• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De Heer Jezus, “die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd” (Joh. 10, 36), doet heel zijn mystiek Lichaam delen in de geesteszalving, waarmee Hijzelf gezalfd is Vgl. Mt. 3, 16 Vgl. Lc. 4, 18 Vgl. Hand 4, 27 Vgl. Hand. 10, 38 ; want in Hem vormen alle gelovigen een heilig en koninklijk priesterschap, dragen zij aan God geestelijke offers op door Jezus Christus en verkondigen zij de roemrijke daden van Hem, die hen uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht. Vgl. 1 Pt. 2, 5.9 Er is dus geen enkel lid of het heeft deel aan de zending van het gehele Lichaam; ieder lid moet Jezus heiligen in zijn hart Vgl. 1 Pt. 3, 15 en moet door de geest van profetie getuigenis afleggen over Jezus. Vgl. Openb. 19, 10 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 35

Maar opdat de gelovigen zouden samengroeien tot één lichaam, waarin “niet alle ledematen dezelfde taak hebben” (Rom. 12, 4) heeft dezelfde Heer sommigen van hen aangesteld tot bedienaars, die in de gemeenschap van de gelovigen de heilige wijdingsmacht zouden bezitten om het Offer op te dragen en de zonden te vergeven Concilie van Trente, 23e Zitting - Leer over de heilige Wijding, Sessio XXIII - Doctrina de sacramento ordinis (15 juli 1563), 2.9, en die in naam van Christus officieel het priesterlijk ambt zouden vervullen voor de mensen. Na dus zijn apostelen te hebben gezonden, zoals Hij zelf was gezonden door de Vader Vgl. Joh. 20, 21 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 18 , heeft Christus door zijn apostelen de bisschoppen, die hun opvolgers zijn, deelachtig gemaakt aan zijn heiliging en zending Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28 ; en de taak van hun ministerie is in een ondergeschikte graad overgedragen aan de priesters Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28, opdat dezen, als dragers van het priesterschap, de medewerkers zouden zijn van het episcopaat Vgl. Congregatie voor de Riten, Cæremoniale Episcoporum (17 aug 1886). de Priesterwijding, Prefatie. Deze woorden treft men reeds aan in het Sacramentarium Veronense (ed L. C. Möhlberg, Rome 1965, p. 122); in het Missale Francorum (ed. L.C. Möhlberg, Rome 1957, p. 9); in het Liber Sacramentorum Romanae Ecclesiae (ed. L.C. Möhlberg, Rome 1960, p. 25); in het Pontificale Romano Germanicum (ed. Vogel-Elze, Citta del Vaticano 1963, I, p. 34). om een goed vervullen van de door Christus gegeven apostolische zending mogelijk te maken.

Omdat de taak van de priesters nauw verbonden is met de bisschoppenambt, deelt deze taak in het gezag, waarmee Christus zelf zijn Lichaam doet groeien, heiligt en bestuurt. Daarom veronderstelt het priesterschap weliswaar de sacramenten van de christelijke initiatie, maar het wordt gegeven door dat speciale sacrament, dat aan de priesters krachtens de zalving van de Heilige Geest een bijzonder merkteken schenkt en hen zo gelijkvormig maakt aan Christus-Priester, zodat zij kunnen handelen in naam van Christus, die het Hoofd is. Vgl. Mt. 3, 16 Vgl. Lc. 4, 18 Vgl. Hand. 4, 27 Vgl. Hand. 10, 38

Omdat de priesters op hun eigen wijze delen in het ambt van de apostelen, verleent God hun de genade, bedienaars van Christus Jezus te zijn onder de volken, voor wie zij de heilige dienst van het Evangelie verrichten om de volken te maken tot een welgevallige offerande, gewijd door de Heilige Geest. Vgl. Rom. 15, 16. (Grieks) Door de apostolische boodschap immers van het Evangelie wordt het Volk Gods bijeengeroepen en bijeengebracht, zodat allen, die tot dit Volk behoren, geheiligd als zij zijn door de Heilige Geest, zich zelf kunnen aanbieden “als een levend, heilig aan God welgevallig offer” (Rom. 12, 1). En door de bediening van de priesters komt het geestelijk offer, dat door hun handen in naam van de gehele Kerk in de Eucharistie op onbloedige en sacramentele wijze wordt opgedragen, tot aan de komst van de Heer Vgl. 1 Kor. 11, 26 Hierin vindt de bediening van de priesters haar doel en haar voltooiing. Want hun dienst, die begint met de verkondiging van het Evangelie, ontleent zijn kracht en zijn uitwerking aan het offer van Christus, en heeft tot doel, dat ”heel de verloste Stad, dat is: de gemeenschap en de vereniging van de heiligen, als een universeel offer God wordt aangeboden door middel van de Hogepriester, die ook zich zelf in zijn lijden voor ons heeft opgedragen, opdat wij het lichaam zouden zijn van zulk een Hoofd”. H. Augustinus, Over de Stad Gods, De Civitate Dei. 10, 6: PL 41, 284

Het doel van de priesters in hun bediening en hun leven is dus de eer van God de Vader in Christus. Deze eer bestaat hierin, dat de mensen het werk van God, hetwelk in Christus werd voltrokken, bewust, in vrijheid en met dankbaarheid aanvaarden en het tot uitdrukking brengen in heel hun leven. Zo dragen dus de priesters, wanneer zij zich wijden aan gebed en aanbidding, het woord verkondigen of het eucharistisch offer opdragen en de andere sacramenten toedienen, of wanneer zij andere bedieningen ten behoeve van de mensen verrichten, steeds bij tot vermeerdering van Gods eer en tot verrijking van het goddelijk leven in de mensen. Dit alles, dat een vrucht is van het Pasen van Christus, zal zijn bekroning vinden bij de glorievolle komst van de Heer, wanneer Hij het koningschap zal overdragen aan God de Vader. Vgl. 1 Kor. 15, 24

De priesters, uit de mensen genomen en voor de mensen aangesteld ten behoeve van hun verhouding tot God, om gaven en offers op te dragen voor de zonden Vgl. Hebr. 5, 1 , leven met de andere mensen als met hun broeders. Zo heeft ook de Heer Jezus, Gods Zoon, door de Vader als mens gezonden tot de mensen , onder ons gewoond en in alles aan zijn broeders gelijk willen worden, behalve wat betreft de zonde. Vgl. Hebr. 2, 17 Vgl. Hebr. 4, 15 Zijn voorbeeld is reeds gevolgd door de heilige apostelen; en de leraar der heidenen, de heilige Paulus, “bestemd om het Evangelie van God te verkondigen” (Rom. 1, 1), getuigt, dat hij alles voor allen is geworden om allen te reden. Vgl. 1 Kor. 9, 19-23 De priesters van het nieuwe Verbond worden weliswaar door hun roeping en wijding in zekere zin binnen het Volk Gods afgezonderd, maar niet om van dit volk of van andere mensen gescheiden te worden, integendeel om zich helemaal te kunnen wijden aan het werk, waartoe de Heer hen roept. Vgl. Hand. 13, 2 Zij kunnen slechts dienaren van Christus zijn door getuigen en uitdelers te zijn van een ander leven, dat uitgaat boven het aardse leven, maar zij kunnen de mensen niet dienen, wanneer zij buiten hun leven en levensomstandigheden zouden blijven. Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de Kerk, Ecclesiam Suam (6 aug 1964), 42.62-63 Hun dienstwerk zelf eist op een bijzondere titel, dat zij zich niet laten leiden door deze wereld Vgl. Rom. 12, 2 ; maar het eist tevens, dat zij in deze wereld leven onder de mensen, dat zij als goede herders hun schapen leren kennen en ook die, welke niet tot deze schaapstal behoren, trachten te winnen, opdat ook zij luisteren naar de stem van Christus en het mag worden: één kudde, één herder. Vgl. Joh. 10, 14-16 Voor dit doel zijn van grote waarde de deugden, die in de menselijke samenleving hoog worden aangeslagen, zoals goedheid, eerlijkheid, sterkte van karakter en standvastigheid, voortdurende zorg voor rechtvaardigheid, beleefdheid en andere deugde, die de apostel Paulus aanbeveelt met de woorden: “Houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, op al wat deugd heet en lof verdient”. (Fil. 4, 8) Vgl. H. Polycarpus van Smyrna, Brief aan de Filippenzen, Epist. ad Philippenses. VI, 1: “Ook de priesters moeten goedertieren zijn barmhartig jegens allen, terugvoeren wat is afgedwaald, alle zieken bezoeken, geen weduwe of wees of behoeftige onverzorgd laten, maar steeds bedacht zijn op hetgeen goed is in het oog van God, en de mensen, zich onthouden van alle toorn, menselijk opzicht, onrechtvaardig oordeel, verre blijven van alle hebzucht, niet te gauw iets van iemand geloven, niet te streng in het oordelen, indachtig, dat wij allen onze tol aan de zonde betalen (Ed. X. Funk, Patres Apostolici, I, p. 303. Vertaling: Dr. D. Franses O.F.M., De Apostolische Vaders, Hilversum 1949, blz. 147).

Het Volk Gods wordt allereerst bijeengebracht door het woord van de levende God Vgl. 1 Petr. 1, 23 Vgl. Hand. 6, 7 Vgl. Hand. 12, 24 H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos. 44, 23: PL 36, 508; “De apostelen hebben het woord van de waarheid gepredikt en kerken voortgebracht”, dat men met alle recht uit de mond van de priesters mag verwachten. Vgl. Mal. 2, 7 Vgl. 1 Tim. 4, 11-13 Vgl. 2 Tim. 4, 5 Vgl. Tit. 1, 9 Want omdat niemand gered kan worden zonder eerst te geloven Vgl. Mc. 16, 16 , hebben de priesters, als medewerkers van de bisschoppen, als eerste taak, aan allen het Evangelie van God te verkondigen Vgl. 2 Kor. 11, 7 . Van de priesters als medewerkers van de bisschoppen geldt hetzelfde wat van de bisschoppen gezegd wordt: Zie Statutia Ecclesiae Antiqua, c. 3 (ed. Ch. Munier, Parijs 1960, p. 19) Gratianus, Decretum Gratiani - Concordia discordantium Canonum (1 jan 1150). C. 6, D. 88 (ed, Friedberg, I, 307) Concilie van Trente, Decr. De reformatione, Sess. V, c. 2, n. 9 (Conc. Oec. Decreta, ed. Herder, Rome 1963, 645 ; Sess. XXIV, c. 4 (blz. 739) Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 25 om zo de opdracht van de Heer: “Gaat uit over heel de wereld en verkondigt het Evangelie aan heel de schepping” (Mc. 16, 15) Vgl. Apostolische Vader, Libris VIII, Constitutiones Apostolorum (1 jan 400). II, 26, 7: De priesters moeten onderricht geven in de goddelijke leer, want de Heer zelf heeft ons gezonden met de woorden: Gaat en onderwijst enz. (ed. F. X. Funk, Didascalia et Constitutiones Apostolorum, I, Paderborn 1905, blz. 105 Sacramentarium Leonianum en de andere sacramentaria tot aan het Pontificale Romanum, Prefatie bij de Priesterwijding: “Door deze leraars van het geloof als helpers gegeven, door wie zij heel de wereld hebben voorzien van aan hen ondergeschikte predikers ( of: prediking). Het boek van de wijdingen van de Mozarabische ritus, Prefatie van de priesterwijding: “Moge hij als leraar van het volk en leider van hen die hem zijn toevertrouwd, het katholiek geloof zuiver bewaren en aan allen het ware heil verkondigen” (ed. M. Ferotin, Le Liber Ordinum en usage dans l’Eglise Wisgothique et Mozarabe d’Espagne: Monumenta Ecclesiae Liturgica, vol. V, Parijs 1904, kol. 55, lin. 4-6). uit te voeren en het volk Gods te vestigen en te doen toenemen. Want door het heilbrengende woord wordt het geloof verwekt in de niet-gelovigen en versterkt in de gelovigen, het geloof, waardoor de gemeenschap van de gelovigen een aanvang neemt en groeit, volgens het woord van de apostel: “Het geloof ontstaat door de prediking, en de prediking geschiedt in opdracht van Christus” (Rom. 10, 17) De priesters moeten dus allen ten dienste staan om hun de waarheid van het Evangelie mee te delen Vgl. Gal. 2, 5 , die zij in de Heer bezitten. Hetzij zij dus door een voorbeeldig leven de mensen brengen tot verheerlijking van God Vgl. 1 Petr. 2, 12 , of wel door een openlijke prediking het geheim van Christus verkondigen aan niet-gelovigen, of catechetisch onderricht geven en de leer van de Kerk uiteenzetten, of vraagstukken van hun tijd trachten te belichten vanuit Christus, altijd hebben zij tot taak, niet hun eigen wijsheid te leren, maar het woord van God, en alle mensen dringend uit te nodigen tot bekering en tot een heilig leven. Zie de ritus van de priesterwijding in de Alexandrijnse Kerk van de jacobieten: “... Breng uw volk samen voor het woord van de leer, zoals een moeder, die haar kinderen koestert” (H. Denziger, Ritus Orientallum, dl. II, Würzburg 1863, blz. 14). Wil echter de prediking van de priesters die in de tegenwoordige tijdsomstandigheden vaak zeer moeilijk is, beter de geest van de hoorders aanspreken, dan moet ze het woord Gods niet slechts in algemene en abstracte termen uiteenzetten, maar de eeuwige waarheid van het Evangelie toepassen op de concrete levensomstandigheden.

Zo wordt de bediening van het woord in allerlei vormen uitgeoefend overeenkomstig de verschillende behoeften van de toehoorders en de verschillende gaven van de predikers. In niet-christelijke gebieden of milieus komen de mensen door de boodschap van het Evangelie tot het geloof en tot de sacramenten van het heil. Vgl. Mt. 28, 19 Vgl. Mc. 16, 16 Vgl. Tertullianus, De Baptismo. 14, 2 (Corpus Christianorum, Series Latina 1, blz. 289, 11-13) Vgl. H. Athanasius van Alexandrië, Redevoeringen tegen de Arianen, Orationes contra Arianos. 2, 42: PG 26, 237 Vgl. H. Hieronymus, Super Matthiam. 28, 19: PL 26, 218. BC): “Eerst onderrichten zij alle volken, daarna dopen zij hen, die zij hebben onderricht. Want het lichaam kan onmogelijk het sacrament van het doopsel ontvangen, zonder dat eerst de ziel de waarheid van het geloof heeft aanvaard” Vgl. H. Thomas van Aquino, Expositio primae Decretalis. § 1: “Toen onze Verlosser zijn leerlingen uitzond om te prediken, gaf hij hun een drievoudige opdracht. Ten eerste om het geloof te onderwijzen; ten tweede om de gelovigen de sacramenten toe te dienen” (ed. Marietti, Opuscula Theologica, Turijn-Rome 1954, 1138). In de christengemeenschap zelf, vooral bij mensen die weinig begrip of geloof blijken te hebben omtrent datgene, wat zij praktisch doen, is de prediking van het woord noodzakelijk voor de bediening zelf van de sacramenten, die immers de sacramenten zijn van het geloof, dat ontstaat uit en gevoed wordt door het woord. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 35 Dit geldt vooral voor de liturgie van het woord bij de viering van de Mis, waar onafscheidelijk samengaan: de verkondiging van de dood en verrijzenis van de Heer, het antwoord van het toehorende Volk en het offer, waardoor Christus het nieuwe Verbond heeft bekrachtigd in zijn Bloed, en waaraan de gelovigen deelnemen door hun gebeden en het ontvangen van het Sacrament. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 33.35.48.52

God, die alleen de heilige is en degene die heilig maakt, heeft zich tot medewerkers en helpers willen kiezen mensen, die nederig in dienst zouden staan van het heiligingwerk. Daarom worden door God door middel van de bisschop priesters gewijd, om, op bijzondere wijze deelachtig geworden aan het Priesterschap van Christus, bij de heilige handelingen op te treden als dienaars van Hem, die zijn priesterschap voortdurend in de liturgie voor ons uitoefent door zijn Geest. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 7 Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over het mystieke lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus, Mystici Corporis Christi (29 juni 1943), 78 Door het Doopsel leiden zij de mensen binnen in het volk Gods; door het Sacrament van boetvaardigheid verzoenen zij de zondaars met God en met de Kerk; door de ziekenzalving schenken zij verlichting aan de zieken; door de viering vooral van de heilige Mis dragen zij op sacramentele wijze het offer van Christus op. Bij de bediening echter van ieder sacrament zijn de priesters, zoals reeds de heilige martelaar Ignatius in de oude Kerk verklaart H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Christenen van Smyrna, Epistula ad Smyrnaeos. 8, 1-2 (ed. F. X. Funk, blz. 240) Constitutiones Apostolorum VIII, 12, 3 (ed. F.X. Funk, blz. 496); VIII, 29, 2 (blz. 532)., op verschillende wijzen hiërarchisch verbonden met de bisschop en stellen hem zo in zekere zin tegenwoordig bij iedere samenkomst van de gelovigen. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28

De andere sacramenten, gelijk ook alle kerkelijk bedieningen en apostolaatwerken, hangen nauw samen met de heilige Eucharistie en zijn daarop gericht. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. III, q. 73, a. 3. c||“De Eucharistie is als het ware de voltooiing van het geestelijk leven en het doel van alle sacramenten Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. III, q. 65, a. 3 Want in de heilige Eucharistie lig heel de geestelijke rijkdom van de Kerk vervat Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. III, q. 65, a. 3, ad 1; q. 79, a. 1, c, en ad 1, Christus zelf, ons Pasen en het levend brood, die door zijn Vlees, dat tot leven werd gewekt en levenwekkend is aan de mensen; dezen ontvangen zo een uitnodiging en een prikkel om zichzelf, hun arbeid en al het geschapene samen met Hem aan God op te dragen. Daarom is de Eucharistie duidelijk de bron en het hoogtepunt van heel de Evangelieprediking, doordat n.l. de catechumenen geleidelijk worden geboerd tot de deelname aan de Eucharistie, en de gelovigen, die reeds door het heilig doopsel en vormsel zijn getekend, door het nuttigen van de Eucharistie volledig worden opgenomen in het Lichaam van Christus.

De eucharistische bijeenkomst is daarom het middelpunt van de gemeenschap der gelovigen, waarvan de priester de leiding heeft, De priesters leren dus de gelovigen, in het offer van de Mis het goddelijk slachtoffer aan God de Vader op te dragen en het offer van hun eigen leven hiermee te verenigen. In de geest van Christus, de herder, leren zij hen, hun zonden in het Sacrament van boetvaardigheid berouwvol aan de Kerk voor te leggen, waardoor zij zich steeds meer tot de Heer bekeren, gedachtig zijn woorden: “Bekeert u, want het rijk de hemelen is nabij” (Mt. 4, 17). Eveneens leren zij hen, de liturgische vieringen zó te beleven, dat zij daarin ook komen tot een echte gebed. Zij brengen hun een steeds volmaaktere gebedsgeest bij voor heel hun leven, overeenkomstig ieders genadegaven en noden, en zij stimuleren allen tot het vervullen van de plichten van huns staat en de meer gevorderden tot het volgen van de evangelische raden, volgens ieders mogelijkheden. Zo leren zij de gelovigen, voor de heer hymnen en geestelijke liederen te zingen uit heel hun hart en altijd voor alles dank te zeggen aan God, de Vader, in de naam van onze Heer Jezus Christus. Vgl. Ef. 5, 19-20

De lof en de dank, die de priesters aan God brengen bij de viering van de Eucharistie, strekken zij uit over de verschillende uren van de dag door het goddelijk officie, waarin zij in naam van de Kerk God bidden voor heel het hun toevertrouwde volk en zelfs voor de gehele wereld.

Het huis van gebed, waarin de heilige Eucharistie wordt gevierd en bewaard en de gelovigen hun samenkomsten houden en waarin de tegenwoordigheid van Gods Zoon, onze Verlosser, die zich voor ons heeft geofferd op het altaar, wordt vereerd tot hulp en troost van de gelovigen, moet goed verzorgd zijn en geschikt voor het gebed en de heilige diensten. Vgl. H. Hieronymus, Epistolarium. 114, 2: “... de heilige kelken en het linnen en al het andere, dat betrokken is bij de eredienst van het lijden des Heren... moet vanwege het contact met het Lichaam en Bloed van de Heer met dezelfde eerbied worden behandeld als zijn Lichaam en Bloed (PL 22, 934) Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 122-127 In dit huis ontvangen herders en gelovigen de uitnodiging om in dankbaarheid te beantwoorden aan de gaven van Hem, die door zijn mensheid het goddelijk leven voortdurend uitstort in de ledematen van zijn Lichaam. Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de leer en de verering van de Heilige Eucharistie, Mysterium Fidei (3 sept 1965), 66. “Ook zullen zij niet nalaten, in de loop van de dag een bezoek te brengen aan het heilig Sacrament, dat op een uiterst waardige plaats en met de grootste eerbied volgens de liturgische wetten in de Kerk moet worden bewaard. Zulk een bezoek is een bewijs van dankbaarheid, een teken van liefde en een plicht van aanbidding ten opzichte van Christus de Heer, die daar nog tegenwoordig is” Laten de priesters zich terdege toeleggen op de kennis en de praktijk van de liturgie; dan zullen door hun liturgische bediening de hun toevertrouwde christengemeenschappen steeds volmaakter lof brengen aan God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Door de taak van Christus, Hoofd en herder, uit te oefenen overeenkomstig de mate van het hun verleende gezag, brengen de priesters in naam van de bisschop het gezin van God bijeen als een broederlijke gemeenschap, bezield door één geest, en leiden deze tot God, de Vader door Christus in de Geest. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28 Voor het uitoefenen van deze bediening evenals voor hun andere taken wordt aan de priesters een geestelijke macht verleend, die hun gegeven wordt om op te bouwen. Vgl. 2 Kor. 10, 8 Vgl. 2 Kor. 13, 10 Bij het opbouwen echter van de Kerk moeten de priesters naar het voorbeeld van de Heer met iedereen omgaan in grote menselijkheid. En zij moeten zich hierbij niet laten leiden door de opvattingen van de mensen Vgl. Gal. 1, 10 , maat door de eisen van de christelijke leer en het christelijk leven, en hen onderrichten en vermanen als hun dierbare kinderen Vgl. 1 Kor. 4, 14 , volgens het woord van de apostel: “Dring aan te pas en te onpas, weerleg, berisp, bemoedig, in één woord, geef onderricht met groot geduld.” (2 Tim. 4, 2) Vgl. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. II, 34, 3; II, 46, 6; II, 47, 1; Constitutiones Apostolorum, II 47, 1 (ed. F. X. Funk, Didascalia et Constitutiones, I, blz. 116, 142. 143)

Daarom moeten de priesters, als opvoeders in het geloof, ervoor zorgen hetzij persoonlijk hetzij door anderen, dat elk van hun gelovigen door de kracht van de Heilige Geest zijn eigen roeping volgens het Evangelie dieper gaat beleven en komt tot een oprechte en actieve liefde en tot de vrijheid, die Christus ons geschonken heeft. Vgl. Gal. 4, 3 Vgl. Gal. 5, 1.13 De mooiste plechtigheden en de meest bloeiende verenigingen zullen weinig baten, als ze niet de mensen trachten te vormen tot christelijke rijpheid. H. Hieronymus, Epistolarium. 58, 7: P.L. 22: 584: "Wat voor nut heeft het dat de muren schitteren van edelstenen, als Christus in den arme van honger dreigt om te komen” Tot dit doel kunnen priesters hen helpen om bij alle gebeurlijkheden, grote en kleine, duidelijk in te zien, wat de omstandigheden van hen vragen en wat de wil van God is. Ook moeten de christenen leren om niet alleen voor zich zelf te leven maar om volgens de eisen van de nieuwe wet der liefde elkaar te dienen met de gaven, zoals ieder die heeft ontvangen Vgl. 1 Pt. 4, 10 , zodat allen hun plichten in de mensengemeenschap op christelijke wijze vervullen.

Ofschoon de priesters ten dienste moeten staan van iedereen, worden hun toch in het bijzonder de armen en de zwakken aanbevolen, omdat de Heer zelf zich zo nauw met hen verbonden toonde Vgl. Mt. 25, 34-35 en omdat de evangelieprediking aan deze mensen een teken van het werk van de Messias wordt genoemd. Vgl. Lc. 4, 18 Een bijzondere zorg zullen zij ook besteden aan de jongeren en eveneens aan de gehuwden en aan de vaders en moeders. Het zou goed zijn, dat dezen vriendenclubs vormen, waardoor zij elkaar kunnen helpen om in hun vaak zo moeilijk bestaan gemakkelijker en vollediger als christen te kunnen leven. Laten de priesters eraan denken, dat alle religieuzen, mannen en vrouwen, die in het huis van de Heer een zo uitgelezen groep vormen, een bijzondere aandacht verdienen met het oog op hun geestelijke vooruitgang, tot welzijn van de gehele Kerk. Bovenal zullen zij zorg dragen voor de zieken en de stervenden, door hen te bezoeken en hen in de Heer te sterken. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk, Christus Dominus (28 okt 1965). Men zou nog andere categorieën kunnen opnoemen, zoals immigranten, nomaden enz. Over dezen wordt gesproken in dit decreet

De taak van herder beperkt zich echter niet tot de zorg voor de afzonderlijke gelovigen, maar strekt zich uiteraard ook uit tot de opbouw van een echte christelijke gemeenschap. Wil men echter de gemeenschapsgeest naar behoren bevorderen, dan moet deze niet alleen gericht zijn op de plaatselijke Kerk, maar ook op de universele Kerk. De plaatselijke gemeenschap nu mag zich niet alleen bezig houden met haar eigen gelovigen, maar moet zich ook door de missie-ijver gedrongen voelen om voor alle mensen de weg te openen, die voert naar Christus. In het bijzonder moeten haar de catechumenen en pasgedoopten ter harte gaan, die geleidelijk in de kennis en de praktijk van het christelijk leven moeten worden ingeleid.

De opbouw van een christelijke gemeenschap is echter niet mogelijk zonder dat ze haar oorsprong en middelpunt vindt in de viering van de heilige Eucharistie, die dus het uitgangspunt moet zijn van elke vorming tot gemeenschapsgeest. Vgl. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. II, 59, 1-3: “Bij uw onderricht moet gij het volk bevelen en aansporen de samenkomst geregeld te bezoeken en nooit afwezig te blijven, maar altijd bijeen te komen en de groep niet te verkleinen door weg te blijven en het Lichaam van Christus niet te beroven van een lidmaat... Als ledematen van Christus moogt gij u zelf dus niet aan de samenkomst onttrekken door weg te blijven. Want gij hebt Christus als hoofd die volgens zijn belofte bij u aanwezig is en zich aan u meedeelt; daarom moogt gij u zelf geen schade berokkenen en de Verlosser aan zijn ledematen onttrekken, en zijn Lichaam niet scheuren of verdelen...”(Ed. F.X. Funk, I blz 170) Vgl. H. Paus Paulus VI, Toespraak, Tot de deelnemers aan de dertiende week voor pastorale aanpassing, gehouden te Orvieto, Voi Avete (6 sept 1963) Wil deze viering oprecht en volledig zinvol zijn, dan moet ze als vrucht hebben allerlei werken van charitas en wederzijds hulpbetoon, missionaire activiteit en verschillende vormen van een christelijk getuigenis.

Bovendien vervult de kerkelijke gemeenschap door haar liefde, gebed voorbeeld en werken van boetvaardigheid de moederlijke taak, de zielen tot Christus te brengen. Want zij is een krachtdadig middel om hun die nog niet geloven, de weg te wijzen naar Christus en zijn Kerk of deze weg te effenen; en voor hen die reeds geloven is zij een stimulans, een voedsel en een steun in de geestelijke strijd.

Bij de opbouw nu van de christengemeenschap staan de priesters nooit in dienst van de een of andere ideologie of menselijke partij, maar als predikers van het Evangelie en als herders van de Kerk zetten zij zich geheel en al in voor de geestelijke groei van het Lichaam van Christus.

Alle priesters delen, samen met de bisschoppen, zó in één en hetzelfde priesterschap en ministerie van Christus, dat de eenheid zelf van wijding en zending een hiërarchische gemeenschap van hen met het episcopaat noodzakelijk maakt. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28 Deze gemeenschap brengen zij nu en dan treffend tot uitdrukking door de liturgische concelebratie; en bij de viering van de eucharistische bijeenkomst belijden zij hun verbondenheid met de bisschoppen. Zie de zgn. Constitutio Ecclesiastica Apostolorum, XVIII: De priesters zijn de mede-ingewijden en de medestrijders van de bosschoppen (ed. Th. Schermann, Die Allgemeine Kirchenordnung, I, Paderborn 1914, blz. 26; A. Harnach, Die quellen der sog. Apostolischen Kirchenordnung, Texte und Untersuchungen, II, 5, blz. 13, n. 18 en 19); Pseudo-Hieronymus, De bisschoppen deelgenoten van de geheimen (ed. A. W. Kalff, Würzburg, 1937, blz 45) Vgl. H. Isidorus van Sevilla, De ecclesiasticis Officiis. c. VII: Want zij hebben de leiding van de Kerk van Christus, en bij de voltrekking van het Sacrament van het goddelijk Lichaam en Bloed zijn zij de deelgenoten van de bisschoppen, en zo ook bij het onderricht aan het volk en in het predikambt” (P.L. 83, 787) De bisschoppen hebben dus in de priesters vanwege de gave van de Heilige Geest, die dezen bij de heilige wijding is gegeven, hun aangewezen helpers en raadgevers bij het heilig dienstwerk en bij hun taak om het volk Gods te onderrichten, te heiligen, te leiden. Vgl. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. II, 28, 4 (ed. F. X. Funk, blz. 108) Vgl. Apostolische Vader, Libris VIII, Constitutiones Apostolorum (1 jan 400). II, 28, 4; II, 34 3 (t.a.p., blz. 109 en 117). Dit vinden wij reeds vanaf de oudste tijden van de Kerk nadrukkelijk bevestigd in de liturgische documenten, wanneer ze voor de wijdeling God plechtig smeken om de uitstorting van “de geest van genade en raad om het volk met een zuiver hart te kunnen helpen en besturen” Vgl. Apostolische Vader, Libris VIII, Constitutiones Apostolorum (1 jan 400). VIII, 16, 4 (ed. F X. Funk, I, blz. 522, 13) zie Epitome Const. Apost., VI. (t.a.p. II, blz. 80, 3-4); Testamentum Domini: ... schenk hem de Geest van genade, van raad en grootmoedigheid, de geest van het priesterschap... om uw volk te helpen en te leiden door zijn werk, met heilige vrees en met een zuiver hart (vert. J. E. Rahmani, Mainz 1899, blz. 69). Insgelijks in Trad. Apost. (ed. B. Botte, La tradition apostolique, Münster i. W. 1963, blz. 20)., zoals in de woestijn de geest van Mozes werd meegedeeld aan zeventig wijze mannen Vgl. Num. 11, 16-25 , “van wier hulp hij zich bediende om de geweldige massa van het volk gemakkelijk te kunnen besturen.” Pontificale Romanum, “De Priesterwijding”, de Prefatie; deze woorden staan reeds in het Sacramentarium Leonianum, het Sacramentarium Gelasianum en het Sacramentarium Gregorianum. Soortgelijke uitdrukkingen vindt men ook in de oosterse Liturgieën: Zie Trad. Appost.: “...Zie neer op deze uw dienaar en schenk hem de geest van genade en raad om de priesters te helpen en uw volk te leiden met een zuiver hart, zoals gij hebt neergezien op uw uitverkoren volk en Mozes hebt bevolen, oudsten te kiezen, die Gij vervuld hebt met uw Geest, de Geest, die Gij aan uw dienaar hebt geschonken (uit de oude Latijnse vertaling van Verona, ed. B. Botte, La tradition apostolique de S. Hippolyte, Essai de reconstruction Münster i. W. 1963, blz. 20) Vgl. Apostolische Vader, Libris VIII, Constitutiones Apostolorum (1 jan 400). VIII, 16, 4 (ed. F. X. Funk, I, blz. 522, 16-17) Epist. Const. Apost. VI (ed. F. X. Funk, II, blz. 80, 5-7); Testamentum Domini (vert. I. E. Rahmani, Mainz 1899, blz. 69); Euchologium Serapionis, XXVII (ed. F. X. Funk, Didasca;ia et Constitutiones, II, blz. 190, lin 1-7); Ritus Orientalium, II, Würzburg 1863, blz 161). Van de Vaders kan men citeren Theodorus van Mopsueste, In 1 Tim. 3, 8 (ed. Swete, II, blz 119-121); Theodoretus, Questiones in Numeros, VXIII: P.G. 80, 372b. Vanwege deze gemeenschap in hetzelfde priesterschap en dezelfde bediening moeten de bisschoppen de priesters beschouwen als hun broeders en vrienden Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28 en moeten zij hun stoffelijk en vooral hun geestelijk welzijn naar vermogen behartigen. Want het zijn de bisschoppen, die de zware verantwoordelijkheid dragen voor de heiligheid van hun priesters. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Bij gelegenheid van de 100e sterfdag van de H. Pastoor van Ars, Sacerdotii Nostri primordia (1 aug 1959), 59 Vgl. H. Paus Pius X, Apostolische Exhortatie, Over de heiligheid van de priesters, Haerent animo - Ad Clerum (4 aug 1908) Laten zij daarom alle zorg besteden aan de voortdurende vorming van hun priestercollege. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk, Christus Dominus (28 okt 1965), 15-16 Laten zij graag luisteren naar hun advies en hierom zelfs vragen, en met hen overleggen omtrent de eisen van het pastorale werk en omtrent het welzijn van het diocees. Tot verwezenlijking van dit doel moet er een commissie of senaat H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Magnesiërs, Epistula ad Magnesios. 6, 1: “Ik spoor u hiertoe aan: beijvert u, alles te doen in de eendracht van God, terwijl de bisschop voorzit in de plaats van God en de priesters in plaats van de senaat der apostelen en aan de mij zo dierbare diakens de dienst van Jezus Christus is toevertrouwd, die vóór de eeuwen bij de Vader was en aan het eind (der tijden) is verschenen” (ed. F. X. Funk, I, 195) (vertaling volgens D. Fransen o.f.m., De Apostolische Vaders, Hilversum 1941, blz. 110-111) H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Christenen van Trallia, Epistula ad Trallianos. 3, 1: “Maar evenzo moeten allen eerbied hebben voor de diakens als voor Jezus Christus gelijk ook voor de bisschop als afbeelding van de vergadering der apostelen. Buiten dezen is er van een Kerk geen sprake” (t.a.p. blz. 204: vert. Fransen, a.w., blz. 116) H. Hieronymus, In Isaiam. II 3 (P.L. 24, 61 A): “Ook wij hebben in de Kerk onze senaat, de vergadering van de priesters”. van priesters zijn, die het priestercollege vertegenwoordigt. Deze zal functioneren op een wijze die is aangepast aan de moderne omstandigheden en behoeften Het bestaande recht kent reeds het kathedraal kapittel als “de senaat en de raad” van de bisschop (Kerkelijk Wetboek, c. 391), of waar dit ontbreekt, een raad van diocesane consultoren (zie Kerkel. Wetb. cc. 423-428). Het is echter gewenst om deze instellingen zo te wijzigen, dat zij beter voldoen in de huidige omstandigheden en noden. Het is duidelijk, dat de genoemde raad, waarover gesproken wordt in het Decreet Christus Dominus van 28 oktober 1965 over het herderlijk behoren en die alleen tot taak heeft de bestudering van de problemen omtrent de pastorale werkzaamheden. Vgl. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. Over de priesters als raadgevers van de bisschoppen vindt men nog gegevens hier: II, 28, 4 (ed. F. X. Funk, I, blz. 208) Vgl. Apostolische Vader, Libris VIII, Constitutiones Apostolorum (1 jan 400). eveneens: II, 28, 4 (ed. F. X. Funk, I, blz. 109) Vgl. H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Magnesiërs, Epistula ad Magnesios. 6, 1 (ed. F. X. Funk, I, 194) Vgl. H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Christenen van Trallia, Epistula ad Trallianos. 3, 1 (ed. F.X. Funk, I, 204) Vgl. Origenes van Alexandrië, Contra Celsum. 3, 30: De priesters zijn raadgevers of “bouleutai” (P.G. 11, 957d-960a). en in een vorm en volgens normen, door het recht vast te stellen, en hij zal met zijn adviezen voor de bisschop bij het bestuur van het diocees een krachtige steun moeten zijn.

De priesters van hun kant moeten voor ogen houden, dat de bisschoppen de volheid van het wijdingssacrament bezitten en daarom in hen het gezag van Christus, de opperste Herder, eerbiedigen. Zij moeten dus in oprechte liefde en gehoorzaamheid achter hun bisschop staan. Vgl. H. Paus Paulus VI, Toespraak, Tot de priesters en de vastenpredikers van Rome (1 mrt 1965), 7. A.A.S. 57 (1965) 326. Deze priesterlijke gehoorzaamheid, bezield door een verlangen tot samenwerking, is gebaseerd op het feit dat de priesters delen in de bisschoppelijke bediening, zoals hun dit gegeven wordt door het wijdingssacrament en de canonieke zending. Vgl. Apostolische Vader, Libris VIII, Constitutiones Apostolorum (1 jan 400). VIII, 47, 39: De priesters... mogen niets ondernemen zonder het oordeel van de bisschop, want hij is het, aan wie het volk van de Heer is toevertrouwd en die verantwoording voor hun zielen zal hebben af te leggen (ed. F. X. Funk, blz. 577).

De eenheid van de priesters met de bisschoppen is tegenwoordig noodzakelijker dan ooit, omdat in onze tijd door verschillende oorzaken de apostolische initiatieven niet alleen de meest gevarieerde vormen moeten aannemen, maar ook verder moeten reiken dan de grenzen van één parochie of één diocees. Geen enkele priester kan daarom alleen en als het ware op zichzelf zijn zending naar behoren vervullen, maar hij kan dit slechts in samenwerking met de andere priesters onder de leiding van hen, die de Kerk besturen.

Omdat de priesters door de wijding zijn opgenomen in de priesterstand, zijn zij allen door een sacramentele broederlijkheid nauw met elkaar verbonden; en met name vormen zij één priestercollege in het diocees, waarvan zij in dienst staan onder de eigen bisschop. Want ook al zijn de taken die zij te vervullen hebben, verschillend, toch oefenen zij éénzelfde priesterlijke bediening uit voor het welzijn van de mensen. Alle priesters ontvangen immers de zending om mee te werken aan hetzelfde werk, hetzij zij een parochiële of interparochiële bediening uitoefenen, of zich wijden aan de studie of aan het onderricht, of handenarbeid verrichten om zo het lot te delen van de arbeiders zelf, waar dit wenselijk lijkt met goedkeuring van het bevoegde gezag, of tenslotte direct of indirect andere apostolische arbeid volbrengen. Allen zetten zij zich gezamenlijk in voor hetzelfde doel, n.l. de opbouw van het Lichaam van Christus, hetgeen vooral in onze tijd de meest verschillende functies en nieuwe aanpassingen vraagt. Daarom is het van het grootste belang, dat alle priesters, diocesane zowel als reguliere elkaar helpen om altijd de zaak van de waarheid te steunen. Vgl. 3 Joh. 8 Iedere priester is dus met de andere leden van dit priestercollege verbonden door bijzondere banden van apostolische liefde, bediening en broederlijkheid. Dit vinden wij reeds vanaf de oudste tijd uitgedrukt in de liturgie, wanneer de aanwezige priesters worden uitgenodigd om samen met de wijdende bisschop aan de wijdeling de handen op te leggen, en wanneer zij in eensgezindheid bij de eucharistische viering concelebreren. Elke priester is dus met zijn medebroeders verenigd door de band van liefde, gebed en volledige samenwerking, en dit is een uiting van de eenheid, waardoor volgens Christus’ wil de zijnen volmaakt één moeten zij, opdat de wereld zal erkennen, dat de Zoon gezonden is door de Vader. Vgl. Joh. 17, 23

Derhalve moeten de ouderen de jongeren werkelijk als broeders aanvaarden en hen steunen bij de eerste activiteiten en verantwoordelijkheden van hun priesterlijke taak; zij moeten hun mentaliteit, ook waar deze van de hunne verschilt, trachten te begrijpen, en welwillend staan tegenover huninitiatieven. De jongeren van hun kant moeten eerbied hebben voor de leeftijd en de ervaring van de ouderen; zij moeten met hen overleg plegen aangaande de problemen van de zielzorg en loyaal met hen samenwerken.

Laten de priesters in een geest van broederlijkheid ook de gastvrijheid beoefenen Vgl. Hebr. 13, 1-2 , de weldadigheid en de onderlinge bijstand Vgl. Hebr. 13, 16 , en laten zij zich vooral bezorgd tonen voor hen, die ziek zijn, bedroefd, te zeer met werk overladen, eenzaam, uit hun vaderland verdreven, en voor hen, die vervolging lijden. Vgl. Mt. 5, 10 Het is ook goed, dat zij graag bij elkaar komen voor een aangename ontspanning, volgens de woorden, waarmee de Heer zelf zijn vermoeide apostelen uitnodigde: “Komt nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit” (Mc. 6, 31). Willen de priesters elkaar tot steun zijn in hun geestelijk leven en hun intellectuele ontwikkeling, hun onderlinge samenwerking bevorderen bij de uitoefening van hun bediening, en gevrijwaard blijven tegen eventuele gevaren van de eenzaamheid, dan moet men streven naar een gemeenschappelijk leven. Dit kan op verschillende manieren worden verwezenlijkt naar gelang van de persoonlijke of pastorale behoeften, n.l. door samen te wonen, waar dit mogelijk is, of door gezamenlijke maaltijden of tenminste door veelvuldige en geregelde bijeenkomsten. Ook moet men grote waarde hechten aan bepaalde verenigingen n.l. die op basis van statuten, door het bevoegde kerkelijk gezag goedgekeurd, de heiligheid van de priesters bij de uitoefening van hun bediening willen bevorderen door een geschikte en goedgekeurde levensregel en door broederlijk hulpbetoon, en die zo heel de priesterstand van dienst willen zijn.

Tenslotte moeten de priesters op grond van hun verbondenheid in het priesterschap zich op bijzondere wijze verantwoordelijk voelen voor hen, die in moeilijkheden verkeren; zij moeten hen bijtijds trachten te helpen, ook, waar het nodig is, door een discrete vermaning. En mochten sommigen in een of ander punt zwak zijn geweest, laten zij hen dan steeds tegemoet treden met broederlijke liefde en met een groot begrip; laten zij vurig voor hen bidden en zich bij iedere gelegenheid hun ware broeders en vrienden tonen.

De Herder en Behoeder van onze zielen Vgl. 1 Petr. 2, 25 heeft bij de stichting van zijn Kerk gewild, dat het Volk hetwelk Hij heeft uitverkoren en zich verworven door zijn Bloed Vgl. Hand. 20, 28 , altijd en tot aan het eind van de wereld zijn priesters zou bezitten om te voorkomen, dat de christenen ooit zouden zijn als schapen zonder herder. Vgl. Mt. 9, 36 Deze wil van Christus eerbiedigend hebben de apostelen op ingeving van de Heilige Geest het als hun plicht beschouwd, bedienaren uit te kiezen, "die bekwaam zouden zijn om op hun beurt anderen te onderrichten” (2 Tim. 2, 2) Deze plicht behoort tot de priesterlijke zending zelf, die de priester deel geeft aan de zorg voor de gehele Kerk, opdat het Volk Gods hier op aarde nooit van werkers verstoken zou zijn. Omdat echter “de bestuurder van een schip en de opvarenden... gemeenschappelijke belangen hebben” Ponitificale Romanum, Over de priesterwijding., moet heel het christenvolk gewezen worden op zijn plicht om op verschillende manier – door vurig gebed en door andere beschikbare middelen Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 2 – ertoe bij te dragen, dat de Kerk altijd de priesters ter beschikking heeft, die nodig zijn voor het vervullen van haar goddelijke zending. Het moet dus een allereerste zorg zijn van de priesters, door de bediening van het woord en door het getuigenis van een leven dat duidelijk de geest van dienstbaarheid en de echte paasvreugde uitstraalt, aan de gelovigen de grootheid en de noodzakelijkheid van het priesterschap voor te houden. En als zij bepaalde personen, jongeren of volwassenen, voor deze verheven bediening werkelijk geschikt achten, dan zullen zij ondanks alle zorgen en moeilijkheden hen trachten te helpen om zich goed voor te bereiden en zo eens door de bisschoppen geroepen te kunnen worden, met volledige eerbiediging uiteraard van hun uiterlijke en innerlijke vrijheid. Voor de verwezenlijking van dit doel is een degelijke en verstandige geestelijke leiding van het grootste gewicht. Ouders en leraren en allen, die hoe dan ook te maken hebben met het onderricht aan kinderen en jonge mensen, moeten hun een vorming geven, waardoor zij de zorg van de Heer voor zijn kudde leren kennen en oog krijgen voor de noden van de Kerk, zodat zij graag en edelmoedig op Gods roepstem antwoorden met de profeet: “Hier ben ik, zend mij” (Jes. 6, 8). Men mag echter niet verwachten, dat de toekomstige priester deze roepstem van de Heer op de een of andere buitengewone wijze zal vernemen. Deze stem moet veeleer verstaan en beoordeeld worden vanuit de tekenen, die Gods wil iedere dag doen kennen aan christenen, die nadenken; en de priesters moeten deze tekenen nauwkeurig volgen. (De roepstem van God uit zich op twee verschillende wonderbare en elkaar aanvullende wijzen: de ene is de innerlijke, die van de genade, die van de Heilige Geest, de onuitsprekelijke wijze van de innerlijke aantrekking die de machtige en “stille stem” van de Heer uitoefent in de onpeilbare diepten van de menselijke ziel; en de andere, de uiterlijke, menselijke, waarneembare, sociale, juridische, concrete, die van de gekwalificeerde bedienaren van het woord Gods, van de apostel, van de hiërarchie, die het onontbeerlijk werktuig is, door Christus ingesteld en gewild als middel dat de boodschap van het Woord en het goddelijk gebod moet omzetten in een waarneembare taal. Dit is de katholieke leer in aansluiting aan St. Paulus: "Hoe kan men van Hem horen, als niemand Hem verkondigt... het geloof ontstaat door de prediking" (Rom. 10, 14.17) Paus Paulus VI, Toespraak 5 mei 1965 L’Osservatore Romano van 6 mei 1965, p. 1).

Daarom wordt hun dringend het werk voor de roepingen aanbevolen, hetzij op diocesaan hetzij op nationaal vlak. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 2 In preken, in de catechese, in tijdschriften moeten de noden van de plaatselijke en van de universele Kerk duidelijk worden besproken en moet de zin en de grootheid van de priesterlijke bediening helder worden belicht; men moet laten zien hoe het priesterschap een zware verantwoordelijk met zich meebrengt, maar ook diepe vreugde en vooral hoe men daarin aan Christus volgens de leer van de Vaders het hoogste getuigenis van liefde kan geven. Dit leren de vaders bij hun uitleg van Christus’ woorden tot Petrus: “Hebt gij mij lief? ... Weid mijn schapen” (Joh, 21, 17); zo St. Joannes Chrysostomus, De sacerdotio II, 1-2: P.G. 48, 633); St. Gregorius de Grote, Reg. Past. Liber P. I, c. 5: P.L. 77, 19a.

De eigen weg voor de priesters om de heiligheid te bereiken is hierin gelegen, dat zij hun verschillende taken loyaal en zonder zich te sparen vervullen in de Geest van Christus.

Als bedienaars van Gods woord lezen en horen zij iedere dag dit woord van God, dat zij aan anderen moeten leren; en als zij het tevens in zichzelf trachten op te nemen, zullen zij steeds volmaaktere leerlingen worden van de Heer, volgens het woord van de apostel Paulus aan Timoteüs: “Neem dit alles ter harte, ga er geheel in op, dan zullen uw vorderingen voor allen zichtbaar zijn. Blijf voortdurend zorg besteden aan u zelf en aan uw onderricht. Zodoende redt gij uzelf en hen, die naar u luisteren” (1 Tim. 4, 15-16). Want zoekende, hoe zij de vrucht van hun overweging beter aan de andere kunnen doorgaven Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. II-II. q. 188, a.7, zullen zij een dieper inzicht krijgen in “de ondoorgrondelijke rijkdom van de Christus” (Ef. 3, 8) en in de veelvoudige wijsheid Gods. Vgl. Ef. 3, 9-10 Wanneer zij voor ogen houden, dat de Heer de harten ontvankelijk maakt Vgl. Hand. 16, 14 en dat de grote kracht niet van hen zelf komt, maar van God Vgl. 2 Kor. 4, 7 , zullen zij juist door het verkondigen van het woord nauwer verenigd worden met Christus-Leraar en geleid worden door zijn Geest. Door aldus in gemeenschap te treden met Christus krijgen zij deel aan de liefde van God, waarvan het geheim, dat voor de eeuwen verborgen was Vgl. Ef. 3, 9 , in Christus is geopenbaard.

Als bedienaars van het heilige, vooral bij het offer van de Mis, treden de priesters op bijzondere wijze op in naam van Christus, die zichzelf als slachtoffer heeft gegeven voor de heiliging van de mensen. Dit is voor hen een aansporing om na te volgen wat zij verrichten, om n.l. waar zij het geheim vieren van de dood des Heren, in zich de ondeugden en begeerten te doen sterven. Vgl. Congregatie voor de Riten, Cæremoniale Episcoporum (17 aug 1886). De priesterwijding. In het geheim van het eucharistische offer, waarin de priesters hun voornaamste taak vervullen, wordt het werk van onze verlossing telkens opnieuw werkelijkheid Vgl. H. Paus Paulus VI, Apostolische Constitutie, ex Decr. Sacr. Oec. Conc. Vat. II instauratum, auctoritate Pauli PP. VI promulgatum, ed. typica, Missale Romanum (3 apr 1969). Gebed over de offergaven, op de negende zondag na Pinksteren., en daarom wordt dringend de dagelijkse viering ervan aanbevolen, die immers een act is van Christus en de Kerk, ook wanneer de gelovigen er niet bij tegenwoordig kunnen zijn. Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de leer en de verering van de Heilige Eucharistie, Mysterium Fidei (3 sept 1965), 32-33. “Want iedere Mis, ook al wordt ze privé door de priester gecelebreerd, is toch geen privé-zaak, maar een akt van Christus en de Kerk. De Kerk immers heeft geleerd om in het offer, dat zij opdraagt, zichzelf als een universeel offer op te dragen, en zij past daarin de unieke en oneindige verlossingskracht van het kruisoffer toe op de gehele wereld, tot heil van enkele, maar ook voor dat van de gehele wereld... Daarom sporen wij de priesters, die heel bijzonder onze vreugde en onze kroon uitmaken in de Heer, vaderlijk en dringend aan om... dagelijks waardig en met godsvrucht de Mis te vieren" Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 26-27 Door zich te verenigen met de daad van Christus-Priester offeren de priesters zich zo iedere dag geheel op aan God, en door zich te voeden met het Lichaam van Christus krijgen zij innig deel aan de liefde van Hem, die zich aan de gelovigen als spijs geeft. Eveneens verenigen zij zich bij het toedienen van de sacramenten met de bedoeling en de liefde van Christus. Dit geldt bijzonder voor het sacrament van boetvaardigheid, wanneer zij zich daarvoor altijd en graag beschikbaar stellen, telkens als de gelovigen hiertoe een redelijk verlangen te kennen geven. Bij het bidden van het Goddelijk Officie vertolken zij de stem van de Kerk, die in naam van de gehele mensheid volhardt in het gebed, samen met Christus, die “altijd leeft om hun voorspraak te zijn” (Hebr. 7, 25)

Bij het besturen en leiden van het volk Gods vinden zij in de liefde van de Goede Herder een stimulans om hun leven te geven voor hun schapen Vgl. Joh. 10, 11 en zijn zij ook tot het hoogste offer bereid, op het voorbeeld van de priesters, die ook in onze tijd niet geaarzeld hebben hun leven te geven. Als leermeesters in het geloof, met “de blijde zekerheid... het heiligdom te mogen binnengaan in Jezus’ Bloed” (Hebr. 10, 19), naderen zij tot God “met een oprecht hart en een vast geloof” (Hebr. 10, 22). Zij zijn voor hun gelovigen de getuigen van een vaste hoop Vgl. 2 Kor. 1, 7 om hen in al hun noden te kunnen troosten met de troost, die zij zelf van God ontvangen. Vgl. 2 Kor. 1, 4 Als leiders van de gemeenschap beoefenen zij de ascese, die eigen is aan de zielzorger, door n.l. niet uit te zijn op eigen voordeel en niet hun eigen belang te zoeken, maar dat van de gemeenschap, opdat allen gered worden Vgl. 1 Kor. 10, 33 , en door een voortdurend streven naar de vervolmaking van hun pastoraal werk en hun bereidheid om, zo nodig, nieuwe pastorale methoden ter hand te nemen, onder de leiding van de Geest van liefde, die waait, waar Hij wil. (Joh. 3, 8)

Omdat de mensen in de wereld van onze tijd zozeer met werkzaamheden zijn overladen en overstelpt worden met zoveel verschillende problemen, die vaak om een snelle oplossing vragen, lopen zij maar al te dikwijls gevaar innerlijk verdeeld te worden door zoveel verschillende dingen. Ook bij de priesters, totaal in beslag genomen en verstrooid door de talrijke verplichtingen van hun ambt, kan de angstige vraag opkomen hoe zij hun innerlijk leven in harmonie kunnen brengen met hun uiterlijke activiteit. Deze eenheid van leven kan niet alleen maar door een uiterlijk program van werkzaamheden en ook niet alleen maar door een geregeld verrichten van godsvruchtige oefeningen tot stand komen, al zijn deze zaken daarvoor zeer nuttig. Maar wel kunnen de priesters tot deze eenheid komen door bij de vervulling van hun bediening het voorbeeld te volgen van Christus de Heer, wiens spijs het was, de wil te doen van Degene, die Hem gezonden had om zijn werk te volbrengen. (Joh. 4, 34)

Het is inderdaad Christus die zich van zijn dienaars bedient om voortdurend in de wereld de wil van zijn Vader te verwezenlijken door de Kerk, en daarom blijft altijd het beginsel en de bron van de eenheid in hun leven. De priesters zullen daarom tot deze eenheid geraken door zich met Christus te verenigen in het kennen van de wil van de Vader en in het wegschenken van zichzelf voor de hun toevertrouwde gelovigen. Vgl. 1 Joh. 3, 16 Zo zullen zij, door de Goede Herder te vertegenwoordigen, juist in de uitoefening van de herderlijke liefde de band van priesterlijke volmaaktheid vinden, die eenheid schept tussen hun leven en hun activiteit. Deze herderlijke liefde H. Augustinus, In Iohannis Evangelium Tractatus. 123, 5: P.L. 35, 1967; “Het is een taak van liefde, de kudde van de Heer te leiden” vindt allereerst haar oorsprong in het eucharistisch offer, dat daarom het middelpunt en de wortel is van heel het leven van de priester, zodat het priesterleven zich beijvert te weerspiegelen wat op het offeraltaar plaats heeft. Dit is echter niet mogelijk zonder dat de priesters steeds dieper in het geheim van Christus doordringen door het gebed.

Willen zij de eenheid van hun leven ook correct verwezenlijken, dan moeten zij al hun initiatieven beschouwen in het licht van Gods wil Vgl. Rom. 12, 2 en zich afvragen in hoever deze initiatieven in overeenstemming zijn met de normen van de evangelische zending van de Kerk. Want de trouw jegens Christus is onafscheidelijk verbonden met de trouw jegens zijn Kerk. De herderlijke liefde vraagt daarom dat de priesters, wil hun arbeid niet vergeefs zijn Vgl. Gal. 2, 2 , altijd werken in nauwe verbondenheid met de bisschoppen en met hun medebroeders in het priesterschap. Aldus zullen de priesters de eenheid van hun leven vinden in de eenheid zelf van de zending van de Kerk, en zó zullen zij verenigd blijven met hun Heer en door Hem met de Vader in de Heilige Geest, zodat zij met troost vervuld kunnen worden en hun blijdschap overvloedig kan zijn. Vgl. 2 Kor. 7, 4

Document

Naam: PRESBYTERORUM ORDINIS
Over het leven en dienst van de priester
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Datum: 7 december 1965
Copyrights: © 1967, Ecclesia Docens 0797, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 4 december 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam