Pastores Dabo Vobis
x
Gebruik de knoppen om door de historische teksten te lopen:
Informatie over dit document
Pastores Dabo Vobis
N.a.v. de Bisschoppensynode over de priesteropleidingen
Paus Johannes Paulus II
25 maart 1992
Pauselijke geschriften - Postsynodale Apostolische Exhortaties
1992, Stg. R.K. Voorlichting, Oegstgeest
1992
RK Voorlichting
23 oktober 2023
724
nl
Referenties naar dit document: 20
Open uitgebreid overzichtReferenties naar dit document van thema's en berichten
Open uitgebreid overzichtExtra opties voor dit document
Kopieer document-URL naar klembord Reageer op dit document Deel op social mediaInhoudsopgave
Uitklappen
- Inleiding
1
“Ik zal u herders geven naar mijn hart” (Jer. 3, 15)[b:Jer. 3, 15]. Met deze woorden van de profeet Jeremia belooft God aan zijn volk dat Hij het nooit verstoken zal laten van herders die het bijeenbrengen en leiden: "Dan stel Ik herders over hen (ofwel over mijn schapen) aan, die hen werkelijk weiden. Ze hoeven niet meer bang of angstig te zijn” (Jer. 23, 4)[b:Jer. 23, 4].
De Kerk, het volk van God, ervaart steeds dat deze profetische aankondiging vervuld wordt en het blijft met vreugde dank brengen aan de Heer. Zij weet dat Jezus Christus zelf de levende, hoogste en definitieve vervulling is van de belofte van God: “Ik ben de goede herder” (Joh. 10, 11)[b:Joh. 10, 11]. Hij, “de grote herder der schapen” (Heb. 13, 20)[b:Heb. 13, 20], heeft aan de apostelen en hun opvolgers de taak toevertrouwd om de kudde van God te weiden (vv.)[[b:Joh. 21, 15]](1 Pt. 5, 2)[[b:1 Pt. 5, 2]].
Zonder de priesters zou de Kerk in het bijzonder niet kunnen leven in de fundamentele gehoorzaamheid die ten grondslag ligt aan haar bestaan en haar zending in de geschiedenis: de gehoorzaamheid aan het gebod van Jezus: “Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen” (Mt. 28, 19)[b:Mt. 28, 19], en: “Doet dit tot een gedachtenis aan Mij” (Lc. 22,19)[b:Lc. 22,19] (1 Kor. 11, 24)[[b:1 Kor. 11, 24]], ofwel aan het gebod om de Blijde Boodschap te verkondigen en iedere dag het offer te vernieuwen van zijn lichaam en bloed, gegeven en vergoten voor het leven van de wereld.
In geloof weten wij dat de belofte van de Heer niet onvervuld kan blijven. Juist deze belofte is de reden en de kracht voor de vreugde van de Kerk om de bloei en de groei in aantal van de priesterroepingen, welke zich in sommige delen van de wereld voordoen. Zij vormt ook de grondslag en de stimulans voor een akt van groter geloof en levendigere hoop bij het ernstige priestergebrek in andere delen van de wereld.
Wij worden allen uitgenodigd om het volledige vertrouwen te delen in de ononderbroken vervulling van de belofte van God, waarvan de synodevaders op duidelijke en krachtige wijze hebben willen getuigen: “Vol vertrouwen in de belofte van Christus die gezegd heeft: “Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mt. 28, 20)[b:Mt. 28, 20] en in het besef van de voortdurende werking van de heilige Geest in de Kerk gelooft de synode innig dat het de Kerk nooit geheel zal ontbreken aan gewijde bedienaren (...). Ook al is er in verschillende streken en gebrek aan priesters, toch zal de Vader nooit ophouden roepingen in de Kerk op te wekken”. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (2)[[2521|(2)]]
Zoals ik bij de sluiting van de synode heb gezegd, bestaat het eerste antwoord dat de Kerk geeft op de crisis in de priesterroeping “in een akt van volledig vertrouwen op de heilige Geest. Wij zijn diep overtuigd dat deze vertrouwvolle overgave nooit teleurgesteld zal worden, als wij maar trouw blijven aan de ontvangen genade”. Slottoespraak 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (5)[[2520|(5)]]
De Kerk, het volk van God, ervaart steeds dat deze profetische aankondiging vervuld wordt en het blijft met vreugde dank brengen aan de Heer. Zij weet dat Jezus Christus zelf de levende, hoogste en definitieve vervulling is van de belofte van God: “Ik ben de goede herder” (Joh. 10, 11)[b:Joh. 10, 11]. Hij, “de grote herder der schapen” (Heb. 13, 20)[b:Heb. 13, 20], heeft aan de apostelen en hun opvolgers de taak toevertrouwd om de kudde van God te weiden (vv.)[[b:Joh. 21, 15]](1 Pt. 5, 2)[[b:1 Pt. 5, 2]].
Zonder de priesters zou de Kerk in het bijzonder niet kunnen leven in de fundamentele gehoorzaamheid die ten grondslag ligt aan haar bestaan en haar zending in de geschiedenis: de gehoorzaamheid aan het gebod van Jezus: “Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen” (Mt. 28, 19)[b:Mt. 28, 19], en: “Doet dit tot een gedachtenis aan Mij” (Lc. 22,19)[b:Lc. 22,19] (1 Kor. 11, 24)[[b:1 Kor. 11, 24]], ofwel aan het gebod om de Blijde Boodschap te verkondigen en iedere dag het offer te vernieuwen van zijn lichaam en bloed, gegeven en vergoten voor het leven van de wereld.
In geloof weten wij dat de belofte van de Heer niet onvervuld kan blijven. Juist deze belofte is de reden en de kracht voor de vreugde van de Kerk om de bloei en de groei in aantal van de priesterroepingen, welke zich in sommige delen van de wereld voordoen. Zij vormt ook de grondslag en de stimulans voor een akt van groter geloof en levendigere hoop bij het ernstige priestergebrek in andere delen van de wereld.
Wij worden allen uitgenodigd om het volledige vertrouwen te delen in de ononderbroken vervulling van de belofte van God, waarvan de synodevaders op duidelijke en krachtige wijze hebben willen getuigen: “Vol vertrouwen in de belofte van Christus die gezegd heeft: “Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mt. 28, 20)[b:Mt. 28, 20] en in het besef van de voortdurende werking van de heilige Geest in de Kerk gelooft de synode innig dat het de Kerk nooit geheel zal ontbreken aan gewijde bedienaren (...). Ook al is er in verschillende streken en gebrek aan priesters, toch zal de Vader nooit ophouden roepingen in de Kerk op te wekken”. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (2)[[2521|(2)]]
Zoals ik bij de sluiting van de synode heb gezegd, bestaat het eerste antwoord dat de Kerk geeft op de crisis in de priesterroeping “in een akt van volledig vertrouwen op de heilige Geest. Wij zijn diep overtuigd dat deze vertrouwvolle overgave nooit teleurgesteld zal worden, als wij maar trouw blijven aan de ontvangen genade”. Slottoespraak 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (5)[[2520|(5)]]
Referenties naar alinea 1: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
2
Trouw blijven aan de ontvangen genade! De gave van God heft de vrijheid van de mens immers niet op, maar wekt haar op, ontwikkelt haar en vereist haar. Daarom gaat in de Kerk het algehele vertrouwen op de onvoorwaardelijke trouw van God aan zijn belofte samen met de zware verantwoordelijkheid om mee te werken met het handelen van de roepende God, om de voorwaarden te schepen en in stand te houden waarin het goede zaad dat God heeft gezaaid wortel kan schieten en overvloedige vrucht kan dragen. De kerk mag nooit ophouden om aan de Heer van de oogst te vragen arbeiders te sturen voor het oogsten (Mt. 9, 38)[[b:Mt. 9, 38]], om aan de nieuwe generaties op heldere en moedige wijze de roeping voor te houden, om ze te helpen de waarachtigheid van de roeping door God te onderscheiden en daarop edelmoedig te antwoorden, om bijzondere zorg te besteden aan de vorming van de kandidaten voor het priesterschap. De vorming van de toekomstige diocesane en religieuze priesters en de volhardende zorg voor hun persoonlijke heiliging in hun dienstwerk en voor het aanhoudend aggiornamento van hun pastorale werk in de loop van heel hun leven worden door de Kerk beschouwd als één van de meest delicate en belangrijke taken voor de toekomst van de evangelisatie van de mensheid. Dit vormingswerk van de Kerk is een voortzetting in de tijd van het werk van Christus, dat de evangelist Marcus weergeeft met de volgende woorden: “Jezus ging de berg op en riep tot zich die Hij zelf wilde; en zij kwamen bij Hem. Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen en door Hem uitgezonden te worden om te prediken, met de macht de duivels uit te drijven” (Mc. 3, 13-15)[b:Mc. 3, 13-15]. Men kan stellen dat de Kerk deze bladzijde van het evangelie in haar geschiedenis steeds opnieuw verwezenlijkt heeft, zij het min of meer intens en op verschillende wijzen, door middel van het werk van de vorming van de kandidaten voor het priesterschap en van de priesters zelf. Maar de Kerk voelt zich nu geroepen om wat de Meester met zijn apostelen gedaan heeft met hernieuwde zorg te verwezenlijken, daartoe aangespoord door de diepgaande en snelle veranderingen van de maatschappij en de cultuur in onze tijd, door de veelheid en de verscheidenheid van de contexten waarin zij het evangelie verkondigt en ervan getuigt, door de gunstige ontwikkeling van het aantal priesterroepingen in verschillende bisdommen van de wereld, door de dringende noodzakelijkheid van een nieuwe verificatie van de inhoud en de methoden van de priestervorming, door de bezorgdheid van de bisschoppen en hun gemeenschappen vanwege het aanhoudend tekort aan geestelijken, door de absolute noodzaak dat de “nieuwe evangelisatie” in de priesters haar eerste “nieuwe evangelisatoren” vindt. Dit vormt juist de historische en culturele context waarin de jongste gewone algemene vergadering van de bisschoppensynode geplaatst was. Zij was gewijd aan “de vorming van de priesters in de huidige omstandigheden”, met de bedoeling om vijf en twintig jaren na het einde van het concilie het onderricht daarvan over dit onderwerp te voltooien en het in de huidige omstandigheden meer actueel en doeltreffend te maken. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 1[[[2521|1]]]
Referenties naar alinea 2: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
3
De Kerk heeft de problemen van het leven, het ambt en de vorming van de priesters meermalen behandeld, in samenhang met de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie over de priesterstand en –opleiding vgl: Lumen Gentium, 28[[[617|28]]] vgl: Presbyterorum Ordinis[[[704]]] vgl: Optatam Totius Ecclesiae[[[675]]] en met de bedoeling de rijke en gezagvolle leer daarvan concreet toe te passen op de verschillende situaties. De bisschoppensynoden zijn daarvoor de meest bijzondere gelegenheden geweest. Vanaf de eerste algemene vergadering in oktober 1967 heeft de synode vijf algemene bijeenkomsten gewijd aan het thema van de vernieuwing van de seminaries. Dat werk heeft op beslissende wijze de uitwerking gestimuleerd van het document van de Congregatie voor de Katholieke Opvoeding “Fundamentele normen voor de priestervorming”. vgl: Ratio fundamentalis institutionis sacerdotalis - Editio typica[[[2567]]]
Vooral de tweede gewone algemene vergadering van 1971 heeft de helft van haar werkzaamheden besteed aan het gewijde priesterschap. De vruchten van deze lange synodale bespreking, die hernomen en samengevat zijn in enige “aanbevelingen”, welke aan mijn voorganger Paus Paulus VI zijn voorgelegd en voorgelezen zijn bij de opening synode van 1974, betroffen voornamelijk de leer over het gewijde priesterschap en enige aspecten van de priesterlijke spiritualiteit en bediening.
Ook bij vele andere gelegenheden is het leergezag van de Kerk blijven getuigen van zijn zorg voor het leven en het dienstwerk van de priesters. Men kan zeggen dat er in de jaren na het Concilie geen interventie van het leergezag is geweest welke niet in zekere mate, expliciet of impliciet, betrekking hadden op de zin van de aanwezigheid van de priesters in de gemeenschap, op hun rol en op hun noodzakelijkheid voor de Kerk en voor het leven van de wereld.
De laatste jaren is van verschillende kanten opgemerkt dat het nodig is terug te komen op het onderwerp van het priesterschap en het te behandelen vanuit een relatief nieuw gezichtspunt dat meer aangepast is aan de huidige situatie van Kerk en cultuur. De aandacht heeft zich verplaatst van het probleem van de identiteit van de priester naar de problemen die verband houdt met de vorming van de priester en met de kwaliteit van het priesterleven. De nieuwe generatie van hen die tot het priesterschap geroepen worden vertoont in feite kenmerken welke aanzienlijk verschillen van die van hun onmiddellijke voorgangers; zij leeft in een wereld die in vele opzichten nieuw is en zich voortdurend en snel ontwikkelt. Met dat alles moet wel rekening gehouden worden in de programmering en de realisering van de opvoeding tot het gewijde priesterschap.
Verder lijken de priesters die al kortere of langere tijd hun bediening uitoefenen, nu te lijden onder een buitensporige verstrooiing in de steeds toenemende pastorale activiteiten Zij voelen zich tegenover de moeilijkheden van de hedendaagse maatschappij en cultuur gedwongen om hun levensstijl en de prioriteiten van hun pastorale taken opnieuw te overdenken, terwijl zij steeds meer de noodzaak voelen van een blijvende vorming.
Welnu, de zorgen en de overwegingen van de bisschoppensynode van 1990 waren gewijd aan de vermeerdering van de priesterroepingen, aan de vorming van de kandidaten opdat zij Jezus kennen en volgen en zich voorbereiden op een leven in het sacrament van de wijding dat hen gelijkvorming maakt aan Christus, het Hoofd en de Herder, de Dienaar en de Bruidegom van de Kerk, aan het uitstippelen van wegen voor een blijvende vorming die op realistische en doelmatige wijze het dienstwerk en het geestelijke leven van de priesters kunnen ondersteunen.
Deze synode heeft ook willen antwoorden op een verzoek van de voorafgaande synode over de roeping en de zending van de leken in de Kerk en in de wereld. De leken zelf hebben gevraagd om de inzet van de priesters voor de vorming teneinde op passende wijze geholpen te worden in de vervulling van de gezamenlijke kerkelijke zending. Inderdaad “hoe meer het apostolaat van de leken zich ontwikkelt, des te sterker voelt men de behoefte aan goed gevormde priesters, aan heilige priesters. Zo manifesteert het leven zelf van het volk Gods de leer van het Tweede Vaticaans Concilie over de verhouding tussen het algemeen priesterschap en het ambtelijk of hiërarchisch priesterschap. In het mysterie van de Kerk heeft de hiërarchie het karakter van een dienst vgl: Lumen Gentium, 10[[[617|10]]]. Hoe meer men de zin van de eigen roeping van de leken verdiept, des te meer verduidelijkt men wat eigen is aan het priesterschap”. Slottoespraak 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (3)[[2520|(3)]]
Vooral de tweede gewone algemene vergadering van 1971 heeft de helft van haar werkzaamheden besteed aan het gewijde priesterschap. De vruchten van deze lange synodale bespreking, die hernomen en samengevat zijn in enige “aanbevelingen”, welke aan mijn voorganger Paus Paulus VI zijn voorgelegd en voorgelezen zijn bij de opening synode van 1974, betroffen voornamelijk de leer over het gewijde priesterschap en enige aspecten van de priesterlijke spiritualiteit en bediening.
Ook bij vele andere gelegenheden is het leergezag van de Kerk blijven getuigen van zijn zorg voor het leven en het dienstwerk van de priesters. Men kan zeggen dat er in de jaren na het Concilie geen interventie van het leergezag is geweest welke niet in zekere mate, expliciet of impliciet, betrekking hadden op de zin van de aanwezigheid van de priesters in de gemeenschap, op hun rol en op hun noodzakelijkheid voor de Kerk en voor het leven van de wereld.
De laatste jaren is van verschillende kanten opgemerkt dat het nodig is terug te komen op het onderwerp van het priesterschap en het te behandelen vanuit een relatief nieuw gezichtspunt dat meer aangepast is aan de huidige situatie van Kerk en cultuur. De aandacht heeft zich verplaatst van het probleem van de identiteit van de priester naar de problemen die verband houdt met de vorming van de priester en met de kwaliteit van het priesterleven. De nieuwe generatie van hen die tot het priesterschap geroepen worden vertoont in feite kenmerken welke aanzienlijk verschillen van die van hun onmiddellijke voorgangers; zij leeft in een wereld die in vele opzichten nieuw is en zich voortdurend en snel ontwikkelt. Met dat alles moet wel rekening gehouden worden in de programmering en de realisering van de opvoeding tot het gewijde priesterschap.
Verder lijken de priesters die al kortere of langere tijd hun bediening uitoefenen, nu te lijden onder een buitensporige verstrooiing in de steeds toenemende pastorale activiteiten Zij voelen zich tegenover de moeilijkheden van de hedendaagse maatschappij en cultuur gedwongen om hun levensstijl en de prioriteiten van hun pastorale taken opnieuw te overdenken, terwijl zij steeds meer de noodzaak voelen van een blijvende vorming.
Welnu, de zorgen en de overwegingen van de bisschoppensynode van 1990 waren gewijd aan de vermeerdering van de priesterroepingen, aan de vorming van de kandidaten opdat zij Jezus kennen en volgen en zich voorbereiden op een leven in het sacrament van de wijding dat hen gelijkvorming maakt aan Christus, het Hoofd en de Herder, de Dienaar en de Bruidegom van de Kerk, aan het uitstippelen van wegen voor een blijvende vorming die op realistische en doelmatige wijze het dienstwerk en het geestelijke leven van de priesters kunnen ondersteunen.
Deze synode heeft ook willen antwoorden op een verzoek van de voorafgaande synode over de roeping en de zending van de leken in de Kerk en in de wereld. De leken zelf hebben gevraagd om de inzet van de priesters voor de vorming teneinde op passende wijze geholpen te worden in de vervulling van de gezamenlijke kerkelijke zending. Inderdaad “hoe meer het apostolaat van de leken zich ontwikkelt, des te sterker voelt men de behoefte aan goed gevormde priesters, aan heilige priesters. Zo manifesteert het leven zelf van het volk Gods de leer van het Tweede Vaticaans Concilie over de verhouding tussen het algemeen priesterschap en het ambtelijk of hiërarchisch priesterschap. In het mysterie van de Kerk heeft de hiërarchie het karakter van een dienst vgl: Lumen Gentium, 10[[[617|10]]]. Hoe meer men de zin van de eigen roeping van de leken verdiept, des te meer verduidelijkt men wat eigen is aan het priesterschap”. Slottoespraak 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (3)[[2520|(3)]]
Referenties naar alinea 3: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
4
In de typische kerkelijke ervaring van de synode, d.w.z. in “een bijzondere ervaring van de gemeenschap van de bisschoppen in de universaliteit, die de zin van de universele kerk, de verantwoordelijkheid van de bisschoppen voor de universele Kerk en haar zending, in affectieve en effectieve gemeenschap rondom Petrus” Slottoespraak 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, 1[[2520|1]] verstrekt, heeft de stem van verschillende particuliere kerken klaar en duidelijk weerklonken en op deze synode voor het eerst ook de stem van enige kerken van het oosten. De kerken hebben hun geloof beleden in de vervulling van de belofte van God: “Ik zal u herders geven naar mijn hart” (Jer. 3, 15)[b:Jer. 3, 15] en zij hebben hun pastorale inzet voor het bevorderen van de roepingen en voor de vorming van de priesters hernieuwd, in het besef dat de toekomst van de Kerk, haar ontwikkeling en haar universele heilszending, daarvan afhangen. Ik herneem nu het rijke erfgoed van de overwegingen, richtlijnen en aanwijzingen, die het werk van de synodevaders voorbereid en begeleid hebben. Door deze apostolische exhortatie verenig ik mijn stem als bisschop van Rome en opvolger van Petrus met hun stem en ik richt haar tot het hart van alle gelovigen en van ieder van hen, in het bijzonder tot het hart van de priesters en van hen die belast zijn met de delicate taak van hun vorming. Ja, ik wil alle priesters, zowel de diocesane als de religieuze, en ieder van hen ontmoeten door deze exhortatie. Met de stem en het hart van de synodevaders maak ik de woorden en de gevoelens van de “slotboodschap van de synode aan het volk Gods[2568]” tot mijne: “Met een dankbaar gemoed en vol bewondering richten wij ons tot u die onze eerste medewerkers zijt in de apostolische dienst. Uw werk is werkelijk noodzakelijk en onvervangbaar in de Kerk. U draagt de last van de priesterlijke bediening en onderhoudt het dagelijks contact met de gelovigen. U bent bedienaars van de Eucharistie, beheerders van de goddelijke barmhartigheid in het sacrament van de boete, vertroosters van de zielen, gidsen van alle gelovigen in de stormachtige moeilijkheden van het leven. Wij groeten u van ganser harte, betuigen u onze dankbaarheid en sporen u aan om met een blij en bereidwillig gemoed te volharden in dit leven. Geeft niet toe aan moedeloosheid. Ons werk is niet het onze maar dat van God. Hij die ons geroepen en gezonden heeft blijft met ons alle dagen van ons leven. Wij werken immers in opdracht van Christus”. III[[2568]]
Referenties naar alinea 4: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- HOOFDSTUK 1 Genomen uit de mensen De vorming van de priesters tegenover de uitdagingen van het einde van het tweede millennium
- Artikel 1 De priester in zijn eigen tijd
5
“Elke hogepriester wordt genomen uit de mensen en aangesteld voor de mensen, om hen te vertegenwoordigen bij God” (Heb. 5, 1)[b:Heb. 5, 1]. De brief aan de Hebreeën geeft duidelijk de “menselijkheid” aan van de dienaar van God: hij komt uit de mensen en staat ten dienste van de mensen, in navolging van Jezus Christus, “zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde” (Heb. 4, 15)[b:Heb. 4, 15].
God roept zijn priesters altijd uit een bepaalde menselijke en kerkelijke context, waardoor zij onvermijdelijk getekend zijn en waartoe zij gezonden worden voor de dienst van het Evangelie van Christus.
Daarom heeft de synode het onderwerp van de priesters in zijn context geplaatst, in het huidige ogenblik van de maatschappij en van de Kerk en het opengesteld voor het perspectief van het derde millennium, zoals trouwens blijkt uit de formulering zelf van het thema: “De vorming van de priesters in de huidige omstandigheden”.
Ongetwijfeld “is er een wezenlijke en onveranderlijke priesterfiguur: de priester van morgen moet niet minder dan die van nu lijken op Christus. Toen Jezus op aarde leefde, toonde Hij in zichzelf het definitieve gelaat van de priester en gaf Hij gestalte aan het ambtelijk priesterschap, waarmee de apostelen het eerst werden bekleed en dat bestemd is om voort te duren en onophoudelijk herhaald te worden in alle perioden van de geschiedenis. De priester van het derde millennium zal de voortzetter zijn van de priesters die het leven van de Kerk bezield hebben in de voorafgaande millennia. Ook in de jaren tweeduizend zal de priesterroeping de roeping blijven om gestalte te geven aan het enige en blijvende priesterschap van Christus”. Over het priesterschap, (2)[[2569|(2)]] Even zeker moeten het leven en het dienstwerk van de priester zich ook “aanpassen aan iedere periode en aan ieder levensmilieu (...). Daarom moeten wij van onze kant proberen ons voor zover mogelijk open te stellen voor het hogere licht van de heilige Geest, om te ontdekken in welke richting de hedendaagse maatschappij gaat, om de diepste geestelijke behoeften te onderscheiden, om de meest belangrijke concrete taken en de aan te wenden pastorale methoden vast te stellen en zo op geschikte wijze te beantwoorden aan de menselijke verwachtingen”. Over het priesterschap, (3)[[2569|(3)]]
De Synodevaders die de blijvende waarheid over het priesterschap moesten verbinden met de eisen en kenmerken van deze tijd, hebben geprobeerd te antwoorden op enige noodzakelijke vragen: welke problemen en tevens welke positieve prikkels wekt de huidige sociaal-culturele en kerkelijke context in de jongens, de jongeren en de jonge mannen, die een project van priesterleven moeten laten rijpen voor heel hun leven? Welke moeilijkheden en welke nieuwe mogelijkheden biedt onze tijd voor de uitoefening van een priesterlijke dienst die overeenstemt met de gave van het ontvangen sacrament en met de eis van een daaraan beantwoordend geestelijke leven?
Ik geef nu enkele elementen weer van de analyse van de situatie, welke ontwikkeld is door de synodevaders, mij echter wel bewust dat de grote verscheidenheid van sociaal-culturele en kerkelijke omstandigheden in de verschillende landen het raadzaam maakt om alleen de essentiële en meest verspreide verschijnselen aan te geven, in het bijzonder die verschijnselen welke in verband staan met de opvoedkundige problemen en met de vorming van de priesters.
God roept zijn priesters altijd uit een bepaalde menselijke en kerkelijke context, waardoor zij onvermijdelijk getekend zijn en waartoe zij gezonden worden voor de dienst van het Evangelie van Christus.
Daarom heeft de synode het onderwerp van de priesters in zijn context geplaatst, in het huidige ogenblik van de maatschappij en van de Kerk en het opengesteld voor het perspectief van het derde millennium, zoals trouwens blijkt uit de formulering zelf van het thema: “De vorming van de priesters in de huidige omstandigheden”.
Ongetwijfeld “is er een wezenlijke en onveranderlijke priesterfiguur: de priester van morgen moet niet minder dan die van nu lijken op Christus. Toen Jezus op aarde leefde, toonde Hij in zichzelf het definitieve gelaat van de priester en gaf Hij gestalte aan het ambtelijk priesterschap, waarmee de apostelen het eerst werden bekleed en dat bestemd is om voort te duren en onophoudelijk herhaald te worden in alle perioden van de geschiedenis. De priester van het derde millennium zal de voortzetter zijn van de priesters die het leven van de Kerk bezield hebben in de voorafgaande millennia. Ook in de jaren tweeduizend zal de priesterroeping de roeping blijven om gestalte te geven aan het enige en blijvende priesterschap van Christus”. Over het priesterschap, (2)[[2569|(2)]] Even zeker moeten het leven en het dienstwerk van de priester zich ook “aanpassen aan iedere periode en aan ieder levensmilieu (...). Daarom moeten wij van onze kant proberen ons voor zover mogelijk open te stellen voor het hogere licht van de heilige Geest, om te ontdekken in welke richting de hedendaagse maatschappij gaat, om de diepste geestelijke behoeften te onderscheiden, om de meest belangrijke concrete taken en de aan te wenden pastorale methoden vast te stellen en zo op geschikte wijze te beantwoorden aan de menselijke verwachtingen”. Over het priesterschap, (3)[[2569|(3)]]
De Synodevaders die de blijvende waarheid over het priesterschap moesten verbinden met de eisen en kenmerken van deze tijd, hebben geprobeerd te antwoorden op enige noodzakelijke vragen: welke problemen en tevens welke positieve prikkels wekt de huidige sociaal-culturele en kerkelijke context in de jongens, de jongeren en de jonge mannen, die een project van priesterleven moeten laten rijpen voor heel hun leven? Welke moeilijkheden en welke nieuwe mogelijkheden biedt onze tijd voor de uitoefening van een priesterlijke dienst die overeenstemt met de gave van het ontvangen sacrament en met de eis van een daaraan beantwoordend geestelijke leven?
Ik geef nu enkele elementen weer van de analyse van de situatie, welke ontwikkeld is door de synodevaders, mij echter wel bewust dat de grote verscheidenheid van sociaal-culturele en kerkelijke omstandigheden in de verschillende landen het raadzaam maakt om alleen de essentiële en meest verspreide verschijnselen aan te geven, in het bijzonder die verschijnselen welke in verband staan met de opvoedkundige problemen en met de vorming van de priesters.
Referenties naar alinea 5: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 2 Het Evangelie vandaag: verwachtingen en belemmeringen
6
Vele factoren lijken in de mensen van nu een rijper besef van de menselijke waardigheid en een nieuwe openheid voor de godsdienstige waarden, het Evangelie en het priesterambt te begunstigen. Ondanks vele tegenstellingen vinden wij in het maatschappelijke milieu een wijd verbreide en sterke dorst naar rechtvaardigheid en vrede, een levendiger begrip voor de zorg die de mens moet hebben voor de schepping, en voor de eerbiediging van de natuur, een meer open zoeken van de waarheid en van de bescherming van de menselijke waardigheid, een toenemende inzet in vele lagen van de wereldbevolking voor een meer concrete internationale solidariteit en voor een nieuwe wereldorde in vrijheid en gerechtigheid. Ook het potentieel van krachten dat de wetenschappen aanbieden, groeit en ontwikkelt zich steeds meer. De informatie en de cultuur verspreiden zich, alsmede een nieuwe ethische vraag, nl. de vraag naar zin en dus naar een objectieve waardeschaal, die in staat stelt de mogelijkheden en de grenzen van de vooruitgang te bepalen.
Op meer specifiek godsdienstig en christelijk gebied vallen ideologische vooroordelen en gewelddadige verhindering van de verkondiging van geestelijke en godsdienstige waarden weg, terwijl nieuwe en onverhoopte mogelijkheden voor de evangelisatie ontstaan en in vele delen van de wereld het kerkelijke leven hervat wordt. Men ziet een groeiende verspreiding van de kennis van de Heilige Schrift; een vitaliteit en een expansieve kracht van vele jonge kerken met een steeds belangrijkere rol in de verdediging en de bevordering van de waarden van de mens en van het menselijke leven; een schitterend getuigenis van het martelaarschap van de kant van de kerken van Midden- en Oost-Europa, alsmede een getuigenis van trouw en moed van de kant van andere kerken, die nog gedwongen zijn vervolging en lijden te verduren omwille van het geloof. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (3)[[[2521|(3)]]]
Het verlangen naar God en naar een levende en zinvolle relatie met Hem dringt zich heden ten dage zo sterk op dat het daar waar de authentieke en integrale verkondiging van het Evangelie van Jezus ontbreekt, de verbreiding begunstigt van vormen van religiositeit zonder God en van talrijke sekten. De verspreiding daarvan ook in sommige traditioneel christelijke milieus is voor alle kinderen van de Kerk en in het bijzonder voor de priesters een voortdurende reden voor een gewetensonderzoek inzake de geloofwaardigheid van hun getuigenis van het Evangelie, maar geeft tevens aan hoe diep en verspreid het zoeken van God nog altijd is.
Op meer specifiek godsdienstig en christelijk gebied vallen ideologische vooroordelen en gewelddadige verhindering van de verkondiging van geestelijke en godsdienstige waarden weg, terwijl nieuwe en onverhoopte mogelijkheden voor de evangelisatie ontstaan en in vele delen van de wereld het kerkelijke leven hervat wordt. Men ziet een groeiende verspreiding van de kennis van de Heilige Schrift; een vitaliteit en een expansieve kracht van vele jonge kerken met een steeds belangrijkere rol in de verdediging en de bevordering van de waarden van de mens en van het menselijke leven; een schitterend getuigenis van het martelaarschap van de kant van de kerken van Midden- en Oost-Europa, alsmede een getuigenis van trouw en moed van de kant van andere kerken, die nog gedwongen zijn vervolging en lijden te verduren omwille van het geloof. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (3)[[[2521|(3)]]]
Het verlangen naar God en naar een levende en zinvolle relatie met Hem dringt zich heden ten dage zo sterk op dat het daar waar de authentieke en integrale verkondiging van het Evangelie van Jezus ontbreekt, de verbreiding begunstigt van vormen van religiositeit zonder God en van talrijke sekten. De verspreiding daarvan ook in sommige traditioneel christelijke milieus is voor alle kinderen van de Kerk en in het bijzonder voor de priesters een voortdurende reden voor een gewetensonderzoek inzake de geloofwaardigheid van hun getuigenis van het Evangelie, maar geeft tevens aan hoe diep en verspreid het zoeken van God nog altijd is.
Referenties naar alinea 6: 1
Tot de Nederlandse Bisschoppen bij gelegenheid van hun Ad limina-bezoek 1993 ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
7
Met deze en andere positieve factoren zijn echter vele problematische of negatieve elementen verweven. Het rationalisme blijkt nog steeds zeer verspreid. In naam van een verenigd begrip van “wetenschap” maakt het de menselijke rede ongevoelig voor de ontmoeting met de openbaring en met de goddelijke transcendentie. Verder valt een overdreven verdediging van de subjectiviteit van de mens op te merken, welke hem dreigt op te sluiten in een individualisme dat niet in staat is tot echte menselijke relatie. Zodoende zoeken velen, vooral onder de jongens en de jongeren, de eenzaamheid te compenseren door surrogaten van allerlei aard, door min of meer sterke vormen van hedonisme, van vlucht voor verantwoordelijkheid. Opgesloten in het vluchtige ogenblik proberen zij individuele ervaringen te genieten die zo sterk mogelijk zijn en zoveel mogelijk voldoening geven op het vlak van de directe emoties en sensaties, waarbij zij echter onvermijdelijk onverschillig en als verlamd blijven tegenover de oproep tot een levensontwerp dat een geestelijke en godsdienstige dimensie en een plicht van solidariteit insluit. Bovendien verspreidt zich in alle delen van de wereld, ook na de val van de ideologieën welke van het materialisme een dogma en van de verwerping van de godsdienst een programma hadden gemaakt, een soort praktisch en existentieel atheïsme dat samenvalt met een geseculariseerde visie op het leven en de bestemming van de mens. Deze mens die “geheel door zichzelf in beslag genomen wordt, deze mens die zich niet alleen tot het centrum maakt van alle belangen maar zichzelf beginsel en reden durft te nemen van alle realiteiten”, Hodie Concilium Oecumenicum, 5[[751|5]] is steeds armer aan het “geestelijke supplement”, dat des te meer noodzakelijk is voor hem naarmate een ruime beschikbaarheid van materiële goederen en hulpmiddelen hem meer de illusie van zelfgenoegzaamheid geeft. Het is niet meer nodig God te bestrijden, men denkt het eenvoudig zonder Hem te kunnen stellen. In het bijzonder moeten de ontbinding van het gezin en de verduistering of de verdraaiing van de ware zin van de menselijke seksualiteit vermeld worden. Dat zijn verschijnselen die sterk negatief inwerken op de opvoeding van de jongeren en op hun beschikbaarheid voor een godsdienstige roeping. Bovendien moeten de vergroting van de sociale onrechtvaardigheid en de concentratie van de rijkdommen in de handen van weinigen genoemd worden, welke de vrucht zijn van een onmenselijk kapitalisme, vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (3)[[[2521|(3)]]] dat de afstand tussen rijke en arme volkeren steeds groter maakt. Zo worden in de menselijke samenleving spanningen en onrust teweeggebracht die het leven van de mensen en de gemeenschap diep verstoren. Ook in het kerkelijke milieu doen zich zorgwekkende en negatieve verschijnselen voor, die een directe invloed hebben op het leven en ambt van de priesters. Zo de godsdienstige onwetendheid waarin vele gelovigen verkeren; de geringe uitwerking van de catechese, die verstikt wordt door de meer verspreide en overtuigende boodschappen van de massacommunicatiemiddelen; een verkeerd begrepen theologisch, cultureel en pastoraal pluralisme dat, ook al gaat het soms uit van goede bedoelingen, tenslotte de oecumenische dialoog bemoeilijkt en de noodzakelijke eenheid van geloof aantast het voortduren van een gevoel van wantrouwen en bijna van onverdraagzaamheid voor het hiërarchische leergezag; de eenzijdige stromingen die de rijkdom van de evangelische boodschap reduceren en de verkondiging en het getuigenis van het geloof omzetten in een exclusieve factor van menselijke en sociale bevrijding of in een vervreemdende vlucht in bijgeloof en in religiositeit zonder God. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (3)[[[2521|(3)]]] Een zeer belangrijk verschijnsel, dat in vele landen met een oude christelijke traditie relatief recent is, is de aanwezigheid in eenzelfde streek van sterke kernen van verschillende rassen en godsdiensten. Zodoende ontwikkelt zich steeds meer een multiraciale en multireligieuze maatschappij. Dat kan enerzijds een gelegenheid zijn voor een meer frequente en vruchtbare dialoog, voor een open mentaliteit, voor gevoelens van gastvrijheid en juiste verdraagzaamheid, maar anderzijds een aanleiding zijn voor verwarring en relativisme, vooral bij mensen en volken met een minder rijp geloof. Hier komt, in nauwe samenhang met de groei van het individualisme, nog het verschijnsel van de subjectivering van het geloof bij. Men ziet namelijk bij een groeiend aantal christenen een geringere gevoeligheid voor het totale en objectieve geheel van de geloofsleer en een subjectieve instemming met wat behaagt, met wat overeenkomt met de eigen ervaring, met wat de eigen gewoonten niet verstoort. Ook het beroep op de onschendbaarheid van het persoonlijke geweten, dat op zich gewettigd is, neemt in deze context gevaarlijke trekken van dubbelzinnigheid aan. Hieruit vloeit ook het verschijnsel voort van het steeds meer gedeeltelijk en voorwaardelijk lidmaatschap van de Kerk, dat een negatieve invloed uitoefent op het ontstaan van nieuwe priesterroepingen, op het zelfbewustzijn van de priester en op zijn dienstwerk in de gemeenschap. Tenslotte: ook nu nog schept de schaarse aanwezigheid en beschikbaarheid van priesters op vele kerkelijke gebieden de grootste problemen. De gelovigen worden vaak gedurende lange perioden aan zichzelf overgelaten, zonder passende pastorale bijstand. De groei van hun christelijke leven in zijn geheel lijdt daaronder en nog meer hun vermogen om vervolgens bevorderaars van de evangelisatie te worden.
Referenties naar alinea 7: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 3 De jongeren tegenover de priesterroeping en –vorming
8
De talrijke tegenstrijdigheden en mogelijkheden waardoor onze maatschappij en cultuur en ook de kerkelijke gemeenschap gekenmerkt zijn, worden door de wereld van de jongeren waargenomen, beleefd en ervaren met een geheel bijzondere scherpte en hebben een onmiddellijke en uiterst indringende weerslag op de gang van hun opvoeding. Het ontstaan en de ontwikkeling van de priesterroeping in de jongens, jongeren en jonge mannen ontmoeten voortdurend tegelijk belemmeringen en aansporingen. De zogenaamde “consumptiemaatschappij”, welke de jongeren slaven en gevangenen maakt van een individualistische, materialistische en hedonistische interpretatie van het menselijk bestaan, heeft een zeer sterke aantrekkingskracht op hen. Het materieel opgevatte “welzijn” wil zich opleggen als enig levensideaal, een welvaart die op iedere voorwaarde en tegen iedere prijs verworven dient te worden. Vandaar de afwijzing van alles wat met offer te maken heeft en het afzien van de moeite om de geestelijke en godsdienstige waarden te zoeken en te verwerkelijken. De exclusieve “zorg” voor het hebben verdringt het primaat van het zijn, met als gevolg dat de persoonlijke en inter-persoonlijke waarden niet geïnterpreteerd en beleefd worden volgens de logica van de gave en de onbaatzuchtigheid maar volgens die van het egoïstisch bezit en van het gebruik van de ander als middel.
Dit heeft in het bijzonder terugslag op de visie op de menselijke seksualiteit, welke haar waardigheid van dienst aan de gemeenschap en aan de gave van mensen aan elkaar verliest en gereduceerd wordt tot een simpel consumptieartikel. Zodoende gaat de affectieve ervaring van vele jongeren niet over in een harmonieuze en vreugdevolle van de eigen persoonlijkheid die zich openstelt voor de ander in de zelfgave, maar in een ernstige psychologische en ethische regressie die hun toekomst zwaar belast.
Aan de wortel van deze tendensen ligt bij vele jongeren een misvormde evaring van de vrijheid: verre van gehoorzaamheid aan de objectieve en universele waarheid te zijn wordt de vrijheid beleefd als een blind toegeven aan de instinctieve krachten en aan de machtswil van de enkeling. Op het vlak van de mentaliteit en het gedrag wordt dan de afbrokkeling van de overeenstemming inzake de ethische beginselen op zekere wijze natuurlijk, terwijl op het godsdienstige vlak, zoal niet steeds een expliciete verwerping van God dan toch wel een wijdverbreide onverschilligheid natuurlijk wordt, alsmede een leven dat op zijn meest belangrijke ogenblikken en in zijn meest beslissende keuzen geleid wordt alsof God niet bestaat. Een dergelijke context bemoeilijkt niet slechts de verwerkelijking maar het begrijpen zelf van de zin van een roeping tot het priesterschap, dat een specifiek getuigenis is van de voorrang van het zijn op het hebben en een erkenning van de zin van het leven als vrije en verantwoordelijke gave van zichzelf aan de anderen, als bereidheid zich geheel ten dienste te stellen van het Evangelie en van het Rijk van God in speciale vorm.
Ook in het milieu van de kerkgemeenschap vormt de wereld van de jongeren vaak een “probleem”. Terwijl men bij de jongeren nog meer dan bij de volwassenen een sterke neiging aantreft tot subjectivering van het christelijke geloof en tot een slechts gedeeltelijke en voorwaardelijke deelname aan het leven en de zending van de Kerk, komt in de kerkgemeenschap om vele redenen slechts moeizaam een aangepaste en moedige jongerenpastoraal van de grond. De jongeren dreigen aan zichzelf overgelaten te worden, overgeleverd aan hun psychische zwakheid, onvoldaan en kritisch tegenover een wereld van volwassenen die zich niet aan hen voordoen als geloofwaardig voorbeeld omdat zij het geloof niet op samenhangende en rijpe wijze beleven.
Dan wordt duidelijk dat het moeilijk is aan de jongeren een integrale en allesomvattende ervaring van christelijk en kerkelijk leven voor te houden en hen daartoe op te voeden. Zo blijft het perspectief van de roeping tot het priesterschap ver afstaan van de concrete en levende belangstelling van de jongeren.
Dit heeft in het bijzonder terugslag op de visie op de menselijke seksualiteit, welke haar waardigheid van dienst aan de gemeenschap en aan de gave van mensen aan elkaar verliest en gereduceerd wordt tot een simpel consumptieartikel. Zodoende gaat de affectieve ervaring van vele jongeren niet over in een harmonieuze en vreugdevolle van de eigen persoonlijkheid die zich openstelt voor de ander in de zelfgave, maar in een ernstige psychologische en ethische regressie die hun toekomst zwaar belast.
Aan de wortel van deze tendensen ligt bij vele jongeren een misvormde evaring van de vrijheid: verre van gehoorzaamheid aan de objectieve en universele waarheid te zijn wordt de vrijheid beleefd als een blind toegeven aan de instinctieve krachten en aan de machtswil van de enkeling. Op het vlak van de mentaliteit en het gedrag wordt dan de afbrokkeling van de overeenstemming inzake de ethische beginselen op zekere wijze natuurlijk, terwijl op het godsdienstige vlak, zoal niet steeds een expliciete verwerping van God dan toch wel een wijdverbreide onverschilligheid natuurlijk wordt, alsmede een leven dat op zijn meest belangrijke ogenblikken en in zijn meest beslissende keuzen geleid wordt alsof God niet bestaat. Een dergelijke context bemoeilijkt niet slechts de verwerkelijking maar het begrijpen zelf van de zin van een roeping tot het priesterschap, dat een specifiek getuigenis is van de voorrang van het zijn op het hebben en een erkenning van de zin van het leven als vrije en verantwoordelijke gave van zichzelf aan de anderen, als bereidheid zich geheel ten dienste te stellen van het Evangelie en van het Rijk van God in speciale vorm.
Ook in het milieu van de kerkgemeenschap vormt de wereld van de jongeren vaak een “probleem”. Terwijl men bij de jongeren nog meer dan bij de volwassenen een sterke neiging aantreft tot subjectivering van het christelijke geloof en tot een slechts gedeeltelijke en voorwaardelijke deelname aan het leven en de zending van de Kerk, komt in de kerkgemeenschap om vele redenen slechts moeizaam een aangepaste en moedige jongerenpastoraal van de grond. De jongeren dreigen aan zichzelf overgelaten te worden, overgeleverd aan hun psychische zwakheid, onvoldaan en kritisch tegenover een wereld van volwassenen die zich niet aan hen voordoen als geloofwaardig voorbeeld omdat zij het geloof niet op samenhangende en rijpe wijze beleven.
Dan wordt duidelijk dat het moeilijk is aan de jongeren een integrale en allesomvattende ervaring van christelijk en kerkelijk leven voor te houden en hen daartoe op te voeden. Zo blijft het perspectief van de roeping tot het priesterschap ver afstaan van de concrete en levende belangstelling van de jongeren.
Referenties naar alinea 8: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
9
Gelukkig zijn er echter ook positieve situaties en prikkels, die in het hart van de jeugd en de jongeren een nieuwe bereidwilligheid opwekken en voeden alsmede een waarachtig en echt zoeken van ethische en geestelijke waarden, welke uiteraard een vruchtbaar terrein bieden voor de weg van een roeping tot volledige gave van zichzelf aan Christus en aan de Kerk in het priesterschap. Allereerst moet opgemerkt worden hoe sommige verschijnselen die in het jongste verleden vele problemen hebben opgeleverd, afgezwakt zijn, zoals de radicale contestatie, de drang naar anarchisme, de utopische eisen, de willekeurige vormen van socialisatie, het geweld.
Men moet verder erkennen dat ook de jongeren van nu met de typische kracht en frisheid van hun leeftijd dragers zijn van idealen welke zich een weg banen in de geschiedenis: de dorst naar vrijheid, de erkenning van de onmetelijke waarde van de mens, de behoefte aan waarachtigheid en doorzichtigheid, een nieuwe opvatting en stijl van de wederkerigheid in de relaties tussen man en vrouw, het overtuigend en hartstochtelijk zoeken van een meer rechtvaardige, saamhorige en verenigde wereld, de openheid voor en de dialoog met allen, de inzet voor de vrede.
De rijke en levendige ontwikkeling bij vele jongeren van onze tijd van talrijke en gevarieerde vormen van vrijwilligerswerk, dat gericht is op de meest vergeten en moeilijke situaties van onze maatschappij, vertegenwoordigt nu een zeer bijzonder hulpmiddel voor de opvoeding, omdat het de jongeren aanspoort tot een meer onbaatzuchtige levensstijl, welke meer openstaat voor solidariteit met de armen, en hen daarin steunt. Deze levensstijl kan het begrip voor, het verlangen naar en het aannemen van een roeping tot blijvende en totale dienstbaarheid aan de anderen vergemakkelijken, ook op de weg van de volledige toewijding aan God door het priesterleven.
De recente ineenstorting van de ideologieën, de sterk kritische wijze van opstelling tegenover de wereld van de volwassenen, die niet altijd een getuigenis geven van een leven dat gewijd is aan de morele en transcendente waarden, de ervaring van vrienden die zoeken te vluchten in drugs en geweld, dragen er veel toe bij om de fundamentele vraag aangaande de waarden welke werkelijk volledig zin aan het leven, het lijden en de dood kunnen geven, meer dringend en onontkoombaar te maken. De vraag naar godsdienst en de behoefte aan spiritualiteit worden bij veel jongeren nadrukkelijker. Vandaar het verlangen naar ervaringen van afzondering en gebed, de terugkeer naar een meer persoonlijke en regelmatige lezing van het Woord van God en naar de studie van de theologie.
Zoals in het milieu van het maatschappelijke vrijwilligerswerk, zo worden de jongeren ook in het milieu van de kerkgemeenschap steeds meer actieve protagonisten, vooral door deelname aan de verschillende verenigingen, zowel aan de traditionele maar vernieuwde als aan de meer recente. De ervaring van een Kerk die opgeroepen wordt tot de “nieuwe evangelisatie” door de trouw aan de Geest die haar bezielt, en door de eisen van een wereld die ver van Christus afstaat maar Hem nodig heeft, alsmede de ervaring van een Kerk die steeds meer solidair is met de mensen en de volkeren in de verdediging en de bevordering van de menselijke waardigheid en de mensenrechten van allen en van ieder, openen het hart en het leven van de jongeren voor fascinerende en verplichtende idealen, welke hun concrete verwerkelijking kunnen vinden in het volgen van Christus en in het priesterschap.
Natuurlijk moet men met deze menselijke en kerkelijke situatie, die gekenmerkt is door sterke ambivalentie, rekening houden, niet alleen in de roepingenpastoraal en in het werk van de vorming van de toekomstige priesters, maar ook in het kader van het leven en het dienstwerk van de priesters en van hun permanente vorming. Terwijl men zo de verschillende vormen van “crisis” kan begrijpen waaraan de priesters van nu onderhevig zijn in de uitoefening van hun ambt, in hun geestelijk leven en ook in de interpretatie zelf van de aard en de betekenis van het gewijde priesterschap, moet men ook met vreugde en hoop de nieuwe positieve mogelijkheden opmerken die het huidige moment van de geschiedenis de priesters biedt voor de vervulling van hun zending.
Men moet verder erkennen dat ook de jongeren van nu met de typische kracht en frisheid van hun leeftijd dragers zijn van idealen welke zich een weg banen in de geschiedenis: de dorst naar vrijheid, de erkenning van de onmetelijke waarde van de mens, de behoefte aan waarachtigheid en doorzichtigheid, een nieuwe opvatting en stijl van de wederkerigheid in de relaties tussen man en vrouw, het overtuigend en hartstochtelijk zoeken van een meer rechtvaardige, saamhorige en verenigde wereld, de openheid voor en de dialoog met allen, de inzet voor de vrede.
De rijke en levendige ontwikkeling bij vele jongeren van onze tijd van talrijke en gevarieerde vormen van vrijwilligerswerk, dat gericht is op de meest vergeten en moeilijke situaties van onze maatschappij, vertegenwoordigt nu een zeer bijzonder hulpmiddel voor de opvoeding, omdat het de jongeren aanspoort tot een meer onbaatzuchtige levensstijl, welke meer openstaat voor solidariteit met de armen, en hen daarin steunt. Deze levensstijl kan het begrip voor, het verlangen naar en het aannemen van een roeping tot blijvende en totale dienstbaarheid aan de anderen vergemakkelijken, ook op de weg van de volledige toewijding aan God door het priesterleven.
De recente ineenstorting van de ideologieën, de sterk kritische wijze van opstelling tegenover de wereld van de volwassenen, die niet altijd een getuigenis geven van een leven dat gewijd is aan de morele en transcendente waarden, de ervaring van vrienden die zoeken te vluchten in drugs en geweld, dragen er veel toe bij om de fundamentele vraag aangaande de waarden welke werkelijk volledig zin aan het leven, het lijden en de dood kunnen geven, meer dringend en onontkoombaar te maken. De vraag naar godsdienst en de behoefte aan spiritualiteit worden bij veel jongeren nadrukkelijker. Vandaar het verlangen naar ervaringen van afzondering en gebed, de terugkeer naar een meer persoonlijke en regelmatige lezing van het Woord van God en naar de studie van de theologie.
Zoals in het milieu van het maatschappelijke vrijwilligerswerk, zo worden de jongeren ook in het milieu van de kerkgemeenschap steeds meer actieve protagonisten, vooral door deelname aan de verschillende verenigingen, zowel aan de traditionele maar vernieuwde als aan de meer recente. De ervaring van een Kerk die opgeroepen wordt tot de “nieuwe evangelisatie” door de trouw aan de Geest die haar bezielt, en door de eisen van een wereld die ver van Christus afstaat maar Hem nodig heeft, alsmede de ervaring van een Kerk die steeds meer solidair is met de mensen en de volkeren in de verdediging en de bevordering van de menselijke waardigheid en de mensenrechten van allen en van ieder, openen het hart en het leven van de jongeren voor fascinerende en verplichtende idealen, welke hun concrete verwerkelijking kunnen vinden in het volgen van Christus en in het priesterschap.
Natuurlijk moet men met deze menselijke en kerkelijke situatie, die gekenmerkt is door sterke ambivalentie, rekening houden, niet alleen in de roepingenpastoraal en in het werk van de vorming van de toekomstige priesters, maar ook in het kader van het leven en het dienstwerk van de priesters en van hun permanente vorming. Terwijl men zo de verschillende vormen van “crisis” kan begrijpen waaraan de priesters van nu onderhevig zijn in de uitoefening van hun ambt, in hun geestelijk leven en ook in de interpretatie zelf van de aard en de betekenis van het gewijde priesterschap, moet men ook met vreugde en hoop de nieuwe positieve mogelijkheden opmerken die het huidige moment van de geschiedenis de priesters biedt voor de vervulling van hun zending.
Referenties naar alinea 9: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 4 Het evangelisch onderscheidingsvermogen
10
Evangelii Gaudium ->=geentekst=
Evangelii Gaudium ->=geentekst=
De synodaliteit in het leven en de zending van de Kerk ->=geentekst=
Christus Vivit ->=geentekst=
Interpretatie die het goede van het kwade, tekenen van hoop van bedreigingen weet te onderscheiden is niet altijd gemakkelijk. Bij de vorming van de priesters gaat het er niet alleen eenvoudig om de positieve factoren op te nemen en zich vierkant te verzetten tegen de negatieve elementen. Het gaat erom de positieve factoren zelf aandachtig te onderscheiden, opdat zij niet van elkaar geïsoleerd en met elkaar in strijd raken, verabsoluteerd worden en elkaar tegenwerken. Van de negatieve factoren moet men hetzelfde zeggen: zij moeten niet en bloc en zonder onderscheid afgewezen worden, want in elk ervan kan één of andere waarde verscholen zijn die erop wacht bevrijd te worden en tot haar volle waarheid teruggebracht te worden. Voor de gelovige vindt de interpretatie van de historische situatie het kenbeginsel en het criterium voor de praktische keuzen in een nieuwe en oorspronkelijke realiteit, namelijk in het evangelisch onderscheidingsvermogen. Het gaat om een interpretatie die geschiedt in het licht en de kracht van het Evangelie, van het levende en persoonlijke Evangelie dat Jezus Christus is, en met behulp van de gave van de heilige Geest. Op deze wijze vindt het evangelisch onderscheidingsvermogen in de historische situatie en in de gebeurtenissen en omstandigheden daarvan niet eenvoudig een “gegeven” dat nauwkeurig opgetekend moet worden en waartegenover men onverschillig of passief kan blijven, maar een “taak”, een uitdaging aan de vrijheid en de verantwoordelijkheid zowel van de enkeling als van de gemeenschap. Het is een “uitdaging” die gepaard gaat met een “oproep” die God laat weerklinken in de historische situatie zelf. Ook daarin en daardoor roept God de gelovige en eerder nog de Kerk om te zorgen dat “het Evangelie van de roeping en van het priesterschap” zijn eeuwige waarheid uitdrukt in de veranderde levensomstandigheden. Ook op de vorming van de priesters moeten de woorden van het Tweede Vaticaans Concilie toegepast worden: “De Kerk heeft te allen tijde de opdracht de tekenen des tijds te doorzoeken en in het licht van het Evangelie te interpreteren. Op deze wijze kan zij dan, op een aan elke generatie aangepaste wijze, een antwoord geven op de voortdurende vragen van de mensen over de zin van het huidige en toekomstige leven en over de onderlinge verhouding daartussen. Men dient dus de wereld waarin wij leven en evenzeer haar verwachtingen, strevingen en haar dikwijls dramatisch karakter te onderkennen en te verstaan”. Gaudium et Spes, 4[[575|4]]
Dit Evangelie onderscheidingsvermogen is gebaseerd op het vertrouwen in de liefde van Jezus Christus, die steeds en onvermoeibaar zorg draagt voor zijn Kerk (Ef. 5, 29)[[b:Ef. 5, 29]], Hij die Heer en Meester is, sluitsteen, middelpunt en doel van heel de mensengeschiedenis. vgl: 1[[[2568]]] Het voedt zich met het licht en de kracht van de heilige Geest, die overal en in iedere omstandigheid de gehoorzaamheid van het geloof opwekt, de vreugdevolle moed om Jezus te volgen, de gave van de wijsheid die alles beoordeelt en door niemand geoordeeld wordt (1 Kor. 2, 15)[[b:1 Kor. 2, 15]]. Het berust op de trouw van de Vader aan zijn beloften.
Op deze wijze voelt de Kerk dat zij het hoofd kan bieden aan de moeilijkheden en de uitdagingen van deze nieuwe periode van de geschiedenis en dat zij ook nu en in de toekomst voor goed gevormde priesters kan zorgen, die overtuigde en vurige dienaars van de “nieuwe evangelisatie” zijn, getrouwe en edelmoedige helpers van Jezus Christus en van de mensen.
Wij zijn niet blind voor de moeilijkheden die niet weinig en niet licht zijn. Maar zij worden overwonnen door onze hoop, door ons geloof in de onuitputtelijke liefde van Christus, door onze zekerheid van de onvervangbaarheid van het gewijde priesterschap voor het leven van de Kerk en van de wereld.
Dit Evangelie onderscheidingsvermogen is gebaseerd op het vertrouwen in de liefde van Jezus Christus, die steeds en onvermoeibaar zorg draagt voor zijn Kerk (Ef. 5, 29)[[b:Ef. 5, 29]], Hij die Heer en Meester is, sluitsteen, middelpunt en doel van heel de mensengeschiedenis. vgl: 1[[[2568]]] Het voedt zich met het licht en de kracht van de heilige Geest, die overal en in iedere omstandigheid de gehoorzaamheid van het geloof opwekt, de vreugdevolle moed om Jezus te volgen, de gave van de wijsheid die alles beoordeelt en door niemand geoordeeld wordt (1 Kor. 2, 15)[[b:1 Kor. 2, 15]]. Het berust op de trouw van de Vader aan zijn beloften.
Op deze wijze voelt de Kerk dat zij het hoofd kan bieden aan de moeilijkheden en de uitdagingen van deze nieuwe periode van de geschiedenis en dat zij ook nu en in de toekomst voor goed gevormde priesters kan zorgen, die overtuigde en vurige dienaars van de “nieuwe evangelisatie” zijn, getrouwe en edelmoedige helpers van Jezus Christus en van de mensen.
Wij zijn niet blind voor de moeilijkheden die niet weinig en niet licht zijn. Maar zij worden overwonnen door onze hoop, door ons geloof in de onuitputtelijke liefde van Christus, door onze zekerheid van de onvervangbaarheid van het gewijde priesterschap voor het leven van de Kerk en van de wereld.
Referenties naar alinea 10: 5
Tot de Belgische Bisschoppen bij gelegenheid van hun "Ad limina"-bezoek 1992 ->=geentekst=Evangelii Gaudium ->=geentekst=
Evangelii Gaudium ->=geentekst=
De synodaliteit in het leven en de zending van de Kerk ->=geentekst=
Christus Vivit ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- HOOFDSTUK 2 Hij heeft Mij gezalfd en gezondenDe natuur en de zending van het ambtelijk priesterschap
- Artikel 1 De blik op de priester
11
Ten geleide bij Nederlandstalige uitgave van "Directorium voor het ambt en het leven van de priesters" ->=geentekst=
“In de synagoge waren aller ogen gespannen op hem gevestigd” (Lc. 4, 20)[b:Lc. 4, 20]. Wat de evangelist Lucas zegt over degenen die op die sabbatdag in de synagoge van Nazareth luisterden naar het commentaar van Jezus op wat Hij zelf uit de boekrol van Jesaja gelezen had, kan toegepast worden op alle christenen, die altijd geroepen zijn om de definitieve vervulling van de profetische aankondiging te erkennen in Jezus van Nazareth: “Toen begon Hij hen toe te spreken: ‘Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord heb, is thans in vervulling gegaan’” (Lc. 4, 21)[b:Lc. 4, 21]. En het “schriftwoord” was dit: “De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer” (Lc. 4,18-19)[b:Lc. 4,18-19] (Jes. 61, 1-2)[[b:Jes. 61, 1-2]]. Jezus stelt zichzelf dus voor als vervuld van de Geest, “gezalfd”, “gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen”. Hij is de Messias, de Messias priester, profeet en koning. Dat is het gelaat van Christus waarop de ogen van het geloof en de liefde van de christenen gespannen gevestigd moeten zijn. Juist vanuit deze “contemplatie” en in relatie daarmee hebben de synodevaders nagedacht over het probleem van de vorming van de priesters in de huidige omstandigheden. Dit probleem kan geen antwoord vinden zonder een voorafgaande reflectie over het doel waarop de weg van de vorming is gericht. Dat doel is het gewijde priesterschap, meer nauwkeurig het gewijde priesterschap als deelname in de Kerk aan het priesterschap van Jezus Christus zelf. De kennis van de natuur en de zending van het ambtelijk priesterschap is de onmisbare vooronderstelling en tegelijk de meest zekere gids en de meest overtuigende stimulans om in de Kerk de pastorale actie te ontplooien voor de bevordering en de onderscheiding van de priesterroepingen en voor de vorming van hen die geroepen worden tot het gewijde ambt. De juiste en grondige kennis van de natuur en de zending van het ambtelijk priesterschap is de weg die gevolgd moet worden en die synode inderdaad gevolgd heeft om uit de crisis van de identiteit van de priester te geraken. “Deze crisis”, heb ik gezegd in mijn toespraak bij de sluiting van de synode, “is ontstaan in de jaren direct na het Concilie. Zij berustte op een verkeerd verstaan, soms zelfs op een opzettelijke tendentieus verstaan, van de leer van het conciliaire leergezag. Hier ligt ongetwijfeld één van de oorzaken van het grote aantal verliezen dat de Kerk toen geleden heeft, verliezen welke de pastorale dienst en de priesterroepingen, vooral de missieroepingen, zwaar getroffen hebben. Het is alsof de synode van 1990, welke door middel van de vele interventies waarnaar wij in deze aula geluisterd hebben, heel de diepte van de priesterlijke identiteit herontdekt heeft, erin geslaagd is hoop te geven na de smartelijke verliezen. De interventies hebben het besef uitgedrukt van de specifiek ontologische band die de priester verbindt met Christus, Hogepriester en Goede Herder. Die identiteit ligt ten grondslag aan de aard van de vorming die gegeven moet worden met het oog op het priesterschap en verder in heel het priesterleven. Dat was het eigenlijke doel van de synode”. Slottoespraak 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (4)[[2520|(4)]] vgl: Aan alle priesters ter gelegenheid van Witte Donderdag 1991[[[2571]]] Daarom heeft de synode het nodig geoordeeld op synthetische en fundamentele wijze de natuur en de zending van het ambtelijk priesterschap in herinnering te brengen, zoals het geloof van de Kerk ze begrepen heeft gedurende de eeuwen van haar geschiedenis en zoals het Tweede Vaticaans Concilie ze heeft voorgehouden aan de mensen van deze tijd. vgl: Lumen Gentium[[[617]]] vgl: Presbyterorum Ordinis[[[704]]] vgl: Optatam Totius Ecclesiae[[[675]]] vgl: Ratio fundamentalis institutionis sacerdotalis - Editio typica[[[2567]]] Het ministeriële priesterschap en de rechtvaardigheid in de wereld[[d:244]]
Referenties naar alinea 11: 2
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Ten geleide bij Nederlandstalige uitgave van "Directorium voor het ambt en het leven van de priesters" ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 2 In de Kerk als mysterie, gemeenschap en zending
12
“De priesterlijke identiteit”, hebben de Synodevaders geschreven, “heeft, zoals iedere christelijke identiteit, haar bron in de allerheiligste Drie-eenheid”, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (7)[[2521|(7)]] die aan de mensen geopenbaard en meegedeeld wordt in Christus en in Hem door de heilige Geest de Kerk sticht als “kiem en aanvang van het Rijk”. Lumen Gentium, 5[[617|5]]. De Exhortatie Christifideles laici[692], die het onderricht van het Concilie samengevat heeft, toont de Kerk als mysterie, gemeenschap en zending; “Zij is een mysterie, want de liefde en het leven van de Vader, de Zoon en de heilige Geest zijn de volstrekt kosteloze gave welke aangeboden wordt aan hen die geboren zijn uit water en geest (Joh. 3, 5)[[b:Joh. 3, 5]] en die geroepen zijn om te leven volgens de gemeenschap zelf van God en om deze uit te drukken en mee te delen in de geschiedenis (zending)”. Christifideles laici, 8[[692|8]] Het is binnen het mysterie van de Kerk, als mysterie van trinitaire gemeenschap met missionair elan, dat iedere christelijke identiteit zich openbaart en dus ook de specifieke identiteit van de priester en van diens dienstwerk. Krachtens de wijding die de priester ontvangt in het sacrament van het priesterschap wordt hij door de Vader, door middel van Jezus Christus, die hij op specifieke wijze afbeeldt als Hoofd en Herder van zijn volk, gezonden om te leven en te werken in de kracht van de heilige Geest ten dienste van de Kerk en voor het heil van de wereld. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (7)[[[2521|(7)]]]
Zo kan men het wezenlijk ‘relationele’ karakter begrijpen van de identiteit van de priester. Door middel van het priesterschap, dat ontspringt uit de diepte van het onuitsprekelijke mysterie van God ofwel uit de liefde van de Vader, de genade van Jezus Christus en de gave van de eenheid van de heilige Geest, is de priester op sacramentele wijze opgenomen in de gemeenschap met de bisschop en de andere priesters, vgl: Presbyterorum Ordinis, 7-8[[[704|7-8]]] om het volk Gods, dat de Kerk is, te dienen en allen tot Christus te trekken, volgens het gebed van de Heer: “Heilige Vader, bewaar in uw Naam hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn zoals Wij (...). Zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U: dat ook zij: in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt” (Joh. 17, 11.21)[b:Joh. 17, 11.21].
Men kan dus de natuur en de zending van het ambtelijk priesterschap alleen maar definiëren in dit veelvoudige en rijke netwerk van relaties, welke ontspringen uit de allerheiligste Drie-eenheid en zich uitstrekken over de gemeenschap van de Kerk, die in Christus het teken en het instrument is van de vereniging met God en van de eenheid van heel het menselijk geslacht. vgl: Lumen Gentium, 1[[[617|1]]] Zo wordt de leer over de Kerk als gemeenschap beslissend voor het begrijpen van de identiteit van de priester, van zijn oorspronkelijke waardigheid, van zijn roeping en zending onder het volk Gods en in de Wereld. De verwijzing naar de Kerk is dus noodzakelijk ook al is zij in de definitieve van de identiteit van de priester niet primair. Voor de Kerk als mysterie is de relatie tot Jezus Christus wezenlijk, want zij is de volheid, het lichaam, de bruid van Hem. Zij is het “teken” en de levende “gedachtenis” van zijn blijvende aanwezigheid en werking onder ons en voor ons. De priester vindt de volle waarheid van zijn identiteit in het feit dat hij van Christus zelf komt, de hogepriester en enige priester van het nieuwe, altijddurende Verbond, dat hij een specifieke deelname is aan Christus en een voortzetting van Christus. Hij is een levend en transparant beeld van Christus priester. Het priesterschap van Christus, dat uitdrukking is van zijn absolute “nieuwheid” in de heilsgeschiedenis, vormt de enige bron en de onvervangbare maatstaf voor het priesterschap van de christenen en speciaal voor dat van de priester. In de verwijzing naar Christus ligt dus de absoluut noodzakelijke sleutel voor het begrijpen van de priesterlijke realiteit.
Zo kan men het wezenlijk ‘relationele’ karakter begrijpen van de identiteit van de priester. Door middel van het priesterschap, dat ontspringt uit de diepte van het onuitsprekelijke mysterie van God ofwel uit de liefde van de Vader, de genade van Jezus Christus en de gave van de eenheid van de heilige Geest, is de priester op sacramentele wijze opgenomen in de gemeenschap met de bisschop en de andere priesters, vgl: Presbyterorum Ordinis, 7-8[[[704|7-8]]] om het volk Gods, dat de Kerk is, te dienen en allen tot Christus te trekken, volgens het gebed van de Heer: “Heilige Vader, bewaar in uw Naam hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn zoals Wij (...). Zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U: dat ook zij: in Ons mogen zijn opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt” (Joh. 17, 11.21)[b:Joh. 17, 11.21].
Men kan dus de natuur en de zending van het ambtelijk priesterschap alleen maar definiëren in dit veelvoudige en rijke netwerk van relaties, welke ontspringen uit de allerheiligste Drie-eenheid en zich uitstrekken over de gemeenschap van de Kerk, die in Christus het teken en het instrument is van de vereniging met God en van de eenheid van heel het menselijk geslacht. vgl: Lumen Gentium, 1[[[617|1]]] Zo wordt de leer over de Kerk als gemeenschap beslissend voor het begrijpen van de identiteit van de priester, van zijn oorspronkelijke waardigheid, van zijn roeping en zending onder het volk Gods en in de Wereld. De verwijzing naar de Kerk is dus noodzakelijk ook al is zij in de definitieve van de identiteit van de priester niet primair. Voor de Kerk als mysterie is de relatie tot Jezus Christus wezenlijk, want zij is de volheid, het lichaam, de bruid van Hem. Zij is het “teken” en de levende “gedachtenis” van zijn blijvende aanwezigheid en werking onder ons en voor ons. De priester vindt de volle waarheid van zijn identiteit in het feit dat hij van Christus zelf komt, de hogepriester en enige priester van het nieuwe, altijddurende Verbond, dat hij een specifieke deelname is aan Christus en een voortzetting van Christus. Hij is een levend en transparant beeld van Christus priester. Het priesterschap van Christus, dat uitdrukking is van zijn absolute “nieuwheid” in de heilsgeschiedenis, vormt de enige bron en de onvervangbare maatstaf voor het priesterschap van de christenen en speciaal voor dat van de priester. In de verwijzing naar Christus ligt dus de absoluut noodzakelijke sleutel voor het begrijpen van de priesterlijke realiteit.
Referenties naar alinea 12: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 3 De fundamentele relatie met Christus, Hoofd en Herder
13
Jezus Christus heeft in zichzelf het volmaakte en definitieve gelaat van het priesterschap van het nieuwe Verbond getoond. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (7)[[[2521|(7)]]] Hij heeft dit in heel zijn aardse leven gedaan, maar vooral in de centrale gebeurtenis daarvan, zijn lijden, dood en verrijzenis. Zoals de auteur van de brief aan de Hebreeën schrijft, is Jezus, die mens is zoals wij en tegelijk de eniggeboren Zoon van God, in zijn wezen zelf de volmaakte middelaar tussen de Vader en de mensheid (Hebr. 8-9)[[b:Hebr. 8-9]]. Degenen die voor ons de directe toegang tot de Vader ontsluit dank zij de gave van de Geest: God “heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader!” (Gal. 4, 6)[b:Gal. 4, 6] (Rom. 8, 15)[[b:Rom. 8, 15]]. Jezus verwerkelijkt zijn middelaarschap ten volle door het offer van zichzelf aan het kruis, waarmee Hij eens en voor altijd de toegang tot het hemelse heiligdom, tot het huis van de Vader, voor ons opent (Hebr. 9, 24-28)[[b:Hebr. 9, 24-28]]. In vergelijking met Jezus zijn Mozes en alle oudtestamentische “middelaars” tussen God en zijn volk – de koningen, de priesters en de profeten – slechts “voorafbeeldingen” en “schaduwen” “van de goede dingen die komen moesten, niet hun ware gedaante” (Heb. 10, 1)[b:Heb. 10, 1]. Jezus is de aangekondigde goede Herder (Ez. 34)[[b:Ez. 34]]. Degene die zijn schapen één voor één kent, die zijn leven voor hen geeft en die ze alle bijeen wil brengen als één kudde met één herder (Joh. 10, 11-16)[[b:Joh. 10, 11-16]]. Hij is de herder die “niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen” (Mt. 20, 28)[[b:Mt. 20, 28]], die in het gebaar van de voetwassing (Joh. 13, 1-20)[[b:Joh. 13, 1-20]] aan de zijnen het model nalaat van de dienstbaarheid welke zij; elkaar moeten betoenen, en die zichzelf vrijwillig aanbiedt als “onschuldig lam” dat geslacht is voor onze verlossing (Joh. 1, 36; Openb. 5, 6.12)[[b:Joh. 1, 36; Openb. 5, 6.12]]. Door het enige en definitieve offer aan het kruis geeft Jezus aan al zijn leerlingen de waardigheid en de zending van priesters van het nieuwe, altijddurende Verbond. Zo wordt de belofte vervuld die God aan Israël gedaan heeft: “Gij zult mijn priesterlijk koninkrijk en mijn heilig volk zijn” (Ex. 19, 6)[b:Ex. 19, 6]. Het is heel het volk van het nieuwe verbond, schrijft Petrus, dat gevormd moet worden tot “een geestelijke tempel”, tot “een heilige priesterschap, die geestelijke offers opdraagt, die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus” (1 Pt. 2, 5)[[b:1 Pt. 2, 5]]. De gedoopten zijn de “levende stenen” waarmee de geestelijke tempel opgebouwd wordt, doordat zij toetreden tot Christus, “de levende steen (…) uitverkoren en kostbaar in het oog van God” (1 Pt. 2, 4)[b:1 Pt. 2, 4]. Het nieuwe priesterlijke volk, dat de Kerk is, heeft niet alleen in Christus haar eigen authentieke beeld, maar ontvangt ook van Hem een reële en ontologische deelname aan zijn eeuwig en enig priesterschap, waaraan het zich gelijkvormig moet maken in heel zijn leven.
Referenties naar alinea 13: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
14
Ten dienste van dit algemeen priesterschap van het nieuwe verbond roept Jezus in de loop van zijn aardse zending enige leerlingen tot zich (Lc. 10, 1-12)[[b:Lc. 10, 1-12]] en met een specifieke en gezagvolle opdracht de twaalf, die hij stelt “om Hem te vergezellen en door Hem uitgezonden te worden om te prediken, met de macht de duivels uit te drijven” (Mc. 3, 14-15)[b:Mc. 3, 14-15].
Reeds gedurende zijn openbaar leven (Mt. 16, 18)[[b:Mt. 16, 18]] en verder ten volle na zijn dood en verrijzenis (Mt. 28; Joh. 20-21)[[b:Mt. 28; Joh. 20-21]] verleent Jezus aan Petrus en aan de twaalf een heel bijzondere macht met betrekking tot de toekomstige gemeenschap en voor de evangelisatie van alle volkeren. Na hen geroepen te hebben om Hem te volgen houdt Hij hen bij zich, leeft met hen, deelt hun met woord en voorbeeld zijn heilsleer mee en zendt hen tenslotte naar alle mensen. Voor de vervulling van deze zending verleent Jezus hun krachtens een speciale uitstorting van de heilige Geest hetzelfde messiaanse gezag dat Hij van de Vader ontvangt en dat Hem volledig verleend is door de verrijzenis: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mt. 28, 18-20)[b:Mt. 28, 18-20].
Zo legt Jezus een nauw verband tussen de taak die Hij aan de apostelen toevertrouwt en zijn eigen zending: “Wie u opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft” (Mt. 10, 40)[b:Mt. 10, 40]; “Wie naar u luistert, luistert naar Mij; en wie u verstoot, verstoot Mij” (Lc. 10, 16)[b:Lc. 10, 16]. In het licht van het Paasgebeuren van de dood en de verrijzenis verklaart het vierde Evangelie zelfs met grote kracht en duidelijkheid: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u” (Joh. 20, 21)[b:Joh. 20, 21] (Joh. 13, 20; Joh. 17, 18)[[b:Joh. 13, 20; Joh. 17, 18]]. Zoals Jezus een zending heeft die Hij direct van God ontvangt en die het gezag van God zelf concretiseert (Mt. 7, 29; Mt. 21, 23; Mc. 1, 27; Mc. 11, 28; Lc. 20, 2; Lc. 24, 19)[[b:Mt. 7, 29; Mt. 21, 23; Mc. 1, 27; Mc. 11, 28; Lc. 20, 2; Lc. 24, 19]], zo hebben de apostelen een zending die zij van Jezus ontvangen. En zoals “de Zoon niets uit zichzelf kan” (Joh. 5, 19)[b:Joh. 5, 19], zodat zijn leer niet van Hem is maar van Degene die Hem gezonden heeft (Joh. 7, 16)[[b:Joh. 7, 16]], zo zegt Jezus tot de apostelen: “Los van Mij kunt gij niets” (Joh. 15, 5)[b:Joh. 15, 5]. Hun zending is niet de hunne maar de zending van Jezus zelf. En dat is niet mogelijk uit menselijke kracht, maar alleen door de “gave” van Christus en van zijn Geest, door het ”Sacrament”: “Ontvangt de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven” (Joh. 20, 22-23)[b:Joh. 20, 22-23]. Zo zetten de apostelen de heilszending van Jezus zelf ten behoeve van de mensen voort in de geschiedenis tot aan de voleinding der tijden, niet door één of andere bijzondere eigen verdienste, maar alleen door de onverdiende deelname aan de genade van Christus.
Vooronderstelling en teken van de echtheid en de vruchtbaarheid van de zending is de eenheid van de apostelen met Jezus en in Hem onder elkaar en met de Vader, zoals het hogepriesterlijk gebed van de Heer getuigt, dat de synthese vormt van zijn zending (Joh. 17, 20-23)[[b:Joh. 17, 20-23]].
Reeds gedurende zijn openbaar leven (Mt. 16, 18)[[b:Mt. 16, 18]] en verder ten volle na zijn dood en verrijzenis (Mt. 28; Joh. 20-21)[[b:Mt. 28; Joh. 20-21]] verleent Jezus aan Petrus en aan de twaalf een heel bijzondere macht met betrekking tot de toekomstige gemeenschap en voor de evangelisatie van alle volkeren. Na hen geroepen te hebben om Hem te volgen houdt Hij hen bij zich, leeft met hen, deelt hun met woord en voorbeeld zijn heilsleer mee en zendt hen tenslotte naar alle mensen. Voor de vervulling van deze zending verleent Jezus hun krachtens een speciale uitstorting van de heilige Geest hetzelfde messiaanse gezag dat Hij van de Vader ontvangt en dat Hem volledig verleend is door de verrijzenis: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mt. 28, 18-20)[b:Mt. 28, 18-20].
Zo legt Jezus een nauw verband tussen de taak die Hij aan de apostelen toevertrouwt en zijn eigen zending: “Wie u opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft” (Mt. 10, 40)[b:Mt. 10, 40]; “Wie naar u luistert, luistert naar Mij; en wie u verstoot, verstoot Mij” (Lc. 10, 16)[b:Lc. 10, 16]. In het licht van het Paasgebeuren van de dood en de verrijzenis verklaart het vierde Evangelie zelfs met grote kracht en duidelijkheid: “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u” (Joh. 20, 21)[b:Joh. 20, 21] (Joh. 13, 20; Joh. 17, 18)[[b:Joh. 13, 20; Joh. 17, 18]]. Zoals Jezus een zending heeft die Hij direct van God ontvangt en die het gezag van God zelf concretiseert (Mt. 7, 29; Mt. 21, 23; Mc. 1, 27; Mc. 11, 28; Lc. 20, 2; Lc. 24, 19)[[b:Mt. 7, 29; Mt. 21, 23; Mc. 1, 27; Mc. 11, 28; Lc. 20, 2; Lc. 24, 19]], zo hebben de apostelen een zending die zij van Jezus ontvangen. En zoals “de Zoon niets uit zichzelf kan” (Joh. 5, 19)[b:Joh. 5, 19], zodat zijn leer niet van Hem is maar van Degene die Hem gezonden heeft (Joh. 7, 16)[[b:Joh. 7, 16]], zo zegt Jezus tot de apostelen: “Los van Mij kunt gij niets” (Joh. 15, 5)[b:Joh. 15, 5]. Hun zending is niet de hunne maar de zending van Jezus zelf. En dat is niet mogelijk uit menselijke kracht, maar alleen door de “gave” van Christus en van zijn Geest, door het ”Sacrament”: “Ontvangt de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven” (Joh. 20, 22-23)[b:Joh. 20, 22-23]. Zo zetten de apostelen de heilszending van Jezus zelf ten behoeve van de mensen voort in de geschiedenis tot aan de voleinding der tijden, niet door één of andere bijzondere eigen verdienste, maar alleen door de onverdiende deelname aan de genade van Christus.
Vooronderstelling en teken van de echtheid en de vruchtbaarheid van de zending is de eenheid van de apostelen met Jezus en in Hem onder elkaar en met de Vader, zoals het hogepriesterlijk gebed van de Heer getuigt, dat de synthese vormt van zijn zending (Joh. 17, 20-23)[[b:Joh. 17, 20-23]].
Referenties naar alinea 14: 1
Ecclesiae de mysterio ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
15
Ecclesiae de mysterio ->=geentekst=
Ten geleide bij Nederlandstalige uitgave van "Directorium voor het ambt en het leven van de priesters" ->=geentekst=
De apostelen die door de Heer aangesteld zijn zullen op hun beurt geleidelijk hun zending vervullen en op verschillende maar uiteindelijk overeenkomstige wijze andere mannen roepen als bisschoppen, priesters en diakens om de opdracht te vervullen van de verrezen Heer die hen tot alle mensen van alle tijden gezonden heeft. De geschriften van het Nieuwe Testament benadrukken eenstemmig dat het de Geest van Christus zelf is die deze mannen die onder de broeders uitgekozen zijn, in het ambt binnenleidt. Door middel van de handoplegging (Hand. 6, 6; 1 Tim. 4, 14; 1 Tim. 5, 22; 2 Tim. 1, 6)[[b:Hand. 6, 6; 1 Tim. 4, 14; 1 Tim. 5, 22; 2 Tim. 1, 6]], welke de gave van de Geest overdraagt, worden zij geroepen en ontvangen zij de bevoegdheid om het apostolische dienstwerk van de verzoening, van het weiden van Gods kudde en van het onderricht voort te zetten (Hand. 20, 28; 1 Pt. 5, 2)[[b:Hand. 20, 28; 1 Pt. 5, 2]].
De priesters zijn dus geroepen om de aanwezigheid van Christus, de enige en hoogste herder, voort te zetten, zijn levensstijl te verwerkelijken en Hem als het ware uit te stralen te midden van de hun toevertrouwde kudde. Zoals de eerste brief van Petrus duidelijk en nauwkeurig schrijft: “De presbyters onder u vermaan ik, presbyter evenals zij en getuige van het lijden van Christus, tevens deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden: weidt de kudden van God waarvan gij de herders zijt; hoedt haar zoals God het wil: van harte en niet uit dwang, met toewijding en niet uit winstbejag. Speelt niet de baas over hen die aan uw zorgen zijn toevertrouwd, maar toont u een voorbeeld voor de kudde. Dan zult ge, als de opperherder verschijnt, de nooit verwelkende krans van de heerlijkheid ontvangen“ (1 Pt. 5, 1-4)[b:1 Pt. 5, 1-4].
De priesters vertegenwoordigen in de Kerk en voor de Kerk op sacramentele wijze Jezus Christus, Hoofd en Herder, verkondigen met gezag zijn woord, herhalen zijn gebaren van vergeving en van aanbod van heil, vooral door het doopsel, de biecht en de Eucharistie, dragen tot aan de volledige zelfgave zijn liefdevolle zorg voor de kudde, welke zij in eenheid verzamelen en naar de Vader voeren door Christus in de Geest. In één woord, de priesters zijn er en handelen voor de verkondiging van het Evangelie aan de wereld en voor de opbouw van de Kerk in naam en in de persoon van Christus, Hoofd en Herder. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (7)[[2521|(7)]]
Dat is de typische en eigen manier waarop de gewijde bedienaren deelnemen aan het enig priesterschap van Christus. Door de sacramentele zalving van het priesterschap maakt de heilige Geest hen op een nieuwe en specifieke titel gelijkvormig aan Jezus Christus, Hoofd en Herder, vormt en bezielt Hij hen met diens herderlijke liefde en plaatst Hij hen in de Kerk in de gezagvolle positie van dienaren van de verkondiging van het Evangelie aan ieder schepsel en van dienaren van de volheid van het christelijke leven voor alle gedoopten.
Wat de priester waarlijk is, zoals dit blijkt uit het Woord van God ofwel uit Jezus Christus zelf en uit zijn plan van de stichting van de Kerk, wordt door de liturgie in de prefatie van de Chrismamis met blijde dankbaarheid als volgt bezongen: “Door de zalving van de heilige Geest hebt Gij Christus uw Zoon aangesteld tot hogepriester van het nieuwe, altijddurende Verbond. Gij hebt gewild dat zijn enig priesterschap in de Kerk bestendigd wordt. Hij deelt het koninklijk priesterschap mee aan heel het volk van de verlosten en kiest met voorliefde sommigen onder de broeders, die Hij door de handoplegging deelachtig maakt aan zijn heilsbediening. Gij wilt dat zij in zijn naam het offer van de verlossing hernieuwen, voor uw kinderen het paasmaal bereiden en als zorgzame dienaars van uw volk het voeden met uw woord en het heiligen met de sacramenten. Gij houdt hun Christus als voorbeeld voor, opdat zij hun leven geven voor U en voor hun broeders, zich beijveren om gelijkvormig te worden aan het beeld van uw Zoon en getuigen van trouw en van edelmoedige liefde”.
De priesters zijn dus geroepen om de aanwezigheid van Christus, de enige en hoogste herder, voort te zetten, zijn levensstijl te verwerkelijken en Hem als het ware uit te stralen te midden van de hun toevertrouwde kudde. Zoals de eerste brief van Petrus duidelijk en nauwkeurig schrijft: “De presbyters onder u vermaan ik, presbyter evenals zij en getuige van het lijden van Christus, tevens deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden: weidt de kudden van God waarvan gij de herders zijt; hoedt haar zoals God het wil: van harte en niet uit dwang, met toewijding en niet uit winstbejag. Speelt niet de baas over hen die aan uw zorgen zijn toevertrouwd, maar toont u een voorbeeld voor de kudde. Dan zult ge, als de opperherder verschijnt, de nooit verwelkende krans van de heerlijkheid ontvangen“ (1 Pt. 5, 1-4)[b:1 Pt. 5, 1-4].
De priesters vertegenwoordigen in de Kerk en voor de Kerk op sacramentele wijze Jezus Christus, Hoofd en Herder, verkondigen met gezag zijn woord, herhalen zijn gebaren van vergeving en van aanbod van heil, vooral door het doopsel, de biecht en de Eucharistie, dragen tot aan de volledige zelfgave zijn liefdevolle zorg voor de kudde, welke zij in eenheid verzamelen en naar de Vader voeren door Christus in de Geest. In één woord, de priesters zijn er en handelen voor de verkondiging van het Evangelie aan de wereld en voor de opbouw van de Kerk in naam en in de persoon van Christus, Hoofd en Herder. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (7)[[2521|(7)]]
Dat is de typische en eigen manier waarop de gewijde bedienaren deelnemen aan het enig priesterschap van Christus. Door de sacramentele zalving van het priesterschap maakt de heilige Geest hen op een nieuwe en specifieke titel gelijkvormig aan Jezus Christus, Hoofd en Herder, vormt en bezielt Hij hen met diens herderlijke liefde en plaatst Hij hen in de Kerk in de gezagvolle positie van dienaren van de verkondiging van het Evangelie aan ieder schepsel en van dienaren van de volheid van het christelijke leven voor alle gedoopten.
Wat de priester waarlijk is, zoals dit blijkt uit het Woord van God ofwel uit Jezus Christus zelf en uit zijn plan van de stichting van de Kerk, wordt door de liturgie in de prefatie van de Chrismamis met blijde dankbaarheid als volgt bezongen: “Door de zalving van de heilige Geest hebt Gij Christus uw Zoon aangesteld tot hogepriester van het nieuwe, altijddurende Verbond. Gij hebt gewild dat zijn enig priesterschap in de Kerk bestendigd wordt. Hij deelt het koninklijk priesterschap mee aan heel het volk van de verlosten en kiest met voorliefde sommigen onder de broeders, die Hij door de handoplegging deelachtig maakt aan zijn heilsbediening. Gij wilt dat zij in zijn naam het offer van de verlossing hernieuwen, voor uw kinderen het paasmaal bereiden en als zorgzame dienaars van uw volk het voeden met uw woord en het heiligen met de sacramenten. Gij houdt hun Christus als voorbeeld voor, opdat zij hun leven geven voor U en voor hun broeders, zich beijveren om gelijkvormig te worden aan het beeld van uw Zoon en getuigen van trouw en van edelmoedige liefde”.
Referenties naar alinea 15: 3
Ad Limina-bezoek Nederlandse Bisschoppen 1998 - Afsluiting ->=geentekst=Ecclesiae de mysterio ->=geentekst=
Ten geleide bij Nederlandstalige uitgave van "Directorium voor het ambt en het leven van de priesters" ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 4 Ten dienste van de Kerk en van de wereld
16
Geroepen zijn tot het Mysterie van de Kerk ->=geentekst=
Ecclesiae de mysterio ->=geentekst=
Ecclesiae de mysterio ->=geentekst=
De priester, herder en leidsman van de parochiegemeenschap ->=geentekst=
De roeping ten dienste van de Kerk als communio ->=geentekst=
De fundamentele relatie van de priester is die met Jezus Christus, Hoofd en Herder. Hij heeft namelijk op specifieke en gezaghebbende wijze deel aan de “wijding/zalving” en aan de “zending” van Christus (Lc. 4, 18-19)[[b:Lc. 4, 18-19]]. Maar met deze relatie is de relatie met de Kerk nauw verstrengeld. Het gaat niet om “relaties” die eenvoudig naast elkaar staan. Zij zijn innerlijk verenigd in een soort in-elkaar zijn. De betrekking met de Kerk ligt opgesloten in de enige betrekking van de priester met Christus zelf, in deze zin dat het de “sacramentele vertegenwoordiging” van Christus is die de betrekking van de priester met de Kerk fundeert en bezielt. Wat dit betreft hebben de synodevaders geschreven: “In zoverre de priester Christus, Hoofd, Herder en Bruidegom van de Kerk, vertegenwoordigt, staat de priester niet alleen in de Kerk maar ook tegenover de Kerk. Het priesterschap hoort, samen met het Woord van God en de sacramentele tekenen, ten dienste waarvan het staat, tot de constitutieve elementen van de Kerk. Het ambt van de priester is geheel ten behoeve van de Kerk, ter bevordering van de uitoefening van het algemeen priesterschap van heel het volk Gods. Het is niet alleen gericht op de particuliere Kerk maar ook op de universele Kerk vgl: Presbyterorum Ordinis, 10[[[704|10]]], in gemeenschap met de bisschop, met Petrus en onder Petrus. Door het priesterschap van de bisschop is het priesterschap van zijn medewerkers ingelijfd in de apostolische structuur van de Kerk. Zo fungeert de priester, zoals de apostelen, als gezant van Christus (2 Kor. 5, 20)[[b:2 Kor. 5, 20]]. Hierop berust het missionaire karakter van iedere priester”. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (7)[[2521|(7)]] Het gewijde ambt ontstaat dus met de Kerk en heeft in de bisschoppen en in relatie en gemeenschap met hen in de priesters een bijzondere relatie met het oorspronkelijke dienstwerk van de apostelen, dat het werkelijk “opvolgt”, ook al neemt het ten opzichte daarvan bestaanswijzen aan welke ervan verschillen. Men moet dus niet aan het gewijde priesterschap denken alsof het aan de Kerk voorafgaat, omdat het geheel ten dienste van de Kerk zelf staat; maar ook niet alsof het volgt op de kerkgemeenschap, alsof deze gemeenschap gezien kan worden als reeds gevormd zonder het priesterschap. De relatie van de priester met Jezus Christus en in Hem met de Kerk is in het zijn zelf van de priester gelegen, krachtens zijn sacramentele wijding/zalving, en in zijn handelen ofwel in zijn zending of ambt. In het bijzonder “is de priesterbedienaar dienaar van Christus, die aanwezig is in de Kerk, mysterie, gemeenschap en zending. Door het feit van de deelname aan de “zalving” en de “zending” van Christus kan hij in de Kerk diens gebed, woord, offer en heilswerk voortzetten. Hij is dus dienaar van de Kerk als mysterie, omdat hij de kerkelijke en sacramentele tekens van de verrezen Christus verwerkelijkt. Hij is de dienaar van de Kerk als gemeenschap, omdat hij, verenigd met de bisschop en nauw verbonden met de priesterschap, de eenheid van de kerkgemeenschap opbouwt in de harmonie van de diverse roepingen, charisma’s en diensten. Hij is tenslotte dienaar van de Kerk als zending, omdat hij de gemeenschap tot verkondigster en getuige van het Evangelie maakt”. Aan alle priesters ter gelegenheid van Witte Donderdag 1991, (16)[[2571|(16)]] vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (7)[[[2521|(7)]]] Zo verschijnt de priester door zijn sacramentele natuur en zending zelf binnen de structuur van de Kerk als teken van de absolute prioriteit en van de onverschuldigdheid van de genade die door de verrezen Christus aan de Kerk wordt geschonken. Door middel van het ambtelijk priesterschap wordt de Kerk zelf in geloof bewust dat zij niet uit zichzelf bestaat, maar door de genade van Christus in de heilige Geest. De apostelen en hun opvolgers staan als dragers van een gezag dat van Christus, Hoofd en Herder, komt, door hun ambt tegenover de Kerk als zichtbare verlenging en sacramenteel teken van Christus die tegenover de Kerk en de wereld staat als blijvende en altijd nieuwe oorsprong van het heil, Hij die “de verlosser van zijn lichaam is” (Ef. 5, 23)[b:Ef. 5, 23].
Referenties naar alinea 16: 6
Instructie over criteria ter onderscheiding van roepingen met betrekking tot personen met homoseksuele neigingen aangaande hun toelating tot het seminarie en de Heilige Wijdingen ->=geentekst=Geroepen zijn tot het Mysterie van de Kerk ->=geentekst=
Ecclesiae de mysterio ->=geentekst=
Ecclesiae de mysterio ->=geentekst=
De priester, herder en leidsman van de parochiegemeenschap ->=geentekst=
De roeping ten dienste van de Kerk als communio ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
17
Aan de priesters bij het begin van het "Jaar van de priester" bij gelegenheid van de 150e "dies natalis" van Johannes Maria Vianney ->=geentekst=
Vanwege zijn natuur zelf kan het gewijde ambt alleen vervuld worden voor zover de priester met Christus verenigd is door middel van de sacramentele opname in de priesterorde en dus voor zover hij in hiërarchische gemeenschap met zijn bisschop staat. Het gewijde ambt heeft een radicale “gemeenschapsvorm” en kan slechts vervuld worden als “een collectief werk”. vgl: Priesterschap in de gemeenschap[[[2573]]] Het Concilie heeft lang stilgestaan bij dit gemeenschapskarakter van het priesterschap en het heeft de verhoudingen van de priester met zijn bisschop, met de andere priesters en met de leken-gelovigen afzonderlijk onderzocht. vgl: Presbyterorum Ordinis, 7-9[[[704|7-9]]] Het dienstwerk van de priesters is bovenal gemeenschap en verantwoordelijke en noodzakelijke samenwerking met het dienstwerk van de bisschop, in de zorg voor de universele Kerk en voor de afzonderlijke particuliere kerken ten dienste waarvan zij met de bisschop een enige priesterschap vormen. Iedere priester, zowel de diocesane als de religieuze, is op grond van het sacrament der wijding met de andere leden van die priesterschap verbonden door bijzondere banden van apostolische liefde, ambt en broederschap. Want alle priesters, zowel de diocesane als de religieuze, delen in het ene priesterschap van Christus, Hoofd en Herder, “werken samen voor één doel, namelijk de opbouw van het lichaam van Christus, hetgeen vooral in onze dagen een veelvoud van nieuwe taken en aanpassingen vraagt” Presbyterorum Ordinis, 8[[704|8]] vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (7)[[[2521|(7)]]] en in de loop der eeuwen verrijkt wordt met steeds nieuwe charisma’s. Tenslotte staan de priesters in een positieve en stimulerende relatie met de leken, daar hun figuur en hun taak in de Kerk het priesterschap dat heel het volk van God ontvangen heeft door het doopsel, niet vervangen maar bevorderen en tot zijn volle kerkelijke verwerkelijking brengen. Zij staan ten dienste van het geloof, de hoop en de liefde van de leken. Als broeders en vrienden erkennen en steunen zij de waardigheid van leken als kinderen van God en zij helpen hen om hun specifieke rol in het kader van de zending van de Kerk ten volle te vervullen. vgl: Presbyterorum Ordinis, 9[[[704|9]]] Het ambtelijke priesterschap, dat verleend wordt door het wijdingssacrament, en het algemeen of “koninklijk” priesterschap van de gelovigen, welke naar hun wezen en niet slechts naar rangorde van elkaar verschillen, vgl: Lumen Gentium, 10[[[617|10]]] staan met elkaar in verband, daar zij beide, zij het in verschillende vormen, voortkomen uit het enige priesterschap van Christus. Het gewijde priesterschap betekent niet per sé een hogere graad van heiligheid ten opzichte van het algemeen priesterschap van de gelovigen. Maar met het gewijde priesterschap wordt door Christus in de Geest een bijzondere gave aan de priesters gegeven, opdat zij het volk van God kunnen helpen om trouw en volledig het algemeen priesterschap, dat aan hen verleend is, uit te oefenen. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (7)[[[2521|(7)]]]
Referenties naar alinea 17: 2
Ecclesiae de mysterio ->=geentekst=Aan de priesters bij het begin van het "Jaar van de priester" bij gelegenheid van de 150e "dies natalis" van Johannes Maria Vianney ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
18
Zoals het Concilie benadrukt, “rust de geestelijke gave die de priesters bij de wijding hebben ontvangen, hen niet uit voor een begrensde of beperkte zending, maar voor een zeer ruime of universele heilszending tot het uiteinde der aarde. Want iedere priesterlijke bediening deelt in de universele en wereldomspannende zending die door Christus aan zijn apostelen is toevertrouwt”. Presbyterorum Ordinis, 10[[704|10]] Door de natuur zelf van hun ambt moeten zij dus van een diepe missionaire geest doordrongen en bezield zijn en “van die waarlijk katholieke geest waardoor zij zich eraan wennen de grenzen van eigen bisdom, volk of ritus te overschrijden en de noden van de gehele Kerk bij te staan, in hun hart bereid om het Evangelie overal te prediken”. Optatam Totius Ecclesiae, 20[[675|20]]
Bovendien moet de priester in zijn relatie met alle mensen een man van zending en dialoog zijn, juist omdat hij binnen het leven van de Kerk de man van gemeenschap is. Diep geworteld in de waarheid en de liefde van Christus en bezield door het verlangen en de plicht om aan allen het heil te verkondigen is hij geroepen om met alle mensen banden te smeden van broederschap, van dienstbaarheid, van gezamenlijk zoeken van de waarheid, van de bevordering van rechtvaardigheid en vrede. Op de eerste plaats met de broeders van de andere christelijke kerken en confessies, maar ook met de gelovigen van andere godsdiensten, met de mensen van goede wil en op speciale wijze met de armen en de zwaksten en met allen die, ook zonder het te weten of te uiten, verlangen naar de waarheid en naar het heil van Christus, volgens het woord van Jezus, die gezegd heeft: “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars” (Mc. 2, 17)[b:Mc. 2, 17].
Vooral nu vraagt de primaire pastorale taak van de nieuwe evangelisatie, waarmee heel het volk Gods belast is en welke een nieuw elan, nieuwe methoden en een nieuwe uitdrukking voor de verkondiging en het getuigenis van het Evangelie eist, om priesters die radicaal en geheel ondergedompeld zijn in het mysterie van Christus en in staat zijn om een nieuwe stijl van pastoraal leven te verwezenlijken, welke gekenmerkt wordt door een diepe gemeenschap met de paus, de bisschoppen en de andere priesters en door een vruchtbare samenwerking met de leken-gelovigen, met eerbiediging en bevordering van de diverse taken, charisma’s en bedieningen binnen de kerkgemeenschap. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (12)[[[2521|(12)]]]
“Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan” (Lc. 4, 21)[b:Lc. 4, 21]. Luisteren wij nogmaals naar deze woorden van Jezus in het licht van het gewijde priesterschap dat wij in zijn natuur en zending uiteengezet hebben. Het “thans” waarvan Jezus spreekt duidt de tijd van de Kerk aan, juist omdat het behoort tot de “volheid van de tijd” ofwel tot de tijd van het volle en definitieve heil en deze tijd bepaalt “De geest des Heren (...) heeft mij gezalfd. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen” (Lc. 4, 18)[b:Lc. 4, 18]. De zalving en de zending van Christus zijn de levende wortel waaruit de zalving en de zending ontspruiten van de Kerk, de “volheid” van Christus (Ef. 1, 23)[[b:Ef. 1, 23]]. Door de wedergeboorte van het doopsel wordt over alle gelovigen de Geest van de Heer uitgestort, die hen zalft om een geestelijke tempel en een heilige priesterschap te vormen en hen zendt om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die hen uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht (1 Pt. 2, 4-10)[[b:1 Pt. 2, 4-10]]. De priester heeft deel aan de zalving en de zending van Christus op specifieke en gezaghebbende wijze en wel door middel van het sacrament van de wijding, krachtens hetwelk hij in zijn wezen gelijkvormig gemaakt is aan Jezus Christus, Hoofd en Herder, en deelt in de zending om “aan armen de Blijde Boodschap te brengen” in de naam en de persoon van Christus zelf.
In hun slotboodschap hebben de synodevaders in weinige, maar zeer rijke woorden de “werkelijkheid” of beter het “mysterie” en de “gave” van het gewijde priesterschap samengevat; zij hebben gezegd: “Onze identiteit heeft haar uiteindelijke bron in de liefde van de Vader. Met de Zoon die Hij gezonden heeft, de Hogepriester en de goede Herder, zijn wij sacramenteel verenigd in het gewijde priesterschap door de werking van de heilige Geest. Het leven en het ambt van de priester zijn een voortzetting van het leven en het werk van Christus zelf. Dat is onze identiteit, onze echte waardigheid, de bron van onze vreugde, de zekerheid van ons leven”. III[[2568]]
Bovendien moet de priester in zijn relatie met alle mensen een man van zending en dialoog zijn, juist omdat hij binnen het leven van de Kerk de man van gemeenschap is. Diep geworteld in de waarheid en de liefde van Christus en bezield door het verlangen en de plicht om aan allen het heil te verkondigen is hij geroepen om met alle mensen banden te smeden van broederschap, van dienstbaarheid, van gezamenlijk zoeken van de waarheid, van de bevordering van rechtvaardigheid en vrede. Op de eerste plaats met de broeders van de andere christelijke kerken en confessies, maar ook met de gelovigen van andere godsdiensten, met de mensen van goede wil en op speciale wijze met de armen en de zwaksten en met allen die, ook zonder het te weten of te uiten, verlangen naar de waarheid en naar het heil van Christus, volgens het woord van Jezus, die gezegd heeft: “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars” (Mc. 2, 17)[b:Mc. 2, 17].
Vooral nu vraagt de primaire pastorale taak van de nieuwe evangelisatie, waarmee heel het volk Gods belast is en welke een nieuw elan, nieuwe methoden en een nieuwe uitdrukking voor de verkondiging en het getuigenis van het Evangelie eist, om priesters die radicaal en geheel ondergedompeld zijn in het mysterie van Christus en in staat zijn om een nieuwe stijl van pastoraal leven te verwezenlijken, welke gekenmerkt wordt door een diepe gemeenschap met de paus, de bisschoppen en de andere priesters en door een vruchtbare samenwerking met de leken-gelovigen, met eerbiediging en bevordering van de diverse taken, charisma’s en bedieningen binnen de kerkgemeenschap. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (12)[[[2521|(12)]]]
“Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan” (Lc. 4, 21)[b:Lc. 4, 21]. Luisteren wij nogmaals naar deze woorden van Jezus in het licht van het gewijde priesterschap dat wij in zijn natuur en zending uiteengezet hebben. Het “thans” waarvan Jezus spreekt duidt de tijd van de Kerk aan, juist omdat het behoort tot de “volheid van de tijd” ofwel tot de tijd van het volle en definitieve heil en deze tijd bepaalt “De geest des Heren (...) heeft mij gezalfd. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen” (Lc. 4, 18)[b:Lc. 4, 18]. De zalving en de zending van Christus zijn de levende wortel waaruit de zalving en de zending ontspruiten van de Kerk, de “volheid” van Christus (Ef. 1, 23)[[b:Ef. 1, 23]]. Door de wedergeboorte van het doopsel wordt over alle gelovigen de Geest van de Heer uitgestort, die hen zalft om een geestelijke tempel en een heilige priesterschap te vormen en hen zendt om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die hen uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht (1 Pt. 2, 4-10)[[b:1 Pt. 2, 4-10]]. De priester heeft deel aan de zalving en de zending van Christus op specifieke en gezaghebbende wijze en wel door middel van het sacrament van de wijding, krachtens hetwelk hij in zijn wezen gelijkvormig gemaakt is aan Jezus Christus, Hoofd en Herder, en deelt in de zending om “aan armen de Blijde Boodschap te brengen” in de naam en de persoon van Christus zelf.
In hun slotboodschap hebben de synodevaders in weinige, maar zeer rijke woorden de “werkelijkheid” of beter het “mysterie” en de “gave” van het gewijde priesterschap samengevat; zij hebben gezegd: “Onze identiteit heeft haar uiteindelijke bron in de liefde van de Vader. Met de Zoon die Hij gezonden heeft, de Hogepriester en de goede Herder, zijn wij sacramenteel verenigd in het gewijde priesterschap door de werking van de heilige Geest. Het leven en het ambt van de priester zijn een voortzetting van het leven en het werk van Christus zelf. Dat is onze identiteit, onze echte waardigheid, de bron van onze vreugde, de zekerheid van ons leven”. III[[2568]]
Referenties naar alinea 18: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- HOOFDSTUK 3 De Geest des Heren is over Mij gekomenHet geestelijk leven van de priester
- Artikel 1 Een "specifieke" roeping tot heiligheid
19
"De geest des Heren is over mij gekomen" (Lc. 4, 18)[b:Lc. 4, 18]. De Geest is niet eenvoudig "over" de Messias gekomen, maar "vervult" en doordringt hem en reikt tot in zijn wezen en werken. De Geest is het beginsel van de "zalving" en de "zending" van de Messias: "Hij heeft mij gezalfd. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen" (Lc. 4, 18)[b:Lc. 4, 18]. Krachtens de Geest behoort Jezus geheel en uitsluitend God toe en heeft Hij deel aan de oneindige heiligheid van God, die Hem roept, uitkiest en zendt. Zo blijkt de Geest des Heren bron van heiligheid en oproep tot heiliging te zijn.
Deze zelfde "Geest des Heren" komt "over" heel het volk van God, dat gevormd wordt als volk dat aan God is "gewijd" en door God "gezonden" is voor de verkondiging van het Evangelie dat redt. De leden van het volk van God zijn "gedrenkt" en "getekend" met de Geest (1 Kor. 12, 13; 2 Kor. 1, 21-22; Ef. 1, 13; Ef. 4, 30)[[b:1 Kor. 12, 13; 2 Kor. 1, 21-22; Ef. 1, 13; Ef. 4, 30]] en geroepen tot het heiligheid.
De Geest openbaart en geeft ons in het bijzonder de fundamentele roeping die de Vader van eeuwigheid tot allen richt, de roeping om "heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht in liefde", krachtens de voorbestemming "zijn kinderen te worden door Jezus Christus" (Ef. 1, 4-5)[b:Ef. 1, 4-5]. Niet alleen openbaart en geeft de Geest ons deze roeping, maar Hij wordt in ons tot oorsprong en bron van haar verwezenlijking. Hij, de Geest van de Zoon (Gal. 4, 6)[[b:Gal. 4, 6]], maakt ons gelijkvormig aan Christus Jezus en deelachtig aan diens leven als Zoon ofwel aan diens liefde voor de Vader en voor de broeders. "Daar wij leven door de Geest, willen wij ook leven volgens de Geest" (Gal. 5, 25)[b:Gal. 5, 25]. Met deze woorden herinnert de apostel Paulus er ons aan dat het christelijk leven "geestelijk leven" is ofwel leven dat door de Geest bezield en geleid wordt naar de heiligheid of de volmaaktheid van de liefde.
De uitspraak van het Concilie "dat alle christengelovigen, tot welke stand of staat zij ook behoren, tot de volheid van het christelijk leven en de volmaaktheid van de liefde geroepen zijn", Lumen Gentium, 40[[617|40]] is speciaal op de priesters van toepassing. Zij zijn niet alleen geroepen als gedoopten maar ook en specifiek als priesters ofwel op een nieuwe titel en op een oorspronkelijke wijze, die voortvloeien uit het sacrament van het priesterschap.
Deze zelfde "Geest des Heren" komt "over" heel het volk van God, dat gevormd wordt als volk dat aan God is "gewijd" en door God "gezonden" is voor de verkondiging van het Evangelie dat redt. De leden van het volk van God zijn "gedrenkt" en "getekend" met de Geest (1 Kor. 12, 13; 2 Kor. 1, 21-22; Ef. 1, 13; Ef. 4, 30)[[b:1 Kor. 12, 13; 2 Kor. 1, 21-22; Ef. 1, 13; Ef. 4, 30]] en geroepen tot het heiligheid.
De Geest openbaart en geeft ons in het bijzonder de fundamentele roeping die de Vader van eeuwigheid tot allen richt, de roeping om "heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht in liefde", krachtens de voorbestemming "zijn kinderen te worden door Jezus Christus" (Ef. 1, 4-5)[b:Ef. 1, 4-5]. Niet alleen openbaart en geeft de Geest ons deze roeping, maar Hij wordt in ons tot oorsprong en bron van haar verwezenlijking. Hij, de Geest van de Zoon (Gal. 4, 6)[[b:Gal. 4, 6]], maakt ons gelijkvormig aan Christus Jezus en deelachtig aan diens leven als Zoon ofwel aan diens liefde voor de Vader en voor de broeders. "Daar wij leven door de Geest, willen wij ook leven volgens de Geest" (Gal. 5, 25)[b:Gal. 5, 25]. Met deze woorden herinnert de apostel Paulus er ons aan dat het christelijk leven "geestelijk leven" is ofwel leven dat door de Geest bezield en geleid wordt naar de heiligheid of de volmaaktheid van de liefde.
De uitspraak van het Concilie "dat alle christengelovigen, tot welke stand of staat zij ook behoren, tot de volheid van het christelijk leven en de volmaaktheid van de liefde geroepen zijn", Lumen Gentium, 40[[617|40]] is speciaal op de priesters van toepassing. Zij zijn niet alleen geroepen als gedoopten maar ook en specifiek als priesters ofwel op een nieuwe titel en op een oorspronkelijke wijze, die voortvloeien uit het sacrament van het priesterschap.
Referenties naar alinea 19: 1
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
20
Het conciliaire decreet over het ambt en het leven van de priesters[704] biedt ons een uiterst rijke en stimulerende synthese van het "geestelijke leven" en van de gave en de verantwoordelijkheid om "heilig" te worden: "Door het Wijdingsacrament worden de priesters gelijkvormig gemaakt aan Christus-Priester, als dienaren van het Hoofd, om heel zijn lichaam, dat is de Kerk, op te richten en op te bouwen als medewerkers van het bisschopsambt. Weliswaar hebben zij als iedere christengelovige reeds in de wijding van het Doopsel het teken en de gave van zo'n hoge genadevolle roeping ontvangen, dat zij zelfs in hun menselijke zwakheid de volmaaktheid kunnen en moeten bereiken, naar het woord van de Heer: 'Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is (Mt. 5, 48)[b:Mt. 5, 48]. Maar de priesters zijn om een speciale reden verplicht die volmaaktheid te bereiken, omdat zij die door het ontvangen van de wijding op een nieuwe wijze aan God zijn toegewijd levende instrumenten worden van Christus, de eeuwige priester, om diens wonderbaarlijk verlossingswerk, dat met bovenaardse kracht heel de mensengemeenschap heeft hersteld, door alle tijden heen te kunnen voortzetten. Omdat dus iedere priester op zijn eigen wijze de persoon van Christus zelf vertegenwoordigt, wordt hij ook met bijzondere genadegaven verrijkt om in de dienst aan het hem toevertrouwde volk en aan heel het volk van God des te beter de volmaaktheid te kunnen bereiken van Hem wiens rol hij speelt en om door de heiligheid van Hem die voor ons is geworden de Hogepriester, 'heilig, schuldeloos en onbesmet, gescheiden van de zondaars' (Heb. 7, 26)[b:Heb. 7, 26], de menselijke zwakheid van het vlees te genezen". Presbyterorum Ordinis, 12[[704|12]]
Het Concilie bevestigt vooral de "algemene" roeping tot heiligheid. Deze roeping is geworteld in het doopsel dat de priester de hoedanigheid geeft van "gelovige" (Christifidelis), van "broeder onder broeders", opgenomen in en verenigd met het volk van God, in de vreugde van het delen van de heilsgaven (Ef. 4, 4-6)[[b:Ef. 4, 4-6]] en in de gemeenschappelijke inspanning om "volgens de Geest" te leven door het volgen van de Meester en Heer. Wij herinneren ons de beroemde woorden van de heilige Augustinus: "Ik ben bisschop voor u, christen met u. 'Bisschop' is de naam van een ambt dat men op zich genomen heeft, 'christen' is een naam van genade. De eerste is de naam van een gevaar, de laatste een naam van redding". 340: PL 38, 1483[[880]]
Met eenzelfde duidelijkheid spreekt de tekst van het Concilie over een "specifieke" roeping tot de heiligheid, over een roeping die gebaseerd is op het Sacrament van de Wijding als eigen en specifiek sacrament van de priester, dus over een roeping krachtens een nieuwe toewijding aan God door middel van de priesterwijding. Ook de heilige Augustinus zinspeelt op deze specifieke roeping als hij op de uitspraak: "Ik ben bisschop voor u, christen met u", deze woorden laat volgen: "Als ik mij dus meer verheug dat ik met u verlost ben dan dat ik over u gesteld ben, zal ik volgens het gebod van de Heer des te meer uw dienaar zijn om niet ondankbaar te zijn voor de prijs waardoor ik verdiend heb uw mededienaar te zijn". 340: PL 38, 1483[[880]]
De tekst van het Concilie vervolgt en signaleert enige elementen die noodzakelijk zijn om de inhoud te bepalen van wat "specifiek" is voor het geestelijk leven van de priesters. Het zijn elementen die verbonden zijn met de eigen "wijding" van de priesters, welke hen gelijkvormig maakt aan Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk; met de "zending" of het typische dienstwerk van de priesters, dat hen bekwaam maakt en verplicht om "levende werktuigen van Christus, de eeuwige Priester" te zijn en om "in de naam en de persoon van Christus zelf" te handelen, met heel hun "leven", dat geroepen is om op oorspronkelijke wijze het "evangelische radicalisme" zichtbaar te maken en ervan te getuigen. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (8)[[[2521|(8)]]]
Het Concilie bevestigt vooral de "algemene" roeping tot heiligheid. Deze roeping is geworteld in het doopsel dat de priester de hoedanigheid geeft van "gelovige" (Christifidelis), van "broeder onder broeders", opgenomen in en verenigd met het volk van God, in de vreugde van het delen van de heilsgaven (Ef. 4, 4-6)[[b:Ef. 4, 4-6]] en in de gemeenschappelijke inspanning om "volgens de Geest" te leven door het volgen van de Meester en Heer. Wij herinneren ons de beroemde woorden van de heilige Augustinus: "Ik ben bisschop voor u, christen met u. 'Bisschop' is de naam van een ambt dat men op zich genomen heeft, 'christen' is een naam van genade. De eerste is de naam van een gevaar, de laatste een naam van redding". 340: PL 38, 1483[[880]]
Met eenzelfde duidelijkheid spreekt de tekst van het Concilie over een "specifieke" roeping tot de heiligheid, over een roeping die gebaseerd is op het Sacrament van de Wijding als eigen en specifiek sacrament van de priester, dus over een roeping krachtens een nieuwe toewijding aan God door middel van de priesterwijding. Ook de heilige Augustinus zinspeelt op deze specifieke roeping als hij op de uitspraak: "Ik ben bisschop voor u, christen met u", deze woorden laat volgen: "Als ik mij dus meer verheug dat ik met u verlost ben dan dat ik over u gesteld ben, zal ik volgens het gebod van de Heer des te meer uw dienaar zijn om niet ondankbaar te zijn voor de prijs waardoor ik verdiend heb uw mededienaar te zijn". 340: PL 38, 1483[[880]]
De tekst van het Concilie vervolgt en signaleert enige elementen die noodzakelijk zijn om de inhoud te bepalen van wat "specifiek" is voor het geestelijk leven van de priesters. Het zijn elementen die verbonden zijn met de eigen "wijding" van de priesters, welke hen gelijkvormig maakt aan Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk; met de "zending" of het typische dienstwerk van de priesters, dat hen bekwaam maakt en verplicht om "levende werktuigen van Christus, de eeuwige Priester" te zijn en om "in de naam en de persoon van Christus zelf" te handelen, met heel hun "leven", dat geroepen is om op oorspronkelijke wijze het "evangelische radicalisme" zichtbaar te maken en ervan te getuigen. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (8)[[[2521|(8)]]]
Referenties naar alinea 20: 1
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 2 De gelijkvormigheid aan Jezus Christus, Hoofd en Herder, en de herderlijke liefde
21
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Door de sacramentele wijding wordt de priester gelijkvormig gemaakt aan Jezus Christus als Hoofd en Herder van de Kerk en ontvangt hij een "geestelijke macht" die deelname is aan het gezag waarmee Jezus Christus door zijn Geest de Kerk leidt. vgl: Presbyterorum Ordinis, 12[[[704|12]]]
Dank zij die wijding, welke bewerkt wordt door de Geest in de sacramentele uitstorting van het priesterschap, wordt het geestelijk leven van de priester gestempeld, gevormd en gekenmerkt door die gesteltenissen en houdingen, welke eigen zijn aan Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk, en samengevat worden in zijn herderlijke liefde.
Jezus Christus is Hoofd van de Kerk die zijn lichaam is. Hij is "Hoofd" in de nieuwe en oorspronkelijke zin van "dienaar" -zijn, volgens zijn eigen woorden: "De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Mc. 10, 45)[b:Mc. 10, 45]. Het dienen van Jezus bereikt zijn hoogtepunt in de dood aan het kruis ofwel in de totale zelfgave in nederigheid en liefde: "Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd. Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan het kruis" (Fil. 2, 7-8)[b:Fil. 2, 7-8]. Het gezag van Jezus Christus Hoofd valt dus samen met zijn dienen, met de gave van zichzelf, met zijn volledige, nederige en liefdevolle toewijding aan de Kerk. En dit in volmaakte gehoorzaamheid aan de Vader. Hij is de enige ware lijdende dienaar van de Heer, tegelijk Priester en Slachtoffer.
Het geestelijk leven van iedere priester wordt bezield en levend gemaakt precies door dat type van gezag ofwel door de dienst aan de Kerk, juist als eis van zijn gelijkvormigheid aan Jezus Christus, Hoofd en Dienaar van de Kerk, vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (8)[[[2521|(8)]]] De Heilige Augustinus waarschuwde een bisschop op de dag van diens wijding als volgt: "Wie hoofd van het volk is, moet op de eerste plaats beseffen dat hij de dienaar van velen is. En laat hij het niet versmaden dat te zijn, ik herhaal, laat hij het niet versmaden de dienaar van velen te zijn, aangezien de Heer het niet versmaad heeft onze dienaar te worden". Morin Guelferbytanus, 32, 1: PLS 2, 637[[880]]
Het geestelijk leven van de bedienaar van het Nieuwe Testament moet dus het stempel dragen van deze wezenlijke houding van dienst aan het volk Gods (Mt. 20, 24 vv.)[[b:Mt. 20, 24 vv.]] (Mc. 10, 43-44)[[b:Mc. 10, 43-44]], vrij van iedere verwaandheid en van ieder verlangen om "de baas te spelen" over de hem toevertrouwde kudde (1 Pt. 5, 3)[[b:1 Pt. 5, 3]]. Een dienst die goedsmoeds, volgens God en gaarne verricht wordt. Op deze wijze kunnen de bedienaren, de "oudsten" van de gemeenschap, d.w.z. de priesters, model voor de kudde zijn, welke op haar beurt geroepen is om tegenover de gehele wereld deze priesterlijke houding aan te nemen van dienst aan de volheid van leven van de mens en aan diens integrale bevrijding.
Dank zij die wijding, welke bewerkt wordt door de Geest in de sacramentele uitstorting van het priesterschap, wordt het geestelijk leven van de priester gestempeld, gevormd en gekenmerkt door die gesteltenissen en houdingen, welke eigen zijn aan Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk, en samengevat worden in zijn herderlijke liefde.
Jezus Christus is Hoofd van de Kerk die zijn lichaam is. Hij is "Hoofd" in de nieuwe en oorspronkelijke zin van "dienaar" -zijn, volgens zijn eigen woorden: "De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Mc. 10, 45)[b:Mc. 10, 45]. Het dienen van Jezus bereikt zijn hoogtepunt in de dood aan het kruis ofwel in de totale zelfgave in nederigheid en liefde: "Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd. Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan het kruis" (Fil. 2, 7-8)[b:Fil. 2, 7-8]. Het gezag van Jezus Christus Hoofd valt dus samen met zijn dienen, met de gave van zichzelf, met zijn volledige, nederige en liefdevolle toewijding aan de Kerk. En dit in volmaakte gehoorzaamheid aan de Vader. Hij is de enige ware lijdende dienaar van de Heer, tegelijk Priester en Slachtoffer.
Het geestelijk leven van iedere priester wordt bezield en levend gemaakt precies door dat type van gezag ofwel door de dienst aan de Kerk, juist als eis van zijn gelijkvormigheid aan Jezus Christus, Hoofd en Dienaar van de Kerk, vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (8)[[[2521|(8)]]] De Heilige Augustinus waarschuwde een bisschop op de dag van diens wijding als volgt: "Wie hoofd van het volk is, moet op de eerste plaats beseffen dat hij de dienaar van velen is. En laat hij het niet versmaden dat te zijn, ik herhaal, laat hij het niet versmaden de dienaar van velen te zijn, aangezien de Heer het niet versmaad heeft onze dienaar te worden". Morin Guelferbytanus, 32, 1: PLS 2, 637[[880]]
Het geestelijk leven van de bedienaar van het Nieuwe Testament moet dus het stempel dragen van deze wezenlijke houding van dienst aan het volk Gods (Mt. 20, 24 vv.)[[b:Mt. 20, 24 vv.]] (Mc. 10, 43-44)[[b:Mc. 10, 43-44]], vrij van iedere verwaandheid en van ieder verlangen om "de baas te spelen" over de hem toevertrouwde kudde (1 Pt. 5, 3)[[b:1 Pt. 5, 3]]. Een dienst die goedsmoeds, volgens God en gaarne verricht wordt. Op deze wijze kunnen de bedienaren, de "oudsten" van de gemeenschap, d.w.z. de priesters, model voor de kudde zijn, welke op haar beurt geroepen is om tegenover de gehele wereld deze priesterlijke houding aan te nemen van dienst aan de volheid van leven van de mens en aan diens integrale bevrijding.
Referenties naar alinea 21: 2
Tot de Belgische Bisschoppen bij gelegenheid van hun "Ad limina"-bezoek 1992 ->=geentekst=Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
22
Tot de Belgische Bisschoppen bij gelegenheid van hun "Ad limina"-bezoek 1992 ->=geentekst=
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Wat het beeld van Jezus Christus als Hoofd en dienaar inhoudt, wordt door het beeld van Jezus Christus als Herder van de Kerk met nieuwe en meer suggestieve nuances hernomen en opnieuw voorgesteld. Jezus, die de profetische aankondiging vervult van de Messias-Redder, die de psalmist en de profeet Ezechiël (Ps. 22, 23; Ez. 34, 11)[[b:Ps. 22, 23; Ez. 34, 11]] vol vreugde bezorgen hebben, zegt van zichzelf dat Hij "de goede Herder" is (Joh. 10, 11.14)[[b:Joh. 10, 11.14]], niet alleen van Israël maar van alle mensen (Joh. 10, 16)[[b:Joh. 10, 16]]. Zijn leven is een ononderbroken uitdrukking, zelfs een dagelijkse verwerkelijking, van zijn "herderlijke liefde". Hij voelt medelijden met de menigten, omdat zij moe en uitgeput zijn, als schapen zonder herder (Mt. 9, 35-36)[[b:Mt. 9, 35-36]]. Hij zoekt de verdwaalde en verstrooide schapen (Mt. 18, 12-14)[[b:Mt. 18, 12-14]] en viert feest als Hij ze teruggevonden heeft. Hij leidt ze naar grazige weiden en wateren der rust (Ps. 22-23)[[b:Ps. 22-23]]. Hij richt voor hen een maaltijd aan en voedt ze met zijn eigen leven. De goede Herder biedt dit leven aan door zijn dood en verrijzenis, zoals de Romeinse liturgie van de Kerk zingt: "De goede Herder, die zijn leven gegeven heeft voor zijn schapen, is verrezen; Hij heeft zich aan de dood overgeleverd uit liefde voor de zijnen: Alleluia". Vierde zondag van Pasen, Communio van de Mis[[1209]]
Petrus noemt Jezus de "opperherder" (1 Pt. 5, 4)[[b:1 Pt. 5, 4]], omdat zijn werk en zending in de Kerk voortgezet worden door de apostelen (Joh. 21, 15-17)[[b:Joh. 21, 15-17]] en hun opvolgers (vv.)[[b:1 Pt. 5, 1]] en door de priesters. Krachtens hun wijding zijn de priesters gelijkvormig gemaakt aan Jezus, de goede Herder, en zijn zij geroepen om zijn herderlijke liefde na te volgen en te doen herleven.
De zelfgave van Christus aan zijn Kerk, vrucht van zijn liefde, wordt gekenmerkt door de oorspronkelijke toewijding welke eigen is aan de bruidegom ten opzichte van de bruid, zoals de gewijde teksten meermalen suggereren. Jezus is de ware Bruidegom, die de wijn van het heil aan de Kerk schenkt (Joh. 2, 11)[[b:Joh. 2, 11]]. Hij die "het hoofd van de kerk (...), de verlosser van zijn lichaam" is (Ef. 5, 23)[b:Ef. 5, 23], "heeft de Kerk liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen, haar reinigend door het waterbad met het woord. Hij heeft de Kerk tot zich gevoerd als een heerlijke bruid, zonder vlek of rimpel of fout, heilig en onbesmet" (Ef. 5, 25-27)[b:Ef. 5, 25-27]. De Kerk is het lichaam waarin Christus als Hoofd tegenwoordig en werkzaam is, maar zij is ook de Bruid die als nieuwe Eva voortkomt uit de geopende zijde van de Verlosser aan het kruis. Daarom staat Christus "voor" de Kerk, "voedt en koestert" Hij haar (Ef. 5, 29)[b:Ef. 5, 29] door het geven zijn leven voor haar. De priester is geroepen om een levend beeld te zijn van Jezus Christus, de Bruidegom van de Kerk. vgl: Mulieris Dignitatem, 26[[[94|26]]] Hij staat zeker altijd in de gemeenschap waarvan hij als gelovige deel uitmaakt samen met alle andere broeders en zusters die door de Geest bijeengeroepen zijn, maar krachtens zijn gelijkvormigheid aan Christus, Hoofd en Herder, staat hij in die positie van bruidegom tegenover de gemeenschap. "In zoverre hij Christus, Hoofd, Herder en Bruidegom van de Kerk vertegenwoordigt, staat de priester niet alleen in de Kerk maar ook tegenover de Kerk". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (7)[[2521|(7)]] Hij is derhalve geroepen om in zijn geestelijk leven de liefde van Christus, die bruidegom is ten opzichte van de Kerk, de Bruid is, te doen herleven. Zijn leven moet ook verlicht en gericht worden door dit karakter van bruidegom, dat van hem vraagt dat hij getuige is van de liefde van Christus als Bruidegom, dat hij dus in staat is de mensen met een nieuw, groot en zuiver hart lief te hebben, met waarachtige zelfonthechting, met volle, voortdurende en trouwe toewijding en teven smet een soort goddelijke "naijver" (2 Kor. 11, 2)[[b:2 Kor. 11, 2]], met een tederheid die zelfs de nuances van de moederlijke liefde aanneemt, in staat "weeën" te doorstaan, totdat de gelovigen "de gestalte van Christus aangenomen" hebben (Gal. 4, 19)[[b:Gal. 4, 19]].
Petrus noemt Jezus de "opperherder" (1 Pt. 5, 4)[[b:1 Pt. 5, 4]], omdat zijn werk en zending in de Kerk voortgezet worden door de apostelen (Joh. 21, 15-17)[[b:Joh. 21, 15-17]] en hun opvolgers (vv.)[[b:1 Pt. 5, 1]] en door de priesters. Krachtens hun wijding zijn de priesters gelijkvormig gemaakt aan Jezus, de goede Herder, en zijn zij geroepen om zijn herderlijke liefde na te volgen en te doen herleven.
De zelfgave van Christus aan zijn Kerk, vrucht van zijn liefde, wordt gekenmerkt door de oorspronkelijke toewijding welke eigen is aan de bruidegom ten opzichte van de bruid, zoals de gewijde teksten meermalen suggereren. Jezus is de ware Bruidegom, die de wijn van het heil aan de Kerk schenkt (Joh. 2, 11)[[b:Joh. 2, 11]]. Hij die "het hoofd van de kerk (...), de verlosser van zijn lichaam" is (Ef. 5, 23)[b:Ef. 5, 23], "heeft de Kerk liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen, haar reinigend door het waterbad met het woord. Hij heeft de Kerk tot zich gevoerd als een heerlijke bruid, zonder vlek of rimpel of fout, heilig en onbesmet" (Ef. 5, 25-27)[b:Ef. 5, 25-27]. De Kerk is het lichaam waarin Christus als Hoofd tegenwoordig en werkzaam is, maar zij is ook de Bruid die als nieuwe Eva voortkomt uit de geopende zijde van de Verlosser aan het kruis. Daarom staat Christus "voor" de Kerk, "voedt en koestert" Hij haar (Ef. 5, 29)[b:Ef. 5, 29] door het geven zijn leven voor haar. De priester is geroepen om een levend beeld te zijn van Jezus Christus, de Bruidegom van de Kerk. vgl: Mulieris Dignitatem, 26[[[94|26]]] Hij staat zeker altijd in de gemeenschap waarvan hij als gelovige deel uitmaakt samen met alle andere broeders en zusters die door de Geest bijeengeroepen zijn, maar krachtens zijn gelijkvormigheid aan Christus, Hoofd en Herder, staat hij in die positie van bruidegom tegenover de gemeenschap. "In zoverre hij Christus, Hoofd, Herder en Bruidegom van de Kerk vertegenwoordigt, staat de priester niet alleen in de Kerk maar ook tegenover de Kerk". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (7)[[2521|(7)]] Hij is derhalve geroepen om in zijn geestelijk leven de liefde van Christus, die bruidegom is ten opzichte van de Kerk, de Bruid is, te doen herleven. Zijn leven moet ook verlicht en gericht worden door dit karakter van bruidegom, dat van hem vraagt dat hij getuige is van de liefde van Christus als Bruidegom, dat hij dus in staat is de mensen met een nieuw, groot en zuiver hart lief te hebben, met waarachtige zelfonthechting, met volle, voortdurende en trouwe toewijding en teven smet een soort goddelijke "naijver" (2 Kor. 11, 2)[[b:2 Kor. 11, 2]], met een tederheid die zelfs de nuances van de moederlijke liefde aanneemt, in staat "weeën" te doorstaan, totdat de gelovigen "de gestalte van Christus aangenomen" hebben (Gal. 4, 19)[[b:Gal. 4, 19]].
Referenties naar alinea 22: 3
Instructie over criteria ter onderscheiding van roepingen met betrekking tot personen met homoseksuele neigingen aangaande hun toelating tot het seminarie en de Heilige Wijdingen ->=geentekst=Tot de Belgische Bisschoppen bij gelegenheid van hun "Ad limina"-bezoek 1992 ->=geentekst=
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
23
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Naar een fundamentele theologie over het priesterschap ->=geentekst=
Het innerlijk beginsel, de deugd, welke het geestelijk leven van de priester die gelijkvormig gemaakt is aan Christus, Hoofd en Herder, bezielt en leidt, is de herderlijke liefde, welke deelname is aan de herderlijke liefde van Jezus Christus zelf. Zij is een kosteloze gave van de heilige Geest en tegelijk een taak en een oproep tot het vrije en verantwoordelijke antwoord van de priester.
De wezenlijke inhoud van de herderlijke liefde is de zelfgave, de totale gave van zichzelf aan de Kerk, naar het beeld van de gave van Christus en delend in die gave: "De herderlijke liefde is de deugd waarmee wij Christus navolgen in zijn zelfgave en in zijn dienst. Het is niet alleen wat wij doen, maar de gave van onszelf, die de liefde van Christus voor zijn kudde toont. De herderlijke liefde bepaalt onze wijze van denken en doen, de wijze van onze relatie met de mensen. Zij blijkt bijzonder veel van ons te eisen". Tijdens de Eucharistische Aanbidding te Seoul, (2)[[2795|(2)]]
De zelfgave, die de wortel en de samenvatting is van de herderlijke liefde, is bestemd voor de Kerk. Zo was het voor Christus die "de Kerk heeft liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd" (Ef. 5, 25)[b:Ef. 5, 25]. Zo moet het zijn voor de priester. Door de herderlijke liefde, die op de uitoefening van het priesterambt het stempel drukt van "amoris officium", vgl: 123, 5; CCI, 36, 678[[[859]]] "is de priester, die de roeping tot het ambt volgt, in staat hiervan een keuze voor de liefde te maken, waardoor de Kerk en de zielen het voornaamste voorwerp van zijn belangstelling worden. Door deze concrete spiritualiteit wordt hij bekwaam om de universele Kerk en het deel ervan dat aan hem is toevertrouwd, lief te hebben met heel het vuur van een bruidegom voor de bruid". Tot de priesters-deelnemers aan een bijeenkomst georganiseerd door de Italiaanse bisschoppenconferentie[[2813]] De gave van zichzelf kent geen grenzen, daar zij gekenmerkt wordt door het apostolische en missionaire elan van Christus zelf, de goede Herder, die gezegd heeft: "Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapstal zijn. Ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde en één herder" (Joh. 10, 16)[b:Joh. 10, 16].
Binnen de kerkgemeenschap vraagt en vereist de herderlijke liefde van de priester op een bijzondere en speciale wijze zijn persoonlijke relatie met het priestercollege, verenigd in en met de bisschop, zoals het Concilie uitdrukkelijk schrijft: "De pastorale liefde vraagt (...) van de priesters, dat zij, om niet voor niets te werken, hun werk steeds verrichten in gemeenschap met de bisschoppen en andere broeders in het priesterschap". Presbyterorum Ordinis, 14[[704|14]]
De zelfgave aan de Kerk betreft haar als lichaam en bruid van Jezus Christus. De liefde van de priester gaat daarom op de eerste plaats uit naar Jezus Christus. Alleen als hij Christus, Hoofd en Bruidegom, bemint en dient, wordt de liefde bron, criterium, maat en drijfveer van de liefde en de dienst van de priester voor de Kerk, lichaam en bruid van Christus. Dat heeft de apostel Paulus duidelijk en sterk beseft, want hij schrijft aan de Christenen van de Kerk van Korinte: "Onszelf beschouwen wij slechts als uw dienaars om Jezus' wil" (2 Kor. 4, 5)[b:2 Kor. 4, 5]. Dat is vooral de uitdrukkelijke en programmatische leer van Jezus, die de taak om de kudde te weiden eerst aan Petrus toevertrouwt na diens drievoudige verzekering van zijn liefde, ja van zijn voorkeursliefde: "Voor de derde maal vroeg Hij: 'Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?' (...) Petrus (...) zeide Hem: "Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U liefheb'. Daarop zei Jezus hem: 'Weid mijn schapen'" (Joh. 21, 17)[b:Joh. 21, 17].
De herderlijke liefde, die haar specifieke bron in het sacrament van het priesterschap heeft, vindt haar volle uitdrukking en haar voornaamste voedsel in de Eucharistie: "Deze herderlijke liefde vloeit bovenal voort uit het eucharistische offer, dat daarom het middelpunt en de oorsprong vormt van heel het priesterleven, zodat de priesterlijke geest zich beijvert om dat wat op het offeraltaar plaatsheeft op zichzelf over te brengen" Presbyterorum Ordinis, 14[[704|14]] In de eucharistie wordt immers het kruisoffer hernieuwd en tegenwoordig gesteld, de totale gave van Christus aan zijn Kerk, de gave van zijn lichaam dat Hij gegeven heeft, en van zijn bloed dat Hij vergoten heeft, als hoogste getuigenis dat Hij Hoofd en Herder, Dienaar en Bruidegom van de Kerk is. Juist daarom vloeit de herderlijke liefde van de priester niet alleen voort uit de Eucharistie maar vindt zij in de viering daarvan haar hoogste verwezenlijking. Uit de Eucharistie ontvangt de priester de genade en de verantwoordelijkheid om zijn gehele leven in het teken van het offer te plaatsen.
Die herderlijke liefde vormt het innerlijke en dynamische beginsel dat in staat is om de veelvoudige en verschillende activiteiten van de priester tot eenheid te brengen. Dankzij zij die liefde kan de wezenlijke en blijvende eis van eenheid tussen het innerlijk leven en de vele activiteiten en verantwoordelijkheden van het ambt een antwoord vinden. Die eis is zeer dringend in een sociaal-culturele en kerkelijke context die sterk gekenmerkt wordt door ingewikkeldheid, onsamenhangendheid en versnippering. Alleen de concentratie van alle ogenblikken en van alle gebaren rondom de fundamentele en karakteristieke keuze van "het geven van zijn leven voor de kudde" kan deze vitale eenheid waarborgen, welke onmisbaar is voor de harmonie en het geestelijk evenwicht van de priester: "De priesters kunnen die eenheid bereiken", brengt het Concilie ons in herinnering, "wanneer zij in de vervulling van hun ambt het voorbeeld volgen van Christus, de Heer, wiens spijs het was de wil te volbrengen van Hem die Hem gezonden heeft om zijn werk te volbrengen (...). Door zo de rol van de goede Herder te vervullen, zullen zij in de beoefening van de pastorale liefde zelf de band van de priesterlijke volmaaktheid vinden die hun leven en activiteit tot eenheid brengt". Presbyterorum Ordinis, 14[[704|14]]
De wezenlijke inhoud van de herderlijke liefde is de zelfgave, de totale gave van zichzelf aan de Kerk, naar het beeld van de gave van Christus en delend in die gave: "De herderlijke liefde is de deugd waarmee wij Christus navolgen in zijn zelfgave en in zijn dienst. Het is niet alleen wat wij doen, maar de gave van onszelf, die de liefde van Christus voor zijn kudde toont. De herderlijke liefde bepaalt onze wijze van denken en doen, de wijze van onze relatie met de mensen. Zij blijkt bijzonder veel van ons te eisen". Tijdens de Eucharistische Aanbidding te Seoul, (2)[[2795|(2)]]
De zelfgave, die de wortel en de samenvatting is van de herderlijke liefde, is bestemd voor de Kerk. Zo was het voor Christus die "de Kerk heeft liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd" (Ef. 5, 25)[b:Ef. 5, 25]. Zo moet het zijn voor de priester. Door de herderlijke liefde, die op de uitoefening van het priesterambt het stempel drukt van "amoris officium", vgl: 123, 5; CCI, 36, 678[[[859]]] "is de priester, die de roeping tot het ambt volgt, in staat hiervan een keuze voor de liefde te maken, waardoor de Kerk en de zielen het voornaamste voorwerp van zijn belangstelling worden. Door deze concrete spiritualiteit wordt hij bekwaam om de universele Kerk en het deel ervan dat aan hem is toevertrouwd, lief te hebben met heel het vuur van een bruidegom voor de bruid". Tot de priesters-deelnemers aan een bijeenkomst georganiseerd door de Italiaanse bisschoppenconferentie[[2813]] De gave van zichzelf kent geen grenzen, daar zij gekenmerkt wordt door het apostolische en missionaire elan van Christus zelf, de goede Herder, die gezegd heeft: "Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapstal zijn. Ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde en één herder" (Joh. 10, 16)[b:Joh. 10, 16].
Binnen de kerkgemeenschap vraagt en vereist de herderlijke liefde van de priester op een bijzondere en speciale wijze zijn persoonlijke relatie met het priestercollege, verenigd in en met de bisschop, zoals het Concilie uitdrukkelijk schrijft: "De pastorale liefde vraagt (...) van de priesters, dat zij, om niet voor niets te werken, hun werk steeds verrichten in gemeenschap met de bisschoppen en andere broeders in het priesterschap". Presbyterorum Ordinis, 14[[704|14]]
De zelfgave aan de Kerk betreft haar als lichaam en bruid van Jezus Christus. De liefde van de priester gaat daarom op de eerste plaats uit naar Jezus Christus. Alleen als hij Christus, Hoofd en Bruidegom, bemint en dient, wordt de liefde bron, criterium, maat en drijfveer van de liefde en de dienst van de priester voor de Kerk, lichaam en bruid van Christus. Dat heeft de apostel Paulus duidelijk en sterk beseft, want hij schrijft aan de Christenen van de Kerk van Korinte: "Onszelf beschouwen wij slechts als uw dienaars om Jezus' wil" (2 Kor. 4, 5)[b:2 Kor. 4, 5]. Dat is vooral de uitdrukkelijke en programmatische leer van Jezus, die de taak om de kudde te weiden eerst aan Petrus toevertrouwt na diens drievoudige verzekering van zijn liefde, ja van zijn voorkeursliefde: "Voor de derde maal vroeg Hij: 'Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?' (...) Petrus (...) zeide Hem: "Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U liefheb'. Daarop zei Jezus hem: 'Weid mijn schapen'" (Joh. 21, 17)[b:Joh. 21, 17].
De herderlijke liefde, die haar specifieke bron in het sacrament van het priesterschap heeft, vindt haar volle uitdrukking en haar voornaamste voedsel in de Eucharistie: "Deze herderlijke liefde vloeit bovenal voort uit het eucharistische offer, dat daarom het middelpunt en de oorsprong vormt van heel het priesterleven, zodat de priesterlijke geest zich beijvert om dat wat op het offeraltaar plaatsheeft op zichzelf over te brengen" Presbyterorum Ordinis, 14[[704|14]] In de eucharistie wordt immers het kruisoffer hernieuwd en tegenwoordig gesteld, de totale gave van Christus aan zijn Kerk, de gave van zijn lichaam dat Hij gegeven heeft, en van zijn bloed dat Hij vergoten heeft, als hoogste getuigenis dat Hij Hoofd en Herder, Dienaar en Bruidegom van de Kerk is. Juist daarom vloeit de herderlijke liefde van de priester niet alleen voort uit de Eucharistie maar vindt zij in de viering daarvan haar hoogste verwezenlijking. Uit de Eucharistie ontvangt de priester de genade en de verantwoordelijkheid om zijn gehele leven in het teken van het offer te plaatsen.
Die herderlijke liefde vormt het innerlijke en dynamische beginsel dat in staat is om de veelvoudige en verschillende activiteiten van de priester tot eenheid te brengen. Dankzij zij die liefde kan de wezenlijke en blijvende eis van eenheid tussen het innerlijk leven en de vele activiteiten en verantwoordelijkheden van het ambt een antwoord vinden. Die eis is zeer dringend in een sociaal-culturele en kerkelijke context die sterk gekenmerkt wordt door ingewikkeldheid, onsamenhangendheid en versnippering. Alleen de concentratie van alle ogenblikken en van alle gebaren rondom de fundamentele en karakteristieke keuze van "het geven van zijn leven voor de kudde" kan deze vitale eenheid waarborgen, welke onmisbaar is voor de harmonie en het geestelijk evenwicht van de priester: "De priesters kunnen die eenheid bereiken", brengt het Concilie ons in herinnering, "wanneer zij in de vervulling van hun ambt het voorbeeld volgen van Christus, de Heer, wiens spijs het was de wil te volbrengen van Hem die Hem gezonden heeft om zijn werk te volbrengen (...). Door zo de rol van de goede Herder te vervullen, zullen zij in de beoefening van de pastorale liefde zelf de band van de priesterlijke volmaaktheid vinden die hun leven en activiteit tot eenheid brengt". Presbyterorum Ordinis, 14[[704|14]]
Referenties naar alinea 23: 3
Instructie over criteria ter onderscheiding van roepingen met betrekking tot personen met homoseksuele neigingen aangaande hun toelating tot het seminarie en de Heilige Wijdingen ->=geentekst=Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Naar een fundamentele theologie over het priesterschap ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 3 Het geestelijk leven in de uitoefening van de bediening
24
De Geest des Heren heeft Christus gewijd en gezonden om de Blijde Boodschap te verkondigen (Lc. 4, 18)[[b:Lc. 4, 18]]. De zending is niet een uiterlijk element dat naast de wijding staat, maar het vormt hiervan de innerlijke en vitale bestemming: de wijding is voor de zending. Zo staat niet alleen de wijding maar ook de zending in het teken van de Geest, onder zijn heiligmakende invloed.
Zo was het bij Jezus. Zo was het bij de apostelen en hun opvolgers. Zo is het bij heel de Kerk en bij de priesters in de Kerk. Allen ontvangen de Geest als gave en oproep tot heiliging in en door het vervullen van de zending. Evangelii Nuntiandi, 75[[519|75]]
Er bestaat dus een innige band tussen het geestelijk leven van de priester en de uitoefening van zijn ambt, vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (8)[[[2521|(8)]]] wat het Concilie als volgt uitdrukt: De priesters "worden dus in de uitoefening van het dienstwerk van de Geest en van de gerechtigheid bevestigd in het leven naar de geest, mits zij openstaan voor de Geest van Christus, die hen bezielt en leidt. Want door de heilige handelingen van elke dag, zoals ook door heel het dienstwerk dat zij in gemeenschap met de bisschop en de ander priesters uitoefenen, worden zijzelf gericht op volmaaktheid van leven. Die heiligheid van de priesters draagt echter op zijn beurt zeer veel bij tot een vruchtbare uitoefening van het ambt". Presbyterorum Ordinis, 12[[704|12]]
"Leef overeenkomstig het mysterie dat u in handen is gelegd!". Dat is uitnodiging, de vermaning, die de Kerk tot de priester richt in de rite van de wijding, als hem de gaven van het heilige volk aangereikt worden voor het eucharistische offer. Het "mysterie" waarvan de priester "beheerder" is ( 1 Kor. 4, 1)[[b: 1 Kor. 4, 1]], is uiteindelijk Jezus Christus zelf, die in de Geest bron van heiligheid en oproep tot heiligheid is. Het "mysterie" vraagt om opgenomen te worden in het leven van de priester. Daarom eist het grote waakzaamheid en levendig bewustzijn. De rite van de wijding laat de vermelde woorden voorafgaan door de volgende aanbeveling "Wees u bewust van wat ge zult doen". Paulus waarschuwde reeds bisschop Timoteus: "Verwaarloos de genadegave niet die in u is" (1 Tim. 4, 14)[b:1 Tim. 4, 14] (2 Tim. 1, 6)[[b:2 Tim. 1, 6]].
Het verband tussen het geestelijk leven en de uitoefening van het priesterambt kan ook verklaard worden vanuit de herderlijke liefde, die door het sacrament van de wijding geschonken wordt. Juist omdat de bediening van de priester deelname is aan het heilswerk van Jezus Christus, Hoofd en Herder, moet zij diens herderlijke liefde, welke tegelijk de bron en de ziel van zijn dienst en zelfgave is, opnieuw uitdrukken en doen herleven. In zijn objectieve werkelijkheid is het priesterambt "amoris officium" volgens de reeds geciteerde uitdrukking van de heilige Augustinus. Juist deze objectieve realiteit is het fundament en de oproep voor een overeenkomstig ethos, dat het ethos moet zijn van een leven in liefde, zoals sint Augustinus opmerkt: "Sit amoris officium pascere dominicum gregem". 123, 5: CCL, 36, 678[[859]] Het ethos, en dus het geestelijk leven, is niets anders dan het aannemen van de "waarheid" van het priesterambt als amoris officium in het geweten en de vrijheid en derhalve in de geest en het hart, in de bedoelingen en het handelen.
Zo was het bij Jezus. Zo was het bij de apostelen en hun opvolgers. Zo is het bij heel de Kerk en bij de priesters in de Kerk. Allen ontvangen de Geest als gave en oproep tot heiliging in en door het vervullen van de zending. Evangelii Nuntiandi, 75[[519|75]]
Er bestaat dus een innige band tussen het geestelijk leven van de priester en de uitoefening van zijn ambt, vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (8)[[[2521|(8)]]] wat het Concilie als volgt uitdrukt: De priesters "worden dus in de uitoefening van het dienstwerk van de Geest en van de gerechtigheid bevestigd in het leven naar de geest, mits zij openstaan voor de Geest van Christus, die hen bezielt en leidt. Want door de heilige handelingen van elke dag, zoals ook door heel het dienstwerk dat zij in gemeenschap met de bisschop en de ander priesters uitoefenen, worden zijzelf gericht op volmaaktheid van leven. Die heiligheid van de priesters draagt echter op zijn beurt zeer veel bij tot een vruchtbare uitoefening van het ambt". Presbyterorum Ordinis, 12[[704|12]]
"Leef overeenkomstig het mysterie dat u in handen is gelegd!". Dat is uitnodiging, de vermaning, die de Kerk tot de priester richt in de rite van de wijding, als hem de gaven van het heilige volk aangereikt worden voor het eucharistische offer. Het "mysterie" waarvan de priester "beheerder" is ( 1 Kor. 4, 1)[[b: 1 Kor. 4, 1]], is uiteindelijk Jezus Christus zelf, die in de Geest bron van heiligheid en oproep tot heiligheid is. Het "mysterie" vraagt om opgenomen te worden in het leven van de priester. Daarom eist het grote waakzaamheid en levendig bewustzijn. De rite van de wijding laat de vermelde woorden voorafgaan door de volgende aanbeveling "Wees u bewust van wat ge zult doen". Paulus waarschuwde reeds bisschop Timoteus: "Verwaarloos de genadegave niet die in u is" (1 Tim. 4, 14)[b:1 Tim. 4, 14] (2 Tim. 1, 6)[[b:2 Tim. 1, 6]].
Het verband tussen het geestelijk leven en de uitoefening van het priesterambt kan ook verklaard worden vanuit de herderlijke liefde, die door het sacrament van de wijding geschonken wordt. Juist omdat de bediening van de priester deelname is aan het heilswerk van Jezus Christus, Hoofd en Herder, moet zij diens herderlijke liefde, welke tegelijk de bron en de ziel van zijn dienst en zelfgave is, opnieuw uitdrukken en doen herleven. In zijn objectieve werkelijkheid is het priesterambt "amoris officium" volgens de reeds geciteerde uitdrukking van de heilige Augustinus. Juist deze objectieve realiteit is het fundament en de oproep voor een overeenkomstig ethos, dat het ethos moet zijn van een leven in liefde, zoals sint Augustinus opmerkt: "Sit amoris officium pascere dominicum gregem". 123, 5: CCL, 36, 678[[859]] Het ethos, en dus het geestelijk leven, is niets anders dan het aannemen van de "waarheid" van het priesterambt als amoris officium in het geweten en de vrijheid en derhalve in de geest en het hart, in de bedoelingen en het handelen.
Referenties naar alinea 24: 1
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
25
Roepingen, geschenk van Gods Liefde ->=geentekst=
Evangelii Gaudium ->=geentekst=
Voor een geestelijk leven dat zich ontplooit door de uitoefening van het ambt, is het wezenlijk dat de priester voortdurend het besef vernieuwt en steeds meer verdiept dat hij dienaar van Jezus Christus is krachtens de sacramentele wijding en de gelijkvormigheid aan Hem, Hoofd en Herder van de Kerk.
Een dergelijk bewustzijn beantwoordt niet alleen aan de ware natuur van de zending die de priester vervult ten behoeve van de Kerk en de mensheid, maar is ook beslissend voor het geestelijk leven van de priester die deze zending vervult. De priester wordt immers niet door Christus gekozen als een "ding", maar als een "persoon". Hij is geen willoos en passief werktuig, maar een "levend instrument", zoals het Concilie het uitdrukt, juist daar waar het spreekt over de plicht om naar de volmaaktheid te streven. vgl: Presbyterorum Ordinis, 12[[[704|12]]] Het Concilie spreekt ook over de priesters als "deelgenoten en medewerkers" van God, die "heilig is en heilig maakt". vgl: Presbyterorum Ordinis, 5[[[704|5]]]
In deze zin is de bewuste, vrije en verantwoordelijke persoon van de priesters diep betrokken in de uitoefening van het ambt. De band met Christus, welke de wijding en de gelijkvormigmaking door het Sacrament van het priesterschap verzekeren, fundeert en eist in de priester een verdere band, welke gegeven wordt door de "bedoeling" ofwel door de bewuste en vrije wil om door middel van het priesterlijk handelen te doen wat de Kerk bedoelt te doen. Zo'n band streeft er door zijn aard naar zo ruim en zo diep mogelijk te worden en de geest, de gevoelens, het leven te omvatten ofwel een reeks zedelijke en geestelijke "gesteltenissen" die in overeenstemming zijn met de ambtelijke handeling die de priester verricht.
Het is zeker waar dat de uitoefening van het priesterambt, vooral de viering van de sacramenten, haar heilbrengende doeltreffendheid ontvangt door het handelen van Jezus Christus zelf, dat in de sacramenten tegenwoordig gesteld wordt. Maar vanwege een goddelijk plan dat de absolute onverschuldigdheid van het heil wil doen uitkomen door van de mens tegelijk een "geredde" en een "redder" te maken -altijd en alleen met Jezus Christus- wordt de doeltreffendheid van het ambt ook geconditioneerd door de grotere of kleinere deelneming en ontvankelijkheid van de mens. vgl: Sessio VI - Decretum de iustificatione, 8-11[[[668|8-11]]] vgl: Sessio VII - Decretum de Sacramentis, 6[[[672|6]]] Vooral de grotere of kleinere heiligheid van de bedienaar beïnvloedt in feite de verkondiging van het woord, de viering van de sacramenten en de leiding van de gemeenschap in liefde. Dat bevestigt het Concilie duidelijk: "Die heiligheid van de priesters draagt (...) zeer veel bij tot een vruchtbare uitoefening van het ambt: ofschoon immers de genade van God het heilswerk ook door onwaardige bedienaren kan vervullen, geeft God er toch de voorkeur aan om normaal gesproken zijn wonderwerken te tonen door hen die, ontvankelijker geworden voor de ingeving en de leiding van de heilige Geest, omwille van hun nauwe band met Christus en de heiligheid van leven met de apostel kunnen zeggen: 'Ikzelf leef niet meer, Christus is die leeft in mij' (Gal. 2, 20)[b:Gal. 2, 20]." Presbyterorum Ordinis, 12[[704|12]]
Het besef dienaar te zijn van Jezus Christus, Hoofd en Herder, voert ook tot het dankbare en blijde bewustzijn van een buitengewone genade welke ontvangen is van Jezus Christus; de genade door de Heer om niet uitgekozen te zijn als "levend instrument" voor het heilswerk. Deze uitverkiezing getuigt van de liefde van Jezus Christus voor de priester. Juist deze liefde eist, zoals iedere andere liefde, en nog meer, dat men eraan beantwoordt. Na de verrijzenis stelt Jezus aan Petrus de fundamentele vraag over de liefde: "Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij meer lief dan dezen?" En op het antwoord van Petrus volgt het toevertrouwen van de zending: "Weid mijn lammeren" (Joh. 21, 15)[b:Joh. 21, 15]. Jezus vraagt aan Petrus of deze Hem bemint alvorens hem zijn kudde toe te vertrouwen en om hem zijn te kunnen toevertrouwen. Maar in feite is het de vrije en voorkomende liefde van Jezus zelf die aan de oorsprong staat van de vraag aan de apostel en van het toevertrouwen van "zijn" schapen aan hem. Zo spoort ieder priesterlijk gebaar, dat voert tot het beminnen en dienen van de Kerk, aan om steeds meer te groeien in de liefde en de dienst voor Jezus Christus, Hoofd, Herder en Bruidegom van de Kerk, een liefde die altijd de gestalte heeft van een antwoord op de voorkomende, vrije en onverschuldigde liefde van God in Christus. De groei van de liefde van God in Christus bepaalt op zijn beurt de groei van de liefde voor de Kerk: "Wij weiden u (pascimus vobis), met u worden wij geweid (pascimur vobiscum). De Heer geeft ons de kracht om u zozeer te beminnen dat wij voor u kunnen sterven, metterdaad of met het hart (aut effectu aut affectu)". Sermo de Nat. Sanct. Apost. Petri et Pauli ex Evangelio in quo ait: Simon Iohannis diligis me: Bibliotheca Cansinensis in ''Miscellania Augustiniana'', vol. I, a cura di G. Morin. Roma, Tip. Poligl. Vat., 1930, 404.[[880]]
Een dergelijk bewustzijn beantwoordt niet alleen aan de ware natuur van de zending die de priester vervult ten behoeve van de Kerk en de mensheid, maar is ook beslissend voor het geestelijk leven van de priester die deze zending vervult. De priester wordt immers niet door Christus gekozen als een "ding", maar als een "persoon". Hij is geen willoos en passief werktuig, maar een "levend instrument", zoals het Concilie het uitdrukt, juist daar waar het spreekt over de plicht om naar de volmaaktheid te streven. vgl: Presbyterorum Ordinis, 12[[[704|12]]] Het Concilie spreekt ook over de priesters als "deelgenoten en medewerkers" van God, die "heilig is en heilig maakt". vgl: Presbyterorum Ordinis, 5[[[704|5]]]
In deze zin is de bewuste, vrije en verantwoordelijke persoon van de priesters diep betrokken in de uitoefening van het ambt. De band met Christus, welke de wijding en de gelijkvormigmaking door het Sacrament van het priesterschap verzekeren, fundeert en eist in de priester een verdere band, welke gegeven wordt door de "bedoeling" ofwel door de bewuste en vrije wil om door middel van het priesterlijk handelen te doen wat de Kerk bedoelt te doen. Zo'n band streeft er door zijn aard naar zo ruim en zo diep mogelijk te worden en de geest, de gevoelens, het leven te omvatten ofwel een reeks zedelijke en geestelijke "gesteltenissen" die in overeenstemming zijn met de ambtelijke handeling die de priester verricht.
Het is zeker waar dat de uitoefening van het priesterambt, vooral de viering van de sacramenten, haar heilbrengende doeltreffendheid ontvangt door het handelen van Jezus Christus zelf, dat in de sacramenten tegenwoordig gesteld wordt. Maar vanwege een goddelijk plan dat de absolute onverschuldigdheid van het heil wil doen uitkomen door van de mens tegelijk een "geredde" en een "redder" te maken -altijd en alleen met Jezus Christus- wordt de doeltreffendheid van het ambt ook geconditioneerd door de grotere of kleinere deelneming en ontvankelijkheid van de mens. vgl: Sessio VI - Decretum de iustificatione, 8-11[[[668|8-11]]] vgl: Sessio VII - Decretum de Sacramentis, 6[[[672|6]]] Vooral de grotere of kleinere heiligheid van de bedienaar beïnvloedt in feite de verkondiging van het woord, de viering van de sacramenten en de leiding van de gemeenschap in liefde. Dat bevestigt het Concilie duidelijk: "Die heiligheid van de priesters draagt (...) zeer veel bij tot een vruchtbare uitoefening van het ambt: ofschoon immers de genade van God het heilswerk ook door onwaardige bedienaren kan vervullen, geeft God er toch de voorkeur aan om normaal gesproken zijn wonderwerken te tonen door hen die, ontvankelijker geworden voor de ingeving en de leiding van de heilige Geest, omwille van hun nauwe band met Christus en de heiligheid van leven met de apostel kunnen zeggen: 'Ikzelf leef niet meer, Christus is die leeft in mij' (Gal. 2, 20)[b:Gal. 2, 20]." Presbyterorum Ordinis, 12[[704|12]]
Het besef dienaar te zijn van Jezus Christus, Hoofd en Herder, voert ook tot het dankbare en blijde bewustzijn van een buitengewone genade welke ontvangen is van Jezus Christus; de genade door de Heer om niet uitgekozen te zijn als "levend instrument" voor het heilswerk. Deze uitverkiezing getuigt van de liefde van Jezus Christus voor de priester. Juist deze liefde eist, zoals iedere andere liefde, en nog meer, dat men eraan beantwoordt. Na de verrijzenis stelt Jezus aan Petrus de fundamentele vraag over de liefde: "Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij meer lief dan dezen?" En op het antwoord van Petrus volgt het toevertrouwen van de zending: "Weid mijn lammeren" (Joh. 21, 15)[b:Joh. 21, 15]. Jezus vraagt aan Petrus of deze Hem bemint alvorens hem zijn kudde toe te vertrouwen en om hem zijn te kunnen toevertrouwen. Maar in feite is het de vrije en voorkomende liefde van Jezus zelf die aan de oorsprong staat van de vraag aan de apostel en van het toevertrouwen van "zijn" schapen aan hem. Zo spoort ieder priesterlijk gebaar, dat voert tot het beminnen en dienen van de Kerk, aan om steeds meer te groeien in de liefde en de dienst voor Jezus Christus, Hoofd, Herder en Bruidegom van de Kerk, een liefde die altijd de gestalte heeft van een antwoord op de voorkomende, vrije en onverschuldigde liefde van God in Christus. De groei van de liefde van God in Christus bepaalt op zijn beurt de groei van de liefde voor de Kerk: "Wij weiden u (pascimus vobis), met u worden wij geweid (pascimur vobiscum). De Heer geeft ons de kracht om u zozeer te beminnen dat wij voor u kunnen sterven, metterdaad of met het hart (aut effectu aut affectu)". Sermo de Nat. Sanct. Apost. Petri et Pauli ex Evangelio in quo ait: Simon Iohannis diligis me: Bibliotheca Cansinensis in ''Miscellania Augustiniana'', vol. I, a cura di G. Morin. Roma, Tip. Poligl. Vat., 1930, 404.[[880]]
Referenties naar alinea 25: 3
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Roepingen, geschenk van Gods Liefde ->=geentekst=
Evangelii Gaudium ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
26
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Verbum Domini ->=geentekst=
Evangelii Gaudium ->=geentekst=
Evangelii Gaudium ->=geentekst=
Naar een fundamentele theologie over het priesterschap ->=geentekst=
Dank zij het kostbare onderricht van het Tweede Vaticaans Concilie, vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (4-6,13)[[[2521|(4-6.13)]]] kunnen wij de voorwaarden en eisen, de wijzen en vruchten begrijpen van de innige band tussen het geestelijk leven van de priester en de uitoefening van zijn drievoudig dienstwerk: van het woord, van de sacramenten en van de dienst van de liefde.
De priester is vooral bedienaar van het woord Gods. Hij is gewijd en gezonden om aan allen het Evangelie van het Rijk te verkondigen, iedere mens tot de gehoorzaamheid van het geloof op te roepen en de gelovigen te brengen tot een steeds diepere kennis van en gemeenschap met het mysterie van God, dat aan ons geopenbaard en meegedeeld is in Christus. Hiervoor moet de priester zelf als eerste een grote persoonlijke vertrouwdheid met het woord van God ontwikkelen. Het is voor hem niet voldoende het taalkundige of exegetische aspect daarvan te kennen, wat ook noodzakelijk is. Het is voor hem nodig met een volgzaam en biddend hart tot het woord te naderen, opdat dit tot in de grond van zijn gedachten en gevoelens doordringt en in hem een nieuwe mentaliteit verwekt -"de gedachte van Christus" (1 Kor. 2, 16)[b:1 Kor. 2, 16] - zodat zijn woorden, zijn keuzen en zijn gedragingen steeds meer het Evangelie laten doorschijnen, verkondigen en tonen. Alleen als de priester in het woord "blijft", zal hij een volmaakte leerling van de Heer worden, de waarheid kennen, werkelijk vrij zijn en iedere beïnvloeding die in strijd is met het Evangelie of daaraan vreemd is, overwinnen (Joh. 8, 31-32)[[b:Joh. 8, 31-32]]. De priester moet de eerste zijn om in het woord te geloven, in het volle besef dat de woorden van zijn dienstwerk niet de "zijne" zijn, maar de woorden van Degene die hem gezonden heeft. Hij is niet de meester van deze woorden, maar dienaar. Hij is niet de enige bezitter van het woord dat hij verschuldigd is aan het volk van God. Juist omdat de priester evangeliseert en opdat hij kan evangeliseren, moet hij, zoals de Kerk, groeien in het besef dat hij zelf voortdurend geëvangeliseerd moet worden. vgl: Evangelii Nuntiandi, 15[[[519|15]]] Hij verkondigt het woord in zijn hoedanigheid van "bedienaar", die deelt in het profetische gezag van Christus en van de Kerk. Hiervoor, om in zichzelf de garantie te hebben dat hij het Evangelie in zijn geheel overlevert en om dit aan de gelovigen te waarborgen, is de priester geroepen om een bijzondere gevoeligheid, liefde en bereidwilligheid te cultiveren ten opzichte van de levende traditie van de Kerk en van haar leergezag. Deze staan niet buiten het woord, maar dienen er de juiste interpretatie van en bewaren er de authentieke zin van. vgl: Dei Verbum, 8,10[[[576|8.10]]]
De priester is geroepen om vooral in de viering van de Sacramenten en van de liturgie der getijden de diepe eenheid tussen de uitoefening van zijn ambt en zijn geestelijk leven te beleven en te tonen. De gave van de genade die aan de Kerk wordt gegeven, wordt beginsel van heiligheid en oproep tot heiligheid ook voor de priester. De werkelijk centrale plaats in het dienstwerk zowel als in het geestelijk leven van de priester komt de Eucharistie toe, want daarin "ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk Christus zelf, ons paaslam en het levend brood dat het door zijn Vlees in de heilige Geest tot leven gebrachte en tot leven wekkende leven schenkt aan de mensen. Dezen worden aldus uitgenodigd en ertoe gebracht om zichzelf, hun arbeid en al het geschapene samen met Hem op te dragen". Presbyterorum Ordinis, 5[[704|5]]
Het geestelijk leven van de priester krijgt door de verschillende Sacramenten en speciaal door de specifieke genade die ieder sacrament eigen is, bijzondere kenmerken. Het wordt gestructureerd en gevormd door de veelvuldige kenmerken en eisen van de diverse Sacramenten die hij viert en waaruit hij leeft.
Ik wil een speciaal woord wijden aan het Sacrament van de Boete, waarvan de priesters de bedienaren zijn, maar waarvan zij ook begunstigden moeten zijn, getuigend worden van het medelijden van God voor de zondaars. Ik herhaal wat ik geschreven heb in de exhortatie Reconciliatio et paenitentia[759] "Het geestelijke en pastorale leven van de priester, maar ook dat van de leken en religieuzen die zijn broeders zijn, is afhankelijk van zijn persoonlijk, regelmatig en zorgvuldig gebruik van het Sacrament van de Boete. Zijn viering van de Eucharistie en van de andere Sacramenten, zijn pastorale ijver, zijn omgang met de gelovigen, zijn gemeenschapsband met de medebroeders, zijn samenwerking met de bisschop, zijn gebedsleven, kortom heel zijn priesterlijk leven lijdt onvermijdelijk schade, als hij uit nalatigheid of om een andere reden niet regelmatig, in een oprecht geloof en met godsvrucht het Sacrament van de Boete ontvangt. In de priester die zijn zonden niet meer of slecht belijdt, raken het priester-zijn en het priesterlijk handelen zelf aangetast, en ook de gemeenschap waarover hij herder is zal dat bemerken". Reconciliatio et paenitentia, 31[[759|31]]
Tenslotte is de priester geroepen om het gezag en de dienst van Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk, te belichamen en de kerkgemeenschap te bezielen en te leiden ofwel "het gezin van God als een tot eenheid bezielde broederschap" bijeen te brengen en "door Christus in de Geest naar God de Vader" te voeren. Presbyterorum Ordinis, 6[[704|6]] Dit "munus regendi" is een zeer delicate en ingewikkelde taak, die naast de aandacht voor de afzonderlijke personen en de verschillende roepingen de bekwaamheid insluit om alle gaven en charisma's die de Geest in de gemeenschap opwekt, te coördineren, te verifiëren en te benutten voor de opbouw van de Kerk, steeds in vereniging met de bisschoppen. Het gaat om een taak die van de priester een intens geestelijk leven vraagt, dat rijk is aan de hoedanigheden en deugden welke typisch zijn voor de persoon die een gemeenschap "voorgaat" en "leidt", voor de "oudste" in de meest edele en rijke zin van het woord, te weten trouw, standvastigheid, wijsheid, hartelijkheid voor allen, minzame goedheid, gezagvolle onwankelbaarheid in wezenlijke zaken, vrij-zijn van te subjectieve gezichtspunten, persoonlijke belangeloosheid, geduld, smaak voor de dagelijkse taak, vertrouwen op het verborgen werk van de genade die zich openbaart in de eenvoudigen en in de armen (Tit. 1, 6-8)[[b:Tit. 1, 6-8]].
De priester is vooral bedienaar van het woord Gods. Hij is gewijd en gezonden om aan allen het Evangelie van het Rijk te verkondigen, iedere mens tot de gehoorzaamheid van het geloof op te roepen en de gelovigen te brengen tot een steeds diepere kennis van en gemeenschap met het mysterie van God, dat aan ons geopenbaard en meegedeeld is in Christus. Hiervoor moet de priester zelf als eerste een grote persoonlijke vertrouwdheid met het woord van God ontwikkelen. Het is voor hem niet voldoende het taalkundige of exegetische aspect daarvan te kennen, wat ook noodzakelijk is. Het is voor hem nodig met een volgzaam en biddend hart tot het woord te naderen, opdat dit tot in de grond van zijn gedachten en gevoelens doordringt en in hem een nieuwe mentaliteit verwekt -"de gedachte van Christus" (1 Kor. 2, 16)[b:1 Kor. 2, 16] - zodat zijn woorden, zijn keuzen en zijn gedragingen steeds meer het Evangelie laten doorschijnen, verkondigen en tonen. Alleen als de priester in het woord "blijft", zal hij een volmaakte leerling van de Heer worden, de waarheid kennen, werkelijk vrij zijn en iedere beïnvloeding die in strijd is met het Evangelie of daaraan vreemd is, overwinnen (Joh. 8, 31-32)[[b:Joh. 8, 31-32]]. De priester moet de eerste zijn om in het woord te geloven, in het volle besef dat de woorden van zijn dienstwerk niet de "zijne" zijn, maar de woorden van Degene die hem gezonden heeft. Hij is niet de meester van deze woorden, maar dienaar. Hij is niet de enige bezitter van het woord dat hij verschuldigd is aan het volk van God. Juist omdat de priester evangeliseert en opdat hij kan evangeliseren, moet hij, zoals de Kerk, groeien in het besef dat hij zelf voortdurend geëvangeliseerd moet worden. vgl: Evangelii Nuntiandi, 15[[[519|15]]] Hij verkondigt het woord in zijn hoedanigheid van "bedienaar", die deelt in het profetische gezag van Christus en van de Kerk. Hiervoor, om in zichzelf de garantie te hebben dat hij het Evangelie in zijn geheel overlevert en om dit aan de gelovigen te waarborgen, is de priester geroepen om een bijzondere gevoeligheid, liefde en bereidwilligheid te cultiveren ten opzichte van de levende traditie van de Kerk en van haar leergezag. Deze staan niet buiten het woord, maar dienen er de juiste interpretatie van en bewaren er de authentieke zin van. vgl: Dei Verbum, 8,10[[[576|8.10]]]
De priester is geroepen om vooral in de viering van de Sacramenten en van de liturgie der getijden de diepe eenheid tussen de uitoefening van zijn ambt en zijn geestelijk leven te beleven en te tonen. De gave van de genade die aan de Kerk wordt gegeven, wordt beginsel van heiligheid en oproep tot heiligheid ook voor de priester. De werkelijk centrale plaats in het dienstwerk zowel als in het geestelijk leven van de priester komt de Eucharistie toe, want daarin "ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk Christus zelf, ons paaslam en het levend brood dat het door zijn Vlees in de heilige Geest tot leven gebrachte en tot leven wekkende leven schenkt aan de mensen. Dezen worden aldus uitgenodigd en ertoe gebracht om zichzelf, hun arbeid en al het geschapene samen met Hem op te dragen". Presbyterorum Ordinis, 5[[704|5]]
Het geestelijk leven van de priester krijgt door de verschillende Sacramenten en speciaal door de specifieke genade die ieder sacrament eigen is, bijzondere kenmerken. Het wordt gestructureerd en gevormd door de veelvuldige kenmerken en eisen van de diverse Sacramenten die hij viert en waaruit hij leeft.
Ik wil een speciaal woord wijden aan het Sacrament van de Boete, waarvan de priesters de bedienaren zijn, maar waarvan zij ook begunstigden moeten zijn, getuigend worden van het medelijden van God voor de zondaars. Ik herhaal wat ik geschreven heb in de exhortatie Reconciliatio et paenitentia[759] "Het geestelijke en pastorale leven van de priester, maar ook dat van de leken en religieuzen die zijn broeders zijn, is afhankelijk van zijn persoonlijk, regelmatig en zorgvuldig gebruik van het Sacrament van de Boete. Zijn viering van de Eucharistie en van de andere Sacramenten, zijn pastorale ijver, zijn omgang met de gelovigen, zijn gemeenschapsband met de medebroeders, zijn samenwerking met de bisschop, zijn gebedsleven, kortom heel zijn priesterlijk leven lijdt onvermijdelijk schade, als hij uit nalatigheid of om een andere reden niet regelmatig, in een oprecht geloof en met godsvrucht het Sacrament van de Boete ontvangt. In de priester die zijn zonden niet meer of slecht belijdt, raken het priester-zijn en het priesterlijk handelen zelf aangetast, en ook de gemeenschap waarover hij herder is zal dat bemerken". Reconciliatio et paenitentia, 31[[759|31]]
Tenslotte is de priester geroepen om het gezag en de dienst van Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk, te belichamen en de kerkgemeenschap te bezielen en te leiden ofwel "het gezin van God als een tot eenheid bezielde broederschap" bijeen te brengen en "door Christus in de Geest naar God de Vader" te voeren. Presbyterorum Ordinis, 6[[704|6]] Dit "munus regendi" is een zeer delicate en ingewikkelde taak, die naast de aandacht voor de afzonderlijke personen en de verschillende roepingen de bekwaamheid insluit om alle gaven en charisma's die de Geest in de gemeenschap opwekt, te coördineren, te verifiëren en te benutten voor de opbouw van de Kerk, steeds in vereniging met de bisschoppen. Het gaat om een taak die van de priester een intens geestelijk leven vraagt, dat rijk is aan de hoedanigheden en deugden welke typisch zijn voor de persoon die een gemeenschap "voorgaat" en "leidt", voor de "oudste" in de meest edele en rijke zin van het woord, te weten trouw, standvastigheid, wijsheid, hartelijkheid voor allen, minzame goedheid, gezagvolle onwankelbaarheid in wezenlijke zaken, vrij-zijn van te subjectieve gezichtspunten, persoonlijke belangeloosheid, geduld, smaak voor de dagelijkse taak, vertrouwen op het verborgen werk van de genade die zich openbaart in de eenvoudigen en in de armen (Tit. 1, 6-8)[[b:Tit. 1, 6-8]].
Referenties naar alinea 26: 6
De priester, herder en leidsman van de parochiegemeenschap ->=geentekst=Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Verbum Domini ->=geentekst=
Evangelii Gaudium ->=geentekst=
Evangelii Gaudium ->=geentekst=
Naar een fundamentele theologie over het priesterschap ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 4 Het priesterleven en het evangelisch radicalisme
27
Iuvenescit Ecclesia ->=geentekst=
"De geest des Heren is over mij gekomen" (Lc. 4, 18)[b:Lc. 4, 18]. De heilige Geest die uitgestort wordt door het sacrament van het priesterschap, is bron van heiligheid en oproep tot heiliging, niet alleen omdat Hij de priester gelijkvormig maakt aan Christus, Hoofd en Herder van de Kerk, en hem de profetische, priesterlijke en koninklijke zending toevertrouwt welke hij moet vervullen in de naam en de persoon van Christus, maar ook omdat Hij het dagelijks leven van de priester bezielt, versterkt en verrijkt met gaven en eisen, deugden en impulsen, welke samengevat worden in de herderlijke liefde. Deze liefde is de eenmakende synthese van de evangelische waarden en deugden en tevens de kracht die steun geeft aan de ontwikkeling hiervan tot aan de christelijke volmaaktheid. vgl: Lumen Gentium, 42[[[617|42]]] Voor alle christenen, niemand uitgezonderd, is het evangelisch radicalisme een fundamentele en onmisbare eis, die voortkomt uit de oproep van Christus om Hem te volgen en na te volgen, uit kracht van de innige levensgemeenschap met Hem welke door de Geest bewerkt wordt (Mt. 8, 18; Mt. 10, 37; Mc. 8, 34; Mc. 10, 17-21; Lc. 9, 57)[[b:Mt. 8, 18; Mt. 10, 37; Mc. 8, 34; Mc. 10, 17-21; Lc. 9, 57]]. Deze eis wordt ook aan de priesters gesteld, niet alleen omdat zij "in" de Kerk staan maar ook omdat zij "tegenover" de Kerk staan, in zover zij gelijkvormig gemaakt zijn aan Christus, hoofd en Herder, bekwaam gemaakt en aangeworven zijn voor de gewijde dienst en bezield zijn door de herderlijke liefde. In het evangelisch radicalisme bevindt zich, ook als uiting ervan, een rijke bloei van vele deugden en ethische eisen, welke beslissend zijn voor het herderlijk en geestelijk leven van de priester, zoals bijvoorbeeld het geloof, de nederigheid tegenover het mysterie van God, de barmhartigheid, de prudentie. De bevoorrechte uitingen van het radicalisme zijn de diverse "evangelische reden" die Jezus voorhoudt in de bergrede (Mt. 5-7)[[b:Mt. 5-7]], waaronder de raden van gehoorzaamheid, kuisheid en armoede, welke nauw met elkaar verbonden zijn. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (9)[[[2521|(9)]]] De priester is geroepen om volgens die raden te leven overeenkomstig de vormen en nog meer overeenkomstig de doeleinden en de oorspronkelijke betekenis welke voortvloeien uit de eigen identiteit van de priester en deze uitdrukken.
Referenties naar alinea 27: 2
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Iuvenescit Ecclesia ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
28
Iuvenescit Ecclesia ->=geentekst=
"Onder de deugden die vooral vereist worden voor het priesterambt, moet die levensinstelling worden genoemd waardoor zij altijd bereid zijn om niet hun eigen wil te zoeken, maar de wil van Hem die hen gezonden heeft". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (15)[[2521|(15)]] Dat is de gehoorzaamheid die in het geval van het geestelijk leven van de priester enige bijzondere kenmerken heeft. Zij is vooral een "apostolische" gehoorzaamheid, in deze zin dat zij de Kerk in haar hiërarchische structuur erkent, bemint en dient. Het priesterambt bestaat immers alleen in gemeenschap met de paus en het bisschoppencollege, in het bijzonder met de eigen diocesane bisschop, aan wie "de kinderlijke eerbied en gehoorzaamheid" verschuldigd zijn welke beloofd zijn in de wijdingsritus. Deze "onderwerping" aan degen die met kerkelijk gezag zijn bekleed, heeft niets vernederends, maar vloeit voort uit de verantwoordelijke vrijheid van de priester, die niet alleen de eisen van een organisch en georganiseerd kerkelijk leven aanvaardt, maar ook de genade van onderscheiding en verantwoordelijkheid in de kerkelijke beslissingen welke Jezus gewaarborgd heeft aan zijn apostelen en hun opvolgers, opdat het mysterie van de Kerk trouw bewaard blijft en het geheel van de christelijke gemeenschap gediend wordt op zijn allen verenigde weg naar het heil.
De authentieke, op de juiste wijze gemotiveerde en zonder slaafsheid beleefde christelijke gehoorzaamheid helpt de priester om met evangelische duidelijkheid het gezag uit te oefenen dat hem is toevertrouwd ten opzichte van het volk van God, zonder autoritarisme en zonder demagogische keuzen. Alleen wie aan Christus weet te gehoorzamen weet hoe men van anderen volgens het Evangelie de gehoorzaamheid vraagt.
De priesterlijke gehoorzaamheid vertoont bovendien een eis van "gemeenschap". Zij is niet de gehoorzaamheid van een enkeling die een individuele band met de overheid heeft, maar zij is diep ingepast in de eenheid van het priestercollege, dat als zodanig geroepen is om in eendrachtige samenwerking met de bisschop en door deze met de opvolger van Petrus te leven. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (17)[[2521|(17)]]
Dit aspect van de gehoorzaamheid van de priester vraagt om een bijzondere ascese, zowel in de zin van gewend zijn zich niet te veel aan eigen voorkeur of aan de eigen gezichtspunten te binden als in de zin van het geven van ruimte aan de medebroeders, opdat dezen hun talenten en bekwaamheden kunnen benutten, zonder jaloersheid, afgunst en rivaliteit. De gehoorzaamheid van de priester is een solidaire gehoorzaamheid, welke uitgaat van het feit dat hij deel uitmaakt van de ene priesterschap en altijd daarin en daarmee in gezamenlijke verantwoordelijkheid oriënteringen en keuzen uitdrukt.
Tenslotte heeft de priesterlijke gehoorzaamheid een bijzonder "pastoraal" karakter. Zij wordt beoefend in een klimaat van voortdurende bereidheid om zich in beslag te laten nemen, als het ware te laten "opslokken", door de noden en de eisen van de kudde. Deze moeten redelijk zijn en soms moeten zij geselecteerd en geverifieerd worden. Maar men kan niet ontkennen dat het leven van de priester volledig "bezet" is door de honger naar het Evangelie, naar het geloof, naar de hoop en naar de liefde voor God en zijn mysterie, die op min of meer bewuste wijze aanwezig is in het volk van God dat aan hem is toevertrouwd.
De authentieke, op de juiste wijze gemotiveerde en zonder slaafsheid beleefde christelijke gehoorzaamheid helpt de priester om met evangelische duidelijkheid het gezag uit te oefenen dat hem is toevertrouwd ten opzichte van het volk van God, zonder autoritarisme en zonder demagogische keuzen. Alleen wie aan Christus weet te gehoorzamen weet hoe men van anderen volgens het Evangelie de gehoorzaamheid vraagt.
De priesterlijke gehoorzaamheid vertoont bovendien een eis van "gemeenschap". Zij is niet de gehoorzaamheid van een enkeling die een individuele band met de overheid heeft, maar zij is diep ingepast in de eenheid van het priestercollege, dat als zodanig geroepen is om in eendrachtige samenwerking met de bisschop en door deze met de opvolger van Petrus te leven. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (17)[[2521|(17)]]
Dit aspect van de gehoorzaamheid van de priester vraagt om een bijzondere ascese, zowel in de zin van gewend zijn zich niet te veel aan eigen voorkeur of aan de eigen gezichtspunten te binden als in de zin van het geven van ruimte aan de medebroeders, opdat dezen hun talenten en bekwaamheden kunnen benutten, zonder jaloersheid, afgunst en rivaliteit. De gehoorzaamheid van de priester is een solidaire gehoorzaamheid, welke uitgaat van het feit dat hij deel uitmaakt van de ene priesterschap en altijd daarin en daarmee in gezamenlijke verantwoordelijkheid oriënteringen en keuzen uitdrukt.
Tenslotte heeft de priesterlijke gehoorzaamheid een bijzonder "pastoraal" karakter. Zij wordt beoefend in een klimaat van voortdurende bereidheid om zich in beslag te laten nemen, als het ware te laten "opslokken", door de noden en de eisen van de kudde. Deze moeten redelijk zijn en soms moeten zij geselecteerd en geverifieerd worden. Maar men kan niet ontkennen dat het leven van de priester volledig "bezet" is door de honger naar het Evangelie, naar het geloof, naar de hoop en naar de liefde voor God en zijn mysterie, die op min of meer bewuste wijze aanwezig is in het volk van God dat aan hem is toevertrouwd.
Referenties naar alinea 28: 2
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Iuvenescit Ecclesia ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
29
Iuvenescit Ecclesia ->=geentekst=
Slotdocument van de Bisschoppensynode over de Pan-Amazone Regio (t.m. nr 53 + 86-120) ->=geentekst=
Onder de evangelische raden, schrijft het Concilie, "staat op de eerste plaats de kostbare gave van de genade van God die de Vader aan sommigen schenkt (Mt. 19, 11; 1 Kor. 7, 7)[[b:Mt. 19, 11; 1 Kor. 7, 7]] om zich in de maagdelijkheid of ongehuwde staat gemakkelijker met een onverdeeld hart (1 Kor. 7, 32-34)[[b:1 Kor. 7, 32-34]] aan God alleen toe te wijden. Deze volmaakte onthouding omwille van het rijk der hemelen werd in de Kerk altijd in hoge ere gehouden, als een teken en prikkel van de liefde en als een bijzonder rijke bron van geestelijke vruchtbaarheid in de wereld". Lumen Gentium, 42[[617|42]] De kuisheid behoudt in de maagdelijkheid en in het celibaat haar oorspronkelijke betekenis van een menselijk seksualiteit die beleefd wordt als een waarachtige uiting van een kostbare dienst aan de liefde van gemeenschap en gave tussen personen. Deze betekenis blijft ten volle bestaan in de maagdelijkheid, welke ook als ziet zij af van het huwelijk, toch de "bruidszin" van het lichaam verwezenlijkt door middel van een gemeenschap met een persoonlijke gave aan Jezus Christus en aan zijn Kerk, die de volmaakte en definitieve gemeenschap en gave in het hiernamaals voorafbeelden en daarop vooruitlopen: "In de maagdelijkheid is de mens in afwachting, ook lichamelijk, van de eschatologische bruiloft van Christus met de Kerk en schenkt hij zich geheel en al aan de Kerk, in de hoop dat Christus zich aan haar zal schenken in de volle werkelijkheid van het eeuwig leven". Familiaris Consortio, 16[[267|16]] In dit licht kan men gemakkelijker de motieven begrijpen en waarderen van de eeuwenlange keuze die de Kerk in het westen gedaan heeft en die zij gehandhaafd heeft ondanks alle moeilijkheden en de tegenwerpingen welke in de loop der eeuwen opgeworpen zijn, de keuze namelijk om het priesterschap alleen te verlenen aan mannen die blijk geven door God geroepen te zijn tot de gave van de kuisheid in het volstrekte en blijvende celibaat.
De Synodevaders hebben duidelijk en krachtig hun gedachte uitgedrukt in een belangrijke positieve die verdient geheel en letterlijk weergegeven te worden: "Met behoud van de tucht van de oosterse kerken brengt de synode, in de overtuiging dat de volmaakte kuisheid in het priesterlijk celibaat een charisma is, aan de priesters in herinnering dat zij een onschatbaar geschenk van God aan de Kerk vormt en profetische waarde voor de huidige wereld vertegenwoordigt. Deze synode bevestigt opnieuw met kracht wat de Latijnse Kerk en sommige oosterse riten eisen, namelijk dat het priesterschap alleen verleend wordt aan mannen die van God de gave van de roeping tot de celibataire kuisheid ontvangen hebben Onverminderd de traditie van sommige Oosterse kerken en de bijzondere gevallen van gehuwde geestelijken die voortvloeien uit bekering tot het katholicisme en waarvoor een uitzondering gemaakt wordt in de encycliek van Paulus VI over het priestercelibaat[[231|(42)]]. De synode wil in de geest van wie ook geen enkele twijfel laten bestaan over de vaste wil van de Kerk om de wet te handhaven die het vrijgekozen en blijvende celibaat eist van de kandidaten voor de priesterwijding in de Latijnse ritus. De synode vraagt dat het celibaat voorgehouden en verklaard wordt in zijn volle Bijbelse, theologische en geestelijke rijkdom, als kostbare gave die God aan zijn Kerk schenkt en als teken van het Rijk dat niet van deze wereld is, teken van liefde van God voor deze wereld alsmede van de onverdeelde liefde van de priester voor God en voor het volk van God, zodat het celibaat gezien wordt als positieve verrijking van de priester". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (11)[[2521|(11)]]
Het is zeer belangrijk dat de priester de theologische motivering van de kerkelijke wet van het celibaat begrijpt. Als wet drukt zij de wil van de Kerk uit, nog voor de wil van het subject, welke uitgedrukt wordt door zijn beschikbaarheid. Maar de wil van de Kerk vindt zijn uiteindelijke motivering in de band die het celibaat heeft met de heilige wijding, welke de priester gelijkvormig maakt aan Jezus Christus, Hoofd en Bruidegom van de Kerk. Als Bruid van Jezus Christus wil de Kerk door de priester bemind worden op de totale en exclusieve wijze waarop Jezus Christus, Hoofd en Bruidegom, haar bemind heeft. Het priesterlijk celibaat is dus de gave van zichzelf in en met Christus aan de Kerk en drukt de dienst uit van de priester aan de Kerk in en met de Heer.
Voor een adequaat geestelijk leven van de priester is het nodig dat het celibaat niet beschouwd en beleefd wordt als een geïsoleerd of louter negatief element maar als een aspect van een positieve, specifieke en karakteristieke oriëntering van de priester. Deze verlaat zijn vader en moeder en volgt Jezus, de goede Herder, in een apostolische gemeenschap, ten dienste van het volk Gods. Het celibaat moet dus aanvaard worden met een vrije en liederlijke beslissing, welke steeds hernieuwd moet worden, als onschatbare gave van God, als "stimulans voor de herderlijke liefde", Presbyterorum Ordinis, 16[[704|16]] als bijzondere deelname aan het vaderschap van God en aan de vruchtbaarheid van de Kerk, als getuigenis van het eschatologische Rijk aan de wereld. Om te leven volgens alle morele, pastorale en geestelijke eisen van het priesterlijk celibaat is het nederige en vertrouwvolle gebed absoluut noodzakelijk, zoals het Concilie opmerkt: "Hoe meer (...) de volkomen onthouding in de wereld van vandaag door niet weinig mensen voor onmogelijk wordt gehouden, des te nederiger en volhardender zullen de priesters de genade van trouw, die aan hen die erom vragen nooit is geweigerd, samen met de Kerk afsmeken, daarbij; tevens alle natuurlijke en bovennatuurlijke middelen gebruikend die iedereen ten dienste staan". Presbyterorum Ordinis, 16[[704|16]] Samen met de Sacramenten van de Kerk en met de beoefening van de ascese zal het gebed ook hoop instorten bij moeilijkheden, vergeving bij tekortkomingen, vertrouwen en moed bij het vervolgen van de tocht.
De Synodevaders hebben duidelijk en krachtig hun gedachte uitgedrukt in een belangrijke positieve die verdient geheel en letterlijk weergegeven te worden: "Met behoud van de tucht van de oosterse kerken brengt de synode, in de overtuiging dat de volmaakte kuisheid in het priesterlijk celibaat een charisma is, aan de priesters in herinnering dat zij een onschatbaar geschenk van God aan de Kerk vormt en profetische waarde voor de huidige wereld vertegenwoordigt. Deze synode bevestigt opnieuw met kracht wat de Latijnse Kerk en sommige oosterse riten eisen, namelijk dat het priesterschap alleen verleend wordt aan mannen die van God de gave van de roeping tot de celibataire kuisheid ontvangen hebben Onverminderd de traditie van sommige Oosterse kerken en de bijzondere gevallen van gehuwde geestelijken die voortvloeien uit bekering tot het katholicisme en waarvoor een uitzondering gemaakt wordt in de encycliek van Paulus VI over het priestercelibaat[[231|(42)]]. De synode wil in de geest van wie ook geen enkele twijfel laten bestaan over de vaste wil van de Kerk om de wet te handhaven die het vrijgekozen en blijvende celibaat eist van de kandidaten voor de priesterwijding in de Latijnse ritus. De synode vraagt dat het celibaat voorgehouden en verklaard wordt in zijn volle Bijbelse, theologische en geestelijke rijkdom, als kostbare gave die God aan zijn Kerk schenkt en als teken van het Rijk dat niet van deze wereld is, teken van liefde van God voor deze wereld alsmede van de onverdeelde liefde van de priester voor God en voor het volk van God, zodat het celibaat gezien wordt als positieve verrijking van de priester". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (11)[[2521|(11)]]
Het is zeer belangrijk dat de priester de theologische motivering van de kerkelijke wet van het celibaat begrijpt. Als wet drukt zij de wil van de Kerk uit, nog voor de wil van het subject, welke uitgedrukt wordt door zijn beschikbaarheid. Maar de wil van de Kerk vindt zijn uiteindelijke motivering in de band die het celibaat heeft met de heilige wijding, welke de priester gelijkvormig maakt aan Jezus Christus, Hoofd en Bruidegom van de Kerk. Als Bruid van Jezus Christus wil de Kerk door de priester bemind worden op de totale en exclusieve wijze waarop Jezus Christus, Hoofd en Bruidegom, haar bemind heeft. Het priesterlijk celibaat is dus de gave van zichzelf in en met Christus aan de Kerk en drukt de dienst uit van de priester aan de Kerk in en met de Heer.
Voor een adequaat geestelijk leven van de priester is het nodig dat het celibaat niet beschouwd en beleefd wordt als een geïsoleerd of louter negatief element maar als een aspect van een positieve, specifieke en karakteristieke oriëntering van de priester. Deze verlaat zijn vader en moeder en volgt Jezus, de goede Herder, in een apostolische gemeenschap, ten dienste van het volk Gods. Het celibaat moet dus aanvaard worden met een vrije en liederlijke beslissing, welke steeds hernieuwd moet worden, als onschatbare gave van God, als "stimulans voor de herderlijke liefde", Presbyterorum Ordinis, 16[[704|16]] als bijzondere deelname aan het vaderschap van God en aan de vruchtbaarheid van de Kerk, als getuigenis van het eschatologische Rijk aan de wereld. Om te leven volgens alle morele, pastorale en geestelijke eisen van het priesterlijk celibaat is het nederige en vertrouwvolle gebed absoluut noodzakelijk, zoals het Concilie opmerkt: "Hoe meer (...) de volkomen onthouding in de wereld van vandaag door niet weinig mensen voor onmogelijk wordt gehouden, des te nederiger en volhardender zullen de priesters de genade van trouw, die aan hen die erom vragen nooit is geweigerd, samen met de Kerk afsmeken, daarbij; tevens alle natuurlijke en bovennatuurlijke middelen gebruikend die iedereen ten dienste staan". Presbyterorum Ordinis, 16[[704|16]] Samen met de Sacramenten van de Kerk en met de beoefening van de ascese zal het gebed ook hoop instorten bij moeilijkheden, vergeving bij tekortkomingen, vertrouwen en moed bij het vervolgen van de tocht.
Referenties naar alinea 29: 3
Aan de Katholieke Kerk in de Volksrepubliek China ->=geentekst=Iuvenescit Ecclesia ->=geentekst=
Slotdocument van de Bisschoppensynode over de Pan-Amazone Regio (t.m. nr 53 + 86-120) ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
30
De Synodevaders hebben een uiterst beknopte en grondige beschrijving gegeven van de evangelische armoede, welke zij voorgesteld hebben "als de onderschikking van alle goederen aan het hoogste Goed, dat God is en zijn Rijk". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (8)[[2521|(8)]] In feite kan alleen degene die het mysterie van God als enig en hoogste goed, als ware en definitieve Rijkdom, beschouwt en daaruit leeft, de armoede begrijpen en in praktijk brengen. Zij verwacht en verwerpt zeker niet de materiële goederen, maar gebruikt ze dankbaar en van harte en doet er tegelijk blij afstand van, met grote innerlijke vrijheid, met het oog op God en zijn plannen. De armoede van de priester bezit krachtens de sacramentele gelijkvormigheid aan Christus, Hoofd en Herder, precieze "pastorale" kenmerken, waarbij de Synodevaders, die het onderricht van het Concilie hernomen en ontwikkeld hebben, Presbyterorum Ordinis, 17[[704|17]] stil zijn blijven staan. Zij schrijven o.a.: "Naar het voorbeeld van Christus die uit liefde voor ons arm is geworden terwijl Hij rijk was (2 Kor. 8, 9)[[b:2 Kor. 8, 9]], moeten de priesters de armen en de zwaksten beschouwen als op speciale wijze aan hen toevertrouwd. Zij moeten in staat zijn om van de armoede te getuigen door een eenvoudig en streng leven, reeds gewend aan de edelmoedige afstand van overbodige zaken" Optatam Totius Ecclesiae, 9[[675|9]] Codex Iuris Canonici, 282[[30|282]] Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (10)[[2521|(10)]] Optatam Totius Ecclesiae, 9[[675|9]] Codex Iuris Canonici, 282[[30|282]] Het is waar dat "de arbeider zijn loon waard is" (Lc. 10, 7)[b:Lc. 10, 7] en dat "de Heer voor de verkondigers van het Evangelie bepaald heeft, dat zij van het Evangelie moeten leven" (1 Kor. 9, 14)[b:1 Kor. 9, 14]. Maar het is evenzeer waar dat dit recht van de apostel volstrekt niet verward mag worden met een voorwendsel om de dienst van het Evangelie en van de Kerk te plooien naar de voordelen en belangen die eruit kunnen voortvloeien. Alleen de armoede verzekert aan de priester de bereidheid om zich daarheen te laten zenden waar zijn werk nuttiger en dringender is, ook met persoonlijke offers. Zij is voorwaarde en onmisbare vooronderstelling voor de volgzaamheid van de apostel aan de Geest, welke hem bereid maakt om te "gaan", zonder ballast en banden, en alleen de wil van de Meester te vervolgen (Lc. 9, 57-62; Mc. 10, 17-22)[[b:Lc. 9, 57-62; Mc. 10, 17-22]].
De priester, die persoonlijk opgenomen is in het keven van de gemeenschap en er verantwoordelijk voor is, moet ook getuigen van een volledige "doorzichtigheid" in het beheer van de goederen van de gemeenschap zelf, waarmee hij nooit zal handelen alsof zij zijn eigen vermogen waren, maar als iets waarvan hij rekenschap moet afleggen aan God en aan de broeders, vooral aan de armen. Verder zal het besef tot een enig priesterschap te horen de priester aansporen zich in te spannen om zowel een meer rechtvaardige verdeling van de goederen onder de broeders te bevorderen als een zeker gemeenschappelijk gebruik van de goederen (Hand. 2, 42-47)[[b:Hand. 2, 42-47]].
De innerlijke vrijheid die door de evangelische armoede beschermd en gevoed wordt, maakt de priester geschikt om naast de zwaksten te staan, om solidair te zijn met hun inspanningen voor de vestiging van een meer rechtvaardige maatschappij, om gevoeliger en meer bekwaam te worden voor het begrijpen en het onderscheiden van verschijnselen die het sociale en economische aspect van het leven betreffen, om de voorkeur voor de armen te bevorderen. Deze voorkeur weet zich, zonder iemand uit te sluiten van de verkondiging en de gave van het heil, te buigen over de geringen, de zondaars, de gemarginaliseerden van iedere soort, volgens het voorbeeld dat Jezus gegeven heeft in de vervulling van zijn profetische en priesterlijk dienstwerk (Lc. 4, 18)[[b:Lc. 4, 18]].
Ook de profetische betekenis van de priesterlijke armoede mag niet vergeten worden, welke bijzonder dringend is in een maatschappij van overvloed en consumptie. "De priester die echt arm is, is zeker een concreet teken van scheiding, afstand en onafhankelijkheid van de tirannie van de wereld van deze tijd, die al haar vertrouwen stelt op geld en materiële zekerheid". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (10)[[2521|(10)]]
Jezus Christus, die zijn herderlijke liefde aan het kruis tot volmaaktheid brengt door een volslagen uiterlijke en innerlijke ontlediging, is het model en de bron van de deugden van gehoorzaamheid, kuisheid en armoede, welke de priester geroepen is te beoefenen als uitdrukking van zijn herderlijke liefde voor de broeders. De priester moet, overeenkomstig wat Paulus schrijft aan de christenen van Filippi, de "gezindheid" hebben welke Christus bezielde, en zich ontdoen van zijn eigen "ik" om in de gehoorzame, kuise en arme liefde de heerbaan te vinden van de vereniging met God en van de eenheid met de broeders (Fil. 2, 5)[[b:Fil. 2, 5]].
De priester, die persoonlijk opgenomen is in het keven van de gemeenschap en er verantwoordelijk voor is, moet ook getuigen van een volledige "doorzichtigheid" in het beheer van de goederen van de gemeenschap zelf, waarmee hij nooit zal handelen alsof zij zijn eigen vermogen waren, maar als iets waarvan hij rekenschap moet afleggen aan God en aan de broeders, vooral aan de armen. Verder zal het besef tot een enig priesterschap te horen de priester aansporen zich in te spannen om zowel een meer rechtvaardige verdeling van de goederen onder de broeders te bevorderen als een zeker gemeenschappelijk gebruik van de goederen (Hand. 2, 42-47)[[b:Hand. 2, 42-47]].
De innerlijke vrijheid die door de evangelische armoede beschermd en gevoed wordt, maakt de priester geschikt om naast de zwaksten te staan, om solidair te zijn met hun inspanningen voor de vestiging van een meer rechtvaardige maatschappij, om gevoeliger en meer bekwaam te worden voor het begrijpen en het onderscheiden van verschijnselen die het sociale en economische aspect van het leven betreffen, om de voorkeur voor de armen te bevorderen. Deze voorkeur weet zich, zonder iemand uit te sluiten van de verkondiging en de gave van het heil, te buigen over de geringen, de zondaars, de gemarginaliseerden van iedere soort, volgens het voorbeeld dat Jezus gegeven heeft in de vervulling van zijn profetische en priesterlijk dienstwerk (Lc. 4, 18)[[b:Lc. 4, 18]].
Ook de profetische betekenis van de priesterlijke armoede mag niet vergeten worden, welke bijzonder dringend is in een maatschappij van overvloed en consumptie. "De priester die echt arm is, is zeker een concreet teken van scheiding, afstand en onafhankelijkheid van de tirannie van de wereld van deze tijd, die al haar vertrouwen stelt op geld en materiële zekerheid". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (10)[[2521|(10)]]
Jezus Christus, die zijn herderlijke liefde aan het kruis tot volmaaktheid brengt door een volslagen uiterlijke en innerlijke ontlediging, is het model en de bron van de deugden van gehoorzaamheid, kuisheid en armoede, welke de priester geroepen is te beoefenen als uitdrukking van zijn herderlijke liefde voor de broeders. De priester moet, overeenkomstig wat Paulus schrijft aan de christenen van Filippi, de "gezindheid" hebben welke Christus bezielde, en zich ontdoen van zijn eigen "ik" om in de gehoorzame, kuise en arme liefde de heerbaan te vinden van de vereniging met God en van de eenheid met de broeders (Fil. 2, 5)[[b:Fil. 2, 5]].
Referenties naar alinea 30: 1
Iuvenescit Ecclesia ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 5 Het toebehoren en de toewijding aan een particuliere Kerk
31
Zoals iedere authentiek christelijk geestelijk leven, bezit ook het geestelijk leven van de priester een wezenlijke en onmisbare kerkelijke dimensie. Het is deelname aan de heiligheid van de Kerk zelf, waarvan wij in het Credo belijden dat zij de "gemeenschap van de heiligen" is. De heiligheid van de christen komt voort uit die van de Kerk, drukt deze uit en verrijkt haar tegelijk. De kerkelijke dimensie heeft bijzondere vormen, doeleinden en betekenissen in het geestelijk leven van de priester krachtens zijn specifieke betrekking met de kerk, steeds vanuit zijn gelijkvormigheid aan Christus, Hoofd en Herder, zijn gewijde ambt en zijn herderlijke liefde. In dit perspectief moet men het toebehoren en de toewijding aan een particuliere Kerk zien als een geestelijke waarde van de priester. Zij worden niet alleen gemotiveerd door organisatorische en disciplinaire redenen. Integendeel, de verhouding met de bisschop in het ene priestercollege, het delen van zijn kerkelijke zorgen, de toewijding aan de evangelische zorg voor het volk van God in de concrete historische en plaatselijke omstandigheden van de particuliere Kerk, zijn elementen die men niet buiten beschouwing kan laten bij het schetsen van de eigen gestalte van de priester en van zijn geestelijk leven. In deze zin blijft de "incardinatie" niet beperkt tot een zuiver juridische band, maar brengt zij ook een reeks houdingen en geestelijke en pastorale keuzen me die ertoe bijdragen een specifieke fysionomie te geven aan de gestalte van de priester als geroepene.
Het is noodzakelijk dat de priester beseft dat zijn "staan in een particuliere Kerk" uiteraard een element vormt dat een christelijk geestelijk leven kwalificeert. De priester vindt juist in zijn toebehoren en toewijding aan de particuliere Kerk een bron van betekenissen en van criteria voor onderscheiding en actie die gestalte geven zowel aan zijn herderlijk zending als aan zijn geestelijk leven.
Tot de weg van de volmaaktheid kunnen ook andere spiritualiteiten of banden met andere tradities van geestelijk leven bijdragen, welke het leven van de afzonderlijke priesters kunnen verrijken en de priesterschap bezielen met kostbare geestelijke gaven. Dat is het geval bij vele oudere en nieuwe kerkelijke groeperingen die ook priesters in hun midden opnemen: vanaf de genootschappen van apostolisch leven tot aan de seculiere priesterinstituten, vanaf de verschillende vormen van gemeenschap en geestelijk deelgenootschap tot aan de kerkelijke bewegingen. De priesters die tot kloosterorden en congregaties behoren zijn een geestelijke rijkdom voor heel de diocesane priesterschap waaraan zij de bijdrage bieden van specifieke charisma's en gekwalificeerde diensten, terwijl zij door hun aanwezigheid de particuliere Kerk stimuleren om haar universele openheid meer intens te beleven. vgl: Mutuae relationes, (18)[[[1230|(18)]]]
Het toebehoren en de toewijding van de priester aan de particuliere Kerk tot aan de gave van het leven voor de opbouw van de Kerk "in de persoon" van Christus, Hoofd en Herder, ten dienste van de gehele christelijke gemeenschap in een hartelijke en kinderlijke verhouding met de bisschop, moeten verstrekt worden door elk charisma dat deel gaat uitmaken van een priesterlijk bestaan of daarbij komt. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (25,33)[[2521|(25.33)]]
Opdat de overvloed van de gaven van de heilige Geest met vreugde aangenomen wordt en vruchtbaar gemaakt wordt tot eer van God voor het welzijn van de gehele Kerk, wordt van allen op de eerste plaats de kennis en de onderscheiding van de eigen charisma's en die van de anderen vereist, alsmede een uitoefening daarvan die altijd vergezeld gaat van christelijke nederigheid, van moed tot zelfkritiek, van de allesoverheersende bedoeling om nuttig te zijn voor de opbouw van heel de gemeenschap ten dienste waarvan ieder bijzonder charisma staat. Bovendien wordt van allen een oprechte inspanning vereist om elkaar te waarderen en te respecteren en om alle positieve en gerechtvaardige verschillen die er in de priesterschap zijn op samenhangende wijze te benutten. Ook dit alles maakt deel uit van het geestelijk leven en van de voortdurende ascese van de priester.
Het is noodzakelijk dat de priester beseft dat zijn "staan in een particuliere Kerk" uiteraard een element vormt dat een christelijk geestelijk leven kwalificeert. De priester vindt juist in zijn toebehoren en toewijding aan de particuliere Kerk een bron van betekenissen en van criteria voor onderscheiding en actie die gestalte geven zowel aan zijn herderlijk zending als aan zijn geestelijk leven.
Tot de weg van de volmaaktheid kunnen ook andere spiritualiteiten of banden met andere tradities van geestelijk leven bijdragen, welke het leven van de afzonderlijke priesters kunnen verrijken en de priesterschap bezielen met kostbare geestelijke gaven. Dat is het geval bij vele oudere en nieuwe kerkelijke groeperingen die ook priesters in hun midden opnemen: vanaf de genootschappen van apostolisch leven tot aan de seculiere priesterinstituten, vanaf de verschillende vormen van gemeenschap en geestelijk deelgenootschap tot aan de kerkelijke bewegingen. De priesters die tot kloosterorden en congregaties behoren zijn een geestelijke rijkdom voor heel de diocesane priesterschap waaraan zij de bijdrage bieden van specifieke charisma's en gekwalificeerde diensten, terwijl zij door hun aanwezigheid de particuliere Kerk stimuleren om haar universele openheid meer intens te beleven. vgl: Mutuae relationes, (18)[[[1230|(18)]]]
Het toebehoren en de toewijding van de priester aan de particuliere Kerk tot aan de gave van het leven voor de opbouw van de Kerk "in de persoon" van Christus, Hoofd en Herder, ten dienste van de gehele christelijke gemeenschap in een hartelijke en kinderlijke verhouding met de bisschop, moeten verstrekt worden door elk charisma dat deel gaat uitmaken van een priesterlijk bestaan of daarbij komt. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (25,33)[[2521|(25.33)]]
Opdat de overvloed van de gaven van de heilige Geest met vreugde aangenomen wordt en vruchtbaar gemaakt wordt tot eer van God voor het welzijn van de gehele Kerk, wordt van allen op de eerste plaats de kennis en de onderscheiding van de eigen charisma's en die van de anderen vereist, alsmede een uitoefening daarvan die altijd vergezeld gaat van christelijke nederigheid, van moed tot zelfkritiek, van de allesoverheersende bedoeling om nuttig te zijn voor de opbouw van heel de gemeenschap ten dienste waarvan ieder bijzonder charisma staat. Bovendien wordt van allen een oprechte inspanning vereist om elkaar te waarderen en te respecteren en om alle positieve en gerechtvaardige verschillen die er in de priesterschap zijn op samenhangende wijze te benutten. Ook dit alles maakt deel uit van het geestelijk leven en van de voortdurende ascese van de priester.
Referenties naar alinea 31: 1
Iuvenescit Ecclesia ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
32
Het toebehoren en toewijding aan de particuliere Kerk sluiten de activiteit en het leven van de priester niet op in die Kerk. Zij kunnen daarin volstrekt niet opgesloten worden vanwege de natuur zelf zowel van de particuliere Kerk vgl: Lumen Gentium, 23[[[617|23]]] als van het priesterambt. Wat dit betreft schrijft het Concilie: "De geestelijke gave die de priesters bij de wijding hebben ontvangen, rust hen niet uit voor een begrensde of beperkte zending, maar voor een zeer ruime en universele heilszending 'tot het uiteinde der aarde' (Hand. 1, 8)[b:Hand. 1, 8]. Want iedere priesterlijke bediening deelt in de universele en wereldomspannende zending die door Christus aan zijn apostelen is toevertrouwd". Presbyterorum Ordinis, 10[[704|10]] vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (13)[[[2521|(13)]]] Daaruit vloeit voort dat het geestelijk leven van de priesters sterk gekenmerkt moet worden door missionaire ijver en dynamiek. Het is hun taak om in de uitoefening van het ambt en in het getuigenis van het leven de hun toevertrouwde gemeenschap te vormen tot een authentiek missionaire gemeenschap. Zoals ik in de encycliek Redemptoris Missio[4] geschreven heb, "moeten alle priesters hart hebben voor de missie, openstaan voor de noden van de Kerk en van de wereld en aandacht hebben voor de vest verwijderden en vooral voor de niet-christelijke groeperingen in hun eigen omgeving. In het gebed en vooral in het eucharistisch offer moeten zij de zorg van heel de Kerk voor de gehele mensheid voelen". Redemptoris Missio, 67[[4|67]]
Als deze missiegeest het leven van de priesters op edelmoedige wijze zal bezielen, zal het gemakkelijker worden te antwoorden op een steeds ernstigere eis in de Kerk van deze tijd, de eis die voortkomt uit de ongelijke verdeling van de geestelijkheid. Wat dit betreft is het Concilie reeds zeer nauwkeuriger en krachtig geweest: "De priesters mogen (...) niet vergeten, dat hun de zorg voor alle kerken ter harte moet gaan. Daarom moeten de priesters van de bisdommen waarin men over en grotere overvloed aan roepingen beschikt graag bereid zijn om met instemming en aanmoediging van hun eigen bisschop hun bediening uit te oefenen in gebieden, missies of voor werkzaamheden die lijden aan een priestertekort". Presbyterorum Ordinis, 10[[704|10]]
Als deze missiegeest het leven van de priesters op edelmoedige wijze zal bezielen, zal het gemakkelijker worden te antwoorden op een steeds ernstigere eis in de Kerk van deze tijd, de eis die voortkomt uit de ongelijke verdeling van de geestelijkheid. Wat dit betreft is het Concilie reeds zeer nauwkeuriger en krachtig geweest: "De priesters mogen (...) niet vergeten, dat hun de zorg voor alle kerken ter harte moet gaan. Daarom moeten de priesters van de bisdommen waarin men over en grotere overvloed aan roepingen beschikt graag bereid zijn om met instemming en aanmoediging van hun eigen bisschop hun bediening uit te oefenen in gebieden, missies of voor werkzaamheden die lijden aan een priestertekort". Presbyterorum Ordinis, 10[[704|10]]
Referenties naar alinea 32: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 6 "Wek opnieuw in hen uw Geest met zijn heiligende kracht"
33
Verkondig de Heer ->=geentekst=
"De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen" (Lc. 4, 18)[b:Lc. 4, 18]. Ook nu laat Jezus in ons priesterhart de woorden weeklinken die Hij in de synagoge van Nazareth uitgesproken heeft. Ons geloof openbaart ons de werkzame aanwezigheid van de Geest van Christus in ons zijn, handelen en leven, zoals het wijdingsacrament ze gevormd, bekwaamd en gemodelleerd heeft. Ja, de Geest des Heren is de grote protagonist van ons geestelijk leven. Hij schept het "nieuwe hart", bezielt het en leidt het met de "nieuwe wet" van de liefde, van de herderlijke liefde. Voor de ontwikkeling van het geestelijk leven is beslissend het besef dat de priester nooit zal ontbreken aan de genade van de heilige Geest, als geheel onverdiende gave en als een opdracht die verantwoordelijkheid oplegt. Het bewustzijn van de gave schenkt en steunt het ononwankelbare vertrouwen van de priester te midden van de moeilijkheden, bekoringen en zwakheden welke hij op de geestelijke weg ontmoet. Aan alle priesters houd ik nogmaals voor wat ik tot velen van hen gezegd heb bij een andere gelegenheid: "De priesterroeping is wezenlijk een roeping tot heiligheid, in de vorm die voortvloeit uit het sacrament van het priesterschap. De heiligheid is vertrouwelijke omgang met God; zij is navolging van de arme, kuise en nederige Jezus; zij is liefde zonder voorbehoud voor de zielen en toewijding aan hun echte welzijn; zij is liefde voor de Kerk, die heilig is en wil dat wij heilig zijn, omdat dit de zending is welke Christus haar heeft toevertrouwd. Ieder van u moet ook heilig zijn om de broeders te helpen hun roeping tot heiligheid te volgen. Hoe zou men (...) niet nadenken over de wezenlijke rol die de heilige Geest vervult in de specifieke roeping tot heiligheid die het priesterambt eigen is? herinneren wij ons de woorden van de ritus van de priesterwijding, welke beschouwd worden als de centrale woorden in de sacramentele formule: Wij bidden U, almachtige Vader, verleen uw dienaren hier de waardigheid van het priesterschap, wek opnieuw in hen uw Geest met zijn heiligende kracht. Geef hun het ambt van medewerker in onze bediening en zorg dat hun leven voor uw volk een voorbeeld is". Door de wijding heb u, dierbaren, de Geest van Christus zelf ontvangen, die u aan Hem gelijkvormig maakt, opdat u in zijn naam kunt handelen en zijn gezindheid in u kunt doen heersen. Deze innige gemeenschap met de Geest van Christus, die de doeltreffendheid waarborgt van het sacramentele handelen dat u verricht "in persona Christi", vraagt ook nog om uitgedrukt te worden in het vuur van het gebed, in de samenhang van het leven, in de herderlijke liefde van een dienstwerk dat onvermoeibaar streeft naar het heil van de broeders. Zij vraagt, in één woord, om uw persoonlijke heiliging". Bij de Concelebratie aan het einde van de wereld "retraite" voor priesters, (2)[[2814|(2)]]
Referenties naar alinea 33: 2
Roeping tot heiligheid ->=geentekst=Verkondig de Heer ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- HOOFDSTUK 4 Kom en zietDe priesterroeping in de pastoraal van de Kerk
- Artikel 1 Zoeken, volgen en blijven
34
"Gaat mee om het te zien" (Joh. 1, 39)[b:Joh. 1, 39]. Zo antwoord Jezus aan de twee leerlingen van Johannes de Doper die Hem vragen waar Hij verblijft. In deze woorden vinden wij de zin van de roeping. De evangelist verhaalt de roeping van Andreas en Petrus als volgt: "De volgende dag stond Johannes daar weer, nu met twee van zijn leerlingen. Hij richtte het oog op Jezus die voorbijging gen sprak: 'Zie, het lam Gods'. De twee leerlingen hoorden hem dat zeggen en gingen Jezus achterna. Jezus keerde zich om en toen Hij zag dat zij Hem volgden, vroeg Hij hun: 'Wat verlangt gij?' Ze zeiden tot Hem: 'Rabbi' - vertaald betekend dit: Meester- 'waar verblijft ge?' Hij zei hun: 'Gaat me om het te zien'. Daarop gingen zij mee en zagen waar Hij zich op hield. Die dag bleven zij bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur. Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee die het gezegde van Johannes hadden gehoord en Jezus achterna waren gegaan. De eerste die hij ontmoette was zijn broer Simon tot wie hij zei: 'Wij hadden de 'messias' -vertaald betekent dat: de Gezalfde- 'gevonden', en hij bracht hen bij Jezus. Jezus zag hem aan en zeide: 'Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij zult Kefas -dat betekent: rots- genoemd worden'" (Joh. 1, 35-42)[b:Joh. 1, 35-42].
Deze bladzijde van het Evangelie is één van de vele bladzijden van de Heilige Schrift waarin het mysterie van de roeping beschreven wordt, in dit geval het mysterie van de roeping om apostel van Jezus te worden. De bladzijde van Johannes, die ook betekenis heeft voor de christelijke roeping als zodanig, heeft een zinnebeeldige betekenis voor de priesterroeping. Als gemeenschap van de leerlingen van Jezus wordt de kerk uitgenodigd haar blik te vestigen op deze scène, welke zich in zekere zin voortdurend hernieuwt in de geschiedenis. Zij wordt uitgenodigd de oorspronkelijke en persoonlijke zin van de roeping om Christus te volgen in het priesterambt te verdiepen, alsmede de onverbreekbare band tussen de goddelijke genade en de menselijke verantwoordelijkheid. Die band ligt opgesloten en is geopenbaard in de twee termen welke wij meermalen in het Evangelie aantreffen: Kom en volg Mij (Mt. 19, 21)[[b:Mt. 19, 21]]. De Kerk wordt aangespoord om de eigen dynamiek van de roeping te ontcijferen en te doorvorsen en ook de geleidelijke en concrete ontwikkeling ervan in de fasen van het zoeken van Jezus, het volgen van Hem en het blijven bij Hem.
In dit "Evangelie van de roeping" vindt de Kerk het model, de kracht en de impuls voor haar roepingenpastoraal ofwel voor haar zending om zorg te dragen voor het ontstaan, de onderscheiding en de begeleiding van de roepingen, vooral van de priesterroepingen. Juist omdat het "priestertekort zeker een verdriet voor iedere Kerk is" Slottoespraak 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (5)[[2520|(5)]], vraagt de roepingenpastoraal vooral in deze tijd om met nieuwe, krachtige en meer besliste inzet aangepakt te worden door alle leden van de Kerk, in het bewustzijn dat de zorg voor de priesterroepingen niet een secundair of bijkomstige element is van de totale pastoraal van de Kerk noch een geïsoleerd element of een sector ervan, als het ware slechts een "deel", hoe belangrijk ook. Zoals de Synodevaders herhaaldelijk verklaard hebben, is de roepingenpastoraal veeleer een activiteit die geheel begrepen is in de algemene pastoraal van iedere Kerk, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (6)[[2521|(6)]] een zorg die geïntegreerd moet worden in de zogenaamde gewone "zielzorg" en daarmee geheel vereenzelvigd moet worden, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (13)[[2521|(13)]] een eigenlijke en wezenlijke dimensie van de pastoraal van de Kerk, van haar leven en haar roepingen. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (4)[[2521|(4)]]
Ja, de dimensie van de roepingen is eigenlijk en wezenlijk voor de pastoraal van de Kerk. De reden ligt in het feit dat de roeping in zekere zin het diepste wezen van de Kerk bepaalt, nog meer dan haar activiteit. In de naam zelf van de Kerk, Ecclesia, wordt aangeven dat haar innerlijke fysionomie roeping is, want zij is werkelijk "bijeenroeping", vergadering van de geroepenen: "God heeft de vergadering van hen die gelovend naar Jezus opzien als naar de bewerker van het heil en het beginsel van eenheid en vrede samengeroepen en tot de Kerk gemaakt, om voor allen en ieder afzonderlij het zichtbare sacrament te zijn van deze heilsbrengende eenheid". Lumen Gentium, 9[[617|9]] Een waarlijk theologisch begrip van de priesterroeping en van de roepingenpastoraal kan alleen voortvloeien uit het begrip van de Kerk als mysterium vocationis.
Deze bladzijde van het Evangelie is één van de vele bladzijden van de Heilige Schrift waarin het mysterie van de roeping beschreven wordt, in dit geval het mysterie van de roeping om apostel van Jezus te worden. De bladzijde van Johannes, die ook betekenis heeft voor de christelijke roeping als zodanig, heeft een zinnebeeldige betekenis voor de priesterroeping. Als gemeenschap van de leerlingen van Jezus wordt de kerk uitgenodigd haar blik te vestigen op deze scène, welke zich in zekere zin voortdurend hernieuwt in de geschiedenis. Zij wordt uitgenodigd de oorspronkelijke en persoonlijke zin van de roeping om Christus te volgen in het priesterambt te verdiepen, alsmede de onverbreekbare band tussen de goddelijke genade en de menselijke verantwoordelijkheid. Die band ligt opgesloten en is geopenbaard in de twee termen welke wij meermalen in het Evangelie aantreffen: Kom en volg Mij (Mt. 19, 21)[[b:Mt. 19, 21]]. De Kerk wordt aangespoord om de eigen dynamiek van de roeping te ontcijferen en te doorvorsen en ook de geleidelijke en concrete ontwikkeling ervan in de fasen van het zoeken van Jezus, het volgen van Hem en het blijven bij Hem.
In dit "Evangelie van de roeping" vindt de Kerk het model, de kracht en de impuls voor haar roepingenpastoraal ofwel voor haar zending om zorg te dragen voor het ontstaan, de onderscheiding en de begeleiding van de roepingen, vooral van de priesterroepingen. Juist omdat het "priestertekort zeker een verdriet voor iedere Kerk is" Slottoespraak 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (5)[[2520|(5)]], vraagt de roepingenpastoraal vooral in deze tijd om met nieuwe, krachtige en meer besliste inzet aangepakt te worden door alle leden van de Kerk, in het bewustzijn dat de zorg voor de priesterroepingen niet een secundair of bijkomstige element is van de totale pastoraal van de Kerk noch een geïsoleerd element of een sector ervan, als het ware slechts een "deel", hoe belangrijk ook. Zoals de Synodevaders herhaaldelijk verklaard hebben, is de roepingenpastoraal veeleer een activiteit die geheel begrepen is in de algemene pastoraal van iedere Kerk, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (6)[[2521|(6)]] een zorg die geïntegreerd moet worden in de zogenaamde gewone "zielzorg" en daarmee geheel vereenzelvigd moet worden, Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (13)[[2521|(13)]] een eigenlijke en wezenlijke dimensie van de pastoraal van de Kerk, van haar leven en haar roepingen. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (4)[[2521|(4)]]
Ja, de dimensie van de roepingen is eigenlijk en wezenlijk voor de pastoraal van de Kerk. De reden ligt in het feit dat de roeping in zekere zin het diepste wezen van de Kerk bepaalt, nog meer dan haar activiteit. In de naam zelf van de Kerk, Ecclesia, wordt aangeven dat haar innerlijke fysionomie roeping is, want zij is werkelijk "bijeenroeping", vergadering van de geroepenen: "God heeft de vergadering van hen die gelovend naar Jezus opzien als naar de bewerker van het heil en het beginsel van eenheid en vrede samengeroepen en tot de Kerk gemaakt, om voor allen en ieder afzonderlij het zichtbare sacrament te zijn van deze heilsbrengende eenheid". Lumen Gentium, 9[[617|9]] Een waarlijk theologisch begrip van de priesterroeping en van de roepingenpastoraal kan alleen voortvloeien uit het begrip van de Kerk als mysterium vocationis.
Referenties naar alinea 34: 1
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 2 De Kerk en de gave van de roeping
35
Iedere christelijke roeping heeft har fundament in de vrije en voorkomende uitverkiezing door de Vader, "die ons in de hemelen in Christus heeft gezegend met elke geestelijke zegen. In Hem heeft Hij ons uitverkoren voor de grondlegging der wereld om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons voorbestemd zijn kinderen te worden door Jezus Christus naar het welbehagen van zijn wil" (Ef. 1, 3-5)[b:Ef. 1, 3-5].
Iedere christelijke roeping komt van God, is geschenk van God. Maar zij wordt nooit geschonken buiten de Kerk om of onafhankelijk van de Kerk. Zij geschiedt altijd in en door de Kerk, omdat het God behaagt heeft, zoals het Tweede Vaticaans Concilie ons in herinnering heeft gebracht, "de mensen geenszins afzonderlijk, zonder enig onderling verband, te heiligen en te redden, maar hen tot een volk te verenigen dat Hem naar waarheid zou erkennen en in heiligheid zou dienen". Lumen Gentium, 9[[617|9]]
De Kerk bevat niet alleen alle roepingen die God haar schenkt op haar heilstocht maar zij heeft zelf de gestalte van een mysterie van de allerheiligste Drie-eenheid. De Kerk, die "het volk is dan bijeengebracht is door de eenheid van de Vader, de Zoon en de heilige Geest", 23: CCL 3/A, 105[[916]] draagt werkelijk in zich het mysterie van de Vader die, zelf door niemand geroepen en gezonden (Rom. 11, 33-35)[[b:Rom. 11, 33-35]], allen roept om zijn Naam te heiligen en zijn wil te volbrengen. Zij bewaart in zich het mysterie van de Zoon, die door de Vader geroepen en gezonden is om aan allen het Rijk van God te verkondigen en allen roept om Hem te volgen. Zij is behoedster van het mysterie van de heilige Geest, die degenen die de Vader door zijn Zoon Jezus Christus roept, wijdt voor de zending.
De Kerk, die vanwege haar oorspronkelijk constitutie "roeping" is, is verwekster en opvoedster van roepingen. Zij is dat in haar "sacrament"-zijn, als "teken" en "instrument" waarin de roeping van iedere christen weerklinkt en verwerkelijkt wordt. Zij is het in haar werken ofwel in de vervulling van haar dienstwerk van verkondiging van het woord, viering van de sacramenten en dienst en getuigenis van de liefde.
Men kan nu de wezenlijk kerkelijke dimensie van de christelijke roeping begrijpen. Zij komt niet alleen voort uit de Kerk en door bemiddeling van de Kerk, wordt niet alleen herkend en verwezenlijkt "in" de Kerk, maar heeft -in de fundamentele dienst aan God- ook en noodzakelijkerwijs de gedaante van dienst "aan" de Kerk. De christelijke roeping is, in welke vorm ook, een gave die bestemd is voor de opbouw van de Kerk, voor de groei van het Rijk Gods in de wereld. vgl: Apostolicam Actuositatem, 3[[[653|3]]]
Wat gezegd wordt van iedere christelijke roeping wordt op specifieke wijze verwerkelijkt in de priesterroeping. Deze is de roeping, door middel van het Sacrament van het priesterschap dat in de Kerk ontvangen is, om zich ten dienste van het volk van God te stellen met een bijzondere toewijding en gelijkvormigmaking aan Jezus Christus en met het gezag om te handelen "in de naam en de persoon" van Hem, die Hoofd en Herder van de Kerk is.
Vanuit dit gezichtspunt kan men begrijpen wat de Synodevaders schrijven: "Iedere priesterroeping bestaat in en voor de Kerk; zij verwerkelijkt zich voor de Kerk. Daaruit volgt dat iedere priester zijn roeping van de Heer ontvangt door middel van de Kerk als een genadegave, een gratia gratis data (charisma). Het is niet alleen de taak van de bisschop of van de bevoegde overste om de geschiktheid en de roeping van de kandidaat aan een onderzoek te onderwerpen maar ook om de roeping te erkennen. Dat kerkelijke element is onafscheidelijk verbonden met de roeping tot het priesterambt als zodanig. De kandidaat voor het priesterschap moet zijn roeping niet ontvangen onder aanvaarding van de en de voorwaarden die de Kerk zelf stelt om reden van haar aandeel in de verantwoordelijkheid". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (5)[[2521|(5)]]
Iedere christelijke roeping komt van God, is geschenk van God. Maar zij wordt nooit geschonken buiten de Kerk om of onafhankelijk van de Kerk. Zij geschiedt altijd in en door de Kerk, omdat het God behaagt heeft, zoals het Tweede Vaticaans Concilie ons in herinnering heeft gebracht, "de mensen geenszins afzonderlijk, zonder enig onderling verband, te heiligen en te redden, maar hen tot een volk te verenigen dat Hem naar waarheid zou erkennen en in heiligheid zou dienen". Lumen Gentium, 9[[617|9]]
De Kerk bevat niet alleen alle roepingen die God haar schenkt op haar heilstocht maar zij heeft zelf de gestalte van een mysterie van de allerheiligste Drie-eenheid. De Kerk, die "het volk is dan bijeengebracht is door de eenheid van de Vader, de Zoon en de heilige Geest", 23: CCL 3/A, 105[[916]] draagt werkelijk in zich het mysterie van de Vader die, zelf door niemand geroepen en gezonden (Rom. 11, 33-35)[[b:Rom. 11, 33-35]], allen roept om zijn Naam te heiligen en zijn wil te volbrengen. Zij bewaart in zich het mysterie van de Zoon, die door de Vader geroepen en gezonden is om aan allen het Rijk van God te verkondigen en allen roept om Hem te volgen. Zij is behoedster van het mysterie van de heilige Geest, die degenen die de Vader door zijn Zoon Jezus Christus roept, wijdt voor de zending.
De Kerk, die vanwege haar oorspronkelijk constitutie "roeping" is, is verwekster en opvoedster van roepingen. Zij is dat in haar "sacrament"-zijn, als "teken" en "instrument" waarin de roeping van iedere christen weerklinkt en verwerkelijkt wordt. Zij is het in haar werken ofwel in de vervulling van haar dienstwerk van verkondiging van het woord, viering van de sacramenten en dienst en getuigenis van de liefde.
Men kan nu de wezenlijk kerkelijke dimensie van de christelijke roeping begrijpen. Zij komt niet alleen voort uit de Kerk en door bemiddeling van de Kerk, wordt niet alleen herkend en verwezenlijkt "in" de Kerk, maar heeft -in de fundamentele dienst aan God- ook en noodzakelijkerwijs de gedaante van dienst "aan" de Kerk. De christelijke roeping is, in welke vorm ook, een gave die bestemd is voor de opbouw van de Kerk, voor de groei van het Rijk Gods in de wereld. vgl: Apostolicam Actuositatem, 3[[[653|3]]]
Wat gezegd wordt van iedere christelijke roeping wordt op specifieke wijze verwerkelijkt in de priesterroeping. Deze is de roeping, door middel van het Sacrament van het priesterschap dat in de Kerk ontvangen is, om zich ten dienste van het volk van God te stellen met een bijzondere toewijding en gelijkvormigmaking aan Jezus Christus en met het gezag om te handelen "in de naam en de persoon" van Hem, die Hoofd en Herder van de Kerk is.
Vanuit dit gezichtspunt kan men begrijpen wat de Synodevaders schrijven: "Iedere priesterroeping bestaat in en voor de Kerk; zij verwerkelijkt zich voor de Kerk. Daaruit volgt dat iedere priester zijn roeping van de Heer ontvangt door middel van de Kerk als een genadegave, een gratia gratis data (charisma). Het is niet alleen de taak van de bisschop of van de bevoegde overste om de geschiktheid en de roeping van de kandidaat aan een onderzoek te onderwerpen maar ook om de roeping te erkennen. Dat kerkelijke element is onafscheidelijk verbonden met de roeping tot het priesterambt als zodanig. De kandidaat voor het priesterschap moet zijn roeping niet ontvangen onder aanvaarding van de en de voorwaarden die de Kerk zelf stelt om reden van haar aandeel in de verantwoordelijkheid". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (5)[[2521|(5)]]
Referenties naar alinea 35: 1
Instructie over criteria ter onderscheiding van roepingen met betrekking tot personen met homoseksuele neigingen aangaande hun toelating tot het seminarie en de Heilige Wijdingen ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 3 De dialoog van de roeping: het initiatief van God en het antwoord van de mens
36
De geschiedenis van iedere priesterroeping is, zoals trouwens die van iedere christelijke roeping , de geschiedenis van een onuitsprekelijke dialoog tussen God en de mens, tussen de liefde van God die roept en de vrijheid van de mens die in liefde God antwoordt. Deze twee onscheidbare aspecten van de roeping, de vrije gave van God en de verantwoordelijke vrijheid van de mens, komen op schitterende en zeer doeltreffende wijze uit in de zeer beknopte woorden waarmee de evangelist Marcus de roeping van de twaalf voorstelt: "Jezus ging de berg op en riep tot zich die hijzelf wilde; en zij kwamen bij Hem" (Mc. 3, 13)[b:Mc. 3, 13]. Enerzijds de absoluut vrije beslissing van Jezus, anderzijds het "komen" van de twaalf ofwel hun "volgen" van Jezus. Dit is het blijvende model, het onuitwisbare gegeven van iedere roeping; van de roeping van de profeten, van de apostelen, van de priesters, van de kloosterlingen, van de leken-gelovigen, van iedere mens. Maar de vrije en onverschuldigde interventie van God die roept is volstrekt primair, voorafgaand en beslissend. Het initiatief voor de roeping gaat van Hem uit. Dat is bij voorbeeld de ervaring van de profeet Jeremia: "Het woord van Jahwe kwam tot mij: Voordat Ik u in de moederschoot vormde, koos Ik u uit; voordat ge geboren werd, bestemde Ik u voor Mij; als profeet voor de volken heb Ik u aangewezen" (Jer. 1, 4-5)[b:Jer. 1, 4-5]. De Apostel Paulus houdt dezelfde waarheid voor. Hij legt de wortel van iedere roeping in de eeuwige uitverkiezing in Christus, "voor de grondlegging der wereld" en "naar het welbehagen van zijn wil" (Ef. 1, 4.5)[b:Ef. 1, 4.5]. Het absolute primaat van de genade in de roeping is op volmaakte wijze uitgedrukt in de woorden van Jezus: "Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn" (Joh. 15, 16)[b:Joh. 15, 16].
Als de priesterroeping op ondubbelzinnige wijze getuigt van het primaat van de genade, vraagt de vrije en soevereine beslissing van God om de mens te roepen absolute eerbied, kan zij niet in het minst geforceerd worden door een menselijke beslissing. De roeping is een geschenk van de goddelijke genade, nooit een recht van de mens, zodat "het priesterleven nooit beschouwd kan worden als een louter menselijke promotie noch de zending van de bedienaar als een zuiver persoonlijk project". Angelusgebed, (2)[[2815|(2)]] Zo is iedere roem en iedere aanmatiging van de kant van de geroepene uitgesloten (Hebr. 5, 4 vv)[[b:Hebr. 5, 4 vv]]. Heel de geestelijke ruimte van het hart moet vervuld zijn van bewonderende en bewogen dankbaarheid, van onwankelbaar vertrouwen en onwrikbare hoop, want de geroepenen weten dat zij niet gegrondvest zijn op hun eigen krachten, maar op de onvoorwaardelijke trouw van de roepende God.
"Jezus (...) roep tot zich die Hij zelf wilde; en zij Kwamen bij Hem" (Mc. 3, 1)[b:Mc. 3, 1]. Dit "komen", dat gelijk is aan het "volgen" van Jezus, drukt het vrije antwoord uit van de twaalf op de roeping door de Meester. Zo is het geweest met Petrus en Andreas: "En Hij sprak tot hen: 'Komt, volgt Mij: Ik zal u vissers van mensen maken'. Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem" (Mt. 4, 19-20)[b:Mt. 4, 19-20]. De ervaring van Jakobus en Johannes is hetzelfde geweest (Mt. 4, 21-22)[[b:Mt. 4, 21-22]]. Zo is het steeds: in de roeping schitteren tegelijk de vrije liefde van God en de hoogst mogelijke verheffing van de vrijheid van de mens: de vrijheid van de instemming met de roeping door God en van de toewijding aan Hem.
Genade en vrijheid zijn werkelijk niet tegengesteld aan elkaar. De genade bezielt en steunt daarentegen de menselijke vrijheid, welke zij bevrijdt uit de slavernij der zonde (Joh. 8, 34-36)[[b:Joh. 8, 34-36]], geneest en verheft in haar vermogen om open te staan voor Gods gave en deze aan te nemen. En evenmin als men het absoluut vrije initiatief van God die roept kan aantasten, kan men de uiterste ernst aantasten waarmee de mens uitgedaagd wordt in zijn vrijheid. Zo stelt de rijke jongeman tegenover het "kom en volg Mij" van Jezus een weigering, wat een, zij het negatief, teken is van zijn vrijheid: "Dit woord ontstelde hem en ontdaan ging hij heen, omdat hij vele goederen bezat" (Mc. 10, 22)[b:Mc. 10, 22]. De vrijheid is dus wezenlijk voor de roeping, een vrijheid die zich in het positieve antwoord kenmerkt als diepe persoonlijke instemming, als liefdesgave of betere als wedergave aan de aan de Schenker die de roepende God is, als offergave. "De roeping", heeft Paulus VI gezegd, "wedijvert met het antwoord. Er kunnen alleen vrije roepingen zijn, roepingen die spontane, bewuste, edelmoedige, totale gave van zichzelf zijn (...). Offergave, zeggen wij: hier ligt feitelijk het ware probleem (...). Het is de nederige en doordringende stem van Christus die nu zoals gisteren, nu meer dan gisteren, zegt: 'kom'. De vrijheid is voor haar hoogste waagstuk gesteld: juist dat van de overgave, van de edelmoedigheid, van het offer". Noodzaak voor roeping, roeping veronderstelt vrijheid[[1266]]
De vrije overgave, die de innerlijke en meest kostbare kern vormt van het antwoord van de mens aan God die roept, vindt haar onvergelijkelijk model, ja haar levende wortel, in de volkomen vrije overgave van Jezus Christus, die eerste van de geroepenen, aan de wil van de Vader: "Daarom zegt Hij dan ook, als Hij in de wereld komt: Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt voor Mij een lichaam bereid. (...) Toen zei ik: Hier ben Ik (...) o God om uw wil te doen" (Heb. 10, 5.7)[b:Heb. 10, 5.7].
In innige gemeenschap met Christus is Maria, de Moedermaagd, het schepsel geweest dat meer dan alle anderen in de volle waarachtigheid van haar roeping heeft geleefd, want niemand heeft, zoals zij, met zulk een grote liefde geantwoord op de onmetelijke liefde van God. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (5)[[[2521|(5)]]]
Als de priesterroeping op ondubbelzinnige wijze getuigt van het primaat van de genade, vraagt de vrije en soevereine beslissing van God om de mens te roepen absolute eerbied, kan zij niet in het minst geforceerd worden door een menselijke beslissing. De roeping is een geschenk van de goddelijke genade, nooit een recht van de mens, zodat "het priesterleven nooit beschouwd kan worden als een louter menselijke promotie noch de zending van de bedienaar als een zuiver persoonlijk project". Angelusgebed, (2)[[2815|(2)]] Zo is iedere roem en iedere aanmatiging van de kant van de geroepene uitgesloten (Hebr. 5, 4 vv)[[b:Hebr. 5, 4 vv]]. Heel de geestelijke ruimte van het hart moet vervuld zijn van bewonderende en bewogen dankbaarheid, van onwankelbaar vertrouwen en onwrikbare hoop, want de geroepenen weten dat zij niet gegrondvest zijn op hun eigen krachten, maar op de onvoorwaardelijke trouw van de roepende God.
"Jezus (...) roep tot zich die Hij zelf wilde; en zij Kwamen bij Hem" (Mc. 3, 1)[b:Mc. 3, 1]. Dit "komen", dat gelijk is aan het "volgen" van Jezus, drukt het vrije antwoord uit van de twaalf op de roeping door de Meester. Zo is het geweest met Petrus en Andreas: "En Hij sprak tot hen: 'Komt, volgt Mij: Ik zal u vissers van mensen maken'. Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem" (Mt. 4, 19-20)[b:Mt. 4, 19-20]. De ervaring van Jakobus en Johannes is hetzelfde geweest (Mt. 4, 21-22)[[b:Mt. 4, 21-22]]. Zo is het steeds: in de roeping schitteren tegelijk de vrije liefde van God en de hoogst mogelijke verheffing van de vrijheid van de mens: de vrijheid van de instemming met de roeping door God en van de toewijding aan Hem.
Genade en vrijheid zijn werkelijk niet tegengesteld aan elkaar. De genade bezielt en steunt daarentegen de menselijke vrijheid, welke zij bevrijdt uit de slavernij der zonde (Joh. 8, 34-36)[[b:Joh. 8, 34-36]], geneest en verheft in haar vermogen om open te staan voor Gods gave en deze aan te nemen. En evenmin als men het absoluut vrije initiatief van God die roept kan aantasten, kan men de uiterste ernst aantasten waarmee de mens uitgedaagd wordt in zijn vrijheid. Zo stelt de rijke jongeman tegenover het "kom en volg Mij" van Jezus een weigering, wat een, zij het negatief, teken is van zijn vrijheid: "Dit woord ontstelde hem en ontdaan ging hij heen, omdat hij vele goederen bezat" (Mc. 10, 22)[b:Mc. 10, 22]. De vrijheid is dus wezenlijk voor de roeping, een vrijheid die zich in het positieve antwoord kenmerkt als diepe persoonlijke instemming, als liefdesgave of betere als wedergave aan de aan de Schenker die de roepende God is, als offergave. "De roeping", heeft Paulus VI gezegd, "wedijvert met het antwoord. Er kunnen alleen vrije roepingen zijn, roepingen die spontane, bewuste, edelmoedige, totale gave van zichzelf zijn (...). Offergave, zeggen wij: hier ligt feitelijk het ware probleem (...). Het is de nederige en doordringende stem van Christus die nu zoals gisteren, nu meer dan gisteren, zegt: 'kom'. De vrijheid is voor haar hoogste waagstuk gesteld: juist dat van de overgave, van de edelmoedigheid, van het offer". Noodzaak voor roeping, roeping veronderstelt vrijheid[[1266]]
De vrije overgave, die de innerlijke en meest kostbare kern vormt van het antwoord van de mens aan God die roept, vindt haar onvergelijkelijk model, ja haar levende wortel, in de volkomen vrije overgave van Jezus Christus, die eerste van de geroepenen, aan de wil van de Vader: "Daarom zegt Hij dan ook, als Hij in de wereld komt: Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt voor Mij een lichaam bereid. (...) Toen zei ik: Hier ben Ik (...) o God om uw wil te doen" (Heb. 10, 5.7)[b:Heb. 10, 5.7].
In innige gemeenschap met Christus is Maria, de Moedermaagd, het schepsel geweest dat meer dan alle anderen in de volle waarachtigheid van haar roeping heeft geleefd, want niemand heeft, zoals zij, met zulk een grote liefde geantwoord op de onmetelijke liefde van God. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (5)[[[2521|(5)]]]
Referenties naar alinea 36: 1
Instructie over criteria ter onderscheiding van roepingen met betrekking tot personen met homoseksuele neigingen aangaande hun toelating tot het seminarie en de Heilige Wijdingen ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
37
"Dit woord ontstelde hem en ontdaan ging hij heen, omdat hij vele goederen bezat" (Mc. 10, 21)[b:Mc. 10, 21]. De rijke jongeman uit het Evangelie die de roeping van Jezus niet volgt, herinnert ons aan de obstakels welke het vrije antwoord van de mens kunnen blokkeren of uitdoven. Niet alleen kunnen de materiële goederen heit menselijk hart afsluiten voor de geestelijke waarden en de radicale eisen van het Rijk Gods, maar ook kunnen bepaalde sociale en culturele condities van onze tijd vaak bedreigingen vormen, verminkte en valse gezichtspunten omtrent de ware aard van de roeping opdringen en de aanvaarding en het begrip zelf van de roeping moeilijk, zo niet onmogelijk, maken.
Velen hebben zo'n vaag en verward idee van God dat ze vervallen in vormen van religiositeit zonder God, waarin de wil van God opgevat wordt als een onveranderlijk en onafwendbaar noodlot waarnaar de mens zich slechts heeft te schikken en hij geheel passief moet berusten. Maar dat is niet het gelaat van de God die Jezus Christus ons is komen openbaren. God is in werkelijkheid de Vader die met eeuwige en voorkomende liefde de mens roept, in een bewonderenswaardige en voortdurende dialoog met hem treedt en hem uitnodigt om als zijn kind zijn eigen goddelijk leven te delen. Het is zeker dat de mens met een verkeerd idee van God ook niet de waarheid over zichzelf kan kennen, zodat de roeping niet begrepen en verwezenlijkt kan worden in haar authentieke waarde, maar alleen als een opgelegde en ondraaglijke last gevoeld kan worden.
Ook de bepaalde misvormde ideeën over de mens, die dikwijls ondersteund worden door voorgewende filosofische of "wetenschappelijke" argumenten, brengen de men er soms toe om zijn bestaan en vrijheid te interpreteren als volledig bepaald en geconditioneerd door uitwendige factoren van opvoedkundige psychologische, culturele of sociale aard. Soms ook wordt de vrijheid begrepen in termen van absolute autonomie, heeft zij de pretentie de enige en onaanvechtbare bron van persoonlijke keuzen te zijn en kenmerkt zij zich als bevestiging van zichzelf ten koste van alles. Maar op deze wijze wordt de weg versperd voor het begrip en de verwerkelijking van de roeping als vrije dialoog van liefde, die voortkomt uit de gave van God aan de mens en besloten wordt met de oprechte zelfgave van de mens.
In de huidige context bestaat ook de neiging om zich de verhouding van de mens tot God op individualistische en geheel innerlijke wijze voor te stellen, alsof de roeping van God rechtstreeks de enkeling bereikt zonder enige bemiddeling van de gemeenschap en een voordeel of het heil van het geroepen individu beoogt en niet de totale toewijding aan God in de dienst aan de gemeenschap. Zo ontmoeten wij een andere diepere en tevens meer subtiele bedreiging die het onmogelijk maakt met vreugde de kerkelijke dimensie welke iedere christelijke roeping en speciaal de priesterroeping van nature heeft, te erkennen en te aanvaarden. Zoals het Concilie ons in herinnering brengt, verwerft het gewijde priesterschap zijn authentieke betekenis en verwerkelijkt het de volle waarheid van zichzelf in het dienen en dien groeien van de christelijke gemeenschap van de gelovigen. vgl: Lumen Gentium, 10[[[617|10]]] vgl: Presbyterorum Ordinis, 12[[[704|12]]]
De vermelde culturele context, die ook invloed heeft op de christenen en speciaal op de jongeren, helpt om te begrijpen hoe de crisis van de priesterroepingen, welke veroorzaakt wordt door en samengaat met een meer radicale geloofscrisis, zich uitbreidt. De Synodevaders hebben dat uitdrukkelijk verklaard en zij hebben erkend dat de crisis van de priesterroepingen diepe wortels heeft in het culturele milieu en in de mentaliteit en het leven van de christenen. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (13)[[[2521|(13)]]]
Vandaar de dringende noodzaak dat de roepingenpastoraal van de Kerk zich beslist en met prioriteit richt op het herstel van de "christelijke mentaliteit", die opgewekt en onderhouden wordt door het geloof. Meer dan ooit is er een evangelisatie nodig die niet moe wordt het ware gelaat te tonen van God, de Vader die in Jezus Christus ieder van ons roept, en de ware zin van de menselijke vrijheid als beginsel en klacht van de verantwoordelijke zelfgave. Alleen zo zullen de grondslagen gelegd worden die onmisbaar zijn om alle roepingen, de priesterroepingen inbegrepen, in hun waarheid te kunnen begrijpen, in hun schoonheid te kunnen beminnen en met totale toewijding en diepe vreugde te kunnen verwezenlijken.
Velen hebben zo'n vaag en verward idee van God dat ze vervallen in vormen van religiositeit zonder God, waarin de wil van God opgevat wordt als een onveranderlijk en onafwendbaar noodlot waarnaar de mens zich slechts heeft te schikken en hij geheel passief moet berusten. Maar dat is niet het gelaat van de God die Jezus Christus ons is komen openbaren. God is in werkelijkheid de Vader die met eeuwige en voorkomende liefde de mens roept, in een bewonderenswaardige en voortdurende dialoog met hem treedt en hem uitnodigt om als zijn kind zijn eigen goddelijk leven te delen. Het is zeker dat de mens met een verkeerd idee van God ook niet de waarheid over zichzelf kan kennen, zodat de roeping niet begrepen en verwezenlijkt kan worden in haar authentieke waarde, maar alleen als een opgelegde en ondraaglijke last gevoeld kan worden.
Ook de bepaalde misvormde ideeën over de mens, die dikwijls ondersteund worden door voorgewende filosofische of "wetenschappelijke" argumenten, brengen de men er soms toe om zijn bestaan en vrijheid te interpreteren als volledig bepaald en geconditioneerd door uitwendige factoren van opvoedkundige psychologische, culturele of sociale aard. Soms ook wordt de vrijheid begrepen in termen van absolute autonomie, heeft zij de pretentie de enige en onaanvechtbare bron van persoonlijke keuzen te zijn en kenmerkt zij zich als bevestiging van zichzelf ten koste van alles. Maar op deze wijze wordt de weg versperd voor het begrip en de verwerkelijking van de roeping als vrije dialoog van liefde, die voortkomt uit de gave van God aan de mens en besloten wordt met de oprechte zelfgave van de mens.
In de huidige context bestaat ook de neiging om zich de verhouding van de mens tot God op individualistische en geheel innerlijke wijze voor te stellen, alsof de roeping van God rechtstreeks de enkeling bereikt zonder enige bemiddeling van de gemeenschap en een voordeel of het heil van het geroepen individu beoogt en niet de totale toewijding aan God in de dienst aan de gemeenschap. Zo ontmoeten wij een andere diepere en tevens meer subtiele bedreiging die het onmogelijk maakt met vreugde de kerkelijke dimensie welke iedere christelijke roeping en speciaal de priesterroeping van nature heeft, te erkennen en te aanvaarden. Zoals het Concilie ons in herinnering brengt, verwerft het gewijde priesterschap zijn authentieke betekenis en verwerkelijkt het de volle waarheid van zichzelf in het dienen en dien groeien van de christelijke gemeenschap van de gelovigen. vgl: Lumen Gentium, 10[[[617|10]]] vgl: Presbyterorum Ordinis, 12[[[704|12]]]
De vermelde culturele context, die ook invloed heeft op de christenen en speciaal op de jongeren, helpt om te begrijpen hoe de crisis van de priesterroepingen, welke veroorzaakt wordt door en samengaat met een meer radicale geloofscrisis, zich uitbreidt. De Synodevaders hebben dat uitdrukkelijk verklaard en zij hebben erkend dat de crisis van de priesterroepingen diepe wortels heeft in het culturele milieu en in de mentaliteit en het leven van de christenen. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (13)[[[2521|(13)]]]
Vandaar de dringende noodzaak dat de roepingenpastoraal van de Kerk zich beslist en met prioriteit richt op het herstel van de "christelijke mentaliteit", die opgewekt en onderhouden wordt door het geloof. Meer dan ooit is er een evangelisatie nodig die niet moe wordt het ware gelaat te tonen van God, de Vader die in Jezus Christus ieder van ons roept, en de ware zin van de menselijke vrijheid als beginsel en klacht van de verantwoordelijke zelfgave. Alleen zo zullen de grondslagen gelegd worden die onmisbaar zijn om alle roepingen, de priesterroepingen inbegrepen, in hun waarheid te kunnen begrijpen, in hun schoonheid te kunnen beminnen en met totale toewijding en diepe vreugde te kunnen verwezenlijken.
Referenties naar alinea 37: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 4 Inhoud en middelen van de roepingpastoraal
38
De roeping is zeker een ondoorgrondelijk mysterie dat de relatie insluit die God aangaat met de mens in diens enigheid en onherhaalbaarheid. Zij is een mysterie dat begrepen en ervaren wordt als een oproep die op een antwoord wacht in het diepst van het geweten, van dat heiligdom van de mens waarin hij alleen is met God, wiens stem in zijn binnenste weerklinkt. vgl: Gaudium et Spes, 16[[[575|16]]] Maar dat sluit de gemeenschapsdimensie en speciaal de kerkelijke dimensie niet uit. In de roeping van iedere priester is ook de Kerk werkelijk tegenwoordig en werkzaam. In de dienst aan de priesterroeping en aan het verloop daarvan ofwel aan het ontstaan, de onderscheiding en de begeleiding van de roeping kan de Kerk een voorbeeld vinden in Andreas, één van de eerste twee leerlingen die Jezus volgen. Hij vertelt zelf aan zijn broer wat hem overkomen is: "Wij hebben de Messias -vertaald betekend dit: de Gezalfde- gevonden" (Joh.1, 41)[b:Joh.1, 41]. En het verhaal van deze "ontdekking" opent de weg voor de ontmoeting: "En hij bracht hem bij Jezus" (Joh. 1, 42)[b:Joh. 1, 42]. Er is geen twijfel mogelijk over het absoluut vrij initiatief en de vrij beslissing van Jezus. Het is Jezus die Simon roept en hem een nieuwe naam geeft: "Jezus zag hem aan en zeide: 'Gij zijt Simon, de zoon van Johannes; gij zult Kefas -dat betekend: rots - genoemd worden'" (Joh. 1, 42)[b:Joh. 1, 42]. Maar ook Andreas heeft een initiatief genomen: hij heeft gezorgd voor de ontmoeting van zijn broer met Jezus.
"En hij bracht hem bij Jezus". Hier ligt in zekere zin de kern van heel de roepingenpastoraal van de Kerk, waardoor zij zorgt voor het ontstaan en de groei van de roepingen, met gebruikmaking van de gaven en de verantwoordelijkheden, de charisma's en de bediening die zij van Christus en van zijn Geest ontvangen heeft. Als priesterlijk, profetisch en koninklijk volk is de Kerk verplicht om het ontstaan en het rijpen van de priesterroepingen te bevorderen en te dienen door het gebed en het sacramentele leven, door de verkondiging van het woord, door de opvoeding tot het geloof en door de leiding en het getuigenis van de liefde.
Voor de Kerk in haar waardigheid en verantwoordelijkheid van priesterlijk volk zijn het gebed en de viering van de liturgie de wezenlijke en primaire momenten van de roepingenpastoraal. Want het christelijk gebed, gevoed door het woord van God, schept de ideale ruimte waarin ieder de waarheid over zijn leven kan ontdekken, alsmede de identiteit van het persoonlijke en onherhaalbare levensproject dat de Vader hem toevertrouwt. Het is dus nodig in het bijzonder de jongens en de jongeren op te voeden tot trouw aan het gebed en aan het overwegen van het woord Gods. In de stilte en het luisteren kunnen zij de roeping door God tot het priesterschap onderscheiden en bereidwillig en edelmoedig volgen.
De Kerk moet iedere dag de overtuigende en veeleisende uitnodiging aannemen van Jezus die vraagt om "de heer van de oost" te bidden "arbeiders te sturen om te oogsten" (Mt. 9, 38)[b:Mt. 9, 38]. Gehoorzamend aan het gebod van Christus belijdt de Kerk voor alles nederig haar geloof: door te bidden voor roepingen, waarvan zij heel de dringende noodzaak voor haar leven en zending inziet, erkent zij dat ze een gave van God zijn en daarom onophoudelijk en vol vertrouwen afgesmeekt moeten worden. In dit gebed, dat de spil is van heel de roepingenpastoraal, moeten echter niet alleen de erkenningen maar ook heel de kerkelijke gemeenschap betrokken worden. Niemand twijfelt aan het belang van de afzonderlijke initiatieven voor het gebed, van de specifieke ogenblikken die gereserveerd zijn voor het gebed, te beginnen bij de jaarlijkse werelddag voor de roepingen[d:35], en aan de uitdrukkelijke inzet van enkelingen en van groepen die bijzonder gevoelig zijn voor het probleem van de priesterroepingen. Maar de biddende verwachting van nieuwe roepingen moet nu steeds meer een voortdurende en ruim gedeelde gewoonte worden in heel de christelijke gemeenschap en in iedere kerkelijke realiteit. Zo kan men opnieuw de evaring beleven van de apostelen die in de bovenzaal samen met Maria in gebed de uitstoring van de heilige Geest afwachten (Hand. 1, 14)[[b:Hand. 1, 14]], die niet zal nalaten nog over het volk van God tot de dienst van het altaar bedienaren te roepen die onverschrokken en vol liefde het Evangelie verkondigen. Gebed van de Mis voor priester- en diakenroepingen[[1209]]
De liturgie, die het hoogtepunt en de bron is van het leven van de Kerk vgl: Sacrosanctum Concilium, 10[[[570|10]]] en in het bijzonder van elk christelijk gebed, heeft ook een onmisbare rol en een bevoorrechte invloed in de roepingenpastoraal. Zij vormt een levende Evangelie van de gave van God en een belangrijke school voor het antwoord op zijn roeping. Iedere liturgische viering en vooral de Eucharistieviering toont ons het ware gelaat van God, doet ons delen in het paasmysterie ofwel in het "uur" waarvoor Jezus in de wereld is gekomen en waarnaar Hij vrij en vrijwillig op weg is gegaan in gehoorzaamheid aan de roeping van de Vader (Joh. 13, 1)[[b:Joh. 13, 1]]. Zij toont ons ook het gelaat van de Kerk als een volk van priesters en als een gemeenschap die goed geleed is in de verscheidenheid van de elkaar aanvullende charisma's en roepingen Christus' offer der verlossing, dat de Kerk in het eucharistische mysterie viert, geeft een bijzonder kostbare waarde aan het lijden dat in vereniging met de Heer Jezus gedragen wordt. De Synodevaders hebben ons uit genodigd nooit te vergeten dat "de zieke christen door het aanbieden van het lijden, dat zo vaak voorkomt in het leven van de mensen, zichzelf als slachtoffer aanbiedt aan God, naar gelijkenis van Christus die zichzelf heeft toegewijd voor ons allen" (Joh. 17, 19)[[b:Joh. 17, 19]], en dat "het offer van het lijden met de bedoeling veel waarde heeft voor het bevorderen van de roepingen". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (15)[[2521|(15)]]
"En hij bracht hem bij Jezus". Hier ligt in zekere zin de kern van heel de roepingenpastoraal van de Kerk, waardoor zij zorgt voor het ontstaan en de groei van de roepingen, met gebruikmaking van de gaven en de verantwoordelijkheden, de charisma's en de bediening die zij van Christus en van zijn Geest ontvangen heeft. Als priesterlijk, profetisch en koninklijk volk is de Kerk verplicht om het ontstaan en het rijpen van de priesterroepingen te bevorderen en te dienen door het gebed en het sacramentele leven, door de verkondiging van het woord, door de opvoeding tot het geloof en door de leiding en het getuigenis van de liefde.
Voor de Kerk in haar waardigheid en verantwoordelijkheid van priesterlijk volk zijn het gebed en de viering van de liturgie de wezenlijke en primaire momenten van de roepingenpastoraal. Want het christelijk gebed, gevoed door het woord van God, schept de ideale ruimte waarin ieder de waarheid over zijn leven kan ontdekken, alsmede de identiteit van het persoonlijke en onherhaalbare levensproject dat de Vader hem toevertrouwt. Het is dus nodig in het bijzonder de jongens en de jongeren op te voeden tot trouw aan het gebed en aan het overwegen van het woord Gods. In de stilte en het luisteren kunnen zij de roeping door God tot het priesterschap onderscheiden en bereidwillig en edelmoedig volgen.
De Kerk moet iedere dag de overtuigende en veeleisende uitnodiging aannemen van Jezus die vraagt om "de heer van de oost" te bidden "arbeiders te sturen om te oogsten" (Mt. 9, 38)[b:Mt. 9, 38]. Gehoorzamend aan het gebod van Christus belijdt de Kerk voor alles nederig haar geloof: door te bidden voor roepingen, waarvan zij heel de dringende noodzaak voor haar leven en zending inziet, erkent zij dat ze een gave van God zijn en daarom onophoudelijk en vol vertrouwen afgesmeekt moeten worden. In dit gebed, dat de spil is van heel de roepingenpastoraal, moeten echter niet alleen de erkenningen maar ook heel de kerkelijke gemeenschap betrokken worden. Niemand twijfelt aan het belang van de afzonderlijke initiatieven voor het gebed, van de specifieke ogenblikken die gereserveerd zijn voor het gebed, te beginnen bij de jaarlijkse werelddag voor de roepingen[d:35], en aan de uitdrukkelijke inzet van enkelingen en van groepen die bijzonder gevoelig zijn voor het probleem van de priesterroepingen. Maar de biddende verwachting van nieuwe roepingen moet nu steeds meer een voortdurende en ruim gedeelde gewoonte worden in heel de christelijke gemeenschap en in iedere kerkelijke realiteit. Zo kan men opnieuw de evaring beleven van de apostelen die in de bovenzaal samen met Maria in gebed de uitstoring van de heilige Geest afwachten (Hand. 1, 14)[[b:Hand. 1, 14]], die niet zal nalaten nog over het volk van God tot de dienst van het altaar bedienaren te roepen die onverschrokken en vol liefde het Evangelie verkondigen. Gebed van de Mis voor priester- en diakenroepingen[[1209]]
De liturgie, die het hoogtepunt en de bron is van het leven van de Kerk vgl: Sacrosanctum Concilium, 10[[[570|10]]] en in het bijzonder van elk christelijk gebed, heeft ook een onmisbare rol en een bevoorrechte invloed in de roepingenpastoraal. Zij vormt een levende Evangelie van de gave van God en een belangrijke school voor het antwoord op zijn roeping. Iedere liturgische viering en vooral de Eucharistieviering toont ons het ware gelaat van God, doet ons delen in het paasmysterie ofwel in het "uur" waarvoor Jezus in de wereld is gekomen en waarnaar Hij vrij en vrijwillig op weg is gegaan in gehoorzaamheid aan de roeping van de Vader (Joh. 13, 1)[[b:Joh. 13, 1]]. Zij toont ons ook het gelaat van de Kerk als een volk van priesters en als een gemeenschap die goed geleed is in de verscheidenheid van de elkaar aanvullende charisma's en roepingen Christus' offer der verlossing, dat de Kerk in het eucharistische mysterie viert, geeft een bijzonder kostbare waarde aan het lijden dat in vereniging met de Heer Jezus gedragen wordt. De Synodevaders hebben ons uit genodigd nooit te vergeten dat "de zieke christen door het aanbieden van het lijden, dat zo vaak voorkomt in het leven van de mensen, zichzelf als slachtoffer aanbiedt aan God, naar gelijkenis van Christus die zichzelf heeft toegewijd voor ons allen" (Joh. 17, 19)[[b:Joh. 17, 19]], en dat "het offer van het lijden met de bedoeling veel waarde heeft voor het bevorderen van de roepingen". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (15)[[2521|(15)]]
Referenties naar alinea 38: 1
De priester, herder en leidsman van de parochiegemeenschap ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
39
De Kerk voelt het in de uitoefening van haar profetische zending als een verplichte en onontkoombare taak om de christelijke zin van de roeping, men zou kunnen zeggen "het Evangelie van de roeping", te verkondigen daarvan te getuigen. Zij voelt dringende karakter, ook op dit gebied, van de woorden van de apostel Paulus: "Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig" (1 Kor. 9, 16)[b:1 Kor. 9, 16]. Deze waarschuwing weerklinkt vooral voor ons, herders, en betreft samen met ons allen opvoeders in de Kerk. De prediking en de catechese moeten altijd hun innerlijke dimensie van roeping tonen. Het woord van God geeft aan de gelovigen het licht om aan het leven de waarde te verlenen van een antwoord op de roeping door God en helpt hen om de gave van de persoonlijke roeping in geloof te aanvaarden.
Maar dit alles is niet voldoende, ook al is het belangrijk en wezenlijk. Er is een "directe prediking" nodig "over het mysterie van de roeping in de Kerk, over de waarde van het gewijde priesterschap, over de dringende noodzaak daarvan voor het volk Gods". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (15)[[2521|(15)]] Een organische catechese, die aan alle leden van de Kerk gebonden wordt, verdrijft twijfels en bestrijdt eenzijdige of misvormde ideeën over het priesterambt. Bovendien opent zij de harten van de gelovigen voor de verwachting van de gave en schept zij gunstige voorwaarden voor het ontstaan van nieuwe roepingen. De tijd is gekomen om moedig over het priesterleven te spreken als over een onschatbare waarde en als over een schitterende en bevoorrechte vorm van christelijk leven. De opvoeders en vooral de priesters moeten geen angst hebben de roeping tot het priesterschap op uitdrukkelijke en krachtige wijze als een reële mogelijkheid voor te houden aan die jongen die tonen dat zij de gaven en kwaliteiten bezitten welke daaraan beantwoorden. Men moet beslist niet vrezen dat men hen conditioneert of hun vrijheid beperkt integendeel een duidelijk voorstel op het juiste ogenblik kan beslissend zijn voor het oproepen van een vrij en authentiek antwoord bij de jongeren. De geschiedenis van de Kerk en die van de vele priesterroepingen die ontloken zijn ook op jonge leeftijd, getuigen trouwens rijkelijk dat de nabijheid en het woord van een priester providentieel zijn. Niet alleen het woord maar ook de nabijheid van een priester, d.w.z. een concreet en blij getuigenis, dat in staat is vragen op te roepen en ook tot definitieve beslissingen te leiden.
Maar dit alles is niet voldoende, ook al is het belangrijk en wezenlijk. Er is een "directe prediking" nodig "over het mysterie van de roeping in de Kerk, over de waarde van het gewijde priesterschap, over de dringende noodzaak daarvan voor het volk Gods". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (15)[[2521|(15)]] Een organische catechese, die aan alle leden van de Kerk gebonden wordt, verdrijft twijfels en bestrijdt eenzijdige of misvormde ideeën over het priesterambt. Bovendien opent zij de harten van de gelovigen voor de verwachting van de gave en schept zij gunstige voorwaarden voor het ontstaan van nieuwe roepingen. De tijd is gekomen om moedig over het priesterleven te spreken als over een onschatbare waarde en als over een schitterende en bevoorrechte vorm van christelijk leven. De opvoeders en vooral de priesters moeten geen angst hebben de roeping tot het priesterschap op uitdrukkelijke en krachtige wijze als een reële mogelijkheid voor te houden aan die jongen die tonen dat zij de gaven en kwaliteiten bezitten welke daaraan beantwoorden. Men moet beslist niet vrezen dat men hen conditioneert of hun vrijheid beperkt integendeel een duidelijk voorstel op het juiste ogenblik kan beslissend zijn voor het oproepen van een vrij en authentiek antwoord bij de jongeren. De geschiedenis van de Kerk en die van de vele priesterroepingen die ontloken zijn ook op jonge leeftijd, getuigen trouwens rijkelijk dat de nabijheid en het woord van een priester providentieel zijn. Niet alleen het woord maar ook de nabijheid van een priester, d.w.z. een concreet en blij getuigenis, dat in staat is vragen op te roepen en ook tot definitieve beslissingen te leiden.
Referenties naar alinea 39: 1
Getuigenis doet roepingen ontstaan ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
40
De Kerk weet dat zij als koninklijk volk geworteld is in en bezield worst door de "wet van de Geest die (...) het leven schenkt" (Rom. 8, 2)[b:Rom. 8, 2], welke wezenlijk de koninklijke wet van de liefde (Jak. 2, 8)[b:Jak. 2, 8] of de volmaakte wet van de vrijheid (Jak. 1, 25)[b:Jak. 1, 25] is. zij vervult daarom haar zending als zij iedere gelovige helpt zijn eigen roeping in vrijheid te ontdekken en te verwerkelijken en in liefde tot voltooiing te brengen. in haar opvoedkundige taak beoogt de Kerk met bevoorrechte aandacht in de jongens, jongeren en jongemannen het verlangen en de wil op te wekken tot een volledig en bindend volgen van Jezus Christus. Het werk van de opvoeding, dat ook de christelijk gemeenschap als zodanig betreft, moet zich op de afzonderlijke mens richten. Want God raakt door zijn roeping het hart van iedere mens en de Geest die in het binnenste van iedere leerling woont (1 Joh. 3, 24)[b:1 Joh. 3, 24] schenkt zich aan de christenen met diverse charisma's en bijzondere openbaringen. Iedere christen moet dus geholpen worden om de gave te onderscheiden die juist aan hem als unieke en onherhaalbare persoon is toevertrouwd en om naar de woorden te luisteren die de Geest van God speciaal tot hem richt.
Wat dit betreft zal de zorg voor de roepingen tot het priesterschap zich ook weten uit te drukken in een stellig en overtuigend aanbod van geestelijke leiding. Het is nodig om de grote traditie van de persoonlijke geestelijke begeleiding opnieuw te ontdekken, welke altijd vele kostbare vruchten gedragen heeft in het leven van de Kerk. In bepaalde gevallen kan zij, onder nauwkeurige voorwaarden, geholpen worden, maar niet vervangen, door gezonde vormen van psychoanalyse of psychologische bijstand. vgl: Codex Iuris Canonici, 220,642[[[30|220.642]]] De jongens, jongeren en jongemannen moeten uitgenodigd worden om de gave van de geestelijke leiding te ontdekken en te waarderen, om haar te zoeken en te beproeven, om haar met vertrouwen en aandrang te vragen aan degenen die hen opvoeden in het geloof. Van hun kant moeten de priesters de eersten zijn om tijd en energie te besteden aan dit werk van opvoeding en van persoonlijke geestelijke bijstand. Zij zullen er nooit spijt van hebben zoveel andere zaken, ook mooie en nuttige zaken, verwaarloosd of op tweede plaats gesteld te hebben, als dit onvermijdelijke was om trouw te blijven aan hun taak van medewerkers van de Geest in het voorlichten en leiden van de geroepenen
Het doel van de christelijke opvoeding is om onder de invloed van de Geest te komen "tot de gehele omvang van de volheid van de Christus" (Ef. 4, 13)[b:Ef. 4, 13]. Dat gebeurd wanneer men, door de liefde van Christus na te volgen en te delen, van heel zijn leven een liefdedienst maakt (Joh. 13, 14-15)[[b:Joh. 13, 14-15]], aan God een Hem welgevallige geestelijke eredienst aanbiedt (Rom. 12, 1)[[b:Rom. 12, 1]] en zich aan de broeders geeft. De liefdedienst is de fundamentele zin van iedere roeping welke in de roeping van de priester een specifieke verwerkelijking vindt. Hij is immers geroepen om in de radicaalst mogelijke vorm de herderlijke liefde van Jezus te doen herleven, de liefde dus van de goede herder die "zijn leven geeft voor zijn schapen" (Joh. 10, 11)[b:Joh. 10, 11]. Daarom zal een authentieke roepingpastoraal nooit moe worden om de jongen, jongeheren en jongemannen op te voeden tot de smaak voor inspanning, tot de zin van onbaatzuchtige dienst, tot de waarde van het offer, tot de onvoorwaardelijke zelfgave. Dan wordt de ervaring van het vrijwilligerswerk bijzonder nuttig, waarvoor de gevoeligheid bij veel jongeren groeit. Als dat vrijwilligerswerk evangelisch gemotiveerd is, in staat is op te voeden tot het onderkennen van de noden, iedere dag toegewijd en trouw wordt verricht, openstaat voor de mogelijkheid van een definitieve inzet in het godgewijde leven en gevoed wordt door gebed, zal het met meer zekerheid een steun zijn voor een leven van onbaatzuchtige en belangeloze inzet en degene die zich eraan wijdt gevoeliger maken voor de stem van God, die hem tot het priesterschap kan roepen. Anders dan de rijke jongeman zou de vrijwilliger de uitnodiging kunnen aanvaarden die Jezus vol liefde tot hem richt (Mc. 10, 21)[b:Mc. 10, 21]. En hij zou haar kunnen aanvaarden omdat zijn enige goederen reeds bestaan in het geven van zichzelf aan de anderen en in het "verliezen" van zijn leven.
Wat dit betreft zal de zorg voor de roepingen tot het priesterschap zich ook weten uit te drukken in een stellig en overtuigend aanbod van geestelijke leiding. Het is nodig om de grote traditie van de persoonlijke geestelijke begeleiding opnieuw te ontdekken, welke altijd vele kostbare vruchten gedragen heeft in het leven van de Kerk. In bepaalde gevallen kan zij, onder nauwkeurige voorwaarden, geholpen worden, maar niet vervangen, door gezonde vormen van psychoanalyse of psychologische bijstand. vgl: Codex Iuris Canonici, 220,642[[[30|220.642]]] De jongens, jongeren en jongemannen moeten uitgenodigd worden om de gave van de geestelijke leiding te ontdekken en te waarderen, om haar te zoeken en te beproeven, om haar met vertrouwen en aandrang te vragen aan degenen die hen opvoeden in het geloof. Van hun kant moeten de priesters de eersten zijn om tijd en energie te besteden aan dit werk van opvoeding en van persoonlijke geestelijke bijstand. Zij zullen er nooit spijt van hebben zoveel andere zaken, ook mooie en nuttige zaken, verwaarloosd of op tweede plaats gesteld te hebben, als dit onvermijdelijke was om trouw te blijven aan hun taak van medewerkers van de Geest in het voorlichten en leiden van de geroepenen
Het doel van de christelijke opvoeding is om onder de invloed van de Geest te komen "tot de gehele omvang van de volheid van de Christus" (Ef. 4, 13)[b:Ef. 4, 13]. Dat gebeurd wanneer men, door de liefde van Christus na te volgen en te delen, van heel zijn leven een liefdedienst maakt (Joh. 13, 14-15)[[b:Joh. 13, 14-15]], aan God een Hem welgevallige geestelijke eredienst aanbiedt (Rom. 12, 1)[[b:Rom. 12, 1]] en zich aan de broeders geeft. De liefdedienst is de fundamentele zin van iedere roeping welke in de roeping van de priester een specifieke verwerkelijking vindt. Hij is immers geroepen om in de radicaalst mogelijke vorm de herderlijke liefde van Jezus te doen herleven, de liefde dus van de goede herder die "zijn leven geeft voor zijn schapen" (Joh. 10, 11)[b:Joh. 10, 11]. Daarom zal een authentieke roepingpastoraal nooit moe worden om de jongen, jongeheren en jongemannen op te voeden tot de smaak voor inspanning, tot de zin van onbaatzuchtige dienst, tot de waarde van het offer, tot de onvoorwaardelijke zelfgave. Dan wordt de ervaring van het vrijwilligerswerk bijzonder nuttig, waarvoor de gevoeligheid bij veel jongeren groeit. Als dat vrijwilligerswerk evangelisch gemotiveerd is, in staat is op te voeden tot het onderkennen van de noden, iedere dag toegewijd en trouw wordt verricht, openstaat voor de mogelijkheid van een definitieve inzet in het godgewijde leven en gevoed wordt door gebed, zal het met meer zekerheid een steun zijn voor een leven van onbaatzuchtige en belangeloze inzet en degene die zich eraan wijdt gevoeliger maken voor de stem van God, die hem tot het priesterschap kan roepen. Anders dan de rijke jongeman zou de vrijwilliger de uitnodiging kunnen aanvaarden die Jezus vol liefde tot hem richt (Mc. 10, 21)[b:Mc. 10, 21]. En hij zou haar kunnen aanvaarden omdat zijn enige goederen reeds bestaan in het geven van zichzelf aan de anderen en in het "verliezen" van zijn leven.
Referenties naar alinea 40: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 5 Wij zijn allen verantwoordelijk voor de priesterroepingen
41
Getuigenis doet roepingen ontstaan ->=geentekst=
Roepingen bevorderen in de lokale Kerk ->=geentekst=
De priesterroeping is een gave van God, welke zeker een groot goed vormt voor hem voor wie zij het eerst bestemd is. Maar het is ook een gave voor de gehele Kerk, een goed voor haar leven en zending. De Kerk is dus geroepen deze gave te bewaren, te waarderen en te beminnen. Zij is verantwoordelijk voor het ontstaan en het rijpen van de priesterroepingen. Bijgevolg heeft de roepingpastoraal als actief subject, als protagonist, de kerkgemeenschap als zodanig, in haar diverse geledingen: vanaf de universele Kerk tot aan de particuliere Kerk tot aan de parochie en tot aan alle leden van het volk Gods. Het is vooral nu dringend noodzakelijk dat zich de overtuiging vestigt en verbreidt dat alle leden van de Kerk zonder uitzondering de genade en de verantwoordelijkheid hebben voor de zorg voor de roepingen. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft zeer uitdrukkelijk verklaard dat "het bevorderen van de roepingen een taak is van de gehele christengemeenschap, die dit allereerst moet bewerken door een volledig christelijk leven". Optatam Totius Ecclesiae, 2[[675|2]] Alleen op de basis van deze overtuiging zal de roepingenpastoraal haar werkelijk kerkelijk gelaat kunnen tonen en een eendrachtige actie ontplooien, met behulp van specifieke organen en geschikte werktuigen van gemeenschap en medeverantwoordelijkheid.
De eerste verantwoordelijkheid voor de pastoraal van de priesterroepingen ligt bij de bisschop, vgl: Christus Dominus, 15[[[646|15]]] die geroepen is om haar als eerste uit te voeren, ook als zal hij veelvuldige medewerking mogen en moeten opwekken. Hij is vader en vriend in zijn priestercollege en het is vooral zijn zorg om "continuïteit te geven" aan het priesterlijk charisma en ambt en er door de handoplegging nieuwe krachten aan toe te voegen. Hij zal er zorg voor dragen dat de dimensie van de roepingenpastoraal steeds aanwezig is in heel het kader van de gewone pastoraal, ja daarin volledig opgenomen is en als het ware daaraan identiek is. Het is zijn taak de verschillende initiatieven voor de roepingen te bevorderen en te coördineren.
De bisschop weet dat hij bovenal kan rekenen op de medewerking van zijn priestercollege. Alle priesters zijn met hem solidair en medeverantwoordelijk in het zoeken en bevorderen van priesterroepingen. Want, zoals het Concilie verklaart, "als opvoeders in het geloof is het (...) de taak van de priesters er zelf of door anderen voor te zorgen, dat iedere gelovige in de heilige Geest wordt gebracht tot ontplooiing van zijn eigen roeping". Presbyterorum Ordinis, 6[[704|6]] Dat is een plicht die "behoort tot de priesterlijke zending zelf, waardoor de priester deel gaat krijgen aan de zorg voor heel de Kerk, opdat er bij het volk van God hier op aarde nooit gebrek aan werklieden zou zijn". Presbyterorum Ordinis, 11[[704|11]] Het leven zelf van de priesters, hun onvoorwaardelijke toewijding aan de kudde van God, hun getuigenis van liefderijke dienst aan de Heer en aan de Kerk, een getuigenis dat gekenmerkt wordt door de keuze voor het kruis, aanvaard in de hoop en de vreugde van Pasen, en hun broederlijke eendracht en hun ijver voor de evangelisatie van de wereld zijn de eerste en meest overtuigende factor van vruchtbaarheid wat de roepingen betreft.vgl: Optatam Totius Ecclesiae, 2[[[675|2]]]
Een heel bijzondere verantwoordelijkheid is toevertrouwd aan het christelijk gezin, dat krachtens het sacrament van het huwelijk op eigen en oorspronkelijke wijze deelneemt aan de opvoedkundige zending van de Kerk, lerares en moeder. Zoals de Synodevaders geschreven hebben, "heeft het christelijk gezin dat werkelijk 'als een huiswerk is' Lumen Gentium, 11[[617|11]], altijd de gunstige voorwaarden geboden voor het ontstaan van roepingen en het blijft dit doen. Omdat het beeld van het christelijk gezin nu in gevaar verkeert, moet groot gewicht worden aan de gezinspastoraal, zodat de gezinnen zelf, die edelmoedig het geschenk van het leven aanvaarden, 'als het ware het eerste seminarie' vormen Optatam Totius Ecclesiae, 2[[675|2]], waarin de kinderen van het begin af de zin voor vroomheid, gebed en liefde voor de Kerk verwerven". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (14)[[2521|(14)]] De school is, in continuïteit en samenhang met het werk van de ouders en van het gezin, geroepen om haar identiteit van "opvoedende gemeenschap" waar te maken ook door een cultureel aanbod dat in staat is licht te werpen op de dimensie van de roeping als oorspronkelijke en fundamentele waarde voor de mens. Als de school op passende wijze verrijkt is met christelijke geest (door betekenisvolle kerkelijke aanwezigheid in de openbare scholen, volgens de verschillende landelijke regelingen, en vooral door de katholiciteit van de bijzondere scholen), kan zij "in het hart van de jongens en de jongeren het verlangen storten om de wil van God te volbrengen in de voor ieder meeste geschikte levensstaat, zonder ooit de roeping tot het priesterschap uit te sluiten". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (16)[[2521|(16)]]
Ook de leken-gelovigen, vooral de catechisten, de leerkrachten, de opvoeders en degenen die belast zijn met de jongerenpastoraal, hebben ieder met eigen middelen en vormen een belangrijke taak in de pastoraal van de priesterroepingen. Hoe meer zij de zin van hun roeping en zending in de Kerk verdiepen, des te meer kunnen zijde waarde en de onvervangbaarheid van de priesterroeping en -zending erkennen.
In het kader van de diocesane en parochiële gemeenschappen moeten de groepen waarvan de leden door gebed en offer alsmede door morele en materiële steun hun bijdrage leveren voor de roepingen tot het priesterschap en het kloosterleven, gewaardeerd en bevorderd worden.
Ook moeten de talrijke groepen, bewegingen en associaties van leken-gelovigen vermeld worden welke de heilige Geest opwekt in de Kerk en doet groeien met het oog op een meer missionaire christelijke aanwezigheid in de wereld. Deze verschillende groeperingen van leken blijken een bijzonder vruchtbaar terrein te zijn voor het ontluiken van gewijde roepingen en echte plaatsen voor aanbod en groei van roepingen. Inderdaad hebben vele jongeren juist binnen en dank zij deze groeperingen de roeping van de Heer om Hem te volgen op de weg van het gewijde priesterschap ontdekt vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (16)[[[2521|(16)]]] en daarop met bemoedigende edelmoedigheid geantwoord. Zij moeten dus aangemoedigd worden, opdat zij in gemeenschap met de gehele Kerk en voor de groei van de Kerk hun specifieke bijdrage leveren tot de ontwikkeling van de roepingenpastoraal.
De verschillende delen en leden van de Kerk die zich inzetten voor de roepingenpastoraal zullen hun werk des te doeltreffender maken naarmate zij de kerkelijke gemeenschap als zodanig, te beginnen bij de parochies, zullen stimuleren om te begrijpen dat het probleem van de priesterroepingen beslist niet gedelegeerd kan worden aan enige personen die daarmee belast worden (de priester in het algemeen, de priesters van het seminarie in het bijzonder). Want dat probleem moet in het middelpunt staan van de liefde van iedere christen voor de Kerk, omdat het "een vitaal probleem is dat in het hart zelf van de Kerk staat". Boodschap voor de 22e wereldgebedsdag voor roepingen, 1[[2816|1]]
De eerste verantwoordelijkheid voor de pastoraal van de priesterroepingen ligt bij de bisschop, vgl: Christus Dominus, 15[[[646|15]]] die geroepen is om haar als eerste uit te voeren, ook als zal hij veelvuldige medewerking mogen en moeten opwekken. Hij is vader en vriend in zijn priestercollege en het is vooral zijn zorg om "continuïteit te geven" aan het priesterlijk charisma en ambt en er door de handoplegging nieuwe krachten aan toe te voegen. Hij zal er zorg voor dragen dat de dimensie van de roepingenpastoraal steeds aanwezig is in heel het kader van de gewone pastoraal, ja daarin volledig opgenomen is en als het ware daaraan identiek is. Het is zijn taak de verschillende initiatieven voor de roepingen te bevorderen en te coördineren.
De bisschop weet dat hij bovenal kan rekenen op de medewerking van zijn priestercollege. Alle priesters zijn met hem solidair en medeverantwoordelijk in het zoeken en bevorderen van priesterroepingen. Want, zoals het Concilie verklaart, "als opvoeders in het geloof is het (...) de taak van de priesters er zelf of door anderen voor te zorgen, dat iedere gelovige in de heilige Geest wordt gebracht tot ontplooiing van zijn eigen roeping". Presbyterorum Ordinis, 6[[704|6]] Dat is een plicht die "behoort tot de priesterlijke zending zelf, waardoor de priester deel gaat krijgen aan de zorg voor heel de Kerk, opdat er bij het volk van God hier op aarde nooit gebrek aan werklieden zou zijn". Presbyterorum Ordinis, 11[[704|11]] Het leven zelf van de priesters, hun onvoorwaardelijke toewijding aan de kudde van God, hun getuigenis van liefderijke dienst aan de Heer en aan de Kerk, een getuigenis dat gekenmerkt wordt door de keuze voor het kruis, aanvaard in de hoop en de vreugde van Pasen, en hun broederlijke eendracht en hun ijver voor de evangelisatie van de wereld zijn de eerste en meest overtuigende factor van vruchtbaarheid wat de roepingen betreft.vgl: Optatam Totius Ecclesiae, 2[[[675|2]]]
Een heel bijzondere verantwoordelijkheid is toevertrouwd aan het christelijk gezin, dat krachtens het sacrament van het huwelijk op eigen en oorspronkelijke wijze deelneemt aan de opvoedkundige zending van de Kerk, lerares en moeder. Zoals de Synodevaders geschreven hebben, "heeft het christelijk gezin dat werkelijk 'als een huiswerk is' Lumen Gentium, 11[[617|11]], altijd de gunstige voorwaarden geboden voor het ontstaan van roepingen en het blijft dit doen. Omdat het beeld van het christelijk gezin nu in gevaar verkeert, moet groot gewicht worden aan de gezinspastoraal, zodat de gezinnen zelf, die edelmoedig het geschenk van het leven aanvaarden, 'als het ware het eerste seminarie' vormen Optatam Totius Ecclesiae, 2[[675|2]], waarin de kinderen van het begin af de zin voor vroomheid, gebed en liefde voor de Kerk verwerven". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (14)[[2521|(14)]] De school is, in continuïteit en samenhang met het werk van de ouders en van het gezin, geroepen om haar identiteit van "opvoedende gemeenschap" waar te maken ook door een cultureel aanbod dat in staat is licht te werpen op de dimensie van de roeping als oorspronkelijke en fundamentele waarde voor de mens. Als de school op passende wijze verrijkt is met christelijke geest (door betekenisvolle kerkelijke aanwezigheid in de openbare scholen, volgens de verschillende landelijke regelingen, en vooral door de katholiciteit van de bijzondere scholen), kan zij "in het hart van de jongens en de jongeren het verlangen storten om de wil van God te volbrengen in de voor ieder meeste geschikte levensstaat, zonder ooit de roeping tot het priesterschap uit te sluiten". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (16)[[2521|(16)]]
Ook de leken-gelovigen, vooral de catechisten, de leerkrachten, de opvoeders en degenen die belast zijn met de jongerenpastoraal, hebben ieder met eigen middelen en vormen een belangrijke taak in de pastoraal van de priesterroepingen. Hoe meer zij de zin van hun roeping en zending in de Kerk verdiepen, des te meer kunnen zijde waarde en de onvervangbaarheid van de priesterroeping en -zending erkennen.
In het kader van de diocesane en parochiële gemeenschappen moeten de groepen waarvan de leden door gebed en offer alsmede door morele en materiële steun hun bijdrage leveren voor de roepingen tot het priesterschap en het kloosterleven, gewaardeerd en bevorderd worden.
Ook moeten de talrijke groepen, bewegingen en associaties van leken-gelovigen vermeld worden welke de heilige Geest opwekt in de Kerk en doet groeien met het oog op een meer missionaire christelijke aanwezigheid in de wereld. Deze verschillende groeperingen van leken blijken een bijzonder vruchtbaar terrein te zijn voor het ontluiken van gewijde roepingen en echte plaatsen voor aanbod en groei van roepingen. Inderdaad hebben vele jongeren juist binnen en dank zij deze groeperingen de roeping van de Heer om Hem te volgen op de weg van het gewijde priesterschap ontdekt vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (16)[[[2521|(16)]]] en daarop met bemoedigende edelmoedigheid geantwoord. Zij moeten dus aangemoedigd worden, opdat zij in gemeenschap met de gehele Kerk en voor de groei van de Kerk hun specifieke bijdrage leveren tot de ontwikkeling van de roepingenpastoraal.
De verschillende delen en leden van de Kerk die zich inzetten voor de roepingenpastoraal zullen hun werk des te doeltreffender maken naarmate zij de kerkelijke gemeenschap als zodanig, te beginnen bij de parochies, zullen stimuleren om te begrijpen dat het probleem van de priesterroepingen beslist niet gedelegeerd kan worden aan enige personen die daarmee belast worden (de priester in het algemeen, de priesters van het seminarie in het bijzonder). Want dat probleem moet in het middelpunt staan van de liefde van iedere christen voor de Kerk, omdat het "een vitaal probleem is dat in het hart zelf van de Kerk staat". Boodschap voor de 22e wereldgebedsdag voor roepingen, 1[[2816|1]]
Referenties naar alinea 41: 3
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Getuigenis doet roepingen ontstaan ->=geentekst=
Roepingen bevorderen in de lokale Kerk ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- HOOFDSTUK 5 Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellenDe vorming van de kandidaten voor het priesterschap
- Artikel 1 Leven als volgeling van Christus zoals de apostelen
42
"Jezus ging de berg op en riep tot zich die Hij zelf wilde; en zij kwamen bij Hem. Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen en door Hem uitgezonden te worden om te prediken, met de macht de duivels uit te drijven" (Mc. 3, 13-15)[b:Mc. 3, 13-15].
"Om Hem te vergezellen". Het is niet moeilijk om in deze woorden "de begeleiding van de roeping" van de apostelen door Jezus te zien. Na de apostelen geroepen te hebben en alvorens hen uit te zenden, ja, teneinde hen te kunnen uitzenden om te prediken, vraagt Jezus van hen een "tijd" van vorming, bedoeld om een relatie van diepe gemeenschap en vriendschap met Hemzelf te ontwikkelen. Hij geeft aan hen een grondigere catechese dan aan de menigte (Mt. 13, 11)[[b:Mt. 13, 11]] en Hij wil dat zij getuigen zijn van zijn stil gebed tot de Vader (Joh. 17, 1-26; Lc. 22, 39-45)[[b:Joh. 17, 1-26; Lc. 22, 39-45]].
De Kerk laat zich in alle tijden door het voorbeeld van Christus inspireren in haar zorg voor de priesterroepingen. De concrete vormen van de inzet van de Kerk in de roepingenpastoraal, welke niet alleen bedoeld is om de roepingen tot het priesterschap te onderscheiden maar ook om ze te "begeleiden", zijn zeer verschillend geweest en zij zijn dat nog. Maar de geest welke die vormen moet bezielen en ondersteunen, blijft dezelfde: alleen hen die werkelijk geroepen zijn, tot het priesterschap brengen en met een passende vorming daartoe brengen, met een bewust en vrij antwoord, waardoor zij met heel hun persoon Jezus Christus aanhangen, die hen roept om in een vertrouwelijke omgang met Hem te leven en zijn heilszending te delen. Om deze reden is het "seminarie" in zijn verschillende vormen, en op analoge wijze het "vormingshuis" van priesterreligieuzen, niet zozeer een plaats of een materiële ruimte, maar meer een geestelijke ruimte, een levensweg, een atmosfeer, welke een zodanig proces van vorming verzekert en begunstigt dat degene die door Christus tot het priesterschap wordt geroepen met behulp van het sacrament van het priesterschap een levend beeld kan worden van Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk. In hun slotboodschap[2568] hebben de Synodevaders op directe en diepe wijze de oorspronkelijke en karakteristieke betekenis van de vorming van de vorming van de kandidaten voor het priesterschap samengevat, waar zij zeggen dat "het leven in een seminarie, school van de Evangelie, een leven betekent dat bestaat in het volgen van Christus, zoals de apostelen. Het betekent dat men zich door Hem laat inwijden in het dienen van de Vader en de mensen onder leiding van de heilige Geest; dat men zich gelijkvormig laat maken aan Christus, de goede Herder, voor een betere priesterlijke dienst in de Kerk en in de wereld. De vorming tot het priesterschap betekent ge raken aan het geven van een persoonlijk antwoord op de fundamentele vraag van Christus: "Hebt ge Mij lief?". Voor de toekomstige priester kan het antwoord slechts de totale gave van het eigen leven zijn". Boodschap van de synodevaders aan het volk van God, (4)[[2568|(4)]]
Het gaat erom dat deze geest, die nooit in de Kerk zal mogen ontbreken, te vertalen in de sociale, psychologische, politieke en culturele omstandigheden van de huidige wereld, welke even gevarieerd als gecompliceerd zijn, zoals de Synodevaders opgemerkt hebben met betrekking tot de diverse particuliere kerken. Met een nadruk vol bezorgdheid maar ook vol hoop hebben de Synodevaders kennis kunnen nemen van en lang kunnen nadenken over de inspanningen die men zich in al hun kerken getroost om de methoden van vorming van de kandidaten voor het priesterschap te zoeken en aan te passen.
Deze exhortatie wil de vruchten van het werk van de synode samenvatten, enige verworven zichten verstrekken, enige noodzakelijke doeleinden aanwijzen en de rijkdom van ervaringen en wegen van vorming welke reeds met positief resultaat beproefd zijn ter beschikking van allen stellen. In deze exhortatie worden de "inleidende" vorming en de "blijvende" vorming afzonderlijk behandeld, zonder ooit de diepe band te vergeten die beide verenigt en die van beide een enige en organische weg van christelijk en priesterlijk leven moet maken. De exhortatie blijft stilstaan bij de verschillende dimensies van menselijke, geestelijke, intellectuele en pastorale vorming, alsmede bij de milieus van de vorming van de kandidaten voor het priesterschap en bij de personen die verantwoordelijk zijn voor die vorming.
"Om Hem te vergezellen". Het is niet moeilijk om in deze woorden "de begeleiding van de roeping" van de apostelen door Jezus te zien. Na de apostelen geroepen te hebben en alvorens hen uit te zenden, ja, teneinde hen te kunnen uitzenden om te prediken, vraagt Jezus van hen een "tijd" van vorming, bedoeld om een relatie van diepe gemeenschap en vriendschap met Hemzelf te ontwikkelen. Hij geeft aan hen een grondigere catechese dan aan de menigte (Mt. 13, 11)[[b:Mt. 13, 11]] en Hij wil dat zij getuigen zijn van zijn stil gebed tot de Vader (Joh. 17, 1-26; Lc. 22, 39-45)[[b:Joh. 17, 1-26; Lc. 22, 39-45]].
De Kerk laat zich in alle tijden door het voorbeeld van Christus inspireren in haar zorg voor de priesterroepingen. De concrete vormen van de inzet van de Kerk in de roepingenpastoraal, welke niet alleen bedoeld is om de roepingen tot het priesterschap te onderscheiden maar ook om ze te "begeleiden", zijn zeer verschillend geweest en zij zijn dat nog. Maar de geest welke die vormen moet bezielen en ondersteunen, blijft dezelfde: alleen hen die werkelijk geroepen zijn, tot het priesterschap brengen en met een passende vorming daartoe brengen, met een bewust en vrij antwoord, waardoor zij met heel hun persoon Jezus Christus aanhangen, die hen roept om in een vertrouwelijke omgang met Hem te leven en zijn heilszending te delen. Om deze reden is het "seminarie" in zijn verschillende vormen, en op analoge wijze het "vormingshuis" van priesterreligieuzen, niet zozeer een plaats of een materiële ruimte, maar meer een geestelijke ruimte, een levensweg, een atmosfeer, welke een zodanig proces van vorming verzekert en begunstigt dat degene die door Christus tot het priesterschap wordt geroepen met behulp van het sacrament van het priesterschap een levend beeld kan worden van Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk. In hun slotboodschap[2568] hebben de Synodevaders op directe en diepe wijze de oorspronkelijke en karakteristieke betekenis van de vorming van de vorming van de kandidaten voor het priesterschap samengevat, waar zij zeggen dat "het leven in een seminarie, school van de Evangelie, een leven betekent dat bestaat in het volgen van Christus, zoals de apostelen. Het betekent dat men zich door Hem laat inwijden in het dienen van de Vader en de mensen onder leiding van de heilige Geest; dat men zich gelijkvormig laat maken aan Christus, de goede Herder, voor een betere priesterlijke dienst in de Kerk en in de wereld. De vorming tot het priesterschap betekent ge raken aan het geven van een persoonlijk antwoord op de fundamentele vraag van Christus: "Hebt ge Mij lief?". Voor de toekomstige priester kan het antwoord slechts de totale gave van het eigen leven zijn". Boodschap van de synodevaders aan het volk van God, (4)[[2568|(4)]]
Het gaat erom dat deze geest, die nooit in de Kerk zal mogen ontbreken, te vertalen in de sociale, psychologische, politieke en culturele omstandigheden van de huidige wereld, welke even gevarieerd als gecompliceerd zijn, zoals de Synodevaders opgemerkt hebben met betrekking tot de diverse particuliere kerken. Met een nadruk vol bezorgdheid maar ook vol hoop hebben de Synodevaders kennis kunnen nemen van en lang kunnen nadenken over de inspanningen die men zich in al hun kerken getroost om de methoden van vorming van de kandidaten voor het priesterschap te zoeken en aan te passen.
Deze exhortatie wil de vruchten van het werk van de synode samenvatten, enige verworven zichten verstrekken, enige noodzakelijke doeleinden aanwijzen en de rijkdom van ervaringen en wegen van vorming welke reeds met positief resultaat beproefd zijn ter beschikking van allen stellen. In deze exhortatie worden de "inleidende" vorming en de "blijvende" vorming afzonderlijk behandeld, zonder ooit de diepe band te vergeten die beide verenigt en die van beide een enige en organische weg van christelijk en priesterlijk leven moet maken. De exhortatie blijft stilstaan bij de verschillende dimensies van menselijke, geestelijke, intellectuele en pastorale vorming, alsmede bij de milieus van de vorming van de kandidaten voor het priesterschap en bij de personen die verantwoordelijk zijn voor die vorming.
Referenties naar alinea 42: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- === De dimensies van de priesterlijke vorming
- Subparagraaf 1 De menselijke vorming, grondslag van heel de priesterlijke vorming
43
"Zonder een passende menselijke vorming zou heel de priesterlijke vorming haar noodzakelijk fundament missen". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (21)[[2521|(21)]] Deze uitspraak van de Synodevaders drukt niet alleen een gegeven uit dat iedere dag door de rede gesuggereerd en door de ervaring bevestigd wordt, maar een eis die zijn diepste en specifieke grond vindt in de natuur zelf van de priester en van zijn dienstwerk. De priester, die geroepen is om een "levend beeld" te zijn van Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk, moet ernaar streven in zichzelf zoveel mogelijk de menselijke volmaaktheid te weerspiegelen welke straalt in de mensgeworden Zoon van God en met buitengewone doeltreffendheid doorschijnt in zijn houding tegenover de anderen, zoals de evangelisten deze weergeven. Het is de taak van de priester om het woord te verkondigen, de sacramenten te vieren en "in de naam en de persoon van Christus" de christelijke gemeenschap te leiden in de liefde. Maar hij richt zich daarbij altijd en alleen tot de concrete mensen: "Want elke hogepriester wordt genomen uit de mensen en aangesteld voor de mensen, om hen te vertegenwoordigen bij God" (Heb. 5, 1)[b:Heb. 5, 1]. De menselijke vorming van de priester blijkt daarom bijzonder belangrijk met betrekking tot degenen voor wie zijn zending bestemd is. juist om zijn ambt menselijk gezien zo geloofwaardig en aanvaardbaar mogelijk te doen zijn is het nodig dat de priester zijn menselijke persoon zodanig vormt dat hij geen obstakel maar een brug is voor de anderen in hun ontmoeting met Jezus Christus, de Verlosser van de mens. Het is nodig dat de priester naar het voorbeeld van Jezus, die "wist wat er in de mens stak" (Joh. 2, 25)[b:Joh. 2, 25] (Joh. 8, 3-11)[[b:Joh. 8, 3-11]], in staat is de menselijke ziel grondig te kennen, moeilijkheden en problemen aan te voelen, de ontmoeting en de dialoog te vergemakkelijken, vertrouwen en medewerking te verkrijgen en heldere en objectieve oordelen te formuleren.
De toekomstige priesters moeten dus niet alleen voor een juiste en noodzakelijke rijping en verwerkelijking van zichzelf maar ook met het oog op hun ambt een aantal menselijk kwaliteiten cultiveren die nodig zijn voor de vorming van evenwichtige, sterke en vrije persoonlijkheden, die in staat zijn de last van de pastorale verantwoordelijkheden te dragen. Nodig is dus de opvoeding tot liefde voor de waarheid, tot eerbied voor iedere mens, tot gevoel voor rechtvaardigheid, tot trouw aan het gegeven woord, tot echt medelijden, tot standvastigheid en in het bijzonder tot een evenwichtig oordeel en gedrag. vgl: Optatam Totius Ecclesiae, 3[[[675|3]]] vgl: Ratio fundamentalis institutionis sacerdotalis - Editio typica, (51)[[[2567|(51)]]] De apostel Paulus heeft aan de christenen van Filippi een eenvoudig en bindend programma voor die menselijke vorming voorgehouden: "Houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar is, al wat edel is wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, op al wat deugd heet en lof verdiend" (Fil. 4, 8)[b:Fil. 4, 8]. Het is interessant op te merken hoe Paulus zichzelf aan zijn gelovigen voorstelt als model juist van die diep menselijke kwaliteiten. Hij voegt er onmiddellijk aan toe; "Brengt in praktijk wat u geleerd is en overgeleverd en wat gij van mij hebt gehoord en gezien" (Fil. 4, 9)[b:Fil. 4, 9].
Bijzonder belangrijk is het vermogen tot goede verhoudingen met de anderen, dat een waarlijk essentieel element is voor wie geroepen is om verantwoordelijkheid te dragen voor een gemeenschap en om een "gemeenschapsmens" te zijn. Dit eist dat de priester niet arrogant noch twistziek is, maar minzaam, gastvrij, oprecht in woord en hart, vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (21)[[[2521|(21)]]] prudent en discreet, edelmoedig en dienstwaardig, in staat om zelf eerlijke en broederlijke relaties aan te gaan en deze bij allen op te wekken, bereid om te begrijpen, te vergeven en te troosten (1 Tim. 3, 1-5; Tit. 1, 7-9)[[b:1 Tim. 3, 1-5; Tit. 1, 7-9]]. De huidige mensheid, die vaak veroordeeld is tot situaties van massacultuur en eenzaamheid, vooral in de grote steden, wordt steeds gevoeliger voor de waarde van de gemeenschap, wat nu één van de meest sprekende tekens en één van de meest doelmatige wegen is voor de boodschap van het Evangelie.
In deze context is de vorming van de kandidaat voor het priesterschap tot affectieve rijpheid, als resultaat van de opvoeding tot ware liefde en verantwoordelijkheid, een bepalend en beslissend moment.
De toekomstige priesters moeten dus niet alleen voor een juiste en noodzakelijke rijping en verwerkelijking van zichzelf maar ook met het oog op hun ambt een aantal menselijk kwaliteiten cultiveren die nodig zijn voor de vorming van evenwichtige, sterke en vrije persoonlijkheden, die in staat zijn de last van de pastorale verantwoordelijkheden te dragen. Nodig is dus de opvoeding tot liefde voor de waarheid, tot eerbied voor iedere mens, tot gevoel voor rechtvaardigheid, tot trouw aan het gegeven woord, tot echt medelijden, tot standvastigheid en in het bijzonder tot een evenwichtig oordeel en gedrag. vgl: Optatam Totius Ecclesiae, 3[[[675|3]]] vgl: Ratio fundamentalis institutionis sacerdotalis - Editio typica, (51)[[[2567|(51)]]] De apostel Paulus heeft aan de christenen van Filippi een eenvoudig en bindend programma voor die menselijke vorming voorgehouden: "Houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar is, al wat edel is wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, op al wat deugd heet en lof verdiend" (Fil. 4, 8)[b:Fil. 4, 8]. Het is interessant op te merken hoe Paulus zichzelf aan zijn gelovigen voorstelt als model juist van die diep menselijke kwaliteiten. Hij voegt er onmiddellijk aan toe; "Brengt in praktijk wat u geleerd is en overgeleverd en wat gij van mij hebt gehoord en gezien" (Fil. 4, 9)[b:Fil. 4, 9].
Bijzonder belangrijk is het vermogen tot goede verhoudingen met de anderen, dat een waarlijk essentieel element is voor wie geroepen is om verantwoordelijkheid te dragen voor een gemeenschap en om een "gemeenschapsmens" te zijn. Dit eist dat de priester niet arrogant noch twistziek is, maar minzaam, gastvrij, oprecht in woord en hart, vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (21)[[[2521|(21)]]] prudent en discreet, edelmoedig en dienstwaardig, in staat om zelf eerlijke en broederlijke relaties aan te gaan en deze bij allen op te wekken, bereid om te begrijpen, te vergeven en te troosten (1 Tim. 3, 1-5; Tit. 1, 7-9)[[b:1 Tim. 3, 1-5; Tit. 1, 7-9]]. De huidige mensheid, die vaak veroordeeld is tot situaties van massacultuur en eenzaamheid, vooral in de grote steden, wordt steeds gevoeliger voor de waarde van de gemeenschap, wat nu één van de meest sprekende tekens en één van de meest doelmatige wegen is voor de boodschap van het Evangelie.
In deze context is de vorming van de kandidaat voor het priesterschap tot affectieve rijpheid, als resultaat van de opvoeding tot ware liefde en verantwoordelijkheid, een bepalend en beslissend moment.
Referenties naar alinea 43: 1
Instructie over criteria ter onderscheiding van roepingen met betrekking tot personen met homoseksuele neigingen aangaande hun toelating tot het seminarie en de Heilige Wijdingen ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
44
De affectieve rijping veronderstelt het besef van de centrale plaats van de liefde in het menselijk bestaan. Zoals ik geschreven heb in de encycliek Redemptor Hominis[237], "kan de mens niet zonder liefde leven. Hij krijgt nooit inzicht in zichzelf, en zijn leven is zinloos als hem geen liefde betoond wordt, als hij geen liefde vindt, als hij haar niet ervaart en zich eigen maakt, als hij er niet levendig deel aan heeft". Redemptor Hominis, 10[[237|10]]
Het gaat om een liefde waarin de hele persoon betrokken is, in zijn fysieke, psychische en geestelijke dimensies en elementen, en die zich uitdrukt in de "bruidszin" van het menselijk lichaam, dank zij welke de mens zichzelf aan de ander geeft en de ander ontvangt. De juiste begrepen seksuele opvoeding streeft naar het verstaan en verwerkelijken van deze "waarheid" over de menselijke liefde. Men moet vaststellen dat er een wijd verspreide sociale en culturele situatie is "die de menselijke seksualiteit grotendeels 'banaliseert', omdat zij haar interpreteert en beleeft op gereduceerde en verarmde wijze, door haar alleen te verbinden met het lichaam en met het egoïstisch genot". Familiaris Consortio, 37[[267|37]] De situaties in de gezinnen waaruit de priesterroepingen voortkomen, vertonen wat dit betreft dikwijls vele gebreken en soms ook ernstige onevenwichtigheden.
In een dergelijk context wordt het moeilijker maar ook dringender op te voeden tot een seksualiteit die werkelijk en volledig persoonlijk is en daarom plaats inruimt voor waardering en liefde voor de kuisheid "als deugd die de waarachtige rijpheid van de persoon ontwikkelt en hem bekwaam maakt om de "bruidszin" van het lichaam te respecteren en te bevorderen." Familiaris Consortio, 37[[267|37]]
De opvoeding tot liefde en verantwoordelijkheid en de affectieve rijping van de mens blijken volstrekt noodzakelijk voor wie, zoals de priester, geroepen is tot het celibaat ofwel tot het geven van heel zijn liefde en zorg aan Jezus Christus en de Kerk, met de genade van de Geest en het vrije antwoord van de wil. Met het oog op de verplichting van het celibaat moet de affectieve rijpheid een grote, levendige en persoonlijke liefde voor Jezus Christus weten in te sluiten in de menselijke relaties van oprechte vriendschap en diepe broederlijkheid. Zoals de Synodevaders geschreven hebben, "is in het opwekken van de affectieve rijpheid de liefde voor Christus, uitgestrekt in een universele toewijding, van het grootste belang. Zo zal de kandidaat, die tot het celibaat geroepen is, in de affectieve rijpheid een krachtige steun vinden om met trouw en vreugde in kuisheid te leven". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (21)[[2521|(21)]]
Omdat het charisma van het celibaat, ook als het authentiek en beproefd is, de neigingen van de affectiviteit en de aandriften van het instinct intact laat, hebben de kandidaten voor het priesterschap een affectieve rijpheid nodig die in staat is tot voorzichtigheid, tot afstand van alles wat haar kan bedreigen, tot waakzaamheid over het lichaam en de geest, tot achting en eerbied in de interpersoonlijke relaties met mannen en vrouwen. Een kostbare hulp kan geboden worden door een geschikte opvoeding tot echte vriendschap, naar gelijkenis van de banden van broederlijke liefde in het leven van Jezus zelf (Joh. 11, 5)[[b:Joh. 11, 5]].
De menselijke rijpheid, vooral de affectieve, eist een duidelijke en krachtige vorming tot een vrijheid die de gestalte heeft van overtuigende en hartelijke gehoorzaamheid aan de "waarheid" van het eigen zijn, aan de "zin" van het eigen bestaan ofwel aan de "oprechte gave van zichzelf", als de weg en de fundamentele inhoud van de authentieke zelfverwerkelijking. Gaudium et Spes, 24[[575|24]] De zo begrepen vrijheid eist dat de mens werkelijk meester is over zichzelf, vast besloten is de verschillende vormen van egoïsme en van individualisme, die ieder leven bedreigen, te bestrijden en te overwinnen, bereid is zich open te stellen voor anderen en edelmoedig is in de toewijding en de dienst aan de naaste. Dat is belangrijk voor het antwoord dat gegeven moet worden op de roeping en speciaal op de priesterroeping en voor de trouw daaraan en aan de verplichtingen welke daarmee verbonden zijn ook op moeilijke ogenblikken. Op deze weg van de opvoeding tot rijpe vrijheid en verantwoordelijkheid kan het gemeenschapsleven van het seminarie hulp bieden. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (21)[[[2521|(21)]]]
Innig verbonden met de vorming van de vrijheid is de opvoeding van het morele geweten. Terwijl dit vanuit het binnenste van het eigen "ik" aanspoort tot gehoorzaamheid aan de morele verplichtingen, maakt het de diepe betekenis van die gehoorzaamheid duidelijk, namelijk een bewust en vrij antwoord uit liefde op wat God en zijn liefde vragen. De Synodevaders schrijven; "De menselijke rijpheid van de priester moet speciaal de vorming van zijn geweten insluiten. Om trouw zijn verplichtingen jegens God en de Kerk te kunnen vervullen en om met wijsheid de gewetens van de gelovigen te kunnen leiden moet de kandidaat zich er aan wennen te luisteren naar de stem van God die in zijn hart spreekt, en met liefde en standvastigheid in te stemmen met zijn wil. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (22)[[2521|(22)]]
Het gaat om een liefde waarin de hele persoon betrokken is, in zijn fysieke, psychische en geestelijke dimensies en elementen, en die zich uitdrukt in de "bruidszin" van het menselijk lichaam, dank zij welke de mens zichzelf aan de ander geeft en de ander ontvangt. De juiste begrepen seksuele opvoeding streeft naar het verstaan en verwerkelijken van deze "waarheid" over de menselijke liefde. Men moet vaststellen dat er een wijd verspreide sociale en culturele situatie is "die de menselijke seksualiteit grotendeels 'banaliseert', omdat zij haar interpreteert en beleeft op gereduceerde en verarmde wijze, door haar alleen te verbinden met het lichaam en met het egoïstisch genot". Familiaris Consortio, 37[[267|37]] De situaties in de gezinnen waaruit de priesterroepingen voortkomen, vertonen wat dit betreft dikwijls vele gebreken en soms ook ernstige onevenwichtigheden.
In een dergelijk context wordt het moeilijker maar ook dringender op te voeden tot een seksualiteit die werkelijk en volledig persoonlijk is en daarom plaats inruimt voor waardering en liefde voor de kuisheid "als deugd die de waarachtige rijpheid van de persoon ontwikkelt en hem bekwaam maakt om de "bruidszin" van het lichaam te respecteren en te bevorderen." Familiaris Consortio, 37[[267|37]]
De opvoeding tot liefde en verantwoordelijkheid en de affectieve rijping van de mens blijken volstrekt noodzakelijk voor wie, zoals de priester, geroepen is tot het celibaat ofwel tot het geven van heel zijn liefde en zorg aan Jezus Christus en de Kerk, met de genade van de Geest en het vrije antwoord van de wil. Met het oog op de verplichting van het celibaat moet de affectieve rijpheid een grote, levendige en persoonlijke liefde voor Jezus Christus weten in te sluiten in de menselijke relaties van oprechte vriendschap en diepe broederlijkheid. Zoals de Synodevaders geschreven hebben, "is in het opwekken van de affectieve rijpheid de liefde voor Christus, uitgestrekt in een universele toewijding, van het grootste belang. Zo zal de kandidaat, die tot het celibaat geroepen is, in de affectieve rijpheid een krachtige steun vinden om met trouw en vreugde in kuisheid te leven". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (21)[[2521|(21)]]
Omdat het charisma van het celibaat, ook als het authentiek en beproefd is, de neigingen van de affectiviteit en de aandriften van het instinct intact laat, hebben de kandidaten voor het priesterschap een affectieve rijpheid nodig die in staat is tot voorzichtigheid, tot afstand van alles wat haar kan bedreigen, tot waakzaamheid over het lichaam en de geest, tot achting en eerbied in de interpersoonlijke relaties met mannen en vrouwen. Een kostbare hulp kan geboden worden door een geschikte opvoeding tot echte vriendschap, naar gelijkenis van de banden van broederlijke liefde in het leven van Jezus zelf (Joh. 11, 5)[[b:Joh. 11, 5]].
De menselijke rijpheid, vooral de affectieve, eist een duidelijke en krachtige vorming tot een vrijheid die de gestalte heeft van overtuigende en hartelijke gehoorzaamheid aan de "waarheid" van het eigen zijn, aan de "zin" van het eigen bestaan ofwel aan de "oprechte gave van zichzelf", als de weg en de fundamentele inhoud van de authentieke zelfverwerkelijking. Gaudium et Spes, 24[[575|24]] De zo begrepen vrijheid eist dat de mens werkelijk meester is over zichzelf, vast besloten is de verschillende vormen van egoïsme en van individualisme, die ieder leven bedreigen, te bestrijden en te overwinnen, bereid is zich open te stellen voor anderen en edelmoedig is in de toewijding en de dienst aan de naaste. Dat is belangrijk voor het antwoord dat gegeven moet worden op de roeping en speciaal op de priesterroeping en voor de trouw daaraan en aan de verplichtingen welke daarmee verbonden zijn ook op moeilijke ogenblikken. Op deze weg van de opvoeding tot rijpe vrijheid en verantwoordelijkheid kan het gemeenschapsleven van het seminarie hulp bieden. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (21)[[[2521|(21)]]]
Innig verbonden met de vorming van de vrijheid is de opvoeding van het morele geweten. Terwijl dit vanuit het binnenste van het eigen "ik" aanspoort tot gehoorzaamheid aan de morele verplichtingen, maakt het de diepe betekenis van die gehoorzaamheid duidelijk, namelijk een bewust en vrij antwoord uit liefde op wat God en zijn liefde vragen. De Synodevaders schrijven; "De menselijke rijpheid van de priester moet speciaal de vorming van zijn geweten insluiten. Om trouw zijn verplichtingen jegens God en de Kerk te kunnen vervullen en om met wijsheid de gewetens van de gelovigen te kunnen leiden moet de kandidaat zich er aan wennen te luisteren naar de stem van God die in zijn hart spreekt, en met liefde en standvastigheid in te stemmen met zijn wil. Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (22)[[2521|(22)]]
Referenties naar alinea 44: 1
Instructie over criteria ter onderscheiding van roepingen met betrekking tot personen met homoseksuele neigingen aangaande hun toelating tot het seminarie en de Heilige Wijdingen ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Subparagraaf 2 De geestelijk vorming: in gemeenschap met God en op zoek naar Christus
45
Als de menselijke vorming zich ontwikkeld in het kader van een antropologie die heel de werkelijkheid van de mens omvat, opent zij zich voor de geestelijk vorming en wordt zij daarin voltooid. Iedere mens, die door God is geschapen en door het bloed van Christus is verlost, is geroepen om wedergeboren te worden "uit water en geest" (Joh. 3, 5)[b:Joh. 3, 5] en "kind in de Zoon" te worden. In dit doelmatige plan van God ligt het fundament van de religieuze constitutieve dimensie van het menselijk wezen, welke overigens vermoed en herkend kan worden door de rede. De mens staat open voor het transcendente, voor het absolute. Hij heeft een hart dat onrustig blijft tot het rust vindt in de Heer. vgl: 1, 1: CSEL 33, 1[[[850]]]
Het is vanuit deze fundamentele en niet te onderdrukken godsdienstige aanspraak dat het proces van de opvoeding tot een geestelijk leven in de zin van relatie en gemeenschap met God een aanvraag neemt en verloopt. Volgens de openbaring en de christelijke ervaring bezit de geestelijke vorming de onmiskenbare oorspronkelijkheid welke voortkomt uit de evangelische "nieuwheid". "Zij is werk van de Geest en de gehele mens is daarin betrokken. Zij voert tot diepe gemeenschap met Jezus Christus, de goede Herder. Zij leid tot onderwerping van het gehele leven aan de Geest in een kinderlijke verhouding met de Vader en in vertrouwelijke aanhankelijkheid aan de Kerk. Zij is geworteld in de ervaring van het kruid zodat zij, in een diepe gemeenschap, kan voeren tot de totaliteit van het Paasmysterie". Instrumentum Laboris Achtste gewone algemene vergadering - ”De vorming van de priesters in de huidige omstandigheden”, (30)[[2572|(30)]]
Zoals men ziet, gaat het om een geestelijke vorming die gemeen is aan alle gelovigen, maar vraagt om gestructureerd te worden volgens de betekenissen en de kenmerken die voortvloeien uit de identiteit van de priester en van zijn ambt. En zoals men moet zeggen dat voor iedere gelovige de geestelijk vorming centraal staat en eenheid brengt in zijn wezen en leven als christen ofwel als nieuw schepsel in Christus dat in de Geest wandelt, zo vormt voor iedere priester de geestelijke vorming het hart dat zijn priester-zijn en zijn handelen als priester één en levend maakt. In dit verband verklaren de Synodevaders dat "zonder de geestelijk vorming de pastorale vorming zou geschieden zonder grondslag" Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (22)[[2521|(22)]] en dat de geestelijke vorming "als het ware het element van het hoogste gewicht is in de priesterlijke opvoeding". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (23)[[2521|(23)]]
De wezenlijke inhoud van de geestelijke vorming precies op de weg naar het priesterschap is goed uitgedrukt door het decreet Optatam Totius Ecclesiae[675] van het Concilie: "De geestelijke vorming (...) moet (...) zo worden uitgewerkt, dat de studenten leren in een vertrouwelijke en voortdurende omgang te leven met de Vader door zijn Zoon Jezus Christus in de heilige Geest. Door de heilige wijding worden zij in gestalte gelijk aan de Priester Christus en zij dienen zich eraan te wennen, ook door eensgezindheid in hun gehele inwendig leven, Hem als vriend aan te hangen. Zijn paasmysterie moeten zij zo beleven, dat zij de kunst verstaan het aan hen toe te vertrouwen volk daarin binnen te leiden. Hun moet worden geleerd Christus te zoeken in een getrouwde overweging van het woord van God, in een actieve deelneming aan de heilige geheimen van de Kerk, vooral de Eucharistie en het goddelijke officie; ook in de bisschop die hen zendt en in de mensen tot wie zij worden gezonden, met name de armen, de kleinen, de zieken, de zondaars en de ongelovigen. De allerzaligste Maagd Maria, die door Jezus Christus bij zijn kruisdood aan de leerling is gegeven als moeder, moeten zij met een kinderlijke trouw beminnen en vereren". Optatam Totius Ecclesiae, 8[[675|8]]
Het is vanuit deze fundamentele en niet te onderdrukken godsdienstige aanspraak dat het proces van de opvoeding tot een geestelijk leven in de zin van relatie en gemeenschap met God een aanvraag neemt en verloopt. Volgens de openbaring en de christelijke ervaring bezit de geestelijke vorming de onmiskenbare oorspronkelijkheid welke voortkomt uit de evangelische "nieuwheid". "Zij is werk van de Geest en de gehele mens is daarin betrokken. Zij voert tot diepe gemeenschap met Jezus Christus, de goede Herder. Zij leid tot onderwerping van het gehele leven aan de Geest in een kinderlijke verhouding met de Vader en in vertrouwelijke aanhankelijkheid aan de Kerk. Zij is geworteld in de ervaring van het kruid zodat zij, in een diepe gemeenschap, kan voeren tot de totaliteit van het Paasmysterie". Instrumentum Laboris Achtste gewone algemene vergadering - ”De vorming van de priesters in de huidige omstandigheden”, (30)[[2572|(30)]]
Zoals men ziet, gaat het om een geestelijke vorming die gemeen is aan alle gelovigen, maar vraagt om gestructureerd te worden volgens de betekenissen en de kenmerken die voortvloeien uit de identiteit van de priester en van zijn ambt. En zoals men moet zeggen dat voor iedere gelovige de geestelijk vorming centraal staat en eenheid brengt in zijn wezen en leven als christen ofwel als nieuw schepsel in Christus dat in de Geest wandelt, zo vormt voor iedere priester de geestelijke vorming het hart dat zijn priester-zijn en zijn handelen als priester één en levend maakt. In dit verband verklaren de Synodevaders dat "zonder de geestelijk vorming de pastorale vorming zou geschieden zonder grondslag" Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (22)[[2521|(22)]] en dat de geestelijke vorming "als het ware het element van het hoogste gewicht is in de priesterlijke opvoeding". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (23)[[2521|(23)]]
De wezenlijke inhoud van de geestelijke vorming precies op de weg naar het priesterschap is goed uitgedrukt door het decreet Optatam Totius Ecclesiae[675] van het Concilie: "De geestelijke vorming (...) moet (...) zo worden uitgewerkt, dat de studenten leren in een vertrouwelijke en voortdurende omgang te leven met de Vader door zijn Zoon Jezus Christus in de heilige Geest. Door de heilige wijding worden zij in gestalte gelijk aan de Priester Christus en zij dienen zich eraan te wennen, ook door eensgezindheid in hun gehele inwendig leven, Hem als vriend aan te hangen. Zijn paasmysterie moeten zij zo beleven, dat zij de kunst verstaan het aan hen toe te vertrouwen volk daarin binnen te leiden. Hun moet worden geleerd Christus te zoeken in een getrouwde overweging van het woord van God, in een actieve deelneming aan de heilige geheimen van de Kerk, vooral de Eucharistie en het goddelijke officie; ook in de bisschop die hen zendt en in de mensen tot wie zij worden gezonden, met name de armen, de kleinen, de zieken, de zondaars en de ongelovigen. De allerzaligste Maagd Maria, die door Jezus Christus bij zijn kruisdood aan de leerling is gegeven als moeder, moeten zij met een kinderlijke trouw beminnen en vereren". Optatam Totius Ecclesiae, 8[[675|8]]
Referenties naar alinea 45: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
46
De tekst van het Concilie verdient een nauwkeurige en liefdevolle overweging, waaruit gemakkelijk enige fundamentele waarden en eisen van de geestelijke weg van de kandidaat voor het priesterschap geput kunnen worden.
Voor alles dringen zich de waarde en de eis op van een leven in innige vereniging met Jezus Christus. De vereniging met de Heer Jezus, die gebaseerd is op het Doopsel en gevoed wordt door de Eucharistie, vraagt om uitgedrukt en radicaal vernieuwd te worden in het leven van iedere dag. De innige vereniging met de allerheiligste Drie-eenheid ofwel het nieuwe leven van de genade waardoor men kind van God wordt, vormt de "nieuwheid" van de gelovige welke het zijn en het handelen omvat. Zij vormt het "mysterie" van het christelijk bestaan, dat onder invloed van de Geest staat, en moet bijgevolg het "ethos" van het leven van de christen vormen. Jezus heeft ons deze bewonderenswaardige inhoud van het christelijk leven is, geleerd door de gelijkenis van de wijnstok en de ranken: "Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. (...) Blijft in Mij, zoals Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, maar alleen als zij blijft aan de wijnstok gij evenmin, als gij niet blijft in Mij. Ik ben de wijnstok, gij de ranken Wie in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt gij niets" (Joh. 15, 1.4-5)[b:Joh. 15, 1.4-5].
Het ontbreekt de huidige cultuur zeker niet aan geestelijke en religieuze waarden en de mens blijft onvermoeibaar naar God hongeren en dorsten ondanks alle schijn van het tegendeel. Maar dikwijls loopt de christelijke godsdienst het gevaar beschouwd te worden als een godsdienst onder de vele andere godsdiensten of gereduceerd te worden tot een zuiver sociale ethiek ten dienste van de mens, zodat zijn revolutionaire nieuwheid in de geschiedenis niet altijd aan het licht komt. Hij is "mysterie", het gebeuren van Gods Zoon die mens wordt en aan hen die Hem aanvaarden "het vermogen om kinderen van God te worden" (Joh. 1, 12)[b:Joh. 1, 12] geeft. Hij is de aankondiging, ja de gave, van een persoonlijke verbond van liefde en tussen God en de mens. Alleen als de toekomstige priesters door een pastorale geestelijke vorming grondig kennis gemaakt hebben met dit "mysterie" en er een groeiende ervaring van gekregen hebben, zullen zij die verwonderlijke en zaligmakende aankondiging aan anderen kunnen meedelen (1 Joh. 1, 1-4)[[b:1 Joh. 1, 1-4]].
De tekst van het Concilie karakteriseert de innige gemeenschap van de toekomstige priester met Jezus met de nuance van de vriendschap, ook als is hij zich bewust van de absolute transcendentie van het christelijk mysterie. Die vriendschap is geen absurde aanspraak van de mens. Zij is eenvoudig de onschatbare gave van Christus, die tot zijn apostelen gezegd heeft: "Ik noem u geen dienaars meer, want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord" (Joh. 15, 15)[b:Joh. 15, 15].
De tekst van het Concilie wijst vervolgens een tweede grote waarde aan, het zoeken van Jezus. "Hun moet worden geleerd Christus te zoeken". Dat is, samen met quaerere Deum, een klassiek thema van de christelijke spiritualiteit, dat een specifieke toepassing vindt juist in het kader van de roeping van de apostelen. In het verhaal van het volgen van Jezus door de eerste twee apostelen doet Johannes de plaats uitkomen die dit "zoeken" inneemt. Jezus zelf stelt de vraag: "Wat zoekt gij?". En de twee antwoorden: "Rabbi, waar verblijft ge?". De evangelist vervolgt: "Hij zei hun, 'Gaat mee om het te zien'. Daarop gingen zij mee en zagen waar Hij zich ophield. Die dag bleven zij bij de Heer" (Joh. 1, 38-39)[b:Joh. 1, 38-39]. Het geestelijk leven van wie zich voorbereidt op het priesterschap wordt in zekere zin beheerst door dit zoeken; door het "zoeken" en door het "vinden" van de Meester, om Hem te volgen, om met Hem in gemeenschap te staan. Ook in het dienstwerk en in het leven van de priester zal dit "zoeken" door moeten gaan want het mysterie van de navolging van Christus en van de deelname aan zijn leven is onuitputtelijk. Zo zal ook het "vinden" door moeten gaan, om het aan anderen aan te wijzen of beter nog om in anderen het verlangen op te wekken om de Meester te zoeken. Maar dat is alleen werkelijk mogelijk als aan de anderen een levens-"ervaring" wordt aangeboden, een ervaring die verdient gedeeld te worden. Dat is de weg die Andreas gevolgd heeft om zijn broer Simon bij Jezus te brengen. De eerste die Andreas ontmoette, schrijft de evangelist Johannes, "was zijn broer Simon tot wie hij zei: 'Wij hebben de Messias' -vertaald betekent dat: de Gezalfde- 'gevonden', en hij bracht hem bij Jezus" (Joh. 1, 41-42)[b:Joh. 1, 41-42]. En zo zal ook Simon geroepen worden om als apostel de Messias te volgen: "Jezus zag hem aan en zeide: 'Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij zult Kefas -dat betekent: Rots- genoemd worden'" (Joh. 1, 42)[b:Joh. 1, 42].
Maar wat betekent in het geestelijk leven Christus zoeken? En waar Hem te vinden? "Rabbi, waar blijft ge?" Het conciliaire decreet Optatam Totius Ecclesiae[675] lijkt drie wegen aan te wijzen die afgelegd moeten worden: de getrouwde overweging van het woord Gods, die actieve deelneming aan de heilige geheimen van de Kerk en de dienst van de liefde aan de "kleinen". Het zijn drie grote waarden en eisen, welke die inhoud van de geestelijke vorming van de kandidaat voor het priesterschap nader bepalen.
Voor alles dringen zich de waarde en de eis op van een leven in innige vereniging met Jezus Christus. De vereniging met de Heer Jezus, die gebaseerd is op het Doopsel en gevoed wordt door de Eucharistie, vraagt om uitgedrukt en radicaal vernieuwd te worden in het leven van iedere dag. De innige vereniging met de allerheiligste Drie-eenheid ofwel het nieuwe leven van de genade waardoor men kind van God wordt, vormt de "nieuwheid" van de gelovige welke het zijn en het handelen omvat. Zij vormt het "mysterie" van het christelijk bestaan, dat onder invloed van de Geest staat, en moet bijgevolg het "ethos" van het leven van de christen vormen. Jezus heeft ons deze bewonderenswaardige inhoud van het christelijk leven is, geleerd door de gelijkenis van de wijnstok en de ranken: "Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. (...) Blijft in Mij, zoals Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, maar alleen als zij blijft aan de wijnstok gij evenmin, als gij niet blijft in Mij. Ik ben de wijnstok, gij de ranken Wie in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt gij niets" (Joh. 15, 1.4-5)[b:Joh. 15, 1.4-5].
Het ontbreekt de huidige cultuur zeker niet aan geestelijke en religieuze waarden en de mens blijft onvermoeibaar naar God hongeren en dorsten ondanks alle schijn van het tegendeel. Maar dikwijls loopt de christelijke godsdienst het gevaar beschouwd te worden als een godsdienst onder de vele andere godsdiensten of gereduceerd te worden tot een zuiver sociale ethiek ten dienste van de mens, zodat zijn revolutionaire nieuwheid in de geschiedenis niet altijd aan het licht komt. Hij is "mysterie", het gebeuren van Gods Zoon die mens wordt en aan hen die Hem aanvaarden "het vermogen om kinderen van God te worden" (Joh. 1, 12)[b:Joh. 1, 12] geeft. Hij is de aankondiging, ja de gave, van een persoonlijke verbond van liefde en tussen God en de mens. Alleen als de toekomstige priesters door een pastorale geestelijke vorming grondig kennis gemaakt hebben met dit "mysterie" en er een groeiende ervaring van gekregen hebben, zullen zij die verwonderlijke en zaligmakende aankondiging aan anderen kunnen meedelen (1 Joh. 1, 1-4)[[b:1 Joh. 1, 1-4]].
De tekst van het Concilie karakteriseert de innige gemeenschap van de toekomstige priester met Jezus met de nuance van de vriendschap, ook als is hij zich bewust van de absolute transcendentie van het christelijk mysterie. Die vriendschap is geen absurde aanspraak van de mens. Zij is eenvoudig de onschatbare gave van Christus, die tot zijn apostelen gezegd heeft: "Ik noem u geen dienaars meer, want de dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar Ik heb u alles meegedeeld wat Ik van de Vader heb gehoord" (Joh. 15, 15)[b:Joh. 15, 15].
De tekst van het Concilie wijst vervolgens een tweede grote waarde aan, het zoeken van Jezus. "Hun moet worden geleerd Christus te zoeken". Dat is, samen met quaerere Deum, een klassiek thema van de christelijke spiritualiteit, dat een specifieke toepassing vindt juist in het kader van de roeping van de apostelen. In het verhaal van het volgen van Jezus door de eerste twee apostelen doet Johannes de plaats uitkomen die dit "zoeken" inneemt. Jezus zelf stelt de vraag: "Wat zoekt gij?". En de twee antwoorden: "Rabbi, waar verblijft ge?". De evangelist vervolgt: "Hij zei hun, 'Gaat mee om het te zien'. Daarop gingen zij mee en zagen waar Hij zich ophield. Die dag bleven zij bij de Heer" (Joh. 1, 38-39)[b:Joh. 1, 38-39]. Het geestelijk leven van wie zich voorbereidt op het priesterschap wordt in zekere zin beheerst door dit zoeken; door het "zoeken" en door het "vinden" van de Meester, om Hem te volgen, om met Hem in gemeenschap te staan. Ook in het dienstwerk en in het leven van de priester zal dit "zoeken" door moeten gaan want het mysterie van de navolging van Christus en van de deelname aan zijn leven is onuitputtelijk. Zo zal ook het "vinden" door moeten gaan, om het aan anderen aan te wijzen of beter nog om in anderen het verlangen op te wekken om de Meester te zoeken. Maar dat is alleen werkelijk mogelijk als aan de anderen een levens-"ervaring" wordt aangeboden, een ervaring die verdient gedeeld te worden. Dat is de weg die Andreas gevolgd heeft om zijn broer Simon bij Jezus te brengen. De eerste die Andreas ontmoette, schrijft de evangelist Johannes, "was zijn broer Simon tot wie hij zei: 'Wij hebben de Messias' -vertaald betekent dat: de Gezalfde- 'gevonden', en hij bracht hem bij Jezus" (Joh. 1, 41-42)[b:Joh. 1, 41-42]. En zo zal ook Simon geroepen worden om als apostel de Messias te volgen: "Jezus zag hem aan en zeide: 'Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij zult Kefas -dat betekent: Rots- genoemd worden'" (Joh. 1, 42)[b:Joh. 1, 42].
Maar wat betekent in het geestelijk leven Christus zoeken? En waar Hem te vinden? "Rabbi, waar blijft ge?" Het conciliaire decreet Optatam Totius Ecclesiae[675] lijkt drie wegen aan te wijzen die afgelegd moeten worden: de getrouwde overweging van het woord Gods, die actieve deelneming aan de heilige geheimen van de Kerk en de dienst van de liefde aan de "kleinen". Het zijn drie grote waarden en eisen, welke die inhoud van de geestelijke vorming van de kandidaat voor het priesterschap nader bepalen.
Referenties naar alinea 46: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
47
Een wezenlijk element van de geestelijke vorming is de mediterende en biddende lezing van het woord van God (lectio divina), het nederig en liefdevol luisteren naar Hem die spreekt. Het is inderdaad in het licht en de kracht van het woord Gods dat de eigen roeping ontdekt, begrepen, bemind en gevolgd en de eigen zending vervuld kan worden, zodanig dat het gehele bestaan zijn eenmakende en radicale zin vindt in het feit dat het het einddoel is van het woord van God die de mens roept, en het begin van het woord van de mens die God antwoord. De vertrouwdheid met het woord Gods zal de weg van de bekering vergemakkelijken, niet alleen in de zin van onthechting aan het kwade om het goede aan te hangen, maar ook in de zin van het koesteren van de gedachte van God in het hart, zodat het geloof als antwoord op het woord van God het nieuwe criterium wordt om mensen en dingen, gebeurtenissen en problemen te beoordelen en te waarderen.
Men moet echter het woord van God benaderen en beluisteren in zijn ware natuur. Dat woord is immers de ontmoeting met God zelf die tot de mens spreekt, en ontmoeting met Christus, het Woord van God, de waarheid, die ook de Weg en het Leven is (Joh. 14, 6)[[b:Joh. 14, 6]]. Het gaat om het lezen van de "schriften", luisterend naar de "woorden", naar het "woord" van God, zoals het Concilie in herinnering brengt: "De heilige geschriften bevatten het woord van God en zijn wegens hun geïnspireerd karakter waarlijk het woord van God". Dei Verbum, 24[[576|24]] Het Concilie zegt ook nog: "Door deze openbaring spreekt dus de onzichtbare God (Kol. 1, 15; 1 Tim. 1, 17)[[b:Kol. 1, 15; 1 Tim. 1, 17]] uit de overvloed van zijn liefde de mensen aan als zijn vrienden (Ex. 33, 11; Joh. 15, 14-1)[[b:Ex. 33, 11; Joh. 15, 14-1]] en gaat met hem om (Bar. 3, 38)[[b:Bar. 3, 38]], om hen uit te nodigen tot de gemeenschap met Hem en hen daarin op te nemen". Dei Verbum, 2[[576|2]]
De liefdevolle kennis van en de biddende vertrouwdheid met het woord van God hebben een specifieke betekenis voor de profetische taak van de priester. Voor de geschikte vervulling hiervan worden zij een onmisbare voorwaarde vooral in het kader van de "nieuwe evangelisatie", waartoe de Kerk geroepen is. Het Concilie vermaant: "Het is (...) noodzakelijk, dat alle geestelijken, vooral de priesters van Christus en alle anderen die als diaken of catechist regelmatig de dienst van het woord vervullen door geregelde vrome lezing en zorgvuldige studie met de Schrift vergroeid raken. Niemand van hen weze, terwijl hij de overvloedige rijkdommen van het goddelijk woord aan de hem toevertrouwde gelovigen moet meedelen, vooral in de heilige liturgie, 'een holle uiterlijke prediker van het woord van God, waarnar hij innerlijk niet luistert" 179; PL 38,996[[880]]. Dei Verbum, 25[[576|25]]
Het eerste en fundamentele antwoord op het woord van God is het gebed, dat zonder enige twijfel een primaire waarde en eis vormt van de geestelijke vorming. Deze moet de kandidaten voor het priesterschap brengen tot de kennis en de ervaring van de authentieke zin van het christelijk gebed, welke die is van een levende en persoonlijke ontmoeting met de Vader in de eniggeboren Zoon onder de werking van de Geest, van een dialoog die ons deelachtig maakt aan het kinderlijk gesprek dat Jezus met de Vader voert. Een zeker niet secundair aspect van de zending van de priester is dat hij "opvoeder tot gebed" is. Maar alleen als de priester gevormd is en gevormd blijft worden in de school van de biddende Jezus zal hij de anderen in dezelfde school kunnen vormen Dit vragen de mensen aan de priester: "De priester is de man Gods, die God toebehoort en doet denken aan God. Als de brief aan de Hebreeën over Christus spreekt, dan presenteert hij Hem als een 'barmhartige en getrouwe hogepriester in de zaken die God raken' (Hebr. 2, 17)[[b:Hebr. 2, 17]]. (...) De christenen hopen in de priester niet alleen een man te vinden die hen ontvangt, graag naar hen luistert en hun oprechte sympathie betuigt, maar ook en vooral een man die hen helpt om naar God te kijken, om naar God te gaan. Het is dus nodig dat de priester gevormd is tot een echte vertrouwelijkheid met God. Zij die zich op het priesterschap voorbereiden moeten begrijpen dat heel de waarde van hun priesterleven zal afhangen van de gave die zij van zichzelf zullen kunnen maken aan Christus en door Christus aan de Vader". Angelusgebed, (2-3)[[2817|(2-3)]]
In een context van drukte en rumoer, zoals die van onze maatschappij, is de opvoeding tot de diepe menselijke zin en de religieuze waarde van de stilte, als geestelijke atmosfeer die onmisbaar is om de aanwezigheid van God te ervaren en zich daardoor te laten beheersen (vv.)[[b:1 Kon. 19, 11]], noodzakelijk voor de opvoeding tot gebed.
Men moet echter het woord van God benaderen en beluisteren in zijn ware natuur. Dat woord is immers de ontmoeting met God zelf die tot de mens spreekt, en ontmoeting met Christus, het Woord van God, de waarheid, die ook de Weg en het Leven is (Joh. 14, 6)[[b:Joh. 14, 6]]. Het gaat om het lezen van de "schriften", luisterend naar de "woorden", naar het "woord" van God, zoals het Concilie in herinnering brengt: "De heilige geschriften bevatten het woord van God en zijn wegens hun geïnspireerd karakter waarlijk het woord van God". Dei Verbum, 24[[576|24]] Het Concilie zegt ook nog: "Door deze openbaring spreekt dus de onzichtbare God (Kol. 1, 15; 1 Tim. 1, 17)[[b:Kol. 1, 15; 1 Tim. 1, 17]] uit de overvloed van zijn liefde de mensen aan als zijn vrienden (Ex. 33, 11; Joh. 15, 14-1)[[b:Ex. 33, 11; Joh. 15, 14-1]] en gaat met hem om (Bar. 3, 38)[[b:Bar. 3, 38]], om hen uit te nodigen tot de gemeenschap met Hem en hen daarin op te nemen". Dei Verbum, 2[[576|2]]
De liefdevolle kennis van en de biddende vertrouwdheid met het woord van God hebben een specifieke betekenis voor de profetische taak van de priester. Voor de geschikte vervulling hiervan worden zij een onmisbare voorwaarde vooral in het kader van de "nieuwe evangelisatie", waartoe de Kerk geroepen is. Het Concilie vermaant: "Het is (...) noodzakelijk, dat alle geestelijken, vooral de priesters van Christus en alle anderen die als diaken of catechist regelmatig de dienst van het woord vervullen door geregelde vrome lezing en zorgvuldige studie met de Schrift vergroeid raken. Niemand van hen weze, terwijl hij de overvloedige rijkdommen van het goddelijk woord aan de hem toevertrouwde gelovigen moet meedelen, vooral in de heilige liturgie, 'een holle uiterlijke prediker van het woord van God, waarnar hij innerlijk niet luistert" 179; PL 38,996[[880]]. Dei Verbum, 25[[576|25]]
Het eerste en fundamentele antwoord op het woord van God is het gebed, dat zonder enige twijfel een primaire waarde en eis vormt van de geestelijke vorming. Deze moet de kandidaten voor het priesterschap brengen tot de kennis en de ervaring van de authentieke zin van het christelijk gebed, welke die is van een levende en persoonlijke ontmoeting met de Vader in de eniggeboren Zoon onder de werking van de Geest, van een dialoog die ons deelachtig maakt aan het kinderlijk gesprek dat Jezus met de Vader voert. Een zeker niet secundair aspect van de zending van de priester is dat hij "opvoeder tot gebed" is. Maar alleen als de priester gevormd is en gevormd blijft worden in de school van de biddende Jezus zal hij de anderen in dezelfde school kunnen vormen Dit vragen de mensen aan de priester: "De priester is de man Gods, die God toebehoort en doet denken aan God. Als de brief aan de Hebreeën over Christus spreekt, dan presenteert hij Hem als een 'barmhartige en getrouwe hogepriester in de zaken die God raken' (Hebr. 2, 17)[[b:Hebr. 2, 17]]. (...) De christenen hopen in de priester niet alleen een man te vinden die hen ontvangt, graag naar hen luistert en hun oprechte sympathie betuigt, maar ook en vooral een man die hen helpt om naar God te kijken, om naar God te gaan. Het is dus nodig dat de priester gevormd is tot een echte vertrouwelijkheid met God. Zij die zich op het priesterschap voorbereiden moeten begrijpen dat heel de waarde van hun priesterleven zal afhangen van de gave die zij van zichzelf zullen kunnen maken aan Christus en door Christus aan de Vader". Angelusgebed, (2-3)[[2817|(2-3)]]
In een context van drukte en rumoer, zoals die van onze maatschappij, is de opvoeding tot de diepe menselijke zin en de religieuze waarde van de stilte, als geestelijke atmosfeer die onmisbaar is om de aanwezigheid van God te ervaren en zich daardoor te laten beheersen (vv.)[[b:1 Kon. 19, 11]], noodzakelijk voor de opvoeding tot gebed.
Referenties naar alinea 47: 1
Verbum Domini ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
48
Het hoogtepunt van het christelijk gebed is de Eucharistie, die op haar beurt "hoogtepunt en bron" van de sacramenten en van de liturgie der getijden is. Voor de geestelijke vorming van iedere christen en speciaal van iedere priester is de liturgische opvoeding strikt noodzakelijk, in de zin van een opvoeding welke het leven geheel plaatst in het paasmysterie van de gestorven en verrezen Heer, die tegenwoordig en werkzaam is in de sacramenten van de Kerk. De gemeenschap met God, die de spil is van heel het christelijk leven, is gave en vrucht van de Sacramenten. Tegelijk is zij taak en verantwoordelijkheid, die door de sacramenten toevertrouwd worden aan de gelovige, opdat hij die gemeenschap tot uitdrukking brengt in de beslissingen en de keuzen, het gedrag en het handelen van zijn dagelijks leven. De "genade" die het leven van de christen "nieuw" maakt, is de genade van de gestorven en verrezen Jezus Christus, die zijn heilige en heiligende Geest blijft uitstorten door de sacramenten; zoals de "nieuwe wet", die het bestaan van de christen moet leiden en normen, door de Sacramenten in het "nieuwe hart" geschreven wordt. En zij is de wet van de liefde van God voor de mens, die betekend en meegedeeld wordt door de sacramenten. Men kan onmiddellijk de waarde begrijpen van een "volledig, bewust en actief deelnemen" Sacrosanctum Concilium, 14[[570|14]] aan de sacramentele vieringen voor de gave en de taak van de "herderlijke liefde", welke de ziel van het priesterlijk dienstwerk vormt.
Dat geldt vooral voor de deelname aan de Eucharistie, gedachtenis van de offerdood en de glorierijke verrijzenis van Christus, "sacrament van barmhartigheid, teken van eenheid, band van liefde" 26, 13[[859]], paasmaal, "waarbij Christus genuttigd, het hart van genade vervuld en ons een onderpand van de toekomstige heerlijkheid wordt gegeven". Getijdengebed, Magnificat...Getijdengebed, Magnificat antifoon van de Tweede Vespers van het Hoogfeest van het Lichaam en Bloed van Christus Als bedienaren van de heilige geheimen zijn de priesters vooral de bedienaren van het Misoffer. vgl: Presbyterorum Ordinis, 13[[[704|13]]] Hun rol is volstrekt onvervangbaar, want zonder priester kan er geen eucharistisch offer zijn.
Dit verklaart het wezenlijke belang van de Eucharistie voor het leven en het ambt van de priester en bijgevolg voor de vorming van de kandidaten voor het priesterschap. Met grote eenvoud en met alle duidelijkheid herhaal ik: "Het zal nodig zijn dat de seminaristen iedere dag deelnemen aan de eucharistieviering, zodat deze dagelijkse viering vervolgens regel wordt in hun priesterleven. Zij zullen er bovendien toe opgevoed worden de eucharistieviering als het essentiële ogenblik van hun dag te beschouwen. Zij zullen zich eraan wennen daar actief aan deel te nemen en zich nooit tevreden te stellen met een deelname alleen uit gewoonte. Tenslotte zullen de kandidaten voor het priesterschap gevormd worden voor de innerlijke gesteltenissen die door de Eucharistie bevorderd worden: dankbaarheid voor de uit de hemel ontvangen weldaden, daar eucharistie dankzegging betekent; een offerhouding die hen aanspoort het persoonlijk offer te verenigen met het eucharistisch offer van Christus; liefde die gevoed wordt door een sacrament dat teken is van eenheid en samen delen; verlangen naar contemplatie en aanbidding van Christus, die werkelijk tegenwoordig is onder de eucharistische gedaanten". Angelusgebed, (3)[[2818|(3)]]
De oproep om binnen het kader van de geestelijke vorming de schoonheid en de vreugde van het Boetesacrament te herontdekken is meer dan ooit verplichtend en dringend. In een cultuur die door nieuwe en meer subtiele vormen van zelfrechtvaardiging het "zondebesef" noodlottigerwijze dreigt te verliezen en bijgevolg de troostrijke vreugde van het vragen van vergiffenis (Ps. 51, 14)[[b:Ps. 51, 14]] en van de ontmoeting met God "die rijk is aan erbarming" (Ef. 2, 4)[b:Ef. 2, 4], is het dringend nodig de toekomstige priesters op te voeden tot de deugd van boetvaardigheid, die door de Kerk vol wijsheid gevoed wordt in haar vieringen en in de tijden van het liturgisch jaar en die in haar volheid in het Sacrament van de verzoening gevonden wordt. Hieruit vloeien de zin voor ascese en innerlijke tucht voort, de geest van offer en onthechting, de aanvaarding van moeite en kruis. Het gaat om elementen van het geestelijk leven welke vaak bijzonder zwaar blijken voor vele kandidaten voor het priesterschap, die opgegroeid zijn in relatief gerieflijke en welvarende omstandigheden en minder bereid en gevoelig gemaakt zijn voor deze elementen door de gedragspatronen en de idealen waarvan de sociale communicatiemiddelen het voertuig zijn, ook in de landen waarin de levensomstandigheden armoediger zijn en de situatie van de jongeren soberder is. Daarom, maar vooral om haar het voorbeeld van Christus, de goede Herder, de "radicale zelfgave" van de priester te verwerkelijken, hebben de Synodevaders geschreven: "Het is nodig de zin voor het kruis in te prenten, dat de kern van het Paasmysterie vormt. Dank zij de vereenzelviging met de gekruisigde Christus als dienaar kan de wereld de waarde terugvinden van de soberheid, van het lijden en ook van het martelaarschap in de huidige cultuur, die doordrenkt is van secularisme, begeerte en hedonisme". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (23)[[2521|(23)]]
Dat geldt vooral voor de deelname aan de Eucharistie, gedachtenis van de offerdood en de glorierijke verrijzenis van Christus, "sacrament van barmhartigheid, teken van eenheid, band van liefde" 26, 13[[859]], paasmaal, "waarbij Christus genuttigd, het hart van genade vervuld en ons een onderpand van de toekomstige heerlijkheid wordt gegeven". Getijdengebed, Magnificat...Getijdengebed, Magnificat antifoon van de Tweede Vespers van het Hoogfeest van het Lichaam en Bloed van Christus Als bedienaren van de heilige geheimen zijn de priesters vooral de bedienaren van het Misoffer. vgl: Presbyterorum Ordinis, 13[[[704|13]]] Hun rol is volstrekt onvervangbaar, want zonder priester kan er geen eucharistisch offer zijn.
Dit verklaart het wezenlijke belang van de Eucharistie voor het leven en het ambt van de priester en bijgevolg voor de vorming van de kandidaten voor het priesterschap. Met grote eenvoud en met alle duidelijkheid herhaal ik: "Het zal nodig zijn dat de seminaristen iedere dag deelnemen aan de eucharistieviering, zodat deze dagelijkse viering vervolgens regel wordt in hun priesterleven. Zij zullen er bovendien toe opgevoed worden de eucharistieviering als het essentiële ogenblik van hun dag te beschouwen. Zij zullen zich eraan wennen daar actief aan deel te nemen en zich nooit tevreden te stellen met een deelname alleen uit gewoonte. Tenslotte zullen de kandidaten voor het priesterschap gevormd worden voor de innerlijke gesteltenissen die door de Eucharistie bevorderd worden: dankbaarheid voor de uit de hemel ontvangen weldaden, daar eucharistie dankzegging betekent; een offerhouding die hen aanspoort het persoonlijk offer te verenigen met het eucharistisch offer van Christus; liefde die gevoed wordt door een sacrament dat teken is van eenheid en samen delen; verlangen naar contemplatie en aanbidding van Christus, die werkelijk tegenwoordig is onder de eucharistische gedaanten". Angelusgebed, (3)[[2818|(3)]]
De oproep om binnen het kader van de geestelijke vorming de schoonheid en de vreugde van het Boetesacrament te herontdekken is meer dan ooit verplichtend en dringend. In een cultuur die door nieuwe en meer subtiele vormen van zelfrechtvaardiging het "zondebesef" noodlottigerwijze dreigt te verliezen en bijgevolg de troostrijke vreugde van het vragen van vergiffenis (Ps. 51, 14)[[b:Ps. 51, 14]] en van de ontmoeting met God "die rijk is aan erbarming" (Ef. 2, 4)[b:Ef. 2, 4], is het dringend nodig de toekomstige priesters op te voeden tot de deugd van boetvaardigheid, die door de Kerk vol wijsheid gevoed wordt in haar vieringen en in de tijden van het liturgisch jaar en die in haar volheid in het Sacrament van de verzoening gevonden wordt. Hieruit vloeien de zin voor ascese en innerlijke tucht voort, de geest van offer en onthechting, de aanvaarding van moeite en kruis. Het gaat om elementen van het geestelijk leven welke vaak bijzonder zwaar blijken voor vele kandidaten voor het priesterschap, die opgegroeid zijn in relatief gerieflijke en welvarende omstandigheden en minder bereid en gevoelig gemaakt zijn voor deze elementen door de gedragspatronen en de idealen waarvan de sociale communicatiemiddelen het voertuig zijn, ook in de landen waarin de levensomstandigheden armoediger zijn en de situatie van de jongeren soberder is. Daarom, maar vooral om haar het voorbeeld van Christus, de goede Herder, de "radicale zelfgave" van de priester te verwerkelijken, hebben de Synodevaders geschreven: "Het is nodig de zin voor het kruis in te prenten, dat de kern van het Paasmysterie vormt. Dank zij de vereenzelviging met de gekruisigde Christus als dienaar kan de wereld de waarde terugvinden van de soberheid, van het lijden en ook van het martelaarschap in de huidige cultuur, die doordrenkt is van secularisme, begeerte en hedonisme". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (23)[[2521|(23)]]
Referenties naar alinea 48: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
49
De geestelijke vorming vraagt ook om het zoeken van Christus in de mensen. Het geestelijk leven is innerlijk leven, leven van vertrouwelijkheid met God, leven van gebed en contemplatie. Maar juist de ontmoeting met God en met zijn liefde als Vader van allen stelt de onafwendbare eis van de ontmoeting met de naaste, van de gave van zichzelf aan de anderen, in de nederige en onbaatzuchtige dienst die Jezus aan allen als levensprogram heeft voorgehouden door de voeten van de apostelen te wassen: "Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb" (Joh. 13, 15)[b:Joh. 13, 15].
De vorming tot de edelmoedige en belangeloze zelfgave, welke ook bevorderd wordt door de gemeenschapsvorm die de voorbereiding op het priesterschap normaal heeft, is een onmisbare voorwaarde voor wie geroepen is om openbaring en spiegel te worden van de goede Herder die zijn leven geeft (Joh. 10, 11-15)[[b:Joh. 10, 11-15]]. In dit opzicht heeft de geestelijke vorming haar intrinsieke pastorale of caritatieve dimensie, moet zij deze ontwikkelen en kan zij zich ook met nut bedienen van een juiste ofwel sterke en tedere devotie tot het Hart van Christus, zoals de Synodevaders benadrukt hebben: "De vorming van de toekomstige priesters in de spiritualiteit van het Hart van de Heer impliceert het leiden van een leven dat beantwoordt aan de liefde en de genegenheid van Christus, Priester en goede Herder, aan zijn liefde voor de Vader in de heilige Geest, aan zijn liefde voor de mensen tot aan het offer van zijn leven". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (23)[[2521|(23)]]
De priester is dus de man van de liefde en hij is geroepen om de anderen op te voeden tot navolging van Christus en tot zijn nieuw gebod van de broederlijke liefde (Joh. 15, 12)[[b:Joh. 15, 12]]. Dit vraagt echter dat hij zichzelf voortdurend door de Geest laat opvoeden tot de liefde van Christus. De voorbereiding op het priesterschap moet daarom een serieuze vorming tot de liefde insluiten, in het bijzonder tot de voorkeursliefde voor de "armen", in wie het geloof de tegenwoordigheid van Jezus (Mt. 25, 40)[[b:Mt. 25, 40]] ontdekt, en tot de barmhartige liefde voor de zondaars.
In het perspectief van de liefde die bestaat in de zelfgave uit liefde, heeft in de geestelijke vorming van de toekomstige priester ook de opvoeding tot de gehoorzaamheid, het celibaat en de armoede haar plaats. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (23)[[[2521|(23)]]] In verband daarmee staat de aansporing van het Concilie: "Zeer duidelijk dienen de studenten in te zien, dat zij niet bestemd zijn voor een heersersplaats of voor ere-ambten, maar dat de dienst van God en het pastorale dienstwerk geheel beslag op hen leggen. Met bijzondere zorg moeten zij zo worden opgevoed in de priesterlijke gehoorzaamheid, in de leefwijze van een arme en in de geest van zelfverloochening dat zij zich eraan wennen spontaan ook van datgene afstand te doen wat wel geoorloofd is, maar niet ter zake dienend en zich aan de gekruisigde Christus te conformeren". Optatam Totius Ecclesiae, 9[[675|9]]
De vorming tot de edelmoedige en belangeloze zelfgave, welke ook bevorderd wordt door de gemeenschapsvorm die de voorbereiding op het priesterschap normaal heeft, is een onmisbare voorwaarde voor wie geroepen is om openbaring en spiegel te worden van de goede Herder die zijn leven geeft (Joh. 10, 11-15)[[b:Joh. 10, 11-15]]. In dit opzicht heeft de geestelijke vorming haar intrinsieke pastorale of caritatieve dimensie, moet zij deze ontwikkelen en kan zij zich ook met nut bedienen van een juiste ofwel sterke en tedere devotie tot het Hart van Christus, zoals de Synodevaders benadrukt hebben: "De vorming van de toekomstige priesters in de spiritualiteit van het Hart van de Heer impliceert het leiden van een leven dat beantwoordt aan de liefde en de genegenheid van Christus, Priester en goede Herder, aan zijn liefde voor de Vader in de heilige Geest, aan zijn liefde voor de mensen tot aan het offer van zijn leven". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (23)[[2521|(23)]]
De priester is dus de man van de liefde en hij is geroepen om de anderen op te voeden tot navolging van Christus en tot zijn nieuw gebod van de broederlijke liefde (Joh. 15, 12)[[b:Joh. 15, 12]]. Dit vraagt echter dat hij zichzelf voortdurend door de Geest laat opvoeden tot de liefde van Christus. De voorbereiding op het priesterschap moet daarom een serieuze vorming tot de liefde insluiten, in het bijzonder tot de voorkeursliefde voor de "armen", in wie het geloof de tegenwoordigheid van Jezus (Mt. 25, 40)[[b:Mt. 25, 40]] ontdekt, en tot de barmhartige liefde voor de zondaars.
In het perspectief van de liefde die bestaat in de zelfgave uit liefde, heeft in de geestelijke vorming van de toekomstige priester ook de opvoeding tot de gehoorzaamheid, het celibaat en de armoede haar plaats. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (23)[[[2521|(23)]]] In verband daarmee staat de aansporing van het Concilie: "Zeer duidelijk dienen de studenten in te zien, dat zij niet bestemd zijn voor een heersersplaats of voor ere-ambten, maar dat de dienst van God en het pastorale dienstwerk geheel beslag op hen leggen. Met bijzondere zorg moeten zij zo worden opgevoed in de priesterlijke gehoorzaamheid, in de leefwijze van een arme en in de geest van zelfverloochening dat zij zich eraan wennen spontaan ook van datgene afstand te doen wat wel geoorloofd is, maar niet ter zake dienend en zich aan de gekruisigde Christus te conformeren". Optatam Totius Ecclesiae, 9[[675|9]]
Referenties naar alinea 49: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
50
Instructie over criteria ter onderscheiding van roepingen met betrekking tot personen met homoseksuele neigingen aangaande hun toelating tot het seminarie en de Heilige Wijdingen ->=geentekst=
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
De geestelijke vorming van wie geroepen is om celibatair te leven moet speciale aandacht besteden aan de voorbereiding van de toekomstige priester op het kennen, waarderen, beminnen en beleven van het celibaat in zijn ware natuur en in zijn ware doeleinden, dus in zijn evangelische, geestelijke en pastorale motiveringen. Vooronderstelling en inhoud van die voorbereiding is de deugd van kuisheid, die alle menselijke relaties kenmerkt en leidt "tot het voelen en uiten (...) van een oprechte, menselijke, broederlijke, persoonlijke en offervaardige liefde voor allen en voor ieder naar het voorbeeld van Christus". Ratio fundamentalis institutionis sacerdotalis - Editio typica[[2567]]
Het celibaat van de priesters geeft aan de kuisheid enige speciale kenmerken. De priesters doen afstand "van het huwelijksleven omwille van het rijk der hemelen (Mt. 19, 1)[[b:Mt. 19, 1]], zij hangen de Heer aan met onverdeelde liefde, ten nauwste in aansluiting met het Nieuwe Verbond, en zij leggen getuigenis af van de verrijzenis van de komende wereld (Lc. 20, 36)[[b:Lc. 20, 36]] en zij verkrijgen een uitstekend hulpmiddel bij de ononderbroken beoefening van de volmaakte liefde, waardoor zij bij hun priesterlijk dienstwerk als voor allen kunnen worden". Optatam Totius Ecclesiae, 10[[675|10]] Het christelijke celibaat dient derhalve niet beschouwd te worden als een eenvoudig juridische norm noch als een volstrekt uiterlijke voorwaarde om tot de wijding toegelaten te worden, maar als een waarde die nauw verbonden is met de priesterwijding welke de priester gelijkvormig maakt aan Jezus Christus, die goeder Herder en de Bruidegom van de Kerk, en dus als de keuze voor een grotere en onverdeelde liefde voor Christus en zijn Kerk in de volledige en vreugdevolle beschikbaarheid van het hart voor de pastorale dienst. Het celibaat moet beschouwd worden als een speciale genade, als een gave "die niet iedereen kan (...) begrijpen, maar alleen zij aan wie het gegeven is" (Mt. 19, 11)[b:Mt. 19, 11]. Ongetwijfeld een genade die niet ontstaat van het bewuste en vrije antwoord van de kant van wie haar ontvangt, maar deze juist met bijzondere kracht eist. Dit charisma van de Geest sluit ook de genade in dat degene die het leven trouw aan blijft en de verplichtingen die ermee verbonden zijn edelmoedig en blij vervult. In de vorming voor het priesterlijk celibaat moet het besef verzekerd worden van de "kostbare gave van God", Optatam Totius Ecclesiae, 10[[675|10]] wat tot gebed en waakzaamheid zal leiden, opdat de gave behoed blijft voor alles wat haar kan bedreigen.
Door zijn celibatair leven zal de priester zijn dienstwerk onder het volk van God beter kunnen vervullen. Terwijl hij getuigenis zaal afleggen van de evangelische waarde van de maagdelijkheid, zal hij speciaal de christelijke gehuwden kunnen helpen om ten volle het "grote geheim" van de liefde van Christus, de Bruidegom, voor de Kerk, zijn bruid, te beleven, zoals ook zijn trouw aan het celibaat van hulp zal zijn voor de trouw van de gehuwden. Novo incipiente[[1210]]
Het belang en het delicate karakter van de voorbereiding op het priesterlijk celibaat speciaal in de huidige sociale en culturele omstandigheden hebben de Synodevaders ertoe gebracht een aantal vereisten te formuleren, waarvan de blijvende geldigheid overigens bevestigd is door de wijsheid van de Moederkerk. Ik geeft ze op gezaghebbende wijze weer als criteria die gevolgd moeten worden bij de vorming tot de kuisheid in het celibaat: "Samen met de rectoren van de seminaries en de geestelijke leidslieden moeten de bisschoppen beginselen vaststellen en criteria en hulpmiddelen aanbieden voor het oordeel in deze materie. De zorg van de bisschop en de broederlijke samenleving onder de priesters zijn van het hoogste gewicht voor de vorming tot de kuisheid in het celibaat. In het seminarie ofwel in het vormingsprogramma daarvan moet het celibaat duidelijk, ondubbelzinnig en op positieve wijze voorgesteld worden. De seminarist moet de vereiste graad van psychische en seksuele rijpheid bezitten evenals een leven van volhardend en authentiek gebed en hij moet zich onder de leiding van een geestelijke vader stellen. De geestelijke leidsman moet de seminarist helpen om tot een rijpe en vrije beslissing te komen, die gebaseerd moet zijn op waardering voor de priesterlijke vriendschap en voor de zelfdiscipline, alsmede op de aanvaarding van het alleen zijn en op een goede persoonlijke fysieke en psychische staat. Daartoe dienen de seminaristen goed de leer te kennen van het Tweede Vaticaans Concilie, de encycliek Sacerdotalis Caelibatus[1219] en de Instructie voor de vorming tot het priesterlijk celibaat[2819] die in 1974 uitgegeven is door de Congregatie voor de Katholieke Opvoeding. Opdat de seminarist het priesterlijk celibaat omwille van het Rijk der hemelen met een vrije beslissing kan omhelzen, is het nodig dat hij de christelijke en waarlijk menselijke natuur en ook het doel van de seksualiteit in huwelijk en celibaat kent. Het is ook nodig de christengelovigen te instrueren inzake de evangelische, geestelijke en pastorale motieven voor het priesterlijk celibaat en hen op te voeden tot het helpen van de priesters door hun vriendschap, begrijp en medewerking". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (24)[[2521|(24)]]
Het celibaat van de priesters geeft aan de kuisheid enige speciale kenmerken. De priesters doen afstand "van het huwelijksleven omwille van het rijk der hemelen (Mt. 19, 1)[[b:Mt. 19, 1]], zij hangen de Heer aan met onverdeelde liefde, ten nauwste in aansluiting met het Nieuwe Verbond, en zij leggen getuigenis af van de verrijzenis van de komende wereld (Lc. 20, 36)[[b:Lc. 20, 36]] en zij verkrijgen een uitstekend hulpmiddel bij de ononderbroken beoefening van de volmaakte liefde, waardoor zij bij hun priesterlijk dienstwerk als voor allen kunnen worden". Optatam Totius Ecclesiae, 10[[675|10]] Het christelijke celibaat dient derhalve niet beschouwd te worden als een eenvoudig juridische norm noch als een volstrekt uiterlijke voorwaarde om tot de wijding toegelaten te worden, maar als een waarde die nauw verbonden is met de priesterwijding welke de priester gelijkvormig maakt aan Jezus Christus, die goeder Herder en de Bruidegom van de Kerk, en dus als de keuze voor een grotere en onverdeelde liefde voor Christus en zijn Kerk in de volledige en vreugdevolle beschikbaarheid van het hart voor de pastorale dienst. Het celibaat moet beschouwd worden als een speciale genade, als een gave "die niet iedereen kan (...) begrijpen, maar alleen zij aan wie het gegeven is" (Mt. 19, 11)[b:Mt. 19, 11]. Ongetwijfeld een genade die niet ontstaat van het bewuste en vrije antwoord van de kant van wie haar ontvangt, maar deze juist met bijzondere kracht eist. Dit charisma van de Geest sluit ook de genade in dat degene die het leven trouw aan blijft en de verplichtingen die ermee verbonden zijn edelmoedig en blij vervult. In de vorming voor het priesterlijk celibaat moet het besef verzekerd worden van de "kostbare gave van God", Optatam Totius Ecclesiae, 10[[675|10]] wat tot gebed en waakzaamheid zal leiden, opdat de gave behoed blijft voor alles wat haar kan bedreigen.
Door zijn celibatair leven zal de priester zijn dienstwerk onder het volk van God beter kunnen vervullen. Terwijl hij getuigenis zaal afleggen van de evangelische waarde van de maagdelijkheid, zal hij speciaal de christelijke gehuwden kunnen helpen om ten volle het "grote geheim" van de liefde van Christus, de Bruidegom, voor de Kerk, zijn bruid, te beleven, zoals ook zijn trouw aan het celibaat van hulp zal zijn voor de trouw van de gehuwden. Novo incipiente[[1210]]
Het belang en het delicate karakter van de voorbereiding op het priesterlijk celibaat speciaal in de huidige sociale en culturele omstandigheden hebben de Synodevaders ertoe gebracht een aantal vereisten te formuleren, waarvan de blijvende geldigheid overigens bevestigd is door de wijsheid van de Moederkerk. Ik geeft ze op gezaghebbende wijze weer als criteria die gevolgd moeten worden bij de vorming tot de kuisheid in het celibaat: "Samen met de rectoren van de seminaries en de geestelijke leidslieden moeten de bisschoppen beginselen vaststellen en criteria en hulpmiddelen aanbieden voor het oordeel in deze materie. De zorg van de bisschop en de broederlijke samenleving onder de priesters zijn van het hoogste gewicht voor de vorming tot de kuisheid in het celibaat. In het seminarie ofwel in het vormingsprogramma daarvan moet het celibaat duidelijk, ondubbelzinnig en op positieve wijze voorgesteld worden. De seminarist moet de vereiste graad van psychische en seksuele rijpheid bezitten evenals een leven van volhardend en authentiek gebed en hij moet zich onder de leiding van een geestelijke vader stellen. De geestelijke leidsman moet de seminarist helpen om tot een rijpe en vrije beslissing te komen, die gebaseerd moet zijn op waardering voor de priesterlijke vriendschap en voor de zelfdiscipline, alsmede op de aanvaarding van het alleen zijn en op een goede persoonlijke fysieke en psychische staat. Daartoe dienen de seminaristen goed de leer te kennen van het Tweede Vaticaans Concilie, de encycliek Sacerdotalis Caelibatus[1219] en de Instructie voor de vorming tot het priesterlijk celibaat[2819] die in 1974 uitgegeven is door de Congregatie voor de Katholieke Opvoeding. Opdat de seminarist het priesterlijk celibaat omwille van het Rijk der hemelen met een vrije beslissing kan omhelzen, is het nodig dat hij de christelijke en waarlijk menselijke natuur en ook het doel van de seksualiteit in huwelijk en celibaat kent. Het is ook nodig de christengelovigen te instrueren inzake de evangelische, geestelijke en pastorale motieven voor het priesterlijk celibaat en hen op te voeden tot het helpen van de priesters door hun vriendschap, begrijp en medewerking". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (24)[[2521|(24)]]
Referenties naar alinea 50: 3
Ad Limina-bezoek Nederlandse Bisschoppen 1998 - Afsluiting ->=geentekst=Instructie over criteria ter onderscheiding van roepingen met betrekking tot personen met homoseksuele neigingen aangaande hun toelating tot het seminarie en de Heilige Wijdingen ->=geentekst=
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Subparagraaf 3 De intellectuele vorming: het begrijpen van het geloof
51
De intellectuele vorming, die haar eigen specifieke kenmerken heeft, hangt toch nauw samen met de menselijke en geestelijke vorming, zozeer dat zij er een noodzakelijke uitdrukking van is. Zij vormt namelijk een onontkoombare eis van het verstand, waarmee de mens "deel heeft aan het licht van de goddelijke geest" en een wijsheid zoekt te verwerven die op haar beurt openstaat voor en richt op het kennen en aanhangen van God. Gaudium et Spes, 15[[575|15]]
De intellectuele vorming van de kandidaten voor het priesterschap vindt haar specifieke rechtvaardiging in de natuur zelf van het gewijde ambt en blijkt actueel en noodzakelijk tegenover de uitdaging van de "nieuwe evangelisatie", waartoe de Heer de Kerk roept op de drempel van het derde millennium.
De Synodevaders schrijven: "Als reeds iedere christen bereid moet zijn om het geloof te verdedigen en rekenschap af te leggen van de hoop die in ons leeft (1 Pt. 3, 15)[[b:1 Pt. 3, 15]], dan moeten de kandidaten voor het priesterschap en de priesters veel meer ijver en zorg hebben voor de waarde van de intellectuele vorming in de opvoeding en de pastorale activiteit, aangezien zij voor het heil van de broeders en zusters een diepere kennis van de goddelijke geheimen moeten nastreven". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (26)[[2521|(26)]] De huidige situatie wordt sterk gekenmerkt door godsdienstige onverschilligheid en tevens door een wijdverbreid wantrouwen aangaande het reële vermogen van het verstand om tot objectieve en universele waarheid te komen en door nieuwe problemen en vragen welke opgeroepen worden door de wetenschappelijke en technologische ontdekkingen. Deze situatie eist nadrukkelijk zo'n uitstekend niveau van intellectuele vorming dat het de priesters in staat stelt om juist in een dergelijke context het onveranderlijke Evangelie van Christus te verkondigen en geloofwaardig te maken tegenover wettige eisen van de menselijke rede. Daar komt nog bij dat het actuele verschijnsel van het pluralisme, dat zich nadrukkelijker dan ooit voordoet, niet alleen in het milieu van de menselijke maatschappelijke maar ook in dat van de kerkelijke gemeenschap zelf, een bijzondere geschiktheid vraagt voor kritisch onderscheid. Dit is een ander motief dat de noodzaak aantoont van een uiterst serieuze intellectuele vorming.
Deze "pastorale" motivering van de intellectuele vorming bevestigt wat reeds gezegd is over de eenheid van het opvoedingsproces in zijn verschillende dimensies. De studie, die niet weinig plaats inneemt in het leven van wie zich voorbereidt op het priesterschap, is volstrekt geen uiterlijk en secundair onderdeel van zijn menselijke, christelijke geestelijke ontwikkeling en van de groei van zijn roeping. Door de studie, vooral door de theologische studie, hecht de toekomstige priester zich aan het woord van God, groeit hij in zijn geestelijk leven en bereidt hij zich voor op het vervullen van zijn pastorale dienst. Dit is het veelvoudige en tegelijk samenbindende doel van de theologische studie, zoals dat door het Concilie is aangegeven Optatam Totius Ecclesiae, 16[[675|16]] dat door het Instrumentum laboris[2572] van de Synode[d:243] hernomen is: "Om pastoraal effectief te zijn moet de intellectuele vorming geïntegreerd worden in een spiritualiteit die gekenmerkt wordt door een persoonlijke ervaring van God, teneinde een zuiver begripsmatige wetenschap te overstijgen en te komen tot die kennis van het hart die het mysterie van God eerst weet te 'zien' en vervolgens in staat is het aan de broeders mee te delen". Instrumentum Laboris Achtste gewone algemene vergadering - ”De vorming van de priesters in de huidige omstandigheden”, (39)[[2572|(39)]]
De intellectuele vorming van de kandidaten voor het priesterschap vindt haar specifieke rechtvaardiging in de natuur zelf van het gewijde ambt en blijkt actueel en noodzakelijk tegenover de uitdaging van de "nieuwe evangelisatie", waartoe de Heer de Kerk roept op de drempel van het derde millennium.
De Synodevaders schrijven: "Als reeds iedere christen bereid moet zijn om het geloof te verdedigen en rekenschap af te leggen van de hoop die in ons leeft (1 Pt. 3, 15)[[b:1 Pt. 3, 15]], dan moeten de kandidaten voor het priesterschap en de priesters veel meer ijver en zorg hebben voor de waarde van de intellectuele vorming in de opvoeding en de pastorale activiteit, aangezien zij voor het heil van de broeders en zusters een diepere kennis van de goddelijke geheimen moeten nastreven". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (26)[[2521|(26)]] De huidige situatie wordt sterk gekenmerkt door godsdienstige onverschilligheid en tevens door een wijdverbreid wantrouwen aangaande het reële vermogen van het verstand om tot objectieve en universele waarheid te komen en door nieuwe problemen en vragen welke opgeroepen worden door de wetenschappelijke en technologische ontdekkingen. Deze situatie eist nadrukkelijk zo'n uitstekend niveau van intellectuele vorming dat het de priesters in staat stelt om juist in een dergelijke context het onveranderlijke Evangelie van Christus te verkondigen en geloofwaardig te maken tegenover wettige eisen van de menselijke rede. Daar komt nog bij dat het actuele verschijnsel van het pluralisme, dat zich nadrukkelijker dan ooit voordoet, niet alleen in het milieu van de menselijke maatschappelijke maar ook in dat van de kerkelijke gemeenschap zelf, een bijzondere geschiktheid vraagt voor kritisch onderscheid. Dit is een ander motief dat de noodzaak aantoont van een uiterst serieuze intellectuele vorming.
Deze "pastorale" motivering van de intellectuele vorming bevestigt wat reeds gezegd is over de eenheid van het opvoedingsproces in zijn verschillende dimensies. De studie, die niet weinig plaats inneemt in het leven van wie zich voorbereidt op het priesterschap, is volstrekt geen uiterlijk en secundair onderdeel van zijn menselijke, christelijke geestelijke ontwikkeling en van de groei van zijn roeping. Door de studie, vooral door de theologische studie, hecht de toekomstige priester zich aan het woord van God, groeit hij in zijn geestelijk leven en bereidt hij zich voor op het vervullen van zijn pastorale dienst. Dit is het veelvoudige en tegelijk samenbindende doel van de theologische studie, zoals dat door het Concilie is aangegeven Optatam Totius Ecclesiae, 16[[675|16]] dat door het Instrumentum laboris[2572] van de Synode[d:243] hernomen is: "Om pastoraal effectief te zijn moet de intellectuele vorming geïntegreerd worden in een spiritualiteit die gekenmerkt wordt door een persoonlijke ervaring van God, teneinde een zuiver begripsmatige wetenschap te overstijgen en te komen tot die kennis van het hart die het mysterie van God eerst weet te 'zien' en vervolgens in staat is het aan de broeders mee te delen". Instrumentum Laboris Achtste gewone algemene vergadering - ”De vorming van de priesters in de huidige omstandigheden”, (39)[[2572|(39)]]
Referenties naar alinea 51: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
52
Een wezenlijke onderdeel van de intellectuele vorming is de studie van de filosofie, welke leidt tot een diepere kennis en verklaring van de menselijke persoon, van zijn vrijheid en van zijn betrekkingen met de wereld en met God. Zij blijkt zeer dringend, niet alleen vanwege het verband tussen de filosofische onderwerpen en de heilsmysteries welke in de theologie bestudeerd worden in het hogere licht van het geloof, vgl: De necessitate Philosophiae studia in Seminariis impensius promovendi[[[2851]]] maar ook vanwege een wijdverbreide culturele situatie die het subjectivisme verheft tot criterium en maat van de waarheid. Alleen een gezonde filosofie kan de kandidaten voor het priesterschap helpen om een weloverwogen besef te ontwikkelen van de constitutieve band tussen de menselijke geest en de waarheid, die waarheid welke ons ten volle geopenbaard wordt in Jezus Christus. Ook moet niet het belang onderschat worden van de filosofie voor het waarborgen van de "zekerheid van de waarheid", die de enige basis kan zijn voor de volledige persoonlijke gave aan Jezus en aan de Kerk. Het is niet moeilijk te begrijpen hoe sommige zeer concrete zaken, zoals de identiteit van de priester en zijn apostologische en missionaire inzet, nauw samenhangen met het allesbehalve abstracte probleem van de waarheid. Als men niet zeker is van de waarheid, hoe zou het dan mogelijk zijn heel het eigen leven in te zetten en de kracht te hebben om serieus aan anderen te vragen hun leven in te zetten? De filosofie helpt de kandidaat veel om zijn intellectuele vorming te verrijken met de "cultus van de waarheid", d.w.z. met een soort liefdevolle verering voor de waarheid, die voert tot de erkenning dat de mens niet de schepper en de maat van de waarheid is, maar dat deze aan de mens geschonken wordt door de hoogste Waarheid die God is; dat de menselijke rede, zij het op beperkte wijze en soms met moeite, tot de objectieve en universele waarheid kan komen, ook tot de waarheid omtrent God en de diepste zin van het bestaan; dat het geloof zelf niet kan afzien van de rede en van de inspanning om na te denken over zijn inhoud, zoals de grote geest Augustinus getuigd heeft: "ik heb met de rede willen zien wat ik geloofd heb en ik heb veel gedisputeerd en gezegd". XV, 28: CCL 50/A, 534: "Desideravi intellectu videre quod credidi, et multum disputavi et laboravi,"[[905]] Voor een diepere kennis van de mens, van de maatschappelijke verschijnselen en van de lijnen waarlangs de maatschappij zich ontwikkelt en met het oog op een zoveel mogelijk "vleesgeworden' uitoefening van de pastorale dienst kunnen de zogenoemde "menswetenschappen" van veel nut zijn, zoals de sociologie, de pedagogie, de psychologie, de economische en politieke wetenschappen, de wetenschap van de sociale communicatie. Zij het binnen de zeer grenzen van de positieve en beschrijvende wetenschappen, kunnen zij de toekomstige priesters helpen om in het "eigentijdse" te leven, zoals Christus gedaan heeft. Paulus VI heeft gezegd: "Christus is tijdgenoot geworden van bepaalde mensen en heeft hun taal gesproken. De trouw aan Hem vraagt dat men doorgaat eigentijds te zijn." AAS 62, (1970), 618[[2852]]
Referenties naar alinea 52: 1
Fides et Ratio ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
53
De intellectuele vorming van de toekomstige priesters wordt vooral gefundeerd en opgebouwd door de studie van de sacra doctrina, de theologie. De waarde en de authenticiteit van de theologische vorming hangen af van de nauwgezette eerbiediging van de eigen natuur van de theologie, die de Synodevaders als volgt samengevat hebben: "De ware theologie komt voort uit het geloof en wil tot het geloof voeren". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (26)[[2521|(26)]] Dat is de opvatting die de Kerk speciaal haar leergezag aanhoudend voorgehouden hebben. Dat is de lijn welke gevolgd is door de grote theologen die in de loop der eeuwen de gedachte van de katholieke Kerk verrijkt hebben. De heilige Thomas van Aquino verklaart uitdrukkelijk dat het geloof als het ware de habitus van de theologie is ofwel het blijvende beginsel van de beoefening van de theologie V, 4 ad 8: "Fides, quae est quasi habitus theologiae"[[2853]] en dat heel de theologie gericht is op het voeden van het geloof. vgl: Prolog., q. l, a. 1-5[[[909]]] De theologie is dus voor alles een gelovige, een mens van geloof, maar een gelovige die zijn geloof bestudeerd (fides quaerens intellectium) om tot een dieper begrip ervan te komen. De twee aspecten, het geloof en het rijpe nadenken, zijn nauw verbonden en verweven. Juist hun innige samenhang en hun wederzijdse doordringing beslissen over de ware aard van de theologie en bijgevolg over de inhoud, de wijze en de geest volgens welke de sacra doctrina uitgewerkt en bestudeerd moet worden.
Aangezien het geloof, dat vertrek- en aankomstpunt is van de theologie, ook een persoonlijke betrekking van de gelovige met Jezus Christus in de Kerk bewerkt, heeft ook de theologie intrinsieke christologische en kerkelijke kenmerken, welke door de kandidaat voor het priesterschap bewust opgenomen moeten worden, niet alleen omwille van de implicaties welke zijn persoonlijk leven betreffen, maar ook omwille van de implicaties welke zijn pastoraal dienstwerk aangaan. Als het geloof het aannemen van het woord Gods is, mondt het uit in een radicaal "ja" van de gelovige aan Jezus Christus, het volgende en definitieve Woord van God aan de wereld (Hebr. 1, 1 vv)[[b:Hebr. 1, 1 vv]]. De theologische reflectie heeft bijgevolg haar centrum in het aanhangen van Jezus Christus, Gods Wijsheid. De rijpe reflectie moet een deelneming aan de "gedachte" van Christus(1 Kor. 2, 11)[[b:1 Kor. 2, 11]] genoemd worden in de menselijke vorm van wetenschap (scientia fidei). Het geloof neemt de gelovige in de Kerk op en maakt hem deelachtig aan het leven van de Kerk als geloofsgemeenschap. De theologie heeft bijgevolg een kerkelijke dementie, want zij is een rijpe overweging van het geloof van de Kerk door de theoloog die lid van de Kerk is. vgl: Donum Veritatis, 11[[[1091|11]]]
Deze christologische en kerkelijke perspectieven, die de theologie van nature heeft, helpen de kandidaten voor het priesterschap om samen met de wetenschappelijke gestrengheid een grote en levendige liefde voor Jezus Christus en zijn Kerk te ontwikkelen. Deze liefde voedt hun geestelijk leven en richt hen op de edelmoedige vervulling van hun ambt. dit was uiteindelijk de bedoeling van het Tweede Vaticaans Concilie, dat een herziening van de kerkelijke studies heeft gevraagd, met een betere harmonisatie van de verschillende filosofische en theologische vakken, welke er eendrachtig toe moeten bijdragen "om de geest van de studenten steeds meer te openen voor het mysterie van Christus, dat de gehele geschiedenis van de mensheid raakt, terecht zijn invloed op de Kerk uitoefent en allereerst werkzaam is door het priesterlijk dienstwerk". Optatam Totius Ecclesiae, 14[[675|14]]
Theologische intellectuele vorming en geestelijk leven, vooral het gebedsleven, ontmoeten en verstreken elkaar, zonder ook maar iets af te doen noch aan de ernst van het wetenschappelijk onderzoek noch aan de geestelijk smaak voor het gebed. De heilige Bonaventura vermaant ons: "Niemand moet menen dat voor hem de lezing volstaat zinder zalving, de beschouwing zonder vroomheid, het onderzoek zonder verwondering, de waarneming zonder jubel, de activiteit zonder godsvrucht, de wetenschap zonder liefde, de intelligentie zonder nederigheid, de studie zonder de goddelijke genade, de bespiegeling zonder de wijsheid van de goddelijke inspiratie". Prol., 4: Opera Omnia, Tomus V, Ad Aquas Claras 1891, 296[[1588]]
Aangezien het geloof, dat vertrek- en aankomstpunt is van de theologie, ook een persoonlijke betrekking van de gelovige met Jezus Christus in de Kerk bewerkt, heeft ook de theologie intrinsieke christologische en kerkelijke kenmerken, welke door de kandidaat voor het priesterschap bewust opgenomen moeten worden, niet alleen omwille van de implicaties welke zijn persoonlijk leven betreffen, maar ook omwille van de implicaties welke zijn pastoraal dienstwerk aangaan. Als het geloof het aannemen van het woord Gods is, mondt het uit in een radicaal "ja" van de gelovige aan Jezus Christus, het volgende en definitieve Woord van God aan de wereld (Hebr. 1, 1 vv)[[b:Hebr. 1, 1 vv]]. De theologische reflectie heeft bijgevolg haar centrum in het aanhangen van Jezus Christus, Gods Wijsheid. De rijpe reflectie moet een deelneming aan de "gedachte" van Christus(1 Kor. 2, 11)[[b:1 Kor. 2, 11]] genoemd worden in de menselijke vorm van wetenschap (scientia fidei). Het geloof neemt de gelovige in de Kerk op en maakt hem deelachtig aan het leven van de Kerk als geloofsgemeenschap. De theologie heeft bijgevolg een kerkelijke dementie, want zij is een rijpe overweging van het geloof van de Kerk door de theoloog die lid van de Kerk is. vgl: Donum Veritatis, 11[[[1091|11]]]
Deze christologische en kerkelijke perspectieven, die de theologie van nature heeft, helpen de kandidaten voor het priesterschap om samen met de wetenschappelijke gestrengheid een grote en levendige liefde voor Jezus Christus en zijn Kerk te ontwikkelen. Deze liefde voedt hun geestelijk leven en richt hen op de edelmoedige vervulling van hun ambt. dit was uiteindelijk de bedoeling van het Tweede Vaticaans Concilie, dat een herziening van de kerkelijke studies heeft gevraagd, met een betere harmonisatie van de verschillende filosofische en theologische vakken, welke er eendrachtig toe moeten bijdragen "om de geest van de studenten steeds meer te openen voor het mysterie van Christus, dat de gehele geschiedenis van de mensheid raakt, terecht zijn invloed op de Kerk uitoefent en allereerst werkzaam is door het priesterlijk dienstwerk". Optatam Totius Ecclesiae, 14[[675|14]]
Theologische intellectuele vorming en geestelijk leven, vooral het gebedsleven, ontmoeten en verstreken elkaar, zonder ook maar iets af te doen noch aan de ernst van het wetenschappelijk onderzoek noch aan de geestelijk smaak voor het gebed. De heilige Bonaventura vermaant ons: "Niemand moet menen dat voor hem de lezing volstaat zinder zalving, de beschouwing zonder vroomheid, het onderzoek zonder verwondering, de waarneming zonder jubel, de activiteit zonder godsvrucht, de wetenschap zonder liefde, de intelligentie zonder nederigheid, de studie zonder de goddelijke genade, de bespiegeling zonder de wijsheid van de goddelijke inspiratie". Prol., 4: Opera Omnia, Tomus V, Ad Aquas Claras 1891, 296[[1588]]
Referenties naar alinea 53: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
54
De theologische vorming is een zeer ingewikkeld en inspannend werk. Zij moet de kandidaat voor het priesterschap brengen tot het bezit van een volledig en synthetisch inzicht in de door God in Jezus Christus geopenbaarde waarheid en in de geloofservaring van de Kerk. Vandaar de tweevoudige eis van de kennis van "alle" christelijke waarheden, zonder willekeurige keuzen te maken, en van de kennis van die waarheden op samenhangende wijze. Dit vraagt dat de leerling geholpen wordt een synthese tot stand te brengen die de vrucht moet zijn van de bijdragen van de diverse theologische vakken, welke alleen in nauwe onderlinge samenhang hun echte specifieke waarde hebben. In haar rijpe reflectie op het geloof beweegt de theologie zich in twee richtingen. De eerste is die van de studie van het woord van God, van het woord dat geschreven staat in de Heilige Schrift, gevierd en in praktijk gebracht wordt binnen de levende traditie van de Kerk en met gezag uitgelegd wordt door het leergezag van de Kerk. Vandaar de studie van de Heilige Schrift "die als het ware de ziel van de gehele theologie moet zijn", Optatam Totius Ecclesiae, 16[[675|16]] van de kerkvaders, van de liturgie, van de geschiedenis van de Kerk en van de uitspraken van het leergezag. De tweede richting is die van de mens, gesprekspartner van God, van de mens die geroepen wordt om in het christelijk geloof en het christelijk ethos te "geloven", daarin te "leven" en ze aan de anderen "mee te delen". Vandaar de studie van de dogmatiek, van de moraaltheologie, van de theologie van de spiritualiteit, van het canoniek recht en van de pastoraaltheologie.
Dat de theologie betrekking heeft op de gelovige mens leidt ertoe dat zij speciaal aandacht heeft enerzijds voor het fundamentele en blijvende probleem van de verhouding tussen geloof en rede en anderzijds voor bepaalde eisen die meer verband houden met de sociale en culturele situatie van deze tijd. Wat het eerste betreft is er de studie van de fundamentele theologie, waarvan het onderwerp het feit van de christelijke openbaring is en de overdracht daarvan in de Kerk. Wat het tweede betreft zijn er de vakken die een meer besliste ontwikkeling gekend hebben en nog kennen als antwoord op de problemen welke nu sterk gevoeld worden. Vandaar de studie van de sociale leer van de Kerk, die "behoort (...) tot het gebied (...) van de theologie en vooral van de moraaltheologie" Sollicitudo Rei Socialis, 41[[350|41]] en gekend moet worden tot de "wezenlijke element" van de "nieuwe evangelisatie", waarvoor zij een instrument vormt. vgl: Centesimus Annus, 54[[[3|54]]] Vandaar de studie van de missie, van het oecumenisme, van het judaïsme, van de islam en van andere niet-christelijke godsdiensten.
Dat de theologie betrekking heeft op de gelovige mens leidt ertoe dat zij speciaal aandacht heeft enerzijds voor het fundamentele en blijvende probleem van de verhouding tussen geloof en rede en anderzijds voor bepaalde eisen die meer verband houden met de sociale en culturele situatie van deze tijd. Wat het eerste betreft is er de studie van de fundamentele theologie, waarvan het onderwerp het feit van de christelijke openbaring is en de overdracht daarvan in de Kerk. Wat het tweede betreft zijn er de vakken die een meer besliste ontwikkeling gekend hebben en nog kennen als antwoord op de problemen welke nu sterk gevoeld worden. Vandaar de studie van de sociale leer van de Kerk, die "behoort (...) tot het gebied (...) van de theologie en vooral van de moraaltheologie" Sollicitudo Rei Socialis, 41[[350|41]] en gekend moet worden tot de "wezenlijke element" van de "nieuwe evangelisatie", waarvoor zij een instrument vormt. vgl: Centesimus Annus, 54[[[3|54]]] Vandaar de studie van de missie, van het oecumenisme, van het judaïsme, van de islam en van andere niet-christelijke godsdiensten.
Referenties naar alinea 54: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
55
De huidige theologische vorming moet aandacht besteden aan enige problemen die vaak moeilijkheden, spanningen en verwarring binnen het kerkelijk leven veroorzaken. Men denke aan de betrekking tussen de uitspraken van het leergezag en de theologische discussies, die niet altijd is zoals zij zou moeten zijn, d.w.z. in het teken van de samenwerking. "Het levende leergezag van de Kerk en de theologie, die weliswaar verschillende gaven en functies hebben, hebben uiteindelijk hetzelfde doel, namelijk het volk Gods te behouden in de waarheid die vrij maakt, en er zo het "licht der volkeren" van te maken. Deze dienst aan de kerkgemeenschap plaatst de theoloog en het leergezag in een wederzijdse betrekking. Het leergezag onderricht op authentieke wijze de leer van de apostelen en weerlegt, voordeel trekkend uit het werk van de theologen, de tegenwerpingen en misvormingen van het geloof, terwijl het bovendien met het gezag dat het van Jezus Christus ontvangen heeft, nieuwe verrijkingen, verduidelijkingen en toepassingen van de geopenbaarde leer voorlegt. De theologie verwerft door reflectie een steeds dieper begrip van het woord van God, dat vervat is in de Schrift en trouw doorgegeven wordt door de levende traditie van de Kerk onder de leiding van het leergezag. Zij zoekt de leer van de openbaring te verhelderen tegenover de aanspraken van het verstand en geeft er tenslotte een samenhangende en systematische vorm aan". Donum Veritatis, 21[[1091|21]] Maar als deze samenwerking om allerlei redenen verslapt, is het nodig dat men zich niet leent voor dubbelzinnigheid en verwarring en nauwkeurig "de algemene leer van de Kerk" weet te onderscheiden "van de meningen van de theologen en van de tendensen die spoedig voorbijgaan (de zogenaamde trends)". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (26)[[2521|(26)]] Er is geen "parallel leergezag, "want het enige leergezag is dat van Petrus en de apostelen, van de paus en de bisschoppen. "We moeten meer aan de zijde van de autoriteit van de Kerk zijn, dan die van Augustinus of Hieronymus, of welke andere leraar dan ook[[t:iia-iiae q. 10 a. 12]] "Niemand kan zichzelf beschermen met de autoriteit van Hieronymus of Augustinus of welke andere leraar dan ook tegen de autoriteit van Petrus"[[t:iia-iiae q. 11 a. 2 ad 3]] Een ander probleem, dat vooral daar gevoeld wordt waar de seminariestudies toevertrouwd zijn aan academische instituten, betreft de verhouding tussen de wetenschappelijke gestrengheid van de theologie en de pastorale bestemming ervan en dus de pastorale aard van de theologie In feite gaat het om twee kenmerken van de theologie en van het onderricht ervan die niet alleen niet tegenover elkaar staan maar samenwerken, zij het onder verschillende opzichten, voor het meest volledige "begrip van het geloof". Het pastorale karakter van de theologie betekent geen theologie die minder leerstellig is of zelfs beroofd is van haar gemeenschappelijkheid. Het betekent integendeel dat zij de toekomstige priesters bekwaam maakt om de evangelische boodschap te verkondigen door middel van de cultuurmodellen van hun tijd en om de pastorale actie op te zetten volgens een authentieke theologische visie. Zo zal enerzijds een studie die de rigoureuze wetenschappelijkheid van de afzonderlijk theologische vakken respecteert, bijdragen tot de meest volledige en grondige vorming van de zielenherder als leraar van het geloof, terwijl anderzijds de juiste gevoeligheid voor de pastorale bestemming de serieuze en wetenschappelijke studie van de theologie waarlijk vormend zal maken voor de toekomstige priesters.
De nu sterk gevoelde eis van de evangelisatie van de cultuur en van de inculturatie van de boodschap van het geloof levert nog een ander probleem op. Het is een bij uitstek pastoraal probleem, dat meer ruimte en gevoeligheid moet vinden in de vorming van de kandidaten voor het priesterschap. "In de huidige omstandigheden waarin de christelijke godsdienst in verschillende streken van de wereld beschouwd wordt als iets dat vreemd is aan de cultuur, zowel aan de antieke als aan de moderne, is het van groot belang dat het aspect van de inculturatie voor noodzakelijk en wezenlijk gehouden wordt in heel de intellectuele en menselijke vorming". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (32)[[2521|(32)]] Maar dat vereist een authentieke theologie die bezield wordt door de katholieke beginselen omtrent de inculturatie. Deze beginselen houden verband met het mysterie van de menswording van het Woord van God en met de christelijke antropologie en werpen licht op de authentieke zin van de inculturatie die tegenover de meest verscheidene en soms tegengestelde culturen in de diverse delen van de wereld gehoorzaam wil zijn aan het gebed van Christus om het Evangelie aan alle volkeren te prediken tot aan het uiteinde der aarde. Die gehoorzaamheid betekent noch syncretisme noch een eenvoudige aanpassing van de evangelische boodschap. Zij betekent dat het Evangelie op vitale wijze in de culturen doordringt, zich daarin belichaamt en daarbij de elementen ervan welke onverenigbaar zijn met het geloof en met het christelijke leven overwint en de waarden ervan opheft tot het mysterie van het heil dat van Christus komt. vgl: Redemptoris Missio, 67[[[4|67]]] Het probleem van de inculturatie kan van specifiek belang zijn wanneer de kandidaten voor het priesterschap zelf uit autochtone culturen komen. Dan zullen zij geschikte wegen van vorming nodig hebben, hetzij om het gevaar te overwinnen dat zij minder eisen stellen en een opvoeding ontvangen die zwakker staat tegenover de menselijke, christelijke en priesterlijke waarden, hetzij om de goede authentieke elementen van hun culturen en tradities naar waarde te schatten. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (32)[[[2521|(32)]]]
De nu sterk gevoelde eis van de evangelisatie van de cultuur en van de inculturatie van de boodschap van het geloof levert nog een ander probleem op. Het is een bij uitstek pastoraal probleem, dat meer ruimte en gevoeligheid moet vinden in de vorming van de kandidaten voor het priesterschap. "In de huidige omstandigheden waarin de christelijke godsdienst in verschillende streken van de wereld beschouwd wordt als iets dat vreemd is aan de cultuur, zowel aan de antieke als aan de moderne, is het van groot belang dat het aspect van de inculturatie voor noodzakelijk en wezenlijk gehouden wordt in heel de intellectuele en menselijke vorming". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (32)[[2521|(32)]] Maar dat vereist een authentieke theologie die bezield wordt door de katholieke beginselen omtrent de inculturatie. Deze beginselen houden verband met het mysterie van de menswording van het Woord van God en met de christelijke antropologie en werpen licht op de authentieke zin van de inculturatie die tegenover de meest verscheidene en soms tegengestelde culturen in de diverse delen van de wereld gehoorzaam wil zijn aan het gebed van Christus om het Evangelie aan alle volkeren te prediken tot aan het uiteinde der aarde. Die gehoorzaamheid betekent noch syncretisme noch een eenvoudige aanpassing van de evangelische boodschap. Zij betekent dat het Evangelie op vitale wijze in de culturen doordringt, zich daarin belichaamt en daarbij de elementen ervan welke onverenigbaar zijn met het geloof en met het christelijke leven overwint en de waarden ervan opheft tot het mysterie van het heil dat van Christus komt. vgl: Redemptoris Missio, 67[[[4|67]]] Het probleem van de inculturatie kan van specifiek belang zijn wanneer de kandidaten voor het priesterschap zelf uit autochtone culturen komen. Dan zullen zij geschikte wegen van vorming nodig hebben, hetzij om het gevaar te overwinnen dat zij minder eisen stellen en een opvoeding ontvangen die zwakker staat tegenover de menselijke, christelijke en priesterlijke waarden, hetzij om de goede authentieke elementen van hun culturen en tradities naar waarde te schatten. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (32)[[[2521|(32)]]]
Referenties naar alinea 55: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
56
Op grond van de leer en de richtlijnen van het Tweede Vaticaans Concilie en van de aanwijzingen voor de toepassing ervan in de Ratio fundamentalis institutionis sacerdotalis - Editio typica[2567] heeft in de Kerk een ruime aanpassing plaatsgevonden van het onderricht van de filosofische vakken en vooral van de theologische vakken in de seminaries. Hoewel in enige gevallen nog verdere verbeteringen en ontwikkelingen vereist zijn, heeft deze aanpassing in haar geheel bijgedragen tot voortdurende verbetering van de kwaliteit van het opvoedkundige aanbod in het kader van de intellectuele vorming. Want dit betreft "hebben de Synodevaders opnieuw herhaaldelijk en duidelijk de dringende noodzaak bevestigd van de toepassing in de seminaries en de vormingshuizen van de fundamentele leerplannen zowel van het algemene als van die van de afzonderlijke landen of bisschoppenconferenties". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (27)[[2521|(27)]] Het is noodzakelijk zich vastberaden te verzetten tegen de tendens welke in bepaalde kerkelijke kringen aan de dag treedt om de ernst en de verplichting van de studies te verminderen, mede als gevolg van een onvoldoende en gebrekkige basisopleiding van de leerlingen die aan de filosofische en theologische cyclus beginnen. De hedendaagse situatie zelf vraagt steeds meer om leraren die werkelijk opgewassen zijn tegen de ingewikkeldheid van deze tijd en in staat zijn met kennis van zaken, duidelijkheid en grondige argumenten te antwoorden op de vragen naar zin van de mensen van nu, waarop alleen het Evangelie van Jezus Christus het volledige en definitieve antwoord geeft.
Referenties naar alinea 56: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Subparagraaf 4 De pastorale vorming: deelnemen aan de liefde van Jezus Christus, de goede Herder
57
De gehele vorming van de kandidaten voor het priesterschap is bestemd om hen op meer bijzondere wijze in staat te stellen deel te nemen aan de liefde van Christus, de goede Herder. Die vorming moet dus in haar diverse aspecten een wezenlijk pastoraal karakter hebben. Het conciliaire decreet Optatam Totius Ecclesiae[675] verklaart dit duidelijk met betrekking tot de grootseminaries: "De gehele opleiding van de studenten moet erop gericht zijn dat zij, naar het voorbeeld van onze Heer Jezus Christus, de Leraar, Priester en Herder, tot echte zielenherders worden gevormd. Zij moeten dus worden voorbereid op het dienstwerk van het woord: het geopenbaarde woord van God steeds beter trachten te begrijpen, het zich in overweging eigen maken, het in woord en gedrag tot uitdrukking brengen; voorbereid op het dienstwerk van de eredienst en heiliging: in gebeden en in de vieringen van de heilige liturgie het heilswerk door het eucharistisch offer en de sacramenten ten uitvoer leggen; voorbereid op het dienstwerk van herder: Christus aan de mensen weten voor te houden, die niet 'is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen' (Mc. 10, 45)[b:Mc. 10, 45] (Joh. 13, 12-17)[[b:Joh. 13, 12-17]] en, van allen dienstknecht geworden, heel velen ten voordeel te zijn" (1 Kor. 9, 19)[[b:1 Kor. 9, 19]]. Optatam Totius Ecclesiae, 4[[675|4]] De tekst van het Concilie legt de nadruk op de diepe samenhang tussen de verschillende aspecten van de vorming, de menselijke, geestelijke en intellectuele aspecten. Tegelijk benadrukt hij de specifiek pastorale doelstelling ervan. Zodoende verzekert het pastorale doel aan de menselijke, geestelijke en intellectuele vorming een bepaalde inhoud en precieze kenmerken, terwijl het eenheid geeft aan de gehele vorming van de toekomstige priester en deze specificeert.
Zoals iedere andere vorming ontwikkelt ook de pastorale vorming zich door middel van rijpe reflectie en praktische toepassing. Zij heeft haar levende wortels in een geest die de spil en de drijf- en ontwikkelingskracht vormt van alles. Vereist wordt dus de studie van een echte en eigenlijke theologische discipline: de pastorale of praktische theologie, die een wetenschappelijke reflectie is over de Kerk in haar dagelijkse opbouw uit kracht van de Geest in de geschiedenis; dus over de Kerk als "het universele sacrament van het heil" Lumen Gentium, 48[[617|48]], als teken en levens instrument van het heil van Jezus Christus in het woord, in de sacramenten en in de dienst van de liefde. De pastoraal is niet alleen een kunst noch een samenstel van aansporingen, ervaringen en methoden. Zij heeft volledig de waardigheid van theologie, want zij ontvangt uit het geloof de beginselen en criteria voor het pastoraal handelen van de Kerk die iedere dag de Kerk "verwekt", volgens de gelukkige uitdrukking van de heilige Beda: "Nam et Ecclesia gignit quotidie Ecclesiam". lib. II, 12: PL 93, 166[[2854]] Onder deze beginselen en criteria is bijzonder belangrijk het evangelische onderscheidingsvermogen aangaande de socio-culturele en kerkelijke situatie waarin de pastorale actie zich ontplooit.
De studie van de pastorale theologie moet de praktische toepassing toelichten door middel van bepaalde pastorale diensten welke de kandidaten voor het priesterschap moeten verrichten met de vereiste geleidelijkheid en steeds in harmonie met de andere verplichtingen van de vorming. Het gaat om pastorale "ervaringen" die kunnen samengaan in een echte "pastorale proeftijd", welke ook langere tijd kan duren en vraagt om op methodische wijze geverifieerd te worden.
Maar de pastorale studie en activiteit staan in betrekking met een innerlijke bron die door de vorming bewaakt en benut zal moeten worden: de steeds diepere gemeenschap met de herderlijke liefde van Jezus, die als het ware het beginsel en de kracht vormde voor zijn heilshandelen, zoals zij dank zij de uitstorting van de heilige Geest in het Sacrament van het priesterschap het beginsel en de kracht moet vormen voor het dienstwerk van de priester. Het gaat om een vorming die niet alleen bestemd is om een wetenschappelijke pastorale deskundigheid en een praktische bekwaamheid te verzekeren, maar ook en vooral om de groei te waarborgen van een wijze van zijn in gemeenschap met de gezindheid en de houding van Christus zelf, de goede Herder: "Die gezindheid moet onder u heersen welke ook Christus Jezus bezielde" (Fil. 2, 5)[b:Fil. 2, 5].
Zoals iedere andere vorming ontwikkelt ook de pastorale vorming zich door middel van rijpe reflectie en praktische toepassing. Zij heeft haar levende wortels in een geest die de spil en de drijf- en ontwikkelingskracht vormt van alles. Vereist wordt dus de studie van een echte en eigenlijke theologische discipline: de pastorale of praktische theologie, die een wetenschappelijke reflectie is over de Kerk in haar dagelijkse opbouw uit kracht van de Geest in de geschiedenis; dus over de Kerk als "het universele sacrament van het heil" Lumen Gentium, 48[[617|48]], als teken en levens instrument van het heil van Jezus Christus in het woord, in de sacramenten en in de dienst van de liefde. De pastoraal is niet alleen een kunst noch een samenstel van aansporingen, ervaringen en methoden. Zij heeft volledig de waardigheid van theologie, want zij ontvangt uit het geloof de beginselen en criteria voor het pastoraal handelen van de Kerk die iedere dag de Kerk "verwekt", volgens de gelukkige uitdrukking van de heilige Beda: "Nam et Ecclesia gignit quotidie Ecclesiam". lib. II, 12: PL 93, 166[[2854]] Onder deze beginselen en criteria is bijzonder belangrijk het evangelische onderscheidingsvermogen aangaande de socio-culturele en kerkelijke situatie waarin de pastorale actie zich ontplooit.
De studie van de pastorale theologie moet de praktische toepassing toelichten door middel van bepaalde pastorale diensten welke de kandidaten voor het priesterschap moeten verrichten met de vereiste geleidelijkheid en steeds in harmonie met de andere verplichtingen van de vorming. Het gaat om pastorale "ervaringen" die kunnen samengaan in een echte "pastorale proeftijd", welke ook langere tijd kan duren en vraagt om op methodische wijze geverifieerd te worden.
Maar de pastorale studie en activiteit staan in betrekking met een innerlijke bron die door de vorming bewaakt en benut zal moeten worden: de steeds diepere gemeenschap met de herderlijke liefde van Jezus, die als het ware het beginsel en de kracht vormde voor zijn heilshandelen, zoals zij dank zij de uitstorting van de heilige Geest in het Sacrament van het priesterschap het beginsel en de kracht moet vormen voor het dienstwerk van de priester. Het gaat om een vorming die niet alleen bestemd is om een wetenschappelijke pastorale deskundigheid en een praktische bekwaamheid te verzekeren, maar ook en vooral om de groei te waarborgen van een wijze van zijn in gemeenschap met de gezindheid en de houding van Christus zelf, de goede Herder: "Die gezindheid moet onder u heersen welke ook Christus Jezus bezielde" (Fil. 2, 5)[b:Fil. 2, 5].
Referenties naar alinea 57: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
58
Als de pastorale vorming zo begrepen wordt, kan zij zeker niet gereduceerd worden tot een eenvoudige leerperiode, die erop gericht is om vertrouwd te maken met een pastorale techniek. Het opvoedkundige programma van het seminarie is belast met een echte en eigenlijke initiatie in de herderlijke gevoeligheid, in de bewuste en rijpe aanvaarding van de pastorale verantwoordelijkheden, in de innerlijke gewoonte om de problemen te schatten en de prioriteiten en de middelen tot oplossing vast te stellen, steeds op basis van duidelijke geloofsmotieven en volgens de theologische eisen van de pastoraal zelf. Door de initiatie en de geleidelijke ervaring in het ambt zullen de toekomstige priesters opgenomen kunnen worden in het traditionele pastorale leven van hun particuliere Kerk, zullen zij leren de horizon van hun hart en geest te openen voor de missionaire dimensie van het kerkelijke leven en zullen zij zich oefenen in bepaalde eerste vormen van samenwerking onder elkaar en met de priesters die zij terzijde zullen moeten staan. Aan deze priesters valt in verbinding met het programma van het seminarie een opvoedkundige pastorale verantwoordelijkheid van groot gewicht toe.
Bij de keuze van de geschikte plaatsen en diensten voor de pastorale praktijk zal men in het bijzonder moeten denken aan de parochie vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (28)[[[2521|(28)]]], de vitale cel van de sectorale en gespecialiseerde pastorale ervaringen, waarin zij tegenover de bijzondere problemen van hun toekomstig dienstwerk komen te staan. De Synodevaders hebben een aantal concrete voorbeelden aangegeven zoals het ziekenbezoek, de zorg voor migranten, vluchtelingen en zigeuners, de dienst der liefde in verschillende sociale werken. Zij schrijven speciaal: "Het is nodig dat de priester een getuige wordt van de liefde van Christus zelf, die "weldoende roeping" (Hand. 10, 39)[b:Hand. 10, 39]. De priester moet ook een zichtbaar teken worden van de zorgzaamheid van de Kerk die moeder en lerares is. En aangezien de mens in deze tijd getroffen wordt door veel tegenspoed, vooral de mens die overweldigd wordt door onmenselijke armoede, blind geweld en onrechtvaardige macht, is het nodig dat de man van God, goed toegerust voor elk goed werk (2 Tim. 3, 17)[[b:2 Tim. 3, 17]], de rechten en de waardigheid van de mens verdedigt. Hij moet er zelf echter voor hoeden valse ideologieën aan te hangen en, terwijl hij de mens wil verheffen, te vergeten dat de wereld alleen door het kruis van Christus verlost is". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (28)[[2521|(28)]]
Het geheel van deze en andere pastorale activiteiten voedt de toekomstige priester ertoe op om de eigen zending van "gezag" in de gemeenschap als "dienst" te vervullen en zich ver te houden van iedere houding van superioriteit of van de uitoefening van een macht die niet altijd en alleen gerechtvaardigd wordt door herderlijke liefde.
Voor een passende vorming is het noodzakelijk dat de verschillende ervaringen van de kandidaten voor het priesterschap een duidelijk "ambtelijk" karakter hebben en nauw verbonden blijven met alle eisen die eigen zijn aan de voorbereiding op het priesterschap en, zeker niet ten koste van de studie, in verband staan met de diensten van de verkondiging van het woord, van de eredienst en van het voorgaan. Deze diensten kunnen de concrete vorm worden van de bedieningen van lector, acoliet en diaken.
Bij de keuze van de geschikte plaatsen en diensten voor de pastorale praktijk zal men in het bijzonder moeten denken aan de parochie vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (28)[[[2521|(28)]]], de vitale cel van de sectorale en gespecialiseerde pastorale ervaringen, waarin zij tegenover de bijzondere problemen van hun toekomstig dienstwerk komen te staan. De Synodevaders hebben een aantal concrete voorbeelden aangegeven zoals het ziekenbezoek, de zorg voor migranten, vluchtelingen en zigeuners, de dienst der liefde in verschillende sociale werken. Zij schrijven speciaal: "Het is nodig dat de priester een getuige wordt van de liefde van Christus zelf, die "weldoende roeping" (Hand. 10, 39)[b:Hand. 10, 39]. De priester moet ook een zichtbaar teken worden van de zorgzaamheid van de Kerk die moeder en lerares is. En aangezien de mens in deze tijd getroffen wordt door veel tegenspoed, vooral de mens die overweldigd wordt door onmenselijke armoede, blind geweld en onrechtvaardige macht, is het nodig dat de man van God, goed toegerust voor elk goed werk (2 Tim. 3, 17)[[b:2 Tim. 3, 17]], de rechten en de waardigheid van de mens verdedigt. Hij moet er zelf echter voor hoeden valse ideologieën aan te hangen en, terwijl hij de mens wil verheffen, te vergeten dat de wereld alleen door het kruis van Christus verlost is". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (28)[[2521|(28)]]
Het geheel van deze en andere pastorale activiteiten voedt de toekomstige priester ertoe op om de eigen zending van "gezag" in de gemeenschap als "dienst" te vervullen en zich ver te houden van iedere houding van superioriteit of van de uitoefening van een macht die niet altijd en alleen gerechtvaardigd wordt door herderlijke liefde.
Voor een passende vorming is het noodzakelijk dat de verschillende ervaringen van de kandidaten voor het priesterschap een duidelijk "ambtelijk" karakter hebben en nauw verbonden blijven met alle eisen die eigen zijn aan de voorbereiding op het priesterschap en, zeker niet ten koste van de studie, in verband staan met de diensten van de verkondiging van het woord, van de eredienst en van het voorgaan. Deze diensten kunnen de concrete vorm worden van de bedieningen van lector, acoliet en diaken.
Referenties naar alinea 58: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
59
Aangezien de pastorale actie van nature bestemd is om de Kerk te bezielen, die wezenlijk "mysterie", "gemeenschap" en "zending" is, zal de pastorale vorming de kerkelijke dimensie in de uitoefening van het ambt moeten kennen en uitdrukken. Fundamenteel blijkt het bewustzijn dat de Kerk "mysterie" is, werk van God, vrucht van de Geest van Christus, werkdadig teken van de genade, aanwezigheid van de Drie-eenheid in de christelijke gemeenschap. Dat bewustzijn zal het eigen verantwoordelijkheidsgevoel van de herder niet verzwakken, maar hem overtuigd maken dat de groei van de Kerk het belangeloze werk is van de Geest en dat zijn dienst, welke door de goddelijke genade toevertrouwd is aan de vrije verantwoordelijkheid van de mens, de evangelische dienst is van de "onnutte knecht" (Lc. 17, 10)[[b:Lc. 17, 10]]. Verder zal het bewustzijn van de Kerk als "gemeenschap" de kandidaat voor het priesterschap voorbereiden op de vervulling van een gemeenschapspastoraal, in hartelijke samenwerking met de verschillende kerkelijke subjecten: diocesane priesters en religieuzen, priesters en bisschop, priesters en leken. Maar die samenwerking veronderstelt de kennis en de achting van de diverse gaven en charisma's, van de verschillende roepingen en verantwoordelijkheden, die de Geest aan de ledematen van het lichaam van Christus aanbiedt en toevertrouwt. Zij vereist een levend en precies begrip van de eigen identiteit en van de identiteit van de anderen in de Kerk. Zij vraagt wederzijds vertrouwen, geduld, zachtmoedigheid, vermogen tot begrijpen en afwachten. Zij is vooral geworteld in een liefde voor de Kerk die groter is dan de liefde voor zichzelf en voor de groeperingen waartoe men behoort. Van bijzonder belang is de voorbereiding van de toekomstige priesters op de samenwerking met de leken, opdat zij, zoals het Concilie zegt, "graag naar de leken luisteren, in broederlijke gezindheid met hun wensen rekening houden, hun ervaring en competentie op de diverse terreinen van de menselijke activiteit erkennen, om samen met hen de tekenen des tijds te kunnen onderkennen" Presbyterorum Ordinis, 9[[704|9]] vgl: Christifideles laici, 61[[[692|61]]] Ook de recente Synode heeft aangedrongen op de pastorale zorg voor de leken: "Het is nodig dat de leerling bekwaam wordt om aan de leken-gelovigen, vooral aan de jongeren, de verschillende roepingen voor te houden en ze daarin binnen te leiden: het huwelijk, de dienstverlening aan anderen, het apostolaat, de diensten en verantwoordelijkheden in de pastorale activiteit, het godgewijde leven, de leiding van het politieke en maatschappelijke leven, het wetenschappelijk onderzoek, het onderwijs. Het is vooral nodig de leken en hun roeping te leen en te helpen om de wereld te doordringen en om te vormen met het licht van het Evangelie, onder erkenning en eerbiediging van hun taak". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (28)[[2521|(28)]]
Tenslotte zal het bewustzijn van de Kerk als "missionaire" gemeenschap de kandidaten voor het priesterschap helpen om de wezenlijke missionaire dimensie van de Kerk en van de verschillende pastorale activiteiten te beminnen en te beleven; om open te staan en beschikbaar te zijn voor alle mogelijkheden die in deze tijd geboden worden aan de verkondiging van het Evangelie, zonder de kostbare dienst te vergeten die wat dit betreft door de sociale communicatiemiddelen verleend kan en moet worden; vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (28)[[[2521|(28)]]] om zich voor te bereiden op een dienstwerk dat van hen zal kunnen vragen zich concreet ter beschikking van de heilige Geest en de bisschop te stellen om uitgezonden te worden voor de prediking van het Evangelie buiten de grenzen van het eigen land. vgl: Redemptoris Missio, 67-68[[[4|67-68]]]
Tenslotte zal het bewustzijn van de Kerk als "missionaire" gemeenschap de kandidaten voor het priesterschap helpen om de wezenlijke missionaire dimensie van de Kerk en van de verschillende pastorale activiteiten te beminnen en te beleven; om open te staan en beschikbaar te zijn voor alle mogelijkheden die in deze tijd geboden worden aan de verkondiging van het Evangelie, zonder de kostbare dienst te vergeten die wat dit betreft door de sociale communicatiemiddelen verleend kan en moet worden; vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (28)[[[2521|(28)]]] om zich voor te bereiden op een dienstwerk dat van hen zal kunnen vragen zich concreet ter beschikking van de heilige Geest en de bisschop te stellen om uitgezonden te worden voor de prediking van het Evangelie buiten de grenzen van het eigen land. vgl: Redemptoris Missio, 67-68[[[4|67-68]]]
Referenties naar alinea 59: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 2 De milieus van de priesterlijke vorming
- Paragraaf 1 De vormingsgemeenschap van het grootseminarie
60
De noodzaak van het grootseminarie en van het gelijksoortige religieuze instituut voor de vorming van de kandidaten voor het priesterschap, die op gezagvolle wijze bevestigd is door het Tweede Vaticaans Concilie, Optatam Totius Ecclesiae, 4[[675|4]] is opnieuw bevestigd door de Synode met de volgende woorden: "Het instituut van het grootseminarie als plaats van vorming bij uitstek, moet zeker opnieuw bevestigd worden als ook materieel normale ruimte voor een gemeenschappelijk en hiërarchisch leven, als eigenlijk huis voor de vorming van de kandidaten voor het priesterschap, met oversten die werkelijk aan hun taak toegewijd zijn. Dit instituut heeft in de loop der eeuwen zeer veel vruchten voortgebracht en blijft ze voorbrengen in heel de wereld". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (20)[[2521|(20)]] Het seminarie is zeker een tijd en een ruimte, maar het is vooral een gemeenschap van opvoeding die onderweg is. Het is de gemeenschap die door de bisschop is opgericht om aan degene die door de Heer geroepen wordt om te dienen zoals de apostelen, de gelegenheid te bieden opnieuw de ervaring te beleven van de vorming welke de Heer aan de twaalf heeft voorbehouden. Een langere en innige gewoonte om met Christus te leven wordt in de Evangelies voorgehouden als noodzakelijke vooronderstelling voor heet apostolische dienstwerk. Zij vraagt van de twaalf om op bijzonder duidelijke en specifieke wijze te doen wat in zekere mate van alle leerlingen wordt gevraagd, namelijk zich los te maken van het milieu waaruit zij komen, van het gewone werk, van de genegenheden, ook de meest dierbare (Mc. 1, 16-20; Mc. 10, 28; Lc. 9, 23.57-62; Lc. 14, 25-27)[b:Mc. 1, 16-20; Mc. 10, 28; Lc. 9, 23.57-62; Lc. 14, 25-27]. Verschillende malen hebben wij gewag gemaakt van de traditie van Marcus, die de nadruk legt op de innige band welke de apostelen met Jezus en met elkaar verbindt: alvorens uitgezonden te worden om te prediken en te genezen zijn zij geroepen "om Hem te vergezellen" (Mc. 3, 14)[b:Mc. 3, 14]. In zijn diepste wezen is het seminarie op zijn wijze een voortzetting in de Kerk van de gemeenschap van de apostelen rondom Jezus, luisterend naar zijn woord, op weg naar de paaservaring, in afwachting van de gave van de Geest voor de zending. Dit vormt het normatieve ideaal dat het seminarie stimuleert om, in de meest verschillende vormen en in de veelvuldige wisselvalligheden waardoor het als menselijke instelling in de geschiedenis getekend wordt, een concrete vormgeving te vinden die trouw is aan de evangelische waarden waardoor het geïnspireerd wordt, en in staat is te beantwoorden aan de situaties en de noden van de tijd. Het seminarie is in zich een oorspronkelijke ervaring van het leven van de Kerk. De bisschop is er tegenwoordig door middel van de functie van de rector en van de dienst van medeverantwoordelijkheid en gemeenschap, waarvan hij samen met de andere opvoeders de ziel is, voor de pastorale en apostolische groei van de leerlingen. De verschillende leden van de seminariegemeenschap, die door de Geest verenigd zijn in een enige broederschap, werken, ieder volgens zijn eigen gave, mee aan de groei van allen in het geloof en de liefde, opdat zij zich op passende wijze voorbereiden op het priesterschap en dus op de voortzetting in de Kerk en de geschiedenis van de heilbrengende aanwezigheid van Jezus Christus, de goeder Herder. Reeds menselijk gezien moet het grootseminarie ernaar streven "een gemeenschap" te worden "die bijeengehouden wordt door diepe vriendschap en liefde, zodat het als een echte familie beschouwd kan worden die in blijdschap leeft" Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (20)[[2521|(20)]] Christelijk gezien, zo vervolgen de Synodevaders, moet het seminarie de gestalte hebben van een "kerkelijke gemeenschap", van een "gemeenschap van leerlingen van de Heer, die eenzelfde liturgie vieren, welke het leven doordringt van de geest van gebed; een gemeenschap die dagelijks gevormd wordt door de lezing en overweging van het woord Gods, het sacrament van de Eucharistie en de beoefening van de broederlijke liefde en de rechtvaardigheid; een gemeenschap die de Geest van Christus en de liefde voor de Kerk uitstraalt in de vooruitgang van het gemeenschappelijke leven en in het gedrag van ieder lid". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (20)[[2521|(20)]] Met het oog op de bevestiging en de concrete ontwikkeling van de wezenlijk kerkelijke dimensie van het seminarie vervolgen de Synodevaders: "Als kerkelijke, diocesane of interdiocesane of ook religieuze gemeenschap moet het seminarie bij de kandidaten de zin van gemeenschap met hun bisschop en hun priesterschap met hun bisschop en hun priesterschap voeden, zodat zij delen in hun op en zorg, en deze openheid weten uit te strekken tot de noden van de gehele Kerk". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (20)[[2521|(20)]] Voor de vorming van de kandidaten voor het priesterschap en voor de pastorale dienst, welke van nature kerkelijk is, is het wezenlijk dat het seminarie niet ervaren wordt op uiterlijke en oppervlakkige wijze ofwel eenvoudig als een plaats van huisvesting en studie, maar op innerlijke en diepe wijze als een specifiek kerkelijke gemeenschap welke opnieuw de ervaring beleeft van de groep van twaalf die met Jezus verenigd was. vgl: Tot studenten en oud-studenten van het Almo College Capranica[[[2855]]]
Referenties naar alinea 60: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
61
Het seminarie is dus een opvoedkundige kerkelijke gemeenschap, een bijzondere opvoedende gemeenschap. Het specifieke doel, dat er de gestalte van bepaalt, is de begeleiding van de roeping van de toekomstige priesters en dus het onderscheiden van de roeping, de hulp om eraan te beantwoorden en de voorbereiding op het ontvangen van het sacrament van het priesterschap met de eigen genade en verantwoordelijkheid, waardoor de priester gelijkvormig gemaakt wordt aan Jezus Christus, Hoofd en Herder, en bekwaam gemaakt en verplicht wordt om diens heilszending in de Kerk en in de wereld te delen. Heel het leven van het seminarie als opvoedende gemeenschap is in zijn meest verschillende uitdrukkingen betrokken in de menselijke, geestelijke, intellectuele en pastorale vorming van de toekomstige en pastorale vorming van de toekomstige priesters, welke, ook al heeft zij vele aspecten gemeen met de menselijke en christelijke vorming van alle leden van de Kerk, toch een inhoud, hoedanigheden en kenmerken heeft die op specifieke wijze voortvloeien uit het doel van de voorbereiding op het priesterschap. De inhoud en de vorm van het werk van de opvoeding vereisen dat het seminarie een nauwkeurig programma heeft, namelijk een levensprogram, dat gekarakteriseerd wordt zowel door zijn structurele eenheid als door zijn samenhang of overeenstemming met het enige doel dat het bestaan van het seminarie wettigt: de voorbereiding van de toekomstige priesters.
Wat dit betreft schrijven de Synodevaders: "Als opvoedkundige gemeenschap moet het (seminarie) dienen voor een duidelijk omschreven programma, dat als karakteristiek kenteken de eenheid van de leiding heeft, welke tot uitdrukking komt in de figuur van de rector en van diens medewerkers, in de samenhang van de inrichting van het leven, van het werk der vorming en van de fundamentele eisen van het gemeenschapsleven, dat ook ruimte biedt voor de wezenlijke aspecten van de taak der vorming. Dat programma moet zonder aarzeling en onzekerheid dienen voor het specifieke doeleinde dat alleen het bestaan van het seminarie wettigt, d.w.z. de vorming van de toekomstige priesters, herders van de Kerk". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (20)[[2521|(20)]] Opdat het programma werkelijk geschikt en doeltreffend is, moeten de grote lijnen ervan in meer concrete details vertaald worden door middel van bijzondere normen die bestemd zijn om het gemeenschapsleven te regelen door het nauwkeurig vaststellen van bepaalde tijdsritmen.
Een ander aspect moet hier benadrukt worden: het werk van de opvoeding is van de opvoeding is van nature de begeleiding van de concrete historische mensen die op weg zijn naar de keuze van en de instemming met bepaalde levensidealen. Het duidelijk voor ogen stellen van het beoogde doel, de eis om op serieuze wijze naar dat doel te streven, de aandacht voor degene die op weg gaat ofwel voor het concrete subject dat betrokken is in dit avontuur en dus in een reeks van situaties, problemen, moeilijkheden en verschillende ritmen van voorgang en groei, moeten juist daarom harmonisch met elkaar verzoend worden door het werk van de opvoeding. Dat vraagt om een verstandige soepelheid, welke geen compromis betekent noch met betrekking tot de waarden noch wat de bewuste en vrije inzet betreft, maar echte liefde en oprechte eerbied voor degene die op weg is naar het priesterschap in zijn geheel persoonlijke omstandigheden. Dit geldt niet alleen met betrekking tot de afzonderlijke personen, maar ook met betrekking tot de verschillende maatschappelijke en culturele milieus waarin de seminaristen leven en tot ieders eigen geschiedenis in dit opzicht vraat het werk van de opvoeding om voortdurende vernieuwing. De Synodevaders hebben dat met kracht naar voren gebracht, ook met betrekking tot de vorm van de seminaries: "Met behoud van de geldigheid van de klassieke vormen van het seminarie, wenst de Synode dat het werk van consultatie van bisschoppenconferenties omtrent de actuele vereisten voor de vorming voorgezet wordt, zoals vastgesteld is in het decreet Presbyterorum Ordinis[704] Presbyterorum Ordinis, 1[[704|1]] en op de Synode van 1967. Indien nodig moeten de richtlijnen van de afzonderlijke naties of riten herzien worden, hetzij naar aanleiding van de verzoeken die ingediend worden door de bisschoppenconferenties, hetzij bij gelegenheid van apostolische visitaties in de seminaries van de verschillende landen, om er de diverse wijzen van vorming in op te nemen welke beproefd en goedkeurend zijn en moeten beantwoorden aan de eisen van de volken met een zogenoemde inheemse cultuur, van de roepingen van volwassenen, van de roepingen voor de missie, enz.". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (20)[[2521|(20)]]
Wat dit betreft schrijven de Synodevaders: "Als opvoedkundige gemeenschap moet het (seminarie) dienen voor een duidelijk omschreven programma, dat als karakteristiek kenteken de eenheid van de leiding heeft, welke tot uitdrukking komt in de figuur van de rector en van diens medewerkers, in de samenhang van de inrichting van het leven, van het werk der vorming en van de fundamentele eisen van het gemeenschapsleven, dat ook ruimte biedt voor de wezenlijke aspecten van de taak der vorming. Dat programma moet zonder aarzeling en onzekerheid dienen voor het specifieke doeleinde dat alleen het bestaan van het seminarie wettigt, d.w.z. de vorming van de toekomstige priesters, herders van de Kerk". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (20)[[2521|(20)]] Opdat het programma werkelijk geschikt en doeltreffend is, moeten de grote lijnen ervan in meer concrete details vertaald worden door middel van bijzondere normen die bestemd zijn om het gemeenschapsleven te regelen door het nauwkeurig vaststellen van bepaalde tijdsritmen.
Een ander aspect moet hier benadrukt worden: het werk van de opvoeding is van de opvoeding is van nature de begeleiding van de concrete historische mensen die op weg zijn naar de keuze van en de instemming met bepaalde levensidealen. Het duidelijk voor ogen stellen van het beoogde doel, de eis om op serieuze wijze naar dat doel te streven, de aandacht voor degene die op weg gaat ofwel voor het concrete subject dat betrokken is in dit avontuur en dus in een reeks van situaties, problemen, moeilijkheden en verschillende ritmen van voorgang en groei, moeten juist daarom harmonisch met elkaar verzoend worden door het werk van de opvoeding. Dat vraagt om een verstandige soepelheid, welke geen compromis betekent noch met betrekking tot de waarden noch wat de bewuste en vrije inzet betreft, maar echte liefde en oprechte eerbied voor degene die op weg is naar het priesterschap in zijn geheel persoonlijke omstandigheden. Dit geldt niet alleen met betrekking tot de afzonderlijke personen, maar ook met betrekking tot de verschillende maatschappelijke en culturele milieus waarin de seminaristen leven en tot ieders eigen geschiedenis in dit opzicht vraat het werk van de opvoeding om voortdurende vernieuwing. De Synodevaders hebben dat met kracht naar voren gebracht, ook met betrekking tot de vorm van de seminaries: "Met behoud van de geldigheid van de klassieke vormen van het seminarie, wenst de Synode dat het werk van consultatie van bisschoppenconferenties omtrent de actuele vereisten voor de vorming voorgezet wordt, zoals vastgesteld is in het decreet Presbyterorum Ordinis[704] Presbyterorum Ordinis, 1[[704|1]] en op de Synode van 1967. Indien nodig moeten de richtlijnen van de afzonderlijke naties of riten herzien worden, hetzij naar aanleiding van de verzoeken die ingediend worden door de bisschoppenconferenties, hetzij bij gelegenheid van apostolische visitaties in de seminaries van de verschillende landen, om er de diverse wijzen van vorming in op te nemen welke beproefd en goedkeurend zijn en moeten beantwoorden aan de eisen van de volken met een zogenoemde inheemse cultuur, van de roepingen van volwassenen, van de roepingen voor de missie, enz.". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (20)[[2521|(20)]]
Referenties naar alinea 61: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
62
Het doel en de specifiek opvoedkundige vorm van het grootseminarie eisen dat de kandidaten voor het priesterschap er intreden met een bepaalde voorafgaande opleiding. Deze opleiding bracht, althans tot voor enige decennia, geen bijzondere problemen mee, omdat de kandidaten voor het priesterschap toen gewoonlijk van de kleinseminaries kwamen en het christelijk leven van de kerkgemeenschap aan allen zonder onderscheid gemakkelijk een bescheiden christelijke lering en opvoeding bood. De situatie is op vele plaatsen veranderd. Er is een sterk verschil tussen enerzijds de levensstijl en de elementaire voorbereiding van de jongens, adolescenten en jongeren, ook al zijn zij christen en soms betrokken in het leven van de Kerk, en anderzijds de levensstijl en de eisen van de vorming in het seminarie. In deze situatie vraag ik, samen met de Synodevaders, dat er een passende periode van voorbereiding voorafgaat aan de vorming in het seminarie: "Het lijkt nuttig dat er een periode van menselijke, christelijke, intellectuele en geestelijke voorbereiding is voor de kandidaten voor het grootseminarie. Deze kandidaten moeten bepaalde kwaliteiten hebben: een juiste bedoeling, een voldoende graad van menselijke rijpheid, een vrij ruime kennis van de geloofsleer, een bepaalde inleiding in de methoden van gebed en gewoonten die in de overeenstemming zijn met de christelijke traditie. Zij moeten ook de eigen gesteltenissen van hun landstreken hebben door middel waarvan het streven om God en het geloof te vinden wordt uitgedrukt vgl: Evangelii Nuntiandi, 48[[[519|48]]]". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (19)[[2521|(19)]] Voor de theologie is de "vrij ruime kennis van de geloofsleer" vereist, waarvan de Synodevaders spreken. Het is niet mogelijk een "intelligentia fidei" te ontwikkelen, als de "fides" niet inhoudelijk gekend wordt. Een leemte in dit opzicht zal gemakkelijker aangevuld kunnen worden door de komende universele catechismus[1]. Terwijl de overtuiging van de noodzaak van een dergelijke voorbereiding die voorafgaat aan het grootseminarie, gemeengoed wordt, zijn er verschillende meningen over de inhoud en de kenmerken ofwel het voornaamste doel daarvan, namelijk of het geestelijke vorming moet zijn voor het onderkennen van de roeping, dan wel intellectuele culturele vorming. Men mag verder niet de vele en diepe verschillen vergeten die er bestaan niet alleen tussen de afzonderlijke kandidaten maar ook tussen de diverse streken en landen. Dat suggereert een fase van bestudering en experiment, opdat men op meer geschikte en doelmatige wijze de verschillende elementen van deze voorafgaande opleiding of "propedeutische periode" kan bepalen: de tijd, de plaats, de vorm, de thema's van die periode, welke overigens gecoördineerd moet worden met de volgende periode van vorming in het seminarie. Wat dit betreft herneem ik het verzoek dat de Synodevaders geformuleerd hebben en dat ik voorleg aan de Congregatie voor de Katholieke Opvoeding: "De Synode vraagt dat de Congregatie voor de Katholieke Opvoeding alle informatie over de eerste experimenten die uitgevoerd zijn of worden, verzamelt en te gelegener tijd meedeelt aan de bisschoppenconferenties." Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (19)[[2521|(19)]]
Referenties naar alinea 62: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Paragraaf 2 Het kleinseminarie en de andere vormen van begeleiding van de roeping
63
Zoals de ervaring ruimschoots aantoont, openbaart de roeping zich dikwijls reeds in de jaren die aan de jeugd voorafgaan of in de eerste jaren van de jeugd. En ook bij hen die op latere leeftijd tot het besluit komen om naar het seminarie te gaan, kan men vaak constateren dat de roeping er reeds was in veel vroegere perioden. De geschiedenis van de Kerk getuigt voortdurend dat de Heer ook roept op jongere leeftijd. Thomas van Aquino bij voorbeeld verklaart de voorliefde van Jezus voor de apostel Johannes "vanwege diens jonge leeftijd" en concludeert daaruit dat "dit begrijpelijk maakt waarom God op speciale wijze hen bemint die zich reeds vanaf hun vroege jeugd in zijn dienst stellen". c. 21, lect. V, 2[[1337]] De Kerk besteedt zorg aan deze kiemen van roeping die gelegd worden in de harten van jongens, door middel van de instelling van kleinseminaries, waarin de zorgvuldige onderscheiding en begeleiding van de roeping een aanvang nemen. De seminaries blijven in verschillende delen van de wereld een kostbaar opvoedkundig werk verrichten, dat tot doel heeft de kiemen van de roeping tot het priesterschap te bewaren en tot uitbloei te brengen, opdat de leerlingen die roeping gemakkelijker kunnen onderkennen en beter in staat gesteld worden eraan te beantwoorden. Hun opvoedkundig programma streeft ernaar op tijdig en geleidelijke wijze de menselijke, culturele en geestelijke vorming te bevorderen, welke de jongeman er toe zal brengen de weg van het grootseminarie in te slaan met een passende en solide basis.
"Gedisponeerd worden om Christus, de Verlosser, edelmoedig en eerlijk te volgen". Dit is het doel van het kleinseminarie dat door het Concilie aangegeven is in het decreet Presbyterorum Ordinis[704], dat er als volgt de opvoedkundige vorm van schets: "Onder de vaderlijke leiding van de bestuurders, te gelegener tijd bijgestaan door de ouders, moeten (de leerlingen) een leven leiden dat in overeenstemming is met de leeftijd, het geestelijk niveau en de ontwikkeling van opgroeiende jongens dat volledig in de lijn ligt van de normen van een gezonde psychologie, zonder daarbij de juiste menselijke verhoudingen en de banden met de eigen familie uit het oog te verliezen". Optatam Totius Ecclesiae, 3[[675|3]]
Het kleinseminarie zal in het bisdom ook een referentiepunt kunnen zijn voor de roepingenpastoraal, door geschikte vormen van ontvangst en aanbod van gelegenheid voor informatie aan die opgroeiende jongens die op zoek zijn naar hun roeping of die reeds besloten hebben hun roeping te volgen, maar vanwege diverse omstandigheden in gezin of school gedwongen zijn de intrede in het seminarie uit te stellen.
"Gedisponeerd worden om Christus, de Verlosser, edelmoedig en eerlijk te volgen". Dit is het doel van het kleinseminarie dat door het Concilie aangegeven is in het decreet Presbyterorum Ordinis[704], dat er als volgt de opvoedkundige vorm van schets: "Onder de vaderlijke leiding van de bestuurders, te gelegener tijd bijgestaan door de ouders, moeten (de leerlingen) een leven leiden dat in overeenstemming is met de leeftijd, het geestelijk niveau en de ontwikkeling van opgroeiende jongens dat volledig in de lijn ligt van de normen van een gezonde psychologie, zonder daarbij de juiste menselijke verhoudingen en de banden met de eigen familie uit het oog te verliezen". Optatam Totius Ecclesiae, 3[[675|3]]
Het kleinseminarie zal in het bisdom ook een referentiepunt kunnen zijn voor de roepingenpastoraal, door geschikte vormen van ontvangst en aanbod van gelegenheid voor informatie aan die opgroeiende jongens die op zoek zijn naar hun roeping of die reeds besloten hebben hun roeping te volgen, maar vanwege diverse omstandigheden in gezin of school gedwongen zijn de intrede in het seminarie uit te stellen.
Referenties naar alinea 63: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
64
Waar het kleinseminarie, dat "in vele streken noodzakelijk zeer nuttig lijkt", niet opgericht kan worden, moet voorzien worden in het vormen van andere "instellingen", zoals roepingengroepen voor opgroeiende jongens en jongeren vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (17)[[[2521|(17)]]]. Ook al zijn deze groepen niet blijvend, zij zullen toch in een gemeenschapskader een systematische begeleiding kunnen bieden voor de verificatie en groei van de roeping. Hoewel die jongeren en adolescenten in een gezin leven en deel uitmaken van een christelijke gemeenschap die hen helpt om de weg van de roeping, moeten zij niet alleen gelaten worden. Zij hebben een bijzondere groep of een gemeenschap van oriëntatie nodig waarop zij kunnen steunen om de specifieke weg van de roeping af te leggen welke de gave van de heilige Geest in hen begonnen is. Ook dient het verschijnsel vermeld te worden van de priesterroepingen die zich op volwassen leeftijd voordoen, na een min of meer lange ervaring van een leven als leek en van de uitoefening van een beroep, zoals steeds voorgekomen is in de geschiedenis van de Kerk en in de huidige omstandigheden op bemoedigende wijze opnieuw en veelvuldig voorkomt. Het is niet altijd mogelijk en dikwijls ook niet voeglijk om de volwassenen uit te nodigen de weg van de opvoeding in het grootseminarie te volgen. Het is beter om na het nauwkeurig onderscheiden van de echtheid van die roepingen te voorzien in één of andere specifieke vorm van vormende begeleiding teneinde door geschikte aanpassingen de noodzakelijke geestelijke en intellectuele vorming te verzekeren. Een goede verhouding met de andere kandidaten voor het priesterschap en perioden van verblijf binnen de gemeenschap van het grootseminarie zullen de volledig opneming van die roepingen in de enige priesterschap en hun innige en hartelijke gemeenschap daarmee kunnen waarborgen. vgl: Ratio fundamentalis institutionis sacerdotalis - Editio typica, (19)[[[2567|(19)]]]
Referenties naar alinea 64: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 3 De protagonisten van de priesterlijke vorming
- Paragraaf 1 De Kerk en de bisschop
65
Daar de vorming van de kandidaten voor het priesterschap tot de roepingenpastoraal van de Kerk behoort, moet men zeggen dat de Kerk als zodanig en als geheel het subject is dat de genade en de verantwoordelijkheid heeft voor de begeleiding van hen die de Heer roept om zijn dienaars in het priesterschap te worden. Daarom helpt juist het begrip van het mysterie van de Kerk ons om beter de plaats en de taak te omschrijven die de diverse leden, als enkelingen of als leden van een lichaam, hebben in de vorming van de kandidaten voor het priesterschap.
Welnu, de Kerk is volgens haar innerlijke natuur de "gedachtenis", het "sacrament" van de tegenwoordigheid en de werking van Jezus Christus onder ons en voor ons. De roeping tot het priesterschap is te danken aan zijn heilbrengende tegenwoordigheid, en niet alleen de roeping maar ook de begeleiding van de geroepene, opdat deze de genade van de Heer kan herkennen en daarop vrij en met liefde kan antwoorden. Het is de Geest van Jezus die licht en kracht geeft voor het onderkennen en het verloop van de roeping. Er is derhalve geen authentiek werk van vorming voor het priesterschap zonder de werking van de Geest van Christus. Ieder die meewerkt aan de vorming moet zich daarvan ten volle bewust zijn. Hoe zou men niet een "hulpbron" zien die geheel kosteloos en radicaal doelmatig is en een beslissend "gewicht" heeft in de inzet voor de vorming voor het priesterschap? En hoe zou men zich niet kunnen verheugen over de waardigheid van ieder die meewerkt aan de vorming en voor de kandidaat voor het priesterschap in zekere zin een zichtbare vertegenwoordiger van Christus is? Als de vorming voor het priesterschap wezenlijk de voorbereiding is van de toekomstige "herder" naar het beeld van Jezus Christus, de goede Herder, wie kan dan beter Jezus zelf door middel van de uitstorting van zijn Geest de herderlijke liefde geven en tot rijpheid brengen, waaruit Hij geleefd heeft tot aan de volledige zelfgave (Joh. 15, 13; Joh. 10, 11)[[b:Joh. 15, 13; Joh. 10, 11]] en die Hij opnieuw verwezenlijkt wil zien in alle priesters?
De eerste vertegenwoordiger van Christus in de priesterlijke vorming is de bisschop. Men kan van de bisschop, van iedere bisschop, zeggen wat Marcus zegt in de reeds meermalen geciteerde tekst: Hij "riep tot zich die Hij zelf wilde; en zij kwamen bij Hem. Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen en door Hem uitgezonden te worden" (Mc. 3, 13-14)[b:Mc. 3, 13-14]. De innerlijke roeping van de Geest moet als authentieke roeping door de bisschop erkend worden. Als allen bij de bisschop kunnen "komen" als herder en vader van allen, dan kunnen zijn priesters dat in het bijzonder vanwege de gezamenlijke deelname aan hetzelfde priesterschap en dienstwerk. Het Concilie zegt dat de bisschop hen moet beschouwen en behandelen als "broeders en vrienden". Presbyterorum Ordinis, 7[[704|7]] En dat kan men op analoge wijze zeggen voor allen die zich voorbereiden op het priesterschap. Wat het "vergezellen van hem", het vergezellen van de bisschop, betreft, blijkt het reeds zeer sprekend voor zijn verantwoordelijkheid inzake de vorming van de kandidaten voor het priesterschap dat hij hen vaak bezoekt en hen op zekere wijze "vergezelt".
De aanwezigheid van de bisschop heeft niet alleen een bijzondere waarde omdat zij de seminariegemeenschap helpt ervaren dat zij opgenomen is in de particuliere Kerk en in de gemeenschap hiervan met de herder die haar leidt, maar ook omdat zij het pastorale doel dat specifiek is voor heel de vorming van de kandidaten voor het priesterschap bekrachtigt en stimuleert. Vooral door zijn aanwezigheid en doordat hij met de kandidaten voor het priesterschap alles deelt wat de pastorale weg van de particuliere Kerk aangaat, levert de bisschop een fundamentele bijdrage tot de vorming van het "kerkbesef", als geestelijke en pastorale waarde die een centrale plaats heeft in de uitoefening van het priesterambt.
Welnu, de Kerk is volgens haar innerlijke natuur de "gedachtenis", het "sacrament" van de tegenwoordigheid en de werking van Jezus Christus onder ons en voor ons. De roeping tot het priesterschap is te danken aan zijn heilbrengende tegenwoordigheid, en niet alleen de roeping maar ook de begeleiding van de geroepene, opdat deze de genade van de Heer kan herkennen en daarop vrij en met liefde kan antwoorden. Het is de Geest van Jezus die licht en kracht geeft voor het onderkennen en het verloop van de roeping. Er is derhalve geen authentiek werk van vorming voor het priesterschap zonder de werking van de Geest van Christus. Ieder die meewerkt aan de vorming moet zich daarvan ten volle bewust zijn. Hoe zou men niet een "hulpbron" zien die geheel kosteloos en radicaal doelmatig is en een beslissend "gewicht" heeft in de inzet voor de vorming voor het priesterschap? En hoe zou men zich niet kunnen verheugen over de waardigheid van ieder die meewerkt aan de vorming en voor de kandidaat voor het priesterschap in zekere zin een zichtbare vertegenwoordiger van Christus is? Als de vorming voor het priesterschap wezenlijk de voorbereiding is van de toekomstige "herder" naar het beeld van Jezus Christus, de goede Herder, wie kan dan beter Jezus zelf door middel van de uitstorting van zijn Geest de herderlijke liefde geven en tot rijpheid brengen, waaruit Hij geleefd heeft tot aan de volledige zelfgave (Joh. 15, 13; Joh. 10, 11)[[b:Joh. 15, 13; Joh. 10, 11]] en die Hij opnieuw verwezenlijkt wil zien in alle priesters?
De eerste vertegenwoordiger van Christus in de priesterlijke vorming is de bisschop. Men kan van de bisschop, van iedere bisschop, zeggen wat Marcus zegt in de reeds meermalen geciteerde tekst: Hij "riep tot zich die Hij zelf wilde; en zij kwamen bij Hem. Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen en door Hem uitgezonden te worden" (Mc. 3, 13-14)[b:Mc. 3, 13-14]. De innerlijke roeping van de Geest moet als authentieke roeping door de bisschop erkend worden. Als allen bij de bisschop kunnen "komen" als herder en vader van allen, dan kunnen zijn priesters dat in het bijzonder vanwege de gezamenlijke deelname aan hetzelfde priesterschap en dienstwerk. Het Concilie zegt dat de bisschop hen moet beschouwen en behandelen als "broeders en vrienden". Presbyterorum Ordinis, 7[[704|7]] En dat kan men op analoge wijze zeggen voor allen die zich voorbereiden op het priesterschap. Wat het "vergezellen van hem", het vergezellen van de bisschop, betreft, blijkt het reeds zeer sprekend voor zijn verantwoordelijkheid inzake de vorming van de kandidaten voor het priesterschap dat hij hen vaak bezoekt en hen op zekere wijze "vergezelt".
De aanwezigheid van de bisschop heeft niet alleen een bijzondere waarde omdat zij de seminariegemeenschap helpt ervaren dat zij opgenomen is in de particuliere Kerk en in de gemeenschap hiervan met de herder die haar leidt, maar ook omdat zij het pastorale doel dat specifiek is voor heel de vorming van de kandidaten voor het priesterschap bekrachtigt en stimuleert. Vooral door zijn aanwezigheid en doordat hij met de kandidaten voor het priesterschap alles deelt wat de pastorale weg van de particuliere Kerk aangaat, levert de bisschop een fundamentele bijdrage tot de vorming van het "kerkbesef", als geestelijke en pastorale waarde die een centrale plaats heeft in de uitoefening van het priesterambt.
Referenties naar alinea 65: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Paragraaf 2 De opvoedkundige gemeenschap van het seminarie
66
De opvoedkundige gemeenschap van het seminarie is samengevoegd rondom de verschillende personen die aan de vorming meewerken: de rector, de geestelijke directeur of leidsman, de oversten en de professoren. Dezen moeten zich nauw verenigd voelen met de bisschop, die zij op verschillende titels en wijzen vertegenwoordigen, en zij moeten op overtuigende en hartelijke wijze met elkaar leven en weken. Deze eenheid van de opvoeders maakt het niet alleen mogelijk om het opvoedkundige programma op passende wijze uit te voeren, maar biedt ook en vooral aan de kandidaten voor het priesterschap het veelzeggende voorbeeld van en de concrete binnenleiding in de kerkelijke gemeenschap, die een fundamentele waarde vormt van het christelijk leven en van het pastorale dienstwerk. Het is duidelijk dat de doeltreffendheid van de vorming grotendeels afhangt van de rijke en sterke persoonlijkheid in menselijk en evangelisch opzicht van degenen die de vorming geven. Daarom zijn het bijzonder belang enerzijds de nauwgezette keuze van hen die de vorming geven en anderzijds de stimulans die hun gegeven wordt om zich steeds meer te bekwamen de hun toevertrouwde taak. Zich bewust dat de toekomst van de voorbereiding van de kandidaten voor het priesterschap juist gelegen is in de keuze en de vorming van hen die de kandidaten moeten vormen, hebben de Synodevaders lang stilgestaan bij een nauwkeurige bepaling van de eigenschappen die de opvoeders dienen te bezitten. Zij hebben in het bijzonder geschreven: "Het werk van de vorming van de kandidaten voor het priesterschap eist zeker niet alleen van hen die de vorming geven een speciale voorbereiding, die werkelijk technisch, pedagogisch, geestelijk, menselijke en theologisch moet zijn, maar ook een geest van gemeenschap en samenwerking in eenheid voor de uitvoering van het programma, zodat de eenheid in de pastorale activiteit van het seminarie onder leiding van de rector steeds bewaard blijft. De groep van hen die de vorming geven moet getuigen van een werkelijk evangelisch leven en van volledige toewijding aan de Heer. Het is nodig dat die groep een zekere bestendigheid bezit en gewoonlijk in de seminariegemeenschap verblijft. Zij moet nauw verbonden zijn met de bisschop die de eerste verantwoordelijke is voor de vorming van de priesters". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (29)[[2521|(29)]] De bisschoppen moeten als eersten de zware verantwoordelijkheid voelen voor de vorming van degenen die belast zullen worden met de opvoeding van de toekomstige priesters. Zij moeten voor deze taak priesters kiezen met een voorbeeldige levenswandel en in het bezit van een verschillende kwaliteiten: "menselijke en geestelijke rijpheid, pastorale ervaring, professionele bekwaamheid, standvastigheid in de eigen roeping, vermogen tot samenwerking, een wetenschappelijke opleiding in de menswetenschappen (vooral in de psychologie) die overeenstemt met hun taak, en kennis van de methoden van teamwork". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (29)[[2521|(29)]] Met behoud van het onderscheid tussen inwendig en uitwendig rechtsbereik, de nodige vrijheid in de keuze van de biechtvaders en de prudentie en discretie die passen bij de taak van de geestelijke leidsman, moet de priesterlijke gemeenschap van de opvoeders zich saamhorig voelen in de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kandidaten voor het priesterschap. Het is op de eerste plaats de taak van die gemeenschap om, altijd in overeenstemming met het gezagvolle samenvattende oordeel van de bisschop en de rector, de geschiktheid van de kandidaten wat betreft de geestelijke, menselijke en intellectuele gaven te verifiëren en te ontwikkelen, vooral met betrekking tot de geest van gebed, de grondige assimilatie van de geloofsleer, het vermogen tot echte broederlijkheid en het charisma van het celibaat. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (23)[[[2521|(23)]]] Het kan goed zijn ook leken-gelovigen, mannen en vrouwen, op prudente en aan de verschillende culturele situaties aangepaste wijzen te betrekken in het werk van de vorming van de toekomstige priesters, steeds -zoals de Synodevaders ook in herinnering gebracht hebben- met de aanwijzingen voor ogen van de exhortatie Christifideles laici[692] en de apostolische brief Mulieris Dignitatem[94], vgl: Christifideles laici, 61,63[[[692|61.63]]] vgl: Mulieris Dignitatem, 29-31[[[94|29-31]]] welke het nut doen uitkomen van een gezonde invloed van de lekenspiritualiteit én van het charisma van de vrouwelijkheid op iedere opvoeding. De leken moeten met zorg uitgekozen worden, binnen het kader van de kerkelijke wetten en volgens hun speciale charisma's en beproefde bekwaamheden. Van hun medewerking, op geschikte wijze gecoördineerd met en opgenomen in de primaire opvoedkundige verantwoordelijkheden van hen die de priesterlijke vorming geven, mag men heilzame vruchten verwachten voor een evenwichtige groei van het kerkbesef en voor een meer nauwkeurig begrip van de eigen priesterlijke identiteit van de kant van de kandidaten voor het priesterschap. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (29)[[[2521|(29)]]]
Referenties naar alinea 66: 1
Instructie over criteria ter onderscheiding van roepingen met betrekking tot personen met homoseksuele neigingen aangaande hun toelating tot het seminarie en de Heilige Wijdingen ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Paragraaf 3 De theologieprofessoren
67
Allen die de toekomstige priesters inleiden en begeleiden in de sacra doctrina door het theologisch onderricht, hebben een bijzonder opvoedkundige verantwoordelijkheid die, naar de ervaring leert, dikwijls beslissender is voor de ontwikkeling van de priesterlijke persoonlijkheid dan die van de andere opvoeders. De verantwoordelijkheid van de theologiedocenten betreft, eerder dan de relatie die zij als docent met de kandidaten voor het priesterschap moeten opbouwen, de opvatting welke zij zelf moeten hebben omtrent de aard van de theologie en van het priesterambt, alsmede de geest en de stijl volgens welke zij het theologisch onderricht moeten geven. Wat dit betreft hebben de Synodevaders terecht opgemerkt dat "de theoloog zich bewust moet blijven dat hij zich onderricht niet uit zichzelf put, maar dat hij het begrip van het geloof uiteindelijk in naam van de Heer en van de Kerk moet openstellen en meedelen. Op deze wijze oefent de theoloog zijn taak uit in opdracht van de Kerk en werkt hij met de bisschop samen in de taak van het onderricht, ook al gebruikt hij alle wetenschappelijke mogelijkheden. Aangezien de theologen en de bisschoppen dezelfde Kerk dienen in het bevorderen van het geloof, moeten zij vertrouwen in elkaar ontwikkelen en cultiveren en in deze geest ook de spanningen en conflicten overwinnen vgl: Donum Veritatis[[[1091]]] ". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (30)[[2521|(30)]] Wie theologie doceert moet zoals iedere andere opvoeder in gemeenschap blijven samenwerken met alle andere personen die betrokken zijn in de vorming van de toekomstige priesters en hij moet met wetenschappelijke ernst, edelmoedigheid, nederigheid en vurige liefde zijn oorspronkelijke en gekwalificeerde bijdrage leveren, welke niet eenvoudig het meedelen is van een leer -zij het ook de sacra doctrina- maar vooral in het aanbieden van het perspectief dat in Gods plan heel de verscheidenheid van de menselijke kennis en de verschillende levensuitingen tot eenheid brengt. In het bijzonder de specificiteit en de doelmatigheid van de vorming die de theologen geven, hangen ervan af of zij vooral "mensen van geloof en vol liefde voor de Kerk zijn, overtuigd dat het passende subject van de kennis van het christelijk mysterie de Kerk als zodanig blijft en dat hun taak van onderricht dus een echte kerkelijke dienst is. zij moeten pastorale gevoeligheid bezitten teneinde niet alleen de inhoud maar ook de geschikte vormen te onderscheiden voor de uitoefening van hun taak. Van de docenten wordt in het bijzonder de volledige trouw aan het leergezag vereist. Want zij onderrichten in naam van de Kerk en zijn daarom geloofsgetuigen". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (30)[[2521|(30)]]
Referenties naar alinea 67: 1
Ad Limina-bezoek Nederlandse Bisschoppen 1998 - Afsluiting ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Paragraaf 4 De gemeenschappen waaruit de kandidaten komen en de jeugdverenigingen en -bewegingen
68
De gemeenschappen waaruit de kandidaat voor het priesterschap komt, blijven een niet onverschillige invloed uitoefenen op de vorming van de toekomstige priester, ook al noodzaakt de keuze voor zijn roeping hem zich daaruit los te maken. Zij moeten zich dus bewust zijn van hun specifieke aandeel in de verantwoordelijkheid. Men moet allereerst aan het gezin denken. De christelijke ouders en ook de broers, zussen en andere familieleden zullen nooit moeten proberen de toekomstige priester terug te brengen binnen de enge grenzen van een te menselijke, zo niet wereldlijke logica, ook al berust deze op oprechte liefde (Mc. 3, 20-21.31-35)[b:Mc. 3, 20-21.31-35]. Als zij bezield worden door eenzelfde voornemen om "de wil van God te volbrengen", zullen zij de weg van de opvoeding weten te begeleiden met gebed, met eerbied, met het goede voorbeeld van de huiselijke deugden en met geestelijke en materiële hulp, vooral op de moeilijke ogenblikken. De ervaring leert dat deze veelvoudige hulp in vele gevallen beslissend is gebleken voor de kandidaat voor het priesterschap. Ook in het geval van ouders en familieleden die onverschillig zijn of zich verzetten tegen de keuze van de roeping kunnen de duidelijke en rustige confrontatie met hun standpunt en de stimulansen die daaruit voortvloeien van grote hulp zijn om de priesterroeping op meer bewuste en besliste wijze te doen rijpen.
De parochiegemeenschap staat in nauwe verbinding met de gezinnen. Zij zijn met elkaar verweven op het gebied van de geloofsopvoeding. Dikwijls ook vervult de parochie door een specifieke jongerenpastoraal een aanvullende rol ten opzichte van het gezin. De parochie levert vooral als meer onmiddellijke plaatselijke verwerkelijking van het mysterie van de Kerk een oorspronkelijke en bijzonder kostbare bijdrage tot de vorming van de toekomstige priester.
De parochiegemeenschap moet de jongere die op weg is naar het priesterschap blijven beschouwen als een levend deel van zichzelf, hem begeleiden met gebed, in de vakantieperiode hartelijk ontvangen, eerbiedigen en begunstigen in de vorming van zijn priesterlijke identiteit en hem geschikte gelegenheid en krachtige stimulansen bieden om zijn roeping tot de priesterlijke zending te beproeven.
Ook de jeugd verenigingen en -bewegingen, die teken en bevestiging zijn van de vitaliteit welke de Geest aan de Kerk verzekert, kunnen en moeten bijdragen tot de vorming van de kandidaten voor de priesterschap, in het bijzonder van diegenen die voortkomen uit de christelijke, geestelijke en apostolische ervaring van deze groeperingen. De jongeren die daarin hun basisvorming ontvangen hebben en die zich daarop beroepen voor hun ervaring van kerk-zijn, moeten zich niet gedwongen voelen zich van hun verleden los te maken en de relatie af te breken met het milieu dat bijdragen heeft tot de bevestiging van hun roeping. Zij moeten ook niet de karakteristieke trekken uitwissen van de spiritualiteit welke zij daarin geleerd en beleefd hebben, in al het goede, stichtelijke en verrijkende dat die verenigingen en bewegingen bevatten. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (25)[[[2521|(25)]]] Ook voor hen blijft dit milieu waaruit zij komen een bron van hulp en steun op de weg van de vorming voor het priesterschap.
De gelegenheid voor opvoeding tot geloof en voor christelijke en kerkelijke groei die de Geest aan vele jongeren biedt door allerlei soorten groepen, verenigingen en bewegingen, welke op verschillende wijzen door het Evangelie geïnspireerd worden, moeten gevoeld en ervaren worden als gave van een voedende geest binnen het kerkinstituut en ten dienste daarvan. Een bijzondere beweging of spiritualiteit is "geen alternatieve structuur voor het instituut. Integendeel, zij is de bron van een aanwezigheid die voortdurend de existentiële en historische echtheid van het instituut hernieuwt. De priester moet daarom in een beweging het licht en de warmte vinden die hem in staat stellen trouw te blijven aan de bisschop, bereid maken de opdrachten van het instituut te vervullen en oplettend maken voor de kerkelijke discipline, zodat de vibratie van zijn geloof en de smaak voor zijn trouw vruchtbaarder zijn". Tot de priesters aangesloten bij Communione e Liberazione[[2856]]
Het is dus nodig dat de jongeren die uit kerkelijke verenigingen en bewegingen komen, in de nieuwe gemeenschap van het seminarie waarin zij door de bisschop samengebracht zijn, "eerbied voor de andere wegen van spiritualiteit en de geest van dialoog en samenwerking" leren, zich op coherente en hartelijke wijze schikken naar de aanwijzingen van de bisschop omtrent de vorming en naar de opvoeders va het seminarie en zich met eerlijk vertrouwen aan hun leiding en oordeel onderwerpen. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (25)[[[2521|(25)]]] Door deze houding wordt de oprechte keuze van de priesterschap en in gehoorzaamheid aan de bisschop, voorbereid en op zekere wijze reeds bij voorbaat gedaan.
De deelneming van de seminarist en van de diocesane priester aan bijzonder spiritualiteiten of kerkelijke groeperingen is in zichzelf zeker een weldadige factor voor de priesterlijke groei en broederlijkheid. De uitoefening van het ambt en het geestelijk leven welke de diocesane priester kenmerken, moeten echter door deze deelneming niet belemmerd maar integendeel geholpen worden. De diocesane priester "blijft altijd de herder van het geheel. Hij is niet alleen de "blijver", die altijd voor allen beschikbaar is, maar gaat de bijeenkomst van allen voor, vooral als hoofd van een parochie, opdat allen het onthaal vinden dat zij mogen verwachten dat in de gemeenschap en in de Eucharistie die hen verenigt, welke hun godsdienstige gevoeligheid en pastorale inzet ook mogen zijn". Ontmoeting met leden van de Zwitserse priesters, (10)[[2857|(10)]]
De parochiegemeenschap staat in nauwe verbinding met de gezinnen. Zij zijn met elkaar verweven op het gebied van de geloofsopvoeding. Dikwijls ook vervult de parochie door een specifieke jongerenpastoraal een aanvullende rol ten opzichte van het gezin. De parochie levert vooral als meer onmiddellijke plaatselijke verwerkelijking van het mysterie van de Kerk een oorspronkelijke en bijzonder kostbare bijdrage tot de vorming van de toekomstige priester.
De parochiegemeenschap moet de jongere die op weg is naar het priesterschap blijven beschouwen als een levend deel van zichzelf, hem begeleiden met gebed, in de vakantieperiode hartelijk ontvangen, eerbiedigen en begunstigen in de vorming van zijn priesterlijke identiteit en hem geschikte gelegenheid en krachtige stimulansen bieden om zijn roeping tot de priesterlijke zending te beproeven.
Ook de jeugd verenigingen en -bewegingen, die teken en bevestiging zijn van de vitaliteit welke de Geest aan de Kerk verzekert, kunnen en moeten bijdragen tot de vorming van de kandidaten voor de priesterschap, in het bijzonder van diegenen die voortkomen uit de christelijke, geestelijke en apostolische ervaring van deze groeperingen. De jongeren die daarin hun basisvorming ontvangen hebben en die zich daarop beroepen voor hun ervaring van kerk-zijn, moeten zich niet gedwongen voelen zich van hun verleden los te maken en de relatie af te breken met het milieu dat bijdragen heeft tot de bevestiging van hun roeping. Zij moeten ook niet de karakteristieke trekken uitwissen van de spiritualiteit welke zij daarin geleerd en beleefd hebben, in al het goede, stichtelijke en verrijkende dat die verenigingen en bewegingen bevatten. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (25)[[[2521|(25)]]] Ook voor hen blijft dit milieu waaruit zij komen een bron van hulp en steun op de weg van de vorming voor het priesterschap.
De gelegenheid voor opvoeding tot geloof en voor christelijke en kerkelijke groei die de Geest aan vele jongeren biedt door allerlei soorten groepen, verenigingen en bewegingen, welke op verschillende wijzen door het Evangelie geïnspireerd worden, moeten gevoeld en ervaren worden als gave van een voedende geest binnen het kerkinstituut en ten dienste daarvan. Een bijzondere beweging of spiritualiteit is "geen alternatieve structuur voor het instituut. Integendeel, zij is de bron van een aanwezigheid die voortdurend de existentiële en historische echtheid van het instituut hernieuwt. De priester moet daarom in een beweging het licht en de warmte vinden die hem in staat stellen trouw te blijven aan de bisschop, bereid maken de opdrachten van het instituut te vervullen en oplettend maken voor de kerkelijke discipline, zodat de vibratie van zijn geloof en de smaak voor zijn trouw vruchtbaarder zijn". Tot de priesters aangesloten bij Communione e Liberazione[[2856]]
Het is dus nodig dat de jongeren die uit kerkelijke verenigingen en bewegingen komen, in de nieuwe gemeenschap van het seminarie waarin zij door de bisschop samengebracht zijn, "eerbied voor de andere wegen van spiritualiteit en de geest van dialoog en samenwerking" leren, zich op coherente en hartelijke wijze schikken naar de aanwijzingen van de bisschop omtrent de vorming en naar de opvoeders va het seminarie en zich met eerlijk vertrouwen aan hun leiding en oordeel onderwerpen. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (25)[[[2521|(25)]]] Door deze houding wordt de oprechte keuze van de priesterschap en in gehoorzaamheid aan de bisschop, voorbereid en op zekere wijze reeds bij voorbaat gedaan.
De deelneming van de seminarist en van de diocesane priester aan bijzonder spiritualiteiten of kerkelijke groeperingen is in zichzelf zeker een weldadige factor voor de priesterlijke groei en broederlijkheid. De uitoefening van het ambt en het geestelijk leven welke de diocesane priester kenmerken, moeten echter door deze deelneming niet belemmerd maar integendeel geholpen worden. De diocesane priester "blijft altijd de herder van het geheel. Hij is niet alleen de "blijver", die altijd voor allen beschikbaar is, maar gaat de bijeenkomst van allen voor, vooral als hoofd van een parochie, opdat allen het onthaal vinden dat zij mogen verwachten dat in de gemeenschap en in de Eucharistie die hen verenigt, welke hun godsdienstige gevoeligheid en pastorale inzet ook mogen zijn". Ontmoeting met leden van de Zwitserse priesters, (10)[[2857|(10)]]
Referenties naar alinea 68: 1
Iuvenescit Ecclesia ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Paragraaf 5 De kandidaat zelf
69
Men mag tenslotte niet vergen dat de kandidaat zelf noodzakelijke en onvervangbare protagonist van zijn vorming genoemd moet worden. Iedere vorming, ook de priesterlijke, is uiteindelijk zelfvorming. Niemand kan ons immers vervangen in de vrijheid en de verantwoordelijkheid die wij als afzonderlijke personen hebben. Ook de toekomstige priester moet zeker en als eerste groeien in het besef dat de Protagonist bij uitstek van zijn vorming de heilige Geest is, die hem door zijn gave van het nieuwe hart gelijkvormig maakt aan Jezus Christus, de goede Herder. Wat dit betreft zal de kandidaat zijn vrijheid in de meest radicale vorm bevestigen door de werking van de Geest te aanvaarden. Maar deze werking aanvaarden betekent ook van de kant van de kandidaat voor het priesterschap de menselijke "bemiddelingen" aanvaarden waarvan de Geest zich bedient. Daarom blijkt het werk van de verschillende opvoeders alleen werkelijk en ten volle doelmatig als de toekomstige priester daarvan zijn persoonlijke overtuigende en hartelijke medewerking verleent.
Referenties naar alinea 69: 1
Instructie over criteria ter onderscheiding van roepingen met betrekking tot personen met homoseksuele neigingen aangaande hun toelating tot het seminarie en de Heilige Wijdingen ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- HOOFDSTUK 6 Vergeet niet het vuur aan te wakkeren van Gods genade die in u isDe permanente vorming van de priesters
- Artikel 1 De theologische reden voor de permanente vorming
70
Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Aan de Katholieke Kerk in de Volksrepubliek China ->=geentekst=
"Vergeet niet het vuur aan te wakkeren van Gods genade die in u is" (2 Tim. 1, 6)[b:2 Tim. 1, 6]. De woorden van de apostel Paulus aan bisschop Timoteüs kunnen met recht toegepast worden op de permanente vorming waartoe alle priesters geroepen zijn krachtens de "gave Gods" die zij door de heilige wijding ontvangen hebben. Zij voeren ons naar het begrijpen van de gehele waarheid en de onmiskenbare oorspronkelijkheid van de permanente vorming van de priesters. Daarbij worden wij ook geholpen door een andere tekst van Paulus die eveneens aan Timoteus schrijft: "Verwaarloos de genadegave niet die in u is en die u krachtens een profetenwoord werd geschonken onder handoplegging van de gezamenlijke presbyters. Neem dit alles ter harte, ga er geheel in op, dan zullen uw vorderingen voor allen zichtbaar zijn. Blijf voortdurend zorg besteden aan uzelf en aan uw onderricht. Zodoende redt gij uzelf en hen die naar u luisteren". (1 Tim. 4, 14-16)[b:1 Tim. 4, 14-16]
De apostel Paulus vraagt aan Timoteüs om het vuur van Gods genade "aan te wakkeren" of feller te doen branden, zoals men doet met het vuur onder de as, in deze zin dat men de genade aanneemt en eruit leeft zonder ooit de "blijvende nieuwheid" te verliezen of te vergeten welke eigen is aan iedere gave van God, van Hem die alles nieuw maakt (Openb. 21, 5)[[b:Openb. 21, 5]], en dat men dus leeft in de onvergankelijke frisheid en oorspronkelijke schoonheid ervan.
Maar dat "aanwakkeren" is niet alleen het resultaat van een taak die toevertrouwd is aan de persoonlijke verantwoordelijkheid van Timoteüs, van een inspanning van zijn geheugen en wil. Het is de uitwerking van een genadekracht die intrinsiek is aan Gods gave. Het is dus God zelf die het vuur van zijn gave aanwakkert of beter heel de buitengewone rijkdom van genade en verantwoordelijkheid doet opvlammen welke in de gave opgesloten ligt.
Door de sacramentele uitstorting van de heilige Geest, die wijdt en zendt, wordt de priester gelijkvormig gemaakt aan Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk, en gezonden om het pastorale dienstwerk te verrichten. Zo wordt de priester voor altijd en op onuitwisbare wijze in zijn wezen gemerkt als dienaar van Jezus en de Kerk, geplaatst in een blijvende en onomkeerbare levenssituatie en belast met een pastorale taak die, geworteld in zijn wezen, heel zijn bestaan omvat en ook blijvend is. Het Sacrament van het priesterschap verleent aan de priester de sacramentele genade, die hem niet allen deelachtig maakt aan de heils- "macht" en het heils- "werk" van Jezus, maar ook aan zijn "liefde". Tegelijk verzekert het aan de priester al die actuele genaden welke hem gegeven zullen worden telkens als zij noodzakelijk en nuttig zullen zijn voor de waardige en volmaakte vervulling van het ambt dat hij ontvangen heeft.
De permanente vorming vindt zo haar eigenlijke grondslag en haar oorspronkelijke motivering in de dynamiek van het Sacrament van het priesterschap. Er zijn zeker ook eenvoudig menselijke redenen die de priester aansporen tot een blijvende vorming. Deze is een eis van de progressieve zelfverwerkelijking. Ieder leven is een ononderbroken opgang naar de rijpheid, welke via de voortdurende vorming loopt, Zij is bovendien een eis van het priesterlijk dienstwerk, ook als dit genomen wordt in zijn generieke natuur welke het gemeen heeft met de andere beroepen, dus als dienst aan de anderen. Er is nu geen beroep of taak of werk dat niet een voortdurend aggiornamento vraagt als het actueel en doeltreffend wil blijven. De eis om "gelijke tred te houden" met de gang van de geschiedenis is een andere menselijke reden die de permanente vorming wettigt.
Maar deze en andere redenen worden opgenomen en gespecificeerd door de genoemde theologische redenen, die verder uit te werken zijn.
Het Sacrament van het priesterschap kan vanwege zijn aard van "teken", die alle sacramenten eigen is, als woord van God gezien worden. Het is werkelijk Gods woord, het woord van God die roept en zendt. Het is de meest sterke expressie van de roeping en de zending van de priester. Door het Sacrament van het priesterschap roept God de kandidaat "tot" het priesterschap coram Ecclesia. Het "kom en volg mij" van Jezus wordt ten volle en definitief uitgesproken in de viering van het sacrament van zijn Kerk. Het wordt uitgedrukt en meegedeeld door middel van de stem van de Kerk, welke weerklinkt uit de mond van bisschop die bidt en de handen oplegt. En de priester geeft in geloof antwoord op de roeping door Jezus: "Ik kom en ik volg U".
Van dat ogenblik af begint het antwoord dat als fundamentele keuze in de loop van de jaren van het priesterschap steeds opnieuw uitgedrukt en bevestigd moet worden in talrijke andere antwoorden, die alle geworteld zijn in het "ja" van het priesterschap en daardoor opgewekt worden.
In deze zin kan men spreken van een roeping "in" het priesterschap. In felle blijft God roepen en zenden, zijn plan van heil openbarend in de historische ontwikkeling van het leven van de priester en van gebeurtenissen van de Kerk en van de maatschappij. Juist in dit perspectief blijkt de betekenis van de permanente vorming. Zij is nodig om de roeping of wil van God voortdurend te onderkennen en te volgen. Zo werd de apostel Petrus geroepen om Jezus te volgen ook nadat de Verrezene hem de kudde had toevertrouwd. "Jezus zei Hem: 'Weid mijn schapen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg U: toen ge jong waart, deelt ge zelf uw gordel om en ging waarheen ge wilde, maar wanneer ge oud zijt, zult ge uw handen uitstrekken, een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt'. Hiermede zinspeelde Hij op de dood waardoor hij God zou verheerlijken. En na deze woorden zei Hij hem: 'Volg Mij'" (Joh. 21, 17-19)[b:Joh. 21, 17-19]. Er is dus een "volg Mij" dat het leven en de zending van de apostel vergezelt. Het is een "volg Mij" dat de oproep tot en de eis van de trouw tot aan de dood (Joh. 21, 22)[[b:Joh. 21, 22]] uitgedrukt; en "volg Mij" dat een volgen van Christus kan betekenen door de volledige zelfgave in de marteldood. vgl: 123, S[[[1337]]]
De Synodevaders hebben de reden die de noodzaak van de permanente vorming aantoont en er tegelijk de diepe aard van openbaart, uitgedrukt door haar te karakteriseren als "trouw" aan het priesterambt en als "proces van voortdurende bekering". vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (31)[[[2521|(31)]]] Het is de heilige Geest, uitgestort door het sacrament, die de priester steun in deze trouw en hem begeleidt en aanspoort op de weg van onophoudelijke bekering. De gave van de Geest ontslaat de priester niet van zijn vrijheid, maar stimuleert deze, opdat hij op verantwoordelijke wijze meewerkt en de permanente vorming op zich neemt als een hem toevertrouwde taak. Op deze wijze is de permanente vorming uitdrukking en eis van de trouw van de priester aan zijn ambt, ja, aan zijn eigen wezen zelf. Zij is dus liefde voor Jezus Christus en overeenstemmen met zichzelf. Maar zij is ook een daad van liefde voor het volk Gods in dienst waarvan de priester is gesteld. Zij is een daad van echte en eigenlijke rechtvaardigheid. De priester is schuldenaar van het volk Gods, want hij is geroepen om het "recht" te erkennen en te bevorderen, het fundamentele recht dat het volk Gods heeft op het woord van God, de sacramenten en de dienst van de liefde, welke de oorspronkelijke en onvervreemdbare inhoud zijn van het pastorale dienstwerk van de priester,. De permanente vorming nodig opdat de priester in staat zal zijn op de verschuldigde wijze te antwoorden op dat recht van het volk Gods.
Ziel en vorm van de permanente vorming van de priester is de herderlijke liefde. De heilige Geest, die de herderlijke liefde instort, leidt en begeleidt de priester om een steeds diepere kennis te verwerven van het mysterie van Christus, dat ondoorgrondelijk is in zijn rijkdom (Ef. 3, 1 vv.)[[b:Ef. 3, 1 vv.]] en, indirect, om de kennis van het mysterie van het christelijk priesterschap te verwerven. De herderlijke liefde spoort de priester aan om steeds beter de verwachtingen, noden, problemen en gevoeligheden te leren kennen van degenen voor wie zijn dienstwerk bestemd is, in hun concrete situaties: de persoonlijke situaties, de gezinssituaties en de maatschappelijke situaties.
Dat alles beoogt de permanente vorming, in de zin van een bewust en vrij aanbod aan de dynamiek van de herderlijke liefde en van de heilige Geest, die er de eerste bron van is en haar voortdurend voedt. In deze zin is de permanente vorming een intrinsieke eis van de gave en van de sacramentele taak die de priester ontvangen heeft, en blijkt zij te allen tijde noodzakelijk. Maar zij blijkt nu bijzonder dringend, niet alleen vanwege de snelle verandering van de maatschappelijke en culturele omstandigheden van de mensen en volken onder wie het priesterlijk dienstwerk verricht wordt, maar ook vanwege de "nieuwe evangelisatie", welke de wezenlijke taak van de Kerk vormt op het einde van het tweede christelijk millennium, een taak die niet uitgesteld kan worden.
De apostel Paulus vraagt aan Timoteüs om het vuur van Gods genade "aan te wakkeren" of feller te doen branden, zoals men doet met het vuur onder de as, in deze zin dat men de genade aanneemt en eruit leeft zonder ooit de "blijvende nieuwheid" te verliezen of te vergeten welke eigen is aan iedere gave van God, van Hem die alles nieuw maakt (Openb. 21, 5)[[b:Openb. 21, 5]], en dat men dus leeft in de onvergankelijke frisheid en oorspronkelijke schoonheid ervan.
Maar dat "aanwakkeren" is niet alleen het resultaat van een taak die toevertrouwd is aan de persoonlijke verantwoordelijkheid van Timoteüs, van een inspanning van zijn geheugen en wil. Het is de uitwerking van een genadekracht die intrinsiek is aan Gods gave. Het is dus God zelf die het vuur van zijn gave aanwakkert of beter heel de buitengewone rijkdom van genade en verantwoordelijkheid doet opvlammen welke in de gave opgesloten ligt.
Door de sacramentele uitstorting van de heilige Geest, die wijdt en zendt, wordt de priester gelijkvormig gemaakt aan Jezus Christus, Hoofd en Herder van de Kerk, en gezonden om het pastorale dienstwerk te verrichten. Zo wordt de priester voor altijd en op onuitwisbare wijze in zijn wezen gemerkt als dienaar van Jezus en de Kerk, geplaatst in een blijvende en onomkeerbare levenssituatie en belast met een pastorale taak die, geworteld in zijn wezen, heel zijn bestaan omvat en ook blijvend is. Het Sacrament van het priesterschap verleent aan de priester de sacramentele genade, die hem niet allen deelachtig maakt aan de heils- "macht" en het heils- "werk" van Jezus, maar ook aan zijn "liefde". Tegelijk verzekert het aan de priester al die actuele genaden welke hem gegeven zullen worden telkens als zij noodzakelijk en nuttig zullen zijn voor de waardige en volmaakte vervulling van het ambt dat hij ontvangen heeft.
De permanente vorming vindt zo haar eigenlijke grondslag en haar oorspronkelijke motivering in de dynamiek van het Sacrament van het priesterschap. Er zijn zeker ook eenvoudig menselijke redenen die de priester aansporen tot een blijvende vorming. Deze is een eis van de progressieve zelfverwerkelijking. Ieder leven is een ononderbroken opgang naar de rijpheid, welke via de voortdurende vorming loopt, Zij is bovendien een eis van het priesterlijk dienstwerk, ook als dit genomen wordt in zijn generieke natuur welke het gemeen heeft met de andere beroepen, dus als dienst aan de anderen. Er is nu geen beroep of taak of werk dat niet een voortdurend aggiornamento vraagt als het actueel en doeltreffend wil blijven. De eis om "gelijke tred te houden" met de gang van de geschiedenis is een andere menselijke reden die de permanente vorming wettigt.
Maar deze en andere redenen worden opgenomen en gespecificeerd door de genoemde theologische redenen, die verder uit te werken zijn.
Het Sacrament van het priesterschap kan vanwege zijn aard van "teken", die alle sacramenten eigen is, als woord van God gezien worden. Het is werkelijk Gods woord, het woord van God die roept en zendt. Het is de meest sterke expressie van de roeping en de zending van de priester. Door het Sacrament van het priesterschap roept God de kandidaat "tot" het priesterschap coram Ecclesia. Het "kom en volg mij" van Jezus wordt ten volle en definitief uitgesproken in de viering van het sacrament van zijn Kerk. Het wordt uitgedrukt en meegedeeld door middel van de stem van de Kerk, welke weerklinkt uit de mond van bisschop die bidt en de handen oplegt. En de priester geeft in geloof antwoord op de roeping door Jezus: "Ik kom en ik volg U".
Van dat ogenblik af begint het antwoord dat als fundamentele keuze in de loop van de jaren van het priesterschap steeds opnieuw uitgedrukt en bevestigd moet worden in talrijke andere antwoorden, die alle geworteld zijn in het "ja" van het priesterschap en daardoor opgewekt worden.
In deze zin kan men spreken van een roeping "in" het priesterschap. In felle blijft God roepen en zenden, zijn plan van heil openbarend in de historische ontwikkeling van het leven van de priester en van gebeurtenissen van de Kerk en van de maatschappij. Juist in dit perspectief blijkt de betekenis van de permanente vorming. Zij is nodig om de roeping of wil van God voortdurend te onderkennen en te volgen. Zo werd de apostel Petrus geroepen om Jezus te volgen ook nadat de Verrezene hem de kudde had toevertrouwd. "Jezus zei Hem: 'Weid mijn schapen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg U: toen ge jong waart, deelt ge zelf uw gordel om en ging waarheen ge wilde, maar wanneer ge oud zijt, zult ge uw handen uitstrekken, een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt'. Hiermede zinspeelde Hij op de dood waardoor hij God zou verheerlijken. En na deze woorden zei Hij hem: 'Volg Mij'" (Joh. 21, 17-19)[b:Joh. 21, 17-19]. Er is dus een "volg Mij" dat het leven en de zending van de apostel vergezelt. Het is een "volg Mij" dat de oproep tot en de eis van de trouw tot aan de dood (Joh. 21, 22)[[b:Joh. 21, 22]] uitgedrukt; en "volg Mij" dat een volgen van Christus kan betekenen door de volledige zelfgave in de marteldood. vgl: 123, S[[[1337]]]
De Synodevaders hebben de reden die de noodzaak van de permanente vorming aantoont en er tegelijk de diepe aard van openbaart, uitgedrukt door haar te karakteriseren als "trouw" aan het priesterambt en als "proces van voortdurende bekering". vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (31)[[[2521|(31)]]] Het is de heilige Geest, uitgestort door het sacrament, die de priester steun in deze trouw en hem begeleidt en aanspoort op de weg van onophoudelijke bekering. De gave van de Geest ontslaat de priester niet van zijn vrijheid, maar stimuleert deze, opdat hij op verantwoordelijke wijze meewerkt en de permanente vorming op zich neemt als een hem toevertrouwde taak. Op deze wijze is de permanente vorming uitdrukking en eis van de trouw van de priester aan zijn ambt, ja, aan zijn eigen wezen zelf. Zij is dus liefde voor Jezus Christus en overeenstemmen met zichzelf. Maar zij is ook een daad van liefde voor het volk Gods in dienst waarvan de priester is gesteld. Zij is een daad van echte en eigenlijke rechtvaardigheid. De priester is schuldenaar van het volk Gods, want hij is geroepen om het "recht" te erkennen en te bevorderen, het fundamentele recht dat het volk Gods heeft op het woord van God, de sacramenten en de dienst van de liefde, welke de oorspronkelijke en onvervreemdbare inhoud zijn van het pastorale dienstwerk van de priester,. De permanente vorming nodig opdat de priester in staat zal zijn op de verschuldigde wijze te antwoorden op dat recht van het volk Gods.
Ziel en vorm van de permanente vorming van de priester is de herderlijke liefde. De heilige Geest, die de herderlijke liefde instort, leidt en begeleidt de priester om een steeds diepere kennis te verwerven van het mysterie van Christus, dat ondoorgrondelijk is in zijn rijkdom (Ef. 3, 1 vv.)[[b:Ef. 3, 1 vv.]] en, indirect, om de kennis van het mysterie van het christelijk priesterschap te verwerven. De herderlijke liefde spoort de priester aan om steeds beter de verwachtingen, noden, problemen en gevoeligheden te leren kennen van degenen voor wie zijn dienstwerk bestemd is, in hun concrete situaties: de persoonlijke situaties, de gezinssituaties en de maatschappelijke situaties.
Dat alles beoogt de permanente vorming, in de zin van een bewust en vrij aanbod aan de dynamiek van de herderlijke liefde en van de heilige Geest, die er de eerste bron van is en haar voortdurend voedt. In deze zin is de permanente vorming een intrinsieke eis van de gave en van de sacramentele taak die de priester ontvangen heeft, en blijkt zij te allen tijde noodzakelijk. Maar zij blijkt nu bijzonder dringend, niet alleen vanwege de snelle verandering van de maatschappelijke en culturele omstandigheden van de mensen en volken onder wie het priesterlijk dienstwerk verricht wordt, maar ook vanwege de "nieuwe evangelisatie", welke de wezenlijke taak van de Kerk vormt op het einde van het tweede christelijk millennium, een taak die niet uitgesteld kan worden.
Referenties naar alinea 70: 3
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Aan de Katholieke Kerk in de Volksrepubliek China ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 2 De verschillende dimensies van de permanente vorming
71
Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Ministrorum institutio ->=geentekst=
De permanente vorming zowel van de diocesane als van de religieuze priesters is de natuurlijke en absoluut noodzakelijke voortzetting van het proces van structurering van de persoonlijkheid van de priester dat begonnen is en zich ontwikkeld heeft in het seminarie of in het klooster langs de weg van de vorming met het oog op de priesterwijding. Het is van bijzonder belang de innerlijke band tussen de vorming die voorafgaat aan de priesterwijding en de vorming die erop volgt te zien en te respecteren. Als er een breuk of zelfs een tegenstelling was tussen die twee fasen van de vorming, zouden daaruit onmiddellijk ernstige gevolgen voortvloeien voor de pastorale activiteit en voor de broederlijke gemeenschap, vooral tussen de priesters van verschillende leeftijd. De permanente vorming is niet een herhaling van de vorming die op het seminarie ontvangen is en die eenvoudig herzien zou zijn of uitgebreid met nieuwe praktische suggesties. Zij geschiedt met een inhoud en vooral met methoden die relatief nieuw zijn, als een vitale en eenmakende werkelijkheid die weliswaar haar wortels in de seminarieopleiding heeft, maar voor haar voortgang aanpassingen en wijzigingen vraagt, zonder echter de continuïteit of onderbreken of op te heffen. Omgekeerd moet de toekomstige permanente vorming reeds op het grootseminarie voorbereid worden en moeten de geest en het verlangen van de toekomstige priesters ervoor opengesteld worden door er de noodzaak, de voordelen en de geest van aan te tonen en door de voorwaarden voor de verwerkelijking ervan te verzekeren. Juist omdat de permanente vorming een voortzetting is van de vorming in het seminarie, kan het doel ervan niet een louter om zo te zeggen professionele houding zijn die verkregen zou worden door het aanleren van bepaalde nieuwe pastorale technieken. Zij moet verleer een algemeen en integraal proces van voortdurende rijping in stand houden, door middel van de verdieping zowel van elk van de dimensies van de vorming -de menselijke, geestelijke, intellectuele en pastorale dimensies- als van de innerlijke en levende specifieke band daartussen, vanuit de herderlijke liefde en in betrekking daarmee.
Referenties naar alinea 71: 3
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Ministrorum institutio ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
72
Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Een eerste fase van verdieping betreft de menselijke dimensie van de priesterlijke vorming. In het dagelijks contact met de mensen, in het delen van hun dagelijks leven moet de priester die menselijke gevoeligheid vergroten en verdiepen welke hem in staat stelt om de noden te begrijpen en de eisen te vatten, de onuitgesproken vragen aan te voelen, de hoop en de verwachting, de vreugde en de moeite van het gewone leven te delen; om bekwaam te zijn voor de ontmoeting en de dialoog met allen. Vooral door het kennen en delen, d.w.z. door het zich eigen maken, van de menselijke ervaring van het lijden in zijn veelvoudige vormen van nooddruft, ziekte, marginaliteit, onwetendheid, eenzaamheid, materiële en morele armoede, verrijkt de priester zijn eigen mens-zijn en maakt hij het meer authentiek en transparant in een groeiende en vurige liefde voor de mens. Om zijn menselijke vorming tot rijpheid te brengen ontvangt de priester een bijzondere genadehulp van Jezus Christus. De liefde van de goede Herder heeft zich niet alleen uitgedrukt in de gave van het heil aan de mensen maar ook in het delen van hun leven, waarvan het Woord dat vlees geworden is (Joh. 1, 14)[[b:Joh. 1, 14]] de vreugde en het lijden heeft willen kennen, de kwellingen willen ervaren, de emoties willen delen, de start willen verrichten. Als mens levend onder de mensen en met de mensen biedt Jezus de meest absolute, echte en volmaakte uitdrukking van menselijkheid. Wij zien Hem feestvieren te Kana, omgaan met een bevriende familie, diep medelijden hebben met de hongerige menigte die Hem volgt, zieke of gestorven kinderen aan hun ouders teruggeven, wenen over het verlies van Lazarus...
Het volk Gods moet van de priester die steeds meer gerijpt is in zijn menselijke gevoeligheid iets dergelijks kunnen zeggen als de schrijver van de brief aan de Hebreeën van Jezus zegt: "Wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien van de zonde" (Heb. 4, 15)[b:Heb. 4, 15].
De vorming van de priester in haar geestelijke dimensie is een eis van het nieuwe evangelische leven waartoe hij heilige Geest die uitgestort is in het sacrament van de priesterwijding. Door de priester te wijden en gelijkvormig te maken aan Jezus Christus, Hoofd en Herder, schept de heilige Geest in het wezen zelf van de priester een band met Jezus die vraagt op persoonlijke wijze, d.w.z. bewust en vrij, eigen gemaakt en beleefd te worden door middel van een steeds rijkere gemeenschap van leven en liefde en een steeds grotere en radicale deelname aan de gevoelens en de houdingen van Jezus Christus. In deze ontologische en psychologische, sacramentele en morele band tussen de Heer Jezus en de priester ligt de grondslag tevens de kracht voor het "evangelische radicalisme" waartoe iedere priester geroepen is en die bevorderd worden door de permanente vorming in haar geestelijk aspect. Deze vorming blijkt ook noodzakelijk met het oog op het priesterlijk dienstwerk, op de echtheid en de geestelijke vruchtbaarheid ervan. "Oefent u de zielzorg uit?", vroeg de heilige Carolus Borromeus. En hij antwoordde als volgt in zijn toespraak tot de priesters: "Vergeet daarom niet de zorg voor uzelf en geef uzelf niet zo aan de anderen dat er niets van uzelf voor uzelf overblijft. U moet zeker aan de zielen denken van wie u de herder bent, maar niet uzelf vergeten. Weet, broeders, dat niets zo noodzakelijk is voor kerkelijke personen als de meditatie die al ons handelen voorafgaat, vergezelt en volgt. Ik zal zingen en mediteren, zegt de psalmist (Ps. 101, 1)[[b:Ps. 101, 1]]. Als u de Sacramenten toedient, broeder, overweeg dan wat u doet. Als u de mis celebreert, overweg dan tot wie u spreekt. Als u de zielen leidt, overweeg dan door welk bloed zij gewassen zijn. En "laat alles bij u gebeuren met liefde" (1 Kor. 16, 14)[b:1 Kor. 16, 14]. Zo zullen wij de moeilijkheden kunnen overwinnen die wij ontmoeten en die iedere dag talrijk zijn. Dat wordt trouwens vereist door de taak die ons is toevertrouwd. Als wij zo zullen doen, dan zullen wij de kracht hebben om Christus in onszelf en in de anderen voort te brengen". Milan 1599, 1178[[2858]]
Speciaal het gebedsleven moet voortdurend "hervormd" worden in de priester. De ervaring leert namelijk dat men in het gebed niet van de rente kan leven. Het is niet alleen nodig om dagelijks opnieuw de uiterlijke trouw aan de ogenblikken van gebed te heroveren, vooral aan de ogenblikken welke bestemd zijn voor de viering van het getijdengebed, en aan die welke aan de persoonlijke keuze worden overgelaten en niet gedragen worden door de intervallen en uren van de liturgische dienst, maar ook en vooral om voortdurend opnieuw het zoeken van een echt persoonlijke ontmoeting met Jezus, van een vertrouwelijke gesprek met God, van een diepe ervaring van de Geest te voeden.
Wat de apostel Paulus zegt van alle gelovigen, die allen moeten komen "tot de volmaakte man, tot de gehele omvang van de volheid van de Christus" (Ef. 4, 13)[b:Ef. 4, 13], kan op specifieke wijze toegepast worden op de priesters die, groepen zijn tot de volmaakte liefde en dus tot de heiligheid, ook omdat hun pastorale dienst wil dat zij levende voorbeelden zijn voor alle gelovigen.
Ook de intellectuele dimensie van de vorming vraagt erom voortgezet en verdiept te worden gedurende heel het leven van de priester, vooral door serieuze en ingespannen studie en cultureel aggiornamento. De priester, die deel heeft aan de profetische zending van Jezus en opgenomen is in het mysterie van de Kerk die lerares is van de waarheid, is geroepen om aan de mensen in Jezus Christus het gelaat van God te openbaren en daarmee het ware gelaat van de mens. vgl: Gaudium et Spes, 22[[[575|22]]] Maar dit eist dat de priester zelf dat gelaat zoekt en het met verering en liefde beschouwt (Ps. 26, 7; Ps. 41, 2)[[b:Ps. 26, 7; Ps. 41, 2]]. Alleen zo kan hij het aan de anderen doen kennen. In het bijzonder blijkt ook de voortzetting van de theologische studie noodzakelijk opdat de priester trouw de dienst van het woord kan vervullen, het zonder verwarringen dubbelzinnigheid kan verkondigen, het kan onderscheiden van de zuiver menselijke opinies, ook al zijn ze wijdbefaamd. Zo zal hij zich werkelijk ten dienste van het volk van God kunnen stellen en het kunnen helpen om rekenschap af te leggen van de christelijke hoop aan wie daarom vragen (1 Pt. 3, 15)[[b:1 Pt. 3, 15]]. Bovendien "is de priester door zich bewust en volhardend te wijden aan de theologiestudie in staat om zich de authentieke rijkdom van de Kerk eigen te maken in een veilige en persoonlijke vorm. Dan kan hij de zending vervullen die hem verplicht een antwoord te vinden voor de moeilijkheden met de authentieke katholieke leer en de neiging -van hemzelf en van anderen- tot afkeuring en een negatieve houding ten opzichte van het leergezag en de traditie te boven komen". Instrumentum Laboris Achtste gewone algemene vergadering - ”De vorming van de priesters in de huidige omstandigheden”, (55)[[2572|(55)]]
Het pastorale aspect van de permanente vorming wordt goed uitgedrukt dor de woorden van de apostel Petrus: "Dient elkaar, als goede beheerders van Gods veelsoortige genade, met de gaven, zoals ieder die heeft ontvangen" (1 Pt. 4, 10)[b:1 Pt. 4, 10]. Om iedere dag te leven volgens de genade die hij ontvangen heeft, is het nodig dat de priester zich steeds meer openstelt voor de herderlijke liefde van Jezus Christus, die hem door de Geest van Jezus gegeven is bij het ontvangen van het sacrament. Zoals heel de activiteit van de Heer vrucht en teken was van de herderlijke liefde, zo moet het ook voor de priesterlijke werkzaamheid zijn. de herderlijke liefde is een gave en tegelijk een opgave, een genade en een verantwoordelijkheid waaraan men trouw moet zijn. Het is dus nodig haar aan te nemen en de dynamiek ervan te beleven tot aan de meest radicale eisen. Zoals reeds gezegd, spoort het herderlijke liefde de priester aan en stimuleert zij hem om steeds beter de reële conditie te leren kennen van de mensen tot wie hij gezonden is, om in de historische omstandigheden waarin hij zich bevindt de uitnodigingen van de Geest te onderscheiden, om de meest geschikte methoden en de meest nuttige vormen te zoeken voor de uitoefening van zijn ambt in deze tijd. Zo bezielt en ondersteunt de herderlijke liefde de menselijke inspanningen van de priester voor een pastorale werkzaamheid die actueel, geloofwaardig en doeltreffend is. Maar dat vereist een permanente pastorale vorming.
De weg naar de rijpheid vraagt niet alleen dat de priester de verschillende dimensies van zijn vorming blijft verdiepen, maar ook en vooral dat hij deze dimensies steeds harmonieuzer met elkaar weet te verenigen en geleidelijk de innerlijke eenheid ervan weet te bereiken. Dat zal mogelijk gemaakt worden door de herderlijke liefde, die de diverse aspecten niet alleen coördineert en verenigt, maar ze specificeert en er het kenmerk aan geeft van aspecten van de vorming van de priester als zodanig ofwel van de priester als weerspiegeling, levend beeld en dienaar van Jezus, de goede Herder.
De permanente vorming helpt de priester de verleiding te overwinnen om zijn dienstwerk te reduceren tot een activiteit die doel op zich is, tot een onpersoonlijke verlening van diensten, zij het ook geestelijke of gewijde diensten, tot een ambtenarenfunctie ten dienste van de kerkelijke organisatie. Alleen de permanente vorming helpt de "priester" om met waakzame liefde het "mysterie" te bewaren dat hij in zich draagt voor het welzijn van de Kerk en van de mensheid.
Het volk Gods moet van de priester die steeds meer gerijpt is in zijn menselijke gevoeligheid iets dergelijks kunnen zeggen als de schrijver van de brief aan de Hebreeën van Jezus zegt: "Wij hebben een hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien van de zonde" (Heb. 4, 15)[b:Heb. 4, 15].
De vorming van de priester in haar geestelijke dimensie is een eis van het nieuwe evangelische leven waartoe hij heilige Geest die uitgestort is in het sacrament van de priesterwijding. Door de priester te wijden en gelijkvormig te maken aan Jezus Christus, Hoofd en Herder, schept de heilige Geest in het wezen zelf van de priester een band met Jezus die vraagt op persoonlijke wijze, d.w.z. bewust en vrij, eigen gemaakt en beleefd te worden door middel van een steeds rijkere gemeenschap van leven en liefde en een steeds grotere en radicale deelname aan de gevoelens en de houdingen van Jezus Christus. In deze ontologische en psychologische, sacramentele en morele band tussen de Heer Jezus en de priester ligt de grondslag tevens de kracht voor het "evangelische radicalisme" waartoe iedere priester geroepen is en die bevorderd worden door de permanente vorming in haar geestelijk aspect. Deze vorming blijkt ook noodzakelijk met het oog op het priesterlijk dienstwerk, op de echtheid en de geestelijke vruchtbaarheid ervan. "Oefent u de zielzorg uit?", vroeg de heilige Carolus Borromeus. En hij antwoordde als volgt in zijn toespraak tot de priesters: "Vergeet daarom niet de zorg voor uzelf en geef uzelf niet zo aan de anderen dat er niets van uzelf voor uzelf overblijft. U moet zeker aan de zielen denken van wie u de herder bent, maar niet uzelf vergeten. Weet, broeders, dat niets zo noodzakelijk is voor kerkelijke personen als de meditatie die al ons handelen voorafgaat, vergezelt en volgt. Ik zal zingen en mediteren, zegt de psalmist (Ps. 101, 1)[[b:Ps. 101, 1]]. Als u de Sacramenten toedient, broeder, overweeg dan wat u doet. Als u de mis celebreert, overweg dan tot wie u spreekt. Als u de zielen leidt, overweeg dan door welk bloed zij gewassen zijn. En "laat alles bij u gebeuren met liefde" (1 Kor. 16, 14)[b:1 Kor. 16, 14]. Zo zullen wij de moeilijkheden kunnen overwinnen die wij ontmoeten en die iedere dag talrijk zijn. Dat wordt trouwens vereist door de taak die ons is toevertrouwd. Als wij zo zullen doen, dan zullen wij de kracht hebben om Christus in onszelf en in de anderen voort te brengen". Milan 1599, 1178[[2858]]
Speciaal het gebedsleven moet voortdurend "hervormd" worden in de priester. De ervaring leert namelijk dat men in het gebed niet van de rente kan leven. Het is niet alleen nodig om dagelijks opnieuw de uiterlijke trouw aan de ogenblikken van gebed te heroveren, vooral aan de ogenblikken welke bestemd zijn voor de viering van het getijdengebed, en aan die welke aan de persoonlijke keuze worden overgelaten en niet gedragen worden door de intervallen en uren van de liturgische dienst, maar ook en vooral om voortdurend opnieuw het zoeken van een echt persoonlijke ontmoeting met Jezus, van een vertrouwelijke gesprek met God, van een diepe ervaring van de Geest te voeden.
Wat de apostel Paulus zegt van alle gelovigen, die allen moeten komen "tot de volmaakte man, tot de gehele omvang van de volheid van de Christus" (Ef. 4, 13)[b:Ef. 4, 13], kan op specifieke wijze toegepast worden op de priesters die, groepen zijn tot de volmaakte liefde en dus tot de heiligheid, ook omdat hun pastorale dienst wil dat zij levende voorbeelden zijn voor alle gelovigen.
Ook de intellectuele dimensie van de vorming vraagt erom voortgezet en verdiept te worden gedurende heel het leven van de priester, vooral door serieuze en ingespannen studie en cultureel aggiornamento. De priester, die deel heeft aan de profetische zending van Jezus en opgenomen is in het mysterie van de Kerk die lerares is van de waarheid, is geroepen om aan de mensen in Jezus Christus het gelaat van God te openbaren en daarmee het ware gelaat van de mens. vgl: Gaudium et Spes, 22[[[575|22]]] Maar dit eist dat de priester zelf dat gelaat zoekt en het met verering en liefde beschouwt (Ps. 26, 7; Ps. 41, 2)[[b:Ps. 26, 7; Ps. 41, 2]]. Alleen zo kan hij het aan de anderen doen kennen. In het bijzonder blijkt ook de voortzetting van de theologische studie noodzakelijk opdat de priester trouw de dienst van het woord kan vervullen, het zonder verwarringen dubbelzinnigheid kan verkondigen, het kan onderscheiden van de zuiver menselijke opinies, ook al zijn ze wijdbefaamd. Zo zal hij zich werkelijk ten dienste van het volk van God kunnen stellen en het kunnen helpen om rekenschap af te leggen van de christelijke hoop aan wie daarom vragen (1 Pt. 3, 15)[[b:1 Pt. 3, 15]]. Bovendien "is de priester door zich bewust en volhardend te wijden aan de theologiestudie in staat om zich de authentieke rijkdom van de Kerk eigen te maken in een veilige en persoonlijke vorm. Dan kan hij de zending vervullen die hem verplicht een antwoord te vinden voor de moeilijkheden met de authentieke katholieke leer en de neiging -van hemzelf en van anderen- tot afkeuring en een negatieve houding ten opzichte van het leergezag en de traditie te boven komen". Instrumentum Laboris Achtste gewone algemene vergadering - ”De vorming van de priesters in de huidige omstandigheden”, (55)[[2572|(55)]]
Het pastorale aspect van de permanente vorming wordt goed uitgedrukt dor de woorden van de apostel Petrus: "Dient elkaar, als goede beheerders van Gods veelsoortige genade, met de gaven, zoals ieder die heeft ontvangen" (1 Pt. 4, 10)[b:1 Pt. 4, 10]. Om iedere dag te leven volgens de genade die hij ontvangen heeft, is het nodig dat de priester zich steeds meer openstelt voor de herderlijke liefde van Jezus Christus, die hem door de Geest van Jezus gegeven is bij het ontvangen van het sacrament. Zoals heel de activiteit van de Heer vrucht en teken was van de herderlijke liefde, zo moet het ook voor de priesterlijke werkzaamheid zijn. de herderlijke liefde is een gave en tegelijk een opgave, een genade en een verantwoordelijkheid waaraan men trouw moet zijn. Het is dus nodig haar aan te nemen en de dynamiek ervan te beleven tot aan de meest radicale eisen. Zoals reeds gezegd, spoort het herderlijke liefde de priester aan en stimuleert zij hem om steeds beter de reële conditie te leren kennen van de mensen tot wie hij gezonden is, om in de historische omstandigheden waarin hij zich bevindt de uitnodigingen van de Geest te onderscheiden, om de meest geschikte methoden en de meest nuttige vormen te zoeken voor de uitoefening van zijn ambt in deze tijd. Zo bezielt en ondersteunt de herderlijke liefde de menselijke inspanningen van de priester voor een pastorale werkzaamheid die actueel, geloofwaardig en doeltreffend is. Maar dat vereist een permanente pastorale vorming.
De weg naar de rijpheid vraagt niet alleen dat de priester de verschillende dimensies van zijn vorming blijft verdiepen, maar ook en vooral dat hij deze dimensies steeds harmonieuzer met elkaar weet te verenigen en geleidelijk de innerlijke eenheid ervan weet te bereiken. Dat zal mogelijk gemaakt worden door de herderlijke liefde, die de diverse aspecten niet alleen coördineert en verenigt, maar ze specificeert en er het kenmerk aan geeft van aspecten van de vorming van de priester als zodanig ofwel van de priester als weerspiegeling, levend beeld en dienaar van Jezus, de goede Herder.
De permanente vorming helpt de priester de verleiding te overwinnen om zijn dienstwerk te reduceren tot een activiteit die doel op zich is, tot een onpersoonlijke verlening van diensten, zij het ook geestelijke of gewijde diensten, tot een ambtenarenfunctie ten dienste van de kerkelijke organisatie. Alleen de permanente vorming helpt de "priester" om met waakzame liefde het "mysterie" te bewaren dat hij in zich draagt voor het welzijn van de Kerk en van de mensheid.
Referenties naar alinea 72: 2
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 3 De diepere betekenis van de permanente vorming
73
Ecclesia in Africa ->=geentekst=
De verschillende elkaar aanvullende dimensies van de permanente vorming helpen ons om de diepere betekenis ervan te begrijpen. Zij streeft ernaar de priester te helpen om te zijn en te handelen als priester in de geest en volgens de stijl van Jezus, de goede Herder. De waarheid moet gedaan worden! Jakobus waarschuwt ons aldus: "Weest uitvoerders van het woord, en niet alleen toehoorders; dan zoudt gij uzelf bedriegen" (Jak. 1, 22)[b:Jak. 1, 22]. De priesters Zijn geroepen om "de waarheid" van hun zijn te "doen" ofwel om "in liefde" (Ef. 4, 15)[[b:Ef. 4, 15]] hun identiteit en hun dienst in en voor de Kerk te verwerkelijken. Zij zijn geroepen om zich steeds levendiger bewust te worden van de gave van God, om steeds daaraan te denken. Dat is de uitnodiging die Paulus tot Timoteus richt: "Bewaar de u toevertrouwde schat met de hulp van de heilige Geest die in ons woont" (2 Tim. 1, 14)[b:2 Tim. 1, 14].
In de meermalen genoemde kerkelijke context kan de diepe betekenis van de permanente vorming van de priester beschouwd worden in betrekking met zijn aanwezigheid en activiteit in de Kerk die mysterium, communio en missio is.
Binnen de Kerk als "mysterie" is de priester geroepen om door middel van de permanente vorming het besef van de gehele wonderlijke waarheid van zijn priester-zijn te bewaren en te ontwikkelen: hij is helper van Christus en beheerder van de goddelijke geheimen (1 Kor. 4, 1)[[b:1 Kor. 4, 1]]. Paulus vraagt uitdrukkelijk aan de Christenen hem te zien volgens deze identiteit. Maar hij leeft zelf als eerste in het bewustzijn van de sublieme gave die hij van de Heer ontvangen heeft. Zo moet het met iedere priester zijn als hij in de waarheid van zijn priesterzijn wil blijven. Maar dat is alleen in geloof mogelijk, alleen met de blik en de ogen van Christus. Men kan zeggen dat de permanente vorming wil bewerken dat de priester een gelovige is en het steeds meer wordt, dat hij zichzelf steeds in zijn waarheid ziet, met de ogen van Christus. Hij moet deze waarheid met dankbare en blijde liefde bewaren. Hij moet zijn geloof vernieuwen als hij zijn priesterambt uitoefent, zich helper van Jezus Christus voelen, sacrament van de liefde van God voor de mens, telkens als hij bemiddelaar en levend werktuig is van het verlenen van Gods genade aan de mensen. Hij moet dezelfde waarheid in zijn medebroeders herkennen. Dat is het beginsel van de achting en de liefde voor de andere priesters.
In de meermalen genoemde kerkelijke context kan de diepe betekenis van de permanente vorming van de priester beschouwd worden in betrekking met zijn aanwezigheid en activiteit in de Kerk die mysterium, communio en missio is.
Binnen de Kerk als "mysterie" is de priester geroepen om door middel van de permanente vorming het besef van de gehele wonderlijke waarheid van zijn priester-zijn te bewaren en te ontwikkelen: hij is helper van Christus en beheerder van de goddelijke geheimen (1 Kor. 4, 1)[[b:1 Kor. 4, 1]]. Paulus vraagt uitdrukkelijk aan de Christenen hem te zien volgens deze identiteit. Maar hij leeft zelf als eerste in het bewustzijn van de sublieme gave die hij van de Heer ontvangen heeft. Zo moet het met iedere priester zijn als hij in de waarheid van zijn priesterzijn wil blijven. Maar dat is alleen in geloof mogelijk, alleen met de blik en de ogen van Christus. Men kan zeggen dat de permanente vorming wil bewerken dat de priester een gelovige is en het steeds meer wordt, dat hij zichzelf steeds in zijn waarheid ziet, met de ogen van Christus. Hij moet deze waarheid met dankbare en blijde liefde bewaren. Hij moet zijn geloof vernieuwen als hij zijn priesterambt uitoefent, zich helper van Jezus Christus voelen, sacrament van de liefde van God voor de mens, telkens als hij bemiddelaar en levend werktuig is van het verlenen van Gods genade aan de mensen. Hij moet dezelfde waarheid in zijn medebroeders herkennen. Dat is het beginsel van de achting en de liefde voor de andere priesters.
Referenties naar alinea 73: 2
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
74
Ecclesiae de mysterio ->=geentekst=
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Aan de priesters bij het begin van het "Jaar van de priester" bij gelegenheid van de 150e "dies natalis" van Johannes Maria Vianney ->=geentekst=
Binnen de Kerk als "gemeenschap" helpt de permanente vorming de priester om het besef te doen rijpen dat zijn dienstwerk er uiteindelijk op gericht is het gezin van God bijeen te brengen als een door liefde bezielde broederschap en het door Christus in de heilige Geest naar de Vader te leiden. vgl: Presbyterorum Ordinis, 6[[[704|6]]] De priester moet groeien in het bewustzijn van de diepe gemeenschap die hem verbindt met het volk van God. Hij staat niet alleen "voor" de Kerk, maar vooral "in" de Kerk. Hij is broeder onder broeders. Door het Doopsel dat hem onderscheiden heeft met de waardigheid en de vrijheid van de kinderen Gods in de eniggeboren Zoon, is de priester lid van één en hetzelfde lichaam van Christus (Ef. 4, 16)[[b:Ef. 4, 16]]. Het besef van die gemeenschap mondt uit in de behoefte om de medeverantwoordelijkheid op te wekken en te ontwikkelen in de gemeenschappelijke en enige heilszending, door bereidwillig en hartelijk alle charisma's en taken die de Geest aan de gelovigen geeft voor de opbouw van de Kerk naar waarde te schatten. Het is vooral in de vervulling van zijn pastorale dienst, die van nature gericht is op het welzijn van het volk van God, dat de priester zijn diepe gemeenschap met allen moet beleven en betuigen, zoals Paulus VI heeft geschreven: "Wij moeten broeders van de mensen worden in de daad zelf waarmee wij hun herders, vaders en meesters willen zijn. De sfeer van de dialoog is de vriendschap, ja, de dienst". Ecclesiam Suam, 87[[91|87]] De priester is op specifieke wijze geroepen het besef te doen rijpen dat hij lid is van de particuliere Kerk waarin hij geïncardineerd is ofwel opgenomen met een tegelijk juridische, geestelijke en pastorale band. Dat bewustzijn veronderstelt en ontplooid de bijzondere liefde voor de eigen Kerk, die immers het levend een blijvende einddoel is van de herderlijke liefde welke het leven van de priester moet vergezellen en hem voert tot het delen van de geschiedenis of van de levenservaring van die Kerk in haar rijkdom en broosheid, in haar moeilijkheden en verwachtingen, tot het weken voor haar groei. De priester moet zich dus verrijkt voelen door de particuliere Kerk en tegelijk actief ingezet voor haar opbouw, terwijl hij, iedere priester afzonderlijk en met de andere priesters samen, de pastorale werkzaamheid voortzet welke de medebroeders die hem voorafgegaan zijn, heeft gekenmerkt. Een onontkoombare eis van de herderlijke liefde voor de eigen Kerk en voor haar toekomstige dienstwerk is de zorg die de priester moet hebben om iemand te vinden die hem, om zo te zeggen, zal vervangen in het priesterschap. In zijn bewustzijn van de gemeenschap tussen de verschillende particuliere kerken moet de priester een gemeenschap doen rijpen welke geworteld is in het feit dat zij kerken zijn die ter plaatse de enige universele Kerk van Christus verwezenlijken. Dat besef van interkerkelijke gemeenschap zal de "uitwisseling van de gaven" begunstigen, te beginnen bij de levende en persoonlijke gaven die de priesters zelf zijn. Vandaar de bereidheid, ja, de edelmoedige inzet voor de verwerkelijking van een billijke verdeling van de geestelijkheid. vgl: Postquam Apostoli[[[1229]]] Daarbij moet men denken aan die particuliere kerken "die van hun vrijheid beroofd zijn en geen roepingen kunnen hebben", en ook aan de "kerken die kortgeleden uit de vervolging gekomen zijn, en aan de kerken die nog de hulp nodig hebben welke reeds lang en door velen met grootmoedigheid en broederlijkheid verleend is en nog verleend wordt". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (39)[[2521|(39)]]
Binnen de kerkgemeenschap is de priester in het bijzonder geroepen om, in zijn permanente vorming, te groeien in en met de eigen priesterschap in vereniging met de bisschop. De priesterschap is in haar volle waarheid een mysterium, een bovennatuurlijke werkelijkheid, omdat zij geworteld is in het sacrament van het priesterschap dat er de bron, de oorsprong van is. Het is de "plaats" van de geboorte en de groei ervan. "Door middel van het sacrament van het priesterschap zijn de priesters door een persoonlijke en onverbrekelijke band verbonden met Christus, de enige Priester. Het priesterschap wordt aan hen als enkelingen gegeven, maar zij zijn opgenomen in de gemeenschap van de priesterschap, die met de bisschop verbonden is." Lumen Gentium, 28[[617|28]] vgl: Presbyterorum Ordinis, 7-8[[[704|7-8]]] Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (34)[[2521|(34)]]
Deze sacramentele oorsprong wordt weerspiegeld en verlengd in het kader van de uitoefening van het priesterambt: van het mysterium naar het ministerium. "De eenheid van de priesters met de bisschop en onder elkaar wordt niet van buiten af toegevoegd aan de eigen natuur van hun dienst, maar is uitdrukking van het wezen daarvan, daar hij de zorg is van Christus-Priester voor het volk dat bijeengebracht is door de eenheid van de allerheiligste Drie-eenheid". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (34)[[2521|(34)]] De eenheid van de priester in de geest van herderlijke liefde maakt hen tot getuigen van Jezus Christus, die tot de Vader gebeden heeft dat "zij allen één mogen zijn" (Joh. 17, 21)[b:Joh. 17, 21].
De fysionomie van de priesterschap is dus die van een echte familie, van een broederschap waarvan de banden niet uit vlees en bloed zijn maar uit de genade van het priesterschap. Een genade die de menselijke, psychologische, affectieve, vriendschappelijke en geestelijke banden tussen de priesters opneemt en verheft. Een genade die zich uitstrekt tot de meest verschillende vormen van wederzijdse hulp, niet alleen materiële maar ook geestelijke, en daarin doordringt en zich uit en concretiseert. De priesterlijke broederlijkheid sluit niemand uit, maar mag en moet een voorkeur hebben, namelijk de evangelische voorkeur voor wie meer behoefte heeft aan hulp of bemoediging. Die broederlijkheid "bekommert zich speciaal om jonge priesters, houdt een hartelijk en broederlijke dialoog met de priesters van middelbare en oudere leeftijd en met de priesters die om verschillende redenen moeilijkheden ondervinden. Ook de priesters die deze levensvorm verlaten hebben of niet volgen, laat zij niet alleen niet in de steek maar omringt zij nog meer met broederlijke zorg". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (34)[[2521|(34)]]
De priesterreligieuzen die in een particuliere Kerk wonen en werken maken op een andere titel ook deel uit van de enige priesterschap. Hun aanwezigheid vormt een verrijking voor alle priesters en hun verschillende bijzonder charisma's, die een oproep zijn aan de priesters om te groeien in het begrijpen van het priesterschap zelf, dragen bij tot het stimuleren en begeleiden van de permanente vorming van de priesters. Wanneer de gave van het kloosterleven in het diocesane bestel vergezeld gaat van oprechte waardering en juiste eerbied voor de bijzondere kenmerken van ieder instituut en van ieder spiritualiteit, verbreedt zij de horizon van het christelijk getuigenis en draagt zij op verschillende wijze bij tot de verrijking van de priesterlijke spiritualiteit, vooral met betrekking tot de goede verhouding en de wederkerige invloed tussen de waarden van de particuliere Kerk en de waarden van de algemeenheid van het volk Gods. Hunnerzijds zullen de religieuzen ervoor zorgen een geest van echte kerkelijke gemeenschap te waarborgen alsmede een hartelijke deelname aan de weg die het bisdom gaat en aan de pastorale keuzen van de bisschop, terwijl zij gaarne hun eigen charisma ter beschikking stellen tot aller stichting in liefde. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (38)[[[2521|(38)]]] vgl: Presbyterorum Ordinis, 1[[[704|1]]] vgl: Optatam Totius Ecclesiae, 1[[[675|1]]] vgl: Mutuae relationes, (2,10)[[[1230|(2.10)]]]
In het kader van de Kerk als gemeenschap en van de priesterschap kan men tenslotte beter het hoofd bieden aan het probleem van de eenzaamheid van de priester, waarbij de Synodevaders stil gestaan hebben. Er is een eenzaamheid die deel uitmaakt van de ervaring van allen en die volstrekt normaal is. Maar er is ook een eenzaamheid die uit allerlei mogelijkheden voorkomt en op haar beurt verdere moeilijkheden oproept. Wat dit betreft "zijn de actieve deelname aan de diocesane priesterschap, de geregelde contacten met de bisschop en de andere priesters, de wederzijdse samenwerking, het gemeenschappelijke of broederlijke leven tussen de priesters, alsmede de hartelijke omgang met de leken-gelovigen die actief zijn in de parochies, zeer nuttige middelen om de negatieve gevolgen van de eenzaamheid, die de priester soms kan ondervinden, te overwinnen". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (35)[[2521|(35)]]
Maar de eenzaamheid schept niet alleen moeilijkheden. Zij biedt ook positieve kansen voor het priesterleven. "Als de eenzaamheid aanvaard wordt in een geest van offervaardigheid en gezocht wordt in de vertrouwelijkheid met de Heer Jezus Christus, kan zij een geschikte gelegenheid zijn voor gebed en studie en ook een hulp voor de heiliging en de menselijke groei". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (35)[[2521|(35)]] Zonder te vergeten dat een zekere vorm van eenzaamheid een noodzakelijke element is voor de permanente vorming. Jezus wist zich vaak alleen af te zonderen om te bidden (Mt. 14, 23)[[b:Mt. 14, 23]]. Het vermogen om een goede eenzaamheid te verdragen is een onmisbare voorwaarde voor de verzorging van het innerlijk leven. Het gaat om een eenzaamheid waarin de Heer tegenwoordig is, die ons in het licht van de Geest in contact brengt met de Vader. In dit opzicht zijn de zorg voor stilte en het zoeken van de ruimte en de tijd van de "woestijn" noodzakelijk voor de permanente vorming zowel op intellectueel als op geestelijk en pastoraal gebied. In deze zin kan men zeggen dat wie niet goed in eenzaamheid weet te leven, niet in staat is tot echte broederlijke gemeenschap.
Binnen de kerkgemeenschap is de priester in het bijzonder geroepen om, in zijn permanente vorming, te groeien in en met de eigen priesterschap in vereniging met de bisschop. De priesterschap is in haar volle waarheid een mysterium, een bovennatuurlijke werkelijkheid, omdat zij geworteld is in het sacrament van het priesterschap dat er de bron, de oorsprong van is. Het is de "plaats" van de geboorte en de groei ervan. "Door middel van het sacrament van het priesterschap zijn de priesters door een persoonlijke en onverbrekelijke band verbonden met Christus, de enige Priester. Het priesterschap wordt aan hen als enkelingen gegeven, maar zij zijn opgenomen in de gemeenschap van de priesterschap, die met de bisschop verbonden is." Lumen Gentium, 28[[617|28]] vgl: Presbyterorum Ordinis, 7-8[[[704|7-8]]] Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (34)[[2521|(34)]]
Deze sacramentele oorsprong wordt weerspiegeld en verlengd in het kader van de uitoefening van het priesterambt: van het mysterium naar het ministerium. "De eenheid van de priesters met de bisschop en onder elkaar wordt niet van buiten af toegevoegd aan de eigen natuur van hun dienst, maar is uitdrukking van het wezen daarvan, daar hij de zorg is van Christus-Priester voor het volk dat bijeengebracht is door de eenheid van de allerheiligste Drie-eenheid". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (34)[[2521|(34)]] De eenheid van de priester in de geest van herderlijke liefde maakt hen tot getuigen van Jezus Christus, die tot de Vader gebeden heeft dat "zij allen één mogen zijn" (Joh. 17, 21)[b:Joh. 17, 21].
De fysionomie van de priesterschap is dus die van een echte familie, van een broederschap waarvan de banden niet uit vlees en bloed zijn maar uit de genade van het priesterschap. Een genade die de menselijke, psychologische, affectieve, vriendschappelijke en geestelijke banden tussen de priesters opneemt en verheft. Een genade die zich uitstrekt tot de meest verschillende vormen van wederzijdse hulp, niet alleen materiële maar ook geestelijke, en daarin doordringt en zich uit en concretiseert. De priesterlijke broederlijkheid sluit niemand uit, maar mag en moet een voorkeur hebben, namelijk de evangelische voorkeur voor wie meer behoefte heeft aan hulp of bemoediging. Die broederlijkheid "bekommert zich speciaal om jonge priesters, houdt een hartelijk en broederlijke dialoog met de priesters van middelbare en oudere leeftijd en met de priesters die om verschillende redenen moeilijkheden ondervinden. Ook de priesters die deze levensvorm verlaten hebben of niet volgen, laat zij niet alleen niet in de steek maar omringt zij nog meer met broederlijke zorg". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (34)[[2521|(34)]]
De priesterreligieuzen die in een particuliere Kerk wonen en werken maken op een andere titel ook deel uit van de enige priesterschap. Hun aanwezigheid vormt een verrijking voor alle priesters en hun verschillende bijzonder charisma's, die een oproep zijn aan de priesters om te groeien in het begrijpen van het priesterschap zelf, dragen bij tot het stimuleren en begeleiden van de permanente vorming van de priesters. Wanneer de gave van het kloosterleven in het diocesane bestel vergezeld gaat van oprechte waardering en juiste eerbied voor de bijzondere kenmerken van ieder instituut en van ieder spiritualiteit, verbreedt zij de horizon van het christelijk getuigenis en draagt zij op verschillende wijze bij tot de verrijking van de priesterlijke spiritualiteit, vooral met betrekking tot de goede verhouding en de wederkerige invloed tussen de waarden van de particuliere Kerk en de waarden van de algemeenheid van het volk Gods. Hunnerzijds zullen de religieuzen ervoor zorgen een geest van echte kerkelijke gemeenschap te waarborgen alsmede een hartelijke deelname aan de weg die het bisdom gaat en aan de pastorale keuzen van de bisschop, terwijl zij gaarne hun eigen charisma ter beschikking stellen tot aller stichting in liefde. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (38)[[[2521|(38)]]] vgl: Presbyterorum Ordinis, 1[[[704|1]]] vgl: Optatam Totius Ecclesiae, 1[[[675|1]]] vgl: Mutuae relationes, (2,10)[[[1230|(2.10)]]]
In het kader van de Kerk als gemeenschap en van de priesterschap kan men tenslotte beter het hoofd bieden aan het probleem van de eenzaamheid van de priester, waarbij de Synodevaders stil gestaan hebben. Er is een eenzaamheid die deel uitmaakt van de ervaring van allen en die volstrekt normaal is. Maar er is ook een eenzaamheid die uit allerlei mogelijkheden voorkomt en op haar beurt verdere moeilijkheden oproept. Wat dit betreft "zijn de actieve deelname aan de diocesane priesterschap, de geregelde contacten met de bisschop en de andere priesters, de wederzijdse samenwerking, het gemeenschappelijke of broederlijke leven tussen de priesters, alsmede de hartelijke omgang met de leken-gelovigen die actief zijn in de parochies, zeer nuttige middelen om de negatieve gevolgen van de eenzaamheid, die de priester soms kan ondervinden, te overwinnen". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (35)[[2521|(35)]]
Maar de eenzaamheid schept niet alleen moeilijkheden. Zij biedt ook positieve kansen voor het priesterleven. "Als de eenzaamheid aanvaard wordt in een geest van offervaardigheid en gezocht wordt in de vertrouwelijkheid met de Heer Jezus Christus, kan zij een geschikte gelegenheid zijn voor gebed en studie en ook een hulp voor de heiliging en de menselijke groei". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (35)[[2521|(35)]] Zonder te vergeten dat een zekere vorm van eenzaamheid een noodzakelijke element is voor de permanente vorming. Jezus wist zich vaak alleen af te zonderen om te bidden (Mt. 14, 23)[[b:Mt. 14, 23]]. Het vermogen om een goede eenzaamheid te verdragen is een onmisbare voorwaarde voor de verzorging van het innerlijk leven. Het gaat om een eenzaamheid waarin de Heer tegenwoordig is, die ons in het licht van de Geest in contact brengt met de Vader. In dit opzicht zijn de zorg voor stilte en het zoeken van de ruimte en de tijd van de "woestijn" noodzakelijk voor de permanente vorming zowel op intellectueel als op geestelijk en pastoraal gebied. In deze zin kan men zeggen dat wie niet goed in eenzaamheid weet te leven, niet in staat is tot echte broederlijke gemeenschap.
Referenties naar alinea 74: 5
Roepingenzondag 2004 ->=geentekst=Ecclesiae de mysterio ->=geentekst=
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Aan de priesters bij het begin van het "Jaar van de priester" bij gelegenheid van de 150e "dies natalis" van Johannes Maria Vianney ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
75
Ecclesia in Africa ->=geentekst=
De permanente vorming is bestemd om in de priester het bewustzijn dat hij deelneemt aan de heilszending van de Kerk te doen groeien. In de Kerk als "zending" is de permanente vorming van de priester niet alleen een noodzakelijke voorwaarde voor de zending maar ook een onmisbaar middel om voortdurend het missionaire besef aan te wakkeren en een trouwe en edelmoedige verwerkelijking van de zending te garanderen. Door die vorming wordt de priester geholpen zich bewust te zijn van heel de ernst maar ook van de prachtige genade van een verplichting die hem niet met rust mag laten. Zoals Paulus moet hij kunnen zeggen: "Dat ik het Evangelie predik, is voor mij geen reden om te roemen: ik kan niet anders. Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig!" (1 Kor. 9, 16)[b:1 Kor. 9, 16]. Anderzijds wordt de priester door die vorming geholpen zich bewust te zijn van een expliciete of impliciete vraag welke onweerstaanbaar van de mensen komt die door God onvermoeibaar tot het heil geroepen wordt. Alleen een adequate permanente vorming slaagt erin de priester te steunen in wat wezenlijk en beslissend is voor zijn dienstwerk ofwel in de trouw zijn, ondanks de meest verschillende moeilijkheden die hij tegenkomt, ook in de lastigste omstandigheden of in een situatie van begrijpelijke vermoeidheid. Het getuigenis van Paulus moet een voorbeeld en stimulans zijn voor iedere priester: "Wij geven niemand enige aanstoot", schrijft hij aan de Christenen van Korinte, "om ons ambt niet in opspraak te brengen. In alle omstandigheden proberen wij ons te gedragen als dienaars van God door het standvastig verduren van ontberingen, nood en ellende: slagen, gevangenschap, oproer, oververmoeidheid, gebrek aan slaap, te weinig eten. Onze aanbeveling is: zuiverheid, inzicht, geduld, goedheid, een geest van heiligheid en ongeveinsde liefde, het woord van de waarheid, de kracht van God zelf. Wij strijden en verweren ons met geestelijk wapens. Eer en smaad, lof en laster zijn ons deel; wij zijn de bedriegers die de waarheid spreken, de onbekenden die iedereen kent; wij sterven maar blijven leven, wij worden getuchtigd naar niet terechtgesteld; wij treuren maar zijn altijd blij; wij zijn berooid en maken velen rijk, haveloos en de wereld is van ons" (2 Kor. 6, 3-10)[b:2 Kor. 6, 3-10].
Referenties naar alinea 75: 2
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 4 Op iedere leeftijd en in iedere levenssituatie
76
Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Juist omdat zij "blijvend" is, moet de permanente vorming de priesters altijd begeleiden, dus in iedere periode en situatie van hun leven, evenals op ieder niveau van kerkelijke verantwoordelijkheid, natuurlijk met de mogelijkheden en kenmerken die verband hebben met het verschil van leeftijd, van levenssituatie en van de toevertrouwde taken. De permanente vorming is vooral een plicht voor de jonge priesters. Zij moet plaatshebben door frequente en systematische bijeenkomsten, die de ernst en de degelijkheid van de in het seminarie ontvangen vorming voortzetten en de jonge priesters geleidelijk brengen tot het begrijpen en beleven van de bijzondere rijkdom van de "gave" van God, van het priesterschap, en tot het uitdrukken van hun vermogens en bekwaamheden voor het dienstwerk, ook door middel van een steeds meer overtuigde en verantwoordelijke inpassing in de priesterschap en dus in de gemeenschap en de medeverantwoordelijkheid van alle medebroeders. Ook al kan men een zeker gevoel van "verzadiging" begrijpen dat de jonge priester, die nauwelijks het seminarie verlaten heeft, kan bevangen tegenover nieuwe ogenblikken van studie en bijeenkomst, men moet toch het idee dat de priesterlijke vorming afgesproken wordt bij het verlaten van het seminarie, als volstrekt verkeerd en gevaarlijk afwijzen. Als de jonge priester deelnemen aan de bijeenkomsten voor de permanente vorming kunnen zij elkaar helpen door de uitwisseling van ervaringen en van overwegingen over de concrete vertaling van het ideaal van het priesterschap en het dienstwerk dat zij in de seminariejaren eigen gemaakt hebben. Tevens zal hun actieve deelname aan de vormingsbijeenkomsten van de priesterschap een voorbeeld en een stimulans zijn voor de andere priesters die ouder zijn, terwijl zij zo getuigen van hun liefde voor heel het priestercollege en van hun enthousiasme voor de particuliere Kerk, die goed opgeleide priesters nodig heeft. Om de jonge priesters in de eerste delicate fase van hun priesterlijk leven en dienstwerk te begeleiden is het nu zeer nuttig, zo niet noodzakelijk, een speciale structuur van ondersteuning te scheppen, met eigen leiders en leraren, waarin zij op georganiseerde wijze de noodzakelijke hulp kunnen vinden om hun priesterlijke hulp kunnen vinden om hun priesterlijke dienst goed te beginnen. Bij gelegenheid van periodieke bijeenkomsten, die voldoende lang en frequent zijn en zo mogelijk plaatsvinden in een omgeving waar zij gemeenschappelijk verblijven, zullen hun kostbare ogenblikken van rust, gebed, overweging en broederlijke uitwisseling gewaarborgd worden. Zo zal het van het begin af gemakkelijker voor hen zijn een evangelisch evenwichtige opzet te geven aan hun priesterleven. En als de afzonderlijke particuliere kerken deze dienst niet aan hun jonge priesters kunnen bieden, zal het goed zijn dat dicht bij elkaar gelegen kerken zich verenigen en samen hulpmiddelen aanwenden en geschikte programma's uitwerken.
Referenties naar alinea 76: 2
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
77
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Ecclesia in Africa ->=geentekst=
De permanente vorming is ook een plicht voor de priesters van middelbare leeftijd. De gevaren die zij kunnen lopen zijn talrijk, juist vanwege hun leeftijd, zoals bij voorbeeld een overdreven activisme en een zekere routine in de uitoefening van hun ambt. Zo staat de priester bloot aan de verleiding van zelfgenoegzaamheid, alsof zijn reeds beproefde persoonlijke ervaring geen enkel vergelijk meer nodig heeft. Vaak leidt de volwassen priester aan een soort innerlijke en gevaarlijke vermoeidheid, die teken is van een gelaten ontgoocheling tegenover de moeilijkheden en mislukkingen. Het antwoord op die situatie wordt gegeven door de permanente vorming, door zichzelf en zijn handelen voortdurend op evenwichtige wijze te herzien, door onophoudelijk motiveringen en middelen te zoeken voor de eigen zending. Zo zal de priester de geest waakzaam houden en bereid om de aanhoudende en toch steeds nieuwe aanspraken op heil in te willigen die eenieder doet gelden bij de priester als de "man van God". Ook de priesters die vanwege hun gevorderde leeftijd bejaard genoemd worden en in sommige kerken het talrijkste deel van de priesterschap vormen, moeten interesse hebben voor de permanente vorming. De priesterschap moet hun dankbaar zijn voor hun trouwe dienst aan Christus en aan de Kerk en concrete solidariteit met hun studie tonen. De permanente vorming zal voor deze priesters niet zozeer verplichtingen van studie, aggiornamento en culturele discussie meebrengen, maar meer serene en bemoedigende bevestiging van de taak tot de vervulling waarvan zij nog geroepen zijn in het priestercollege, niet alleen voor de voortzetting van het pastorale dienstwerk, zij het in andere vormen, maar ook voor de mogelijkheid die zij dank zij hun ervaring in het leven en in het apostolaat hebben om zelf waardevolle meesters en vormers van andere priesters te worden. Ook de priesters die door de inspanningen of door ziekte fysieke verzwakt of moreel vermoeid zijn, kunnen geholpen worden door een permanente vorming die hen aanspoort om op rustige en krachtige wijze hun dienst aan de Kerk te vervolgen, om zich niet van de gemeenschap en de priesterschap te isoleren, om de uiterlijke activiteit te verminderen en zich te wijden aan de activiteiten van pastorale relatie en persoonlijke spiritualiteit die de motieven en de vreugden van hun priesterschap kunnen steunen. De permanente vorming zal hen speciaal om de overtuiging levendig te houden welke zij aan de gelovigen gegeven hebben, namelijk de overtuiging actieve leden te blijven in de opbouw van de Kerk ook en juist vanwege hun vereniging met de lijdende Christus en met vele andere broeders en zusters die in de Kerk deelnemen aan het lijden van de Heer, terwijl zij zo opnieuw de geestelijke ervaring beleven die gezegd heeft: "Ik verheug mij dat ik voor u mag lijden en in mijn lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van zijn lichaam, dat is de Kerk" (Kol. 1, 24)[b:Kol. 1, 24]. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (36)[[[2521|(36)]]]
Referenties naar alinea 77: 3
Vita Consecrata ->=geentekst=Sacramentum Caritatis ->=geentekst=
Ecclesia in Africa ->=geentekst=
Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 5 De verantwoordelijken voor de permanente vorming
78
De omstandigheden waarin het dienstwerk van de priesters in deze tijd vaak en op meerdere plaatsen verricht wordt, maken een serieuze inzet voor de vorming niet gemakkelijk. De vermenigvuldiging van de taken en diensten, de ingewikkeldheid van het menselijk leven in het algemeen en van het leven van de christelijke gemeenschap in het bijzonder, het activisme en de typische stress op vele gebieden van onze maatschappij beroven de priesters dikwijls van de tijd en de energie die onmisbaar zijn om "zorg te besteden aan zichzelf" (1 Tim. 4, 16)[[b:1 Tim. 4, 16]]. Dit moet de verantwoordelijkheid vermeerderen van allen om de moeilijkheden te overwinnen en er zelfs een uitdaging van te maken voor de uitwerking en de verwerkelijking van een permanente vorming die een passend antwoord is op de grootheid van de gave van God en op de ernst van de vragen en eisen van onze tijd. De verantwoordelijkheden voor de permanente vorming van de priesters moeten nogmaals gezocht worden in de Kerk als "gemeenschap". Het is de gehele particuliere Kerk die onder leiding van de bisschop bekleed wordt met de verantwoordelijkheid om op verschillende wijzen de permanente vorming van de priesters te stimuleren en te verzorgen. Omdat de priesters er niet voor zichzelf zijn maar voor het volk Gods, wordt de permanente vorming, terwijl zij de menselijke, geestelijke, intellectuele en pastorale rijpheid van de priesters verzekert, een weldaad die bestemd is voor het volk van God. De uitoefening zelf van het pastorale dienstwerk voert trouwens tot een voortdurende en vruchtbare wederzijdse uitwisseling tussen het geloofsleven van de priesters en dat van de gelovigen. Juist de samenleving tussen de priester en de gemeenschap vormt, als zij op verstandige wijze geleid en benut wordt, een fundamentele bijdrage tot de permanente vorming, die overigens niet gereduceerd kan worden tot één of ander op zichzelf staand of geïsoleerd initiatief, maar uitgestrekt moet worden tot heel het dienstwerk en het leven van de priesters en deze moet vergezellen. De christelijke ervaring van de eenvoudige en nederige mensen, het geestelijk elan van hen die God liefhebben, de moedige toepassing van het geloof op het leven door de Christenen die betrokken zijn in de verschillende maatschappelijke en burgerlijke verantwoordelijkheden worden door de priester in zich opgenomen. Terwijl hij er door zijn priesterlijke dienst licht op werpt, put hij er een kostbaar geestelijk voedsel uit. Ook de twijfels, de crisissen en de aarzelingen in de meest verschillende persoonlijke en maatschappelijke situaties, de bekoringen van weigering of van wanhoop op ogenblikken van smart, ziekte of dood, kortom de moeilijke omstandigheden die de mensen op de weg van het geloof ontmoeten, worden op broederlijke wijze beleefd en oprecht geleden in het hart van de priester, die bij het zoeken van antwoorden voor anderen voortdurend gestimuleerd wordt om ze vooral voor zichzelf te vinden. Zo kan en moet heel het volk Gods in al zijn leden een kostbare hulp bieden aan de permanente vorming van zijn priesters. Het moet aan de priesters de tijd laten om te studeren en te bidden en hun niets anders vragen dan dat waarvoor zij door Christus gezonden zijn. Het moet medewerking verlenen op de verschillende gebieden van de herderlijke zending, vooral op die gebieden welke verband houden met de verheffing van de mens en de dienst van de liefde, hartelijke en broederlijke betrekkingen met hen onderhouden en het hun gemakkelijker maken te beseffen dat zij geen "heer en meester van het geloof" zijn, maar mensen die "bijdragen tot de vreugde" van alle gelovigen (2 Kor. 1, 2)[[b:2 Kor. 1, 2]]. De verantwoordelijkheid van de particuliere Kerk voor de vorming van de priesters wordt geconcretiseerd en gespecificeerd met betrekking tot de verschillende leden van die Kerk, te beginnen met de priester zelf.
Referenties naar alinea 78: 1
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
79
De afzonderlijke priester is in zekere zin zelf het eerst in de Kerk verantwoordelijk voor de permanente vorming. Op iedere priester rust immers de plicht, die geworteld is in het Sacrament van het priesterschap, om trouw te zijn aan Gods gave en aan de dynamiek van de dagelijkse bekering die uit die gave voortvloeit. De voorschriften of de normen van de kerkelijke overheid aangaande de permanente vorming en ook het voorbeeld van de andere priesters zijn niet voldoende om die vorming aantrekkelijk te maken als de afzonderlijke priester niet persoonlijk overtuigd is van de noodzaak ervan en niet besloten de gelegenheden, tijden en vormen ervan te benutten. De permanente vorming handhaaft de "jeugdigheid" van de geest, de niemand van buiten af kan opleggen, maar die ieder voortdurend in zichzelf moet terugvinden. Alleen wie steeds het levendige verlangen bewaart om te leren en te groeien bezit die "jeugdigheid". De verantwoordelijkheid van de bisschop en van het priestercollege samen met hem is fundamenteel. De verantwoordelijkheid van de bisschop berust op het feit dat de priesters hun priesterschap door hem ontvangen en met hem de herderlijke zorg voor het volk van God delen. Hij is verantwoordelijk voor de permanente vorming welke bestemd is om al zijn priesters edelmoedig trouw te maken aan de ontvangen genade en taak, zo als het volk van God hen wil hebben en het "recht" heeft hen te hebben. Die verantwoordelijkheid brengt de bisschop ertoe in gemeenschap met de priesterschap een project te maken en een programma op te stellen welke in staat zijn vorm te geven aan de permanente vorming, niet als iets bijkomstigs maar als een systematisch aanbod dat in etappes verloopt en nauwkeurig omschreven is. De bisschop zal zijn verantwoordelijkheid uitoefenen niet alleen door aan zijn priesterschap plaats en tijd voor de permanente vorming te verzekeren, maar door zijn persoonlijke aanwezigheid en door zijn overtuigende en hartelijke deelname. Dikwijls zal het nuttig zijn en ook nodig dat de bisschoppen van meerdere bij elkaar gelegen bisdommen of van een kerkelijke regio met elkaar overeenkomen en hun krachten verenigen om meer gekwalificeerde initiatieven te bieden die werkelijk de permanente vorming stimuleren, zoals bijbelse, theologische en pastorale bijscholing, gemeenschapssessies, cyclussen van lezingen, ogenblikken van reflectie en evaluatie omtrent de pastorale weg van de priesterschap en van de kerkelijke gemeenschap. De bisschop zal zijn verantwoordelijkheid ook vervullen door de bijdrage te vragen die gegeven kan worden door de theologische en pastorale faculteiten en instituten, de seminaries, de organen of lichamen welke personen verenigen die betrokken zijn bij de priesterlijke vorming, priesters, religieuzen en leken gelovigen. In het kader van de particuliere Kerk is veelbetekende plaats voorbehouden aan de gezinnen. Het leven van de kerkelijke gemeenschap onder de bezieling en de leiding van de priesters staat immers concreet in betrekking met de gezinnen onder hun aspect van "huiskerken". In het bijzonder moet de rol van het gezin waaruit de priester komt vermeld worden In gemeenschap van streven met de zoon verenigd kan het gezin aan diens zending een eigen specifieke en belangrijke bijdrage leveren. Het gezin waaruit de priester komt moet het plan van de Voorzienigheid vervullen die gewild heeft dat het de wieg was voor het ontkiemen van de roeping en een onmisbare hulp voor de groei en de ontwikkeling ervan. Met absoluut respect voor de keuze van de zoon om zich aan God en aan de broeders te geven moet dat gezin steeds een getrouwe en aanmoedigende getuige van zijn zending blijven, deze steunen en delen met toewijding en eerbied.
Referenties naar alinea 79: 1
Sacramentum Caritatis ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- Artikel 6 Tijd, vorm en middelen van de permanente vorming
80
Al kan ieder ogenblik een "gunstige tijd" zijn (2 Kor. 6, 2)[[b:2 Kor. 6, 2]], waarin de heilige Geest de priesters direct brengt tot groei in het gebed, de studie en het bewustzijn van zijn pastorale verantwoordelijkheid, toch zijn er "bevoorrechte" ogenblikken, ook al zijn ze meer algemeen en van te voren vastgesteld. Het dienen vooral de bijeenkomsten van de bisschop met zijn priesterschap vermeld te worden, zowel de liturgische (in het bijzonder de concelebratie van de Chrismamis op Witte Donderdag) als de pastorale en culturele met het oog op de uitwisseling over de pastorale activiteit of de studie van bepaalde theologische problemen.
Verder zijn er de bijeenkomsten van priesterlijke spiritualiteit, zoals de retraites, de recollecties en spiritualiteitbijeenkomsten, enz. Het zijn gelegenheden voor geestelijke en pastorale groei, voor langer en rustiger gebed, voor terugkeer naar de wortels van het priesterzijn, voor het terugvinden van de frisheid van de motieven voor de trouw en de pastorale geestdrift.
Ook de bijeenkomsten voor gezamenlijke studie en overweging zijn belangrijk. Zij voorkomen de culturele verarming en het blijven steken in gemakzucht ook op pastoraal gebied als gevolg van geestelijke luiheid. Zij verzekeren een rijpere synthese van de verschillende elementen van het geestelijk, culturele apostolische leven. Zij openen de geest en het hart voor de nieuwe uitdagingen van de geschiedenis en voor de nieuwe oproepen die de Geest tot de Kerk richt.
Verder zijn er de bijeenkomsten van priesterlijke spiritualiteit, zoals de retraites, de recollecties en spiritualiteitbijeenkomsten, enz. Het zijn gelegenheden voor geestelijke en pastorale groei, voor langer en rustiger gebed, voor terugkeer naar de wortels van het priesterzijn, voor het terugvinden van de frisheid van de motieven voor de trouw en de pastorale geestdrift.
Ook de bijeenkomsten voor gezamenlijke studie en overweging zijn belangrijk. Zij voorkomen de culturele verarming en het blijven steken in gemakzucht ook op pastoraal gebied als gevolg van geestelijke luiheid. Zij verzekeren een rijpere synthese van de verschillende elementen van het geestelijk, culturele apostolische leven. Zij openen de geest en het hart voor de nieuwe uitdagingen van de geschiedenis en voor de nieuwe oproepen die de Geest tot de Kerk richt.
Referenties naar alinea 80: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media
81
Er zijn talrijke hulpmiddelen waarvan men zich kan bedienen om de permanente vorming steeds meer tot een kostbare vitale ervaring te maken voor de priester. Hieronder vermelden wij de diverse vormen van gemeenschapsleven tussen de priesters, die er altijd in de geschiedenis van de Kerk geweest zijn, zij het met verschillende modaliteit en intensiteit. "Tegenwoordig kan men niet anders dan deze van harte aanbevelen, vooral tussen hen die op eenzelfde plaats leven of pastoraal werkzaam zijn. dit gemeenschappelijk leven van de geestelijkheid biedt, naast voordelen voor het pastoraal leven en de pastorale activiteit, aan allen, medepriesters en leken, een lichtend voorbeeld van liefde en eenheid". Instrumentum Laboris Achtste gewone algemene vergadering - ”De vorming van de priesters in de huidige omstandigheden”, (60)[[2572|(60)]] vgl: Christus Dominus, 30[[[646|30]]] vgl: Presbyterorum Ordinis, 8[[[704|8]]] vgl: .2[[[30|550]]] Verder kan hulp geboden worden door de associaties van priesters, in het bijzonder door de seculiere priesterinstituten die als specifiek kenmerk hebben dat zij diocesaan zijn, waardoor de priesters nauwer met de bisschop verbonden zijn en een staat van godgewijd leven vormen waarin zij "door middel van geloften of andere gewijde banden zich verbonden hebben om in hun leven gestalte te geven aan de evangelische raden". Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (37)[[2521|(37)]] Alle vormen van "priesterlijke broederschap" die door de Kerk zijn goedgekeurd, zijn niet alleen nuttig voor het geestelijke maar ook voor het apostolische en pastorale leven. Ook de praktijk van de geestelijke leiding draagt veel bij tot de bevordering van de permanente vorming van de priesters. Het is klassiek middel, dat niets van zijn kostbare waarde verloten heeft, niet alleen voor het verzekeren van de geestelijke vorming maar ook voor het bewonderen en steunen van blijvende trouw en edelmoedigheid in de uitoefening van het priesterambt. Zoals de latere Paus Paulus VI heeft geschreven, "heeft de geestelijke leiding een schitterende functie welke onmisbaar genoemd kan worden voor de morele en geestelijke opvoeding van de jeugd die met absolute eerlijkheid de eigen levensroeping wil onderscheiden en volgen, welke deze ook is. Zij blijft altijd belangrijk en weldadig voor iedere leeftijd wanneer men aan het licht en de liefde van een vrome en prudente raad verificatie van zijn rechtschapenheid vraagt en bemoediging voor de edelmoedige vervulling van zijn plichten. Het is een zeer delicaat pedagogisch en psychologische kunst van zware verantwoordelijkheid in wie haar beoefent. Het is een geestelijke oefening van nederigheid en vertrouwen in wie haar ontvangt". Pastorale brief: Over de betekenis van de moraal[[2859]]
Referenties naar alinea 81: 0
Geen referenties naar deze alineaExtra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social media- HOOFDSTUK 7 Besluit
82
"Ik zal u herders geven naar mijn hart" (Jer. 3, 15)[b:Jer. 3, 15]. Nu nog leeft en werkt deze belofte in de Kerk, die zich te allen tijde gelukkig voelt met deze profetische woorden welke voor haar bedoeld zijn. Zij ziet de dagelijkse vervulling ervan in vele delen van de wereld, beter in vele mensenharten, vooral in de harten van jongeren. En zij heeft het verlangen dat op de drempel van het derde millennium, gezien de ernstige en dringende noden van de Kerk en van de wereld, deze goddelijke belofte op nieuwe, ruimere, meer intense en doeltreffende wijze vervuld zal worden: als het ware een buitengewone uitstorting van de Pinkstergeest. De belofte van de Heer werkt in het hart van de Kerk het gebed, de vertrouwvolle en in de liefde van de Vader vurige smeekbeden dat Hij, zoals Hij Jezus, de goede Herder, de apostelen en hun opvolgers, een ontelbare schare priesters, gezonden heeft, zijn trouw en goedheid blijft betuigen aan de mensen van deze tijd.
En de Kerk is bereid op deze genade te antwoorden. Zij voelt dat de gave van God een algemeen en edelmoedige antwoord eist. Heel het volk Gods moet onvermoeibaar bidden en weken voor de priesterroepingen. De kandidaten voor het priesterschap moeten zich met grote ernst voorbereiden om Gods genade te ontvangen en daaruit te leven, in het bewustzijn dat de Kerk en de wereld hen absoluut nodig hebben. Zij moeten Christus, de goede Herder, gaan liefhebben, hun hart naar zijn hart vormen, bereid zijn om als beeld van de Heer uit te trekken over de wegen van de wereld om aan allen Christus te verkondigen, de Weg, de Waarheid en het Leven.
Ik richt een bijzonder oproep tot de gezinnen: mogen de ouders en speciaal de moeders edelmoedig hun zonen die tot het priesterschap geroepen worden aan de Heer afstaan en vol vreugde meewerken aan de weg van hun roeping, wetend dat zij op deze wijze hun christelijke en kerkelijke vruchtbaarheid groter en dieper maken en in zekere zin de zaligspreking van Maria, de Moedermaagd, kunnen ervaren: "Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot" (Lc. 1, 42)[b:Lc. 1, 42].
Tot de jongeren van nu zeg ik: weest gehoorzamer aan de stem van de Geest, laat in de grond van uw hart de grote verwachtingen van de Kerk en van de mensheid weerklinken, vreest niet uw Geest te openen voor de roepstem van Christus, de Heer, voelt de blik vol liefde van Jezus op u gericht en antwoordt met enthousiasme op zijn voorstel om Hem op radicale wijze te volgen.
De Kerk antwoordt op de genade door de verplichting die de priesters op zich nemen om de permanente vorming te verwerkelijken, die gevraagd wordt door de waardigheid en de verantwoordelijkheid welke hun door het sacrament van het priesterschap verleend zijn. Alle priesters zijn geroepen de uitzonderlijke noodzaak van hun vorming in deze tijd te zien. De nieuwe evangelisatie heeft nieuwe evangelisatoren nodig. Dat zijn de priesters die zich inspannen om hun priesterschap te beleven als een specifieke weg naar de heiligheid.
God belooft niet onverschillig welke herders aan zijn Kerk, maar herders "naar zijn hart". Het "hart" van God heeft zich volledig aan ons geopenbaard in het hart van Christus, de goede Herder. En het hart van Christus blijft ook nu medelijden hebben met de menigten en hun het brood van de waarheid, de liefde en het leven geven (Mc. 6, 30 vv.)[b:Mc. 6, 30 vv.]. En het vraagt in andere harten te kloppen, in de harten van de priesters: "Geeft gij hun maar te eten" (Mc. 6, 37)[b:Mc. 6, 37]. De mensen hebben behoefte om uit de anonimiteit en de angst te geraken, om gekend en bij hun naam genoemd te worden, om veilig over de levenspaden te gaan, om teruggevonden te worden als zij verdwaald zijn, om bemind te worden, om het heil te ontvangen als hoogste gave van Gods liefde. Dat is juist wat Jezus, de goede Herder, doet. En de priesters doen het met Hem.
Aan het eind van deze exhortatie richt ik nu mijn blik op de schare kandidaten voor het priesterschap, seminaristen en priesters die dagelijks in alle delen van de wereld hun leven aanbieden voor de groei van het geloof, de hoop en de liefde in de harten en de geschiedenis van de mannen en vrouwen van onze tijd, ook in de moeilijkste en soms dramatische omstandigheden en steeds met de vreugdevolle inspanning voor trouw aan de Heer en voor de onvermoeibare dienst aan zijn kudde.
U doet het dierbare broeders, omdat de Heer zelf u door de kracht van zijn Geest geroepen heeft om in de lemen vaten van uw eenvoudig leven de onmetelijke schat van zijn liefde als goede Herder tegenwoordig te stellen.
Samen met de Synodevaders en in naam van alle bisschoppen van de wereld en van de gehele kerkgemeenschap druk ik heel dankbaarheid uit die uw trouw en uw dienst verdienen. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (40)[[[2521|(40)]]]
En twijfel ik u allen de genade toewens om ieder dag de gave van God die u door de handoplegging ontvangen hebt (2 Tim. 1, 16)[[b:2 Tim. 1, 16]], te hernieuwen, om de troost te voelen van de diepe vriendschap die u met Jezus en onder elkaar verbindt, om de vreugde te ervaren van de groei van de kudde van God naar een steeds grotere liefde voor Hem en voor iedere mens, om de geruststellende overtuiging te koesteren dat Hij die dit goede werk in u begonnen is het zal voltooien tegen de dag van Jezus Christus (Fil. 1, 6)[[b:Fil. 1, 6]], richt ik mij met u allen en met ieder van u in gebed tot Maria, moeder en opvoedster van ons priesterschap.
Ieder aspect van de priesterlijke vorming kan toegeschreven worden aan Maria als aan de menselijke persoon die beter dan wie ook aan de roeping door God beantwoord heeft; die dienstmaagd en leerlinge van het woord is geworden tot aan het in haar hart en in haar vlees ontvangen van het Woord dat mens is geworden, om Hem aan de mensheid te geven; die geroepen is om de enige en eeuwige hogepriester op te voeden, die gehoorzaam en onderdanig is geworden aan haar moederlijk gezag. Met haar voorbeeld en haar voorspraak blijft de allerheiligste Maagd waken over de ontwikkeling van de roepingen en van het priesterleven in de Kerk.
Daarom zijn wij, priesters, geroepen om te groeien in een solide en tedere verering voor de Maagd Maria en deze te tonen door de navolging van haar deugden en door voortdurend gebed.
Maria,
Moeder van Jezus Christus en Moeder van de priesters,
aanvaard deze titel die wij u geven
om uw moederschap te vieren
en dicht bij u het priesterschap van uw Zoon en van uw zonen te beschouwen,
Heilige Moeder van God.
Moeder van Christus,
u hebt de Mensenzoon, die de vervulling is van de beloften van de Vader,
vergezeld naar de tempel,
geef de priesters van uw Zoon aan de Vader, tot zijn eer,
Ark van verbond.
Moeder van de Kerk,
u hebt temidden van de leerlingen in het cenakel de Geest gebeden
voor het nieuwe volk en zijn herders,
verkrijg voor de priesterschap
de volheid der gaven,
koningin van de apostelen.
Moeder van Jezus Christus,
u was bij Hem aan het begin van Zijn leven
en van Zijn zending,
Hem, de Heer, hebt gij in mensenmassa gezocht
u hebt Hem bijgestaan, van de aarde opgeheven,
verteerd voor het enige eeuwige offer,
en u had Johannes bij u, uw zoon,
bescherm de groei van uw zonen,
begeleid hen in hun leven en ambt,
Moeder van de priesters.
Amen!
En de Kerk is bereid op deze genade te antwoorden. Zij voelt dat de gave van God een algemeen en edelmoedige antwoord eist. Heel het volk Gods moet onvermoeibaar bidden en weken voor de priesterroepingen. De kandidaten voor het priesterschap moeten zich met grote ernst voorbereiden om Gods genade te ontvangen en daaruit te leven, in het bewustzijn dat de Kerk en de wereld hen absoluut nodig hebben. Zij moeten Christus, de goede Herder, gaan liefhebben, hun hart naar zijn hart vormen, bereid zijn om als beeld van de Heer uit te trekken over de wegen van de wereld om aan allen Christus te verkondigen, de Weg, de Waarheid en het Leven.
Ik richt een bijzonder oproep tot de gezinnen: mogen de ouders en speciaal de moeders edelmoedig hun zonen die tot het priesterschap geroepen worden aan de Heer afstaan en vol vreugde meewerken aan de weg van hun roeping, wetend dat zij op deze wijze hun christelijke en kerkelijke vruchtbaarheid groter en dieper maken en in zekere zin de zaligspreking van Maria, de Moedermaagd, kunnen ervaren: "Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot" (Lc. 1, 42)[b:Lc. 1, 42].
Tot de jongeren van nu zeg ik: weest gehoorzamer aan de stem van de Geest, laat in de grond van uw hart de grote verwachtingen van de Kerk en van de mensheid weerklinken, vreest niet uw Geest te openen voor de roepstem van Christus, de Heer, voelt de blik vol liefde van Jezus op u gericht en antwoordt met enthousiasme op zijn voorstel om Hem op radicale wijze te volgen.
De Kerk antwoordt op de genade door de verplichting die de priesters op zich nemen om de permanente vorming te verwerkelijken, die gevraagd wordt door de waardigheid en de verantwoordelijkheid welke hun door het sacrament van het priesterschap verleend zijn. Alle priesters zijn geroepen de uitzonderlijke noodzaak van hun vorming in deze tijd te zien. De nieuwe evangelisatie heeft nieuwe evangelisatoren nodig. Dat zijn de priesters die zich inspannen om hun priesterschap te beleven als een specifieke weg naar de heiligheid.
God belooft niet onverschillig welke herders aan zijn Kerk, maar herders "naar zijn hart". Het "hart" van God heeft zich volledig aan ons geopenbaard in het hart van Christus, de goede Herder. En het hart van Christus blijft ook nu medelijden hebben met de menigten en hun het brood van de waarheid, de liefde en het leven geven (Mc. 6, 30 vv.)[b:Mc. 6, 30 vv.]. En het vraagt in andere harten te kloppen, in de harten van de priesters: "Geeft gij hun maar te eten" (Mc. 6, 37)[b:Mc. 6, 37]. De mensen hebben behoefte om uit de anonimiteit en de angst te geraken, om gekend en bij hun naam genoemd te worden, om veilig over de levenspaden te gaan, om teruggevonden te worden als zij verdwaald zijn, om bemind te worden, om het heil te ontvangen als hoogste gave van Gods liefde. Dat is juist wat Jezus, de goede Herder, doet. En de priesters doen het met Hem.
Aan het eind van deze exhortatie richt ik nu mijn blik op de schare kandidaten voor het priesterschap, seminaristen en priesters die dagelijks in alle delen van de wereld hun leven aanbieden voor de groei van het geloof, de hoop en de liefde in de harten en de geschiedenis van de mannen en vrouwen van onze tijd, ook in de moeilijkste en soms dramatische omstandigheden en steeds met de vreugdevolle inspanning voor trouw aan de Heer en voor de onvermoeibare dienst aan zijn kudde.
U doet het dierbare broeders, omdat de Heer zelf u door de kracht van zijn Geest geroepen heeft om in de lemen vaten van uw eenvoudig leven de onmetelijke schat van zijn liefde als goede Herder tegenwoordig te stellen.
Samen met de Synodevaders en in naam van alle bisschoppen van de wereld en van de gehele kerkgemeenschap druk ik heel dankbaarheid uit die uw trouw en uw dienst verdienen. vgl: Propositiones t.b.v. de 8e Bisschoppensynode over de vorming van priesters, (40)[[[2521|(40)]]]
En twijfel ik u allen de genade toewens om ieder dag de gave van God die u door de handoplegging ontvangen hebt (2 Tim. 1, 16)[[b:2 Tim. 1, 16]], te hernieuwen, om de troost te voelen van de diepe vriendschap die u met Jezus en onder elkaar verbindt, om de vreugde te ervaren van de groei van de kudde van God naar een steeds grotere liefde voor Hem en voor iedere mens, om de geruststellende overtuiging te koesteren dat Hij die dit goede werk in u begonnen is het zal voltooien tegen de dag van Jezus Christus (Fil. 1, 6)[[b:Fil. 1, 6]], richt ik mij met u allen en met ieder van u in gebed tot Maria, moeder en opvoedster van ons priesterschap.
Ieder aspect van de priesterlijke vorming kan toegeschreven worden aan Maria als aan de menselijke persoon die beter dan wie ook aan de roeping door God beantwoord heeft; die dienstmaagd en leerlinge van het woord is geworden tot aan het in haar hart en in haar vlees ontvangen van het Woord dat mens is geworden, om Hem aan de mensheid te geven; die geroepen is om de enige en eeuwige hogepriester op te voeden, die gehoorzaam en onderdanig is geworden aan haar moederlijk gezag. Met haar voorbeeld en haar voorspraak blijft de allerheiligste Maagd waken over de ontwikkeling van de roepingen en van het priesterleven in de Kerk.
Daarom zijn wij, priesters, geroepen om te groeien in een solide en tedere verering voor de Maagd Maria en deze te tonen door de navolging van haar deugden en door voortdurend gebed.
Maria,
Moeder van Jezus Christus en Moeder van de priesters,
aanvaard deze titel die wij u geven
om uw moederschap te vieren
en dicht bij u het priesterschap van uw Zoon en van uw zonen te beschouwen,
Heilige Moeder van God.
Moeder van Christus,
u hebt de Mensenzoon, die de vervulling is van de beloften van de Vader,
vergezeld naar de tempel,
geef de priesters van uw Zoon aan de Vader, tot zijn eer,
Ark van verbond.
Moeder van de Kerk,
u hebt temidden van de leerlingen in het cenakel de Geest gebeden
voor het nieuwe volk en zijn herders,
verkrijg voor de priesterschap
de volheid der gaven,
koningin van de apostelen.
Moeder van Jezus Christus,
u was bij Hem aan het begin van Zijn leven
en van Zijn zending,
Hem, de Heer, hebt gij in mensenmassa gezocht
u hebt Hem bijgestaan, van de aarde opgeheven,
verteerd voor het enige eeuwige offer,
en u had Johannes bij u, uw zoon,
bescherm de groei van uw zonen,
begeleid hen in hun leven en ambt,
Moeder van de priesters.
Amen!
Gegeven te Rome, bij Sint Pieter
Op 25 maart, het Feest van de Maria Boodschap in jaar 1992,
het veertiende jaar van mijn Pontificaat
Paus Johannes Paulus II
Referenties naar alinea 82: 1
Boodschap bij gelegenheid van het eeuwfeest van de toewijding van het mensdom aan het Allerheiligst Hart van Jezus ->=geentekst=Extra opties voor deze alinea
Kopieer alinea-URL naar klembord Reageer op deze alinea Deel op social mediaReferenties naar dit document: 20
Open uitgebreid overzichthttps://rkdocumenten.nl/toondocument/724-pastores-dabo-vobis-nl