• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De betekenis van de christelijke dood
Dankzij Christus heeft de christelijke dood een positieve betekenis. "Voor mij is leven Christus en sterven winst" (Fil. 1, 21)". "Hoe waar is dit woord: Als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij met Hem leven" (2 Tim. 2, 11). Hierin is het wezenlijk nieuwe van de christelijke dood gelegen: door het doopsel is de christen op sacramentele wijze al "gestorven met Christus" om een nieuw leven te beginnen; en als wij in de genade van Christus sterven, is de lichamelijke dood de volle verwerkelijking van dit "sterven met Christus" en voltooit hij onze inlijving in Hem in zijn verlossende heilsdaad.
Voor mij is het beter te sterven in (eis) Christus dan te heersen over de uiteinden der aarde. Hem zoek ik die voor ons gestorven is, naar Hem verlang ik die voor ons is opgestaan Mijn geboorte is nabij. (..) Laat mij het heldere licht ontvangen: eenmaal daar gekomen, zal ik pas ten volle mens zijn. H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Romeinen, Epistula ad Romanos. 6,1-2, vert. Getijdenboek Lect. 1,8,190

Alinea's in de marge van alinea 1010

De christelijke zin van de dood wordt geopenbaard in het licht van het paasmysterie van de dood en de verrijzenis van Christus, in wie onze enige hoop is gelegen. De Christen die in Christus Jezus sterft, "verhuist uit dit lichaam om zijn intrek te nemen bij de Heer" (2 Kor. 5, 8).

Op de dag van zijn sterven begint voor de Christen aan het einde van zijn sacramenteel leven de voltooiing van zijn nieuwe geboorte, die met het Doopsel een aanvang nam. Op die dag begint de definitieve "gelijkvormigheid" naar "het beeld van zijn Zoon", die werd meegedeeld door de zalving met de Heilige Geest. Zelfs al moet een Christen nog een laatste loutering ondergaan, alvorens hij met het bruiloftskleed getooid kan worden, op die dag begint de deelname aan het gastmaal van het koninkrijk, waarvan de Eucharistie het onderpand vormde.

De Kerk, die als een moeder op sacramentele wijze de christen tijdens zijn aardse pelgrimstocht in haar schoot heeft gedrag en, begeleidt hem op het einde van zijn tocht, om hem "in de handen van de Vader" toe te vertrouwen. In Christus draagt zij het kind van haar genade op aan de Vader, en de kiem van het lichaam dat in heerlijkheid zal verrijzen, Vgl. 1 Kor. 15, 42-44 vertrouwt zij hoopvol aan de aarde toe. Deze offerande wordt ten volle gevierd door het offer van de Eucharistie; de zegeningen die aan de Eucharistie voorafgaan en die erop volgen zijn sacramentalia.

De kerkelijke uitvaart is een liturgische viering van de Kerk. Het dienstwerk van de Kerk wil hier de vruchtbare communio met de overledene tot uitdrukking brengen en tegelijk met de gemeenschap, die voor de uitvaart verzameld is, bij deze "communio" betrekken en haar het eeuwig leven verkondigen.
De verschillende uitvaartriten drukken het paaskarakter van het christelijk sterven uit en beantwoorden aan de situaties en tradities van de verscheidene streken, zelfs wat betreft de liturgische kleur. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 81
De Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten
Ordo Exsequiarum
Orde van dienst voor de uitvaartliturgie (15 augustus 1969)
(uitvaartliturgie) van de Romeinse liturgie stelt drie vieringstypen van uitvaarten voor, die overeenkomen met de drie plaatsen waar ze gehouden worden (in het huis van de overledene, in de kerk, op het kerkhof) en die men kan aanpassen aan het belang dat de familie, de plaatselijke gewoonten, de cultuur en de volksvroomheid eraan hechten. Het verloop is trouwens in alle liturgische tradities hetzelfde en heeft vier kernmomenten:
De begroeting van de gemeenschap. De viering wordt geopend met een geloofsgroet. De verwanten van de overledene worden ontvangen met een woord van "troost" (in Nieuwtestamentische zin: de kracht van de Heilige Geest in de hoop Vgl. 1 Tess. 4, 18 ). Ook de biddende gemeenschap die zich verzameld heeft, verwacht "woorden van eeuwig leven". De dood van een lid van de gemeenschap (of de herdenking op de verjaardag, de zevende of dertigste dag) is een gebeurtenis waarbij de perspectieven van "deze wereld" overstegen moeten worden en die de gelovigen moet plaatsen binnen de echte perspectieven van het geloof in de verrezen Christus.
De Liturgie van het Woord tijdens uitvaarten moet met aandacht voorbereid worden, te meer omdat onder de aanwezigen ook gelovigen kunnen zijn die niet zo vaak liturgie vieren, of vrienden van de overledene die niet christen zijn. Met name de homilie "mag geen lijkrede zijn", Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Orde van dienst voor de uitvaartliturgie, Ordo Exsequiarum (15 aug 1969), 41. vert. uit Lat. en moet het mysterie van het christelijk sterven beschouwen in het licht van de verrezen Christus.
Het eucharistisch offer. Wanneer de viering in de kerk plaats vindt, is de Eucharistie het hart van het Paasmysterie dat in het sterven van een Christen gestalte krijgt. Vgl. Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Orde van dienst voor de uitvaartliturgie, Ordo Exsequiarum (15 aug 1969), 1 Daar drukt de Kerk haar feitelijke gemeenschap met de overledene uit: wanneer zij in de Heilige Geest het offer van de dood en de verrijzenis van Christus aan de Vader aanbiedt, vraagt zij dat haar kind gereinigd mag worden van zijn zonden en de gevolgen ervan, en dat hij deel mag hebben aan de volheid van het paasgebeuren door aan te zitten aan de tafel van het Koninkrijk. Vgl. Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Orde van dienst voor de uitvaartliturgie, Ordo Exsequiarum (15 aug 1969), 57 Wanneer de Eucharistie op deze wijze gevierd wordt, leert de geloofsgemeenschap, in het bijzonder de familie van de overledene, zich te verenigen met degene die "in de Heer ontslapen is". Zij doet dit door deel te nemen aan het lichaam van Christus, waarvan de overledene een levend lidmaat is, en door voor en met de overledene te bidden.
Het afscheid van de overledene is zijn aanbeveling bij God door de Kerk. Het is "een laatste vaarwel door de christengemeenschap aan de overledene, voordat diens lichaam wordt uitgedragen en begraven". Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Orde van dienst voor de uitvaartliturgie, Ordo Exsequiarum (15 aug 1969), 10. vert. De uitvaartliturgie (NL), 9-10; De Orde van Dienst voor de Uitvaartliturgie (B), 13 In de Byzantijnse traditie wordt dit uitgedrukt door de overledene een afscheidskus te geven.

Door deze laatste groet "zingt men omwille van zijn vertrek uit dit leven en zijn afscheid, maar ook omdat er een gemeenschap en een hereniging is.Door de dood worden wij inderdaad niet van elkaar gescheiden, want we gaan allen dezelfde weg en we zullen elkaar op dezelfde plaats terugvinden. Nooit zullen wij gescheiden worden, want wij leven voor Christus, en nu zijn wij verenigd in Christus; wanneer wij naar Christus toegaan (... ) zullen we allen te samen in Hem zijn". H. Symeon van Thessalonica, De Ordine Sepulturae. vert. uit Gr.

Terwijl bronwater symbool is voor het leven, is zeewater dat voor de dood. Daarom kon het water een beeld zijn van het mysterie van het kruis. Deze symboliek maakt dat het Doopsel de gemeenschap met de dood van Christus aanduidt.

Document

Naam: CATECHISMUS VAN DE KATHOLIEKE KERK
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 15 augustus 1997
Copyrights: © 1997, Libreria Editrice Vaticana
waarin verwerkt niet officiële aanpassing aan de "editio typica"
Bewerkt: 15 december 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam