• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

JEZUS CHRISTUS "MIDDELAAR EN DE VOLHEID VAN ALLE OPENBARING"
13e catechese in de reeks n.a.v. het Jaar van het Geloof - Aula Paulus VI

Dierbare broeders en zusters,

Het Tweede Vaticaans Concilie zegt in de dogmatische Constitutie over de Goddelijke Openbaring, “2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Dei Verbum
Over de Goddelijke openbaring
(18 november 1965)
”, dat de diepe waarheid van heel Gods Openbaring voor ons straalt “in Christus, die tegelijk de Middelaar en de volheid van de gehele openbaring is” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 2. Het Oude Testament verhaalt ons dat God na de schepping, ondanks de erfzonde en de arrogantie van de mens die zich in Gods plaats wil stellen, opnieuw de mogelijkheid van Zijn vriendschap aanbiedt, vooral door het verbond met Abraham en de weg van een klein volk, het volk van Israël, dat Hij niet kiest op grond van criteria van aardse macht, maar gewoon uit liefde. Het is een keuze die een mysterie blijft en die Gods stijl openbaart, die er enkelen kiest, niet om de anderen uit te sluiten, maar opdat zij een brug zouden zijn naar Hem: uitverkiezing is altijd uitverkiezing voor de andere. In de geschiedenis van het volk van Israël kunnen wij opnieuw de fases doorlopen van een lange weg waarop God zich laat kennen, zich openbaart en de geschiedenis binnen komt door woorden en daden. Daarvoor bedient Hij zich van bemiddelaars zoals Mozes, de profeten en rechters die Zijn wil aan het volk meedelen, die de eis van trouw aan het verbond in herinnering brengen en de verwachting levendig houden van de volledige en definitieve verwezenlijking van de Goddelijke beloften.

Het is precies de verwezenlijking van deze beloften die wij met Kerstmis schouwden: Gods openbaring bereikt haar hoogtepunt, haar volheid. In Jezus van Nazareth bezoekt God werkelijk Zijn volk, Hij bezoekt de mensheid op een manier die iedere verwachting te boven gaat: Hij zendt Zijn enige Zoon. God maakt zichzelf tot mens. Jezus zegt ons niet iets over God, Hij spreekt niet gewoon over de Vader, maar is de openbaring van God, omdat Hij God is en ons zo Gods gelaat openbaart. In de proloog van zijn Evangelie schrijft de heilige Johannes: “Niemand heeft ooit God gezien; de Eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, Hij heeft Hem doen kennen” (Joh. 1, 18).
Ik zou willen stilstaan bij deze “openbaring van Gods gelaat”. In zijn Evangelie dat we zojuist beluisterden, vertelt de heilige Johannes hierover een betekenisvol feit. Wanneer Zijn lijden nadert, stelt Jezus Zijn leerlingen gerust en nodigt hen uit niet angstig te zijn en geloof te hebben; dan begint Hij een dialoog met hen waarin Hij over God de Vader spreekt. Vgl. Joh. 14, 2-9 Op een bepaald moment vraagt de apostel Filippus aan Jezus: “Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg” (Joh. 14, 8). Filippus is heel praktisch en concreet, hij zegt wat wij zelf willen zeggen: “wij willen zien, toon ons de Vader”, hij vraagt de Vader te “zien”, Zijn gelaat te zien. Jezus’ antwoord is niet alleen tot Filippus gericht, maar ook tot ons en leidt ons naar de kern van het christologisch geloof; de Heer zegt: “Wie Mij ziet, ziet de Vader” (Joh. 14, 9). Dit woord vat synthetisch de nieuwigheid van het Nieuwe Testament samen, de nieuwigheid die in de grot van Bethlehem verscheen: het is mogelijk God te zien, God heeft Zijn gelaat getoond, Hij is zichtbaar in Jezus Christus.

Het thema van het “zoeken van Gods gelaat” is aanwezig in heel het Oud Testament, het verlangen dit gelaat te kennen, het verlangen God te zien zoals Hij is, zodanig dat het Hebreeuwse woord “pānîm”, wat “gelaat” betekent, er zelfs 400 keer in voorkomt, waarvan 100 keer verwijzend naar God: 100 keer wordt naar God verwezen, wil men Gods gelaat zien. Nochtans verbiedt de Joodse godsdienst afbeeldingen compleet, omdat God niet kan afgebeeld worden – in tegenstelling tot wat de buurvolken deden met de aanbidding van hun afgoden – en zo lijkt het Oude Testament met dit verbod van afbeeldingen de zichtbare dimensie van de eredienst en vroomheid uit te sluiten. Wat betekent het dan voor een vrome Jood, Gods gelaat te zoeken, in het besef dat er van Hem geen enkele afbeelding mag zijn? Deze vraag is belangrijk: enerzijds wil men zeggen dat God niet tot een voorwerp kan herleid worden, zoals een beeld dat men ter hand kan nemen, maar ook dat men niets in de plaats van God kan stellen; anderzijds zegt men dat er een gelaat is, ’t is te zeggen dat er een “Gij” is die in relatie kan treden, die niet opgesloten blijft in Zijn hemel om van bovenaf naar de mensheid te kijken. God is zeker boven alle dingen, doch Hij richt zich tot ons, Hij luistert naar ons, ziet ons, spreekt tot ons, sluit een verbond, en is bekwaam om lief te hebben. De heilsgeschiedenis, Gods geschiedenis met de mensheid, is de geschiedenis van deze band met een God die zich geleidelijk aan de mens openbaart en die zichzelf kenbaar maakt, die Zijn gelaat laat kennen.

In het begin van dit jaar, op 1 januari, hebben wij in de liturgie, het heel mooie zegeningsgebed over het volk gehoord: “Moge Jahwe u zegenen en u behoeden! Moge Jahwe de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn! Moge Jahwe zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken!” (Num. 6, 24-26). De glans van het Goddelijk gelaat is de levensbron, maakt het mogelijk de werkelijkheid te zien; het licht van Zijn gelaat is de gids van ons leven. In het Oude Testament is er een personage met wie het thema van “Gods gelaat” bijzonder verbonden is; het is Mozes, die God uitkoos om het volk uit de slavernij in Egypte te bevrijden, om het de Wet van het verbond te geven en naar het beloofde land te leiden. Wel, in hoofdstuk 33 van het boek Exodus wordt gezegd dat Mozes een nauwe vertrouwensband had met God: “Jahwe sprak dan tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een mens met zijn medemens spreekt” (Ex. 33, 11). Door dit vertrouwen gesterkt, vraagt Mozes aan God “Laat mij toch uw heerlijkheid zien” en het antwoord van God is duidelijk: “Ik zal in al mijn luister aan u voorbijgaan en in uw bijzijn de naam Jahwe uitroepen ... Maar Hij voegde er aan toe: ‘Mijn gelaat kunt gij niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven’ ... Hier bij Mij is nog plaats ... gij kunt Mij van achteren zien, want mijn gelaat kan niemand zien” (Ex. 33, 18-23). Enerzijds is er dus een dialoog van aangezicht tot aangezicht zoals tussen vrienden, maar anderzijds is er de onmogelijkheid om in dit leven Gods gelaat te zien dat verborgen blijft; het zien is beperkt. De Kerkvaders zeggen dat deze woorden “gij kunt Mij van achteren zien” willen zeggen: ge kunt alleen Christus volgen en door Hem te volgen, ziet ge Gods mysterie van achteren; men kan God volgen door Hem van achteren te zien.

Doch, bij de menswording gebeurt iets totaal nieuw. Het zoeken van Gods gelaat neemt een ondenkbare wending omdat men dat gelaat nu wel kan zien: dat van Jezus, Gods Zoon die mens wordt. In Hem vindt de weg van Gods openbaring die bij de roeping van Abraham begon, zijn voltooiing; Jezus is de volheid van deze openbaring omdat Hij Gods Zoon is, tegelijk “de Middelaar en de volheid van de gehele openbaring” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 2. In Hem vallen de inhoud van de openbaring en de Openbaarder samen. Jezus toont ons Gods gelaat en laat ons Gods Naam kennen. In het hogepriesterlijk gebed op het laatste avondmaal, zegt Hij tot de Vader: “Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen … Uw naam heb Ik hun geopenbaard” (Joh. 17, 6.26). “Naam van God” betekent God als Degene die te midden van de mensen is. In het brandend braambos had God Zijn Naam aan Mozes geopenbaard, toen kon men Hem aanroepen, Hij had een concreet teken gegeven van Zijn “aanwezigheid” onder de mensen. Dat alles vindt in Jezus zijn voltooiing en volheid: Hij luidt een nieuwe manier in van Gods aanwezigheid in de geschiedenis, want wie Hem ziet, ziet de Vader, zoals Hijzelf tot Filippus zegt. Vgl. Joh. 14, 9 Het Christendom, zegt de heilige Bernardus, is de “godsdienst van Gods Woord”, niet “een geschreven en zwijgzaam woord, maar dat van het mens geworden en levend Woord” H. Bernardus van Clairvaux, Homilia Super missus est. IV, 11: PL 183, 86B. In de traditie van de Kerkvaders en de Middeleeuwen gebruikt men een eigen verwoording om deze werkelijkheid uit te drukken: Jezus is het “Verbum abbreviatum”, het verkorte Woord Vgl. Rom. 9, 28. dat verwijst naar Jes. 10,23 , Hij is het korte, verkorte en substantiële Woord van de Vader, dat ons over Hem alles gezegd heeft. In Jezus is heel het Woord aanwezig.

In Jezus vindt ook de bemiddeling tussen God en de mens haar volheid. In het Oude Testament is er een groep mensen die deze functie waarnamen, vooral Mozes, de bevrijder, de leider, de “bemiddelaar” van het verbond, zoals ook het Nieuwe Testament hem noemt. Vgl. Gal. 3, 19 Vgl. Hand. 7, 35 Vgl. Joh. 1, 17 Jezus, waarachtig God en waarachtig mens, is niet gewoon één van de bemiddelaars tussen God en de mens, Hij is “de Middelaar” van het nieuwe en eeuwige verbond Vgl. Hebr. 8, 6 Vgl. Hebr. 9, 15 Vgl. Hebr. 12, 24 ; “Want God is één, één is ook de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus” (1 Tim. 2, 5). Vgl. Gal. 3, 19-20 In Hem zien en ontmoeten wij de Vader; in Hem kunnen wij God aanroepen door Hem bij de Naam “Abba, Vader” te noemen; in Hem is ons het heil gegeven.

Het verlangen God echt te kennen, met andere woorden, Gods gelaat te zien, is iedere mens ingeboren, zelfs bij atheïstische personen. En misschien hebben wij onbewust dit verlangen om gewoon te zien wie Hij is, wat Hij is, wie Hij voor ons is. Maar dit verlangen verwezenlijkt zich door Christus te volgen, wij zien Hem van achteren en uiteindelijk zien wij God ook als een vriend, we zien Zijn gelaat in dat van Christus. Het is belangrijk Christus te volgen, niet alleen als we Hem nodig hebben of als we tijd vinden te midden van onze dagelijkse bezigheden, maar in heel ons leven zoals het is. Heel het leven moet gericht zijn op de ontmoeting met Hem, op de liefde voor Hem; en in dit leven moet de liefde voor de naaste ook een centrale plaats hebben, deze liefde die ons in het licht van de Gekruisigde, het gelaat van Jezus laat erkennen in de arme, de zwakke, degene die lijdt. Dat is maar mogelijk als het ware gelaat van Jezus ons vertrouwd geworden is door het beluisteren van Zijn Woord, als wij innerlijk met Hem spreken, als wij in dit Woord binnengaan zodat wij Hem echt ontmoeten en natuurlijk in het Mysterie van de Eucharistie. Een passage uit het Evangelie van de heilige Lucas is betekenisvol: dat van de twee leerlingen van Emmaüs die Jezus erkennen aan het breken van het brood, maar zij waren voorbereid door de weg die zij met Hem gegaan zijn, voorbereid door de uitnodiging die zij tot Hem gericht hadden om bij hen te blijven, voorbereid door hun dialoog waardoor hun hart ging branden; zo zien zij Jezus uiteindelijk. Ook voor ons is de Eucharistie de grote school waar wij Gods gelaat leren zien, waar wij in een vertrouwelijke relatie treden met Hem; en wij leren tegelijk onze blik richten naar het eindmoment van de geschiedenis, waar Hij ons zal verzadigen met het licht van Zijn gelaat. Op aarde, zijn wij naar deze volheid op weg, in de blije verwachting dat het Rijk Gods zich werkelijk zou verwezenlijken.

Samenvatting voor de Duitssprekende pelgrims

{voor een deel sprak de Paus in vrije rede, zonder gebruik te maken van de uitgeschreven tekst}

Dierbare broeders en zusters,

In de catechese van vandaag gaat het om de vraag: Wat is dat eigenlijk - openbaring? Wat en hoe heeft God zich geopenbaard? In fasen, zou ik zeggen. De schepping zelf is een openbaring van God waar Hij door heen schijnt, doorstraalt. En in ieder geval op die momenten dat wij de grote schoonheid daarvan zien, dan voelen we dat ook: door de schepping heen zien we dan de Schepper, de levende, goede God. Maar onze ogen zijn zo mat, ons hart is zo afgestompt, dat we niet genoeg hebben aan de schepping. Daarom is God nog een stap verder gegaan: Hij zendt ons profeten - mensen, die van Hem vervuld en door Hem aangeraakt tot anderen spreken en God op een of andere manier aan de mensen kunnen laten zien - vanaf Abraham, tot aan Mozes en de profeten. En tenslotte het hoogste en uiteindelijke niveau van openbaring is Jezus Christus, waarin God zelf mens is en wij in een mens God kunnen zien, werkelijk kunnen zien. Vandaag hebben wij voorafgaand aan deze audiëntie de lezing gehoord uit de afscheidsreden van Jezus, waar Filippus tenslotte ongeduldig wordt en tegen Jezus zegt: “Gij spreekt voortdurend over de Vader. Laat ons de Vader dan zien! Dat zal ons dan genoeg zijn.”. En Jezus lijkt verwonderd en zegt: “Nou ben Ik al zo lang bij jullie en je hebt Me niet herkent. Wie Mij ziet, ziet de Vader” (Joh. 14, 8-9). In Jezus is het Gelaat van God zichtbaar en we moeten Jezus leren zien. Dan zien we God, dan zie we wie Hij is en hoe Hij is en worden we vrienden van Hem. En daarom is openbaring de ontmoeting met Jezus zelf die tot ons spreekt in de Heilige Schrift waarvoor we, om Hem echt te horen, ons hart moeten openen en Hem tegemoet moeten gaan, zodat we niet zomaar wat woorden horen uit het verleden, maar zodat we in die woorden hét Woord, Hem zélf horen; opdat wij niet ook net zo lang bij Hem zijn als Philippus die Hem nog steeds niet herkende. Filippus is een beeld voor ons zelf. We zijn als Christenen al zo lang bij Jezus en hebben God toch niet gezien. We moeten Christus beter leren kennen, dichter bij Hem zijn, in ons innerlijk bij Hem zijn, zodat wij Hem goed leren kennen en dan God zien. En als wij God in Christus zien, dan zien we God ook in de armen, in de eenzamen, omdat Hij dan zijn liefde in ons aansteekt en wij door die liefde heen in diegenen die liefde nodig hebben, opnieuw de levende God zien. Zo is Kerstmis voor ons een oproep om God, die zo goed is dat Hij zelf een mens, een kind is geworden, beter te leren kennen, om echt met Jezus bevriend te zijn, zodat we God zien en daardoor in de naaste Jezus herkennen en leren om goed te leven.

Van harte begroet ik alle broeders en zusters die Duits spreken. Ik zei al: als we het gelaat van God willen zien, moeten we Christus volgen. Laat ons dat doen als getuigen van zijn liefde. Moge de Heilige Geest jullie allemaal vrede en echte vreugde schenken.

Document

Naam: JEZUS CHRISTUS "MIDDELAAR EN DE VOLHEID VAN ALLE OPENBARING"
13e catechese in de reeks n.a.v. het Jaar van het Geloof - Aula Paulus VI
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 16 januari 2013
Copyrights: © 2013, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi (nrs. 1-8)/Willie Bierman (nr. 9); alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam