Documentselectie: 
Home Actueel Dossiers Referenties Reactie Donatie Colofon
Zoek op trefwoord:
in
Of: zoek alineanr. in dit document
Of: zoek op datum: t/m

Naam: LUMEN GENTIUM
Over de Kerk
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Datum: 21 november 1964
Copyrights: © 1965, Ecclesia Docens nr. 0713. Uitg. Gooi & Sticht, Hilversum

Internetadres
Print deze pagina
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document

Deze site is er voor u,
uw gift is voor deze site.
Via iDEAL kunt u veilig en
snel uw gift overmaken.
Klik hier voor meer informatie.

► Idee, initiatief en verspreiding:
© Stichting InterKerk (contact)


► Techniek: © InterBrug

Vanuit documenten:

► ...

Vanuit dossiers:

Diaken
Kerk
► ...

Pagina delen:
|
LUMEN GENTIUM
Over de Kerk
(Soort document: 2e Vaticaans Concilie - Constitutie)

21 november 1964

LUMEN GENTIUM
Over de Kerk
HOOFDSTUK 5  -  De algemene roeping tot heiligheid in de Kerk
ARTIKEL 3  -  De beoefening van de heiligheid in alle rangen van de Kerk

Allen beoefenen in de verscheidenheid van levensvormen en levenstaken een en dezelfde heiligheid, allen die zich laten leiden door de Geest van God, gehoorzamen aan de stem van de Vader, God de Vader in geest en waarheid aanbidden en Christus volgen in zijn armoede, nederigheid en kruis, om deelachtig te mogen worden aan zijn heerlijkheid, Iedereen moet volgens zijn eigen gaven en plichten zonder aarzelen voortaan op de weg van het levend geloof, dat de hoop ontsteekt en werkzaam is door de liefde.

A. De bisschoppen

Op de eerste plaats moeten de herders van Christus' kudde naar het voorbeeld van de eeuwige Hogepriester, de Herder en Behoeder van onze zielen, hun ministerie uitoefenen met heiligheid en geestdrift, met nederigheid en sterkte. Doen zij dit, dan zal hun ministerie ook voor hen een machtig middel zijn tot heiliging. Door hun uitverkiezing tot de volheid van het priesterschap is hun de sacramentele genade geschonken om door gebed, het opdragen van het offer en door de prediking hun ambt van herderlijke liefde volmaakt te kunnen uitoefenen in alle vormen van hun bisschoppelijke zorg en dienstbetoon!  1   2   3  Deze genade schenkt hun de bereidheid, hun leven te geven voor de schapen, en helpt hen om, als een model voor de kudde  4 , de Kerk ook door hun voorbeeld tot een steeds grotere heiligheid te brengen.

B. De priesters

De priesters moeten evenals de bisschoppen, wier geestelijke kroon zij vormen  5 , delend in de genade van hun ambt door Christus, de eeuwige en enige Middelaar, door de dagelijkse uitoefening van hun bediening groeien in de liefde tot God en de naaste; zij moeten de onderlinge verbondenheid als priesters bewaren, uitmunten door een rijk geestelijk leven en voor allen een levend getuigenis zijn van God  6   7   8 , in navolging van al de priesters, die in de loop van de eeuwen een schitterend model van heiligheid waren door hun vaak nederig en verbogen dienstbetoon. Hun room leeft voort in de Kerk van waar zij hun eigen gelovigen en voor heel het volk Gods krachtens hun ambt bidden en het offer opdragen beseffend wat zij doen en navolgend wat zij voltrekken Ceremonieel van de priesterwijding, bij de begin-aansporing, daar mogen de zorgen de gevaren en de mogelijkheden van het apostolaat voor hun geen beletsel vormen, maar moet veeleer de weg zijn naar hogere heiligheid, waarbij hun activiteit voedsel en steun moet vinden in een rijkdom van innerlijk leven. Zo zullen ze een vreugde zijn voor heel de Kerk van God. Alle Priesters en vooral zij dij krachtens de bijzondere titel van hun wijding diocesane Priester worden genoemd, moet goed voor ogen houden, hoezeer een trouwe verbondenheid en een edelmoedige samen werken met hun bisschop bijdraagt tot hun heiliging.

C. De lagere geestelijken en de lekenapostelen

In de zending en de genade van het bisschopsambt delen ook op bijzondere wijze de bedienaars van lagere rang, vooral de diakens. Zij wijden hun dienst aan de mysteries van Christus en de Kerk.  9 , en moeten zich daarom rein houden van al wat slecht is, God behagen, en zich beijveren al het goede te doen ten overslaan van de mensen  10 . De clerici die door God zijn geroepen en voor Hem zijn afgezonderd, en zich onder de waakzame zorg van de bisschoppen voorbereiden op het heilige dienstwerk, hebben de plicht hun geest en hart af te stemmen op hun verheven uitverkiezing door volhouden te zijn in het gebed, vurig in de liefde en bedacht op al wat waar, wat rechtvaardig is en lof verdient, heel hun handelen richtend op glorie en de eer van God. Dan zin er nog de door God uitverkoren leden, die door de bisschoppen worden geroepen om zich geheel te wijden aan het apostolaat en met veel vruchten arbeiden op de akker van de Heer.  11 

D. De gehuwden, ongehuwden, de arbeiders

De Christelijke echtgenoten en ouders moeten volgens hun eigen staat met trouwe liefde gedurende heel hun aardse bestaan elkaar steunen in het genadeleven: zij moten de kinderen, die God hun schenkt, met liefde aanvaarden en hun de Christelijke leer en de evangelische deugen bijbrengen. Hierdoor geven zij aan allen de, vestigen zij een boodschap van liefde en zijn zij de getuigen van de vruchtbaarheid van onze Moeder de Kerk, en werken zij mee aan deze vruchtbaarheid. Dit alles als een manifestatie van en deel hebben aan die liefde waarmee Christus zijn Bruid heeft liefgehad en zich voor haar heeft overgeleverd.  12   13  Ditzelfde voorbeeld wordt op een andere manier gegeven door de weduwen en de ongehuwden: Ook zij kunnen zeer veel bijdragen tot de heiligheid en activiteit in de Kerk. De arbeiders, die vaak zulk een zware arbeid hebben, moeten door hun menselijk werken zichzelf vervolmaken, hun medeburgers behulpzaam zijn en heel de samenleving en de schepping veredelen. Ook moeten zij Christus, die handenarbeid heeft willen verrichten en steeds met de Vader werkzaam is aan het heil van alle mensen, navolgen in daadwerkelijke liefde, met blijde hoop en elkaars lasten dragend. Zo moeten zij juist door hun dagelijkse arbeid groeien in heiligheid en apostolische geest

E. De lijdenden en vervolgden

Degenen, die gebukt gaan onder armoede, zwakte, ziekte en allerlei moeilijkheden, moeten zich bewust zijn van hun bijzondere verbondenheid met Christus, die geleden heeft voor het heil van de wereld. Dit geldt ook voor hen, die vervolgd worden om de gerechtigheid en die door de Heer in het Evangelie zalig zijn geprezen. Hen zal "de God van alle genade, die ons in Christus tot zijn eeuwige heerlijkheid heeft geroepen, na een kortstondig lijden herstellen en bevestigen, sterken en grondvesten" (1 Pt. 5, 10).
Alle gelovigen zullen dus steeds meer worden geheiligd in en door hun levensstaat, hun werkzaamheden en levensomstandigheden, indien zij alle met geloof aanvaarden uit de hand van de hemelse Vader en meewerken met Gods wil, doordat zij de liefde, waarmee God de wereld heeft liefgehad, aan allen manifesteren in hun aardse dienstbetoon.


1 Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. II-II, q. 184, a. 5 en 6
2 Vgl. H. Thomas van Aquino, De perf. Vitae spirit.. c. 18
3 Vgl. Origenes van Alexandrië, In Jes. Hom.. 6, 1: P.G. 13, 239
4 Vgl. 1 Petr. 5, 3
5 Vgl. H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Magnesiërs, Epistula ad Magnesios. 13, 1: ed. Funk, I, p. 241
6 Vgl. H. Paus Pius X, Apostolische Exhortatie, Over de heiligheid van de priesters, Haerent animo - Ad Clerum (4 aug 1908), 5-10
7 Vgl. Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 124
8 Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over het Katholieke priesterschap, Ad Catholici Sacerdotii fastigium (29 dec 1935), 36-45
9 Vgl. H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de christenen van Trallia, Epistula ad Trallianos. 2, 3: ed. Funk, 1, p. 244.
10 Vgl. 1 Tim. 3, 8-10.12-13
11 Vgl. Paus Pius XII, Toespraak, Sous la maternelle protection (9 dec 1957), 9-11
12 Paus Pius XI, Encycliek, Over het Christelijk huwelijk, met inachtneming der in gezin en maatschappij heersende toestanden, noden, dwalingen en misbruiken, Casti Connubii (31 dec 1930), 28-31
13 Vgl. H. Johannes Chrysostomos, Preken over de Brief aan de Efeziërs, In epistulam ad Ephesios. 20, 2: P.G. 62, 136 vv.
© 1965, Ecclesia Docens nr. 0713. Uitg. Gooi & Sticht, Hilversum