• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Openstaan voor de vruchtbaarheid

"Krachtens hun aard zelf zijn de instelling van het huwelijk en de huwelijksliefde geordend op voortplanting en opvoeding, en zij vinden daarin als het ware hun bekroning": 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 48. § 1, vert uit Lat.

De kinderen zijn het mooiste geschenk van het huwelijk en zij dragen in hoge mate bij tot het welzijn van de ouders zelf. Gods die gezegd heeft: "Het is niet goed voor de mens dat hij alleen blijft" (Gen. 2, 18) en die "in het begin de mens als man en vrouw geschapen heeft" (Mt. 19, 4), wilde de mens op een bijzondere wijze laten deelnemen aan zijn eigen scheppingswerk en heeft daarom man en vrouw gezegend met de woorden: "Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u" (Gen. 1, 28). Daarom is de echte cultuur van de huwelijksliefde evenals het hele patroon van het gezinsleven dat daaruit groeit, zonder af te doen aan de overige doeleinden van het huwelijk, erop gericht dat echtgenoten van harte bereid zijn mee te werken met de liefde van de Schepper en Verlosser, die door hen voortdurend zijn gezin uitbreidt en verrijkt. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 50. § 1, vert. uit Lat.

Alinea's in de marge van alinea 1652

De vruchtbaarheid van het huwelijk
De vruchtbaarheid is een gave en een doel van het huwelijk, want de echtelijke liefde streeft er van nature naar vruchtbaar te zijn. Het kind komt niet van buitenaf als een toevoegsel aan de wederzijdse liefde van de echtgenoten; het ontstaat in het hart zelf van deze wederzijdse gave, waarvan het een vrucht en voltooiing is. De Kerk "kiest partij voor het leven" H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 30 en houdt voor "dat elke huwelijksdaad per se open moet blijven voor het doorgeven van het leven". H. Paus Paulus VI, Encycliek, Het menselijk leven en geboorteregelingen, Humanae Vitae (25 juli 1968), 11 "Deze leer, die herhaaldelijk door het kerkelijk leergezag werd uiteengezet, steunt op de onverbreekbare band, die God heeft gewild en die de mens op eigen initiatief niet mag verbreken: de band namelijk tussen de twee betekenissen van de huwelijksdaad: vereniging en voortplanting". H. Paus Paulus VI, Encycliek, Het menselijk leven en geboorteregelingen, Humanae Vitae (25 juli 1968), 12 Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over het Christelijk huwelijk, met inachtneming der in gezin en maatschappij heersende toestanden, noden, dwalingen en misbruiken, Casti Connubii (31 dec 1930)
Geroepen om het leven te schenken, hebben de echtgenoten deel aan de scheppende kracht en het vaderschap van God. Vgl. Ef. 3, 14 Vgl. Mt. 23, 9 "De echtgenoten weten dat zij in hun taak om menselijk leven door te geven en op te voeden (wat als hun eigen zending beschouwd moet worden) de medewerkers van de liefde van de scheppende God zijn en als het ware de vertolkers ervan. Daarom moeten zij hun opdracht in menselijke en christelijke verantwoordelijkheid vervullen". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 50. § 2
Een bijzonder aspect van deze verantwoordelijkheid betreft de regeling van de voortplanting. Om rechtmatige redenen kunnen de echtgenoten wensen de geboorten van hun kinderen te spreiden. Het komt hun toe, zich ervan te vergewissen dat dit verlangen niet voortkomt uit egoïsme, maar in overeenstemming is met de vereiste edelmoedigheid van een verantwoord ouderschap. Bovendien zullen zij hun gedrag moeten afstemmen op de objectieve criteria van de zedelijkheid:
Wanneer de verhouding tussen de huwelijksliefde en het verantwoord doorgeven van het leven aan de orde is, hangt het zedelijk karakter van het gedrag niet louter af van een oprechte bedoeling en van een afwegen van motieven; men moet die verhouding juist bepalen volgens objectieve criteria die ontleend zijn aan de natuur van de persoon en van zijn handelingen, d.w.z. criteria die binnen een context van ware liefde de volledige betekenis van de wederzijdse gave en van de menselijke voortplanting eerbiedigen; hiervoor is het beslist nodig dat de deugd van de echtelijke kuisheid met een oprecht hart beoefend wordt. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 51. § 3
"Slechts als men deze twee wezenlijke aspecten eerbiedigt, namelijk de vereniging en de voortplanting, bewaart de huwelijksdaad integraal de betekenis van de wederzijdse ware liefde en tevens de gerichtheid op de zeer verheven roeping van de mens tot het ouderschap". H. Paus Paulus VI, Encycliek, Het menselijk leven en geboorteregelingen, Humanae Vitae (25 juli 1968), 12
De periodieke onthouding, de methoden van geboorteregeling die gebaseerd zijn op zelfobservatie en gebruikmaking van onvruchtbare periodes Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Het menselijk leven en geboorteregelingen, Humanae Vitae (25 juli 1968), 16 zijn in overeenstemming met de objectieve criteria van de zedelijkheid. Deze methodes eerbiedigen het lichaam van de echtgenoten, ze bevorderen de wederzijdse tederheid en begunstigen de groei van waarachtige vrijheid. Intrinsiek slecht is daarentegen "elke handeling die - hetzij in het vooruitzicht op de huwelijksdaad, hetzij tijdens het verloop ervan, hetzij in de ontwikkeling van de natuurlijke gevolgen - als doel of als middel zou beogen de voortplanting onmogelijk te maken": H. Paus Paulus VI, Encycliek, Het menselijk leven en geboorteregelingen, Humanae Vitae (25 juli 1968), 14
Tegenover het taalgebruik dat gewoon de wederzijdse en volledige gave van de echtgenoten weergeeft, plaatst de contraceptie een objectief tegengesteld taalgebruik volgens welk het er niet meer om gaat dat men zich volledig aan elkaar geeft. Daaruit volgt niet alleen de feitelijke afwijzing van de openheid voor het leven, maar ook een ontkrachting van de innerlijke waarheid van de huwelijksliefde, die een gave van de hele persoon veronderstelt. Dit antropologisch en moreel verschil tussen contraceptie en de gebruikmaking van periodieke ritmen houdt ten aanzien van de persoon en de menselijke seksualiteit twee verschillende opvattingen in, die niet tot elkaar te herleiden zijn. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 32
"Allen evenwel dient het duidelijk te zijn dat het menselijk leven en de opdracht om het door te geven niet beperkt blijven tot enkel deze wereld en dat die binnen dat kader ook niet hun volle omvang en volledige betekenis kunnen vinden, maar altijd hun referentiepunt bezitten in de eeuwige bestemming van de mensen". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 51. § 4
De staat is verantwoordelijk voor het welzijn van de burgers. Daarom heeft hij het recht maatregelen te nemen om richting te geven aan de bevolkingsgroei. Dit kan gebeuren door middel van objectieve en respectvolle informatie, maar niet door autoritair ingrijpen of dwingende maatregelen. Het is niet aanvaardbaar dat de overheid zich in de plaats gaat stellen van de echtgenoten als de eerste verantwoordelijken voor de voortplanting alsook voor de opvoeding van hun kinderen. Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 37 Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Het menselijk leven en geboorteregelingen, Humanae Vitae (25 juli 1968), 23 Op dit gebied heeft hij niet het gezag om in te grijpen met middelen die strijdig zijn met de zedenwet.
Het kind als geschenk
De heilige Schrift en de traditionele praktijk van de Kerk zien in de kinderrijke gezinnen een teken van Gods zegen en van de edelmoedigheid van de ouders. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 50. § 2
Voor echtparen die moeten vaststellen dat zij onvruchtbaar zijn, betekent dit een groot lijden. "Wat baten mij uw gaven?" zegt Abram tot God; "Want ik blijf maar kinderloos..." (Gen. 15, 2). "Geef mij toch kinderen" roept Rachel uit tot haar man Jakob, "anders ga ik dood!" (Gen. 30, 1).
Het wetenschappelijk onderzoek dat ten doel heeft de menselijke onvruchtbaarheid te verhelpen, moet aangemoedigd worden op voorwaarde dat het gericht is "op dienstbaarheid aan de menselijke persoon, aan zijn onvervreemdbare rechten, aan zijn waarachtig en integraal welzijn, en wel in overeenstemming met het plan en de wil van God". Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 2
De technieken die leiden tot een verstoring van de verwantschap door tussenkomst van iemand, vreemd aan het echtpaar, (afstaan van sperma of eicel, draagmoederschap) zijn hoogst verwerpelijk. Deze technieken (heterologe kunstmatige inseminatie en bevruchting) schenden het recht van het kind om geboren te worden uit een vader en een moeder, die het kent en die door het huwelijk met elkaar verbonden zijn. Zij gaan in tegen "het exclusieve recht dat men slechts vader en moeder wordt door eenwording van de een met de ander". Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 15
Wanneer bij deze technieken (homologe kunstmatige inseminatie en bevruchting) alleen de echtgenoten zelf worden ingeschakeld, zijn ze misschien minder zwaar te veroordelen, maar ze blijven toch moreel onaanvaardbaar. De seksuele daad wordt immers gescheiden van de voortplantingsdaad. De handeling waardoor het kind tot leven wordt gewekt, is dan geen handeling meer waarin twee personen zich aan elkaar geven; "het leven en de identiteit van het embryo worden toevertrouwd aan medische en biologische specialisten, en men maakt een begin met de overheersing van de techniek over de oorsprong en bestemming van de menselijke persoon. Een dergelijke verhouding van overheersing is op zichzelf in strijd met de waardigheid en de gelijkheid, die gemeenschappelijk moeten zijn aan ouders en kinderen". Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 18 "Wanneer de voortplanting niet gewild wordt als een vrucht van de huwelijksdaad, d.w.z. van de specifieke daad van eenwording van de echtgenoten, wordt ze in moreel opzicht beroofd van haar eigen volmaaktheid (...) Enkel het eerbiedigen van de band die er bestaat tussen de betekenissen van de huwelijksdaad en de eerbied voor de eenheid van het menselijk wezen, kunnen leiden tot een voortplanting die in overeenstemming is met de waardigheid van de menselijke persoon". Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 17
Het kind behoort niet tot de categorie van het "moeten", maar tot die van het "krijgen". Het "mooiste geschenk van het huwelijk" is de geboorte van een mens. Men mag het kind niet zien als een eigendomsobject. Tot die opvatting zou men komen, als men een zogenaamd "recht op een kind" erkent. In dit domein is er enkel het kind dat werkelijke rechten kan laten gelden: "vrucht te zijn van de specifieke daad van de echtelijke liefde van zijn ouders en eveneens het recht om als persoon geëerbiedigd te worden vanaf het moment van de conceptie". Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 21
Het Evangelie leert ons dat fysieke onvruchtbaarheid geen absoluut kwaad is. De echtgenoten die, na alle geoorloofde medische hulp te hebben aangewend, onder onvruchtbaarheid lijden, mogen hun troost zoeken bij het Kruis van de Heer, bron van elke geestelijke vruchtbaarheid. Zij kunnen hun edelmoedigheid tonen door verlaten kinderen te adopteren af door veeleisende diensten te bewijzen aan hun naaste.

Man en vrouw zijn "voor elkaar gemaakt". niet dat God ze slechts "half" of "onaf" gemaakt zou hebben; Hij heeft hen geschapen om een gemeenschap van personen te vormen, waarbij ieder een "hulp" voor de ander kan zijn, omdat zij tegelijkertijd als persoon gelijk zijn ("been van mijn gebeente...") en elkaar als mannelijk en vrouwelijk wezen aanvullen. In het huwelijk verenigt God hen en wel zo dat ze door "volkomen één te worden" (Gen. 2, 24) het menselijk leven kunnen doorgeven: "Weest vruchtbaar en wordt talrijk, bevolkt de aarde" (Gen. 1, 28). Door aan hun afstammelingen het menselijke leven door te geven werken man en vrouw, als echtgenoten en ouders, op een unieke manier mee aan het werk van de Schepper. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 50. § 1

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 15 december 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam