Steeds opnieuw raakt mij ook het bijna terloops gesproken woord van de evangelist, dat er in de herberg geen plaats voor hen was. Onvermijdelijk rijst de vraag, hoe zou het zijn, als Maria en Jozef bij mij zouden aankloppen? Zou er dan plaats voor hen zijn? En dan komt mij voor de geest, dat de evangelist Johannes deze bijna toevallig lijkende opmerking over het ontbreken van een plaats in de herberg, waardoor de heilige familie een toevlucht moest zoeken in de stal, fundamenteel verdiept en schreef: “Hij kwam in zijn eigendom en de zijnen namen Hem niet op” . De grote morele vraag, hoe staat het bij ons met de daklozen, de vluchtelingen, de mensen onderweg, wordt zo nog fundamenteler: is er bij ons eigenlijk plaats voor God als Hij probeert bij ons binnen te komen? Hebben wij tijd en ruimte voor Hem? Wordt niet nou juist God zelf door ons afgewezen? Het begint er mee dat we geen tijd voor God hebben. Hoe sneller we ons kunnen verplaatsen, hoe meer tijd onze apparaten besparen, des te minder tijd hebben we. En God? De vraag naar Hem schijnt nooit dringend te zijn. Onze tijd is al gevuld. Maar dingen gaan nog dieper. Is er voor God eigenlijk wel plaats in ons denken? De methoden van ons denken zijn zo ontworpen, dat Hij er eigenlijk niet mag zijn. Ook als Hij lijkt aan te kloppen aan de deur van ons denken, moet Hij weg-verklaard worden. Het denken moet, om voor vol te worden aangezien, zo zijn, dat de “hypothese God” overbodig wordt. Er is geen plaats voor Hem. Ook in ons voelen en willen is er geen plaats voor Hem. Wij willen ons zelf. Wij willen het tastbare, het te verstane geluk, het resultaat van onze eigen plannen en voornemens. Wij zijn zo vol van ons zelf, dat er geen ruimte overblijft voor God. En daarom blijft er ook geen ruimte over voor de ander, voor de kinderen, voor de armen en vreemdelingen. Uit het eenvoudige woord over het gebrek aan plaats in de herberg kunnen we opmaken, hoe nodig de oproep van de heilige apostel Paulus is: “Laat jullie omvormen en jullie denken vernieuwen” . Paulus spreekt van vernieuwing, van het opbreken van ons verstand (
nous), van de gehele manier, waarop wij de wereld en ons zelf beschouwen. Die bekering, die we zo van node hebben, moet werkelijk reiken tot in het diepste van onze verhouding tot de werkelijkheid. Vragen we de Heer, dat we wakker worden voor zijn tegenwoordigheid. Dat wij horen, hoe Hij stilletjes maar toch dringend aanklopt aan de deur van ons zijn en ons willen. Vragen we Hem, dat er in ons ruimte voor Hem zal komen. En dat wij Hem leren herkennen ook in diegenen door wie Hij ons aanspreekt: in de kinderen, in hen die lijden en verlaten zijn, in de uitgestotenen en in de armen van deze wereld.