(Soort document: Z. Paus Johannes Paulus II - Toespraak)
Paus Johannes Paulus II - 11 mei 1985
![]() |
|
Deze site is er voor u,
|
► Design: © Jaimy Dix Reclamebureau
► Techniek: © InterBrug
|
Vanuit documenten:
Vanuit dossiers: |
| Pagina delen: |
Paus Johannes Paulus II - 11 mei 1985
|
Ik groet U, Excellentie, en dank U voor Uw aanwezigheid als vertegenwoordiger van de Nederlandse regering. Uw tegenwoordigheid is meer dan een gebaar van beleefdheid. Zij is een teken van de goede band, die er is tussen dit land en de Heilige Stoel. Een teken van de blijvende wil tot begrip en samenwerking in het belang van Nederland en van de mensheid. Gaarne groet ik ook U, Hooggeachte Heer Commissaris van de Koningin voor de provincie Noord-Brabant.
U, monseigneur de aartsbisschop, ben ik zeer dankbaar voor Uw hartelijke welkomstgroet. Ik heb met genoegen geluisterd naar het beknopte, maar levendige overzicht van de evangelisatie van Nederland, vanaf de tijd van Sint Servatius, Sint Willibrordus en Sint Bonifatius tot aan onze tijd. Ik waardeer ten zeerste Uw betuiging van de gehechtheid van de Nederlandse katholieken aan de Zetel van Rome. Een gehechtheid, die dieper is, dan uit sommige bladzijden van de godsdienstige geschiedenis van het heden zou kunnen blijken. Ik heb eveneens met genoegen geluisterd naar de uitdrukking van Uw hoop ten opzichte van de jeugd en ten overstaan van de geestelijke crisis, die de westerse wereld doormaakt. Met U, monseigneur, groet ik mijn broeders, de bisschoppen van Breda, Groningen, Haarlem, 's-Hertogenbosch, Roermond en Rotterdam en de hier aanwezige hulpbisschoppen. Ik richt ook een hartelijke groet tot allen, die persoonlijk of namens verschillende organisaties mij, vanaf dit eerste ogenblik van mijn bezoek, hun respect willen betuigen. Tenslotte groet ik alle bewoners van het Koninkrijk der Nederlanden. Graag zou ik U langer en op meer vertrouwelijke wijze willen bezoeken. Want de vriendschap ontstaat en groeit door echt met anderen kennis te maken, die altijd anders blijken te zijn dan men gedacht had. Ik zou graag alle plaatsen willen bezoeken die U dierbaar zijn: de oude steden van gewest tot gewest, de vele dorpen tussen de Waddenzee en de Schelde, de musea met de schilderstukken van Uw grote meesters. Ik zou naar Uw scholen en universiteiten willen gaan, naar Uw industriële bedrijven en Uw havens, waar de arbeiders werken, naar de polders, naar de ziekenhuizen, enzovoorts. Ik zal in ieder geval mijn best doen het leven van Uw land goed te observeren, teneinde het beter te begrijpen en nog meer te waarderen in al zijn positieve en boeiende aspecten. |
||