• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HOOP 4. - ABRAHAM, VADER IN HET GELOOF EN IN DE HOOP
Catechesereeks over de christelijke hoop - Aula Paulus VI

Dierbare broeders en zusters, goedendag!

In de brief aan de Romeinen, brengt de heilige Paulus de grote figuur van Abraham in herinnering om ons de weg van het geloof en van de hoop te wijzen. Over hem schrijft de apostel: “Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt, en geloofd dat hij vader zou worden van vele volken” (Rom 4, 18). Dit is een krachtige opvatting: ook wanneer er geen hoop is, hoop ik. Zo is onze vader Abraham. De heilige Paulus verwijst hierbij naar het geloof waarmee Abraham het woord van God geloofde waardoor hem een zoon werd beloofd. Het was echt vertrouwen met hoop “tegen alle hoop”, zo onwaarschijnlijk was datgene wat de Heer hem aankondigde, want hij was oud – was bijna honderd jaar – en zijn vrouw was onvruchtbaar. Het was niet gelukt! Maar God sprak en hij geloofde. Menselijker wijze was er geen hoop: hij was oud en zijn vrouw was onvruchtbaar: maar hij geloofde.

Vertrouwend op deze belofte gaat Abraham op weg, aanvaardt om zijn land te verlaten en vreemdeling te worden, hij hoopt op de “onmogelijke” zoon die God hem zou schenken ofschoon de schoot van Sara reeds dood leek. Abraham gelooft, zijn geloof staat open voor een schijnbaar onredelijke hoop; het is het vermogen om menselijke denkwijzen te overstijgen, verder te gaan dan de wijsheid en de voorzichtigheid van de wereld, verder dan wat over algemeen als gezond verstand wordt beschouwd, om te geloven in het onmogelijke. De hoop opent nieuwe horizonten, maakt het mogelijk te dromen wat zelfs niet voorstelbaar is. De hoop voert binnen in de duisternis van een onzekere toekomst om in het licht op weg te gaan. Hoop is een mooie deugd; ze geeft veel sterkte om in het leven op weg te gaan.

Het is een moeizame weg. Ook Abraham maakt een crisis van ontmoediging mee. Hij heeft gehoopt, heeft zijn huis verlaten, zijn land, zijn vrienden... Alles. Hij is vertrokken, is in het land aangekomen dat God hem aangewezen had, de tijd is voorbij gegaan. In die tijd een dergelijke reis ondernemen was niet zoals vandaag met het vliegtuig – in weinige uren; toen was men maanden onderweg, zelfs jaren! De tijd gaat voorbij, maar de zoon komt niet, de schoot van Sara blijft gesloten in haar onvruchtbaarheid.

En Abraham, ik zeg niet dat hij het geduld verloor, maar hij klaagt bij God. Ook dat leren we van onze vader Abraham: klagen bij God is een wijze van bidden. Soms hoor ik, wanneer ik biecht hoor: “Ik heb bij God geklaagd...”, en (dan antwoord ik): “Maar neen, klaag maar, Hij is een vader!”. Het is een wijze van bidden: bij God klagen is goed. Abraham klaagt bij God met deze woorden: “’Jahwe, mijn Heer, wat baten mij uw gaven? Want ik blijf maar kinderloos en de Damasceen Eliëzer zal de bezitter van mijn huis worden.' (Eliëzer was de beheerder van alles). Abram zei: `Gij hebt mij toch geen nakomelingen geschonken, en een onderhorige zal mijn erfgenaam zijn.' Toen werd het woord van Jahwe tot hem gericht: `Niet hij wordt uw erfgenaam, uw erfgenaam zal iemand zijn die gij zult verwekken.' Hij leidde hem naar buiten en zei: `Kijk naar de hemel en tel de sterren, als ge kunt.' En Hij verzekerde hem: `Zo talrijk wordt uw nageslacht. Abram geloofde Jahwe, en deze rekende hem dat als gerechtigheid aan” (Gen. 15, 2-6).

Het tafereel speelt zich ’s nachts af, buiten is het donker, ook in het hart van Abraham is er het duister van de ontgoocheling, van de ontmoediging, van de moeilijkheid om te blijven hopen op iets onmogelijks. De aartsvader is te ver gevorderd in jaren, het lijkt dat er geen tijd meer is voor een zoon, en een slaaf zal alles erven. Abraham richt zich tot de Heer, ook al is God aanwezig en spreekt Hij met hem, toch is het zo als ware God weggegaan is, zijn woord niet had gehouden. Abraham voelt zich alleen, oud en moe, de dood nadert. Hoe kan hij verder vertrouwen?

Het tafereel speelt zich ’s nachts af, buiten is het donker, ook in het hart van Abraham is er het duister van de ontgoocheling, van de ontmoediging, van de moeilijkheid om te blijven hopen op iets onmogelijks. De aartsvader is te ver gevorderd in jaren, het lijkt dat er geen tijd meer is voor een zoon, en een slaaf zal alles erven. Abraham richt zich tot de Heer, ook al is God aanwezig en spreekt Hij met hem, toch is het zo als ware God weggegaan is, zijn woord niet had gehouden. Abraham voelt zich alleen, oud en moe, de dood nadert. Hoe kan hij verder vertrouwen?

En toch, ook dit klagen is een vorm van geloof, een gebed. Ondanks alles blijft Abraham in God geloven en hopen dat iets nog zou kunnen gebeuren. Waarom zou hij anders God ondervragen en bij Hem klagen en Hem aan zijn beloften herinneren? Het geloof is niet alleen een stilte die alles aanvaardt zonder wederwoord; de hoop is geen zekerheid die je vrijwaart van twijfel en van aarzeling. Vaak is hoop duisternis; maar toch is er de hoop... die je verder draagt. Geloof is ook strijd met God, Hem onze bitterheid tonen, zonder ‘vrome’ schijn. “Ik ben boos geworden op God, ik heb Hem dit en dat gezegd...” Maar Hij is vader, Hij begrijpt je: ga in vrede! Deze moed is nodig! Dat is hoop. Hoop is ook niet vrezen de werkelijkheid te zien zoals ze is en er de tegenspraken van aanvaarden.

Vol geloof richt Abraham zich tot God opdat deze Hem zou helpen verder te hopen. Dat is eigenaardig, hij vroeg niet om een zoon. Hij vroeg: “Help mij volharden in de hoop”, gebed om hoop. En de Heer antwoordt met het herhalen van zijn onwaarschijnlijke belofte: niet een slaaf maar een eigen zoon zal uw erfgenaam zijn, een eigen zoon, door Abraham verwekt. Van Gods zijde is niets veranderd. Hij herhaalt wat Hij reeds eerder had gezegd en geeft Abraham geen voorwendsels om zich verzekerd te weten. Zijn enige zekerheid is vertrouwen op het woord van de Heer en blijven hopen.

Het teken dat God aan Abraham geeft is de eis om te blijven geloven en hopen: “Kijk naar de hemel en tel de sterren, als ge kunt (…) Zo talrijk wordt uw nageslacht” (Gen. 15, 5). Ook dat is ene belofte, iets om van de toekomst te verwachten. God leidt Abraham buiten de tent, in feite, buiten zijn bekrompen visie en toont hem de sterren. Om te geloven moet men leren kijken met de ogen van het geloof; dat zijn de sterren, die iedereen kan zien, maar voor Abraham worden zij het teken van Gods trouw.

Dat is het geloof, dat is de weg van de hoop die ieder van ons moet gaan. Als ook voor ons nog slechts mogelijkheid rest naar de sterren te kijken, dan is moment gekomen om op God te betrouwen. Niets is mooier. Hoop ontgoochelt nooit. Dankjewel.

Zie ook:

Andere catecheses in deze reeks, zie dossier {d:453]

Document

Naam: HOOP 4. - ABRAHAM, VADER IN HET GELOOF EN IN DE HOOP
Catechesereeks over de christelijke hoop - Aula Paulus VI
Soort: Paus Franciscus - Audiƫntie
Auteur: Paus Franciscus
Datum: 28 december 2016
Copyrights: © 2016, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk
Vert. uit het Italiaans: Marcel De Pauw MSC; aangevulde vertaling, alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 10 juni 2020

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam