• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

UBI PRIMUM
Zodra Wij waren verheven

Aan de eerbiedwaardige broeders, patriarchen, primaten,
aartsbisschoppen en bisschoppen.

Eerbiedwaardige broeders, heil en de apostolische zegen.

Zodra Wij waren verheven tot de hoge waardigheid van het pausschap, begonnen We onmiddellijk met de heilige Leo de Grote uit te roepen: “’Heer, ik hoorde Uw stem en ik was bang; Ik dacht aan Uw werk en ik was doodsbang’. Vgl. Hab. 3, 2. (Vulg.) n.v.d.v.: impliciet vertaald)  Wat in feite wekt méér onrust op en is meer beangstigend dan werk voor degene die zwak is, verheffing voor degene die nederig is, waardigheid voor degene die het niet verdient? Desalniettemin wanhopen we niet, en raken we ook niet ontmoedigd, omdat we niet vertrouwen stellen in onszelf, maar op Hem die in ons werkt.” H. Paus Leo I de Grote, Sermones. Preek 3, op zijn verjaardag, uitgesproken op de verjaardag van zijn verheffing tot het pontificaat Aldus sprak uit bescheidenheid de paus die nooit genoeg wordt geprezen; Wij, als eerbetoon aan de waarheid, zeggen dit ook en bevestigen het.

Ook wij, eerbiedwaardige broeders, wilden vurig zo snel mogelijk met u spreken en ons hart openen met u die onze kroon en onze vreugde bent; net zoals Wij erop vertrouwen dat u uw vreugde en uw kroon zult vinden in de kudde die u is toevertrouwd. Maar gedeeltelijk hebben andere belangrijke werken van Onze apostolische zending, gedeeltelijk in het bijzonder de pijnen van een langdurige ziekte, tot dusverre verhinderd dat Wij, tot Ons verdriet en onze spijt, Onze verlangens konden inwilligen. Maar God, vrijgevig in barmhartigheid en overvloedig genereus voor wie tot Hem smeken en met vertrouwen tot Hem bidden, God, die ons inspireerde in dit doel, schenkt Ons vandaag de gelegenheid om het uit te voeren. De stilte die we tot vandaag moesten bewaren, is echter niet geheel zonder troost geweest. Hij die de nederigen troost, heeft Ons getroost met de religieuze genegenheid van uw toewijding en uw ijver voor Ons: in deze gevoelens herkennen We de vroomheid van de christelijke eenheid, zozeer zelfs dat We Ons steeds meer verheugden en God dankten. Als getuigenis van Onze genegenheid sturen We u deze brief om u aan te moedigen om verder te gaan op het pad van de goddelijke geboden en om de veldslagen van de Heer krachtiger te strijden. Hierdoor zal het gebeuren dat in de overwinning van de kudde van de Heer de ijver van de herder wordt verheerlijkt.

U negeert niet, eerbiedwaardige broeders, wat de apostel Petrus de bisschoppen leerde met deze woorden: “Weidt de kudden van God waarvan gij de herders zijt; hoedt haar zoals God het wil: van harte en niet uit dwang, met toewijding en niet uit winstbejag.  Speelt niet de baas over hen die aan uw zorgen zijn toevertrouwd, maar toont u een voorbeeld voor de kudde.” (1 Pt. 5, 2-3).

Uit deze woorden begrijpt u duidelijk wat voor soort gedrag u wordt voorgehouden, met welke deugden u uw hart steeds meer moet verrijken, met welke overvloedige kennis u uw geest dient te sieren en welke vruchten van vroomheid en genegenheid u niet enkel moet voortbrengen, maar ook moet delen met uw kudde. Op deze manier zult u het doel van uw bediening bereiken, aangezien u, als u een voorbeeld voor uw kudde bent geworden en melk aan de één, vaster voedsel aan anderen geeft, dan zult u niet alleen dezelfde kudde op de hoogte zult stellen van de leer, maar ook in daad en voorbeeld leiden naar een rustig leven in Jezus Christus en naar het bereiken van de eeuwige zaligheid samen met u, zoals het hoofd van de apostelen het zelf uitdrukt: “Dan zult ge, als de opperherder verschijnt, de nooit verwelkende krans van de heerlijkheid ontvangen.” (1 Pt. 5, 4).

We zouden u graag aan veel overwegingen willen herinneren, maar we zullen er slechts een paar noemen, omdat we dieper moeten ingaan op de onderwerpen van groter belang, zoals vereist door de noodzaak van deze ongelukkige tijden.

In zijn brief aan Timotheüs leerde de apostel ons met welke verstandige voorzorgsmaatregelen en met welk ernstig onderzoek we de lagere wijdingen en vooral de heilige wijdingen moeten verlenen: “Leg niemand overijld de handen op…” (1 Tim. 5, 22).

Wat betreft de keuze van de priesters die in uw bisdommen verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de zielen, en wat betreft seminaries, heeft het Concilie van Trente precieze regels gegeven Vgl. Concilie van Trente, 23e Zitting - Leer over de heilige Wijding, Sessio XXIII - Doctrina de sacramento ordinis (15 juli 1563), welke verder verduidelijkt zijn door Onze Voorgangers: dit alles is u zo goed bekend dat het niet nodig is er langer bij stil te staan.

U weet nog steeds heel goed, eerbiedwaardige broeders, hoe belangrijk het is dat u voortdurend en persoonlijk in uw bisdom verblijft; dit is een verplichting die u bent aangegaan door uw ambt te aanvaarden. Dit blijkt uit verschillende decreten van de concilies en apostolische constituties en is in deze termen bevestigd door het heilig concilie van Trente: “Omdat het door goddelijk voorschrift is geboden aan allen aan wie de zorg voor de zielen is toevertrouwd om hun schapen te kennen, om voor hen het heilige Offer te brengen, om hen te voeden met de prediking van het goddelijke woord, met de bediening van de sacramenten en met het voorbeeld van elk goed werk, om een vaderlijke zorg te hebben voor de armen en voor alle andere mensen die in ellende verkeren, en om te voldoen aan alle andere pastorale plichten, die zeker niet kunnen worden uitgevoerd en vervuld door degenen die niet over hun kudde waken, noch haar bijstaan, maar het opgeven zoals de huurlingen doen, spoort de Heilige Synode spoort hen aan en vermaant hen zodat, indachtig de goddelijke voorschriften, en waarlijk een voorbeeld voor hun kudde, zij de kudde voeden en leiden in gerechtigheid en waarheid.” Concilie van Trente, Zitting XXIII - Decreet van de Hervorming, Sessio XXIII - De Reform. (15 juli 1563), 1. Hoofdstuk 1 Ook Wij, getroffen door de verplichting van zo’n grote en serieuze plicht, vol ijver voor de glorie van God, prijzen hen van harte die dit voorschrift nauwgezet naleven. Als sommigen deze verplichting niet volledig naleven (in zo’n groot aantal herders kunnen er sommigen zijn die dit niet volledig naleven; dit is, hoewel pijnlijk, niet verrassend), dan, door de innige barmhartigheid van Jezus Christus vermanen Wij hen, Wij manen hen aan en smeken opdat zij ernstig erover nadenken dat de Opperrechter het bloed van zijn schapen aan hun handen zal zoeken en Hij een zeer hard oordeel zal vellen over degenen die leiding hebben over de kudde.

Deze vreselijke straf treft, zoals u ongetwijfeld weet, niet alleen degenen die persoonlijk hun woonplaats verwaarlozen of proberen te ontsnappen met een ijdel voorwendsel, maar ook degenen die zonder geldige reden weigeren om de taak van het pastorale bezoek op zich te nemen en uit te voeren, volgens de canonieke voorschriften. Ze zullen nooit gehoorzaam zijn aan het Tridentijnse decreet als ze er niet voor zorgen dat ze persoonlijk de schapen benaderen en, zoals de goede herder doet, de goeden voeden, op zoek gaan naar de vermisten en ze eindelijk terugroepen door nu eens zacht, dan weer met kracht hen naar de stal te leiden.

Waarlijk, de bisschoppen die de verplichtingen van verblijf en pastoraal bezoek niet met de nodige zorg naleven, zullen niet ontsnappen aan het gewelddadige oordeel van onze Allerhoogste Herder, onze Verlosser, ook niet wanneer zij als rechtvaardiging aanhalen dat zij deze plichten hebben vervuld door middel van speciale afgevaardigden.

In feite is de zorg voor de kudde aan hen toevertrouwd, niet aan de afgevaardigden; aan hen waren de charismatische gaven beloofd. Hieruit volgt dat de schapen de stem van hun herder veel gewilliger horen dan die van een plaatsvervanger, en dat ze met meer vertrouwen en met meer vreugde het gezonde voedsel uit de hand van de eerste aannemen dan van de tweede, zoals uit de hand van God, waarvan ze het beeld herkennen in hun bisschop. Dit alles, naast wat tot nu toe is gezegd, wordt overvloedig bevestigd door de ervaring zelf, die de leermeester van de dingen is.

Het zou op zich al voldoende zijn om het bovenstaande te hebben geschreven, eerbiedwaardige broeders: aan u die niet ondankbaar zijt door te zwijgen over uw gaven noch trots door veronderstellingen te maken over uw verdiensten. Vgl. H. Paus Leo I de Grote, Sermones. Sermo 5 Het is inderdaad passend dat zij die willen groeien in deugd en met een vurige ziel willen vooruitgang boeken, zo zijn. In navolging van de voorbeelden van de oude en recente heilige bisschoppen, zijn zij er in God trots op dat de vijanden van de Kerk worden verslagen en corrupte gewoonten worden hervormd. Moge jullie de gouden zin van de heilige Leo de Grote steeds voor ogen houden: “In deze strijd krijgt men nooit een dusdanig gelukkige overwinning dat niet, na de triomf, de noodzaak opkomt nieuwe gevechten aan te gaan.” H. Paus Leo I de Grote, Sermones. Sermo 5

Waarlijk, hoeveel wrede veldslagen woeden er niet in deze tijd en hoe keren zij zich bijna elke dag tegen de Katholieke godsdienst! Wie kan bij het nadenken en beschouwen van dit alles zijn tranen bedwingen?

Let op, eerbiedwaardige broeders, “Het is niet de kleine vonk” H. Hieronymus, In epist. ad Gal.. lib. 3, hfst. 5. waarover St. Hiëronymus spreekt; het is niet - zeg ik - de kleine vonk die je nauwelijks kunt zien als je kijkt, maar een vlam die de hele aarde probeert te verslinden, de muren, de steden, de grootste bossen en alle districten probeert te vernietigen; het is een gist die, in combinatie met de bloem, de hele massa probeert te bederven. In deze alarmerende situatie zou de dienst van ons apostolaat totaal ontoereikend zijn ware het niet dat degene die Israël bewaakt en die tegen zijn discipelen zegt “Zie, ik ben altijd bij jullie tot het einde der eeuwen”, voortdurend aan het waken is; ware het niet dat Hij zich niet enkel verwaardigde om de hoeder van de schapen te zijn, maar ook de herder van de herders zelf. Vgl. H. Paus Leo I de Grote, Sermones. Sermo 5 Vgl. Paus Pius VI, Encycliek, Tegen het atheïsme en de verlichting, Inscrutabile Divinae (25 dec 1775), 1

Onverschilligheid

Maar wat betekent dit allemaal? Er is een sekte, die u ongetwijfeld kent, die ten onrechte de naam ‘filosofie’ voor zich opeist, en van bijna alle dwalingen falanxen heeft opgegraven uit de verstrooide as. Deze sekte, die zichzelf presenteert onder de strelende schijn van vroomheid en vrijgevigheid, belijdt ‘tolerantisme’ (tolerantismus) (zoals men zegt), of onverschilligheid (indifferentismus), en breidt het niet alleen uit tot burgerlijke zaken, waarover Wij ons niet uitspreken, maar ook tot religieuze zaken. Deze sekte leert dat God alle mensen ruime vrijheid heeft gegeven, zodat iedereen, zonder enig gevaar, de sekte en mening die ze verkiezen, kan omarmen en belijden, volgens hun eigen persoonlijke oordeel. Tegen zo’n goddeloosheid van waanvoorstellingen waarschuwt de apostel Paulus ons: “Broeders, ik vermaan u hen in het oog te houden die oorzaak zijn van allerlei tweedracht en ergernis, hetgeen strijdt met de leer die gij hebt ontvangen. Vermijdt hen. Zulke lieden dienen niet onze Heer Christus, maar hun eigen lusten, en argeloze mensen laten zich misleiden door hun fraaie en vroomklinkende woorden.” (Rom. 16, 17-18).

Alhoewel deze dwaling niet nieuw is, woedt ze vandaag de dag tegen de stabiliteit en integriteit van het katholieke geloof. Inderdaad Eusebius Vgl. H. Eusebius van Caesarea, Geschiedenis van de Kerk, Historia Ecclesiastica. lib. 5 die Rodonus citeert, meldt dat deze waanzin al was gepropageerd door een zekere Apelles, een ketter uit de tweede eeuw, die beweerde dat het niet nodig was om het geloof te verdiepen, maar dat iedereen zich moest verschansen in de mening dat hij had gevormd. Apelles beweerde dat degenen die hun hoop op het kruisbeeld hadden gevestigd, gered zouden worden, op voorwaarde dat de dood hen bereikte in de loop van goede werken. Rhetorius ook, zoals Augustinus getuigt, H. Augustinus, Ketters en scheurmakers, De Haeresibus (1 jan 428). n. 72 blunderde door te beweren dat alle ketters het rechte pad bewandelden en waarheden predikten. “Maar dit is zo absurd”, merkt de Heilige Vader op, “dat het mij ongeloofwaardig lijkt.” Deze onverschilligheid heeft zich vervolgens zo uitgebreid en vergroot dat niet enkel alle sekten, die buiten de katholieke Kerk staan en enkel met de lippen de openbaring als de basis en het fundament erkennen, maar zelfs die samenlevingen die, gescheiden van de goddelijke openbaring, een zuiver deïsme en zelfs een zuiver naturalisme belijden, schaamteloos beweren dat allen het rechte pad bewandelen. De onverschilligheid van Rhetorius werd door Sint-Augustinus terecht aangezien als absurd, zelfs toen het nog binnen bepaalde perken werd gehouden. Maar zou een tolerantie die zich uitstrekt tot deïsme en naturalisme - theorieën die zelfs door de oude ketters werden verworpen - ooit kunnen worden erkend door iemand die de rede gebruikt? Nochtans (O tijden!, O leugenachtige filosofie!) wordt zo’n pseudo-filosofie goedgekeurd, verdedigd en bevorderd.

Er was inderdaad geen gebrek aan voorname schrijvers die de ware filosofie beleden en dit monster aanvielen en bepaalde van zijn werken met onoverwinnelijke argumenten verpletterd hebben. Maar het is vanzelfsprekend dat het onmogelijk is dat God, in hoogste mate waarachtig, ja, zelf de hoogste Waarheid, de beste en meest wijze Voorzienigheid, Beloner van goede werken, alle sekten zou goedkeuren die valse principes prediken – principes die vaak ook in tegenstrijd zijn met elkaar – en dat Hij de eeuwige beloning zou kunnen verzekeren aan wie deze valse principes belijdt. Het is dus overbodig hier nog verdere beschouwingen aan te wijden. Wij bezitten immers veel zekerder profetieën en nu Wij tot u schrijven spreken Wij over de wijsheid van de volmaakten; over een wijsheid die echter niet van deze wereld is maar over de wijsheid die bestaat in het mysterie van God. In deze wijsheid zijn wij onderricht en met goddelijk geloof belijden wij één God, één geloof, één doopsel en dat er in de hemel geen andere naam gegeven is aan de mensen dan de naam van Jezus Christus de Nazareeër in wiens naam wij dienen verlost te worden. Daarom belijden wij dat er geen heil bestaat buiten de Kerk.

Maar O, de diepte van de goddelijke wijsheid en de kennis van God! O, onbegrijpelijk oordeel! God, die de wijsheid van de wijzen verdelgd heeft Vgl. 1 Kor. 1, 18  lijkt de vijanden van Zijn Kerk en hen die een bovennatuurlijke openbaring afwijzen overgeleverd te hebben aan “een nietswaardige gezindheid” (Rom. 1, 28), aan het mysterie van het kwaad dat geschreven stond op het voorhoofd van de slechte vrouw waarover Johannes schrijft (Openb. 1, 5). Welk groter kwaad is er immers dan dat van deze hoogmoedigen, die zich niet alleen losmaken van de ware religie, maar zelfs de eenvoudigen willen strikken met allerlei gezwets en geschriften vol drogredenen? Moge God opstaan en deze ongebreidelde vergunning om zo te spreken en dit op te schrijven en te verspreiden voorkomen, verslaan en vernietigen.

Versies van de Heilige Schrift

Wat zullen Wij nog meer zeggen? Het kwaad van onze vijanden neemt zo sterk toe dat ze, naast de toevloed van verderfelijke geschriften in strijd met het geloof, op het punt komen dat ze de heilige geschriften, die ons door God zijn gegeven tot opbouw van de religie, tot schade van de religie zelf willen aanwenden.

U weet heel goed, eerbiedwaardige broeders, dat er een genootschap is, dat men gewoonlijk ‘Bijbels’ noemt, en dat zich moedig over de hele aarde verspreidt, en, ondanks de tradities van de Heilige Vaders en tegen het welbekende besluit van het Concilie van Trente in Vgl. Concilie van Trente, 4e Zitting - Decreet over de Vulgaat uitgave van de Bijbel en de manier van uitleg van de Heilige Schrift, Sessio IV - Recipitur vulgata editio Bibliae praescribiturque modus interpretandi Sacram Scripturam (8 apr 1546), met alle kracht en middelen probeert de Bijbel in de volkstaal van alle naties om te zetten, of beter nog, te verdraaien. Hieruit vloeit een gegronde reden voort om te vrezen, zoals in sommige vertalingen en interpretaties reeds gebeurd is, voor een pervertering van het Evangelie van Christus in het evangelie van de mens, of wat nog erger is, in het evangelie van de duivel. H. Hieronymus, In epist. ad Gal.. in hoofdstuk 1

Om deze plaag af te weren, publiceerden verschillende van Onze voorgangers constituties, en onlangs stuurde Pius VII, zaliger herinnering, twee breven, één aan Ignatius, de aartsbischop van Gniezno en de ander aan Paus Pius VII - Brief
Magno et Acerbo
Over vertalingen van de H. Schrift (3 september 1816)
, met vele zorgvuldig gekozen en verstandige passages uit de heilige geschriften en de traditie om te laten zien hoe schadelijk deze onderneming is voor geloof en zeden.

Wij ook,  eerbiedwaardige broeders, omwille van Onze apostolische taak, dringen er ook bij u op aan om uw kudde zorgvuldig weg te houden van deze dodelijke weilanden. Weerleg, berisp, te pas en te onpas, geef uw onderricht met groot geduld Vgl. 2 Tim. 4, 2. N.v.d.v.: impliciet citaat , opdat uw gelovigen, in het strikt naleven van de regels van Onze congregatie van de Index, ervan overtuigd worden dat, indien de heilige Bijbel in de volkstaal zonder onderscheid wordt toegestaan, dit omwille van de roekeloosheid van de mens méér tot schade dan tot nut zal zijn.

De ervaring toont de waarheid aan van wat de heilige Augustinus, naast verscheidene andere kerkvaders, als volgt heeft verklaard: “Ketterijen en andere perverse leringen, die de zielen omhullen en in de afgrond storten, ontstaan enkel wanneer de heilige geschriften niet goed begrepen worden en wanneer hetgeen niet goed begrepen is, wordt bevestigd met roekeloosheid en arrogantie. H. Augustinus, In Iohannis Evangelium Tractatus. 18 hfd. 5

Hiertoe, o eerbiedwaardige broeders, wordt dit genootschap geleid, en het laat geen geen middel onbeproefd om dit goddeloze doel te verwezenlijken. In feite is het niet alleen verheugd zijn eigen versies te drukken, maar reist het doorheen alle steden om ze onder de mensen te verspreiden. Bovendien, om de zielen van de eenvoudigen te verleiden, houdt het zich soms bezig met de verkoop ervan en op andere momenten met een verraderlijke vrijgevigheid, verdeelt het ze gratis.

Leergezag van de Kerk

Maar als iemand de ware oorsprong wil zoeken van al het kwaad dat Wij tot nu toe hebben betreurd, als ook van hetgeen Wij om redenen van beknoptheid hebben weggelaten, dan zal hij er ongetwijfeld van overtuigd geraken dat vanaf de eerste dagen van de Kerk tot op de dag van vandaag de oorsprong ligt in de hardnekkige minachting voor het gezag van de Kerk. De Kerk die, zoals de heilige paus Leo de Grote leert, “vanuit de meest geordende liefde Petrus ontvangt als degene die haar Stoel bezet” H. Paus Leo I de Grote, Sermones. Sermo 2: op zijn verjaardag en in de persoon van de paus van Rome de opvolger van Petrus ziet, Petrus eert, in wie “de zorg voor alle herders en de bescherming van de toevertrouwde schapen verblijft en wiens waardigheid niet verdwijnt, zelfs niet in een onwaardige erfgenaam.” H. Paus Leo I de Grote, Sermones. Sermo 3: op zijn verjaardag “In Petrus, dus, (zoals dezelfde heilige leraar op gepaste wijze opmerkt) wordt de kracht van allen versterkt want de hulp van de goddelijke genade is op dusdanige wijze geordend dat de vastberadenheid, die aan Petrus door Christus gegeven wordt, overgedragen wordt aan de Apostelen door Petrus.” H. Paus Leo I de Grote, Sermones. Sermo 4 Het is dus duidelijk dat deze minachting voor het gezag van de Kerk in strijd is met het gebod van Christus en als gevolg in strijd met de apostelen en hun opvolgers, de bedienaars van de Kerk. “Wie naar u luistert, luistert naar Mij; en wie u verstoot, verstoot Mij.” (Lc. 10, 16). Deze minachting is in strijd met de woorden van de apostel Paulus: “De Kerk is de pilaar en het fundament van de waarheid.” (1 Tim. 3, 15). Mediterend over deze woorden schrijft Augustinus: “Al wie zonder de Kerk is zal niet gerekend worden tot haar kinderen en al wie de Kerk niet wil hebben als haar Moeder zal ook niet God de Vader bezitten.” Pseudo Augustinus, De symb. ad catech. sermo. lib 4, hoofdstuk. 13

Daarom, eerbiedwaardige broeders, houdt dus, samen met Augustinus, voor ogen de woorden van Christus en van de apostel Paulus en overweeg deze veelvuldig zodat u het volk dat aan u is toevertrouwd kunt leren hoezeer het gezag van de Kerk, welke rechtstreeks door God is ingesteld, moet worden gerespecteerd. Laat uw hart niet ontmoedigd worden. Met dezelfde heilige Augustinus zeggen Wij: “van alle kanten brullen de wateren van de vloed om ons heen, d.w.z. de veelheid aan verschillende leerstellingen. Wij worden niet ondergedompeld in de zondvloed, maar zijn er wel door omringd; de wateren drukken op ons maar verdrukken ons niet; ze achtervolgen ons, maar ze overweldigen ons niet.” H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos. 2 in Ps 31

Aanmoediging en slot

Daarom dringen we er nogmaals bij u op aan de moed niet te verliezen. U zult voor uzelf - en wij vertrouwen zeker op de Heer - de hulp krijgen van aardse vorsten, die, zoals de rede en de ervaring het bewijzen, hun zaak en het gezag van de Kerk verdedigen. In feite zal het nooit mogelijk zijn om aan de keizer te geven wat aan de keizer toebehoort, als men niet aan God geeft wat God toebehoort. Bovendien, om de woorden van de heilige Leo te gebruiken, zal onze plicht u te dienen jullie allen ten goede komen. Bij problemen, twijfels en in al uw noden doe een beroep op de apostolische Stoel. God heeft immers in de zetel van de eenheid, zoals de heilige Augustinus zegt, de leer van de waarheid geplaatst. Vgl. H. Augustinus, Brieven, Epistulae. 103 (166) ad Donatist

Ten slotte smeken wij u bij de genade van de Heer. Help ons met uw smeekbeden en met uw gebeden tot God, zodat de Geest van genade in ons wordt bewaard en uw oordelen standvastig mogen zijn. Moge Hij die u het verlangen naar overeenstemming hebt gegeven aan u, in gemeenschap met Ons, de gave van de vrede schenken opdat Wij, alle dagen van ons leven bereid de almachtige God te dienen en jullie de gepaste eer te bewijzen, met vertrouwen tot God kunnen bidden: “Heilige Vader, bewaar in uw Naam hen die Gij Mij gegeven hebt”. H. Paus Leo I de Grote, Sermones. Sermo 1 (Joh. 17, 11)

Als onderpand van ons vertrouwen en onze liefde verlenen wij u en uw kudde van ganser harte de apostolische zegen.

Gegeven te Rome, te Santa Maria Maggiore, op 5 mei 1824, het eerste jaar van Ons pontificaat.

Document

Naam: UBI PRIMUM
Zodra Wij waren verheven
Soort: Paus Leo XII - Encycliek
Auteur: Paus Leo XII
Datum: 5 mei 1824
Copyrights: © 1854, Bullarii Romani continuatio, volume 8 (Prati: In Tipografia Aldina, 1854), pp. 53-57
© 2021, Vert. vanuit het Latijn: Dr. J. Vijgen; alineaverdeling en -nummering en tussenkopjes: redactie
Bewerkt: 16 februari 2021

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam