• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het diocees is een deel van het volk Gods, dat wordt toevertrouwd aan herderlijke zorg van de bisschop, bijgestaan door zijn priestercollege. Zo vormt het diocees in gemeenschap met zijn herder en door deze samengebracht in de H. Geest door middel van het Evangelie en de Eucharistie, een particuliere Kerk, waarin de éne, heilige, katholieke en apostolische Kerk van Christus werkelijk aanwezig en werkzaam is.

De afzonderlijke bisschoppen, aan wie de zorg voor een particuliere Kerk is opgedragen, leiden hun schapen in de naam des Heren als de eigen, gewone en rechtstreekse herders ervan, onder het gezag van de paus, en zij oefenen over hen de taak uit van onderricht, heiliging en bestuur. Zij moeten echter de rechten erkennen, die rechtmatig toekomen aan de patriarchen of aan andere hiërarchische autoriteiten. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de Oosterse Kerken, Orientalium Ecclesiarum (21 nov 1964), 7-11

De bisschoppen moeten hun apostolisch ambt behartigen als getuigen van Christus ten overstaan van alle mensen; en zij moeten daarbij niet alleen zorg dragen voor hen, die reeds de Opper-herder volgen, maar zich ook met heel hun hart wijden aan hen, die hoe dan ook van de weg der waarheid zijn afgeweken of die het Evangelie en de heilbrengende barmhartigheid van Christus nog niet kennen, opdat eens allen zullen leven "in alle goedheid, gerechtigheid en waarheid" (Ef. 5, 9).

Bij de uitoefening van hun leraarsambt moeten de bisschoppen aan de mensen het Evangelie van Christus verkondigen, hetgeen een van hun voornaamste taken is Zie Concilie van Trente, Sess. V, Decr. de reform., c. 2: Mansi 33, 30; Sess. XXIV, Decr. de reform., c. 4: Mansi 33, 159 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 25. Zij moeten de mensen in de kracht van de Geest roepen tot het geloof of hen bevestigen in het levend geloof. Zij moeten hun gehele Christusmysterie voorhouden, de waarheden nl. die men noodzakelijk moet kennen, wil men Christus kennen, en hun ook de door God geopenbaarde weg wijzen, die voert tot de verheerlijking van God en daardoor tot het eeuwig geluk. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 25

Zij moeten hun bovendien duidelijk maken, dat ook de aardse waarden en de menselijke instellingen volgens het plan van God, de Schepper, mede gericht zijn op het heil van de mensen en daarom veel kunnen bijdragen tot de opbouw van het Lichaam van Christus.

Zij behoren dus de mensen te leren, hoe groot, volgens de leer van de Kerk, de waarde is van de menselijke persoon, met haar vrijheid en lichamelijk leven; van het gezin, zijn eenheid en hechtheid, van het voortbrengen en opvoeden van kinderen; van de burgerlijke samenleving met haar wetten en verschillende beroepen; van arbeid en vrije tijd, van kunst en techniek; van armoede en welvaart. Zij zullen tenslotte aangeven, langs welke weg men de ernstige problemen moet oplossen omtrent het bezit, de toename en de juiste verdeling van de stoffelijke goederen, omtrent vrede en oorlog, omtrent het broederlijk samenleven van alle volken. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963)

De bisschoppen moeten het catechetisch onderricht, dat tot doel heeft, het geloof bij de mensen levend, bewust en werkzaam te maken door een verhelderende uiteenzetting, met grote zorg doen geven aan de kinderen en de opgroeiende jeugd, aan de jonge mensen en de volwassenen. Zij moeten erop letten, dat hierbij de juiste orde en methode worden gevolgd, aangepast niet alleen aan te behandelen stof, maar ook aan de mentaliteit, het begrip, de leeftijd en de levensomstandigheden van de toehoorders; zij moeten erop toezien, dat dit onderricht zich baseert op de heilige Schrift, de traditie, de liturgie, het leerambt en het leven van de Kerk.

Zij moeten er bovendien voor zorgen, dat de catecheten behoorlijk worden opgeleid voor hun taak: dat zij de leer van de Kerk grondig kennen, en dat zij zich theoretisch en praktisch inwerken in de wetten van de psychologie en in de pedagogische vakken.

Zij zullen ook maatregelen nemen voor de wederinvoering of de vernieuwing van het onderricht aan de volwassenen catechumenen.

Bij de uitoefening van hun heiligende taak zullen de bisschoppen voor ogen houden, dat zij uit de mensen zijn genomen en voor de mensen worden aangesteld ten behoeve van hun verhouding tot God, om gaven en offers op te dragen voor de zonden. De bisschoppen bezitten immers de volheid van het Wijdingssacrament. Zowel de priesters, de eveneens gewijd tot echte priesters van het nieuwe verbond om zorgzame medewerkers te kunnen zijn van het te kunnen zijn van het Episcopaat, alsook de diakens, die krachtens hun wijding tot dienstbetoon, in gemeenschap met de bisschop te en zijn priestercollege ter beschikking staan van het volk Gods, zijn in de uitoefening van hun macht afhankelijk van de bisschoppen. De bisschoppen zelf zijn dus de voornaamste beheerders van Gods geheimen, en in de hun toevertrouwde Kerk zijn zij het, die heel het liturgisch leven regelen, bevorderen en er een waakzaam oog op houden. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 22-25 Vgl. H. Paus Paulus VI, Motu Proprio, Over het van kracht worden van bepaalde voorschriften van de Constitutie over de Heilige Liturgie, door het Tweede Vaticaans Concilie goedgekeurd, Sacram Liturgiam (25 jan 1964)

Zij moeten er daarom steeds voor werken, dat de gelovigen door de Eucharistie dieper doordringen in de kennis van het Paasmysterie en dit leren beleven, om zo één hecht verbonden Lichaam te vormen in de eenheid van Christus’ liefde. Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de Heilige Liturgie, Mediator Dei et hominum (20 nov 1947) Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de leer en de verering van de Heilige Eucharistie, Mysterium Fidei (3 sept 1965) "Zich wijdend aan het gebed en de bediening van he woord" (Hand. 6,4.), moeten zij ernaar streven, dat al hun diocesanen eensgezind zijn in het gebed Vgl. Hand. 1, 14 Vgl. Hand. 2, 46 , groeien in de genade door het ontvangen van de Sacramenten en trouwe getuigen zijn van de Heer. Omdat zij de gelovigen tot de volmaaktheid moeten voeren, zullen de bisschoppen hun geestelijkheid, de religieuzen en de leken tot heiligheid trachten te brengen volgens ieders bijzondere roeping Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 44-45, in het besef dat zij de plicht hebben om zelf een voorbeeld van heiligheid te zijn door liefde, nederigheid en eenvoud van leven. Zij zullen de hun toevertrouwde Kerken zozeer trachten te heiligen, dat de geest van de universele Kerk van Christus daarin volledig tot uitdrukking komt. Daarom moeten zij de roepingen tot het priesterschap en het kloosterleven zo krachtig mogelijk stimuleren, met een bijzondere aandacht voor de roeping tot missionaris.

Omdat alle priesters, diocesane en de reguliere, samen met de bisschop delen in het ene priesterschap van Christus en dit met hem uitoefenen, zijn zij de zorgzame medehelpers van het bisschopsambt. Bij het verrichten echter van de zielzorg nemen de diocesane priesters de eerste plaats in, omdat zij, als zijnde geïncardineerd in een particuliere Kerk of daaraan verbinden, zich geheel wijden aan de dienst daarvan voor de zielzorg van een bepaald deel van Christus’ kudde. Zij vormen daarom samen één priestercollege en één gezin, waarvan de bisschop de vader is. Om het heilig dienstwerk juister en billijker onder zijn priesters te kunnen verdelen moet de bisschop de nodige vrijheid hebben bij het verleden van ambten en beneficies; daarom worden de rechten en privileges, die deze vrijheid hoe dan ook beperken, afgeschaft.

De verhouding tussen de bisschoppen en de diocesane priesters moet vooral gedragen worden door bovennatuurlijke liefde; zó zal door het eensgezinde streven van de priesters en de bisschop hun pastorale activiteit een grotere vruchtbaarheid krijgen. Daarom zal de bisschop met het oog op een steeds sterkere intensivering van de zielzorg zijn priesters nu en dan bijeenroepen voor een gesprek bij voorkeur een gemeenschappelijk gesprek, vooral over pastorale kwesties, en dit niet alleen bij toevallige gelegenheden, maar zoveel mogelijk ook op geregelde tijden.

Bovendien behoren alle diocesane priesters in een grote eensgezindheid met elkaar te leven en een diep besef te hebben van hun verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn van het gehele diocees. Ook mogen zij niet vergeten, dat de stoffelijke goederen, die zij ontvangen uit hoofde van hun kerkelijke ambt, nauw samenhangen met hun heilige bediening; en daarom zullen zij ook naar vermogen royaal bijdragen tot leniging van de stoffelijke noden van het diocees, volgens de bepaling van de bisschop.

De voornaamste medewerkers echter van de bisschop zijn de pastoors, die als de eigen herders worden belast met de zielzorg in een bepaald gedeelte van het diocees onder het gezag van de bisschop.
  1. Bij het uitoefenen van deze zielzorg moeten de pastoors, samen met hun medehelpers, de taak van onderricht, heiliging en bestuur zo vervullen, dat gelovigen en de parochiegemeenschappen zich werkelijk leden gaan voelen van het diocees en van heel de universele Kerk. Daarom dienen zij samen te werken met de andere pastoors en ook met de priesters, die in dat gebied een pastorale taak hebben (zoals bijv. de dekens) of die bestemd zijn voor interparochiële werken, om zo aan de pastorale zorg in het diocees de nodige eenheid te geven en ze doeltreffender te maken.

    Bovendien moet de zielzorg altijd gedragen worden door een missionaire geest, waardoor ze op de vereiste manier alle inwoners van de parochie zal omvatten. Zouden de pastoors bepaalde groepen van mensen niet kunnen bereiken, dan zullen zij een beroep doen op anderen, ook leken, die hen kunnen helpen op het terrein van het apostolaat.

    Met het oog op een grotere vruchtbaarheid van de zielzorg wordt aan de priesters, vooral wanneer zij aan eenzelfde parochie zijn verbonden, het gemeenschappelijk leven ten zeerste aanbevolen. Dit bevordert immers het apostolisch werk en is voor de gelovigen een voorbeeld van liefde en eenheid.

  2. Bij het vervullen van hun leraarsambt hebben de pastoors tot taak: het woord van God te prediken aan alle gelovigen, opdat dezen, geworteld in het geloof, de hoop en de liefde, groeien in Christus, en de christengemeenschap het getuigenis van liefde kan geven, waartoe de Heer heeft aangespoord Vgl. Joh. 13, 35 ; verder: de gelovigen door catechetisch onderricht, aangepast aan iedere leeftijd, te brengen tot de volle kennis van het heilsmysterie. Voor dit onderricht zullen zij niet alleen de hulp inroepen van de religieuzen, maar ook de medewerking van de leken, eventueel door de oprichting van de "Broederschap van de christelijke leer".

    Bij hun werk van heiliging zullen de pastoors ervoor zorgen, dat de viering van het eucharistisch offer het middelpunt en het hoogtepunt vormt van heel het leven van de christengemeenschap. Zij zullen ernaar streven, dat de gelovigen geestelijk worden gesterkt door het godvruchtig en veelvuldig ontvangen van de sacramenten en door de bewuste en actieve deelname aan de liturgie. Laten de pastoors ook niet vergeten, hoezeer het sacrament van boetvaardigheid bijdraagt tot de verdieping van het christelijk leven. Daarom moeten zij de gelovigen graag gelegenheid geven, hun biecht te spreken, en, als het nodig is, hiervoor ook de hulp inroepen van andere priesters, die meerdere talen machtig zijn.

    Bij het vervullen van hun taak als herder moeten de pastoors op de eerste plaats hun parochianen leren kennen. En omdat zij de dienaars van alle gelovigen zijn, moeten zij het christelijk leven stimuleren bij iedereen afzonderlijk, in de gezinnen, in de verengingen, vooral in die met een apostolisch doel, en in de gehele parochiegemeenschap. Daarom behoren zij huisbezoek en schoolbezoek te houden volgens de eisen van hun herderlijke taak; zij zullen grote aandacht besteden aan de opgroeiende jeugd en jonge mensen; zij zullen een vaderlijke liefde tonen voor de armen en de zieken; zij zullen tenslotte een bijzondere zorg hebben voor de arbeiders, en de gelovigen aansporen tot het steunen van de apostolaatwerken.

  3. De kapelaans verlenen als medewerkers van de pastoor dagelijks een voortreffelijke en daadwerkelijke hulp aan het pastorale dienstwerk, onder het gezag van de pastoor. Daarom moeten de pastoor en de kapelaans broederlijk met elkaar omgaan en moet er altijd tussen hen een wederzijdse liefde en hoogachting bestaan. Zij zullen elkaar door raad, daad en voorbeeld tot steun zijn, en eensgezind en met gezamenlijke inspanning de zorg voor de parochie behartigen.

Om te komen tot een eensgezinde uitoefening van het apostolaat in de verschillende diocesen en om de eenheid van leven en orde in het diocees veilig te stellen worden de volgende fundamentele beginselen opgesteld.

  1. Alle religieuzen zullen de bisschoppen, als opvolgers van de apostelen, steeds met toegewijde volgzaamheid en eerbied bejegenen. Bovendien moeten zij, wanneer hun rechtmatig een apostolaatwerken wordt opgedragen, hun taak vervullen als medehelpers van de bisschop en onder zijn leiding. Vgl. Paus Pius XII, Toespraak, Tot de religieuzen (8 nov 1950), 8 Vgl. H. Paus Paulus VI, Toespraak, Tot vertegenwoordigers van Generale Kapittels van religieuze orden en congregaties, Magno gaudio (23 mei 1964), 24. A.A.S. 56 (1964) 571 (Eccl. Doc. 0718, blz. 101, n. 24) Zelfs zullen de religieuzen bereidwillig en loyaal gehoor geven aan de verzoeken en wensen van de bisschoppen om nog krachtiger aan de zielzorg deel te nemen, met behoud evenwel van het eigen karakter van het instituut en met eerbiediging van de Constituties; deze laatste zullen zo nodig aan dit doel worden aangepast, waarbij de beginselen van dit conciliedecreet als richtlijn zullen dienen.

    Gezien de dringende geestelijke nood van de mensen en het gering aantal diocesane priesters, kunnen de religieuze instituten, die geen louter contemplatief leven leiden, door de bisschoppen worden gevraagd vooral om hun medewerking bij de verschillende pastorale bedieningen, waarbij men rekening moet houden met het eigen karakter van elk instituut. En de Oversten zullen hun onderhorigen zoveel mogelijk hiertoe stimuleren, ook tot het aannemen van parochies, eventueel slechts voor een bepaalde tijd.

  2. De religieuzen, die worden bestemd voor apostolaatwerk naar buiten, moeten de geest van hun eigen instituut bewaren, trouw blijven aan hun regel en steeds aan hun oversten gehoorzamen. De bisschoppen van hun kant zullen de religieuzen op deze verplichting wijzen.

  3. De exemptie, die de religieuzen stelt onder het gezag van de paus of een andere kerkelijke overheid en hen onttrekt aan de jurisdictie van de bisschoppen, heeft eerst en vooral betrekking op de interne aangelegenheden van de instituten. Ze heeft tot doel in de religieuze instellingen bij alles een harmonische samenhang te waarborgen en de bloei en vervolmaking van het religieuze leven te bevorderen. Vgl. Paus Leo XIII, Apostolische Constitutie, Romanos Pontifices (8 mei 1881). Acta Leonis XIII, vol. II, 1882, p. 234 De exemptie heeft ook tot doel, dat de paus over de religieuzen kan beschikken voor het welzijn van de universele Kerk Vgl. H. Paus Paulus VI, Toespraak, Tot vertegenwoordigers van Generale Kapittels van religieuze orden en congregaties, Magno gaudio (23 mei 1964), 23-24. A.A.S. 56 (1964) 570-571 (Eccl. Doc. 0718, blz. 99-101, nn. 23 en 24), en dat een ander bevoegd gezag zich van hen kan bedienen voor het welzijn van de kerken, die aan zijn jurisdictie onderworpen zijn.

    Deze exemptie neemt echter niet weg, dat de religieuzen in de verschillende diocesen onderworpen zijn aan de jurisdictie van de bisschoppen overeenkomstig het recht, voor zover het pastorale ambt van de bisschoppen en een goed geordende zielzorg dit eisen. Vgl. Paus Pius XII, Toespraak, Tot de religieuzen (8 nov 1950), 8

  4. Alle religieuzen, exempt of niet exempt, staan onder het gezag van de plaatselijke ordinarissen in alles, wat betreft de publieke uitoefening van de goddelijke eredienst, met eerbiediging van het verschil in ritus, wat betreft de zielzorg, de prediking voor het volk, de godsdienstige en zedelijke vorming van de gelovigen, vooral van de kinderen, het catechetisch onderricht, de liturgische vorming, het decorum van de geestelijke stand en de verschillende werken van apostolaat. Ook de katholieke scholen van religieuzen staan onder het gezag van de plaatselijke ordinarissen inzake de algemene inrichting en de controle, ofschoon daarbij het recht van de religieuzen inzake het bestuur van de scholen gehandhaafd blijft. Ook zijn de religieuzen verplicht, alle bepalingen te onderhouden, die door bisschoppelijke concilies of bisschoppenconferenties rechtmatig voor allen worden uitgevaardigd.

  5. Er moet gestreefd worden naar een harmonische samenwerking tussen de verschillende religieuze instituten onderling en tussen deze instituten en de diocesane geestelijkheid. Ook moet er een hechte coördinatie tot stand komen van alle apostolische werken en activiteiten; deze coördinatie zal vooral afhangen van een bovennatuurlijke instelling van geest en hart, geworteld en gegrondvest in de liefde. Het doorvoeren van deze coördinatie voor de gehele Kerk is de taak van de Apostolische Stoel. De bisschoppen hebben deze taak voor hun eigen diocees, en de patriarchale synoden en bisschoppenconferenties voor hún respectieve territorium.

    De bisschoppen of bisschoppenconferenties en de religieuze oversten of conferenties van hogere oversten zullen er goed aan doen, vooraf onderling overleg te plegen waar het gaat over apostolaatwerken, die door religieuzen zullen worden verricht.

  6. Ter bevordering van een eensgezinde en vruchtbare onderlinge verhouding tussen de bisschoppen en de religieuzen, zal het goed zijn, dat de bisschoppen en de religieuze oversten op geregelde tijden en zo vaak dit wenselijk lijkt, bijeenkomen om zaken te bespreken, die in het algemeen betrekking hebben op het apostolaat in het betrokken gebied.
  1. Een bisschoppenconferentie is een soort vereniging, waarin de bisschoppen van een bepaald land of gebied hun pastorale taak gezamenlijk uitoefenen om de mensen in stijgende mate de weldaden te verzekeren, die de Kerk hun biedt, en dit vooral door middel van apostolaatvormen en methoden, die zijn afgestemd op de omstandigheden van onze tijd.

  2. Tot de bisschoppenconferentie behoren alle plaatselijke ordinarissen van elk ritus met uitzondering van de vicarissen-generaal; verder de hulpbisschoppen, de wijbisschoppen en de andere titulair-bisschoppen, die door de apostolische Stoel of door de bisschoppenconferenties belast zijn met een bijzondere taak. De overige titulair-bisschoppen en de pauselijke legaten, die een speciale opdracht in het betreffende gebied te vervullen hebben, zijn niet rechtens lid van de conferentie.

    De plaatselijke ordinarissen en de hulpbisschoppen hebben een beslissende stem. Of de wijbisschoppen en de andere bisschoppen, die het recht bezitten, de conferentie bij te wonen, een beslissende ofwel een adviserende stem hebben, zal worden bepaald door de statuten van de Conferentie.

  3. Elke bisschoppenconferentie maakt haar eigen statuten, die aan het oordeel van de apostolische Stoel moeten worden voorgelegd. Deze statuten moeten, naast andere hulpmiddelen, ook voorzien in organen, die het best geëigend zijn voor het beoogde doel, zoals een permanente raad van bisschoppen, bisschoppelijke commissies, een algemeen secretariaat.

  4. De besluiten van de bisschoppenconferentie zijn juridisch bindend op voorwaarde, dat ze wettig en met minstens tweederde van de stemmen der prelaten, die in de conferentie beslissende stem hebben, zijn genomen, en aan het oordeel van de heilige Stoel zijn voorgelegd; en wel alleen in gevallen, waarin het algemeen recht dit bepaald heeft of waarvoor dit is vastgesteld door een bijzonder besluit van de heilige Stoel, dat is uitgevaardigd motu proprio of op verzoek van de conferentie zelf.

  5. Waar bijzondere omstandigheden het vereisen, kunnen de bisschoppen van meerdere landen met afkeuring van de Apostolische Stoel één enkele conferentie vormen.

    Men stimulere bovendien de contacten tussen de bisschoppenconferenties van verschillende landen om zo betere resultaten te verkrijgen en deze te bestendigen.

  6. Het verdient ten zeerste aanbeveling, dat de prelaten van de oosterse kerken bij de zorg voor het leven van hun eigen kerk, in hun Synoden en met het oog op betere initiatieven ten gunste van de godsdienst ook rekening houden met het algemeen welzijn van heel het gebied, waarin meerdere kerken van verschillende ritussen bestaan. Tot dit doel zullen zij met elkaar overleggen in interrituele bijeenkomsten volgens de door het bevoegde gezag te geven richtlijnen.

Document

Naam: CHRISTUS DOMINUS
Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Datum: 28 oktober 1965
Copyrights: © 1968, Ecclesia Docens 0750, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Vert.: Dr. M. Mulders C.ss.R. en Dr. J. Kahmann C.ss.R.
Bewerkt: 1 september 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam