• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Gezien de omstandigheden van mijn leeftijd heb ik voor vandaag geen grote, echte toespraak kunnen voorbereiden zoals men zou kunnen verwachten. Veeleer denk ik aan een kleine babbel over het Tweede Vaticaans Concilie zoals ik het meegemaakt heb. Ik begin met een anekdote. In 1959 werd ik benoemd tot professor aan de Universiteit van Bonn, waar de studenten, de seminaristen van het bisdom van Keulen en van andere omliggende bisdommen studeerden. Zo ben ik in contact gekomen met kardinaal Frings, de kardinaal van Keulen. Kardinaal Siri van Genua – ik denk dat het in 1961 was – had een lezingenreeks door verschillende Europese kardinalen georganiseerd over het Concilie en hij had ook de aartsbisschop van Keulen uitgenodigd om één van deze lezingen te geven, met als titel: “Het Concilie en de wereld van het moderne denken”. De kardinaal had mij uitgenodigd – de jongste van de professoren – om een project te schrijven; dit beviel hem en hij stelde de tekst aan de mensen te Genua voor zoals ik deze had geschreven. Eventjes later nodigde Paus Johannes XXIII kardinaal Frings uit om bij hem te komen. De kardinaal was bang dat hij misschien iets gezegd had dat niet correct was of verkeerd en dat hij geroepen werd om een blaam te krijgen en misschien ook om het kardinaalsrood af te nemen. Ja. Toen zijn secretaris hem voor de audiëntie hielp bij het aankleden, zei de kardinaal: “Misschien draag ik nu voor de laatste keer deze kleren”. Hij ging naar binnen, Paus Johannes XXIII komt hem tegemoet, omarmt hem en zegt: “Dank u, Eminentie, U hebt de dingen gezegd die ik wilde zeggen maar ik kon de woorden niet vinden.” En zo wist de kardinaal dat hij op de juiste weg zat en heeft hij mij uitgenodigd mee te gaan naar het Concilie, eerst als zijn persoonlijke expert en vervolgens, tijdens de eerste periode {van het Concilie} – ik denk dat het in november 1962 was – werd ik genoemd tot officiële peritus van het Concilie.

We zijn naar het Concilie gegaan niet enkel met vreugde maar met enthousiasme. Er was een ongelooflijke verwachting. Wij hoopten dat men alles zou vernieuwen, dat er een nieuw Pinksteren zou komen, een nieuw tijdperk voor de Kerk want de Kerk was nog redelijk robuust in die tijd, de zondagspraktijk nog goed, de priesterroepingen en de roepingen tot het religieuze leven waren wel al een beetje verminderd maar nog voldoende. Nochtans voelde men dat de Kerk niet meer vooruit ging, zich terugtrok, dat de Kerk eerder iets van het verleden leek dan draagster van de toekomst. En op dat moment hoopten wij dat deze relatie zich zou vernieuwen, veranderen; dat de Kerk opnieuw de kracht van morgen en de kracht van vandaag zou zijn. We wisten dat de relatie tussen de Kerk en de moderne periode, vanaf het begin, ietwat van een tegenstelling had, te beginnen met de dwaling van de Kerk in de zaak van Galileo Galilei. Men wilde dit verkeerde begin corrigeren en opnieuw de vereniging tussen Kerk en de betere krachten van de wereld vinden om zo de toekomst van de mensheid en de ware vooruitgang te openen. Op deze manier waren wij vol van hoop en enthousiasme en met de wil om ons deel bij te dragen aan deze zaak. Ik herinner mij dat de Romeinse Synode beschouwd werd als een negatief model. Men zegt – ik weet niet of dit waar is – dat de voorbereide teksten voorgelezen werden in de Basiliek van Sint-Jan en dat de deelnemers aan de Synode door middel van applaus deze teksten goedgekeurd hadden en op deze manier was de Synode verlopen. De Bisschoppen zeiden: ‘Neen, zo doen we het niet. Wij zijn Bisschoppen, wij zelf zijn het subject van de Synode, wij willen niet enkel goedkeuren wat reeds gedaan is geworden, maar wij willen zelf het subject, de dragers van het Concilie zijn.’ Zo zei ook kardinaal Frings, die bekend stond voor zijn absolute, bijna scrupuleuze, trouw aan de Heilige Vader: ‘Hier zijn wij in een andere functie. De Paus heeft ons bijeengeroepen als Vaders, om een oecumenisch Concilie te zijn, een subject dat de Kerk vernieuwt. Op deze manier willen wij onze rol opnemen’.

Het eerste ogenblik waarop zich deze houding toonde, was meteen de eerste dag. Er was voorzien dat op deze eerste dag de Commissies zouden gekozen worden en er waren lijsten voorbereid – op onpartijdige wijze, zo probeerde men – van genomineerden en deze lijsten dienden gestemd te worden. Maar de Vaders zeiden meteen: ‘Neen, wij willen niet enkel voorbereide lijsten stemmen. Wij zijn het subject’. Dus diende men de stemming uit te stellen want de Vaders zelf wilden elkaar wat leren kennen, ze wilden zelf deze lijsten voorbereiden. En zo is het gegaan. De kardinalen Liénart van Rijsel en Frings van Keulen hebben openlijk gezegd: ‘Zo niet. Wij willen onze lijsten maken en onze kandidaten kiezen’. Dit was geen revolutionaire daad maar een gewetensdaad, een daad van verantwoordelijkheid van de kant van de Concilievaders.

En zo begon een hele reeks van activiteiten om elkaar te leren kennen. Wij kregen veel bezoek in het ‘College dell’Anima’ waar wij woonden; de kardinaal was zeer gekend en we hebben kardinalen vanuit geheel de wereld gezien. Ik herinner mij zeer goed de rijzige en sierlijke figuur van Mons. Etchegaray, die toen secretaris was van de Franse Bisschoppenconferentie, ontmoetingen met kardinalen, enz. En dit was typisch voor geheel het Concilie: kleine ontmoetingen, dwarsverbindingen. Zo heb ik grote figuren als Pater de Lubac, Daniélou, Congar, etc. leren kennen. We hebben verschillende bisschoppen leren kennen; in het bijzonder herinner ik mij Bisschop Elchinger van Straatsburg, enzovoort. Dit was reeds een ervaring van de universaliteit en de concrete realiteit van de Kerk, de Kerk die niet zomaar verordeningen van boven ontvangt, maar samen groeit en vooruit gaat, altijd onder de leiding natuurlijk van de Opvolger van Petrus.

Allen kwamen, zoals ik zei, met grote verwachtingen; nooit was er een Concilie van deze dimensie georganiseerd, maar niet allen wisten hoe te werk te gaan. Zij die het meest voorbereid waren, laten we zeggen zij die de meest uitgesproken doelen hadden, waren het Franse, Duitse, Belgische en Nederlandse episcopaat, de zogenaamde “Rijnlandse alliantie”. In het eerste deel van het Concilie waren zij het die de weg aanwezen; daarna breidde de activiteiten zich uit en allen hebben steeds meer deelgenomen aan de creativiteit van het Concilie. De Fransen en de Duitsers hadden verschillende gemeenschappelijke interesses, ook al waren er tamelijk verschillende accenten. Het eerste, eenvoudige – schijnbaar eenvoudige- doel was de hervorming van de liturgie, reeds begonnen was met Pius XII, die de liturgie van de Goede Week had hervormd. Het tweede doel was de ecclesiologie; het derde, het Woord van God, de Openbaring; en tot slot ook de oecumene. De Fransen, méér dan de Duitsers, wilden ook nog het probleem behandelen van de relatie tussen Kerk en wereld.

Document

Naam: HET TWEEDE VATICAANS CONCILIE - HERINNERINGEN EN HOOP VAN EEN OOGGETUIGE
In een vrije rede, zonder voorbereide tekst - Ontmoeting met priesters van het Bisdom Rome - Aula Paulus VI
Soort: Paus Benedictus XVI - Toespraak
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 14 februari 2013
Copyrights: © 2013, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk
Vert. vanuit het Italiaans: dr. Jörgen Vijgen; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam