering, onder eerbiediging van ieders geweten en terwijl men met geduld en stap voor stap te werk gaat, wat onontbeerlijk is gezien de omstandigheden waarin de mensen van onze tijd verkeren.
Die pastorale dialoog met het oog op verzoening blijft ook vandaag de dag op allerlei terreinen en in verschillende gradaties één van de belangrijkste taken van de Kerk.
Op de eerste plaats zet zij zich in voor een oecumenische dialoog, dat wil zeggen: voor een dialoog tussen kerken en kerkelijke gemeenschappen die zich beroepen op het geloof in Christus, de Zoon van God en de enige Zaligmaker, en voor een dialoog met de andere gemeenschappen van mensen die God zoeken en naar gemeenschap met Hem verlangen.
Maar aan zo'n dialoog met de andere kerken moet, wil hij geloofwaardig en vruchtbaar zijn, een oprechte poging ten grondslag liggen om binnen de eigen katholieke Kerk voortdurend en steeds weer opnieuw de dialoog tot stand te brengen. Deze katholieke Kerk is zich ervan bewust dat zij krachtens haar aard het sacrament van een alomvattende liefdesgemeenschap Lumen Gentium, 1,9,13[[617|1.9.13]] is; maar zij heeft ook weet van de spanningen in haarzelf, die oorzaken van verdeeldheid dreigen te worden.
De bezorgde en vastberaden oproep die mijn voorganger al met het oog op het Heilig Jaar 1975 Paterna cum benevolentia[[985]] deed, blijft ook geldig voor deze tijd. Om de conflicten te overwinnen en te voorkomen dat de normale spanningen de eenheid van de Kerk schade berokkenen, moeten wij ons allemaal onder het woord van God stellen. Onder aflegging van de eigen subjectieve meningen moeten wij de waarheid daar zoeken waar zij gevonden wordt, namelijk in het woord van God en in de ware uitleg ervan zoals het Leergezag van de Kerk die geeft. In dit licht worden de eigenschappen duidelijk die de dialoog, welke in de Kerk met volharding, welwillend en oprecht gevoerd moet worden, moet hebben: luisteren naar elkaar, elkaar respecteren, zich onthouden van elk voorbarig oordeel, het geduld en het vermogen om te voorkomen dat het geloof, dat één maakt, ondergeschikt gemaakt wordt aan meningen, modeverschijnselen en ideologische stellingnamen, die verdeeldheid zaaien. Het zal duidelijk zijn dat de dialoog niet van die aard kan zijn en geen middel van verzoening kan worden, tenzij men acht slaat op het Leergezag en dat ook aanvaardt.
Wanneer zij zo daadwerkelijk haar eigen innerlijke eenheid zoekt, kan de katholieke Kerk ook haar oproep tot verzoening richten, zoals zij al sinds lang doet, aan de andere christelijke kerken met wie zij niet in volledige gemeenschap staat, evenals aan de andere, niet-christelijke godsdiensten, ja zelfs aan degene die met een oprecht hart nog op zoek zijn naar God.
In het licht van het Concilie en van de uitoefening van het Leergezag door mijn voorgangers, wier kostbare nalatenschap ik overgenomen heb en tracht te verwezenlijken, kan ik bevestigen dat de Kerk getrouw, zonder lichtvaardig optimisme maar ook zonder wantrouwen, zonder te twijfelen of te aarzelen haar bijdrage levert aan het oecumenisch gesprek. De volgende grondregels probeert zij daarbij in acht te nemen: enerzijds de overtuiging dat alleen een geestelijk oecumenisme, één dat steunt op het gezamenlijke gebed en op de gezamenlijke volgzaamheid jegens de Heer, het mogelijk maakt om oprecht en serieus te beantwoorden aan alle overige vereisten van de oecumenische activiteit; vgl: Unitatis Redintegratio, 7-8[[[618|7-8]]] anderzijds echter de overtuiging dat een gemakkelijk irenisme op leerstellig en met name op dogmatisch gebied wellicht tot een oppervlakkig en weinig duurzaam samengaan kan leiden, maar niet tot die diepe en blijvende gemeenschap waar we allemaal naar verlangen. Deze gemeenschap zal pas dan bereikt worden wanneer de goddelijke Voorzienigheid dat wil. Voor wat haar zelf betreft, weet de katholieke Kerk dat zij, om dit te bereiken, open en ontvankelijk moet zijn voor "alle echt christelijke waarden uit het gemeenschappelijk erfgoed die bij de gescheiden broeders worden aangetroffen", vgl: Unitatis Redintegratio, 4[[[618|4]]] maar ook dat een oprechte en constructieve dialoog gebaseerd moet zijn op helderheid van uitgangspunten, op trouw en op overeenstemming met het geloof zoals dat overgeleverd en gedefinieerd is in een constante traditie van haar Leergezag. Ondanks het gevaar van een zeker defaitisme en ondanks de onvermijdelijke traagheid, die zich overigens door onbezonnenheid nooit laat verhelpen, gaat de katholieke Kerk samen met de andere christelijke broeders toch door met het zoeken naar wegen van eenheid en naar een oprecht gesprek met de volgelingen van de andere godsdiensten. Moge deze dialoog met de andere godsdiensten leiden tot de overwinning van iedere vorm van vijandigheid, van wantrouwen van onderlinge veroordeling en ruzie. Alleen op deze voorwaarde is het mogelijk tot elkaar te komen, minstens in het geloof in de ene God en in de overtuiging van een eeuwig leven voor de onsterfelijke ziel. Moge God vooral geven dat de oecumenische dialoog mag leiden tot een verzoening met de andere christelijke kerken in alles wat wij met hen gemeen hebben: het geloof in Jezus Christus, de Zoon van God die is Mensgeworden, de Zaligmaker en Heer, het luisteren naar het Woord van God, de studie van de Openbaring, het Sacrament van het Doopsel.
In de mate dat de Kerk in haar eigen midden een werkzame eendracht, een eenheid in verscheidenheid tot stand weet te brengen, en voor de andere kerken en kerkelijke gemeenschappen, evenals voor de andere godsdiensten een nederige getuige en bewerkster van verzoening weet te zijn, wordt zij zelf, volgens een veelbetekenende uitdrukking van de heilige Augustinus, "een verzoende wereld". 96, VII, 8: PL 38, 588[[850]] Pas dan immers zal zij in de wereld en voor de wereld een teken van verzoening kunnen zijn.
Bewust als zij zich is van de uitermate ernstige situatie die ontstaan is door de krachten van de verdeeldheid en van de oorlog, een situatie die niet slechts het evenwicht en de verstandhouding tussen de naties dreigt te verstoren, maar die tevens een ernstige bedreiging inhoudt voor de overleving van de mensheid, voelt de Kerk zich verplicht haar eigen bijdrage en hulp te verlenen bij de overwinning van conflicten en bij het herstellen van de eendracht.
Het gaat hier om een ingewikkelde en delicate dialoog van verzoening, waarvoor de Kerk zich vooral inzet door middel van de activiteiten van de Heilige Stoel en zijn diverse organen. De Heilige Stoel streeft ernaar om daar waar conflicten bestaan de verzoening te bevorderen, hetzij door haar gezag aan te wenden bij nationale regeringen of verantwoordelijken van internationale instellingen, hetzij door met hen een dialoog aan te gaan of hen aan te sporen met elkaar in dialoog te treden. De Kerk doet dit niet met bijbedoelingen of vanuit verborgen eigenbelangen - die heeft zij immers niet - maar vanuit een "bezorgdheid om de mensheid". vgl: De eerlijke dialoog voor de vrede als gedragslijn van de Heilige Stoel en model van zijn diplomatieke activiteit, 4,6,11[[[3168|4.6.11]]] Daarom zet zij haar geheel eigen institutionele structuur en moreel gezag in voor de dienst van de eendracht en de vrede. Ze doet dat met name vanuit de overtuiging dat, zoals "in de oorlog twee partijen elkaars tegenstanders zijn", er zo ook "in de zaak van de vrede noodzakelijk altijd twee partijen zijn die er zich voor moeten inzetten", en dat daarin "de ware betekenis ligt van de dialoog voor de vrede". Bij de viering van de 16e Werelddag van de vrede, (6)[[3169|(6)]]
In de dialoog voor de verzoening werkt de Kerk ook via de bisschoppen, volgens hun eigen gezag en verantwoordelijkheid, hetzij door ieders bestuursmacht en verantwoordelijkheid in de respectievelijke particuliere kerken, hetzij gezamenlijk in de bisschoppenconferenties, met medewerking van de priesters en alle leden van de christelijke gemeenschappen. Zij vervullen hun taak met zorgvuldige toeleg wanneer zij die noodzakelijke dialoog bevorderen en tevens de menselijke en christelijke vereisten voor verzoening en vrede verkondigen. De leken, die "de wijde en moeilijke wereld van de politiek, het maatschappelijke leven, de economie en de internationale betrekkingen als eigen terrein van evangelisatie hebben", Evangelii Nuntiandi, 70[[519|70]] worden aangespoord om zich rechtstreeks aan de dialoog voor de verzoening te wijden of deze te bevorderen. Ook door middel van hen verricht de Kerk haar verzoenende activiteit.
In de vernieuwing van de harten door omkeer en bekering ligt dus de grondvoorwaarde en de zekere grondslag ter verkrijging van elke sociale vernieuwing en van de vrede tussen de volkeren. Tenslotte moet nog onderstreept worden dat de dialoog, voor wat betreft de Kerk en haar ledematen, in welke vorm zij ook wordt gevoerd - en dat kunnen heel verschillende vormen zijn vanwege de analoge betekenis van het begrip ,dialoog' - nooit mag voortkomen vanuit een onverschillige houding ten opzichte van de waarheid, maar deze veeleer moet aantonen, in alle sereniteit en met respect voor de wijsheid en het geweten van de anderen. De dialoog van de verzoening zal echter nooit de verkondiging van de evangelische waarheid mogen vervangen of verzwakken, die de bekering van de zondaar beoogt en zijn gemeenschap met Christus en de Kerk, maar zal moeten dienen voor de overdracht van die evangelische waarheid, opdat zij in een praktijk van leven wordt omgezet met behulp van de middelen die Christus aan zijn Kerk heeft nagelaten voor de pastoraal van de verzoening: de catechese en de werken van bekering.
Referenties naar alinea 25: 1
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- De catechese
26
In heel dat uitgestrekte gebied, waarop de Kerk krachtens haar zending werkzaam hoort te zijn door middel van de dialoog, richt zij zich in haar pastoraal van bekering en verzoening ook tot de ledematen van het lichaam van de Kerk. Dat gebeurt met name in een passende catechese over de twee onderscheiden maar elkaar aanvullende werkelijkheden van de bekering en de verzoening. De Synodevaders hechtten daar een bijzonder belang aan en hebben dat in sommige van hun laatste voorstellen onderstreept. Het eerste middel dat moet worden aangewend, is derhalve de catechese. Nu ligt aan deze zo ter zake doende aanbeveling van de Synode iets heel fundamenteels ten grondslag: pastoraal bezig zijn is niet tegengesteld aan onderricht geven in de leer, noch kan men in zijn pastorale werk voorbijgaan aan de leerstellige inhoud, waaraan het immers zijn wezenlijke vitaliteit en kracht ontleent. Trouwens, als de Kerk "pijler en grondslag van de waarheid" (1 Tim. 3, 15)[b:1 Tim. 3, 15] is en als Moeder en Meesteres in de wereld staat, hoe zou zij dan haar taak kunnen verzuimen om onderricht te geven in de waarheid die de weg ten leven vormt? Van de herders van de Kerk wordt op de eerste plaats een catechese over de verzoening verwacht. Een dergelijke catechese moet gebaseerd zijn op de Bijbelse leer, met name van het Nieuwe Testament, over de noodzaak om het Verbond met God te herstellen in Christus, de Verlosser en Verzoener, en over de noodzaak om, in het licht van deze gemeenschap en vriendschap en als uitbreiding daarvan, zich met zijn broeder te verzoenen, zelfs wanneer men daarvoor het brengen van een offer moet onderbreken. (Mt. 5, 23)[[b:Mt. 5, 23]] Jezus dringt meer dan eens op deze broederlijke verzoening aan: bijvoorbeeld wanneer Hij aanspoort om degene die ons slaat, de andere wang toe te keren, en om degene die ons het onderkleed heeft afgenomen, ook het bovenkleed te laten; (Mt. 5, 38-40)[[b:Mt. 5, 38-40]] of wanneer Hij de wet van de vergeving inprent: dat ieder vergeving ontvangt in de mate dat hij zelf vergeeft; (Mt. 6, 12)[[b:Mt. 6, 12]] en wanneer Hij beveelt om zelfs de vijand vergeving te schenken, (Mt. 5, 43)[[b:Mt. 5, 43]] of waar Hij het over de vergeving heeft die zeventig maal zeven keer gegeven moet worden, (Mt. 18, 21)[[b:Mt. 18, 21]] wat in feite betekent: zonder enige beperking. Slechts waar deze voorwaarden vervuld worden, wat alleen maar mogelijk is in een echt evangelisch klimaat, kan een echte verzoening tot stand komen tussen mensen onderling, tussen gezinnen, tussen gemeenschappen, naties en volkeren. De catechese die vanuit deze Bijbelse gegevens met betrekking tot verzoening ontstaat, is uiteraard van theologisch gehalte, maar zij zal in haar synthese ook elementen uit de psychologie, de sociologie en de andere menswetenschappen verwerken, in zoverre die ertoe kunnen bijdragen een en ander te verhelderen, de problemen juist te stellen, en de toehoorders of lezers tot gedegen besluiten te brengen. Bovendien wordt van de herders van de Kerk een catechese over de bekering verwacht. Ook hiervan moet de rijkdom van de Bijbelse boodschap de bron zijn. Deze boodschap onderstreept in de bekering (paenitentia) vooral de waarde van de omkeer (conversio), een woord waarmee men de term metanoia (Mc. 1, 4.14; Mt. 3, 2; Mt. 4, 17; Lc. 3,8)[[b:Mc. 1, 4.14; Mt. 3, 2; Mt. 4, 17; Lc. 3,8]] van de Griekse tekst probeert weer te geven waarvan de betekenis letterlijk is dat de geest omgedraaid wordt en naar God toegekeerd. Overigens komen deze beide grondbetekenissen ook naar voren in de gelijkenis van de verloren en weer teruggevonden zoon: namelijk enerzijds het "tot nadenken komen" (letterlijk: tot zichzelf terugkeren), (Lc. 15, 17)[[b:Lc. 15, 17]] en anderzijds het plan om naar de vader terug te gaan. Er kan geen verzoening zijn zonder deze fundamentele gesteltenissen van de omkeer. Het is aan de catechese om ze uit te leggen aan de hand van concrete begrippen en in termen die aangepast zijn aan de verschillende leeftijden en de uiteenlopende culturele, zedelijke en maatschappelijke omstandigheden. Deze eerste waarde van de bekering zet zich voort in een tweede. Bekering houdt immers ook in dat het iemand spijt. Deze dubbele betekenis van het woord metanoia komt naar voren in het veelbetekenende gebod van Jezus: "Als uw broeder (...) zich bekeert (in de betekenis van: zich weer tot u keert), vergeef hem dan. En al misdoet hij zevenmaal per dag tegen u, maar zevenmaal ook keert hij zich weer tot u met de woorden: het spijt me, dan moet ge hem vergeven". (Lc. 17, 3-4)[b:Lc. 17, 3-4] Een goede catechese zal duidelijk maken dat ergens spijt van hebben, net als de omkeer, beslist geen oppervlakkige gemoedsaandoening is, maar een echte omwenteling van het hart. (Mt. 3, 2; Mc. 1, 2-6; Lc. 3, 1-6)[[b:Mt. 3, 2; Mc. 1, 2-6; Lc. 3, 1-6]] Er ligt nog een derde waarde in de bekering, de beweging namelijk waardoor de genoemde gesteltenissen van de omkeer en de spijt zich naar buiten toe uiten: het boete doen. Deze betekenis is goed te herkennen in de manier waarop, volgens de tekst van de synoptici, de Voorloper het woord metanoia gebruikt. Boete doen betekent vooral: het evenwicht en de harmonie herstellen die door de zonde waren verstoord, van richting veranderen, ook waar dit toeleg vraagt op het verloochenen van zichzelf. In een tijd als de onze, nu de toonaangevende houdingen in de psychologie en in het maatschappelijk leven zo tegen de toegelichte drievoudige waarde indruisen, is een zo volledig en passend mogelijke catechese over de bekering onmisbaar: voor de huidige mens lijkt het pijnlijker en moeilijker dan ooit om zijn fouten te erkennen, om te besluiten op zijn schreden terug te keren en zijn weg pas na koersverandering te hervatten. Hij lijkt allerminst geneigd om te zeggen "het spijt me" of "het doet me leed". Instinctief en dikwijls onweerstaanbaar lijkt hij alles af te wijzen wat te maken heeft met bekering in de zin van het aanvaarden van een boete die men ondergaat om een zonde goed te maken. In dat verband zou ik willen onderstrepen dat de boetepraktijk van de Kerk, ook al is zij sinds enige tijd verzacht, niet opgegeven kan worden zonder ernstige schade voor het innerlijk leven van de Christenen en de kerkelijke gemeenschap, evenals voor hun vermogen tot missionaire uitstraling. Niet zelden immers staan niet-Christenen verbaasd over het geringe getuigenis van echte boete bij de leerlingen van Christus. Het moge overigens duidelijk zijn dat christelijke boete pas dan echt is als zij uit liefde voortkomt en niet alleen uit vrees, als zij de serieuze poging inhoudt om "de oude mens" te kruisigen opdat door de kracht van Christus de "nieuwe mens" geboren kan worden; als zij het voorbeeld volgt van Christus, die, hoewel Hij onschuldig was, de weg van de armoede en het geduld, van de soberheid en, zo kan men zeggen, van het boetvaardige leven gekozen heeft. Verder wordt van de herders van de Kerk, zoals de Synode onderstreept heeft, een catechese verwacht over het geweten en zijn vorming. Ook dit thema is uiterst actueel, gezien het feit dat dit innerlijke heiligdom, dit binnenste van de mens dat zijn geweten is, door de schokken waaraan de hedendaagse cultuur is blootgesteld, maar al te vaak belaagd en bekoord, verward en verduisterd wordt. Voor een wijze catechese over het geweten kunnen kostbare richtlijnen gevonden worden bij de kerkvaders evenals in de theologie van het Tweede Vaticaans Concilie, met name in de twee documenten over de Kerk in de wereld van deze tijd vgl: Gaudium et Spes, 8,16,19,36,41,48[[[575|8.16.19.36.41.48]]] en over de godsdienstvrijheid. vgl: Nostra Aetate[[[610]]] In deze materie heeft ook Paulus VI dikwijls het woord genomen om de eigen aard van het geweten en zijn rol in ons leven te verduidelijken. vgl: Het morele geweten vormen in de periode van de Veertigdagentijd[[[3201]]] vgl: Is het gemakkelijk te leven naar de christelijke moraal in deze tijd?[[[3202]]] vgl: Ons geweten en ons hart[[[3203]]] vgl: Morele geweten moet God als doel hebben van de logische en ontologische principes[[[3214]]] vgl: Het enige principe en leidraad voor een effectief christelijk leven[[[3215]]] vgl: Het morele geweten is de hoogste norm[[[3216]]] vgl: Het Sacrament van de Biecht is gegeven voor de innerlijke vrede[[[3217]]] vgl: Versterking van het morele geweten[[[3218]]] In zijn voetspoor laat ik zelf geen gelegenheid voorbijgaan om dit uitermate belangrijke aspect van de grootheid en waardigheid van de mens toe te lichten, vgl: Angelus, (1)[[[3170|(1)]]] dit "soort van morele zintuig, dat ons in staat stelt het goede te onderscheiden van het kwade, ... als een innerlijk oog, een gezichtsvermogen van de geest, waardoor onze schreden op de weg van het goede geleid kunnen worden", waarbij ik de noodzaak benadruk van een christelijke vorming van het eigen geweten, opdat het geen "kracht wordt die het ware mens-zijn van de persoon ten gronde richt, terwijl het de heilige plaats zou moeten zijn waar God aan de mens laat zien wat echt goed voor hem is". vgl: Audientie, (1-3)[[[3171|(1-3)]]] Van de herders van de Kerk wordt tenslotte ook een catechese verwacht over enkele andere, voor de verzoening niet minder belangrijke kwesties:
- Over het zondebesef dat, zoals gezegd, bij de mensen van onze tijd danig verzwakt is.
- Over de beproeving en de bekoringen: de Heer Jezus zelf, de Zoon van God, "op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde", (Hebr. 4, 15)[b:Hebr. 4, 15] heeft door de Boze op de proef gesteld willen worden (Mt. 4, 1-11; Mc. 1, 12; Lc. 4, 1-13)[[b:Mt. 4, 1-11; Mc. 1, 12; Lc. 4, 1-13]] om daarmee duidelijk te maken dat ook zijn volgelingen, precies zoals Hij, aan bekoring blootgesteld zouden zijn, en om te leren hoe men zich in de bekoring moet gedragen. Voor iemand die de Vader bidt om niet boven zijn kunnen beproefd te worden (1 Kor. 10, 13)[[b:1 Kor. 10, 13]] en niet in bekoring te worden geleid, (Mt. 6, 13; Lc. 11, 4)[[b:Mt. 6, 13; Lc. 11, 4]] en die zichzelf niet aan gelegenheden blootstelt, voor zo iemand betekent het ondergaan van een bekoring niet meteen dat hij al gezondigd heeft; het biedt hem veeleer de gelegenheid om te groeien in trouw en volharding door nederigheid en waakzaamheid.
- Over het vasten: dat op oude en nieuwe manieren kan gebeuren als een teken van bekering, spijt en persoonlijke versterving, en tegelijk van vereniging met de gekruisigde Christus, als een teken ook van solidariteit met de hongerenden en lijdenden.
- Over de aalmoes, die een middel is tot concrete naastenliefde, waarbij men wat men heeft, deelt met degene die lijdt onder de gevolgen van de armoede.
- Over de nauwe band tussen de overwinning van de verdeeldheid in de wereld met de volle gemeenschap met God en tussen de mensen onderling, wat het uiteindelijke doel is van de Kerk.
- Over de concrete situaties waarin de verzoening tot stand moet komen (het gezin, de samenleving, de maatschappelijke structuren), en met name over die vier vormen van verzoening waardoor de vier voornaamste vormen van gebrokenheid worden genezen: de verzoening van de mens met God, met zichzelf, met zijn broeders en met de schepping.
Referenties naar alinea 26: 1
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- De sacramenten
27
Het tweede door God ingesteld middel dat door de Kerk aan de pastoraal van bekering en verzoening wordt aangeboden, is gelegen in de Sacramenten. De mysterievolle dynamiek van de Sacramenten, zo rijk aan symboliek en onderricht, kan bezien worden vanuit een aspect dat niet altijd belicht wordt: niet alleen bevat elk Sacrament zijn eigen genade, maar is daarnaast ook teken van bekering en verzoening, waardoor deze geestesgesteltenissen zich in elk van hen laten beleven.
Zo is de Doop een heilzaam bad dat, zoals de heilige Petrus leert, "niet de verwijdering van lichamelijke onreinheid, maar de verbintenis met God van een goed geweten" (1 Pt. 3, 21)[b:1 Pt. 3, 21] beoogt. Het is een sterven, begraven worden en verrijzen met Christus, die gestorven, begraven en verrezen is. (Rom. 6, 3 vv)[[b:Rom. 6, 3 vv]](Kol. 2, 12)[[b:Kol. 2, 12]] Het is een gave van de Heilige Geest door Christus. (Mt. 3, 11; Lc. 3, 16; Joh. 1, 33; Hand. 1, 5; Hand. 11, 16)[[b:Mt. 3, 11; Lc. 3, 16; Joh. 1, 33; Hand. 1, 5; Hand. 11, 16]] Dit aspect, dat voor het christelijke Doopsel wezenlijk en primair is, neemt niet weg maar verrijkt juist het bekeringsaspect dat al aanwezig is in het doopsel dat Jezus zelf van Johannes ontvangt "om heel de gerechtigheid te vervullen": (Mt. 3, 15)[[b:Mt. 3, 15]] het Doopsel namelijk als act van bekering en van herstel van de geordende verhouding met God, met wegneming van de smet van de erfzonde en, als gevolg daarvan, als invoeging in het grote gezin van de verzoenden.
Zo ook het Vormsel. Als bevestiging van het Doopsel en, als initiatiesacrament samen met het Doopsel, verleent het de volheid van de Heilige Geest en brengt het het christelijk leven tot wasdom. Zo betekent en bewerkt het tegelijkertijd een grotere bekering van het hart en een inniger en daadwerkelijker toebehoren tot de gemeenschap van verzoenden die de Kerk van Christus is.
De door de heilige Augustinus overgeleverde bepaling van de Eucharistie als Sacrament van Godsliefde, teken van eenheid en band van liefde, 26, 13: CCL 36, 266[[859]] maakt heel duidelijk dat zij de heiliging van iedere mens persoonlijk (wat met de Godsliefde wordt aangeduid) en de verzoening van de gemeenschap (wat met eenheid en liefde bedoeld wordt) bewerkt. Dat vloeit voort uit het wezen zelf van het eucharistisch mysterie als onbloedige vernieuwing van het kruisoffer, bron van heil en verzoening voor alle mensen. Toch moet er hier aan herinnerd worden dat de Kerk, geleid door het geloof in dit verheven Sacrament, leert dat geen enkele Christen die zich van een zware zonde bewust is, de Eucharistie mag nuttigen voordat hij Gods vergeving ontvangen heeft. Zoals we kunnen lezen in de Instructie die begint met de woorden Eucharisticum Mysterium[1560] en die door Paulus VI op de vereiste wijze werd goedgekeurd. Daarin wordt de leer van het Concilie van Trente ten volle bevestigd: "De Eucharistie worde aan de gelovigen ook voorgehouden ‘als een tegengif waardoor wij bevrijd worden van de schuld die wij dagelijks oplopen en behoed tegen zware zonden', en men geve hun een goede manier om de wezenlijke onderdelen van de liturgie van de Mis goed te benutten. ‘Degene die wil communiceren moet men herinneren aan het voorschrift dat wij onszelf moeten onderzoeken. (1 Kor. 11, 28)[b:1 Kor. 11, 28] Het kerkelijke gebruik maakt duidelijk dat een dergelijk onderzoek nodig is, aangezien niemand die zich van een doodzonde bewust is zonder voorafgaande sacramentele biecht tot de heilige Eucharistie mag naderen, al meent hij ook nog zo'n groot berouw te hebben.' Wanneer de nood dringt en er geen biechtvader aanwezig is, moet hij eerst een act van volmaakt berouw opwekken". Eucharisticum Mysterium, 35[[1560|35]]
Het Wijdingssacrament vervolgens, beoogt aan de Kerk herders te geven, die niet alleen geroepen zijn om leraars en leiders te zijn, maar ook om de getuigen en bewerkers te zijn van de eenheid, de opbouwers van Gods gezin, en tevens de verdedigers en beschermers van de gemeenschapsband in dat gezin tegen de kiemen van verdeeldheid en verstrooiing.
Wat het Sacrament van het Huwelijk betreft: als verheffing van de menselijke liefde onder de impuls van de genade, is het een teken van de liefde van Christus voor de Kerk, maar ook van de overwinning, die Hij de gehuwden schenkt, op de krachten die de liefde vervormen en vernietigen. Zo wordt het gezin dat uit dit Sacrament ontstaat ook een teken van de verzoende en verzoenende Kerk, ten behoeve van een in al haar ‘structuren' en instellingen verzoende wereld.
De Ziekenzalving tenslotte vormt tijdens de beproeving van ziekte en ouderdom, en vooral in het laatste uur van de Christen, een teken van de definitieve bekering tot de Heer, en ook van de aanvaarding van het lijden en sterven als een boetedoening voor de zonden, waardoor een laatste verzoening met de Vader tot stand komt. Maar onder de sacramenten wordt er één aangetroffen dat weliswaar dikwijls het Sacrament van de Biecht genoemd wordt, vanwege de belijdenis van de zonden die er in plaats vindt, maar dat men beter bij uitstek als het Sacrament van Bekering kan beschouwen, zoals het ook in feite heet. Het is het Sacrament van de Bekering en Verzoening. De laatste Synodevergadering heeft met name over dit Sacrament gesproken, vanwege zijn betekenis voor de verzoening.
Zo is de Doop een heilzaam bad dat, zoals de heilige Petrus leert, "niet de verwijdering van lichamelijke onreinheid, maar de verbintenis met God van een goed geweten" (1 Pt. 3, 21)[b:1 Pt. 3, 21] beoogt. Het is een sterven, begraven worden en verrijzen met Christus, die gestorven, begraven en verrezen is. (Rom. 6, 3 vv)[[b:Rom. 6, 3 vv]](Kol. 2, 12)[[b:Kol. 2, 12]] Het is een gave van de Heilige Geest door Christus. (Mt. 3, 11; Lc. 3, 16; Joh. 1, 33; Hand. 1, 5; Hand. 11, 16)[[b:Mt. 3, 11; Lc. 3, 16; Joh. 1, 33; Hand. 1, 5; Hand. 11, 16]] Dit aspect, dat voor het christelijke Doopsel wezenlijk en primair is, neemt niet weg maar verrijkt juist het bekeringsaspect dat al aanwezig is in het doopsel dat Jezus zelf van Johannes ontvangt "om heel de gerechtigheid te vervullen": (Mt. 3, 15)[[b:Mt. 3, 15]] het Doopsel namelijk als act van bekering en van herstel van de geordende verhouding met God, met wegneming van de smet van de erfzonde en, als gevolg daarvan, als invoeging in het grote gezin van de verzoenden.
Zo ook het Vormsel. Als bevestiging van het Doopsel en, als initiatiesacrament samen met het Doopsel, verleent het de volheid van de Heilige Geest en brengt het het christelijk leven tot wasdom. Zo betekent en bewerkt het tegelijkertijd een grotere bekering van het hart en een inniger en daadwerkelijker toebehoren tot de gemeenschap van verzoenden die de Kerk van Christus is.
De door de heilige Augustinus overgeleverde bepaling van de Eucharistie als Sacrament van Godsliefde, teken van eenheid en band van liefde, 26, 13: CCL 36, 266[[859]] maakt heel duidelijk dat zij de heiliging van iedere mens persoonlijk (wat met de Godsliefde wordt aangeduid) en de verzoening van de gemeenschap (wat met eenheid en liefde bedoeld wordt) bewerkt. Dat vloeit voort uit het wezen zelf van het eucharistisch mysterie als onbloedige vernieuwing van het kruisoffer, bron van heil en verzoening voor alle mensen. Toch moet er hier aan herinnerd worden dat de Kerk, geleid door het geloof in dit verheven Sacrament, leert dat geen enkele Christen die zich van een zware zonde bewust is, de Eucharistie mag nuttigen voordat hij Gods vergeving ontvangen heeft. Zoals we kunnen lezen in de Instructie die begint met de woorden Eucharisticum Mysterium[1560] en die door Paulus VI op de vereiste wijze werd goedgekeurd. Daarin wordt de leer van het Concilie van Trente ten volle bevestigd: "De Eucharistie worde aan de gelovigen ook voorgehouden ‘als een tegengif waardoor wij bevrijd worden van de schuld die wij dagelijks oplopen en behoed tegen zware zonden', en men geve hun een goede manier om de wezenlijke onderdelen van de liturgie van de Mis goed te benutten. ‘Degene die wil communiceren moet men herinneren aan het voorschrift dat wij onszelf moeten onderzoeken. (1 Kor. 11, 28)[b:1 Kor. 11, 28] Het kerkelijke gebruik maakt duidelijk dat een dergelijk onderzoek nodig is, aangezien niemand die zich van een doodzonde bewust is zonder voorafgaande sacramentele biecht tot de heilige Eucharistie mag naderen, al meent hij ook nog zo'n groot berouw te hebben.' Wanneer de nood dringt en er geen biechtvader aanwezig is, moet hij eerst een act van volmaakt berouw opwekken". Eucharisticum Mysterium, 35[[1560|35]]
Het Wijdingssacrament vervolgens, beoogt aan de Kerk herders te geven, die niet alleen geroepen zijn om leraars en leiders te zijn, maar ook om de getuigen en bewerkers te zijn van de eenheid, de opbouwers van Gods gezin, en tevens de verdedigers en beschermers van de gemeenschapsband in dat gezin tegen de kiemen van verdeeldheid en verstrooiing.
Wat het Sacrament van het Huwelijk betreft: als verheffing van de menselijke liefde onder de impuls van de genade, is het een teken van de liefde van Christus voor de Kerk, maar ook van de overwinning, die Hij de gehuwden schenkt, op de krachten die de liefde vervormen en vernietigen. Zo wordt het gezin dat uit dit Sacrament ontstaat ook een teken van de verzoende en verzoenende Kerk, ten behoeve van een in al haar ‘structuren' en instellingen verzoende wereld.
De Ziekenzalving tenslotte vormt tijdens de beproeving van ziekte en ouderdom, en vooral in het laatste uur van de Christen, een teken van de definitieve bekering tot de Heer, en ook van de aanvaarding van het lijden en sterven als een boetedoening voor de zonden, waardoor een laatste verzoening met de Vader tot stand komt. Maar onder de sacramenten wordt er één aangetroffen dat weliswaar dikwijls het Sacrament van de Biecht genoemd wordt, vanwege de belijdenis van de zonden die er in plaats vindt, maar dat men beter bij uitstek als het Sacrament van Bekering kan beschouwen, zoals het ook in feite heet. Het is het Sacrament van de Bekering en Verzoening. De laatste Synodevergadering heeft met name over dit Sacrament gesproken, vanwege zijn betekenis voor de verzoening.
Referenties naar alinea 27: 1
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Tweede hoofdstuk Het Sacrament van bekering en verzoening
28
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
Ecce nunc nos iterum ->=geentekst=
Gedurende heel haar verloop en in al haar fasen heeft de Synode uiterst aandachtig dit sacramentele teken overwogen dat de bekering en verzoening zowel betekent als verwerkelijkt. Het is waar dat niet alle aspecten van bekering en verzoening in dit sacrament vervat liggen. Van haar oorsprong af kent de Kerk immers meerdere en uiteenlopende vormen van bekering: sommige liturgisch of "para-liturgisch" van aard, van de boete-act in de Mis tot aan de verzoeningsdiensten en bedevaarten toe; en andere ascetisch van aard, zoals het vasten. Maar onder al deze praktijken is er geen zo betekenisvol, zo van God uit werkzaam, zo verheven en tegelijk in zijn ritueel toch zo toegankelijk als het Sacrament van de Bekering. Al in haar voorbereidingsfase, evenals daarna in meerdere ter vergadering gehouden interventies, in de werkgroepen en in haar uiteindelijke voorstellen, heeft de Synode zich rekenschap gegeven van wat dikwijls, zij het met verschillende kracht en inhoud gezegd wordt: dat het Sacrament van de Bekering in een crisis verkeert. Zij heeft die onder ogen willen zien en de aanbeveling gedaan van een zorgvuldige catechese en een niet minder zorgvuldig theologisch, historisch, psychologisch, sociologisch en juridisch onderzoek naar de bekering in het algemeen, en naar het Sacrament van de Bekering in het bijzonder. Daarmee beoogde zij de oorzaken te verduidelijken van de crisis en wegen te ontsluiten naar een zekere en duidelijke oplossing ervan ten bate van de mensheid. Van de Synode heeft de Kerk dus een duidelijke bevestiging ontvangen van haar geloof aangaande dit Sacrament, dat aan iedere Christen en aan iedere geloofsgemeenschap de zekerheid van de vergeving schenkt uit kracht van het verlossende bloed van Christus. Het is goed dit geloof te vernieuwen en opnieuw te bevestigen, nu het zou kunnen verzwakken, iets van zijn volledigheid zou kunnen verliezen of in de onbekendheid en het stilzwijgen zou kunnen wegzakken, door de negatieve werking van de hierboven genoemde crisis. Het Sacrament van de Biecht wordt immers bedreigd, enerzijds door de verduistering van het zedelijk en godsdienstig geweten en het verzwakte zondebesef, door een misvormd begrip van bekering, en door de geringe impuls tot christelijk leven; anderzijds door de mentaliteit die intussen post gevat heeft dat men de vergeving direct van God kan verkrijgen, ja zelfs dat dat de gewone manier zou zijn, zonder gebruik te maken van het Sacrament van de Verzoening, en door een routine-achtige sacramentele praktijk, waaraan soms het vuur en de levendigheid ontbreekt, wellicht vanuit een foutief en verkeerd idee over de werking van het Sacrament. Het is daarom op zijn plaats hier de voornaamste aspecten in herinnering te brengen van dit grote Sacrament.
Referenties naar alinea 28: 3
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=Incarnationis mysterium ->=geentekst=
Ecce nunc nos iterum ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Wier zonden gij vergeeft...
29
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
Ecce nunc nos iterum ->=geentekst=
Het eerste en voornaamste gegeven met betrekking tot de barmhartigheid van de Heer en Zijn vergeving, leveren ons de heilige boeken van het Oude en Nieuwe Testament. In de Psalmen immers en in de taal van de profeten wordt de Heer misschien wel het meest de barmhartige genoemd, in tegenstelling tot de gemeenplaats als zou de God van het Oude Testament vooral streng en straffend zijn. Zo roept bijvoorbeeld onder de Psalmen een lang wijsheidslied, dat uit de uittochttraditie stamt, het weldadige handelen van God te midden van zijn volk in herinnering. Al wordt het ook op antropomorfe wijze beschreven, toch is dit handelen misschien wel één van de meest welsprekende uitingen over de barmhartigheid van God in het Oude Testament. De volgende aanhaling moge hier volstaan: "Toch was Hij barmhartig, vergaf hun zonden en roeide hen niet geheel uit. Maar telkens opnieuw bedwong Hij Zijn toorn en hield Hij Zijn gramschap in toom, wanneer Hij bedacht: het zijn toch maar mensen, een adem die gaat en niet wederkeert". (Ps. 78, 38-39)[b:Ps. 78, 38-39] In de volheid van de tijd echter komt de Zoon van God, als het Lam dat de zonden van de wereld wegneemt en op zich neemt. (Joh. 1, 29; Jes. 53, 7.12)[[b:Joh. 1, 29; Jes. 53, 7.12]] Hij verschijnt als degene die macht heeft zowel om te oordelen (Joh. 5, 27)[[b:Joh. 5, 27]] als om zonden te vergeven, (Mt. 9, 2-7; Lc. 5, 18-25; Lc. 7, 47-49; Mc. 2, 3-12)[[b:Mt. 9, 2-7; Lc. 5, 18-25; Lc. 7, 47-49; Mc. 2, 3-12]] Die echter niet komt om te oordelen maar om te vergeven en te redden. (Joh. 3, 17)[[b:Joh. 3, 17]] Deze macht nu om zonden te vergeven, verleent Jezus door de Heilige Geest aan eenvoudige mensen die ook zelf door de zonde belaagd worden. Namelijk aan Zijn apostelen: "Ontvangt de Heilige Geest. Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven, en wier zonden gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven". (Joh. 20, 22; Mt. 18, 18)[b:Joh. 20, 22; Mt. 18, 18] vgl. ook wat Petrus betreft...vgl. ook wat Petrus betreft Mt. 16, 19 XI (In dominica III post Epiphaniam, I): PL 194, 1729. De zalige Isaak van Stella licht in één van zijn preken de volkomen gemeenschap toe van Christus met de Kerk in de vergeving van de zonden: "Niets derhalve kan de Kerk zonder Christus vergeven: niets wil Christus zonder de Kerk vergeven. Niets kan de Kerk vergeven, tenzij aan degene die berouw heeft, dat is die door Christus geraakt is; niets wil Christus vergeven achten aan wie de Kerk minacht"[[1225]] Dit is één van de meest wonderbaarlijke vernieuwingen van het Evangelie! Dat Hij aan Zijn apostelen deze macht verleent, een macht die bovendien - zo heeft de Kerk het vanaf haar begin begrepen - overgedragen kan worden aan hun opvolgers. Deze hebben van de apostelen zelf de zending en taak ontvangen hun werk voort te zetten als verkondigers van het Evangelie en als bedienaren van het verlossingswerk van Christus. Hier blijkt in al haar grootheid de figuur van de bedienaar van het Sacrament van de Bekering, die volgens een heel oud gebruik dikwijls "biechtvader" genoemd wordt. Als bedienaar van het Sacrament van de Bekering handelt de priester, zoals aan het altaar bij de viering van de Eucharistie en zoals bij de overige Sacramenten, "in de persoon van Christus". Christus stelt hij tegenwoordig, die door zijn bediening het mysterie van de vergeving van de zonden voltrekt. Daardoor is het Christus die hier als broeder van de mens verschijnt, (Mt. 12, 49 vv)[[b:Mt. 12, 49 vv]](Mc. 3, 33 vv)[[b:Mc. 3, 33 vv]](Lc. 8, 20)[[b:Lc. 8, 20]]((Vgl. Rom. 8, 29 ; "De eerstgeborene onder vele broeders"))[[b:Rom. 8, 29 ]] als de barmhartige, getrouwe en medelijdende Hogepriester, (Hebr. 2, 17; Hebr. 4, 15)[[b:Hebr. 2, 17; Hebr. 4, 15]] als de Herder die op zoek is naar het verdwaalde schaap, (Mt. 18, 12 vv)[[b:Mt. 18, 12 vv]](Lc. 15, 4-6)[[b:Lc. 15, 4-6]] als de Geneesheer die heelt en troost, (Lc. 5, 31 vv)[[b:Lc. 5, 31 vv]] als de enige Leraar die de waarheid onderricht en de wegen van God wijst, (Mt. 22, 16)[[b:Mt. 22, 16]] als de Rechter van de levenden en de doden (Hand. 10, 42)[[b:Hand. 10, 42]] die naar waarheid en niet volgens de schijn oordeelt. (Joh. 8, 16)[[b:Joh. 8, 16]] Ongetwijfeld is dit van de bedieningen van de priester één van de moeilijkste en meest delicate, één van de vermoeiendste en zwaarste, maar tegelijk één van de mooiste en troostrijkste. Juist hierom, maar ook vanwege de krachtige aanbeveling van de Synode, zal ik nooit ophouden mijn broeders, de bisschoppen en priesters, aan te sporen tot een trouwe en zorgvuldige vervulling ervan. vgl: Tot de biechtvaders van de Patriarchale Basilieken en tot andere biechtvaders, naar aanleiding van het afgelopen Jubeljaar van de Verlosser[[[3172]]] Ten overstaan van het geweten van iedere Christen die zich voor hem opent met een mengsel van angst en vertrouwen, heeft de biechtvader een verheven taak die een dienst is bij de bekering en de verzoening van de mens. Hij moet diens zwakheden en struikelen onderkennen, diens verlangen naar opstaan en diens pogingen daartoe inschatten, de werking van de heiligmakende Geest in diens hart onderscheiden, hem in de vergeving laten delen die God alleen kan verlenen, zijn verzoening met de Vader "vieren" die beschreven is in de gelijkenis van de verloren zoon, de bevrijde zondaar weer opnemen in de kerkelijke gemeenschap van de broeders, en de boeteling vaderlijk vermanen met een vastbesloten, bemoedigend en vriendschappelijk: "Zondig van nu af niet meer". (Joh. 8, 11)[b:Joh. 8, 11] Voor een werkdadige vervulling van dit dienstwerk moet de biechtvader beslist de menselijke kwaliteiten hebben van wijsheid, onderscheidingsvermogen en inzicht en van een standvastigheid die door lankmoedigheid en goedheid wordt verzacht. Hij moet ook een gedegen en nauwgezette voorbereiding hebben gehad, onverkort en in de juiste verhoudingen, in de verschillende takken van de theologie, in de pedagogie en de psychologie, in gesprekstechniek en vooral in een levende en mededeelbare kennis van het woord van God. Maar nog noodzakelijker is het dat hij een intens en oprecht geestelijk leven leidt. Om immers anderen op de weg van de christelijke volmaaktheid te kunnen leiden, moet de bedienaar van het Sacrament van de Bekering eerst zelf deze weg gaan, en meer door daden dan door een veelheid van woorden laten blijken dat hij een gedegen door eigen beleving beproefde ervaring heeft van het gebed, dat hij de evangelische deugden beoefent, zowel de theologale als de zedelijke deugden, dat hij de wil van God trouw gehoorzaamt, de Kerk liefheeft en volgzaam is jegens haar Leergezag. Heel deze toerusting met menselijke gaven, christelijke deugden en pastorale vaardigheden is niet iets dat men van vandaag op morgen of zonder grote inspanning kan verkrijgen. Op de bediening van het Sacrament van de Bekering moet iedere priester al vanaf zijn seminariejaren worden voorbereid, door de studie van de dogmatiek, de moraaltheologie, de spiritualiteit en de pastoraaltheologie (die samen steeds maar één theologie vormen), en door de studie van de menswetenschappen, de gespreksmethodiek en vooral de methode van het pastorale gesprek. Vervolgens zal hij begeleid en geholpen moeten worden bij zijn eerste ervaringen als biechtvader. Voortdurend zal hij een passende zorg moeten besteden aan zijn eigen vervolmaking en door een aanhoudende studie bij de tijd moeten zien te blijven. Wat een schat aan genade, waarachtig leven en geestelijke uitstraling zou de Kerk verwerven, als iedere priester er zorg voor zou dragen zich nooit uit nalatigheid of onder andere voorwendsels te onttrekken aan de ontmoeting met de gelovigen in de biechtstoel, en er zich meer op zou toeleggen om daar nooit onvoorbereid heen te gaan, of zonder de vereiste menselijke hoedanigheden of geestelijke en pastorale voorwaarden. Wat dit betreft kan ik het niet nalaten met bewonderende en biddende liefde aan de voorbeelden te herinneren van die buitengewone apostelen van de biechtstoel, zoals de heilige Johannes Nepomucenus, de heilige Johannes Maria Vianney, de heilige Jozef Cafasso en de heilige Leopold van Castelnuovo, om slechts de bekendste te noemen die de Kerk heeft opgenomen in de lijst van haar heiligen. Maar ik wil ook hulde brengen aan die talloze schare van heilige biechtvaders, wier naam bijna nooit bekend wordt en aan wie zoveel zielen heil te danken hebben die door hen geholpen zijn bij hun bekering, bij de strijd tegen de zonde en de bekoringen, bij hun geestelijke vooruitgang en tenslotte bij hun heiliging. En ik aarzel niet te stellen dat ook de grote heiligen die plechtig in de lijst van de hemelingen werden ingeschreven, meestal zijn voortgekomen uit de biechtstoel, en samen met hen ook het geestelijk erfgoed van de Kerk en de bloei van een beschaving die doortrokken was van de Christelijke geest! Hulde dus aan deze stille schare van medebroeders die door de bediening van het Sacrament van de Bekering de zaak van de verzoening op uitmuntende wijze hebben gediend en dat nog dagelijks doen!
Referenties naar alinea 29: 4
Vademecum voor biechtvaders over de huwelijksmoraal ->=geentekst=Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
Ecce nunc nos iterum ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Het sacrament van de vergeving
30
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
In de mate dat duidelijk werd hoe nuttig dit dienstwerk en deze macht tot zonden vergeven was, die door Christus verleend was aan de apostelen en hun opvolgers, ontwikkelde zich daaruit in de Kerk het bewustzijn van een teken van vergeving, dat als Sacrament van de Bekering is overgeleverd. Ik bedoel: de zekerheid dat Christus de Heer zelf, met het oog op de vergeving van de zonden en de verzoening, een bijzonder sacrament heeft ingesteld en aan Zijn Kerk toevertrouwd als een geschenk van Zijn goedheid en menselijkheid, van Zijn "filantropie" (Tit. 3, 4)[[b:Tit. 3, 4]] of mensenliefde, een geschenk om alle mensen in te laten delen. De praktijk van dit sacrament heeft, wat betreft de viering en vorm, een lang ontwikkelingsproces doorgemaakt, zoals de oudste sacramentaria, de akten van concilies en bisschoppensynoden, de prediking van de vaders en het onderricht van de kerkleraren getuigen. Maar over het wezen van het Sacrament heeft er in het bewustzijn van de Kerk altijd een vaste en onveranderde zekerheid geleefd: krachtens de wil van Christus wordt aan eenieder vergiffenis geboden door de sacramentele absolutie die de bedienaar van het bekeringssacrament verleent. Deze zekerheid werd met bijzondere kracht bevestigd door zowel het Concilie van Trente vgl: Sessio XIV - Doctrina de sacramento poenitentiae, 2,8[[[683|2.8]]] als het Tweede Vaticaans Concilie: "Zij die naderen tot het Sacrament van de Bekering, verkrijgen van Gods barmhartigheid de vergiffenis van de Hem aangedane belediging en worden tevens verzoend met de Kerk, die zij door hun zonden hebben geschonden en die zich door haar liefdediensten, voorbeeld en gebed voor hun bekering inspant". Lumen Gentium, 11[[617|11]] Als wezenlijk element van het geloof aangaande de waarde en het doel van het bekeringssacrament moet nogmaals worden onderstreept dat onze Zaligmaker Jezus Christus het Sacrament van de Bekering heeft ingesteld in zijn Kerk, opdat de gelovigen die na het doopsel in zonde gevallen zijn, de genade zouden herkrijgen en met God verzoend zouden worden. vgl: Sessio XIV - Doctrina de sacramento poenitentiae, 2,8[[[683|2.8]]]
Het geloof van de Kerk aangaande dit sacrament impliceert nog enige andere grondwaarheden waaraan niet voorbij gegaan mag worden. De sacramentele rite van het bekeringssacrament heeft deze waarheden in de loop van haar ontwikkeling en veranderende vormgeving altijd bewaard en doen uitkomen. Het Tweede Vaticaans Concilie beoogde met zijn voorschrift tot hervorming van deze rite, dat zij deze waarheden juist nog duidelijker tot uitdrukking zou doen komen, vgl: Sacrosanctum Concilium, 72[[[570|72]]] wat gebeurd is met de nieuwe Orde van dienst voor boete en verzoening. vgl: Ordo Paenitentiae[[[3173]]] Daarin is vanuit de traditie onverkort de leer overgenomen, die het Concilie van Trente had samengevat, maar dan zo dat deze vanuit haar bijzondere historische context (de nauwgezette inspanning om de leer te verduidelijken tegenover opvattingen die in ernstige mate afweken van wat het authentieke Leergezag van de Kerk leerde) getrouw vertaald is in bewoordingen die meer aansluiten bij onze tijd.
Het geloof van de Kerk aangaande dit sacrament impliceert nog enige andere grondwaarheden waaraan niet voorbij gegaan mag worden. De sacramentele rite van het bekeringssacrament heeft deze waarheden in de loop van haar ontwikkeling en veranderende vormgeving altijd bewaard en doen uitkomen. Het Tweede Vaticaans Concilie beoogde met zijn voorschrift tot hervorming van deze rite, dat zij deze waarheden juist nog duidelijker tot uitdrukking zou doen komen, vgl: Sacrosanctum Concilium, 72[[[570|72]]] wat gebeurd is met de nieuwe Orde van dienst voor boete en verzoening. vgl: Ordo Paenitentiae[[[3173]]] Daarin is vanuit de traditie onverkort de leer overgenomen, die het Concilie van Trente had samengevat, maar dan zo dat deze vanuit haar bijzondere historische context (de nauwgezette inspanning om de leer te verduidelijken tegenover opvattingen die in ernstige mate afweken van wat het authentieke Leergezag van de Kerk leerde) getrouw vertaald is in bewoordingen die meer aansluiten bij onze tijd.
Referenties naar alinea 30: 3
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=Incarnationis mysterium ->=geentekst=
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Enige fundamentele overtuigingen
31
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
‘Sta op! Uw geloof heeft U gered’ (Lc. 17, 19) ->=geentekst=
Bovengenoemde waarheden, door de Synode nadrukkelijk en duidelijk onderstreept en in de voorstellen tot uitdrukking gebracht, laten zich samenvatten in de volgende geloofsovertuigingen, waaromheen alle andere uitspraken van de katholieke leer over het sacrament van de boete. I. De eerste overtuiging luidt: het Sacrament van de Bekering is voor de Christen de normale weg om vergeving en kwijtschelding te verkrijgen voor de zware zonden die na het doopsel zijn begaan. De Heiland is in Zijn heilshandelen weliswaar niet zo aan het sacramentele teken gebonden, dat Hij in de bedeling van het heil nooit en in geen enkele wijze buiten of boven de sacramenten uit werkzaam zou kunnen zijn. Maar in de school van het geloof leren wij dat diezelfde Heiland gewild en bepaald heeft dat de eenvoudige en kostbare sacramenten van het geloof de gewone en werkdadige middelen zouden zijn waarlangs zijn verlossende kracht zou werken. Het zou dan ook onverstandig en vermetel zijn om naar eigen willekeur de genade- en heilsmiddelen achterwege te laten die de Heer heeft voorgesteld, en in het onderhavige geval, om vergeving te willen verkrijgen zonder gebruik te maken van het sacrament dat Christus juist voor de vergeving heeft ingesteld. De vernieuwing van de riten die na het Concilie heeft plaats gehad, rechtvaardigt geen enkele illusie of verandering in die richting. Zij moest en moet volgens de bedoeling van de Kerk juist dienen om in ieder van ons een nieuwe ijver op te wekken tot vernieuwing van onze innerlijke houding: om tot een dieper verstaan te komen van de eigen aard van het sacrament van de bekering, om het met meer geloof, niet uit angst maar vertrouwvol te ontvangen, en om vaker gebruik te maken van dit sacrament vanuit de erkenning dat het geheel doortrokken is van de barmhartige liefde van de Heer.
Referenties naar alinea 31: 4
Pastores Dabo Vobis ->=geentekst=Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
‘Sta op! Uw geloof heeft U gered’ (Lc. 17, 19) ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
31a
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
‘Sta op! Uw geloof heeft U gered’ (Lc. 17, 19) ->=geentekst=
II. De tweede overtuiging betreft de functie van het Sacrament van de Bekering voor wie er gebruik van maakt. Volgens de oudste overlevering heeft het iets van een rechtszaak. Maar deze zaak dient veeleer voor het gerecht van de barmhartigheid dan voor dat van de strikte en strenge rechtvaardigheid. De vergelijking met de menselijke rechtspraak gaat dan ook maar ten dele op, Het Concilie van Trente gebruikt de afgezwakte uitdrukking "ongeveer zoals een rechtshandeling" om het verschil met de menselijke rechtszittingen te benadrukken.[[683|19]] De nieuwe Orde van dienst raakt het ook even aan.[[3173|(6.10)]] in zoverre de zondaar er zijn zonden bekend maakt en zijn onderworpenheid aan de zonden als schepsel erkent, zich verplicht aan de zonde te verzaken en haar te overwinnen, de straf op zich neemt (de sacramentele boete of penitentie) die de biechtvader hem oplegt en diens absolutie ontvangt. Wanneer zij echter over de functie van dit sacrament nadenkt, wordt de Kerk er zich van bewust dat het behalve van een rechtspraakfunctie ook een therapeutische of helende functie heeft. Dit hangt samen met het feit dat Christus in het Evangelie dikwijls voorgesteld wordt als geneesheer, ((Vgl. Lc. 5, 31vv ; “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken”, met de conclusie: "Ik ben ... gekomen ... om zondaars te roepen, opdat zij zich bekeren"))[[b:Lc. 5, 31vv ]] ((Vgl. Lc. 9, 2; "Hij zond hen uit om het Rijk Gods te verkondigen en genezingen te verrichten."))[[b:Lc. 9, 2]] ((Vgl. Jes. 53, 4vv; De gestalte van Christus als geneesheer, krijgt een nieuwe betekenis als Hij vergeleken wordt met de ,dienstknecht van Jahwe', van wie het boek Jesaja profeteerde: "Waarlijk, onze ziekte heeft Hij op zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen", en "dank zij zijn striemen is er voor ons genezing"))[[b:Jes. 53, 4vv]] en dat al sinds de christelijke oudheid zijn heilswerk dikwijls een "geneesmiddel ten heil" wordt genoemd. Het was juist met betrekking tot de pastoraal van bekering en boete dat de heilige Augustinus zei: "Ik wil genezen, niet beschuldigen"; 82, 8: PL 38, 511[[880]] en ook: dat door het geneesmiddel van de biecht de zondekwetsuur niet uitloopt op wanhoop. vgl: 352, 3, 8-9: PL 39, 1558 e.v.[[[880]]] De Orde van dienst voor boete en verzoening onderstreept dan ook dit helende aspect, vgl: c[[[3173|(6)]]] dat de huidige mens wellicht meer aanspreekt, omdat hij in de zonde weliswaar de misstap ziet, maar meer nog het aspect van de menselijke zwakheid en krachteloosheid. Of men dit sacrament nu als tribunaal van de barmhartigheid ziet of als plaats van geestelijke genezing, onder beide aspecten is het een vereiste dat men weet wat de betreffende op het hart heeft, wil men in staat zijn een oordeel over hem uit te spreken en hem de absolutie te geven, hem te behandelen en te genezen. Om deze reden vereist het van de kant van de boeteling een eerlijke en volledige bekentenis van zijn zonden. Dat gebeurt dus niet alleen om ascetische motieven, bijvoorbeeld als een beoefening van de nederigheid en de versterving, maar berust op het wezen zelf van het sacrament.
Referenties naar alinea 31a: 4
Pastores Dabo Vobis ->=geentekst=Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
‘Sta op! Uw geloof heeft U gered’ (Lc. 17, 19) ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
31b
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
‘Sta op! Uw geloof heeft U gered’ (Lc. 17, 19) ->=geentekst=
III. De derde overtuiging die ik naar voren zou willen halen betreft de bestanddelen, waaruit het sacramentele teken van de vergeving en verzoening is samengesteld. Sommige daarvan hebben te maken met wat de boeteling moet doen. Zij zijn weliswaar van verschillend gewicht, maar ieder afzonderlijk onmisbaar, wil het teken geldig, volledig en van nut zijn. Een eerste onmisbare voorwaarde is dat het geweten van de boeteling volgens de normen van de gerechtigheid verhelderd moet zijn. Geen mens komt tot een waarachtige en authentieke bekering, zolang hij niet inziet dat de zonde in strijd is met de ethische norm die hij in zijn binnenste draagt; Reeds de heidenen - zoals Sofocles (Antigone, vv, 450-460) en Aristoteles (Rhetor., Lib. I, c. 15, 1375 a-b) - erkenden het bestaan van "goddelijke" zedelijke nonnen, die "altijd al" hebben bestaan en diep in het hart van de mens gegrift zijn.> zolang hij niet erkent dat hij er persoonlijk mee in conflict is gekomen en daar verantwoordelijk voor is; zolang hij niet zegt: "ik heb gezondigd", en niet alleen maar dat dit of dat "zonde is"; zolang hij niet toegeeft dat de zonde een verscheurdheid in zijn geweten heeft bewerkt die vervolgens heel zijn leven aantast en hem scheidt van God en zijn broeders. Het sacramentele teken van deze verheldering van het geweten is de act die traditioneel het gewetensonderzoek wordt genoemd. Dat moet niet bestaan in een angstige psychologische zelfanalyse, maar in een oprechte en vredige confrontatie met de innerlijke zedelijke wet, met de evangelische normen die de Kerk voorhoudt, met Jezus Christus zelf die ons tot Meester en levensvoorbeeld is, en met de Vader in de hemel, Die ons tot het goede en tot de volmaaktheid roept. vgl: Wat deze rol van het geweten betreft, zie wat ik daarover gezegd heb in deze algemene audiëntie[[[3126]]] De voor het Sacrament van de Bekering wezenlijke act van de kant van de boeteling is echter het berouw, dat wil zeggen: de klaarblijkelijke en vastberaden afwijzing van de zonde die men bedreven heeft, samen met het voornemen haar niet meer te begaan, vgl: Sessio XIV - Doctrina de sacramento poenitentiae, 10,11[[[683|10.11]]] vgl: Zoals bekend is de attritio voldoende voor het naderen tot het Sacrament van de Bekering, dat wil zeggen: een onvolmaakte bekeringsgesteltenis, meer uit vrees dan uit liefde. Maar in de voltrekking van het sacrament, door de werking van de genade die hij ontvangt, wordt de boeteling van "attritus" tot "contritus", zodat echt de bekering bewerkt wordt in degene die bereid is tot een ommekeer in liefde.[[[683|12]]] op grond van de liefde tot God die met de spijt mee weer tot leven komt. Zo opgevat is het berouw het beginsel en als het ware de ziel van de bekering, van die verandering die in het Evangelie metanoia wordt genoemd, waardoor de mens terugkeert tot God zoals de verloren zoon naar de vader, en die in het Sacrament van de Bekering haar zichtbaar teken heeft waarin het beginnend berouw zijn volgroeide vorm vindt. "Dit berouw van het hart bepaalt dan ook de waarachtigheid van de bekering". a[[3173|(6)]] Onder verwijzing naar alwat de Kerk onder geleide van het woord Gods over het berouw leert, wil ik hier slechts één aspect daarvan naar voren halen, dat beter gekend en voor ogen gehouden zou moeten worden. Niet zelden immers worden bekering en berouw gezien onder het opzicht van de eisen die zij ontegenzeggelijk stellen, en van de versterving die zij met het oog op een radicale verandering van leven vragen. Toch is het goed dat men zich te binnen brengt en er aandacht voor heeft dat berouw en bekering veeleer een toegang betekenen tot de heiligheid van God, een hervinden van de innerlijke waarachtigheid die door de zonde was verstoord en ontwricht, een in het diepst van zichzelf weer vrij worden en daarom een herwinning van de verloren vreugde, van de vreugde om het gered-zijn, (Ps. 51, 14)[[b:Ps. 51, 14]] die de meeste mensen van onze tijd niet meer weten te genieten. Van hieruit wordt begrijpelijk waarom de Kerk, verbonden met Christus en de apostelen, al vanaf het eerste begin van het Christendom de belijdenis van de zonden tot onderdeel maakte van het sacramentele teken van de bekering. Het belang daarvan blijkt wel uit het feit dat de gebruikelijke naam van het sacrament al eeuwenlang en nog steeds het sacrament van de biecht is. Dat de zondaar zich persoonlijk van zijn zonden moet beschuldigen, vloeit voort uit het feit hij gekend moet worden door degene die in het sacrament de rol vervult van de rechter die zowel de zwaarte van de zonde als de boetvaardige gesteltenis van de boeteling moet wegen, evenals de rol van de geneesheer die moet weten hoe de zieke eraan toe is om hem te kunnen behandelen en genezen. Maar de persoonlijke belijdenis heeft ook een tekenwaarde: het is een teken van de ontmoeting tussen de zondaar zelf en de kerkelijke bemiddeling in de persoon van de bedienaar, een teken waardoor men zich ten overstaan van God en de Kerk zondaar toont, een teken dat men voor Gods aanschijn zichzelf onder ogen heeft gezien. De belijdenis van de zonden is dus niet te herleiden tot zoiets als een poging tot psychologische zelfbevrijding, ook al beantwoordt zij aan de legitieme en natuurlijke behoefte van het menselijk hart om zich bij iemand uit te spreken. Zij is veeleer een liturgische handeling, plechtig wat haar ontroerende kracht betreft, nederig en bescheiden in de grootsheid van haar betekenis. Het is het gebaar van de verloren zoon die tot de vader terugkeert en door hem met een vredeskus ontvangen wordt; een gebaar van trouwen sterkte; een gebaar waarin men de zonde overstijgt en zich toevertrouwt aan de vergevende barmhartigheid. Herinnering aan de pelgrimsreis naar Portugal[[3197]] Betekenis van boete[[3198]] Werkelijke penitentie gevraagd na het ontvangen van het Sacrament van Boete en Verzoening[[3199]] 2-3; Hier zij ook herinnerd aan de normen van het Wetboek van Kerkelijk Recht die betrekking hebben op de plaats van toediening van het sacrament en op de biechtstoelen.[[30|964]] Zo begrijpt men ook waarom de belijdenis van de zonden normaal gesproken per persoon gebeurt en niet gezamenlijk, zoals ook de zonde zelf iets heel persoonlijks is. Maar van de andere kant ontrukt om zo te zeggen de belijdenis de zonde aan de verborgenheid van het hart en derhalve aan de sfeer van het louter persoonlijke, terwijl zij ook het sociale karakter ervan doet uitkomen. Immers, door de bedienaar van het Sacrament van de Bekering neemt de kerkelijke gemeenschap, die door de zonde gewond was geraakt, de rouwmoedige zondaar die vergiffenis gekregen heeft weer op. Een ander wezenlijk element van het Sacrament van de Bekering betreft ditmaal de biechtvader, als rechter en geneesheer, als beeld van God de Vader die de terugkerende opneemt en vergeeft: de absolutie. De bewoordingen waarin zij verleend wordt, evenals de gebaren die haar zowel in de oude als nieuwe rite begeleiden, zijn van een grootse en betekenisvolle eenvoud. De sacramentele formule: "Ik ontsla u ... ", de handoplegging en het kruisteken over de boeteling geven aan, dat de rouwmoedige en bekeerde zondaar op datzelfde moment de macht en de barmhartigheid van God ontmoet. Het is het moment waarop, als antwoord op de boeteling, de Drie-eenheid aanwezig is om zijn zonde uit te wissen en hem de onschuld terug te geven, en waarop aan de boeteling de heilzame kracht van Jezus' lijden, dood en verrijzenis wordt meegedeeld "als een barmhartigheid die sterker is dan schuld en belediging", zoals ik het geformuleerd heb in de encycliek die begint met de woorden Dives in Misericordia[755],. Het is altijd op de eerste plaats God die door de zonde beledigd wordt – “jegens U alleen heb ik gezondigd" -, en alleen God kan dat vergeven. Daarom is de absolutie die de priester, bedienaar van de vergeving hoewel zelf zondaar, aan de boeteling verleent, een werkdadig teken van het handelen Gods in iedere absolutie, evenals van de "verrijzenis" uit de "geestelijke dood", die zich elke keer dat het Sacrament van de Bekering voltrokken wordt, herhaalt. Alleen het geloof kan de zekerheid geven dat op datzelfde moment door de heilzame werking van de Zaligmaker iedere zonde vergeven en uitgewist wordt. De laatste act is de genoegdoening. Zij vormt de bekroning van het sacramentele teken van de bekering. In sommige landen wordt dat wat de boeteling na het ontvangen van de vergeving en de absolutie belooft te volbrengen, de boete of penitentie genoemd. Wat betekent echter deze genoegdoening die men geeft, of deze boete die men volbrengt? Wat zij zeker niet is, is de prijs die voor de kwijtschelding van de zonde of de verkregen vergiffenis betaald wordt. Geen enkele menselijke prijs immers haalt het bij wat men krijgt: de vrucht van het allerkostbaarste Bloed van Christus. De werken van genoegdoening zouden, met behoud van hun eenvoudig en bescheiden karakter, daarom alwat zij wél betekenen beter tot uitdrukking moeten brengen. Zij verwijzen namelijk naar enkele kostbare waarden: zij zijn een teken van de persoonlijke verplichting die de Christen in het sacrament ten overstaan van God op zich heeft genomen om een nieuw leven te beginnen (om die reden zouden zij niet beperkt moeten worden tot enkel wat mondgebeden, maar veeleer moeten bestaan in werken van godsvrucht, naastenliefde, barmhartigheid en herstel); zij duiden ook op de mogelijkheid dat de zondaar, aan wie al vergeving geschonken is, de eigen gezochte of minstens aanvaarde versterving van lichaam en ziel kan verenigen met het lijden van Jezus dat voor hem vergeving heeft verkregen; tenslotte herinneren zij er ook aan dat er na de absolutie in de Christen nog iets van duisternis achterblijft, dat toe te schrijven is aan de wonden die de zonde geslagen heeft, aan de onvolmaakte liefde in het berouw en aan de verzwakking van de geestelijke vermogens, waarin als het ware nog iets als een besmettelijke zondehaard werkt, waar men steeds door middel van de versterving tegenin moet gaan. Dit is de betekenis van een bescheiden maar oprechte genoegdoening. Dit onderwerp heb ik in het kort besproken tijdens de algemene audiëntie.[[3200]]
Referenties naar alinea 31b: 4
Pastores Dabo Vobis ->=geentekst=Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
‘Sta op! Uw geloof heeft U gered’ (Lc. 17, 19) ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
31c
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
‘Sta op! Uw geloof heeft U gered’ (Lc. 17, 19) ->=geentekst=
IV. Rest nog om in het kort in te gaan op enkele andere belangrijke overtuigingen aangaande het Sacrament van de Bekering. Op de eerste plaats moet worden onderstreept dat niets zo persoonlijk en innerlijk is als dit sacrament, waarin de zondaar voor God staat met niets anders dan zijn schuld, zijn boetvaardigheid, zijn berouw en zijn vertrouwen. Er is niemand die in zijn plaats berouw kan hebben; niemand kan in zijn naam vergeving vragen. In zijn schuld staat de zondaar in zekere zin alleen. Heel bijzonder is dat uitgetekend in Kaïn, wanneer de zonde "als belager aan zijn deur loert", zoals het boek Genesis zo treffend zegt, en op wiens voorhoofd een teken wordt geplaatst; (Gen. 4, 7.15)[[b:Gen. 4, 7.15]] of in David, nadat hij door de profeet Natan terecht gewezen is; (2 Sam. 12)[[b:2 Sam. 12]] of in de verloren zoon, wanneer hij zich bewust wordt in wat voor toestand hij terecht is gekomen door van de vader weg te gaan en besluit om naar hem terug te keren.(Lc. 15, 17-21)[[b:Lc. 15, 17-21]] Dat alles speelt zich enkel en alleen af tussen de mens en God. Maar tegelijk kan ook het sociale aspect van dit sacrament niet worden ontkend. In dit sacrament immers komt heel de Kerk - de strijdende, de in het vagevuur verblijvende en de in de hemel gloriërende Kerk - de boeteling te hulp en neemt hem weer in haar schoot op, en dat des te meer omdat ook heel de Kerk door zijn zonde gekwetst en gewond was. Als bedienaar van het Sacrament van de Bekering is de priester, op grond van de heilige taak die hij erbij vervult, als het ware de getuige en vertegenwoordiger van deze kerkelijke gemeenschap. Deze beide aspecten van het sacrament, het persoonlijke en het kerkelijke vullen elkaar aan. De geleidelijke hervorming van de boeteritus, en vooral de door Paulus VI afgekondigde Orde van dienst voor boete en verzoening, hebben beide aspecten meer reliëf gegeven en in de viering van het sacrament beter doen uitkomen.
Referenties naar alinea 31c: 4
Pastores Dabo Vobis ->=geentekst=Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
‘Sta op! Uw geloof heeft U gered’ (Lc. 17, 19) ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
31d
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
‘Sta op! Uw geloof heeft U gered’ (Lc. 17, 19) ->=geentekst=
V. Vervolgens moet nadrukkelijk worden gesteld dat de kostbaarste vrucht van de vergeving die in het Sacrament van de Bekering wordt ontvangen, in de verzoening met God bestaat. Zij voltrekt zich in het diepst van het hart van de verloren en teruggevonden zoon, dat is: in iedere boeteling. Daar moet evenwel aan worden toegevoegd dat deze verzoening met God om zo te zeggen weer andere verzoeningen voortbrengt, als genezing voor evenzoveel andere door de zonde ontstane breuken: de boeteling aan wie vergeving wordt geschonken, verzoent zich in het diepst van zijn wezen, waar hij zijn innerlijke waarachtigheid herwint, met zichzelf; hij wordt verzoend met zijn broeders, die door hem in zekere zin beledigd en gekwetst waren; hij wordt verzoend met de Kerk, en hij wordt verzoend met heel de schepping. De boeteling is zich daarvan bewust, waardoor er in hem na afloop van de viering een gevoel van dankbaarheid opbloeit jegens God voor het geschenk van zijn barmhartigheid, en de Kerk spoort hem ook tot zo'n gesteltenis aan. Elke biechtstoel is een bevoorrechte en gezegende plaats, waaruit na het wegnemen van alle verdeeldheid, nieuw en onaangetast, een verzoende mens geboren wordt - een verzoende wereld!
Referenties naar alinea 31d: 4
Pastores Dabo Vobis ->=geentekst=Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
‘Sta op! Uw geloof heeft U gered’ (Lc. 17, 19) ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
31e
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
‘Sta op! Uw geloof heeft U gered’ (Lc. 17, 19) ->=geentekst=
VI. Tenslotte moet mij nog iets van het hart dat ons, priesters, allemaal raakt. Wij zijn de bedienaars van het Sacrament van de Bekering, maar tegelijkertijd kunnen en moeten wij ook zelf de weldaad ervan ondervinden. Het geestelijke en pastorale leven van de priester, maar ook dat van de leken en religieuzen die zijn broeders zijn, is afhankelijk van zijn persoonlijke, regelmatig en zorgvuldig gebruik van het Sacrament van de Bekering. vgl: Presbyterorum Ordinis, 18[[[704|18]]] Zijn viering van de Eucharistie en van de andere sacramenten, zijn pastorale ijver, zijn omgang met de gelovigen, zijn gemeenschapsband met de medebroeders, zijn samenwerking met de bisschop, zijn gebedsleven, kortom heel zijn priesterlijke leven lijdt onvermijdelijk schade, als hij uit nalatigheid of om een andere reden niet regelmatig, in een oprecht geloof en met godsvrucht het Sacrament van de Bekering ontvangt. In de priester die zijn zonden niet meer of slecht belijdt, raakt het "priester zijn" en het "priesterlijk handelen" zelf aangetast, en ook de gemeenschap waarover hij herder is zal dat bemerken. Daar wil ik nog aan toevoegen dat de priester, ook om een goede en vruchtbare bedienaar van het Sacrament van de Bekering te zijn, zelf tot de bron van genade en heiligheid moet naderen die in dit sacrament gelegen is. Uit eigen ervaring kunnen wij, priesters, zeggen dat wij onze bediening als biechtvader beter en voor de biechtelingen weldadiger verrichten, in de mate dat het Sacrament van de Bekering ons zelf na aan het hart ligt en wij er dikwijls en in een goede gesteltenis gebruik van maken. Daarentegen zou dit dienstwerk veel van zijn vruchtbaarheid verliezen, als wij het op de een of andere manier zouden veronachtzamen zelf goede biechtelingen te zijn. Dit hoort tot de innerlijke logica van dit grote sacrament. Dat nodigt ons, priesters van Christus, allen uit een hernieuwde zorg te besteden aan onze persoonlijke biecht. Van de andere kant vormt die persoonlijke ervaring van eenieder een stimulans, en dat moet zij met name vandaag de dag worden, tot een toegewijde, volhardende, geduldige en ijverige uitoefening van het heilig dienstwerk van het bekeringssacrament. Wij zijn daartoe verplicht krachtens ons priesterschap en onze roeping. Door dat dienstwerk immers zijn wij herders en dienaren van onze broeders. Met dit apostolisch schrijven spoor ik dan ook alle priesters ter wereld, en met name mijn broeders in het bisschopsambt en de parochieherders dringend aan om met al hun krachten te bevorderen dat de gelovigen dit sacrament dikwijls ontvangen, en om alle mogelijke en passende hulpmiddelen aan te wenden en wegen proberen te vinden om zoveel mogelijk broeders door het Sacrament van de Bekering tot "de genade" te brengen "die ons gegeven is", tot verzoening van iedere ziel en van heel de wereld met God in Christus.
Referenties naar alinea 31e: 4
Pastores Dabo Vobis ->=geentekst=Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
‘Sta op! Uw geloof heeft U gered’ (Lc. 17, 19) ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- De vormen van de viering
32
Misericordia Dei ->=geentekst=
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
Volgens de richtlijnen van het Tweede Vaticaans Concilie biedt de Orde van dienst voor boete en verzoening drie riten, waardoor het mogelijk wordt om de viering van het Sacrament van de Bekering met behoud van de wezenlijke elementen aan te passen aan de pastorale omstandigheden. De eerste vorm - de verzoening van één boeteling - is de gewone en normale manier waarop het sacrament gevierd wordt en mag niet in onbruik raken of veronachtzaamd worden. De tweede vorm - de verzoening van meerdere boetelingen met persoonlijke belijdenis en absolutie - biedt weliswaar in haar voorbereidende gedeelten de mogelijkheid om de gemeenschapsdimensie van het sacrament beter te doen uitkomen, maar volgt in haar eigenlijk sacramentele gedeelte, dat bestaat in de persoonlijke belijdenis en absolutie van de zonde, toch de eerste vorm. Zij kan dan ook met die eerste vorm gelijk gesteld worden, in zoverre zij dezelfde gewone rite volgt. De derde vorm daarentegen - de verzoening van meerdere boetelingen met algemene belijdenis en absolutie - draagt het karakter van een uitzondering en wordt daarom niet aan de vrije keus overgelaten maar valt onder een speciaal daarvoor opgestelde regeling. De eerste vorm maakt dat de meer persoonlijke - en wezenlijke - aspecten van de bekeringsweg ten volle gewaardeerd en benut worden. Door het gesprek tussen de biechteling en de biechtvader, en door gebruik te maken van de diverse elementen (zoals de Bijbellezingen, de keuzemogelijkheid met betrekking tot de "genoegdoening" en dergelijke), kan men de sacramentele viering beter laten aansluiten bij de situatie van de biechteling. Hoe waardevol deze elementen zijn, ontdekt men als men bedenkt vanuit welke motieven een Christen tot het Sacrament van de Bekering komt: uit behoefte aan persoonlijke verzoening en herstel van de vriendschap met God doordat de genade, die door de zonde verloren was, wordt teruggewonnen; uit behoefte aan toetsing en bevestiging van de geestelijke weg die men gaat, en soms aan een nauwkeuriger zicht op de roeping; dikwijls ook uit een behoefte en verlangen om uit een gesteltenis van geestelijke lauwheid en religieuze crisis te komen. Doordat de eerste vorm van viering zo op de individuele persoon afgestemd is, ontstaat er tenslotte een verbinding tussen het Sacrament van de Bekering en iets dat er weliswaar van verschilt maar er gemakkelijk mee te verenigen is: ik bedoel de geestelijke leiding. Zeker is dan ook dat door de eerste vorm van het sacrament de persoonlijke keuze en verantwoordelijkheid duidelijk worden onderstreept en bevorderd. De tweede vorm van viering haalt, juist door haar gemeenschapskarakter en haar eigen gestaltegeving, enige andere belangrijke aspecten naar voren: het woord Gods krijgt, wanneer het gezamenlijk beluisterd wordt, een heel bijzondere kracht in vergelijking met de persoonlijke lezing ervan, en doet beter het kerkelijk karakter uitkomen van bekering en verzoening. Deze vorm komt met name tot zijn recht in de verschillende tijden van het liturgisch jaar en in verband met bijzondere gebeurtenissen van pastoraal belang. Het moge hier volstaan erop te wijzen dat bij deze vorm van viering wel hoort dat er een voldoende aantal mensen bij aanwezig is. Het spreekt uiteraard vanzelf dat men niet op grond van bijkomstige of subjectieve criteria moet kiezen welk van beide vormen men zal gebruiken, maar dat men daarbij te werk moet gaan vanuit de wil om het geestelijk welzijn te dienen, in trouw aan de regelingen van de Kerk ten aanzien van het Sacrament van de Bekering. Ook is het goed eraan te herinneren dat het voor een evenwichtig geestelijk en pastoraal beleid in deze, getuige een eeuwenlange leerstellige traditie en praktijk, nodig is dat men een groot belang hecht aan het biechten ook als het maar om dagelijkse zonden gaat, en dat men de gelovigen daartoe opvoedt. Want al weet de Kerk en leert zij dat dagelijkse zonden ook op andere wijzen vergeven worden - men denke aan akten van berouw, werken van naastenliefde, gebeden, boetevieringen - toch houdt zij niet op allen te herinneren aan de eigen geestelijke rijkdom van het sacrament, ook waar het over zulke zonden gaat. Het veelvuldig ontvangen van het Sacrament van de Bekering, waartoe sommige groepen van gelovigen verplicht zijn, versterkt het besef dat ook de kleinere zonden God beledigen en een wonde toebrengen aan het Lichaam van Christus dat de Kerk is. De viering van het Sacrament van de Bekering wordt dan een gelegenheid en stimulans "dieper aan Christus gelijkvormig te worden en nauwlettender aan de stem van de Geest gehoor te geven". b[[3173|(7)]] Bijzondere nadruk verdient het feit dat de genade die eigen is aan de sacramentele viering een grote geneeskracht bevat en helpt om de wortels van de zonde uit te rukken. De zorg voor de gestaltegeving van de viering, vgl: Ordo Paenitentiae, (17)[[[3173|(17)]]] met name voor de plaats van het woord van God, dat als het kan en past aan de gelovigen en met hun medewerking voorgelezen, in herinnering gebracht en uitgelegd wordt, draagt er toe bij dat de praktijk van het bekeringssacrament levendiger wordt, en voorkomt dat zij afglijdt naar formalisme en sleur. Deze verzorging van de viering zal er onder andere ook toe leiden dat in de verschillende kerken vaste tijden worden bepaald voor de viering van het boetesacrament, en dat de gelovigen, met name de kinderen en de jongeren, wordt geleerd zich daar normaal gesproken aan te houden, tenzij er sprake is van een noodsituatie. Want in dat laatste geval moet een herder van zielen altijd klaar staan om degene die bij hem komt te ontvangen.
Referenties naar alinea 32: 4
Misericordia Dei ->=geentekst=Misericordia Dei ->=geentekst=
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- De viering van het sacrament met algemene absolutie
33
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
In de nieuwe liturgische Orde van dienst en onlangs nog in het nieuwe Wetboek van Kerkelijk recht, Codex Iuris Canonici, 961-963[[30|961-963]] worden de voorwaarden bepaald waaronder het gebruik van de "rite voor de verzoening van meerdere boetelingen met algemene belijdenis en absolutie" gewettigd is. De hierover uitgevaardigde normen en voorschriften zijn de vrucht van rijpe en evenwichtige overwegin¬gen. Men moet ze aanvaarden en in praktijk brengen en daarbij elke vorm van willekeurige interpretatie vermijden. Het is nuttig nauwkeuriger de redenen te bezien die bepalen wanneer de viering van het bekeringssacrament in één van de eerste twee vormen is voorgeschreven, en wanneer het gebruik van de derde vorm is toegestaan. Op de eerste plaats is daar het motief van de trouw aan de wil van de Heer Jezus Christus, zoals de Kerk deze heeft overgeleverd, en van de gehoorzaamheid aan de wetten van de Kerk. De Synode heeft in één van haar voorstellen de onveranderlijke leer bevestigd die de Kerk uit de oudste overlevering put, evenals de wet waarmee zij deze eeuwenoude praktijk in haar wetgeving heeft vastgelegd: de persoonlijke en volledige belijdenis van de zonden samen met de eveneens persoonlijke absolutie vormt de enige gewone manier waarop een gelovige, die zich van een zware zonde bewust is, met God en de Kerk wordt verzoend. Uit deze bevestiging van de leer van de Kerk volgt duidelijk dat iedere zware zonde steeds, samen met de omstandigheden die haar bepalen,bekend moet worden in een persoonlijke belijdenis. Bovendien is er het motief van pastorale aard. Ook al is het waar dat men, wanneer de omstandigheden aanwezig zijn die door de kerkelijke wetgeving vereist worden, gebruik kan maken van de derde vorm van viering, toch mag men daarom nog niet vergeten dat dit geen normale vorm mag worden, en dat zij alleen maar kan en mag worden aangewend "in noodgevallen", zoals de Synode opnieuw heeft onderstreept, waarbij men verplicht blijft de afzonder¬lijke zware zonden te belijden voordat men een tweede keer de algemene absolutie ontvangt. Het komt alleen aan de bisschop toe om binnen de grenzen van zijn bisdom te beoordelen of inderdaad de omstandigheden aanwezig zijn die door de kerkelijke wetgeving zijn vastgesteld met betrekking tot het gebruiken van de derde vorm. Voor hem is dit een zwaarwegende gewetensbeslissing waarbij hij zich moet houden aan de wet en de praktijk van de Kerk, en rekening moet houden met de criteria en richtlijnen zoals deze op grond van de hierboven uiteengezette leerstellige en pastorale overwegingen, met de andere leden van de bisschoppenconferentie zijn overeengekomen. Eveneens zullen altijd vanuit een echte pastorale zorg condities geschapen en gewaarborgd moeten worden, die het mogelijk maken dat het gebruik van de derde vorm ook de geestelijke vruchten oplevert waarvoor hij is ingesteld. Bovendien zal het bij wijze van uitzondering gebruiken van de derde vorm van viering nooit mogen leiden tot een geringere waardering, laat staan een afschaffing van de gewone vormen, en evenmin tot de opvatting als zou het vrij staan om in plaats van één van beide eerste vormen de derde vorm te kiezen. Het staat de herders en gelovigen immers niet vrij om uit de genoemde vormen van viering die vorm te kiezen die men het meest geschikt acht. De herders zijn verplicht het voor de gelovigen gemakkelijker te maken hun zonden volledig en persoonlijk te belijden. De gelovigen zijn daar niet slechts toe verplicht. Het is ook hun onschendbaar en onvervreemdbaar recht, en bovendien een behoefte van de ziel. Het gebruik van de derde vorm van viering legt de gelovigen echter de verplichting op alle normen in acht te nemen die de praktijk ervan regelen, met inbegrip van de wet die hun verbiedt opnieuw tot een algemene absolutie hun toevlucht te zoeken als zij niet eerst, en wel zo spoedig mogelijk, een volledige en persoonlijke belijdenis van hun zonden hebben gedaan. Over deze norm, en over de verplichting om zich eraan te houden, moeten de gelovigen vóór de absolutie door de priester worden geïnformeerd en onderricht. Met deze nadrukkelijke verwijzing naar de leer en de wetgeving van de Kerk beoog ik in allen een levendig verantwoordelijkheidsgevoel te wekken dat ons moet leiden bij het omgaan met heilige zaken. Deze zijn, zoals bijvoorbeeld de sacramenten, niet ons eigendom, en wij mogen ze, waar het bijvoorbeeld gaat om de gewetens, niet in twijfel en verwarring laten. Beide zijn, ik herhaal het nog eens, heilige zaken, zowel de sacramenten als de gewetens. Van ons vragen ze dat wij hen in waarheid dienen. Daarom is er een kerkelijke wetgeving.
Referenties naar alinea 33: 2
Vicesimus Quintus Annus ->=geentekst=Incarnationis mysterium ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Enige moeilijkere gevallen
34
Annus Internationalis Familiae ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
Notitie over de Verklaring 'Fiducia Supplicans' ->=geentekst=
Ik vind het noodzakelijk hier, ook al is het maar heel in het kort, in te gaan op een pastoraal probleem waarmee de Synode, in zoverre haar dat mogelijk was, zich heeft bezig gehouden, en dat zij ook in één van haar voorstellen te berde brengt. Ik bedoel bepaalde, vandaag de dag niet zelden voorkomende situaties, waarin Christenen zich bevinden die de godsdienstig-sacramentele praktijk zouden willen blijven voortzetten, maar dan ondervinden dat de persoonlijke omstandigheden waarin zij staan daarvoor een belemmering zijn, omdat zij strijdig zijn met de verplichtingen die zij ten overstaan van God en de Kerk in vrijheid op zich hebben genomen. Dergelijke situaties zijn werkelijk bijzonder moeilijk en haast onontwarbaar. In heel wat interventies kwam ter sprake wat ten tijde van de Synode het algemene gevoelen van de vaders was: dat er ten aanzien van zulke gevallen twee beginselen zijn die allebei gelden, die beide even belangrijk zijn en die elkaar beïnvloeden. Het eerste beginsel is dat van het mededogen en de barmhartigheid. Volgens dit beginsel probeert de Kerk, die Christus' werk voortzet, die de dood van de zondaar niet wil maar dat hij leeft, (Ez. 18, 23)[[b:Ez. 18, 23]] en die er zich op toelegt het geknakte riet niet te breken en de kwijnende vlaspit niet te doven, (Jes. 42, 3; Mt. 12, 20)[[b:Jes. 42, 3; Mt. 12, 20]] altijd zoveel mogelijk de weg van de terugkeer naar God en van de verzoening met Hem open te houden. Het andere beginsel is: dat van de waarheid en van het in overeenstemming zijn met de waarheid. Volgens dit beginsel kan de Kerk er niet in meegaan het kwade goed te noemen en het goede kwaad. En volgens beide elkaar aanvullende beginselen kan de Kerk niet anders dan diegene van haar kinderen, die zich in zulke smartelijke omstandigheden bevinden, aan te sporen langs andere wegen toenadering te zoeken tot de goddelijke barmhartigheid, echter niet langs de weg van de sacramenten, met name van het Sacrament van de Bekering en de Eucharistie, zolang zij niet aan de voorgeschreven gesteltenissen beantwoorden. Over dit onderwerp, dat ook ons herderhart pijn doet, heb ik gemeend enkele duidelijke woorden te moeten zeggen in de apostolische aansporing over de gemeenschap van het gezin, Familiaris Consortio[267] genaamd, waar het ging over gescheiden mensen die opnieuw trouwen, vgl: Familiaris Consortio, 84[[[267|84]]] en over Christenen die op welke wijze dan ook onwettig samenleven. Tegelijkertijd voel ik dat ik, samen met de Synode, alle kerkelijke gemeenschappen en op de eerste plaats de bisschoppen ertoe moet aansporen, alle mogelijke hulp te bieden aan die priesters die zich onttrokken hebben aan de zware verplichtingen die zij tijdens hun wijding op zich genomen hebben en die in omstandigheden verkeren die onwettig zijn. Geen van deze medebroeders mag zich door de Kerk verlaten voelen. De weg naar een volledige verzoening, op het tijdstip dat alleen de Voorzienigheid kent, kan voor allen, die op dit ogenblik niet de objectieve voorwaarden vervullen die voor het Sacrament van de Bekering nodig zijn, worden voorbereid door bewijzen van moederlijke goedheid van de kant van de Kerk, door steun te zoeken in andere oefeningen van godsvrucht dan die van de sacramenten, door een oprechte toeleg op verbondenheid met de Heer, door deel te nemen aan het eucharistisch offer, en door veelvuldig zo volmaakt mogelijke akten te stellen van geloof, hoop, liefde en berouw.
Referenties naar alinea 34: 4
Veritatis Splendor ->=geentekst=Annus Internationalis Familiae ->=geentekst=
Incarnationis mysterium ->=geentekst=
Notitie over de Verklaring 'Fiducia Supplicans' ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- DEEL 4 Een wens tot besluit
35
Aan het einde van dit document hoor ik in mijzelf als het ware de echo van de apostolische aansporing van de eerste bisschop van Rome, uitgesproken in een tijd van grote crisis, bij het begin van de Kerk. Graag zou ik die tot u allen willen herhalen: "aan de vreemdelingen in de Verstrooiing…..uitverkoren krachtens de voorbeschikking van God de Vader": "weest allen eensgezind in meegevoel, broederlijkheid, barmhartigheid en ootmoed". (1 Pt. 3, 8)[[b:1 Pt. 3, 8]] De apostel vermaant: "Weest allen eensgezind ..."; maar meteen vervolgt hij met het opsommen van de zonden tegen de vrede die men moet mijden: "Vergeldt geen kwaad met kwaad; als men u uitscheldt, scheldt dan niet terug. Integendeel, zegent elkander, opdat gij de zegen verwerft waartoe gij geroepen zijt". En hij besluit met de bemoedigende woorden: "Wie zal u kwaad doen, als gij ijvert voor het goede?". (1 Pt. 3, 9.13)[b:1 Pt. 3, 9.13] In een tijd dat de crisis zeker niet minder groot is, waag ik het me met deze aansporing aan te sluiten bij die van de eerste onder de apostelen, bij hem die als eerste de cathedra of bisschopszetel van Rome heeft bekleed, als getuige van Christus en als herder van de Kerk, en die ten overstaan van heel de wereld "de liefdesbond heeft voorgezeten". In gemeenschap met de opvolgers van de apostelen, de bisschoppen, en ondersteund door het collegiale overleg dat velen van hen, in Synode bijeengekomen, hebben gevoerd over onderwerpen en vraagstukken met betrekking tot de verzoening, heb ik u op mijn beurt, in dezelfde geest als de visser uit Galilea, willen meedelen wat hij gezegd heeft tot onze broeders in het geloof die in de tijd weliswaar ver van ons afstaan, maar in het hart ons zo nabij zijn: "Weest allen eensgezind….vergeldt geen kwaad met kwaad..…ijvert voor het goede". (1 Pt. 3, 8.9.13)[b:1 Pt. 3, 8.9.13] En hij voegt eraan toe: "Hoeveel beter is het, zo God het wil, te lijden voor het goede dat men doet dan strafte ondergaan voor misdrijven''. (1 Pt. 3, 17)[b:1 Pt. 3, 17] Heel deze vermaning is doortrokken van de woorden die Petrus van Jezus zelf had gehoord, en van begrippen die vervat lagen in diens "Blijde Boodschap": het nieuwe gebod van de onderlinge liefde, een intens verlangen naar en inzet voor de eenheid, de zaligspreking van de barmhartigheid en van het geduld te midden van de vervolging omwille van de gerechtigheid, het kwade vergelden met het goede, de beledigingen vergeven, de vijanden liefhebben. In zulke woorden en gedachten ligt de alleroorspronkelijkste en alles overstijgende samenvatting van de christelijke ethiek of, om het beter en dieper uit te drukken, de geestelijke leer van het Nieuwe Verbond in Jezus Christus. Aan de Vader, die rijk is aan barmhartigheid, aan Gods Zoon die is mens geworden als onze Verlosser en Verzoener, en aan de Heilige Geest, bron van eenheid en vrede, vertrouw ik deze aansporing toe, die ik als vader en herder gegeven heb tot bekering en verzoening. De allerheiligste en aanbiddelijke Drieëenheid bewerkstellige dat het kleine zaadje dat ik nu in de vruchtbare aarde van zoveel mensenharten uitzaai, in de Kerk en in de wereld tot bloei komt. Opdat daaruit spoedig overvloedig vrucht mag voortkomen, vraag ik u allen om samen met mij de geest te richten op het Hart van Jezus Christus, welsprekend teken van de goddelijke barmhartigheid, "zoenoffer voor onze zonden", "onze vrede en onze verzoening", Litanie van het H. HartLitanie van het H. Hart (1 Joh. 2, 2; Ef. 2, 14; Rom. 3, 25; Rom. 5, 11)[[b:1 Joh. 2, 2; Ef. 2, 14; Rom. 3, 25; Rom. 5, 11]] teneinde van Hem de innerlijke impuls te ontvangen om de zonden te verafschuwen en naar God terug te keren, en in Hem de goddelijke goedheid te vinden die met liefde antwoordt op het berouw van de mens. Ik bid u ook om samen met mij de geest te richten tot het Onbevlekt Hart van Maria, de Moeder van Jezus, in wie "de verzoening van God met de mensheid is bewerkt….., het werk van de verzoening is volbracht, omdat zij van God de volheid der genade heeft ontvangen omwille van het verlossende offer van Christus". Over de Onbevlekte Ontvangenis, (2)[[3219|(2)]] Omwille van haar goddelijk moederschap is Maria immers waarlijk "de bondgenote van God" geworden in het werk van de verzoening. Over de Menswording en de rol van de H. Maria daarin[[3220]] In de handen van deze Moeder, wier jawoord het begin geweest is van de "volheid der tijden" waarin door Christus de verzoening werd volbracht van de mens met God, en in haar Onbevlekt Hart, waaraan ik bij herhaling heel de door zonde verstoorde en door zoveel spanningen en conflicten verscheurde mensheid heb toevertrouwd, leg ik nu op een bijzondere manier deze intentie: dat op haar gebed de mensheid de weg van de bekering mag ontdekken en begaan, de enige weg die hen naar de volledige verzoening kan leiden. Aan u allen, die in een geest van kerkelijke gemeenschap, in gehoorzaamheid en geloof, (Rom. 1, 5; Rom. 16, 26)[[b:Rom. 1, 5; Rom. 16, 26]] de aanwijzingen, raadgevingen en richtlijnen die in dit document vervat liggen, aanvaardt en u beijvert om ze te vertalen in een levende pastorale praktijk, verleen ik van harte de steun van mijn apostolische zegen. Gegeven te Rome, bij de heilige Petrus,
op 2 december, de eerste zondag van de advent,
in het jaar 1984, het zevende van mijn pontificaat. JOHANNES PAULUS II
op 2 december, de eerste zondag van de advent,
in het jaar 1984, het zevende van mijn pontificaat. JOHANNES PAULUS II
Referenties naar alinea 35: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaReferenties naar dit document: 19
Open uitgebreid overzichthttps://rkdocumenten.nl/toondocument/759-reconciliatio-et-paenitentia-nl