• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Maar nu wordt de vraag dringend: waarin bestaat deze hoop, die als hoop ‘verlossing’ is? Welnu, de kern van het antwoord is in de zojuist aangehaalde passage uit de Brief aan de christenen van Efeze al aangegeven: de Efeziërs waren vóór de ontmoeting met Christus zonder hoop, omdat ze “zonder God in de wereld” waren. God leren kennen – de ware God – dat betekent hoop ontvangen. Voor ons, die vanouds met het christelijk godsbesef leven en er ongevoelig voor geworden zijn, is het bezit van de hoop die van de werkelijke ontmoeting met deze God uitgaat, nauwelijks nog waarneembaar. Een voorbeeld van een heilige uit onze tijd mag enigszins verduidelijken wat het betekent deze God voor de eerste keer en werkelijk te ontmoeten. Ik denk aan de door paus Johannes Paulus II heilig verklaarde Afrikaanse Josephina Bakhita. Ze werd omstreeks – de precieze datum wist ze niet – 1869 geboren in Darfur, in Soedan. Op haar negende werd ze door slavenhandelaren ontvoerd, tot bloedens toe geslagen en vijf maal op de slavenmarkten van Soedan verkocht. Uiteindelijk was ze als slavin in dienst van de moeder en de echtgenote van een generaal en werd daarbij dagelijks tot bloedens toe gegeseld, waaraan ze levenslang 144 littekens overhield. In 1882 werd ze ten slotte door een Italiaanse handelaar gekocht voor de Italiaanse consul Callisto Legnani, die bij het zien van de opmars van de Mahdisten naar Italië terugkeerde. Hier leerde Bakhita uiteindelijk, na de zo vreselijke ‘meesters’ Duits: "Patronen" aan wie ze tot dan toe ondergeschikt was geweest, een heel andere ‘meester’ Duits: "Patron" kennen: – “Paron” noemde ze Hem in het Venetiaanse dialect dat ze nu leerde spreken - namelijk de levende God, de God van Jezus Christus,. Tot dan toe had ze alleen meesters gekend die haar verachtten en mishandelden of op zijn best als een nuttige slavin beschouwden. Maar nu hoorde ze dat er een “Paron” boven alle meesters bestaat, de Heer van alle heren, en dat deze Heer goed is, de goedheid zelf. Ze vernam dat deze Heer ook haar kent, ook haar geschapen heeft – ja, dat Hij haar liefheeft. Ook zij werd bemind, en nog wel door de hoogste “Paron”, voor Wie alle andere meesters ook zelf maar armzalige dienstknechten zijn. Ze werd gekend en bemind en werd verwacht. Ja, deze Meester had Zelf het lot van het geslagen worden op Zich genomen en wachtte nu “aan de rechterhand van de Vader” op haar. Nu had ze ‘hoop’ – niet meer slechts de kleine hoop minder wrede heren te vinden, maar de grote hoop: Ik word definitief bemind en wat mij ook gebeurt – ik word door deze Liefde verwacht. En dus is mijn leven goed. Door dit inzicht vanuit de hoop was ze ‘verlost’, nu geen slavin meer, maar een vrij kind van God. Ze begreep wat Paulus zei toen hij de Efeziërs eraan herinnerde dat ze tevoren zonder hoop en zonder God in de wereld waren geweest – zonder hoop want zonder God. Daarom weigerde ze, toen men haar weer naar Soedan terug wilde brengen; ze was niet bereid zich nog ooit van haar “Paron” te laten scheiden. Op 9 januari 1890 werd ze gedoopt en gevormd en ontving de eerste Heilige Communie uit de handen van de patriarch van Venetië. Op 8 december 1896 legde ze in Verona de geloften af van de Zusters Canossianen en heeft van toen af – naast haar werk in de sacristie en aan de kloosterpoort – getracht de missie te bevorderen, vooral tijdens verschillende reizen door Italië: de bevrijding die zij zelf door de ontmoeting met de God van Jezus Christus had ontvangen, die moest ze doorgeven, die moest ook aan zoveel mogelijk anderen geschonken worden. De hoop die haar ten deel was gevallen en die haar ‘verlost’ had, mocht ze niet voor zichzelf houden; die moest velen, ja allen bereiken.
Keren we nog eens terug tot de vroege Kerk, alvorens ons de vraag te stellen: kan de ontmoeting met de God, die ons in Christus Zijn gelaat heeft getoond en Zijn hart geopend heeft, ook voor ons meer dan ‘informatief’, namelijk ‘performatief’ zijn, dat wil zeggen het leven omvormen, zodat wij ons verlost weten door de hoop, die zij betekent. Het is niet moeilijk in te zien dat de ervaring van de kleine Afrikaanse slavin Bakhita ook de ervaring is geweest van veel geslagen en tot slavendienst veroordeelde mensen in de tijd van het ontstaan van het christendom. Het christendom heeft geen sociaalrevolutionaire boodschap gebracht, zoals bijvoorbeeld die waarmee Spartacus in een bloedige strijd ten onder gegaan was. Jezus was geen Spartacus, Hij was geen vrijheidsstrijder zoals Barabbas of Bar-Kochba. Wat Jezus, die Zelf aan het kruis gestorven was, gebracht had, was iets heel anders: de ontmoeting met de Heer van alle heren, de ontmoeting met de levende God en aldus de ontmoeting met een hoop die sterker was dan het lijden van de slavernij en daarom van binnenuit het leven en de wereld omvormde. Wat nieuw geworden was, wordt het duidelijkst in de Brief van de heilige Paulus aan Filemon. Dit is een zeer persoonlijke brief, die Paulus in de gevangenis schrijft en de weggelopen slaaf Onesimus voor zijn heer, de genoemde Filemon, meegeeft. Ja, Paulus stuurt de naar hem gevluchte slaaf terug naar zijn heer, niet bevelend, maar vragend: “Mijn verzoek geldt het kind dat ik hier in de gevangenis heb verwekt. Ik bedoel Onesimus ... Ik stuur hem terug naar u en met hem heel mijn liefde ... Misschien was dat wel de reden waarom hij een tijd lang bij u is weg geweest: dat ge hem voorgoed terug zoudt krijgen, nu niet meer als slaaf, maar als veel meer dan een slaaf, als een geliefde broeder” (Filem. 10-16). Mensen die qua burgerlijke status als heren en slaven tegenover elkaar staan, zijn als leden van de ene Kerk voor elkaar broeders en zusters geworden – zo spraken de christenen elkaar aan. Ze waren door het Doopsel opnieuw geboren, met dezelfde Geest doordrenkt en ontvingen naast elkaar en met elkaar het Lichaam des Heren. Dat veranderde, ook als de uiterlijke structuren gelijk bleven, de samenleving van binnen uit. Wanneer de Brief aan de Hebreeën erover spreekt dat de christenen hier geen blijvende stad hebben, maar de toekomstige zoeken Vgl. Hebr. 11, 13-16 Vgl. Fil. 3, 20 , dan betekent dat allesbehalve vertroosting in de toekomst: de huidige samenleving wordt door de christenen als oneigenlijke samenleving onderkend; zij behoren tot een nieuwe samenleving, waarnaar ze met elkaar onderweg zijn en waarop gedurende die tocht al geanticipeerd wordt.
Wij moeten er nog een ander gezichtspunt bijnemen. De Eerste brief aan de christenen van Korinte (1 Kor. 1, 18-31) laat ons zien dat een groot gedeelte van de eerste christenen tot de onderste sociale lagen behoorde en juist daarom toegankelijk was voor de nieuwe hoop, zoals we aan het voorbeeld van Bakhita hebben gezien. Maar toch zijn er ook vanaf het begin bekeringen geweest in de aristocratische en de ontwikkelde lagen. Want juist ook zij leefden “zonder hoop en zonder God in de wereld”. De mythe had zijn geloofwaardigheid verloren; de Romeinse staatsgodsdienst was tot louter ceremonieel verstard, dat gewetensvol werd uitgevoerd, maar enkel nog ‘politieke godsdienst’ was. De filosofische verlichting had de goden naar het gebied van het onwerkelijke verwezen. Het goddelijke werd op verschillende manieren in de kosmische machten gezien, maar een God tot wie men kon bidden, was er niet. Paulus schildert de werkelijke problematiek van de toenmalige godsdienst heel treffend als hij het ‘leven volgens Christus’ stelt tegenover een leven volgens “de elementen van het heelal” Vgl. Kol. 2, 8 . In dit verband kan een tekst van de heilige Gregorius van Nazianze verhelderend zijn. Hij zegt dat op het moment, dat de door de ster geleide Wijzen de nieuwe koning Christus aanbaden, het einde gekomen was van de astrologie, daar de sterren nu de door Christus bepaalde baan volgen. Vgl. H. Gregorius van Nazianze, Dogmatische gedichten, Poemata dogmatica. V, 53-64: PG 37, 428-429 Inderdaad wordt in deze scène het wereldbeeld van toen omgedraaid, dat op een andere wijze ook vandaag de dag weer bepalend is. Niet de elementen van het heelal, de wetten van de materie, heersen uiteindelijk over de wereld en over de mensen, maar een persoonlijke God heerst over de sterren, dat wil zeggen, over het heelal. Niet de wetten van de materie en de evolutie vormen de laatste instantie, maar verstand, wil, liefde – een Persoon. En wanneer wij die Persoon kennen, die Persoon ons kent, dan is werkelijk de onverbiddelijke macht van de materiële ordening niet langer het laatste; dan zijn wij geen slaven van het heelal en van zijn wetten, dan zijn wij vrij. Een dergelijk bewustzijn heeft de zoekende en zuivere geesten van de Oudheid bepaald. De hemel is niet leeg. Het leven is niet louter een product van de wetten en van het toeval van de materie, maar in alles en tegelijk ook boven alles staat een persoonlijke wil, staat Geest, die zich in Jezus als Liefde heeft geopenbaard. Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 1817-1821
Detail van de Sarcofaag Junius Bassus - Christus met Evangelieboek en de staf van de filosoof - (Museo Petriano, Vaticaan)De vroegchristelijke sarcofagen brengen dit inzicht in beeld – in het aangezicht van de dood, wanneer de vraag naar de zin van het leven onontkoombaar wordt. De gestalte van Christus wordt op de vroege sarcofagen vooral op twee manieren uitgelegd: als filosoof en als herder. Onder filosofie verstond men destijds in het algemeen niet een moeilijke academische discipline, zoals zij zich tegenwoordig presenteert. De filosoof was veel meer degene die de wezenlijke kunst wist te onderwijzen: de kunst op de juiste wijze mens te zijn – de kunst te leven en te sterven. De mensen hadden zich overigens allang gerealiseerd dat veel van diegenen die als filosofen, als levensleraren rondliepen, slechts charlatans waren, die met hun woorden geld verdienden en over het ware leven helemaal niets te melden hadden. Des te meer zocht men naar de ware filosoof, die werkelijk de weg ten leven kon wijzen. Aan het einde van de derde eeuw komen we voor het eerst in Rome, op een kindersarcofaag, in verband met de opwekking van Lazarus de gestalte van Christus tegen als de ware filosoof, die in de ene hand het evangelie, in de ander de reisstaf van de filosoof houdt. Met Zijn staf overwint Hij de dood; het evangelie brengt de waarheid, waarnaar de rondtrekkende filosofen tevergeefs gezocht hebben. In dit beeld, dat zich daarna lange tijd in de sarcofagenkunst gehandhaafd heeft, wordt aanschouwelijk wat zowel ontwikkelde als eenvoudige mensen in Christus vonden: Hij zegt ons wie de mens werkelijk is en wat hij moet doen om waarachtig mens te zijn. Hij wijst ons de weg en deze weg is de waarheid. Hij Zelf is beide en daarom ook het leven, waar wij allen naar uitzien. Hij wijst ook de weg over de dood heen; alleen wie dat kan is een werkelijke leermeester van het leven.

Goede Herder Sarcofaag, uit de Catacomben van Praetextatus, Eind 4e eeuw, marmer (Lateraans Museum, later verhuisd naar Pio Christiano Museo)Hetzelfde wordt aanschouwelijk in het beeld van de herder. Zoals bij het beeld van de filosoof kon de vroege Kerk ook bij de gestalte van de herder aanknopen aan bestaande voorbeelden van de Romeinse kunst. De herder was daar doorgaans uitdrukking van het opgewekte en eenvoudig leven, waar de mensen in de chaos van de grote stad hartstochtelijk naar verlangden. Nu werd het beeld vanuit een nieuwe achtergrond gelezen, die het een diepere inhoud gaf: “De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort. Al voert mijn weg door donkere kloven, ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt ” (Ps. 23, 1.4). De werkelijke herder is diegene die ook de weg door het dal van de dood kent, die op de weg van de laatste eenzaamheid, waar niemand mij kan begeleiden, met mij gaat en mij er doorheen voert: Hij heeft haar Zelf doorschreden, die weg, is neergedaald ter helle, heeft de dood overwonnen en is weergekeerd, om ons nu te begeleiden en ons de zekerheid te geven dat er, samen met Hem, een weg is die er doorheen voert. Dit bewustzijn, dat er Iemand is die mij ook in de dood begeleidt en met Zijn “stok en herderstaf moed en vertrouwen” geeft, zodat ik “geen onheil” hoef te vrezen (Ps. 23, 4) – dit was de nieuwe ‘hoop’, die over het leven van de gelovigen opging.

Document

Naam: SPE SALVI
Liefde in Waarheid - Over de Christelijke hoop
Soort: Paus Benedictus XVI - Encycliek
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 30 november 2007
Copyrights: © 2007, Libreria Editrice Vaticana
Werkvertaling vanuit de Duitstalige grondversie, gecontroleerd met de officiële Italiaanse, Franse en Engelse vertalingen: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 15 juli 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam