• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Het nuchterblijven voor de Eucharistie en de Mis ná de middag

Commentaar op het Motu Proprio ,Sacram Communionem" 

Het Motu Proprio ''Paus Pius XII - Motu Proprio
Sacram Communionem
Uitbreiding van de Indulten door de Apostolische Constitutie Christus Dominus verleend
(19 maart 1957)
" van 19 maart 1957 is een belangrijke uitbreiding en verbetering van de Apostolische Constitutie "Paus Pius XII - Apostolische Constitutie
Christus Dominus
Over het nuchterblijven voor de Eucharistie
(6 januari 1953)
" van 6 januari 1953. Wat het nuchterblijven voor de Eucharistie betreft, moest een vereenvoudiging van de wet van 1953 komen, want deze was te ingewikkeld en daarom in de praktijk zeer moeilijk toe te passen. Het is een verheugend verschijnsel, dat de wet van 1957 zo geformuleerd is, dat het eenvoudige volk haar kan begrijpen en onthouden. Om waardig te communiceren wordt een goede gesteltenis vereist niet alleen naar ziel maar ook naar lichaam, want de mens is immers een eenheid van ziel en lichaam. Omdat de H. Eucharistie een maaltijd is, is het een eis der natuur en dientengevolge een uiting van beschaving en cultuur, dat men niet reeds verzadigd aan tafel gaat aanzitten. Vanaf de oudste tijden van het Christendom heeft men dit zo aangevoeld, want men beschouwde de H. Eucharistie inderdaad als een maaltijd in de volle zin van het woord. Reeds ten tijde der Apostelen (zie S. Paulus) kwam men, geleerd door de ervaring, tot een scheiding tussen profane maaltijd en Eucharistie als geestelijke maaltijd. Vanwege het geestelijk karakter van het eucharistisch gastmaal bestond vanzelfsprekend het gevaar, dat het gros der gelovigen de beschavingswet van het nuchter zijn voor het communiceren niet zou aanvoelen; daarom moest zij in de Catechese worden opgenomen, omschreven en uitgelegd. Omdat in de oudste tijden reeds de Eucharistie-viering in de morgenuren plaats vond, ontstond vanzelf het gebruik tussen opstaan en communiceren nuchter te blijven. Het oude gebruik der vastendagen is een sprekend bewijs van fijn menselijk aanvoelen in deze kwestie: Omdat vasten een volledige onthouding is van spijs en drank gedurende een bepaald tijdsbestek, kon vasten en communiceren niet samengaan. Vandaar geen Communie gedurende het strenge Paasvasten op Goede Vrijdag en Paaszaterdag; vandaar op gewone vastendagen, waarop de onthouding van spijs en drank 's middags om drie uur ophield, Eucharistie-viering niet 's morgens maar 's middags na drie uur vóór de maaltijd. 

Met verloop van tijd werden de gebruiken gecodificeerd. Aldus ontstonden eenvoudige wetten aangaande het nuchterzijn voor de Communie. Tenslotte, toen de klok het menselijk leven ging beheersen, verscheen de wet van het nuchterzijn vanaf het middernachtelijk uur. Veranderen de levensomstandigheden, dan moet ook de wetgeving aangepast worden, anders wordt de letter van de wet een tyran en komt men tot phariseïsme. De Communie-decreten van de heilige paus Pius X hebben in onze eeuw een grote omkeer teweeg gebracht in de christelijke praktijken. Vóór Pius X was de wet van het nuchterzijn, zoals wij deze uit de Catechismus vóór 1953 kenden, geen probleem, want het gelovige volk naderde slechts zelden tot de Tafel des Heren. Onmiddellijk na Pius X ontstonden de conflicten tussen veelvuldige Communie en nuchterzijn. De moeilijkheden werden aanvankelijk opgelost door allerhande uitzonderingsbepalingen zowel van universeel als particulier of lokaal karakter. Na jaren ervaring werd de toestand onhoudbaar in de zielzorg: slechts juristen en moralisten waren wegwijs in het kreupelbos van wetten en uitzonderingen. 

In 1953 ontvingen wij de eerste radicale hervorming. Niemand kan ontkennen, dat deze wet een weldadige doorbraak is geweest. Toch bleek reeds spoedig, dat de nieuwe regeling wel een goedbedoeld pogen was, maar tevens leed aan ernstige gebreken. Vooreerst leerde de ervaring al spoedig, dat de regeling voor de praktische zielzorg te ingewikkeld was; niet alleen het eenvoudige volk maar ook de biechtvaders waren niet in staat de wet present te hebben; alle korte samenvattingen, welke men probeerde samen te stellen, waren niet in staat de vereiste helderheid te scheppen, ja, zij maakten de verwarring nog groter, omdat zij elkander tegenspraken. Vervolgens was door de nieuwe regeling niet radicaal genoeg een einde gemaakt aan een casuïstiek en wetpluizerij, welke de proporties van de redelijkheid te buiten gingen; de regeling van 1953 zelf was aanleiding tot een nieuwe uitgebreide casuïstiek vol spitsvondigheden en chemische analysen van spijzen, dranken en medicijnen; in het Congregatie voor de Geloofsleer
Commentaar op Sacram Communionem
(23 maart 1957)
vindt men er enkele voorbeelden van. Tenslotte stichtte een nieuwigheid, nl. de avondmis, de grootste verwarring; de regels voor het nuchterzijn 's morgens en 's middags waren verschillend, hetgeen niet alleen in de praktijk te ingewikkeld was maar tevens voor de nuchter redenerende mens onbegrijpelijk; telkens opnieuw immers werd de vraag gesteld, waarom mag dit of dat 's avonds wel en 's morgens niet. Dit alles tezamen genomen had ernstige gevolgen. De nieuwe wet bracht het kerkelijk gezag in diskrediet bij vele eenvoudige gelovigen. In de zielzorg ging men eigen wegen om een houvast te vinden in de gecompliceerdheid van de wet. Het nuchterzijn voor de Communie werd niet meer au sérieux genomen, want...... "ad impossibile nemo tenetur" - tot het onmogelijke is niemand verplicht. 

Het was dus hoogst noodzakelijk, dat zo spoedig mogelijk een einde werd gemaakt aan deze fatale verwarring. Eerder dan men oorspronkelijk verwacht had, kwam een herziening van de wet uit. Vanuit geheel de wereld maakten de bisschoppen hun ernstige bezwaren bekend. Onmiddellijk heeft de H. Vader gereageerd en "Paus Pius XII - Motu Proprio
Sacram Communionem
Uitbreiding van de Indulten door de Apostolische Constitutie Christus Dominus verleend
(19 maart 1957)
" - "uit eigen beweging" 19 maart 1957 de apostolische constitutie van 6 januari 1953 radicaal veranderd. Dit is opnieuw een teken van de uitzonderlijk grote bestuurstalenten van Pius XII. De wet van het nuchterzijn voor de Communie is zodanig, dat op eenvoudige wijze de goede gesteltenis naar lichaam voor de deelname aan het eucharistisch maal verzekerd is. Natuurlijk zal ook deze wet een jurisprudentie ten gevolge hebben, maar deze zal niet meer tot spitsvondigheden kunnen afglijden. Laten wij enkele voorbeelden noemen. Het aftellen van de uren begint voor de celebrerende priester vanaf het moment van de aanvang der Mis en voor de anderen vanaf het moment der Communie. Onder water valt alles, wat volgens het gewone spraakgebruik water is. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Commentaar op Sacram Communionem (23 mrt 1957), 5 Het woord "infirmi" is ruimer dan "aegroti": ieder, die zich niet goed voelt volgens het gewone spraakgebruik, kan van Paus Pius XII - Motu Proprio
Sacram Communionem
Uitbreiding van de Indulten door de Apostolische Constitutie Christus Dominus verleend
(19 maart 1957)
gebruik maken. Medicijn is alles, wat het gewone spraakgebruik medicijn noemt, ook als er alcohol in verwerkt is. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Commentaar op Sacram Communionem (23 mrt 1957), 6 Het middernachtelijk uur speelt geen rol meer in de nieuwe wet; dit is zeer gelukkig om verschillende redenen; in de Kerstnacht b.v. openbaarde zich dikwijls de nadelige gevolgen van het niet nuchter zijn, ook afgezien van uitzonderlijke excessen. 

Na de niet al te gelukkige ervaring tussen de jaren 1953 en 1957 heeft de zielzorg als bijzondere opgave de juiste waardering voor het nuchterzijn voor de Communie bij het gelovige volk te herstellen. Daarom moet op de eerste plaats de clerus- zelf opnieuw doordrongen worden van de diep-menselijke religieuze waarde dezer oeroude christelijke praktijk. De tijd van actie voor verzachting van de wet is nu voorbij; de taak van het ogenblik is aan het nuchter zijn die plaats in het eucharistisch leven weer te geven, welke het toekomt en de nieuwe wet als enig doelwit heeft. Een doorgezette actie voor volledige afschaffing zou zonder de minste twijfel gebrandmerkt moeten worden als een ernstig gemis aan religieuze beschaving. Moge dit positieve werk niet vertroebeld worden door tijdrovende en kinderachtige wetpluizerijen (wij denken b.v. aan het z.g. wetenschappelijk vastleggen van het onderscheid tussen vaste spijs en drank!). 

Wat de Mis na de middag betreft, valt ook een grote vooruitgang te constateren. Onze Moeder de H. Kerk is er zich volledig van bewust, dat in onze tijd een radicale terugkeer tot datgene, wat wezenlijk is in het christendom absoluut noodzakelijk is. Daarom streeft Zij er met alle kracht naar, dat opnieuw de eredienst als universele spiritualiteit door geheel het gelovige volk intens beleefd wordt. In de eredienst is het allesbeheersende centrum de H. Eucharistie, weer wezenlijk gezien volgens de instelling van Christus, als Offer en Maaltijd. Daarom vanaf Pius X de onophoudelijke zorg van de Kerk voor de volksmis en veelvuldige Communie. Vanzelfsprekend moet dus de Eucharistie gemakkelijk bereikbaar voor de gelovigen zijn, vooral voor hen, die de zwaarste lasten van het leven te dragen hebben. De dagorde van heden verschilt zeer van die 50 jaren terug. De morgenuren zijn voor velen niet of moeilijk beschikbaar voor kerk en eredienst. Dus de tot nu toe, gangbare Misrooster dient radicaal veranderd te worden, ook als dit ingaat tegen oeroude gebruiken. Het "Paus Pius XII - Motu Proprio
Sacram Communionem
Uitbreiding van de Indulten door de Apostolische Constitutie Christus Dominus verleend
(19 maart 1957)
heeft de Paus Pius XII - Apostolische Constitutie
Christus Dominus
Over het nuchterblijven voor de Eucharistie
(6 januari 1953)
een zeer radicale uitbreiding gegeven. Er is een begin gemaakt met de inlassing van de middag-Mis in de zielzorg van elke dag. Het zou een teken van levensvreemd conservatisme genoemd moeten worden, als men Missen na de middag tegenwoordig nog tot de abnormale gevallen zou willen blijven rekenen. Het geestelijk welzijn der gelovigen moet het leidinggevend beginsel zijn bij het bepalen der uren van de Mis. In deze moet men de gelovigen zover tegemoet komen, dat het excuus "ik had geen tijd" tot de uitzonderingen gaat behoren. 

Ook in onze tijd blijven de morgenuren voor de Misviering nog de meest geschikte tijd, zoals de ervaring uitwijst. Missen na de middag zijn slechts gerechtvaardigd, als het "bonum commune" - "algemeen welzijn" deze vereist. Deze norm is de enig juiste. Van de ene kant moet de Mis na de middag niet misbruikt worden ter opluistering van andere plechtigheden of feestelijkheden, want daartoe is zij niet toegestaan. In zijn Congregatie voor de Geloofsleer
Commentaar op Sacram Communionem
(23 maart 1957)
terecht op dit punt, want in de afgelopen vier jaar is gebleken, dat men in veel plaatsen gemakkelijk een avondmis toestond om alle mogelijke redenen van bijkomstige aard (b.v. een feest, een gedenkdag, een Mis in de Oosterse ritus) maar terughoudend en moeilijk was, wanneer "het ging over gewone zondagen. Van de andere kant is het ,,Motu Proprio' zo ruim mogelijk, waar het gaat om het ,welzijn' der gelovigen tegemoet te komen. Door Kard. Ottaviani wordt een parallel getrokken tussen het "geestelijk welzijn van een notabilis gedeelte der gelovigen" voor het geval van de Mis na de middag en dat voor het geval van het bineren Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Commentaar op Sacram Communionem (23 mrt 1957), 4; welnu bij het bineren vormen ongeveer 20 personen een "notabilis pars" volgens de juristen. Verder valt op, dat het "Paus Pius XII - Motu Proprio
Sacram Communionem
Uitbreiding van de Indulten door de Apostolische Constitutie Christus Dominus verleend
(19 maart 1957)
" spreekt over "postmeridianus" "na de middag", terwijl in de "Paus Pius XII - Apostolische Constitutie
Christus Dominus
Over het nuchterblijven voor de Eucharistie
(6 januari 1953)
van "vespertinus "in de avond" sprake was; hieruit moet men afleiden, dat de beperking "vanaf 4 uur 's middags" is komen te vervallen. Tenslotte wordt gesproken over "Missae celebratio" na de middag zonder enige uitdrukkelijke beperking tot slechts één Mis. 

Nu de Mis na de middag alle dagen toegestaan kan worden, moet de conclusie getrokken worden, dat zij zeker op zon- en feestdagen op haar plaats is; op deze dagen immers staat het "Mishoren" in het brandpunt van het "geestelijk welzijn" der gelovigen. 

Het toestaan van Missen na de middag is uitsluitend in handen van de bisschoppen gelegd. Dit betekent natuurlijk niet, dat volgens het "Paus Pius XII - Motu Proprio
Sacram Communionem
Uitbreiding van de Indulten door de Apostolische Constitutie Christus Dominus verleend
(19 maart 1957)
" een spaarzaam bescheiden terughoudend gebruik van deze Missen zou aanbevolen worden. Het tegendeel moet beweerd worden: er wordt verwacht, dat door de leidende activiteit der bisschoppen de Mis na de middag overal zal ingevoerd worden, waar het "geestelijk welzijn van een redelijk aantal gelovigen dit vereist". Deze maatregel is dus niet alleen getroffen om excessen te voorkomen maar vooral om de zielzorg zo effectief mogelijk aan onze tijdsomstandigheden aan te passen. Het spreekt vanzelf, dat het geregeld vieren van Missen na de middag een belangrijke omschakeling meebrengt in de dagtaak der parochie-geestelijkheid. 

Door de nieuwe regeling van het nuchterzijn voor de Communie heeft Wetboek
Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917)
van het Kerkelijk Wetboek, welke ook nu van kracht blijft, een veel grotere praktische waarde gekregen: "Sacra communio iis tantum horis distribuatur, quibus Missae sacrificium offerri potest, nisi aliud rationabilis causa suadeat". Het is voldoende bekend, hoe weinig de juristen vereisen om van een "rationabilis causa" te mogen spreken, zodat de vertalingen "goede reden - redelijke grond - schappelijk" juist zijn. Vóór het "Paus Pius XII - Motu Proprio
Sacram Communionem
Uitbreiding van de Indulten door de Apostolische Constitutie Christus Dominus verleend
(19 maart 1957)
" van 1957 was 's middags communiceren praktisch uitgesloten vanwege de wet van nuchterzijn vanaf middernacht. Nu is dit anders geworden. In de zielzorg moet dit aan de gelovigen duidelijk gemaakt worden. Zonder meer hebben de gelovigen recht om, laten wij een zeer praktisch voorbeeld noemen, 's middags na het werk, nuchter volgens de nieuwe wet, de H. Communie in een kerk te vragen; immers bij degenen, die dit zullen vragen, mag men veilig van de veronderstelling uitgaan, dat zij een "goede reden" hebben. Door de week enkel communiceren is een alleszins aan te bevelen praktijk, al blijft staan, dat dagelijks Mishoren en communiceren in zich volmaakter is. Het is geen utopie, dat er vele gelovigen zijn, die 's avonds wensen te communiceren, omdat het voor hen 's morgens bezwaarlijk is. Eenmaal op de hoogte gebracht van deze mogelijkheid, mag verwacht worden, dat velen zullen komen, zodat ook het Communie uitreiken na de middag een plaats krijgt in de kerkrooster. 

Tenslotte nog een belangrijke opmerking. Vooral door het liturgisch apostolaat is opnieuw allerwege het inzicht algemeen geworden, dat het hoogtepunt van de actieve deelname aan de Mis bestaat in het communiceren. Op zon- en feestdagen had men zich er bij neergelegd, vanwege de strenge wet van het nuchterzijn, dat het grootste gedeelte der gelovigen, nl. zij die de late Missen bezochten (dus vooral de volwassen jeugd), enkel Mis hoorden en niet communiceerden. In de late Zondagsmissen werd daarom geen Communie uitgereikt. De bedoeling van de verzachting van de wet van het nuchterzijn is op de eerste plaats, dat op zon- en feestdagen de gelovigen zoveel mogelijk gedurende de Mis communiceren. De band tussen Mis en Communie dient hersteld te worden. De voornaamste opgave, welke het "Paus Pius XII - Motu Proprio
Sacram Communionem
Uitbreiding van de Indulten door de Apostolische Constitutie Christus Dominus verleend
(19 maart 1957)
" aan de zielzorg stelt, is de restauratie van de Mispraktijken volgens het wezen der H. Eucharistie. Een herscholing van het gelovige volk is dus noodzakelijk. Het zal geen lichte taak zijn ten opzichte van de volwassenen.

Bron: Katholiek Archief, 12e jrg nr 16 p. 403-408

Publicatiedatum: 19 april 1957
Laatst bewerkt: 3 november 2020


 

Uw bijdrage

RK Documenten wordt volledig beheerd door vrijwilligers. Om deze site te bekostigen zijn we afhankelijk van uw hulp.

Algemeen nut beogende instellingen

Help ons en doneer!

Uw donatie zal worden verwerkt door Stg. Mollie Payments.
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam