• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

In het boek Genesis lezen we: 'God de Heer gebood de mensen:'Van alle bomen van de tuin mag je eten, maar van de boom van kennis van goed en kwaad mag je niet eten; want als je daarvan eet, zul je sterven' (Gen. 2, 16-17).

Met dit beeld leert de openbaring ons, dat de macht om over goed en kwaad te beslissen niet aan de mens, maar aan God alleen toekomt. Zeker, de mens is vrij, aangezien hij zelf de geboden van God kan kennen en aannemen. En hij is in het bezit van een zeer vergaande vrijheid, want hij mag 'van alle bomen van de tuin' eten. Maar het is geen onbegrensde vrijheid: ze moet halthouden voor de 'boom van kennis van goed en kwaad', omdat zij ertoe geroepen is, de zedenwet die God aan de mensen geeft, aan te nemen. Inderdaad vindt de vrijheid van de mens in deze aanvaarding haar ware en volle verwerkelijking. God, die alleen goed is, weet precies wat voor de mens goed is, en uit kracht van zijn eigen liefde legt Hij hem dit voor in de geboden.

De wet van God vermindert dus de vrijheid van de mens niet en nog minder schakelt ze die uit, integendeel, ze garandeert en bevordert haar. Heel anders echter ontwikkelen enkele van de tegenwoordige culturele stromingen het uitgangspunt van talrijke richtingen in de ethiek, die een verondersteld conflict tussen de vrijheid en de wet in het middelpunt van hun denken plaatsen. Van dien aard zijn de doctrines, die aan individuen of aan sociale groepen het vermogen toekennen om over goed en kwaad te beslissen: de menselijke vrijheid zou 'de waarden (kunnen) scheppen' en zou een primaat over de waarheid bezitten; ja, de waarheid zou notabene zelf als een schepping van de vrijheid worden aangezien. Bijgevolg zou deze ook aanspraak maken op zulk een morele autonomie, die praktisch haar absolute soevereiniteit zou betekenen.

De moderne aanspraak op autonomie heeft natuurlijk haar invloed ook binnen de katholieke moraaltheologie uitgeoefend. Ook al zou deze zeker nooit de menselijke vrijheid tegenover de goddelijke wet plaatsen, noch het bestaan van een laatste religieuze grondslag van de zedelijke normen betwijfelen, toch werd zij uitgedaagd tot een grondig overdenken van de rol van het verstand en van het geloof bij het aan het licht brengen van zedelijke normen, die betrekking hebben op bepaalde 'binnenwereldse' gedragingen: tegenover zichzelf, tegenover de anderen en tegenover de wereld der dingen.

Erkend moet worden, dat aan het begin van dit streven naar een nieuwe bezinning enkele rechtmatige verlangens staan, die overigens goeddeels tot de beste tradities van het katholieke denken horen. Aangezet door Vaticanum II Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 40.43 wilde men de dialoog met de moderne cultuur bevorderen doordat men het rationele - en daarmee universeel begrijpelijke en mededeelbare - karakter van de zedelijke normen die tot het gebied van de natuurlijke moraalwet horen, liet zien. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 71, a. 6; zie ook ad 5um. Daarenboven wilde men het innerlijke karakter van zedelijke eisen bevestigen, die voortkomen uit de natuurlijke zedenwet en die zich slechts als verplichting aan de wil opleggen krachtens hun voorafgaande erkenning door het menselijk verstand en, concreet, het persoonlijke geweten.

Terwijl echter het gegeven dat het menselijk verstand afhankelijk is van de goddelijke wijsheid en dat - in de tegenwoordige toestand van de gevallen natuur - de goddelijke openbaring noodzakelijk en feitelijk is voor de kennis ook van natuurlijke zedelijke waarheden Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over sommige valse meningen die de grondslagen van de Katholieke leer dreigen te ondermijnen, Humani Generis (12 aug 1950), 2 in de vergetelheid raakten, zijn enkelen gekomen tot de theorie van een volledige soevereiniteit van het verstand op het gebied van de zedelijke normen, die zich richten op de juiste ordening van het leven in deze wereld: Deze normen zouden zich slechts in een louter 'menselijke' moraal ophouden, ze waren de uitdrukking van een wet die de mens autonoom aan zichzelf gaf en die haar bron uitsluitend in het menselijk verstand zou hebben. Als schepper van deze wet kon men geenszins God zien, alleen in die zin, dat het menselijk verstand haar wetgevingsautonomie op grond van een oorspronkelijke, totale machtiging van God aan de mensen zou uitoefenen. Deze gissingen hebben er nu toe geleid, dat men tegen de Heilige Schrift en de vaststaande leer van de Kerk in loochent, dat de natuurlijke zedenwet God als haar Auteur heeft en dat de mens door zijn verstand aan de eeuwige wet deelheeft, die hij zelf niet vaststelt.

Aangezien ze echter het zedelijk leven in een christelijk kader wilden houden, werd door enkele moraaltheologen een onderscheid, in tegenspraak Concilie van Trente, 6e Zitting - Decreet over de rechtvaardiging, Sessio VI - Decretum de iustificatione (13 jan 1547), 49-51 met de katholieke leer, ingebracht tussen een zedelijke orde die van menselijke oorsprong zou zijn en slechts binnenwereldse waarde zou hebben, en een heilsorde, waarvoor alleen bepaalde motieven en innerlijke houdingen jegens God en de naaste, betekenis zouden hebben. Bijgevolg kwam men ertoe om het bestaan van een specifieke en concrete, universeel geldige en blijvende morele inhoud in de goddelijke openbaring te loochenen: het woord van God zou zich ertoe beperken, een vermaning, een algemene 'paraenesis' aansporing - vert. aan te bieden; die met waarlijk 'objectieve', dat wil zeggen aan de concrete historische situatie aangepaste, normatieve bepalingen te vullen, zou dan alleen de opgave zijn van het vrije intellect. Een zo begrepen autonomie leidt er natuurlijk ook toe, dat een specifieke competentie van de Kerk en haar leergezag ten aanzien van bepaalde, het zogenaamde 'humanum' betreffende zedelijke normen wordt geloochend: Zij zouden niet tot de eigenlijke inhoud van deopenbaring horen en dus met het oog op het heil niet van betekenis zijn.

Een zodanige uitleg van de autonomie van het menselijk verstand leidt, zoals iedereen ziet, tot stellingen die onverenigbaar zijn met de katholieke leer.

In deze samenhang moeten zeker de grondbegrippen van de menselijke vrijheid en van de moraalwet, alsook hun diepe, innerlijke betrekkingen in het licht van het woord van God en van de levende traditie van de Kerk verhelderd worden. Alleen zo zal het mogelijk zijn, om aan de rechtmatige aanspraken van de menselijke rede recht te doen, doordat men de geldige elementen van enkele stromingen in de huidige moraaltheologie integreert, zonder het morele erfgoed van de Kerk door stellingen te schaden, die voortkomen uit een vals begrip van autonomie.

Met de woorden uit het boek Jezus Sirach verheldert Vaticanum II de 'ware vrijheid' die een 'verheven kenmerk van het beeld van God' in de mens is: 'God wilde namelijk de mens 'aan de macht van de eigen beslissing overlaten', zodat hij zijn Schepper uit eigen initiatief zoekt en vrij tot volle en zalige voleinding in eenheid met God komt'. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 17 Deze woorden wijzen op de wonderbare diepte van de deelname aan de goddelijke heerschappij, waartoe de mens geroepen is: ze geven aan, dat de heerschappij van de mens in zekere zin aan de mens zelf raakt. Dat is een gezichtspunt, dat in het theologische denken over de als een soort van koningschap uitgelegde menselijke vrijheid steeds naar voren gehaald wordt. Zo schrijft bv. de H. Gregorius van Nyssa: 'De geest openbaart zijn koningschap en zijn voortreffelijkheid.. daarin, dat hij zonder iemand als heer te kennen, vrij alles doet: hij regeert zichzelf naar eigen believen autocratisch. Wie anders past dat dan een koning?.. Zo werd de menselijke natuur, die geschapen is om heerseres over de andere schepsels te zijn, door de gelijkenis met de Heer van het heelal voor een levend beeld bestemd, dat deelheeft aan de waardigheid en aan de naam van het Oerbeeld." H. Gregorius van Nyssa, Over de schepping van de mens, De hominis opificio. c. 4: PG 44, 135-136.

Reeds het regeren van de wereld betekent voor de mens een grote en verantwoordelijke opgave, die een beroep doet op zijn vrijheid in gehoorzaamheid aan de Schepper: "Bevolkt de aarde en onderwerpt haar aan u' (Gen. 1, 28). Vanuit dit gezichtspunt heeft de individuele mens zoals ook de menselijke gemeenschap recht op een passende autonomie, waaraan de concilie-constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
bijzondere aandacht besteedt. Dit is de autonomie van de aardse werkelijkheden, hetgeen betekent, dat 'de geschapen dingen en ook de samenlevingen hun eigen wetten en waarden hebben, die de mens stap voor stap moet leren kennen, gebruiken en vormen'. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36

Maar niet alleen de wereld, doch ook de mens zelf werd aan zijn eigen zorg en verantwoordelijkheid toevertrouwd. God heeft hem 'de macht over de eigen beslissing' gelaten (Sir. 15, 14), zodat hij zijn Schepper zoekt en uit eigen beweging tot volmaaktheid komt. Tot volmaaktheid komen betekent, persoonlijk in zichzelf deze volmaaktheid opbouwen. Want zoals de mens, wanneer hij de wereld regeert, haar vormt naar zijn verstand en wil, zo bevestigt, ontwikkelt en verstevigt de mens in zichzelf de gelijkenis met God, wanneer hij zedelijk goede handelingen voltrekt.

Het Concilie verlangt echter waakzaamheid tegenover een vals begrip van autonomie der aardse werkelijkheden, zo een namelijk dat meent, dat 'de geschapen dingen niet van God afhangen en dat de mens ze zonder verwijzing naar de Schepper zou kunnen gebruiken'. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36 Wat de mens betreft, leidt een dergelijk begrip van autonomie tot bijzonder schadelijke uitwerkingen, en neemt ten laatste een atheïstisch karakter aan: 'Want het schepsel zinkt zonder de Schepper in het niets.. bovendien wordt het schepsel zelf door God te vergeten onbegrijpelijk'. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36

De leer van het Concilie onderstreept enerzijds de actieve rol van het menselijk verstand bij de ontdekking en toepassing van de zedenwet: Het zedelijk leven vereist creativiteit en inventiviteit, die de persoon eigen zijn, en die bron en grond van haar vrije en bewuste handelen zijn. Anderzijds put het verstand zijn waarheid en zijn gezag uit de eeuwige wet, die niets anders dan de goddelijke Wijsheid is. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 93, a. 3, ad 2 Aan het zedelijk leven ligt dus het principe van een 'juiste autonomie' 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 41 van de mens als persoon en subject van zijn handelingen ten grondslag. De zedenwet komt van God en vindt altijd in Hem haar bron: Op grond van het natuurlijke verstand, dat uit de goddelijke Wijsheid voortkomt, is zij tegelijk de wet die de mens eigen is. De natuurwet is namelijk, zoals we gezien hebben, 'niets anders dan het ons door God ingegeven licht van het verstand. Dankzij dat licht weten we wat men doen en wat men mijden moet. Dit licht en deze wet heeft God ons bij de schepping geschonken'. H. Thomas van Aquino, In duo praecepta caritatis et in decem legis praecepta expositio. Prologus: Opuscula theologica, II, n. 1129, Ed. Taurinens. (1954), 245. De juiste autonomie van het praktische verstand betekent, dat de mens een hem eigen, van de Schepper ontvangen wet als eigen bezit in zich draagt. Maar de autonomie van het verstand kan niet de schepping van de waarden en van de zedelijke normen door het verstand betekenen. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot een groep bisschoppen uit de Verenigde Staten van Amerika bij gelegenheid van hun 'ad limina'-bezoek (15 okt 1988). 6 Zou een dergelijke autonomie inhouden dat men de deelname van het praktische verstand aan de wijsheid van de goddelijke Schepper en Wetgever loochent of dat men een pleidooi houdt voor een creatieve vrijheid die al naar gelang van de historische omstandigheden of van de verscheidenheid van culturen, zedelijke normen voortbrengt, dan zou een in dier voege bevochten autonomie in tegenstelling zijn met de leer van de Kerk over de waarheid van de mens. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 47 Ze zou de dood betekenen van de ware vrijheid: 'Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad zult ge niet eten; want als je daarvan eet, zul je sterven' (Gen. 2, 17).

Ware zedelijke autonomie van de mens betekent zeker niet afwijzing, maar aanvaarding van de zedenwet, het gebod van God: 'God de Heer gebood de mens..' (Gen. 2, 16). De vrijheid van de mens en de wet van God ontmoeten elkaar en hebben de opdracht, om elkaar in de zin van de vrije gehoorzaamheid van de mens aan God en van de onverdiende welwillendheid van God jegens de mens, wederzijds te doordringen. De gehoorzaamheid aan God is dus niet, zoals sommigen menen, een heteronomie, alsof het morele leven onderworpen zou zijn aan een absolute almacht buiten de mens, die in tegenspraak zou zijn met de handhaving van zijn vrijheid. Als heteronomie van de moraal werkelijk ontkenning van de zelfbestemming van de mens of oplegging van normen zou betekenen, die met zijn welzijn niets van doen hebben, dan stond ze in tegenstelling met de openbaring van het Verbond en de verlossende Menswording van God. Een dergelijke heteronomie zou alleen een vorm van vervreemding zijn, tegengesteld aan de goddelijke wijsheid en aan de waardigheid van de menselijke persoon.

Sommigen spreken met recht van theonomie of gedeelde theonomie, omdat de vrije gehoorzaamheid van de mens aan de wet van God inderdaad de deelneming van het menselijke verstand en van de menselijke wil aan de wijsheid en de voorzienigheid van God insluit. Wanneer God de mens verbiedt om 'van de boom van kennis van goed en kwaad te eten', zegt Hij daarmee, dat de mens deze 'kennis' niet als een oorspronkelijk eigen bezit in zich draagt, maar alleen door het licht van het natuurlijke verstand en van de goddelijke openbaring, die hem de eisen en oproepen van de eeuwige wijsheid bekendmaken, daaraan deel heeft. De wet moet als uitdrukking van de goddelijke wijsheid begrepen worden: terwijl de vrijheid zich daaraan onderwerpt, onderwerpt zij zich aan de waarheid van de schepping. Daarom moeten wij in de vrijheid van de menselijke persoon het beeld en de nabijheid van God erkennen, die 'in allen aanwezig is' Vgl. Ef. 4, 6 ; tegelijk moeten we de majesteit van de God van het Al belijden en de heiligheid van de wet van de oneindig transcendente God vereren. Deus semper maior. H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos. LXII, 16: CCL 39, 804.

De naar de wil van God gevormde vrijheid van de mens wordt door diens gehoorzaamheid aan de wet van God niet alleen niet ontkend, maar blijft pas door deze gehoorzaamheid in de waarheid en beantwoordt aan de waardigheid van de mens, zoals het Concilie openlijk schrijft: 'De waardigheid van de mens vereist dus, dat hij handelt in welbewuste en vrije keuze, persoonlijk nl. van binnenuit bewogen en aangezet, en niet door een blinde innerlijke drift of door louter uiterlijke dwang. Een dergelijke waardigheid verkrijgt de mens, wanneer hij zich vrijmaakt uit elke gevangenschap van de passies, zijn einddoel nastreeft in een vrije keuze van het goede en zich verzekert van de juiste hulpmiddelen, daadwerkelijk en in naarstige toeleg'. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 17

In zijn streven naar God, Hem die 'alleen goed is', moet de mens in vrije beslissing het goede doen en het kwade mijden. Maar daartoe moet de mens het goede van het kwade kunnen onderscheiden. En dat gebeurt vooral dankzij het licht van het natuurlijke verstand, weerschijn van de schittering van Gods aangezicht in de mens. In deze zin schrijft de H. Thomas in een commentaar op een vers van de vierde psalm: 'Nadat de psalmist gezegd heeft: 'Breng het juiste offer' (Ps. 4, 6), alsof mensen hem naar de werken van de gerechtigheid gevraagd hadden, voegt hij eraan toe: Velen zeggen: Wie laat ons het goede zien?' En als antwoord op die vraag zegt hij: Heer, laat uw aanschijn over ons lichten! Alsof hij wilde zeggen, dat het licht van het natuurlijke verstand, waarmee wij het goede van het kwade onderscheiden - wat tot de natuurwet behoort - niets anders is dan een afdruk van het goddelijke licht in ons'. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 91, a. 2. Daaruit volgt ook, waarom deze wet natuurwet wordt genoemd: ze wordt zo genoemd, niet met het oog op de natuur van wezens zonder verstand, maar omdat het verstand, dat haar uitvaardigt, tot de menselijke natuur behoort. Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1955

Vaticanum II herinnert eraan, dat 'de hoogste norm van het menselijk leven de goddelijke, eeuwige, objectieve en universele wet is, waardoor God, volgens het raadsbesluit van zijn wijsheid en liefde, de hele wereld en de gang van de menselijke samenleving ordent, leidt en beheert. God maakt de mens deelachtig aan zijn wet, zodat de mens onder de zachte leiding van de goddelijke voorzienigheid de onveranderlijke waarheid steeds beter kan leren kennen. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden, Dignitatis Humanae (7 dec 1965), 3

Het Concilie verwijst naar de 'klassieke' leer over de eeuwige wet van God. De H. Augustinus definieert haar als 'het verstand of de wil van God, die gebiedt om de natuurlijke orde in acht te nemen, en verbiedt om haar te verstoren';H. Augustinus, In discussie met de manicheeƫr Faustus, Contra Faustum Manichaeum (1 jan 397). boek 22, hoofdstuk 27: PL 42, 418. de H. Thomas vereenzelvigt haar met het 'plan van de goddelijke wijsheid, die alles beweegt naar het geboden doel toe'. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 93, a. 1. En de wijsheid van God is voorzorg, zorgende liefde. Het is dus God zelf die de hele schepping liefheeft en in de meest letterlijke, fundamentele betekenis voor haar zorgt Vgl. Wijsh. 7, 22 Vgl. Wijsh. 8, 11 . Maar God zorgt voor de mens anders dan voor de wezens die geen personen zijn: niet 'van buiten', door de wetten van de fysieke natuur, maar 'van binnen', door het verstand dat, wanneer het met behulp van het natuurlijke licht de eeuwige wet van God kent, daardoor in staat is om aan de mens de juiste richting van zijn vrije handelen te wijzen. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, 90. 4, ad 1um. Op deze manier roept God de mens tot deelname aan zijn voorzienigheid, want Hij wil de wereld met de hulp van de mens zelf, dat wil zeggen door zijn verstandige en verantwoordelijke zorg, leiden: niet alleen de wereld van de natuur, maar ook de wereld van de menselijke personen. In deze samenhang staat de natuurwet, menselijke uitdrukking van de eeuwige wet van God: 'In vergelijking met de andere schepselen - schrijft de H. Thomas - is het met verstand begiftigde schepsel op voortreffelijke wijze onderworpen aan de goddelijke voorzienigheid, omdat het van zijn kant deel heeft aan de voorzienigheid door voor zichzelf en voor de anderen te voorzien; daarom heeft het deel aan het eeuwige intellect, dankzij hetwelk het een natuurlijke neiging heeft tot de zedelijk geboden handeling en tot het geboden doel: deze deelname aan de eeuwige wet in het met verstand begiftigde schepsel wordt natuurwet genoemd'. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 91, a. 2.

De Kerk heeft zich vaak beroepen op de leer van St. Thomas over de natuurwet en haar in haar moraalverkondiging opgenomen. Zo heeft Onze Voorganger Leo XIII de ingeschapen onderschikking van het menselijk verstand en van de menselijke wil aan Gods wijsheid en wet op de voorgrond geplaatst. Nadat hij uiteengezet heeft, dat 'de natuurwet in de harten van de afzonderlijke mensen geschreven en gebeiteld is, daar zij het menselijke verstand zelf is, waar het ons gebiedt, het goede te doen en ons verbiedt om te zondigen', verwijst Leo XIII naar het 'hogere intellect' van de goddelijke Wetgever: 'Maar dit voorschrift van het menselijke verstand zou geen kracht van wet hebben, als het niet de stem en de uitleg van een hoger verstand was, waaraan onze geest en onze vrijheid zich moeten onderwerpen'. De kracht van de wet berust inderdaad op zijn autoriteit om verplichtingen op te leggen, rechten te verlenen en bepaalde gedragingen te belonen of te bestraffen: 'Dat alles zou in de mens niet aanwezig zijn, als hijzelf als opperste wetgever zich de norm voor zijn handelen zou stellen'. En hij zegt afsluitend: 'Daaruit volgt dat de natuurwet de eeuwige wet zelf is, die hun is ingeplant die het verstand gebruiken, en die hen voert tot het verschuldigde handelen en het verschuldigde doel; dit is het eeuwige intellect van de Schepper zelf en van de God die de hele wereld regeert'. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de menselijke vrijheid, Libertas praestantissimum (20 juni 1888), 20

De mens kan goed en kwaad kennen dankzij dat onderscheid van goed en kwaad, dat hij zelf met behulp van zijn verstand maakt, in het bijzonder het door de goddelijke openbaring en door het geloof verlichte verstand, krachtens de wet die God aan het uitverkoren volk, te beginnen bij de geboden van de Sinaï, geschonken heeft. Israël was ertoe geroepen, de wet van God als bijzonder geschenk en teken van de uitverkiezing en van het goddelijk verbond en tegelijk als garantie voor de zegen van God te ontvangen en te beleven. Zo kon Mozes zich tot de zonen van Israël wenden en hun vragen: 'Immers, welke grote natie heeft wel goden, die haar zo nabij zijn, als Jahwe, onze God ons nabij is, waar we Hem ook aanroepen? Of welke grote natie bezit wel wetten en rechtsnormen, die zo doelmatig zijn als alles in deze instructie, die ik u vandaag voorleg?' (Deut. 4, 7-8). In de Psalmen kunnen we de gevoelens van lof, dankbaarheid en verering vinden, die het uitverkoren volk tegenover de wet Gods moet koesteren, samen met de vermaning, om haar te leren kennen, te overdenken en in praktijk te brengen te brengen: 'Gelukkig de man die niet treedt in het overleg van de bozen, op de weg van de schenders geen voet zet, niet zit in de kring van de spotters; die veeleer in de wet van de Heer zich vermeit, zijn wet overpeinst dag en nacht' (Ps. 1, 1-2). 'De wet van Jahwe is volmaakt: en behoedt de ziel voor verdwalen, Jahwe's getuigenis waarachtig, het schenkt onwetenden wijsheid; wat Jahwe bepaalt, dat is recht, een verheugenis is het des harten; het gebod van Jahwe is onaantastbaar: het schept verheldering van ogen' (Ps. 19, 8-9).

Document

Naam: VERITATIS SPLENDOR
Over kerkelijke moraalleer
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 6 augustus 1993
Copyrights: © 1995, Katholiek Nieuwsblad
Bewerkt: 29 oktober 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam